Waterbeheerplan 2016-2021 Grenzeloos verbindendVoorwoord Voor u ligt het nieuwe Waterbeheerplan van Waterschap Brabantse Delta. Het beschrijft de hoofdlijnen van het beheer van het water- en zuiveringssysteem voor de periode 2016-
(4)Voor de lange termijn (tot 2100) is een afvoer van maximaal 18.000 m3/s (Rijn) en 4.600 m3/s (Maas) het uitgangspunt voor de waterveiligheid. Tot 2050 handhaaft het Rijk de beleidsmatig vastgestelde afvoerverdeling over de Rijntakken tot 2050. In 2017 beslist het Rijk of de wijziging van de afvoerverdeling na 2050 als mogelijkheid open blijft of vervalt. Dat gebeurt in overleg met provincies en waterschappen en op basis van aanvullend onderzoek. De Rijn-Maasdelta wordt ook op lange termijn beschermd met een afsluitbare open stormvloedkering in de Nieuwe Waterweg. Er zal onderzocht worden hoe de effectiviteit van de bestaande Maeslantkering verbeterd kan worden. In de Ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer concludeert het Rijk dat aanvullende waterberging op de Grevelingen geen aantrekkelijke oplossing is om de waterveiligheid rond Hollandsch Diep, Haringvliet en de Merwedes in de toekomst op orde te houden. Alternatieven zoals dijkversterking blijken daarvoor kosten-effectiever te zijn (www.rijksoverheid.nl/documenten). Ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer Met de Ontwerp-rijksstructuurvisie Grevelingen en Volkerak-Zoommeer schetst het kabinet het ontwikkelperspectief voor de waterhuishoudkundige toekomst van beide wateren. Het beschrijft de wenselijke maatregelen in de periode tot eind 2028. De ontwerp-Rijksstructuurvisie stelt beperkte getijdewerking op de Grevelingen via een doorlaatmiddel naar de Noordzee (Brouwersdam) voor. Het zout maken van het Volkerak-Zoommeer met een beperkte getijdenwerking via een doorlaatmiddel naar de Oosterschelde (Philipsdam) wordt beschouwd als de meest structurele, duurzame oplossing voor bestrijding van blauwalgenbloei. Het zal tevens positief bijdragen aan het herstel van zeldzame estuariene natuurwaarden en de realisatie van kwaliteitsdoelstellingen uit de Kaderrichtlijn Water. Daarnaast ontstaan er kansen voor schelpdierteelt en regionale gebiedsontwikkeling. De financiering van de voorgestelde maatregelen is nog niet voor 100% geregeld. Daarom heeft het Kabinet met het vaststellen van de ontwerp visie in oktober 2014 besloten om samen met regionale overheden en marktpartijen een innovatieve pilot uit te voeren voor publiek-private financiering Mede op basis van de resultaten van deze pilot zal het Kabinet in het voorjaar van 2016 een definitief besluit nemen over de voorgestelde maatregelen. Volgens het waterschap kan en moet een zout Volkerak-Zoommeer goed samengaan met een robuuste zoetwatervoorziening in het gebied vanuit het Haringvliet/Hollands Diep. Hierbij geldt de randvoorwaarde ‘eerst het zoet, dan het zout’: het Volkerak-Zoommeer wordt pas zout gemaakt nádat de maatregelen voor de alternatieve zoetwatervoorziening en de compenserende maatregelen voor zoutlekbestrijding en –indringing zijn gerealiseerd. In West-Brabant hebben deze maatregelen betrekking op het Mark-Dintel-Vliet stelsel en de gebieden die in de huidige situatie hun zoetwater halen uit het Volkerak-Zoommeer: Prins-Hendrik Polder, Auvergnepolder en de Polders van Nieuw-Vosmeer. De compenserende maatregelen voor de zoutlekbestrijding in regionale wateren en polderwateren zouden voldoende effectief moeten zijn. Het zout maken van het Volkerak-Zoommeer is voorzien voor uiterlijk 2028. Tot die tijd dient het Rijk te voldoen aan de bestaande afspraken uit het Waterakkoord Volkerak-Zoommeer. Het waterschap gaat er daarom vanuit dat het Rijk in de tussenliggende periode passende maatregelen neemt om het zoutlek bij de Krammersluizen, of de gevolgen ervan, tegen te gaan. Op basis van de ‘joint fact finding zoetwater’ concluderen Rijk en regio dat de leveringszekerheid van regionale innamepunten rondom het Volkerak-Zoommeer onder gemiddelde condities toeneemt ingeval van een alternatieve zoetwateraanvoerroute vanuit het Haringvliet/Hollandsch Diep. Innamestops door te hoog oplopende chloridegehaltes in het Volkerak-Zoommeer zijn dan verleden tijd, evenals Bovendien verdwijnt de dreiging van tijdelijke innamebeperkingen als gevolg van blauwalgbloei. Bij extreme droogte en lage Rijn en Maasafvoeren kan de leveringszekerheid voor een aantal zoetwaterinnamepunten afnemen (waaronder de Roode Vaart). In het Deltaprogramma Zoetwater is daarom aanvullend onderzoek opgenomen naar eventueel verlies aan leveringszekerheid voor de inname van zoetwater vanuit het hoofdwatersysteem. Het Rijk zal dit onderzoek in overleg met de provincies en waterschappen uitvoeren. Op basis van de uitkomsten wordt bepaald in hoeverre er mitigerende en/of compenserende maatregelen moeten worden genomen om de leveringszekerheid niet te laten afnemen. 2.4 Visie op robuust beheer Hoe zou het watersysteem in 2030 functioneren? Hoe is tegen die tijd het robuust beheer tot uiting gekomen? In deze paragraaf wordt een korte schets gegeven van het toekomstbeeld, dat is samengesteld uit verschillende vastgestelde beleidsdocumenten en visies. Het is een schets van een gewenste situatie op de middellange termijn. De mate waarin en de termijn waarop dit daadwerkelijk wordt gerealiseerd is afhankelijk van diverse factoren (financiële positie van het waterschap, economische ontwikkeling, actieve bijdragen van derden). De doelen van het waterschap voor de komende planperiode (hoofdstuk 3) zijn van deze visie afgeleid. Dynamisch en robuust Het beheer en de inrichting van het land en water is en blijft dynamisch. Het watersysteem en de afvalwaterketen kunnen tegen een stootje. Het systeem is in staat om verstoringen op te vangen, waardoor nieuwe ontwikkelingen geen bedreiging vormen. Dit geldt niet alleen voor klimaatontwikkelingen, maar ook op het gebied van bevolkingsgroei en bedrijvigheid. De zoetwatervoorziening is robuust, kwelstromen zijn hersteld, trekvissen zijn weer terug en afval wordt als grondstof benut. De natuurlijke variatie aan leefgebieden voor planten en waterinsecten is waar mogelijk hersteld. Mede doordat goed wordt omgegaan met de ondergrond (bodem en water), is het gelukt om de risico’s op schade aan mens, milieu en economie beperkt te houden: Doelen voor natuur en veiligheid zijn waar nodig aangepast op nieuwe klimatologische en maatschappelijke omstandigheden. De onderlegger is leidend, men handelt waterbewust Bij gebiedsontwikkelingen is men zich bewust van de mogelijkheden en risico’s van de ondergrond (bodem en water). Het water heeft als ordenend principe tot een robuuster ruimtegebruik geleid. De oppervlakte cultuurgrond is een belangrijke drager voor bodemwater. De grote variatie aan teelten levert een bijdrage aan biodiversiteit, met bijzondere aandacht voor weidevogels en bescherming van bijenkolonies. Dat geldt ook voor het agrarisch natuurbeheer langs waterlopen, wat door het Europese gemeenschappelijk landbouwbeleid wordt ondersteund. In de regulerende en controlerende rol van het waterschap is er veel aandacht voor voorlichting en preventie. Watergebruikers weten wat ze van het waterschap kunnen verwachten. Het waterbeheer is een succes doordat de watergebruikers vaak waterbewust handelen. Gebruikers van dijken, zoals pachters, bewoners of wegbeheerders, weten dat ze ook zelf verantwoordelijk zijn voor het veilig houden van de dijken. Een robuuste zoetwatervoorziening In de peilgestuurde gebieden is er voldoende open water om goed om te kunnen gaan met lange perioden van droogte of neerslag. Het flexibele peilbeheer is afgestemd op de landbouw- én natuurwensen. In de zandgebieden is de opslagcapaciteit in de bodem optimaal benut door lokale en regionale waterconserverende maatregelen. De brede toepassing van peilgestuurde drainages maken het mogelijk om ook in deze gebieden in te spelen op de lange termijn weersverwachtingen. Extreme weersituaties worden niet langer als een calamiteit gezien. Optimale kringlopen Door de goede bodemkwaliteit spoelen er weinig stoffen uit naar het watersysteem en is de opbrengst in landbouwgebieden optimaal. Groenafval wordt structureel benut als een waardevolle stof voor een goed bodemleven. Een groot deel van het water van de rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’s), zoals van rwzi Nieuwveer, wordt in de regio benut. In de regio rond Moerdijk is decentrale behandeling van afvalwater van de grond gekomen. De rwzi’s leveren een belangrijke bijdrage als producent van grondstoffen. De grote rwzi’s (Bath, Nieuwveer, Dongemond) spelen bovendien een rol in de regionale energievoorziening. Trekvissen zijn weer terug De trekvissen kunnen het regionale watersysteem weer goed vinden, mede dankzij de kier bij de Haringvliet sluizen. Zowel in het Mark-Vlietsysteem als de Donge zijn de watervoerende hoofdwaterlopen tot aan de brongebieden in Vlaanderen vrij optrekbaar voor trekvissen zoals de winde. Een aantal kreken hebben ook een migratieverbinding met de grote rivieren en vormen kleine kraamkamers voor riviervissen zoals de paling en de driedoornige stekelbaars. Het grondwater is ook in 2030 een voorraad van voldoende en kwalitatief goed grondwater, voor menselijke consumptie (drinkwater en industrie), maar ook voor andere gebruiksfuncties, zoals de land- en tuinbouw. Daarnaast zijn ook op regionale schaal kwelstromen verbeterd, zodat er kwalitatief goed kwelwater in de natuurgebieden aan de oppervlakte komt. Dit is essentieel voor de gewenste biodiversiteit. Verscheidenheid in kwaliteit Het werkgebied van waterschap Brabantse Delta bestaat uit verschillende watersystemen. Elk gebied heeft een eigen kwaliteit en specifieke accenten op het waterbeheer. We onderscheiden: Gebieden met een belangrijke uitloopfunctie voor de nabijgelegen stedelijke gebieden. In die gebieden gaat een natuurlijke inrichting van het beekdal en polders hand in hand met (ongemotoriseerde) recreatieve mogelijkheden. Het gaat dan om deelstroomgebieden zoals de Ligne tussen Halsteren en Steenbergen, de Bovenmark ten zuiden