Beleidsregels Werk en Inkomen Gemeente Lochem Inleiding De beleidsregels Werk en Inkomen geven ’t Baken richtlijnen voor het uitvoeren van het beleid op het gebied van werk en inkomen. De Participatiewet vormt de basis van de Beleidsregels. Deze Beleidsregels treden in werking op 1 augustus 2021 en vervangen de huidige Beleidsregels 't Baken (Participatie) die ingingen bij de start van ’t Baken op 1 januari 2019. De Beleidsregels Werk en Inkomen zijn feitelijk onderverdeeld in 8 hoofdstukken. Deze 8 hoofdstukken hebben ieder een eigen ‘specialisme’. Het gaat om de volgende hoofdstukken: Hoofdstuk 1: Re-integratie en participatie (pagina 2 t/m 24) Hoofdstuk 2: Recht op bijstand (pagina 26 t/m 30) Hoofdstuk 3: Bijstandsnormen (pagina 31 t/m 39) Hoofdstuk 4: Inkomen en Vermogen (pagina 40 t/m 51) Hoofdstuk 5: Verplichtingen (pagina 52 t/m 61) Hoofdstuk 6: Bestuurlijke sancties (pagina 62 t/m 72) Hoofdstuk 7: Uitvoeringszaken (pagina 73 t/m 86) Hoofdstuk 8: Terugvordering en verhaal (pagina 87 t/m 97) Ieder hoofdstuk start met een korte toelichting en inhoudsopgave. Hoofdstuk1Re-integratie en participatie Een belangrijke doelstelling van de Participatiewet is om mensen die kunnen werken naar werk toe te leiden, bij voorkeur naar betaald werk. Werk is voor veel mensen één van de meest aansprekende vormen van meedoen in de maatschappij. Wanneer mensen niet op eigen kracht kunnen deelnemen, is daar een taak voor de gemeente weggelegd. Dit hoofdstuk gaat over de taak van het College bij de re-integratie van inwoners en de voorzieningen die het College daarbij kan aanbieden. Ook wordt besproken welke ondersteuning werkgevers kunnen krijgen bij het in dienst nemen van mensen met een achterstand op de arbeidsmarkt. Inhoudsopgave 1.1 Werkgeversservicepunt Factorwerk 1.2 Uitvoering Wet sociale werkvoorziening 1.3 Banenafspraak 1.4 Re-integratie en de Participatiewet 1.5 Ondersteuning door Het College 1.6 Voorzieningen 1.6.1 Meedoenplek 1.6.2 Beschut werk 1.6.3 Participatieplaats 1.6.4 Werkervaringsplaats 1.6.5 Wettelijke loonkostensubsidie 1.6.6 Scholing 1.6.7 Persoonlijke voorzieningen bij werk en scholing 1.6.8 Jobcoaching 1.6.9 Tijdelijke loonkostensubsidie 1.6.10 Proefplaatsing 1.7 Premies, onkostenvergoedingen en inkomstenvrijlating 1.7.1 Uitstroombonus 1.7.2 Meedoenplekvoucher 1.7.3 Participatieplaatsvoucher 1.7.4 Scholingsbonus 1.7.5 Onkostenvergoedingen 1.7.5.1 Reiskostenvergoeding 1.8 Vrijlating van inkomsten 1.9 Arbeidsmedisch advies 1.10 Administratieve voorschriften 1.11 Bijzondere doelgroepen 1.11.1 Jongeren 1.11.2 Alleenstaande ouder 1.10.2.1 Kinderopvang 1.11.3 Zelfstandigen 1.11.3.1 Parttime zelfstandige (PTZ) 1.11.3.2 Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) 1.11.4 Jongere partner van AOW-gerechtigde 1.11.5 Samenlopers UWV 1.12 Specifieke projecten Het College 1.13 Wettelijke basis 1.1Werkgeversservicepunt Factorwerk Het Werkgeversservicepunt is een samenwerkingsverband tussen gemeente, UWV, onderwijsinstellingen, kenniscentra en andere partijen. Bij een werkgeversservicepunt krijgt een werkgever onder andere informatie en ondersteuning bij het aannemen van personen die moeilijker aan het werk komen. Denk bijvoorbeeld aan informatie over de Participatiewet en de banenafspraak, voorzieningen en financiële regelingen. Het Werkgeversservicepunt geeft persoonlijk en kosteloos advies en ondersteunt bij de werving en selectie van personeel met een afstand tot de arbeidsmarkt. Andere taken van het werkgeversservicepunt: brengt vraag (vacatures van werkgevers) en aanbod (werkzoekenden) bij elkaar (matching); geeft informatie en advies over werkgeverszaken, subsidies en landelijke en regionale regelingen aan onder andere werkgevers, uitzendbureaus, re-integratiebureaus en klantmanagers/werkcoaches; verzamelt arbeidsmarktinformatie; biedt de WerkgeversScan (waarmee bedrijven kunnen vaststellen of zij banen uit de banenafspraak kunnen creëren); is partner in het vervullen van banen uit de banenafspraak; geeft advies over Sociaal Ondernemen. De gemeente Lochem hoort bij de Arbeidsmarktregio FactorWerk. Binnen ’t Baken is een accountmanager actief die fungeert als aanspreekpunt voor de consulenten als het gaat over matching. 1.2Uitvoering Wet sociale werkvoorziening De uitvoering van Wet sociale werkvoorziening vindt plaats binnen de uitvoeringsorganisatie ’t Baken binnen de gemeente Lochem. Voor de huidige groep Wsw’ers wordt passend werk georganiseerd op de (reguliere) arbeidsmarkt. Dat kan via een detacheringsconstructie (in dienst bij de gemeente Lochem) of via de constructie begeleid werken (in dienst bij de werkgever). 1.3Banenafspraak Voor mensen die zelfstandig kunnen werken bij een reguliere werkgever maar door ziekte of een handicap niet in staat zijn om het minimumloon te verdienen bestaat de indicatie banenafspraak. Met een indicatie banenafspraak wordt iemand opgenomen in een landelijk doelgroepenregister. Landelijk is afgesproken om tot 2026 100.000 extra banen extra banen te creëren voor deze doelgroep. Binnen de arbeidsmarktregio is de afspraak gemaakt om kandidaten voor de banenafspraak te registreren in Sonar, het ICT systeem van het UWV. ’t Baken heeft toegang tot dit systeem. Voor werkzoekenden met een arbeidsbeperking, zoals mensen uit de Participatiewet en de IOAW, bestaan twee routes om in aanmerking te komen voor de banenafspraak: Toets door het UWV Bij het UWV kan een ‘beoordeling arbeidsvermogen’ worden aangevraagd. Op basis van deze aanvraag en de beschikbare informatie bepaald het UWV of iemand opgenomen kan worden in het doelgroepenregister. Praktijkroute Via de praktijkroute wordt door de gemeente op de werkplek vastgesteld of iemand vanwege zijn/haar beperkingen in staat is om het wettelijk minimumloon te verdienen. Dit kan bijvoorbeeld vastgesteld worden tijdens de uitoefening van een bestaande baan of tijdens een proefplaatsing. De vaststelling van de loonwaarde wordt gedaan volgens de Dariuz methodiek. De definitie voor een baan uit de baanafspraak is 25 uur per week. Banen van minder uren tellen naar rato mee. Hetzelfde geldt voor banen die meer uren per week tellen Wanneer is vastgesteld dat de persoon valt onder de indicatie baanafspraak, dan telt de baan waarop de betreffende persoon werkt mee voor de banenafspraak. De werkgever kan in dat geval aanspraak maken op regelingen zoals loonkostensubsidie, no –risk-polis, de premiekorting, het Lage Inkomens Voordeel (LIV). 1.4Re-integratie en de Participatiewet In de Participatiewet is geregeld dat iedereen die recht heeft op een bijstandsuitkering in principe verplicht is werk te zoeken en te aanvaarden. Het College ondersteunt dat proces door voorzieningen te verstrekken die de klant stimuleren om weer aan het werk te gaan (re-integratie). Als het College iemand helpt om aan het werk te gaan, is die persoon verplicht die voorziening te aanvaarden. Ook kan het zijn dat het College iemand opdraagt om een tegenprestatie te leveren voor het recht op uitkering. De tegenprestatie wordt in hoofdstuk 5 ‘Verplichtingen’ verder uitgelegd. Uitgangspunt van de Participatiewet is dat de weg naar werk zo kort mogelijk is. Dat betekent dat iedereen die een bijstandsuitkering heeft en 18 jaar of ouder is, tot de pensioengerechtigde leeftijd, elke vorm van arbeid waartoe hij in staat is moet accepteren. Alle arbeid is in feite passend. We spreken van algemeen geaccepteerde arbeid (artikel 9 lid 1a, Participatiewet). Hiermee wordt werk bedoeld dat in de samenleving als werk is aanvaard. Hieronder vallen bijvoorbeeld parttime werk, tijdelijke contracten en gesubsidieerd werk op basis van loonwaarde. De ondersteuning door het College is er in principe op gericht dat de klant algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt. Als dat (nog) niet mogelijk is, kan het College voorzieningen aanbieden die de klant ondersteunen op de weg naar werk of naar participatie. 1.5Ondersteuning door Het College Een grote groep inwoners kan een beroep kan doen op het College voor ondersteuning om aan het werk te gaan. De financiële middelen die door het rijk beschikbaar zijn gesteld aan gemeenten zijn echter beperkt. Daarom zijn er keuzes gemaakt bij het inzetten van de middelen en kunnen niet alle voorzieningen ingezet worden voor de hele doelgroep. In deze beleidsregels zijn de keuzes vastgelegd. Voor sommige voorzieningen geldt, dat er een wettelijke verplichting is om deze beschikbaar te stellen aan een specifieke doelgroep. Voor andere voorzieningen hebben gemeenten meer ruimte gekregen om te bepalen of iemand ervoor in aanmerking komt. Uitgangspunt is dat de voorzieningen evenwichtig worden verdeeld onder de totale doelgroep. In de Verzamelverordening Werk en Inkomen 2021 van de gemeente Lochem zijn de belangrijkste beleidskeuzes vastgelegd. Hieronder volgen de belangrijkste beleidskeuzes uit deze verordening: De ondersteuning van het College is in principe gericht op de kortste weg naar werk. Het College houdt rekening met de omstandigheden en mogelijkheden van de persoon, voordat hulp wordt geboden of voorzieningen worden ingezet. Het College houdt bij het inzetten van voorzieningen rekening met de afstand tot de arbeidsmarkt. Het College waakt ervoor dat het inzetten van voorzieningen niet leidt tot oneerlijke concurrentie of verdringing op de arbeidsmarkt. Het College zorgt ervoor, dat ook andere voorzieningen die nodig zijn kunnen worden benut. Denk bijvoorbeeld aan schuldhulpverlening of een Wmo-voorziening. Het College stelt in samenspraak met de klant richting de toekomst een plan op. Doelgroepen De gemeente kan ondersteuning bieden bij re-integratie aan personen die behoren tot één van de volgende doelgroepen (art. 7 Participatiewet). Het gaat hierbij in ieder geval om mensen die wonen in Lochem en nog niet de pensioenleeftijd hebben: uitkeringsgerechtigden (Participatiewet, IOAW, IOAZ); niet-uitkeringsgerechtigden zonder werk; mensen met een nabestaandenuitkering (ANW); gesubsidieerde werknemers (bijvoorbeeld mensen met een loonkostensubsidie; inwoners die hun baan, met loonkostensubsidie, zijn kwijtgeraakt en bijvoorbeeld WW of WIA ontvangen (pas als iemand twee jaar zonder ondersteunende voorziening het wettelijk minimumloon verdient, wordt het UWV verantwoordelijk voor de re-integratie). De wet maakt het mogelijk dat bepaalde voorzieningen door de gemeente worden ingezet voor mensen die buiten de wettelijke doelgroep vallen. Het gaat hier met name om: re-integratievoorziening beschut werk: deze kan ook worden ingezet voor mensen met een UWV-uitkering; loonkostensubsidie: deze kan ook worden ingezet voor jongeren die vanuit het voortgezet speciaal onderwijs, het praktijkonderwijs of de entreeopleiding MBO (binnen 6 maanden) zijn gaan werken bij een werkgever. Het College bepaalt in principe zelf welke voorzieningen ingezet worden voor welke groepen inwoners. Re-integratievoorzieningen In de Verzamelverordening werk en inkomen 2021 zijn de belangrijkste voorzieningen vastgelegd. Het College kan echter, naar beoordeling van de consulent Werk, ook andere voorzieningen aanbieden als dat zinvol is voor het toeleiden naar werk. De voorzieningen worden hieronder verder besproken. Niet ieder traject of iedere voorziening is passend voor een werkzoekende. Om te kunnen bepalen welke voorziening ingezet wordt, hanteren we de participatieladder. Iedere klant wordt ingedeeld in een ‘trede’, die de afstand tot de arbeidsmarkt weergeeft. Een correcte indeling helpt bij de juiste dienstverlening aan werkzoekenden. De zes treden staan hieronder kort beschreven. Trede 1; Geïsoleerd levend; bijvoorbeeld vereenzaamd, alleen internetcontacten Trede 2; Sociale contacten buitenshuis; bijvoorbeeld bezoek van buren en vrienden, incidenteel deelnemen aan activiteiten Trede 3; Deelname aan georganiseerde activiteiten; bijvoorbeeld; cursus of opleiding, actief verenigingslid. Trede 4; onbetaald werk; bijvoorbeeld werk met behoud van uitkering, stage, vrijwilligerswerk, tegenprestatie Trede 5; betaald werk met ondersteuning; bijvoorbeeld werk met aanvullende uitkering van gemeente of UWV, werk met externe begeleiding, werk en tegelijk een inburgeringscursus, werken met loonkostensubsidie Trede 6; betaald werk; bijvoorbeeld baan met arbeidscontract, zzp’er, ondernemer. Plan Als een klant recht heeft op een uitkering, wordt samen met de klant een plan opgesteld. In het plan wordt stilgestaan bij de huidige situatie van de klant op de arbeidsmarkt en wordt omschreven welke sterke punten en belemmeringen van invloed kunnen zijn op de mate waarin de klant kan deelnemen aan de arbeidsmarkt. In het plan worden meetbare en realistische doelen en activiteiten opgenomen die zijn gericht op arbeid of maatschappelijke activiteiten. Deze activiteiten kunnen variëren van het contact opnemen met een hulpverlener tot het solliciteren op een vacature. In het plan wordt ook de ondersteuning vanuit het College concreet gemaakt. In het Plan wordt tevens vastgelegd wat de huidige trede van de participatieladder is en de potentiele trede (binnen 1 jaar) van de kandidaat. 