Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 februari 2022, 2022-0000005023, tot vaststelling van de achtste tranche van een tijdelijke subsidieregeling tot tegemoetkoming in de loonkosten teneinde de werkgelegenheid onder buitengewone omstandigheden te behouden en voorbereidingen op de nieuwe economische situatie te laten plaatsvinden (Zesde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid) Zesde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Gelet op de artikelen 3, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Kaderwet SZW-subsidies en artikel 32d, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen; Besluit: Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Begripsbepaling 1 In deze regeling wordt verstaan onder: arbeidsvoorwaardenbedrag: het aan de werknemer toegekende en in geld uitgedrukte toekomstige loonbestanddeel, niet zijnde een afzonderlijke opbouw van vakantiebijslag, dat is opgebouwd ingevolge afspraken in de individuele of collectieve arbeidsovereenkomst, voor zover dit toekomstige loonbestanddeel kan leiden tot loon als bedoeld in artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen; extra periode salaris: extra loon dat naast het reguliere loon en vakantiebijslag wordt uitbetaald naar aanleiding van afspraken in de individuele of collectieve arbeidsovereenkomst, en dat niet afhankelijk is van bedrijfsresultaten of kwalitatieve of kwantitatieve prestaties van de werknemer, zoals dat tot en met 31 december 2021 is gehanteerd in de loonadministratie; loon: het loon, bedoeld in artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen, voor zover het betreft loon uit tegenwoordige dienstbetrekking, met uitzondering van uitkeringen in het kader van de Ziektewet door eigenrisicodragers; loonsom: het loon van alle werknemers, behorende tot een loonheffingennummer; loonheffingennummer: het nummer, genoemd in artikel 1a.1, tweede lid, onderdeel b, onder 1°, van de Regeling gegevensuitvraag loonaangifte; Minister: de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; omzetdaling: een daling van de omzet, bedoeld in artikel 5, eerste lid; omzetperiode: de periode, bedoeld in artikel 14; referentie-omzet: de referentie-omzet, bedoeld in artikel 5; achtste tranche: de subsidie, bedoeld in hoofdstuk 2; UWV: het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, genoemd in hoofdstuk 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen; werkgever: een werkgever als bedoeld in artikel 1, onderdeel q of r, van de Wet financiering sociale verzekeringen; werknemer: een werknemer als bedoeld in artikel 1, onderdeel o of p, van de Wet financiering sociale verzekeringen. 2 Onder omzet wordt in deze regeling verstaan de netto-omzet zoals gedefinieerd in artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek gecorrigeerd voor de in de winst-en-verliesrekening verantwoorde wijziging in onderhanden projecten. De grondslagen en detailtoepassingen voor de bepaling van de referentie-omzet en de omzet in de omzetperiode moeten gelijk aan elkaar zijn en in overeenstemming met de wet- en regelgeving. Als voor de berekening van de referentie-omzet het kalenderjaar 2019 bepalend is, zijn de grondslagen en detailtoepassingen van de uiterlijk op 1 januari 2022 en conform wet- en regelgeving vastgestelde jaarrekening 2019 leidend, of in geval van natuurlijke personen de laatst conform wet- en regelgeving vastgestelde aangifte over 2019 voor de Wet inkomstenbelasting 2001. 3 Alle baten die voortkomen uit de uitvoering van normale activiteiten van een organisatie, ook als deze gewoonlijk met een andere term dan omzet worden aangeduid, vallen onder omzet in de zin van deze regeling. 4 Onder omzet wordt in deze regeling niet verstaan de subsidie die de werkgever ontvangt op grond van de Eerste, Tweede, Derde, Vierde en Vijfde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid, alsmede op grond van deze regeling en subsidie die de werkgever over de omzetperiode ontvangt van de Minister van Economische Zaken en Klimaat ter tegemoetkoming in de vaste lasten in verband met de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19. 5 Als aan een werkgever gedurende de omzetperiode een werkloosheidsuitkering is uitbetaald, in verband met verkorting van de werktijd van zijn werknemers, waarvoor op grond van artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 ontheffing is verleend, wordt deze uitkering beschouwd als omzet, bedoeld in het tweede lid. Artikel 2 Inleidende bepaling 1 Op subsidies verleend op grond van deze regeling is de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS niet van toepassing. 2 Formulieren waarnaar in deze regeling wordt verwezen, worden door de Minister beschikbaar gesteld op www.uwv.nl. Artikel 3 Doel van de subsidie Het doel van deze regeling is om werkgevers tegemoet te komen in de betaling van de loonkosten, indien sprake is van een acute terugval in de omzet met een minimumpercentage, bedoeld in artikel 14, gedurende de omzetperiode, vanwege een vermindering in bedrijvigheid door buitengewone omstandigheden die in redelijkheid niet tot het normale ondernemersrisico kunnen worden gerekend, voor zover geen winst of bonussen worden uitgekeerd of eigen aandelen worden aangekocht, zodat werkgevers zoveel mogelijk werknemers in dienst kunnen houden en werkgevers zich samen met de werknemers kunnen voorbereiden op en aanpassen aan de nieuwe economische situatie. Artikel 4 Weigeringsgronden Onverminderd artikel 4:35, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt de subsidieverlening geweigerd, indien of voor zover: a. niet of onvoldoende aannemelijk is dat de omzetdaling van de betreffende werkgever ten minste het minimumpercentage zal zijn, bedoeld in artikel 14; b. het rekeningnummer dat bij de aanvraag is opgegeven niet correspondeert met het in de aanvraag opgegeven loonheffingennummer en de daaraan verbonden rekeninggegevens; c. geen loongegevens beschikbaar zijn in de polisadministratie, bedoeld in artikel 33 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, over de aangiftetijdvakken bedoeld in artikel 15, tweede en derde lid; of d. de aanvraag anderszins niet voldoet aan de in deze regeling gestelde eisen. Artikel 5 Omzetdaling 1 De omzetdaling wordt vastgesteld door het verschil tussen de referentie-omzet en de omzet in de omzetperiode te delen door de referentie-omzet. De uitkomst van deze berekening wordt uitgedrukt in hele procenten en naar boven afgerond. 2 De referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, is de omzet over het kalenderjaar 2019, gedeeld door vier. 3 Als de werkgever de bedrijfsuitoefening in de periode van 2 januari 2019 tot en met 1 februari 2020 is aangevangen, dan is de referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, de omzet over de periode vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de aanvang van de bedrijfsuitoefening tot en met 29 februari 2020, gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met drie. 4 Als de werkgever de bedrijfsuitoefening in de periode van 2 februari 2020 tot en met 1 juli 2021 is aangevangen, dan is de referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, de omzet over de maanden juli 2021 tot en met oktober 2021, gedeeld door vier, vermenigvuldigd met drie. 5 Als de werkgever de bedrijfsuitoefening in de periode van 2 juli 2021 tot en met 1 oktober 2021 is aangevangen, dan is de referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, de omzet over de periode vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de aanvang van de bedrijfsuitoefening tot en met 31 oktober 2021, gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met drie. 6 Als de werkgever een economische eenheid heeft overgenomen in de zin van artikel 7:662 van het Burgerlijk Wetboek, of middels een aandelentransactie zeggenschap heeft verkregen over een rechtspersoon of vennootschap die onderdeel is geworden van een groep als bedoeld in het negende lid, en daar bij de subsidieaanvraag om verzoekt, dan is de referentie-omzet, bedoeld in het eerste lid, bij een overname of aandelentransactie in de periode: a. van 2 januari 2019 tot en met 1 februari 2020, de omzet over de periode vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de overgang tot en met 29 februari 2020, gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met drie; b. van 2 februari 2020 tot en met 1 juli 2021, de omzet over de maanden juli 2021 tot en met oktober 2021, gedeeld door vier, vermenigvuldigd met drie; c. van 2 juli 2021 tot en met 1 oktober 2021, de omzet over de periode vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de overgang tot en met 31 oktober 2021, gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met drie. 7 Als de werkgever een onderdeel of activiteit heeft afgestoten vanaf de periode waarover de referentie-omzet wordt berekend tot en met 1 januari 2022, wordt de omzet van het afgestoten onderdeel of de afgestoten activiteit in mindering gebracht op de referentie-omzet. 8 Voor de omzetdaling wordt uitgegaan van de omzetdaling van de natuurlijke of rechtspersoon. 9 Indien de rechtspersoon of vennootschap onderdeel is van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, wordt, in afwijking van het achtste lid, uitgegaan van de omzetdaling van de groep zoals deze op 1 januari 2022 bestond. Indien de rechtspersoon een dochtermaatschappij is van een ander als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, worden de dochtermaatschappij en de rechtspersoon voor de werking van deze regeling behandeld als waren zij een groep. Voor de bepaling van de omzetdaling als bedoeld in de eerste zin worden de Nederlandse rechtspersonen en vennootschappen in aanmerking genomen, alsmede buitenlandse rechtspersonen en vennootschappen met loon in Nederland. 10 Subsidies en baten die betrekking hebben op een langere periode dan de omzetperiode en de periode, bedoeld in het tweede lid, worden naar rato aan de betreffende perioden toegerekend voor de bepaling van de omzetdaling, bedoeld in het eerste lid. Artikel 6 Afwijking van bepalen omzetdaling op niveau concern of groep 1 In afwijking van artikel 5, negende lid, kan aan de werkgever die deel uitmaakt van een groep als bedoeld in dat lid, en die daar bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie om verzoekt, subsidie worden verstrekt waarbij de omzetdaling wordt bepaald op basis van de omzetdaling van die rechtspersoon of vennootschap afzonderlijk, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. de rechtspersoon of vennootschap heeft geen bedrijfsmatige activiteiten die voor meer dan de helft bestaan uit het binnen de groep ter beschikking stellen van arbeidskrachten; b. de werkgever handelt in overeenstemming met een van dagtekening voorziene overeenkomst over werkbehoud, die door hem voorafgaand aan de aanvraag van de vaststelling van de subsidie wordt aangegaan met ten minste één belanghebbende vereniging van werknemers, bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wet melding collectief ontslag, en bij gebreke daarvan, of indien de werkmaatschappij minder dan 20 werknemers heeft, een andere vertegenwoordiging van werknemers, inhoudende de ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging of de vergadering als bedoeld in artikel 35b, eerste lid, van de Wet op de ondernemingsraden; c. de andere rechtspersonen of vennootschappen binnen een groep als bedoeld in artikel 5, negende lid, voeren geen opdrachten of projecten uit die ten koste kunnen gaan van de rechtspersoon of vennootschap waarvoor de omzetdaling met toepassing van dit artikel wordt bepaald; en d. de omzetdaling van de groep, bedoeld in artikel 5, negende lid, bedraagt in de omzetperiode minder dan het percentage als bedoeld in artikel 14. 2 Indien en voor zover werknemers van de rechtspersoon of vennootschap, waarvan de omzet met toepassing van het eerste lid wordt vastgesteld, in de omzetperiode werkzaamheden verrichten bij een andere rechtspersoon of vennootschap, wordt de omzet van de rechtspersoon of vennootschap naar boven bijgesteld. Voor de berekening van de verhoging wordt de omzet over de periode die voor die rechtspersoon of vennootschap volgt uit artikel 5, tweede tot en met zevende lid, afgezet tegen de loonkosten over die periode. Deze verdeling wordt toegepast op de loonkosten zoals deze zijn ingezet bij de andere rechtspersoon of vennootschap en toegerekend aan de omzet over de omzetperiode. 3 Bij toepassing van het eerste lid worden bij de berekening van de omzet: a. dezelfde verrekenprijsregels en grondslagen van waardering en resultaatbepaling gehanteerd voor de bepaling van de referentie-omzet en de omzet in de omzetperiode, waarbij de uiterlijk op 1 januari 2022 conform wet- en regelgeving vastgestelde jaarrekening 2019 leidend is, voor zover voor de berekening van de referentie-omzet het kalenderjaar 2019 bepalend is; en b. mutaties in de voorraden gereed product toegerekend aan de omzet. 4 Bij toepassing van dit artikel kan een groepsdeel als bedoeld in artikel 405, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bestaande uit een tussenholding en haar groepsmaatschappijen worden behandeld als waren zij één rechtspersoon. 5 Indien in strijd wordt gehandeld met het eerste lid, onderdeel c, of het tweede lid, wordt voor de toepassing van dit artikel de omzet bijgesteld naar de situatie waarin niet in strijd met die artikelen zou zijn gehandeld. Artikel 7 Aanvraag van de subsidieverlening 1 De werkgever dient de subsidieaanvraag in door middel van een door de Minister beschikbaar gesteld formulier. 2 Een subsidieaanvraag wordt voor de achtste tranche ingediend van 14 februari tot en met 13 april 2022. 3 De werkgever kan eenmaal per loonheffingennummer een subsidieaanvraag indienen. 4 In de subsidieaanvraag wordt in ieder geval vermeld: a. de verwachte omzetdaling; b. het loonheffingennummer; c. het door de Kamer van Koophandel toegekende unieke nummer als bedoeld in de Handelsregisterwet 2007, indien de werkgever daarover beschikt; d. het rekeningnummer uit een land dat valt onder de EU-Verordening/260/2012, waarop de werkgever betalingen van de Belastingdienst inzake loonheffingen ontvangt; en e. of een verzoek als bedoeld in artikel 5, zesde lid, wordt gedaan. 5 In de subsidieaanvraag verklaart de werkgever dat voldaan zal worden aan de verplichting, bedoeld in artikel 13 en dat indien artikel 6 wordt toegepast, het groepshoofd, bedoeld in artikel 406, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek en de moedermaatschappij, bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, daarmee instemt. 