van Breda, Rooskensdonk en Hoge Vugt tussen Breda en Oosterhout, en de Oude Leij bij Tilburg. Gebieden met waardevolle natuurlijke kwaliteiten, zoals de zandgronden de Brabantse Wal, het Markiezaatsmeer, de Bijloop, de Chaamse beken en het Merkske. De verscheidenheid van de kreken, zoals benoemd in de krekenvisie, is ook tot uiting gekomen: Een gebied met een brak watersysteem: het Molenkreekcomplex. Dit kenmerkt zich door een brakke kwel uit de ondergrond. De kreek is daarom ook geïsoleerd van het landbouwwater. Een gebied met zoetwatergetijden: de Zwaluwse Haven, Vloedspui en het Gat van den Ham staan weer in open verbinding met de Amer. De getijdewerking dringt daarmee weer door in de oude kreekrestanten. Het gebied is daarmee een kraamkamer geworden voor riviervissen. Een gebied met bijzondere gradiënten: Het Lange Water. Door een open verbinding met het zoute Volkerak-Zoommeer en de aanvoer van zoet kwelwater uit de Brabantse Wal is een uniek gebied ontstaan met vier gradiënten: van zoet naar zout, van droog naar nat, van zand naar klei en van hoog naar laag. Gebieden met cultuurhistorische waarden, zoals de Zoom en de Eldersche Turfvaart. In deze oude turfvaarten is de inrichting bepaald door de cultuurhistorische waarden. Binnen die randvoorwaarden wordt een ecologisch verantwoord beheer gevoerd. De elementen uit de West-Brabantse Waterlinie en de Zuiderwaterlinie worden benut in de robuuste waterhuishouding en vormen plekken waar men meer over het waterbeheer van toen en nu kan leren. Ook aardkundige waarden - zoals in de Cruijslandse kreken - zijn duidelijk in het landschap aanwezig. De combinatie van wielen en kreken geeft een fraai beeld van de geschiedenis van het polderlandschap. Gebieden met intensieve landbouw zoals het stroomgebied van de Aa of Weerijs (boomteelt en aardbeienteelt), de bovenloop van de Donge (veehouderij) en de kleipolders (glastuinbouw en akkerbouw). In deze gebieden is het grondgebruik optimaal afgestemd op de draagkracht van het systeem. Het robuuste beheer van het watersysteem draagt bij een duurzame landbouwontwikkeling. Gebieden met grensoverschrijdende laaglandbeken zoals de Kleine Aa/Molenbeek, de Mark, de Strijbeekse Beek, het Merkske en de Weerijsbeek/Aa of Weerijs. Deze beken worden samen met Vlaamse partners hersteld, beheerd en onderhouden. De afspraken uit de samenwerkingsovereenkomst voor het onderhoud van grensvormende en grensoverschrijdende waterlopen en het samenwerkingscharter voor operationeel waterbeheer zijn hiervoor leidend. Basisprincipes Het geschetste beeld van een robuust waterbeheer is bereikt dankzij het consequent werken volgens een aantal basisprincipes. De belangrijkste principes daarbij zijn: niet afwentelen en duurzaam ontwikkelen. Het lokale handelen mag in principe niet tot problemen elders leiden, in ruimte of tijd of andere werkvelden. Het waterschap beschermt het watermilieu, maar heeft ook oog voor effecten op bodem, lucht, cultuur en economie. In het watermilieu gaat het vaak om de effecten benedenstrooms van het watersysteem, maar het kan ook andersom, wanneer er bijvoorbeeld geen trekvissen meer stroomopwaarts kunnen zwemmen. De duurzame ontwikkeling wordt vormgegeven door kringlopen te sluiten en te stoppen met verspillen en vervuilen. Diverse voorkeursstrategieën zijn afgeleid van het principe van ‘niet afwentelen en duurzaam ontwikkelen’: Algemeen: preventie van problemen, negatieve effecten bij de bron beperken, negatieve effecten op het systeem beperken. Voor wateroverlast: vasthouden, bergen en afvoeren Voor droogte: sparen, aanvoeren en aanpassen of accepteren Voor waterkwaliteit: schoon houden, scheiden, schoonmaken (en afval is grondstof: kringloopsluiting) Voor ruimtelijke ontwikkelingen: de draagkracht van het watersysteem volgen of versterken. In de uitvoeringsstrategie van het waterschap hebben de volgende basiselementen tot een robuust beheer geleid: Het waterschap werkt maatschappelijk verantwoord. Ook bij de eigen werkzaamheden wordt de afwenteling op water, bodem en lucht beperkt. Bij inrichtingswerken wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van natuurlijke materialen en processen (bouwen met de natuur). Waterbewust handelen van watergebruikers is vergroot door de strategie: informeren, stimuleren, acteren (en/of participeren). Het waterschap is uitnodigend voor partijen die verantwoordelijkheid nemen en streng voor achterblijvers. 3. Doelenwijzer: sturen op effect in plaats van maatregelen Als uitvoeringsgerichte organisatie zijn we goed in vertellen wat we doen. Om een goede verbinding te maken met de maatschappij is het nodig om te beseffen waarom we de dingen doen die we doen en dat duidelijk uit te dragen. Zo groeit contact, herkenning en verbinding. Door in een ontwikkelingsgerichte partnerdialoog te vertrekken vanuit de maatschappelijke opgave kunnen we samen bepalen hoe we die gaan bereiken. En hoe daarbij kansen voor een slimme, doelmatige realisatie van waterdoelen kunnen worden gecombineerd. Wanneer we spreken over doelen in plaats van maatregelen ontstaat er meer flexibiliteit in de wijze waarop we dit willen en kunnen bereiken: er zijn meerdere wegen naar Rome. De intrinsieke motivatie van het werk van waterschap Brabantse Delta is schematisch weergegeven in ‘De gouden cirkel’ (naar het concept van de ‘golden circle’ van Simon Sinek). Waarom? ‘Het waterschap wil de waterautoriteit zijn die integraal zorgt voor voldoende oppervlaktewater van een goede kwaliteit en veiligheid tegen overstromingen. Daarbij staan mensen centraal.’ Dat is de missie van het waterschap. Maatschappelijk verantwoord ondernemen is hierbij de inzet waarmee tevens wordt bijgedragen aan de ontwikkelrichtingen uit het klimaatakkoord. Water maakt het wonen, werken en genieten in Midden- en West-Brabant mogelijk. In één woord samengevat: leefbaarheid. Een gezonde leefomgeving, met daarbij een goede balans tussen mens, milieu en economie (people, planet en profit). Hoe? Als wateroverheid! Waterschap Brabantse Delta wil een betrouwbare overheid zijn die nu en in de toekomst staat voor de slagvaardige en efficiënte uitvoering van zijn missie. Een waterschap dat weet wat er in de omgeving speelt en zich open naar klanten en toekomst opstelt. Een waterschap dat gekend, erkend en gewaardeerd wordt door de boeren, burgers, buitenlui, bedrijven en bestuurders van West- en Midden-Brabant. Maar ook een waterschap waar mensen graag willen werken en zich kunnen ontwikkelen. Het waterschap treedt als overheid op in verschillende rollen: regelgever, uitvoerder van taken, handhaver, samenwerkingspartner en kennisleverancier. In de uitvoering van die taken zoekt het waterschap naar de juiste balans tussen de opgaven, de hiermee gemoeide kosten, tarieven en de toekomstbestendigheid van de organisatie. Het waterschap heeft met de Kadernota 2015-2025 bedrijfswaarden vastgesteld. Deze waarden gebruiken we bij de inventarisatie en beoordeling van risico's, het kiezen van voorkeurvarianten in projecten en bij de prioritering van investeringen. Hoe? Samen met partners! De tweede zin van de waterschapsmissie benadrukt dat mensen centraal staan. In de realisatie van de waterdoelen is het absoluut noodzakelijk dat we samenwerken met partners. Iedereen kan partner zijn. De samenwerking is niet beperkt tot overheden, ondernemers en onderwijsinstellingen. Samenwerking met terreinbeheerders en grondeigenaren (particulier grondbezit) is ook van belang. Het waterschap is daarbij niet altijd degene die de kar trekt. Ook van burgers en bedrijven wordt verwacht dat ze vanuit eigen mogelijkheden maatschappelijk verantwoord handelen. Het waterschap gaat graag het gesprek aan over samenwerkingsvoorstellen en wil initiatieven van burgers en ondernemers stimuleren wanneer deze bijdragen aan de waterdoelen. Hoe? Met een robuust beheer! Om duurzaam werken en wonen mogelijk te maken, is een robuuste inrichting en beheer van watersysteem en –keten nodig. Het waterschap kiest waar mogelijk voor oplossingen die gebruikmaken van de natuurlijke omstandigheden en mogelijkheden. Indien dit niet kan of kostentechnisch niet verantwoord is, neemt het waterschap technische ingrepen. Hoe? Basiskennis op orde! Een doelmatige inrichting, beheer en onderhoud van een watersysteem begint bij basisinformatie over de kwaliteit en het functioneren. Het waterschap verricht daarom diverse metingen op get gebied van hydrologie, morfologie, waterkwaliteit en ecologie. Daarnaast neemt het waterschap deel aan diverse (inter-)nationale projecten voor kennisontwikkeling. Het waterschap en gebiedspartners kunnen elkaar versterken door de uitwisseling van kennis en ervaringen. Wat? Om antwoord te geven op de vraag ‘wat doen we’, zijn de wettelijke kerntaken van het waterschap als doel geformuleerd. Met kerntaken doelen we op de beheerstaken die het waterschap van het Rijk of provincie heeft toebedeeld gekregen: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond, schoon water als de zorg voor voldoende water. Samen met en voor partners werkt het waterschap aan droge voeten, voldoende water, schoon water en bevaarbare rivieren en kanalen. Vanuit de gouden cirkel zijn vier integrale beleidsthema’s geformuleerd (de gekleurde elementen), die in de volgende paragrafen zijn uitgewerkt: Risico’s beheersen. Het waterschap streeft ernaar om de kansen op schade aan mens, milieu en economie op een maatschappelijk acceptabel niveau te houden. Dit thema richt zich op het hier en nu: het huidige grondgebruik en de huidige ecologische kwaliteit. Het maatschappelijke acceptabele niveau is veelal vastgelegd in wetten, regels en/of overeenkomsten. Bij het beheersen van risico’s gaat het niet alleen voorspelbare risico’s (de kans dat bijvoorbeeld een calamiteit zich voordoet), maar juist ook om voorstelbare risico’s (wat doe je als een calamiteit daadwerkelijk plaatsvindt). Duurzame ontwikkeling van de leefomgeving in Midden- en West-Brabant ondersteunen. Dit thema richt zich op de gebiedsontwikkeling in de regio in de planperiode. Dit doet het waterschap binnen de kaders die vanuit de algemene democratie worden gesteld door gemeente, provincie en het Rijk. Maatschappelijk verantwoord en vernieuwend. Dit thema gaat in op maatschappelijke thema’s en de relevante ontwikkelingen voor de lange termijn die om vernieuwingen bij het waterschap vragen. Ook gaat het thema in op de interactie met burgers en bedrijven. Kansen om kostenbesparend te vernieuwen worden zoveel mogelijk benut. Effectief en efficiënt. Samenwerking met partners is noodzakelijk om als waterschap effectief en efficiënt de taken uit te voeren. Met de implementatie van assetmanagement wordt de bedrijfsvoering meer risicogestuurd. 