Beleidsnotitie bestemmingsplan buitengebied SteenwijkerlandDe raad van de gemeente Steenwijkerland; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 13-3-2012, nummer 2012/26; besluit: tot vaststelling van de Beleidsnotitie bestemmingsplan buitengebied Steenwijekrland, met inachtneming van het uitganspunt, dat bij sloop van niet-agrarische functies en bijgebouwen van burgerwoningen, het percentage maximaal toegestande oppervlakte op 100% wordt vastgesteld; in afwijking van hetgeen in de Beleidsnotite bestemmingsplan buitengebied Steenwijkerland is vermeld, niet over te gaan tot een verruiming van het aantal kampeerplaatsen op een minicamping en deze vast te stellen op
- De raad voornoemd, de griffier, A. ten Hoff de voorzitter, M.A.J. van der Tas luchtfoto gemeente Steenwijkerland Hoofdstuk1Inleiding 1.1 Aanleiding en doel Een bestemmingsplan ‘Buitengebied’ is een veelomvattend plan. Het is belangrijk vooraf te zorgen voor een duidelijke en begrijpelijke planvorming. Deze beleidsnotitie geeft weer waar de gemeente Steenwijkerland zich op richt bij de verdere ontwikkeling van haar buitengebied. Het voornaamste doel van deze notitie is het naar iedereen toe verschaffen van helderheid over uitgangspunten van gebruiks- en bouwmogelijkheden in het nieuwe bestemmingsplan ‘Buitengebied’. Daarmee is deze notitie bepalend voor de inhoud van het nieuwe bestemmingsplan. Deze beleidsnotitie geeft voor een aantal aspecten aan hoe de gemeente Steenwijkerland, voor het buitengebied, hiermee in de toekomst om wil gaan. De beleidsnotitie geeft de uitgangspunten en randvoorwaarden en bepaalt daarmee het kader waarbinnen in een later stadium de keuzes gemaakt kunnen worden. Hiermee is voorlopig de ruimte voor maatwerk aan de bestemmingsplanopstellers aangegeven. Later is de beleidsnotitie toetsingskader voor initiatieven die niet direct mogelijk zijn op basis van het bestemmingsplan Buitengebied, maar waarvoor een herziening van het bestemmingsplan moet plaatsvinden. 1.2 Plangebied Op de kaart is de omvang van het plangebied voor het bestemmingsplan Buitengebied aangegeven. In het plangebied zijn de volgende gebieden niet opgenomen: de kernen; hiervoor worden afzonderlijke bestemmingsplannen opgesteld; de verblijfsrecreatieterreinen; ook voor deze gebieden wordt een afzonderlijk bestemmingsplan opgesteld; ontwikkelingen waarvoor in het kader van het gebiedsgericht beleid afzonderlijke bestemmingsplannen zijn of worden opgesteld. Dit zijn bijvoorbeeld Beulakerpolder bij Giethoorn, de ontwikkelingen bij Scheerwolde en Weerribbenland bij Ossenzijl. Dit zijn de zogenaamde “gele gebieden” uit het gebiedsgericht beleid; de natuurontwikkelingsprojecten Wetering Oost en Wetering West; ook hiervoor wordt een afzonderlijk bestemmingsplan (inclusief Planmer), opgesteld. Uit het gebiedsgericht beleid zijn wel onderdelen opgenomen, zoals reeds gerealiseerde natuurontwikkelingen (Lageweg Ossenzijl, nabij Meenthebrug Kalenberg). Ook worden in het bestemmingsplan de min of meer recente wijzigingsplannen van geringe omvang (zogenaamde postzegelplannetjes) opgenomen voor bijvoorbeeld een uitbreiding van een agrarisch bouwperceel. Daarnaast worden recente projecten, waarvoor middels een ontheffing of vrijstelling medewerking is verleend, in het bestemmingsplan opgenomen. Tenslotte wordt er voor gekozen het gebied De Schans (weer) in het bestemmingsplan Buitengebied op te nemen. Op dit moment is hier nog het bestemmingsplan buitengebied van de voormalige gemeente Steenwijk van kracht. Er wordt voorzien dat de eerst komende jaren dit gebied niet zal worden bebouwd. Dit is aanleiding dit gebied weer mee te nemen in het bestemmingsplan Buitengebied, waarmee overigens niet wordt gezegd, dat er nimmer gebouwd zal worden. Door het gebied wel weer mee te nemen in het bestemmingsplan Buitengebied wordt voorkomen dat er een sterk verouderd bestemmingsplan van kracht blijft. 1.3 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt het proces beschreven dat deze beleidsnotitie heeft doorgemaakt. Hierbij wordt ook het voortraject beschreven, dat hoofdzakelijk betrekking heeft op de in 2005 opgestelde Uitgangspuntennotitie en het ontwerp bestemmingsplan Buitengebied
- In de daarop volgende hoofdstukken zijn de beleidsuitgangspunten voor het bestemmingsplan geformuleerd. Eerst worden de meer algemene uitgangspunten behandeld en daarna wordt per relevant thema voor het buitengebied uiteengezet wat de beleidsuitgangspunten zijn. Tot slot komen de sectorale aspecten aan bod, waarmee in het bestemmingsplan rekening moet worden gehouden. Om vooraf duidelijk en helder te stellen hoe bepaalde uitgangspunten doorvertaald dienen te worden in het bestemmingsplan, zijn per onderwerp randvoorwaarden geformuleerd. Voor een aantal zaken kan dit al gedetailleerd gebeuren. Bij enkele onderwerpen is het beleid echter meer op hoofdlijnen geformuleerd, omdat op voorhand nog niet te zeggen is hoe bepaalde ontwikkelingen worden uitgevoerd. Of simpelweg omdat geconcludeerd wordt dat een bepaalde ontwikkeling niet gewenst is. Daar waar doorvertaling niet gewenst is maar de ontwikkeling op zich niet is uitgesloten, maar middels een zelfstandige procedure (herziening of wijziging) mogelijk gemaakt kan worden, worden ook randvoorwaarden gegeven, zodat dit document ook als toetsingskader kan dienen voor ontwikkelingen die niet binnen het bestemmingsplan passen. 1.4 Begripsomschrijving Voor een goed begrip en toepassing van deze beleidsnotitie is het goed om helderheid te bieden over de gehanteerde begrippen en de wijze van meten. Op deze wijze wordt uniformiteit verkregen in de toepassing van en toetsing aan deze notitie. Het gaat dan met name over de berekening van een bepaald vloeroppervlak, maar ook het begrip nevenactiviteit komt aan bod. Tot slot wordt kort ingegaan op de steeds terugkerende voorwaarden ten aanzien van het ‘goed woon- en leefklimaat’ en het gebruik van aangrenzende gronden. In bijlage 1 treft u de begripsbepalingen aan. Hoofdstuk2Proces 2.1 Voortraject Sinds 2005 werkt de gemeente Steenwijkerland aan een nieuw bestemmingsplan voor haar gehele buitengebied. Hiervoor is op 25 januari 2005 de ‘Uitgangspuntennotitie herziening verouderde bestemmingsplannen buitengebied‘ vastgesteld. Op basis van deze uitgangspuntennotitie is het ontwerp bestemmingsplan ‘Buitengebied 2007’ opgesteld, dat vanaf 11 juni 2008 gedurende 6 weken ter inzage heeft gelegen. Dit plan heeft nog steeds de status van ontwerp bestemmingsplan. Op het ontwerp bestemmingsplan zijn destijds 172 zienswijzen ingediend. In de ‘Notitie zienswijzen’ is het gemeentelijk standpunt op de zienswijzen beschreven. Deze antwoordnotitie vervolgens in de commissie behandeld. Aan degenen die een zienswijze hebben ingediend is gelegenheid geboden daarop ten overstaan van een afvaardiging van de gemeenteraad op 25 maart 2009 een mondelinge toelichting te geven. In een aantal gevallen heeft de mondelinge toelichting geleid tot aanpassing van het gemeentelijk standpunt in de antwoordnotitie. In de definitieve antwoordnotitie (bijlage bij het voorstel raad d.d. 16-02-2010) is aangegeven welke zienswijzen zouden hebben geleid tot aanpassing van het ontwerp bestemmingsplan. Door diverse redenen is het ontwerp bestemmingsplan echter niet ter vaststelling aan de raad voorgelegd. Inmiddels is besloten een nieuw voorontwerp bestemmingsplan voor het buitengebied op te stellen en in procedure te brengen. Een ieder die destijds een zienswijze heeft ingediend zal van de terinzagelegging van het nieuwe voorontwerp bestemmingsplan bericht krijgen van de gemeente. Omdat de uitgangspuntennotitie en het ontwerp bestemmingsplan respectievelijk zes en drie jaar oud zijn wordt, alvorens het nieuwe bestemmingsplan op te stellen, eerst het beleid ten aanzien van het buitengebied geactualiseerd in deze ‘Beleidsnotitie bestemmingsplan buitengebied’. Als vertrekpunt voor deze beleidsnotitie wordt de definitieve ‘Notitie zienswijzen’ van het bestemmingsplan buitengebied Steenwijkerland 2007 genomen, omdat deze het meest recente gemeentelijke beleid verwoord. Ter voorbereiding op de nieuwe bestemmingsplannen voor de kernen is door de gemeente een beleidsnotitie ‘Facetbeleid’ opgesteld. In deze notitie zijn de beleidskaders en aandachtspunten voor de nieuwe bestemmingsplannen voor de kernen nader beschreven. Een aantal van de beleidskaders en aandachtspunten zijn tevens van toepassing voor het buitengebied en zijn dan ook verwerkt in deze ‘Beleidsnotitie bestemmingsplan buitengebied’. Daarnaast vormen de hiervoor genoemde ‘Uitgangspuntennotitie herziening verouderde bestemmingsplannen buitengebied‘, het ontwerp bestemmingsplan ‘Buitengebied 2007’ en de ‘Notitie Zienswijzen’ belangrijke basisdocumenten voor deze beleidsnotitie. Beleid hogere overheden Voorafgaand aan het opstellen van de beleidsnotitie ‘Facetbeleid’ (vastgesteld 1 maart 2011) voor de kernen is een uitgangspuntennotitie opgesteld, waarin per thema achtereenvolgens het huidige rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid is samengevat. In de notitie ‘Facetbeleid’ is hierom het per thema beschrijven van het Europees, Rijks-, Provinciaal beleid achterwege gelaten. Ook in de voorliggende beleidsnotitie voor het buitengebied zijn de beschrijvingen van het beleid van hogere overheden achterwege gelaten. In de toelichting van het bestemmingsplan buitengebied wordt te zijner tijd dat beleid (uiteraard) wel beschreven en samengevat, waarna dit wordt toegepast op de facetten waarvoor nieuw dan wel aanvullend beleid gewenst is. Gebiedsperspectief Noordwest-Overijssel De landinrichting Noordwest-Overijssel komt voort uit de afspraken die gemaakt zijn in het ‘Gebiedsperspectief Noordwest Overijssel’ (1997, update 2007). Hoofdlijn van dat perspectief is dat, als tegenhanger van de te realiseren 1500 ha nieuwe natuur, de landbouwkundige verkaveling en de waterhuishouding voor landbouw en natuur, daar waar nodig, moet worden verbeterd. Ook zijn in het perspectief enkele "gele vlekken" aangewezen voor recreatieve ontwikkeling. Als instrument om de gestelde doelen te realiseren is gekozen voor landinrichting. In het daarvoor opgestelde ontwerp landinrichtingsplan, dat op 15 december 2004 door Gedeputeerde Staten is vastgesteld is het gebied opgedeeld in 4 deelgebieden: Rond de Weerribben, Scheerwolde, Blokzijl-Vollenhove en Wieden en Weerribben. Een aantal uitvoeringsmodules uit het landinrichtingsplan is reeds uitgevoerd of in uitvoering. Deze zullen positief bestemd worden in het bestemmingsplan Buitengebied. De nog niet gerealiseerde uitvoeringsmodules worden niet mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan Buitengebied. Hiervoor wordt steeds een afzonderlijke procedure (bestemmingsplan en eventueel plan-MER) gevoerd. 2.2 Vertrekken vanuit een beleidsnotitie Gelet op de zeer markante (fysieke) kenmerken van de gemeente Steenwijkerland, zijn in deze beleidsnotitie de gesignaleerde kansen en bedreigingen vooraf te benoemen. Uitgaande van enerzijds de aanwezige natuurgebieden en anderzijds de gewenste gebiedseigen dynamiek, kunnen ontwikkelingen als verbrede landbouw en landschapsontwikkeling tegen elkaar worden afgewogen en tegen de gewenste gebiedskwaliteit worden afgezet. Na deze aanzet tot planuitwerking, in de vorm van de door de Raad te accorderen beleidsnotitie, zal de uitkomst ervan als gemeentelijk beleid vorm krijgen, in de diverse regels en in de verbeelding van het plan. 2.3 Voorbereidingsprocedure Op 13 oktober 2011 is in een themabijeenkomst met een groot aantal raadsleden, aan de hand van een aantal stellingen, van gedachten gewisseld over de grote lijnen van deze beleidsnotitie. Door de stuurgroep en vervolgens het college van burgemeester en wethouders is de uitkomst van deze bijeenkomst geëvalueerd en verwerkt in de conceptbeleidsnotitie. Met de conceptbeleidsnotitie is door burgemeester en wethouders ingestemd. Tevens is de notitie daarbij vrijgegeven voor een consultatieronde met de volgende externe partijen: Land- en Tuinbouw Organisatie Nederland (LTO); Vereniging Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, Natuur & Milieu Overijssel; Waterschappen Reest en Wieden en Zuiderzeeland; RECRON, KopTop; Vekabo, SVR; Plaatselijke Belangen. Gelijktijdig is de conceptbeleidsnotitie, met het verzoek om advies, aan de raadscommissie gezonden. Gedurende de consultatieperiode is een informatie-/inloopdag georganiseerd om belanghebbenden en geïnteresseerden te informeren over de beleidsnotitie en het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied. Hiervan is ruimschoots gebruik gemaakt. Naar aanleiding van de ter inzage legging zijn 35 schriftelijke reacties ontvangen. In de “Reactienota Beleidsnotitie bestemmingsplan buitengebied Steenwijkerland” zijn de ingekomen reacties per thema samengevat en op hoofdlijnen beantwoord. 2.4 Vaststellingsprocedure Nadat de consultatieronde is afgerond worden de eventueel ingekomen reacties, inclusief het advies van de raadscommissie, verwerkt in een antwoordnotitie. Deze wordt na bespreking in de stuurgroep door het college behandeld en vervolgens bij de vaststelling aan de gemeenteraad voorgelegd. Nadat de gemeenteraad de notitie heeft vastgesteld wordt dit besluit op de reguliere wijze bekend gemaakt. De indieners van een reactie ontvangen persoonlijk bericht. 2.5 Vervolg na vaststelling beleidsnotitie De beleidsnotitie is een belangrijk document voor het bestemmingsplan buitengebied. Behalve deze beleidsnotitie zijn voor het bestemmingsplan ook de notitie Ruimtelijke Kwaliteit Buitengebied (RKB) van belang. Evenals de ook in voorbereiding zijnde geurverordening vormen al deze documenten bouwstenen voor de Planmer en het voorontwerp bestemmingsplan. Wij zijn voornemens om voor het vervolg een projectorganisatie in te stellen welke bestaat uit een stuurgroep, een projectgroep en een klankbordgroep. Dit laatste mede als reactie op de verzoeken daartoe vanuit LTO Noord en natuurorganisaties. In het overleg met deze klankbordgroep zal zullen ook de stappen van het vervolgproces aan de orde worden gesteld. 