6 Indien de werkgever onderdeel is van een groep als bedoeld in artikel 5, negende lid, of indien de werkgever meerdere loonheffingennummers heeft, wordt hetzelfde percentage, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, voor alle rechtspersonen en vennootschappen binnen de groep respectievelijk de loonheffingennummers gehanteerd. In afwijking van de eerste zin hoeft voor de werkgever die onderdeel is van een groep als bedoeld in artikel 5, negende lid, niet hetzelfde percentage, bedoeld in het vierde lid, onderdeel a, te worden gehanteerd als het percentage dat voor de groep wordt gehanteerd, als de werkgever bij de aanvraag tot vaststelling verzoekt artikel 6 toe te passen. 7 De subsidieaanvraag wordt elektronisch gedaan, tenzij op www.uwv.nl kenbaar wordt gemaakt dat een schriftelijke subsidieaanvraag ook mogelijk is. 8 Door het indienen van een aanvraag stemt de werkgever ermee in dat de volgende gegevens uit het subsidiedossier openbaar gemaakt kunnen worden: a. de naam en de vestigingsplaats van werkgever; b. het verstrekte voorschot; en c. de vastgestelde subsidie. Artikel 8 Verlening van de subsidie 1 De Minister besluit binnen 13 weken na ontvangst van de volledige aanvraag. 2 De subsidiebeschikking vermeldt in ieder geval: a. de periode waarvoor de subsidie wordt verleend; b. de hoogte van het bedrag van de subsidieverlening en het voorschot; c. de verplichtingen, bedoeld in artikel 11, 12 en 13, waaraan de werkgever moet voldoen; en d. de termijn waarbinnen de vaststelling van de subsidie moet worden aangevraagd. 3 De beschikking tot subsidieverlening vermeldt niet het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld. Artikel 9 Voorschot 1 De Minister verstrekt de werkgever bij de beschikking tot subsidieverlening een voorschot. 2 De hoogte van het voorschot bedraagt 80% van het bedrag van de verlening, bedoeld in artikel 16. 3 Het voorschot wordt betaald in ten hoogste drie termijnen. Artikel 10 Opschorting van de betaling Onverminderd artikel 4:56 van de Algemene wet bestuursrecht, schort de Minister de betaling van een voorschot als bedoeld in artikel 9 op, indien: a. sprake is van een ernstig vermoeden dat niet voldaan wordt aan de voorwaarden of de verplichtingen, bedoeld in artikel 11, onderdelen a, b, en f tot en met j, artikel 12 en 13, die zijn verbonden aan de subsidie; of b. indien een melding van de werkgever daartoe aanleiding geeft. Artikel 11 Verplichtingen Aan de werkgever aan wie subsidie wordt verleend, worden de volgende verplichtingen opgelegd: a. de werkgever is verplicht de subsidie uitsluitend aan te wenden voor het doel waarvoor de subsidie is verstrekt, met dien verstande dat de subsidie in ieder geval wordt aangewend voor de betaling van loonkosten; b. de werkgever is verplicht de ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging, bedoeld in de Wet op de ondernemingsraden, of bij het ontbreken daarvan, de werknemers te informeren over de subsidieverlening; c. de werkgever is verplicht zich in te spannen om werknemers te stimuleren om deel te nemen aan een ontwikkeladvies of aan scholing; d. de werkgever is verplicht zich in te spannen om bij te dragen aan de begeleiding naar ander werk voor werknemers van wie de arbeidsovereenkomst eindigt of van wie hij het voornemen heeft de arbeidsovereenkomst te beëindigen of niet voort te zetten; e. indien de werkgever in de periode waarover subsidie wordt ontvangen een verzoek om toestemming doet om de arbeidsovereenkomst van één of meer werknemers op te zeggen op grond van artikel 669, derde lid, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is hij verplicht om in de periode van 1 januari 2022 tot en met 13 april 2022 contact op te nemen met UWV voor ondersteuning bij de begeleiding naar ander werk; f. de werkgever voert een zodanig controleerbare administratie dat alle voor de vaststelling van de subsidie van belang zijnde gegevens kunnen worden nagegaan en verleent desgevraagd tot vijf jaar na de datum van vaststelling van de subsidie inzage in deze administratie; g. de werkgever doet de loonaangifte op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 op de voorgeschreven momenten; h. de werkgever meldt onverwijld en schriftelijk aan de Minister indien zich omstandigheden voordoen die van belang kunnen zijn voor een beslissing tot wijziging, intrekking of vaststelling van de subsidie; i. de werkgever overlegt na afloop van de periode waarover subsidie is verleend een definitieve opgave van de omzetdaling in de omzetperiode; en j. de werkgever werkt tot vijf jaar na de datum van vaststelling van de subsidie, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden, mee aan door of namens de Minister ingesteld onderzoek dat erop is gericht de Minister inlichtingen te verschaffen die van belang zijn voor het nemen van een besluit over het verstrekken van de subsidie, de vaststelling van de rechtmatigheid daarvan, of de ontwikkeling van het beleid van de Minister. Artikel 12 Verplichting overleggen accountantsverklaring 1 De werkgever aan wie subsidie wordt verleend is verplicht bij de aanvraag van de vaststelling van de subsidie een verklaring over de naleving van de subsidievoorwaarden, afgegeven door een accountant als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep, te overleggen. Deze verklaring voldoet aan standaarden die door de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants zijn vastgesteld, met inachtneming van het in de bijlage bij deze regeling opgenomen Accountantsprotocol. 2 Van de verplichting om een verklaring van een accountant te overleggen is de werkgever vrijgesteld, indien het totale voorschot dat is verstrekt aan de natuurlijke persoon, rechtspersoon of groep als bedoeld in artikel 5, negende lid, minder is dan € 125.000. In afwijking van de vorige zin geldt de vrijstelling van de verplichting om een verklaring van een accountant over te leggen niet indien de totale subsidie voor die natuurlijke persoon, rechtspersoon of groep als bedoeld in artikel 5, negende lid, wordt vastgesteld op een bedrag van € 125.000 of meer, of indien de werkgever heeft verzocht om toepassing van artikel 6. 3 De werkgever die op grond van het tweede lid is vrijgesteld van de verplichting om een verklaring van een accountant te overleggen, overlegt ten behoeve van de vaststelling van de subsidie het in de bijlage bij deze regeling opgenomen formulier met een verklaring van een deskundige derde waarmee de omzetdaling wordt bevestigd. De Minister wijst aan welke deskundige derden een verklaring kunnen afgeven. 4 Van de verplichting om een verklaring van een deskundige derde te overleggen is de werkgever vrijgesteld, indien het totale voorschot voor de natuurlijke persoon, rechtspersoon of groep als bedoeld in artikel 5, negende lid, dat verstrekt is minder dan € 40.000 bedraagt. In afwijking van de vorige zin geldt de vrijstelling van de verplichting om een verklaring van een deskundige derde te overleggen niet indien de totale subsidie voor die natuurlijke persoon, rechtspersoon of groep als bedoeld in artikel 5, negende lid, wordt vastgesteld op een bedrag van € 40.000 of meer. Artikel 13 Verplichting niet uitkeren dividenden en bonussen 1 De werkgever of rechtspersoon keert over 2022 geen dividenden uit aan aandeelhouders of bonussen aan de Raad van Bestuur, bestuur en directie van het concern en de rechtspersoon of vennootschap, waaronder mede begrepen winstdelingen, en koopt geen eigen aandelen in. Met dividend worden andere winstuitkeringen aan derden gelijkgesteld. 2 De werkgever of rechtspersoon sluit voorafgaand aan de aanvraag van de vaststelling van de subsidie met tenminste één belanghebbende vereniging van werknemers, bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wet melding collectief ontslag, en bij gebreke daarvan, of indien de werkgever minder dan 20 werknemers heeft, een andere vertegenwoordiging van werknemers, inhoudende de ondernemingsraad, de personeelsvertegenwoordiging of de vergadering als bedoeld in artikel 35b, eerste lid, van de Wet op de ondernemingsraden, een schriftelijke overeenkomst over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het bonus en dividendbeleid. 3 Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing, indien het totale voorschot dat is verstrekt aan de natuurlijke persoon, rechtspersoon of groep als bedoeld in artikel 5, negende lid, minder is dan € 125.000. In afwijking van de vorige zin zijn het eerste en het tweede lid wel van toepassing, indien de totale subsidie voor die natuurlijke persoon, rechtspersoon of groep als bedoeld in artikel 5, negende lid, wordt vastgesteld op een bedrag van € 125.000 of meer. 4 Indien artikel 6 wordt toegepast, keert de werkgever of rechtspersoon, de groep, en de moedermaatschappij, bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, over 2022 geen dividenden uit aan aandeelhouders of bonussen aan de Raad van Bestuur, bestuur en directie van het concern en de rechtspersoon of vennootschap waarop artikel 6 wordt toegepast, waaronder mede begrepen winstdelingen, en kopen de rechtspersonen binnen de groep geen eigen aandelen in. Met dividend worden andere winstuitkeringen aan derden gelijkgesteld. 5 Indien de werkgever, rechtspersoon, natuurlijke persoon of groep verplicht is op grond van een vaststellingsverklaring met de Belastingdienst of een wettelijke plicht om dividend uit te keren dan blijft dit toegestaan voor het gedeelte waarover de plicht, bedoeld in het eerste en vierde lid, geldt. 6 Indien artikel 6 wordt toegepast, beschikt de werkgever of de rechtspersoon over een voorafgaand aan de aanvraag van de vaststelling van de subsidie verstrekte schriftelijke verklaring van het groepshoofd, bedoeld in artikel 406, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, en de moedermaatschappij, bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, waaruit blijkt dat gehandeld zal worden overeenkomstig het vierde lid. 7 Indien de werkgever of rechtspersoon een boekjaar heeft aangewezen dat niet op een kalenderjaar is gebaseerd, dan geldt de verplichting in het eerste lid voor het boekjaar waarover subsidie is verleend. De vorige zin is van overeenkomstige toepassing op het vierde lid, met dien verstande dat dit geldt voor de groep of moedermaatschappij, bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Hoofdstuk 2 Achtste tranche Artikel 14 Voorwaarden voor subsidieverlening De Minister kan op grond van dit hoofdstuk aan een werkgever, die gedurende de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022 wordt geconfronteerd met een daling van de omzet van ten minste 20%, per loonheffingennummer een subsidie verlenen over de loonsom in de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022. Artikel 15 Hoogte van de subsidie 1 De hoogte van de subsidie is de uitkomst van: A x B x 3 x 1,3 x 0,85 Hierbij staat: A voor het percentage van de omzetdaling, met dien verstande dat A ten hoogste 0,9 bedraagt; B voor de loonsom waarbij wordt uitgegaan van de totale loonsom van werknemers waarvoor de werkgever het loon heeft uitbetaald, met dien verstande dat B gelijk is aan de uitkomst van de volgende berekening, die uitgaat van het tijdvak bedoeld in het tweede of derde lid: X – Y + Z, met dien verstande dat het in aanmerking te nemen loon per werknemer niet meer bedraagt dan tweemaal het maximale dagloon, bedoeld in artikel 17 van de Wet financiering sociale verzekeringen, maal 21,75; waarbij: X staat voor het loon dat de werknemers van de werkgever in dat tijdvak hebben genoten; Y staat voor de in dat tijdvak uitbetaalde bedragen aan vakantiebijslag en extra periode salaris; en Z staat voor de in dat tijdvak opgebouwde bedragen aan vakantiebijslag en extra periode salaris. 2 Voor de loonsom, bedoeld in het eerste lid, onder de letter B, wordt uitgegaan van het loon over de maand oktober 2021. Indien er sprake is van een aangiftetijdvak van vier weken, wordt uitgegaan van het loon over het elfde aangiftetijdvak van het jaar 2021, waarbij de loonsom in dat aangiftetijdvak wordt verhoogd met 8,33 procent. 3 Indien er geen sprake is van een aangiftetijdvak van een maand of vier weken, wordt het loon per werknemer herleid naar een loon per aangiftetijdvak van een maand. 4 Indien de loonsom als bedoeld onder de letter C meer dan 15%, naar beneden afgerond, lager is dan driemaal de loonsom, bedoeld in het eerste lid, onder de letter B, wordt de subsidie verlaagd met: ((0,85B x 3) – C) x 1,3 x 0,85 Hierbij staat: B voor de loonsom, zoals berekend op grond van het eerste lid tot en met derde lid; C voor de loonsom over de periode 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022, met dien verstande dat het eerste en het derde lid van overeenkomstige toepassing zijn, waarbij voor de berekening van Y en Z in plaats van met het extra periode salaris gerekend wordt met het arbeidsvoorwaardenbedrag, en waarbij de gehanteerde aangiftetijdvakken het eerste, tweede en derde aangiftetijdvak van het jaar 2022 zijn. 5 Indien er sprake is van een werkgever die per vier weken aangifte doet voor de loonheffingen, wordt de loonsom, bedoeld in het vierde lid, onder de letter C, bepaald door het eerste, tweede en derde aangiftetijdvak van het jaar 2022 te hanteren, waarbij de loonsom in die aangiftetijdvakken wordt verhoogd met 8,33 procent. 6 De in aanmerking te nemen gegevens uit de loonaangifte van de werkgever ten behoeve van de bepaling van de letter B, bedoeld in het eerste lid, worden beoordeeld op grond van de loonaangifte zoals die uiterlijk op 14 december 2021 is ingediend, alsmede de aanvullingen daarop die uiterlijk op die datum hebben plaatsgevonden. 7 De in aanmerking te nemen gegevens uit de loonaangifte van de werkgever ten behoeve van de bepaling van de letter C, bedoeld in het vierde lid, worden beoordeeld op grond van de loonaangifte zoals die uiterlijk op 15 mei 2022 is ingediend, alsmede de aanvullingen daarop die uiterlijk op die datum hebben plaatsgevonden. Indien de loonaangifte na laatstgenoemde datum naar beneden wordt bijgesteld, kan de Minister besluiten de gewijzigde loonaangifte in aanmerking te nemen voor de vaststelling van de loonsom, bedoeld in het vierde lid, onder de letter C. 8 De subsidie wordt verlaagd met 5% indien de werkgever niet heeft voldaan aan de verplichting, bedoeld in artikel 11, onderdeel e. Artikel 16 Berekening van de hoogte van het bedrag van de subsidieverlening De hoogte van het bedrag van de subsidieverlening is de uitkomst van: A* x B x 3 x 1,3 x 0,85 Hierbij staat: A* voor het percentage van de door de werkgever verwachte omzetdaling, met dien verstande dat A* ten hoogste 0,9 bedraagt; B voor de loonsom, zoals berekend op grond van artikel 15, eerste tot en met vierde lid. Hoofdstuk 3 Subsidievaststelling, uitvoering en financiering Artikel 17 Subsidievaststelling 1 De werkgever vraagt de vaststelling van de subsidie voor de achtste tranche aan vanaf 3 oktober 2022, of een eerder tijdstip, dat bekend gemaakt wordt via www.uwv.nl, tot en met 2 juni 2023. Hij dient de aanvraag in door middel van een door de Minister vast te stellen formulier. Artikel 7, zevende lid, is van overeenkomstige toepassing. 