← Nederland

Algemene plaatselijke verordening (Haarlem)

Kort samengevat

Deze verordening regelt de openbare orde en veiligheid in Haarlem, met specifieke regels voor het gebruik van de openbare weg en wateren. Het stelt voorwaarden en beperkingen aan vergunningen en ontheffingen die nodig zijn voor bepaalde activiteiten.

Wat het regelt

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Algemene Plaatselijke Verordening Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: A.Weg: 1 alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten en de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen; 2 de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, sportterreinen, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen; 3 de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn; 4 andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages, galerijen en parkeergarages; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten. Openbaar water: alle wateren die - al dan niet met enige beperking - voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn. Bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan Gedeputeerde Staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid van de Wegenwet. Rechthebbende: een ieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht. Voertuigen: alle rij- en voertuigen, met uitzondering van: a treinen; b kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen. Vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen alsmede woonschepen, glijboten en ponten. Gebouw: elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. Artikel2Termijn indiening aanvraag 1.Indien een aanvraag voor een vergunning, ontheffing of verlof wordt ingediend minder dan vier weken voor het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning, ontheffing of verlof nodig heeft, kan het bevoegde bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen. 2.Voor bepaalde, door het bevoegde bestuursorgaan aan te wijzen vergunningen, ontheffingen of verloven kan deze termijn worden verlengd tot ten hoogste twaalf weken. Artikel2aPositieve fictieve beschikking Paragraaf 4.1.3.

  1. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op alle aanvragen voor vergunning of ontheffing ingevolge deze verordening, met uitzondering van de aanvagen bedoeld in:​ artikel 15, eerste lid; artikel 28, voor zover het betreft een evenement dat moet worden aangemeld bij het regionale college; artikel 49; artikel 69; artikel 74B; artikel 74F; artikel 3.
  2. Artikel3Voorschriften en beperkingen 1.Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning, ontheffing of verlof kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.Het college van burgemeester en wethouders respectievelijk de burgemeester kan: aan een verleende vergunning, ontheffing of verlof alsnog voorschriften en beperkingen verbinden; de aan een verleende vergunning, ontheffing of verlof verbonden voorschriften en beperkingen wijzigen; de aan een verleende vergunning, ontheffing of verlof verbonden voorschriften en beperkingen intrekken. 3.Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning, ontheffing of verlof is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel4Persoonlijk karakter van vergunning, ontheffing of verlof De vergunning, ontheffing of verlof is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel5Intrekking of wijziging van vergunning, ontheffing of verlof De vergunning, ontheffing of verlof kan voorgoed of tijdelijk worden ingetrokken of gewijzigd: indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning, ontheffing of verlof, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning, ontheffing of verlof is vereist; indien de aan de vergunning, ontheffing of verlof verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; indien van de vergunning, ontheffing of verlof geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn; indien de houder of zijn rechtsverkrijgende dit verzoekt. Hoofdstuk2Openbare orde Afdeling1Orde en veiligheid op de weg Paragraaf1Bestrijding van ongeregeldheden Artikel6Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan, overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet, bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel7Samenscholing en ongeregeldheden 1.Het is verboden op de weg deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden. 2.Eenieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3.Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen, wegen of weggedeelten, wanneer deze door of namens het bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. 4.Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Artikel8Spelen om geld op de weg Het is verboden op de weg met kaarten, geld, dobbelstenen of andere voorwerpen om geld te spelen. Artikel9Verbod drank, flessen, blik en glas op de weg 1.Het is verboden op de weg, die deel uitmaakt van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen gebied, alcoholhoudende dranken te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke en glazen met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2.Dit verbod is niet van toepassing voor: een terras; de plaats, die geen terras is, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35, tweede lid van de Drank- en Horecawet. Artikel10Cameratoezicht 1.De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 2.De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere voor eenieder toegankelijke plaatsen. Artikel10aVerblijfsontzeggingen 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degenen die de openbare orde verstoort door één of meer, door de burgemeester nader te bepalen, wettelijke bepalingen te overtreden een verbod opleggen zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste 12 weken te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben plaatsgehad. 2.De burgemeester wijst de gebieden alleen aan waarvoor de verblijfsontzegging kan worden opgelegd, indien naar zijn oordeel sprake is van een ernstige verstoring van de openbare orde. 3.De burgemeester beperkt het verbod als bedoeld in lid 1, indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. 4.Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod. Paragraaf2Optochten en betogingen Artikel11Kennisgeving betogingen, samenkomsten tot belijden van godsdienst of levensovertuiging of vergaderingen op openbare plaatsen 1.Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats: een betoging; een demonstratieve optocht; een samenkomst of optocht tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, of een vergadering te houden moet voordat hij dit openbaar aankondigt en tenminste 48 uur voordat deze gehouden wordt, dit schriftelijk bekend maken aan de burgemeester. Artikel 12 is hierop van toepassing. 2.Onder openbare plaats wordt verstaan een plaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid juncto tweede lid van de Wet openbare manifestaties, te weten een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek, met uitzondering van een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid van de Grondwet. Artikel12Te verstrekken gegevens 1.Bij de kennisgeving kan de burgemeester een opgave verlangen van: naam en adres van degene die de betoging, samenkomst of vergadering houdt; het doel van de betoging, samenkomst en vergadering; de datum waarop de betoging, samenkomst of vergadering wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; maatregelen die degene die de betoging, samenkomst of vergadering houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 2.Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. Paragraaf3Verspreiden van gedrukte stukken Artikel13Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen Het is verboden gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen onder publiek: te verspreiden; openlijk aan te bieden; aan te bevelen, of bekend te maken op of aan door het college van burgemeester en wethouders aangewezen wegen of gedeelten daarvan. Het college van burgemeester en wethouders zal de werking van dit verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. Het verbod wordt slechts uitgevaardigd ter verzekering van de redelijke en veilige afwikkeling van het verkeer en ter voorkoming van ernstige hinder voor anderen. Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van de in het eerste lid bedoelde gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. Het college van burgemeester en wethouders kan ontheffing verlenen van dit verbod. Paragraaf4Bruikbaarheid van de weg Artikel14Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg 1.Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2.Het verbod geldt niet voor: spandoeken, banieren, vlaggen, wimpels of vlaggenstokken indien deze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; zonneschermen, mits ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits: geen onderdeel zich minder dan 2, 2 meter boven dat gedeelte bevindt; geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt; geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt; de voorwerpen of stoffen, niet zijnde afzetlaadbakken, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden en lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is; voertuigen; voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet worden geopenbaard. Het derde lid is hierop van toepassing. evenementen als bedoeld in artikel 28; terrassen als bedoeld in artikel 43; standplaatsen als bedoeld in artikel 151 markten als bedoeld in artikel 160 onder h van de Gemeentewet en artikel 152 van deze verordening 3.Het is verboden op, aan,over of boven de weg een voorwerp of stof waarop gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien; deze door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengt aan de weg, of gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik van de weg, of een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. 4.Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast; in het belang van de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente; in het belang van de openbare orde.
  3. a. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het provinciaal wegenreglement. De weigeringsgrond van het vierde lid, onder a, geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet. De weigeringsgrond van het vierde lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken. De weigeringsgrond van het vierde lid, onder c, geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 6.Het college kan categorieën voorwerpen, stoffen of activiteiten, waarbij voorwerpen of stoffen op de weg worden geplaatst, aanwijzen waarvoor in afwijking van het eerste lid een meldingsplicht geldt. 7.Het college kan nadere regels verbinden aan de meldingsplicht uit het zesde lid. 8.Het college kan algemene regels opstellen voor categorieën voorwerpen, stoffen of activiteiten, waarbij voorwerpen of stoffen op de weg worden geplaatst, en waarvoor in afwijking van het eerste lid geen vergunningplicht geldt als aan deze algemene regels wordt voldaan. Artikel15Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.Het is verboden zonder vergunning van het college: een weg aan te leggen; een weg tijdelijk of permanent geheel of gedeeltelijk af te sluiten; de verharding van een weg op te breken; in een weg te graven of te spitten; aard of breedte van de wegverharding te veranderen, of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.Het verbod geldt niet voor het Rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak. 3.Het verbod geldt voorts niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening. 4.Het verbod geldt niet indien voor de activiteit, waardoor de weg tijdelijk moet worden afgesloten, een vergunning is verleend op grond van een ander artikel van deze verordening en het tijdelijk afsluiten van de weg in die vergunning is opgenomen. 5.Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast in het belang van de openbare orde 6.Het college kan categorieën activiteiten aanwijzen waarvoor in afwijking van het eerste lid een meldingsplicht geldt. 7.Het college kan nadere regels verbinden aan de meldingsplicht uit het zesde lid. Artikel16Maken en veranderen van een uitweg 1.Het is verboden zonder vergunning van het college: een uitweg te maken naar de weg; van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2.Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: a. in het belang van de bruikbaarheid van de weg; b. in het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de weg; c. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente; d. in het belang van de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente; e. vanwege de strijd met een geldend bestemmingsplan. 3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement.