3.1 Risico’s beheersen Met het beheer wil het waterschap de risico’s voor mens, milieu en economie op een maatschappelijk acceptabel niveau houden. Het risico wordt geformuleerd als een kans van optreden maal de gevolgschade (risico = kans x gevolg). Het maatschappelijke acceptabele niveau is veelal vastgelegd in wetten, regels en/of overeenkomsten. In hoeverre het waterschap voldoet aan de afspraken voor verschillende onderwerpen is grafisch weergegeven. Het niet voldoen aan een afspraak zegt nog niets over de mogelijke risico’s. Per taak wordt in de volgende paragrafen een verdere toelichting gegeven op de doelen, afspraken en risico’s. Of er een risico is op schade is veelal een theoretische berekening. Of er in de praktijk onacceptabele risico’s optreden, blijkt uit de evaluatie over het gevoerde beheer. Het waterschap wil dat er in de planperiode vrijwel geen sprake is van verwijtbare klachten (situaties die het waterschap had kunnen voorkomen als het volgens de afspraken had gewerkt). Het gebied kent zijn beperkingen De bodem en het watersysteem zijn voor een belangrijk deel bepalend voor wat er wel en niet mogelijk is qua grondgebruik (zie kaart 1 risicogebieden) maakt transparant hoe het watersysteem functioneert. Zo kunnen ondernemers en burgers zelf bepalen welke risico’s ze aanvaardbaar vinden en welke voorzorgsmaatregelen ze zelf kunnen nemen om hiermee om te gaan. Ze hebben daarin een eigen verantwoordelijkheid. Op de kaart 1 'Risicogebieden'staan de volgende risico’s weergegeven: Wateroverlast: gebieden die gevoelig zijn voor overstroming vanuit het oppervlaktewater. Droogte: het vrij afwaterende gebied is in potentie droogtegevoelig, omdat er geen water kan worden aangevoerd. Op de kaart zijn de gebieden weergegeven die in de praktijk gevoelig zijn gebleken. In droge situaties kan het waterschap onttrekkingsverboden instellen. Op de kaart is weergegeven in welke gebieden dit in de afgelopen 10 jaar soms, regelmatig of langdurig is voorgekomen. Hoge zoutgehalten: sommige peilgebieden staan onder invloed van zoute kwel. Ondanks het watersysteembeheer is het zoutgehalte niet altijd onder de 200 mg/l te houden. Voor diverse teelten is dit belangrijk om te weten. Kans op extra regels ter bescherming van de waterkwaliteit: Bij lozing van afvalwater op kleine wateren met een beperkte doorstroming, worden vaak scherpere eisen gesteld in algemene regels en vergunningsvoorschriften om milieuschade en/of gezondheidsrisico’s te voorkomen. De wateren met een grotere doorstroming of een groot watervolume zijn op kaart weergegeven. Daarbij gelden minder strenge regels. Gebieden waar het ondiepe grondwater wordt gebruikt voor drinkwaterwinning zijn kwetsbaar voor verontreiniging. Daarom zijn die gebieden door de provincie als grondwaterbeschermingszone aangewezen. Dat kan beperkingen opleveren voor activiteiten die de grondwaterkwaliteit negatief beïnvloeden. Indien nodig kan het waterschap meer specifieke informatie leveren. Voor de overstromingsrisico’s vanuit de regionale rivieren is een aparte kaart opgenomen (kaart 2). In een situatie met een kans die kleiner is dan eens per 100 jaar, kunnen de keringen mogelijk bezwijken (de norm is eens per 100 jaar). Op de kaart is te zien welke gebieden dan onder water kunnen lopen. Meer informatie is te vinden op de landelijke website www.risicokaart.nl (in de groep natuurrampen). In het kader van de Europese Richtlijn Overstromingsrisico’s (ROR) zijn landelijk de overstromingsrisico’s in beeld gebracht die zich met een verschillende regelmaat kunnen voordoen: frequent (ordegrootte 1/10 jaar), met een middelgrote kans (ordegrootte 1/100 jaar) en in uitzonderlijke omstandigheden (ordegrootte 1/2000 jaar). Goed voorbereid op calamiteiten Het waterschap werkt in het calamiteitenbeheer samen in de veiligheidsregio, houdt regelmatig veiligheidsoefeningen en actualiseert de calamiteitenplannen regelmatig. Het voorkomen van calamiteiten heeft uiteraard de voorkeur boven bestrijding. Daarom is preventie de basis van het beleid. De veiligheidsregio, waarin het waterschap deelneemt, heeft als taak burgers en bedrijven bewust te maken over hun eigen handelen in geval van calamiteiten. Een goede samenwerking met partners in zowel Vlaanderen als Nederland is belangrijk voor een goede crisisbeheersing. De specifieke doelen op dit gebied staan beschreven in paragraaf 3.4.2. 3.1.1 Overstromingsrisico’s vanuit rivieren Deze paragraaf gaat over het voldoen aan de normen die in 2014 van kracht waren. Van de 134 kilometer aan primaire keringen in het beheer van het waterschap is 10 kilometer afgekeurd in de derde nationale toetsingsronde (2010-2013). In 2013 zijn de regionale keringen getoetst aan de nieuwe norm voor deze keringen: een beschermingsniveau van 1/100 jaar (voorheen was deze norm eens per 50 jaar). Van de 197 kilometer die is getoetst, is 106 kilometer als onvoldoende beoordeeld. De compartimenteringskeringen zijn niet getoetst. Hierbij is handhaving van het huidige profiel namelijk de norm. Deze keringen voldoen dus per definitie aan de norm. Een deel van de afgekeurde regionale keringen voldoet ook niet aan de technische normen voor de situatie waarin de waterberging Volkerak-Zoommeer wordt ingezet. Doelen voor 2021: Vermindering urgente overstromingsrisico’s primaire keringen Vermindering urgente overstromingsrisico’s regionale keringen De keringen zijn getoetst aan 4e nationale toetsingsronde (zie paragraaf 2.3) Overige keringen zijn getoetst Aanpak risico’s bij primaire keringen De urgentie voor aanpak van primaire keringen wordt landelijk bepaald. Voor wat betreft de primaire keringen is het project Geertruidenberg en Amertak het meest urgent. De verkenningsfase is hiervan in 2014 gestart en loopt door tot 2017. De andere drie projecten (Damwand Buitenpand Wilhelminakanaal; kunstwerken Tonnekreek, Moerdijk en Schutsluis Waalwijk; dijkvakken Noordschans) hebben een lagere prioriteit en worden naar verwachting pas na 2021 uitgevoerd. Aanpak risico’s bij regionale keringen De opgave voor de verbetering van de regionale keringen is groot. Het waterschap wil deze opgave zo snel mogelijk realiseren, mede omdat het Volkerak-Zoommeer vanaf 2016 ingezet moet kunnen worden als waterberging voor de grote rivieren. De provincie heeft ingestemd met de planning, waarbij de verbeteringswerken uiterlijk in 2023 zullen zijn afgerond. Voor de tussenliggende periode 2016-2025 zullen het Rijk en het waterschap de effecten in beeld brengen van de mogelijke inzet van waterberging op het Volkerak-Zoommeer. Dit is noodzakelijk voor een goede risico-inschatting en beheersing van deze risico’s. 3.1.2 Voldoende water van voldoende kwaliteit Het waterschap zorgt voor voldoende water van voldoende kwaliteit en gaat daarbij uit van de geldende gebruiksfuncties. In het peilbeheer hangen de risico’s op droogte en wateroverlast met elkaar samen. Deze thema’s worden niet langer los van elkaar beschouwd. Voor het dagelijkse peilbeheer staan de afspraken in het Gewenst Grond en Oppervlaktewater Regime (GGOR). Voor extreem natte situaties zijn afspraken gemaakt in het Nationaal Bestuursakkoord Water van 2011. Die zijn vervolgens weer vertaald in de Provinciale Verordening Water. Voor het voorzieningenniveau bij droogte moeten nog concrete afspraken worden gemaakt, als aanvulling op de afspraken voor de alternatieve zoetwatervoorziening bij een zout Volkerak-Zoommeer. Doelen voor 2021: Vrijwel geen verwijtbare klachten over het gevoerde peilbeheer (behouden huidige situatie) 100% van het gebied voldoet aan de afspraken voor het peilbeheer De afspraken die gemaakt zijn met de maatschappelijke partners in de ‘Intentieovereenkomst beregenen uit grondwater’ (31 januari 2014) zijn uitgevoerd. Afspraken die het waterschap met provincies, andere waterschappen en het Rijk maakt over de zoetwatervoorziening van de vrij-waterende en de peilgestuurde gebieden (‘beken en kreken’) voor de periode tot en met 2021 zijn nagekomen. Het gaat dan om de bestuursovereenkomsten over zoetwatermaatregelen voor de hoge zandgronden (najaar 2015) en de Zuidwestelijke Delta ( 1 april 2015) en de bestuursovereenkomst ‘ontwikkelingen Grevelingen en Volkerak-Zoommeer’ (1 april 2015). In 2021 zijn afspraken gemaakt tussen overheden en gebruikers over voorzieningenniveaus voor zoetwater, conform de afspraken en spelregels uit de Deltabeslissing zoetwater. Wateroverlast wordt door iedereen verschillend ervaren. Het kan ook verschillende oorzaken hebben. Gelet op de huidige klimaatontwikkelingen wordt ‘af en toe water op straat’ niet als overlast beschouwd. We spreken over verwijtbare klachten bij schade door te hoge of te lage waterstanden van het oppervlaktewater indien deze niet overeenkomen met de gemaakte afspraken. Of indien deze waterstanden niet passen bij wat van het waterschap mag worden verwacht, als het gaat om inrichting, beheer en onderhoud van het watersysteem. Afspraken over peilbeheer Het waterschap heeft voor het dagelijks peilbeheer in peilbeheerste gebieden afspraken vastgelegd in peilbesluiten. In 2009 en 2010 zijn alle peilbesluiten herzien en opnieuw vastgesteld. Indien nodig worden peilbesluiten in de planperiode opnieuw geactualiseerd door veranderde wensen in het peilbeheer. Deze normen zijn uitgedrukt in de kans dat het peil van het oppervlaktewater het niveau van het maaiveld overschrijdt (´kans op inundatie vanuit oppervlaktewater´). Daarbij worden voor verschillende bestemmingen