2 Bij de aanvraag van de vaststelling wordt in ieder geval meegezonden: a. de definitieve gegevens over de omzetdaling in de omzetperiode, alsmede informatie waaruit dit blijkt; b. een verklaring waaruit blijkt of in de periode, bedoeld in artikel 5, zevende lid, onderdelen of activiteiten zijn afgestoten; c. de verklaring van een accountant of een derde, bedoeld in artikel 12, eerste en derde lid; en d. een verklaring dat voldaan is aan artikel 11, onderdelen a, b, en f tot en met j en artikel 13 genoemde verplichtingen. 3 De werkgever die bij de aanvraag van de vaststelling verzoekt om toepassing van artikel 6 verklaart dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 6 en zendt een verklaring van een accountant mee waaruit dat blijkt. 4 Indien een natuurlijke persoon of rechtspersoon of groep als bedoeld in artikel 5, negende lid, verplicht is een verklaring van een accountant op grond van artikel 12, eerste lid, of een verklaring van een deskundige derde op grond van artikel 12, derde lid, te overleggen vult de werkgever, die geen verklaring van een accountant, respectievelijk verklaring van een deskundige derde heeft meegezonden, op verzoek van de minister de aanvraag binnen 14 weken aan met de benodigde verklaring. 5 De subsidie wordt vastgesteld aan de hand van de berekeningswijze, bedoeld in artikel 15, met dien verstande dat de subsidie in ieder geval op nihil wordt vastgesteld, indien: a. de omzetdaling in de omzetperiode minder bedraagt dan het percentage als bedoeld in artikel 14; b. de werkgever geen verklaring van een accountant, als bedoeld in artikel 12, eerste lid, of een verklaring van een deskundige derde als bedoeld in artikel 12, derde lid, verstrekt, tenzij hij daarvan op grond van artikel 12, tweede en vierde lid, is vrijgesteld; of c. de werkgever die verzocht heeft om toepassing van artikel 6, niet voldoet aan de voorwaarden in artikel 6; of d. indien in strijd is gehandeld met een verplichting, als bedoeld in artikel 13. 6 De Minister stelt de subsidie vast binnen 52 weken na ontvangst van de aanvraag, bedoeld in het eerste lid. Artikel 18 Terugvordering Onverminderd artikel 4:95, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het verstrekte voorschot geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd van de subsidieontvanger, indien dit ten onrechte of voor een te hoog bedrag is verstrekt of indien niet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 11, 12 of 13, is voldaan. Artikel 19 Wijziging subsidievaststelling Onverminderd artikel 4:49 van de Algemene wet bestuursrecht kan de Minister de subsidievaststelling intrekken of ten nadele van de werkgever wijzigen, indien de werkgever door zijn handelen of nalaten tijdens of na de periode waarover hij subsidie heeft ontvangen geacht wordt niet te hebben voldaan aan het doel van deze regeling, bedoeld in artikel 3. Artikel 20 Mandaat, volmacht en machtiging UWV en Nederlandse arbeidsinspectie 1 De Minister verleent aan de Raad van Bestuur van het UWV mandaat, volmacht en machtiging om, in het kader van de uitvoering van deze regeling: a. besluiten te nemen, privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten en handelingen te verrichten die een privaatrechtelijke rechtshandeling noch een besluit zijn; b. te beslissen op bezwaarschriften, met dien verstande dat de persoon die betrokken is bij het besluitvormingsproces ten aanzien van het bezwaarschrift niet ook betrokken is geweest bij het besluitvormingsproces in eerste aanleg; en c. in rechte op te treden en tegen rechterlijke uitspraken hoger beroep of cassatie in te stellen, dan wel af te zien van hoger beroep of cassatie. 2 De Raad van Bestuur van het UWV is in het kader van de uitvoering van deze regeling bevoegd tot het verlenen van ondermandaat of het doorverlenen van zijn andere vertegenwoordigingsbevoegdheden aan bij het UWV werkzame functionarissen. 3 Hoofdstuk 4 van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit SZW 2009 is van toepassing op de uitoefening van bevoegdheden op grond van deze regeling en tevens op de uitoefening van bevoegdheden die krachtens ondermandaat respectievelijk doorverlening van volmacht en machtiging worden uitgeoefend. 4 Onverminderd het eerste tot en met derde lid worden door de voorzitter van de Raad van Bestuur van het UWV onder hem ressorterende functionarissen, werkzaam bij het UWV, aangewezen als ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van de verplichtingen, bedoeld in artikel 11, 12 of 13. 5 Onverminderd het eerste tot en met derde lid kunnen als ambtenaren, belast met het toezicht op de naleving van de verplichtingen, bedoeld in artikel 11, 12 of 13, worden aangewezen: a. de door de inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen onder hem ressorterende functionarissen, van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; en b. de door de Directeur Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering aangewezen functionarissen werkzaam bij de Directie Dienstverlening, Samenwerkingsverbanden en Uitvoering van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Artikel 21 Financiering 1 Het Rijk voorziet in de middelen tot dekking van de uitgaven verbonden aan deze regeling. 2 Het UWV beheert en administreert afzonderlijk de middelen, bedoeld in het eerste lid. 3 In verband met het middelenbeheer wordt de rijksbijdrage, bedoeld in het eerste lid, beschouwd als middelen die deel uitmaken van het Algemeen Werkloosheidsfonds. 4 De Minister stort op de rekening-courant, bedoeld in artikel 5.16, onder b, van de Regeling Wfsv, na overleg met het UWV maandelijks een periodiek voorschot op de rijksbijdrage, bedoeld in het derde lid, van: a. de door het UWV voorafgaand aan iedere maand geraamde subsidielasten met als valutadatum de tweeëntwintigste dag van elke maand; en b. de door het UWV voorafgaand aan iedere maand geraamde uitvoeringskosten met als valutadatum de vijftiende dag van elke maand. 5 De Minister kan, na overleg met het UWV, van de in het vierde lid, onder a en b, bedoelde bedragen afwijken. Artikel 22 Verslag UWV 1 Het UWV brengt aan de Minister inhoudelijk en financieel verslag uit over de uitvoering van deze regeling overeenkomstig artikel 49 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. 2 In de jaarrekening, bedoeld in artikel 49 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, worden de baten en lasten opgenomen, alsmede de ontvangen voorschotten, bedoeld in artikel 21, vierde lid, uitgesplitst naar subsidielasten en uitvoeringskosten, met betrekking tot deze regeling. 3 Op de in het tweede lid bedoelde subsidielasten komen in mindering de subsidies die op grond van artikel 18 zijn teruggevorderd en de bedragen die anderszins zijn terugbetaald. 4 Na goedkeuring van het besluit tot vaststelling van de jaarrekening, bedoeld in artikel 34, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, rekent de Minister de baten en lasten, alsmede de ontvangen voorschotten op grond van artikel 21, vierde lid, met betrekking tot het desbetreffende kalenderjaar af, met als valutadatum 1 juni van het hierop volgende kalenderjaar. Hoofdstuk 4 Slotbepalingen Artikel 23 Wijziging van de Tweede, Derde, Vierde en Vijfde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid Wijzigt de Tweede, Derde, Vierde en Vijfde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid. Artikel 24 Inwerkingtreding en vervaldatum 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. 2 Deze regeling vervalt met ingang van 1 november 2024. 3 In afwijking van het tweede lid blijft deze regeling, zoals die luidde op de dag voorafgaand aan de datum met ingang waarvan deze regeling vervalt, van toepassing op de afwikkeling van de subsidieaanvragen op grond van deze regeling. 4 In afwijking van het tweede lid blijven de verplichtingen voor werkgevers aan wie op grond van deze regeling subsidie is verleend, op grond van artikel 11, onderdelen f en j, gelden na 1 november 2024 gedurende de in die onderdelen genoemde periode. 5 In afwijking van het tweede lid blijft artikel 7, achtste lid, zoals dat luidde op de dag voorafgaand aan de dag waarop deze regeling vervalt, van toepassing op openbaarmakingen van het subsidiedossier na de dag waarop deze regeling vervalt. Artikel 25 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Zesde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid. Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. Den Haag 8 februari 2022 De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, C.E.G. van Gennip Bijlage 1 bij artikel 15, eerste en tweede lid, van de Vijfde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid en artikel 12, eerste en tweede lid, van de Zesde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid Accountantsprotocol behorend bij de Vijfde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW 5)1Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 december 2021, nr. 2021-0000202228 tot vaststelling van de zevende tranche van een tijdelijke subsidieregeling tot tegemoetkoming in de loonkosten teneinde de werkgelegenheid onder buitengewone omstandigheden te behouden en voorbereidingen op de nieuwe economische situatie te laten plaatsvinden (Vijfde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid). en de Zesde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW 6)2Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 februari 2022, nr. 2022-0000005023, tot vaststelling van de achtste tranche van een tijdelijke subsidieregeling tot tegemoetkoming in de loonkosten teneinde de werkgelegenheid onder buitengewone omstandigheden te behouden en voorbereidingen op de nieuwe economische situatie te laten plaatsvinden (Zesde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid). Dit accountantsprotocol is op maat gemaakt voor de subsidieregeling NOW 5 en NOW 6, waarbij rekening is gehouden met de Schrijfwijzer accountantsprotocollen van de NBA en relevante bepalingen in de subsidieregeling. Er zijn aparte accountantsprotocollen voor de subsidieregeling NOW 1, NOW 2, NOW 3 en NOW 4. 2 mei 2022 INHOUDSOPGAVE Inhoud Hoofdstuk 1 Uitgangspunten 2 1.1 Reikwijdte accountantsprotocol 2 1.2 Aandachtspunten NOW 5 en NOW 6 3 1.3 Administratieve lastenverlichtingen en controlewerkzaamheden 3 1.4 Accountantsproducten 4 1.5 Procedures en termijnen 7 1.6 Reviewbeleid 7 1.7 Relevante wet- en regelgeving 8 Hoofdstuk 2 Onderzoeksaanpak betreffende de aanvraag tot vaststelling 8 2.1 Reikwijdte onderzoek 8 2.2 Uitwerking netto-omzet 10 2.3 Werkzaamheden betreffende specifieke aspecten van de loonsom 18 2.4 Werkzaamheden betreffende verbod op uitkeren van bonussen, dividenden en inkoop eigen aandelen 19 2.5 Werkzaamheden bij aanvragen op grond van artikel 7 NOW 5 en artikel 6 NOW 6 (werkmaatschappij) 19 2.6 Werkzaamheden betreffende andere informatie 20 Hoofdstuk 3 Materialiteit 20 3.1 Aan assurance verwante opdracht 20 3.2 Assurance-opdracht met een redelijke mate van zekerheid 21 3.3 Assurance-opdracht met een beperkte mate van zekerheid 22 3.4 Gevolgen voor de accountantsrapportage n.a.v. geconstateerde bevindingen 24 3.5 Overig 27 Hoofdstuk 4 Format en inhoud accountantsverklaring 27 Bijlage I Tabellen werkzaamheden 29 Deel A: Nadere toelichting tabellen voor aan assurance verwante opdrachten (kwadrant I) 29 Deel B: Nadere toelichting tabellen voor assurance-opdrachten (kwadranten II, III en IV en aanvragen op grond van artikel 7 NOW 5 en artikel 6 NOW 6) 35 Hoofdstuk 1 Uitgangspunten 1.1 Reikwijdte accountantsprotocol Dit accountantsprotocol heeft betrekking op: NOW 5 Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 december 2021, nr. 2021-0000202228 tot vaststelling van de zevende tranche van een tijdelijke subsidieregeling tot tegemoetkoming in de loonkosten teneinde de werkgelegenheid onder buitengewone omstandigheden te behouden en voorbereidingen op de nieuwe economische situatie te laten plaatsvinden (Vijfde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid). NOW 6 Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 februari 2022, nr. 2022-0000005023, tot vaststelling van de achtste tranche van een tijdelijke subsidieregeling tot tegemoetkoming in de loonkosten teneinde de werkgelegenheid onder buitengewone omstandigheden te behouden en voorbereidingen op de nieuwe economische situatie te laten plaatsvinden (Zesde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid). De NOW heeft als doelgroep werkgevers die te maken hebben met een omzetdaling van tenminste 20% gedurende de betreffende NOW-periode, afgezet tegen de omzet in de referentieperiode, om hen te ondersteunen bij het betalen van de lonen, waardoor zoveel mogelijk personeel behouden kan blijven. Op basis van de NOW wordt aan hen een subsidie verstrekt als tegemoetkoming in de loonkosten. De voorgaande NOW-regelingen liggen nadrukkelijk in elkaars verlengde, zij het dat de regelingen op een aantal voorwaarden van elkaar afwijken. Met de NOW-regelingen zijn veel bedrijven en instellingen geholpen om door middel van een subsidie voor de loonkosten een periode van substantiële omzetdaling te overbruggen. De regelingen, de toelichtingen hierop en overige van belang zijnde documenten zijn, evenals dit accountantsprotocol, te vinden op de website www.uwv.nl, op www.wetten.nl en op de website van rijksoverheid.nl www.rijksoverheid.nl. Eventuele wijzigingsregelingen op de NOW5 en NOW6 die later zijn en worden gepubliceerd met betrekking tot de hierboven genoemde regelingen zullen eveneens van toepassing zijn op dit protocol. Op de website van de Nederlandse beroepsorganisatie van accountants (NBA), www.nba.nl, en rijksoverheid.nl zijn frequently asked questions (FAQ’
