Gewijzigde Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Dinkelland 2024Het college van burgemeester en wethouders gelet op: titel 4:3 van de Algemene wet bestuursrecht; de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Dinkelland 2024; de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning gemeente Dinkelland 2024; overwegende dat het college het voor de beoordelingsvrijheid bij de uitvoering van de wet noodzakelijk vindt om aan te geven op welke wijze daar mee wordt omgegaan en daartoe beleidsregels wenst vast te stellen; besluit vast te stellende navolgende: Gewijzigde Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Dinkelland 2024 1Algemene bepalingen 1.1Inleiding Beleidsregels ontlenen hun status aan art. 4:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb): "Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid." Bij beleidsregels gaat het om een bij besluit vastgestelde algemene regel niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift zoals de Verordening maatschappelijke ondersteuning. Beleidsregels gaan over de vaststelling van feiten, wetsinterpreterend beleid of over hoe bepalingen in de verordening door het college worden toegepast. Concreet betekent dit voor de uitvoeringspraktijk dat alle (min of meer) gelijke gevallen op een gelijke manier worden afgehandeld volgens het door het college vastgestelde beleid dat als zodanig ook is bekendgemaakt middels publicatie. 1.2Begripsbepalingen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: Financieel besluit: Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Dinkelland 2024; Nadere regels: Nadere regels maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Dinkelland 2024; Verordening: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Dinkelland 2024; Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Verder geldt dat alle begrippen die in deze Beleidsregels worden gebruikt, dezelfde betekenis hebben als in de wet en de daarop gebaseerde lagere regelgeving, de Verordening, de daarop gebaseerde lagere regelgeving en de Awb. 2De procedure Artikel 2.3.2 Wmo 2015 Artikel 2.3.3 Wmo 2015 Hoofdstuk 2 van de verordening 2.1Inleiding De wet schrijft voor dat de burger met een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning zijn hulpvraag eerst moet melden bij het college. Dan bestaat er recht op een onderzoek. Het college kan op deze manier in samenspraak met de cliënt en zijn eventuele mantelzorger eerst zorgvuldig de ondersteuningsbehoefte en de mogelijke oplossingen in kaart brengen. De wet voorziet in voorwaarden waaraan een goed onderzoek ten minste moet voldoen en bepaalt welke onderwerpen in ieder geval in het onderzoek (na de melding van de hulpvraag) moeten worden meegenomen. Pas na het verstrekken van het verslag met de onderzoeksresultaten kan een aanvraag worden gedaan. De regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn niet van toepassing op de procedure van de melding en het onderzoek. Het onderzoek behoort wel tot de voorbereiding van het besluit als de aanvraag wordt ingediend (art. 3:2 Awb). Verordening De verordening is voor wat betreft de toegang tot maatschappelijke ondersteuning procedureel ingericht zodat het voor de inwoners van de gemeente Dinkelland duidelijk is hoe het college te werk gaat nadat zij zich hebben gemeld. Daarbij kan de cliënt gebruik maken van cliëntondersteuning. De Wmo 2015 schrijft voor dat het college een verslag aan de cliënt verstrekt met daarin de resultaten van het onderzoek. Daaruit kan de cliënt tevens afleiden of hij in aanmerking komt voor ondersteuning. De verordening maakt één uitzondering op het voeren van een gesprek en het verstrekken van een verslag. Namelijk als de ondersteuningsbehoefte genoegzaam bekend is bij het college én de cliënt daarvoor toestemming geeft. Na de melding wordt de cliënt in de gelegenheid gesteld zijn eigen persoonlijk plan in te dienen. Daaruit kan het college afleiden waarom de cliënt van mening is dat hij ondersteuning van de gemeente nodig heeft. Verder heeft het college een voorlichtingsplicht. Die bestaat uit het informeren van de cliënt onder welke voorwaarden hij in aanmerking kan komen voor een persoonsgebonden budget (pgb) en wat de eventuele hoogte is van de bijdrage in de kosten voor voorzieningen, al dan niet in de vorm van een pgb. Nadat het onderzoek is afgerond kan de cliënt een aanvraag indienen. Daarvoor kan het verslag op voorgeschreven wijze worden gebruikt. Bij de beslissing op de aanvraag vormt het verslag en het eventueel ingediende persoonlijk plan van de cliënt het uitgangspunt. Criteria verordening In de verordening zijn diverse criteria vastgesteld. Die criteria verschillen naar gelang de aard van de ondersteuning waarop de cliënt is aangewezen. Het college baseert de beslissing op de aanvraag mede op basis van de verordening. 2.2Spoedeisende situatie Voor spoedeisende gevallen is in de Wmo 2015 een procedure opgenomen die los staat van het onderzoek ná de melding van de ondersteuningsvraag en de beslissing op de aanvraag. Het gaat om situaties waarin de cliënt het onderzoek niet kan afwachten. Daar mag het college immers zes weken over doen. Er kan één dag na de melding van de ondersteuningsvraag sprake zijn van “spoed” maar dat zou ook één week kunnen zijn. Eenvoudig gezegd: “zo spoedig als nodig en mogelijk”. Daarover moet een (tijdelijk) besluit worden genomen. Onverwijld inzetten Het college moet in spoedeisende situaties onverwijld een geschikte tijdelijke maatregel nemen in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek en de aanvraag van betrokkene (art. 2.3.3 Wmo 2015). De noodzaak om een tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken, zal slechts in bijzondere gevallen aanwezig zijn. Onder een spoedeisende situatie kan ook een tijdelijke indicatie vallen gedurende de periode van de beslissing op de aanvraag om een indicatie voor de Wet langdurige zorg (EK 2013/14, 33 841, G, p. 24). Het Centrum Indicatiestelling zorg (CIZ) kent ook een spoedprocedure: beslissen binnen twee weken. In geval van bijzondere omstandigheden bestaat de mogelijkheid om snel over een Wlz-indicatiebesluit te moeten beschikken. Dit ter beoordeling aan het CIZ. Denk ook aan plotselinge wijzigingen in de situatie van een cliënt zoals aangewezen op zorg aansluitend aan geriatrische revalidatie (Zvw) en eerstelijns verblijf (Zvw). Het ligt bij een tijdelijke Wmo-indicatie voor de hand dat ook een tijdelijke indicatie wordt afgegeven voor persoonlijke verzorging en/of verpleging op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Die indicatie wordt door de wijkverpleegkundige gesteld. Geen maatwerkoplossing Bij zo’n tijdelijke inzet van een maatwerkvoorziening met een spoedeisend karakter geldt niet het criterium van wat de (goedkoopst) passende bijdrage is. Art. 2.3.3 Wmo 2015 kent een dergelijke voorwaarde niet. Bij het toekennen van een maatwerkvoorziening via de reguliere procedure geldt een oordeel over de (goedkoopst) passende bijdrage wel (art. 2.3.5 lid 3 en 4 Wmo 2015). Daarom kan bij de tijdelijke inzet in een spoedprocedure ook nog niet gesproken worden van een te behalen resultaat want het onderzoek heeft nog niet plaatsgevonden. Afronden onderzoek Het college zal het onderzoek (naar aanleiding van de melding) afronden volgens de reguliere procedure. De cliënt ontvangt daarvan een onderzoeksverslag. Dat wil zeggen: pas dan is het resultaat vastgesteld. 2.3Onderzoeksverplichting De wet schrijft voor dat het college een onderzoek doet naar de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als de cliënt dat bij het college heeft gemeld. De onderwerpen die tijdens het onderzoek aan bod moeten komen zijn neergelegd in art. 2.3.2 lid 4 Wmo 2015. Stappenplan In CRVB:2018:819 heeft de Centrale Raad van Beroep zich voor het eerst uitgesproken over (onder meer) de vraag waar een onderzoek van het college aan moet voldoen wanneer een burger zich meldt met een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Wanneer een melding wordt gedaan voor maatschappelijke ondersteuning moet het college: Allereerst vaststellen wat de hulpvraag is; en Welke problemen worden ondervonden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving, in geval van beschermd wonen en opvang. Wanneer die problemen voldoende concreet in kaart zijn gebracht, kan worden bepaald welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is. Het onderzoek moet er vervolgens op gericht zijn of en in hoeverre: de eigen mogelijkheden, een algemeen gebruikelijke voorziening gebruikelijke hulp, mantelzorg of ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk, en (voorliggende) algemene voorzieningen, de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Wanneer het onderzoek naar de nodige ondersteuning specifieke deskundigheid vereist, mag een specifiek deskundig oordeel en advies niet ontbreken. Zijn de mogelijkheden onder stap 4 ontoereikend, dan zal het college een maatwerkvoorziening moeten verstrekken. Het college legt de uitkomsten van het onderzoek vast in een verslag en verstrekt dit aan de cliënt. Overzicht Het college kan bij het onderzoek gebruik maken van een opgesteld overzicht van bijvoorbeeld de vervoersbehoefte van een kind (jeugdige). 2.4Inlichtingen- en medewerkingsplicht Om een onderzoek volledig uit te kunnen voeren, is het van belang dat de cliënt gegevens verstrekt en medewerking verleent. In art. 2.3.2 lid 7 Wmo 2015 is bepaald dat de cliënt dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger het college de gegevens en bescheiden verschaft die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Deze verplichting geldt naar analogie van art. 4:2 Awb. 2.4.1Inlichtingenplicht Artikel 2.3.8 lid 1 Wmo 2015 bepaalt de inlichtingenplicht voor cliënten aan wie een maatwerkvoorziening is verstrekt, al dan niet in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Dat wil zeggen dat inlichtingen die relevant zijn voor een verstrekte maatwerkvoorziening spontaan bij het college gemeld moeten worden. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat de cliënt een huisgenoot heeft gekregen die mogelijk de gebruikelijke hulp op zich kan nemen. Gevolgen De gevolgen van het niet verstrekken van relevante inlichtingen kan leiden tot een herziening of intrekking van het toekenningsbesluit onder toepassing van art. 2.3.10 lid 1 onder a Wmo 2015. En mogelijk ook tot een terugvordering (zie 14.5 van deze beleidsregels). 2.4.2Medewerkingsplicht Artikel 2.3.8 lid 3 Wmo 2015 regelt de algemene medewerkingsplicht die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. Onder het niet verlenen van medewerking wordt in ieder geval verstaan: Het niet meewerken aan een onderzoek, al dan niet door een deskundige, door niet te verschijnen of relevante vragen niet te beantwoorden. De medewerkingsverplichting geldt ook voor de huisgenoot ingeval van een onderzoek over het kunnen bieden van gebruikelijke hulp. Als de vertegenwoordiger stelt dat het college de cliënt niet hoeft te zien en/of te spreken voor het onderzoek. Gebruikmaking van het blokkeringsrecht als bedoeld in artikel 7:464 lid 2 onder b Burgerlijk Wetboek (Zie uitleg hierna). Het niet overleggen van het indicatiebesluit op grond van de Wlz als dat noodzakelijk is voor de beoordeling van de ondersteuningsbehoefte (RBLIM:2021:1423). Blokkeringsrecht Het blokkeringsrecht als bedoeld in art. 7:464 lid 2 onder b BW houdt in dat de uitslag van een medisch onderzoek niet door anderen mag worden gelezen. Dat wil zeggen dat de (medisch) adviseur geen toestemming heeft om het door het college gevraagde advies ook daadwerkelijk aan het college te verstrekken. Gebruikmaken van het blokkeringsrecht wordt aangemerkt als het niet verlenen van de medewerking die nodig is voor de uitvoering van de wet. De gevolgen van het gebruikmaken van het blokkeringsrecht komen voor rekening en risico van de cliënt (bijv. CRVB:2023:2020). In de praktijk zal dit inhouden dat het college de noodzaak tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening niet kan vaststellen. Gevolgen Niet of onvoldoende medewerking verlenen kan leiden tot weigering aanvraag als daardoor de noodzaak tot ondersteuning niet kan worden vastgesteld (CRVB:2019:224, CRVB:2020:567, CRVB:2021:1739). Zelfredzaamheidsmatrix De wet schrijft niet voor op welke manier het college het onderzoek moet doen. De Zelfredzaamheidsmatrix (ZRM) kan daarbij een hulpmiddel zijn, dit met in achtneming van de privacyregels en de uitvraag van gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van de wet. De ZRM is een instrument om de mate van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt overzichtelijk in kaart brengen. De ZRM heeft dertien domeinen waarop dat kan worden beoordeeld. De domeinen van de ZRM zijn: Financiën Werk & Opleiding Tijdsbesteding Huisvesting Huiselijke relaties Geestelijke gezondheid Lichamelijke gezondheid Middelengebruik Basale-ADL Instrumentele-ADL Sociaal netwerk Maatschappelijke participatie Justitie Het ligt mogelijk niet voor de hand dat het college voor alle maatwerkvoorzieningen gebruik maakt van de ZRM. Maar de ZRM kan zeker meerwaarde hebben om de mate van zelfredzaamheid van de cliënt zo goed en volledig mogelijk in kaart te kunnen brengen. 2.5Maatwerk Een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Dinkelland komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in verband met de door hem ondervonden beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet: op eigen kracht; met gebruikmaking van een algemeen gebruikelijke voorziening; met gebruikelijke hulp; met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, dan wel met gebruikmaking van (voorliggende) algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. Passende bijdrage Bij de beslissing op de aanvraag gaat het om maatwerk. Uit de wet volgt dat de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Dat wil zeggen dat het bij het bieden van maatwerk om een resultaatverplichting gaat. Het resultaat kan op verschillende manieren worden bereikt. Daarom is het bij het onderzoek na de melding van de hulpvraag van groot belang dat het onderzoek zich richt op het bereiken van een resultaat. Dit in samenspraak met de cliënt, zijn eventuele mantelzorger of andere personen uit het sociaal netwerk. Het resultaat van de ondersteuning zal waar mogelijk én nodig zo veel mogelijk moeten aansluiten bij de wensen en mogelijkheden van de cliënt zelf en zijn sociale omgeving. Niveau van maatschappelijke ondersteuning De verplichting van het college om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat niet zo ver dat de cliënt in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149). Het behoeft geen toelichting dat dit in bepaalde gevallen ook helemaal niet mogelijk is. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de cliënt was voor hij ondersteuning nodig had. Wat redelijk is laat zich niet vertalen in beleidsregels; het gaat immers om maatwerk. Het gaat er om dat de cliënt in redelijke mate in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving (CRVB:2022:224). 2.6Twents model Het Twents model voor de inkoop van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp sluit aan op het uitgangspunt van maatwerk. Voor zover van toepassing (aard van de ondersteuningsbehoefte) is daar ook de procedure (melding hulpvraag) op ingericht. De gecontracteerde aanbieders kunnen ook bijdragen aan maatwerk. Het college kan gebruik maken van de deskundigheid van de aanbieder om meer duidelijk te krijgen over de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. Het college zal periodiek beoordelen of het resultaat door de ondersteuning van de aanbieder ook daadwerkelijk wordt bereikt. Deze Beleidsregels strekken ertoe tot een goed samenhangend stelsel over de beoordeling van ondersteuning te komen voor inwoners van de gemeente Dinkelland die niet of nog niet zelf dan wel met hulp van anderen in staat zijn tot zelfredzaamheid of participatie. Kernbegrippen zijn: eigen verantwoordelijkheid; uitgaan van te bereiken resultaten; en het leveren van maatwerk. 2.7Weigeren aanvraag maatwerkvoorziening (Wet langdurige zorg) De Wmo 2015 kent slechts één weigeringsgrond (art. 2.3.5 lid 6 Wmo 2015). Het college is bevoegd om een aanvraag om een maatwerkvoorziening te weigeren als: de cliënt een indicatie heeft op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), of een Wlz-indicatie kan krijgen maar daar geen aanvraag voor wil indienen. Kansrijke aanvraag Het college zal zich bij de weigering van de aanvraag, omdat de cliënt in aanmerking kan komen voor een Wlz-indicatie, wel op het standpunt moeten kunnen stellen dat zo’n aanvraag kansrijk is. Dat kan blijken uit het onderzoek en de informatie die beschikbaar is gekomen. Informatie van deskundigen kan nodig zijn. Bijvoorbeeld de huisarts, de wijkverpleegkundige die betrokken is bij de cliënt of op basis van een onafhankelijk medisch advies. Geen Wlz-aanvraag willen indienen Een hogere bijdrage op grond van de Wlz, in vergelijking met de Wmo 2015, is geen reden om geen aanvraag op grond van de Wlz te doen. Het niet willen indienen van een aanvraag op grond van de Wlz, als er aanleiding is om aan te nemen dat zo’n aanvraag door het CIZ zal worden toegekend, leidt tot een afwijzing van de aanvraag om een maatwerkvoorziening. Het college kan zonder Wlz-indicatie de noodzaak tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening niet vaststellen. Wet langdurige zorg en mantelzorg (kortdurend verblijf) Ook kan mantelzorg worden verleend aan een cliënt die thuis woont. Heeft de cliënt een Wlz-indicatie of kan hij deze krijgen, dan wordt een aanvraag om kortdurend verblijf geweigerd. Op grond van de Wlz bestaat namelijk aanspraak op logeeropvang in een instelling (art. 3.1.1 lid 1 onder g Wlz). 2.7.1Toegang Wlz verruimd Sinds 1 januari 2021 hebben verzekerden die vanwege een psychische stoornis blijvend behoefte hebben aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg toegang tot de Wlz. Zij worden dan niet anders behandeld dan verzekerden met een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap, of verzekerden met een somatische of psychogeriatrische beperking of aandoening. 2.7.2Verblijf in een Wlz-instelling In dit onderdeel staan een aantal aandachtspunten die van belang zijn bij de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening van een cliënt die in een Wlz-instelling woont (al dan niet in deeltijd). Outillagemiddelen Wlz -instelling Er worden op grond van de Wmo geen outillagemiddelen verstrekt aan een client die in een Wlz-instelling verblijft. Voor de uitleg van het begrip outillage kan worden aangesloten bij het algemene spraakgebruik. Het gaat om datgene waarmee een Wlz-instelling is uitgerust ter operationalisatie van zijn doelstelling. De inrichting van een instelling moet zijn uitgerust met die standaardvoorzieningen die nodig zijn om de doelgroep waarop de instelling zich richt adequaat te kunnen verzorgen. Daarbij is van belang of de gevraagde voorziening door meerdere mensen, eventueel na elkaar en met een geringe individuele aanpassing, te gebruiken is of dat sprake is van een op het individu toegesneden voorziening, die alleen na een kostbare aanpassing door verschillende personen na elkaar te gebruiken is (CRVB:2013:CA0312 Wmo). Mobiliteitshulpmiddelen Sinds 1 januari 2020 is het Zorgkantoor verantwoordelijk voor mobiliteitshulpmiddelen (zoals een rolstoel en een scootmobiel) voor individueel gebruik voor verzekerden met een Wlz-indicatie die in een Wlz-instelling verblijven. Voor hen worden deze voorzieningen verstrekt vanuit de Wlz en niet meer vanuit de Wmo. Per die datum is ook art. 2.3 Regeling langdurige zorg gewijzigd waarmee het recht van verzekerden op het individueel gebruik van een mobiliteitshulpmiddel is verruimd. In dat artikel is een limitatieve opsomming van mobiliteitshulpmiddelen opgenomen. De Minister van VWS heeft wel afspraken gemaakt met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en Zorgverzekeraars Nederland dat gemeenten verantwoordelijk blijven voor onderhoud, aanpassing en reparatie van het vóór 1 januari 2020 verstrekte mobiliteitshulpmiddel tot aan het moment dat het hulpmiddel vervangen moet worden. Sociaal Vervoer Cliënten die in een Wlz-instelling wonen kunnen een maatwerkvoorziening sociaal vervoer aanvragen, zoals de maatwerkvoorziening collectief vervoer. Bedenk dat deze bewoners mogelijk aanspraak kunnen maken op een mobiliteitshulpmiddel voor individueel gebruik op grond van de Wlz (zie hiervoor). Deeltijdverblijf Wlz Deeltijdverblijf is een combinatie van thuis wonen en in een Wlz-instelling wonen. Met ingang van 1 januari 2020 is het eenvoudiger om deels thuis te wonen en daar Wlz-zorg te ontvangen en deels in een Wlz-instelling te wonen. Deeltijdverblijf maakt het mogelijk om langer thuis te blijven wonen en/of te wennen aan verblijf in een instelling. In wet- en regelgeving is er niets geregeld bij deeltijdverblijf voor wat betreft hulpmiddelen. Het is de bedoeling om per categorie hulpmiddelen afspraken te maken over een verdeling van verantwoordelijkheden (www.regelhulp.nl). Bezoekbaar maken woning Onder het bezoekbaar maken van een woning wordt verstaan: het bereikbaar maken van de woning, de woonkamer en het toilet. Cliënten met een Wlz-indicatie die in een Wlz-instelling wonen kunnen een maatwerkvoorziening aanvragen voor het bezoekbaar maken van de woning zodat de cliënt op bezoek kan komen bij partner of kinderen maar ook kinderen die op bezoek willen komen bij de ouders. Bedenk ook dat de partner, kinderen of ouders ook bij de cliënt op bezoek kunnen gaan. Als uitgangspunt geldt dat de woning niet logeerbaar gemaakt hoeft te worden. Logeerbaar houden woning (bestuursafspraken) Het gaat hier om de vraag of het college een toekenningsbesluit voor bijvoorbeeld een tillift, toiletstoel of traplift, kan intrekken omdat de cliënt verhuist naar een Wlz-instelling (art. 2.3.10 lid 1 onder b Wmo 2015). Er gelden landelijke bestuursafspraken voor cliënten die in een Wlz-instelling gaan wonen en die minimaal 18 dagen per jaar thuis logeren. De eerder verstrekte hulpmiddelen kunnen thuis achterblijven. Het gaat hierbij om hulpmiddelen die redelijkerwijs niet vanuit de Wlz-instelling zijn mee te nemen. Het gaat om hulpmiddelen uit de Wmo 2015 en de Zvw. De hulpmiddelen uit de Wmo 2015 die mogelijk in aanmerking komen om thuis te blijven staan zijn vooral tilliften en douchezitjes/stoelen. De afspraken zijn: De uitvoering van deze afspraken zal plaatsvinden met zo weinig mogelijk administratieve lasten voor betrokkenen, in het bijzonder de hulpmiddelengebruiker en hun naasten. De hulpmiddelen blijven thuis staan als de cliënt de intentie heeft minimaal 18 dagen per jaar thuis te logeren. Voor de hulpmiddelen geldt het volgende: Het gaat uitsluitend om hulpmiddelen die op basis van de Wmo 2015 thuis al eerder zijn verstrekt (natura of pgb) op het moment van de verhuizing en niet redelijkerwijs vanuit de Wlz-instelling zijn mee te nemen in geval van thuis logeren. Het al dan niet kunnen meenemen van een hulpmiddel beoordeelt de Wlz-instelling in overleg met de cliënt (vertegenwoordiger), waarbij de woonsituatie thuis wordt meegewogen. Een traplift valt ook onder de afspraken, als dit hulpmiddel nodig is om thuis te logeren. Mobiliteitshulpmiddelen (zoals rolstoelen en aangepaste fietsen) worden niet op twee plekken verstrekt en vallen daarmee niet onder deze landelijke afspraken. Mogelijk vallen deze hulpmiddelen onder het verhuisconvenant dat is gesloten. Onderhoud, reparatie en het vervangen van de verstrekte hulpmiddelen thuis op een later moment door hulpmiddelen met dezelfde functionaliteiten vallen onder deze afspraken. Zolang de Wmo 2015 of de Wlz niet wijzigt, houdt het college zich aan deze landelijke afspraken. 2.7.3Samenloop Wlz en Wmo Volgens de CRvB kunnen de Wmo en de Wlz naast elkaar bestaan (CRVB:2018:3933). Dat wil zeggen dat het college verantwoordelijk kan zijn voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening als de beperkingen van de verzekerde betrekking heeft op maatschappelijke participatie. Dat valt namelijk niet binnen de reikwijdte van de Wlz. Denk bijvoorbeeld aan sociaal vervoer. 2.7.4Uitzondering weigeringsgrond bij thuis wonen Er geldt één uitzondering op het kunnen weigeren van een aanvraag om een maatwerkvoorziening: voor de cliënt die thuis woont mag een aanvraag om een hulpmiddel of woningaanpassing (nog) niet worden geweigerd (art. 8.6a Wmo 2015). Voor huishoudelijke ondersteuning, begeleiding, dagactiviteiten of kortdurend verblijf geldt de uitzondering niet. Het is van belang dat het college bij de melding van de ondersteuningsvraag onderzoekt of de cliënt in aanmerking kan komen voor een Wlz-indicatie of zo’n indicatie heeft, tenzij er geen aanleiding is om dat aan te nemen. 2.7.5Thuis wonen Een cliënt met een Wlz-indicatie kan op een locatie (woning) wonen waar wonen en zorg gescheiden is. Dat wil zeggen dat een afzonderlijke huurovereenkomst is gesloten voor het wonen; de cliënt betaalt zelf huur en geniet huurbescherming. De Wlz-zorg wordt ambulant geboden. De cliënt kan in de woning blijven wonen ongeacht de aard en (toename van
- de)omvang van de benodigde Wlz-zorg of bij welke organisatie de cliënt de Wlz-zorg inkoopt. Voor cliënten die thuis wonen mag het college een maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing niet weigeren (art. 8.6a Wmo 2015). 2.7.6Niet thuis wonen Is de zorg en het wonen onlosmakelijk met elkaar verbonden, dan is geen sprake van thuis wonen. Dat wil zeggen: de cliënt verliest zijn woonruimte als bijvoorbeeld de zorgvraag te groot is (RBOBR:2022:448, RBGEL:2023:4967). Het college is bevoegd de aanvraag voor een hulpmiddel of woningaanpassing af te wijzen onder toepassing van art. 2.3.5 lid 6 Wmo 2015 (zie verder hierna). Bij twijfel vraagt het college de huurovereenkomst op bij de cliënt. Voorbeelden niet thuis wonen Uit het onderzoek blijken dat de cliënt een ondersteuningsbehoefte heeft die niet door de Wlz wordt gedekt. Cliënten met een Wlz-indicatie die niet thuis wonen (maar niet in een Wlz-instelling) kunnen een maatwerkvoorziening aanvragen: Voor het sociaal vervoer, zoals de maatwerkvoorziening collectief vervoer, of hulpmiddel of woningaanpassing). Het college onderzoekt of: in redelijkheid verwacht mag worden dat de ‘exploitant’ van het wonen zorgt voor de aanwezigheid van de noodzakelijke hulmiddelen en geschikte woonruimte. Mogelijk kan de cliënt de ‘exploitant’ daarop aanspreken, de exploitant van het wonen meerdere cliënten heeft die eenzelfde hulpmiddel nodig hebben. Mogelijk kan worden volstaan met het verstrekken van één hulpmiddel (zie 2.7.9 van deze beleidsregels). 2.7.7Toepassingsvoorwaarden Eerst beoordeelt het college of aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015 is voldaan. Dat wil zeggen: heeft de cliënt een Wlz-indicatie of kan hij daarvoor in aanmerking komen. en zo ja, is er sprake is van een uitzondering als bedoeld in art. 8.6a Wmo 2015 (zie 2.7.5 van deze beleidsregels). Onderzoek De procedure van art. 2.3.2 Wmo 2015 moet volledig worden doorlopen; onderzoek volgens het stappenplan. Daaruit zal moeten blijken wat het doel, inhoud en omvang van de ondersteuningsvraag is en of er een noodzaak van ondersteuning op grond van de Wmo 2015 bestaat. Daar kan sprake van zijn als de cliënt een ondersteuningsbehoefte heeft die niet door de Wlz wordt gedekt. Toepassing kan-bepaling Het college kan de maatwerkvoorziening weigeren: De cliënt heeft een tekort in zijn zelfredzaamheid of participatie die niet wordt gedekt door de Wlz. Weigeren maatwerkvoorziening is een bevoegdheid (geen verplichting om te verstrekken). Wordt gebruik gemaakt van de bevoegdheid om de maatwerkvoorziening te weigeren. 2.7.8Motivatie weigeren maatwerkvoorziening De beslissing op de aanvraag is gebaseerd op art. 2.3.5 lid 6 Wmo 2015. Daarbij heeft het college een zeer ruime beslisruimte (CRVB:2018:3933 en CRVB:2019:3171). Het gaat om de vraag of het college in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om de aanvraag om een maatwerkvoorziening, bij een behoefte die niet door de Wlz wordt gedekt, af te wijzen of toe te kennen. De belangen van de cliënt spelen een rol bij de motivatie (RBGEL:2023:4967). Passende bijdrage geldt niet Het gaat om een redelijkheidstoets. Er hoeft bij een toekenning in ieder geval niet te worden vastgesteld of de maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie. 2.7.9Subsidie of natura-verstrekking woonvorm Het college kan er ook voor kiezen om een hulpmiddel te verstrekken aan de exploitant van de woonvorm, al dan niet in de vorm van een subsidie. Dit is te vergelijken met outillagemiddelen waarover een Wlz-instelling beschikt voor de bewoners. De exploitant kan het betreffende hulpmiddel voor meerdere cliënten gebruiken. 3Beoordeling van de aanspraak Artikel 2.3.5 Wmo 2015 Hoofdstuk 3 van de verordening 3.1Inleiding De cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Dinkelland kan aanspraak maken op ondersteuning van de gemeente Dinkelland. Door de toevoeging ‘zal hebben’ wordt cliënten niet de mogelijkheid ontnomen naar de gemeente Dinkelland te verhuizen. Wel zal de cliënt bij de keuze van een woning nadrukkelijk rekening moeten houden met de aanwezige of redelijkerwijs te verwachten beperkingen. 3.2Algemene criteria In deze paragraaf komen de belangrijkste algemene criteria aan bod die van belang zijn bij de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening. 