  4. De vergunning bedoeld in het eerste lid is, in afwijking van artikel 4, zaaksgebonden.
  5. Aan de vergunning bedoeld in het eerste lid kan de voorwaarde worden verbonden dat de houder ervan in geval van rechtsovergang verplicht is hiervan binnen twee weken schriftelijk mededeling te doen aan het college met vermelding van de naam en het adres van de nieuwe houder van de vergunning. Paragraaf5Veiligheid van de weg Artikel17Gladheid 1.De hoofdbewoner of hoofdgebruiker van een woning, gebouw of gedeelte van een gebouw is verplicht ervoor te zorgen dat de voetweg vóór die woning, dat gebouw of gedeelte van het gebouw over een breedte van 2 meter van sneeuw of ijs wordt ontdaan. Is dat niet mogelijk, dan is hij verplicht ervoor te zorgen dat de gladheid van de voetweg afdoende wordt bestreden. 2.Deze verplichting rust op de hoofdbewoner of hoofdgebruiker van de meest gelijkstraatse verdieping en, bij diens afwezigheid of onbekwaamheid tot het voldoen van die verplichting, op de hoofdbewoner of hoofdgebruiker van de volgende verdieping. 3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet
  6. Artikel18Hinderlijke beplanting of voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert. Artikel19Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp 1.Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg. 2.Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die meer dan 0,25 m van de uiterste kant van de weg af zijn aangebracht op onderdelen van een afscheiding. 3.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 4.Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet
  7. Artikel20Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, op grond van aanwijzingen van het college van burgemeester en wethouders: voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting; straatnaamborden, daarbij behorende onderschriften inbegrepen; huisnummers en wijkaanduidingen worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Het college van burgemeester en wethouders geeft tevoren schriftelijk kennis aan de rechthebbende van zijn voornemen om over te gaan tot het laten aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid. 3.Het eerste lid geldt niet voor zover de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht van toepassing is. Artikel21Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een voorwerp, bord of een andere voorziening als bedoeld in artikel 20, eerste lid te verwijderen, te wijzigen, te beschadigen, te verplaatsen, onleesbaar te maken, de werking ervan te beletten of te belemmeren. 2.Het eerste lid geldt niet voor zover het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. 3.Het eerste lid geldt niet voor de rechthebbende op een bouwwerk die met inachtneming van het door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde huisnummer de aanduiding hiervan in afwijkende vorm wenst aan te brengen. Het college van burgemeester en wethouders kan hiervoor regels stellen. Artikel22Veiligheid op het ijs 1.Het is verboden: voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a. bedoelde ijsvlakten, te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren; zich te begeven of te bevinden op een ijsvlakte in openbaar water waarvan uit daartoe geplaatste borden of voorwerpen kan worden aangenomen dat het ijs onbetrouwbaar is. 2.Een ieder is verplicht op eerste vordering van een opsporings-ambtenaar of een andere daartoe bevoegde ambtenaar onmiddellijk het ijs te verlaten ter voorkoming van gevaar voor personen of goederen. 3.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Provinciaal Waterreglement Noord-Holland of de Scheepvaart- en havenverordening. Artikel23Benzinepompen op of nabij de weg 1.Het is verboden op of aan de openbare weg een installatie voor het afleveren van brandstoffen aan voertuigen te hebben indien dit naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders de vrijheid van het verkeer, voetgangers inbegrepen, kan belemmeren of de veiligheid in gevaar kan brengen. 2.Indien het college van burgemeester en wethouders van oordeel is dat een installatie voor het afleveren van brandstoffen een dergelijk gevaar of belemmering kan opleveren stellen zij de betrokkene(n) hiervan schriftelijk in kennis. Paragraaf6Betaald voetbal Artikel24Begripsomschrijving Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder organisator verstaan: de betaald voetbalorganisatie H.F.C. Haarlem, indien het betreft een voetbalwedstrijd waarbij het eerste elftal als thuisspelende ploeg betrokken is, uitgezonderd de wedstrijden buiten enig competitie-verband tegen een amateurvoetbalorganisatie; de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond, indien het betreft een voetbalwedstrijd tussen voetbalorganisaties afkomstig buiten de gemeente Haarlem, waarbij tenminste één betaalde voetbalorganisatie is betrokken en indien het een A-interland betreft; degene die buiten de gevallen genoemd onder a. en b. een voetbal-wedstrijd organiseert, waarbij het eerste elftal van tenminste één betaalde voetbalorganisatie is betrokken. Artikel25Kennisgeving wedstrijden 1.De organisator is verplicht tenminste dertig dagen voor de vastgestelde speeldag van een voetbalwedstrijd als bedoeld in artikel 24 daarvan schriftelijk kennisgeving te doen aan de burgemeester. 2.De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid bepaalde termijn. Artikel26Voorschriften en verbod wedstrijden 1.De burgemeester kan met betrekking tot een voetbalwedstrijd aan de organisator daarvan voorschriften opleggen in het belang van de openbare orde en veiligheid. 2.De burgemeester kan het spelen van een voetbalwedstrijd verbieden: uit vrees voor het ontstaan van ernstige verstoring van de openbare orde; indien de krachtens het eerste lid opgelegde voorschriften niet worden nageleefd; indien geen of niet tijdig schriftelijke kennisgeving is gedaan als bedoeld in artikel
  8. 3.Het is verboden een voetbalwedstrijd te laten spelen wanneer een verbod als bedoeld in de tweede lid is uitgevaardigd. Artikel26aStraatoptredens 1.Het is verboden om op een openbare plaats of het openbaar water een straatoptreden te verzorgen. 2.Onder straatoptreden wordt verstaan het ten gehore brengen van muziek of zang, of het vertonen van dans of andersoortige voorstellingen onder begeleiding van muziek of zang. 3.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 4.Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing. Afdeling2Toezicht op evenementen Artikel27Begripsomschrijving 1.In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: bioscoopvoorstellingen; markten als bedoeld in artikel 160 van de Gemeentewet en artikel 152 van deze verordening; het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; wedstrijden van internationaal erkende sporten waarbij de organisator is aangesloten bij de koepel van sportfederaties, N.O.C.*N.S.F. 2.Onder evenement wordt mede verstaan: een herdenkingsplechtigheid; een braderie; een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 11, op de weg; een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op de weg. Artikel28Evenement 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement op de weg te organiseren. 2.Degene die een evenement organiseert in een voor het publiek toegankelijke ruimte moet voor hij dit openbaar aankondigt en minimaal vier weken voor de aanvang van het evenement dit schriftelijk bekend maken bij de burgemeester. 3.In deze kennisgeving wordt in ieder geval opgave gedaan van: naam en adres van de organisator van het evenement; datum en tijdstip waarop het evenement plaatsvindt; de plaats waar het evenement wordt gehouden; een nauwkeurige omschrijving van de aard en inhoud van het evenement; de maatregelen die de organisator zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 4.Degene die de kennisgeving als bedoeld in het tweede lid doet, ontvangt daarvan een schriftelijke bevestiging. Aan deze bevestiging kunnen voorschriften en beperkingen zoals bedoeld in artikel 3 worden verbonden.
  9. De burgemeester kan categorieën evenementen aanwijzen waarvoor in afwijking van het eerste en derde lid een meldingsplicht geldt. 6.De burgemeester kan nadere regels verbinden aan de meldingsplicht uit het vijfde lid. Artikel29Verbod en weigeringsgronden evenement Het evenement waarvoor op grond van artikel 28, lid 2 een kennisgeving of op grond van artikel 28, lid 5 een melding is vereist, kan worden verboden of de vergunning als bedoeld in artikel 28, lid 1 kan worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen; de zedelijkheid of gezondheid; de bescherming van milieu. Artikel30Verboden evenement Het is verboden een evenement toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien: de vergunning daarvoor niet is verleend; geen kennisgeving is gedaan als bedoeld in artikel 28, lid 2; de burgemeester het evenement op grond van artikel 29 heeft verboden; gehandeld wordt in afwijking van de gegevens die bij de aanvraag van de vergunning of de kennisgeving als bedoeld in artikel 28 zijn verstrekt; de voorschriften die de burgemeester krachtens artikel 3 of artikel 28, lid 4 heeft gegeven, niet nageleefd worden. Artikel31Beëindiging evenement 1.Degene die een evenement organiseert of bij dat evenement feitelijk de leiding heeft, is verplicht: dat evenement onverwijld te beëindigen en het terrein of de ruimte te sluiten indien en voor zo lang als de burgemeester hiertoe in het belang van de openbare orde een bevel geeft; ervoor te zorgen dat, nadat het onder a bedoeld bevel door of namens de burgemeester is gegeven, geen publiek meer tot het evenement toegelaten wordt en het aanwezige publiek vertrekt; ervoor te zorgen dat opsporingsambtenaren en daartoe aangewezen gemeente-ambtenaren te allen tijde toegang hebben tot het evenement. 2.Het is voor publiek verboden aanwezig te zijn bij een evenement ten aanzien waarvan een bevel, als bedoeld in het eerste lid, onder a gegeven is. Afdeling3Toezicht op openbare inrichtingen Paragraaf1Algemene bepalingen Artikel32Begripsomschrijvingen 1.In de paragrafen 1, 2 en 3 van deze afdeling wordt verstaan onder: de Wet: de Drank- en Horecawet; verlofhouder: de ondernemer van een bedrijf waar bedrijfsmatig alcoholvrije drank voor gebruik ter plaatse wordt verstrekt; beheerder: in een alcohol verstrekkend bedrijf: hij, die onmiddellijk leiding geeft aan de uitoefening van een in artikel 3, eerste lid onder a of b bedoeld, bedrijf of de in dat lid onder c bedoelde werkzaamheid in een inrichting; in een verlofbedrijf: hij die de onmiddellijke dagelijkse leiding geeft aan de uitoefening van een bedrijf waar bedrijfsmatig alcoholvrije drank voor gebruik ter plaatse wordt verstrekt; inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, lid 1 van de Wet alsmede de besloten ruimte waarin bedrijfsmatig alcoholvrije drank voor gebruik ter plaatse wordt verstrekt met - - voor zover zij tezamen tot dat doel in gebruik zijn - de open aanhorigheden daarvan en de in de onmiddellijke nabijheid daarvan gelegen gedeelten van de weg; verlofbedrijf: bedrijf waar bedrijfsmatig alcoholvrije drank voor gebruik ter plaatse wordt verstrekt; alcoholvrije drank: de drank, die geen, of bij een temperatuur van 15 graden Celsius minder dan 1,5 volumeprocent alcohol bevat; ondernemer: de natuurlijke of rechtspersoon voor wiens rekening en risico het bedrijf wordt uitgeoefend; terras: een gedeelte van de weg, waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt. 2.In de in lid 1 genoemde paragrafen wordt onder bezoekers niet verstaan: de gezinsleden van de ondernemer alsmede degene die in een samenlevingsverband met de ondernemer leeft, de bedrijfsleider, de verlofhouder of de beheerder; de personen die in de inrichting aanwezig moeten zijn uitsluitend voor het verrichten van werkzaamheden; de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel33Sluitingsuur 1.Het is verboden een inrichting voor het publiek geopend te hebben: a. in de nachten van vrijdag op zaterdag en van zaterdag op zondag van 01.00 uur tot 07.00 uur en b. de andere nachten van 00.30 uur tot 07.00 uur. 2.De burgemeester kan ontheffing verlenen van dit verbod: - tot maximaal 04.00 uur voor lid 1, sub a; - tot maximaal 02.00 uur voor lid 1, sub b voor de nachten van zondag op maandag tot en met woensdag op donderdag;- tot maximaal 04.00 uur voor lid 1, sub b voor de nacht van donderdag op vrijdag; 3.De burgemeester kan ten aanzien van de onder 1.a en 1.b genoemde nachten, met uitzondering van de zondag, ontheffing verlenen van het verbod om vanaf 06.00 uur voor het publiek geopend te zijn. Ontheffing na 00.30 uur/01.00 uur kan in dat geval niet worden verleend. 4.Van het verbod genoemd in lid 1 wordt vrijstelling verleend tot 07.00 uur voor nader door de burgemees­ter aangewezen nachten. 5.a. De in lid 2 genoemde ontheffing kan uitsluitend worden verleend voor door de burgemeester aangewezen delen en straten van de gemeente. b. De burgemeester kan categorieen inrichtingen aanwijzen waarvoor ontheffing wordt verleend in afwijking van de sluitingstijden genoemd in het tweede lid. 6.De burgemeester kan in het belang van de handhaving van de openbare orde en ter bescherming van het woon- en leefklimaat, nadere voorwaarden stellen aan de openingstijden van een inrichting zoals bedoeld in artikel