- s)opgenomen die relevant zijn voor de accountant bij de praktische uitwerking van zijn werkzaamheden. Op de website van de NBA is tevens het accountantsprotocol opgenomen. Met dit accountantsprotocol wordt beoogd om een efficiënte en effectieve uitvoering betreffende de werkzaamheden van de accountants inzake de informatie, opgenomen in de aanvragen tot vaststelling, te bevorderen. 1.2 Aandachtspunten NOW 5 en NOW 6 De NOW 5 en NOW 6 zijn in grote lijnen hetzelfde als de NOW 4. – De omzetdrempel om in aanmerking te komen voor NOW blijft, net als in alle eerdere NOW-regelingen, 20%. – Het vergoedingspercentage voor de loonsom wordt gelijk gehouden op 85%. – De forfaitaire opslag wordt gelijk gehouden op 40% voor de NOW5, voor de NOW6 is dit percentage 30%. Deze aanpassing was nodig vanwege een verandering in de Polisadministratie van UWV waarmee de definitie van de loonsom verandert die wordt gebruikt voor de bepaling van de hoogte van de NOW-subsidie. Indien de forfaitaire opslag 40% zou blijven, zou de NOW-subsidie hoger uitvallen. Om dit effect te neutraliseren, is de forfaitaire opslag verlaagd. – Voor de NOW 5 en NOW 6 geldt net als voor de NOW 4 de aanvullende voorwaarde die werkgevers verplicht om bij een NOW-aanvraag een overeenkomst te sluiten met een vertegenwoordiging van werknemers over hoe om wordt gegaan met het uitkeren van bonussen en dividend. – De maximering van het in aanmerking te nemen loon blijft hetzelfde voor de NOW 5 en de NOW 6, namelijk 2 maal het maximum dagloon (€ 9.812,30 per maand voor de NOW 5 en vanwege de indexatie per 1 januari 2022 € 9.952 per maand voor de NOW 6). – Het maximaal op te geven omzetverlies is verhoogd van 80% in de NOW 4 naar 90% voor de NOW 5 en de NOW 6. – De loonsomvrijstelling is voor de NOW 5 en de NOW 6 verhoogd naar 15%, waar deze in de NOW 4 nog 10% was. In de NOW 5 en NOW 6 bestaat de mogelijkheid voor de bedrijven die ná 1 februari 2020 zijn gestart om in aanmerking te komen voor de NOW-subsidie. Verwezen wordt naar paragraaf 2.2.2. 1.3 Administratieve lastenverlichtingen en controlewerkzaamheden De aanpassingen die zijn gedaan in de onderzoekswerkzaamheden van de accountant om te komen tot administratieve lastenverlichtingen en opgenomen in het protocol voor de NOW 3 en NOW 4 zijn ook van toepassing voor de NOW 5 en de NOW 6 en dit protocol en zijn als volgt; 1 De mogelijkheid om controles van de 7de en 8ste tranche (NOW 5 en NOW 6) voor wat betreft de omzetdaling te combineren als ware het een opdracht (afzonderlijk controleren is ook nog steeds mogelijk). 2 Verhoging van de grens voor een accountantsverklaring van € 100.000 naar € 125.000 bij het voorschotbedrag. 3 Verhoging van de materialiteit bij een verklaring met beperkte mate van zekerheid van 2% naar 3%. 4 Bij een aanvraag op werkmaatschappijniveau is onder een subsidiebedrag van € 375.000 voortaan een verklaring met een beperkte mate van zekerheid verplicht (was bij NOW 1 en NOW 2 een redelijke mate van zekerheid). 5 Introductie van een nieuwe inherente beperking bij de controle van de NOW-groep (zie C-tabellen). 6 Afbakening van de werkzaamheden rondom SV-loon in het buitenland (zie ook C-tabellen). Deze aanpassingen zijn uitgebreid toegelicht in het accountantsprotocol en het addendum behorende bij de NOW 3 en NOW 4 in paragaaf 1.2. 1.4 Accountantsproducten In de NOW 5 regeling, artikel 15, eerste en tweede lid, en NOW 6 artikel 12, eerste en tweede lid, is vastgelegd dat voor de subsidievaststelling een verklaring van een accountant (hierna omschreven als ‘accountantsverklaring’) vereist is indien het voorschotbedrag € 125.000 of meer bedraagt of het vast te stellen subsidiebedrag € 125.000 of meer bedraagt. Om te bepalen of op grond van de regeling een accountantsverklaring is vereist dienen de verschillende aanvragen van de loonheffingennummers in de organisatie of in de groep bij elkaar opgeteld te worden. Voor werkgevers die aanvragen op grond van artikel 7 NOW 5 en artikel 6 NOW 6 van de regeling is in alle gevallen een accountantsverklaring nodig. In de aanwijzingen voor de subsidieverstrekking3https://wetten.overheid.nl/BWBR0027023/2012-07-01. is opgenomen dat er bij subsidieregelingen in het algemeen een accountantsproduct wordt verlangd indien er sprake is van een subsidieverstrekking van € 125.000 of meer. Gangbaar is dat hierbij de subsidieverstrekker een controleverklaring (met een redelijke mate van zekerheid of een beperkte mate van zekerheid) verlangt. Bij dit accountantsprotocol voor NOW 5 en NOW 6 is, net zoals voor de voorgaande NOW-regelingen, echter gekozen voor een gedifferentieerde aanpak. Hierbij is relevant dat de accountantswerkzaamheden bij de meeste subsidieregelingen zijn gericht op de juistheid en rechtmatigheid van verantwoorde kosten die de hoogte van de vast te stellen subsidie bepalen. De NOW-subsidie wijkt hiervan deels af. De hoogte van de NOW-subsidie is niet alleen afhankelijk van de betreffende kosten (in dit geval de gecorrigeerde loonsom), maar ook van de omzetdaling: de door de organisatie behaalde omzet gedurende een bepaalde meetperiode ten opzichte van de omzet in de referentieperiode. De aanvragen voor de NOW worden ingediend op loonheffingennummer. In artikel 6 lid 9 van de NOW 5 regeling en artikel 5 lid 9 van de NOW 6 regeling is aangegeven dat, ondanks dat aanvragen op loonheffingennummer moeten worden ingediend, er wel rekening moet worden gehouden indien aanvragers onderdeel uitmaken van een groep: Indien de rechtspersoon of vennootschap onderdeel is van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt voor de NOW 5 uitgegaan van de omzetdaling van de groep zoals deze op 1 november 2021 bestond. Indien de rechtspersoon een dochtermaatschappij is van een ander als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, worden de dochtermaatschappij en de rechtspersoon voor de werking van deze regeling behandeld als waren zij een groep. Voor de NOW 6 is deze peildatum 1 januari 2022. Als gevolg daarvan richt de accountant zich bij de uitvoering van zijn werkzaamheden in geval van een groep op de omzetdaling van de groep, zoals opgenomen in artikel 6, lid 9 van de NOW 5 regeling en artikel 5 lid 9 van de NOW 6 regeling. Uitgezonderd zijn rechtspersonen of vennootschappen (werkmaatschappijen) die op grond van artikel 7 van de NOW 5 regeling en artikel 6 van de NOW 6 regeling een aanvraag hebben ingediend. Ten aanzien van aspecten van de loonsom (zie paragraaf 2.3) en verplichtingen op grond van artikel 16 van de NOW 5 regeling en artikel 13 van de NOW 6 regeling (zie paragraaf 2.4) worden daarentegen werkzaamheden uitgevoerd op het niveau van de individuele aanvraag op loonheffingennummer. In dit accountantsprotocol wordt onderscheid gemaakt naar drie accountantsproducten. Er zijn twee factoren bepalend voor dit onderscheid. Als eerste factor geldt of een organisatie voldoet aan de criteria voor de (wettelijke) controleplicht. Dit is het geval als een organisatie over 2021 of 2022 voldoet aan de criteria voor controleplicht voor de jaarrekening op grond van artikel 396 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, of als een organisatie op grond van een andere wettelijke verplichting of ministeriële regeling controleplichtig is voor de jaarrekening over (een deel van) 2021 of 2022. De groottecriteria zoals vastgelegd in BW 2, artikel 396 zijn ook van toepassing op (buitenlandse) entiteiten waarop dit artikel niet van toepassing is. Hierbij gaat het niet om het voldoen aan de criteria voor controleplicht per loonheffingennummer, maar om het voldoen aan de criteria voor controleplicht voor die natuurlijke persoon of rechtspersoon of, indien van toepassing, de groep. Als tweede factor geldt de omvang van de NOW-subsidie per tranche. Net als bij de ondergrens of er een accountantsverklaring dient te worden verstrekt, geldt dat het hier niet gaat om het subsidiebedrag per loonheffingennummer, maar om de totale subsidie voor die natuurlijke persoon of rechtspersoon, of, indien van toepassing, de groep. Wanneer meerdere entiteiten (werkmaatschappijen) binnen een NOW-groep gebruik maken van de werkmaatschappijregeling artikel 7 (NOW 5) of artikel 6 (NOW 6) dient ook hier de totale subsidie opgeteld te worden ter bepaling van aard van het accountantsproduct. Om de subsidie te kunnen berekenen is een rekentool beschikbaar, zie: https://www.simulatienow.nl. Per loonheffingennummer per tranche dient een aanvraag tot vaststelling te worden ingediend. Als gevolg hiervan dient er ook bij elke aanvraag tot vaststelling een accountantsproduct te worden ingediend. Indien sprake is van een groep met meerdere aanvragen dient bij alle aanvragen tot vaststelling van de verschillende groepsonderdelen hetzelfde type accountantsproduct per tranche te worden verstrekt. Indien de accountant zijn werkzaamheden wil combineren voor wat betreft de omzetdaling voor de NOW 5 en de NOW 6 (7de tranche en 8ste tranche) als ware het één opdracht dan zal de accountant het onderzoek na afloop van de NOW 6 (8ste tranche) kunnen afronden waarbij hij nog steeds rekening moet houden met de voorwaarden die aan beide tranches verbonden zijn en per tranche dienen te rapporteren. De keuze welk accountantsproduct van toepassing is zal hij moeten baseren op de analyse per tranche waarbij in geval van een verschil in zwaarte van het onderzoek per tranche het zwaarste regime volgens de tabel van toepassing is voor het totale onderzoek. Voorbeeld: Een organisatie heeft voor de 7de (NOW 5) en 8ste tranche (NOW 6) subsidie aangevraagd. De accountant besluit de werkzaamheden voor de twee tranches als één opdracht uit te voeren. Per tranche stelt hij vast welk accountantsproduct benodigd is. De rapportering zal dienovereenkomstig plaatsvinden. Voor zijn totale opdracht c.q. totale onderzoek dient de accountant uit te gaan van het strengste regime. Indien bijvoorbeeld voor de rapportering bij de 7de tranche een assurance-rapport met een beperkte mate van zekerheid volstaat en bij de 8ste tranche een assurance-rapport met een redelijke mate van zekerheid benodigd is, dan vormt een assurance-opdracht met een redelijke mate van zekerheid het uitgangspunt voor zijn onderzoek. Ten behoeve van deze regeling heeft de Koninklijke Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) twee nieuwe standaarden ontwikkeld in het najaar van 2020; Standaard 3900N gaat in op de opdrachten tot het verstrekken van een assurance-rapport met een redelijke mate van zekerheid en het verstrekken van een assurance-rapport met een beperkte mate van zekerheid. In het najaar van 2021 heeft de NBA beide standaarden geactualiseerd en verduidelijkt. Standaard 4415N gaat in op het verstrekken van een verklaring in het kader van een aan assurance verwante opdracht. Standaard 3900N levert als accountantsproduct een van de twee genoemde assurance-rapporten op, Standaard 4415N een samenstellingsverklaring. De differentiatie in combinatie met de nieuwe ontwikkelde standaarden leidt tot de hierna volgende indeling voor opdrachten. Tabel voor aanvragen op grond van artikel 6 NOW 5 en artikel 5 NOW 6 (op basis van de totale subsidie voortvloeiend uit de aanvraag tot vaststelling): Type organisatie Organisatie die niet voldoet aan criteria controleplicht Organisatie die voldoet aan criteria controleplicht ≥ € 125.000 < € 375.000 (voorschot/gerealiseerd subsidiebedrag) I. Aan assurance verwante opdracht, inclusief aanvullende werkzaamheden (Standaard 4415N) III. Assurance-opdracht met beperkte mate van zekerheid (Standaard 3900N) ≥ € 375.000 (gerealiseerd subsidiebedrag) II. Assurance-opdracht met beperkte mate van zekerheid (Standaard 3900N) IV. Assurance-opdracht met redelijke mate van zekerheid (Standaard 3900N) Tabel voor aanvragen op grond van artikel 7 NOW 5 en artikel 6 NOW 6: Aanvraag niveau werkmaatschappij < € 375.000 IIa. Assurance-opdracht met beperkte mate van zekerheid (NVCOS Standaard 3900N) Aanvraag niveau werkmaatschappij ≥ € 375.000 IVa. Assurance-opdracht met redelijke mate van zekerheid (NVCOS Standaard 3900N) Aan assurance verwante opdracht, inclusief aanvullende werkzaamheden (kwadrant I) Voor organisaties die wel een accountantsproduct nodig hebben maar die niet voldoen aan de criteria voor controleplicht, wordt onder een subsidiebedrag van € 375.000 geen assurance-rapport vereist. In deze situatie volstaat een aan assurance verwante opdracht inclusief aanvullende werkzaamheden (samenstelopdracht met aanvullende werkzaamheden gebaseerd op dit accountantsprotocol uitmondende in een samenstellingsverklaring). De aanvullende werkzaamheden zijn relevant voor het onderzoek naar de risico’s in het kader van de NOW 5 en de NOW 6 subsidie, zoals het verschuiven van omzet naar een andere periode, het buiten de administratie houden van omzet, of risico’s ten aanzien van aspecten van de loonsom. Deze werkzaamheden worden in dit accountantsprotocol omschreven. Dit betreft derhalve een aan assurance verwante opdracht op basis van Standaard 4415N. Het format voor de samenstellingsverklaring is opgenomen op de websites van www.uwv.nl, rijksoverheid.nl en www.nba.nl. Dit format dient verplicht te worden gehanteerd voor deze subsidieregeling. Assurance-opdracht met beperkte mate van zekerheid (kwadrant II en III) Bij subsidiebedragen vanaf € 375.000 wordt bij organisaties die niet voldoen aan de criteria voor de controleplicht een accountantsproduct met zekerheid verlangd. Dit betekent dat bij bedragen vanaf € 375.000 een accountant een onderzoek dient te doen dat leidt tot een assurance-rapport met een beperkte mate van zekerheid. Deze beperkte mate van zekerheid betreft een hogere mate van zekerheid dan een reguliere beoordelingsopdracht in het kader van Standaard 2400N. Dit is nader uitgewerkt in Standaard 3900N en dit accountantsprotocol. Voor het verkrijgen van de beperkte mate van zekerheid en de betekenis van de inherente beperkingen hierbij wordt in het bijzonder verwezen naar de paragrafen 16, A18 tot en met A27 van Standaard 3900N. Bij organisaties die wel voldoen aan de criteria voor de controleplicht is het afhankelijk van de hoogte van het subsidiebedrag welke verklaring bij de aanvraag tot vaststelling dient te worden bijgevoegd. Indien een organisatie een accountantsproduct nodig heeft wordt tot een bedrag van € 375.000 een assurance-rapport met beperkte mate van zekerheid gevraagd, zoals hierboven aangegeven. De formats voor de assurance-rapporten voor opdrachten gericht op het verstrekken van een conclusie met beperkte mate van zekerheid zijn opgenomen op de websites van www.uwv.nl, www.rijksoverheid.nl en www.nba.nl. Deze formats dienen verplicht te worden gehanteerd voor deze subsidieregeling. Assurance-opdracht met redelijke mate van zekerheid (kwadrant IV) Bij subsidiebedragen vanaf € 375.000 wordt bij organisaties die voldoen aan de criteria voor controleplicht een assurance-rapport met een redelijke mate van zekerheid gevraagd. De formats voor de assurance-rapporten voor opdrachten gericht op het verstrekken van een oordeel met een redelijke mate van zekerheid zijn opgenomen op de websites van www.uwv.nl, www.rijksoverheid.nl en www.nba.nl. Deze formats dienen verplicht te worden gehanteerd voor deze subsidieregeling. Aanvragers op grond van artikel 7 NOW 5 en artikel 6 NOW 6 (werkmaatschappij, kwadrant IIa en IVa) Voor werkgevers die de omzetdaling bepalen op het niveau van de werkmaatschappij of tussenholding met toepassing van artikel 7 NOW 5 en artikel 6 NOW 6 van de regeling geldt dat, vanwege de aanvullende risico’s, altijd, dus ongeacht de hoogte van het subsidiebedrag, een beperkte mate of een redelijke mate van zekerheid wordt gevraagd. Indien de subsidie die wordt aangevraagd hoger is dan of gelijk is aan € 375.000 is een verklaring met een redelijke mate van zekerheid noodzakelijk. Is een bedrag aangevraagd dat lager is dan € 375.000 dan kan volstaan worden met een verklaring met een beperkte mate van zekerheid. Mocht bij de indiening van de documenten blijken dat niet het verplichte format is gehanteerd en/of een onjuist type verklaring of assurance-rapport bij de aanvraag tot vaststelling is bijgevoegd, dan zal op grond van artikel 17 lid 4 NOW 5 en artikel 17 lid 4 NOW 6 van de subsidieregeling verzocht worden om alsnog een verklaring of assurancerapport in te dienen in overeenstemming met bovenstaande tabellen. Indien door de aanvrager wordt gekozen om een accountantsproduct in te dienen met daarin een mate van zekerheid die groter is dan volgens de tabel voorgeschreven is dit toegestaan. Zie hiervoor ook de Kamerbrief d.d. 7 september 2021 inzake de Wijzigingsregelingen NOW najaar 2021 en vaststelling NOW-1 met kenmerk 2021-0000139608). Het door de accountant te verstrekken accountantsproduct is bestemd voor de werkgever (de aanvrager of gecontroleerde), die ter voldoening aan de regels deze samen met de aanvraag tot vaststelling dient te verstrekken aan het UWV. De werkgever is de opsteller van de aanvraag tot vaststelling. Het UWV en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna ‘Ministerie van SZW’) zijn de gebruikers van de accountantsverklaring en van de aanvraag tot vaststelling. In dit protocol zijn zij verder aangeduid als ‘de gebruikers’. In aansluiting op de genoemde standaarden is door het UWV en het Ministerie van SZW in dit accountantsprotocol een aantal voorschriften opgenomen, waar de accountant bij alle type opdrachten rekening mee dient te houden, tenzij in de tekst expliciet is aangegeven dat de voorschriften alleen voor (een) bepaald(