1.6Voorzieningen Voor personen in de Participatiewet zijn in ieder geval de volgende voorzieningen beschikbaar: Meedoenplek (1.6.1) Beschut werk (1.6.2) Participatieplaats (1.6.3) Werkervaringsplaats (1.6.4) Wettelijke loonkostensubsidie (1.6.5) Scholing (1.6.6) Persoonlijke voorzieningen bij werk en scholing (1.6.7) Jobcoaching (1.6.8) Tijdelijke loonkostensubsidie (1.6.9) Proefplaatsing (1.6.10) 1.6.1Meedoenplek Wat houdt het in? Een meedoenplek is een werkplek waarbij het accent ligt op het benutten en ontwikkelen van talenten, het opbouwen van dagstructuur en een sociaal netwerk, het opdoen van arbeidsritme en werkervaring. Als wordt gewerkt op een meedoenplek loopt de uitkering door. De meedoenplek kan een eerste stap zijn op weg naar (betaald) werk. De organisatie die een meedoenplek aanbiedt, ontvangt voor de begeleiding een financiële vergoeding (€ 750,- per jaar). De persoon die werkt op een meedoenplek, ontvangt daarvoor een participatievoucher. Voor de voorwaarden en de hoogte, zie par. 1.8.2. Voor wie is de meedoenplek bestemd? Voor een meedoenplek komen in aanmerking personen uit de doelgroep (zie par. 1.5), met een kleine kans op betaald werk. Wat zijn de voorwaarden? De volgende voorwaarden zijn van toepassing: Kleine kans op werk Geen sprake van verdringing op de arbeidsmarkt of oneerlijke concurrentie Schriftelijke overeenkomst tussen het College, klant en organisatie, waarin het doel van de meedoenplek is vastgelegd. Het College kan op verzoek van de klant nagaan of hij kan worden geplaatst op een meedoenplek. Het College kan dit ook op eigen initiatief beoordelen en aanbieden. De meedoenplek duurt zolang de organisatie iemand de gelegenheid biedt om daar te werken, maar als duidelijk is dat iemand toe is aan een nieuwe stap, kan de meedoenplek ook beëindigd worden. Het is dan de bedoeling, dat de meedoenplek wordt opgevolgd door een werkervaringsplaats of een andere voorziening. 1.6.2Beschut werk Wat houdt het in? Een beschutte werkplek is een werkplek bij een werkgever voor een inwoner die alleen onder aangepaste omstandigheden kan werken. Beschut werken is werken in een normaal dienstverband, vaak met loonkostensubsidie. Beschut werk vraagt altijd om aanpassing van de werkplek of intensieve begeleiding in een beschutte werkomgeving. De gemeente is verantwoordelijk voor de dienstverbanden beschutte werkplekken. Landelijk geldt een (jaarlijks oplopende) taakstelling voor gemeenten ten aanzien van het in te vullen beschutte plekken. Voor wie is het? Beschut werk is een re-integratie- voorziening voor inwoners die tot de doelgroep van het College behoren of van het UWV een uitkering ontvangen, en die uitsluitend onder aangepaste omstandigheden kunnen werken. Wat zijn de voorwaarden? UWV moet een positief advies geven. UWV heeft de wettelijke opdracht om het College hierover te adviseren. Een verzoek om advies kan worden ingediend door de inwoner of het College. UWV beoordeelt dan of de persoon kan werken en of er sprake is van: een of meer technische of organisatorische aanpassingen die niet binnen redelijke grenzen door een werkgever kunnen worden gerealiseerd; permanent toezicht of intensieve begeleiding die niet binnen redelijke grenzen door een werkgever kan worden aangeboden. Als aan deze voorwaarden is voldaan, adviseert UWV positief. Het College neemt dit advies in principe over. Het College neemt binnen 8 weken een besluit op grond van het advies van het UWV. Wat doet het College nog meer? Het College kan de werkgever die een inwoner een beschutte werkplek aanbiedt het volgende aanbieden: loonkostenkostensubsidie: zie verder par. 1.6.5 tegemoetkoming in de kosten van een werkplekaanpassing, zie par. 1.6.7 jobcoaching, zie par. 1.6.8 Hoe ondersteunt het College beschut werk in de periode die aan het dienstverband voorafgaat? Elke situatie is anders, dus het College houdt rekening met de individuele situatie van de klant. Als het nodig en zinvol is, wordt één van de volgende voorzieningen aangeboden: scholing; persoonlijke ondersteuning, of schulddienstverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Hoe wordt de werkgever ondersteund? De werkgever die een dienstbetrekking aangaat met een inwoner met een beschut werk-indicatie wordt door het Rijk gecompenseerd in de kosten daarvan via de zgn. ‘no-riskpolis’ van het UWV bij ziekte van de werknemer, en met verschillende fiscale maatregelen, waaronder het Lage inkomensvoordeel. Indien een werkgever geen dienstbetrekking met een inwoner wil aangaan verzorgt gaat het College de dienstbetrekking aan, eventueel in samenwerking met een derde partij. Hoe lang duurt Beschut werk? Zo lang als de positieve indicatie van UWV geldig is en het dienstverband duurt, tot aan de pensioengerechtigde leeftijd. In de meeste gevallen zal het om een langdurige periode gaan. Maar het is mogelijk dat omstandigheden veranderen, waardoor een nieuw advies van het UWV nodig is. Zowel de werknemer als het College kunnen een advies aanvragen bij het UWV. Bij welke organisaties kan beschut worden gewerkt ? ‘Olympia/Briljantalent’ en ‘Larcom’ kunnen als werkgever optreden. Met Zozijn, locatie De Clip, zijn afspraken gemaakt voor een aantal werkplekken indien deze niet op de (reguliere) arbeidsmarkt gevonden kunnen worden. 1.6.3Participatieplaats Wat houdt het in? Een participatieplaats is een werkplek waarop met behoud van uitkering kan worden gewerkt. Het College komt met een organisatie overeen dat de klant gedurende langere periode bij die organisatie aan de slag kan. De organisatie treedt op als inlener. Door middel van een participatieplaats kan de afstand tot de arbeidsmarkt worden overbrugd. Voor wie is het? De participatieplaats is bedoeld voor inwoners van 27 jaar of ouder, die een bijstandsuitkering of een IOAW- of IOAZ-uitkering ontvangen en die een erg kleine kans hebben om betaald werk te vinden. Het gaat om mensen, die wel kunnen werken, maar daar veel ondersteuning bij nodig hebben. Wat zijn de voorwaarden? Recht op een uitkering van het College; Een kleine kans op betaald werk; Er mag geen sprake zijn van verdringing op de arbeidsmarkt; het gaat om additionele (extra) werkzaamheden; In een schriftelijke overeenkomst tussen inlener, de klant en het College wordt in ieder geval vastgelegd: het doel van de Participatieplaats; en de manier waarop de begeleiding plaatsvindt. Het College kan op verzoek van de klant nagaan of hij kan worden geplaatst op een participatieplaats. Het College kan dit ook op eigen initiatief beoordelen en aanbieden. Inleenvergoeding De eerste twee jaar niet. Vanaf het derde jaar betaalt de inlener het College een inleenvergoeding ter hoogte van 25% van de toepasselijke bijstandsnorm. Overigens is een participatieplaats maar voor één jaar maar deze kan wel steeds worden verlengd. Wat doet het College nog meer? Uiterlijk zes maanden nadat de werkzaamheden zijn gestart, biedt het College de klant een vorm van scholing aan. Telkens na zes maanden wordt de ontwikkeling besproken tussen het College, inlener en de klant en komt de klant in aanmerking voor een premie van € 100,- als hij voldoende heeft meegewerkt aan de afspraken die zijn vastgelegd in zijn plan. Hoe lang duurt een participatieplaats? In principe maximaal een jaar. Als uit een evaluatie na negen maanden blijkt dat de Participatieplaats de kans op betaald werk vergroot, kan de duur met nog een jaar verlengd worden. Na twee jaar kan de participatieplaats twee keer met een periode van een jaar verlengd worden als de voortzetting van de werkzaamheden de kansen op arbeidsinschakeling vergroot. Wel zal dit in een andere werkomgeving moeten zijn, om de werkervaring te vergroten. Bij welke organisaties is een participatieplaats mogelijk? Het vinden van een participatieplaats is maatwerk. 1.6.4Werkervaringsplaats Wat houdt het in? De werkervaringsplaats is een vorm van werken met behoud van uitkering. Deze voorziening wordt aangeboden als de afstand tot de arbeidsmarkt groot is, maar niet vaststaat hoe die afstand het beste overbrugd kan worden. De werkervaringsplaats maakt een analyse mogelijk waaruit blijkt welke voorziening het beste kan worden aangeboden om de afstand tot de arbeidsmarkt te overbruggen. Voor wie is het? De werkervaringsplaats is bedoeld voor inwoners uit de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Wat zijn de voorwaarden? Er mag geen sprake zijn van verdringing op de arbeidsmarkt; het gaat om additionele (extra) werkzaamheden. In een schriftelijke overeenkomst tussen de organisatie, de klant die van de werkervaringsplaats gebruik maakt en het College wordt in ieder geval vastgelegd: het doel van de werkervaringsplaats; en de manier waarop de begeleiding plaatsvindt. Het College kan op verzoek van de klant nagaan of hij kan worden geplaatst op een werkervaringsplaats. Het College kan dit ook op eigen initiatief beoordelen en aanbieden. Wat doet Het College nog meer? Uiterlijk in de derde maand nadat een start met de werkervaringsplaats is gemaakt, vindt samen met de organisatie een evaluatie plaats. De klant die van de werkervaringsplaats gebruik maakt, komt in aanmerking voor een participatievoucher als hij voldoende heeft meegewerkt aan de afspraken die zijn vastgelegd in zijn plan van aanpak en de Werkervaringsplaats is geëindigd. Zie par. 1.9.2. Hoe lang duurt een werkervaringsplaats? De Werkervaringsplaats duurt zo kort mogelijk, maar niet langer dan maximaal zes maanden. In bijzondere omstandigheden, of als het nodig wordt geacht door de consulent Werk, kan die termijn drie maanden verlengd worden. Bijzonderheden Het College vergoedt de noodzakelijke kosten van een assessment of vergelijkbaar testinstrument dat wordt gebruikt om te beoordelen hoe groot de afstand van de klant tot de arbeidsmarkt is en hoe de klant ondersteund kan worden om die afstand te overbruggen. Bij welke organisaties is een werkervaringsplaats mogelijk? Het vinden van een werkervaringsplaats is maatwerk. Vanuit de gemeente zijn afspraken gemaakt met Circulus Berkel, Centerrr Almen en 2 Switch voor het aanbieden van werkvaringsplaatsen. 1.6.5Wettelijke loonkostensubsidie Wat houdt het in? Loonkostensubsidie is een maandelijkse tegemoetkoming in de loonkosten. De wettelijke loonkostensubsidie is bedoeld voor een werkgever, die iemand in dienst neemt, die minder productief is door een arbeidsbeperking. Hoe lager de productiviteit, hoe hoger de loonkostensubsidie. De werknemer ontvangt het normale cao-loon of het wettelijk minimumloon, als er geen cao is. Voor wie is het? Loonkostensubsidie is bedoeld voor een werkgever die iemand in dienst neemt die niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen vanwege een lichamelijke, verstandelijke of psychosociale beperking. Wat zijn de voorwaarden? Het moet gaan om iemand uit één van de volgende groepen: Mensen met een uitkering van het College; Andere mensen die door het College geholpen moeten worden om werk te vinden; Jongeren, die vanuit het praktijkonderwijs, het voortgezet speciaal onderwijs of de entree-opleiding van het ROC aan het werk gaan of die in een BBL-traject zitten; Mensen, die een beschutte werkplek hebben, behalve mensen met een Wajong-uitkering. De werkgever moet de loonkostensubsidie aanvragen voordat het dienstverband wordt gesloten, behalve als het gaat om een jongere die praktijkonderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of MBO-entree-opleiding heeft gevolgd. Het dienstverband met die jongere moet zijn aangegaan binnen zes maanden na beëindiging van de opleiding Klant is niet in staat om het wettelijk minimumloon te verdienen Er is sprake van een arbeidsbeperking Hoe wordt de loonkostensubsidie bepaald? Op basis van de functie wordt beoordeeld wat iemand kan verdienen (de zgn. loonwaarde). Dat gebeurt met de Dariuz methodiek. Belangrijke aspecten bij het meten van de loonwaarde zijn: de kwaliteit van de productie, het werktempo en de productieve tijd van de werknemer. Dat wordt vergeleken met een gemiddelde werknemer in een functie die qua samenstelling van de werkzaamheden het dichtst bij de werkzaamheden van de (nieuwe) werknemer ligt. De loonwaarde wordt gemeten als percentage van het wettelijk minimumloon. Als onduidelijk is of de functie echt bij de werknemer past, kan de werknemer toestemming krijgen om eerst maximaal 3 maanden met behoud van uitkering te werken (proefplaatsing). Wat is de hoogte van de loonkostensubsidie? De berekening van de loonkostensubsidie gaat volgens de volgende rekenformule: Bepalen loonwaarde Loonwaarde = percentage van het wettelijk minimum (jeugd)loon (inclusief 8% vakantietoeslag) Wettelijk minimumloon (inclusief 8% vakantietoeslag) minus loonwaarde = hoogte loonkostensubsidie (ex vergoeding werkgeverslasten) Vergoeding werkgeverslasten = 23% van loonkostensubsidie Stap 3 en 4 optellen = de loonkostensubsidie De loonkostensubsidie is maximaal 70 procent van het wettelijk minimumloon. De werkgever ontvangt daarnaast een vergoeding voor de werkgeverslasten (op dit moment 23 procent van de loonsom waarover loonkostensubsidie wordt