2.6 Samenhang documenten Deze beleidsnotitie is een belangrijke bouwsteen voor een nieuw voorontwerp bestemmingsplan buitengebied. Hetzelfde geldt voor de notitie Ruimtelijke Kwaliteit Buitengebied (RKB). Deze documenten zijn, samen met de geurverordening en mogelijk nog andere relevante documenten, de bouwstenen voor de op te stellen Planmer en vervolgens de Passende Beoordeling. De uitkomst van de Planmer is bepalend voor de vraag of de in deze beleidsnotitie opgenomen uitgangspunten haalbaar zijn. Overigens is de opsomming van documenten in het stroomschema niet de volledige input voor de Planmer en het voorontwerp bestemmingsplan. Ook andere documenten kunnen een rol spelen, bijvoorbeeld het (ontwerp)Beheerplan Weerribben-Wieden, de (pilot) PAS en dergelijke. In het navolgende stroomschema is het verband tussen deze documenten in grote lijnen aangegeven. Hoofdstuk3Algemeen 3.1 Ontwikkelingen in het buitengebied Het buitengebied van de gemeente Steenwijkerland kent vele functies. Deze functies zijn onder de volgende noemers onder te brengen: landbouw, natuur, wonen en recreatie. De onderlinge verhouding tussen de vier hoofdfuncties is aan het veranderen, onder meer als gevolg van de toenemende waardering voor natuur en landschap, en de veranderende vorm en schaal van de landbouw en recreatie. De landbouw is van oudsher de grootste ruimtegebruiker in Steenwijkerland, echter een derde van het buitengebied bestaat uit natuurgebied. Natuur is dus ook een belangrijke component bij de ontwikkeling van het beleid voor het buitengebied. De landbouw staat van alle kanten onder druk. Europese landbouwsubsidies worden deels afgebouwd, de nog overblijvende ondersteuning zal gekoppeld worden aan ecologische versterking. Voorts komt de nadruk steeds meer te liggen op de vrij(wereld)markt-werking en vertonen de grondprijzen een grillig patroon. De overheid neemt tal van maatregelen tegen de milieuproblemen die zijn veroorzaakt door de intensivering van de landbouw. Consumenten vragen om schone, diervriendelijke en veilige productiewijzen. Dit leidt tot wijzigingen in de agrarische bedrijfsvoering. Er is een groep die inzet op verdere schaalvergroting en/of intensivering. Een tweede groep schakelt over op kleinschalige extensieve of gespecialiseerde vormen van landbouw. Een derde groep agrariërs heeft neveninkomsten in de vorm van agrarisch natuurbeheer, recreatie of zorg, de zogeheten verbrede landbouw. Daarnaast is ook een combinatie van deze activiteiten mogelijk. De interesse in mestverwerking en productie van duurzame energie neem toe bij agrariërs. Deze ontwikkelingen in de landbouw zijn in de dagelijkse praktijk waar te nemen: er verrijzen grote stalcomplexen voor de veehouderij, er worden tunnelkassen gebouwd, en in de wei nemen paarden en schapen steeds meer de plaats in van rundvee. In de ruimtelijke ordening zijn de ontwikkelingen in de veehouderij, teeltondersteunende voorzieningen en de activiteiten met betrekking tot het houden en fokken van paarden een belangrijk ruimtelijk onderwerp. Ook zijn de vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen van belang. Nieuwe ontwikkelingen op het gebied van duurzame energie volgen elkaar in snel tempo op en zullen in de nabije toekomst het nodige vragen in de ruimtelijke ordening. De ‘Visie Plattelandseconomie Steenwijkerland, samen investeren = samen verdienen’, vastgesteld d.d. 1 juni 2010, is bedoeld als visiedocument, dat als basis dient voor ontwikkelingen op het platteland van Steenwijkerland. In de visie wordt aangegeven dat economie en natuur in het buitengebied nauw met elkaar verbonden zijn en feitelijk niet zonder elkaar kunnen. Boeren, vissers en rietlandbeheerders maken immers met hun werkzaamheden het landschap en beheren de natuur, samen met de terreinbeherende organisaties. Het motto van deze visie is dan ook ‘samen investeren = samen verdienen’. Daarnaast betekent recreatie in vele gedaanten een groeisector voor de locale economie. Ontwikkeling van de plattelandseconomie is wenselijk, omdat dit ondermeer bijdraagt aan sterke dorpen en vitale steden. De aanwezigheid van mensen en het menselijk handelen in het buitengebied heeft veel bijgedragen aan de grote verscheidenheid aan biotopen en soorten. Dit continue proces van ontwikkeling mag niet bevroren worden. Het bestemmingsplan zal deze ontwikkelingen dan ook zoveel mogelijk ondersteunen en niet frustreren. 3.2 Doel en opzet bestemmingsplan 3.2.1 Hoofddoelstelling Het bestemmingsplan Buitengebied heeft als hoofddoel het verzekeren van voldoende ruimte voor het voortbestaan en de ontwikkeling van de verschillende, aan het landelijk gebied gebonden, functies. Andere, niet aan het landelijk gebied gebonden functies, zijn hieraan ondergeschikt. Daarbij moeten zowel de gebruikswaarde en toekomstwaarde van de functies, als de kenmerken van de natuur en het landschap worden behouden en/of ontwikkeld. De gemeente Steenwijkerland past hiermee het ‘ja, mits-principe’ toe wat inhoudt dat, mits de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten in het buitengebied behouden of versterkt worden, ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn. Daarmee wordt ook de duurzaamheid van de leefomgeving versterkt. In de behoeften van de huidige generaties moet worden voorzien, zonder daarbij tekort te doen aan toekomstige generaties. Met deze hoofddoelstelling wordt aangesloten bij het ruimtelijk beleid voor het landelijk gebied op rijksniveau, provinciaal en regionaal niveau. Het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ dient als toetsingskader voor de ontwikkelingen in het landelijk gebied. De bestaande gebruikswaarde voor de landbouw en de recreatie dient te worden verzekerd en doorontwikkeld. Daarnaast worden de waarden van natuur en landschap veiliggesteld. Overigens is daarbij sprake van een wisselwerking tussen zowel de functies onderling als tussen de functies en het landschap. In dat licht zal een evenwichtige belangenafweging worden gemaakt, waarin recht wordt gedaan aan de diverse in het geding zijnde belangen. 3.2.2 Opzet bestemmingsplan De opzet en de wijze van uitwerking van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ zijn mede bepalend voor de effectiviteit van het instrument. Een duidelijke en heldere plansystematiek en uitwerking, is goed te hanteren en te handhaven en biedt rechtszekerheid aan de verschillende gebruikers van het buitengebied, waardoor het draagvlak voor het beleid wordt vergroot. 3.2.3 Flexibiliteit Afhankelijk van de aard van de functies en de kenmerken van het landschap kan onderscheid worden gemaakt tussen landbouw en recreatie enerzijds en natuur, cultuurhistorie en landschap anderzijds. Voor de agrarische bedrijven en de recreatie is het van groot belang dat kan worden ingespeeld op toekomstige ontwikkelingen. Deze ontwikkelingen kunnen een negatieve invloed hebben op de voorkomende waarden van natuur, cultuurhistorie en landschap. Ontwikkelingen in de landbouw en recreatie dienen in voorkomende gevallen dan ook te worden afgestemd op deze waarden en zo te worden gerealiseerd dat de dynamiek van deze laatste wordt behouden. 3.3 Kwaliteitsverbetering als norm 3.3.1 Notitie Ruimtelijke kwaliteit buitengebied In deze ‘Beleidsnotitie bestemmingsplan buitengebied’ worden uitgangspunten en randvoorwaarden gesteld aan het gebruik en de sectorale aspecten in het buitengebied. Echter om de ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid van het buitengebied te kunnen garanderen, dienen aan ruimtelijke ontwikkelingen daarnaast ook nog ruimtelijke randvoorwaarden gekoppeld te worden. Hiertoe wordt de notitie ‘Ruimtelijke kwaliteit buitengebied’ (RKB) opgesteld. Deze notitie zal sterk in verband staan met het op te stellen bestemmingsplan ‘Buitengebied’. 3.3.2 De notitie als instrument voor de toepassing van regels In het nieuwe bestemmingsplan zullen aan het toepassen van een afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid voorwaarden verbonden zijn. Zo mogen bijvoorbeeld landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische waarden niet in onevenredige mate worden aangetast, mag er geen sprake zijn van een onevenredige toename van het autoverkeer, dient een nieuwe functie landschappelijk goed ingepast te worden, mogen er geen nadelige effecten plaatsvinden op het woon- en leefmilieu van de omgeving en mogen de gebruiksmogelijkheden van de nabijgelegen gronden en bebouwing niet in onevenredige mate worden geschaad. En zo gelden er nog wel meer voorwaarden. Bij het woord ‘onevenredig’ gaat het altijd om een belangenafweging. Tegenover het landschappelijk belang staat bijvoorbeeld het belang van het individu of bijvoorbeeld de gewenste bijdrage aan duurzame ontwikkeling. Maar wat betekent dat nu: ‘onevenredige aantasting van landschappelijke waarden’, ‘onevenredige toename van het autoverkeer’? Hoe beoordeel je dat? Hoe kom je tot een goede belangenafweging? Daarom is één van de functies van de notitie RKB daarover helderheid te verschaffen. De notitie zal een belangrijk instrument zijn om te kunnen bepalen wanneer er sprake is van bijvoorbeeld een onevenredige aantasting van landschappelijke of cultuurhistorische waarden of welke duurzame aspecten meewegen om een bepaalde ontwikkeling toe te staan. 3.3.3 De notitie als instrument voor de beoordeling van verzoeken om herziening Voor initiatieven die niet mogelijk zijn op grond van het nieuwe bestemmingsplan kan toch medewerking worden verleend middels een herziening van het bestemmingsplan. In dat geval dient de notitie RKB als instrument ter beoordeling van die vraag. Dit zal zich vooral voordoen bij (ingrijpende) functieveranderingen en functieveranderingen in kwetsbare gebieden. Als een dergelijk initiatief voldoet aan het in de notitie geformuleerde beleid en aan de eisen van ruimtelijke kwaliteit, kan aan het initiatief medewerking worden verleend middels een herziening van het bestemmingsplan. 3.4 Plansystematiek De gemeente Steenwijkerland hanteert een aantal uitgangspunten met betrekking tot de bestemmingsplansystematiek: Ruime kaders met de benodigde flexibiliteit:Het bestemmingsplan bevat ruime kaders. Er mogen slechts beperkende regels worden gesteld ten aanzien van de openbare ruimte en teneinde de kwaliteit daarvan te waarborgen. Het bestemmingsplan zal zodanig flexibel zijn dat soepel ingespeeld kan worden op eventuele gewijzigde omstandigheden en tegelijkertijd voldoende mogelijkheden biedt voor sturing van ontwikkelingen. In de planregels zijn daartoe basiseisen opgenomen, waaraan in beginsel elke bouwaanvraag moet voldoen. Dit betreft voornamelijk in de regels en de verbeelding gegeven aanwijzingen voor gebruik en gebouwen, zoals onder andere het bouwvlak, het bijgebouwenvlak, de maximale bouw- en/of goothoogte en eventueel het maximum aantal bouwlagen. ‘ja, mits’: De gemeente Steenwijkerland hanteert het volgende beleid ten aanzien van ontwikkelingen: ‘Ja, mits’. Ontwikkelingen zijn toegestaan, mits deze niet in strijd zijn met de kwaliteit van de openbare ruimte. Daar waar eerst ontheffingen/ omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan waren opgenomen wordt gekeken of dit niet rechtstreeks kan worden toegestaan. Er worden zo min mogelijk afwijkingsbevoegdheden opgenomen. Zo veel mogelijk informatie in de regels, zo veel mogelijk belangrijke zaken op de verbeelding: Uitgangspunt is dat zoveel mogelijk relevante informatie in de regels wordt opgenomen. Een groot aantal belangrijke zaken wordt tevens aangeduid op de verbeelding, zoals het bouwvlak, het bijgebouwenvlak, de maximale goothoogte etc., waarbij een relatie wordt gelegd met de regels. In de regels wordt het een en ander woordelijk verder uitgewerkt. Een goed leesbare verbeelding: Om de verbeelding zo leesbaar mogelijk te houden, wordt wat standaard is in de regels opgenomen en afwijkingen worden op de verbeelding aangegeven. Hierdoor wordt de verbeelding niet belast met overbodige informatie, die de leesbaarheid niet ten goede komen. Het gaat hierbij met name om maatvoeringen, bouwaanduidingen, etc. Eenvoudige, duidelijke en handhaafbare regels: De planregels worden in beginsel globaal, maar duidelijk opgesteld. Hoe meer verbijzonderingen in de regels worden opgenomen, hoe lastiger het voor de burger en de plantoetser wordt om deze regels te kunnen hanteren. Ten behoeve van de handhaafbaarheid staat voorop dat er heldere en duidelijke regels worden geformuleerd. Werkbare definities: Om discussie omtrent definitiebepalingen te voorkomen wenst de gemeente in bestemmingsplannen werkbare definities te hanteren. Hoofdstuk4Agrarisch gebruik 4.1 Agrarische bedrijven 4.1.1 Ontwikkelingen in de landbouw De breedte van de plattelandseconomie in Steenwijkerland (veehouderij, rietteelt, visserij, natuurbeheer, tuinbouw, grondstoffen/energie, zorglandbouw, etc.) is voor Steenwijkerland de kracht van het gebied. Naar de toekomst toe wordt ingezet op grondgebondenheid (inclusief water en natuur) van plattelandseconomie, omdat dit het meest duurzaam is. Het is de beste combinatie om de veelzijdigheid van de bedrijven voor economie (werk, inkomen, producten), ruimte (inrichting en beheer) en sociaal (cohesie, identiteit, cultuur) naar de toekomst te borgen. Voor een perspectiefvolle landbouw moet schaalvergroting, verbreding en intensivering mogelijk zijn, uitgaande van grondgebonden landbouw. In de komende jaren zal de schaalvergroting van de bedrijven in de landbouw dan ook onverminderd, mogelijk versterkt doorgaan. Agrarische ondernemers geven hiermee een antwoord op de liberalisatie van het landbouwbeleid en de toenemende internationale concurrentie op de agrarische markten. Door schaalvergroting proberen de agrariërs tegen lagere kostprijzen hun producten te kunnen aanbieden. Schaalvergroting is vaak ook nodig om de kosten van (vereiste) investeringen en aanpassingen ten behoeve van milieu en welzijn goed te maken. Volgens de ‘Uitwerking Strategische Toekomstvisie Buitengebied’