- e)type(
- n)opdracht(
- en)van toepassing is/zijn dan wel bepaalde voorschriften bij de verschillende type opdrachten een verschillende uitwerking kennen. Voor de volledigheid wordt vermeld dat voor voorschotten lager dan € 125.000 én subsidies lager dan € 125.000, met uitzondering van situaties waar gebruik gemaakt wordt van artikel 7 NOW 5 en artikel 6 NOW 6 van de regeling, geen accountantsverklaring (meer) is vereist, maar dat de werkgever in veel gevallen kan volstaan met een verklaring van een deskundige derde.4Zie ook de tabel bij Verlichting 1. Dit betekent overigens niet dat er in die gevallen geen nadere onderzoeken worden uitgevoerd. Deze nadere onderzoeken zullen steekproefsgewijs, zowel risicogericht als at random, worden uitgevoerd door of namens het Ministerie van SZW (zie ook artikel 20, lid 5 NOW 5 en artikel 20 lid 5 NOW 6, van de regeling). 1.5 Procedures en termijnen Voor de NOW 5 geldt, conform artikel 17 lid1, dat de aanvraag tot vaststelling, vergezeld van een verklaring of assurancerapport, vanaf 1 juni 2022 maar uiterlijk 22 februari 2023 moet worden ingediend. Voor NOW 6 geldt, conform artikel 17 lid 1, dat de aanvraag tot vaststelling, vergezeld van een verklaring of assurancerapport, vanaf 3 oktober 2022 maar uiterlijk 2 juni 2023 ingediend moet worden. Indien de werkzaamheden door de accountant voor de NOW 5 en de NOW 6 gecombineerd worden dient de aanvraag tot vaststelling, vergezeld van een verklaring of assurancerapport, vanaf 3 oktober 2022 maar uiterlijk 2 juni 2023 ingediend te worden. 1.6 Reviewbeleid De Minister van SZW (en het UWV die deze regeling in mandaat uitvoert) heeft als subsidieverstrekker te allen tijde de mogelijkheid een review uit te voeren of te laten uitvoeren bij de accountant belast met het onderzoek naar de informatie opgenomen in de aanvraag tot vaststelling teneinde na te gaan of het onderzoek met inachtneming van de relevante regelgeving van de NBA en dit accountantsprotocol is uitgevoerd. Deze reviews komen niet in de plaats van andere controles dan wel reviews uitgevoerd door de Algemene Rekenkamer. De accountant belast met het onderzoek en verantwoordelijk voor het verstrekken van het accountantsproduct bij de aanvraag tot vaststelling stemt er mee in dat de onderzoeksdossiers ten behoeve van bovengenoemde reviews integraal aan de reviewers ter inzage worden gegeven. Voorts zal de accountant, schriftelijk dan wel mondeling, alle gevraagde gegevens verstrekken die in het kader van voornoemde reviews worden opgevraagd. In dit kader wordt verwezen naar de bepalingen in hoofdstuk 6, paragraaf 1, van de Comptabiliteitswet 2016. Indien de accountant belast met het onderzoek en verantwoordelijk voor het verstrekken het accountantsproduct bij de aanvraag tot vaststelling gebruik heeft gemaakt van werkzaamheden van een andere accountant die belast is met het onderzoek naar bijvoorbeeld de omzetdaling op groepsniveau (de groepsaccountant), zal ingeval van selectie voor review, ook die accountant worden betrokken in de review. De groepsaccountant dient, rekening houdend met het gevraagde accountantsproduct bij de aanvraag van vaststelling, de werkzaamheden ook uit te voeren in overeenstemming met dit accountantsprotocol. Het onderzoek van de omzetdaling door deze groepsaccountant wordt dan ook direct object van de review. Dit betekent dat de groepsaccountant weet heeft (of dient te hebben) en akkoord moet gaan dat hij zelf in dat kader gereviewed kan worden en zijn dossier desgewenst beschikbaar stelt voor een review door of namens minister in overeenstemming met de bevoegdheden zoals vastgelegd in de Comptabiliteitswet 2016. De accountant die gebruik maakt van de werkzaamheden van een andere accountant dient de voorwaarden uit Standaard 3900N, paragraaf 64 tot en met 66 of Standaard 4415, paragraaf 30, na te leven, waaronder ervoor te zorgen dat de opdracht conform dit protocol wordt uitgevoerd. Dit betekent ook dat de accountant erop alert is dat de opdracht en de verklaring van de groepsaccountant voldoet aan de vereisten van het betreffende accountantsproduct zoals opgenomen in paragraaf 1.2 en nader is uitgewerkt in dit protocol en de betreffende Standaard. 1.7 Relevante wet- en regelgeving De van belang zijnde regelgeving is als volgt; – Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 december 2021, nr. 2021-0000202228 tot vaststelling van de zevende tranche van een tijdelijke subsidieregeling tot tegemoetkoming in de loonkosten teneinde de werkgelegenheid onder buitengewone omstandigheden te behouden en voorbereidingen op de nieuwe economische situatie te laten plaatsvinden (Vijfde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid). – Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 8 februari 2022, nr. 2022-0000005023, tot vaststelling van de achtste tranche van een tijdelijke subsidieregeling tot tegemoetkoming in de loonkosten teneinde de werkgelegenheid onder buitengewone omstandigheden te behouden en voorbereidingen op de nieuwe economische situatie te laten plaatsvinden (Zesde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid). – Eventuele wijzigingsregelingen op de NOW 5 en NOW 6 die later zijn en worden gepubliceerd met betrekking tot de hierboven genoemde regelingen zullen eveneens van toepassing zijn op dit protocol. – Artikel 3 e.v. Kaderwet SZW-subsidies in verband met grondslag van de regeling. – Artikelen 1 en 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen in verband met de verwijzing naar werkgever en loon in de regeling. – Voor de belangrijkste definities en begrippen wordt verwezen naar artikel 1 van beide regelingen en de toelichting op de regeling. Op beide regelingen is de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWSniet van toepassing. Hoofdstuk 2 Onderzoeksaanpak betreffende de aanvraag tot vaststelling 2.1 Reikwijdte onderzoek 2.1.1 Aanleiding Het doel van de NOW-regeling is om werkgevers tegemoet te komen in de betaling van de loonkosten, indien sprake is van een acute terugval in de omzet met ten minste 20% gedurende een periode van twee maanden in geval van een aanvraag voor de NOW 5 (november en december 2021) en drie maanden in geval van een aanvraag voor de NOW 6 (januari–maart 2022), vanwege een vermindering in bedrijvigheid door buitengewone omstandigheden die in redelijkheid niet tot het normale ondernemersrisico kunnen worden gerekend, zodat zij werknemers in dienst kunnen houden voor de uren die zij werkten voordat sprake was van deze terugval. In de NOW 5 en de NOW 6 heeft de aanvrager geen keuze over welke maanden de omzetdaling berekend zal worden; de tijdvakken liggen vast. Voor de NOW 5 – tranche 7: de periode van 1 november 2021 tot en met 31 december 2021 waarbij subsidie wordt verleend over de loonsom in de periode 1 november 2021 tot en met 31 december 2021 (zie ook artikel 4 NOW 5). Voor de NOW 6 – tranche 8: de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022 waarbij subsidie wordt verleend over de loonsom in de periode 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022 (zie ook artikel 14 NOW 6). De NOW-subsidie wordt per tranche berekend over de gecorrigeerde loonsom over de voornoemde periodes, afhankelijk van het percentage omzetdaling, in overeenstemming met de artikelen 8 en 11 voor de NOW 5 en artikel 15 en 16 van de NOW 6. 2.1.2 Uit te voeren werkzaamheden inzake de aanvraag tot vaststelling Zoals ook al aangegeven in paragraaf 4 van hoofdstuk 1 zijn er drie accountantsproducten te onderscheiden op basis van de vier genoemde kwadranten in de eerste tabel en aanvragen op grond van artikel 7 NOW 5 en artikel 6 NOW 6 in de tweede tabel. Het object van onderzoek is de aanvraag tot vaststelling. De aanvraag tot vaststelling wordt per loonheffingennummer en voor elke tranche waarvoor is aangevraagd ingediend. Op de websites waarop de accountantsverklaringen worden gepubliceerd (zie hoofdstuk 1) is ook het formulier voor de aanvraag tot vaststelling opgenomen. De werkgever zal de informatie zoals opgenomen in het formulier voor de aanvraag tot vaststelling ook in de beveiligde portal van het UWV dienen in te voeren en het door de accountant gewaarmerkte formulier voor de aanvraag tot vaststelling en het accountantsproduct in de beveiligde portal dienen te plaatsen. Hierover is meer praktische uitleg gegeven op de website van UWV. Ten aanzien van de werkzaamheden van de accountant wordt onderscheid gemaakt in de volgende onderdelen van de aanvraag tot vaststelling per aangevraagde tranche: 1. Gegevens over de omzet van de referentieperiode (referentieomzet), de omzet van de meetperiode en de hierop gebaseerde omzetdaling. Indien sprake is van een groep dienen alle onder de groep ressorterende aanvragen/loonheffingennummers deze gegevens per tranche op het niveau van de groep te bevatten. 2. Beweringen inzake specifieke aspecten van de loonsom; periodes van de in paragraaf 2.1.1. genoemde tranches (7 en 8): – dat alle (netto)lonen uit de loonaangifte die meetellen in de berekening van de tegemoetkoming daadwerkelijk zijn uitbetaald aan de betreffende werknemers; – dat in de periode van de betreffende tranche(
- s)geen gefingeerde dienstverbanden zijn aangegaan; – voor zover sprake is van bevindingen voortvloeiende uit bovenstaande twee beweringen, deze hebben geleid tot een neerwaartse wijziging van de loonaangifte over de periode van de betreffende tranche(
- s)(en per wanneer).5Indien per periode van vier weken (in plaats van per kalendermaand) loonaangifte wordt gedaan bij de Belastingdienst, gaat het hier om het 12de en het 13de tijdvak van het jaar 2021 voor de NOW 5. Voor de NOW 6 gaat het hier om het 1e tot en met het 3e tijdvak 2022. UWV gebruikt de loonsommen zoals die op 15 februari 2022 (NOW 5) en op 15 mei 2022 (NOW 6) bij de Belastingdienst bekend zijn. Voor de NOW telt alleen het loon waarover in Nederland sociale premies zijn betaald. De werkgever is verplicht om wijzigingen die na 15 februari 2022 voor de NOW 5 en 15 mei 2022 NOW 6 nog aan de Belastingdienst zijn gemeld op het aanvraagformulier tot vaststelling te vermelden. 3. Bewering inzake de naleving van artikel 16 NOW 5 en artikel 13 NOW 6; het verbod op het uitkeren van bonussen, dividenden en de inkoop eigen aandelen. 4. Indien sprake is van een aanvraag op grond van artikel 7 NOW 5 en artikel 6 NOW 6: bewering dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 7 NOW 5 en artikel 6 NOW 6. 5. Andere informatie in de aanvraag tot vaststelling. Voor de hiervoor genoemde onderdelen wordt verwezen naar de paragrafen 2.2 tot en met 2.6. 2.1.3 Algemene vereisten inzake de uit te voeren werkzaamheden Indien er sprake is van een aan assurance verwante opdracht, dan dient de accountant met een professioneel kritische instelling de aanvraag tot vaststelling samen te stellen in overeenstemming met de regeling, mede rekening houdend met de aanvullend uit te voeren werkzaamheden zoals vastgelegd in bijlage I, de tabellen A1 tot en met A4 en Standaard 4415N. De accountant belast met een assurance-opdracht dient zich bij de opdracht met een professioneel kritisch instelling te richten op mogelijke afwijkingen van materieel belang in de aanvraag tot vaststelling zoals vastgelegd in bijlage I, de tabellen B1 tot en met B5 en Standaard 3900N. Van de accountant wordt verwacht dat hij de naleving van de subsidievoorwaarden onderzoekt zoals deze met name voortkomen uit de artikelen 6, 7, 14 en 16 van de NOW 5-regeling en de artikelen 5, 6, 11 en 13 van de NOW 6-regeling, alsmede de toelichting, en specifieke aspecten met betrekking tot de loonsom. Ook zal in de aanvraag tot vaststelling andere informatie staan. Indien er sprake is van (een vermoeden van) misbruik, oneigenlijk gebruik en/of fraude, dan dient de accountant nadere acties te ondernemen in lijn met de bij het betreffende onderzoek van toepassing zijnde standaarden en overige wet- en regelgeving. Dit betekent dat de accountant indien hij misbruik of fraude tegenkomt, conform de NV NOCLAR dient te handelen en indien nodig een melding van dient te maken bij de bevoegde instantie(s). Voor de NOW is dit het UWV.6In de regeling in artikel 20, eerste lid van zowel NOW 5 als NOW 6 is UWV aangewezen als uitvoerder van de Regeling. Daarbij worden op grond van het vierde lid in beide regelingen de UWV werknemers aangewezen als ambtenaren belast met het toezicht. Dit valt onder het algemene aanwijzingsbesluit van de directie Handhaving van UWV: https://wetten.overheid.nl/BWBR0023509/2015-01-21. Conform Standaard 3900N, paragraaf 46 overweegt de accountant, in ieder geval bij een assurance-opdracht met een redelijke mate van zekerheid, of er interne beheersingsmaatregelen zijn waarop de accountant wil of moet steunen en waarvan de accountant de effectieve werking wil toetsen (systeemgerichte werkzaamheden) en welke gegevensgerichte werkzaamheden daarnaast zullen worden uitgevoerd. 