verstrekt). Het eventuele verschil tussen minimumloon en cao-loon komt voor rekening van de werkgever. Het kan ook zijn dat de werknemer wordt gedetacheerd. De werkgever bij wie de werknemer gaat werken, betaalt dan een inleenvergoeding aan de werkgever die detacheert (de formele werkgever). Bij het bepalen van de hoogte van de inleenvergoeding kan rekening worden gehouden met de hoogte van de loonkostensubsidie. Hoe lang duurt de loonkostensubsidie? De loonkostensubsidie loopt door tot het einde van de dienstbetrekking of tot het moment waarop de arbeidsproductiviteit zo toegenomen is, dat er geen loonkostensubsidie meer nodig is. Er kan tussentijds onderzoek worden gedaan naar de arbeidsproductiviteit en de loonwaarde. Als een werknemer ziek wordt tijdens de dienstbetrekking, dan wordt de loonkostensubsidie onderbroken zo lang de ziekte voortduurt. Vaste loonkostensubsidie Naast de loonkostensubsidie op basis van een loonwaardemeting op de werkplek, bestaat wettelijk de mogelijkheid om maximaal de eerste zes maanden dat iemand bij een werkgever in dienst komt, een vaste loonkostensubsidie te verlenen. Hierbij wordt in eerste instantie geen loonwaarde gemeten, maar bedraagt de subsidie standaard 50% van het wettelijk minimumloon. Deze vaste loonkostensubsidie is bedoeld voor situaties, waarin moeilijk ingeschat kan worden of er een groei in de productiviteit van de werknemer verwacht kan worden. De werkgever kan dan verzoeken om een vaste loonkostensubsidie. Het College bepaalt zelf of deze subsidie wordt verstrekt, of dat de loonkostensubsidie wordt gebaseerd op een loonwaardemeting. Na afloop van de vaste loonkostensubsidie, beoordeelt het College of de loonkostensubsidie kan worden voortgezet op basis van een loonwaardemeting. Aan de vaste loonkostensubsidie zijn enkele nadelen verbonden voor werknemer en werkgever: de werknemer wordt niet opgenomen in het doelgroepregister voor de banenafspraak de werkgever kan niet in aanmerking komen voor de ‘no-risk-polis’ als de werknemer ziek wordt de werkgever kan niet in aanmerking komen voor premiekorting werknemerspremies en de vrijwaringsregeling in het kader van de WGA-regeling Is er nog extra ondersteuning mogelijk? Naast de loonkostensubsidie kan de werkgever soms in aanmerking komen voor een tegemoetkoming in de kosten van een ‘jobcoach’. Dat kan een andere werknemer zijn of iemand van buiten de organisatie. Bij het College kan om een tegemoetkoming in die kosten worden gevraagd. Zie verder par. 1.6.8. Daarnaast kan de werkgever soms in aanmerking komen voor een aanpassing van de werkplek of andere voorzieningen. Zie verder par. 1.6.7. 1.6.6Scholing Wat houdt het in? Soms is scholing noodzakelijk om dichterbij de arbeidsmarkt te komen. Een klant jonger dan 27 jaar moet in principe gebruik maken van het reguliere onderwijs, zoals een MBO- of HBO-opleiding die door het rijk wordt bekostigd. zie verder par. 1.13.1 Gaat het om een klant die 27 jaar of ouder is, dan is regulier onderwijs meestal niet te volgen met behoud van uitkering. De klant is tijdens de studie namelijk niet beschikbaar voor werk. Als de klant in het individuele geval toestemming krijgt om regulier onderwijs te volgen, dan kan vanaf 1 augustus 2017 gebruik gemaakt worden van het zgn. ‘levenlanglerenkrediet’ op grond van de Wet studiefinanciering om de opleiding te betalen. Is het College van mening, dat een andere vorm van onderwijs, opleiding of training noodzakelijk is om de stap naar betaald werk te zetten, dan kan in overleg met de klant worden bepaald, in welke vorm dat wordt aangeboden. Daarbij wordt de individuele situatie van de klant betrokken. Het kan zijn dat het College dit zelf organiseert, het kan ook zijn dat daarvoor een vergoeding wordt verstrekt. Voor wie is het? Scholing is in de eerste plaats bedoeld voor klanten met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, maar kan ook aan klanten met een kleine afstand worden aangeboden. Dan zal de scholing vaak de vorm hebben van een kortdurende training, bijvoorbeeld een sollicitatietraining. Wat zijn de voorwaarden? De scholing moet noodzakelijk zijn om dichterbij werk te komen. Er mag geen andere voorziening in de kosten beschikbaar zijn. 1.6.7Persoonlijke voorzieningen bij werk of scholing Wat houdt het in? Het College is ook verantwoordelijk voor het inzetten van zogenoemde ‘persoonlijke voorzieningen’ voor mensen met een arbeidsbeperking die onder de doelgroep van het College vallen. Het gaat om de volgende categorieën voorzieningen: Vervoersvoorzieningen: om naar het werk te reizen, in de vorm van aanpassing van het eigen vervoermiddelen of van een vergoeding voor ander vervoer. Intermediaire voorzieningen: voor medewerkers met arbeidsvermogen die moeite hebben met zien, horen of bewegen, bijv. doventolk of voorleeshulp. Meeneembare voorzieningen: aanpassingen of hulpmiddelen die ook op een andere werkplek gebruikt kunnen worden (en niet standaard beschikbaar zijn binnen een bedrijf), bijvoorbeeld orthopedische schoenen en brailleleesregels. Een voorziening kan in natura beschikbaar worden gesteld of in de vorm van een geldbedrag. Voor wie is het? Persoonlijke voorzieningen zijn bedoeld voor klanten uit de doelgroep van het College die deze voorzieningen nodig hebben om te kunnen werken, of te kunnen deelnemen aan een traject richting werk. Het moet gaan om klanten die een arbeidsbeperking hebben. Wat zijn de voorwaarden? Aan persoonlijke voorzieningen zijn enkele voorwaarden verbonden: De voorziening is noodzakelijk Er is geen andere voorziening beschikbaar in de kosten De klant heeft een arbeidsbeperking De voorziening wordt toegekend volgens het principe: niet meer en niet langer dan noodzakelijk Het College kan op verzoek van de werknemer of de werkgever nagaan of de klant in aanmerking komt voor een persoonlijke voorziening. Het College kan dit ook op eigen initiatief beoordelen. Wat is er geregeld over de uitvoering? De uitvoering is gebaseerd op de handreiking “Meeneembare voorzieningen Participatiewet 2018”, van de VNG. Dit betekent dat in specifieke gevallen een meeneembare voorziening verstrekt kan worden aan de inwoner. Een voorziening wordt niet verstrekt als van de werkgever verwacht mag worden dat hij deze zelfs ter beschikking stelt, bijvoorbeeld omdat een bepaalde voorziening nodig is voor de uitvoering van het werk. Een meeneembare voorziening is gekoppeld aan de inwoner en kan ‘meegenomen’ worden naar andere functies bij de afloop van een contract. 1.6.8Jobcoaching Wat houdt het in? Een jobcoach begeleidt een persoon (werknemer) met een structurele functionele beperking of behorende tot de doelgroep loonkostensubsidie gedurende een maximale periode bij het verrichten van zijn taken op de werkplek. De wetgeving gebruikt de term “structurele functionele beperking” voor een langdurige ziekte of handicap die het werk belemmert. Dit volgt uit artikel 10da van de Participatiewet. De ondersteuning moet noodzakelijk zijn, in die zin dat de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden kan verrichten. De jobcoach begeleidt naast de werknemer ook zijn werkgever. De voorziening jobcoaching heeft ten doel een werknemer te begeleiden naar een situatie waarin hij uiteindelijk zonder begeleiding (en met behulp van deze voorziening) bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn. Voor wie is het? Personen van wie is vastgesteld dat zij met voltijdarbeid niet in staat zijn tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, maar wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Het betreft hier de doelgroep van de zogenaamde garantiebanen/banenafspraak. Daarnaast kan jobcoaching ook ingezet worden voor de doelgroep Wsw. Inzet van jobcoaching buiten deze kaders alleen in uitzonderlijke gevallen en alleen na afstemming beleid en budgetbeheer (hardheidsclausule). Interne jobcoaching vanuit ’t Baken is voorliggend op de externe jobcoaching zoals in deze paragraaf bedoeld. Twee begeleidingsregimes Voor de inzet van de jobcoach sluiten we aan bij de begeleidingsniveaus ‘licht’ en ‘midden’ van het UWV. De consulent werk stelt in overleg met betrokkenen het begeleidingsniveau en daarmee de omvang van de inzet van jobcoaching vast. Voor de doelgroep banenafspraak zal het regime van ‘midden’ het meest geschikt zijn. We sluiten aan bij het protocol van het UWV hierover. www.uwv.nl/zakelijk/images/protocol-jobcoach.pdf Wat zijn de voorwaarden? De inzet van een jobcoach is noodzakelijk of zeer gewenst om een plaatsing van een inwoner op een baan mogelijk te maken. De jobcoach die ingezet wordt is gecertificeerd; Bij inzet van een jobcoach wordt eerst gekeken naar de mogelijkheden om de jobcoach van de gemeente in te zetten. Wanneer dit niet kan of niet passend is, wordt een bedrag beschikbaar gesteld conform het begeleidingsregime; De percentages zijn gebaseerd op een arbeidsovereenkomst van 24 uur of meer per week. Indien de persoon minder dan 24 uur per week werkt wordt dit naar rato berekend. De bedragen zijn de maximale jaarbedragen die beschikbaar zijn. De jobcoach bepaalt de hoogte van de inzet van de jobcoach. Die kan afwijken van de maximale inzet. De inzet van een jobcoach vereist minimaal een contract voor 6 maanden. Dit staat los van de proefplaatsing. Uurtarief is een all-in tarief. Dus bijvoorbeeld inclusief reiskosten en administratieve kosten. De consulent monitort en beoordeeld de duur van de inzet van de jobcoach. We sluiten aan bij het beleidsprotocol interne jobcoach UWV 2020 en het beleidsprotocol jobcoach UWV 2020. Wat is de vergoeding? Met betrekking tot de hoogte van de tarieven sluiten we aan bij de tarieven die het UWV ook hanteert. Deze worden periodiek geïndexeerd en zijn online raadpleegbaar. De bovenstaande tarieven zijn maximale bedragen die op jaarbasis beschikbaar zijn. Het actuele tarief is te vinden op de tarievenlijst van het UWV. Wat is er geregeld over de uitvoering? Aanvragen voor jobcoaching lopen via de consulenten werk van ’t Baken. Deze consulenten zijn ook verantwoordelijk voor de toekenning en de inhoudelijke inzet van jobcoaching. Afspraken worden vastgelegd in het Plan en in het cliëntvolgsysteem. 1.6.9Tijdelijke loonkostensubsidie Wat houdt het in? Tijdelijke loonkostensubsidie is een tijdelijke tegemoetkoming in de loonkosten. Deze loonkostensubsidie is bedoeld voor werkgevers die een dienstverband van minimaal één jaar willen aangaan met een inwoner met een bijstandsuitkering of IOAW-uitkering. Het moet gaan om iemand die direct inzetbaar is op de arbeidsmarkt. De subsidie compenseert kosten die een werkgever vanwege het inwerken van de werknemer maakt en stimuleert de totstandkoming van een dienstverband. Let op: naast deze tijdelijke loonkostensubsidie bestaat er ook een wettelijke loonkostensubsidie. Deze is geregeld in de Participatiewet en is bedoeld voor werkgevers, die een werknemer in dienst nemen die niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen. Zie verder par. 1.6.5. Voor wie is het? De loonkostensubsidie is bedoeld voor werkgevers die de bedoeling hebben om een inwoner met een bijstands- of IOAW-uitkering een dienstverband van minimaal een jaar aan te bieden. Wat zijn de voorwaarden? De subsidie is volgens het College noodzakelijk voor het aangaan van het dienstverband Werkgever ondertekent schriftelijke intentieverklaring dienstverband van minimaal één jaar Werknemer heeft recht op bijstandsuitkering of IOAW-uitkering Werkgever voert een deugdelijke loonadministratie Arbeidsvoorwaarden conform cao of daarmee gelijk te stellen (als geen cao aanwezig) Het College beoordeelt op verzoek van de werkgever of een tijdelijke loonkostensubsidie kan worden verstrekt. Hoe wordt de plaatsingssubsidie bepaald en betaald? Werkgever en de klant stellen een arbeidsontwikkelingsplan op. Hierin staat opgenomen hoe de loonkostensubsidie bijdraagt aan het inwerken van de werknemer en hoeveel extra begeleiding er nodig is ten opzichte van een ervaren medewerker in een vergelijkbare functie De kosten van de extra begeleiding worden vergoed, tot maximaal 50% van het wettelijk minimum loon. De plaatsingssubsidie wordt nog vermeerderd met 23% werkgeverslasten. De tijdelijke subsidie wordt maandelijks achteraf op basis van een door de werkgever in te dienen declaratie door het College betaald. Hoe lang duurt de plaatsingssubsidie? Het recht op tijdelijke loonkostensubsidie bestaat in principe gedurende maximaal de eerste drie maanden van het dienstverband in het geval van een arbeidsovereenkomst van minimaal een jaar. In bijzondere omstandigheden kan deze periode worden verlengd. Hierin is sprake van maatwerk. Is er nog extra ondersteuning mogelijk? De werkgever kan ook een vergoeding krijgen van de kosten die volgens het College noodzakelijk zijn voor de opleiding of training van de werknemer. Voorwaarde is wel dat de opleiding of training in het arbeidsontwikkelingsplan is opgenomen. Zie verder par. 1.6.6. 