(2008)vindt schaalvergroting in de landbouw plaats in de polder tussen Steenwijk en Scheerwolde en tussen de Weerribben en de dijk tussen Vollenhove en Kuinre. De polder is vanuit landschappelijk oogpunt waardevol en dient een open karakter te houden als kernkwaliteit en verdraagt daarom geen verdergaande intensivering met bebouwing. Landbouw heeft een belangrijke functie in het karakteristieke landschap van de grootschalige open polders en de natte natuurgebieden. In deze beleidsnotitie wordt er voor gekozen hieraan geen concrete invulling te geven door bijvoorbeeld onderscheid aan te brengen in ontwikkelmogelijkheden voor agrarische bedrijven in verschillende gebieden. Alle grondgebonden agrarische bedrijven krijgen in principe dezelfde ontwikkelmogelijkheden. In de notitie Ruimtelijke Kwaliteit Buitengebied zullen de kernkwaliteiten van de gebieden nader worden uitgewerkt en beschreven. Per gebied zullen de voorwaarden waaronder de ontwikkelmogelijkheden kunnen worden toegepast, toegespitst op de kernkwaliteiten, worden beschreven. De grondgebonden landbouw neemt in Steenwijkerland een belangrijke positie in. Het overgrote deel van het gebied is in gebruik als weiland. In de zandgebieden bestaat de landbouw uit meer extensieve bedrijven met veelal een neventak. In de droogmakerijen komen voornamelijk grote melkveebedrijven voor. De natuurgebieden Weerribben en Wieden kennen een kleinschalige landbouw zonder melkproductie. Hoofdzakelijk komen hier rietteelt en visserij voor. De zeekleipolders en de gebieden langs de Linde behoren tot de grotere melkveehouderijbedrijven van Overijssel. Landbouw in Overijssel, Huidige situatie en ontwikkeling Het LEI heeft onderzoek gedaan naar de huidige structuur en andere kenmerken van de landbouw in Overijssel. Dit is nader beschreven in het rapport ‘Landbouw in Overijssel, Huidige situatie en ontwikkeling’ (d.d. januari 2011). Volgens dit onderzoek zijn de landbouwbedrijven in Overijssel gemiddeld kleiner van omvang dan in de rest van Nederland, en zal hierom de vermindering van het aantal bedrijven waarschijnlijk sneller verlopen dan gemiddeld (LEI jan. 2011, p17). De leeftijdsopbouw, met een groter deel oudere ondernemers, leidt hier eveneens toe. Veel melkveehouders zullen het melkvee afstoten en ook zullen er de komende jaren op minder gemengde bedrijven varkens gehouden worden. Veel kleinere bedrijven zullen de komende jaren worden beëindigd. Binnen Overijssel is de gemiddelde bedrijfsomvang in Steenwijkerland beduidend groter dan het gemiddelde in de provincie. Gerelateerd aan het aantal ha/bedrijf is de gemiddelde oppervlakte in Steenwijkerland zelfs beduidend groter dan in Nederland. Zie navolgend overzicht. Gemiddelde bedrijfsomvang agrarische bedrijven Nge/bedrijf Ha/bedrijf Nederland 102 25 Overijssel 67 23 NW Overijssel 79 37 Steenwijkerland 76 38 Op veel landbouwbedrijven wordt door de ondernemer of gezinsleden ook buitenshuis gewerkt. Dat draagt bij aan het inkomen van het gezin en dat kan van belang zijn voor de continuïteit van het bedrijf. Het buiten het bedrijf verdiende geld kan als het ware worden geïnvesteerd in het bedrijf. Specifiek voor de gemeente Steenwijkerland zijn de volgende gegevens bekend: Aantal agrarische bedrijven naar aantal nge (CBS gegevens) 3 tot 40 nge 40 tot 70 nge 70 tot 150 nge 150 en meer TOTAAL 1997 Brederwiede 139 60 73 8 280 IJsselham, 56 41 85 11 193 Steenwijk 97 18 56 14 185 TOTAAL 292 119 214 33 658 Aantal agrarische bedrijven naar aantal nge (CBS gegevens) 3 tot 40 nge 40 tot 70 nge 70 tot 150 nge 150 en meer TOTAAL 2000 Brederwiede 114 55 60 11 240 IJsselham, 63 27 74 12 176 Steenwijk 83 17 56 14 170 TOTAAL 260 99 190 37 586 2002 Steenwijkerland 244 80 188 39 551 2003 Steenwijkerland 229 86 164 45 524 2009 Steenwijkerland 199 56 148 60 463 Gegevens landbouwtellingen CBS (hokdierbedrijven – varkens & pluimvee) Intensieve bedrijven 1997 2000 2002 2003 2009*) Brederwiede 6 5 IJsselham 4 2 Steenwijk 3 2 Steenwijkerland 13 9 8 6 8 *) obv NEG-typering; in de nieuwe NSO-typering (vanaf 2010) worden meer bedrijven als hokdierbedrijven getypeerd. Aantal bedrijven per grootteklasse in Steenwijkerland, 2009 nge-klasse Totaal bedrijven Totaal nge nge per bedrijf <70 nge 70-150 nge >150 nge Steenwijkerland, wv. 255 148 60 463 35.178 76 melkveebedrijven 42 125 49 216 25.620 119 overige graasdierbedrijven 172 6 3 181 3.817 21 Bron: Landbouwtelling Aantal bedrijven per bedrijfstype in Steenwijkerland, 2009 akkerbouwbedrijven melkveebedrijven ov. graasdierbedrijven varkensbedrijven pluimveebedrijven vleeskalverbedrijven tuinbouwbedrijven overige bedrijven Totaal bedrijven Steenwijkerland 26 216 181 4 4 5 6 21 463 Uit bovenstaande gegevens blijkt dat in 12 jaar tijd het aantal agrarische bedrijven met 195 is afgenomen, een vermindering van 30%. In 9 jaar tijd is het aantal agrarische bedrijven met 123 afgenomen, een vermindering van 20%. De laatste 6 jaar is het aantal met 61 afgenomen, een vermindering van 10%. Dit betekent dat er per jaar een gemiddelde afname van 2% heeft plaatsgevonden. In bijlage 2 zijn aanvullende figuren en tabellen voor de agrarische bedrijven in de gemeente Steenwijkerland opgenomen. 4.1.2 Volwaardig agrarisch bedrijf Een volwaardig agrarisch bedrijf heeft de omvang van tenminste een volwaardige arbeidskracht met een daarbij passende arbeidsomvang en een daaruit te verwachten redelijk inkomen. In eerste instantie is de NGE-norm1 (Nederlandse grootte eenheden, voorheen SBE-norm, Standaard Bedrijfs Eenheid) maatgevend voor de bepaling van de volwaardigheid van een bedrijf. Als indicatie voor een volwaardig bedrijf geldt een norm van ± 70 NGE's (= ± 200 SBE'
- s)of minder wanneer nevenactiviteiten ook meegenomen kunnen worden in de beoordeling. In dat geval wordt aan de hand van de omvang van activiteiten bepaald of sprake is van een volwaardig agrarisch bedrijf. Bij de toets op volwaardigheid wordt aan de hand van het investerings- of teeltplan van het betreffende agrarische bedrijf het aantal hiermee samenhangende NGE's berekend. In het ontwerp bestemmingsplan werd nog een norm van 40 NGE gehanteerd voor een volwaardig agrarisch bedrijf. Tegenwoordig hanteren verschillende gemeenten, landelijk en in de provincie Overijssel, 70 NGE als norm voor een volwaardig agrarisch bedrijf. De gemeente Steenwijkerland wenst hierbij aan te sluiten. Wel moet het voor agrarische bedrijven, die volgens deze norm niet als volwaardig worden gezien, mogelijk zijn om zich te blijven ontwikkelen. 1 Nge’s zijn eenheden brutostandaardsaldo (bss) die gecorrigeerd zijn voor de prijsontwikkeling van het saldo in Nederland. Met deze rekenfactor is het mogelijk om de omvang/productie van een agrarisch bedrijf in beeld te krijgen. 4.1.3 Nevenactiviteiten Om het voor de agrariër aantrekkelijker en ook financieel draaglijk te houden, worden initiatieven die betrekking hebben op verbrede landbouw c.q. plattelandsvernieuwing gesteund. Hierbij kan gedacht worden aan zorgboerderijen, boerderijwinkels en recreatieve functies. Op die manier ontstaan multifunctionele bouwpercelen die bijdragen aan de verbreding van de agrarische sector en het voortbestaan ervan. Zo is het dus mogelijk om bij een bestaand agrarisch bedrijf met omgevingsvergunning af te wijken en een zorgfunctie of recreatieve functie, ondergeschikt aan de agrarische functie toe te staan (zie par. 5.3). Betreffen de hiervoor genoemde nevenactiviteiten solitaire ontwikkelingen (bijvoorbeeld meer inkomsten uit de zorgfunctie dan uit de agrarische functie), dan zal maatwerk geleverd moeten worden. Per situatie zal dan beoordeeld moeten worden of een bepaalde ontwikkeling op een bepaalde locatie mogelijk is. Bij een ontwikkeling welke niet past in het bestemmingsplan, maar waar, na afweging van de diverse in geding zijnde belangen, wordt geconcludeerd dat die ontwikkeling wel aanvaardbaar is, zal een bijdrage moeten worden geleverd aan een verbetering van de landschapskwaliteit. Randvoorwaarden Algemeen kan de volgende randvoorwaarde worden geformuleerd: De landbouwsector zal bij ontwikkelingen die niet passen binnen de gebruiks- en bouwmogelijkheden volgens het bestemmingsplan, een bijdrage leveren aan de landschapskwaliteit, de kwaliteit van de omgeving (ja, mits-principe). Een volwaardig agrarisch bedrijf heeft de omvang van tenminste één volwaardige arbeidskracht, waarbij als indicatie geldt een norm van 70 NGE. Nevenactiviteiten zijn mogelijk, mits deze onderschikt zijn. 4.2 Grondgebonden en niet-grondgebonden agrarische bedrijven Onder grondgebonden landbouw wordt een agrarische bedrijfsvoering verstaan, waarbij het gebruik van agrarische gronden noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf. Zoals reeds aangegeven vervult de grondgebonden landbouw in het buitengebied van Steenwijkerland een belangrijke functie. Dit zal ook in de toekomst zo blijven. Vanuit het economisch perspectief ligt de prioriteit bij de ontwikkeling van de bestaande agrarische bedrijven. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen vormen van grondgebonden landbouw, zoals akkerbouw of veeteelt. In tegenstelling tot de grondgebonden landbouw wordt de intensieve veehouderij gezien als niet-grondgebonden landbouw. Binnen de gemeente Steenwijkerland zijn 7 intensieve veehouderijen aanwezig. De bestaande niet-grondgebonden agrarische bedrijven worden specifiek bestemd/aangeduid in het bestemmingsplan Buitengebied. Binnen de gemeente Steenwijkerland komen daarnaast ongeveer 40 agrarische bedrijven met een niet- grondgebonden neventak voor. Bij recht zal bij deze bedrijven een stalruimte van 1.000 m2 ngg worden toegestaan. Daarmee kan in elk geval voor een economische eenheid een stal worden gerealiseerd. Met een afwijkingsbevoegdheid kan (onder voorwaarden) medewerking worden verleend aan een vergroting voor niet-grondgebonden nevenactiviteiten tot 2.000 m2. Hierbij moet sprake zijn van een aantoonbare noodzaak als gevolg van bijvoorbeeld marktomstandigheden, milieueisen, dierenwelzijn e.d. Wel geldt terughoudendheid rondom kernen en recreatieterreinen. Randvoorwaarden Op basis van de volgende definities wordt onderscheid gemaakt tussen grondgebonden en niet-grondgebonden agrarische bedrijven: grondgebonden agrarische bedrijfsvoering: een agrarische bedrijfsvoering die al dan niet met beweiding hoofdzakelijk niet in gebouwen plaatsvindt, waarbij het gebruik van agrarische gronden noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf, zoals een melkrundveehouderijbedrijf, een akkerbouwbedrijf, een productiegerichte paardenhouderij, biologische bedrijven, waarbij dieren worden gehouden overeenkomstig de regels die krachtens artikel 2 van de bestaande Landbouwkwaliteitswet zijn gesteld ten aanzien van de biologische productiemethoden, en naar de aard daarmee gelijk te stellen agrarische bedrijven; niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering: een agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk in gebouwen plaatsvindt, en die als zodanig niet afhankelijk is van agrarische gronden als productiemiddel, zoals een intensief kwekerijbedrijf of een intensief veehouderijbedrijf; intensief veehouderijbedrijf: een agrarisch bedrijf met een in hoofdzaak niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering in de vorm van het houden van dieren, zoals een rundveemesterij (exclusief vetweiderij), een varkens-, vleeskalver-, pluimvee- of pelsdierhouderij, of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen met (nagenoeg) geen weidegang. Niet-grondgebonden agrarische bedrijven zijn op basis van het bestemmingsplan Buitengebied alleen toegestaan op de bestaande locaties en worden in het bestemmingsplan als zodanig op de verbeelding aangeduid. Grondgebonden agrarische bedrijven met een niet-grondgebonden neventak zijn toegestaan op de bestaande locaties en worden als zodanig op de verbeelding aangeduid, met dien verstande dat de oppervlakte bedrijfsgebouwen voor de niet-grondgebonden neventak maximaal 1.000 m2mag bedragen. Met een afwijkingsbevoegdheid mag de oppervlakte bedrijfsgebouwen van de niet-grondgebonden neventak van de als zodanig aangeduide bedrijven maximaal 2.000 m2bedragen, met dien verstande dat er sprake moet zijn van een aantoonbare noodzaak als gevolg van bijvoorbeeld marktomstandigheden, milieueisen, dierenwelzijn e.d. Tevens geldt dat deze afwijking terughoudend wordt toegepast rondom (afstand ca 200
- m)kernen en recreatieterreinen. Tevens geldt dat er sprake moet zijn van een goede landschappelijke inpassing. Een verzoek om uitbreiding van een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf is maatwerk, waar het bestemmingsplan niet in voorziet. Hiervoor wordt een afzonderlijke bestemmingsplanprocedure gevoerd. 4.3 Het agrarisch bouwperceel Het agrarisch bouwperceel bestaat uit een bebouwd deel en eventueel een onbebouwd deel. Het bebouwde deel van het agrarisch bouwperceel is dat deel van het perceel waarop alle gebouwen en bouwwerken, zoals bedrijfswoning, stallen, loodsen, waterbassins, mestopslag, (folie) kassen, schaduwhallen, silo’s en permanente teeltondersteunende voorzieningen opgericht dienen te worden. Het onbebouwde deel van het agrarisch bouwperceel sluit aan bij het bebouwde deel van het agrarisch bouwperceel en bestaat uit dat deel van het agrarisch bouwperceel waarop containervelden en tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen opgericht mogen worden indien hiervoor geen ruimte is op het bebouwde deel van het agrarisch bouwperceel. Conform de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2008 (SVBP2008) wordt per bouwperceel de aanduiding ‘bouwvlak’ gebruikt om het bebouwde deel van het agrarisch bouwperceel aan te geven op de verbeelding (zie bovenstaande voorbeelden). De basis voor de agrarische bouwpercelen wordt gevormd door het ontwerp bestemmingsplan ’Buitengebied 2007’ en de ‘Notitie zienswijzen’. Met dit als uitgangspunt kan het volgende overzicht worden gemaakt. 14 % heeft een bouwvlak kleiner dan 0,5 ha; 31 % van de bedrijven heeft een bouwvlak van 0,5 – 1,0 ha; 34 % van de bedrijven heeft een bouwvlak van 1,0 – 1,5 ha; 16 % van de bedrijven heeft een bouwvlak van 1,5 – 2,0 ha; 5 % van de bedrijven heeft een bouwvlak groter dan 2,0 ha. In het bestemmingsplan zal een afwijkingsbevoegdheid met randvoorwaarden worden opgenomen, waarmee het bouwvlak kan worden vergroot tot 1,5 ha. Het vorenstaande betekent dat op dit moment ca 75 % van de bedrijven tot 1,5 ha ontwikkelingsruimte heeft. Wij denken dat in eerste instantie aan een relatief groot aantal agrarische bedrijven voldoende perspectief voor de komende jaren wordt geboden. Om in te kunnen spelen op de voorlopig doorgaande schaalvergroting zal naast de afwijkingsbevoegdheid tot 1,5 ha een wijzigingsbevoegdheid met voorwaarden worden opgenomen, waarmee een bouwvlak kan worden vergroot tot 2,0 ha. Deze ‘getrapte’ uitbreidingsmogelijkheden (middels afwijking tot 1,5 ha en middels wijziging tot 2,0