2.2 Uitwerking netto-omzet 2.2.1 Definitie netto-omzet Een belangrijke component voor de bepaling van de hoogte van de NOW-subsidie is de netto-omzetdaling. Met betrekking tot de regelgeving wordt het volgende opgemerkt: In artikel 1, lid 2 tot en met 5 (zowel NOW 5 als NOW 6), is de definitie van netto-omzet opgenomen. De definitie is als volgt: Onder omzet wordt in deze regeling verstaan de netto-omzet zoals gedefinieerd in artikel 377, zesde lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek gecorrigeerd voor de in de winst-en-verliesrekening verantwoorde wijziging in onderhanden projecten. De grondslagen en detailtoepassingen voor de bepaling van de referentie-omzet en de omzet in de omzetperiode moeten gelijk aan elkaar zijn en in overeenstemming met de wet- en regelgeving. Als voor de berekening van de referentie-omzet het kalenderjaar 2019 bepalend is, zijn de grondslagen en detailtoepassingen van de uiterlijk op 1 januari 2022 en conform wet- en regelgeving vastgestelde jaarrekening 2019 leidend, of in geval van natuurlijke personen de laatst conform wet- en regelgeving vastgestelde aangifte over 2019 voor de Wet inkomstenbelasting 2001. Alle baten die voortkomen uit de uitvoering van normale activiteiten van een organisatie, ook als deze gewoonlijk met een andere term dan omzet worden aangeduid, vallen onder omzet in de zin van deze regeling. Onder omzet wordt in de NOW 5- en NOW 6-regeling niet verstaan de subsidie die de werkgever ontvangt op grond van de Eerste, Tweede, Derde, Vierde en Vijfde en Zesde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid, alsmede op grond van deze regeling en subsidie die de werkgever over de omzetperiode ontvangt van de Minister van Economische Zaken en Klimaat ter tegemoetkoming in de vaste lasten in verband met de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van COVID-19. Als aan een werkgever gedurende de omzetperiode een werkloosheidsuitkering is uitbetaald, in verband met verkorting van de werktijd van zijn werknemers, waarvoor op grond van artikel 8, derde lid, van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 ontheffing is verleend, wordt deze uitkering beschouwd als omzet, bedoeld in het tweede lid. Van belang is dat de term netto-omzet breed is gedefinieerd in artikel 1 lid 2 en 3 (beide regelingen). In de toelichting op de regeling is opgenomen dat hieronder ook baten, giften, overige ontvangsten en subsidies vallen. Daarnaast is in de brief aan de Tweede Kamer met kenmerk 2020D51090 d.d. 9 december 2020 inzake de aanpassingen in het economische steun- en herstelpakket als gevolg van de ontwikkeling in de bestrijding van het coronavirus en bijlage III met kenmerk 2020D51083 bij deze brief (hierna ‘de Kamerbrief d.d. 9 december 2020’) een verdere toelichting gegeven op het omzetbegrip binnen de NOW. Verder is bij de publicatie van de NOW 4 (en de daarbij doorgevoerde wijziging van de NOW 3) opgenomen dat vanaf de NOW 3 de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) vanaf de NOW 3 niet meer meetelt als omzet voor de NOW. Dit is dus ook het geval voor de NOW 5 en NOW 6. In ieder geval wordt de beschikbaarheidsbijdrage OV bedrijven als omzet gezien voor de NOW. Bij de bepaling van de netto omzetdaling dient de NOW-subsidie niet zelf te worden meegenomen.7Staatscourant 2020 nr. 34308, p. 24. Ook van belang is dat in artikel 6 lid 10 NOW 5 en artikel 5 lid 10 NOW 6 is bepaald dat subsidies en baten die betrekking hebben op een langere periode dan de referentieperiode of de meetperiode voor de bepaling van de omzetdaling naar rato aan de betreffende perioden worden toegerekend. Daarnaast is van belang dat de netto-omzet op het juiste niveau is gerapporteerd. Als de onderneming onderdeel is van een groep dan telt de netto-omzetdaling van de groep van rechtspersonen of natuurlijke personen als geheel. Dit is de hoofdregel. De werkgevers in de groep moeten dus hetzelfde percentage netto-omzetdaling en dezelfde meetperiode hebben. Er vindt wel per loonheffingennummer een aanvraag tot vaststelling plaats. Voor het begrip groep is niet relevant of hier sprake is van een Nederlandse of van een internationale groep. Voor de bepaling van de netto-omzetdaling van de ‘NOW-groep’ worden vervolgens alleen de Nederlandse rechtspersonen en vennootschappen van die groep in aanmerking genomen in de berekening, alsmede buitenlandse rechtspersonen en vennootschappen met SV-loon in Nederland. Indien er sprake is van een moeder-dochterrelatie als bedoeld in artikel 24a Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, worden de moeder(
- s)en dochter(
- s)voor de NOW behandeld als ware zij een groep. Hierbij wordt uitgegaan van de groep zoals deze op 1 november 2021 voor de NOW 5 en op 1 januari 2022 voor de NOW 6 bestond. Ook hier betreft het alleen de Nederlandse rechtspersonen en vennootschappen, alsmede buitenlandse rechtspersonen en vennootschappen met SV-loon in Nederland. Verwezen wordt naar artikel 6 lid 9 NOW 5 en artikel 5 lid 9 NOW 6 van de regeling. Hierin wordt de groep gedefinieerd op basis van artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk wetboek. De juiste (juridische) afweging en bepaling zal gemaakt dienen te worden op basis van BW2 artikel 24 a en artikel 24b in combinatie met de feitelijke omstandigheden en situatie door de aanvrager al dan niet in samenspraak met de accountant. Indien sprake is van een groep, zoals beschreven in de voorgaande alinea, wordt tevens verwezen naar Standaard 3900N, paragraaf 64 tot en met 66 en Standaard 4415N, paragraaf 30. Het ministerie is van mening dat in bepaalde gevallen (bij complexe groepsstructuren) de controlewerkzaamheden weliswaar uitgebreid zijn, maar vindt dat deze noodzakelijk zijn gezien de doelstelling van de regeling en de voorwaarden die hieraan verbonden zijn. Het Ministerie van SZW heeft samen met de NBA vastgesteld dat het in specifieke situaties complex kan zijn om inzicht te krijgen in de volledigheid van de NOW-groep. Dit is met name het geval bij grote internationale groepsstructuren met vele vertakkingen. Het gaat hierbij in het bijzonder om onzekerheden in het kader van de volledigheid van entiteiten die vallen onder de reikwijdte van artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Van entiteiten die vallen onder het groepsbegrip dat geldt voor het jaarrekeningrecht ex artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, dient de accountant wel onverkort de volledigheid van de NOW-groep vast te stellen. Voor de eerstbedoelde situaties is de mogelijkheid gecreëerd om tot een inherente beperking te komen nadat een minimale set aan werkzaamheden is uitgevoerd en de accountant daaruit geen aanwijzingen heeft verkregen dat de NOW-groep onjuist is bepaald. Dit is nader uitgewerkt in de herziene standaard 3900N, paragaaf 53a en 53b (september 2021) en in dit protocol in de C-tabellen. 2.2.2 Bepaling referentieperiode In de subsidieregeling wordt de omzet van de meetperiode vergeleken met de omzet uit de referentieperiode (referentie-omzet). Voor de referentieperiode geldt het volgende: – De omzet van geheel 2019, indien de werkgever op 1 januari 2019 reeds bestond. In dit geval dient de omzet over 2019 gedeeld te worden door 6 voor de NOW 5 en gedeeld door 4 voor de NOW 6. Zie hiervoor artikel 6, lid 2 NOW 5 respectievelijk artikel 5 lid 2 NOW 6. – De netto-omzet van een deel van 2019 en 2020, indien de werkgever op 1 januari 2019 nog niet bestond maar wel uiterlijk op 1 februari 2020 is gestart. Hierbij geldt de volgende regel: ‘vanaf de eerste kalendermaand na de dag van aanvang van de bedrijfsuitoefening tot en met 29 februari 2020, gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met twee (NOW 5) of drie (NOW 6).’ Hier kan ook sprake van zijn als er sprake is geweest van overgang van onderneming na 1 januari 2019 en de werkgever bij de subsidieaanvraag de keuze heeft gemaakt voor de afwijkende berekening van de referentieperiode. In dat geval dient de referentieomzet als volgt berekend te worden: de netto-omzet vanaf de eerste volledige maand na datum overgang onderneming tot en met 29 februari 2020 / aantal maanden * 2 (NOW 5) of * 3 (NOW 6). Zie hiervoor artikel 6, lid 3, NOW 5 of artikel 5 lid 3 NOW 6. Voorbeeld: De onderneming is op 3 augustus 2019 opgericht. Volgens de NOW dient dan de omzet van 1 september 2019 t/m 29 februari 2020 te worden meegenomen als referentieomzet. De omzet over deze periode is € 90.000. De referentieomzet is € 90.000 / 6 maanden * 2 maanden = € 30.000 voor de NOW 5. De referentieomzet is € 90.000 / 6 maanden * 3 maanden = € 45.000 voor de NOW 6. Met de mogelijkheid om de startersregeling toe te passen (in de derde wijzigingsregeling van de NOW 1 en ook van toepassing voor de NOW 2, de NOW 3 en de NOW 4) in geval van een overname(
- s)gedurende 2019 is de mogelijkheid geboden aan de aanvragers om te kiezen van welke twee berekeningsmethodes hij gebruik wil maken; de hoofdregel waarbij de omzet 2019 als uitgangspunt genomen dient te worden of de startersregeling. De peildatum van 1 november 2021 (NOW 5) of 1 januari 2022 (NOW 6) die genoemd is artikel 6 lid 9 NOW 5 of artikel 5 lid 9 NOW 6 ziet toe op de samenstelling van de groep op dat moment en op de entiteiten waarvoor de omzet in de referentieperiode en de meetperiode moet worden bepaald. De wijze van de berekening van de referentieomzet staat in de voorgaande leden van het artikel. Het is dus niet de bedoeling dat de omzet wordt meegenomen van overgenomen entiteiten voorafgaande aan de datum van de overname (omzet die dus niet valt in de nieuw gevormde groep maar nog ‘onderdeel’ was van de verkopende entiteit/groep). Referentieomzet startende ondernemingen na 1 februari 2020 In de eerdere NOW-tranches bestond voor bedrijven die gestart zijn na 1 februari 2020 geen recht op NOW. Er was immers geen volledige maand omzet te bepalen in de referentieperiode 1 januari 2019 tot en met 29 februari 2020. Het bepalen van een latere referentieomzet-periode voor deze groep startende ondernemingen was ook niet mogelijk. Sinds maart 2020 zijn er namelijk altijd contactbeperkende maatregelen geweest en was een zuivere referentieomzet-periode, dus zonder contactbeperkende maatregelen, niet te bepalen. Voor de NOW 5 en NOW 6 ziet het kabinet voor deze groep startende ondernemingen wel een mogelijkheid om hen toegang tot de NOW te geven. Er is voor het eerst sinds maart 2020 een relatief zuivere omzetperiode beschikbaar, namelijk juli 2021 tot en met oktober 2021. De omzet in deze periode kan nu dus worden gebruikt als referentieomzet-periode. Hierdoor kunnen bedrijven die vanaf 2 februari 2020 maar uiterlijk 30 september 2021 (NOW 5) of 1 oktober 2021 (NOW 6) zijn gestart, ook in aanmerking komen voor de NOW 5 en/of de NOW 6, wanneer zij ook aan de andere voorwaarden en verplichtingen voldoen. Ondernemingen die al eerder bestonden kunnen niet kiezen voor de nieuwe referentieperiode 1 juli tot en met 31 oktober 2021. Verwezen wordt naar artikel 6, lid 6 sub b NOW 5 en artikel 5 lid 6 sub b NOW 6. Voor ondernemingen die vanaf 2 juli 2021 maar uiterlijk op 30 september 2021 zijn gestart, is het niet mogelijk om van die volledige referentieomzet-periode, juli tot en met oktober 2021, gebruik te maken voor de NOW 5. Zij zijn immers gestart na 1 juli 2021, de eerste dag van deze nieuwe referentieperiode. Deze startende ondernemingen kunnen hun referentieomzet berekenen vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de aanvang van de bedrijfsuitoefening tot en met 31 oktober 2021 en kunnen deze omrekenen naar 2 maanden (zodat deze vergelijkbaar is met de NOW 5 periode november en december 2021) respectievelijk 3 maanden (zodat deze vergelijkbaar is met de NOW 6 periode januari tot en met maart 2022). Verwezen wordt naar artikel 6, lid 4 en 5 van de NOW 5 en artikel 5, lid 4 en 5 van de NOW 6. Voor ondernemingen die zijn gestart na 1 februari 2020 en derhalve geen gebruik hebben kunnen maken van de voorgaande NOW-periodes, worden deze twee nieuwe referentieomzet-berekeningswijzen toegevoegd. De referentieperiode voor de omzetbepaling voor de NOW 5 ziet er schematisch als volgt uit: Onderneming is gestart Referentieomzet-periode Vóór 1 januari 2019 Omzet 1 januari 2019 t/m 31 december 2019 gedeeld door 6 Vanaf 2 januari 2019 maar uiterlijk op 1 februari 2020 Omzet vanaf de eerste volledige kalendermaand t/m 29 februari 2020 gedeeld door het aantal volledige maanden * 2 Vanaf 2 februari 2020 maar uiterlijk op 1 juli 2021 Omzet 1 juli 2021 t/m 31 oktober 2021 gedeeld door 2 Vanaf 2 juli 2021 maar uiterlijk op 30 september 2021 Omzet vanaf de eerste volledige kalendermaand t/m 31 oktober 2021 gedeeld door het aantal volledige maanden * 2 Voor ondernemingen die zijn gestart na 30 september 2021, bestaat er geen recht op NOW 5. Deze ondernemingen hebben in de referentiemaand voor de loonsom, september 2021, geen loonsom en derhalve bestaat er dus geen recht op NOW. Ook in de NOW 6 zullen de startende ondernemers gebruik kunnen maken van de NOW als aan de overige voorwaarden wordt voldaan. Echter zal de uiterste startdatum in de NOW 6 één dag opschuiven; ondernemers die gebruik willen maken van de NOW 6 dienen uiterlijk 1 oktober 2021 te zijn gestart. De datum kan ten opzichte van de NOW 5 met één dag worden opgeschoven, omdat de loonsom referentiemaand niet langer september 2021, maar oktober 2021 is. Tegelijkertijd moet er wel sprake zijn van ten minste één maand referentieomzet in de relatief zuivere omzetperiode, zijnde juli tot en met oktober 2021. Verwezen wordt naar artikel 5, lid 6 sub b van de NOW 6. Voor ondernemingen die ná 1 juli 2021 maar uiterlijk op 1 oktober 2021 zijn gestart, is het niet mogelijk om van die volledige referentieomzet-periode, juli tot en met oktober 2021, gebruik te maken. Zij zijn immers gestart na 1 juli 2021, de eerste dag van deze nieuwe referentieperiode. Deze startende ondernemingen kunnen hun referentieomzet berekenen vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de aanvang van de bedrijfsuitoefening tot en met 31 oktober 2021 en kunnen deze omrekenen naar 3 maanden (zodat deze vergelijkbaar is met de NOW 6 periode januari tot en met maart 2022). Verwezen wordt naar artikel 5, lid 6 sub c van de NOW 6. De referentieperiode voor de omzetbepaling voor de NOW 6 ziet er schematisch als volgt uit: Onderneming is gestart Referentieomzet-periode Vóór 1 januari 2019 Omzet 1 januari 2019 t/m 31 december 2019 gedeeld door 4 Vanaf 2 januari 2019 maar uiterlijk op 1 februari 2020 Omzet vanaf de eerste volledige kalendermaand t/m 29 februari 2020 gedeeld door het aantal volledige maanden * 3 Vanaf 2 februari 2020 maar uiterlijk op 1 juli 2021 Omzet 1 juli 2021 t/m 31 oktober 2021 gedeeld door 4 vermenigvuldigd met 3 Vanaf 2 juli 2021 maar uiterlijk op 1 oktober 2021 Omzet vanaf de eerste volledige kalendermaand t/m 31 oktober 2021 gedeeld door het aantal volledige maanden * 3 Voor ondernemingen, die zijn gestart na 1 oktober 2021, bestaat er geen recht op NOW 6. Deze ondernemingen hebben in de referentieperiode geen volledige kalendermaand omzet, waardoor er geen omzetverlies vastgesteld kan worden en derhalve bestaat er dus geen recht op NOW. Referentieomzet bij