1.6.10Proefplaatsing Wat houdt het in? Een proefplaatsing betekent werken met behoud van uitkering met het vooruitzicht op een dienstverband van minimaal zes maanden (zonder proeftijd- of uitzendbeding), als de proefplaatsing succesvol is. Het gaat erom dat de werkgever de bedoeling heeft om na de proefplaatsing een dienstverband aan te bieden, met een minimale omvang van hetzelfde aantal uren hebben als tijdens de proefplaatsing. Voor wie is het? Het College kan een proefplaatsing aanbieden aan een werkgever, die twijfelt over de vaardigheden en inzetbaarheid van een inwoner met een bijstandsuitkering of een IOAW-uitkering. Zowel het College als de werkgever moet proefplaatsing als een noodzakelijke voorfase van een dienstverband zien. Wat zijn de voorwaarden? De volgende voorwaarden zijn van toepassing: Werkgever verklaart schriftelijk dat bij goed gevolg een arbeidsovereenkomst met de klant wordt aangegaan van minimaal zes maanden Proefplaatsing is volgens de werkgever en het College noodzakelijk als voorfase van een arbeidsovereenkomst De proefplaatsing duurt niet langer dan noodzakelijk is, maar maximaal drie maanden Wat doet het College nog meer? Het College biedt tijdens de proefplaatsing op verzoek van de werkgever coaching aan op de werkplek. Het College verzorgt zelf de coaching, of vergoedt de kosten van een coach die door het College of de werkgever wordt ingehuurd. Het College kan de kosten van een noodzakelijke opleiding of training van de klant vergoeden, als de opleiding of training in een arbeidsontwikkelingsplan is opgenomen. Zie verder par. 1.6.6. De klant die na de proefplaatsing uitstroomt, kan in aanmerking komen voor een uitstroombonus. Zie de voorwaarden in par. 1.7.1. Hoe lang duurt een Proefplaatsing? Een proefplaatsing duurt maximaal twee maanden en kan met één maand worden verlengd, op basis van een schriftelijk gemotiveerd en gezamenlijk verzoek van de werkgever en de klant. Voorwaarde is dan dat het aansluitende dienstverband minimaal een jaar duurt. Bijzonderheden Het College stemt uitsluitend met een proefplaatsing in als de klant niet eerder werkzaamheden voor de werkgever heeft verricht. In bijzondere situaties kan het College hiervan afwijken. 1.7Premies, onkostenvergoedingen en inkomstenvrijlating Het College kent verschillende voorzieningen die klanten stimuleren om aan het werk te gaan of om deel te nemen aan maatschappelijke activiteiten. Deze voorzieningen fungeren als steuntje in de rug. 1.7.1Uitstroombonus Wat houdt het in? De uitstroombonus is een premie die wordt verstrekt aan een klant met een uitkering van het College (bijstandsuitkering, IOAW- of IOAZ-uitkering), als stimulans en beloning voor werkaanvaarding die leidt tot beëindiging van de bijstand of IOAW-, IOAZ-uitkering. De uitstroombonus stimuleert werkaanvaarding en verzacht tijdelijk de gevolgen van de armoedeval. De premie is onbelast. Voor wie is het? De uitstroombonus is bedoeld voor klanten met een uitkering van het College die door werkaanvaarding niet meer in aanmerking komen voor een uitkering, ook als het om werk gaat met loonkostensubsidie. Wat zijn de algemene voorwaarden? Als gevolg van werkaanvaarding heeft de klant zes maanden geen recht op een uitkering van het College; Klant is 27 jaar of ouder; De uitstroombonus wordt maximaal eenmaal in de twee jaar toegekend; Het aanvaarden van werk moet direct aan het College worden gemeld. De klant die het aanvaarden van werk niet of niet onmiddellijk aan het bestuur heeft gemeld, heeft geen aanspraak op de uitstroombonus. De uitstroombonus wordt niet teruggevorderd. De klant hoeft geen aanvraag in te dienen. Het College beoordeelt of aan de voorwaarden is voldaan. Het volgende is van toepassing. De premie bedraagt € 600,-. De eerste helft wordt betaald nadat hij heeft aangetoond wanneer zijn werkzaamheden zijn begonnen. De tweede helft wordt betaald nadat zijn werkzaamheden zes maanden hebben geduurd. Hierbij moet het gaan om minimaal zes maanden betaalde arbeid. 1.7.2Meedoenplekvoucher Wat houdt het in? De participatievoucher is een premie die deelname aan maatschappelijke activiteiten (participatie) stimuleert en als waardering daarvoor wordt toegekend. De meedoenvoucher bedraagt € 125,- en is fiscaal onbelast. Voor wie is het? De meedoenvoucher is bedoeld voor klanten die langdurig werken op een meedoenplek, niet voor mensen die betaald werk verrichten, ook niet als het om gesubsidieerd werk of beschut werk gaat. Wat zijn de voorwaarden? De klant moet minimaal twaalf maanden hebben gewerkt op een werkervaringsplaats; De klant moet de afspraken die in zijn plan van aanpak staan nagekomen zijn; De klant is 27 jaar of ouder; De participatievoucher wordt eenmaal per jaar toegekend. Hoe wordt de meedoenvoucher uitbetaald? De klant kan jaarlijks een participatievoucher aanvragen. Deze wordt elke twaalf maanden ineens uitgekeerd. 1.7.3Participatieplaatsvoucher Wat houdt het in? De participatieplaatsvoucher is een premie voor een klant die succesvol heeft gewerkt op een participatieplaats. De participatieplaatsvoucher bedraagt € 75,- en is fiscaal onbelast. Voor wie is het? De participatieplaatsvoucher is bedoeld voor klanten met een bijstands- of IOAW/IOAZ-uitkering en die werken op een participatieplaats. Wat zijn de voorwaarden? De klant moet een bijstands- of IOAW/IOAZ-uitkering hebben; De klant moet minimaal zes maanden hebben gewerkt op een participatieplaats; De klant voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces; De klant is 27 jaar of ouder; De participatieplaatsvoucher wordt eenmaal per zes maanden toegekend. Hoe wordt de participatieplaatsvoucher uitbetaald? De participatieplaatsvoucher hoeft niet te worden aangevraagd. Zodra het College vaststelt dat de klant voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces, wordt de voucher op initiatief van het College telkens na zes maanden uitbetaald. 1.7.4Scholingsbonus Wat houdt het in? De scholingsbonus is een premie voor het voltooien van een opleiding, cursus of training die volgens Het College noodzakelijk is voor de deelname aan de samenleving of die de kansen op werk vergroot. De scholingsbonus bedraagt € 250,- en is fiscaal onbelast. Voor wie is het? De scholingsbonus is bedoeld voor klanten met een uitkering van het College die een opleiding, cursus of training succesvol afgesloten hebben. Wat zijn de voorwaarden? De klant moet een uitkering van het College hebben; De klant moet een opleiding, cursus of training succesvol afgesloten hebben; Het gaat om een opleiding, cursus of training die volgens het College noodzakelijk is om aan participatieactiviteiten deel te nemen, of die de kansen op arbeidsinschakeling vergroten. Bijzonderheden Het kan gaan om iemand die op eigen initiatief of op initiatief van het College gaat starten met een opleiding. Als het gaat om eigen initiatief, dan moet het College daar vooraf toestemming voor geven en vooraf bepalen of het om een noodzakelijke opleiding gaat. De scholingsbonus wordt overgemaakt, zodra de klant kan aantonen, dat de opleiding is afgerond. 1.7.5Onkostenvergoedingen Wat houdt het in? Het College kan deze kosten aan inwoners uit de doelgroep vergoeden als de kosten voortkomen uit het uitvoeren van het plan van aanpak. Wat zijn de voorwaarden? Het gaat om kosten, die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van het plan; Vergoed worden slechts de kosten die worden gemaakt voor de goedkoopste, passende oplossing; De kosten worden door bewijsstukken aangetoond. Verwervingskosten m.b.t. werkaanvaarding; Deze kosten kunnen niet worden betaald uit de Uitstroombonus. Het College kan op eigen initiatief of op verzoek van de klant nagaan of een onkostenvergoeding verstrekt kan worden. 1.7.5.1Reiskostenvergoeding De reiskostenvergoeding is een bijzondere vorm van een onkostenvergoeding. De volgende principes zijn van toepassing op de reiskostenvergoeding. De reiskostenvergoeding vanuit de werkgever is voorliggend op een eventuele vergoeding vanuit de gemeente. Onder de 10 kilometer reistijd enkele reis vindt er in de basis geen vergoeding plaats. Een uitzondering is mogelijk naar de beoordeling van de consulent werk. Boven de 10 kilometer reistijd enkele reis vindt er een reiskostenvergoeding van 19 cent per kilometer plaats. 1.8Vrijlating van inkomsten Voor drie groepen klanten die een uitkering van het College hebben, is er de mogelijkheid om inkomsten uit deeltijdwerk vrij te laten bij het bepalen van de hoogte van de uitkering. Het gaat om: inkomsten uit arbeid voor iedereen met een uitkering inkomsten uit arbeid voor alleenstaande ouders inkomsten uit arbeid voor mensen met een zgn. medisch-urenbeperking Voor meer informatie: zie hoofdstuk 4 ‘Inkomen en vermogen’. 1.9Arbeidsmedisch advies Lichamelijke of psychosociale klachten kunnen aandachtspunten opleveren bij de ondersteuning door het College naar werk. Zo nodig kan dan een arbeidsmedisch advies worden ingewonnen. Vaak is het niet nodig een keuring aan te vragen. Als bijvoorbeeld duidelijk is dat de klant niet belastbaar is voor werk (of soms: participatie) dan heeft een keuring geen toegevoegde waarde. Ook als sinds de vorige keuring niets is veranderd, is een keuring niet noodzakelijk. In veel gevallen is het bovendien beter met de klant te bespreken wat hij allemaal wel kan. Als een keuring echt noodzakelijk is, kan een medisch/psychologisch/arbeidskundig advies bij de gecontracteerde organisatie aangevraagd worden. Het medisch advies wordt in principe overgenomen. Een second opinion wordt alleen aangevraagd, als de diagnose en het advies niet helder genoeg zijn. 1.10Administratieve voorschriften Administratieve voorschriften zijn nodig om het recht op ondersteuning bij re-integratie te regelen. Deze voorschriften geven antwoorden op vragen als: Hoe kan de inwoner zijn onkosten bij het College declareren? Hoe kan de inwoner ondersteuning krijgen bij het zoeken naar werk? Aanvragen ondersteuning en voorzieningen Inwoners die een uitkering van het College ontvangen, krijgen op initiatief van het College een aanbod voor ondersteuning en zo nodig voor een voorziening als dat voor hun re-integratie of participatie nodig is. Inwoners die geen uitkering van het College ontvangen, maar die aanspraak willen maken op de ondersteuning bij re-integratie kunnen een verzoek doen aan het college. Voorzieningen die het College kan verstrekken, kunnen worden aangevraagd of worden op eigen initiatief van het College verstrekt. Per voorziening is geregeld hoe een klant aanspraak op zo’n voorziening kan krijgen (zie de betreffende paragraaf). De ondersteuning en de voorziening(
- en)staan opgenomen in een plan. Hierbij hoort een beschikking, waarin afspraken en verplichtingen staan. Tegen deze beschikking staat de mogelijkheid van bezwaar open. Inlichtingen- en medewerkingsplicht De werkgever en de inwoner zijn verplicht om het College onmiddellijk in te lichten over feiten en omstandigheden die van invloed zijn op het recht op de voorziening die is aangevraagd of toegekend. De werkgever en de inwoner verlenen daarom de medewerking die nodig is voor de uitvoering van deze beleidsvoorschriften. Beëindiging voorziening De voorziening wordt beëindigd, zodra er geen recht meer op bestaat. Het kan zijn dat dit met terugwerkende kracht gebeurt. Als dat het geval is, kan de voorziening worden teruggevorderd. De inwoner of werkgever ontvangt hierover schriftelijk bericht. 1.11Bijzondere doelgroepen Voor een aantal specifieke groepen geldt dat het College daar specifiek beleid voor heeft of dat er een specifieke werkwijze voor geldt. 