  10. Artikel34Nachtgelegenheden 1.De burgemeester kan voor ten hoogste vijf inrichtingen als bedoeld in artikel 3, eerste lid onder a van de Wet ontheffing verlenen van artikel 33, eerste lid tot 05.00 uur dagelijks. 2.Deze inrichtingen dienen gevestigd te zijn in dat deel van de gemeente dat begrensd wordt door het water van het Spaarne- Kampersingel-Gasthuissingel-Raam-singel-Leidsevaart-Zijlsingel- Kinderhuissingel-Schotersingel en Kloppersingel. 3.De overige criteria voor de verlening van een ontheffing worden door de burgemeester vastgesteld. 4.De verleende ontheffing vervalt indien zes maanden, behalve door overmacht, geen gebruik van de ontheffing is gemaakt. Artikel35Afwijking sluitingsuur; algehele sluiting 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden tijdelijk andere dan de in artikel 33 en 34 genoemde sluitingstijden vaststellen. Ook kan hij tijdelijk algehele sluiting van een of meer inrichtingen bevelen. Hij brengt het besluit terstond ter kennis van de houder van de inrichting. 2.De sluiting wordt, naast uitreiking of toezending, bovendien bekend gemaakt door een afschrift van het bevel tot sluiting op de inrichting aan te brengen. 3.De rechthebbende op de inrichting is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift op de inrichting wordt aangebracht. 4.Het is verboden nadat de algehele sluiting of de gewijzigde sluitingstijden van kracht zijn geworden een bezoeker tot de inrichting toe te laten of daarin te laten verblijven gedurende de tijd dat de inrichting gesloten moet zijn. 5.De tijdelijke wijziging van de sluitingstijden of de tijdelijke algehele sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien hiertoe aanleiding bestaat. Artikel36Aanwezigheid in gesloten inrichting Het is verboden gedurende de tijd dat een inrichting ingevolge artikel 33 of krachtens een op grond van artikel 35 door de burgemeester genomen besluit voor bezoekers gesloten dient te zijn, zich als bezoeker daarin of aldaar te bevinden. Artikel37Toegang ambtenaren van politie De houder van een horecabedrijf is verplicht er voor te zorgen dat ambtenaren van de politie vanaf de weg onmiddellijk en onbelemmerd toegang hebben tot zijn bedrijf: gedurende de tijd dat het bedrijf voor bezoekers geopend is; danwel gedurende de tijd dat het bedrijf gesloten dient te zijn, indien die ambtenaren van politie hun vermoeden uiten dat in het bedrijf bezoekers aanwezig zijn. Artikel38Ordeverstoring 1.Het is verboden in een inrichting de orde te verstoren of zich in kennelijke staat van dronkenschap te bevinden. 2.De beheerder draagt zorg voor het herstel van de orde in de inrichting indien deze wordt verstoord. 3.Indien in een inrichting ongeregeldheden plaatshebben of dreigen te ontstaan, zijn alle daarin aanwezige personen verplicht zich op eerste vordering van de politie terstond te verwijderen. Artikel39Drank buiten een inrichting 1.Het is de ondernemer van een inrichting verboden toe te staan dat bezoekers van de aan hem toebehorende inrichting op de weg drank nuttigen. 2.Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing voor: een terras; de plaats, die geen terras is, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35, tweede lid van de Wet. Artikel40Leeftijd personeel Het is degene die een bedrijf als bedoeld in artikel 3, eerste lid onder a of c van de Wet uitoefent verboden in de onderdelen van de inrichting waarin alcoholhoudende dranken worden verstrekt, gedurende de tijd dat zij daartoe voor het publiek zijn geopend personen beneden de leeftijd van 18 jaar dienst te laten doen. Artikel41Leeftijd publiek Het is degene die een bedrijf als bedoeld in artikel 3, eerste lid onder a of c van de Wet uitoefent verboden toe te laten dat in die onderdelen van de inrichting waarin sterke drank wordt verstrekt, personen beneden de leeftijd van 16 jaar aanwezig zijn anders dan begeleid door een meerderjarige. Artikel42Aansprakelijkheid bij overtreding 1.Voor de naleving van de in deze verordening omschreven verboden en voorschriften zijn aansprakelijk de ondernemer en de bedrijfsleider en, ten aanzien van het door hem beheerde onderdeel van de onderneming of instelling, de beheerder. Ten aanzien van verlofbedrijven is de verlofhouder en, ten aanzien van het door hem beheerde onderdeel van de onderneming of instelling, de beheerder aansprakelijk. 2.Indien de ondernemer een rechtspersoon is, treedt voor de toepassing van het eerste lid in de plaats van de ondernemer de bestuurder. Paragraaf2Drankverstrekking op de weg Artikel43Vergunning voor terras 1.Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een terras in te richten en te exploiteren op de weg. 2.Het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse is toegestaan op terrassen, gelegen in de onmiddellijke nabijheid van een inrichting waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 3, eerste lid onder a van de Wet is verleend. 3.Het verstrekken van alcoholvrije drank voor gebruik ter plaatse is toegestaan op terrassen die gelegen zijn in de onmiddellijke nabijheid van een inrichting waarvoor een verlof is verleend. 4.Het verstrekken van alcoholvrije drank voor gebruik ter plaatse is toegestaan op terrassen die gelegen zijn in de onmiddellijke nabijheid van een standplaats waarvoor een vergunning is verleend als bedoeld in artikel 151 waarbij dit verstrekken uitdrukkelijk is toegestaan. 5.Het college kan categorieën terrassen aanwijzen waarvoor in afwijking van het eerste lid een meldingsplicht geldt. 6.Het college kan nadere regels verbinden aan de meldingsplicht uit het vijfde lid. 7.Het college kan algemene regels opstellen voor categorieën terrassen, waarvoor in afwijking van het eerste lid geen vergunningpllicht geldt als aan deze algemene regels wordt voldaan. Artikel44Sluitingstijden terras 1.Een vergunning voor een terras kan uitsluitend worden verleend aan een ondernemer van een inrichting die het terras vanuit de betrokken inrichting wil bedienen. 2.De verstrekking van alcoholhoudende en alcoholvrije drank, zoals geregeld in artikel 43, is uitsluitend toegestaan tussen 07.00 uur en 00.30 uur. 3.Uiterlijk 01.00 uur dient het terras door het publiek ontruimd te zijn. 4.Ontheffing van de leden 2 en 3 kan plaatsvinden tot uiterlijk 02.00 uur, in het kader van door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen grote evenementen. Artikel45Lokatie terras 1.Een vergunning voor een terras ten behoeve van een inrichting wordt slechts verleend indien het terras zich voor de gevel van de inrichting uitstrekt en voorts indien het direct aan de gevel van de inrichting aansluit. 2.Een uitzondering hierop kan worden gemaakt voor het voetgangers-gebied in de binnenstad en andere vergelijkbare door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen plaatsen. Dan moet aan de overzijde van de rijweg of aan de rijwegzijde van het trottoir waaraan de inrichting is gelegen, ruimte voor de exploitatie van een terras beschikbaar zijn en deze ruimte niet met toestemming van gemeentewege voor andere doeleinden in gebruik of bestemd zijn. 3.Bij een aanvraag voor een vergunning zullen in een dergelijk geval de verkeerssituatie en de verkeersintensiteit van de rijweg worden betrokken, alsmede de vraag of de aanwezige ruimte, gelet op andere gebruiksmogelijkheden, zich voor de exploitatie geheel of gedeeltelijk leent. 4.De burgemeester kan nadere eisen stellen aan de inrichting van een terras. Artikel46Weigering terrasvergunning Een vergunning als bedoeld in artikel 43, lid 1 wordt geweigerd indien: een goede afwikkeling van het verkeer, waaronder voetgangers, in het belang van de verkeersveiligheid niet mogelijk is; vaststaat of met redenen is te vrezen dat de plaatsing van het terras een ontoelaatbare aantasting van het woon- en leefklimaat tot gevolg zal hebben en daaraan door het opleggen van voorschriften niet voldoende tegemoet kan worden gekomen; indien niet wordt voldaan aan de inrichtingseisen voor een terras als bedoeld in artikel 45; indien niet wordt voldaan aan de redelijke eisen van welstand. Artikel47(tijdelijk) intrekken terrasvergunning Behalve op grond van artikel 5 wordt een vergunning als bedoeld in artikel 43, lid 1 voorgoed of tijdelijk ingetrokken of worden andere sluitingstijden vastgesteld indien: de exploitatie van een terras zodanig plaatsvindt dat een situatie ontstaat die een ontoelaatbare aantasting van het woon- en leefklimaat oplevert of waarbij de openbare orde wordt verstoord; de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de vergunning is verleend zodanig zijn gewijzigd dat een situatie is ontstaan die een ontoelaatbare aantasting van het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving oplevert. Artikel48Uitgiftebuffet Het is verboden om ten behoeve van de exploitatie van een terras een uitgiftebuffet te plaatsen voor de verstrekking van dranken, behalve wanneer een ontheffing is verleend. Paragraaf3Verlofbedrijven Artikel49Verlof voor alcoholvrije drank 1.Het is verboden om zonder verlof van de burgemeester in een inrichting bedrijfsmatig alcoholvrije drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken. 2.Dit verbod geldt niet: indien wordt gehandeld krachtens een vergunning ingevolge artikel 3 van de Wet; voor legerplaatsen en andere aan het militair gezag onderworpen ruimten; voor het openbaar vervoer; indien artikel 43 lid 4 van toepassing is. Artikel50Beheerder 1.Op de aanvraag ter verkrijging van een verlof wordt tevens de beheerder vermeld. 2.De verlofhouder vraagt het verlof aan met overlegging van: een bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken, indien de verlofhouder is gevestigd in Nederland; een verklaring waaruit blijkt dat hij gerechtigd is over de ruimte te beschikken. Artikel51Eisen verlofhouder en beheerder 1.De verlofhouder en de beheerder voldoen aan de volgende eisen: zij mogen niet onder curatele staan dan wel uit de ouderlijke macht of voogdij ontzet zijn; zij mogen niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn; zij moeten de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt. 2.Naast de in lid 1 genoemde eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag van de verlofhouder en de beheerder wordt bovendien voldaan aan het Besluit Eisen Zedelijk Gedrag Drank- en Horecawet
  11. Artikel52Inrichtingseisen 1.Een verlof kan slechts worden verkregen voor een inrichting, die voldoet aan het Besluit eisen inrichtingen Drank- en Horecawet. 2.Indien een in een verlof aangewezen lokaliteit zodanige geringe verandering heeft ondergaan dat zij, terwijl nog wordt voldaan aan de ingevolge het eerste lid geldende eisen, niet langer beantwoordt aan de in het verlof gegeven omschrijving, wordt deze omschrijving op verzoek van de verlofhouder aangepast. Artikel53Ontheffing inrichtingseisen De burgemeester kan gehele of gedeeltelijke ontheffing verlenen van het gestelde in artikel 52, met betrekking tot: artikel 3 van het Besluit Eisen Inrichtingen Drank- en Horecawet; artikel 7 van het Besluit Eisen Inrichtingen Drank- en Horecawet, afhankelijk van het aantal zitplaatsen van de inrichting. Artikel54Tenaamstelling verlof Op een verlof wordt de naam van de verlofhouder, de beheerder en de ruimten waarvoor het verlof is afgegeven vermeld. Artikel55Aanwezigheid beheerder De beheerder is tijdens de openingsuren van de inrichting regelmatig en hooguit met korte onderbrekingen in de inrichting aanwezig. Artikel56Weigering verlof Het verlof wordt geweigerd, indien: niet wordt voldaan door de verlofhouder en/of de beheerder aan het gestelde in artikel 51; een verlof ten aanzien van een inrichting, waarvan het verlof op grond van artikel 58, lid d, is ingetrokken, kan gedurende een bij die intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar worden geweigerd; de inrichting niet voldoet aan het gestelde in artikel 52; vaststaat of met reden is te vrezen dat de vestiging van een verlofbedrijf zal leiden tot overconcentratie van inrichtingen in een straat of buurt dan wel anderszins ontoelaatbare aantasting van het woon- en leefklimaat tot gevolg zal hebben en daaraan door het opleggen van voorschriften redelijkerwijs niet voldoende tegemoet kan worden gekomen; de vestiging van een verlofbedrijf strijd oplevert met het geldende bestemmingsplan dan wel een stadsvernieuwingsplan in de zin van de Wet op de Stads- en dorpsvernieuwing; redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn. Artikel57Vervallen van het verlof 1.Indien een overeenkomstig artikel 54 op het verlof vermelde beheerder de hoedanigheid van beheerder heeft verloren, vraagt de verlofhouder binnen drie maanden een nieuw verlof aan. 2.Het verlof vervalt, indien: de beslissing op de aanvraag voor een nieuw verlof in hetzelfde pand onherroepelijk is geworden; geen aanvraag is ingediend binnen zes maanden na het verlies van de hoedanigheid als bedoeld in het eerste lid; indien geen exploitatie van het verlof plaatsvindt, gedurende drie maanden en geen sprake is van overmacht. Artikel58Intrekken van het verlof Behalve op grond van artikel 5 wordt het verlof ingetrokken indien: de omstandigheden of inzichten op grond waarvan het verlof is verleend zodanig zijn gewijzigd dat een situatie is ontstaan welke moet worden aangemerkt als een ontoelaatbare aantasting van het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving; een niet daarin vermelde persoon beheerder is geworden met betrekking tot de inrichting, waarop de verlof betrekking heeft; de verlofhouder of beheerder niet langer voldoet aan de in artikel 51 gestelde eisen; de inrichting niet langer voldoet aan de in artikel 52 gestelde eisen; zich in de betrokken inrichting feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van het verlof gevaar op zou leveren voor de openbare orde, veiligheid of zedelijkheid; de beheerder niet voldoet aan artikel