overnames middels een aandelentransactie waarbij zeggenschap is verkregen Besloten is om de regeling aan te passen zodat ook overnames middels een aandelentransactie gebruik kunnen maken van de startersmethodiek voor de bepaling van de referentieomzet. Tot aan deze aanpassing was de toepassing van de startersmethodiek (artikel 6 sub 3 lid b van de NOW 1) voorbehouden aan een overgang van onderneming zoals bedoeld in artikel 7.662 van het Burgerlijk Wetboek. Vastgesteld is dat de toepassing van de startersmethodiek vanaf de introductie in mei 2020 bedoeld was voor alle soorten overnames, dus ook aandelentransacties waarbij zeggenschap is verkregen over een rechtspersoon of vennootschap die onderdeel is geworden van een groep. De betreffende artikelen in de NOW 2 tot en met NOW 6 zijn hier inmiddels op aangepast, zie hiervoor artikel 6 lid 6 van de NOW 5 en artikel 5 lid 6 van de NOW 6. Referentieomzet-periode bij overname van een economische eenheid of aandelentransactie Ondernemingen die (een onderdeel van) een onderneming hebben overgenomen of zeggenschap in een onderneming hebben gekregen doordat er sprake was van een aandelentransactie waarbij het overgenomen deel onderdeel is geworden van een groep in de periode 2 januari 2019 tot en met 1 oktober 2021 kunnen ervoor kiezen om een andere referentieomzet te berekenen dan volgt uit de regels voor bestaande en startende ondernemingen. Bij overnames in de periode van 2 januari 2019 tot en met 1 februari 2020 kan de werkgever zijn referentieomzet bepalen door te kijken naar de periode vanaf de eerste volledige kalendermaand vanaf de overgang tot en met 29 februari 2020, gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met twee (NOW 5) of drie (NOW 6). Zie hiervoor artikel 6, lid 6 sub a NOW 5 of artikel 5 lid 6 sub a NOW 6. Ondernemingen die een (onderdeel van een) onderneming hebben overgenomen of zeggenschap in een onderneming hebben gekregen doordat er sprake was van een aandelentransactie waarbij het overgenomen onderdeel een onderdeel is geworden van een groep in de periode van 2 februari 2020 tot en met 1 juli 2021 kunnen kiezen voor de periode 1 juli 2021 tot en met 31 oktober 2021 als referentieomzet-periode. Zie hiervoor artikel 6, lid 6 sub b NOW 5 of artikel 5 lid 6 sub b NOW 6. Voor ondernemingen die in de periode van 2 juli 2021 tot en met 1 oktober 2021 een (onderdeel van een) onderneming hebben overgenomen of zeggenschap in een onderneming hebben gekregen doordat er sprake was van een aandelentransactie waarbij het overgenomen onderdeel een onderdeel is geworden van een groep is het niet mogelijk om van die volledige referentieomzet-periode gebruik te maken. Zij hebben immers na 1 juli 2021 nog een overname/aandelentransactie gedaan waardoor de referentieperiode niet representatief zal zijn. Deze ondernemingen kunnen hun referentieomzet berekenen vanaf de eerste volledige kalendermaand omzet na overname/ aandelentransactie tot en met 31 oktober 2021, gedeeld door het aantal maanden waarvan de omzet in aanmerking wordt genomen, vermenigvuldigd met twee (NOW 5) of drie (NOW 6). Zie hiervoor artikel 6, lid 6 sub c NOW 5 of artikel 5 lid 6 sub c NOW 6. Schematisch ziet dit er als volgt uit voor de NOW 5: Overname/aandelentransactie heeft plaatsgevonden Optionele referentieomzet-periode Vanaf 2 januari 2019 maar uiterlijk op 1 februari 2020 Omzet vanaf de eerste volledige kalendermaand na overname t/m 29 februari 2020 gedeeld door het aantal volledige maanden * 2 Vanaf 2 februari 2020 maar uiterlijk op 1 juli 2021 Omzet 1 juli 2021 t/m 31 oktober 2021 gedeeld door 2 Vanaf 2 juli 2021 maar uiterlijk op 1 oktober 2021 Omzet vanaf de eerste volledige kalendermaand na overname/aandelentransactie t/m 31 oktober 2021 gedeeld door het aantal volledige maanden * 2 Schematisch ziet dit er als volgt uit voor de NOW 6: Overname/aandelentransactie heeft plaatsgevonden Optionele referentieomzet-periode Vanaf 2 januari 2019 maar uiterlijk op 1 februari 2020 Omzet vanaf de eerste volledige kalendermaand na overname t/m 29 februari 2020 gedeeld door het aantal volledige maanden * 3 Vanaf 2 februari 2020 maar uiterlijk op 1 juli 2021 Omzet 1 juli 2021 t/m 31 oktober 2021 gedeeld door 4 * 3 Vanaf 2 juli 2021 maar uiterlijk op 1 oktober 2021 Omzet vanaf de eerste volledige kalendermaand na overname/aandelentransactie t/m 31 oktober 2021 gedeeld door het aantal volledige maanden * 3 In alle gevallen geldt, net zoals in de eerdere NOW-tranches, dat de omzet van de overgenomen entiteit die is gerealiseerd vóór overname niet mag worden meegenomen in de bepaling van de referentieomzet. Referentieomzet-periode bij afstotingen De referentieomzet-periode wordt niet gewijzigd als er sprake is geweest van afstotingen van onderdelen of activiteiten in de periode van 2 januari 2019 tot en met 1 november 2021 (in geval van de NOW 5) of in de periode van 2 januari 2019 tot en met 1 januari 2022 (in geval van de NOW 6). Deze methode wijkt af van de vorige NOW-regelingen (NOW 2 t/m NOW 4), waarbij het moment van afstoting bepalend was voor de vaststelling van de referentieomzet-periode. Hier is voor gekozen, vanwege de complexiteit die door de nieuwe starterssystematiek zou ontstaan. De methode die gehanteerd moet worden in de NOW 5 en NOW 6 houdt in dat ondernemers de omzet van het afgestoten onderdeel of activiteit uit diens referentieomzet moet elimineren. Hierdoor kan er een zuivere referentieomzet worden vastgesteld. Zie hiervoor artikel 6, lid 7, NOW 5 of artikel 5 lid 7 NOW 6. 2.2.3 Werkzaamheden betreffende de netto-omzet in de referentieperiode Voor de accountant gelden de volgende vereisten voor de netto-omzet in de referentieperiode: – De accountant dient vast te stellen dat de omzet op het juiste organisatorische niveau is berekend (dit vereiste geldt ook voor de meetperiode en is nader toegelicht in de tabellen A1 en B1 van bijlage I). – De accountant dient vast te stellen dat de omzet in de referentieperiode in overeenstemming met de regeling is berekend. A Referentieomzet in geval van een reeds op 1 januari 2019 bestaande onderneming Voor de uitvoering van de werkzaamheden kan de accountant gebruik maken van de jaarrekening 2019 of (indien van toepassing) de jaarrekeningen van de gebroken verslagjaren 2018/2019 en 2019/2020, uiteraard voor zover de jaarrekening(
- en)beschikbaar is/zijn. Hierna wordt ingegaan op de situaties waarbij er wel of geen sprake is van een gecontroleerde jaarrekening over 2019. Gecontroleerde jaarrekening over 2019 Indien bij de jaarrekening over 2019 (of de gebroken verslagjaren 2018/2019 en 2019/2020) een controleverklaring van een accountant is verstrekt, hetgeen is vereist voor controleplichtige organisaties, kan de accountant in het kader van zijn werkzaamheden uitgaan van de omzet, opgenomen of afgeleid van de onderzochte jaarrekening waarbij de verklaring is verstrekt. Hierbij hoeft alleen te worden vastgesteld of rekening is gehouden met de definitie en bepalingen ten aanzien van de omzet zoals is opgenomen in de regeling. Het UWV en SZW zijn zich er van bewust dat voor het onderzoek naar de jaarrekening over 2019 (of de gebroken verslagjaren 2018/2019 en 2019/2020) mogelijk een andere materialiteit is gehanteerd dan in het kader van deze regeling is voorgeschreven. Van de accountant wordt geen aanvullend onderzoek op de juistheid en volledigheid van de omzet gevraagd in het kader van deze regeling, anders dan opgenomen in de laatste twee alinea’s van deze subparagraaf 2.2.3. Aandacht wordt gevraagd voor de situatie waarbij de accountant geen goedkeurende verklaring bij de jaarrekening heeft afgegeven. In deze situaties gaat de accountant na of de beperking, oordeelonthouding of afkeuring betrekking heeft op de omzet en zo ja, of er gevolgen zijn voor zijn werkzaamheden. Hierbij wordt opgemerkt dat de accountant voor de omzet in de referentieperiode dient vast te stellen dat de omzet niet te hoog is. De controlerichting voor de omzet in de referentieperiode is derhalve de juistheid. Indien de beperking, oordeelonthouding of afkeuring betrekking heeft op de volledigheid van de omzet, dan kan de accountant in het kader van dit onderzoek ook hier uitgaan van de omzet, opgenomen of afgeleid van de onderzochte jaarrekening waarbij de verklaring is verstrekt, rekening houdend met hetgeen in de voorgaande alinea is opgenomen. Heeft de beperking, oordeelonthouding of afkeuring betrekking op de juistheid van de omzet, dan zal de accountant aanvullende werkzaamheden moeten uitvoeren. Situatie waarin de jaarrekening over 2019 niet is gecontroleerd Ook in het geval de jaarrekening over 2019 (of de gebroken verslagjaren 2018/2019 en 2019/2020) niet is gecontroleerd door een accountant en er dus geen sprake is van een controleverklaring van een accountant, betrekking hebbend op de jaarrekening over 2019 (of de gebroken verslagjaren 2018/2019 en 2019/2020), dan mag de accountant uitgaan van de omzet, opgenomen in de vastgestelde, of de door de accountant samengestelde, of door de accountant beoordeelde definitieve jaarrekening over 2019 (of de gebroken verslagjaren 2018/2019 en 2019/2020). Hierbij wordt alleen nagegaan of rekening is gehouden met de definitie en bepalingen ten aanzien van de omzet zoals is opgenomen in de regeling. Van de accountant wordt verder slechts betrokkenheid ten aanzien van de juistheid en volledigheid van de omzet gevraagd in het kader van deze regeling op de onderdelen die zijn opgenomen in de laatste twee alinea’s van deze subparagraaf 2.2.3. Bij de uitvoering van deze werkzaamheden, in verband met het mogelijk verhoogde verschuivingsrisico nadien, is wel relevant of de jaarrekening is vastgesteld, samengesteld of beoordeeld voor 1 november 2021 en waar de accountant in het kader van de beoordeling of het samenstellen geen of onvoldoende aandacht besteed heeft aan het risico met betrekking tot de juistheid of afgrenzing van de omzet 2019. De accountant zal dan alsnog werkzaamheden moeten uitvoeren om vast te stellen dat de omzet over 2019 zoals opgenomen in de jaarrekening geen afwijkingen van materiele omvang bevat (de materialiteit betreft hier de materialiteit in het kader van de beoordelings- of samenstellingsopdracht). Dit geldt niet als de accountant bij de uitvoering van zijn samenstellingsopdracht of beoordelingsopdracht die is afgerond al rekening heeft gehouden met het mogelijk verhoogde verschuivingsrisico. Hier wordt in de tabel van bijlage I aandacht aan geschonken (A2 en B2). Voor natuurlijke personen kan de accountant voor zijn werkzaamheden uitgaan van de omzet zoals opgenomen in de aangifte Inkomstenbelasting over 2019 op basis van artikel 1, tweede lid, van de regeling (zowel NOW 5 als NOW 6). Hierbij wordt alleen getoetst of rekening is gehouden met de definitie en bepalingen ten aanzien van de omzet zoals is opgenomen in de regeling. Van de accountant wordt alleen onderzoek op de juistheid en volledigheid van de omzet gevraagd in het kader van deze regeling op de onderdelen die zijn opgenomen in de hierna opgenomen alinea’s van deze subparagraaf 2.2.3. Ten aanzien van de vereisten inzake de netto-omzet in de referentieperiode zijn in bijlage I, tabel A1, A2, B1 en B2 behorende bij dit accountantsprotocol mogelijke risico’s geïdentificeerd en daarop afgestemde uit te voeren accountantswerkzaamheden opgenomen. De verwachtingen van de gebruikers ten aanzien van deze accountantswerkzaamheden voor aan assurance verwante opdrachten respectievelijk assurance-opdrachten zijn opgenomen in de toelichtingen voorafgaand aan de tabellen A (assurance verwante opdrachten) en B (assurance-opdrachten). Op grond van zijn professioneel-kritische instelling en, in het geval van een assurance-opdracht, ook zijn risicoanalyse dient de accountant, gericht op het verkrijgen van een deugdelijke grondslag voor zijn verklaring, te overwegen of deze werkzaamheden moeten worden uitgebreid met andere (gegevensgerichte) werkzaamheden. Ook in het geval de jaarrekening(
- en)niet is/zijn gecontroleerd door een accountant en er dus geen sprake is van een controleverklaring van een accountant, dan mag de accountant uitgaan van de omzet, opgenomen in de vastgestelde, of de door de accountant samengestelde, of door de accountant beoordeelde definitieve jaarrekening(en). Hierbij wordt alleen nagegaan of rekening is gehouden met de definitie en bepalingen ten aanzien van de omzet zoals is opgenomen in de regeling. Van de accountant wordt verder slechts betrokkenheid ten aanzien van de juistheid en volledigheid van de omzet gevraagd in het kader van deze regeling op de onderdelen die zijn opgenomen in de laatste twee alinea’s van deze subparagraaf 2.2.3. Indien de accountant in het kader van de beoordeling of het samenstellen van de jaarrekening geen of onvoldoende aandacht besteed heeft aan het risico met betrekking tot de juistheid of afgrenzing van de omzet zal hij alsnog werkzaamheden moeten uitvoeren om vast te stellen dat de omzet zoals opgenomen in de jaarrekening geen afwijkingen van materiele omvang bevat (de materialiteit betreft hier de materialiteit in het kader van de beoordelings- of samenstellingsopdracht). Dit geldt niet als de accountant bij de uitvoering van zijn samenstellingsopdracht of beoordelingsopdracht die is afgerond al rekening heeft gehouden met het mogelijk verhoogde verschuivingsrisico. Hier wordt in de tabel van bijlage I aandacht aan geschonken (A2 en B2). Hieronder volgt een weergave van de methoden ter bepaling van de referentieomzet in geval van een overname of de start van een onderneming. Hierbij dient opgemerkt te worden dat bij overnames het aan de werkgever is om te kiezen voor methode A (Referentieomzet in geval van een reeds op 1 januari 2019 bestaande onderneming) of van één van de volgende van toepassing zijnde methodes. B Referentieomzet in geval van een overname of gestarte onderneming gedurende 2019 Indien een onderneming is gestart of een overname heeft gepleegd in 2019 (vanaf 2 januari 2019) maar uiterlijk op 1 februari 2020 bestaat de referentieomzet uit een omzet die gedeeltelijk is gerealiseerd in 2019 en gedeeltelijk in 2020. De referentieomzet periode is vanaf de eerste volledige kalendermaand na de start/overname van de onderneming tot en met 29 februari 2020 gedeeld door het aantal volledige maanden keer 2 (NOW 5) of keer 3 (NOW 6). Voor het gedeelte van de omzet dat betrekking heeft op 2019 en waarvoor een jaarrekening over 2019 beschikbaar is wordt verwezen naar de aanpak onder A. Voor het gedeelte omzet dat betrekking heeft op 2020 dient de onderneming specifiek de omzet te bepalen op basis van de onderzoeksaanpak die geldt voor de omzet in de meetperiode waarbij de tendentie is om de omzet in de referentieperiode ten onrechte zo hoog mogelijk voor te stellen. C Referentieomzet in geval van een overname of gestarte onderneming vanaf 