← Nederland

Sectorale arbeidsvoorwaardenregelingen waterschapspersoneel (SAW) 2013 - Deel 1 (Waterschap Brabantse Delta)

In het kort

Deze wet, genaamd Sectorale Arbeidsvoorwaardenregelingen Waterschapspersoneel (SAW) 2013 - Deel 1, regelt de bindende arbeidsvoorwaarden voor personeel werkzaam bij waterschappen. Het zorgt ervoor dat deze regelingen uniform en onverkort van kracht zijn bij alle waterschappen.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Sectorale arbeidsvoorwaardenregelingen waterschapspersoneel (SAW) 2013 - Deel 1 Sectorale Arbeidsvoorwaardenregelingen Waterschapspersoneel (SAW) 2013 Deel 1: bindende regelingen 1 Werking en begripsbepaling 1.1 Werking Artikel 1.1.1 SAW 1. De SAW bestaat uit twee delen, te weten deel 1 en deel 2. 2. Deel 1 betreft de regelingen die voor de waterschappen bindend zijn. Dit houdt in dat deze regelingen bij alle waterschappen onverkort van kracht zijn. Waterschappen kunnen geen betere of slechtere regelingen vaststellen. 3. Deel 2 betreft de basisregelingen. De basisregelingen gelden als een waterschap geen vergelijkbare regeling of geen regeling van vergelijkbare strekking kent. Lokaal kan met overeenstemming van het GO of instemming (artikel 27 WOR) van de OR een vergelijk-bare regeling of regeling van vergelijkbare strekking gehandhaafd of overeengekomen worden. 4. Het dagelijks bestuur van het waterschap stelt de SAW vast. 5. Personele c.q. rechtspositionele verordeningen worden door het dagelijks bestuur vastgesteld, nadat overleg heeft plaatsgevonden met vakorganisaties conform de overlegre-geling of de Ondernemingsraad conform de Wet op de Ondernemingsraden. Artikel 1.1.2 Toepassing 1. De bepalingen van deel 1 SAW kunnen tevens van toepassing zijn op ambtenaren van wie de rechtstoestand dwingendrechtelijk bij of op grond van de wet is geregeld. In dat geval gelden de bepalingen van deel 1 SAW slechts aanvullend, te weten voor zover die rechtstoestand niet bij of op grond van de wet dwingendrechtelijk geregeld is. 2. Het dagelijks bestuur kan, om bijzondere redenen, na overleg met de medezeggenschap, besluiten dat de bepalingen of sommige daarvan, van de SAW deel 1 niet van toepassing zijn op ambtenaren of groepen van ambtenaren. Artikel 1.1.3 Voorschriften en instructies Met inachtneming van het bepaalde in de SAW deel 1 kan het dagelijks bestuur, indien dit naar zijn oordeel nodig of wenselijk is: bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de bepalingen dezer regeling, alsmede ten behoeve van het functioneren van de dienst; instructies vaststellen ten aanzien van functies en bij de vervulling daarvan te volgen werkwijzen. Artikel 1.1.4 Organisatiewijziging 1. Indien door het dagelijks bestuur wordt voorgesteld verandering te brengen in de inrich-ting van enig dienstonderdeel, vallend onder het adviesrecht van artikel 25 WOR, dan stelt het dagelijks bestuur de commissie voor georganiseerd overleg als bedoeld in artikel 12.1 hiervan op de hoogte. 2. Het dagelijks bestuur stelt in geval van een ingrijpende verandering in de inrichting van enig dienstonderdeel regels vast betreffende: de fase waarin ter zake van die verandering het overleg wordt gevoerd met de commissie als bedoeld in artikel 12.1; de wijze waarop en de fase waarin de bij die verandering betrokken ambtenaren worden gehoord; de personele gevolgen van die verandering. 3. Over het voornemen al dan niet regels als bedoeld in het vorige lid vast te stellen wordt overleg gevoerd met de commissie als bedoeld in artikel 12.1. Artikel 1.1.5 Beschikbaar zijn rechtspositieregelingen 1. De SAW en alle wijzigingen in de SAW en de door het bestuur vastgestelde regelingen worden de ambtenaar bekend gemaakt. 2. Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van alle voor hem geldende regelingen. 3. Wanneer de ambtenaar vastgestelde regelen als bedoeld in lid 2 heeft na te leven, die niet schriftelijk zijn vastgesteld, worden deze behoorlijk te zijner kennis gebracht. 4. Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in het eerste lid bedoelde stukken: de centrales van overheidspersoneel die deelnemen aan het arbeidsvoorwaardenoverleg in het Landelijk Arbeidsvoorwaardenoverleg Waterschapsambtenaren; de organisaties die blijkens hun statuten de belangen van waterschapsambtenaren behartigen en aangesloten zijn bij de onder a aangeduide centrales; ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het dagelijks bestuur in aanmerking komt. Artikel 1.1.6 Belangenbehartiging De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij de (algemeen) directeur en bij het dagelijks bestuur voor te dragen. Artikel 1.1.7 Vaststelling SAW deel 1 1. De SAW deel 1 is, als onderdeel van het akkoord over de arbeidsvoorwaarden van de waterschapsambtenaren, vastgesteld tijdens de vergadering van het LAWA op 13 december 2012. 2. De SAW deel 1 is het laatst gewijzigd per 1 januari 2013. Artikel 1.1.8 Vaststelling SAW deel 2 1. De SAW deel 2 is, als onderdeel van het akkoord over de arbeidsvoorwaarden van de waterschapsambtenaren, vastgesteld tijdens de vergadering van het LAWA op 13 december 2012. 2. De SAW deel 2 is het laatst gewijzigd per 1 januari 2013. 1.2 Begripsbepaling In deze regeling wordt verstaan onder: Artikel 1.2.1 Begripsbepalingen en –omschrijvingen 1. Voor de toepassing van deze regeling en de bijlagen wordt verstaan onder: aangeklaagde: de ambtenaar van het Waterschap ABP: Stichting Pensioenfonds ABP; ambtenaar: hij die door of vanwege het waterschap is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn; arbeidscontractant: hij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is gesloten, hij wordt niet beschouwd als ambtenaar voor de toepassing van deze regeling; arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid van de aks bedoeld in hoofdstuk 1 van de WIA; beoordelingsbevoegde: degene die gemandateerd is tot het formeel vaststellen en wijzigen van de beoordeling; bezoldiging: het salaris vermeerderd met de vaste toelagen, indien en voor zover deze toelagen niet het karakter hebben van een onkostenvergoeding en uitgezonderd het IKB-collectief. bovenwettelijke uitkering: de aanspraken die de ambtenaar kan ontlenen aan hoofdstuk 9.2, te weten de aanvullende uitkering als omschreven in artikel 9.2.1 t/m artikel 9.2.12 van deze paragraaf en de aansluitende uitkering als omschreven in artikel 9.2.13 t/m artikel 9.2.26 van deze paragraaf, met uitzondering van de waterschapswerkloosheidsuitkering als bedoeld in artikel 9.2.8, lid 3; competenties: de competenties waarover concrete afspraken zijn gemaakt als bedoeld in artikel 3.1.7 lid 2 SAW; conversie: de vertaling van de functierangorde naar functieschalen; dagloon: het dagloon in de zin van de Werkloosheidswet zonder toepassing van de maximumdagloongrens van artikel 17 eerste lid van de Wet financiering sociale verzekeringen, met uitzondering van het gestelde in artikel 9.2.11 lid 3; dagvenster: de periode waarop de ambtenaar werkt zonder toeslagen, maandag, dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag van 07.00 uur tot 19.00 uur. deeltijdwerk: een aanstelling of contract waarbij de gemiddelde arbeidsduur over een jaar minder is dan bij een volledige aanstelling of contract; dienstwoning: de door het dagelijks bestuur aan de belanghebbende in verband met de uitoefening van zijn functie aangewezen woning; doel: de arbeidsvoorwaardelijke bestemmingsmogelijkheden in het Individueel Keuzebudget waaruit de ambtenaar kan kiezen; feestdagen: nieuwjaarsdag, tweede paasdag, Hemelvaartsdag, tweede pinksterdag, de beide kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de koningin wordt gevierd; FPU: de regeling Flexibel Pensioen en Uittreden bedoeld in artikel 2 van de Centrale VUT–overeenkomst overheid- en onderwijspersoneel en artikel 1.1 van het pensioenreglement; functie: het geheel van werkzaamheden dat door de ambtenaar dient te worden uitgevoerd in opdracht van het bevoegd gezag; functiewaardering: het door het dagelijks bestuur op methodische wijze naar zwaarte rang ordenen van functies volgens het daarvoor vastgestelde reglement functiewaardering; garantiesalaris: het gegarandeerde salaris bij plaatsing in een lagere functieschaal. Naast salaris krijgt de ambtenaar een toelage onder benamingen als: fusietoelage, herplaatsingstoelage, garantietoelage, functiewaarderingstoelage; geregistreerd partnerschap: waar staat echtgeno(o)t(

  1. e)of huwelijk moet tevens partner of geregistreerd partnerschap als bedoeld in boek 1 titel 5a, art. 80a t/m 809 van het BW; gezinsleden: de echtgenoot of levenspartner van de belanghebbende en de kinderen, stief– en pleegkinderen van hemzelf en/of van zijn echtgenoot of levenspartner, voor zover zij met hem samenwonen; graden van bloed- aanverwantschap: zie onderstaand schema; IKB-collectief: een collectieve aanspraak in geld opgebouwd volgens artikel 3.2.3 en artikel 3.2.4; IVA: Regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten; klacht: een klacht over ongewenst gedrag binnen of in samenhang met de werksituatie, tot uiting komend in verbaal, fysiek en/of ander non–verbaal gedrag; klager: de natuurlijke persoon die een klacht heeft ingediend; LAWA: Landelijk Arbeidsvoorwaardenoverleg Waterschappen; leidinggevende: degene die voor de toepassing van de gespreksregeling als direct (hiërarchisch) leidinggevende is aangewezen; levenspartner: de persoon met wie de niet-gehuwde ambtenaar duurzaam samenwoont en een gemeenschappelijk huishouden voert, hetgeen blijkt uit een schriftelijke verklaring, ingericht volgens door het dagelijks bestuur nader te stellen regels; maximum salaris: het hoogste bedrag in een salarisschaal; Meldpunt Klokkenluider: een onafhankelijke commissie of persoon die als zodanig door het algemeen bestuur is aangewezen; Misstand, vermoeden van: een op redelijke gronden gebaseerd vermoeden met betrekking tot de waterschapsdienst betreffende: een strafbaar feit; een schending van regelgeving of beleidsregels; het misleiden van justitie; een gevaar voor de volksgezondheid, de veiligheid of het milieu, of het bewust achterhouden van informatie over deze feiten. Osv 1997: Organisatiewet Sociale Verzekeringen 1997; pensioen: een pensioen in de zin van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP; pensioenwet: de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die gold tot en met 31 december 1995; resultaten: de resultaten waarover concrete afspraken zijn gemaakt als bedoeld in artikel 3.1.7 lid 2 SAW; salaris: het bruto bedrag per maand dat aan de ambtenaar is toegekend volgens een salarisschaal of, indien voor de functie een vast bedrag geldt, dit bedrag. Het bruto maandsalaris wordt tevens gebaseerd op het aantal arbeidsuren in de aanstelling. Ook andere afspraken kunnen de hoogte van het maandsalaris beïnvloeden; salaris per uur: 1/156ste van het salaris per maand volgens een salarisschaal; salarisschaal: een bandbreedte waarbinnen het salaris wordt vastgesteld. Het minimumbedrag en het maximum bedrag bij een gemiddelde arbeidsduur van 36 uur zijn opgenomen in de Salarisschalen Waterschapspersoneel, behorende bij deze regeling; SAW: de Sectorale arbeidsvoorwaardenregelingen waterschapspersoneel; sector waterschappen: organisaties die de SAW toepassen; standplaats: het waterschap of het met name genoemde gedeelte van het waterschap waar of van waaruit de ambtenaar gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht; dan wel, indien de uitoefening van het ambt zich uitstrekt over een ambtsgebied, de door het dagelijks bestuur aangewezen plaats; SUWI: de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen; uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 39, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997; UWV: het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet SUWI; verplaatsen en verplaatsing: veranderen onderscheidenlijk verandering van het woongebied van de belanghebbende in opdracht van het dagelijks bestuur in het belang van de dienst; volledige aanstelling of contract: een aanstelling of contract waarvan de arbeidsduur gemiddeld over een jaar berekend 36 uur per week bedraagt; xx. Wajong: Wet arbeidsongeschiktheidvoorziening jonggehandicapten; WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering; WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen; werkloosheid: werkloosheid in de zin van artikel 16 van de Werkloosheidswet; WGA: Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten; WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen; woongebied: het gebied waarin de ambtenaar ingevolge artikel 6.2.17 verplicht is te wonen; woonplaats: de gemeente of het bij name genoemde deel daarvan, waar de belanghebbende woonachtig is; WOR-bestuurder: hij die alleen dan wel tezamen met anderen in een onderneming rechtstreeks de hoogste zeggenschap uitoefent bij de leiding van de arbeid; ZW: de Ziektewet; ZW–uitkering: ziekengeld of uitkering krachtens de ZW. 2. Voor de toepassing van de in deze regeling aangehaalde artikelen van het Burgerlijk Wetboek wordt onder ‘werkgever’ verstaan: het dagelijks bestuur en onder ‘werknemer’ de ambtenaar of arbeidscontractant. 3. Tot de openbare dienst van het waterschap behoren alle diensten en bedrijven door het waterschap beheerd. 2 Dienstverband en werkgelegenheid 2.1 Aanstellingen Artikel 2.1.1 Bevoegdheid De aanstelling geschiedt door het dagelijks bestuur, tenzij bij of krachtens wet of besluit van het algemeen bestuur anders is bepaald. Artikel 2.1.2 Aanstelling 1. Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie – na een daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan gehouden onderzoek – kan worden aangenomen dat hij in voldoende mate beschikt over de hoedanigheden tot het verrichten van de hem op te dragen werkzaamheden. 2. Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld dat betrokkene in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. 3. De vreemdeling zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000 kan slechts voor een aanstelling of een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in aanmerking komen indien hij beschikt over een tewerkstellingsvergunning tenzij hij van deze verplichting is uitgesloten krachtens artikel 3 van de Wet arbeid vreemdelingen (WAV). 4. Het dagelijks bestuur treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid van de gegevens, ontvangen op grond van het in lid 1 bedoelde onderzoek, te allen tijde wordt gegarandeerd. Artikel 2.1.3 Geneeskundig onderzoek bij aanstelling 1. Het dagelijks bestuur stelt, met inachtneming van het bepaalde in de Wet op de medische keuringen, vast voor welke functies op grond van functie–eisen een geneeskundig onderzoek als bedoeld in het tweede lid noodzakelijk is. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.1.2 is aanstelling alleen mogelijk na een geneeskundig onderzoek, gericht op de te vervullen functie, waaruit blijkt dat tegen het vervullen van de functie uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan. Het geneeskundig onderzoek wordt ingesteld door de geneeskundige(n), daartoe aangewezen door het dagelijks bestuur. 3. De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van het waterschap. 4. De uitslag van het in lid 2 bedoelde geneeskundig onderzoek wordt uiterlijk binnen veertien dagen ter kennis gebracht van belanghebbende. Indien gebleken is dat tegen het vervullen van de in lid 2 bedoelde functie uit medisch oogpunt bezwaren bestaan, kan belanghebbende binnen veertien dagen na ontvangst van deze kennisneming een verzoek om herkeuring indienen bij het dagelijks bestuur. De herkeuring vindt zo spoedig mogelijk plaats en geschiedt door een commissie van drie geneeskundigen bestaande uit: een geneeskundige die niet aan het in lid 2 bedoelde onderzoek heeft deelgenomen, aan te wijzen door het dagelijks bestuur; een geneeskundige door de belanghebbende aan te wijzen; een door de onder a en b bedoelde geneeskundigen in onderling overleg of, indien dit overleg niet tot overeenstemming leidt, door het dagelijks bestuur aan te wijzen derde geneeskundige die eveneens niet aan het in lid 2 bedoelde onderzoek heeft deelgenomen. 5. Over de uitslag van de herkeuring wordt de belanghebbende schriftelijk geïnformeerd. De kosten verbonden aan de herkeuring komen ten laste van het waterschap. Indien echter de commissie of de meerderheid van de in deze commissie zitting hebbende geneeskundigen de medische bezwaren tegen belanghebbende voor het vervullen van de in lid 2 bedoelde functie gegrond acht, blijven de kosten van de geneeskundige bedoeld onder b ten laste van belanghebbende. Artikel 2.1.4 Vast of tijdelijk aanstellen 1. Aanstelling geschiedt vast of tijdelijk. 2. Vanaf de dag dat het bestuursorgaan aan dezelfde ambtenaar: tijdelijke aanstellingen heeft gegeven die elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, deze tussenpozen inbegrepen, hebben overschreden, geldt met ingang van die dag de laatste aanstelling als een vaste aanstelling; meer dan 3 tijdelijke aanstellingen heeft gegeven en die elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan 3 maanden, geldt de laatste aanstelling als een vaste aanstelling. Sub a is van overeenkomstige toepassing op elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten/aanstellingen gegeven aan een ambtenaar door verschillende werkgevers/bestuursorganen, die ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moeten worden elkaar opvolger te zijn. Sub a, onderdeel 1 en laatste zinsnede, is niet van toepassing op een aanstelling gegeven voor niet meer dan 3 maanden die onmiddellijk volgt op een door het bestuursorgaan aan dezelfde ambtenaar gegeven aanstelling voor 36 maanden of langer. 3. Bij een tijdelijke aanstelling die is aangegaan voor vervulling van de functie bij wijze van proef geldt een termijn van ten hoogste 12 maanden, deze termijn kan bij uitzondering met ten hoogste 12 maanden worden verlengd. Artikel 2.1.5 Volledige aanstelling Een volledige aanstelling is een aanstelling waarvan de arbeidsduur gemiddeld over een jaar berekend 36 uur per week bedraagt. Artikel 2.1.6 Structureel aanpassen gemiddelde arbeidsduur van de aanstelling Het dagelijks bestuur zal een verzoek van de ambtenaar om zijn gemiddelde arbeidsduur structureel te veranderen in beginsel honoreren, tenzij zwaarwegende bedrijf- of dienstbelangen zich daartegen verzetten. Artikel 2.1.7 Tijdelijke aanstelling in algemene dienst 1. De ambtenaar die in dienst treedt als trainee, wordt door het dagelijks bestuur aangesteld in algemene dienst voor bepaalde tijd. 2. Voor de duur van de tijdelijke aanstelling wordt een ontwikkelingsplan opgesteld. 3. Gedurende de tijdelijke aanstelling voert de ambtenaar taken uit die passen in dit ontwikkelingsplan. In het aanstellingsbesluit wordt geen functie vermeld. 4. De salarisschaal wordt vastgesteld op het niveau van de toegewezen taken. 5. Alle overige arbeidsvoorwaarden zijn gelijk aan een tijdelijke aanstelling in functie. Artikel 2.1.8 Aanstelling in algemene dienst 1. De ambtenaar die in tijdelijke dan wel vaste dienst treedt kan, in het kader van loopbaanontwikkeling volgens SAW hoofdstuk 11.3, door het dagelijks bestuur in algemene dienst worden aangesteld. 2. De ambtenaar in vaste dienst kan verzoeken om met het oog op loopbaanontwikkeling volgens SAW hoofdstuk 11.3, door het dagelijks bestuur in algemene dienst te worden aangesteld. 3. De ambtenaar, als bedoeld in lid 1 of 2, wordt iedere keer voor een periode van tenminste drie jaar en maximaal vijf jaar in een functie geplaatst, tenzij in overleg anders is bepaald. 4. In het schriftelijk bericht van aanstelling of plaatsing in algemene dienst wordt de periode van plaatsing in de functie (zie art. 2.1.11, lid 1, letter
  2. d)uitdrukkelijk vermeld. 5. De salarisschaal wordt vastgesteld op het niveau van de functie waarop de ambtenaar geplaatst wordt en dit is tenminste het niveau van de huidige salarisschaal. 6. Met de ambtenaar in algemene dienst wordt jaarlijks een loopbaangesprek gehouden met toepassing van het gestelde in SAW hoofdstuk 11.3. Dit loopbaangesprek richt zich op het in overleg komen tot een vervolgfunctie na afloop van de periode van plaatsing als bedoeld in lid 3. 7. Zolang er na afloop van de periode als bedoeld in lid 3 geen andere functie beschikbaar is blijft hij zijn functie voorlopig vervullen. 8. De ambtenaar kan na afloop van de periode als bedoeld in lid 3 ook opnieuw in dezelfde functie worden geplaatst. 9. De ambtenaar kan op eigen verzoek in een andere functie worden geplaatst dan wel tijdelijk met ander werk worden belast als hij voldoet aan de daaraan gesteld eisen van bekwaamheid en geschiktheid. 10. De ambtenaar kan worden verplicht na afloop van de periode van plaatsing in een functie als bedoeld in lid 3, een hem aangeboden andere functie te aanvaarden. Bij het aanbieden van een andere functie wordt door het dagelijks bestuur een opzegtermijn van tenminste twee maanden in acht genomen. Artikel 2.1.9 Aanstellen voor 40 uur per week gemiddeld over een jaar. 1. Het dagelijks bestuur kan voor een moeilijk vervulbare functie de ambtenaar aanstellen voor 40 uur per week gemiddeld over een jaar. 2. Voorafgaand aan de externe werving voor een moeilijk vervulbare functie is voor deze aanstellingsduur overleg met de ondernemingsraad noodzakelijk. 3. Het bestuur besluit in principe voor een termijn van vijf jaar de vacature in te vullen voor 40 uur. 4. Bij verandering van functie wordt de aanstelling van de ambtenaar aangepast naar 36 uur. Artikel 2.1.10 Arbeidsvoorwaarden bij aanstellen voor 40 uur. 1. Het salaris kan bij een aanstelling voor 40 uur vastgesteld worden op of doorgroeien naar 40/36ste van het maximum van de salarisschaal. 2. De ambtenaar die wordt aangesteld voor 40 uur is uitgesloten van het minderwerk uit artikel 4.1.3. 3. De ambtenaar die is aangesteld voor 40 uur, kan het dagelijks bestuur verzoeken de aanstelling te wijzigen naar een volledige aanstelling conform artikel 2.1.5. Artikel 2.1.11 Bericht van aanstelling 1. De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos een schriftelijk bericht van aanstelling. Dit bericht vermeldt: de naam van het waterschap en de plaats van vestiging; de naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum van de ambtenaar; de plaats of de plaatsen waar het werk wordt verricht; de functie van de ambtenaar; de dag met ingang waarvan de ambtenaar is aangesteld; de bezoldiging die de ambtenaar wordt toegekend en de termijn van uitbetaling van de bezoldiging; de aanspraak op verlof; de gemiddelde arbeidsduur per week; of de ambtenaar vast of tijdelijk wordt aangesteld; indien de aanstelling tijdelijk is wat de reden van de tijdelijkheid is en de duur van de aanstelling; dat de SAW van toepassing is. 2. Indien er wijzigingen in de aanstelling optreden betreffende de punten a tot en met j vermeld in het eerste lid, worden deze de werknemer kosteloos schriftelijk meegedeeld. 2.2 Arbeidsovereenkomst Artikel 2.2.1 Voorwaarden en duur Indienstneming op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht kan plaatsvinden: voor tijdelijke aanpassing van het personeelsbestand aan een wisselende behoefte, met een maximale duur van zes maanden; voor personen, die blijkens de bewoordingen van de arbeidsovereenkomst in dienst zijn genomen hoofdzakelijk ten behoeve van een reguliere opleiding of vorming, met een maximale duur van twee jaar; voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling voor gesubsidieerde arbeid, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen, voor ten hoogste de termijn gedurende welke de regeling op de werknemer van toepassing is; voor het verrichten van werkzaamheden die naar hun aard slechts beschikbaar zijn gedurende één of meer jaarlijks terugkerende perioden, voor een seizoen of een deel van een seizoen; Artikel 2.2.2 Arbeidsovereenkomst 1. De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud opgemaakt en door beide partijen ondertekend. 2. De arbeidscontractant ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos een schriftelijk bericht betreffende de arbeidsovereenkomst. Dit bericht vermeldt: de naam van het waterschap en de plaats van vestiging; de naam, voornamen, geboorteplaats en geboortedatum van de arbeidscontractant; de plaats of de plaatsen waar het werk wordt verricht; de functie van de arbeidscontractant; de datum van indiensttreding; het salaris en de eventuele toelagen en de termijn van uitbetaling van het salaris; de aanspraak op verlof; de gemiddelde arbeidsduur per week; de duur van de arbeidsovereenkomst; welke van de in artikel 2.2.1 genoemde gevallen aanwezig is; de van toepassing zijnde rechtspositieregeling. 3. Indien er wijzigingen in de arbeidsovereenkomst optreden betreffende de punten a tot en met j vermeld in het tweede lid, worden deze de arbeidscontractant kosteloos schriftelijk meegedeeld. Artikel 2.2.3 Aanvullende voorwaarden 1. De bepalingen van Boek 7 titel 10, van het Burgerlijk Wetboek zijn van toepassing op de arbeidsovereenkomst, met inachtneming van het gestelde in het tweede lid. 2. In afwijking van het gestelde in het eerste lid geldt dat ter zake van de beëindiging van een arbeidsovereenkomst die is aangegaan voor onbepaalde tijd, door werkgever dan wel door werknemer de volgende opzegtermijn in acht wordt genomen. De werkgever neemt een opzegtermijn in acht van tenminste twee maanden, indien de werknemer tenminste gedurende twee jaar onafgebroken werkzaam is geweest in de functie die eindigt. In alle andere gevallen neemt de werkgever een opzegtermijn van een maand in acht bij het beëindigen van een arbeidsovereenkomst die is aangegaan voor onbepaalde tijd. De opzegtermijn die de werknemer in acht dient te nemen, bedraagt de helft van de periode die door de werkgever als opzegtermijn gehanteerd dient te worden, met een minimum van één maand. 3. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid zijn de volgende bepalingen zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op de arbeidsovereenkomst die is aangegaan op grond van het bepaalde in artikel 2.2.1, onderdeel a: artikel 1.6 Belangenbehartiging; artikel 3.1.1 Uitgangspunten artikel 3.1.11 Prestatietoeslag artikel 3.1.13 Arbeidsmarkttoelage artikel 3.1.15 Overwerk artikel 3.1.20 Ambtsjubilea artikel 3.1.21 Uitkering na overlijden artikel 3.2 Individueel KeuzeBudget hoofdstuk 4 Werktijd en verlof hoofdstuk 5 Ziekte en arbeidsongeschiktheid, hoofdstuk 6 Rechten en verplichtingen hoofdstuk 7 Disciplinaire maatregelen artikel 8.1.5 Ontslag bij arbeidsongeschiktheid hoofdstuk 10 Verplaatsingskosten hoofdstuk 11 Opleiding en ontwikkeling Artikel 2.2.4 Bijzondere opzegging De arbeidsovereenkomst kan te allen tijde zonder opzeggingstermijn worden beëindigd, indien de werknemer niet langer voldoet aan het gestelde in artikel 2.1.2, lid 3, Artikel 2.2.5 Beëindiging 1. Voor de arbeidscontractant waarmee een arbeidsovereenkomst is aangegaan op grond van artikel 2.2.1 onderdeel a, is in geval van beëindiging van de arbeidsovereenkomst anders dan op grond van een dringende reden in de zin van artikel 678 Boek 7 titel 10, van het Burgerlijk Wetboek, paragraaf 9.2 (bovenwettelijke werkloosheidsregeling) bij overeenkomstige toepassing. 2. Ten aanzien van de werknemer, bedoeld in artikel 2.2.1, onderdeel a is tevens in geval van ziekte het gestelde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing. Artikel 2.2.6 Voortzetting Indien de werknemer, bedoeld in artikel 2.2.1 onder a, gedurende een aaneengesloten periode van zes maanden in dezelfde functie op arbeidsovereenkomst werkzaam is geweest, kan deze dienstbetrekking slechts worden voortgezet door een tijdelijke of vaste aanstelling. 2.3 Werkgelegenheid Artikel 2.3.1 Employability 1. Het dagelijks bestuur en de ambtenaar zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor een blijvende employability van de ambtenaar. 2. Onder employability wordt verstaan, de optimale inzetbaarheid van de ambtenaar waardoor hij in staat is werk te behouden en te krijgen. 3. De WOR-bestuurder stelt in overleg met de ondernemingsraad een employabilityplan op om de employability van de in de organisatie werkzame personen te verbeteren. 4. De ambtenaar heeft recht op een individuele employabilityscan, conform de bepalingen in artikel 11.2.2 van de SAW. Artikel 2.3.2 Re-integratiemaatregelen bij reorganisaties 1. Een organisatiewijziging als bedoeld in artikel 1.4 geschiedt, behoudens in individuele gevallen, naar een bepaald vooraf vastgesteld plan. Over dit plan wordt overleg gepleegd met de Commissie voor georganiseerd overleg als bedoeld in artikel 12.1. Indien deze commissie niet aanwezig is worden de organisaties van overheidspersoneel genodigd om over dit plan te overleggen. 2. Op basis van het in het vorige lid bedoelde plan kan een sociaal plan worden overeengekomen. In het sociaal plan worden afspraken gemaakt over de plaatsingsvolgorde en de toelagen en vergoedingen gedurende de in lid 3 genoemde herplaatsingtermijn. Daarnaast kunnen afspraken worden gemaakt over werkgelegenheid, werkzekerheid en uitbreiding van het in artikel 2.3.5 genoemde re-integratie-instrumentarium. 3. De ambtenaar die op basis van een in het vorige lid bedoelde sociaal plan boventallig is verklaard heeft, met inachtneming van het bepaalde onder lid 8 sub a, recht op een herplaatsingtermijn van 1,5 jaar. 4. Binnen twee maanden na het vaststellen van boventalligheid stelt het dagelijks bestuur in overleg met de boventallig verklaarde ambtenaar een actieplan ‘van werk naar werk’ vast. Het dagelijks bestuur en de ambtenaar komen daarbij een wederzijdse inspanningsverplichting overeen om het maximale te doen om betrokkene naar ander werk te begeleiden. In dit actieplan wordt vastgelegd welke re-integratie-instrumenten gedurende de herplaatsingtermijn zullen worden ingezet. 