  12. Artikel59Overlijden van verlofhouder Indien een verlofhouder komt te overlijden, wordt binnen drie maanden een nieuw verlof aangevraagd door zijn rechtsopvolgers. Paragraaf4Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel60Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: inrichting: elke al of niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, de mogelijkheid van nachtverblijf wordt verschaft aan tenminste zes al dan niet zelfstandig wonende personen, die niet behoren tot het gezin van de houder; houder: degene die een inrichting exploiteert dan wel daarin de feitelijke leiding heeft. Artikel61Vergunning 1.Behalve op grond van de Haarlemse Bouwverordening en de Brandbeveiligingsverordening is het verboden om zonder vergunning van de burgemeester een inrichting te exploiteren. 2.Degene die het houden van een inrichting staakt, is verplicht hiervan binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. 3.De burgemeester is bevoegd bij vergunning eisen te stellen in het belang van de openbare orde. Artikel62Weigering vergunning Een verzoek om vergunning kan worden afgewezen indien uit een namens de burgemeester ingesteld onderzoek is gebleken dat de logeerinrichting gevaar zou kunnen opleveren voor de openbare orde. Artikel63Intrekking vergunning Behalve op grond van artikel 5 kan een vergunning door de burgemeester voorgoed of tijdelijk worden ingetrokken indien de logeerinrichting of de in de logeerinrichting aanwezige personen een ontoelaatbare aantasting van het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving veroorzaakt of veroorzaken. Artikel64Nachtregister en tarieflijst 1.De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden. 2.De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht dit register aan de burgemeester of aan een door hem aangewezen ambtenaar over te leggen. 3.De houder van een inrichting is verplicht in elk slaapvertrek een tarieflijst op een voor ieder duidelijk zichtbare plaats aan te brengen, waarop alle in zijn inrichting geldende tarieven zijn vermeld. Artikel65Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt, is verplicht onverwijld aan de houder van die inrichting volledig en naar waarheid zijn of haar naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken. Artikel66Sluiting 1.De burgemeester is bevoegd in het belang van de openbare orde een inrichting voor de tijd van ten hoogste dertig dagen te sluiten. 2.De burgemeester kan deze sluiting bij voorraad uitvoerbaar verklaren. Paragraaf5Toezicht op speelgelegenheden Artikel67Begripsbepaling a.Wet: de Wet op de kansspelen b.Speelgelegenheid: een inrichting als bedoeld in art 1 van de Drank en Horeca Wet waarin de mogelijkheid geboden wordt om enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren of waarvoor toegang moet worden betaald; c.Speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30 onder a van de Wet; d.Speelplaats: de plaats bij een speelautomaat die bedoeld is voor de beoefening van een spel op een speelautomaat; e.Behendigheidsautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30 onder b van de Wet; f.Kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30 onder c van de Wet; g.Hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30 onder d van de Wet; h.Laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30 onder e van de Wet; i.Samengestelde inrichting: inrichting die bestaat uit verschillende ruimten en waarvan één deel van de ruimte als hoogdrempelig aangemerkt kan worden. Er moet dan wel sprake zijn van voldoende afscheiding van het laagdrempelige gedeelte en er moet voldaan worden aan bepaalde voorwaarden als bedoeld in artikel 30c onder 4; j.Speelautomatenhal: inrichting als bedoeld in artikel 30 c, eerste lid onder c van de Wet; k.Ondernemer: de natuurlijke of rechtspersoon die een speelautomatenhal exploiteert; l.Beheerder: degene die met het dagelijks toezicht en onmiddellijke leiding in de speelautomatenhal is belast; m.Weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1A onder
  13. Artikel68Opstelplaatsenbeleid 1.In hoogdrempelige inrichtingen en in het hoogdrempelige deel van een samengestelde inrichting zijn twee speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten; 2.In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan; 3.De burgemeester kan vergunning verlenen voor een hoger dan in het in lid twee genoemde aantal speelautomaten, met dien verstande dat niet meer behendigheidsautomaten worden opgesteld dan één

(1)per 10 m2, met een maximum van 20% van het totale vloeroppervlak van de horecalokaliteit als bedoeld in artikel 1 Drank- en Horecawet. Voor toepassing van dit lid wordt 1 speelautomaat gelijkgesteld met 1 speelplaats; 4.De burgemeester kan nadere regels stellen over de toepassing van het opstelplaatsenbeleid in horeca-inrichtingen. Artikel69Speelautomatenhallen 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelautomatenhal te vestigen of te exploiteren; 2.De burgemeester kan binnen de gemeente voor ten hoogste drie speelautomatenhallen een vergunning verlenen. Deze hallen zijn gevestigd in dat deel van de gemeente dat begrensd wordt door het water van het Spaarne, Kampersingel, Gasthuissingel, Raamsingel, Leidsevaart, Zijlsingel, Kinderhuissingel, Schotersingel en Kloppersingel; 3.Het is verboden in een hal meer dan 44 speelautomaten, met een maximum van 44 speelplaatsen, te plaatsen; 4.De burgemeester kan nadere regels stellen over het opstelplaatsenbeleid in speelautomatenhallen. Artikel70Aanvraag vergunning De ondernemer vraagt de vergunning voor een speelautomatenhal aan onder overlegging van: a. een nauwkeurige omschrijving van de speelhal waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan alsmede een plattegrond waarin is aangegeven op welke plaats en welk aantal kansspelen en/of behendigheidsautomaten worden opgesteld; b. een bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken, indien de ondernemer is gevestigd in Nederland; c. een verklaring waaruit blijkt dat hij gerechtigd is over de ruimte te beschikken. Artikel71Voorschriften en beperkingen 1.In de vergunning wordt de naam van de beheerder vermeld. 2. Aan de vergunningen als bedoeld in artikel 68 en 69 kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. 3.Aan de vergunning voor het aanwezig hebben van een behendigheidsautomaat wordt in ieder geval het verbod verbonden van middellijke of onmiddellijke uitbetaling op behendigheidsautomaten. 4.De vergunningen als bedoeld in de artikelen 68 en 69 worden op naam gesteld en zijn niet overdraagbaar. Artikel72Weigering vergunning speelautomatenhallen Onverminderd het bepaalde in artikel 30 e van de Wet, wordt de vergunning geweigerd indien: a. het maximum aantal af te geven vergunningen is verleend; b. de speelautomatenhal niet uitsluitend rechtstreeks vanaf de weg voor het publiek toegankelijk is; c. indien bewind is ingesteld over één of meer aan de beheerder of ondernemer toebehorende goederen als bedoeld in Boek I, titel 19 van het Burgerlijk Wetboek; d. door de aanwezigheid van de speelautomatenhal naar het oordeel van de burgemeester de leef- en woonsituatie in de naaste omgeving of het karakter van een winkelstraat op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; e. de exploitatie of vestiging van de speelautomatenhal strijd oplevert met het geldende bestemmingsplan dan wel een stadsvernieuwingsplan c.q. Leefmilieuverordening in de zin van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing. Artikel73Intrekken vergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 30 f van de Wet en artikel van deze verordening, kan de burgemeester de vergunning als bedoeld in de artikelen 68 en 69 intrekken indien: geen exploitatie van de speelautomatenhal plaatsvindt gedurende 6 maanden en geen sprake is van overmacht; de aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen worden overtreden. Artikel74Aanvraag nieuwe vergunning bij nieuwe beheerder 1.In geval van wisseling van de ondernemer of ondernemersvorm, dient de opvolger binnen 4 weken, onder overlegging van de in artikel 70 genoemde bescheiden, een nieuwe vergunning aan te vragen. 2. Indien de beheerder van de in de op grond van artikel 68 en 69 genoemde vergunning de hoedanigheid van beheerder heeft verloren, dient de ondernemer binnen vier weken, onder overlegging van de in artikel 70 genoemde bescheiden, een nieuwe vergunning aan te vragen onder vermelding van de naam van de nieuwe beheerder. 3. De vergunning vervalt indien de beslissing op een aanvraag voor een nieuwe vergunning voor het vestigen dan wel exploiteren van een speelautomatenhal in hetzelfde pand onherroepelijk is geworden, of indien niet is voldaan aan het eerste en/of tweede lid. Paragraaf6Toezicht op grow-, smart en headshops Artikel74ABegripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: inrichting: een voor het publiek toegankelijke ruimte waarin bedrijfsmatig, in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was of anders dan om niet, handelingen en werkzaamheden worden verricht die verband houden met dan wel inherent zijn aan het exploiteren van hetgeen in het maatschappelijk verkeer wordt aangeduid als een smartshop, headshop of growshop; leidinggevende: de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd; de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan de exploitatie van de inrichting; de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van de inrichting; c.bezoeker: een ieder, die zich in een inrichting bevindt, met uitzondering van: de levenspartner en kinderen van de leidinggevende van de inrichting, alsmede zijn elders wonende bloed- of aanverwanten of die van zijn levenspartner; de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel74BVergunningplicht Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een inrichting te exploiteren (winkelvergunning). Artikel74CGedragseisen leidinggevende 1.Iedere leidinggevende moet voldoen aan de volgende eisen: staat niet onder curatele; is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; heeft de leeftijd van 21 jaar bereikt. 2.Naast de in lid 1 genoemde gedragseisen voor leidinggevenden wordt bovendien voldaan aan de eisen genoemd in het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999. Artikel74DNadere regels De burgemeester kan nadere regels stellen over het aantal inrichtingen waarvoor vergunning kan worden verleend, de vestiging en exploitatie van inrichtingen zoals bedoeld in artikel 74A onder a. Artikel74EVergunningaanvraag 1.Voor het verkrijgen van een vergunning moet een aanvraag bij de burgemeester worden ingediend aan de hand van een door de burgemeester vast te stellen formulier. 2.De ondernemer vraagt de vergunning aan met overlegging van: de persoonsgegevens van de leidinggevende voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd; de persoonsgegevens van iedere overige leidinggevende; het adres en de aard van de inrichting; het bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken, indien de ondernemer is gevestigd in Nederland; een verklaring waaruit blijkt dat de ondernemer gerechtigd is over de ruimte te beschikken; een nauwkeurige omschrijving van de inrichting waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan alsmede de plattegrondtekening schaal 1:100. 3.Per inrichting wordt niet meer dan één aanvraag gelijktijdig in behandeling genomen. Artikel74FBeslistermijn 1.De burgemeester beslist binnen 12 weken na de datum waarop de aanvraag met bijbehorende bescheiden is ontvangen. 2.De burgemeester kan zijn beslissing voor ten hoogste 8 weken verdagen. De aanvrager van de vergunning wordt voor de afloop van de in het 1e lid bedoelde termijn schriftelijk in kennis gesteld van de verdaging. Artikel74GWeigeringsgronden 1.De vergunning wordt geweigerd indien niet wordt voldaan aan de ingevolge artikel 74C geldende gedragseisen voor leidinggevenden. 2.De burgemeester weigert de vergunning indien de vestiging en/of de exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan of met een leefmilieuverordening. 