1 januari 2020 maar uiterlijk op 1 februari 2020 De referentieomzet periode is vanaf de eerste volledige kalendermaand na de start/overname van de onderneming tot en met 29 februari 2020 gedeeld door het aantal volledige maanden keer 2 (NOW 5) of keer 3 (NOW 6). De onderneming dient specifiek de omzet te bepalen op basis van de onderzoeksaanpak die geldt voor de omzet in de meetperiode waarbij de tendentie is om de omzet in de referentieperiode ten onrechte zo hoog mogelijk voor te stellen. D Referentieomzet in geval van een overname of gestarte onderneming vanaf 2 februari 2020 maar uiterlijk op 1 juli 2021 De referentieomzet periode is vanaf 1 juli 2021 tot en met 31 oktober gedeeld door 4 keer 2 (voor de NOW 5) of keer 3 (voor de NOW 6). De onderneming dient specifiek de omzet te bepalen op basis van de onderzoeksaanpak die geldt voor de omzet in de meetperiode waarbij de tendentie is om de omzet in de referentieperiode ten onrechte zo hoog mogelijk voor te stellen. E Referentieomzet in geval van een overname of gestarte onderneming vanaf 2 juli 2021 maar uiterlijk op 30 september (NOW 5) en 1 oktober 2021 (NOW 6) De referentieomzet periode is vanaf de eerste volledige kalendermaand na de start/overname van de onderneming tot en met 31 oktober 2021 gedeeld door het aantal volledige maanden keer 2 (NOW 5) of keer 3 (NOW 6). De onderneming dient specifiek de omzet te bepalen op basis van de onderzoeksaanpak die geldt voor de omzet in de meetperiode waarbij de tendentie is om de omzet in de referentieperiode ten onrechte zo hoog mogelijk voor te stellen. De onderzoeksaanpak zoals beschreven bij hierboven beschreven bij B-E geeft de meest nauwkeurige bepaling van de omzet in de referentieperiode. Indien gebruik gemaakt zou worden van de jaarrekening 2020 of 2021 (of de relevante jaarrekeningen in geval van een gebroken boekjaar) om de omzet te bepalen zal hier ook de omzet in de meetperiode in opgenomen zijn die minimaal 20% lager zal uitvallen dan de omzet in de referentieperiode en die een negatief effect heeft op de hoogte van de referentieomzet. Indien gewenst kan de aanvrager toch gebruik maken van de relevante jaarrekeningen waarbij dezelfde uitgangspunten gelden als voor het gebruik van de jaarrekening over 2019. Opgemerkt wordt dat de accountant de referentieperiode voor NOW 5 en NOW 6 niet opnieuw hoeft te toetsen als hij dit in het kader van de toetsing van NOW 1, NOW 2, NOW 3 of NOW 4 reeds heeft gedaan en de samenstelling van de NOW-groep niet is gewijzigd. Alsdan volstaat een verwijzing naar het betreffende onderdeel in het dossier NOW 1 t/m NOW 4. 2.2.4 Werkzaamheden betreffende netto omzet in de meetperiode en bepaling van de omzetdaling In de NOW 5 en de NOW 6 is er voor de werkgever geen mogelijkheid om de meetperiode te kiezen. Voor de NOW 5 is deze 1 november 2021 tot en met 31 december 2021 en voor de NOW 6 is deze 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022. De periodes sluiten daarmee ook op elkaar aan. Indien er sprake is van een groepsrelatie of moeder-dochterrelatie dient dezelfde meetperiode te worden gehanteerd voor alle werkgevers (loonheffingennummers). In de aanvraag tot vaststelling dient een werkgever de gerealiseerde omzet in deze meetperiode op te geven. Op basis van de opgegeven omzet in de referentieperiode en de meetperiode wordt de omzetdaling berekend. Indien sprake is van een groep, zoals opgenomen in paragraaf 2.2.1, wordt tevens verwezen naar Standaard 3900N, paragraaf 64 tot en met 66 en Standaard 4415N, paragraaf 30. Voor de accountant gelden de volgende vereisten voor de netto-omzet in de meetperiode: – De accountant dient vast te stellen dat de juiste meetperiode is gehanteerd. In geval van een aan assurance verwante opdracht dient de accountant zelf de juiste meetperiode te hanteren of dit zo nodig door de werkgever te laten herstellen op het formulier. – De accountant dient vast te stellen dat de afgrenzing, classificatie en volledige verantwoording van de omzet voor de meetperiode volgens de regeling heeft plaatsgevonden. In geval van een aan assurance verwante opdracht dient de accountant zelf hiermee rekening te houden bij de uitvoering van zijn samenstelwerkzaamheden en de aanvullende werkzaamheden zoals opgenomen in dit accountantsprotocol. – De accountant houdt hierbij rekening met risico’s op fouten, misbruik en fraude bij de verantwoording van de omzet, en dient te evalueren welke categorieën van opbrengsten/baten, welke hiermee samenhangende transacties en welke andere informatie aanleiding geven tot dergelijke risico’s. In geval van een aan assurance verwante opdracht dient de accountant alert te zijn op de mogelijk onvolledige aanlevering van informatie en documentatie ten behoeve van de berekening van de netto-omzet. Verwezen wordt naar hetgeen hierover is vastgelegd in Standaard 3900N en Standaard 4415N. – De accountant dient vast te stellen dat de omzetdaling in overeenstemming met de regeling is berekend. In geval van een aan assurance verwante opdracht dient de accountant zelf de omzetdaling te bepalen in overeenstemming met de regelgeving. Het is, afhankelijk van het type accountantsproduct, van belang dat de accountant voor de omzet in de (al dan niet gecombineerde) meetperiode nagaat of, en zo ja, op welke wijze procedures, inclusief maatregelen van interne beheersing, zijn opgezet, bestaan en hebben gewerkt en dat de accountant nagaat in hoeverre deze procedures consistent zijn met de periode voorafgaand aan de coronacrisis voor zover dat relevant is voor de opdracht. De nadere toelichting op de uit te voeren werkzaamheden per type accountantsproduct en de eventuele gevolgen voor de verklaring zijn opgenomen voor de tabellen in bijlage I. Ten aanzien van de vereisten inzake de netto-omzet in de (al dan niet gecombineerde) meetperiode zijn in bijlage I, tabel A1 en A3 en B1 en B3 behorende bij dit accountantsprotocol mogelijke risico’s geïdentificeerd en daarop afgestemde uit te voeren accountantswerkzaamheden opgenomen. De verwachtingen van de gebruikers ten aanzien van deze accountantswerkzaamheden voor aan assurance verwante opdrachten respectievelijk assurance-opdrachten zijn opgenomen in de toelichtingen voorafgaand aan de tabellen A (assurance verwante opdrachten) en B (assurance-opdrachten). In deze tabellen wordt ingegaan op het risico dat er sprake is van een onvolledige omzetverantwoording, waarbij specifiek aandacht is voor een onjuiste afgrenzing (verschuivings-gevaar) van de omzet met betrekking tot de meetperiode. Bij de reguliere jaarrekeningcontrole is de afgrenzing tussen de maanden binnen het jaar niet (of veel minder) relevant. Nu dit voor de NOW-subsidie wezenlijk anders is, zijn ook voor het afgrenzings- en verschuivingsrisico meerdere werkzaamheden opgenomen. Bij een gecombineerde opdracht (van NOW 5 en NOW 6, zie paragraaf 1.3) zal het verschuiven van omzet tussen NOW-verantwoordingsperiodes die allebei onderdeel uitmaken van de gecombineerde opdracht pas als een risico op een materiële afwijking als gevolg van fraude gezien worden als die verschuiving een materiële impact heeft op de totaal toe te kennen NOW steun (indien bijvoorbeeld door een verschuiving van omzet de drempel voor de minimale omzetdaling behaald wordt). De hierbij te gebruiken materialiteit is de materialiteit berekend volgens het controle protocol voor een gecombineerde opdracht. Als het percentage van de loonsteun en de opslag gelijk zijn in twee verantwoordingsperiodes en in beide periodes is de omzetdaling hoger dan 20% dan is het risico van verschuiving niet relevant voor de controle omdat de impact van de verschuiving op de NOW-subsidie nihil is. Als de percentages wel verschillend (voor NOW 5 en 6 geldt dat sprake is van verschillende percentages voor forfaitaire opslag, 40% NOW 5 en 30% NOW 6) zijn dan zal de accountant na moeten gaan of er zoveel omzet verschoven kan zijn dat dit een materieel effect heeft op de toe te kennen NOW-subsidie. Samenvattend richten de werkzaamheden ten aanzien van de netto-omzet in de meetperiode zich op de volledigheid van de omzet met onder meer aandacht voor een juiste afgrenzing (verschuivingsgevaar) en classificatie. Op grond van zijn professioneel-kritische instelling en, in het geval van een assurance-opdracht ook zijn risicoanalyse, dient de accountant, gericht op het verkrijgen van een deugdelijke grondslag voor zijn verklaring, te overwegen of deze werkzaamheden moeten worden uitgebreid met andere (gegevensgerichte) werkzaamheden. 2.3 Werkzaamheden betreffende specifieke aspecten van de loonsom Het doel van de regeling is om werkgevers tegemoet te komen in de betaling van de loonkosten over de periode van de betreffende tranche. Daartoe heeft de werkgever een subsidieaanvraag ingediend op basis van een loonheffingennummer per tranche (per aanvraag kan er maximaal één loonheffingennummer opgegeven worden, werkgevers kunnen dus meerdere aanvragen doen). Het UWV bepaalt op basis van het loonheffingennummer vervolgens de daarbij behorende loonsom op basis waarvan de toekenningsbeschikking wordt opgesteld en de voorschotten worden betaald. De loonsom wordt voor een groot deel getoetst door het UWV. Van de accountant worden per tranche over de periode van de betreffende tranches werkzaamheden met betrekking tot drie aspecten van de loonsom verwacht. Deze zijn: – vaststellen dat de bewering van het management dat alle nettolonen uit de loonaangifte die meetellen in de berekening van de tegemoetkoming daadwerkelijk zijn uitbetaald aan de desbetreffende werknemers juist is; – vaststellen dat de bewering van het management dat er geen gefingeerde dienstverbanden zijn aangegaan (het opnemen van ‘personeel’ in de loonaangifte zonder dat sprake is van een dienstverband met feitelijke werkzaamheden8Bij een gefingeerd dienstverband wordt op papier een dienstverband aangegaan zonder dat daar een tegenprestatie in de vorm van arbeid tegenover staat of waarbij minder uur of voor een andere beloning wordt gewerkt dan in het contract staat vermeld. Het kan ook zijn dat de afgesproken arbeid door een andere persoon verricht wordt en dat er sprake is van illegale arbeid en/of onderbetaling. Een dergelijk dienstverband kan leiden tot het recht op een uitkering, maar kan ook dienen voor het verkrijgen van leningen of als garantstelling bij gezinshereniging. Bij het creëren van deze gefingeerde dienstverbanden spannen de werkgever, de werknemer en eventueel degene die op naam van de pseudowerknemer daadwerkelijk de arbeid verricht, samen. Zie https://www.inspectieszw.nl/publicaties/rapporten/2018/06/15/aanpak-schijnconstructies-en-cao-naleving-2014-2018) voorafgaande aan en/of in de periode van de tranche aannemelijk is; en – vaststellen dat, voor zover sprake is van bevindingen voortvloeiende uit vorenstaande twee aspecten, de bewering van het management dat deze bevindingen hebben geleid tot een neerwaartse wijziging van de loonaangifte over de periode van de betreffende tranche juist is.9Zie voetnoot 7. Ten aanzien van deze aspecten van de loonsom zijn in bijlage I, tabel A4 en B4 behorende bij dit accountantsprotocol mogelijke risico’s geïdentificeerd en daarop afgestemde uit te voeren accountantswerkzaamheden opgenomen. Hierin is ook aangegeven op basis waarvan de accountant kan beoordelen of de bewering van het management dat er geen gefingeerde dienstverbanden tussen 1 november 2021 en 31 december 2021 (NOW 5) en 1 januari 2022 tot en met 31 maart 2022 (NOW 6) zijn aangegaan wel of niet aannemelijk is. Vanwege de binaire conclusie op dit onderwerp wordt geadviseerd dat de accountant deze evaluatie en afwegingen hierbij goed documenteert en vastlegt in zijn dossier. De verwachtingen van de gebruikers ten aanzien van deze accountantswerkzaamheden voor aan assurance verwante opdrachten respectievelijk assurance-opdrachten zijn opgenomen in de toelichtingen voorafgaand aan de tabellen A (assurance verwante opdrachten) en B (assurance-opdrachten). Op grond van zijn professioneel kritische instelling en in het geval van een assurance-opdracht ook zijn risicoanalyse dient de accountant, gericht op het verkrijgen van een deugdelijke grondslag voor zijn verklaring, te overwegen of deze werkzaamheden moeten worden uitgebreid met andere (gegevensgerichte) werkzaamheden. 2.4 Werkzaamheden betreffende verbod op uitkeren van bonussen, dividenden en inkoop eigen aandelen De accountant dient vast te stellen dat de werkgever of rechtspersoon in overeenstemming heeft gehandeld met artikel 16 NOW 5 en artikel 13 NOW 6 (verbod op uitkeren van dividenden, bonussen en de inkoop van eigen aandelen). De accountant stelt daarbij vast dat de werkgever of rechtspersoon voor de NOW 5 over 2021 en voor NOW 6 over 2022 geen dividenden heeft uitgekeerd aan aandeelhouders of bonussen aan de Raad van Bestuur, bestuur en directie van het concern en de rechtspersoon of vennootschap, waaronder mede begrepen winstuitdelingen, en er ook geen eigen aandelen ingekocht zijn10Indien gebruik wordt gemaakt van gegevens van een andere accountant dient te worden voldaan aan de vereisten hiervoor in de Standaard en de vereisten in dit accountantsprotocol.. Bij het onderzoek hiernaar dient rekening gehouden te worden met de aard van de aanvraag; dit kan op grond van artikel 6 of artikel 7 van de NOW 5 of artikel 5 of artikel 6 van de NOW 6 zijn. Voor beide artikelen ziet het verbod op dividend, bonus en de inkoop van eigen aandelen toe op een verschillende groep aan werkgevers of rechtspersonen die deel uit maken van een groep (zie artikel 16 NOW 5 en artikel 13 NOW 6). Daarnaast is de hoogte van het voorschot en de hoogte van het bedrag conform de aanvraag tot vaststelling van belang (zie artikel 16 lid 3 NOW 5 en artikel 13 lid 3 NOW 6). De accountant stelt daarnaast vast dat er tijdig (voor het indienen van de aanvraag tot vaststelling) een schriftelijke overeenkomst over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het bonus- en dividendbeleid is gesloten met tenminste één belanghebbende vereniging van werknemers. Hij neemt kennis van de overeenkomst met de belanghebbende vereniging van werknemers en treedt, indien nodig, in contact met de belanghebbende vereniging van werknemers (artikel 16 lid 2 NOW 5, artikel 13 lid 2 NOW 6). Indien de accountant op een moment na afgifte van het assurance-rapport informatie ontvangt op basis waarvan hij vaststelt dat de aanvrager ná afgifte van zijn assurance-rapport niet heeft voldaan aan deze voorwaarden, zoals hiervoor genoemd, dan dient hij de werkgever te verzoeken dit kenbaar te maken aan UWV en erop toe te zien dat dit daadwerkelijk plaats vindt. In deze situatie hoeft de accountant zijn assurance-rapport niet in te trekken, maar wordt wel verwacht dat hij actief erop toeziet dat de werkgever het niet voldoen aan de additionele voorwaarden aan UWV me