5. Indien na afloop van de herplaatsingtermijn het actieplan voor de boventallige verklaarde ambtenaar niet heeft geleid tot het vinden van werk, komen partijen een vervolgplan overeen. In dit vervolgplan wordt vastgelegd of een wijziging van strategie nodig is, en welke instrumenten gedurende de WW- en bovenwettelijke WW-fase moeten worden ingezet om de re-integratie alsnog succesvol te laten verlopen. 6. Het dagelijks bestuur betaalt, binnen redelijke grenzen, de kosten van het re-integratie-instrumentarium uit het actieplan en vervolgplan. 7. Bij gelijke geschiktheid, of te maken geschiktheid, heeft de boventallige of de reeds ontslagen ambtenaar bij vacatures die na de reorganisatie binnen het waterschap ontstaan de voorkeur boven andere interne of externe kandidaten. Als er meerdere boventallige ambtenaren op de vacature solliciteren, heeft diegene die het langst boventallig is en een uitkering geniet, de voorkeur. 8. Het dagelijks bestuur kan, op basis van het in artikel 2.3.7, bedoelde advies van de Toetsingscommissie, besluiten: de in lid 3 bedoelde herplaatsingtermijn te verlengen met de door de Toetsingscommissie aangegeven termijn; het op basis van het in lid 4 bedoelde actieplan ‘van werk naar werk’ overeengekomen re-integratie-instrumentarium, uit te breiden; dat de boventallige of reeds ontslagen ambtenaar met een bovenwettelijke uitkering, geschikt, of geschikt te maken is voor de betreffende functie. Artikel 2.3.3 Re-integratiemaatregelen bij ontslag minder dan 35% arbeidsongeschikt 1. De ambtenaar die op grond van artikel 8.1.5 lid 3 en 4 SAW (minder dan 35% arbeidsongeschiktheid en zwaarwegend dienstbelang) wordt ontslagen heeft gedurende de WW- en bovenwettelijke WW-fase recht op het re-integratie-instrumentarium zoals beschreven in artikel 2.3.5 SAW. 2. Het dagelijks bestuur en de ambtenaar leggen vast welke instrumenten worden ingezet. Artikel 2.3.4 Re-integratiemaatregelen bij ontslag wegens onverenigbaarheid karakters In geval van ontslag op grond van artikel 8.1.8 SAW (onverenigbaarheid van karakters) kunnen het dagelijks bestuur en de betrokken ambtenaar maatwerkafspraken maken over de inzet van het re-integratie-instrumentarium uit artikel 2.3.5. Artikel 2.3.5 Re-integratie-instrumentarium Op grond van artikelen 2.3.2, 2.3.3 en 2.3.4 kunnen afspraken worden gemaakt over het gebruik van re-integratie-instrumenten. In ieder geval zijn de volgende re-integratie-instrumenten beschikbaar: in kaart brengen van kennis, vaardigheden, belangstelling en mogelijkheden op de arbeidsmarkt, in de vorm van een loopbaanscan, competentietoets, assessment en het certificeren van in de praktijk opgedane kennis en vaardigheden (EVC); om- her- en bijscholing; detachering, of indiensttreding bij een outplacementbureau of re-integratiebedrijf; begeleiding bij het opzetten van een eigen bedrijf. Artikel 2.3.6 Sancties bij onvoldoende inspanning 1. Indien de boventallige of ontslagen ambtenaar als bedoeld in artikelen 2.3.2, 2.3.3 of 2.3.4 zich onvoldoende inspant kan het dagelijks bestuur aan hem de volgende sancties opleggen: een vermindering van het salaris zoals bedoeld in artikel 7.1.2 lid 1 sub e; geheel of gedeeltelijk terugbetalen van gemaakte kosten bij de toepassing van artikel 2.3.5; geheel of gedeeltelijk verlies van rechten als bedoeld in hoofdstuk 9. 2. Indien het dagelijks bestuur zich onvoldoende inspant op grond van de artikelen 2.3.2, 2.3.3 of 2.3.4, kan de ambtenaar dit voorleggen aan de commissie als bedoeld in artikel 2.3.7, met het verzoek om de ontslagtermijn te verschuiven of de uitkeringsduur te verlengen. 3. Het sanctieregime van de WW is van overeenkomstige toepassing op de bovenwettelijke WW-regeling uit hoofdstuk 9. Artikel 2.3.7 Paritaire Toetsingscommissie 1. Voor de toepassing van deze regeling wordt er een ParitaireToetsingscommissie ingesteld door de Commissie voor georganiseerd overleg als bedoel in artikel 12.1, dan wel bij afwezigheid hiervan, door het dagelijks bestuur in overleg met de organisaties van overheidspersoneel. 2. De Toetsingscommissie legt haar werkwijze vast in een reglement. 3. De Toetsingscommissie geeft op verzoek van de ambtenaar als bedoeld in de artikelen 2.3.2, 2.3.3 of 2.3.4 advies aan het dagelijks bestuur over de volgende onderwerpen: of het dagelijks bestuur zich voldoende heeft ingespannen om de ambtenaar naar ander werk te begeleiden; of de wensen van de ambtenaar over het geboden re-integratie–instrumentarium uit artikel 2.3.5 binnen de grenzen van het redelijke en billijke vallen; of, in geval van een vacature, de ambtenaar of de reeds ontslagen ambtenaar uit artikel 2.3.2 geschikt is of geschikt te maken is voor de functie; in geval van een uitzonderlijke, schrijnende situatie over de verlenging van de herplaatsingtermijn. 3 Beloning 3.1 Bezoldiging/salariëring Artikel 3.1.1 Uitgangspunten 1. Het uitgangspunt voor de bezoldiging is de functiewaardering. De wijze waarop de ambtenaar functioneert, bepaalt mee de bezoldiging (zie artikel 3.1.8). Ook kunnen in aanmerking worden genomen leeftijd en dienstjaren van de ambtenaar en andere omstandigheden, voor zover deze naar het oordeel van het dagelijks bestuur, gelet op het dienstbelang en gelet op verhoudingen binnen de dienst, van betekenis zijn. 2. Het dagelijks bestuur stelt nadere regels vast over het in lid 1 bepaalde. 3. De bezoldiging wordt in beginsel per kalendermaand uitbetaald. Over de wijze waarop, kan het bestuur nadere regels vaststellen. 4. Over de tijd die de ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn functie te vervullen, wordt hem zijn bezoldiging niet uitgekeerd. Artikel 3.1.2 Recht op bezoldiging 1. Het recht op bezoldiging begint op de dag van aanstelling. Indien in het aanstellingsbesluit geen datum van ingang is vermeld, begint het recht op bezoldiging met de dag waarop de ambtenaar feitelijk in dienst is getreden. 2. Het recht op bezoldiging eindigt met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat of met ingang van de dag na het overlijden van de ambtenaar. 3. Als het salaris, IKB-collectief of een toelage moeten worden berekend over een gedeelte van een maand, wordt het bedrag per dag vastgesteld door het maandbedrag te delen door dertig. Artikel 3.1.3 Deeltijd werk Het salaris van de ambtenaar die in deeltijd werkt wordt vastgesteld naar evenredigheid. Artikel 3.1.4 FuWater 1. FuWater is het systeem dat wordt gebruikt voor het beschrijven en waarderen van functies. De door het LAWA vastgestelde referentiefuncties maken onderdeel uit van FuWater. 2. De procedure FuWater is opgenomen in bijlage IV van de SAW. In deze procedure wordt behalve de beschrijving en waardering van functies de te volgen bezwarenprocedure geregeld en de instelling van een paritaire regionale bezwarencommissies vastgelegd. 3. Het dagelijks bestuur stelt met behulp van de conversietabel uit bijlage V van de SAW de voor de functie geldende salarisschaal vast. Voor de ambtenaar die als gevolg van functiewaardering met FuWater uitkomt op een lagere inschaling, zal geen lager maximumsalaris dan dat van de reeds voor hem vastgelegde salarisschaal gelden. 4. Totdat alle waterschappen FuWater hebben ingevoerd blijft het SAW–artikel 4.1.5 dat op 1 januari 2004 gold, van kracht. Artikel 3.1.5 Inrichting salarisgebouw 1. Het salarisgebouw maakt onderdeel uit van de SAW en is vastgelegd in bijlage I. 2. Het salarisgebouw bestaat uit 18 salarisschalen 3. Per salarisschaal is het minimumsalaris en het maximumsalaris bepaald. Artikel 3.1.6 Vaststelling salarisniveau 1. Bij aanstelling wordt aan de ambtenaar het salaris toegekend op het minimum van de voor hem geldende salarisschaal. 2. Van het voorgaande lid kan positief worden afgeweken ingeval daarvoor naar het oordeel van het dagelijks bestuur aanleiding bestaat. 3. Wanneer voor de ambtenaar een salarisschaal gaat gelden met een hoger maximumsalaris, wordt het salaris in de voor hem geldende nieuwe salarisschaal opnieuw bepaald. Het salaris is hoger dan het salaris waarop de ambtenaar in de oude salarisschaal aanspraak zou hebben gehad. 4. Bij een disciplinaire maatregel op grond van de SAW, of bij het wijzigen van de aanstelling in verband met plaatsing in een passende functie in geval van arbeidsongeschiktheid, kan zonder voorafgaand ontslag voor een ambtenaar een salarisschaal gelden met een lager maximumsalaris. Artikel 3.1.7 Gesprekscyclus 1. De gesprekscyclus om te komen tot een eindoordeel over het presteren van de ambtenaar bestaat in beginsel uit drie gesprekken per jaar tussen de leidinggevende en de ambtenaar. In deze gesprekken komen planning, voortgang en beoordeling aan de orde. Het moment van beoordeling kan, indien gewenst, samenvallen met het moment waarop planningsafspraken worden gemaakt. 2. Uiterlijk 31 maart van elk jaar worden er tussen leidinggevende en ambtenaar concrete planningsafspraken gemaakt over de te behalen resultaten en competentieontwikkeling in dat jaar. Afspraken over competenties zijn gebaseerd op een competentiewoorden-boek/systeem. Tevens komen de wensen, ambities en ontwikkelmogelijkheden (Persoonlijk Ontwikkelingsperspectief als bedoeld in artikel 11.2.1 SAW) van de ambtenaar aan de orde en hierover worden concrete afspraken gemaakt. De gemaakte afspraken worden schriftelijk vastgelegd. 3. Halverwege het jaar wordt de voortgang van de gemaakte planningsafspraken tussen leidinggevende en ambtenaar besproken en zo nodig bijgesteld. Hierbij kan onder meer aandacht worden besteed aan de wijze waarop de werkzaamheden worden verricht, de randvoorwaarden om de resultaten te bereiken, de arbeidsomstandigheden en de wijze van leidinggeven. Afspraken over nadere invulling, aanvulling of bijstelling worden schriftelijk vastgelegd. 4. In het beoordelingsgesprek tussen leidinggevende en ambtenaar wordt de realisatie van de gemaakte planningsafspraken door de leidinggevende beoordeeld. Dit gesprek leidt tot het eindoordeel A, B, C, D of E zoals beschreven in artikel 3.1.8 en vindt plaats vóór 1 december van elk jaar. 5. Een beslissing tot toekenning van een eindoordeel wordt de ambtenaar uiterlijk voor 31 december, schriftelijk meegedeeld. 6. De regeling gesprekscyclus als opgenomen in bijlage VII van de SAW stelt nadere regels over de te volgen gesprekscyclus. Artikel 3.1.8 Verhoging van het salaris Het salaris kan op basis van een beoordeling jaarlijks op 1 januari worden verhoogd. De structurele salarisverhoging binnen de voor de ambtenaar geldende salarisschaal wordt gebaseerd op het eindoordeel dat gevormd wordt op basis van de gesprekscyclus uit artikel 3.1.7 Het eindoordeel kan zijn: A Uitstekend: De ambtenaar voldoet beduidend beter dan de norm (C=Goed). De ambtenaar realiseert veel meer dan in de functie en/of op basis van resultaat-afspraken en/of competenties verwacht mag worden. Realiseert dit op een beduidend hoger niveau dan het normniveau. B Zeer goed: De ambtenaar voldoet beter dan de norm (C=Goed). De ambtenaar realiseert meer dan in de functie en/of op basis van de resultaatafspraken en/of competenties verwacht mag worden. Realiseert dit op een hoger niveau dan het normniveau. C Goed: De ambtenaar voldoet aan de norm. De ambtenaar realiseert wat in de functie en/of resultaatafspraken en/of competenties verwacht mag worden op het gewenste niveau. D Nog te ontwikkelen ten opzichte van score C (Goed): De ambtenaar voldoet op een aantal punten (nog) niet aan de norm (C = Goed). Er is ruimte voor ontwikkeling in de realisatie van datgene wat in de functie en of op basis van de resultaatafspraken en/of competenties verwacht mag worden. E Onvoldoende: Het functioneren op basis van de (functie)eisen en/of resultaatafspraken en/of competenties dient op een groot aantal punten een drastische verbetering. De ambtenaar voldoet niet aan de norm en kan niet realiseren wat in de functie en/of op basis van de resultaatafspraken verwacht mag worden op het gewenste niveau. 4.De jaarlijkse eindoordeelscore van de ambtenaar bepaalt het percentage waarmee het salaris van de ambtenaar die het maximumsalaris van de voor hem geldende salarisschaal nog niet heeft bereikt wordt verhoogd: Eindoordeel Verhoging A 5% van het maximum van de voor de ambtenaar geldende salarisschaal B 3,5% van het maximum van de voor de ambtenaar geldende salarisschaal C 2,5% van het maximum van de voor de ambtenaar geldende salarisschaal D 1,5% van het maximum van de voor de ambtenaar geldende salarisschaal E 0% 5.De salarisverhoging kan slechts worden toegekend tot het maximum van de salarisschaal. Artikel 3.1.9 Geen salarisverhoging 1. Indien aan de ambtenaar een eindoordeelscore van D of E wordt toegekend maken ambtenaar en leidinggevende afspraken die moeten leiden tot verbetering van het functioneren van de ambtenaar. 2. De ambtenaar die gedurende twee achtereenvolgende jaren een eindoordeelscore D of E krijgt, ontvangt de eerste twee jaren de salarisverhoging behorend bij score D. Pas indien het derde jaar een eindoordeelscore E wordt toegekend aan het functioneren van de ambtenaar vindt geen verhoging plaats. Artikel 3.1.10 Niet te beoordelen 1. Het tijdvak waarover beoordeeld wordt beslaat minimaal zes maanden. Indien dit tijdvak korter is kan de ambtenaar niet beoordeeld worden en komt de ambtenaar voor dat jaar niet in aanmerking voor een salarisverhoging. 2. Met de ambtenaar die nieuw in dienst treedt na 1 juni van enig jaar en die vanwege het bepaalde in lid 1 in dat jaar niet in aanmerking komt voor een salarisverhoging, kunnen in het arbeidsvoorwaardengesprek maatwerkafspraken worden gemaakt. 3. Het bepaalde in lid 1 geldt niet voor de ambtenaar die wegens ziekte of zwangerschap- en/of bevallingsverlof niet beoordeeld kan worden over een tijdvak van meer dan 6 maanden. In deze situaties krijgt de ambtenaar in beginsel een bij beoordeling C behorende salarisverhoging. In uitzonderlijke gevallen kan hiervan worden afgeweken. 4. Indien de beoordeling niet door de eigen leidinggevende kan worden opgemaakt dient deze tijdig opgemaakt te worden door de plaatsvervangend leidinggevende. 5. Indien buiten schuld of toedoen van de ambtenaar en met inachtneming van het bepaalde in het vierde lid, in enig jaar de beoordeling niet (tijdig) wordt opgemaakt, zal aan de ambtenaar in beginsel een beoordeling C met de daarbij behorende salarisverhoging worden toegekend. 6. Indien het niet (tijdig) opmaken van de beoordeling te wijten is aan grove nalatigheid van de leidinggevende/ de organisatie wordt in beginsel aan de ambtenaar een salarisverhoging toegekend die hoger ligt dan het bepaalde in het vijfde lid. Artikel 3.1.11 Individuele prestatietoeslag 1. Aan de ambtenaar die het maximum van de voor zijn functie geldende salarisschaal heeft bereikt, zal door het dagelijks bestuur, wanneer daartoe naar zijn oordeel op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver aanleiding bestaat, een prestatietoeslag worden toegekend. 