1.11.1Jongeren Jongeren tot 27 jaar vormen binnen de Participatiewet een specifieke doelgroep. Het uitgangspunt is bij deze jongeren altijd dat zij óf naar school gaan óf gaan werken. Als een jongere zich bij het College meldt voor een uitkering, wordt eerst beoordeeld of die jongere regulier onderwijs kan gaan volgen dat door het rijk gefinancierd wordt. Denk daarbij aan onderwijs aan een ROC of een Hbo-opleiding. Als de jongere dat onderwijs direct kan volgen, kan er geen bijstandsuitkering worden toegekend en kunnen er ook geen voorzieningen vanuit de Participatiewet worden ingezet. De jongere kan ook niet in aanmerking komen voor premies, zoals de uitstroombonus. Als de jongere geen regulier onderwijs kan volgen en ook niet direct aan het werk kan gaan, kan het College in bijzondere situaties toch ondersteuning en voorzieningen aanbieden. Van een bijzondere situatie kan sprake zijn als de jongere door een ernstige ziekte, of andere bijzondere omstandigheden (bijv. in relatie met beperkte leermogelijkheden) langdurig niet of niet voldoende inkomsten kan verwerven. Kan de jongere onderwijs volgen? De doelgroep, jongeren tot 27 jaar, kan worden opgesplitst in: Jongeren zonder startkwalificatie die naar verwachting binnen 6 maanden (weer) kunnen deelnemen aan regulier onderwijs. Deze jongeren krijgen alleen ondersteuning om aan het werk te komen, tot het moment waarop met de opleiding kan worden gestart. De ondersteuning houdt in: wegwijs maken op de arbeidsmarkt, doorverwijzen naar uitzendbureaus en arbeidsbemiddelaars e.d. Er wordt geen voorziening ingezet. Jongeren met startkwalificatie die al een opleiding hebben afgerond (HAVO, VWO of MBO-2) Ook bij deze jongeren staat deelname aan regulier onderwijs voorop. Er moet wel beoordeeld worden of het volgen van een vervolgopleiding passend en zinvol is voor de jongere. Bij deze beoordeling houdt het College rekening met de leeftijd en arbeidskansen van de jongere, en de mogelijkheden om studiefinanciering te kunnen krijgen. Daarbij is niet van belang dat de studiefinanciering uit een lening bestaat. Is het College van mening dat een vervolgopleiding niet passend en zinvol is, dan wordt de jongere met ondersteuning van het College gestimuleerd om werk te zoeken. Opleggen zoektermijn 4 weken Iedere jongere tot 27 jaar krijgt direct na melding bij het College een zoektermijn van vier weken. In deze vier weken ligt de focus op het zelfstandig en actief zoeken naar scholing en/of werk. De jongere en de medewerker van het College maken samen afspraken over de uit te voeren activiteiten gedurende de zoektermijn. Deze afspraken worden vastgelegd en ondertekend. Na de zoektermijn van vier weken kan een aanvraag worden ingediend en in behandeling worden genomen. De meldingsdatum is van belang als (mogelijke) ingangsdatum voor het recht op uitkering. Jongeren met een partner van 27 jaar of ouder kunnen wel direct een aanvraag indienen. Voor hen geldt geen zoektermijn. Als blijkt dat de jongere binnen vier weken geen baan heeft gevonden of studie kan volgen, dan kan hij zich opnieuw melden bij het College om een aanvraag in te dienen. Ondersteuning bij Zelfstandig ondernemerschap Het College wil jongeren die gemotiveerd en daartoe in staat zijn, stimuleren als zelfstandig ondernemer aan de slag te gaan. Dit kan op basis van het Bijstandsbesluit zelfstandigen (Bbz) en de beleidsvoorschriften voor Parttime zelfstandigen. Zie par. 1.13.3. 1.11.2Alleenstaande ouder Alleenstaande ouders met een bijstandsuitkering zijn verplicht om gebruik te maken van voorzieningen die het College aanbiedt om de kans op betaald werk te vergroten. Het kan hierbij gaan om het volgen van een opleiding of scholing, werkervaringsplek, vrijwilligerswerk of andere activiteiten die op termijn tot werk kunnen leiden. De stappen die de alleenstaande ouder gaat zetten om de kans op werk te vergroten worden vastgelegd in een plan. Het plan wordt door de alleenstaande ouder, samen met de medewerker van het College, opgesteld. Rekening wordt gehouden met de combinatie van zorg, participatie, scholing en arbeid. Het plan wordt ook opgesteld voor de alleenstaande ouder die geen arbeidsverplichting heeft. Kan de alleenstaande ouder een ontheffing krijgen van de arbeidsverplichting? Een alleenstaande ouder met de zorg voor één of meer ten laste komende kinderen tot 5 jaar, kan ontheven worden van de verplichting om werk te aanvaarden of daarnaar te zoeken. De ontheffing moet de alleenstaande ouder zelf bij het College aanvragen. Meer informatie over hoe een ontheffing kan worden aangevraagd en de voorwaarden en uitzonderingen voor een ontheffing staat weergegeven in artikel 9a Participatiewet en in hoofdstuk 5 ‘Verplichtingen’ van deze beleidsvoorschriften. Wat onderneemt het College en de alleenstaande ouder tijdens de ontheffing? Tijdens de ontheffing van de arbeidsverplichting ondersteunt het College de alleenstaande ouder bij het vinden van werk of zinvolle maatschappelijke activiteiten. Het College kan bijvoorbeeld werk met behoud van uitkering aanbieden of de alleenstaande ouder helpen vrijwilligerswerk te vinden, maar op grond van de wet gaat scholing voor. Voor de ouder die niet over een startkwalificatie beschikt, wordt dit ingevuld met scholing die de kans op werk vergroot. Bij een alleenstaande ouder met een startkwalificatie die een ontheffing heeft gekregen en een BOL-opleiding wil volgen, geldt wettelijk de regel ‘ja, tenzij’. Alleen als de opleiding niet geschikt is voor de alleenstaande ouder kan de gemeente hiervan afzien. Moet de alleenstaande ouder zich verplicht voorbereiden op werk? Ja, de alleenstaande ouder heeft een inspanningsverplichting om zich voor te bereiden op werk. Dit wordt vastgelegd in het plan. Voldoet de klant niet aan de verplichtingen dan vervalt het recht op ontheffing en kan de bijstandsuitkering worden verlaagd. 1.11.3Zelfstandigen Het College wil zelfstandig ondernemerschap stimuleren en ondernemers ondersteunen. Daar zijn twee regelingen voor: de parttime zelfstandigen (PTZ) regeling en de Bbz 2004 (Besluit bijstandsverlening zelfstandigen). Op het moment dat een klant bij het College aangeeft (opnieuw) als ondernemer werkzaam te willen zijn, of al een eigen onderneming heeft, wordt een intakegesprek met een medewerker van het College gehouden. In dit intakegesprek wordt ingeschat of het ondernemerschap bij de klant past en of de onderneming kans van slagen heeft. Als ondernemerschap bij de klant past, beoordeelt het College of de Bbz of de PTZ van toepassing is. Hieronder worden beide regelingen kort toegelicht en wordt aangegeven hoe de relatie is met bijstandverlening. 1.11.3.1Parttime zelfstandige (PTZ) Voor mensen die met een uitkering van het College maximaal 23,5 uur per week als zelfstandige werken, of dat willen of kunnen, zijn in deze paragraaf regels opgenomen. Het gaat hier om parttime zelfstandigen. Over wie gaat het? Het gaat om mensen met een uitkering van het College die maximaal 23,5 uur per week als zelfstandige werken of dat gaan doen. Op mensen die meer dan 23,5 uur als zelfstandige (willen) werken, is het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen van toepassing. Dit besluit is een voorliggende voorziening. Meer informatie over deze regeling kan bij het College worden opgevraagd. Wat zijn de mogelijkheden? Iemand die met een uitkering als parttime zelfstandige wil gaan werken, heeft toestemming nodig van het College, voordat de zelfstandige werkzaamheden worden gestart. Er moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan, voordat toestemming wordt verleend. De zelfstandige activiteiten moeten zijn opgenomen in het plan dat met de klant is opgesteld. In het plan staat beschreven waaraan het zelfstandig ondernemerschap bijdraagt. De parttime zelfstandige activiteiten mogen niet tot gevolg hebben, dat de kans op uitstroom uit de uitkering belemmerd wordt. De zelfstandige activiteiten leiden naar verwachting niet tot voldoende inkomsten om zelfstandig in het levensonderhoud te kunnen voorzien. Het zelfstandige werk neemt maximaal 23,5 uur per week in beslag. De uren gelden voor de parttime zelfstandige en de eventuele bijstandspartner samen. De urengrens van 23,5 uur geldt voor alle werkzaamheden inclusief de uren die besteed moeten worden aan administratie en boekhouding. De parttime zelfstandige moet voldoen aan de wettelijke eisen, zoals vergunningen, inschrijving kamer van Koophandel en een boekhouding die voldoet aan de eisen die de Belastingdienst hiervoor hanteert. De op de omzet in mindering gebrachte kosten mogen niet meer bedragen dan wat in het economisch verkeer gebruikelijk is; De kosten mogen nooit meer dan de omzet bedragen. Op de omzet kunnen alleen door de Belastingdienst aangemerkte zakelijke en aftrekbare kosten in mindering worden gebracht. De toestemming wordt voor 12 maanden gegeven. Deze periode kan telkens worden verlengd met 12 maanden, zolang nog aan de voorwaarden en de hierna te noemen verplichtingen wordt voldaan. Als iemand toestemming krijgt om als parttime zelfstandige te gaan werken, hoeft hij voor de uren die daaraan besteed worden niet (actief) te solliciteren. Aangeboden werk in loondienst mag de parttime zelfstandige echter niet weigeren. Met andere woorden: parttime zelfstandig werk mag er niet toe leiden dat werken in loondienst niet meer mogelijk is. Wat zijn de verplichtingen? De parttime zelfstandige moet: Een boekhouding bijhouden volgens de normen van de Belastingdienst. Na afloop van het boekjaar moet voor 1 juli de boekhouding, inclusief een jaarrekening, evenals de aangifte voor de Inkomstenbelasting en aanslag bij het College worden ingeleverd. Voor zijn diensten of producten tarieven gebruiken die marktconform zijn. Een aparte bankrekening openen voor het betalingsverkeer m.b.t. het zelfstandige werk. Maandelijks gelijktijdig met het mutatieformulier bij het College een overzicht inleveren met een inkomstenopgave en een urenverantwoording. Geen langlopende financiële verplichtingen aangaan; Dit draagt er aan bij dat uitstroommogelijkheden niet belemmerd worden. Over de voorwaarden en verplichtingen worden met de parttime zelfstandige nadere afspraken gemaakt en vastgelegd in het plan. Kan de toestemming ingetrokken worden? Als de parttime zelfstandige niet meer voldoet aan de voorwaarden of de verplichtingen, kan de toestemming om als parttime zelfstandige te werken, worden ingetrokken. Dat betekent, dat de zelfstandige werkzaamheden moeten worden beëindigd. Hoe worden inkomsten en kosten verrekend met de uitkering? Maandelijks wordt het bruto inkomen verrekend met de uitkering, op basis van de inkomstenopgave, die bij het College wordt ingediend. De inkomsten worden voor een deel vrijgelaten, als voldaan is aan de voorwaarden die daarvoor gelden (zie par. 1.8). Berekening en betaling van de vrijlating en de (definitieve) inkomstenverrekening vinden achteraf plaats. Dat is nadat de parttime zelfstandige zijn boekhouding over het afgelopen kalenderjaar heeft ingeleverd. Bijzondere regeling voor leden van een Sociale Corporatie Als de zelfstandige lid is van een Sociale Corporatie die maatschappelijk verantwoord onderneemt, dan zijn daar voor de parttime zelfstandige enkele voordelen aan verbonden. Allereerst kan een zelfstandige voor de volledige duur van een werkweek worden vrijgesteld van de arbeidsverplichting om actief te solliciteren. Voor een lid van een Sociale Corporatie geldt ook, dat er afwijkende afspraken gemaakt kunnen worden m.b.t. de administratieve verplichtingen van de zelfstandige. In aanvulling op het recht op vrijlating volgens par. 1.8 (zie hiervoor), bestaat, voor zover de hoogte van het inkomen uit parttime zelfstandige activiteiten daar aanleiding toe geeft, ook aanspraak op de premie bedoeld in artikel 31, tweede lid onder j van de Participatiewet. Dit, voor zover de hoogte van het inkomen uit parttime zelfstandige activiteiten daartoe aanleiding geeft. 1.11.3.2Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) Voor meer informatie over ondersteuning aan, en regelgeving over het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen kan contact worden opgenomen met het College.. Het ROZ in de gemeente Hengelo voert de Bbz uit voor de gemeente Lochem. Daarnaast kunnen ondernemers ook voor de volgende dienstverlening terecht bij het ROZ. Startersdienstverlening; Ondernemersadvies; Schuldhulpverlening voor ondernemers; Sociaal ondernemen. 1.11.4Jongere partner van AOW-gerechtigde Algemene bijstand voor personen in de pensioenleeftijd wordt verzorgd door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). Als er sprake is van twee partners wordt het recht op aanvullende bijstand aan beide partners gezamenlijk toegekend. Dit betekent dat de SVB dus ook recht toekent aan de jongere partner die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft. De jongere partner is op grond van de Participatiewet verplicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. Het College blijft verantwoordelijk voor de beoordeling van de re-integratieverplichtingen en -inspanningen en het aanbieden van ondersteuning bij de arbeidsinschakeling voor de partners jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. De SVB meldt de personalia van de jongere partner bij de contactpersonen van het College zodra de bijstandsaanvraag Participatiewet is ontvangen. De werkcoach moet de klant oproepen en op de gebruikelijke wijze de re-integratiemogelijkheden met de klant bespreken. Als een klant ontheven moet worden voor de re-integratie of als een klant niet meewerkt aan zijn re-integratie, dient dit te worden gemeld aan de SVB. De SVB stuurt het besluit naar de betreffende klant en onderneemt acties bijvoorbeeld met betrekking tot het verlagen van de uitkering. De SVB stuurt een kopie van de betreffende besluiten naar het College. 1.11.5Samenlopers UWV Voor mensen met een uitkering verstrekt door het UWV (WW, WAO, WAZ, ZW e.d.) en een aanvullende bijstandsuitkering, IOAW- of IOAZ-uitkering, is het UWV en/of ’t Baken verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning bij de re-integratie. Hierop bestaat met de invoering van de Participatiewet één algemene uitzondering: personen die werkzaam waren met een wettelijke loonkostensubsidie (art 10d Participatiewet) en instromen in een UWV-uitkering blijven voor ondersteuning bij re-integratie aangewezen op het College, totdat zij twee jaar hebben gewerkt zonder loonkostensubsidie. 