3.De burgemeester kan de vergunning weigeren indien naar zijn oordeel door de aanwezigheid van de inrichting de openbare orde wordt aangetast en/of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting nadelig wordt beïnvloed. 4.De vergunning wordt geweigerd indien niet wordt voldaan aan de nadere regels van de burgemeester, als bedoeld in artikel 74D. 5.De burgemeester kan de vergunning weigeren indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn. 6.Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met: het karakter van de straat en van de wijk waarin de inrichting is gelegen of zal komen te liggen; de aard van de inrichting; de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting; de concentratie van inrichtingen in een bepaald gebied; de wijze van bedrijfsvoering van een leidinggevende van de inrichting in deze of in andere inrichtingen; de wijze van exploitatie van een inrichting in het verleden Artikel74HVergunning 1.In een vergunning worden vermeld: de natuurlijke of rechtspersoon of -personen aan wie de vergunning is verleend; de leidinggevenden; tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt; de plaats waar de inrichting zich bevindt; de situering en de oppervlakten van de lokaliteiten. 2.De vergunning of een afschrift daarvan is in de inrichting aanwezig. Artikel74IAanwezigheid leidinggevende Het is verboden een inrichting voor het publiek geopend te houden indien in de inrichting geen leidinggevende aanwezig is die vermeld staat op een vergunning. Artikel74JIntrekkinggronden Onverminderd het bepaalde in artikel 5 kan de burgemeester de vergunning intrekken, indien: zich in of vanuit de inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid en zedelijkheid en/of een bedreiging vormt voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting; is gehandeld in strijd met het bij of krachtens de artikelen 74A tot en met O bepaalde; een niet daarin vermelde persoon leidinggevende is geworden met betrekking tot de inrichting, waarop de vergunning betrekking heeft; Artikel74KVervallen vergunning De vergunning vervalt, indien: indien geen exploitatie van de inrichting plaatsvindt gedurende drie maanden en geen sprake is van overmacht; er sprake is van een gewijzigde exploitatie, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd; een vergunning, strekkende ter vervanging van de eerstbedoelde vergunning is verleend. De vergunning vervalt op het moment dat blijkt dat geen nieuwe vergunning is aangevraagd binnen een week nadat de op de vergunning vermelde leidinggevende de hoedanigheid van leidinggevende heeft verloren of in de inrichting een aanmerkelijke wijziging van bouwkundige aard heeft plaatsgevonden; Artikel74LSluitingsuur 1.Op de openingstijden van de inrichting is het bij of krachtens de Winkeltijdenwet bepaalde van toepassing. 2.Het is de exploitant van een inrichting verboden deze voor bezoekers geopend te hebben of daarin of aldaar één of meer bezoekers toe te laten of te laten verblijven gedurende de tijden dat de inrichting op grond van de in het eerste lid bedoelde regelgeving voor het publiek gesloten dient te zijn. Artikel74MSluiting van inrichtingen 1.De burgemeester kan de sluiting bevelen van een inrichting in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid. 2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 13b van de Opiumwet van toepassing is. 3.De burgemeester kan de sluiting bevelen van een inrichting indien: die inrichting wordt geëxploiteerd zonder vergunning als bedoeld in artikel 74B; die inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning, als bedoeld in artikel 74B, verbonden voorschriften; 4.De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt zodra een besluit tot sluiting op, in of nabij de toegang of toegangen van de inrichting is aangebracht. 5.Het is verboden, na het van kracht worden van de sluiting als bedoeld in het 1e en het 3e lid, bezoekers tot de inrichting toe te laten of daarin te laten verblijven. 6.Het is een ieder verboden in een bij besluit van de burgemeester gesloten inrichting als bezoeker te verblijven. Artikel74NToegang ambtenaren van politie De leidinggevende van een inrichting als bedoeld in artikel 74A is verplicht ervoor zorg te dragen dat ambtenaren van politie vanaf de weg onmiddellijk en onbelemmerd toegang hebben tot zijn inrichting: gedurende de tijd dat de inrichting voor bezoekers geopend is dan wel; gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn, indien die ambtenaren van politie het vermoeden uiten dat daarin of aldaar bezoekers aanwezig zijn. Artikel74OOvergangsbepaling Op bestaande inrichtingen als bedoeld in artikel 74A is het bepaalde in artikel 74B (vergunningplicht) niet van toepassing: gedurende 13 weken na inwerkingtreding daarvan; na afloop van de onder a gestelde termijn, indien binnen deze termijn door een daartoe bevoegde een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 74B is ingediend, totdat op die aanvraag door de burgemeester een besluit is genomen. Afdeling4Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel75Plakken en kladden 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 124 is het verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende de weg of een onroerende zaak te bekrassen of te bekladden. 2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken of te laten aanplakken of op andere wijze aan te brengen of te laten aanbrengen: met kalk, krijt, teer of een kleur- of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te laten aanbrengen rechtmatig aangebrachte aanplakbiljetten of andere geschriften, afbeeldingen of aanduidingen onleesbaar, onduidelijk of onzichtbaar te maken of te laten maken of te beschadigen of te laten beschadigen. 3.Het is verboden buiten daartoe door het college aangewezen plakplaatsen aanplakbiljetten of andere geschriften als bedoeld in het tweede lid, onder a aan te brengen of te laten aanbrengen. 4.Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 5.Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de plakplaatsen, welke geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. Artikel76Vervoer plakgereedschap e.d. 1.Het is verboden tussen zonsondergang en 's morgens 7 uur op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakgereedschap, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap. 2.Dit verbod is niet van toepassing, indien de bedoelde materialen of gereedschappen niet zijn gebezigd of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 75. Artikel77Betreden van beplantingen 1.Het is in voor het publiek toegankelijke parken en plantsoenen verboden zich buiten de gazons te begeven. 2.Het is verboden op deze gazons tenten of windschermen te plaatsen. Dit verbod geldt niet tussen zonsopgang en zonsondergang voor een gazon waarvoor het college van burgemeester en wethouders dit verbod voor bepaalde of onbepaalde tijd heeft opgeheven. 3.Het college van burgemeester en wethouders kan gazons aanwijzen die niet voor publiek toegankelijk zijn. Artikel78Hinderlijk gedrag op of aan de weg 1.Het is verboden: op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; op of aan de weg te vechten, te schreeuwen of ander lawaai te veroorzaken, op te dringen, anderen overlast aan te doen of op enigerlei wijze de openbare orde te verstoren. 2.Het is verboden zich binnen een afgesloten brugruimte of op beweegbare delen van bruggen te bevinden zolang deze niet voor de weggebruikers zijn opengesteld. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de artikelen 424, 426 bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel78AVervoer boter, eieren en dergelijke Het is verboden op de vrijdag voor Pinksteren tussen 22.00 uur en 07.00 uur op de weg te vervoeren of bij zich te hebben artikelen als boter, eieren, meel, mayonaise, tandpasta, lijm en/of andere middelen met het kennelijke doel roerende en/of onroerende zaken te besmeuren. Artikel79Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen 1.Het is verboden zonder redelijk doel of op voor anderen hinderlijke wijze op, tegen of in een raamkozijn, bordes, stoep, trap of drempel van een gebouw te zitten of te liggen. 2.Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen, die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van een zodanig gebouw. 3.Het is verboden zich in een gebouw, een gedeelte van een gebouw, een vaartuig of een andere ruimte op zodanige wijze te gedragen dat hierdoor aan omwonenden of andere belanghebbenden hinder of overlast wordt veroorzaakt. Artikel80Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel of op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, portiek, poort, telefooncel, openbaar toilet, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd. Artikel81Hinderlijk gedrag en verdovende middelen 1.Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op of aan de weg op te houden of heen en weer te bewegen, alsmede zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden, of daarmee heen en weer of rond te rijden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 of artikel 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. 2.Het is verboden, op of aan de weg, op een voor publiek toegankelijke plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben. 3.Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing op voorwerpen en activiteiten die in het belang van de Volksgezondheid, in het bijzonder de preventie, de bestrijding van drugsverslaving of hulpverlening aan verslaafden, van overheidswege worden bevorderd of zijn goedgekeurd. Artikel82Sluiting ruimte 1.De burgemeester kan de sluiting bevelen van voor publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet indien zich daar feiten en omstandigheden voordoen of hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van de ruimte een gevaar oplevert voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- en leefklimaat. 2.De sluiting wordt bekend gemaakt door het aanbrengen van een afschrift van het sluitingsbevel op of nabij de (hoofd)toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht. 3.De rechthebbende op de ruimte als bedoeld in het eerste lid, waarvan de sluiting is bevolen, is verplicht toe te laten dat het in het derde lid bedoelde afschrift aan de ruimte wordt aangebracht. Artikel82ABetreden gesloten woning of voor publiek toegankelijk lokaal 1.Het is verboden krachtens 174 Gemeentewet gesloten openbare samenkomsten en vermakelijkheden en voor publiek openstaande gebouwen met de daarbij behorende erven en krachtens 174 a Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2.Het is verboden een krachtens artikel 13b Opiumwet gesloten voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3.Het is verboden een op grond van het eerste lid artikel 82 van de APV gesloten ruimte te betreden. 4.De in het eerste, tweede lid en derde lid bedoelde verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning wegens dringende redenen noodzakelijk is. 5.De burgemeester is bevoegd van het in het eerste, tweede en derde lid bedoelde verbod ontheffing te verlenen. Artikel83Overlast van fiets of bromfiets 1.Het is verboden fietsen of bromfietsen buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan indien zij overlast opleveren danwel schade veroorzaken aan de openbare gezondheid of aan het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te laten staan. 3.Het is verboden op of aan de weg fietsen of bromfietsen langer dan één maand onbeheerd op dezelfde locatie te laten staan. Artikel83ANeerzetten van fietsen e.d. Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek indien: dit in strijd is met de uitdrukkelijke verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; of daardoor die ingang versperd wordt. Artikel84Overlast van voertuigen of voorwerpen op markt- en kermisterrein e.d. 1.Het is verboden om tijdens de openstellingstijden zich met een fiets, bromfiets, ander voertuig danwel voorwerp waaraan voorbijgangers zich kunnen verwonden of waardoor schade aan goederen kan worden veroorzaakt, te bevinden in een overdekt winkelcentrum of op een terrein waar een markt, circus, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt, waar publiek komt. 2.Dit verbod geldt niet voor invalidenvoertuigen. Artikel85Aanlijnen honden, losloopplaatsen en hondenpenning 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op de weg zonder dat die hond is aangelijnd. 2.Aanlijnen wil zeggen dat een hond met een deugdelijke lijn waarvan de lengte, gemeten van hand tot halsband, niet langer is dan 5 meter, door de eigenaar bij zich wordt gehouden. 3.Het college van burgemeester en wethouders kan bij openbaar bekend te maken besluit gedeelten van de gemeente aanwijzen waar het, in afwijking van het in lid 1 bepaalde, is toegestaan een hond los te laten lopen. 4.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op de weg zonder dat die hond is voorzien van een aan een halsband bevestigde, door de gemeente verstrekte, hondenpenning. Artikel86Verontreiniging door honden, opruimplicht 1.De eigenaar, bezitter of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich op de weg niet van uitwerpselen ontdoet. 