3.2.1Bevorderen gezondheid Dat een maatwerkvoorziening een positief effect heeft op de gezondheid is voor de Wmo 2015 niet relevant (CRVB:2020:2644, CRVB:2023:1446). Tijdens het onderzoek wordt gekeken of de cliënt, gelet op de vastgestelde problematiek, gebruik kan maken van een andere wet (zie 2.3.5 van deze beleidsregels). Therapeutisch of medisch doel Als een maatwerkvoorziening (ook) een therapeutisch of medisch doel dient, dan onderzoekt het college of er daarnaast ook beperkingen zijn in de zelfredzaamheid of participatie en gelet daarop een maatwerkvoorziening voor de cliënt is aangewezen (CRVB:2023:1508, CRVB:2023:349, CRVB:2021:1595). 3.2.2Geen tekort in de zelfredzaamheid of participatie Uit het onderzoek kan blijken dat er geen tekort is in de zelfredzaamheid of participatie omdat de cliënt: al dan niet met behandeling door een ergotherapeut gebruik kan (leren) maken van ergonomische hulpmiddelen, een juiste werkhouding aan te nemen en/of de huishoudelijke werkzaamheden in een rustig tempo verdeelt over de week uit te voeren (CRVB:2022:308, CRVB:2018:2272), met het gebruik van het OV in redelijke mate kan participeren (CRVB:2022:224), met de beschikbare voorzieningen (bijv. scootmobiel en/of gebruikerspas maatwerkvoorziening collectief vervoer) kan voorzien in de vervoersbehoefte (CRVB:2020:2644, CRVB:2021:511, CRVB:2021:3222). 3.2.3Eigen kracht Eigen kracht vormt een belangrijk onderdeel van de beoordeling of iemand is aangewezen op een maatwerkvoorziening. Daaronder wordt dat verstaan wat naar oordeel van het college binnen het vermogen van de cliënt ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie te komen. De cliënt zal zich -in een door het college te beoordelen mate- moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Zo zou iemand bijvoorbeeld maatschappelijk nuttige activiteiten kunnen verrichten om zijn participatieprobleem aan te pakken. Het verrichten van dergelijke activiteiten is echter niet verplicht. Onder eigen kracht kan ook letterlijk de eigen kracht worden verstaan. Denk bijvoorbeeld aan het in staat zijn om bepaalde huishoudelijke taken (deels) zelf uit te voeren. In zo’n situatie is geen sprake van een tekort in de zelfredzaamheid of participatie (zie 3.2.2 van deze beleidsregels). 3.2.4Eigen verantwoordelijkheid valt ook onder eigen kracht Art. 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 Art. 3.3 lid 2 onder b Verordening In de Wmo 2015 is de eigen verantwoordelijkheid van burgers nog meer verankerd en wordt daarom betrokken bij het onderzoek en de beslissing op aanvraag. Zelf of met anderen Als het college van oordeel is dat de cliënt zijn eigen verantwoordelijkheid kan nemen (lees: de beperkingen zelf kan oplossen), dan wordt de aanvraag om ondersteuning afgewezen. Het spreekt voor zich dat het college dat telkens in het individuele geval moet beoordelen. In hoeverre medewerking kan worden gevergd van de cliënt, diens huisgenoten, zijn mantelzorger of hulpverlener of van anderen in diens omgeving, zoals familieleden, is dan ook afhankelijk van de individuele situatie. In de onderstaande tekst staan voorbeelden genoemd die ook zijn gebaseerd op de jurisprudentie die onder de Wmo (oud) tot stand is gekomen. Aangenomen wordt dat deze van overeenkomstige toepassing is. Herinrichting woning Van de cliënt kan worden gevergd dat de woning zodanig wordt ingericht of heringericht dat bijvoorbeeld wordt voorkomen dat een woningaanpassing moet worden verstrekt (vergelijk CRVB:2011:BQ8290 en CRVB:2016:429). Aanspreken woningeigenaar Van de cliënt mag worden gevergd dat hij de woningeigenaar regelmatig met goede pogingen aanspreekt om gebreken in de woning te doen wegnemen. Is er mede gelet op de gezondheidstoestand van de cliënt binnen een redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek geen uitzicht op opheffing van die gebreken, dan zal het college een maatwerkvoorziening al dan niet in de vorm van een financiële tegemoetkoming (verhuiskostenvergoeding) moeten verstrekken (CRVB:2013:2509). Privaatrechtelijke verbintenis Het college mag verwachte dat de cliënt de woningeigenaar aanspreekt op contractuele afspraken (CRVB:2011:BQ4115). Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarin de cliënt mag verwachten dat de woning in overeenstemming is of wordt gebracht met de contractuele bepalingen. Is de aanvrager de eigenaar van de woning zal hij dat zelf moeten realiseren. 3.2.5Gebruikmaken van een andere wet Artikel 3.3 lid 2 onder c en 1.1 lid 1 onder w Verordening (begripsbepaling) Onder de 'eigen kracht' valt ook aanspraak maken op voorzieningen die op grond van een andere wettelijke regeling bestaan (CRVB:2023:1046). Volgens de CRvB heeft de wetgever op dit punt geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van de Wmo (oud) en is de rechtspraak die eerder is gedaan ook van toepassing voor de Wmo 2015. Dat betekent ook dat evenmin recht op maatschappelijke ondersteuning bestaat als de specifieke regeling, zoals de Zvw, slechts in een gedeeltelijke vergoeding van de kosten voorziet door de eigen bijdrage die iemand moet betalen (CRVB:2013:CA1427). Verplicht eigen risico De kosten van bijvoorbeeld ergotherapie vallen binnen het verplicht eigen risico. Dat is te vergelijken met de kosten van de eigen bijdrage voor bijvoorbeeld een hoorapparaat op grond van de Zvw. Aanspreken van het verplicht eigen risico is geen reden om geen gebruik te maken van een Zvw-aanspraak. Immers iedereen die gebruik maakt van zorg kan met deze kosten worden geconfronteerd, het is inherent aan het zorgstelsel. Gelden met een specifieke bestemming Ook de aanspraak op gelden met het oog op een specifieke bestemming valt onder de voorliggende voorziening, zoals een vervoerskostenvergoeding op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (CRVB:2012:BV9433). Onderzoek aanspraak andere wet Uit onderzoek moet blijken voor welke problemen of beperkingen de cliënt een beroep kan doen op een andere wettelijke regeling en/of de Wmo 2015 (CRVB:2022:441, CRVB:2023:1046). Denk bijvoorbeeld aan een sta-op stoel die op grond van de Zvw verstrekt kan worden. Als dat nodig is, neemt het college contact op met bijvoorbeeld de zorgverzekeraar om duidelijkheid te krijgen over een mogelijke aanspraak op grond van de Zvw. Reële mogelijkheden van behandeling Behandeling op grond van de Zvw is geen voorliggende voorziening. Maar van de cliënt mag wel worden verwacht dat als er reële mogelijkheden van behandeling zijn, dat de cliënt daar gebruik van maakt en zich ten volle inspant om deze zo optimaal mogelijk te laten verlopen (CRVB:2023:1508). Denk aan (laagdrempelig toegankelijke) paramedische zorg als bedoeld in de Zvw vanwege lichamelijke of psychische klachten (CRVB:2011:BT7241, CRVB:2018:1444). Het college is dan niet gehouden een maatwerkvoorziening te verstrekken. Onderzoek maatwerkvoorziening en behandeling Uit onderzoek moet blijken voor welke problemen of beperkingen de cliënt een beroep kan doen op een andere wettelijke regeling. Maar ook of er daarnaast nog een behoefte is aan bijvoorbeeld begeleiding of huishoudelijke ondersteuning en of na de behandeling eventueel enige behoefte daarop zal blijven bestaan. Gebruik maken van ergotherapie Ergotherapie heeft als doel de zelfzorg en zelfredzaamheid te bevorderen of te herstellen. Bij ergotherapie is de behandeling gericht op het opheffen, verminderen of compenseren van lichamelijke of psychische stoornissen, beperkingen of handicaps. De ergotherapeut geeft advies, instructie of behandeling om weer algemene dagelijkse of arbeidsgerelateerde handelingen te kunnen doen en weer zo zelfstandig mogelijk te kunnen functioneren in de leefsituatie, woonsituatie of werksituatie. De Zvw (basis) dekt de kosten voor maximaal 10 behandeluren per kalenderjaar. 3.2.6Algemeen gebruikelijke voorziening Art. 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 Art. 3.1 lid 1 onder a Verordening Art. 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 bepaalt dat als de cliënt de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie met een algemeen gebruikelijke voorziening kan verminderen of wegnemen, er geen maatwerkvoorziening verstrekt hoeft te worden. De achtergrond is dat algemeen gebruikelijke voorzieningen niet onder de ondersteuningsplicht van het college vallen. Dat komt omdat iedereen ongeacht het hebben van beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie daarover beschikt of zou kunnen beschikken. Beoordelingskader De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in 2019 een richtinggevende uitspraak gedaan over hoe het college moet beoordelen of een voorziening als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt en er om die reden geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt (CRVB:2019:3535). Dat moet gebeuren aan de hand van vier punten. Een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel kan als algemeen gebruikelijke voorziening worden aangemerkt als deze: niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is, en financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. De beoordeling Het college beoordeelt aan de hand van de vier genoemde punten of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de weg staat. Ad. 1 Niet specifiek bedoeld voor personen met een beperking Het gaat bij het eerste criterium om de vraag of op basis van maatschappelijke opvattingen (normen) kan worden gezegd dat een ‘voorziening’ niet specifiek bedoeld is voor mensen met beperkingen. Dat wil zeggen: iedereen zou daarover kunnen beschikken ongeacht het hebben van beperkingen (CRVB:2016:614). Of een beoogde algemeen gebruikelijke voorziening niet specifiek bestemd is voor personen met een beperking is ook afhankelijk van technische ontwikkelingen en nieuwe maatschappelijke normen. In het algemeen zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen in de reguliere handel verkrijgbaar. Bijvoorbeeld een eenhendelmengkraan, toiletverhoger of wandbeugel in een bouwmarkt, een elektrische fiets, een robotstofzuiger, een spoel-föhn installatie of een boodschappendienst bij de supermarkt. Ad. 2 Daadwerkelijk beschikbaar Het tweede criterium moet concreet worden beoordeeld. Dat wil zeggen dat het college feitelijk moet vaststellen dat bijvoorbeeld de boodschappendienst of maaltijdservice beschikbaar is. Ad. 3 Een passende bijdrage Bij het derde criterium gaat het om maatwerk. Dat wil zeggen: er wordt bekeken of de beoogde algemeen gebruikelijk voorziening een passende bijdrage levert aan de situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid en participatie in staat is. Een elektrische fiets kan bijvoorbeeld een passende bijdrage zijn. Of een voorziening passend is, hangt af van de concrete situatie van de cliënt. De boodschappendienst moet bijvoorbeeld wel gebruikt kunnen worden door de cliënt gelet op diens beperkingen. Ad. 4 Financieel te dragen met een inkomen op minimumniveau Onder een minimum inkomen wordt een inkomen op bijstandsniveau verstaan. Het vierde en laatste criterium gaat over de hoogte van de kosten van de beoogde algemeen gebruikelijke voorziening. Het gaat bij de hoogte om de ondergrens van een inkomen op minimumniveau: Er wordt dus niet gekeken of de persoon van de aanvrager het kan betalen. Gaat het om kosten van ongeveer € 190, dan gaat het (qua betaalbaarheid) om een algemeen gebruikelijke voorziening (CRVB:2021:160). Voor de “eenmalige” aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening hanteert het college het volgende beleidsuitgangspunt. Hoogte van de kosten Het bedrag dat kan worden gedragen met een minimum inkomen is gebaseerd op: de aflossingsduur van 36 maanden die in Dinkelland geldt voor leenbijstand in de vorm van bijzondere bijstand (gebruiksgoederen); een aflossing van 5% van de norm voor personen (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwden, art. 21 Participatiewet). Er wordt bij de norm geen onderscheidt gemaakt tussen personen die wel of niet de pensioengerechtigde leeftijd hebben. Het percentage van 5% sluit aan op dat wat buiten de beslagvrije voet valt. Aansluiting op deze systematiek is in de rechtspraak redelijk bevonden (RBDHA:2021:2084, RBDHA:2022:5272). Datum aanvraag De datum van de aanvraag is bepalend voor welke bijstandsnorm wordt toegepast voor de berekening. Berekening alleenstaande of alleenstaande ouder 5% van de bijstandsnorm € 1.283,83 [bedrag per 1 januari 2024] = € 64,19 x 36 maanden = € 2.310,84. Dit bedrag geldt voor een periode van 36 maanden. Voor de hoogte van de bijstandsnorm geldt het bedrag van 1 januari of 1 juli. Dat zijn de momenten waarop de bijstandsnormen worden aangepast. Berekening gehuwden of daarmee gelijkgesteld (niet pensioengerechtigd) 5% van de bijstandsnorm € 1.834,04 [bedrag per 1 januari 2024] = € 91,70 x 36 maanden = € 3.301,27. Dit bedrag geldt voor een periode van 36 maanden. Voor de hoogte van de bijstandsnorm geldt het bedrag van 1 januari of 1 juli. Dat zijn de momenten waarop de bijstandsnormen worden aangepast. Berekening gehuwden of daarmee gelijkgesteld (pensioengerechtigd) 5% van de bijstandsnorm € 1.932,32 [bedrag per 1 januari 2024] = € 96,62 x 36 maanden = € 3.478,18. Dit bedrag geldt voor een periode van 36 maanden. Voor de hoogte van de bijstandsnorm geldt het bedrag van 1 januari of 1 juli. Dat zijn de momenten waarop de bijstandsnormen worden aangepast. Rekenvoorbeeld alleenstaande of alleenstaande ouder Cliënt dient een aanvraag in voor een maatwerkvoorziening. Uit onderzoek is gebleken dat een elektrische fiets een passende oplossing is. De fiets kost € 1.525,00. De kosten zijn lager dan € 2.310,84 [bedrag geldt per 1 januari 2024] en komt daarom niet voor verstrekking in aanmerking. Is de cliënt binnen 36 maanden opnieuw aangewezen op een maatwerkvoorziening en dan resteert voor een beoogde algemeen gebruikelijke voorziening nog een bedrag van € 785,84 (€ € 2.310,84 minus € 1.525,00). Het gaat om eenmalige aanschafkosten en niet de periodieke kosten van bijvoorbeeld de maaltijdservice of boodschappendienst. Tweedehands en inruil Een tweedehands elektrische fiets kan ook als algemeen gebruikelijke voorziening worden aangemerkt. Net als voor een nieuwe elektrische fiets moet bij een tweedehands ook worden voldaan aan ‘kwaliteitseisen’. Bij de aankoop bij een reguliere fietsenhandelaar kan daar van uit worden gegaan maar de afschrijvingstermijn zal wel korter zijn. Verder kan het zijn dat de cliënt een korting krijgt op de aanschaf wegens inruil. Het college houdt dan het bedrag minus de korting aan. Kosten Tafeltje Dekje, maaltijdservice Gebruikmaking van Tafeltje Dekje of een andere maaltijdservice kan voor een cliënt een passende bijdrage leveren aan het realiseren van een situatie waarin hij/zij in staat is tot zelfredzaamheid. De kosten van een maaltijd behoren tot de algemene kosten van het bestaan en zijn, mede gezien de keuzes die nu eenmaal in de besteding van het beschikbare inkomen worden gemaakt, niet zodanig dat deze in financiële zin niet passend zijn (CRVB:2018:2182). Zowel deze maaltijden als ook de kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt kunnen een voorliggende oplossing zijn. Kosten boodschappendienst Een boodschappendienst kan worden aangemerkt als een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de weg staat (CRVB:2019:3690, CRVB:2019:397). Bezorgkosten van een boodschappendienst die bijvoorbeeld € 4,95 per keer bedragen waarbij een minimum bestelbedrag van € 70 geldt kunnen in ieder geval worden gedragen uit een inkomen op minimumniveau (CRVB:2017:1302). Bedenk ook dat bepaalde boodschappen opgespaard kunnen worden. Besteding pgb De cliënt mag het pgb niet besteden aan een algemeen gebruikelijke voorziening (zie art. 5.2 lid 1 Verordening). Meerkosten Noodzakelijke meerkosten bij de aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening, kunnen soms toch onder de ondersteuningsplicht van het college vallen. Voorbeelden hiervan zijn: Meerkosten van een aankleedblad of aankleedtafel. De aanpassingen aan een bakfiets die nodig zijn voor bijvoorbeeld het vervoer van de buggy of zuurstoffles. Geveerde zijwielen aan een fiets. Dit is geen limitatief overzicht, er zijn meer voorbeelden denkbaar. 