1.12Specifieke projecten Om de kansen op werk en zinvolle maatschappelijke activiteiten voor klanten bij het College te vergroten is het belangrijk dat klanten worden voorbereid op betaald werk en ervaring opdoen met werken. Het College ondersteunt haar klanten door voorzieningen aan te bieden, ongeacht of zij een kleine of grote kans op betaald werk hebben. Deze (ondersteunende) voorzieningen zijn onder andere gericht op onderzoek, coaching, persoonlijke- en professionele ontwikkeling, deelname aan maatschappelijke activiteiten of het opdoen van werkervaring. Het grootste gedeelte van de beschikbare (ondersteunende) voorzieningen biedt het College aan in de vorm van projecten in samenwerking met maatschappelijke organisaties en bedrijven. Klanten kunnen aan deze projecten deelnemen door te helpen, stage te lopen, of te werken in de vorm van een participatieplaats of werkervaringsplek. Bij het koppelen van de klant aan organisatie bekijkt de medewerker van het College samen met de klant welke activiteiten het beste bij hem of haar passen. De projecten kunnen onder andere plaatsvinden bij supermarkten, kringloopwinkels, werkateliers en buurtservices. Klanten kunnen bij de medewerkers van het College vragen naar de mogelijkheden en de beschikbare projecten. 1.13Wettelijke basis De beleidsvoorschriften in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op de Participatiewet, de Verzamelverordening werk en inkomen en op de IOAW en de IOAZ. Meer concreet: Thema Artikelen Doelgroep re-integratie door Het College 7 Participatiewet Verplichtingen m.b.t. werk 9 Participatiewet, 37 IOAW en 37 IOAZ Aanspraak op ondersteuning en voorzieningen 10 Participatiewet, 36 IOAW en 36 IOAZ Participatieplaats 10a Participatiewet, 38a IOAW en 38a IOAZ 2.4 Verzamelverordening Beschut werk 10b Participatiewet 2.3 Verzamelverordening Loonkostensubsidie 6 en 10c t/m da Participatiewet 2.5 en 2.11 Verzamelverordening Plan 2.2 Verzamelverordening Meedoenplek, werkervaringsplaats, proefplaatsing 2.4 Verzamelverordening Persoonlijke voorzieningen 2.5 Verzamelverordening Scholing 2.7 Verzamelverordening Plaatsingssubsidie 2.8 Verzamelverordening Premies 2.9 Verzamelverordening Onkostenvergoeding 2.10 Verzamelverordening Vrijlating inkomsten 31 Participatiewet, 8 IOAW Jongeren 13 lid 2 Participatiewet Alleenstaande ouders 9a Participatiewet, 37a en 38 IOAW en IOAZ Hoofdstuk2Recht op bijstand Recht op bijstand heeft de inwoner die aan de voorwaarden uit de Participatiewet voldoet. De belangrijkste voorwaarden zijn: Inwoner heeft onvoldoende financiële middelen Inwoner heeft woonplaats in de gemeente Lochem Onvoldoende financiële middelen Een inwoner kan pas in aanmerking komen voor bijstand, als het inkomen en het vermogen lager zijn dan de normen uit de Participatiewet. Wat de Participatiewet onder ‘inkomen’ en ‘vermogen’ verstaat, wordt uitgelegd in hoofdstuk 4 ’Inkomen en vermogen’. In hoofdstuk 3 ‘Bijstandsnormen’ wordt uitgelegd wat de bijstandsnormen zijn. Ook wordt daarin uitgelegd hoe hoog de bijstand is als het inkomen of vermogen te laag is. Woonplaats in de gemeente Lochem Iemand die te weinig financiële middelen heeft kan bijstand aanvragen bij de gemeente waar hij woont. Hoe de woonplaats wordt bepaald, is beschreven in hoofdstuk 3 ‘Bijstandsnormen’ Andere voorwaarden In dit hoofdstuk wordt beschreven welke voorwaarden er nog meer zijn, voordat recht op bijstand bestaat. De Participatiewet geeft een opsomming van alle situaties, waarbij geen recht op bijstand bestaat. Deze situaties worden ‘uitsluitingsgronden’ genoemd. De opsomming van uitsluitingsgronden wordt hier besproken en toegelicht. Deze opsomming is limitatief. Dat betekent: er zijn geen andere uitsluitingsgronden. Er is een onderscheid tussen algemene en bijzondere bijstand. Soms wordt het recht op algemene bijstand uitgesloten, maar bestaat recht op bijzondere bijstand. Inhoudsopgave 2.1 Verblijf in Nederland 2.2 Niet gedetineerd 2.3 Geen werkstaking of uitsluiting 2.4 Meerderjarig 2.5 Schulden 2.6 Bijstand voor 18 t/m 20 -jarigen in een inrichting 2.7 Recht op een voorliggende voorziening 2.8 Vreemdelingen zonder geldige verblijfstitel 2.9 Onbetaald verlof 2.10 Studerenden jonger dan 27 jaar 2.11 Jongeren tot 27 jaar die verplichtingen niet na willen komen 2.12 Uitzondering: zeer dringende redenen 2.13 Wettelijke basis 2.1Verblijf in Nederland Eerste voorwaarde voor bijstand is dat de klant feitelijk verblijft in Nederland. Er bestaat geen recht, zodra de klant zich in het buitenland bevindt. Daarop bestaat één uitzondering: voor de duur van maximaal vier weken per kalenderjaar mag de klant in het buitenland zijn. 'Nederland' betekent binnen de Participatiewet het grondgebied in Europa. Een verblijf op de BES-eilanden (Bonaire, Sint Eustasius en Saba) en op Curaçao, Sint Maarten en Aruba geldt dus als een verblijf buiten Nederland. 2.2Niet gedetineerd Iemand die ‘rechtens zijn vrijheid is ontnomen’ (detentie) heeft geen recht op bijstand. Dat geldt voor elke vorm van vrijheidsontneming met een wettelijke basis, dus niet alleen verblijf in een gevangenis of huis van bewaring. Het gaat dan bijvoorbeeld om: verblijf in een politiecel, arrestantenlokaal, enz; voorarrest; verblijf in een open of gesloten inrichting; weekendverlof (tijdens detentie); buitengewoon verlof, meestal 1 dag (bijvoorbeeld een begrafenis); “ter beschikking gesteld” zijn (TBS). Tijdens de detentie is er geen recht op bijstand, ook al duurt dat maar een dag. De dag van opname en de dag van terugkeer tellen mee als dagen waarop iemand gedetineerd is. Iemand die zich onttrekt aan detentie heeft ook geen recht op bijstand. Onder ‘onttrekken’ wordt verstaan: Niet melden na een oproep bij de inrichting voor het uitzitten van de straf; ontsnappen uit detentie; niet terugkeren van verlof tijdens detentie. Het Ministerie van Justitie voorziet tijdens detentie in de noodzakelijke kosten van het bestaan. Voor sommige groepen gedetineerden is soms wel bijstand mogelijk. Dit geldt bijvoorbeeld voor gedetineerden met elektronische detentie (ED), elektronisch toezicht (ET), een penitentiair plan (PP), alternatief gestraften, TBS-ers met proefverlof enz. Het gaat dan om gedetineerden waarvoor Justitie niet in de noodzakelijke kosten voorziet (soms voor een deel, soms in het geheel niet). Let op: iemand in detentie kan soms bijzondere bijstand krijgen voor het doorbetalen van de woonlasten tijdens detentie. Dit is niet standaard: er moet sprake zijn van zeer dringende redenen, na een individuele afweging. In principe moet de gedetineerde zelf maatregelen nemen voor doorbetaling van de woonlasten. 2.3Geen werkstaking of uitsluiting Tijdens werkstaking of uitsluiting van werk heeft iemand geen recht op algemene bijstand. Dit staat los van het recht op bijzondere bijstand. Hiervoor is gekozen om te voorkomen dat de overheid invloed heeft op een arbeidsconflict. Er gelden enkele uitzonderingen: iemand werkt, en heeft daarom geen recht op algemene bijstand. Hij ontvangt alleen bijzondere bijstand. Vervolgens wordt hij uitgesloten van werk, of gaat staken. De bijzondere bijstand kan dan gewoon voortgezet worden. een klant heeft een deeltijdbaan met aanvullende (algemene) bijstand. Bij staking of uitsluiting van werk kan de aanvullende bijstand voortgezet worden, maar niet worden verhoogd. 2.4Meerderjarig Bijstand is er voor meerderjarige inwoners. Een persoon jonger dan 18 jaar heeft dus geen recht op bijstand. Ook niet als de jongere zelfstandig woont. Dat geldt voor algemene en bijzondere bijstand. De ouders zijn onderhoudsplichtig. Er gelden enkele uitzonderingen: minderjarige weglopers (tot en met 17 jaar). In een acute noodsituatie kun je toch bijstand verlenen; kinderen van tienermoeders; kinderen van gedetineerde ouders. Per geval moet worden beoordeeld of de situatie met zich meebrengt dat bijstand noodzakelijk is. 2.5Schulden Het College kan geen bijstand verstrekken om schulden af te lossen. De wetgever gaat ervan uit, dat iedere Nederlander een toereikend inkomen kan verwerven, waarbij de Participatiewet als sluitstuk geldt. Iets anders is, dat bij schulden wel schuldhulpverlening in beeld kan komen. Het College verleent ook hulp bij schulden, door het team schuldhulpverlening. Het beleid van het College over schuldhulpverlening staat beschreven in het beleidskader Schulddienstverlening 2018 – 2021 van de gemeente Lochem. 2.6Bijstand voor 18 t/m 20 -jarigen in een inrichting Voor 18- tot en met 20-jarigen die opgenomen zijn in een inrichting, bestaat geen recht op algemene bijstand. Voor kosten die de jongere maakt moet hij een beroep doen op de ouders, want zij zijn onderhoudsplichtig. Is een beroep op de ouders niet mogelijk dan kan het College in uitzonderlijke gevallen bijzondere bijstand verstrekken. De bijstand die wordt verstrekt, moet afgestemd worden op de omstandigheden. De bijstand mag in ieder geval niet hoger zijn dan de norm voor personen in inrichtingen. Over de norm voor mensen in een inrichting, zie hoofdstuk 3 ‘Bijstandsnormen’. 2.7Recht op een voorliggende voorziening De Participatiewet is het ‘vangnet’ of ‘sluitstuk’ van de sociale zekerheid. Dit betekent dat de klant eerst alle mogelijkheden van een (sociale) verzekering of voorziening moet benutten, voordat er sprake kan zijn van bijstand. Dit wordt het complementaire (aanvullende) karakter van de wet genoemd. De klant die recht heeft op een toereikende (sociale) verzekering of voorziening (bijvoorbeeld WW, ZW, Wajong, pensioen, enz.) heeft geen recht op bijstand. Wel kan hij recht hebben op aanvullende bijstand, als de voorliggende voorziening niet hoog genoeg is. Als de voorliggende voorziening geen vergoeding geeft voor bepaalde kosten, is soms bijstandsverlening mogelijk. Dit kan dan mogelijk via de bijzondere bijstand. In schuldsituaties is de schuldhulpverlening te beschouwen als een voorliggende voorziening. Schuldhulpverlening staat verder beschreven in het beleidskader Schulddienstverlening 2018-2021 van de gemeente Lochem. 2.8Vreemdelingen zonder geldige verblijfstitel Een vreemdeling zonder geldige verblijfstitel heeft geen recht op bijstand. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) bepaalt, welke verblijfstitel een vreemdeling krijgt. Het hangt van die verblijfstitel af, of er bijstand kan worden verleend. Soms hebben kinderen wel een geldige verblijfstitel, maar de ouders niet. Dan hangt het van de omstandigheden af hoe hoog de bijstand wordt. Mensen met een andere nationaliteit die uit een ander EU-land afkomstig zijn, hebben soms recht op bijstand. Dat recht is rechtstreeks afgeleid van het EU-verdrag. Een vreemdeling met een verblijfstitel, die zich voldoende kan identificeren, heeft recht op bijstand, ook als er (nog) geen pasje is. De verblijfsstatus kan eventueel met andere documenten worden aangetoond. Voorwaarde is wel de verificatie van de verblijfsstatus door vergelijking met de code in de Basisregistratie Personen (BRP). 2.9Onbetaald verlof Iemand die werkt en onbetaald verlof heeft, heeft geen recht op algemene bijstand. Dit staat los van een eventueel recht op bijzondere bijstand. Dit geldt niet alleen voor de direct betrokken persoon, maar ook voor de partner of echtgenoot. Die heeft dan ook geen recht op algemene bijstand. Onbetaald verlof is bijvoorbeeld aan de orde bij ouderschapsverlof en langdurend zorgverlof. 2.10Studerenden jonger dan 27 jaar Studerenden jonger dan 27 jaar die onderwijs (kunnen) volgen dat door het rijk wordt vergoed, en: in verband daarmee aanspraak hebben op studiefinanciering (WSF), of in verband daarmee geen aanspraak hebben op studiefinanciering en dit onderwijs niet volgen zijn uitgesloten van het recht op algemene bijstand. 2.11Jongeren tot 27 jaar die verplichtingen niet na willen komen Wie jonger is dan 27 jaar en die uit zijn houding en gedrag ondubbelzinnig laat blijken de verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, of artikel 55 niet te willen nakomen, heeft geen recht op algemene bijstand. 2.12Uitzondering: zeer dringende redenen Op al de bovengenoemde uitsluitingsgronden bestaat één uitzondering: als er sprake is van zeer dringende redenen, kan er toch bijstand worden verleend. Dat is niet snel aan de orde. Er moet dan een acute noodsituatie zijn, die uitsluitend met bijstand te verhelpen is. Als het gaat om vreemdelingen zonder geldige verblijfstitel, dan geldt deze uitzonderingsclausule echter niet. 2.13Wettelijke basis De beleidsvoorschriften van dit hoofdstuk zijn gebaseerd op de Participatiewet, meer concreet op de volgende bepalingen: Thema Artikelen Verblijf in buitenland/kosten in buitenland/vakantie in buitenland 11 lid 1 en 13 lid 1 onderdeel e Participatiewet Niet gedetineerd 13 lid 1 onderdelen a en b en lid 3 Participatiewet Geen werkstaking of uitsluiting 13 lid 1 onderdeel d Participatiewet Meerderjarig 13 lid 1 onderdeel f Participatiewet Schulden 13 lid 1 onderdeel g Participatiewet 18 t/m 20-jarigen in inrichting 13 lid 2 onderdeel a Participatiewet Voorliggende voorziening 15 Participatiewet Vreemdelingen 11 lid 2 en 3 Participatiewet Onbetaald verlof 13 lid 2 onderdeel b Participatiewet Studerenden jonger dan 27 jaar 13 lid 2 onderdeel c Participatiewet Zeer dringende redenen 16 Participatiewet Hoofdstuk3Bijstandsnormen Een inwoner heeft recht op bijstand als voldaan is aan een aantal voorwaarden. Eén van die voorwaarden is dat het eigen inkomen niet hoger is dan de bijstandsnorm. De bijstandsnorm is het bedrag, dat de inwoner aan bijstand kan ontvangen als hij geen inkomen heeft en verder aan alle voorwaarden voldoet. Dit hoofdstuk gaat over bijstandsnormen. Het gaat om de vraag welke bijstandsnormen er zijn en wat de hoogte daarvan is. Ook worden verschillende woonsituaties en leefvormen behandeld, omdat dat belangrijk is voor het bepalen van de juiste bijstandsnorm. 