2. Het gebod van het eerste lid geldt niet indien de eigenaar, bezitter of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd en opgeruimd. 3. De eigenaar, bezitter of houder van een hond is verplicht bij het betreden van de weg met de hond, voldoende opruimmiddelen voor uitwerpselen, waaronder begrepen plastic of papieren zakjes, een schepje dan wel andere daartoe geëigende opruimmiddelen, bij zich te dragen. 4. Van de in lid 1 en 3 gestelde verplichting kan het college ontheffingen verlenen. Artikel87Gevaarlijke honden 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond, ook op plaatsen als bedoeld in artikel 85, derde lid te laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het terrein van een ander: anders dan kort aangelijnd, nadat het college de eigenaar of de houder schriftelijk heeft medegedeeld dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en zij een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt; anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf, nadat het college de eigenaar of de houder schriftelijk heeft meegedeeld, dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en zij een aanlijn- en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt; anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf, indien deze hond behoort tot een door het college als gevaarlijk aangemerkt ras of tot een door het college als gevaarlijk aangemerkte soort, die door kruising is verkregen. 2.In het eerste lid wordt verstaan onder: muilkorf: een muilkorf die voldoet aan het bepaalde in artikel 1 van de regeling muilkorven voor honden bij hondsdolheid; kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een deugdelijke lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Regeling agressieve dieren. Artikel88Houden van hinderlijke of schadelijke dieren Het is verboden binnen de gemeente één of meer dieren te houden die: gevaar of nadeel voor de gezondheid opleveren; voor derden schade, hinder, of overlast kunnen veroorzaken, of bij ontsnapping voor mens of dier gevaar kunnen opleveren. Het college kan een lijst met dergelijke dieren samenstellen. Het is verboden binnen de bebouwde kom één of meer dieren te houden op zodanige wijze of in zodanige getale dat daardoor naar het oordeel van het college hinder voor de omgeving dan wel schade voor de gezondheid of inbreuk op de zindelijkheid wordt veroorzaakt. Het college kan de rechthebbende ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Het is de rechthebbende op, of degene die het toezicht heeft over een hond verboden om de hond omwonenden te laten hinderen door aanhoudend blaffen of janken. De verbodsbepalingen in lid 1 en 2 gelden niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Het college kan categorieën activiteiten dieren waarvoor in afwijking van de voorgaande leden een meldingsplicht geldt. Het college kan nadere regels verbinden aan de meldingsplicht uit het zesde lid. Artikel89Loslopend vee en pluimvee 1.Het is verboden zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders vee of pluimvee aan of op de weg te weiden dan wel deze dieren aan de openbare weg vast te zetten. 2.De rechthebbende op vee of pluimvee, dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht maatregelen te treffen, zodat dit vee of pluimvee die weg niet kan bereiken. Artikel90Onbeheerde dieren 1.Onverminderd het bepaalde in de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en de Regeling agressieve dieren kan het college van burgemeester en wethouders een dier dat onbeheerd wordt aangetroffen overbrengen naar een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen verblijfplaats, waar het dier ter beschikking van de rechthebbende wordt gehouden. 2.Wanneer een geschut dier, dat enige waarde heeft, niet wordt afgehaald door de rechthebbende - met verrekening van de gemaakte kosten - binnen een door het college van burgemeester en wethouders bepaalde tijd, wordt het dier na voorafgaande publicatie in het openbaar verkocht ten bate van de rechthebbende. De opbrengst van het verkochte blijft na aftrek van de voor de schutting, verzorging, behoud en verkoop gemaakte kosten ter beschikking van de rechthebbende, zolang het recht op terugvordering niet is verjaard. 3.Een geschut dier dat geen op geld waardeerbare waarde heeft zal twee weken na de aanvang van de schutting, als bedoeld in het eerste lid, worden beschouwd als een dier dat aan niemand toebehoort. Afdeling5Bepalingen ter voorkoming en bestrijding van criminaliteit Paragraaf1Bepalingen ter voorkoming en bestrijding van heling van goederen Artikel91Begripsomschrijving In deze paragraaf wordt verstaan onder: handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van het Besluit ter uitvoering van artikel 437, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht; verkoopregister: de verkoopzijde van het door de burgemeester goedgekeurd en gewaarmerkt model-register, waarin aantekening wordt gehouden van het verkopen, verwerken of vernietigen van de aan de inkoopzijde vermelde goederen. Artikel92Verplichtingen met betrekking tot verkoopregister 1.De handelaar is verplicht aantekening te houden van de overdracht of vernietiging van goederen in een verkoopregister. 2.Hij vermeldt daarbij onverwijld: de datum van de overdracht of verwerking; de verkoopprijs of andere voorwaarden van overdracht van het goed; de naam, het adres en de wijze van legitimatie van degene die het goed heeft verkregen of de wijze van verwerking van het goed. 3.De aantekeningen worden gedaan in leesbaar en niet te wissen schrift en de handelaar zorgt ervoor dat dit register in een nette staat verkeert en wordt gehouden. 4.Het goedgekeurde register wordt, nadat het buiten gebruik is gesteld, onmiddellijk aan de politie voor onderzoek en aftekening aangeboden. 5.De burgemeester kan van de verplichting in lid 1 ontheffing verlenen. Artikel93Voorschriften als bedoeld in artikel 437 ter, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: wanneer hij op grond van artikel 437, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in kennis stelt dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens schriftelijk opgave te doen van zijn woonadres en van het volledige adres van elke lokaliteit, stand- of ligplaats die hij ten behoeve van zijn onderneming in gebruik neemt; de onder a. bedoelde functionaris onder aanbieding van zijn register(
  1. s)onmiddellijk, maar in ieder geval binnen drie dagen, schriftelijk in kennis te stellen van een verandering van zijn woonadres alsmede van het adres of de adressen van een lokaliteit, stand- of ligplaats, die hij ten behoeve van zijn onderneming in gebruik heeft; bij verwerving van een goed dit onmiddellijk te voorzien van een nummer, voor zover dit met het oog op de aard van het goed redelijkerwijs mogelijk is, overeenkomende met het volgnummer waaronder dat goed in het register is aangetekend; indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan, hiervan onmiddellijk kennis te geven aan de onder a. bedoelde functionaris; zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven aan de burgemeester of een daartoe door de burgemeester aangewezen ambtenaar; wanneer hij niet langer van het opkopen een beroep of gewoonte maakt, of het beroep van handelaar niet langer uitoefent, de onder a. bedoelde functionaris hiervan onmiddellijk maar in ieder geval binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen; in de lokaliteit, stand- of ligplaats waar de onderneming gevestigd is de (het) register(
  2. s)of het (
  3. de)buiten gebruik gestelde register(
  4. s)als bedoeld in artikel 92, vierde lid gedurende tenminste 3 jaren of zoveel langer als er goederen in zijn vermeld die nog niet zijn overgedragen, aanwezig te hebben. Artikel94Vervreemding van door opkoop verkregen goederen Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat hij het in bezit heeft, over te dragen. De eerste veertien dagen dat hij het in bezit heeft, is het verboden daarin enige wijziging aan te brengen, tenzij deze wijziging van geen invloed is op de herkenbaarheid van het goed. Artikel95Handel te water (Vervallen) Artikel96Handel in horeca-inrichtingen 1.Het is de ondernemer van een inrichting verboden toe te laten dat iemand in die inrichting enig voorwerp waarop deze paragraaf van toepassing is verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt. 2.Dit verbod geldt niet voor openbare verkopingen en veilingen en het uitoefenen van de kleinhandel als bedoeld in artikel 11 van de Drank- en Horecawet. 3.In dit artikel wordt verstaan onder inrichting: de inrichting als bedoeld in artikel 32, lid 1 onder d. Paragraaf2Maatregelen ter voorkoming van criminaliteit Artikel97Afsluiten van voertuigen Het is verboden een voertuig dat niet behoorlijk tegen wegnemen of wegrijden is beveiligd, onbeheerd aan de weg te plaatsen, te laten staan, neer te leggen of te laten liggen. Artikel98Inbraakveilig hang- en sluitwerk in woningen en woongebouwen 1.De toegangsdeur als bedoeld in artikel 20, lid 1 van het Bouwbesluit van een woongebouw alsmede deuren en beweegbare ramen in de uitwendige scheidingsconstructie die een woning scheidt van een gemeenschappelijke ruimte, moeten bij eerste aanbrenging of vervanging inbraakveilig zijn uitgevoerd. 2.Inbraakveilig betekent dat voldaan is aan het gestelde in NEN-5088 (uitgave 1983) en dat het hang- en sluitwerk voldoet aan de eisen voor kwaliteitscategorie "standaard" en aanvullende inbraakwerende produkten waarvan het eisenpakket niet in categorieën is onderverdeeld, voldoen aan de algemene kwaliteitscategorie "A" van NEN-5089 (uitgave 1983). 3.Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van NEN-normen waarnaar in deze paragraaf wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd. Artikel99Vervoer inbrekerswerktuigen 1.Het is verboden tussen zonsondergang en 07.00 uur op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben elk gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen: zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen; onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken; diefstal door middel van braak te vergemakkelijken, of het maken van sporen te voorkomen. 2.Dit verbod is niet van toepassing indien de in dat lid bedoelde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet bestemd of gebruikt zijn voor de in dat lid bedoelde handelingen. Afdeling6Route gevaarlijke stoffen Artikel100Vervoer van gevaarlijke stoffen 1.Het college van burgemeester en wethouders kan besluiten wegen of weggedeelten aan te wijzen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, als bedoeld in bijlage 2, hoofdstuk II, artikel 5 van het Reglement betreffende het Vervoer over Land van Gevaarlijke stoffen, verder te noemen V.L.G. 2.Het college van burgemeester en wethouders geeft van hun besluiten tot bedoelde aanwijzing kennis aan: de directeur-generaal voor het Vervoer; de directeur-generaal van de Rijkswaterstaat; de directeur van de Rijksverkeersinspectie; de E.V.O., Ondernemersorganisatie voor Logistiek en Transport; het Koninklijk Nederlands Vervoer (K.N.V.); Transport en Logistiek Nederland; het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland; de colleges van burgemeester en wethouders van aan Haarlem grenzende gemeenten; de daarvoor in aanmerking komende bedrijven en instellingen in de gemeente. 3.Het college van burgemeester en wethouders bevordert, waar dit naar hun oordeel voor de aanduiding van aangewezen routes wenselijk is, de plaatsing van het routebord gevaarlijke stoffen, model K-14 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. 4.Het college van burgemeester en wethouders wordt aangewezen als de in bijlage 2, hoofdstuk II, artikel 5 van het V.L.G. bedoelde autoriteit, die bevoegd is tot het verlenen van schriftelijke ontheffingen. 5.Het college van burgemeester en wethouders kan ontheffing verlenen voor het afwijken van de op grond van het eerste lid aangewezen wegen of weggedeelten. Hij verleent deze ontheffing slechts op schriftelijke aanvraag, waarbij tenminste is vermeld ten behoeve van wie en naar welk adres het vervoer moet geschieden. Afdeling7Vuurwerk Artikel101Begripsomschrijving In deze afdeling wordt verstaan onder vuurwerk: vuurwerk waarop het Vuurwerkbesluit van toepassing is. Artikel102Afleveren van vuurwerk 1.Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf vuurwerk te verkopen dan wel daartoe aanwezig te houden, zonder vergunning van het college. 2.Een vergunning kan worden geweigerd in het belang van de openbare orde en ter voorkoming of beperking van overlast. Artikel103Afsteken van vuurwerk 1.Het is verboden vuurwerk te gebruiken op een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen plaats, ter voorkoming van gevaar, schade of overlast. 2.Het is verboden vuurwerk op of aan de weg of op een voor het publiek toegankelijke plaats te gebruiken indien dit gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3.Deze verboden gelden niet voor zover artikel 429 aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. 