3.2.7Kosten saneren woning De cliënt kan in aanmerking komen voor tegemoetkoming in de kosten van een woningsanering die nodig is in verband met een allergie, astma of chronische bronchitis (CARA of COPD). Sanering is slechts mogelijk als daarvoor een medische noodzaak is vastgesteld, waar ook de noodzakelijke vervanging van bijvoorbeeld vloerbedekking of gordijnen uit blijkt. De cliënt dient in zo’n geval gebruik te maken van de adviezen van een gespecialiseerde CARA-verpleegkundige. Het college kan ook om advies vragen aan deze verpleegkundige. Als de cliënt bekend was met zijn aandoening, maar toch is overgegaan tot de aanschaf van bijvoorbeeld vloerbedekking die allergene reacties oproept, is er sprake van voorzienbaarheid. De gevolgen van de keuzes van een cliënt in geval van voorzienbaarheid kunnen niet op het college worden afgewend. Aard van de kosten Een woningsanering gaat in het algemeen over het vervangen van tapijt in de slaapkamer. Zijn er jonge kinderen, dan kan ook die woonkamer worden gesaneerd (in verband met kruipen/spelen op de grond). Een tegemoetkoming wordt alleen verstrekt als de te vervangen stoffering nog niet is afgeschreven. Als een artikel is afgeschreven (in de regel na acht jaar) wordt geen financiële tegemoetkoming verstrekt. Voor de hoogte van de vergoeding wordt rekening gehouden met het volgende afschrijvingsprincipe: 100% als het artikel nieuwer is dan twee jaar; 75% als het artikel tussen de twee en vier jaar oud is; 50% als het artikel tussen de vier en zes jaar oud is; 25% als het artikel tussen de zes en acht jaar oud is. Berekening Bij de hiervoor genoemde percentages wordt de uitkomst van de berekening afgezet tegen de systematiek die wordt gebruikt bij de eenmalige aanschaf. Zie de voorbeeldberekeningen in 3.2.6 van deze beleidsregels. Geen tegemoetkoming Als het artikel acht jaar of ouder is, wordt dus geen vergoeding verstrekt. Hoogte van de kosten Bij de vaststelling van de hoogte van de kosten gelden de richtprijzen van het Nibud als uitgangspunt. Verhuizing en geen dubbele vergoeding Hetzelfde geldt bij een verhuizing, omdat bij een verhuizing de woning opnieuw moet worden ingericht en dan rekening kan worden gehouden met de ondervonden klachten. Dat wil ook zeggen dat een tegemoetkoming voor de kosten van sanering niet naast een tegemoetkoming voor verhuis- en inrichtingskosten wordt verstrekt. 3.2.8Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp heeft alleen betrekking op personen die binnen de leefeenheid van de cliënt vallen (zie begripsbepalingen van de verordening). Als naar oordeel van het college gebruikelijke hulp kan worden verlangd, bestaat er geen (of slechts gedeeltelijk) aanspraak op een maatwerkvoorziening. Zie verder hoofdstuk 4 van deze beleidsregels. 3.2.9Mantelzorg en personen uit het sociale netwerk Mantelzorg is niet afdwingbaar. Maar het ontvangen van mantelzorg kan bijdragen aan het in staat zijn tot zelfredzaamheid of participatie. Het is daarom van groot belang dat het college tijdens het onderzoek ook nagaat of, en zo ja welke ondersteuningsbehoefte de mantelzorger heeft zodat de taken kunnen worden volgehouden. Zie verder hoofdstuk 5 van deze beleidsregels. Sociaal netwerk Bij het sociaal netwerk gaat het om personen uit de huiselijke kring. Daaronder kunnen een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen vallen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. Ook het bieden van ondersteuning door personen uit het sociaal netwerk is niet afdwingbaar. Wel is het zo dat het in principe aan cliënt is om zijn sociale netwerk te vragen of zij hem kunnen en willen ondersteunen opdat zijn beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie worden verminderd of weggenomen. 3.2.10Gebruikmaken van algemene voorzieningen De wet geeft het college opdracht om algemene voorzieningen te treffen. Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten die, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is. Algemene voorzieningen zijn gericht op maatschappelijke ondersteuning (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). De wetgever heeft met algemene voorzieningen beoogd dat het in de daarvoor geschikte situaties een voorafgaand en volwaardig alternatief is voor een maatwerkvoorziening (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 34). Algemene voorzieningen kunnen volgens de wetgever ook een belangrijke bijdrage leveren aan het meer inclusief maken van de samenleving, zodat mensen met beperkingen zoveel mogelijk in staat worden gesteld om op gelijke voet te participeren (TK 2013/14, 33 841, nr. 34, p. 21). Uit onderzoek kan blijken dat gebruikmaking van een algemene voorziening voor de cliënt als passende oplossing kan worden aangemerkt. Daarvoor hoeft de cliënt geen aanvraag in te dienen; gebruikmaking van algemene voorzieningen kan zonder indicatie. 3.2.11Overige voorliggende oplossingen Andere beschikbare voorliggende oplossingen in Dinkelland vallen ook onder het beoordelingskader. Het zal namelijk niet altijd zo zijn dat het college alle beschikbare mogelijkheden heeft gecontracteerd als algemene voorziening. Het zal wel duidelijk moeten zijn waaruit deze bestaan, zodat vastgesteld kan worden of het een passende oplossing is. Denk bijvoorbeeld aan een inloopmiddag bij een buurthuis die dagbestedingsactiviteiten organiseert of vrijwilligers die als boodschappenmaatje kunnen fungeren. Het kan ook gaan om vrijwilligers bij een manege. Denk in dat kader ook aan een rijinstructeur die een cliënt kan helpen (CRVB:2018:3348). Wanneer het gaat om vrijwilligers zal het college moeten vaststellen dat zij beschikbaar en geschikt zijn. 3.3Uitgangspunten maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget 3.3.1Maatwerkvoorziening gerealiseerd vóór de melding Art. 3.2 lid 1 onder a Verordening Het kan voorkomen dat de melding van de hulpvraag pas wordt gedaan nadat de cliënt de maatwerkvoorziening heeft gerealiseerd. Bijvoorbeeld de badkamer is aangepast en pas daarna wendt de cliënt zich met een hulpvraag tot het college. Er is op dat moment voorzien in de behoefte. Omdat de Wmo 2015 niet voorziet in een grondslag, bepaalt de Verordening dat de maatwerkvoorziening in die situatie wordt geweigerd (CRVB:2020:1099). In de praktijk zal het gaan om een verzoek de gemaakte kosten te vergoeden want een (gerealiseerde) maatwerkvoorziening in natura kan niet terugwerkende kracht worden verstrekt. Onbekendheid van cliënten met de geldende regelingen komen in principe voor eigen rekening en risico (vergelijk CRVB:1993:ZB2748). 3.3.2Maatwerkvoorziening gerealiseerd vóór besluitname Art. 3.2 lid 1 onder b Verordening Het kan ook voorkomen dat de cliënt een maatwerkvoorziening realiseert tijdens de procedure van de melding maar voordat is beslist op de aanvraag. Dat wil zeggen: de cliënt heeft de beslissing van het college op de aanvraag niet afgewacht. In zo’n situatie wordt de maatwerkvoorziening (al dan niet in de vorm van een pgb) alleen verstrekt als de cliënt het college om toestemming heeft gevraagd en die toestemming schriftelijk heeft verkregen. Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarin de cliënt een woning kan verkrijgen en de normale procedure niet kan afwachten omdat de woning dan aan iemand wordt toegewezen of verkocht. 3.3.3Ingangsdatum diensten Het spreekt voor zich dat in het geval een aanvraag wordt gedaan voor een dienst, zoals huishoudelijke ondersteuning, wel een indicatie kan worden verstrekt maar in beginsel niet met terugwerkende kracht. 3.3.4Niet (volledig) gerealiseerd, noodzaak achteraf vaststellen Art. 3.3 lid 1 onder a en b Verordening Er kan ook sprake zijn van een nog niet (volledig) gerealiseerde maatwerkvoorziening voordat de cliënt zijn hulpvraag heeft gemeld of het college heeft beslist op de aanvraag. Echter door zich niet eerder te melden kan het zijn dat het college de mogelijkheid is ontnomen om nog te kunnen beoordelen of er een noodzaak is voor een maatwerkvoorziening. En zo ja, welke. Kan het college de noodzaak nog wel vaststellen, dan kan het college overgegaan tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening, al dan niet in de vorm van een pgb die als goedkoopst passende bijdrage wordt aangemerkt (vergelijk CRVB:2012:BV5418). Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin de cliënt al is begonnen met het aanpassen van de badkamer door het bad te verwijderen. De vraag is of het college op dat moment, aan de hand van bouwtekeningen of foto’s, nog kan vaststellen dat de al in gang gezette aanpassing noodzakelijk was, en zo ja wat de goedkoopst passende bijdrage is. 3.3.5Aanpassing zelf aangeschaft hulpmiddel Het kan voorkomen dat de cliënt zelf een hulpmiddel heeft aangeschaft en een melding doet voor een aanpassing van dat hulpmiddel. De omstandigheid dat het om een zelf aangeschaft hulpmiddel gaat wil niet zeggen dat een aanpassing daarvan niet voor verstrekking in aanmerking kan komen als die nog niet is gerealiseerd (zie hiervoor). Het college beoordeelt in zo’n situatie of het betreffende hulpmiddel noodzakelijk is en zo ja, of dat ook geldt voor de aanpassing. 3.3.6Pgb-aanvraag binnen budgetperiode Art. 3.2 lid 2 onder a en b Verordening Aan de cliënt kan een pgb worden verstrekt als wordt voldaan aan de verschillende voorwaarden. Dat wil feitelijk zeggen dat het college heeft vastgesteld dat de budgethouder, al dan niet met hulp van diens vertegenwoordiger, verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gebruik (besteding) van het pgb binnen de geldende budgetperiode. Bestedingsruimte Een cliënt kan zich echter binnen de budgetperiode opnieuw melden. Het pgb hoeft niet uitsluitend aan de geïndiceerde maatwerkvoorziening te worden besteed, maar wel voor het doel (resultaat) waarvoor het pgb is verstrekt (bijv. CRVB:2018:3102, CRVB:2018:819, CRVB:2009:BK2502). Heeft de cliënt het pgb binnen de budgetperiode volledig besteed en is de maatwerkvoorziening verloren gegaan, dan verstrekt het college niet opnieuw een pgb (CRVB:2018:818). Rekening en risico budgethouder Onder verloren gaan wordt bijvoorbeeld verstaan het niet meer functioneren van een tweedehands voorziening die met het volledige toegekende pgb is aangeschaft. De gevolgen van de door de budgethouder gemaakte keuze in de besteding van het pgb komen namelijk voor diens rekening en risico. Dat is alleen anders als de maatwerkvoorziening weliswaar verloren is gegaan maar dat niet aan de budgethouder is te wijten. Ook bij gewijzigde omstandigheden in de ondersteuningsbehoefte zal er geen aanleiding zijn om een pgb op voorhand te weigeren. 3.3.7Technisch geschikte maatwerkvoorziening Art. 3.2 lid 3 Verordening De hulpvraag kan gericht zijn op het vervangen van een eerder met een pgb aangeschaft hulpmiddel, zoals een scootmobiel of een tillift. Is de budgetperiode verstreken, dan geldt het volgende uitgangspunt. Voldoet de eerder met het pgb aangeschafte maatwerkvoorziening nog aan de daaraan te stellen kwaliteitseisen, dan beoordeelt het college of het verstrekken van een pgb voor reële instandhoudingskosten als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. In de praktijk gaat het om (aangeschafte) maatwerkvoorzieningen die technisch gezien nog niet zijn afgeschreven. Dat wil zeggen ze nog voldoen in de zin van kwaliteit én het resultaat dat bereikt moet worden. De strekking van deze bepaling gaat ook over de maatwerkvoorziening in natura. 3.4Risicosfeer Het is niet mogelijk limitatief te bepalen wanneer sprake is van omstandigheden die als ‘risicosfeer’ worden aangemerkt en daarmee voor rekening moeten blijven van de cliënt. In zo’n situatie betekent dit concreet dat de aanvraag om een maatwerkvoorziening kan worden geweigerd. Het gaat in ieder geval over keuzes die de cliënt maakt of heeft gemaakt die hem door het college kunnen worden tegengeworpen (CRVB:2019:2951, CRVB:2019:290).Denk bijvoorbeeld aan de aankoop van een woning die niet geschikt is in verband met iemands beperkingen of verhuizen naar een woning waarvan te voorzien is dat daarin beperkingen worden ondervonden. Dat is bijvoorbeeld het geval als de cliënt rolstoelgebruiker is en verhuist naar een woning met een trap maar zonder traplift. In de verordening is verder nader invulling gegeven aan de bedoelde omstandigheden die betrekking hebben op de risicosfeer van de cliënt in geval van aanvragen om woningaanpassingen of een traplift (zie art. 4.6 en 4.7 Verordening). 