- ha)zullen uitgangspunt zijn bij de verkenning in het kader van de Planmer. Randvoorwaarden Voor het agrarisch bouwperceel worden de volgende randvoorwaarden geformuleerd: Voor het agrarisch bouwperceel wordt een bestemming ’Agrarisch – Agrarisch bedrijf’ (A-AB) opgenomen, met een aanduiding ‘bouwvlak’ waarbinnen de bebouwing opgericht mag worden (zie bovenstaande afbeeldingen). Per bouwvlak is maximaal één agrarisch bedrijf toegestaan. Gebouwen, silo's, teeltondersteunende voorzieningen, mestopslagplaatsen, paardenbakken, de bedrijfswoning en de daarbij behorende bijgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd. Overige bouwwerken geen gebouw zijnde, mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd. Met dien verstande dat mestsilo’s buiten het bouwvlak niet zijn toegestaan. Een folie mestbassin mag onder voorwaarden worden aangelegd na afwijking van de bouwregels met een omgevingsvergunning. Gebouwen zullen met een kap van minimaal 15° en maximaal 60° worden afgedekt. De goothoogte van gebouwen bedraagt maximaal 5,00 meter, tenzij op de verbeelding een afwijkende maximale goothoogte is aangeduid. De bouwhoogte van gebouwen bedraagt maximaal 12,00 meter. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde binnen het bouwvlak bedraagt maximaal 10,00 meter. De bouwhoogte van erfafscheidingen voor de naar de weg gekeerde bouwgrens bedraagt maximaal 1,00 meter en achter de naar de weg gekeerde bouwgrens maximaal 2,00 meter. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde buiten het bouwvlak bedraagt maximaal 5,00 meter. Ondergronds bouwen is toegestaan, onder de voorwaarden zoals opgenomen in paragraaf 9.3. Per bedrijf is slechts één bedrijfswoning toegestaan, deze wordt nader aangeduid op de verbeelding. Hiervoor zijn in paragraaf 4.10 nadere randvoorwaarden gegeven. 4.4 Uitbreidingsmogelijkheden agrarische bedrijven 4.4.1 Ruimtelijke afweging uitbreidingsmogelijkheden Uitbreiding van agrarische bedrijven is alleen toegestaan na een ruimtelijke afweging en onder voorwaarde dat de agrarische bedrijven een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving middels inpassing en kwaliteitsverbetering. Uitgangspunt is een zo compact mogelijk agrarisch bouwperceel. Agrarische bedrijven die uitbreiden moeten aantonen op welke wijze ze een bijdrage leveren aan de kwaliteit van de omgeving. Of anders gezegd, wanneer de uitvoering van plannen van een ondernemer effecten heeft op de omgeving, moet deze een compensatie leveren die gericht is op verbetering van die omgeving. Welke compensatie dit betreft, wordt per situatie bepaald. Dit is onder andere afhankelijk van de ligging. Hiervoor worden in de notitie RKB nadere voorwaarden gegeven. De gemeente Steenwijkerland past hiermee het ‘ja, mits-principe’ toe wat inhoudt dat, mits de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten in het buitengebied behouden of versterkt worden, ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn. Is uitbreiding van de bebouwing aan de orde die niet past binnen de grenzen van het bouwvlak dan wordt hiervoor in het bestemmingsplan in eerste instantie een afwijkingsbevoegdheid met voorwaarden opgenomen, waarmee het bouwvlak kan worden vergroot tot 1,5 ha. Daarnaast wordt een wijzigingsbevoegdheid met voorwaarden opgenomen waarmee het bouwvlak kan worden vergroot tot 2,0 ha. Om de economische uitvoerbaarheid van het plan aan te kunnen tonen, kan om een bedrijfsplan worden gevraagd. Naast uitbreiding wordt ook vormverandering van het bouwperceel toegestaan om medewerking te kunnen verlenen aan toekomstige verantwoorde ontwikkelingen. In de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) wordt afgesproken hoe op verschillende niveaus (generiek, provinciaal, gebiedsgericht) en vanuit verschillende sectoren (landbouw, verkeer, en industrie) bijgedragen wordt aan de nodige vermindering van stikstofdepositie. De PAS zal een wettelijke status krijgen en is van groot belang voor de vergunningverlening en planvorming. Op dit moment (november 2011) is nog niet scherp in beeld of en, en zo ja: welke ontwikkelruimte er voor de agrarische sector is. Wanneer de PAS is afgerond zal dat beeld er naar verwachting wel zijn en zullen de ontwikkelingsmogelijkheden verder worden vertaald in het bestemmingsplan. Randvoorwaarden De volgende randvoorwaarden worden geformuleerd: De wijziging ten behoeve van vergroting van de agrarische bedrijfskavel mag alleen plaatsvinden op aangrenzende (agrarische) gronden. Met een afwijking mag het agrarisch bouwvlak tot maximaal 1,5 hectare worden uitgebreid. Met een wijzigingsbevoegdheid mag het bouwvlak tot maximaal 2,0 hectare worden uitgebreid. Ter voorkoming van (hemel)waterproblematiek dienen de effecten op de waterhuishouding in beeld te zijn gebracht (watertoets). De uitbreiding leidt niet tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke, natuurlijke, ecologische, cultuurhistorische en visueel landschappelijke waarden. Er vindt een kwaliteitsverbetering plaats door een goede ruimtelijke inpassing van de (nieuwe) bebouwing, waarbij is voldaan aan de eisen die zijn gesteld in de notitie RKB. De uitvoerbaarheid, waaronder toelaatbaarheid en maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid, is aangetoond. Er wordt in voldoende mate voorzien in de parkeerbehoefte op eigen erf. Het goede woon- en leefklimaat ter plaatse blijft gewaarborgd. Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. 4.5 Nieuwvestiging agrarische bedrijven 4.5.1 Algemeen De praktijk laat zien dat agrarische bedrijven stoppen en dat deze ontwikkeling zich de komende jaren voortzet. Dit betekent dat agrarische bebouwing vrijkomt die beschikbaar is voor de vestiging van een nieuw agrarisch bedrijf. Nieuwvestiging van agrarische bedrijven anders dan op een bestaande bedrijfslocatie wordt in het bestemmingsplan Buitengebied dan ook niet rechtreeks mogelijk gemaakt. De incidentele aanvraag voor nieuwvestiging wordt gezien als maatwerk en valt buiten dit beleidskader. Bij dit ‘maatwerk’ wordt nadrukkelijk ook gekeken naar de wijze waarop een bijdrage aan ruimtelijke kwaliteit wordt geleverd. 4.6 Rietloodsen Het rietlandbeheer in Steenwijkerland is er enerzijds gericht op het product riet te telen. Anderzijds is het rietlandbeheer met name een vorm van natuurbeheer gericht op diverse natuurdoelen. Van oudsher wordt rietlandbeheer ook vaak gecombineerd met andere bedrijfsactiviteiten zoals visserij, schapenhouderij en tegenwoordig ook agrarisch natuurbeheer. In de Wieden- en Weeribben bestaat behoefte aan het bouwen van rietloodsen ten behoeve van rietopslag en rietverwerking. In die loodsen kan het riet droog worden opgeslagen en worden verwerkt. Hierdoor kan er het jaar rond kwalitatief goed riet worden geleverd en zijn de arbeidsomstandigheden afgestemd op de eisen van deze tijd. Rietloodsen worden door rietteeltbedrijven gewenst in de Wieden en Weerribben. Niet alleen voor de opslag van het riet, maar ook voor de verwerking en het opslaan van machines. Daarnaast kan in de toekomst het restproduct van het riet worden verwerkt tot nieuwe producten of energie. Hiervoor kan ook ruimte nodig zijn. De Wieden en Weerribben hebben een hoge landschappelijke- en natuurwaarde. Er is dus aandacht nodig voor een goede landschappelijk inpassing en de aanwezige natuurlijke waarden. Rietteeltbedrijven komen in aanmerking voor een eigen loods indien ze via een bedrijfsplan kunnen aantonen dat ze een volwaardig bedrijf exploiteren. De rietloods zal zowel vanaf de weg als het water bereikbaar zijn. De oppervlakte en inhoud van die loods zal moeten worden afgestemd op de behoefte die in het bedrijfsplan is weergegeven. Niet-volwaardige rietteeltbedrijven kunnen toch in aanmerking komen voor een rietloods, mits zij zich verenigen. In dat geval dienen de participerende rietteeltbedrijven gezamenlijk een bedrijfsplan voor de nieuwe rietloods op te stellen. De meest geschikte locatie voor een dergelijke loods zal goed moeten worden gezocht en afgewogen. Randvoorwaarden Samenvattend kunnen voor de bouw van een bedrijfsloods de volgende randvoorwaarden worden geformuleerd: Volwaardige rietteeltbedrijven komen in aanmerking voor de bouw van een eigen bedrijfsloods, waarbij wordt opgemerkt dat via een bedrijfsplan zal worden beschreven of sprake is van een volwaardig bedrijf. De rietloods is bereikbaar vanaf de weg en het water. De rietloods wordt landschappelijk ingepast. De toegestane oppervlakte c.q. inhoud van de loodsen wordt gerelateerd aan de in het bedrijfsplan aangegeven benodigde ruimte. De uitvoerbaarheid, waaronder toelaatbaarheid en maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid, is aangetoond. Er wordt in voldoende mate voorzien in de parkeerbehoefte op eigen erf. Aan de vestiging van een rietteeltbedrijf kan onder de volgende voorwaarden medewerking worden verleend: Er is sprake van een goede landschappelijke inpassing, waarbij gekeken wordt naar maat, situering, hoofdvorm, materiaalgebruik en passende streekeigen beplanting. Alleen volwaardige rietteeltbedrijven. Het rietteeltbedrijf is bereikbaar vanaf de weg en het water. De toegestane oppervlakte c.q. inhoud van de loodsen wordt gerelateerd aan de in het bedrijfsplan aangegeven benodigde ruimte. De uitvoerbaarheid, waaronder toelaatbaarheid en maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid, is aangetoond. Er wordt in voldoende mate voorzien in de parkeerbehoefte op eigen erf. 4.7 Productiegerichte of gebruiksgerichte paardenhouderij 4.7.1 Diverse verschijningsvormen In het buitengebied van de gemeente Steenwijkerland komen paardenhouderijen zowel bedrijfsmatig als hobbymatig voor. Net als andere veehouderijen zijn de meeste paardenhouderijen grondgebonden. De paardenhouderij is dan ook primair aangewezen op het buitengebied. De paardenhouderij kent een grote diversiteit aan verschijningsvormen. Er zijn zuiver agrarische bedrijven, waar uitsluitend paarden worden gefokt en opgefokt, die als hengstenhouderij in gebruik zijn of waar paarden voor de melkproductie worden gehouden. Dit wordt ook wel de productiegerichte paardenhouderij genoemd. Naast de productiegerichte paardenhouderijen zijn er ook bedrijven waar al dan niet in overwegende mate agrarische activiteiten worden ondernomen. Dit zijn bijvoorbeeld de trainings- en africhtingsstallen, al dan niet als onderdeel van een fok- en opfokstal, de sportstallen, de handelsstallen en de pensionstallen. Dit betreft in hoge mate de gebruiksgerichte paardenhouderij. Maneges worden als afzonderlijke vorm gezien, omdat deze hoofdzakelijk een functie van ontspanning en invulling van de vrije tijd van mensen hebben. De productiegerichte paardenhouderij (paardenfokkerij) valt binnen de definitie van “agrarisch bedrijf”. Dit betekent dat binnen de algemene agrarische bedrijfsbestemming deze activiteiten mogelijk zijn. Deze manier van regelen maakt het makkelijk voor agrarische bedrijven om over te schakelen op de paardenfokkerij of deze als neventak op te zetten. Er is geen planologische procedure voor nodig. Vestiging van een gebruiksgerichte paardenhouderij is alleen toegestaan in bestaande agrarische bedrijfsgebouwen c.q. binnen een bouwvlak. Hierbij dient in acht te worden genomen dat het een omschakeling betreft van een agrarische bedrijfsfunctie naar een, in veel gevallen, niet-agrarische bedrijfsfunctie. In het bestemmingsplan wordt hiervoor een wijzigingsbevoegdheid met randvoorwaarden opgenomen. Manegebedrijven hebben een publieksgerichte functie met de bijbehorende verkeersaantrekkende werking. Op basis hiervan zijn manegebedrijven niet overal wenselijk in het buitengebied. Ook is het voor het manegebedrijf zelf belangrijk dat het bedrijf in de nabijheid van een kern of kernen ligt. Op basis van de opvallende ruimtelijke uitstraling ligt het voor de hand om manegebedrijven een specifieke bestemming of een recreatieve bestemming te geven. Bebouwing Ten behoeve van het goed functioneren van een paardenhouderij zijn een bedrijfswoning, een gebouw met stallen, een buitenrijbak, een rijhal met ontvangstruimte (indien sprake is van volwaardigheid), een mestopslag, een loods voor opslag en stalling, een stapmolen en een longeercirkel toegestaan. De buitenbaan, een stapmolen en longeercirkel mogen vanwege hun verschijningsvorm ook buiten het te bebouwen deel van de bestemming worden opgericht, maar moeten wel binnen de bestemming zijn gelegen. Verblijven voor personeel/stageverblijven zijn alleen met een afwijking van de gebruiksregels toegestaan. Voor het overige gelden dezelfde bouwvoorwaarden als bij een grondgebonden agrarisch bedrijf. Indien een buitenbak aansluitend aan een agrarisch bouwperceel wordt gerealiseerd gelden de voorwaarden zoals opgenomen in de volgende subparagraaf. Randvoorwaarden De volgende randvoorwaarden worden geformuleerd: Voordat er sprake kan zijn van een omschakeling zal de ondernemer in een bedrijfsplan aantonen dat er sprake is van een bedrijf met toekomstperspectief. De activiteit zal plaatsvinden binnen de bestaande bebouwing, dan wel de bestaande bouwmassa. Een binnenrijbaan is alleen toegestaan binnen de bestaande bebouwing, nieuwbouw is alleen mogelijk als de bestaande bebouwing dit niet toelaat. Bij nieuwbouw van een binnenrijhal zal minimaal de helft van de al dan niet vrijstaande bedrijfsgebouwen worden gesaneerd. Karakteristieke bebouwing met cultuurhistorische en/of architectonische waarde blijft behouden. Visuele uitstraling van het (voormalige) agrarische complex sluit aan bij de landschappelijke omgeving. Indien een buitenbak wordt gewenst, zal deze gerealiseerd worden binnen het bestaande bouwvlak in aansluiting op de (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen. Meer randvoorwaarden voor een buitenbak zijn gegeven in de volgende paragraaf. Het bedrijfscomplex zal landschappelijk worden ingepast met een schermzone bestaande uit inheemse beplanting. De locatie ligt aan een verharde weg. Deze weg zal de verkeersbelasting van de nieuwe activiteit kunnen verwerken. Er wordt in voldoende mate voorzien in de parkeerbehoefte op eigen erf. Bij een manege is een kleinschalige horecafunctie toegestaan welke ondergeschikt is aan de hoofdfunctie. Een gebruiksgerichte paardenhouderij heeft een minimale afstand van 50 meter tot woningen van derden. 4.7.2 Buitenbak Bij het realiseren van een buitenbak wordt uitgegaan van het vereiste van een productiegerichte dan wel gebruiksgerichte paardenhouderij. Een van de hoofduitgangspunten bij productiegerichte paardenhouderijen is dat de paardenbak moet zijn gesitueerd op gronden met de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf’. In voorkomende gevallen kan dat betekenen dat gebouwen of bouwwerken dienen te wijken voor de realisatie van een paardenbak. Er kan zich echter de situatie voordoen dat binnen de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' geen ruimte kan worden gevonden voor een buitenbak met de gewenste afmetingen en dat afbraak of verwijdering van bestaande gebouwen of bouwwerken of het creëren van ruimte anderszins vanwege zwaarwegende bedrijfseconomische redenen redelijkerwijs niet kan worden verlangd. Het aanleggen van een paardenbak kan dan alleen geschieden op aansluitende gronden, gelegen buiten de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf’, zoals aangrenzende weilanden. Agrarische bedrijven met bijvoorbeeld rundvee die willen overschakelen op het productiegericht houden van paarden zouden daarmee kunnen worden belemmerd in hun omschakelingsproces. Dat laatste kan een negatieve invloed hebben op het in standhouden van de aanwezige ruimtelijke kwaliteit. Om te voorkomen dat een omschakelingsproces onnodig wordt belemmerd zal voor het realiseren van een buitenbak in die gevallen een omgevingsvergunning moeten worden verleend. Randvoorwaarden Om een aantasting van de te beschermen ruimtelijke belangen in het buitengebied door het aanleggen van paardenbakken te beperken en waar nodig te voorkomen, worden de volgende randvoorwaarden geformuleerd met betrekking tot het verlenen van een omgevingsvergunning: De totale buitenbak wordt gerealiseerd binnen een straal van 70 meter van het hoofdgebouw. De afstand van een manege en/of een paardenbak tot een woning van derden bedraagt minimaal 50 meter. De buitenbak heeft een maximale omvang van 20 x 40 meter. Een goede landschappelijke inpassing is gewaarborgd. Er mag geen hinderlijke buitenverlichting, door lichtmasten, en/of stofoverlast in het buitengebied - in welke mate dan ook – ontstaan. De maximumhoogte van een lichtmast bedraagt 5 m. De lichtmast dient te zijn gericht op de buitenbak en mag niet tot voor de omgeving hinderlijke gevolgen leiden. De buitenbak wordt achter de voorgevelrooilijn geplaatst. Er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van: het straat- en bebouwingsbeeld; het woon- en leefklimaat; de verkeersveiligheid; de sociale veiligheid; de milieusituatie; de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; de landschappelijke en/of natuurlijke waarden en/of archeologische waarden van de gronden; de waterstaatskundige en waterhuishoudkundige waarden van de gronden en van de aangrenzende gronden. 