van de grond uiteenlopende normen gehanteerd (variërend van eens per honderd jaar voor bebouwd gebied tot eens per tien jaar voor weidegebied). Voor wat betreft de risico’s op wateroverlast is het watersysteem al goed op orde (94%), gelet op het huidige klimaat. Voor graslanden voldoet de inrichting van het watersysteem al aan de afspraken uit het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) van 2011 (zie de tabel met werknormen uit bijlage 4 van het NBW). Voor een aantal gebieden is het niet kosteneffectief om de kans op schade door wateroverlast te beperken conform de landelijke afspraken. Daarvoor worden in de planperiode specifieke afspraken gemaakt met belanghebbenden. Ook blijkt de norm niet overal haalbaar te zijn. Het waterschap heeft de provincie gevraagd om deze gebieden, van oudsher vaak natte plekken, in de Verordening Water aan te merken als gebied waarvoor geen norm geldt, net als de beekdalen. In een beperkt deel van het gebied, zoals de beekdalen en historische natte plekken, geldt er geen provinciale norm. In die gebieden mag de wateroverlast niet verslechteren. Deze gebieden zullen in de toekomst niet aan de reguliere normering gaan voldoen, maar dat betekent niet dat de inundatiefrequentie door klimaatverandering mag toenemen (met uitzondering van de waterbergingsgebieden). Hier blijft het uitgangspunt uit het vorige waterbeheerplan van kracht: het grondgebruik van 2008 wordt gerespecteerd. In het beekdal van de Aa of Weerijs bijvoorbeeld, bestaat bij kapitaalintensieve teelten de kans op grote schade. In overleg met de bedrijven zal het waterschap zich daarom blijven inzetten voor de optimalisatie van het systeem. Denk daarbij aan kosteneffectieve maatregelen en een langetermijnvisie voor verschuivingen in grondgebruik. De betreffende ondernemer of burger is zelf verantwoordelijk voor schade door wateroverlast, als deze ontstaat bij het overgaan op gevoeliger of kapitaalintensiever grondgebruik (na 2008). Voor de stedelijke wateropgave zijn de grootste risico’s verminderd dankzij de uitvoering diverse maatregelen. In de komende planperiode worden de overige knelpunten aangepakt. Zoetwatervoorziening Het voorzieningenniveau is een nieuw instrument dat voortkomt uit het Deltaprogramma (zie paragraaf 2.3). Het betreft de beschikbaarheid van zoetwater in normale en droge situaties in een gebied. Het gaat hierbij om oppervlakte- en grondwater (diep en ondiep), kwantiteit en kwaliteit (indien van toepassing). Het voorzieningenniveau geeft de grens aan van de overheidsverantwoordelijkheid (en waar die van de burger begint) en biedt transparantie en handelingsperspectief aan watergebruikers. De uitwerking loopt via een gezamenlijk proces van overheden en gebruikers. De doelen van het voorzieningenniveau zijn: handelingsperspectief bieden: aangeven wat het Rijk, de regio en gebruikers van elkaar kunnen verwachten in normale en droge situaties Afstemming tussen zoetwatervoorziening en ruimtelijke ordening versterken. Vergroten van het waterbewustzijn en het stimuleren van zuinig watergebruik. Vergroten van de doelmatigheid en duurzaamheid van de watervoorziening door de inspanningen van Rijk, regio en gebruikers op elkaar af te stemmen. Eigen verantwoordelijkheid watergebruikers Het waterschap zal niet alle risico’s beperken. Bepaalde gebieden zijn nu eenmaal gevoeliger dan andere. Het waterschap wil duidelijk en transparant zijn over voorzieningenniveau van het waterschap, zodat watergebruikers weten welke verantwoordelijkheid ze zelf moeten nemen. 3.1.3 Schoon water voor een gezonde leefomgeving Het waterschap wil een gezonde leefomgeving behouden en achteruitgang voorkomen (ontwikkeldoelen staan in paragraaf 3.2). Het waterschap werkt daarvoor aan schoon water volgens Europese en landelijke regels. Het behoud is gericht op de volgende onderdelen: De rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi’
- s)blijven voldoen aan de vergunningsvereisten (of algemene regels) en aan de afspraken in afvalwaterakkoorden. Nieuwe lozingen en activiteiten van derden brengen de verwachte chemische en ecologische waterkwaliteit in 2021 niet in gevaar. Aanwezige flora- en faunawaarden blijven behouden (het waterschap werkt volgens de Flora- en Faunawetgeving) Er ontstaan geen nieuwe risico’s voor volksgezondheid en diergezondheid in relatie tot emissies uit de afvalwaterketen en individuele lozingen van afvalwater (IBA’s). Kwetsbare drinkwaterwinningen blijven beschermd tegen verontreinigingen. De goede zwemwaterkwaliteit behouden, met een minimale blauwalgoverlast. Het waterschap heeft in afvalwaterakkoorden afspraken met gemeenten vastgelegd over de hoeveelheid afvalwater die het waterschap verpompt naar de rioolwaterzuiveringsinstallaties. In 2021 wil het waterschap aan al deze afspraken kunnen voldoen. Op dit moment zijn er nog twee knelpunten: bij het afvalwaterpersstation te Roosendaal en bij de effluentleiding van Nieuwveer. Daardoor voldoet het waterschap in 2015 voor 93% aan de afnameverplichting, zoals die is vastgelegd in afvalwaterakkoorden (% tekort aan capaciteit). Voor wat betreft de eisen vanuit nationale regels en vergunningen voldoen alle rwzi’s aan de vereisten (100%). Het gaat dan om het naleven van lozingseisen en het naleven van milieuwetgeving (stank, geluid) Het waterschap wil dat de emissies uit de afvalwaterketen niet beperkend zijn voor het halen van de ecologische waterkwaliteitsdoelen. Als er vanuit de gewenste ontwikkeling voor het behalen van de ecologische doelen (zie paragraaf 3.2.3) een beter zuiveringsrendement wordt vereist, zullen hierover in aanvullende voorschriften nadere eisen worden vastgelegd (zie ook paragraaf 4.5). Daarnaast is het belangrijk dat de voorzieningen in de afvalwaterketen ook gedurende het grootste deel van de tijd technisch beschikbaar zijn (niet in onderhoud of in storing). Het gaat dan om de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de zorgplicht die het waterschap heeft om lozing van ongezuiverd afvalwater te voorkomen. Hierbij worden verschillende fasen onderkend: Systeem op orde (conform afspraken uit afvalwaterakkoorden en vergunningen of algemene regels) Niet voldoen als gevolg van gepland onderhoud Niet voldoen als gevolg van storing Calamiteit (overmacht) Het waterschap beoordeelt de eigen rioolwaterzuiveringsinstallaties op dezelfde manier als dat bedrijven beoordeeld worden. In de afgelopen periode waren de rioolgemalen, zuiveringen en de slibverwerking voor meer dan 98%van de tijd beschikbaar. Het waterschap zorgt sinds 2006, in opdracht van een aantal gemeenten voor het beheer en onderhoud van circa 700 systemen voor individuele behandeling van afvalwater (IBA). Het waterschap heeft hiervoor met de betreffende gemeenten een samenwerkingsovereenkomst (30 jaar) afgesloten. Voor het onderhoud is een meerjarig onderhoudscontract (10 jaar) met derden afgesloten. Overige gemeenten en een aantal particulieren zijn zelf verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van IBA systemen. In de planperiode kunnen deze afspraken worden herzien indien landelijke normen en spelregels veranderen en/of nieuwe technologische ontwikkelingen kansen bieden voor een maatschappelijk doelmatigere invulling van het beheer en onderhoud. Afschrijvingstermijnen en de impact van de IBA systemen op de kwaliteit van de ontvangende oppervlaktewateren vormen hierbij belangrijke afwegingsfactoren. Riooloverstorten met knelpunten voor de waterkwaliteit In totaal is voor circa 650 gemeentelijke riooloverstorten beoordeeld of zij mogelijk nadelige effecten hebben voor het ontvangende oppervlaktewaterstelsel (Waterkwaliteitsspoortoetsing). Uiteindelijk zijn er 23 knelpunten geconstateerd en is voor vijf overstorten nog geen definitief oordeel gegeven. Het waterschap en de betreffende gemeenten maken per overstort een plan van aanpak om het knelpunt op te lossen. Een doelmatigheidstoets kan onderdeel vormen van de planuitwerking. De vijf overstorten die nog geen definitief oordeel hebben gekregen, zullen in 2015/2016 alsnog beoordeeld worden. Een gezamenlijk onderzoek van het waterschap en de gemeente(
- n)kan hiervoor in deze periode noodzakelijk zijn. Het waterschap streeft ernaar om samen met de gemeenten de knelpunten uiterlijk in 2021 te hebben opgelost. Zwemwateren De bacteriologische kwaliteit van de meeste zwemplassen is in orde. In meerdere zwemplassen is de toestand de afgelopen jaren verbeterd. Alle plassen voldoen aan de Europese Zwemwaterrichtlijn. Als er problemen zijn, dan is het meestal met betrekking tot blauwalgbloei: bij vier plassen zijn actuele problemen en bij drie plassen is sprake van potentiële problemen. Het waterschap zoekt voor zeven plassen kansrijke maatregelen om overmatige blauwalgenbloei te bestrijden. In één zwemplas vormt de aanwezigheid van zwemmersjeuk een probleem. Het waterschap streeft samen met de provincie en de beheerders van de zwemwateren naar een maximale beschikbaarheid van de zwemplassen voor het publiek tijdens zomerse dagen. Het aantal dagen en aantal zwemplassen met een zwemverbod wegens blauwalgen of andere waterkwaliteitsproblemen willen we beperkt houden (en tenminste niet toenemen in de planperiode). De Europese Zwemwaterrichtlijn onderscheidt vier klassen in de kwaliteit van het zwemwater: uitstekend, goed, aanvaardbaar en slecht. Hierin wordt het risico op blauwalgenbloei niet meegenomen. In 2015 moeten alle zwemplassen ten minste de kwaliteit ‘aanvaardbaar’ hebben. Dat doel is in de periode 2010-2015 al bereikt: de meeste plassen hebben een uitstekende of goede kwaliteit. De Asterdplas in Breda heeft de minimale kwaliteitsklasse ‘aanvaardbaar’. De richtlijn streeft naar een toename van het aantal locaties met een goede en uitstekende kwaliteit. Daarbij zijn geen concrete jaartallen vastgelegd. Actuele informatie over de zwemwateren is te vinden op www.zwemwater.nl. 3.1.4 Bevaarbare rivieren en kanalen In opdracht van de provincie voert het waterschap het vaarwegbeheer uit van de provinciale vaarwegen. In de keur op de vaarwegen ligt vast wat de maximale maten van de