3.5Regresrecht Artikel 2.4.3 Wmo 2015 Een onrechtmatige daad is in het burgerlijk recht de term voor een fout die een ander schade berokkent. In het algemeen betekent dit dat degene die een onrechtmatige daad heeft begaan, ervoor verantwoordelijk is de hieruit voortkomende schade te vergoeden. Door een onrechtmatige daad kan een cliënt aangewezen zijn op een maatwerkvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan de gevolgen van een ongeval. Regres plegen Het college heeft de bevoegdheid regres te plegen en de schade te verhalen op degene die de onrechtmatige daad heeft begaan. De datum van de onrechtmatige daad is bepalend: plaatsgevonden op of ná 1 januari 2019. Daarvoor waren convenanten van toepassing op grond waarvan gemeenten geen zelfstandig regres hoefden te plegen. Erkenning van de onrechtmatige daad kan overigens een langdurige kwestie zijn. Het college kan vanzelfsprekend niet meer verhalen dan wat daadwerkelijk aan de client is verstrekt. Het ligt overigens voor de hand dat de client zelf ook een procedure voert om overige geleden schade te verhalen op de aansprakelijke partij of diens verzekeraar. Erkenning onrechtmatige daad Op het moment dat de onrechtmatige daad wordt erkend, kan de aansprakelijke partij of diens verzekeraar voorschotten verstrekken. Op dat moment hoeft het college geen maatwerkvoorziening te verstrekken. Gebruik formulier Het college kan ook gebruik maken van het model-schadeformulier voor de declaratie van regreskosten. Het formulier is beschikbaar via de website van de VNG. 4Gebruikelijke hulp Artikel 1.1.1 lid 1 Wmo 2015 (begripsbepaling) Artikel 3.1 lid 1 Verordening (beoordeling aanspraak) 4.1Inleiding Gebruikelijke hulp is in de wet gedefinieerd als hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Gebruikelijke hulp strekt zich daarom alleen uit tot personen die met de cliënt woonachtig zijn in een woning. De zogeheten leefeenheid bestaat uit de bewoners die gemeenschappelijk een woning bewonen met het oog op gezamenlijk een huishouden voeren. Uit de rechtspraak blijkt dat gebruikelijke hulp een afdwingbaar karakter heeft. Onder een huisgenoot wordt iedere andere persoon verstaan die tot de leefeenheid van de cliënt kan worden gerekend. Dat wil zeggen dat volwassen huisgenoten alleen bij een commerciële huurders- of kostgangersrelatie geen deel uitmaken van de leefeenheid. Het gaat dan om personen die een (pension)kamer huren via een (huur)overeenkomst. In zo’n overeenkomst kan overigens wel staan dat ruimten voor gemeenschappelijk gebruik door de huurder of kostganger moeten worden schoongehouden. In dat geval stemt het college de omvang van de ondersteuning daarop af. Dat wil overigens niet zeggen dat als er geen contractuele bepalingen zijn opgenomen over het schoonmaken, dat het college meer huishoudelijke ondersteuning moet verstrekken. Voor zover er sprake is van meer vervuiling vanwege intensiever gebruik door de huurder of kostganger, dan valt dat buiten de omvang van de indicatie. 4.2Beleidsuitgangspunten In de Wmo 2015 staat voorop dat allereerst wordt bezien of en zo ja, in hoeverre iemand zelf dan wel met gebruikelijke hulp in staat is zijn problemen (beperkingen) op te lossen of te verminderen. Onder gebruikelijke hulp wordt in ieder geval verstaan: het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken; het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van de (financiële) administratie; het bieden van ondersteuning bij activiteiten of bezigheden die naar oordeel van het college volgens algemene aanvaardbare opvattingen tot de levenssfeer van personen van de leefeenheid behoren. Hiermee is geen limitatieve opsomming beoogd van niet-professionele hulp. Andere ondersteuning kan naar oordeel van het college ook volgens algemene aanvaardbare opvattingen als gebruikelijke hulp worden aangemerkt. Dat is ook afhankelijk van de individuele situatie. 4.3Algemeen aanvaardbare opvattingen Hulp die op grond van algemeen aanvaardbare opvattingen geacht wordt geboden te kunnen worden valt in ieder geval: Overname van huishoudelijke taken, Overname van of hulp bij de thuisadministratie, hulp gericht op zelfzorg, hulp bij het doen van aankopen, hulp bij structureren van de dag/week, hulp bij participatie, Legen en reinigen van de toiletemmer, Zorg voor minderjarige inwonende kinderen. Niet-professionele ondersteuning Het gaat bij gebruikelijke hulp om niet-professionele ondersteuning die niet per se door een professional geboden hoeft te worden (bijv. CRVB:2021:1114). Daarom wordt in dit hoofdstuk de term hulp n niet begeleiding gebruikt. Verder is geen limitatieve opsomming beoogd. Andere ondersteuning kan volgens het college ook onder algemene aanvaardbare opvattingen vallen. Legen en reinigen toiletemmer Is er geen noodzaak voor het verstrekken van een tweede toilet op de eerste verdieping, dan kan worden volstaan met een losse toiletstoel. Wenst de cliënt daar echter geen gebruik van te maken, dan mag van een partner/echtgenoot en/of inwonende meerderjarige kinderen worden verwacht dat zij het legen en reinigen van de toiletemmer als gebruikelijke hulp verrichtten (CRVB:2019:1334). Dat is natuurlijk anders als wordt vastgesteld dat zij niet in staat zijn om dat te doen. 4.4In redelijkheid te verwachten van huisgenoten Of in redelijkheid mag worden verwacht dat huisgenoten gebruikelijke hulp bieden is afhankelijk van de individuele situatie. Als het onderzoek daartoe aanleiding geeft, zal het college vast moeten (laten) stellen of de huisgenoot in staat is de gebruikelijke hulp te bieden over te nemen. De individuele situatie gaat in ieder geval over: de beschikbaarheid van de huisgenoot voor de niet-uitstelbare taken, mogelijke overbelasting van de huisgenoot, de (totale) omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. 4.5Beoordelingskader gebruikelijke hulp Een en ander is nader uitgewerkt in 4.3 (algemeen aanvaardbare opvattingen) en 4.4 (in redelijkheid te verwachten van huisgenoten) in dit hoofdstuk. Daarbij geldt dat van partners in redelijkheid meer hulp worden verwacht dan van bijvoorbeeld kinderen aan hun ouders of van andere huisgenoten (RBLIM:2022:7897). 4.5.1Huishoudelijke taken Volgens algemeen aanvaardbare opvattingen wordt het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken verwacht van huisgenoten. Dat is in lijn met de vaste jurisprudentie (bijv. CRVB:2019:2616, CRVB:2018:2721, CRVB:2016:4351, CRVB:2015:3198). Het college zal - als het onderzoek daartoe aanleiding geeft - vast moeten (laten) stellen of de huisgenoot in staat is de huishoudelijke taken over te nemen. Dat kan bijvoorbeeld met een medisch advies (zie hoofdstuk 15 van de beleidsregels). Dat de huisgenoot weigert om huishoudelijke taken te verrichten, maakt niet dat het college, met toepassing van de hardheidsclausule, gehouden is om huishoudelijke ondersteuning toe te kennen (CRVB:2016:3665). Er kunnen zich ook situaties voordoen dat de huisgenoot de taken niet kan overnemen omdat het gaat om niet-uitstelbare taken. Dit met het oog op de beschikbaarheid van de huisgenoot. 4.5.2Overige taken of activiteiten Zoals gezegd bestaat het bieden van gebruikelijke hulp niet alleen uit het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken. Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp baseert het college zich op de volgende feiten en omstandigheden: De aard en de omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt, tenzij het huishoudelijke ondersteuning betreft. De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen. De leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Hierna wordt ingegaan op de bovengenoemde punten. 4.6Aard van de ondersteuningsbehoefte De aard van de ondersteuningsbehoefte kan divers van aard zijn. Die zal eerst geïnventariseerd moeten worden, voordat kan worden beoordeeld of er sprake kan zijn van gebruikelijke hulp (CRVB:2018:373). Het college houdt rekening met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de cliënt. Dat betekent dat er onderscheid kan bestaan tussen wat van partners ten opzichte van elkaar als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt, tussen kinderen ten opzichte van hun ouders en andere huisgenoten die bijvoorbeeld geen bloedverwantschap hebben met de cliënt. In het algemeen wordt ook verwacht dat aan personen van het sociaal netwerk, uitleg wordt gegeven in het omgaan met de beperkingen van de cliënt. Denk aan familie, vrienden, leerkracht, etc. Dit voor zover het niet-professionele hulp betreft. Niet beheersen Nederlandse taal Het (nog) niet beheersen van de Nederlandse taal is geen beperking in de zin van de Wmo 2015. Het kan wel voorkomen dat dit een probleem oplevert bij het bieden van gebruikelijke hulp. Het college wijst de cliënt en degene van wie gebruikelijke hulp wordt verwacht op de mogelijkheden. Denk aan een tolk of cliëntondersteuning. 4.7Omvang van de ondersteuningsbehoefte Ook de omvang van de ondersteuningsbehoefte kan divers van aard zijn. Die zal eerst geïnventariseerd moeten worden, voordat kan worden beoordeeld of er sprake kan zijn van gebruikelijke hulp (CRVB:2018:373). De vraag of het gaat om uitstelbare of niet-uitstelbare ondersteuning is daarbij ook van belang. Dit met het oog op de beschikbaarheid van de huisgenoot in verband met bijvoorbeeld werk. De cliënt kan bijvoorbeeld aangewezen zijn op: hulp bij het vervoer, de administratie of aansporing bij zelfzorg. De omvang van de hulp kan onder de normale routine van de leefeenheid vallen. Denk bijvoorbeeld aan het uitzoeken en klaarleggen van kleding, het gezamenlijk eten, samen er op uit, etc. In die gevallen zal de hulp al snel als gebruikelijke hulp kunnen worden aangemerkt. De totale omvang (en aard) van de ondersteuningsbehoefte kan met zich meebrengen dat een deel van de taken of activiteiten niet als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt. Dat deel wordt als boven-gebruikelijke hulp aangemerkt. Zijn er geen andere oplossingen beschikbaar, dan moet het college een maatwerkvoorziening verstrekken. 4.7.1Overname van huishoudelijke taken Voor huishoudelijke ondersteuning (schoon en leefbaar huis) geldt dat het binnen de algemeen aanvaarde opvattingen valt dat huisgenoten de huishoudelijke taken overnemen als een andere huisgenoot deze niet kan uitvoeren. Dit uitgangspunt is in lijn met de vaste rechtspraak van de CRvB (bijv. CRVB:2019:2616, CRVB:2018:2721 en CRVB:2017:4476). Dat wil zeggen dat geen rekening wordt gehouden met de aard van de relatie die de cliënt heeft met de huisgenoot. Dat de huisgenoot weigert om huishoudelijke taken te verrichten, maakt niet dat het college, met toepassing van de hardheidsclausule, gehouden is om huishoudelijke ondersteuning toe te kennen (CRVB:2016:3665). Inwonende kinderen Als de cliënt thuiswonende kinderen heeft, dan gaat het college er in beginsel van uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en de ontwikkelingsfase, een bijdrage kunnen leveren aan het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden. Dat sluit aan bij het algemene uitgangspunt van gebruikelijke hulp. 4.8De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt Als algemeen uitgangspunt geldt dat huisgenoten elkaar onderling gebruikelijke hulp bieden. Immers, huisgenoten binnen de leefeenheid voeren een huishouden met elkaar. Dat maakt hen ook verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden. Het college moet wel rekening houden met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de cliënt. Dat betekent dat er onderscheid kan bestaan tussen wat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt, van kinderen ten opzichte van hun ouders en van huisgenoten die bijvoorbeeld geen bloedverwantschap hebben met de cliënt. Algemene aanvaardbare opvattingen in de persoonlijke levenssfeer Het college houdt wel rekening met hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene aanvaardbare opvattingen onderling aan elkaar geacht wordt geboden te worden. Voorbeelden zijn hulp: bij een bezoek aan de familie, vrienden, huisarts, et cetera. Denk ook aan het vervoer; bij of het overnemen van taken die tot een huishouden behoren zoals de thuisadministratie; aan derden, die behoren tot de omgeving van de cliënt, in het omgaan met de beperkingen van de cliënt. Denk aan familie, vrienden, leerkracht, etc.; van ouders aan kinderen, waaronder ook toezicht, bij activiteiten zoals zwemmen of andere activiteiten die kinderen normaal gesproken doen en waar zij door hun ouders bij begeleid worden. Verwezen wordt naar bijlage II Richtlijn gebruikelijke zorg van ouder(
- s)voor minderjarige kinderen bij deze beleidsregels. Echtgenoten/partners Als uitgangspunt geldt dat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar in ieder geval meer wordt verwacht in het kader van gebruikelijke hulp dan van kinderen ten opzichte van hun ouders. Dat heeft te maken met wat gebruikelijk is volgens algemene aanvaardbare opvattingen; de onderhoudsplicht. Zo wordt het normaal geacht dat de ene partner de ander aanspoort tot bijvoorbeeld zelfzorg (CRVB:2021:823). Kinderen en ouders Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp van kinderen aan hun ouders. Voor kinderen ten opzichte van hun ouders kan dat anders liggen. Het hoeft niet in alle gevallen zo te zijn dat het volgens algemene aanvaardbare opvattingen gebruikelijk is dat kinderen hun ouder(
- s)hulp bieden. Daarbij kan de mate en aard van de beperkingen in combinatie met de noodzakelijke aansporing tot bijvoorbeeld zelfzorg bepalend zijn. Huisgenoten ten opzichte van elkaar Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp van huisgenoten ten opzichte van elkaar. Gelet op aard van de relatie (bijvoorbeeld niet familierechtelijk) kan het zijn dat het volgens algemene aanvaardbare opvattingen niet gebruikelijk is dat ene huisgenoot de ander aanspoort tot zelfzorg. Daarbij kan de mate en aard van de beperkingen in combinatie met de noodzakelijke aansporing tot bijvoorbeeld zelfzorg bepalend zijn. Ouders en kinderen Ouders hebben een plicht en het recht om hun minderjarig kind te verzorgen, op te voeden en te onderhouden (art. 1:247 en 1:395a van het Burgerlijk Wetboek). Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. De zorgplicht van ouder(
- s)strekt zich in ieder geval uit over: verzorging, begeleiding en opvoeding die de ouder(
- s)normaal gesproken geeft aan het kind, waaronder ook de ‘zorg’ bij kortdurende ziekte met uitzicht op herstel. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de kinderen over. Zie voor opvang van kinderen hoofdstuk 6 huishoudelijke ondersteuning van deze beleidsregels. Verwezen wordt naar bijlage II Richtlijn gebruikelijke hulp van ouder(
- s)voor minderjarige kinderen. Thuisadministratie Voor hulp bij of het overnemen van de thuisadministratie geldt dat het binnen de algemeen aanvaarde opvattingen valt dat partners de thuisadministratie van elkaar overnemen als een van hen dat niet (meer) kan (bijv. RBDHA:2018:10620 en RBZWB:2017:6072). Onder het doen van de thuisadministratie valt in ieder geval de postverzorging, de betaling van rekeningen en dergelijke. Het kan ook zijn dat de huisgenoot en de cliënt dat gezamenlijk doen. In die situatie biedt de huisgenoot hulp bij de thuisadministratie. Ook van ouder(