4.8 Boom- en fruitteelt Boom- en fruitteelt hebben een landschappelijke impact. Bomen kunnen bijvoorbeeld een groot deel van het uitzicht op een gebied belemmeren. Hetzelfde geldt voor fruitteelt. Op basis van de landschapstypering volgens de op te stellen notitie Ruimtelijke Kwaliteit Buitengebeid zal dit verder worden uitgewerkt. Daarna kan worden aangegeven waar dergelijke activiteiten al dan niet mogelijk zijn. Analoog aan het ontwerp bestemmingsplan buitengebied 2007 zal dit leiden tot het aanwijzen van gebieden waar het aanplanten van bomen voor bijvoorbeeld hout- of fruitteelt niet is toegestaan, dan wel de verplichting tot het hebben van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde (de vroegere aanlegvergunning). Op die manier kunnen landschappelijke aspecten worden meegenomen in de locatiekeuze voor bepaalde vormen van teelt. Randvoorwaarden Samenvattend kan de volgende randvoorwaarde worden geformuleerd: De boomgaard leidt niet tot een onevenredige aantasting van de landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische en visueel landschappelijke waarden. 4.9 Teeltondersteunende voorzieningen 4.9.1 Algemeen Teeltondersteunende voorzieningen zijn in, op of boven de grond aangebrachte voorzieningen die door agrarische bedrijven met plantaardige teelten worden gebruikt om de volgende doelen na te streven: verbeteren van de productie, onder meer door teeltvervroeging en –verlating, terugdringing van onkruidgroei en beperking van vraat; verbeteren van de arbeidsomstandigheden, onder meer door gewassen verhoogd te telen; bereiken van positieve effecten op milieu en water (bodembescherming, terugdringen onkruidbestrijding, effectief omgaan met water). Voorbeelden van teeltondersteunende voorzieningen zijn aardbeiteelttafels, afdekfolies, anti-worteldoek, boomteelthekken, hagelnetten, insectengaas, plastic tunnels, ondersteunende kassen en vraatnetten. Voorts kan er onderscheid worden gemaakt in niet-vaste, omkeerbare (tijdelijke) voorzieningen en permanente voorzieningen. Vanuit de provincie zijn concentratiegebieden voor glastuinbouw aangegeven. Deze gebieden liggen niet binnen de gemeente Steenwijkerland. In deze paragraaf wordt dan ook geen aandacht besteed aan de glastuinbouw en glastuinbouwbedrijven. De bestaande (legale) glastuinbouwbedrijven worden positief bestemd met een specifieke bestemming. 4.9.2 Ruimtelijke consequenties van teeltondersteunende voorzieningen In het provinciale beleid staat verwoord dat het plaatsen van tunnels en kassen grote landschappelijke gevolgen heeft. De opgaande structuur van deze voorzieningen, meestal in wit plastic of glas, zorgt voor een inbreuk op het landschap (sterke zichtbaarheid). Voor bepaalde teelten is het noodzakelijk, dat er zogenaamde assimilatieverlichting wordt gebruikt. Dit kan lichthinder voor zowel mens als dier tot gevolg hebben. Het gebruik van boomteelthekken, heeft een permanent karakter met in met name een open landschap, negatieve effecten. Door het gebruik van worteldoek en het aanleggen van containervelden wordt de directe relatie met de bodem verbroken. Worteldoek heeft verder geen invloed op het ruimtelijke systeem. Het aanleggen van containervelden, waarbij verhardingen en waterdicht doek wordt gebruikt, heeft invloed op o.a. het watersysteem. Bij deze teeltvormen is het nog de vraag of hier sprake is van grondgebonden teelten. Het gebruik van aardbeiteelttafels komt momenteel nog niet voor binnen de gemeente Steenwijkerland. Het ruimtelijke effect bij gebruik van deze teelttafels is tweeledig: de relatie met de bodem is verbroken en het landschap krijgt een industrieel karakter. Afdekfolie wordt jaarlijks voor een korte periode gebruikt en heeft weinig tot geen ruimtelijke consequenties. Hagelnetten, insectengaas en vraatnetten zijn van niet-permanente aard en hebben een open structuur waardoor er weinig ruimtelijke consequenties aan het gebruik zijn verbonden. De afdekfolie zoals die wordt gebruikt bij de aspergeteelt komt in Steenwijkerland niet voor. Gezien het ontbreken van een ruimtelijke relevantie en de afwezigheid ervan in Steenwijkerland wordt er op deze onderwerpen niet verder ingegaan. 4.9.3 Beleid De plaatsing van hoge boogkassen (1,20 meter en hoger) en teeltondersteunende kassen is verbonden aan het verkrijgen van een omgevingsvergunning, voor zover gelegen buiten het bouwvlak van het agrarisch bedrijf. De provincie heeft in haar beleid een maximum opgenomen van 500 m² aan deze teeltondersteunende kassen en boogtunnels per bedrijf. Gemeentelijk wordt hierop aangesloten. Het aanleggen van containervelden is een vorm van het verharden van de bodem. Dit is toegestaan binnen de bestaande agrarische bouwpercelen. Het verharden buiten het agrarisch bouwperceel dient geregeld te worden op basis van een aanlegvergunningsstelsel. In de gebieden met de aanduiding EHS/Natura 2000-gebieden wordt het aanbrengen van containervelden uitgesloten. Het gebruik van aardbeiteelttafels heeft ruimtelijk effect. Er wordt een beeld van een industrieel karakter opgeroepen en de verbondenheid met de bodem is verdwenen. Op basis van deze omstandigheden worden aardbeiteelttafels alleen toegestaan op het agrarische bouwperceel. Hiervoor kan het bouwperceel worden verruimd tot maximaal 1,5 hectare bij een volwaardig tuinbouwbedrijf. Wanneer het bouwperceel wordt vergroot ten behoeve van de aardbeiteelttafels, dient de landschappelijke inpassing ter plaatse gewaarborgd te worden. Lage, tijdelijk aan te brengen voorzieningen zoals afdekfolie en lage tunnels en enkele voorzieningen van bijzondere aard, zoals vraatnetten en boomteelthekken kunnen onder voorwaarden worden toegestaan buiten het agrarische bouwperceel. Binnen de EHS zijn teeltondersteunende voorzieningen niet toegestaan vanwege met name landschappelijke aantasting. Randvoorwaarden Samenvattend kunnen de volgende randvoorwaarden worden geformuleerd: De plaatsing van teeltondersteunende voorzieningen binnen het bouwvlak is toegestaan. De plaatsing van teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwvlak binnen de EHS is niet toegestaan en indien buiten de EHS verbonden aan een afwijkingsbevoegdheid (omgevingsvergunning). Hierbij moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan: Maximaal 500 m² aan teeltondersteunende kassen en boogkassen voor plantaardige teelt per bedrijf mag worden opgericht. Er kan een landschappelijke inpassing worden gevraagd. Er mag geen onevenredige aantasting plaatsvinden van: het straat- en bebouwingsbeeld; het woon- en leefklimaat; de verkeersveiligheid; de sociale veiligheid; de milieusituatie; de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; de landschappelijke en/of natuurlijke waarden en/of archeologische waarden van de gronden; de waterstaatskundige en waterhuishoudkundige waarden van de gronden en van de aangrenzende gronden. 4.10 Bedrijfswoningen bij agrarische bedrijven Het eerste uitgangspunt spreekt voor zich en behoeft geen verdere uitwerking. De realisatie van een tweede bedrijfswoning is gekoppeld aan een aantal randvoorwaarden. Daarbij is met name bepalend of de bedrijfsvoering en de arbeidsbehoefte op het bedrijf een tweede bedrijfswoning noodzakelijk maken. Uitgangspunt is dat maximaal twee bedrijfswoningen kunnen worden opgericht. Ook de aard van het bedrijf (de mate van mechanisatie en automatisering, de wijze van huisvesting van het vee, het bedrijfstype en de verkaveling) kunnen een rol spelen bij de beoordeling van de toelaatbaarheid. De agrarische (duurzame) noodzaak voor de realisatie van een tweede agrarische bedrijfswoning wordt door de ondernemer aangetoond. Als ondergrens voor een tweede agrarische bedrijfswoning hanteert de gemeente een ondergrens van 120 nge. Randvoorwaarden De volgende randvoorwaarden worden gehanteerd: Per bedrijf is slechts één bedrijfswoning toegestaan, deze wordt nader aangeduid op de verbeelding. De inhoud van een bedrijfswoning bedraagt maximaal 750 m³, dan wel maximaal de bestaande inhoud. De goothoogte van de bedrijfswoning bedraagt maximaal 3,50 meter. De bedrijfswoning wordt met een kap van minimaal 30° en maximaal 60° afgedekt. Ondergronds bouwen is toegestaan, onder de voorwaarden zoals opgenomen in paragraaf 9.3. De gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen bij de bedrijfswoning mag maximaal 75 m² bedragen. Bijgebouwen bij de bedrijfswoning worden op ten minste 3,00 m achter de naar de weg gekeerde gevel(
- s)van het hoofdgebouw dan wel in het verlengde daarvan gebouwd. Bijgebouwen bij de bedrijfswoning worden met een kap van minimaal 30° en maximaal 60° afgedekt. De goothoogte van bijgebouwen bij de bedrijfswoning bedraagt maximaal 3,50 meter. De bouwhoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 80% van de bouwhoogte van de bedrijfswoning. Met betrekking tot het toestaan van een tweede bedrijfswoning worden de volgende randvoorwaarden gehanteerd: De tweede bedrijfswoning mag alleen worden opgericht bij grondgebonden agrarische bedrijven welke zijn gericht op het houden van dieren en niet-grondgebonden agrarische bedrijven welke zijn gericht zijn op het houden van fokzeugen en/of boerderijen voor pluimvee. De noodzaak voor bedrijfsvoering met twee volwaardige arbeidskrachten is aangetoond, met dien verstande dat de omvang ten minste 120 nge bedraagt. Er is sprake van een duurzame voortzetting van het agrarische bedrijf. Beide medewerkers zijn fulltime werkzaam op het bedrijf. De uitvoerbaarheid, waaronder toelaatbaarheid en maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid, is aangetoond. Er wordt in voldoende mate voorzien in de parkeerbehoefte op eigen erf. Het goede woon- en leefklimaat ter plaatse blijft gewaarborgd. Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Hoofdstuk5Niet agrarische bedrijven en functies 5.1 Inleiding Het landelijke gebied is de laatste jaren volop in verandering. Er is een afname van agrarische bedrijven, waardoor er steeds meer (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen leeg komen te staan. Afbraak daarvan betekent kapitaalvernietiging en brengt daar bovenop sloopkosten met zich mee. Hoewel er diverse stimulerende regelingen bestaan met betrekking tot sloop, zoals bijvoorbeeld ‘Rood voor Rood’, komen er ook steeds meer initiatieven die zien op niet-agrarisch (her)gebruik van vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen, bijvoorbeeld door kleinere ondernemers als timmerbedrijven of installateurs die de gebouwen gebruiken voor opslag. Ook verhuur aan particulieren ten behoeve van de stalling van bijvoorbeeld caravans en boten komt regelmatig voor. Op het gebied van recreatie dienen zich ook initiatieven aan voor niet-agrarisch hergebruik van agrarische bedrijven. Bijvoorbeeld voor activiteiten op het gebied van wellness of verblijfsrecreatie in de vorm van groepsaccommodaties. Een ander relatief nieuw fenomeen dat bij agrarische bedrijven voorkomt, is het ontplooien van nevenactiviteiten. Dat kunnen zowel zorggerelateerde activiteiten zijn, zoals zorgboerderijen en kinderopvang, als activiteiten gericht op toerisme en recreatie in de vorm van verblijfsmogelijkheden of bijvoorbeeld activiteiten als boerengolf, of bed&breakfast/logies. In zo’n geval is geen sprake van een omschakeling, maar een uitbreiding van de activiteiten. De hoofdfunctie blijft dan het agrarisch bedrijf. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de mogelijkheden voor omschakeling van en nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven in het buitengebied. 5.2 Vrijkomende agrarische bebouwing 5.2.1 Lichte bedrijvigheid en wonen Vrijkomende agrarische bebouwing kan goed worden gebruikt voor kleinere (startende) ondernemingen die te klein zijn voor een bedrijventerrein en vooral op locatie werken, zoals installatietechniek en zakelijke dienstverlening. Dit kan eventueel worden gecombineerd met een woning in de vorm van een woon-werklocatie. Voor wat betreft de randvoorwaarden kunnen dezelfde randvoorwaarden worden gehanteerd als voor solitaire bedrijvigheid in woongebieden, namelijk bedrijven van milieucategorie 1 en 2, als opgenomen op een door de gemeente gehanteerde toegesneden bedrijvenlijst (afgeleid van de VNG-publicatie). Deze lijst is als bijlage 3 bij deze beleidsnotitie opgenomen. Het is wel gewenst dat bij de beoogde omschakeling een ruimtelijke kwaliteitsverbetering plaatsvindt. Dat is onderwerp van onderhandeling met de initiatiefnemer. Daarbij kan worden gedacht aan een verbetering van het landschap of een goede landschappelijke inpassing door het groen omzoomen van het perceel c.q. inpassen van (nieuwe) bebouwing met streekeigen beplanting. Bij de invulling daarvan kan aansluiting worden gezocht bij het Landschapsontwikkelingsplan en de notitie Ruimtelijke Kwaliteit Buitengebied (RKB). Hiermee wordt het ‘ja, mits-principe’ toegepast wat inhoudt dat, mits de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten in het buitengebied behouden of versterkt worden, ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn. Kwaliteitsverbetering kan ook worden gerealiseerd door de sloop van overtollige bebouwing. De initiatiefnemer dient aan de hand van een bedrijfsplan aan te tonen welk gebruiksvloeroppervlak hij nodig heeft voor de nieuwe functie. De overtollige gebouwen dienen te worden gesloopt. Het uitgangspunt is dat de nieuwe functie wordt gevestigd in de bestaande bebouwing. Uitbreiding van de bebouwing is niet toegestaan. Vervanging van de bestaande bebouwing ten behoeve van de nieuwe functie is in beginsel wel mogelijk, maar daarbij geldt dat na sloop maximaal 75% van de oppervlakte van de gesloopte gebouwen mag worden teruggebouwd. Wel dient karakteristieke bebouwing behouden te blijven. Evenals het ontwerp bestemmingsplan Buitengebied 2007 wordt het ook in het nieuwe bestemmingsplan mogelijk om bij beëindiging van het agrarische bedrijf de bestemming te wijzigen ten behoeve van de woonfunctie. Randvoorwaarden Samenvattend kunnen de volgende randvoorwaarden worden geformuleerd: De omschakeling naar lichte bedrijvigheid van categorie 1 en 2, als opgenomen op een toegesneden bedrijvenlijst, is mogelijk (zie bijlage 3), evenals de omschakeling naar ‘Wonen’. Het uitgangspunt is dat de nieuwe functie wordt gevestigd in de bestaande bebouwing. Buitenopslag is niet toegestaan. Er vindt een kwaliteitsverbetering plaats door een goede landschappelijk inpassing van de (nieuwe) bebouwing, waarbij is voldaan aan de eisen die zijn gesteld in de notitie RKB. Voor de vestiging van de nieuwe functie in de vorm van lichte bedrijvigheid wordt een passende maximale oppervlakte gehanteerd, die wordt bepaald aan de hand van een door de initiatiefnemer te overleggen bedrijfsplan en vervolgens wordt vastgelegd in het nieuwe ruimtelijke besluit. Voor de vestiging van de nieuwe functie in de vorm van lichte bedrijvigheid zal overtollige voormalige agrarische bebouwing worden gesloopt, waarbij ook aandacht wordt geschonken aan het toekomstperspectief. Voor de vestiging van de nieuwe functie wonen zal overtollige voormalige agrarische bebouwing eveneens worden gesloopt. Vervanging van bedrijfsgebouwen ten behoeve van de nieuwe functie lichte bedrijvigheid is mogelijk tot maximaal 75% van de oppervlakte van de gesloopte bebouwing. Karakteristieke bebouwing blijft behouden. De uitvoerbaarheid, waaronder toelaatbaarheid en maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid, is aangetoond. Er wordt in voldoende mate voorzien in de parkeerbehoefte op eigen erf. Het goede woon- en leefklimaat ter plaatse blijft gewaarborgd. Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Er mag geen sprake zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking. 5.2.2 Statische opslag Leegstaande agrarische gebouwen kunnen worden hergebruikt voor de opslag van statische goederen, zoals caravans, campers, boten en (klassieke) auto’s. Op die manier wordt voorzien in een behoefte tot stalling van dergelijke goederen, die mensen meestal niet op het eigen perceel kunnen of mogen stallen en die vaak ook niet in de openbare ruimte mogen (blijven) staan. Bovendien is door een nieuwe invulling van bestaande bebouwing sprake van zuinig ruimtegebruik. Zeker in geval van karakteristieke bebouwing kan dat een goede ontwikkeling zijn. Het is wel gewenst dat bij de beoogde omschakeling een ruimtelijke kwaliteitsverbetering plaatsvindt. Dat is onderwerp van onderhandeling met de initiatiefnemer. Daarbij kan worden gedacht aan een goede landschappelijke inpassing door het groen omzoomen van het perceel c.q. inpassen van (nieuwe) bebouwing met streekeigen beplanting. Bij de invulling daarvan kan aansluiting worden gezocht bij het Landschapsontwikkelingsplan en de notitie RKB. Kwaliteitsverbetering kan ook worden gerealiseerd door de sloop van overtollige bebouwing. De initiatiefnemer dient aan de hand van een bedrijfsplan aan te tonen welk gebruiksvloeroppervlak hij nodig heeft voor de nieuwe functie. De overtollige gebouwen dienen te worden gesloopt. Het uitgangspunt is dat de nieuwe functie wordt gevestigd in de bestaande bebouwing. Uitbreiding van de bebouwing is niet toegestaan. Vervanging van de bestaande bebouwing ten behoeve van de nieuwe functie is in beginsel wel mogelijk, maar daarbij geldt dat na sloop maximaal 75% van de oppervlakte van de gesloopte gebouwen mag worden teruggebouwd. Wel dient karakteristieke bebouwing behouden te blijven. Randvoorwaarden Samenvattend kunnen de volgende randvoorwaarden worden geformuleerd: Slechts opslag van statische goederen is toegestaan, waaronder wordt verstaan: opslag van goederen die naar hun aard weinig verplaatsing behoeven, zoals caravans, campers, boten en (klassieke) auto’s. Stalling buiten is niet toegestaan. Er vindt een kwaliteitsverbetering plaats door een goede landschappelijke inpassing van de (nieuwe) bebouwing, waarbij is voldaan aan de eisen die zijn gesteld in de notitie RKB. Voor de vestiging van de nieuwe functie wordt een passende maximale oppervlakte gehanteerd, die wordt bepaald aan de hand van een door de initiatiefnemer te overleggen bedrijfsplan en vervolgens wordt vastgelegd in het nieuwe ruimtelijke besluit. Overtollige voormalige agrarische bebouwing zal worden gesloopt. Vervanging van bedrijfsgebouwen ten behoeve van de nieuwe functie is mogelijk tot maximaal 75% van de oppervlakte van de gesloopte bebouwing. Karakteristieke bebouwing blijft behouden. De uitvoerbaarheid, waaronder toelaatbaarheid en maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid, is aangetoond. Er wordt in voldoende mate voorzien in de parkeerbehoefte op eigen erf. Het goede woon- en leefklimaat ter plaatse blijft gewaarborgd. Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. 5.2.3 Hoogwaardige recreatieve voorzieningen Uit het gemeentelijk recreatiebeleid blijkt dat behoefte is aan nieuwe hoogwaardige recreatieve voorzieningen. Daarbij kan worden gedacht aan wellness- en relaxvoorzieningen, maar bijvoorbeeld ook aan dagrecreatieve activiteiten voor groepen of routeondersteunende voorzieningen. De kwaliteit en het onderscheidend vermogen van de aangeboden voorzieningen is afhankelijk van initiatieven van en de uitvoering door ondernemers. Het is echter wel gewenst ten aanzien van dergelijke initiatieven een belangenafweging te kunnen maken. Daarbij zal moeten worden gekeken naar de gebruikelijke randvoorwaarden als geformuleerd in hoofdstuk 6 en 11, behoud van het goed woon- en leefklimaat en een eventuele inbreuk op de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Het is gewenst dat bij de beoogde omschakeling een ruimtelijke kwaliteitsverbetering plaatsvindt. Dat is onderwerp van onderhandeling met de initiatiefnemer. Daarbij kan worden gedacht aan een goede landschappelijke inpassing door het groen omzoomen van het perceel c.q. inpassen van (nieuwe) bebouwing met streekeigen beplanting. Bij de invulling daarvan kan aansluiting worden gezocht bij het Landschapsontwikkelingsplan en de notitie RKB. Kwaliteitsverbetering kan ook worden gerealiseerd door de sloop van overtollige bebouwing. De initiatiefnemer dient aan de hand van een bedrijfsplan aan te tonen welk gebruiksvloeroppervlak hij nodig heeft voor de nieuwe functie. De overtollige gebouwen dienen te worden gesloopt. Het uitgangspunt is dat de nieuwe functie wordt gevestigd in de bestaande bebouwing. Uitbreiding van de bebouwing is niet toegestaan. Vervanging van de bestaande bebouwing ten behoeve van de nieuwe functie is in beginsel wel mogelijk, maar daarbij geldt dat na sloop maximaal 75% van de oppervlakte van de gesloopte gebouwen mag worden teruggebouwd. Wel dient karakteristieke bebouwing behouden te blijven. Voorts geldt dat geen woningen aan de woningvoorraad mogen worden onttrokken ten behoeve van recreatieve voorzieningen. Randvoorwaarden Samenvattend kunnen de volgende randvoorwaarden worden geformuleerd: Er vindt een kwaliteitsverbetering plaats door een goede ruimtelijke inpassing van de (nieuwe) bebouwing, waarbij is voldaan aan de eisen die zijn gesteld in de notitie RKB. Voor de vestiging van de nieuwe functie wordt een passende maximale oppervlakte gehanteerd, die wordt bepaald aan de hand van een door de initiatiefnemer te overleggen bedrijfsplan en vervolgens wordt vastgelegd in het nieuwe ruimtelijke besluit. Overtollige voormalige agrarische bebouwing zal worden gesloopt. Vervanging van bedrijfsgebouwen ten behoeve van de nieuwe functie is mogelijk tot maximaal 75% van de oppervlakte van de gesloopte bebouwing. Karakteristieke bebouwing blijft behouden. Er mogen geen woningen aan de woningvoorraad worden onttrokken ten behoeve van recreatieve voorzieningen. De uitvoerbaarheid, waaronder toelaatbaarheid en maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid, is aangetoond. Er wordt in voldoende mate voorzien in de parkeerbehoefte op eigen erf. Het goede woon- en leefklimaat ter plaatse blijft gewaarborgd. Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Er mag geen sprake zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking. 5.2.4 Overige recreatieve activiteiten Andere initiatieven op het gebied van logiesverstrekking en dagrecreatie als bed & breakfast c.q. boerderijkamers, complementaire daghoreca, toonzalen, expositieruimten, ateliers, praktijkruimten en educatie, al dan niet in combinatie met elkaar komen regelmatig voor. In beginsel kan daar medewerking aan worden verleend. De kwaliteit en het onderscheidend vermogen van de aangeboden voorzieningen is afhankelijk van initiatieven van en de uitvoering door ondernemers. Het is echter wel gewenst ten aanzien van dergelijke initiatieven een belangenafweging te kunnen maken. Daarbij zal moeten worden gekeken naar de gebruikelijke randvoorwaarden als geformuleerd in hoofdstuk 6 en 11, behoud van het goed woon- en leefklimaat en een eventuele inbreuk op de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Groepsaccommodaties hebben grotere gezamenlijke slaapvertrekken voor het nachtverblijf van groepen. Deze voorzieningen voldoen echter niet meer aan de tegenwoordig gevraagde kwaliteit. Wanneer desondanks een verzoek hiertoe binnenkomt is het wel gewenst dat bij de beoogde omschakeling een ruimtelijke kwaliteitsverbetering plaatsvindt. Dat is onderwerp van onderhandeling met de initiatiefnemer. Daarbij kan worden gedacht aan een goede landschappelijke inpassing door het groen omzoomen van het perceel c.q. inpassen van (nieuwe) bebouwing met streekeigen beplanting. Bij de invulling daarvan kan aansluiting worden gezocht bij het Landschapsontwikkelingsplan en de notitie RKB. In principe wordt een beleid van clustering van horeca in de kernen nagestreefd en wordt terughoudend omgegaan voor wat betreft het ontstaan van volwaardige horecavestigingen buiten de daarvoor beoogde gebieden. In de gemeente Steenwijkerland is behoefte aan hotelaccommodatie. Hiervoor zal een afzonderlijke bestemmingsplanprocedure worden gevoerd (zie hoofdstuk 8). Complementaire daghoreca als nevenactiviteit wordt toegestaan, waaronder wordt verstaan: ‘een aan de hoofdfunctie ondergeschikt horecabedrijf dat is gericht op het hoofdzakelijk overdag verstrekken van dranken en etenswaren’. Ook ten aanzien van het bijbehorende terras kan het wenselijk zijn aanvullende voorwaarden te stellen, bijvoorbeeld om een toename van het verhard oppervlak te voorkomen. De ondergeschiktheid zal in het betreffende ruimtelijke besluit moeten worden vastgelegd, bijvoorbeeld op de verbeelding van het bestemmingsplan of het opnemen van een maximale oppervlakte in het besluit. Het is voorts gewenst dat bij de beoogde omschakeling een ruimtelijke kwaliteitsverbetering plaatsvindt. Dat is onderwerp van onderhandeling met de initiatiefnemer. Daarbij kan worden gedacht aan een goede landschappelijke inpassing door het groen omzoomen van het perceel c.q. inpassen van (nieuwe) bebouwing met streekeigen beplanting. Bij de invulling daarvan kan aansluiting worden gezocht bij het Landschapsontwikkelingsplan en de notitie RKB. Kwaliteitsverbetering kan ook worden gerealiseerd door de sloop van overtollige bebouwing. De initiatiefnemer dient aan de hand van een bedrijfsplan aan te tonen welk gebruiksvloeroppervlak hij nodig heeft voor de nieuwe functie. De overtollige gebouwen dienen te worden gesloopt. Het uitgangspunt is dat de nieuwe functie wordt gevestigd in de bestaande bebouwing. Uitbreiding van de bebouwing is niet toegestaan. Vervanging van de bestaande bebouwing ten behoeve van de nieuwe functie is in beginsel wel mogelijk, maar daarbij geldt dat na sloop maximaal 75% van de oppervlakte van de gesloopte gebouwen mag worden teruggebouwd. Wel dient karakteristieke bebouwing behouden te blijven. Voorts geldt dat geen woningen aan de woningvoorraad mogen worden onttrokken ten behoeve van recreatieve voorzieningen. Randvoorwaarden Samenvattend kunnen de volgende randvoorwaarden worden geformuleerd: Horeca is slechts toegestaan als nevenactiviteit in de vorm van complementaire daghoreca, met een maximale oppervlakte, inclusief terras, van 100 m2. Op basis van de navolgende randvoorwaarden (o.a. woon- en leefklimaat) zullen mogelijk nadere voorwaarden worden gesteld aan de omvang en situering van een terras ten behoeve van de complementaire horeca-activiteiten. Er vindt een kwaliteitsverbetering plaats door een goede ruimtelijke inpassing van de (nieuwe) bebouwing, waarbij is voldaan aan de eisen die zijn gesteld in de notitie RKB. Voor de vestiging van de nieuwe functie wordt een passende maximale oppervlakte gehanteerd, die wordt bepaald aan de hand van een door de initiatiefnemer te overleggen bedrijfsplan en vervolgens wordt vastgelegd in het nieuwe ruimtelijke besluit. Overtollige voormalige agrarische bebouwing zal worden gesloopt. Vervanging van bedrijfsgebouwen ten behoeve van de nieuwe functie is mogelijk tot maximaal 75% van de oppervlakte van de gesloopte bebouwing. Karakteristieke bebouwing blijft behouden. Er mogen geen woningen aan de woningvoorraad worden onttrokken ten behoeve van recreatieve voorzieningen. De uitvoerbaarheid, waaronder toelaatbaarheid en maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid, is aangetoond. Er wordt in voldoende mate voorzien in de parkeerbehoefte op eigen erf. Het goede woon- en leefklimaat ter plaatse blijft gewaarborgd. Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Er mag geen sprake zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking. 5.2.5 Zorggerelateerde activiteiten Het aantal zorgboerderijen is landelijk in de afgelopen 10 jaar vervijfvoudigd. Ze voorzien enerzijds in de behoefte om zorgbehoevenden zoveel mogelijk deel uit te laten blijven maken van de samenleving en anderzijds vormt het voor agrarische bedrijven een goede nieuwe mogelijkheid voor een omschakeling. De gronden blijven dan in gebruik voor agrarische activiteiten, maar dat gebruik is veelal minder intensief dan bij een reguliere agrarische bedrijfsvoering. In beginsel kan dan ook medewerking worden verleend aan een dergelijk initiatief. Ook andere maatschappelijke functies, bijvoorbeeld ten aanzien van dagopvang c.q. dagbesteding, kunnen in aanmerking komen om voormalige agrarische bebouwing in te vullen. Het is gewenst dat bij de beoogde omschakeling een ruimtelijke kwaliteitsverbetering plaatsvindt. Dat is onderwerp van onderhandeling met de initiatiefnemer. Daarbij kan worden gedacht aan een goede landschappelijke inpassing door het groen omzoomen van het perceel c.q. inpassen van (nieuwe) bebouwing met streekeigen beplanting. Bij de invulling daarvan kan aansluiting worden gezocht bij het Landschapsontwikkelingsplan en de notitie RKB. Kwaliteitsverbetering kan ook worden gerealiseerd door de sloop van overtollige bebouwing. De initiatiefnemer dient aan de hand van een bedrijfsplan aan te tonen welk gebruiksvloeroppervlak hij nodig heeft voor de nieuwe functie. De overtollige gebouwen dienen te worden gesloopt. Het uitgangspunt is dat de nieuwe functie wordt gevestigd in de bestaande bebouwing. Uitbreiding van de bebouwing is niet toegestaan. Vervanging van de bestaande bebouwing ten behoeve van de nieuwe functie is in beginsel wel mogelijk, maar daarbij geldt dat na sloop maximaal 75% van de oppervlakte van de gesloopte gebouwen mag worden teruggebouwd. Wel dient karakteristieke bebouwing behouden te blijven. Randvoorwaarden Samenvattend worden in ieder geval de volgende randvoorwaarden geformuleerd: Er vindt een kwaliteitsverbetering plaats door een goede ruimtelijke inpassing van de (nieuwe) bebouwing, waarbij is voldaan aan de eisen die zijn gesteld in de notitie RKB. Voor de vestiging van de nieuwe functie wordt een passende maximale oppervlakte gehanteerd, die wordt bepaald aan de hand van een door de initiatiefnemer te overleggen bedrijfsplan en vervolgens wordt vastgelegd in het nieuwe ruimtelijke besluit. Overtollige voormalige agrarische bebouwing zal worden gesloopt. Vervanging van bedrijfsgebouwen ten behoeve van de nieuwe functie is mogelijk tot maximaal 75% van de oppervlakte van de gesloopte bebouwing. Karakteristieke bebouwing blijft behouden. Mogelijk geven de resultaten van het hiervoor bedoelde lopende project aanleiding tot een aanvulling c.q. nadere uitwerking van de randvoorwaarden met betrekking tot vervangende nieuwbouw. De uitvoerbaarheid, waaronder toelaatbaarheid en maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid, is aangetoond. Er wordt in voldoende mate voorzien in de parkeerbehoefte op eigen erf. Het goede woon- en leefklimaat ter plaatse blijft gewaarborgd. Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Er mag geen sprake zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking. 5.3 Nevenactiviteiten agrarische bedrijven Behalve een volledige omschakeling van de bedrijfsvoering, zoeken agrarische bedrijven vaak ook naar mogelijkheden om hun bedrijf uit te breiden met andere activiteiten. Aan de activiteiten als genoemd in paragraaf 5.2 kan in beginsel ook medewerking worden verleend als nevenactiviteit. In dat geval moet er wel een goede balans zijn tussen de agrarische bedrijfsvoering en de overige nevenactiviteiten. Het agrarisch bedrijf is ten allen tijde de hoofdactiviteit, de nevenactiviteiten zijn daaraan ondergeschikt. Om de ‘ondergeschiktheid’ te kunnen waarborgen wordt veelal gewerkt met oppervlaktecriteria, aangezien dat objectief en eenvoudig is en goed aansluit bij de ruimtelijke afweging. Andere methodes, zoals arbeidsproductiviteit, financiële opbrengst of milieuhinder komen ook voor, maar zijn in de praktijk lastiger te toetsen en te handhaven. De betreffende activiteiten zijn mogelijk na afwijking van de gebruiksregels van het bestemmingsplan door middel van een omgevingsvergunning. Randvoorwaarden Bij de redactie van de betreffende afwijkingsbevoegdheden dienen onderstaande randvoorwaarden te worden verwerkt: De functie(