2. De beoordeling van de bekwaamheid, geschiktheid en ijver wordt vastgesteld op basis van de in artikel 3.1.7 vastgelegde gesprekscyclus en resulteert in een volgens artikel 3.1.8 lid 3 vastgelegd eindoordeel. 3. De in het eerste lid bedoelde prestatietoeslag is 5% bij een A beoordeling en 3,5% bij een B beoordeling. 4. De toeslag wordt jaarlijks toegekend. De toeslag is gebaseerd op twaalf keer het uitbetaalde maandsalaris in het beoordelingsjaar en wordt in februari van het opvolgende jaar in zijn geheel uitbetaald. 5. Indien het niet (tijdig) opmaken van de beoordeling te wijten is aan grove nalatigheid van de leidinggevende/de organisatie wordt in beginsel aan de ambtenaar een prestatietoeslag volgens lid 1 toegekend. Artikel 3.1.12 Overgangsbepalingen individuele prestatietoeslag 1. De ambtenaar die op basis van een regeling persoonlijke toelage op 1 januari 2011 een toelage gebaseerd op goed functioneren boven het maximum van de voor hem geldende salarisschaal ontvangt, kan eenmalig kiezen voor behoud van de regeling van het waterschap, c.q. deze persoonlijke toelage of de individuele prestatietoeslag. Kiest hij voor het gegarandeerd krijgen van de waterschapsregeling dan is hij daarmee uitgesloten van de prestatietoeslag als bedoeld in artikel 3.1.11. 2. De ambtenaar die anders dan in lid 1 een gegarandeerd salaris(perspectief) boven het maximum van de voor hem geldende salarisschaal heeft, waarbij een goed functioneren criterium ten grondslag heeft gelegen aan de nu gegarandeerde toeslag, kan eenmalig kiezen voor behoud van de garantie of de individuele prestatietoeslag. Kiest hij voor behoud van de garantie dan is hij daarmee uitgesloten van de prestatietoeslag als bedoeld in artikel 3.1.11. Artikel 3.1.13 Arbeidsmarkttoelage 1. Aan de ambtenaar kan door het dagelijks bestuur voor werving of behoud een toelage worden toegekend van maximaal 10% van zijn salaris. 2. De toepassing van dit artikel zal jaarlijks met de Ondernemingsraad worden besproken. Artikel 3.1.14 Waarneming andere functie 1. De ambtenaar die in opdracht van of namens het dagelijks bestuur volledig een andere functie waarneemt, ontvangt, indien voor die functie een hogere schaal geldt dan voor zijn functie, over de tijd van deze waarneming een vergoeding. 2. De vergoeding in lid 1 bedraagt 8% van het eigen salaris per uur van de ambtenaar. De vergoeding wordt alleen toegekend bij een hele werkdag waarneming. 3. Voor de ambtenaar van wie het salaris hoger is dan het maximum van schaal 9, bestaat pas aanspraak op deze vergoeding, indien de waarneming in een aaneengesloten tijdvak van zes weken tenminste twintig hele werkdagen heeft geduurd, in welk geval hem de vergoeding over de dagen waarop hij reeds waargenomen heeft alsnog wordt uitbetaald. 4. De ambtenaar die in opdracht van of namens het dagelijks bestuur een andere functie waarneemt, waarvoor andere werktijden zijn vastgesteld dan voor zijn functie gelden, ontvangt – zulks onverminderd het bepaalde in lid 1 – in zoverre op de waar te nemen functie het bepaalde in artikel 3.1.16 van toepassing is een vergoeding overeenkomstig de in dat artikel bedoelde regelen. Op de eerste twee dagen en op de eerste zaterdag en zondag van de waarneming ontvangt hij evenwel voor de uren die liggen buiten de voor zijn functie geldende werktijd, tenminste een bedrag gelijk aan de vergoeding als bedoeld in artikel 3.1.15 overwerk. Wordt achtereenvolgens en zonder onderbreking meer dan één functie als hier bedoeld waargenomen, dan geldt dit als één geval van waarneming. 5. Geen vergoeding ingevolge de leden 1 en 3 wordt genoten door de ambtenaar voor wie krachtens zijn aanstelling een bijzondere regeling geldt. 6. Het dagelijks bestuur is bevoegd om in andere gevallen van waarneming een naar zijn oordeel billijke vergoeding toe te kennen, gelet op de aard en de omvang van de ingevolge de waarneming verrichte werkzaamheden, alsmede op de duur en de wijze van de waarneming. Artikel 3.1.15 Overwerk 1. De ambtenaar verricht overwerk als in opdracht van of namens het dagelijks bestuur werkzaamheden worden verricht gedurende meer dan een half uur vóór het begin of onmiddellijk na het einde van het voor de ambtenaar vastgestelde rooster. Indien de opgedragen werkzaamheden een regelmatig karakter hebben is er ook sprake van overwerk als er gedurende minder dan een half uur voor het begin of onmiddellijk na het einde van het voor de ambtenaar vastgestelde rooster wordt overgewerkt. 2. Het dagelijks bestuur bepaalt welke ambtenaren gelet op de aard en het niveau van hun functie aanspraak hebben op vergoeding voor overwerk. Het dagelijks bestuur is bevoegd aan de ambtenaar die op grond van het bovenstaande geen aanspraak heeft op vergoeding voor overwerk in bijzondere gevallen een door het dagelijks bestuur te bepalen vergoeding toe te kennen, indien en naarmate dit naar zijn oordeel, gelet op de aard of omvang van het overwerk en de onvermijdelijkheid daarvan, redelijk is te achten. 3. De ambtenaar, die overwerk verricht, ontvangt daarvoor een vergoeding ter hoogte van het salaris per uur. 4. Voor overwerk, op andere tijden dan op het dagvenster, wordt naast de in lid 3 genoemde vergoeding een geldelijke toeslag toegekend. De geldelijke toeslag is een percentage van het voor de ambtenaar geldende salaris per uur en wel: 100% op een zondag tussen 0.00 en 24.00 uur; 75% op een zaterdag tussen 0.00 en 24.00 uur; 75% op een maandag tussen 0.00 en 7.00 uur; 50% op een dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 0.00 en 7.00 uur; 50% op een maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 19.00 en 24.00 uur. Voor overwerk op een feestdag, als bedoeld in artikel 1.2.1, en op de dag volgende op die feestdag tussen 0.00 en 7.00 uur, geldt het percentage respectievelijk voor een zondag en voor een maandag tussen 0.00 en 7.00 uur. Is voor de ambtenaar volgens rooster (artikel 3.1.16) in plaats van een zondag, een feestdag, als bedoeld in artikel 1.2.1 of een zaterdag, een andere dag als vrije dag aangewezen dan wordt overwerk op die dag beschouwd als overwerk op een zondag. 5. Indien het uitbetalen van overwerkuren volgens lid 1 er toe leidt dat de ambtenaar de rusttijden uit de Arbeidstijdenwet binnen een bepaalde termijn niet kan naleven, dan worden de gewerkte uren binnen deze termijn zodanig als vrij ingeroosterd dat de ambtenaar voldoet aan de wettelijke eisen van de Arbeidstijdenwet. Voor die ingeroosterde uren vervalt betaling volgens lid 3, een eventuele toeslag volgens lid 4 wordt uitbetaald. 6. Het dagelijks bestuur is bevoegd om voor werkzaamheden die door ambtenaren met een verschillende bezoldiging en eventueel een verschillende functie samen en gelijktijdig als overwerk moeten worden verricht, een naar zijn oordeel voor deze ambtenaren billijke gelijke vergoeding vast te stellen. 7. Dit artikel is niet van toepassing op overwerk dat voortvloeit uit een van de in artikel 6.2.9 (oorlog en andere buitengewone omstandigheden) bedoelde verplichtingen. Het dagelijks bestuur regelt afzonderlijk de vergoeding voor zodanig overwerk. 8. De ambtenaar van 58 jaar of ouder, is niet verplicht tot het verrichten van overwerk, tenzij hij overwerk verricht in het kader van de wachtdienstregeling als bedoeld in paragraaf 3.3. Artikel 3.1.16 Onregelmatige dienst De ambtenaar voor wiens functie als gevolg van toepassing van artikel 4.1.1 werktijden zijn vastgesteld of bij rooster wisselende werktijden zijn vastgesteld anders dan tussen 7.00 en 19.00 uur op maandag tot en met vrijdag, ontvangt daarvoor een vergoeding, conform artikel 3.1.17, tenzij uitdrukkelijk is bepaald dat bij de vaststelling van de bezoldiging daarmee rekening is gehouden. Artikel 3.1.17 Toelage onregelmatige dienst 1. Aan de ambtenaar voor wie een salaris geldt lager dan het maximum van schaal 11 en die, anders dan bij wijze van overwerk, regelmatig arbeid verricht op andere tijden dan op het dagvenster: de dagen maandag tot en met vrijdag tussen 7.00 en 19.00 uur, wordt een toelage toegekend. 2. De toelage bedraagt per gewerkt uur een percentage van het voor de ambtenaar geldende salaris per uur, waarbij de percentages ten hoogste worden berekend over het salaris per uur, dat is afgeleid van het maximum van salarisschaal 7 van de salarisschalen Waterschapspersoneel: 25% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 19.00 en 22.00 uur; 40% voor de uren op maandag tot en met vrijdag tussen 00.00 en 07.00 uur en tussen 22.00 en 24.00 uur; voor de uren op zaterdag: 45% voor de uren tussen 00.00 en 08.00 uur; 25% voor de uren tussen 08.00 en 18.00 uur; 70% voor de uren tussen 18.00 en 24.00 uur; 70% voor de uren op zondag; 100% voor feestdagen als bedoeld in artikel 1.2.1, inclusief eerste paasdag en eerste pinksterdag. 3. In bijzondere gevallen kan het dagelijks bestuur een regeling treffen, die het bepaalde in dit artikel aanvult of daarvan afwijkt. Artikel 3.1.18 Vrijwillig stoppen met nachtarbeid 1. De ambtenaar, van 58 jaar of ouder, zoals bedoeld in artikel 3.1.16, is niet verplicht tot het verrichten van diensten, tussen 22.00 en 07.00 uur. 2. Lid 1 is niet van toepassing als de ambtenaar door het vervallen van de verplichting tot het verrichten van nachtdiensten onmogelijk zijn functie kan uitoefenen. 3. De ambtenaar die gebruik maakt van het recht omschreven in het eerste lid van dit artikel en die tenminste tien jaar direct voorafgaande aan het moment van beëindiging van nachtdiensten zonder wezenlijke onderbreking een toelage voor het verrichten van diensten gelegen tussen 22.00 en 07.00 uur heeft ontvangen, wordt een blijvende toelage toegekend. Het dagelijks bestuur stelt voor de uitvoering van dit lid nadere regels vast. Artikel 3.1.19 Overgangstoelage onregelmatige dienst 1. Aan de ambtenaar van wie de bezoldiging, als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage als bedoeld in artikel 3.1.17, een blijvende verlaging ondergaat, die minstens 3% van de som van het salaris en de maandelijkse toelage bedraagt, wordt door het dagelijks bestuur een in drie jaar aflopende toelage toegekend van respectievelijk 75%, 50% en 25% van de oorspronkelijke toelage onregelmatige dienst, mits de toelage onregelmatige dienst, direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering, gedurende tenminste twee jaar zonder wezenlijke onderbreking voor hem van toepassing is geweest. 2. Voor de toepassing van dit artikel stelt het dagelijks bestuur voor de ambtenaar een leeftijdsgrens vast. 3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt door het dagelijks bestuur aan de ambtenaar die de leeftijdsgrens als bedoeld in lid 2 heeft bereikt en wiens bezoldiging als gevolg van het buiten zijn toedoen beëindigen of verminderen van een toelage als bedoeld in artikel 3.1.17 een blijvende verlaging ondergaat, een blijvende toelage toegekend, mits de toelage onregelmatige dienst, direct voorafgaande aan het tijdstip van vorenbedoelde beëindiging of vermindering ervan, gedurende tenminste tien jaren zonder wezenlijke onderbreking voor hem van toepassing is geweest 4. De in het eerste lid bedoelde aflopende toelage gaat over in een blijvende toelage als bedoeld in het vorige lid, wanneer de ambtenaar de leeftijd als bedoeld in lid 2 heeft bereikt en, onmiddellijk vóór de aanvang van die toelage, gedurende tenminste tien jaar zonder wezenlijke onderbreking een toelage als bedoeld in artikel 3.1.17 voor hem van toepassing is geweest. 5. Voor de toepassing van de voorgaande leden wordt onder wezenlijke onderbreking verstaan een onderbreking van langer dan twee maanden. 6. Het dagelijks bestuur stelt voor de uitvoering van dit artikel nadere regels vast. Artikel 3.1.20 Ambtsjubilea 1. In de maand waarin de ambtenaar gedurende 25, 40 respectievelijk 50 jaar een functie bij de overheid heeft vervuld, ontvangt hij een gratificatie gelijk aan een bedrag, overeenkomende met de gehele bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief waarop hij in de maand van deze jubilea aanspraak heeft. De op grond van het vorenstaande berekende bedragen worden naar boven afgerond tot een volle euro. 2. De ambtenaar die volledig uittreedt om gebruik te maken van de regeling FPU, dan wel keuzepensioen ontvangt een ambtsjubileumgratificatie bedoeld in het eerste lid. Voorwaarde is dat hij, ware hij in dienst gebleven tot het bereiken van de volgens artikel 7.3 eerste lid van het pensioenreglement ABP voor het recht op ouderdomspensioenvereiste leeftijd hiervoor in aanmerking zou zijn gekomen. 3. De in het vorige lid bedoelde gratificatie bedraagt een deelbedrag van de gratificatie, zoals omschreven in lid 1, berekend naar het werkelijk aantal dienstjaren gedeeld door 25, 40 of 50, al naar gelang welke gratificatie aan de orde is. 4. De gratificatie bij een diensttijd van 50 jaar bij de overheid wordt als een netto–bedrag aan de ambtenaar uitbetaald. Artikel 3.1.21 Uitkering na overlijden ambtenaar 1. De bezoldiging van de ambtenaar wordt niet langer uitbetaald dan tot op de dag van het overlijden. 2. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de ambtenaar wordt aan de erfgenamen een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging over een tijdvak van drie maanden vermeerderd met het IKB-collectief. Uitgegaan wordt van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging per maand op de dag van overlijden. Artikel 3.1.22 Uitkering na overlijden gewezen ambtenaar 1. Zo spoedig mogelijk na overlijden van de gewezen ambtenaar bedoeld in artikel 4.4.3 wordt een overlijdensuitkering toegekend. De uitkering bedraagt 100% van het voor betrokkene geldende dagloon zoals gedefinieerd in artikel 9.2.2, berekend over een periode van 13 weken. 2. Zo spoedig mogelijk na overlijden van de gewezen ambtenaar bedoeld in artikel 5.2.7 of 5.2.8 wordt in aanvulling op artikel 35 Ziektewet een overlijdensuitkering toegekend, met dien verstande dat het bedrag van beide uitkeringen samen gelijk is aan 100% van het voor betrokkene geldende dagloon zoals gedefinieerd in artikel 9.2.2, berekend over een periode van 13 weken. 3. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de gewezen ambtenaar wordt in aanvulling op artikel 35 of artikel 36, eerste lid, Ziektewet een overlijdensuitkering toegekend, met dien verstande dat het bedrag van beide uitkeringen samen gelijk is aan 100% van het voor betrokkene geldende dagloon, berekend over een periode van 13 weken. 4. Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de gewezen ambtenaar die een aansluitende uitkering geniet, wordt in overeenkomstige toepassing van artikel 35 of artikel 36, eerste lid, Ziektewet een overlijdensuitkering toegekend, met dien verstande dat het bedrag van beide uitkeringen samen gelijk is aan 100% van het voor betrokkene geldende dagloon, berekend over een periode van 13 weken. 5. Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nabestaanden van de betrokkene ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een andere bepaling in een rechtspositieregeling van de waterschappen, dan wel krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte, arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid. Artikel 3.1.23 Non–activiteit 1. Bij non–activiteit zoals bedoeld in artikel 125c, eerste lid Ambtenarenwet bestaat geen recht op doorbetaling van de bezoldiging. 2. Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing, als bedoeld in artikel 125c, tweede lid Ambtenarenwet, aanspraak heeft op een vaste vergoeding – niet zijnde een onkostenvergoeding – wordt op zijn bezoldiging over de tijd dat hij het op grond van artikel 125c, eerste lid Ambtenarenwet verleende verlof geniet, een inhouding toegepast. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd niet te boven. 3. Het dagelijks bestuur kan voor de uitvoering van de vorige leden nadere regels vaststellen. Artikel 3.1.24 Overige bepaling Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid voorziet, treft het dagelijks bestuur een bijzondere regeling. 3.2 Individueel KeuzeBudget Artikel 3.2.1 Algemeen 1. Voor de ambtenaar is er een IKB, dat door het bevoegd gezag wordt beheerd. 2. Het IKB wordt voorzien van in geldwaarde uitgedrukte aanspraken. Deze aanspraken kan de ambtenaar aanwenden voor een door hem te kiezen bestemming, een en ander op een wijze en onder de voorwaarden als in deze paragraaf is bepaald. Artikel 3.2.2 Opbouw budget Het IKB bestaat uit twee onderdelen: een collectieve aanspraak opgebouwd volgens artikel 3.2.3, 3.2.4 en 3.2.5: het IKB-collectief; een individuele aanspraak opgebouwd volgens artikel 3.2.6: het individuele IKB. Artikel 3.2.3 Opbouw van het collectief pensioengevend deel van het IKB Het collectief pensioengevend IKB wordt per kalendermaand als volgt opgebouwd: Met 8% van de voor de ambtenaar in die maand geldende bezoldiging, met dien verstande dat dit bedrag niet lager kan zijn dan de voor waterschapspersoneel vastgestelde minimum vakantietoelage. Het minimum bedrag is opgenomen in de salaristabel en wordt bij deeltijd naar evenredigheid berekend. Met het percentage volgens onderstaande tabel van het voor de ambtenaar in die maand geldende salaris: Berekeningsgrondslag Ambtenaar geboren voor 1-1-1950 Ambtenaar geboren na 31-12-1949 en voor 1-1-1955 Ambtenaar geboren na 31-12-1954 en voor 1-1-1960 Ambtenaar geboren na 31-12-1959 % van het maandsalaris 8,69% 8,91% 9,27% 9,97% Voor de ambtenaar: die is geboren voor 1-1-1955 en die niet deelneemt aan de op 30 september 2009 beëindigde seniorenregeling wordt het percentage uit de tabel in dit lid verhoogd met 0,36 procentpunt. die is geboren voor 1-1-1950, en op 1 april 1997 geen deelnemer was bij het ABP wordt het percentage uit de tabel in dit lid verhoogd met 0,22 procentpunt. die is geboren op of voor 31-12-1959 en in dienst is getreden op of na 1 januari 2009 wordt het percentage uit de tabel in dit lid verhoogd met 0,7 procentpunt. Met het percentage volgens onderstaande tabel van het maximum salaris van de in die maand voor de ambtenaar geldende functieschaal. Het bedrag wordt naar evenredigheid van de in de aanstelling vastgelegde arbeidsduur berekend. Salarisschaal 1 2 3 4 5 6 7 8 9 % IKB van het maximum salaris van de functieschaal 5,66% 5,15% 4,63% 4,15% 3,76% 3,3% 2,12% 1,47% 1,3% Salarisschaal 10 11 12 13 14 15 16 17 18 % IKB van het maximum salaris van de functieschaal 1,14% 1,01% 0,89% 0,78% 0,71% 0,65% 0,59% 0,53% 0,49% Artikel 3.2.4 Opbouw van het collectief niet pensioengevende deel van het IKB Het collectief niet pensioengevend IKB wordt per kalendermaand als volgt opgebouwd: 1.Met het percentage volgens onderstaande tabel van het voor de ambtenaar in die maand geldende salaris: Berekeningsgrondslag Ambtenaar geboren voor 1-1-1950 Ambtenaar geboren na 31-12-49 en voor 1-1-55 Ambtenaar geboren na 31-12-54 en voor 1-1-60 Ambtenaar geboren na 31-12-1959 % van het maandsalaris 1,33% 2,2% 2,2% 2,2% Voor de ambtenaar: die geboren is voor 1950, en op 1 april 1997 geen deelnemer was bij het ABP wordt het percentage uit de tabel in dit artikel verhoogd met 0,87 procentpunt. die voor 1 januari 2009 een aanstelling of arbeidsovereenkomst in de sector waterschappen heeft die sedert dat moment nog ononderbroken voortduurt en die geboren is tussen 31-12-1954 en 01-01-1960 wordt het percentage uit de tabel in dit artikel verhoogd met 1,53 procentpunt. die voor 1 januari 2009 een aanstelling of arbeidsovereenkomst in de sector waterschappen heeft die sedert dat moment nog ononderbroken voortduurt en die geboren is voor 01-01-1955 wordt het percentage uit de tabel in dit artikel verhoogd met 1,92 procentpunt. Voor de ambtenaar: die op basis van artikel 3.1.16 (onregelmatige dienst) verricht wordt het percentage uit de tabel in dit artikel verhoogd met 0,77 procentpunt. die op basis van artikel 3.3.1 is aangewezen voor wachtdienst wordt het percentage uit de tabel in dit artikel verhoogd met 0,77 procentpunt. Voor de ambtenaar die op basis van 3.1.16 onregelmatige diensten verricht, waarin ook de zaterdagen en zondagen als dagen waarop arbeid wordt verricht zijn opgenomen, wordt het percentage uit de tabel in dit artikel verhoogd met 2,69 procentpunt. Artikel 3.2.5 Collectief niet pensioengevende netto betaling Maandelijks wordt als tegemoetkoming arbeidsongeschiktheidsverzekering 0,2 procent van het voor de ambtenaar in die maand geldende salaris als eindheffingsloon (netto) uitbetaald. Artikel 3.2.6 Individueel IKB De navolgende verkregen aanspraken van de ambtenaar worden voldaan door middel van opneming van het geldbedrag of de geldelijke waarde van die aanspraken respectievelijk het recht op uitbetaling daarvan in het IKB: de toegekende individuele prestatietoeslag op grond van artikel 3.1.11 de vergoeding voor overwerk op grond van artikel 3.1.15 lid 3 en lid 4 het extra verlof en de beloningen op grond van artikel 6.1.8 Artikel 3.2.7 Doelen De ambtenaar kan zijn aanspraken uit het IKB inzetten voor de volgende doelen: Levensloopverlof. De ambtenaar kan jaarlijks binnen de in paragraaf 4.5 gestelde grenzen budget inzetten voor het sparen voor levensloopverlof. Vakbondscontributie. De ambtenaar kan budget inzetten voor de betaling van zijn vakbondslidmaatschap, indien en voor zover de geldende fiscale bepalingen deze bestemming belastingvrij mogelijk maken. Opleidingskosten. De ambtenaar kan budget inzetten voor betaling en/of vergoeding van de kosten van een studie of opleiding, indien en voor zover: die niet door het waterschap worden vergoed de geldende fiscale bepalingen deze bestemming belastingvrij mogelijk maken. ABP ExtraPensioen. De ambtenaar kan het budget inzetten ten behoeve van een verbetering van zijn pensioen, met inachtneming van het bepaalde in artikel 16.4 van het pensioenreglement (zie site ABP). Uitbetalen. De ambtenaar kan het budget inzetten voor inkomen in de maand zelf. Verlof. De ambtenaar kan met het budget verlof kopen. In het IKB mag verlof gekocht worden, waarbij het verlofsaldo van de medewerker niet hoger mag worden dan 26 keer de arbeidsduur die in de aanstelling is vastgelegd. Met IKB gekocht verlof kent geen vervaltermijn. Eventuele aanpassingen van het salaris met terugwerkende kracht, leiden niet tot een herberekening van een eerder gekocht verlofuur. Op de verlofuren die de ambtenaar uit het budget koopt zijn de artikelen 4.2.2, 4.2.3 lid 5 en 4.2.10 SAW van toepassing. Reserveren van budget voor doelen (uitbetalen) in een volgende maand. De ambtenaar kan het budget reserveren en in de loop van het kalenderjaar inzetten voor doelen, waaronder extra inkomen. Artikel 3.2.8 Keuzemoment 1. De ambtenaar kan tot de maandelijkse sluitingsdatum van de salarisverwerking keuzen maken. 2. De ambtenaar kan het budget voor meerdere doelen in één kalendermaand aanwenden, echter alleen voor zover het budget toereikend is. 3. Maakt de ambtenaar geen keuze dan wordt het niet aangewende deel van het budget automatisch gereserveerd. 4. De keuze van de ambtenaar heeft uitsluitend betrekking op het kalenderjaar. De ambtenaar kan dus uitsluitend budget reserveren voor keuzes in hetzelfde kalenderjaar. 5. Budget waarvoor de ambtenaar in de maand december geen keuzes heeft gemaakt wordt automatisch uitbetaald. Artikel 3.2.9 Garantiesalaris Bij de ambtenaar met een gegarandeerd salaris wordt in deze paragraaf met salaris het garantiesalaris bedoeld en in artikel 3.2.3 lid 3 met functieschaal de functieschaal die hoort bij het garantiesalaris Artikel 3.2.10 Financiële gevolgen Bij de keuzen kunnen fiscale gevolgen, gevolgen in de zin van sociale verzekeringen en andere gevolgen, bijvoorbeeld voor de pensioenopbouw een rol spelen. De werkgever informeert de ambtenaar over mogelijke consequenties. De gevolgen van het maken van keuzen in het kader van het bepaalde in deze paragraaf zijn voor rekening van de ambtenaar. Indien achteraf blijkt dat door onjuiste informatie van de kant van de ambtenaar een vergoeding ten onrechte belastingvrij is aangewend, worden de loonheffing die hierover verschuldigd is, alsmede de eventuele boetes, alsnog op de ambtenaar of in voorkomend geval, op de gewezen ambtenaar verhaald. Artikel 3.2.11 Hardheidsclausule en bijzondere gevallen In geval van bijzondere omstandigheden dan wel in geval een strikte toepassing van deze regeling naar het oordeel van het dagelijks bestuur in strijd zou zijn met de redelijkheid en billijkheid, kan door het dagelijks bestuur van deze regeling worden afgeweken. In gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het dagelijks bestuur. Artikel 3.2.12 Fiscale regelgeving Indien wijziging van fiscale wet- en regelgeving van invloed is op de inhoud of de werking van deze regeling, zullen vervallen netto–voordelen voor ambtenaren door de werkgever niet worden gecompenseerd. 3.3 Wachtdienstregeling Artikel 3.3.1 Begripsbepalingen Voor de toepassing van deze regeling wordt onder wachtdienst verstaan: het buiten de voor de ambtenaar geldende werktijden in opdracht van de werkgever verplicht bereikbaar en beschikbaar zijn om zo nodig arbeid te verrichten. Voor het gedurende onbepaalde tijd periodiek verrichten van deze beschikbaarheiddiensten wordt de ambtenaar schriftelijk aangewezen. Indien deze diensten tenminste op gemiddeld zestig kalenderdagen in een periode van twaalf maanden zullen moeten worden verricht, moet dit uit een schriftelijke aanwijzing blijken. Artikel 3.3.2 Toelage De toelage wachtdienst per uur bedraagt: op maandag t/m vrijdag 7,5%; op zaterdag, zondag en feestdagen 15%; van het maximum salaris per uur van salarisschaal 6. Artikel 3.3.3 Arbeid tijdens wachtdienst Indien een ambtenaar tijdens de wachtdienst en op grond daarvan werk verricht, wordt hem een vergoeding toegekend overeenkomstig artikel 3.1.15 SAW. Artikel 3.3.4 Geneeskundig onderzoek 1. De ambtenaar die is aangewezen voor het verrichten van wachtdiensten ondergaat, vanaf het bereiken van de leeftijd van 50 jaar, periodiek een geneeskundig onderzoek zoals bedoeld in artikel 5.1.5 om te beoordelen of hij medisch gezien nog in staat is om wachtdienst te verrichten. 2. Dit onderzoek vindt elke twee jaar plaats of vaker indien daartoe aanleiding bestaat. 3. Indien de ambtenaar de leeftijd van 50 jaar nog niet heeft bereikt vindt een geneeskundig onderzoek plaats op zijn verzoek. Artikel 3.3.5 Afbouwregeling 1. Indien naar aanleiding van het geneeskundig onderzoek de ambtenaar geen wachtdienst meer verricht of als buiten zijn eigen schuld of toedoen de wachtdienst, die een regelmatig karakter draagt en tenminste 24 maanden heeft geduurd, wordt beëindigd of blijvend sterk verminderd, is een afbouwregeling van kracht. 2. Het dagelijks bestuur bepaalt wat er in het kader van deze paragraaf wordt gezien als een blijvende sterke vermindering van de wachtdienst, echter een blijvende vermindering van 50% of meer wordt in ieder geval gezien als een sterke vermindering. 3. De grondslag voor berekening van deze toelage, de afbouwtoelage is de gemiddelde maandelijkse toelage over de laatste 24 maanden waarop de ambtenaar recht had voor de blijvende sterke vermindering, verminderd met de toelage wachtdienst die de ambtenaar behoudt na de blijvende sterke vermindering. 4. Voor elk jaar dat de ambtenaar wachtdienst heeft verricht wordt gedurende 2 maanden een afbouw toegekend. De toelage wordt in drie even lange termijnen afgebouwd. De eerste termijn bedraagt de afbouwtoelage 75%, volgende termijn 50% en de laatste termijn 25% van de in lid drie aangegeven grondslag. Artikel 3.3.6 Geen recht op afbouw van de toelage De ambtenaar heeft geen recht op een afbouw van de toelage indien uitdrukkelijk is bepaald dat bij de vaststelling van zijn bezoldiging met de verplichting tot het verrichten van wachtdiensten rekening is gehouden. Artikel 3.3.7 Overige bepaling In bijzondere gevallen kan door het dagelijks bestuur een regeling worden getroffen die deze paragraaf aanvult of daarvan afwijkt. Artikel 3.3.8 Overgangsbepaling voor personeel in dienst van het waterschap op 31 december 2007 1. De ambtenaar die op 31 december 2007 in dienst is bij het waterschap en is aangewezen voor het verrichten van wachtdiensten heeft vóór 31 december 2007 een eenmalige keuze gemaakt. 2. De ambtenaar heeft gekozen voor de regeling van wachtdienst zoals deze luidt vanaf 1 januari 2008 of voor de wachtdienstregeling van de artikelen 3.3.1, 3.3.2, 3.3.5 en 3.3.6 SAW zoals deze luidden tot 31 december 2007, waarbij in artikel 3.3.6 lid 2 de verwijzing naar artikel 3.3.4 (afbouwperiode) gelezen dient te worden als een verwijzing naar de af-bouwperiode in het artikel 3.3.5 zoals deze luidt vanaf januari 2008. 3. Indien geen keuze is gemaakt geldt de regeling zoals deze luidt vanaf 1 januari 2008. 4 Werktijd en verlof 4.1 Arbeidsduur en werktijden Artikel 4.1.1 Arbeidsduur In de aanstelling wordt de gemiddelde arbeidsduur over een jaar vastgelegd, waarbij een volledige aanstelling, een aanstelling is waarvan de arbeidsduur gemiddeld over een jaar berekend 36 uur per week bedraagt. Artikel 4.1.2 Jaarlijkse keuze meerwerk 1. De ambtenaar met een voltijd aanstelling kan, met inachtneming van het bepaalde in dit artikel, kiezen voor maximaal 288 uur meerwerk per jaar. 2. Voor de ambtenaar met een deeltijd aanstelling geldt het bepaalde in lid 1 naar evenredigheid van de arbeidsduur volgens de aanstelling. 3. De ambtenaar met een aanstelling voor 40 uur ( artikel 2.1.10 SAW) kan, met inachtneming van het bepaalde in dit artikel, kiezen voor maximaal 96 uur meerwerk per jaar. 4. De keuze voor meerwerk wordt voor één kalenderjaar gemaakt. 