4.Het college van burgemeester en wethouders kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Hoofdstuk3*Seksinrichtingen, escortbedrijven, straatprostitutie e.d. Overeenkomstig de in deel 2 van de Prostitutienota weergegeven tekst N.B. Dit hoofdstuk heeft een andere nummering, vooruitlopend op de nieuwe lay-out. Artikel3.1Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; inrichting: een seksinrichting en een escortbedrijf; seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een raamprostitutiebedrijf, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een besloten huis, waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; escortbedrijf: is een bedrijf gevoerd door een natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon dat bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; ondernemer: een natuurlijke persoon die een inrichting exploiteert of indien een rechtspersoon de inrichting exploiteert een door deze rechtspersoon aangewezen, tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde, natuurlijke persoon; beheerder: degene, die de onmiddellijk leiding geeft aan de uitoefening van een inrichting; bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting met uitzondering van: de ondernemer; de beheerder; de prostituee; het personeel dat in de seksinrichting aanwezig is; toezichthouders als bedoeld in artikel 162 APV andere personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel3.2Bevoegd bestuursorgaan In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: de burgemeester voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet; het college van burgemeester en wethouders indien het betreft een escortbedrijf, of indien het niet voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet betreft. Artikel3.3Vergunningplicht 1.Het is verboden een inrichting zonder een door het bevoegd orgaan verleende vergunning uit te oefenen; 2.De ondernemer vraagt de vergunning aan met overlegging van de persoonsgegevens van de ondernemer; de persoonsgegevens van de beheerder; de aard van de inrichting; het bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken, indien de ondernemer is gevestigd in Nederland; voor zover het betreft een seksinrichting: een verklaring waaruit blijkt dat de ondernemer gerechtigd is over de ruimte te beschikken; voor zover het betreft een seksinrichting: een nauwkeurige omschrijving van de seksinrichting waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan alsmede de plattegrondtekening schaal 1:100. Artikel3.4Gedragseisen ondernemer en beheerder 1.De ondernemer en beheerder van een inrichting moeten voldoen aan de volgende eisen: a. zij mogen niet onder curatele staan danwel uit de ouderlijke macht of voogdij ontzet zijn; b. zij mogen niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn; c. zij moeten de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt. 2. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de ondernemer en de beheerder niet: a. met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; b. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba danwel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; c. binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van vijfhonderd euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens danwel mede wegens overtreding van: * bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank‑ en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; * de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 197a tot en met 197c, 240b, 242 tot en met 249, 252, 273f, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; * de artikelen 8 en 162, derde lid alsmede artikel 6j*, artikel 8j* of artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; * de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de Kansspelen; * de artikelen 2 en 3 van de Wet op de Weerkorpsen; * de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. 3.Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan driehonderdvijfenzeventig euro bedraagt;b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. 4.De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: a. berekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 5.Naast de gestelde eisen in het eerste en tweede lid, is de ondernemer of de beheerder binnen de laatste vijf jaar geen ondernemer of beheerder van een inrichting die voor tenminste één maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet, artikel 174 Gemeentewet, op grond van een verordening, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3.3, eerste lid is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft. Artikel3.5Inrichtingseisen seksinrichting Het college van burgemeester en wethouders kan nadere eisen stellen aan seksinrichtingen in het Besluit inrichtingseisen seksinrichtingen. Artikel3.6Weigeringsgronden 1.De vergunning voor een inrichting bedoeld in artikel 3.3 wordt geweigerd indien: de ondernemer of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3.4 genoemde eisen; de vestiging of de exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of de parapluverordening “aanvullende voorschriften uitsluiting seksinrichtingen”; er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of bij het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde; niet voldaan is aan het gestelde in de nadere voorschriften als bedoeld in artikel 3.5. 2.De vergunning bedoeld in artikel 3.3 kan worden geweigerd: in het belang van de openbare orde; in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; in het belang van de veiligheid van personen en goederen; in het belang van de verkeersvrijheid of –veiligheid; in het belang van de gezondheid of zedelijkheid; in het belang van de arbeidsomstandigheden van prostituees Artikel3.7Sluitingsuur 1.Het is verboden een seksinrichting voor het publiek geopend te hebben: in de nachten van vrijdag op zaterdag en van zaterdag op zondag van 01.00 uur tot 07.00 uur en de andere nachten van 00.30 uur tot 07.00 uur. 2.De burgemeester kan voor de daartoe aangewezen delen en straten van de gemeente ontheffing verlenen van dit verbod: tot maximaal 04.00 uur voor lid 1, sub a; tot maximaal 02.00 uur voor lid 1, sub b. 3.De burgemeester kan ten aanzien van de onder 1.a en 1.b genoemde nachten, met uitzondering van de zondag, ontheffing verlenen van het verbod om vanaf 06.00 uur voor het publiek geopend te zijn. Ontheffing na 00.30 uur/01.00 uur kan in dat geval niet worden verleend. 4.Van het verbod genoemd in lid 1 wordt vrijstelling verleend tot 07.00 uur voor nader door de burgemeester aan te wijzen nachten. Artikel3.8Afwijking sluitingsuur; algehele sluiting 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in het geval van bijzondere omstandigheden tijdelijk andere dan de in artikel 3.7 genoemde sluitingstijden vaststellen. Ook kan hij tijdelijk algehele sluiting van een of meer seksinrichtingen bevelen. 2.De sluiting wordt, naast uitreiking of toezending, bovendien bekend gemaakt door een afschrift van het bevel tot sluiting op de seksinrichting aan te brengen. 3.De ondernemer van de seksinrichting is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift op de seksinrichting wordt aangebracht. 4.Het is verboden nadat de algehele sluiting of de gewijzigde sluitingstijden van kracht zijn geworden een bezoeker tot de seksinrichting toe te laten of daarin te laten verblijven gedurende de tijd dat de inrichting gesloten moet zijn. 5.De tijdelijke wijziging van de sluitingstijden of de tijdelijke algehele sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien hiertoe aanleiding bestaat. Artikel3.9Aanwezigheid in gesloten seksinrichting Het is verboden gedurende de tijd dat een seksinrichting ingevolge artikel 3.7 of krachtens een op grond van artikel 3.8 door de burgemeester genomen besluit voor bezoekers gesloten dient te zijn, zich als bezoeker daarin of aldaar te bevinden. Artikel3.10Aanwezigheid van en toezicht door ondernemer en beheerder 1.De ondernemer of de beheerder is verplicht tijdens de openingsuren van de seksinrichting aanwezig te zijn. 2.De ondernemer of de beheerder is verplicht er op toe te zien dat in de seksinrichting: geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. Artikel3.11Straatprostitutie Het is verboden als prostituee op de openbare weg, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen danwel aan te lokken. Artikel3.12Tenaamstelling vergunning seksinrichting Op een vergunning voor een seksinrichting en escortbedrijf wordt de naam van de ondernemer, de beheerder en voor de seksinrichting de ruimten waarvoor de vergunning is afgegeven vermeld. Artikel3.13Intrekkingsgronden Behalve op grond van artikel 5 kan de vergunning bedoeld in artikel 3.3, eerste lid worden ingetrokken op de gronden genoemd in de artikelen 3.4, 3.6, 3.8 vierde lid en 3.10. Artikel3.14Wijziging beheer 1.Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3:4, tweede lid, onder b, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. 2.Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing. Artikel3.15Vervallen vergunning 1.De vergunning vervalt op het moment dat blijkt dat de ondernemer heeft verzuimd binnen een week een schriftelijke kennisgeving te doen indien de op de vergunning vermelde beheerder de hoedanigheid van beheerder heeft verloren of in de seksinrichting een aanmerkelijke wijziging van bouwkundige aard heeft plaatsgevonden; 2.De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.3 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd; 3.De verlening van een vergunning ingevolge artikel 3.3, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden. Hoofdstuk4Bescherming van het milieu, de volksgezondheid en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling1Geluidhinder Artikel108Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder: Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer; inrichting: een inrichting type A of type B, als bedoeld in het Besluit; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden, zoals Koninginnedag, luilak enz.; incidentele festiviteit: festiviteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen, zoals de viering van een jubileum, een straatfeest enz. Artikel109Geluidhinder 1.Het is verboden door het college van burgemeester en wethouders aangewezen activiteiten waarbij geluidhinder wordt of kan worden veroorzaakt te verrichten of toe te laten dat deze activiteiten worden verricht zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders; 2.Het is verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt; 3.Het eerste lid geldt niet, voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door voorschriften bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet geluidhinder, de Wegenverkeerswet 1994, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of het Vuurwerkbesluit. 4.Het college kan van het tweede lid ontheffing verlenen Artikel110Geluidhinder en collectieve festiviteiten 1.De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2.Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. Artikel111Geluidhinder en incidentele festiviteiten 1.Het college kan per inrichting maximaal eenmaal per kalenderjaar ontheffing verlenen voor het houden van een incidentele festiviteit waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn. 2.Het college kan voorschriften verbinden aan de in het eerste lid bedoelde ontheffing. Artikel112Verboden incidentele festiviteiten 1.Het is verboden een incidentele festiviteit als bedoeld in artikel 111 te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien: daarvoor geen ontheffing is verleend; gehandeld wordt in afwijking van de gegevens die bij de aanvraag van de ontheffing zijn verstrekt; de houder van de inrichting geen maatregelen neemt die redelijkerwijs geëist kunnen worden om overmatige hinder te voorkomen; de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit verboden heeft; gehandeld wordt in afwijking van de voorschriften die gesteld zijn in het besluit om ontheffing te verlenen. 2.De burgemeester kan een incidentele festiviteit verbieden: op grond van het overschrijden van het maximum van één incidentele festiviteit, of wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie van de inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze worden beïnvloed. Afdeling2Bescherming van de volksgezondheid Artikel113Reinheid en verdelging ongedierte Indien dit door het college van burgemeester en wethouders noodzakelijk wordt geacht, is een ieder die zich in deze gemeente bevindt verplicht op eerste aanschrijving of aanzegging: alle door het college noodzakelijk geachte maatregelen tot reiniging te nemen of zich daaraan te onderwerpen; te zorgen voor de verdelging van ongedierte aan, op of in zaken of goederen ten aanzien waarvan hij rechthebbende is of daaraan mee te werken. Artikel114Besmettelijke ziekte en betreding scholen 1.Het is verboden: indien men weet of redelijkerwijs moet kunnen vermoeden dat: men lijdt aan een ziekte, die naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders gevaar voor derden kan opleveren; men lijdt aan een ziekte die naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders gevaar kan opleveren voor het overbrengen van ziektekiemen op derden, of men verkeert in een verregaande staat van onreinheid, een onderwijsinrichting te betreden of zich daarin te bevinden; een persoon als bedoeld onder a een onderwijsinrichting te laten bezoeken of daarin toe te laten. 