- s)worden ondergebracht in de bestaande bedrijfbebouwing, dan wel in nieuwe bebouwing die past binnen de mogelijkheden die het geldende bestemmingsplan rechtens biedt. De ondergeschiktheid van de betreffende functies zal worden geborgd door het opnemen van (kwantitatieve) voorwaarden (zie onderstaande tabel). De uitvoerbaarheid, waaronder toelaatbaarheid en maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid, is aangetoond. Er wordt in voldoende mate voorzien in de parkeerbehoefte op eigen erf. Het goede woon- en leefklimaat ter plaatse blijft gewaarborgd. Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Er mag geen sprake zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking. Nevenactiviteit Borging ondergeschiktheid Lichte bedrijvigheid (cat. 1,2) max 35% van de bestaande bebouwing Statische opslag max 35% van de bestaande bebouwing Hoogwaardige recreatieve voorzieningen max 35% van de bestaande bebouwing Hoogwaardige zorggerelateerde voorziening max 35% van de bestaande bebouwing en max 10 slaapplaatsen voor logeren. Groepsaccommodaties tot een maximum van 30 slaapplaatsen Overige recreatieve voorzieningen: - Complementaire daghoreca (incl. terras) tot een maximum van 100 m2 - Logiesverstrekking / bed & breakfast tot maximaal 10 slaapplaatsen - Toonzalen, expositieruimten, ateliers, praktijkruimten tot een maximum van 150 m2 - Boerderijkamers tot een maximum van 15 slaapplaatsen, waarbij de vloeroppervlakte van een boerderijkamer maximaal 50 m2 bedraagt en het gezamenlijk oppervlak van meerdere boerderijkamers maximaal 200 m2 bedraagt 5.4 Niet-agrarische bedrijven In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een ruimtelijke scheiding tussen bedrijven en woningen gewenst. Dat speelt behalve op en rond bedrijventerreinen ook rond solitaire bedrijfslocaties. Enerzijds hebben deze solitaire bedrijven bestaande rechten, anderzijds is een goed woon- en leefklimaat voor de omgeving van groot belang. Bedrijven van milieucategorie 1 en 2 zijn over het algemeen goed inpasbaar in het buitengebied. De VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’
(2009)noemt daarvoor – afhankelijk van het gebiedstype – richtafstanden tussen de 0 en 30 meter. Bij de bestemmingsplanactualisatie kunnen dergelijke bedrijven worden toegestaan op solitaire bedrijfslocaties, mits aan de bestemmingsplanregels een goede bedrijvenlijst (ook wel staat van bedrijven) wordt gekoppeld. Bestaande bedrijven van een hogere categorie kunnen niet zonder meer worden ‘wegbestemd’. Ze beschikken over bestaande planologische rechten en maken daar vaak al jarenlang gebruik van. Bedrijven vanaf milieucategorie 3 worden specifiek aangeduid in het bestemmingsplan. Ter plaatse mogen alleen de vigerende bedrijfsactiviteiten worden voortgezet. Bij beëindiging van het bedrijf is alleen nieuwvestiging van een zelfde soort bedrijf toegestaan of een bedrijf tot en van milieucategorie 1 of
- Met een afwijkingsbevoegdheid kunnen bedrijven welke niet zijn genoemd, maar naar hun aard gelijk te stellen zijn met bedrijven als genoemd in de bedrijvenlijst, ook mogelijk worden gemaakt. Randvoorwaarden Samengevat kunnen de volgende randvoorwaarden worden geformuleerd: Op solitaire bedrijfslocaties bedrijven van milieucategorie 1 en 2 toestaan, als genoemd op een bij het betreffende bestemmingsplan te voegen toegesneden bedrijvenlijst. Bestaande bedrijven met een hogere milieucategorie specifiek aanduiden binnen reguliere bestemming ‘Bedrijf’. Met een afwijkingsbevoegdheid kunnen bedrijven welke niet zijn genoemd, maar naar hun aard gelijk te stellen zijn met bedrijven als genoemd in de bedrijvenlijst, ook mogelijk worden gemaakt. De uitvoerbaarheid, waaronder toelaatbaarheid en maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid, is aangetoond. Het goede woon- en leefklimaat ter plaatse blijft gewaarborgd. Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Er mag geen sprake zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking. 5.5 Aan huis verbonden beroepen en bedrijven 5.5.1 Aan huis verbonden beroepen Een aan huis verbonden beroep betreft een dienstverlenend beroep dat op kleine schaal in een woning of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende beroepsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse, niet zijnde detailhandel, behoudens de ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten. Over het feit of aan huis verbonden beroepen zonder expliciete regeling in het bestemmingsplan passen binnen een woonbestemming zijn door de jaren heen diverse uitspraken verschenen. Hoewel daaruit diverse randvoorwaarden zijn ontstaan, blijft de afweging of een bepaald geval past binnen het bestemmingsplan toch casuïstisch. Om op dat punt duidelijkheid te bieden, verdient het de voorkeur daarvoor een expliciete regeling op te nemen in bestemmingsplannen. Het afwegingskader als opgenomen in de “Beleidsnotitie aan huis verbonden beroepen/bedrijven Gemeente Steenwijkerland” uit 2007 kan daartoe, als uitgangspunt, worden vertaald in de specifieke gebruiksregels binnen de relevante bestemmingen. Het afwegingskader kan als volgt worden samengevat: Maximaal 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte mag worden gebruikt voor de uitoefening van het beroep. Er mogen maximaal 2 personen werkzaam zijn, waaronder in elk geval de bewoner. Opslag en buitenactiviteiten zijn niet toegestaan. Reclame-uitingen zijn in beperkte vorm toegestaan (20 x 30 cm). Parkeren dient op eigen terrein te gebeuren, waarbij als uitgangspunt geldt dat de bestaande parkeervoorzieningen niet onevenredig mogen worden belast. De gemeente Steenwijkerland wenst dit beleid echter niet onverkort door te blijven voeren. Zo wordt aanvullend als voorwaarde opgenomen dat het gebruik de woonfunctie dient te ondersteunen, wat inhoudt dat het beroep moet worden uitgeoefend door de bewoner. Tenminste één van de werkzame personen zal dan ook een (hoofd)bewoner moeten zijn. Opslag wordt op basis van de huidige regeling niet toegestaan. Buitenopslag is in elk geval niet gewenst, maar inpandige opslag hoeft geen probleem te zijn, zolang de maximale oppervlakte maar wordt gerespecteerd. Overigens wordt detailhandel expliciet uitgesloten, met uitzondering van beperkte verkoop van aan het betreffende beroep gerelateerde producten tot een maximum van 10% van het toegestane vloeroppervlak ten behoeve van het aan huis verbonden beroep. Daarbij wordt een absoluut maximum van 10 m2 gehanteerd. In afwijking van de beleidsnotitie uit 2007 wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen medische en niet-medische beroepen. Ook wordt geen vast aantal vierkante meters meer gehanteerd om de ondergeschiktheid te borgen. Er kan worden volstaan met een maximum percentage van de toegestane bebouwde oppervlakte (35%). De bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt voor de woonfunctie mogen niet worden verruimd. Bij implementatie van deze regeling in het bestemmingsplan wordt als bijlage bij de regels de lijst van beroepen vastgelegd, zoals opgenomen in bijlage 4 bij deze notitie. Hiernaar zullen de betreffende specifieke gebruiksregels in het bestemmingsplan verwijzen. Met het oog op het stimuleren van de plattelandseconomie zijn aan huis verbonden beroepen niet alleen toegestaan bij burgerwoningen, maar ook bij een bedrijfswoningen. Het feit dat bijvoorbeeld een fotografe met een boer is getrouwd of samenwoont, hoeft het realiseren van een fotostudio aan huis niet in de weg te staan. Randvoorwaarden Samenvattend kunnen de volgende randvoorwaarden worden geformuleerd: Aan huis verbonden beroep rechtstreeks toestaan binnen (bedrijfs)woningen, mits daarvoor de volgende randvoorwaarden worden opgenomen als specifieke gebruiksregels: In totaal mag maximaal 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte worden gebruikt voor de uitoefening van aan huis verbonden beroep(en). Er mogen maximaal 2 personen werkzaam zijn, waaronder in elk geval de bewoner. Buitenopslag en buitenactiviteiten zijn niet toegestaan. Reclame-uitingen zijn in beperkte vorm toegestaan (20 x 30 cm). Er wordt in voldoende mate voorzien in de parkeerbehoefte op eigen erf. De bouwmogelijkheden mogen niet worden verruimd ten opzichte van hetgeen mogelijk is binnen de betreffende bestemming. Detailhandel is niet toegestaan, met uitzondering van detailhandel in aan het betreffende beroep relateerde producten, waarvoor maximaal 10% van de voor het aan huis verbonden beroep gebruikte oppervlakte mag worden gebruikt, tot een absoluut maximum van 10 m
- Er mag geen sprake zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking. 5.5.2 Aan huis verbonden bedrijven Een aan huis verbonden bedrijf betreft het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid dat op kleine schaal in een woning of de daarbij behorende bijgebouwen wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende bedrijfsuitoefening een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse, niet zijnde detailhandel, behoudens de ondergeschikte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten. Er dienen zich de laatste jaren steeds meer initiatieven aan voor de start van een bedrijf aan huis. Uit haar beleid blijkt dat de provincie Overijssel een behoefte aan gedifferentieerde woonmilieus ziet, waaronder een vraag naar mogelijkheden om wonen en werken te combineren. Voor kleine zelfstandige ondernemers kunnen die mogelijkheden worden geboden door het opnemen van een afwijkingsbevoegdheid voor aan huis verbonden bedrijven. Het toetsingskader daarvoor kan worden gebaseerd op de voorwaarden uit de “Beleidsnotitie aan-huis-verbonden beroepen/bedrijven Gemeente Steenwijkerland” uit 2007: De bouwmogelijkheden mogen niet worden verruimd. Maximaal 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte mag worden gebruikt voor de uitoefening van het bedrijf. Er mogen maximaal 2 personen werkzaam zijn. Het onbebouwde gedeelte van het perceel mag niet worden gebruikt voor beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten, met uitzondering van parkeren (opslag en buitenactiviteiten niet toegestaan). De bestaande parkeervoorzieningen mogen niet onevenredig worden belast. Het gebruik dient de woonfunctie te ondersteunen, wat inhoudt dat het bedrijf wordt uitgeoefend door de bewoner. Er is één gevelreclame-uiting toegestaan met een maximale afmeting van 20 x 30 cm. De gemeente Steenwijkerland wenst dit beleid echter niet onverkort door te blijven voeren. Zo wordt aanvullend als voorwaarde opgenomen dat het gebruik de woonfunctie dient te ondersteunen, wat inhoudt dat het bedrijf moet worden uitgeoefend door de bewoner. Tenminste één van de werkzame personen zal dan ook een (hoofd)bewoner moeten zijn. Opslag wordt op basis van de huidige regeling niet toegestaan. Buitenopslag is in elk geval niet gewenst, maar inpandige opslag hoeft geen probleem te zijn, zolang de maximale oppervlakte maar wordt gerespecteerd. Overigens wordt detailhandel expliciet uitgesloten, met uitzondering van beperkte verkoop van aan het betreffende bedrijf gerelateerde producten tot een maximum van 10% van het toegestane vloeroppervlak ten behoeve van het aan huis verbonden bedrijf. Daarbij wordt een absoluut maximum van 10 m2 gehanteerd. In afwijking van de beleidsnotitie uit 2007 wordt geen vast aantal vierkante meters meer gehanteerd om de ondergeschiktheid te borgen. Er kan worden volstaan met een maximum percentage van de toegestane bebouwde oppervlakte (35%). De bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt voor de woonfunctie mogen niet worden verruimd. Bij inpassing van de afwijkingsbevoegdheid in het bestemmingsplan wordt als bijlage bij de regels de lijst van bedrijven vastgelegd, zoals opgenomen in bijlage 4 bij deze notitie. Ten aanzien van parkeren moet er in voldoende mate worden voorzien in de parkeerbehoefte op eigen erf. Randvoorwaarden Samenvattend kunnen de volgende randvoorwaarden worden geformuleerd: Aan huis verbonden bedrijven worden slechts toegestaan na afwijking van de gebruiksregels door middel van een omgevingsvergunning (nadere afweging vereist). Het hiervoor beschreven toetsingskader vertalen naar voorwaarden voor toepassing van de afwijkingsbevoegdheid: Maximaal 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte mag worden gebruikt voor de uitoefening van het bedrijf. Er mogen maximaal 2 personen werkzaam zijn, waaronder in elk geval de bewoner. Buitenopslag en buitenactiviteiten zijn niet toegestaan. Reclame-uitingen zijn in beperkte vorm toegestaan (20 x 30 cm). Er wordt in voldoende mate voorzien in de parkeerbehoefte op eigen erf. De bouwmogelijkheden mogen niet worden verruimd ten opzichte van hetgeen mogelijk is binnen de betreffende bestemming. Detailhandel is niet toegestaan, met uitzondering van detailhandel in aan het betreffende beroep relateerde producten, waarvoor maximaal 10% van de voor het aan huis verbonden beroep gebruikte oppervlakte mag worden gebruikt, tot een absoluut maximum van 10 m