5. De ambtenaar ontvangt maandelijks een vergoeding ter grootte van het salaris per uur over de in het rooster opgenomen aantal uren meerwerk van de betreffende maand. 6. De tijdelijk verlengde arbeidsduur werkt door in de pensioenopbouw. Hiertoe wordt de deeltijdfactor verhoogd die aan het ABP wordt doorgegeven. De verhoogde deeltijdfactor wordt vastgesteld als het product van de deeltijdfactor en een verhogingsfactor. Deze verhogingsfactor is het quotiënt van het pensioengevend inkomen bij verlengde arbeidsduur zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel gedeeld door het pensioengevend inkomen zonder de verlenging van de arbeidsduur zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel. 7. De tijdelijke verlenging van de arbeidsduur heeft geen consequenties voor de aanspraken op grond van andere arbeidsvoorwaarden. 8. Indien de ambtenaar een kalendermaand aaneengesloten verhinderd is zijn functie te vervullen eindigt de maandelijkse vergoeding voor het geroosterde meerwerk met ingang van de eerste van de opvolgende kalendermaand. De vergoeding van het geroosterde meerwerk herleeft binnen het kalenderjaar op de eerste van de kalendermaand na volledige hervatting van de functie. 9. De ambtenaar die wenst te kiezen voor een langere arbeidsduur als bedoeld in dit artikel, dient hiertoe voor 1 november een schriftelijk verzoek in bij het dagelijks bestuur. Het dagelijks bestuur kan het verzoek op organisatorische gronden, budget, formatie, begroting en/of het niet voorhanden zijn van voldoende werk en/of geld afwijzen. Een afwijzing van het verzoek gebeurt schriftelijk en gemotiveerd. 10. Op de ambtenaar die bij aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft gebruik maakt van een regeling voor langdurig verlof of een aanvraag heeft ingediend om in dat kalenderjaar daarvan gebruik te maken, is dit artikel niet van toepassing. Ook voor de ambtenaar aan wie gedeeltelijk FPU–ontslag is verleend staat de keuze voor meerwerk in het kader van dit artikel niet open. 11. Ambtenaren die op 1 januari van het kalenderjaar een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de WAO of WIA ontvangen zijn uitgesloten van de toepassing van dit artikel. 12. Het is niet mogelijk om binnen hetzelfde kalenderjaar gelijktijdig de keuzemogelijkheid meerwerk te combineren met de keuzemogelijkheid minderwerk (artikel 4.1.3). Artikel 4.1.3 Jaarlijkse keuze minderwerk 1. De ambtenaar met een voltijd aanstelling kan, met inachtneming van het bepaalde in dit artikel, kiezen voor maximaal 288 uur minderwerk per jaar. 2. Voor de ambtenaar met een deeltijd aanstelling geldt het bepaalde in lid 1 naar evenredigheid van de arbeidsduur volgens de aanstelling. 3. De keuze voor minderwerk wordt voor één kalenderjaar gemaakt. 4. Bij de ambtenaar wordt maandelijks op het salaris ingehouden het uurloon van de in het rooster opgenomen aantal uren minderwerk van de betreffende maand. 5. De keuze voor minderwerk heeft tot 10% vermindering van de arbeidsduur in het kalenderjaar geen gevolgen voor de hoogte van de berekeningsgrondslag voor het pensioen. 6. De tijdelijke vermindering van de arbeidsduur heeft met uitzondering van het bepaalde in lid 5 gevolgen voor de aanspraken op grond van andere arbeidsvoorwaarden. 7. Indien de ambtenaar een kalendermaand aaneengesloten verhinderd is zijn functie te vervullen eindigt de maandelijkse vermindering van het salaris voor het geroosterde minderwerk met ingang van de eerste van de opvolgende kalendermaand. De vermindering voor het geroosterde minderwerk herleeft binnen het kalenderjaar op de eerst van de kalendermaand na volledige hervatting van de functie. 8. De ambtenaar die wenst te kiezen voor een kortere arbeidsduur dan zijn aanstellingsduur, dient hiertoe voor 1 november een schriftelijk verzoek in bij het dagelijks bestuur. Het dagelijks bestuur kan het verzoek op grond van organisatorische gronden of formatie afwijzen. Een afwijzing van het verzoek gebeurt schriftelijk en gemotiveerd. 9. Het is niet mogelijk om binnen hetzelfde kalenderjaar de keuzemogelijkheid voor minderwerk te combineren met de keuzemogelijkheid voor meerwerk (artikel 4.1.2). Artikel 4.1.4 Werktijden 1. Met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Arbeidstijdenwet, worden de werktijden bij besluit van het dagelijks bestuur vastgesteld. 2. Bij de regeling van de werktijd wordt in acht genomen dat: de arbeid zodanig georganiseerd wordt dat de ambtenaar ten hoogste 12 uur per dag, 60 uur per week, in elke periode van 4 achtereenvolgende weken maximaal gemiddeld 55 uur per week en in elke periode van 16 achtereenvolgende weken maximaal gemiddeld 48 uren per week arbeid verricht; geen arbeid wordt verricht op zaterdagen en zondagen, tenzij afwijking van deze regel in het belang van de dienst noodzakelijk is; de werktijd behoorlijk door rusttijd wordt onderbroken. 3. Bij de regeling van de werktijd en haar toepassing wordt voorts zoveel mogelijk gezorgd dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende religieuze feestdagen kan vieren en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt. 4. Afwijking als bedoeld in lid 2, onder c, is wat betreft de zondag slechts mogelijk indien tenminste 13 vrije zondagen per jaar overblijven. 5. Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op feestdagen als bedoeld in artikel 1.2.1. 6. Het bepaalde in dit artikel vindt voor de ambtenaar die tot een kerkgenootschap behoort, dat de wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert overeenkomstige toepassing, indien hij een daartoe strekkend verzoek tot de (algemeen) directeur heeft gericht. 7. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder ‘werkdag’ de krachtens dit artikel voor de functie van de ambtenaar per dag vastgestelde – al dan niet gelijke – arbeidsperiode. 8. Onder roostervrije tijd wordt verstaan de in het kader van de regeling van de werktijd door het dagelijks bestuur aangewezen uren waarop door de ambtenaar, in beginsel, geen arbeid behoeft te worden verricht. 4.2 Verlof Artikel 4.2.1 Recht op verlof 1. Ieder kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op basisverlof met behoud van bezoldiging en IKB-collectief. 2. Het basisverlof bedraagt vier keer de in de aanstelling vastgelegde gemiddelde arbeidsduur per week. 3. De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld of wordt ontslagen, heeft recht op een evenredig deel van het basisverlof dat voor een geheel kalenderjaar voor hem zou gelden. Artikel 4.2.2 Aanvragen verlof 1. De ambtenaar dient een verzoek in om verlof op te nemen. Door of namens het dagelijks bestuur wordt beslist over de duur van het verlof en op welke tijdstippen het verlof wordt verleend. 2. De ambtenaar dient een verzoek om langdurig verlof voor meer dan één maand en minder dan drie maanden tenminste drie maanden voor het beoogde tijdstip van ingang schriftelijk bij het dagelijks bestuur in. Bij een langdurig verlof van drie maanden of langer moet de aanvraag tenminste zes maanden voor het beoogde tijdstip van ingang schriftelijk bij het dagelijks bestuur worden ingediend. 3. In afwijking van het tweede lid kan het bevoegd gezag in daartoe aanleiding gevende gevallen toestaan dat een kortere aanvraagtermijn in acht wordt genomen. 4. De aanvraag om toekenning van langdurig verlof bevat de volgende gegevens: de gewenste datum van ingang van de verlofperiode; het aantal uren verlof dat wordt opgenomen; de verdeling van de uren verlof over de weken; 5. Bij de beslissing over een verlofverzoek wordt, voor zover de belangen van de dienst en die van de andere ambtenaren dit toelaten, zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de ambtenaar. 6. Ingeval door of namens het dagelijks bestuur niet wordt ingestemd met de verlofaanvraag, dan wordt dat schriftelijk en gemotiveerd binnen 30 kalenderdagen na ontvangst van het verzoek meegedeeld. Artikel 4.2.3 Verlenen verlof 1. In het kader van een goede zorg voor gezondheid en vitaliteit dient het basisverlof in beginsel in het jaar van toekenning te worden opgenomen en verleend. 2. Het basisverlof kan worden gesplitst, maar wordt in beginsel voor tenminste eenmalig tien werkdagen aaneensluitend verleend. 3. Het basisverlof wordt desgevraagd zoveel mogelijk, in het bijzonder wat betreft de aaneengesloten periode als bedoeld in het vorige lid, verleend in het tijdvak van 1 mei tot 1 oktober. 4. Het basisverlof wordt verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten. Is aan de ambtenaar om redenen van dienstbelang in enig kalenderjaar het basis-verlof niet of niet geheel verleend, dan wordt hem het nog niet genoten basisverlof zoveel mogelijk in het eerstvolgende, doch uiterlijk voor 1 juli van het volgende kalenderjaar verleend. 5. Indien de ambtenaar tijdens verlof wegens ziekte verhinderd is zijn arbeid of re-integratie activiteiten te verrichten, worden die uren als niet opgenomen verlof aangemerkt. De ambtenaar dient hierbij aan de volgende voorwaarden te voldoen: ziekmelden bij verblijf in het buitenland dient achteraf het ziek zijn aangetoond te worden bij verblijf in het buitenland moeten geadviseerde vaccinaties voor de bestemming geldig zijn. Artikel 4.2.4 Recht op opnemen verlof op religieuze dagen 1. De ambtenaar heeft het recht op het opnemen van verlof uit zijn verloftegoed op de voor hem geldende religieuze dagen. 2. Dit recht kan niet worden ontzegd op grond van zwaarwegend dienstbelang. Artikel 4.2.5 Compensatie bij niet verlenen basisverlof wegens dienstbelang 1. Indien het belang van de dienst het onvermijdelijk maakt, dat het basisverlof of het aaneengesloten gedeelte daarvan wordt genoten buiten het in artikel 4.2.3, lid 3 SAW, genoemde tijdvak, kan door het dagelijks bestuur de duur van het basisverlof of het aaneengesloten deel daarvan met 1/3 worden verlengd. Dit verlof kent dezelfde vervaltermijn als het oorspronkelijke basisverlof. 2. Aan de ambtenaar die tijdens zijn basisverlof bepaalde voordelen die verbonden zijn aan zijn functie misloopt, kan deswege een vergoeding worden toegekend. Artikel 4.2.6 Intrekking verlof wegens dienstbelang 1. Verleend verlof kan worden ingetrokken, wanneer dringende redenen van dienstbelang dat noodzakelijk maken. Dit met uitzondering van de redenen genoemd in artikel 4.2.4 SAW. Indien ten gevolge van dit intrekken van verlof de ambtenaar op een bepaalde dag slechts gedeeltelijk verlof geniet, worden de uren van deze dag niet in aanmerking genomen bij de berekening van het aantal genoten verlofuren. 2. Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van het verlof geldelijke schade lijdt, wordt deze schade hem vergoed. Artikel 4.2.7 Vervaltermijn 1. Indien in enig kalenderjaar het basisverlof geheel of gedeeltelijk niet is verleend, wordt: het niet genoten verlof in de eerste helft van het volgend kalenderjaar verleend, tenzij het belang van de dienst of de belangen van de andere ambtenaren zich daartegen verzetten. 2. Het bepaalde in het voorafgaande lid geldt met dien verstande, dat de ambtenaar in enig kalenderjaar nimmer meer basisverlofuren kan opnemen dan twee maal het hem bij of krachtens artikel 4.2.1 SAW toekomende aantal uren, tenzij op een desbetreffend verzoek van de ambtenaar uitdrukkelijk anders is beslist. 3. Het basisverlof van een kalenderjaar vervalt 6 maanden na de laatste dag van het kalenderjaar waarin het recht is ontstaan, tenzij de ambtenaar niet in staat is geweest om dit verlof op te nemen. 4. Het basisverlof dat niet als gevolg van het derde lid vervalt, vervalt na verloop van twee kalenderjaren na de laatste dag van het kalenderjaar waarin het recht is ontstaan. 5. In gevallen waarin dit artikel niet voorziet stelt het dagelijks bestuur bijzondere regelen vast. Artikel 4.2.8 Verlofrecht bij bijzondere omstandigheden 1. Voor de ambtenaar die wegens oorzaken anders dan die bedoeld in artikel 4.2.1 SAW niet gedurende het volle kalenderjaar, dan wel niet volledig, arbeid verricht, wordt het recht op het basisverlof van het lopende kalenderjaar, naar evenredigheid verminderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien geheel of gedeeltelijk geen arbeid wordt verricht wegens: ziekte; zwangerschaps- en bevallingsverlof van de vrouwelijke ambtenaar; c. re-integratieactiviteiten als bedoeld in artikel 5.2.1 SAW. 3. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid en in afwijking van het bepaalde in het tweede lid, heeft de ambtenaar geen recht op verlof: voor de tijd die hij geheel of gedeeltelijk ziek is en deze ziekte door zijn opzet is ontstaan; voor de tijd die hij geheel of gedeeltelijk ziek is tengevolge van een gebrek waarover hij in het kader van de medische keuring bij aanstelling opzettelijk valse inlichtingen heeft gegeven; voor de tijd die hij door zijn toedoen genezing belemmert of vertraagt; voor de tijd die hij, hoewel hij daartoe in staat is, zonder deugdelijke grond passende arbeid niet verricht; voor de tijd die hij zonder deugdelijke grond weigert mee te werken aan door het dagelijks bestuur of door een door hen aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en getroffen maatregelen die er op gericht zijn hem in staat te stellen de eigen of andere passende arbeid te verrichten. Artikel 4.2.9 Verlof en ziekte 1. De ambtenaar kan tijdens ziekte verlof opnemen. 2. Bij de ambtenaar die wegens ziekte gedeeltelijk arbeid verricht, worden bij het opnemen van het verlof de uren voor de gehele geroosterde arbeidsduur in mindering gebracht op het basisverlof. Artikel 4.2.10 Ontslag en verlof Voor verlofuren waarop de ambtenaar recht heeft, maar die met ingang van de dag van ontslag nog niet zijn verleend, wordt een vergoeding gegeven. Deze vergoeding bedraagt 1/156ste van het salaris per maand op ontslagdatum van de ambtenaar voor elk niet verleend verlofuur. Artikel 4.2.11 Overgangsbepaling De vervaltermijn uit artikel 4.2.7 SAW geldt niet voor verlof ontstaan voor 1 januari 2012. Het basisverlof van het kalenderjaar 2012 vervalt 8 maanden na 31 december 2012, te weten op 1 september 2013, tenzij de ambtenaar niet in staat is geweest om dit verlof op te nemen. Het basisverlof van het kalenderjaar 2012 waarbij de ambtenaar niet in staat was het op te nemen, vervalt na verloop van 2 kalenderjaren na 31 december 2012. 4.3 Buitengewoon verlof Artikel 4.3.1 Verlof op feestdagen Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, wordt aan de ambtenaar op feestdagen conform artikel 1.2.1 verlof met behoud van bezoldiging verleend. De openbare dienst van het waterschap is deze dagen gesloten. Artikel 4.3.2 Bijzonder verlof Het dagelijks bestuur kan, indien daartoe naar zijn oordeel termen bestaan, aan een ambtenaar na diens aanvraag, al dan niet met behoud van het genot van gehele of gedeeltelijke bezoldiging en al dan niet onder bepaalde nadere voorwaarden, verlof verlenen om andere redenen dan die zijn genoemd in artikel 4.3.2. Verloven van langer dan een jaar worden in elk geval buiten genot van bezoldiging verleend, tenzij het verlof in het openbaar belang gegeven wordt. Artikel 4.3.3 Verlof voor vakbondsactiviteiten 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: Centrales van overheidspersoneel de Algemene Centrale van Overheidspersoneel (ACOP); de Christelijke Centrale van Overheids– en Onderwijzend Personeel (CCOOP); de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid, Onderwijs, Bedrijven en Instellingen (CMHF). Verenigingen van ambtenaren de verenigingen van ambtenaren die zijn aangesloten bij de onder a genoemde centrales van overheidspersoneel. 