3.1 Bijstandsnormen 3.2 Hoofdverblijf 3.3 Leefvormen 3.3.1 Alleenstaande 3.3.2 Alleenstaande ouder 3.3.2.1 Norm alleenstaande ouder 3.3.3 Gezamenlijke huishouding 3.3.4 Co-ouderschap 3.3.5 Niet rechthebbende partner 3.4 Woonvormen 3.4.1 Alleenwonenden 3.4.2 Kostendelersnorm 3.4.3 Verlaging in verband met woonsituatie 3.4.4 Personen in een inrichting 3.4.4.1 Normen voor personen in inrichtingen 3.5 Jongerennormen 3.6 Normen voor pensioengerechtigden 3.7 Wettelijke basis 3.1Bijstandsnormen Er bestaan verschillende bijstandsnormen. De bijstandsnorm is namelijk afhankelijk van de situatie van de klant. In de volgende paragrafen wordt uitgelegd hoe die bijstandsnormen worden bepaald. De Participatiewet kent een aantal vastgestelde bijstandsnormen. De hoogte van de toepasselijke norm is in de eerste plaats afhankelijk van leeftijd, maar ook van de woonsituatie en de leefsituatie (gezinssamenstelling). De Participatiewet kent de volgende normen: jongerennormen 18 t/m 20 jaar (Artikel 20 Participatiewet); normen 21 jaar tot pensioengerechtigde leeftijd (Artikel 21 Participatiewet); normen pensioengerechtigden (Artikel 22 Participatiewet); kostendelersnorm (art. 19a en 22a Participatiewet); normen voor mensen in een inrichting (Artikel 23 Participatiewet). Per leeftijdsgroep zijn er verschillende bijstandsnormen. Die zijn afhankelijk van de gezinssituatie: een alleenstaande/alleenstaande ouder; gehuwden. Alle bijstandsnormen zijn inclusief vakantietoeslag. Maandelijks reserveert het College 5% van de uitkering voor vakantiegeld. Het College betaalt het gereserveerde vakantiegeld uit in juni, of als de bijstand wordt beëindigd. Hieronder wordt toegelicht wat de woonsituatie betekent voor de bijstandsnormen en op welke manier de verschillende leefvormen doorwerken in de bijstandsnormen. 3.2Hoofdverblijf Voor de bijstandverlening is bepalend waar de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft. De gemeente waar dat hoofdverblijf zich bevindt, is de gemeente die de bijstand verleent. In Nederland is iedereen verplicht zich bij de Basisregistratie Personen (BRP) van zijn woonplaats in te schrijven op het adres waar hij daadwerkelijk woont. Uitgangspunt van het “hoofdverblijf” is: feitelijk verblijf = woonplaats = adres in BRP. Voor de hoogte van de bijstandsnorm is het aantal huisgenoten belangrijk. De zogenaamde kostendelersnorm kan dan van toepassing zijn (zie par. 3.4.2). Ook daarvoor geldt dat de registratie BRP leidend is. Zodra een klant een bijstandsuitkering aanvraagt, gaat het College uit van het aantal personen dat volgens BRP op dat adres staat ingeschreven. Als er twijfel bestaat over het juiste aantal personen, dan kan uitgegaan worden van de feitelijke situatie, als dit voldoende aannemelijk is gemaakt door de klant. Dit kan bijvoorbeeld door overlegging van bewijs van uitschrijving, maar ook door het instemmen met een huisbezoek. Uiteindelijk is het nog steeds aan de klant om de BRP-registratie in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie. Tijdelijk verblijf elders Bij een kortdurend tijdelijk verblijf van enkele dagen of weken op een ander adres dan het BRP-adres, wijzigt het hoofdverblijf niet. Dit heeft dus geen gevolgen voor de toepasselijke bijstandsnorm. Bij twijfel of er sprake is van een kortdurend tijdelijk verblijf moet de klant contact opnemen met het College. Een kortdurend tijdelijk verblijf duurt in eerste instantie 3 maanden. Eventuele verlenging met 3 maanden is mogelijk. Na deze periode dient er verder onderzoek plaats te vinden. Met een kortdurend tijdelijk verblijf wordt geen verblijf in het buitenland bedoeld. 3.3Leefvormen Voor de hoogte van de bijstand is de leefvorm van belang. Er wordt rekening gehouden met drie groepen: een alleenstaande; een alleenstaande ouder; gehuwden. 3.3.1Alleenstaande Een alleenstaande is iemand, die niet gehuwd is of een gemeenschappelijke huishouding met een ander heeft (samenwoning) én die geen minderjarig kind heeft, waarvoor hij de volledige zorg draagt en die ten laste van hem komt. Onder een alleenstaande wordt ook verstaan: iemand die met een meerderjarige bloedverwant in de eerste graad een gezamenlijke huishouding voert (samenwoont). Iemand is ook een alleenstaande als hij/zij samenwoont met een bloedverwant in de tweede graad en er in die relatie geen zorgbehoefte is. Zie verder par. 3.3.3. 3.3.2Alleenstaande ouder Een alleenstaande ouder is iemand, die niet gehuwd is of samenwoont en die een minderjarig kind heeft, waarvoor hij de volledige zorg draagt en dat ten laste van hem/haar komt. Volledige zorg Voor de vraag of een alleenstaande de volledige zorg heeft over een kind, is bepalend of deze feitelijk optreedt als hoofd van een eenoudergezin. Een klant die beslisbevoegd is over zijn kind en verzorging biedt bij ziekte, en het kind van en naar zijn activiteiten vervoert, heeft de volledige zorg voor zijn kind. Wel/niet ten laste komend kind Een ten laste komend kind is een minderjarig kind dat financieel ten laste van de ouder komt en voor wie de alleenstaande ouder aanspraak kan maken op kinderbijslag. Als de ouder geen recht op kinderbijslag heeft, is het kind niet ten laste komend. Een kind dat financieel ten laste van de ouder komt maar in het buitenland woont, geldt voor de Participatiewet niet als een ten laste komend kind. Het moet gaan om een in Nederland woonachtig eigen kind, geadopteerd kind of stiefkind. Uitzonderingen op definitie van ten laste komend kind Als de ouder nog geen kinderbijslag krijgt, omdat het kind nog maar kort in Nederland woont en dus in de ‘wachttijd’ zit, dan is dit kind wel ten laste komend. In een enkel geval woont een kind in bij iemand die geen ouder is, maar wel kinderbijslag ontvangt voor het kind. Bijvoorbeeld een grootouder die een kind opvoedt en verzorgt als ware het een eigen kind. Strikt genomen betreft het geen ouder-kindrelatie in de zin van de Participatiewet. Maar waar de Algemene Kinderbijslagwet de verzorgende persoon gelijkstelt met een ouder, is er in het algemeen ook aanleiding om dit te doen bij de uitvoering van de Participatiewet. De Algemene Kinderbijslagwet is aangepast om voortijdig schoolverlaten te bestrijden. Ouders kunnen de kinderbijslag verliezen als hun 16- en 17-jarige kinderen geen onderwijs volgen, terwijl ze ook geen startkwalificatie hebben (MBO2-, HAVO-, VWO-diploma). In dat geval wordt toch aangenomen, dat het kind een ten laste komend kind blijft. 3.3.2.1Norm alleenstaande ouder De aparte norm voor alleenstaande ouders is gewijzigd in alle sociale regelingen, waaronder ook de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ. Vanaf 1 januari 2015 is de norm voor alleenstaande ouders gelijk aan de norm voor een alleenstaande. Omdat alleenstaande ouders in het algemeen hogere kosten maken dan alleenstaanden kunnen alleenstaande ouders aanspraak maken op een aanvulling in het kindgebonden budget. Het kindgebonden budget wordt door de Belastingdienst aan gezinnen verstrekt en is een bijdrage in de kosten voor kinderen tot 18 jaar. De hoogte van het kindgebonden budget is afhankelijk van het inkomen, het aantal kinderen en de leeftijd van de ouder(s). Speciaal voor alleenstaande ouders komt daar een aanvulling bovenop, de zogenaamde. alleenstaande-ouderkop. Belangrijke voorwaarde is wel dat deze personen geen toeslagpartner hebben. De Belastingdienst beoordeelt dat. In de Participatiewet is het begrip ‘alleenstaande ouder’ van belang voor o.a. ontheffingen van verplichtingen, maar ook voor de vermogensvrijlating of de inkomstenvrijlating voor alleenstaande ouders. 3.3.3Gehuwden De Participatiewet spreekt van een gezamenlijke huishouding als klanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij bovendien zorg dragen voor elkaar. De zorg voor elkaar kan bestaan uit het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding of uit iets anders. Bij een aanvraag of een wijziging in de bijstandsverlening, wordt beoordeeld of er sprake is van een gezamenlijke huishouding. De Participatiewet beschouwt ongehuwde klanten die met een ander een gezamenlijke huishouding voeren als gehuwd, behalve als het om bloedverwanten in de eerste graad gaat (ouder-kind) of om bloedverwanten in de 2e graad bij wie sprake is van een zorgrelatie (broers/zussen, grootouders/kleinkinderen). Ook degene die duurzaam (blijvend) gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is, wordt als ongehuwd beschouwd. Registratie als gezamenlijke huishouding Als klanten in een officiële registratie staan geregistreerd als gezamenlijke huishouding ziet de Participatiewet dat ook zo. In het ‘Besluit aanwijzing registraties gezamenlijke huishouding’ staat waar klanten geregistreerd kunnen staan als gezamenlijke huishouding: bij andere uitkeringen; zorgverzekering; huurtoeslag; vreemdelingenwet. Bij een registratie als gezamenlijke huishouding wordt het volgende nagegaan: bestaat de registratie bij de aanvraag om bijstand? vindt de registratie plaats tijdens de verlening van bijstand? is de relatie in een periode van twee jaar voorafgaand aan de aanvraag om bijstand op enig moment als een gezamenlijke huishouding geregistreerd? Als één van die situaties zich voordoet, is sprake van een gezamenlijke huishouding. Onweerlegbaar rechtsvermoeden Soms is zonder meer sprake van een gezamenlijke huishouding. Dat wordt een ‘onweerlegbaar rechtsvermoeden’ genoemd. Dat betekent dat de wet aan de klant geen gelegenheid biedt voor het leveren van tegenbewijs. Kortom; de gezamenlijke huishouding staat wettelijk vast, en verder onderzoek is niet nodig. Een gezamenlijke huishouding staat zonder meer vast als de klanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en aan één of meer van de volgende voorwaarden voldoen: zij zijn met elkaar gehuwd of zijn op enig moment in de twee jaar voorafgaand aan de bijstandsaanvraag met elkaar gehuwd geweest; zij zijn de afgelopen twee jaar als gehuwden aangemerkt; uit hun relatie is een kind geboren, of het kind is binnen die relatie erkend; er is geen sprake van onweerlegbaar rechtsvermoeden als het kind in het buitenland woont. zij hebben zich wederzijds verplicht tot een bijdrage aan de huishouding door een samenlevingscontract; zij zijn op grond van een bepaalde registratie als een gezamenlijke huishouding aan te merken (zie boven). 3.3.4Co-ouderschap Het begrip co-ouder of gezamenlijk ouderlijk gezag bestaat niet in de Participatiewet. Een co-ouder is geen alleenstaande ouder, omdat hij niet de volledige zorg voor een of meer minderjarige eigen kinderen heeft. Als een co-ouder kinderbijslag ontvangt, is de co-ouder ook geen alleenstaande. Voor de hoogte van de bijstandsnorm die de co-ouder zal ontvangen, is dit echter geen probleem omdat de norm voor een alleenstaande ouder net zo hoog is als de norm voor een alleenstaande. 3.3.5Niet rechthebbende partner Een niet-rechthebbende partner is een partner, die uitgesloten is van bijstand. Dat is van belang voor de hoogte van de bijstandsuitkering van de wel rechthebbende partner. De gevolgen zijn als volgt: Niet-rechthebbende partner zonder kostendelers: Als een van de partners in een gezamenlijke huishouding geen recht heeft op algemene bijstand dan krijgt de ander 50% van de van toepassing zijnde gehuwdennorm. Niet-rechthebbende partner met kostendelers: Als een van de partners geen recht heeft op algemene bijstand, dan heeft de andere partner recht op een uitkering, maar wel volgens de kostendelersnorm. De niet-rechthebbende partner kan op zijn beurt ook weer een kostendeler zijn. Dat is afhankelijk van de omstandigheden (bijv. als studerende niet, maar iemand die werkloos is weer wel. Zie verder par. 3.4.2) Met het inkomen van de niet-rechthebbende partner wordt rekening gehouden, als de som van het bijstandsbedrag van de rechthebbende plus het inkomen van de niet-rechthebbende, meer bedraagt dan de bijstandsnorm voor het echtpaar, die zou gelden als de partner wel recht op bijstand had (al dan niet met kostendeler). 3.4Woonvormen Naast de leeftijd en de leefvorm is ook de woonvorm van belang voor de hoogte van de bijstandsuitkering. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen: mensen die alleen wonen, en kostendelers 3.4.1Alleenwonenden Iemand woont alleen, als er geen andere meerderjarige persoon op hetzelfde adres zijn hoofdverblijf heeft. Voor de betekenis van ‘hoofdverblijf’, zie par. 3.2. 3.4.2Kostendelersnorm De kostendelersnorm is de toepasselijke norm voor personen die met andere meerderjarige personen in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben. De gedachte achter de kostendelersnorm is dat meerdere personen in een woning een aantal woonkosten kunnen delen, zoals de huur, of energiekosten e.d. Het individuele recht voor één persoon is daarom afhankelijk gemaakt van het totaal aantal bewoners in de woning. In de kern komt de werking van de kostendelersnorm erop neer: “hoe meer bewoners in de woning, hoe lager het recht op bijstand per persoon.” De hoogte van uitkering wordt vastgesteld aan de hand van de formule zoals deze in artikel 22a Participatiewet vermeld staat. De hoogte van de uitkering is o.a. afhankelijk van het aantal meerderjarige medebewoners. In de wet is een aantal groepen medebewoners uitgezonderd. Deze personen tellen dan niet mee voor de berekening van de hoogte van de uitkering. Dat zijn: personen jonger dan 21 jaar; bewoners die een onderlinge commerciële relatie hebben; personen die afzonderlijk een commerciële relatie hebben met een derde; personen die zijn aan te merken als studerenden. 3.4.2.1Uitzondering 1: personen jonger dan 21 jaar Personen jonger dan 21 jaar zijn uitgezonderd van de kostendelersnorm. De ouder(