- s)wordt verwacht dat zij de thuisadministratie van een inwonend meerderjarig kind overnemen. Het bieden van gebruikelijke hulp bij de thuisadministratie moet overigens niet verward worden met personen die niet (meer) in staat zijn om financiële beslissingen te nemen en daardoor in de problemen komen. Op die grond kan de Kantonrechter bewindvoering uitspreken omdat ‘derden’ misbruik zouden kunnen maken van de situatie van de cliënt. Hulp gericht op zelfzorg Onder zelfzorg worden algemene dagelijkse levensverrichtingen (adl) verstaan zoals: lichaamsreiniging, zich kleden, eten en drinken, medicijnen innemen, etc. Van echtgenoten/partners mag in ieder geval worden verwacht dat de een de ander aanspoort tot het uitvoeren van deze adl-activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp. Onder aansporen wordt het aanmoedigen verstaan om een activiteit uit te voeren. Dat wil zeggen het helpen herinneren opdat de cliënt zich bijvoorbeeld gaat douchen of aankleden. Onder aansporen in het kader van gebruikelijke hulp valt niet het structureel moeten activeren van de cliënt. Gebruikelijke hulp van de echtgenoot/partner wordt ook verwacht voor zover het activiteiten betreft die hen gezamenlijk aangaan, zoals het eten en drinken. Bij andere adl-activiteiten overlegt het college met de cliënt en zijn partner/echtgenoot wat redelijk is. Van inwonende meerderjarige kinderen wordt in principe niet verwacht dat zij hun ouder(
- s)aansporen tot zelfzorg. Hulp bij het doen van aankopen Van de echtgenoot/partner ten opzichte van elkaar wordt verwacht dat zij elkaar hulp bieden bij het doen van aankopen. Onder gebruikelijke hulp valt dan ook het overnemen van deze activiteiten voor zover een van hen daartoe niet meer in staat is. Denk bijvoorbeeld aan: kleding kopen, vakantie boeken, boodschappen doen of andere normale aankopen. Daarmee is overigens nadrukkelijk niet uitgesloten dat van meerderjarige inwonende kinderen niet ook mag worden verwacht dat zij hun ouder(
- s)incidenteel begeleiding bieden bij bijvoorbeeld het boodschappen doen. Hulp bij structureren van de dag/week Van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar wordt verwacht dat zij elkaar hulp bieden bij activiteiten die hen ook gezamenlijk kunnen aangaan. Dat kan door het maken en bespreken van een dag- of weekplanning. Daarin staat de volgorde waarin activiteiten plaatsvinden en de dag of het dagdeel waarin de activiteit zal worden gedaan. Denk bijvoorbeeld aan: Bezoek aan de huisarts, tandarts, specialist, Regelen van dagelijkse zaken zoals: de hond uitlaten, postverwerking, e.d., Bezoek aan familie, Deelname aan geïndiceerde groepsondersteuning (brengen en/of opgehaald worden), Etc. Dergelijke activiteiten kunnen onder meer betrekking hebben op het sociaal functioneren van de cliënt en het aanbrengen van structuur in de thuissituatie. Hulp bij participatie Onder participatie wordt onder meer verstaan: bezoek aan de familie, vrienden, kerk of moskee, huisarts/ziekenhuis, winkelen, deelname aan maatschappelijke activiteiten, etc. Daaronder wordt ook het vervoer verstaan, het gaat immers om (incidentele) verplaatsingen die in het algemeen gepland kunnen worden. Daar kunnen huisgenoten onderling afspraken over maken. Onder vervoer kan ook begeleiding bij gebruikmaking van het Openbaar Vervoer worden verstaan. Zoals gezegd geldt in het algemeen dat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar meer wordt verwacht dan van inwonende kinderen voor hun ouders. Dat wil zeggen dat van een inwonend meerderjarig kind wel mag worden verwacht dat het incidentele vervoer of begeleiding bij het vervoer aan de cliënt wordt geboden. Denk bijvoorbeeld aan een bezoek aan de huisarts of vrienden/familie. Het is dan ook niet ongebruikelijk als daarvoor een vrije dag van het werk moet worden genomen. Individuele vervoersbehoefte, geen gebruikelijke hulp De cliënt kan ook een individuele lokale vervoersbehoefte hebben en om die reden dus niet voor alle ondersteuning afhankelijk gemaakt worden van zijn huisgenoten in het kader van gebruikelijke hulp. In die gevallen kan het verstrekken van een vervoersvoorziening of tegemoetkoming in de kosten voor het gebruik van eigen auto aan de cliënt zijn aangewezen. 4.9De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen Als de cliënt thuiswonende kinderen heeft, dan gaat het college er in beginsel van uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en de ontwikkelingsfase, een bijdrage kunnen leveren aan het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden. Dat sluit aan bij het algemene uitgangspunt van gebruikelijke hulp. Kinderen binnen de leefeenheid In geval de leefeenheid van de cliënt mede bestaat uit kinderen, dan gaat het college er van uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken. Daarnaast kunnen zij mogelijk eventuele jongere gezinsleden verzorgen. Verder gelden de volgende uitgangspunten. Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding. Bij kinderen tussen 5-12 jaar worden hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien. Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, zoals rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen. Kinderen vanaf 18 jaar kunnen de huishoudelijke taken binnen de leefeenheid overnemen. 4.10Leerbaarheid cliënt of huisgenoot Het kan voorkomen dat er (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Een reden kan zijn dat de huisgenoot niet weet op welke manier zij gebruikelijke hulp kan of moet verlenen, maar dat wel kan aanleren. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin men wordt geconfronteerd met een ondersteuningsbehoefte van de cliënt door niet eerder aanwezige beperkingen zoals een niet aangeboren hersenletsel (NAH) of (beginnende) dementie. Of een huisgenoot die bijvoorbeeld nooit heeft geleerd om huishoudelijke werkzaamheden uit te voeren, maar wel leerbaar is. Het college kan dan tijdelijk een maatwerkvoorziening inzetten om de gebruikelijke hulp aan te leren. Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten' leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. 4.11Uitzonderingen op het bieden van gebruikelijke hulp In de volgende situaties gaat het college er in principe vanuit dat de huisgenoot (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp biedt of kan bieden: de cliënt heeft een zeer korte levensverwachting; de huisgenoot is overbelast of dreigt dat te geraken; de huisgenoot is voor aaneengesloten periode(
- n)niet aanwezig vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter; of de huisgenoot heeft geobjectiveerde beperkingen en/of mist de kennis dan wel vaardigheden om gebruikelijke hulp uit te voeren en kan deze vaardigheden niet aanleren; de huisgenoot is voor aaneengesloten periode(
- n)niet aanwezig vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter; of er is naar het oordeel van het college sprake van bijzondere omstandigheden. Hieronder kan bijvoorbeeld een stapeling van ondersteunings- en/of zorgtaken worden verstaan. In dergelijke situaties kan het college al dan niet tijdelijk een maatwerkvoorziening inzetten zodat de cliënt en zijn huisgenoot in de gelegenheid worden gesteld een oplossing te vinden. Denk bijvoorbeeld aan een vorm van kinderopvang. 4.12Boven-gebruikelijke hulp Verder kan het zijn dat de naar algemene aanvaardbare opvattingen gebruikelijke hulp substantieel wordt overschreden. Dat kan te maken hebben met een combinatie van factoren. Denk bijvoorbeeld aan de aard en omvang van de totale ondersteuningsbehoefte van de cliënt of het combineren van het bieden van gebruikelijke hulp en de eigen activiteiten van de huisgenoot. Ook kan de zorg van ouders voor kinderen boven-gebruikelijk zijn. In vergelijking tot gezonde kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel kan deze zorg substantieel worden overschreden. Er kan dan een maatwerkvoorziening zijn aangewezen, tenzij (bij kinderen) aanspraak bestaat op begeleiding of persoonlijke verzorging op grond van de Jeugdwet. Zie voor huishoudelijke ondersteuning hoofdstuk 6 van de beleidsregels. 4.13De verhouding tussen de draaglast en de draagkracht De vraag is of er in individuele situaties nog een uitzondering kan zijn, op grond waarvan toch taken of activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp moeten worden overgenomen. Eén van de redenen daarvoor kan zijn dat degene van wie wordt verwacht gebruikelijke hulp te bieden, overbelast is (geraakt) en daarom niet meer in staat is dat te doen. Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. De met de overbelasting gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. Eventueel contact met de huisarts over de ouder, partner of huisgenoot kan helpen om daarover een oordeel te kunnen geven. Verwezen wordt naar bijlage I Onderzoek naar (dreigende) overbelasting van deze beleidsregels. Omvang planbare en onplanbare hulp Soms is het direct duidelijk dat de ouder, partner of huisgenoot overbelast is, maar soms ook niet. Niet alleen de omvang van de planbare hulp, maar ook de noodzaak tot het continu aanwezig zijn om onplanbare hulp te bieden, is van invloed op de belastbaarheid van de degene die geacht wordt (ook nog) gebruikelijke hulp te verlenen. Het uitvoeren van enkele taken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde taken waarbij continue aanwezigheid en alertheid gevraagd wordt. Het college zal bij de beoordeling over (dreigende) overbelasting ook rekening moeten houden met zorg die wordt geboden in het kader van verpleging en verzorging op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Jeugdwet. Het kan zijn dat onplanbare zorg of hulp wordt verleend zonder dat aanspraak wordt gedaan op de betreffende wet. Dreigende overbelasting Wordt een beroep gedaan op (dreigende) overbelasting van een huisgenoot, dan moet de cliënt dat aannemelijk maken. Op het college rust dan de plicht daar onderzoek naar te doen. De betreffende huisgenoot is overigens wel verplicht zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek. Weigert hij dit, dan kan het recht op een maatwerkvoorziening mogelijk niet worden vastgesteld (CRVB:2019:2616). Voorkomen of oplossen overbelasting Wanneer er bij de huisgenoot, die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen, eigen mogelijkheden zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen, zullen deze aangewend moeten worden. Er kan sprake zijn van (dreigende) overbelasting vanwege het zelf onbetaald leveren van te indiceren zorg (verpleging en/of verzorging). In die gevallen kan het college met de cliënt en zijn huisgenoot overleggen of voor deze zorg aanspraak wordt gemaakt op de Zorgverzekeringswet zodat de (dreigende) overbelasting kan worden opgeheven. Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten (buiten de gebruikelijke hulp) al dan niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke hulp voor op die maatschappelijke activiteiten. Het spreekt voor zich dat de schoolprestaties daar niet onder mogen lijden. Zie ook bijlage I Onderzoek naar (dreigende) overbelasting bij deze beleidsregels. 5Mantelzorg, respijtzorg en kortdurend verblijf Artikel 1.1 Wmo 2015 (begripsbepaling) Artikel 3.1 lid 1 Verordening (beoordeling aanspraak) Artikel 4.5 Verordening 5.1Inleiding Gebruikelijke hulp en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen. Bij mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) hulp in zwaarte, duur en/of intensiteit overschreden. Mantelzorg kan worden verleend door een huisgenoot maar ook door uitwonende kinderen of een andere persoon uit het sociale netwerk van de cliënt. Bij mantelzorg is geen sprake van gebruikelijke hulp dan wel boven-gebruikelijke hulp. Wettelijk begrip In de wet wordt mantelzorg als volgt beschreven: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zvw, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015). Niet verzilveren van een aanspraak Uit de wettelijke begripsbepaling van mantelzorg volgt dat de hulp of zorg die door de mantelzorger wordt geboden een wettelijke aanspraak vertegenwoordigt. Die aanspraak kan betrekking hebben op de Wmo 2015, verpleging en/of verzorging zoals bedoeld in de Zvw of hulp aan een jeugdige op grond van de Jeugdwet. Afstemmen Het college mag bij het bepalen van de ondersteuning die iemand nodig heeft, rekening houden met de mantelzorg die hij ontvangt (CRVB:2017:17). Dit laat onverlet dat het bieden van mantelzorg (onbetaald) vrijwillig is. Ook zal het college oog moeten hebben voor de ondersteuning die nodig is om de inzet van mantelzorg structureel mogelijk te laten zijn dan wel voor wat nodig is om de mantelzorger (af en toe) te kunnen ontlasten. Ondersteuning aan de mantelzorger De ondersteuning aan de mantelzorger geeft geen aanspraak op een maatwerkvoorziening (RBNHO:2017:1022). Het college moet onderzoek doen naar de vraag of er behoefte is aan ondersteuning zodat de mantelzorger de taken uit kan blijven voeren. Daarnaast zijn er lokale of mogelijk regionale organisaties die daarin iets voor mantelzorgers kunnen betekenen. Wet langdurige zorg Ook kan mantelzorg worden verleend aan een thuiswonende verzekerde met een indicatie op grond van de Wlz. In die gevallen heeft het college geen ondersteuningsplicht. Mogelijk kan voor deze verzekerden aanspraak bestaan op logeeropvang in een instelling (art. 3.1.1 lid 1 onder g Wlz). Wel kunnen deze verzekerden mogelijk gebruik maken van algemene voorzieningen. Hulpmiddelen Bij het bepalen van hulpmiddelen houdt het college rekening met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden. Ook kan het zijn dat de mantelzorger niet of moeizaam in staat is om de rolstoel te duwen. Omdat de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening het uitgangspunt is, kan duwondersteuning op de rolstoel worden verstrekt. Overbelasting van de mantelzorger Respijtzorg in de vorm van een (tijdelijke) maatwerkvoorziening kan worden ingezet om overbelasting van mantelzorgers te voorkomen en/of op te vangen. Van cliënt en mantelzorger mag in principe worden verwacht dat zij (eventueel met ondersteuning) onderzoek doen naar mogelijkheden om overbelasting te voorkomen of te verminderen. De inzet van andere personen uit het sociale netwerk of eventueel vrijwilligers kan hierin ook een rol spelen. De belangen en de draagkracht/draaglast van de mantelzorger worden in het onderzoek meegewogen (zie bijlage I Onderzoek naar (dreigende) overbelasting bij deze beleidsregels). Inzet van (tijdelijke) respijtzorg kan de draagkracht van de mantelzorger versterken. 