- De uitvoerbaarheid, waaronder toelaatbaarheid en maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid, is aangetoond. Het goede woon- en leefklimaat ter plaatse blijft gewaarborgd. Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Er mag geen sprake zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking. 5.6 Ondergeschikte detailhandel als nevenactiviteit 5.6.1 Detailhandel als nevenactiviteit Ten aanzien van het buitengebied wordt vooraf opgemerkt dat detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit bij wonen of (agrarische) bedrijven slechts mogelijk is na afwijking van de gebruiksregels door middel van een omgevingsvergunning. Uitgezonderd activiteiten die in het verlengde liggen van de agrarische bedrijfsvoering, zoals verkoop van eigen producten. Dit is binnen de agrarische bedrijfsbestemming toegestaan. Blijkens de “Beleidsnotitie aan huis verbonden beroepen/bedrijven Gemeente Steenwijkerland” uit 2007 wordt het assortiment beperkt tot zelfvervaardigde producten. In de notitie wordt daarvoor een maximale oppervlakte van 25 m2 voorgesteld. Voorts wordt geadviseerd zelfstandige winkelruimten in bijgebouwen te voorkomen. Tevens geldt als uitgangspunt dat de verkoopactiviteiten worden uitgevoerd door de bewoner van het pand en niet door derden. Dit beleid wordt niet meer onverkort doorgevoerd. In afwijking van de hiervoor genoemde beleidsnotitie uit 2007, wordt het assortiment niet meer beperkt tot zelfvervaardigde producten. De aanleiding voor het toestaan van ondergeschikte detailhandel als nevenactiviteit is immers het bieden van mogelijkheden voor versterking van de plattelandseconomie. Randvoorwaarden Samenvattend kunnen de volgende randvoorwaarden worden geformuleerd: Ondergeschikte detailhandel als nevenactiviteit wordt slechts toegestaan na afwijking van de gebruiksregels door middel van een omgevingsvergunning (nadere afweging vereist). Detailhandel is niet toegestaan, met uitzondering van detailhandel in aan het betreffende beroep gerelateerde producten, waarvoor maximaal 10% van de voor het aan huis verbonden beroep gebruikte oppervlakte mag worden gebruikt, tot een absoluut maximum van 25 m
- Er mogen maximaal 2 personen werkzaam zijn in de winkel, waaronder in elk geval de bewoner. Verkoopruimten zijn alleen toegestaan op de begane grond. De functie zal passen in de omgeving: geen verkoop van producten met veiligheidsrisico’s. Buitenopslag en buitenactiviteiten zijn niet toegestaan. Reclame-uitingen zijn in beperkte vorm toegestaan (20 x 30 cm). De bouwmogelijkheden mogen niet worden verruimd ten opzichte van hetgeen mogelijk is binnen de betreffende bestemming. De uitvoerbaarheid, waaronder toelaatbaarheid en maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid, is aangetoond. Er wordt in voldoende mate voorzien in de parkeerbehoefte op eigen erf. Het goede woon- en leefklimaat ter plaatse blijft gewaarborgd. Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Er mag geen sprake zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking. 5.7 Complementaire daghoreca Onder complementaire daghoreca worden horeca-achtige activiteiten verstaan die hoofdzakelijk zijn gericht op het overdag verstrekken van dranken en etenswaren en die ondergeschikt zijn aan de hoofdfunctie. Daarbij kan worden gedacht aan een terras langs een recreatieve wandel- of fietsroute of een theetuin c.q. theeschenkerij. Ook voor deze voorzieningen wenst de gemeente Steenwijkerland mogelijkheden te bieden bij woningen en agrarische bedrijven. Net als bij aan huis verbonden bedrijven en detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit zal dat slechts mogelijk zijn na afwijking van de gebruiksregels van het bestemmingsplan door middel van een omgevingsvergunning. Het is gewenst het verstrekken van alcoholische dranken expliciet uit te sluiten. Voorts zal de ondergeschiktheid tot de hoofdfunctie wonen moeten worden geborgd. Voor wat betreft de randvoorwaarden kan grotendeels worden aangesloten bij de randvoorwaarden die worden gehanteerd ten aanzien van aan huis verbonden bedrijven en detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit. Randvoorwaarden De volgende randvoorwaarden kunnen worden geformuleerd: Complementaire daghoreca wordt slechts toegestaan na afwijking van de gebruiksregels door middel van een omgevingsvergunning (nadere afweging vereist). Maximaal 35% van de toegestane bebouwde oppervlakte mag worden gebruikt voor de horeca-activiteiten. De totale oppervlakte, inclusief terras, die wordt gebruikt voor de horeca-activiteiten mag maximaal 100 m2 bedragen. Er mogen maximaal 2 personen werkzaam zijn in de horeca-activiteit, waaronder in elk geval de bewoner. De voor bezoekers toegankelijke ruimten zijn alleen toegestaan op de begane grond van het hoofdgebouw of in een bijgebouw. Reclame-uitingen zijn in beperkte vorm toegestaan (20 x 30 cm). De bouwmogelijkheden mogen niet worden verruimd ten opzichte van hetgeen mogelijk is binnen de betreffende bestemming. De uitvoerbaarheid, waaronder toelaatbaarheid en maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid, is aangetoond. Er wordt in voldoende mate voorzien in de parkeerbehoefte op eigen erf. Het goede woon- en leefklimaat ter plaatse blijft gewaarborgd. Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Er mag geen sprake zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking. Hoofdstuk6Natuur en landschap 6.1 Inleiding Centraal in de gemeente Steenwijkerland liggen de twee natuurgebieden Weerribben en De Wieden. Ook ligt een deel van het natuurgebied Zwarte Meer binnen de gemeentegrenzen. Met een oppervlakte van circa 100 km2 vormt dit een aanzienlijk deel van het circa 320 km2 grote grondgebied van de gemeente. Het betreft het grootste laagveenmoerasgebied van West-Europa. Dat vraagt om gepaste aandacht voor natuurbescherming bij ruimtelijke plannen (zie ook het gestelde in paragraaf 11.7). 6.2 Wet- en regelgeving 6.2.1 Europees recht Een groot deel van dit gebied is aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn² en/of aangemeld in het kader van de Habitatrichtlijn³. De Vogelrichtlijn is gericht op de bescherming van in het wild levende vogelsoorten en de instandhouding van hun leefgebieden en ziet daarmee op zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming. De Habitatrichtlijn is gericht op de instandhouding van natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. Het betreffen richtlijnen die door de lidstaten moeten worden omgezet naar nationale wet- en regelgeving. In Nederland is dat gebeurd in de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998, waarbij de Flora- en faunawet ziet op soortenbescherming en de Natuurbeschermingswet 1998 op gebiedsbescherming. ²Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992 ³ Richtlijn 79/409/EEG, 2 april 1979 6.2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is in Nederland geïmplementeerd in de Flora- en faunawet (Ffw). De doelstelling van deze wet is het beschermen en in stand houden van in het wild levende planten- en diersoorten. Activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten zijn in principe verboden. Van het verbod op schadelijke handelingen kan onder voorwaarden worden afgeweken (nee, tenzij). De zorgplicht die in artikel 2 van de wet is opgenomen houdt in dat menselijk handelen geen nadelige gevolgen voor flora en fauna mag hebben. De zorgplicht geldt voor alle planten en dieren, beschermd of niet. In het geval van beschermde planten of dieren geldt de zorgplicht ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. De zorgplicht voor dieren betekent niet dat er geen dieren mogen worden gedood, maar wel dat dit, indien noodzakelijk, met zo min mogelijk lijden gepaard gaat. Van de in de wet opgenomen verbodsbepalingen kan op basis van artikel 75 Ffw vrijstelling worden verleend door de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (ELI). Een dergelijke vrijstelling wordt slechts verleend indien daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van een soort (lid 5). Voor de soorten die zijn genoemd in artikel 75, lid 6 wordt voorts slechts vrijstelling verleend indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat. Voor ruimtelijke plannen zijn de gronden voor deze ontheffing op basis van artikel 75, lid 6 onder c Ffw opgenomen in artikel 2, lid 3 van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (Besluit vrijstelling). Relevant zijn met name: dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten (sub e); de uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling (sub j). Door de Afdeling4echter geoordeeld dat deze laatste grond voor het verlenen van ontheffing die is neergelegd in artikel 2, derde lid, aanhef en onder j, van het Besluit vrijstelling zich niet verdraagt met artikel 16 van de Habitatrichtlijn en artikel 9 van de Vogelrichtlijn. De Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn bieden geen grondslag voor lidstaten om in de nationale wetgeving andere gronden voor ontheffing op te nemen dan genoemd in de richtlijnen zelf en hiervan ook niet direct zijn af te leiden. De Afdeling heeft geoordeeld dat de in artikel 2, derde lid, aanhef en onder j, van het Besluit vrijstelling neergelegde grondslag voor het verlenen van ontheffing, een ruimere strekking heeft dan de grondslagen voor ontheffing die zijn neergelegd onder a tot en met e van artikel 16, eerste lid, van de Habitatrichtlijn en a tot en met c van artikel 9, eerste lid, van de Vogelrichtlijn. Deze grond zal dan ook buiten toepassing moeten worden gelaten. 4Zie o.a. AB,21 januari 2009, 2008/028563/1 en Ab, 13 mei 2009, 200802624/1 Randvoorwaarden Op basis van het wettelijk kader kan de volgende randvoorwaarde worden geformuleerd: Nieuwe ontwikkelingen worden getoetst aan het wettelijk kader voor soortenbescherming, met inachtneming van de hiervoor beschreven jurisprudentie. 6.2.3 Gebiedsbescherming De Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw) regelt de bescherming van natuurgebieden (gebiedsbescherming). Op grond van deze wet kunnen ook gebieden worden aangewezen (Natura 2000), waarvoor op grond van diezelfde wet dan een beheerplan moet worden opgesteld. Binnen de gemeente Steenwijkerland liggen de drie Natura 2000-gebieden ‘De Wieden’, ‘Weerribben’ en ‘Zwarte Meer’ (gedeeltelijk). In de directe nabijheid van de gemeente liggen ook enkele Natura 2000-gebieden waarmee rekening moet worden gehouden bij het opstellen van het bestemmingsplan Buitengebied. Ten zuiden van Steenwijkerland liggen, nabij de gemeentegrens, de Natura 2000-gebieden 'Olde Maten & Veerslootslanden’ (gemeenten Staphorst, Zwartewaterland) en 'Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht' (Zwartewaterland, Zwolle). Ten noorden van Steenwijkerland ligt op korte afstand het Natura 2000-gebied 'Rottige Meenthe & Brandemeer' (gemeente Weststellingwerf). Op een iets grotere afstand liggen de Natura 2000-gebieden 'Ketelmeer & Vossemeer' (gemeenten Dronten, Kampen en Noordoostpolder), 'Drents-Friese Wold & Leggelderveld' (gemeenten Midden-Drenthe, Ooststellingwerf, Westerveld en Weststellingwerf) en ‘Havelte - Oost’ (gemeente Westerveld). In een beheerplan wordt vastgelegd hoe en wanneer de instandhoudingsdoelen voor een Natura 2000-gebied gehaald worden. Bron: www.vrom.nl De habitattoets als opgenomen in artikel 19j Nbw dient om vast te stellen of, en zo ja, onder welke voorwaarden een menselijke activiteit in en rondom een Natura 2000-gebied kan worden toegelaten. Daarvoor moet er zekerheid zijn dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast en dat een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, dan wel een verstoring van soorten uitblijft. Deze toets kan worden samengevat in navolgend stroomschema. Is er kans op een negatief effect? Activiteiten gelegen in of in de omgeving van Natura 2000-gebieden kunnen een negatief effect hebben op de natuurwaarden. Dat geldt ook voor activiteiten die zich (ver) buiten een Natura 2000-gebied afspelen (externe werking). Voor deze beoordeling is ecologische expertise nodig. Is er kans op een negatief effect, dan moet worden bekeken of dat negatief effect significant is. Is er kans op een significant negatief effect? Een significant negatief effect treedt op als het bereiken van de instandhoudings-doelstellingen van het Natura 2000-gebied in gevaar komen. Om deze beoordeling te kunnen maken, is een quickscan van de mogelijke effecten van het project op de natuurwaarden nodig. Op basis van de projectkenmerken en informatie over het Natura 2000-gebied kunnen de mogelijke effecten op de natuurwaarden als gevolg van het project globaal worden ingeschat. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt in tijdelijke en permanente factoren en de daarbij behorende gevolgen. Daarbij kunnen ook mogelijkheden worden betrokken om door middel van mitigerende maatregelen de effecten te verminderen of te voorkomen. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met cumulatieve effecten. Er is sprake van cumulatieve effecten als er ook andere projecten, handelingen of plannen plaatsvinden die in combinatie mogelijk schadelijk zijn voor de instandhoudingsdoelstellingen. Passende beoordeling Indien is gebleken dat er mogelijk significant negatieve effecten voor het Natura 2000-gebied zijn, is een gedetailleerder onderzoek nodig naar de kans op significant negatieve effecten reëel is en of aan de criteria van de passende beoordeling kan worden voldaan. De mate van verstoring en kwaliteitsverslechtering moet per geval worden beoordeeld, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van het desbetreffende Natura 2000-gebied. Er is sprake van een significant negatief effect als het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied in gevaar kan komen. Daarbij moeten ook weer de mitigerende maatregelen en cumulatieve effecten worden betrokken. Indien uit het onderzoek blijkt dat er kans is op een significant negatief effect moet aan de volgende criteria worden voldaan: Er zijn geen alternatieve oplossingen voor het project die minder of geen negatieve effecten hebben voor het Natura 2000-(deel)gebied. Er is sprake van dwingende redenen van groot openbaar belang. Er is voorzien in compenserende maatregelen. Alleen als aan deze zogenaamde ADC-voorwaarden wordt voldaan, kan goedkeuring worden verleend. Kans op negatief effect, maar geen significant effect? Indien is gebleken dat er een kans is op niet-significante negatieve effecten moet worden beoordeeld of deze kans reëel is en of de verslechtering of verstoring aanvaardbaar is. De mate van verstoring en kwaliteitsverslechtering moet per geval worden beoordeeld, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van het desbetreffende Natura 2000-gebied. In tegenstelling tot een passende beoordeling, hoeft geen rekening te worden gehouden met cumulatieve effecten. Bij de beoordeling van de vraag of de verslechtering of verstoring aanvaardbaar is, heeft het bevoegd gezag een grotere beleidsvrijheid dan wanneer de goedkeuring via de passende beoordeling verl