schepen zijn die over de vaarwegen moeten kunnen varen. In de afgelopen periode is een achterstand ontstaan in het baggerwerk van de vaarwegen. In de winters van 2014/2015 en 2015/2016 worden al enkele trajecten gebaggerd. In 2016 zal daarom naar verwachting in 65% van de vaarwegen geen knelpunten zijn voor de scheepvaart. De bagger is dan beperkt tot hooguit 20 à 30 centimeter boven het leggerprofiel. De bagger kan echter de waterkwaliteit nog wel negatief beïnvloeden door opwerveling bij veel scheepvaartbewegingen. Of een andere baggerstrategie nodig is, vanuit het oogpunt van waterkwaliteit, wordt in de planperiode nader onderzocht. In 2021 wil het waterschap: Voldoen aan de benodigde diepte voor de toelaatbare schepen. Zorg dragen voor een vlot, veilig en betrouwbaar scheepvaartbeheer: risico’s op ongevallen zijn klein het oponthoud bij sluizen is beperkt in meeste tijd van het jaar zijn de vaarwegen bevaarbaar voor de scheepvaart waarvoor de vaarweg is aangewezen. In de planperiode zal het waterschap met de provincie concretere afspraken maken over waar het scheepvaartbeheer aan moet voldoen. Daarbij zal er meer duidelijkheid komen op vragen als: ‘Wat is een klein risico op ongevallen?’, ‘Wat is een beperkt oponthoud bij sluizen?’, en ‘Welk percentage van beschikbaarheid van de voorzieningen moet worden nagestreefd? ‘. Omdat het waterschap deze taak uitvoert namens de provincie, zullen eventuele extra kosten in de uitvoering van deze taak ook door de provincie worden gefinancierd. 3.2 Duurzame ontwikkeling van de leefomgeving Het waterschap wil de eigen taken dusdanig uitvoeren dat ze bijdragen aan een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving in Midden- en West-Brabant. Een robuuste inrichting en beheer van het watersysteem en de afvalwaterketen vormt daarbij de belangrijkste basis. Aanvullend daarop faciliteert het waterschap de duurzame ontwikkelingen die vanuit de algemene democratie (gemeenten, provincie en het Rijk) worden gewenst. Het gaat dan om ondersteuning van de kwaliteit van de openbare ruimte, de ontwikkelingen voor bedrijven (industrie en landbouw) en om natuurontwikkeling. Deze paragraaf gaat in op wat het waterschap in de komende planperiode wil bereiken voor al deze verschillende thema’s. De grootste opgave ligt er voor de natuurontwikkeling, zoals die door de provincie Noord-Brabant is ingevuld op basis van Europese en nationale kaders. Het basisprincipe van ’niet afwentelen’ past goed in een duurzame ontwikkeling. De maatschappij is sterk gericht op economische groei. Het gaat bij een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving niet alleen om economische vooruitgang. Naast welvaart vindt het waterschap ook het welzijn belangrijk. Daarom moeten nieuwe ontwikkelingen naast hun economische waarde ook iets toevoegen aan de kwaliteit van leven. In algemene zin streeft het waterschap naar: het creëren van gunstige condities in het watersysteem en de afvalwaterketen, die aansluiten bij de behoeften van de huidige en toekomstige gebruikers (mensen, bedrijven, natuur); een leefomgeving die de effecten van de klimaatveranderingen kan opvangen met acceptabele risico’s voor mens, milieu en economie; tevredenheid van samenwerkingspartners over de open houding van het waterschap om kansen te bieden en te verzilveren voor koppeling van andere initiatieven. 3.2.1 Robuust beheer van keten en systeem Het watersysteem en de afvalwaterketen moeten kleine verstoringen kunnen opvangen én kunnen meeveren met nieuwe ontwikkelingen op het gebied van klimaat, bevolkingsgroei en bedrijvigheid. Anderzijds dienen ontwikkelingen in het gebied wel te passen bij de draagkracht van de ondergrond. Waar nodig verduidelijkt het waterschap wat het van de maatschappij aan inspanningen verwacht (ook als het gaat om het voorkomen van een toename aan vetten of doekjes in de riolering). In de uitvoering van maatregelen houdt het waterschap altijd rekening met de dan bekende ontwikkelingen, zoals de klimaatscenario’s van het KNMI voor 2050). De verwachte klimaatveranderingen hebben een forse impact op het waterbeheer: meer extremen in droge en natte perioden, maar ook toename van plaagsoorten en meer kwaliteitsproblemen door warmer oppervlaktewater. Voor de afvalwaterketen is het van belang om het regenwater zoveel mogelijk (vertraagd) naar het watersysteem af te voeren. Op dit punt hebben burgers en bedrijven een belangrijke eigen verantwoordelijkheid om zo min mogelijk water van verharde oppervlakken via de riolering af te voeren. Opvangen en afvoeren van extreme neerslag via de riolering is niet kosteneffectief. Bij een robuuste afvalwaterketenbeheer wordt de bestaande infrastructuur in de eerste plaats ingezet voor het verwerken van afvalwater, in tweede instantie voor de verwerking van relatief vuile regenwaterstromen en in de derde plaats voor de afvoer van relatief schone hemelwaterstromen indien dit toch de enige oplossing is voor een lokale situatie. Het gezuiverde water wordt geloosd op het watersysteem. Het beïnvloedt de kwaliteit van het oppervlaktewater, maar veroorzaakt bij normale bedrijfsvoering geen waterkwaliteitsknelpunten. In geval van storingen komt de waterkwaliteit in gevaar, omdat rioolwater kan gaan overstorten in het oppervlaktewater of omdat slechtere kwaliteit effluent geloosd wordt dan normaal. Een robuuste bedrijfsvoering betekent dat dit niet vaak en niet in ernstige mate voor kan komen (de begrippen vaak en ernstig worden gekwantificeerd met behulp van de risicomatrix en het bedrijfswaardenmodel). De grondwatervoorraad wordt beschermd door enerzijds het gebruik van grondwater en het verstoren van diepere lagen daarbij adequaat te reguleren, de vraag naar grondwater te beperken door waterbesparing, -conservering en –aanvoer, maar tegelijkertijd ook te zorgen voor adequate aanvulling van het grondwater door infiltratie van water naar het grondwater te stimuleren, bijvoorbeeld door peilopzet. Dit draagt ook bij aan het herstel van de regionale kwelstromen. Een van de doelen van de Kaderrichtlijn Water is de beschikbaarheid van voldoende oppervlakte- en grondwater van goede kwaliteit, dat duurzaam, evenwichtig en acceptabel gebruikt wordt. Samen met partners zet het waterschap in op een samenhangend, integraal beheer van oppervlakte- en grondwater. Ambities voor de Kaderrichtlijn Water Het waterschap streeft naar gezonde watersystemen met een goede ecologische kwaliteit. De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) bevat hiervoor belangrijke randvoorwaarden en spelregels. Het biedt een eenduidige werkwijze voor alle lidstaten. De nationaal en regionaal overeengekomen ambities voor het voldoen aan de vereisten uit de KRW zijn verdeeld over maximaal drie planperiodes van zes jaar. De maatregelen uit de voorgaande periode hebben al geleid tot een duidelijke waterkwaliteitsverbetering, al is er op de meeste plaatsen in het beheergebied nog geen sprake van een goede ecologische toestand. Om die te bereiken moeten alle parameters goed scoren. Als er één parameter niet goed scoort, is het oordeel van deze paramater leidend voor het eindoordeel (‘one out, all out’ beginsel). Als je alleen kijkt naar de eindoordelen is hierdoor de voortgang in waterkwaliteitsverbetering niet goed zichtbaar. Het waterschap kijkt in de komende periode daarom naar de afzonderlijke ecologische parameters. In de komende periode streeft het waterschap naar een toename van het aantal ecologische beoordelingen met minimaal een goede toestand. Een toename van 10% naar 35% lijkt haalbaar wanneer de maatregelen tot en met 2021 zijn uitgevoerd, gelet op het grote percentage dat nu al een matige waterkwaliteit heeft bereikt. Het waterschap is hierin wel afhankelijk van de medewerking van anderen, zoals gemeenten, grondeigenaren en Vlaamse partners zoals de Vlaamse Milieumaatschappij en de provincie Antwerpen (zie ook paragraaf 4.4). In de planperiode zullen watersysteemanalyses worden uitgevoerd voor het maken van een inschatting van haalbaar geachte ecologische doelen op 22 december 2027 (de einddatum van de KRW). Mede op basis van deze analyses zal een besluit worden genomen over het treffen van aanvullende maatregelen en/of het aanpassen van de doelen. In Nederland is afgesproken hierover uiterlijk in 2021 een besluit te nemen. Het waterschap zet in op de verbetering van geschikte vestigingscondities voor de kritische ongewervelde waterdieren (de macrofauna). Uit de watersysteemrapportage over 2009-2012 blijkt dat hiervoor herstel van de dynamiek in stroming en peilen belangrijk is. Voor de peilbeheerste gebieden is tevens een reductie van de nutriëntenbelasting urgent. Van de gemeten normoverschrijdingen voor specifiek verontreinigende stoffen en de prioritaire stoffen is niet voor alle parameters een verbetering te verwachten. Van sommige stoffen zijn de emissies al wel tot vrijwel 0 gereduceerd, al zijn de stoffen persistent in het milieu aanwezig. Het gaat dan om bijvoorbeeld kwik en tributyltin. Op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen en biociden sluit het waterschap zich aan bij de doelen van de nationale Nota Duurzame Gewasbescherming: een reductie van normoverschrijdingen van 50% in 2018 en 90% in 2023, ten opzichte van 2012. Het waterschap zal hierin vooral een beroep doen op de verantwoordelijkheid die burgers en bedrijven hebben in het naleven van de regels (zie paragraaf 4.7). Voor een robuust watersysteem is het volgende van belang: Er moet voldoende dynamiek zijn in peilen en afvoerkarakteristieken. Enerzijds om in te kunnen spelen op weersverwachtingen om meer water vast te houden in droge perioden en om voldoende bergingscapaciteit te hebben bij aanhoudende natte perioden. Anderzijds om een betere ecologische waterkwaliteit te bereiken met een groter zelf herstellend vermogen. De bodem wordt optimaal benut om water te kunnen vasthouden en uitspoeling van stoffen te voorkomen. Door het intensievere landgebruik is de bodem namelijk uitgeput geraakt (De Bodem onder ons bestaan, 2009, Altera rapport 1908). Het organische stofgehalte en het bodemleven is achteruit gegaan. Door intensieve drainage en verstedelijking is bovendien de grondwateraanvulling beperkt. Het watersysteem kan deze versnelde afvoer samen met de klimaatveranderingen niet zomaar opvangen. Een verandering naar zo traag mogelijk afvoeren van water en het reserveren van meer ruimte voor water en natte zones is daarom noodzakelijk. Plaagsoorten mogen geen bedreiging vormen voor waterhuishoudkundige functies (geen toename aan risico’s voor mens, milieu of economie). Het gaat dan om bijvoorbeeld muskusratten, parelvederkruid, grote waternavel en blauwalgen. In de planperiode werkt het waterschap, samen met partners, de klimaatadaptatiestrategieën van het nationale deltaprogramma verder uit in maatregelen die passen bij het gebied. 