5.2Respijtzorg Een maatwerkvoorziening beoogt in eerste instantie de cliënt zelf passend te ondersteunen. Maatwerkvoorzieningen zijn immers in overwegende mate individueel gericht (zie art. 3.3 lid 1 onder c verordening). Het college houdt in het algemeen rekening met wat de cliënt aan mantelzorg heeft of mogelijk zou kunnen krijgen. Op de momenten dat de mantelzorger niet in de gelegenheid is de cliënt ondersteuning te bieden, kan hij (tijdelijk) zijn aangewezen op een maatwerkvoorziening. Een mogelijkheid is dan respijtzorg; dit is de tijdelijke en volledige overname van zorg met als doel de mantelzorger een adempauze te geven. Denk bijvoorbeeld aan groepsondersteuning. Respijtzorg moet worden onderscheiden van: ondersteunende maatregelen die nodig zijn om een mantelzorger goed zijn werk te kunnen laten doen, en maatschappelijke ondersteuning (eventueel in de vorm van een maatwerkvoorziening) die een mantelzorger nodig heeft voor zijn eigen zelfredzaamheid of participatie. De mantelzorger is dan zelf cliënt en zal de hulpvraag moeten melden bij het college waarna een onderzoek (het gesprek) plaatsvindt. De maatwerkvoorziening in de vorm van respijtzorg wordt altijd aan de cliënt toegekend die daar mogelijk een bijdrage in de kosten voor verschuldigd is. 5.3Kortdurend verblijf (wonen en verblijf) De wet kent één specifieke maatwerkvoorziening die kan worden verstrekt om de mantelzorger te ontlasten en die is gericht op de ondersteuningsbehoefte kortdurend verblijf (art. 1.1.1 Wmo 2015). Het college beoordeelt eerst of de cliënt in aanmerking kan komen voor een indicatie voor de Wlz. En als is vastgesteld dat de mantelzorger van de cliënt moet worden ontlast, geldt nog een ander criterium. Namelijk, of de cliënt door het (tijdelijk/deels) wegvallen van de mantelzorg is aangewezen op ondersteuning die gepaard gaat met permanent toezicht of 24 uurs ondersteuning in de nabijheid. Er mag overigens geen sprake zijn van het moeten bieden van noodzakelijke geneeskundige zorg; in dat geval moet de cliënt een beroep doen op Eerstelijns verblijf op grond van de Zorgverzekeringswet. Het is ook mogelijk dat de cliënt op grond van zijn aanvullende zorgverzekering in aanmerking kan komen voor kortdurend verblijf. Wonen en verblijf Heeft het college vastgesteld dat de cliënt een ondersteuningsbehoefte heeft aan permanent toezicht of 24 uurs ondersteuning in de nabijheid dan kan wonen en verblijf worden verstrekt. Daaronder wordt de (tijdelijke) vervanging van de thuissituatie verstaan. Dat wil zeggen: een accommodatie waar wonen en verblijf wordt geboden inclusief: eten en drinken; verschillende hotelmatige aspecten (zoals schoonmaak, slaapdienst), en een passend leefklimaat (ondersteuning per etmaal ter vervanging van de thuissituatie). Welk leefklimaat passend is, is onder meer afhankelijk van de thuissituatie en de ondersteuningsbehoefte. Het kan zijn dat er geen bijzonderheden zijn en dat enkel de ‘normale’ thuissituatie wordt vervangen. Maar het kan ook zijn dat de cliënt in de eigen thuissituatie al een ondersteuningsbehoefte heeft bij: de uitvoering van dagelijkse handelingen en vaardigheden; of de regie bij de uitvoering van dagelijkse handelingen en vaardigheden. Niveau van de ondersteuningsbehoefte Voor zover het wonen en verblijf afhankelijk is van de ondersteuningsbehoefte, dan geldt voor deze cliënten in ieder geval dat er een noodzaak is voor toezicht waaronder ook 24 uurs ondersteuning in de nabijheid kan worden verstaan. 5.4Mantelzorgwoning Woningen, dus ook mantelzorgwoningen, worden niet als maatwerkvoorziening verstrekt. Tijdens de wetsbehandeling van de Wmo 2015 is wel aangegeven dat initiatieven als mantelzorgwoningen aandacht verdienen en dat, waar mogelijk, belemmeringen tot plaatsing moeten worden verminderd. Zo zijn de regels voor omgevingsvergunningvrij bouwen bijvoorbeeld vereenvoudigd. Daartoe is het Besluit omgevingsrecht gewijzigd (Stb. 2014, nr. 333). 6Huishoudelijke ondersteuning Artikel 4.2 en 6.2 Verordening 6.1Inleiding Onder huishoudelijke ondersteuning wordt verstaan: geheel of gedeeltelijk ondersteunen of overnemen van noodzakelijke activiteiten in het huishouden dan wel van de leefeenheid waartoe de cliënt behoort. Huishoudelijke ondersteuning bestaat uit: schoonmaakondersteuning en regie/zorg over het huishouden. Huishoudelijke ondersteuning wordt alleen dan verstrekt als geen sprake is van: eigen kracht, gebruik kunnen maken van algemeen gebruikelijke voorzieningen, gebruikelijke hulp, hulp van anderen of het sociaal netwerk of een algemene voorziening geen passende bijdrage is en er verder ook geen andere hulp is die deze taken kan overnemen. Huishoudelijke ondersteuning bestaat uit het bereiken van resultaten zoals opgenomen in de verordening. 6.2Beleidsuitgangspunten huishoudelijke ondersteuning Bij de onderstaande onderwerpen hanteert het college beleidsuitgangspunten. Wet langdurige zorg Eigen kracht. Algemeen gebruikelijke voorzieningen. Gebruikelijke hulp. Hulp van personen uit het sociaal netwerk en mantelzorg. Gebruik van algemene voorzieningen. Resultaten (Verordening). Normenkader HHM 2019. 6.3Wet langdurige zorg Cliënt Heeft de cliënt een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) of kan zo’n indicatie worden verkregen, dan valt ook de huishoudelijke ondersteuning onder de Wlz. Naast het schoonhouden van de woonruimte vallen ook andere huishoudelijke activiteiten binnen de Wlz (Stb. 2022, 510). Huisgenoot Heeft de huisgenoot van de cliënt een Wlz-indicatie, dan onderzoekt het college of er voor de cliënt op grond van de Wmo 2015 nog aanvullend huishoudelijke ondersteuning nodig is (CRVB:2023:2165). 6.4Eigen kracht Algemeen Onder eigen kracht wordt het vermogen verstaan een oplossing te vinden voor de beperkingen die de cliënt ondervindt. Onder eigen kracht wordt ook het feitelijk in staat zijn tot het deels zelf uitvoeren van huishoudelijke activiteiten verstaan. Onder eigen kracht wordt ook de eigen verantwoordelijkheid verstaan. Daaronder vallen: de aanwezigheid (lees ook: aanschaf) van algemeen gebruikelijke voorzieningen, zo efficiënt mogelijke medewerking, et cetera (zie verder hierna). Met inachtneming van leefregels Activiteiten die door de cliënt zelf kunnen worden uitgevoerd behoren uiteraard tot de eigen kracht. Iemand heeft in zo’n geval geen tekort in de zelfredzaamheid die het college met een maatwerkvoorziening moet compenseren. Het kan ook zijn dat de cliënt met inachtneming van bepaalde leefregels de huishoudelijke taken verspreid over de week in een rustig tempo zelf kan uitvoeren (CRVB:2022:308). Zo efficiënt mogelijk Een andere vorm van het benutten van eigen mogelijkheden is het verlenen van medewerking, zodat de huishoudelijke ondersteuning zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Van de cliënt mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden. Denk bijvoorbeeld aan de inrichting van de woning zoals (
- te)volle vensterbanken, kasten met allerlei kleinheden, etc. Dat wil zeggen dat er geen sprake is van een specifiek kenmerk om ‘meer inzet’ te indiceren boven de basisnorm schoonmaakondersteuning (zie Bijlage III Normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM 2019 van deze beleidsregels). Gesaneerde woning Verder is het zo dat er wordt uitgegaan van een gesaneerde woning, ingeval van bijvoorbeeld huisstofmijtallergie of COPD. Is de cliënt allergisch voor bijvoorbeeld vogels of katten, en worden deze dieren nog wel steeds door de cliënt gehouden, dan geldt in principe geen ondersteuningsplicht voor het college voor het ‘meerwerk’ die dat met zich meebrengt. Dit zijn keuzes die in het kader van de eigen verantwoordelijkheid moeten worden beschouwd. Wasverzorging Is de algemene voorziening was- en strijkservice geen passende oplossing en is er geen sprake van gebruikelijke hulp, dan beoordeelt het college of de cliënt zelf een deel van de wasverzorging doen. In dat geval hoeft niet de gehele wasverzorging overgenomen te worden; dit onder aftrek van ‘minder inzet’ op de basisnorm. Denk bijvoorbeeld aan de was sorteren (zie Bijlage III Normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM 2019 van deze beleidsregels). Boodschappen voor het dagelijks leven Kan de cliënt zelf een deel van de boodschappen doen, dan hoeft niet het gehele resultaat boodschappen voor het dagelijks leven overgenomen te worden. Denk aan een deeltaak zoals het opstellen van de boodschappenlijst. 6.5Algemeen gebruikelijke voorzieningen Als algemeen uitgangspunt geldt dat de cliënt beschikt over algemeen gebruikelijke voorzieningen, waarmee de huishoudelijke ondersteuning zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Denk aan een stofzuiger, een wasmachine, een wasdroger, schoonmaakmiddelen, een dweil, etc. (vergelijk CRVB:2015:1503). Het gaat in dit geval ook om bepaalde zaken, die het mogelijk maken dat de cliënt een deel van de huishoudelijke activiteiten zelf kan uitvoeren. Bijvoorbeeld stof afnemen met een plumeau. Voorkomen van een aanspraak Het kan ook zijn dat met algemeen gebruikelijke voorzieningen een aanspraak (deels) wordt voorkomen. Denk bijvoorbeeld aan: strijkvrije kleding, de boodschappendienst, kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt of de maaltijdservice, de aanschaf van een wasdroger, of het plaatsen van de wasmachine en/of droger op een verhoging of in een ruimte die (wel) bereikbaar is voor de cliënt, zodat hij (een deel van) de was zelf kan doen (vergelijk CRVB:2005:AT8015). Algemeen gebruikelijke voorzieningen kunnen als voorliggende oplossing worden aangemerkt; er wordt dan geen schoonmaakondersteuning verstrekt. Zie verder 3.2.6 van deze beleidsregels over hoe het college dat beoordeelt. 6.6Gebruikelijke hulp De leefeenheid is primair verantwoordelijk voor het eigen huishouden en de hoe de huishoudelijke activiteiten worden verdeeld en uitgevoerd. Volgens algemeen aanvaardbare opvattingen wordt het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken verwacht van huisgenoten. Dat is in lijn met de vaste rechtspraak (bijv. CRVB:2018:2721, CRVB:2019:1334, CRVB:2019:2616, CRVB:2021:1114). Het college zal - als het onderzoek daartoe aanleiding geeft - vast moeten (laten) stellen of de huisgenoot in staat is de huishoudelijke taken over te nemen, al dan niet onder aansturing van de cliënt (CRVB:2019:2616). Dat kan bijvoorbeeld met een medisch advies (zie hoofdstuk 15 van deze beleidsregels). Dat de huisgenoot weigert om huishoudelijke taken te verrichten, maakt niet dat het college, met toepassing van de hardheidsclausule, gehouden is om huishoudelijke ondersteuning toe te kennen (CRVB:2016:3665). Er kunnen zich ook situaties voordoen dat de huisgenoot de taken niet kan overnemen omdat het gaat om niet-uitstelbare taken. Dit gelet op de beschikbaarheid van de huisgenoot. Zie verder hoofdstuk 4 van deze beleidsregels. 6.6.1Uitstelbare taken Of gebruikelijke hulp kan worden geboden is ook afhankelijk van de vraag of het gaat om uitstelbare of niet-uitstelbare ondersteuning. Dit met het oog op de beschikbaarheid van de huisgenoot. Beschikbaarheid huisgenoot Het kan voorkomen dat de huisgenoot regelmatig niet aanwezig is vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter. Denk bijvoorbeeld aan de reguliere werkzaamheden. Schoonmaakwerkzaamheden In geval van schoonmaakwerkzaamheden zal het meestal gaan om uitstelbare taken. Dit betekent dat de huishoudelijke activiteiten ook in de avond of het weekend uitgevoerd kunnen worden. Zijn deze taken echter niet-uitstelbaar en is de huisgenoot niet beschikbaar (afwezig), dan kan daarvoor een maatwerkvoorziening worden verstrekt. Wasverzorging Ook in geval van wasverzorging zal het meestal gaan om een uitstelbare taak. Dit betekent dat deze huishoudelijke activiteit wasverzorging in de avond of het weekend uitgevoerd kan worden. Dat betekent ook dat de algemene voorziening was- en strijkservice een passende oplossing zal zijn (zie 6.8.1 van deze beleidsregels). En zo niet, dan kan de maatwerkvoorziening wasverzorging worden verstrekt. 6.7Hulp van personen uit het sociaal netwerk en mantelzorg De Wmo 2015 bepaalt dat als de cliënt hulp krijgt of kan krijgen van personen uit zijn sociaal netwerk waaronder mantelzorg, er geen of slechts een aanvullende ondersteuningsplicht voor het college bestaat. Hulp van deze personen is echter niet afdwingbaar. Dat geldt ook voor het bieden van mantelzorg (CRVB:2017:17, CRVB:2017:3209). 6.8Algemene voorziening Uit het onderzoek kan blijken dat gebruikmaking van een algemene voorziening een passende oplossing is voor de beperkingen die door de cliënt worden ondervonden in de zelfredzaamheid of participatie. Dat wil zeggen dat de cliënt niet of slechts gedeeltelijk is aangewezen op een maatwerkvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan de was- en strijkservice. 6.8.1Was- en strijkservice Als onderdeel van de huishoudelijke ondersteuning is in de gemeenten Dinkelland en Tubbergen een algemene voorziening was- en strijkservice opgezet. Alle inwoners van de gemeenten Dinkelland en Tubbergen kunnen gebruik maken van deze voorziening. De algemene voorziening voor de was en strijk kan voorzien in de ondersteuningsbehoefte van het grootste deel van de inwoners voor het wassen en strijken en is daarom een goed alternatief voor de inzet van een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning voor de wasverzorging. De algemene voorziening kan gebruikt worden voor alle soorten was (kleding en linnen en/of beddengoed). Het voordeel van deze algemene voorziening is dat het gecombineerd kan werken met verschillende andere maatschappelijke doelen. Het inzetten van mensen met een arbeidsbeperking voor het uitvoeren van de algemene voorziening. De aard van het werk (opleidingsniveau) maakt het geschikt voor het werken met mensen met een arbeidsbeperking (bijvoorbeeld voor mensen die staan geregistreerd in het doelgroepenregister vanuit de Participatiewet). Omvang Inwoners van de gemeente Dinkelland kunnen voor twee waszakken per week gebruik maken van de algemene voorziening was- en strijk service. Van de cliënt wordt verwacht dat hij voldoende kleding of andere linnengoed heeft om een week te overbruggen. De was kan op twee vaste momenten bij cliënten thuis opgehaald en gebracht worden. Cliënten zijn zelf verantwoordelijk voor het aanwezig zijn op deze momenten of om hiervoor een eventueel alternatief te regelen. Passende oplossing De algemene voorziening was- en strijkservice wordt in de volgende situaties in ieder geval als passende oplossing aangemerkt: Als het doen van de was als uitstelbare taak kan worden aangemerkt. Er een mogelijkheid is voor het: aanbieden van de was in de daarvoor bestemde waszak. Hiermee wordt ook de situatie bedoeld dat de aangeboden was met hulp in de waszak bij de voordeur wordt neergezet en even kan blijven staan tot het moment dat de aanbieder de was ophaalt; aannemen of opruimen van de was. Hiermee wordt de situatie bedoeld dat de opgevouwen was even in huis kan blijven staan tot er hulp beschikbaar is om de was op te ruimen. Geen passende oplossing De algemene voorziening was- en strijkservice is niet geschikt als: sprake is van frequent optredende incontinentie en aannemelijk is dat het gebruik van incontinentiemateriaal geen afdoende oplossing is, de cliënt gebruik maakt van zalven op grond waarvan een hoge hygiëne noodzakelijk is vanwege infectiegevaar (CRVB:2019:982), het aantal noodzakelijke wasbeurten een omstandigheid is dat het geen passende oplossing is. In de praktijk kan dat te maken hebben met jonge kinderen. In zulke gevallen kan de was mogelijk niet (een week) blijven liggen. Het gaat dan in zo’n situatie om een niet-uitstelbare taak. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Bijdrage in de kosten Cliënten die op grond van de Wmo 2015 gebruik (kunnen) maken van deze algemene voorziening, betalen een bedrag per waszak. In de verordening staat de hoogte van de eigen bijdrage. De eigen bijdrage voor de was- en strijkservice betalen cliënten aan de aanbieder zelf. 6.9Resultaat schoon en leefbaar huis Het te bereiken resultaat bestaat uit het kunnen wonen in een woning die schoon en leefbaar is. Dat wil zeggen: op orde zijn en schoon volgens algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Ook staat leefbaar voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Het kunnen beschikken over een leefbaar huishouden heeft betrekking op de ruimten die nodig zijn voor het normale gebruik van de woning en die daadwerkelijk in gebruik zijn. Ramen wassen buitenkant Het aan de buitenkant wassen van ramen wordt niet meegenomen bij het vaststellen van de ondersteuning die noodzakelijk is voor een leefbaar huis (CRVB:2017:1302). Voor het aan de buitenkant wassen van de ramen is een adequaat alternatief beschikbaar in de vorm van een glazenwasser. Gezien de lage frequentie van het ramenwassen aan de buitenkant, in combinatie met de beperkte kosten voor het inzetten van een glazenwasser, wordt dit als algemeen gebruikelijke voorziening aangemerkt. Uitzonderingen huishoudelijke ondersteuning Uitgezonderd zijn activiteiten zoals de zorg voor dieren en planten en werkzaamheden die buiten de woning plaatsvinden zoals tuinonderhoud of ramen lappen aan de buitenkant. Huishoudelijke ondersteuning beperkt zich, op grond van de verordening, tot de binnenzijde van de woning (CRVB:2017:885). 6.10Resultaat wasverzorging Iedereen moet gebruik kunnen maken van schone en draagbare kleding en overig textiel. Bij de wasverzorging gaat het uitsluitend over: het sorteren, wassen en drogen en opruimen van de normale kleding voor alledag en overig textiel. Als uitgangspunt geldt dat de was niet wordt gestreken, tenzij dat medisch noodzakelijk is. Dat zal moeten blijken uit een medisch advies; waaronder ook wát gestreken zou moeten worden. Er kan in het algemeen worden volstaan met het opvouwen van de was. Van de cliënt wordt verwacht dat hij beschikt of kan beschikken over strijkvrije kleding (bijv. RBOBR:2019:4844). Het resultaat wasverzorging wordt bereikt of zal doorgaans bereikt worden door gebruik te maken van de algemene voorziening was- en strijkservice. Er wordt dan geen indicatie maatwerkvoorziening voor wasverzorging afgegeven. 6.10.1Maatwerk wasverzorging In het geval de algemene voorziening was- en strijkservice niet passend is én de normtijden van HHM 2019 voor de maatwerkvoorziening wasverzorging niet toereikend zijn, wordt maatwerk geboden (CRVB:2023:2470). Het college baseert zich dan in beginsel op de normtijden in het CIZ-protocol huishoudelijke verzorging 2005 (CRVB:2017:3633). 6.11Resultaat boodschappen voor het dagelijks leven Iedereen moet kunnen beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften. Tot de goederen voor primaire levensbehoeften worden boodschappen gerekend die nodig zijn voor dagelijkse levensbehoeften. Hieronder vallen levensmiddelen, toiletartikelen en schoonmaakmiddelen, zaken die dagelijks/wekelijks worden gebruikt. Dit resultaat zal doorgaans bereikt worden door gebruik te maken van de boodschappendienst (algemeen gebruikelijke voorziening) of met hulp van huisgenoten (gebruikelijke hulp). Andere inkopen, zoals kleding en duurzame goederen zoals (huishoudelijke) apparaten, vallen niet onder dit resultaat. 6.12Resultaat maaltijden: broodmaaltijd en/of warme maaltijd Iedereen moet kunnen beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften. Het klaarzetten van broodmaaltijden of (opwarmen van) warme maaltijden zijn nodig voor dagelijkse levensbehoeften. Het bereiden en/of aanreiken van de (warme) maaltijd kan ook onder dit resultaat vallen. Het gaat om overname van taken. Voorliggende oplossingen kunnen zijn: gebruikelijke hulp, mee kunnen eten bij een buurt- of verzorgingshuis en algemeen gebruikelijke voorzieningen zoals kant-en-klaar maaltijden. Maaltijden Maaltijden vallen niet onder een uitstelbare taak. Een broodmaaltijd kan wel één keer per dag worden bereid en klaargezet. De tweede broodmaaltijd wordt dan gelijk klaargemaakt en in koelkast klaargezet. Dat is in lijn met de rechtspraak van de CRvB qua aard en frequentie (bijv. CRVB:2016:2960, CRVB:2011:BU5492). Aansporen nuttigen of bereiden maaltijd Kan een cliënt zelf een maaltijd nuttigen, maar niet weet of vergeet om tijdig een maaltijd te bereiden, dan kan de aansporing daartoe onder ambulante begeleiding vallen. Het gaat meestal om cliënten die ook voor het bereiken van andere resultaten al een indicatie voor begeleiding hebben. Wijkverpleging en maaltijdvoorziening Maaltijdvoorziening valt onder wijkverpleging (Zvw) als een cliënt ‘behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop’ heeft en er geen aanspraak is op Wlz-zorg. Dat is het geval als de client: hulp nodig heeft om het eten of drinken in de mond te brengen; er is overname nodig van de activiteit, medisch noodzakelijk is aangewezen op bijv. bijvoeding, is aangewezen op toezicht bij de maaltijden in verband met bijvoorbeeld verslikkingsgevaar. 6.12.1Maatwerk bij geen indicatie maaltijden Het resultaat maaltijden omvat ook: tafel dekken, eten en drinken klaarzetten, afruimen, afwassen of vaatwasser inruimen/uitruimen (zie Bijlage III Huishoudelijke ondersteuning (normtijden, activiteiten en frequentie) van deze beleidsregels). Dat betekent ook dat als geen indicatie voor maaltijden wordt gesteld, het wel nodig kan zijn dat een indicatie wordt afgegeven voor afwassen of vaatwasser in- en uitruimen (CRVB:2023:2470). Het college baseert zich in beginsel op het CIZ-protocol huishoudelijke verzorging 2005. Daarbij wordt opgemerkt dat de cliënt doorgaans in staat zal zijn om (een deel) van de afwas zelf te doen (eigen kracht). 6.13Resultaat bij regie/ zorg over het huishouden De maatwerkvoorziening ondersteuning bij regie/ zorg over het huishouden kan bestaan uit de volgende resultaten. 6.13.1Resultaat thuis zorgen voor minderjarige kinderen die tot het gezin behoren Het gaat om de dagelijkse, gebruikelijke hulp voor gezonde kinderen (jonger dan 12 jaar) als beide ouders deze tijdelijk niet in staat zijn te leveren. Het gaat bij dit resultaat niet om enkel de opvang van kinderen. Het gaat om activiteiten als wassen en aankleden, hulp bij eten en/of drinken, maaltijd voorbereiden en toezicht houden. Ook het brengen en halen van kinderen naar school/crèche vallen eronder. In principe is het de verantwoordelijkheid van ouders om, op tijden dat zij beide niet in staat zijn voor de kinderen te zorgen dat zelf te regelen. De Wmo heeft alleen een taak in het tijdelijk bijspringen, zodat voor de ouder(
- s)ruimte ontstaat om zelf een oplossing te vinden. In de praktijk betreft dit ondersteuning die doorgaans per direct moet kunnen worden ingezet en zonodig buiten de reguliere werktijden om. Diverse vormen van kinderopvang kunnen als voorliggende oplossing worden aangemerkt. 6.13.2Resultaat organisatie van het huishouden Een gestructureerde organisatie van het huishouden gaat over het, al dan niet samen de cliënt, bepalen welke huishoudelijke werkzaamheden wanneer worden gedaan (regievoering over het huishouden). Resultaat aanleren van taken aan cliënten die leerbaar zijn Cliënten die leerbaar zijn kunnen tijdelijk Advies, instructie, voorlichting over het uitvoeren van huishoudelijke werkzaamheden en/ of het plannen van huishoudelijke werkzaamheden ontvangen. Het resultaat is over de vaardigheid beschikken om zelfstandig een gestructureerde huishouding te voeren. 6.14Normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM 2019 Huishoudelijke ondersteuning valt uiteen in twee maatwerkvoorzieningen: schoonmaakondersteuning (incl. wasverzorging) en ondersteuning bij regie/zorg over het huishouden. Zie bijlage III Huishoudelijke ondersteuning (normtijden, activiteiten en frequentie) bij deze beleidsregels. Normenkader als richtlijn Het doel van het gebruik van het normenkader huishoudelijke ondersteuning HHM 2019 is om uniformiteit in de toekenning na te streven. Het gaat hierbij om een richtlijn, die is gebaseerd op volledige overname van huishoudelijke activiteiten. Iedere individuele situatie wordt separaat onderzocht en er wordt met behulp van de richtlijn ondersteuning op maat toegekend. Het college kan afwijken met zowel op- als neerwaartse bijstellingen. Wanneer cliënten als gevolg van hun (medische) beperkingen onvoldoende ondersteund worden door de basisvoorziening leefbaar huis, kan minder of meer ondersteuning ingezet worden. Dit zijn bijvoorbeeld: een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden realiseren of het klaarzetten van maaltijden. Verder wordt rekening gehouden met de mogelijkheden van: eigen kracht, gebruikelijke hulp en hulp van het netwerk. 6.14.1Gemiddelde cliëntsituatie Door uit te gaan van een gemiddelde cliëntsituatie krijgen de normtijden een algemeen karakter. Hiermee wordt voorkomen dat er op alle mogelijk denkbare uitzonderingen apart beleid moet worden ontwikkeld. Onder een gemiddelde cliëntsituatie wordt verstaan: Een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende kinderen; Wonend in een zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap; Er zijn geen huisdieren aanwezig die extra inzet van ondersteuning vragen; De cliënt kan de woning dagelijks op orde houden zodat deze gereed is voor de schoonmaak; De cliënt heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd; Er is geen ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd; Er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de cliënt die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn; De woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk. 6.14.2Individuele situaties op basis van kenmerken Niet iedere cliënt past in deze omschrijving van de gemiddelde cliëntsituatie. Voor cliënten waarbij de gemiddelde situatie niet van toepassing is, kunnen invloedsfactoren worden meegewogen. Deze staan in het normenkader als ‘meer inzet’ of ‘minder inzet’. Daarmee wordt voor iedere cliënt maatwerk gerealiseerd. Let op dat de aanwezigheid van deze kenmerken niet automatisch leidt tot meer inzet. Het is steeds de vraag of een kenmerk leidt tot extra vervuiling of vraagt om een extra niveau van schoon, waardoor meer inzet nodig is. De volgende invloedsfactoren kunnen maken dat meer of minder ondersteuningstijd nodig is: Kenmerken cliënt Mogelijkheden cliënt zelf: De fysieke mogelijkheden van de cliënt om bij te dragen aan de uit te voeren huishoudelijke taken. Dit hangt af van het kunnen bewegen, lopen, bukken en omhoog reiken, het vol kunnen houden van activiteiten, het kunnen overzien wat moet gebeuren en daadwerkelijk tot actie kunnen komen. Ook speelt hier de trainbaarheid en leerbaarheid van de cliënt mee. Beperkingen en belemmeringen van de cliënt: Beperkingen en belemmeringen van de cliënt kunnen gevolgen hebben voor de benodigde inzet. Leidend is de hoeveelheid extra ondersteuning die nodig is; niet de problematiek als zodanig. Voorbeelden zijn Huntington, ALS, Parkinson, dementie, visuele beperking, revalidatie, bedlegerig, psychische aandoeningen, verslaving/alcoholisme e.d. Dit kan op twee manieren uitwerken: Het kan nodig zijn extra vaak schoon te maken of te wassen, doordat meer vervuiling optreedt. Bijvoorbeeld als gevolg van rolstoelgebruik, ernstige incontinentie, overmatig zweten, (ernstige) tremoren, besmet wasgoed (bijvoorbeeld bij chemokuur of Norovirus). Het kan nodig zijn de woning extra goed schoon te maken. Ter voorkoming van problemen bij de cliënt voortkomend uit bijvoorbeeld allergie, astma, longemfyseem, COPD. Daarbij geldt het uitgangspunt van een gesaneerde woning. Ondersteuning vanuit mantelzorgers, gebruikelijke hulp, netwerk en vrijwilligers: De hoeveelheid ondersteuning die wordt geboden vanuit mantelzorgers, het netwerk van de cliënt en eventuele vrijwilligers, waardoor minder inzet vanuit het college noodzakelijk is omdat een deel van de activiteiten door hulp van anderen wordt gedaan. Daar vult het college alleen op aan als dat nodig blijkt. Kenmerken huishouden Samenstelling van het huishouden: het aantal personen en de leeftijd van leden in het huishouden. Als sprake is van een huishouden van twee personen, is niet persé extra inzet nodig. Dit is bijvoorbeeld wel het geval als zij gescheiden slapen, waardoor een extra slaapkamer in gebruik is. Het kan ook betekenen dat er minder ondersteuning nodig is, omdat de partner een deel van de activiteiten uitvoert (gebruikelijke hulp). De aanwezigheid van een kind of kinderen kan leiden tot extra noodzaak van inzet van ondersteuning. Dit is mede afhankelijk van de leeftijd en leefstijl van de betreffende kinderen en van de bijdrage die het kind levert in de huishouding. Huisdieren: door de aanwezigheid van een of meer huisdieren in het huishouden, kan eventueel door meer vervuiling extra inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen. Verzorging van huisdieren valt niet onder huishoudelijke ondersteuning. Een huisdier veroorzaakt niet altijd extra benodigde inzet (goudvis in een kom, een niet verharende hond, etc.). Kenmerken woning Inrichting van de woning: extra inzet nodig door bijvoorbeeld extra veel beeldjes of fotolijstjes in de woonkamer of een groot aantal meubelstukken in de ruimte. Het gaat in dit geval om de extreme situaties, waarin de inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt. Ook hierbij kan nader overleg met de cliënt zijn aangewezen over wie wat doet in het huishouden. Bewerkelijkheid van de woning: extra inzet nodig door bouwkundige en externe factoren, bijvoorbeeld de ouderdom van het huis, de staat van onderhoud, de aard van de wand- of vloerafwerking, de aard van de deuren, schuine wanden, hoogte van de plafonds, tocht en stof, eventuele gangetjes en hoekjes. Omvang van de woning: een grote woning kan, maar hoeft niet persé meer inzet te vragen. Een extra grote oppervlakte van de in gebruik zijnde ruimtes kan meer tijd vergen om bijvoorbeeld stof te zuigen, maar kan het stofzuigen ook makkelijker maken omdat je makkelijk overal omheen kunt werken. Een extra slaapkamer die daadwerkelijk in gebruik is als slaapkamer vergt wel extra tijd. 6.14.3Minder inzet dan volledige overname/afschalen In september 2022 zijn nadere instructies toegevoegd voor het toepassen van het Normenkader HHM 2019 over onder meer het afschalen of minderen ten opzichte van de norm aangegeven in minuten per week b