2. Aan de ambtenaar, benoemd tot bezoldigd bestuurder van een vereniging van ambtenaren, kan het dagelijks bestuur na diens aanvraag verlof buiten genot van bezoldiging verlenen voor de duur van de vervulling van deze functie, evenwel slechts voor ten hoogste twee jaar. 3. Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt door het dagelijks bestuur buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend aan de ambtenaar: voor het bijwonen van algemene vergaderingen van verenigingen van ambtenaren of, voor zover het algemene verenigingen betreft die ook andere groepen van ambtenaren dan waterschapspersoneel organiseren, voor het bijwonen van algemene vergaderingen van een landelijke groep van waterschapspersoneel, indien de ambtenaar lid van het hoofdbestuur, bestuurslid van een landelijke groep of afgevaardigde van een afdeling is, met dien verstande dat van elke afdeling voor iedere vijftig leden of gedeelte daarvan aan ten hoogste twee afgevaardigden tot een maximum van tien afgevaardigden, verlof wordt verleend; voor het bijwonen van hoofdbestuursvergaderingen indien hij lid is van het hoofdbestuur van bondsraad– of bestuursvergaderingen indien hij lid is van de bonds– of bestuursraad en van groepsraadsvergaderingen indien hij lid is van een landelijke groepsraad; voor het bijwonen van één algemene vergadering van de centrale organisatie waarbij de vereniging van de ambtenaar is aangesloten, indien hij als vertegenwoordiger van zijn vereniging aan die vergadering deelneemt. 4. Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt door het dagelijks bestuur aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend: om, indien hij daartoe door een centrale van overheidspersoneel als bedoeld in het eerste lid onder a of door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen, bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen die centrale of die daarbij aangesloten vereniging, onderscheidenlijk binnen het waterschapsapparaat, die ertoe strekken de doelstellingen van deze centrale van overheidspersoneel en/of de daarbij aangesloten vereniging te ondersteunen, alles samen voor ten hoogste 187,2 uren per kalenderjaar; voor het – op uitnodiging van een vereniging van ambtenaren – als cursist deelnemen aan een cursus die door of ten behoeve van de leden van die vereniging van ambtenaren wordt gegeven, alles samen voor ten hoogste 43,2 uren per twee kalenderjaren. 5. Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten en indien de vereniging van ambtenaren als bedoeld in lid 1 onder b bij het betreffende waterschap een verzoek heeft ingediend om een ambtenaar aan te wijzen als vakbondsconsulent, wordt door het dagelijks bestuur buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend: bij een waterschap tot 400 fte aan een of meerdere ambtenaren voor het verrichten van werkzaamheden als vakbondsconsulent voor samen ten hoogste 100 uur per kalenderjaar; bij een waterschap vanaf 400 fte aan een of meerdere ambtenaren voor het verrichten van werkzaamheden als vakbondsconsulent voor samen ten hoogste 200 uur per kalenderjaar. Elke vereniging van ambtenaren als bedoeld in lid 1 onder b kan in het waterschap één ambtenaar als vakbondsconsulent aanwijzen. 6. Het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging van een ambtenaar met een onvolledige werktijd kan ten hoogste een naar evenredigheid van het in lid 4 onder a en b genoemde aantal uren bedragen. 7. Het verlof als bedoeld in de leden 3, 4 en 5 samen kan voor de individuele ambtenaar niet meer bedragen dan ten hoogste 216 uren per kalenderjaar, echter met dien verstande dat ten hoogste 288 uren verlof kan worden verleend aan de ambtenaar die: lid is van het hoofdbestuur van een centrale van overheidspersoneel, genoemd in het eerste lid onder a, nr. 1 of 2 en/of van een vereniging van ambtenaren die rechtstreeks bij die centrale is aangesloten; lid is van het centrale bestuur van de centrale genoemd in het eerste lid onder a, nr. 3 en/of bestuurslid is van een sector of sectie van de centrale. Voor de ambtenaar met een onvolledige werktijd kan het verlof bedoeld in de leden 3 en 4 samen ten hoogste een naar evenredigheid van de in dit lid genoemde aantallen uren bedragen. 8. Verlof als bedoeld in de vorige leden kan slechts worden verleend aan de ambtenaar die lid is van een vereniging van ambtenaren als bedoeld in lid 1 onder b. 9. Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als lid van de commissie als bedoeld in artikel 12.1, lid 1, buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend voor het bijwonen van de vergadering van die commissie, alsmede voor één voorvergadering per uitgeschreven commissievergadering. Hetgeen ten aanzien van de voorvergadering is bepaald, geldt eveneens voor de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als plaatsvervangend lid van de commissie bedoeld in artikel 12.1, lid 1. 10. Het dagelijks bestuur kan omtrent het bepaalde in dit artikel nadere regelen stellen, waarbij het te verlenen verlof als bedoeld in de leden 3, 4 en 6 op een lager aantal werkdagen kan worden gesteld. 4.4 Verlof in verband met Arbeid en Zorg Artikel 4.4.1 Wet arbeid en zorg Tenzij anders is bepaald in betreffende wet of Sectorale arbeidsvoorwaardenregelingen waterschapspersoneel, is de Wet arbeid en zorg, Stb. 2001, 567, van toepassing. Artikel 4.4.2 Zwangerschap– en bevallingsverlof 1. De vrouwelijke ambtenaar heeft in verband met haar zwangerschap en bevalling recht op zwangerschap– en bevallingsverlof gedurende tenminste zestien weken. 2. Gedurende de periode als bedoeld in lid 1, heeft de vrouwelijke ambtenaar recht op doorbetaling van haar volledige bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief. 3. Indien de vrouwelijke ambtenaar krachtens de Wet arbeid en zorg recht heeft op een 4. financiële tegemoetkoming, wordt deze tegemoetkoming in mindering gebracht op het 5. bedrag waarop de ambtenaar conform lid 2 recht heeft. 6. Indien de vrouwelijke ambtenaar geen tegemoetkoming krachtens de Wet arbeid en 7. zorg ontvangt of de tegemoetkoming wordt verminderd of geheel of gedeeltelijk geweigerd en dit aan haar schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de periode dat zij de 8. tegemoetkoming niet ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden 9. met het bedrag waarop zij recht zou hebben gehad bij het wel voldoen aan alle voorwaarden. 10. De ambtenaar verleent op verzoek van de werkgever alle medewerking aan het via de 11. werkgever tot uitbetaling laten komen van de tegemoetkoming op grond van de Wet 12. arbeid en zorg. 13. Naar keuze van de belanghebbenden kunnen de zestien weken, als bedoeld in lid 1, 14. worden opgenomen in een periode gelegen vanaf zes weken voor de datum waarop 15. blijkens een verklaring van een geneeskundige of verloskundige de bevalling zal plaat- 16. vinden tot maximaal twaalf weken na de datum waarop de bevalling heeft plaatsgevonden. 17. Het zwangerschapsverlof begint in ieder geval vier weken voor de vermoedelijke datum 18. van de bevalling. De duur van het zwangerschapsverlof wordt zoveel als mogelijk tevoren vastgesteld. 19. Het bevallingsverlof begint op de werkelijke datum van de bevalling. Indien de bevalling 20. later dan de vermoedelijke datum van bevalling plaatsvindt, is dit niet van invloed op de 21. vooraf gekozen duur van het bevallingsverlof. Indien de bevalling eerder dan de vermoedelijke datum van bevalling plaatsvindt, wordt het resterende zwangerschapsverlof 22. toegevoegd aan het bevallingsverlof. 23. De duur van de verhindering om de functie te vervullen wegens zwangerschap, gelegen 24. buiten het op grond van lid 6 gekozen tijdvak, doch binnen zes weken voor de vermoedelijke datum van de bevalling, wordt op dat tijdvak in mindering gebracht. Artikel 4.4.3 Uitkering bij zwangerschap en bevalling na ontslag 1. De gewezen vrouwelijke ambtenaar: - die geen aanspraak kan ontlenen aan paragraaf 9.2 van de SAW; en - wier bevalling waarschijnlijk is, onderscheidenlijk wier bevalling plaatsvindt vanaf elf weken tot en met zestien weken na het einde van haar verplichte verzekering op basis van de ziektewet; ontvangt een zwangerschap– en bevallingsuitkering van het waterschap. Deze uitkering zal niet minder mogen bedragen dan die zij krachtens artikel 9.2.12 zou hebben genoten indien dit op haar van toepassing zou zijn geweest. 2. Indien de vrouwelijke ambtenaar krachtens de Wet arbeid en zorg recht heeft op een financiële tegemoetkoming, wordt deze tegemoetkoming in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar conform lid 1 recht heeft. 3. Indien de vrouwelijke ambtenaar geen tegemoetkoming krachtens de Wet arbeid en zorg ontvangt of de tegemoetkoming wordt verminderd of geheel of gedeeltelijk geweigerd en dit aan haar schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de periode dat zij de tegemoetkoming niet ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met het bedrag waarop zij recht zou hebben gehad bij het wel voldoen aan alle voorwaarden. 4. Het verplichtingen– en sanctieregime van de Wet arbeid en zorg is van toepassing op de uitkering bedoeld in het lid 1. Artikel 4.4.4 Adoptie en pleegzorg 1. De artikelen over adoptie en pleegzorg uit de Wet arbeid en zorg zijn van toepassing. 2. In uitzondering op lid 1 van dit artikel heeft de ambtenaar in verband met de adoptie van een kind of het opnemen van een pleegkind recht op verlof en recht op doorbetaling van de volledige bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief. 3. De ambtenaar heeft het recht op het opnemen van verlof uit zijn verloftegoed om de mogelijkheid te hebben om aanvullend op de aanspraak uit de Wet arbeid en zorg betreffende adoptie en pleegzorg 1 week verlof op te nemen. Dit recht kan niet worden ontzegd op grond van zwaarwegend dienstbelang. 4. De tegemoetkoming op grond van de Wet arbeid en zorg waar de ambtenaar recht op heeft, wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de ambtenaar conform lid 2 recht heeft. 5. Indien de ambtenaar geen tegemoetkoming krachtens de Wet arbeid en zorg ontvangt of de tegemoetkoming wordt verminderd of geheel of gedeeltelijk geweigerd en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de periode dat hij de tegemoetkoming niet ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met het bedrag waarop hij recht zou hebben gehad bij het wel voldoen aan alle voorwaarden. 6. De ambtenaar verleent op verzoek van de werkgever alle medewerking aan het via de werkgever tot uitbetaling laten komen van de tegemoetkoming op grond van de Wet arbeid en zorg. Artikel 4.4.5 Calamiteiten– en kortdurend verlof De ambtenaar heeft conform de Wet arbeid en zorg recht op verlof met behoud van zijn bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief ongeacht de omvang van zijn functie, wanneer hij zijn arbeid niet kan verrichten wegens: uitoefening van het kiesrecht, voor zover dit niet in vrije tijd kan geschieden of verzetting van de dienst niet mogelijk is; het voldoen aan een wettelijke verplichting, tenzij deze is ontstaan door schuld of nalatigheid van de ambtenaar en voor zoveel zulks niet in vrije tijd kan geschieden of verzetting van dienst niet mogelijk is; het overlijden van echtgeno(o)t(e), ouders, pleegouders, stiefouders, schoonouders, kinderen, pleegkinderen, stief– en aangehuwde kinderen: 4 werkdagen; het overlijden van bloed– en aanverwanten in de tweede graad: 2 werkdagen, tenzij de ambtenaar is belast met de regeling der begrafenis of (
  3. en)nalatenschap, in welk geval verlof voor ten hoogste 4 werkdagen wordt verleend; het overlijden van overige bloed– en aanverwanten tot en met de derde graad voor ten hoogste 1 werkdag, tenzij de ambtenaar is belast met de regeling van de begrafenis of (
  4. en)nalatenschap, in welk geval verlof voor ten hoogste 4 werkdagen wordt verleend; zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden Artikel 4.4.6 Kraamverlof De ambtenaar heeft conform de Wet arbeid en zorg in een tijdvak van vier weken na de bevalling van de echtgenote, de geregistreerde partner, de persoon met wie hij ongehuwd samenwoont of degene van wie hij het kind erkent, recht op verlof met behoud van zijn bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief gedurende twee dagen waarop hij arbeid pleegt te verrichten. Het recht bestaat vanaf de eerste dag dat het kind feitelijk op hetzelfde adres als de moeder woont, ongeacht de omvang van zijn functie. Artikel 4.4.7 Kortdurend zorgverlof 1. De artikelen 5:3, 5:4, 5:5, 5:7, 5:8 van de Wet arbeid en zorg is van toepassing. 2. Aan de ambtenaar kan bij ziekte van echtgeno(o)t(e), ouders, pleegouders, stiefouders, schoonouders, kinderen, pleegkinderen en stief– en aangehuwde kinderen kortdurend zorgverlof worden verleend ten behoeve van het verzorgen en verplegen van het familielid. 3. Het verlof bedraagt in elke periode van 12 achtereenvolgende maanden ten hoogste tweemaal de voor de ambtenaar geldende arbeidsduur per week. 4. Gedurende het verlof heeft de ambtenaar recht op 75% doorbetaling van zijn bezoldiging vermeerderd met het IKB-collectief over de arbeidsduur waarvoor het zorgverlof geldt. Artikel 4.4.8 Langdurig onbetaald zorgverlof 1. De artikelen 5:9 t/m 5:16 van de Wet arbeid en zorg blijven van toepassing. 2. De ambtenaar heeft recht op langdurig onbetaald zorgverlof voor de verzorging van een persoon die ernstig ziek is, indien het betreft: de echtgenoot, de geregistreerde partner of de persoon met wie de ambtenaar ongehuwd samenwoont; een kind tot wie de ambtenaar of de persoon, bedoeld in onderdeel a, als ouder in een familierechtelijke betrekking staat, dan wel een pleegkind van de ambtenaar als bedoeld in artikel 5:1, eerste lid, onderdeel d Wet Arbeid en Zorg; een bloedverwant in de eerste graad van de ambtenaar. 3. Het verlof bedraagt in elke periode van twaalf achtereenvolgende maanden ten hoogste zesmaal de arbeidsduur per week. De periode van twaalf maanden gaat in op de eerste dag waarop het verlof wordt genoten. 4. Het verlof wordt per week opgenomen gedurende een aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf weken. 5. Het aantal uren verlof per week bedraagt ten hoogste de helft van de arbeidsduur per week. 6. In afwijking van het vierde en vijfde lid kan de ambtenaar verzoeken om het langdurig onbetaald zorgverlof op een andere wijze op te nemen. 