3.2.2 Kwaliteit van de openbare ruimte Met diverse ontwikkelingen staat de leefbaarheid in de bebouwde omgeving onder druk. Denk daarbij aan de verdere verdichting van de stedelijke kernen, aan het afnemend voorzieningenniveau in het landelijke gebied en aan de effecten van een veranderend klimaat. Wat is nodig voor het waterbeheer om bij te dragen aan de verbetering van het stedelijk leefklimaat? Om die vraag te beantwoorden zal het waterschap zich meer moeten richten op de behoeften van de gebruikers van deze openbare ruimte. De samenwerking met gemeenten en andere watergebruikers zal voor dit thema verder worden versterkt. De gemeenten voeren de regie als het gaat om kwaliteitsverbetering van de openbare ruimte. Het waterschap treedt veelal op als adviseur en zal soms initiatiefnemer zijn (bijvoorbeeld bij het uitproberen van innovatieve maatregelen). Het waterschap geeft als adviseur aan welke ontwikkelingen op het gebied van het watersysteem te verwachten zijn. Denk daarbij aan de toenemende intensieve regenval, meer verhard oppervlak, hogere watertemperaturen met meer kansen op vissterfte en blauwalgenbloei. Wat wil het waterschap samen met gemeenten en andere partners bereiken? Een afname van structurele overlast van de waterkwaliteit (blauwalgen, vissterfte, botulisme). Een afname van de schaderisico’s op wateroverlast. Het afstromend hemelwater zoveel mogelijk lokaal in het gebied vasthouden en benutten. Open staan voor initiatieven voor recreatief medegebruik van het water. De waterhuishoudkundige objecten met een unieke cultuurhistorische waarde in stand houden. Structurele overlast van waterkwaliteit verminderen In de planperiode 2010-2015 heeft het waterschap een ontwikkelrichting naar 2020 geformuleerd ter voorkoming van de structurele blauwalgenoverlast. Deze ambitie wordt met dit beheerplan verbreed naar overlast door een slechte waterkwaliteit, zoals onnatuurlijke vissterfte. Tegelijkertijd wordt het gewenste eindresultaat van overlastvermindering iets minder stellig geformuleerd: het waterschap belooft in dit plan niet langer dat structurele overlast in 2021 niet meer voorkomt. Dat is iets te ambitieus gesteld. Het gaat hier om een inspanningsverplichting: het waterschap werkt aan de vermindering van structurele overlast, maar heeft daarbij wel de hulp van anderen nodig. In de praktijk zijn relatief veel meldingen over een slechte waterkwaliteit afkomstig van waterschapsmedewerkers. Een beter beeld van de beleving van watergebruikers is van belang voor het stimuleren van ‘waterbewust’ handelen. Het waterschap zal samen met gemeenten bekijken hoe dit inzicht, mede op basis van ervaringen van watergebruikers, kan worden vergroot. Hoe bepalen we of ergens sprake is van structurele overlast? Juist door klimaatschommelingen kan er het ene jaar wel overlast zijn en het andere jaar niet. Het waterschap beschouwt overlast structureel als het probleem zich in meerdere jaren heeft voorgedaan en minimaal één keer in de afgelopen drie jaar. Als we niet ingrijpen, zal het warme klimaat leiden tot een toename van structurele overlast. Medewerking van alle betrokken partijen is cruciaal om de structurele overlast te verminderen. Het waterschap wil de betrokkenheid van gebruikers van de betreffende wateren vergroten. Enerzijds wordt hen gevraagdom informatie over de toestand van het water aan het waterschap door te geven. Anderzijds kunnen gebruikers zelf actief helpen, bijvoorbeeld door niet langer eenden te voeren, visvoer in stilstaande wateren te gebruiken of hondenpoep langs de waterkant te laten liggen. Samenwerking vergroten: alle initiatieven zijn welkom Elk initiatief om met waterbeheer aan de slag te gaan is welkom. Hoe meer mensen beseffen hoe belangrijk water is en daar concreet mee bezig zijn, hoe beter. Het moet dus ook voor iedereen eenvoudig worden om water mooier, beter en toegankelijker te maken. In 2013/2014 is een derde van de lopende projecten gekoppeld aan initiatieven voor recreatief medegebruik. Toch vinden diverse partners dat het waterschap nog meer kan open staan voor nieuwe kansen. Daarom is dit als specifiek doel opgenomen in dit waterbeheerplan. Klimaatadaptatie in de bebouwde omgeving Het omgaan met hittestress is een onderdeel van de nationale lange termijn strategie voor het anticiperen op klimaatverandering binnen de bebouwde kom, de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie. Naast hittestress gaat het ook om het voorbereid zijn op toekomstige klimaateffecten bij de ontwikkeling en herontwikkeling van bebouwd gebied. Dat gaat verder dan de huidige aanpak van voldoende waterretentie organiseren. Het waterschap zal via regionale samenwerking de gemeenten adviseren bij het opstellen van een klimaatstrategie conform de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie. Hengelsport Het waterschap werkt samen met de hengelsportverenigingen in de visstandbeheercommissie (VBC). Ook in de wateren voor de hengelsport wordt een gezonde waterkwaliteit nagestreefd. Dat hoeft niet te betekenen dat elk water helder is en veel waterplanten heeft. Ook troebel water kan geschikt zijn voor de hengelsport, zolang andere gebruikers geen overlast ervaren en dit past in de lokale waterkwaliteitsdoelen. In visplannen staan afspraken over de uitvoering van de visserij, zoals het uitzetten of wegvangen van vissen om zo de gewenste visstand te bereiken die past bij de lokale waterkwaliteitsdoelen. Dit gebeurt in goed overleg tussen het waterschap en de hengelsportverenigingen. Het waterschap heeft hierbij een toetsende rol. De kaders hiervoor zijn vastgelegd in het Brabantbrede visserijbeleid voor de binnenwateren (vastgesteld in algemeen bestuur, juni 2013). Verder zal het waterschap in de planperiode open staan voor initiatieven van derden om tot een optimaal gebruik te komen. Zo kunnen er afspraken gemaakt worden welke plekken gemaaid mogen worden om over visstekken aan het water te kunnen beschikken. Samen met de hengelsportverengingen zal worden verkend hoe milieubewust gedrag van sportvissers verder kan worden gestimuleerd, bijvoorbeeld voor het terugdringen van diffuse verontreiniging met vislood. 3.2.3 Natuurontwikkeling De steden en dorpen in de regio worden omarmd door hoogwaardige natte en droge natuur, en door prachtige (agrarische) landschappen en vergezichten. Kwaliteiten die we moeten benutten en koesteren. De achteruitgang in de ontwikkeling van de biodiversiteit wordt omgebogen in een positieve ontwikkeling. De natuur- en watersystemen in de gebieden zijn daarom beschermd en worden verbeterd door deze goed met elkaar te verbinden. Er zijn veel verschillende kaders voor natuurdoelen: Europese richtlijnen als de vogel- en habitatrichtlijn Natura 2000 en de Kaderrichtlijn Water. Daarnaast is er nog de nationale ecologische hoofdstructuur en de aanvullende provinciale hoofdstructuur en natte natuurparels. Al dit natuurbeleid richt zich op het creëren van goede vestigingscondities in de kerngebieden en corridors voor migratie van soorten tussen de kerngebieden, zoals vastgelegd in het natuurbeheerplan van de provincie. Het maatregelenprogramma dat hiervoor door het waterschap is opgesteld wordt in deze planperiode voortgezet. Binnen de komende planperiode wil het waterschap de focus leggen op de realisatie van gehele trajecten, zodat er daadwerkelijk vooruitgang op de ecologische waarden kan worden bereikt. In 2021 wil het waterschap samen met partners het volgende bereikt hebben: Verbetering van de doelrealisatie voor de Kaderrichtlijn Water: Een toename van het aantal ecologische beoordelingen met minimaal een goede toestand. Verdere afname van normoverschrijdingen van gewasbeschermingsmiddelen en biociden Realisatie van 25 verbindingen in de ecologische hoofdstructuur. Realisatie van geschikte omstandigheden (hydrologie en waterkwaliteit) voor de natuurdoelen voor de landnatuur met prioriteit voor de natte natuurparels. Het realiseren van geschikte hydrologische omstandigheden voor de natuurdoelen in de Groenblauwe mantel, dus ook voor natuurwaarden buiten de natuurgebieden. Een voorbeeld hiervan zijn de weidevogelgebieden. Deze waarden zijn onlosmakelijk verbonden met een agrarisch cultuurlandschap, waardoor het waterbeheer zowel op de agrarische, als op de natuurwaarden moet zijn afgestemd (waarbij de agrarische functie het primaire doel blijft). Verbindingen in de ecologische hoofdstructuur In de afgelopen jaren is er veel gewerkt aan lokale kansen om delen van geplande ecologische verbindingszones te realiseren. In de komende planperiode wil het waterschap zich richten op het afronden van gehele trajecten, zodat er een effectieve migratie van soorten tussen verschillende natuurgebieden kan ontstaan. Niet langer wordt het aantal kilometer te realiseren ecologische verbindingszone als uitgangspunt genomen, maar het aantal te realiseren trajecten die kleine of grote kerngebieden met elkaar verbinden. In totaal zijn er 82 deeltrajecten vastgesteld in het natuurbeleid van de provincie. Deze trajecten zijn weergegeven op kaart 13 ‘Ecologische verbindingszones’. In 2014 was ongeveer 15% van het totaal aantal deeltrajecten volledig ingericht. In de komende planperiode streeft het waterschap naar ongeveer 45% deeltrajecten die volledig zijn ingericht. Die realisatie is onderdeel van het