2.Een persoon als bedoeld in het eerste lid, sub a van dit artikel is verplicht zich op eerste aanzegging door of namens het college van burgemeester en wethouders uit een onderwijsinrichting te verwijderen en deze niet te betreden tot een daartoe door het gemeentebestuur aangewezen arts schriftelijk heeft verklaard dat hiertegen geen bezwaar meer bestaat. 3.Het college van burgemeester en wethouders kan besluiten welke ziekten naar zijn oordeel gevaren als bedoeld in het eerste lid van dit artikel kunnen opleveren. Artikel115Besmettelijke ziekte en sluiting scholen 1.Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd, indien zij dit in het belang van de volksgezondheid noodzakelijk acht, gehele of gedeeltelijke sluiting van een onderwijsinrichting te gelasten. 2.Het hoofd van de onderwijsinrichting is verplicht, wanneer het college van burgemeester en wethouders een dergelijke lastgeving heeft gegeven, die onderwijsinrichting geheel of gedeeltelijk te sluiten. 3.Deze sluiting blijft gehandhaafd totdat het hoofd een schriftelijke verklaring van het college van burgemeester en wethouders heeft ontvangen dat de sluiting kan worden opgeheven. Artikel116Vervoer van lijken 1.Het is verboden: een lijk ter begraving of ter crematie of opbaring over de weg te vervoeren anders dan in een gesloten kist of omhulsel als bedoeld in het Lijkomhulselbesluit. Deze kist of dit omhulsel is geplaatst in een voor dergelijk vervoer ingericht vervoermiddel; een voor het vervoeren van lijken ingericht vervoermiddel voor andere doeleinden te gebruiken. 2.Ten aanzien van het vervoer van het lijk van een persoon die ten tijde van het overlijden aan een besmettelijke aandoening leed, dienen eventuele aanwijzingen van het college van burgemeester en wethouders te worden opgevolgd. 3.Het verbod om een ander dan voor het vervoer van lijken ingericht vervoermiddel te gebruiken is niet van toepassing op het vervoer van lijkjes van kinderen beneden de leeftijd van één jaar, die niet ten gevolge van een besmettelijke ziekte zijn overleden. Afdeling3Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel117Verontreiniging van bodem, lucht en water 1.Het is verboden zonder ontheffing van het college van burgemeester en wethouders op of aan de weg of in openbaar water: afval, voor de gezondheid of het milieu schadelijke of andere verontreinigende stoffen of goederen te werpen, te storten, te doen vloeien of op enig andere wijze daarin te doen terechtkomen of achter te laten; een vaartuig anders dan voor los- en laadhandelingen binnen de gemeente te laten liggen indien dit is beladen met de onder a. bedoelde stoffen; een vaartuig dat met de onder a. bedoelde stoffen beladen is geweest binnen de gemeente te laten liggen, tenzij het zodanig is gereinigd dat het geen stank meer verspreidt en geen gevaar, nadeel voor de gezondheid of milieu, schade of overlast voor derden kan veroorzaken; een voertuig anders dan voor los- en laadhandelingen te laten staan indien dit is beladen met de onder a. bedoelde stoffen. 2.Het is verboden goederen bestemd voor de openbare dienst te verontreinigen. 3.Het in het eerste lid, aanhef en onder a. gestelde verbod geldt niet voor zover wettelijke bepalingen, de provinciale milieuverordening of de Afvalstoffenverordening voorzien in de beoogde bescherming van het milieu. Artikel118Verspreiden van reclamemateriaal 1.Het is verboden op of aan de weg voorwerpen, reclamemonsters of ander materiaal voor reclamedoeleinden onder het publiek te verspreiden of te doen verspreiden. 2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing indien voldaan wordt aan de nadere regels die het college van burgemeester en wethouders bevoegd is vast te stellen. Artikel119Deugdelijk afdekken bij vervoer van afval Het is verboden met een voertuig binnen de gemeente huis-, bedrijfs-, grofvuil-, (tuin)afval of een andere lading te vervoeren of deze op de weg te parkeren zonder een deugdelijke afdekking van de lading. Artikel120Natuurlijke behoefte doen Het is verboden op of aan de weg zijn natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting of plaats. Artikel121Gevelreiniging 1.Het is verboden zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders: aanslag, verf, conserveerlagen of enige daarmee vergelijkbare stof van gevels, muren, puien, bruggen en andere bouwwerken of delen van bouwwerken te verwijderen; stoffen aan te brengen ter voorbereiding op de onder a. bedoelde verwijdering. 2.Dit verbod geldt niet: voor die onderdelen van de in het eerste lid bedoelde activiteiten waarop de Wet milieubeheer van toepassing is; voor het schoonmaken met water en huishoudzepen van glasoppervlakken en niet van verf of conserveerlagen voorziene gladde natuurstenen, aluminium of kunststof oppervlakken. Afdeling4Bescherming van flora en fauna Artikel122Bescherming groenvoorzieningen 1.Het is verboden, behalve voor degene die daartoe gerechtigd is, in een voor publiek toegankelijk park of plantsoen of in bij de gemeente in onderhoud zijnde groenstroken, grasperken of bloembakken of andere groenvoorzieningen enige schade toe te brengen aan het openbaar groen. 2.Het is verboden zich bij door het college van burgemeester en wethouders aangewezen evenementen te bevinden in de genoemde groenvoorzieningen met glas of andere stoffen die aan deze voorzieningen schade kunnen toebrengen. Artikel123Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1.Het is verboden door een park of plantsoen of op een niet van de weg deel uitmakende, door de gemeente aangelegde beplanting of groenstrook te rijden met een voertuig, fiets of bromfiets. Ook is het verboden daarin een voertuig, fiets of bromfiets neer te zetten of te laten staan. 2.Dit verbod is niet van toepassing: op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering van werkzaamheden door of namens de overheid; op voertuigen, die een standplaats innemen op speciaal hiervoor bedoelde terreinen. 3.Het college van burgemeester en wethouders kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Afdeling5Maatregelen tegen ontsiering Artikel124Plakken, kladden en welstand Behalve op grond van artikel 75 is het verboden de weg of dat gedeelte van een onroerend goed dat vanaf de weg of de spoorbaan zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. Artikel125Reclames op een roerende of onroerende zaak 1.Het is verboden om zonder vergunning van het college van burgemeester en wethouders op of aan een roerende of onroerende zaak handelsreclame aan te brengen, in stand te houden of te gedogen, die vanaf de weg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar is. 2.Het verbod geldt niet ten aanzien van: opschriften, aankondigingen en afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak; opschriften, aankondigingen en afbeeldingen betrekking hebbend op: het beroep, de dienst, of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd, zomede op naamborden; mits deze opschriften en aankondigingen gezamenlijk geen grotere oppervlakte hebben van 0.25 m² en mits deze plat op de gevel zijn aangebracht; opschriften en aankondigingen betrekking hebbend op: openbare verkoping, aanbiedingen ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak voor zolang zij feitelijke betekenis hebben en geen groter oppervlak dan 0.25 m² hebben. 3.De rechthebbende op een onroerende zaak is verplicht om op die zaak aangebrachte reclame die op enigerlei wijze beschadigd is binnen een door het college van burgemeester en wethouders te bepalen termijn na een hiertoe strekkende schriftelijke aanmaning van het college van burgemeester en wethouders te vernieuwen, te herstellen of te verwijderen. 4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voorzover de Woningwet, op de Wet Milieubeheer gebaseerde voorschriften, de Monumentenwet, de Verordening opschriften en opslag Noord-Holland, de gemeentelijke monumentenverordening of artikel 14 APV van toepassing is. 5.De vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: indien de reclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen; in het belang van het voorkomen of beperken van overlast. 6.Het college kan categorieën handelsreclame aanwijzen waarvoor in afwijking van het eerste lid een meldingsplicht geldt. 7.Het college kan nadere regels verbinden aan de meldingsplicht uit het zesde lid. 8.Het college kan algemene regels opstellen voor categorieën handelsreclame, waarvoor in afwijking van het eerste lid geen vergunningplicht geldt als aan deze algemene regels wordt voldaan. Artikel126Voertuigwrakken vanaf de weg zichtbaar 1.Het is verboden voertuigwrakken of wrakken van aanhangwagens aanwezig te hebben op een van de weg af zichtbare plaats. 2.Dit verbod geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is. Afdeling6Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel126ABegripsomschrijving In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: Een onderkomen of voertuig waarvoor geen bouwvergunning in de zin van artikel 40 van de Woningwet is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel126BRecreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd. 2.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod van het eerste lid. 4.De ontheffing bedoeld in lid 3 kan worden geweigerd in het belang van: de bescherming van natuur en landschap de bescherming van een stadsgezicht de openbare orde; het voorkomen of beperken van de overlast; de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of andere goederen; de zedelijkheid of de gezondheid; de bescherming van het milieu. Artikel126CAanwijzing kampeerplaatsen 1.Het college kan plaatsen aanwijzen waarvoor het verbod van artikel 126B eerste lid, niet geldt. 2.Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de gronden, genoemd in artikel 126B vierde lid. Hoofdstuk5Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente Afdeling1Parkeerexcessen Artikel127Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder: weg: als bedoeld in artikel 1A onder 1 van deze verordening; voertuigen: zoals bedoeld in artikel 1 onder "al" van het R.V.V.-1990; parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan tijdens het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of het onmiddellijk laden of lossen van goederen. Artikel128Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. 1.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf of een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: meer dan twee voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren, of de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 2.Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan één à twee uur vergen, dit tijdens deze werkzaamheden; het voertuig voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon. 3.Het college van burgemeester en wethouders kan van dit verbod ontheffing verlenen. Artikel129Te koop aanbieden van voertuigen 1.Het is verboden op door het college van burgemeester en wethouders aangewezen wegen of weggedeelten een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden. 2.Het college van burgemeester en wethouders kan van dit verbod ontheffing verlenen. Artikel130Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee, als gevolg van gebreken die niet onmiddellijk en eenvoudig te verhelpen zijn, niet op de weg kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel131Voertuigwrakken 1.Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te hebben. 2.Onder een voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel132Caravans, aanhangwagens e.d. 1.Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt, langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te laten staan op een binnen de grenzen van de gemeente gelegen weg. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Provinciale caravan- en tentenverordening, het Provinciaal wegenreglement of de Provinciale landschapsverordening. Artikel133Parkeren van reklamevoertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat is voorzien van handelsreklame op de weg te parkeren met het kennelijke doel om daarmee handelsreklame te maken. 2.Het college van burgemeester en wethouders kan van dit verbod ontheffing verlenen. Artikel134Parkeren van grote voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen weg, waar dit parkeren naar hun oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen weg, waar dit parkeren naar hun oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van de beschikbare parkeerruimte. 3.Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag van 07.00 uur tot 18.00 uur. 4.Het college van burgemeester en wethouders kan van deze verboden ontheffing verlenen. Artikel135Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wi

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.