7. Als onbetaald zorgverlof wordt opgenomen, komt het werkgeversdeel van de pensioenpremie van het onbetaald verlof voor rekening van de ambtenaar. Artikel 4.4.9 Mantelzorg 1. Als een ambtenaar mantelzorg gaat verlenen worden in overleg met de leidinggevende afspraken gemaakt om de mantelzorg te kunnen verlenen, het aantal uren onbetaald verlof en de indeling van de werktijden. 2. Bij mantelzorg kan de ambtenaar gebruik maken van de wettelijke mogelijkheden van kortdurend zorgverlof en/of langdurig onbetaald zorgverlof, voor zover de ambtenaar voldoet aan de wettelijke eisen voor het recht op deze verlofvormen. Voor het langdurig onbetaald zorgverlof kan de ambtenaar het gespaarde levenslooptegoed inzetten. Artikel 4.4.10 Ouderschapsverlof De werkgever betaald het werkgeversdeel van de pensioenpremie over het verlofdeel van wettelijk onbetaald ouderschapsverlof ten behoeve van het personeelslid dat gebruik maakt van hoofdstuk 6 van de Wet arbeid en zorg 4.5 Levensloopregeling waterschapspersoneel Artikel 4.5.1 Begripsbepalingen en –omschrijvingen Voor de toepassing van deze regeling wordt verstaan onder: levensloopverlof: verlof zonder behoud van bezoldiging waarvoor een uitkering uit het levenslooptegoed wordt toegekend; spaarperiode: de periode die de ambtenaar een geldelijke voorziening spaart ten behoeve van het opnemen van een periode van levensloopverlof; levenslooptegoed: de bij een levensloopinstelling opgebouwde voorziening in geld, vermeerderd met de met de daarop gekweekte inkomsten en de daarmee behaalde rendementen, die wordt aangewend voor een financiële vergoeding gedurende de levensloopverlofperiode; levenslooploon: het loon afkomstig uit het levenslooptegoed dat via de werkgever aan de ambtenaar op diens verzoek tijdens onbetaald verlof wordt uitgekeerd; levensloopinstelling: een door de ambtenaar gekozen instelling die voldoet aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 19g, derde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964; levenslooprekening: een geblokkeerde rekening op naam van de ambtenaar bij een levensloopinstelling; levensloopverzekering: een verzekering op naam van de ambtenaar bij een levens-loopinstelling; levensloopverlofperiode: de periode waarin onbetaald verlof wordt genoten en levenslooploon wordt verkregen. Artikel 4.5.2 Werkingsfeer 1. De Levensloopregeling waterschapspersoneel heeft ten doel het treffen van een geldelijke voorziening uitsluitend ter financiering van een periode van onbetaald verlof. 2. Het bepaalde in deze regeling is van toepassing voor zover niet anders is bepaald in de Wet arbeid en zorg. Artikel 4.5.3 Aanvraag 1. De ambtenaar kan een aanvraag indienen om een voorziening in geld te sparen voor een levensloopverlofperiode. De aanvraag dient de volgende gegevens te bevatten: het nummer van de levenslooprekening of het (polis)nummer van de levensloopverzekering; het te sparen bedrag; de geldelijke voorziening voor levensloopverlof wordt door de medewerker ingehouden op het Individuele KeuzeBudget; een verklaring van de ambtenaar waaruit blijkt: dat hij bekend is met de inhoud van de Levensloopregeling waterschapspersoneel; of hij in een of meer inmiddels beëindigde dienstbetrekkingen buiten het waterschap levenslooptegoed heeft opgebouwd en wat de omvang daarvan op 1 januari van het kalenderjaar van de ondertekening van de verklaring is; dat hij ermee instemt dat diens gehele of gedeeltelijke levenslooptegoed aan het bevoegd gezag wordt uitgekeerd in de situaties als bedoeld in artikel 4.5.8; dat hij er zorg voor draagt dat per 1 januari van elk jaar een overzicht wordt versterkt van het levenslooptegoed 2. Indien het een eerste aanvraag bij het waterschap betreft dient de ambtenaar een verklaring van de levensloopinstelling te overleggen waaruit blijkt dat deze instelling: ten aanzien van de levenslooprekening of de levensloopverzekering conform het gestelde in deze regeling en de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 zal handelen; de werkgever aan het begin van elk kalenderjaar een opgave zal verstrekken van het levenslooptegoed op 1 januari van dat jaar. 3. Indien in een of meer inmiddels beëindigde dienstbetrekkingen een levenslooptegoed is opgebouwd dient de ambtenaar een verklaring te overleggen van de levensloopinstelling waar dat tegoed is opgebouwd waarin wordt aangegeven hoeveel kalenderjaren de ambtenaar heeft gespaard, en tot welke bedragen in die jaren een voorziening in geld ten behoeve van levensloopverlof is uitgekeerd en wat de omvang van het levenslooptegoed op 1 januari van het lopende kalenderjaar is. 4. De ambtenaar dient de aanvraag minimaal twee maanden voor de gewenste ingangsdatum van de spaarperiode in. Het dagelijks bestuur kan de ambtenaar toestaan de aanvraag na genoemde datum in te dienen. Artikel 4.5.4 Inleg 1. De per kalenderjaar te sparen geldelijke voorziening voor levensloopverlof bedraagt ten hoogste 12 procent van het brutoloon in dat jaar. 2. Het in het eerste lid bedoelde maximumpercentage is niet van toepassing op de ambtenaar die op 31 december 2005 de leeftijd van 51 maar niet de leeftijd van 56 jaar heeft bereikt. Artikel 4.5.5 Procedures inleg 1. Het dagelijks bestuur kent binnen 30 kalenderdagen na datum van indiening de in artikel 4.5.3 bedoelde aanvraag toe, tenzij het levenslooptegoed, vermeerderd met: het levenslooptegoed uit een of meer inmiddels beëindigde dienstbetrekkingen; het saldo van de fiscaal verlofspaarregeling waterschapspersoneel, op 1 januari gelijk is aan of meer bedraagt dan 2,1 maal het brutoloon op jaarbasis over het voorafgaande kalenderjaar. 2. Voor de toepassing van het eerste lid mag een salarisvermindering buiten beschouwing blijven, voor zover deze het gevolg is van het aanvaarden van een deeltijdfunctie of een lager gekwalificeerde functie in de periode die aanvangt tien jaar direct voorafgaand aan de pensioendatum mits de omvang van het dienstverband in geval van het aanvaarden van een deeltijdfunctie niet met meer dan 50% vermindert. 3. De inleg als bedoeld in artikel 4.5.4 wordt gestort op de levenslooprekening dan wel overgemaakt als premie voor de levensloopverzekering in de maand waarin dit door de werknemer aangewezen wordt in het IKB. 4. Het is de ambtenaar niet toegestaan gelden rechtstreeks op zijn levenslooprekening of levensloopverzekering te storten of te doen storten. 5. Indien in een kalenderjaar het geld dat gedurende dat kalenderjaar is ingelegd meer bedraagt dan 12 procent van het bruto jaarsalaris, wordt het bovenmatige gedeelte door de levensloopinstelling aan de werkgever uitgekeerd en vervolgens als salaris aan de ambtenaar uitgekeerd. Artikel 4.5.6 Einde spaarperiode De ambtenaar kan in het IKB de spaarperiode beëindigen uiterlijk met ingang van de dag van de eerst volgende salarisverwerking. Artikel 4.5.7 Het levenslooptegoed 1. Over het levenslooptegoed wordt uitsluitend beschikt: ten behoeve van de uitbetaling van levenslooploon, ten behoeve van het levenslooptegoed in een aanspraak als bedoeld in artikel 17.10.3 van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, mits na de omzetting de aanspraak nog blijft binnen de in of krachtens hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964 gestelde grenzen. 2. Het levenslooptegoed wordt op geen enkele wijze afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk als voorwerp van zekerheid anders dan ten behoeve van de in artikel 61k van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 bedoelde verpanding aangeboden. Artikel 4.5.8 Overboeken Een verzoek van de ambtenaar aan de werkgever om het levenslooptegoed dat is opgebouwd in een of meer inmiddels beëindigde dienstbetrekkingen buiten het waterschap geheel of gedeeltelijk over te boeken naar een op grond van deze regeling geopende levens-looprekening of afgesloten levensloopverzekering wordt gehonoreerd. Artikel 4.5.9 Verlofaanvraag 1. De ambtenaar dient een verzoek om verlof voor minder dan drie maanden tenminste drie maanden voor het beoogde tijdstip van ingang schriftelijk bij de werkgever in. Bij een verlof van drie maanden of langer moet de aanvraag tenminste zes maanden voor het beoogde tijdstip van ingang schriftelijk bij de werkgever worden ingediend. 2. In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag in daartoe aanleiding gevende gevallen toestaan dat een kortere aanvraagtermijn in acht wordt genomen. 3. De aanvraag om toekenning van levensloopverlof bevat de volgende gegevens: de gewenste datum van ingang van de levensloopverlofperiode; het aantal uren levensloopverlof dat wordt opgenomen; de verdeling van de uren levensloopverlof over de weken; het percentage van het maandinkomen dat als uitkering moet worden betaald; een machtiging van de ambtenaar om een eenmalige of maandelijkse uitkering ter grootte van het in de aanvraag aangegeven bedrag ten laste van zijn levenslooptegoed aan de werkgever te verstrekken. 4. De werkgever stemt in met de aanvraag als bedoeld in het eerste lid van dit artikel tenzij de belangen van de dienst zich verzetten tegen toekenning op het voorgestelde tijdstip en/of de vorm van het verlof. 5. Ingeval de werkgever niet instemt met de verlofaanvraag, deelt de werkgever dat schriftelijk en gemotiveerd binnen 30 kalenderdagen na ontvangst van het verzoek mee. Artikel 4.5.10 Uitkeringen tijdens het levensloopverlof 1. Gedurende het levensloopverlof ontvangt de ambtenaar een maandelijkse uitkering als bedoeld in artikel 4.5.9, derde lid sub d. De uitkering is ten hoogste gelijk aan het maandinkomen dat de ambtenaar direct voorafgaand aan de verlofperiode ontving. 2. Indien het levensloopverlof voor een deel van de voor de ambtenaar geldende arbeidsduur wordt toegekend bedraagt de uitkering samen met salaris en andere toegekende beloningen niet meer dan het maandinkomen dat de ambtenaar direct voorafgaand aan de verlofperiode ontving. Artikel 4.5.11 Gevolgen voor arbeidsvoorwaarden 1. Over de opgenomen uren levensloopverlof vindt geen opbouw van verlof en het IKB-collectief plaats. 2. Tijdens de opgenomen uren levensloopverlof bestaat geen aanspraak op doorbetaling van bezoldiging, toeslagen, toelagen, tegemoetkomingen, uitkeringen en vergoedingen. Artikel 4.5.12 Ziekte tijdens de verlofperiode 1. De ambtenaar heeft in geval sprake er is van langdurige ziekte het recht om de opname van het levenslooploon stop te zetten. Dit kan niet wanneer er sprake is van verlof voorafgaand aan pensionering. 2. Dit recht ontstaat vanaf het moment waarop de ambtenaar, na melding van de ziekte bij de werkgever, tenminste vier weken aaneengesloten ziek is geweest en de ziekte naar verwachting van de bedrijfsarts van langdurige aard zal zijn. 3. Na herstel van de ambtenaar bepalen ambtenaar en werkgever in onderling overleg of, en zo ja op welke wijze, het resterende deel van het levensloopverlof wordt opgenomen. Artikel 4.5.13 Zwangerschap- en bevallingsverlof Voor de duur van het zwangerschap- en bevallingsverlof wordt het levensloopverlof opgeschort. Artikel 4.5.14 Overgangsbepaling Voortzetting aan de levensloopregeling waterschapspersoneel is vanaf 1 januari 2012 mogelijk voor de ambtenaar die op 31 december 2011 deelnemer aan de levensloopregeling is en een positief saldo van € 3.000,00 op de levenslooprekening en of polis heeft staan. 5 Ziekte en Arbeidsongeschiktheid 5.1 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en re-integratie Artikel 5.1.1 Deskundige bijstand 1. Het waterschap laat zich met betrekking tot arbeidsgezondheidskundige begeleiding en verzuimbegeleiding bijstaan door deskundige begeleiding als bedoeld in de artikelen 13, 14 en 14a van de Arbeidsomstandighedenwet. 2. Het dagelijks bestuur stelt nadere regels vast ten aanzien van de organisatie van de deskundige bijstand als bedoeld in het vorige lid. Artikel 5.1.2 Recht op bedrijfsgeneeskundige begeleiding 1. Onverminderd hetgeen ter zake is bepaald in of krachtens de Arbeidsomstandighedenwet, heeft de ambtenaar recht op bedrijfsgeneeskundige begeleiding overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk. 2. De bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de ambtenaar geschiedt door de deskundige als bedoeld in artikel 5.1.1. lid 1 overeenkomstig door het dagelijks bestuur te stellen regels. Artikel 5.1.3 Consultatie geneeskundige De ambtenaar heeft het recht om een deskundige als bedoeld in artikel 5.1.1. lid 1 rechtstreeks te consulteren ter zake van gezondheidsproblemen, die naar zijn mening met zijn arbeidssituatie kunnen samenhangen. Artikel 5.1.4 Periodiek geneeskundig onderzoek De ambtenaar die in verband met de uitoefening van zijn werkzaamheden aan bijzonder gevaar voor zijn gezondheid blootstaat dan wel voor een goede vervulling van zijn functie aan bijzondere gezondheidseisen moet voldoen, is verplicht zich aan een periodiek geneeskundig onderzoek te onderwerpen, indien zulks naar het oordeel van het dagelijks bestuur, na overleg met de deskundige als bedoeld in artikel 5.1.1. lid 1, noodzakelijk is. Artikel 5.1.5 Geneeskundig onderzoek 1. Het dagelijks bestuur is bevoegd de deskundige als bedoeld in artikel 5.1.1 lid 1 opdracht te geven de ambtenaar aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen: indien naar het oordeel van het dagelijks bestuur redelijkerwijs aanleiding bestaat tot twijfel aan een goede gezondheidstoestand van de ambtenaar; indien de ambtenaar niet of niet langer volledig geschikt is gebleken voor het naar behoren vervullen van zijn functie, zulks ten einde na te gaan of hiervoor medische oorzaken zijn aan te wijzen; in gevallen als bedoeld in artikel 3.3.4. 2. De ambtenaar is verplicht zich aan een onderzoek, als bedoeld in het vorige lid, te onderwerpen. Artikel 5.1.6 Buitendienststelling 1. Indien bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 5.1.4 of artikel 5.1.5, blijkt van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar, dat naar het oordeel van de deskundige als bedoeld in artikel 5.1.1. lid 1 de belangen van de ambtenaar, die van de dienst of die van bij de dienstuitoefening betrokken derden zich tegen voortzetting van zijn functie verzetten, dan wordt de ambtenaar door het dagelijks bestuur buiten dienst gesteld. 2. Een buitendienststelling, als bedoeld in het vorige lid, vindt niet plaats indien, naar het oordeel van de deskundige als bedoeld in artikel 5.1.1, lid 1, de lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar het wenselijk maakt dat hij tijdelijk met andere werkzaamheden wordt belast, indien en voor zover deze voorhanden zijn. In dat geval is artikel 5.2.3 van overeenkomstige toepassing. 3. Een buitendienststelling, als bedoeld in lid 1, wordt voor de toepassing van de overige artikelen van di

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.