maatregelprogramma voor de Kaderrichtlijn Water (zie paragraaf 4.4) en gebeurt samen met de gebiedspartners. We zullen niet dogmatisch alleen de geselecteerde deeltrajecten realiseren. In overleg met partners kan geschoven worden in de prioriteit van trajecten. Ook initiatieven van derden om onderdelen van andere trajecten te realiseren, worden zoveel mogelijk ondersteund. Verbetering waterkwaliteit in stagnante, geïsoleerde wateren De doelen voor de overige wateren die niet als KRW waterlichaam zijn aangemerkt zijn onderdeel van het Provinciaal Milieu-en Waterplan 2016-2021. Deze doelen zijn afgeleid conform de KRW-systematiek. In de uitvoering van de KRW staat de stroomgebiedbenadering centraal waarbij doelmatige maatregelen kunnen worden getroffen in het hele stroomgebied van een waterlichaam, met inbegrip van kleinere bovenlopen. Onderdeel van de overige wateren zijn veel vennen en wielen waaraan de provincie Noord-Brabant de functie ‘waternatuur’ heeft gegeven. Ongeveer 40% van de gemeten parameters (periode 2009-2012) heeft minimaal een goede toestand. De provincie streeft naar een toename hiervan. Dat gebeurt in samenwerking met de terreinbeheerders, die veelal het onderhoud uitvoeren in die gebieden. Het waterschap treedt op in verschillende rollen, zoals omschreven in de bijlage ‘verantwoordelijkheden in semi-geïsoleerde wateren’. Om op dit vlak resultaten te halen, is samenwerking belangrijk. Het initiatief zal veelal moeten liggen bij de terreinbeheerders; het waterschap heeft vooral een adviserende rol. Het waterschap zal de samenwerking met de terreinbeheerders verder intensiveren. In de vorige planperiode (waterbeheerplan 2010-2015) had het waterschap besloten zelf het initiatief te nemen voor de verbetering van vennen en wielen in natte natuurparels, gericht op hydrologisch herstel. Daarbij was er een hoge ambitie gesteld in het aantal projecten per jaar. In de praktijk is dit niet haalbaar gebleken. In dit waterbeheerplan wordt de strategie van het waterschap gewijzigd volgens het onderstaande schema. Het tempo (aantal projecten per jaar) zal lager zijn. Partners zullen eerder worden verzocht om initiatief te nemen op de gebieden waar ze een eigen verantwoordelijkheid hebben. De samenwerking met de partners wordt daarmee wel versterkt. Deze houding van het waterschap geldt ook voor de optimalisatie van de waterkwaliteit van stads- en zwemwateren (zie kwaliteit van de openbare ruimte). 3.2.4 Economische ontwikkeling Het waterbeheer heeft in belangrijke mate bijgedragen aan de huidige economische situatie van Midden- en West-Brabant. Er is dus al heel wat bereikt. Het waterschap streeft in de planperiode naar een verdere verbetering van vestigingscondities voor bedrijven door: Het robuuster maken van het watersysteem. In samenhang met gebiedsontwikkelingen wordt de capaciteit van het watersysteem in peilbeheerste gebieden vergroot (betere aanvoercapaciteit en bergingscapaciteit in hoofdwaterlopen) zoals gesteld in de krekenvisie (Regio West Brabant, 2010). Het creëren van hydraulische ruimte in de afvalwaterpersleiding van Moerdijk naar Bath voor de afvoer van zoute en geconcentreerde afvalwaterstromen, zoals gesteld in de visie voor de afvalwaterpersleiding (besluit algemeen bestuur, juni 2014). Het optimaliseren van regels, zodat deze een duurzame ontwikkeling niet in de weg staan. De uitbreiding van het aantal samenwerkingsprojecten met bedrijven en kenniscentra (cocreatie). Met de provincie een toekomstvisie voor de vaarwegen opstellen. Meer buffercapaciteit voor een duurzame landbouw Het vergroten van de buffercapaciteit van het watersysteem voor het bergen van te veel water of het sparen van water voorafgaand aan droge perioden is van belang voor de landbouwontwikkeling in het gebied. Vooral als meer boom- of fruittelers zich in het peilbeheerst gebied willen vestigen is versterking van de aanvoercapaciteiten gewenst. Juist daarom worden in de planperiode ook afspraken gemaakt over de wensen en mogelijkheden voor een goede zoetwatervoorziening in droge tijden voor de huidige en toekomstige gebruikers (gelet op de gewenste ontwikkelingen van gemeenten en provincie). Daarbij gaat het ook over het beter benutten van de buffercapaciteit van de ondergrond, met name op de hoge zandgronden. Optimale regels In 2015 is de nieuwe keur met bijbehorende regels vastgesteld. Daarmee is het doel uit het vorige beheerplan gerealiseerd: vermindering van het aantal regels. Ook in de komende planperiode blijft het waterschap scherp letten op de toegevoegde waarde van de eigen regelgeving, of die van andere overheden. De nieuwe maatschappelijke en technologische ontwikkelingen leiden telkens tot nieuwe inzichten. Het waterschap is blij met initiatieven van bedrijven om zelf water te zuiveren. Dit geeft aan dat ze een eigen verantwoordelijkheid nemen voor de zuivering van afvalwater en mogelijk ook reststromen kunnen benutten. Het waterschap gaat daarom graag in gesprek om te kijken welke opties het meest maatschappelijk rendement opleveren, nu en in de toekomst. Als bedrijven zelf willen zuiveren, moeten we voorkomen dat er een reststroom van afvalwater overblijft die enerzijds te vuil is voor lozing in het watersysteem en anderzijds te schoon is in vergelijking met normaal huishoudelijk afvalwater. Het waterschap vindt dat eventuele reststromen schoon genoeg moeten zijn om op het oppervlaktewater te kunnen lozen, zonder dat hierbij de oppervlaktewaterkwaliteit meetbaar verslechterd. Cocreatie Het waterschap kan de taakuitvoering zo organiseren dat het een verbinder is tussen bedrijven, andere overheden en kennisinstellingen. Het waterschap is een kennispartner in watertechnologie, en ook een partner in de keten van productie tot afval (zie paragraaf 3.3.1 Circulaire economie). Bovendien is het waterschap partner in het regionale netwerk ‘Biobased Delta’ voor het benutten van kansen voor de biobased economy. Innovaties zijn van enorme waarde om internationale allure te behouden. Het waterschap kan een toegevoegde waarde leveren door de markt juist op te zoeken om de innovatiebehoefte te bespreken. Toekomstvisie voor de vaarwegen De provincie en het waterschap zullen samen met gemeenten een toekomstvisie op het vaarwegbeheer formuleren. De vraag is dan: hoe kan het vaarwegbeheer een duurzame ontwikkeling ondersteunen? Op het traject van de Mark richting Breda blijkt de vaarweg geschikt voor een grotere scheepvaartklasse dan nu is toegestaan. De spoorbrug bij Zevenbergen vormt daarbij nog een knelpunt. Een integrale analyse zal uitwijzen of het wenselijk is om dit watersysteem geschikt te maken voor grotere schepen. 3.3 Maatschappelijk verantwoord en vernieuwend We leven in een tijd met veel nieuwe technische mogelijkheden. Die mogelijkheden zorgen weer voor maatschappelijke verschuivingen. Ook het waterschap moet zich op tijd aanpassen aan de snel veranderende omgeving. We kijken vooruit naar 2030 en 2050 en bedenken van daaruit wat we nu al in gang moeten zetten. Voor dit waterbeheerplan zijn vier thema’s benoemd: circulaire economie, duurzame energie, verbonden met de maatschappij en gezondheid. Het waterschap geeft in deze paragraaf aan waarop het in de planperiode zal investeren om op de langere termijn tot winsten te komen op het gebied van mens, milieu en economie. 3.3.1 Circulaire economie Afval bestaat op termijn niet meer. Alles is grondstof. We zien nu al dat steeds meer afval opnieuw wordt gebruikt. Soms in laagwaardige toepassingen, soms in hoogwaardige toepassingen. Met het afvalwater heeft het waterschap het beheer over belangrijke grondstoffen, die geld kunnen opleveren. De ontwikkelingen in de circulaire economie volgen elkaar in hoog tempo op. Onderlinge afstemming tussen partners is dan belangrijk. Het waterschap participeert daarom in diverse netwerken en zoekt daarin de samenwerking met relevante partners. Wat wil het waterschap in 2021 bereikt hebben? Een substantiële toename van terugwinning van grondstoffen (meer stoffen dan alleen de fosfaatterugwinning uit slib). Een bedrijfsvoering gericht op optimale kringlopen van stoffen, gelet op de technische en financiële mogelijkheden. Geconcentreerder afvalwater op de rioolwaterzuiveringsinstallaties tijdens droge perioden en tijdens natte perioden. Terugwinning schaarse grondstoffen Het waterschap heeft in 2012 de ambitie geformuleerd om in 2020 het fosfaat uit rioolslib maximaal terug te winnen (bij de Slibverbranding Noord-Brabant). Ook de mogelijkheden op terugwinning van andere stoffen zijn verkend en er komen steeds meer kansrijke stoffen in beeld die in hoogwaardige toepassingen gebruikt kunnen worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om de productie van bioplastics uit slib, en de productie van eiwitten door eendenkroos op het afvalwater te laten groeien. Op termijn kunnen mogelijk ook metalen uit het slib kosteneffectief worden teruggewonnen. Daarom heeft het waterschap de ambitie verbreed naar een toename van terugwinning van diverse grondstoffen. Dit doel zal met de actualisatie van de innovatieagenda nader worden geconcretiseerd. Kringlopen Aanvullend op de terugwinning van schaarse grondstoffen wil het waterschap ook voor andere stoffen een kringloopsluiting nastreven. De optimale, haalbare kringlopen zijn afhankelijk van de technische mogelijkheden en het maatschappelijk draagvlak. In 2013 is het waterschap bijvoorbeeld gestart met proeven om het maaisel van slootonderhoud van de grote waterlopen aan te bieden aan boeren om in het land te verwerken. Dit maaisel werd voorheen naar de compostering gebracht. De kringloop van het maaisel wordt met deze proef dus korter. Met de toename van het aantal vergistingsinstallaties van (landbouw)bedrijven liggen er ook kansen om het maaisel te vergisten. Dan kan er lokaal energie mee worden opgewekt. Ook in de landbouwsector heeft het beperken van verspilling de aandacht. Hierbij snijdt het mes aan twee kanten: door terugwinning van stoffen uit reststromen is er minder inkoop nodig en wordt de belasting naar het milieu verder verkleind. Nieuwe technologieën zullen ook op dit gebied vooruitgang bieden. Nu richt het waterschap zich vooral op de centrale zuiveringen met veel afvalwater. Dit is voor verwerking van diverse stoffen een goede strategie. Op termijn kunnen ook decentrale behandelingstechnieken van specifieke afvalwaterstromen interessant blijken. Decentrale behandeling van huishoudelijk afvalwater in de kernen van bijvoorbeeld Moerdijk, Klundert of Zevenbergen kan interessant zijn. Daardoor wordt de afvalwaterstroom met specifieke stoffen van industriële toepassingen op de afvalwaterpersleiding van Moerdijk naar de zuivering in Bath meer geconcentreerd. Zo kunnen decentrale en centrale behandeling van afvalwater elkaar versterken. Geconcentreerder afvalwater Geconcentreerd afvalwater is effectiever te zuiveren en biedt betere kansen om stoffen terug te winnen. Het waterschap voert al langer het beleid om lozing van minder geconcentreerde afvalwaterstromen te beperken (doelmatigheidseisen). Voor de circulaire economie is dit basisprincipe nog belangrijker. Dit geldt zowel in droge perioden als in natte perioden. Tot nu toe is de beleidsontwikkeling gebaseerd op schattingen van aangesloten verharde oppervlakken en pompcapaciteiten. Belangrijk is om meer naar het gewenst effect te gaan kijken. De trend kan worden gemeten met twee indicatoren: de droogweerafvoer per inwoner equivalent en de totale hoeveelheid aangevoerd water gemiddeld over de laatste drie jaren. Op beide vlakken streeft het waterschap in de planperiode naar een dalende trend. In de planperiode zal het waterschap samen met gemeenten een concretere doelstelling formuleren, op basis van een nadere analyse van de gegevens. De gewenste dalende trend kan het waterschap niet alleen bereiken. Er is actie nodig van gemeenten, bewoners en bedrijven. De ambitie voor het scheiden van waterstromen wordt al gedeeld met de gemeenten in het verbreed afvalwaterketenbeleid, dat samen met de gemeenten in het werkgebied is vormgegeven. 3.3.2 Duurzame energie Om onze ambities waar te maken op het vlak van duurzame energievoorziening en reductie van broeikasgassen blijft het waterschap doorgaan op de ingeslagen weg. Het gaat dan om de afspraken die de Unie van Waterschappen met het Rijk heeft gemaakt (‘klimaatakkoord’) om in 2020: de CO2-uitstoot met 30% te verminderen (ten opzichte van 1990), door: 30% efficiënter om te gaan met energie en door maatregelen te nemen voor reductie van CO2-uitstoot door vervoer (streven is 10% ten opzichte van 2012). 40% van onze energiebehoefte zelf te voorzien via duurzame, hernieuwbare energiebronnen (eigen productie). Met de geplande investeringen en de innovatieagenda voor zuiveringsbeheer wil het waterschap de huidige doelstelling van 40% energiewinning in 2020 behalen (zie ook de grafiek over eigen energiewinning). Om innovaties op dit gebied te blijven stimuleren, zoekt het waterschap een nieuwe horizon. In 2014 en 2015 worden er internationale onderhandelingen gevoerd om nieuwe doelstellingen te formuleren voor 2030. Het waterschap streeft daarbij naar: 50% eigen energiewinning 40% CO2-reductie ten opzichte van 2005 (conform het streven van de Europese Unie). Deze doelstellingen voor 2020 en 2030 maken ook onderdeel uit van de ambities van het Brabants Energieakkoord. Via de Noord-Brabantse Waterschapsbond participeert het waterschap in de uitvoering van dit akkoord. In hoofdstuk 5 staat beschreven hoe het waterschap aan deze doelen werkt. De grootste inspanningen liggen daarbij op het gebied van zuiveringsbeheer (paragraaf 4.5). Het thema energie raakt diverse maatschappelijke ontwikkelingen. Zo kan er bij bedrijven of bewonersverenigingen behoefte ontstaan om terreinen van het waterschap te benutten voor energieopwekking. Het waterschap staat open voor dergelijke initiatieven. Zo wordt met een bedrijf nagegaan wat de mogelijkheden zijn om energie te bufferen door wind- of zonne-energie tijdelijk om te zetten in gas of warmte. 3.3.3 Verbonden met de maatschappij De maatschappelijke context is dynamisch. Dit leidt tot nieuwe inzichten over en wensen voor het waterbeheer. Het waterbeheer wordt enerzijds afgestemd op de behoeften vanuit de maatschappij: de watergebruikers. Daarbij gaat het om de collectieve behoeften en niet om individuele wensen. Het waterschap geeft anderzijds ook aan wat anderen wel of niet kunnen doen, gelet op de bescherming van de collectieve voorzieningen. Het waterschap geeft een stem aan datgene wat van maatschappelijke waarde is, maar zelf geen eigen stem heeft. Het waterschap stimuleert ook dat watergebruikers zelf actief bijdragen aan een duurzaam waterbeheer. Het waterbeheer is interactief verbonden met de maatschappij. Dat blijkt wel uit de diverse samenwerkingsverbanden en gezamenlijke plannen in de regio. Toch heeft het waterschap van oudsher de neiging om vooral anderen te vertellen hoe het moet, vanuit een wat specialistisch blikveld: het waterbeheer. Dat kan anders, namelijk meer vanuit maatschappelijke ontwikkelingswensen en meer vanuit een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Daar werken we aan waarbij het waterschap initiatieven vanuit de maatschappij wil stimuleren. Dit noemen we ook wel sociale innovatie. Vanuit het perspectief van het waterschap klinkt het misschien paradoxaal: er is meer te bereiken met en voor water door de partnerdialoog niet primair te starten vanuit de waterdoelen. Het waterschap streeft in de planperiode naar: Een houding die meer gericht is op interactie, partnerdialoog en burgerinitiatief. Watergebruikers bewust maken van hun eigen handelingsperspectief. Interactie met watergebruikers De interactie tussen het waterschap en watergebruikers kan op diverse gebieden worden vergroot: Nog meer samenwerkingsprojecten met het bedrijfsleven. Zowel de Nederlandse landbouw- als watersector zijn van internationale betekenis. Het waterschap kan als springplank dienen voor bedrijven om contacten in het buitenland aan te gaan. Door contact te leggen met buitenlandse overheden kan het waterschap deuren openen die anders gesloten zouden blijven. Tevens kan het waterschap in de eigen regio experimenteerruimte bieden, zodat bedrijven vernieuwende concepten kunnen uitwerken, die later internationaal kunnen worden toegepast. Het aansluiten op de toekomstige informatiebehoefte van vernieuwende landbouwbedrijven (delen van informatie en kennis over het watersysteem). Watergebruikers, zoals boeren of vissers, stimuleren om gegevens te delen over het functioneren van het watersysteem en de riolering (meer dan alleen klachten doorgeven). Beheer van kunstwerken door derden (zelfzorg) waarbij de bediening in goed overleg met het waterschap wordt uitgevoerd (blijvend contact). Burgerparticipatie in gebiedsgerichte uitvoeringsprojecten en omgekeerd ook participatie van het waterschap in bredere gebiedsprocessen. Andere maatschappelijke financieringsmodellen: investeerders zoeken die graag projecten meefinancieren vanwege de maatschappelijke meerwaarde. Tijdens de totstandkoming van dit waterbeheerplan heeft het waterschap nadrukkelijk de dialoog opgezocht met partners in het watersysteembeheer en in de afvalwaterketen. De innovatieagenda voor zuiveringsbeheer die in 2014 is vastgesteld door het algemeen bestuur is mede ingekleurd door het bedrijfsleven. Die lijn wil het waterschap in de planperiode doorzetten. Vanuit een lange traditie is het waterschap sterk in het opstellen en uitvoeren van eigen plannen. Hierin is een verschuiving zichtbaar: het waterschap maakt steeds meer bewuste afwegingen over verschillende typen samenwerkingsvormen. Bijgaand ‘kwadrantenschema’ helpt om de verschillen tussen de aanpak van projecten of processen bespreekbaar te maken. En om per situatie een bewuste keuze te maken. Waterbewuste gebruikers Volgens het OESO-rapport ‘Water governance in the Netherlands: fit for the future?’ is het waterbewustzijn in Nederland laag (OESO, maart 2014). Weinig mensen weten waar het water van de straatkolk naartoe gaat. Vaak heeft men geen idee hoe men anders kan omgaan regenwaterafvoer als bijdrage aan het verminderen van wateroverlast op straat. Ook de risico’s op wateroverlast of kansen op overstroming van laaggelegen gebieden zijn veelal onbekend. Dit ondermijnt op termijn het draagvlak voor waterbeheer en de unieke rollen die waterschappen hierin spelen. De waterschappen hebben burgers en bedrijven altijd ontzorgd. Daardoor heeft men nooit voldoende inzicht kunnen krijgen in de gevolgen van het eigen handelen op het waterbeheer. In de komende planperiode wil het waterschap het waterbewustzijn van burgers en bedrijven stimuleren. Nadruk hierbij zal liggen op de eigen handelingsperspectieven in de zorg voor een gezonde en veilige leefomgeving. Wat betekent dat concreet? Hier volgen een paar voorbeelden: Inwoners en bedrijven hebben zich preventief voorbereid op overstromingen. Ondernemers weten welke risico’s ze lopen met kapitaalintensieve teelten bij vestiging in natte gebieden. Agrariërs die met conserveringsstuwen en/of peilgestuurde drainage het water in de haarvaten meer vasthouden. Inwoners weten dat het water van de straatkolk niet meer naar de riolering gaat, maar rechtstreeks naar de sloot of het grondwater. Ze sparen ook zelf regenwater voor gebruik in droge tijden. Bedrijven benutten regenwater en voeren bijvoorbeeld geen industriële schoonmaakdoeken, via het vuilwater af. Artsen en producenten hebben kennis over de milieu-impact van medicijnresten die via menselijke urine en ontlasting worden verspreid. 3.3.4 Gezondheid De inzameling en verwerking van rioolwater is ooit begonnen vanwege problemen met ziektes in de stad en stinkend en zuurstofloos oppervlaktewater. De zorg voor volksgezondheid ligt daarmee ook ten grondslag aan onze zuiveringstaak. Met de opkomende vergrijzing en het toenemende medicijngebruik voor mensen en dieren is er een nieuw gezondheidsprobleem in aantocht: medicijnresten en antibiotica-resistentie van bacteriën. Medicijnen zoals Diclofenac, Carbamazepine, Metopropol, Ibuprofen en Aspirine zijn al aangetroffen in het stroomgebied van de Maas. Een deel