- s)zijn in principe nog onderhoudsplichtig voor deze jongeren. Deze uitzondering werkt door in twee richtingen: als personen jonger dan 21 jaar aanspraak maken op bijstand, dan is op hen de jongerennorm van toepassing; ongeacht het aantal bewoners op hetzelfde adres. Zie par. 3.5 personen jonger dan 21 jaar – hoewel meerderjarig – tellen niet mee als relevante bewoners op hetzelfde adres, als de hoogte van de uitkering van andere medebewoners moet worden vastgesteld volgens de kostendelersnorm. 3.4.2.2Uitzondering 2: commerciële relatie tussen bewoners onderling Wanneer tussen twee personen die op hetzelfde adres wonen, sprake is van een commerciële relatie, dan is de kostendelersnorm niet van toepassing. Hiermee wordt bedoeld de onderlinge relatie tussen onderhuurder/onderverhuurder en kostganger/kostgever. De wet geeft een aantal voorwaarden mee, wanneer er wel of juist niet sprake kan zijn van een dergelijke onderlinge relatie. Van een commerciële relatie is sprake tussen personen, die: in dezelfde woning hun hoofdverblijf hebben, geen bloed- of aanverwanten in de eerste of tweede graad zijn van elkaar, en die op basis van een schriftelijke overeenkomst, een commerciële onderhuurprijs zijn overeengekomen. Een commerciële onderhuurprijs moet maatschappelijk of economisch verantwoord zijn. We hanteren geen grensbedragen. De huurprijscheck van de huurcommissie is een hulpmiddel. Er zijn 4 voorwaarden voor deze uitzondering: Voorwaarde 1: Geen commerciële relatie bij eerste of tweedegraads bloed- of aanverwanten Voorwaarde 2: Schriftelijke overeenkomst Voorwaarde 3: Commerciële prijs Voorwaarde 4: Bewijzen van betaling commerciële prijs 3.4.2.3Uitzondering 3: alle bewoners hebben een commerciële relatie met een derde Ook de volgende groep is uitgezonderd van de kostendelersnorm: alle personen die hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en die afzonderlijk of gezamenlijk een commerciële relatie hebben met een verhurende derde die niet in dezelfde woning woont. Daarbij zijn ook de hierboven genoemde criteria van toepassing: de aanwezigheid van een schriftelijke overeenkomst en een commerciële prijs (zie par. 3.4.2.2). Onder een schriftelijke overeenkomst valt ook een zogenaamde woon-/zorgovereenkomst met een instelling voor maatschappelijke opvang. 3.4.2.4Uitzondering 4: studerenden De laatste groep personen die niet meetelt als medebewoner bij de kostendelersnorm, zijn studerenden. Het maakt daarbij niet uit of de studerende inwonend (bij ouders) of uitwonend (op kamers) is. Hiervoor is gekozen om te stimuleren dat jongeren door middel van studie en opleiding een zo hoog mogelijke kwalificatie behalen en zodoende hun arbeidsmarktkansen verhogen. Zonder deze uitzondering zou het moeten delen van kosten met huisgenoten (consequentie van de kostendelersnorm) de student mogelijk belemmeren om te studeren. Een medebewoner wordt op drie manieren als studerende aangemerkt: aanspraak op studiefinanciering (WSF 2000) aanspraak tegemoetkoming hoofdstuk 4 WTOS volgen van beroepsbegeleidende leerweg (BBL) een vergelijkbaar soort onderwijs of beroepsopleiding als hierboven genoemd volgt buiten Nederland, mits voor 30 jarige leeftijd gestart met dit onderwijs. Voor de eerstgenoemde groep gaat het om studenten die: studiefinanciering daadwerkelijk ontvangen; reeds zijn begonnen met een opleiding, maar nog geen aanspraak kunnen maken op studiefinanciering (bijv. MBO studenten die voor hun 18e zijn begonnen met een opleiding); de studiefinanciering kunnen ontvangen maar er geen gebruik van maken; hun opleiding voortzetten terwijl zij geen studiefinanciering meer ontvangen, omdat de maximale termijn daarvan bereikt is. 3.4.3Verlaging in verband met woonsituatie Als een bijstandsgerechtigde klant een onderhuurder of kostganger in huis heeft genomen, en er is sprake van een commerciële relatie, dan is de kostendelersnorm niet van toepassing. Wel moeten de inkomsten uit onderhuur of kostgeld in mindering worden gebracht op de uitkering. Voor iedere onderhuurder of kostganger geldt, dat de bijstandsnorm wordt verlaagd met 10% van de bijstandsnorm die geldt voor gehuwden. Bij drie of meer onderhuurders/kostgangers, is er sprake van bedrijfsmatige verhuur. Dat leidt ertoe dat de uitkering beëindigd moet worden. Als een bijstandsgerechtigde klant in een woning woont waaraan geen woonlasten zijn verbonden, wordt de uitkering verlaagd met 10% van de gehuwdennorm. Er zijn bijvoorbeeld geen woonlasten als er geen huur of hypotheek hoeft te worden betaald. Ook als iemand geen woonruimte heeft (dakloze), dan wordt de bijstandsuitkering verlaagd met 10% van de gehuwdennorm. 3.4.4Personen in een inrichting Als iemand in een instelling zit, valt hij onder de norm voor personen opgenomen in een inrichting. Het begrip inrichting Artikel 1 van de Participatiewet rekent twee soorten instellingen tot het begrip inrichting: 1e: Instellingen die louter gericht zijn op verzorging en verpleging; 2e: Instellingen die slaapgelegenheid bieden en de mogelijkheid van hulpverlening of begeleiding hebben gedurende meer dan de helft van ieder etmaal. Wel als inrichting te beschouwen Alle instellingen die gericht zijn op verzorging en verpleging zijn te beschouwen als inrichtingen. Dit blijkt ook uit de financiering van deze instellingen vanuit de Wlz-middelen (Wet langdurige zorg). Voorbeelden hiervan zijn alle algemene en psychiatrische ziekenhuizen, verpleeg- en bejaardentehuizen. Niet als inrichting te beschouwen Instellingen die gericht zijn op het bieden van (tijdelijke) woonvoorzieningen worden niet beschouwd als een inrichting. Voorbeelden hiervan zijn de dak- en thuislozenopvang, Blijf-van-mijn-lijf-huizen (Vrouwenopvang) en begeleid wonen projecten. Bij opvangvoorzieningen voor dak- en thuislozen, zoals bijvoorbeeld sociale pensions, beperkt de voorziening zich veelal tot het bieden van slaapgelegenheid. Er is in de regel geen of in beperkte mate begeleiding en hulpverlening. Instellingen voor maatschappelijke opvang zoals sociale pensions, internaten enz. zijn geen inrichtingen. Blijf-van-mijn-lijfhuizen worden beschouwd als woonvoorzieningen, waarbij de gebruik(st)er voor de toepassing van deze wet als zelfstandig wonend wordt beschouwd. Ook de projecten voor begeleid wonen voldoen niet aan de definitie van het begrip inrichting, omdat deze projecten bedoeld zijn als woonvoorziening met een zeer beperkte mogelijkheid tot begeleiding. Ook als inrichting te beschouwen Instellingen die zich kenbaar maken als begeleid-wonenproject, maar meer dan de helft van ieder etmaal begeleiding of hulpverlening beschikbaar hebben worden wel als inrichting beschouwd (beschermd wonen). Dit blijkt ook uit de financiering van deze instellingen vanuit de Wlz-middelen. Ook RIBW-instellingen die worden gefinancierd vanuit de Wet langdurige zorg worden als inrichting beschouwd. 3.4.4.1Normen voor personen in inrichtingen Er zijn twee normen voor personen in een inrichting: norm voor alleenstaanden en alleenstaande ouders; norm voor gehuwden. De normen zijn niet afhankelijk van de leeftijd. De regeling over kostendelers is niet van toepassing op deze normen. Als van een echtpaar één persoon in een inrichting verblijft, wordt de gehuwdennorm vastgesteld door de bedragen, die elk als alleenstaande zou krijgen, bij elkaar op te tellen. De bijstand in een inrichting is bedoeld voor persoonlijke uitgaven. Van oudsher heet dat zak- en kleedgeld, of Persoonlijke Toelage. Van deze uitkering gaan ook reserveringen en aflossingen af. Ook een persoonlijke toelage is voor de fiscus een belaste uitkering. Het College betaalt net als voor overige bijstandsuitkeringen loonbelasting over de verstrekte bijstand. Mensen in een Wlz-instelling betalen ook premie voor een basisverzekering. Dat is geregeld in de Zorgverzekeringswet die per 1 januari 2006 is ingevoerd. Omdat de zorgtoeslag de gestegen premie onvoldoende compenseert, zijn de normen voor zak- en kleedgeld extra verhoogd. Aanpassing van de norm Als een opname (naar verwachting) korter duurt dan drie maanden (met een eventuele verlenging van drie maanden), dan wordt de norm niet omgezet naar die voor personen in een inrichting. Aanvullende bijzondere bijstand voor algemene kosten Mensen in inrichtingen kunnen naast hun bestaande bijstandsuitkering bijzondere bijstand aanvragen als er sprake is van bijzondere, extra kosten, die niet uit het zak- en kleedgeld betaald kunnen worden. Dat geldt vooral voor reiskosten, weekendverlof, en het aanhouden van een woning. 3.5Jongerennormen Voor jongeren van 18 tot en met 20 jaar gelden speciale –lage- bijstandsnormen. Achterliggende gedachte is, dat in principe de ouders nog onderhoudsplichtig zijn voor deze jongeren. Daarom zijn de bijstandsnormen voor deze groep lager dan voor oudere bijstandsgerechtigden. Het kan voorkomen dat jongeren geen beroep kunnen doen op de ouders voor financiële ondersteuning. In dat geval kan soms aanvullende bijzondere bijstand worden verstrekt. 3.6Normen voor pensioengerechtigden Inwoners, die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt en onvoldoende financiële middelen hebben, kunnen bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) een aanvraag indienen voor een aanvullende inkomensondersteuning (aio-uitkering). Ze hebben geen recht op een bijstandsuitkering. Wel kunnen ze bij Het College terecht voor bijzondere bijstand en andere inkomensvoorzieningen uit het armoedebeleid. 3.7Wettelijke basis De beleidsvoorschriften in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op de Participatiewet. Meer concreet: Thema Artikelen Definitie: gehuwden/gezamenlijke huishouding 3 Participatiewet Definitie: alleenstaanden/alleenstaande ouders 4 Participatiewet Definitie: inrichting 1 Participatiewet Definitie: bijstandsnorm 5 Participatiewet Jongerennormen 18 t/m 20 jaar 20 Participatiewet Normen 21 jaar tot pensioengerechtigde leeftijd 21 Participatiewet Kostendelersnorm 9a en 22a Participatiewet Normen voor mensen in inrichting 23 Participatiewet Normen voor pensioengerechtigden 22 Participatiewet Verlaging bijstandsnorm i.v.m. ontbrekende woonlasten/bijstandsnorm voor dak- en thuislozen 27 Participatiewet Normen voor niet-rechthebbende partner 24 Participatiewet Hoofdstuk4Inkomen en vermogen Er bestaat pas recht op bijstand als iemand te weinig financiële middelen heeft. Bijstand is het laatste financiële vangnet. Met de financiële middelen van de klant moet rekening worden gehouden bij het bepalen van het recht op bijstand en de hoogte daarvan. De Participatiewet spreekt over ‘middelen’. Daarmee wordt bedoeld het inkomen en vermogen van de klant. In dit hoofdstuk wordt verduidelijkt, welke middelen meetellen bij de bijstandverlening en op welke manier dat wordt gedaan. De regels die daarop van toepassing zijn staan in de Participatiewet. Deze regels zijn in de eerste plaats van toepassing op de algemene bijstand voor levensonderhoud. Voor bijzondere bijstand gelden deze regels in principe ook, maar soms kan daarvan afgeweken worden. Een nadere specificatie is te vinden in de beleidsregels bijzondere bijstand en armoede en minimabeleid 2020 van de gemeente Lochem. Dit hoofdstuk heeft betrekking op bijstand. Uitkeringen op grond van de Ioaw en de Ioaz hebben andere regels. Inhoudsopgave 4.1 Betekenis van de begrippen middelen, inkomen en vermogen 4.2 Geen middelen voor de Participatiewet 4.3 Inkomen 4.3.1 Netto inkomen 4.3.2 Vakantiegeld 4.3.3 Verrekening inkomsten per maand 4.3.4 Heffingskortingen Belastingdienst 4.4 Bijzondere vormen van inkomen 4.4.1 Inkomen in natura 4.4.2 Studiefinanciering of tegemoetkoming schoolkosten 4.4.3 Inkomsten uit onderhuur of kostganger 4.4.4 Alimentatie en onderhoudsbijdragen 4.5 Niet-rechthebbende echtgenoot 4.6 Vermogen 4.6.1 Vermogensvrijlating 4.6.2 Bezittingen 4.6.3 Schulden 4.6.4 Wel of geen vermogen 4.6.5 Vaststelling van het vermogen 4.7 Eigen woning en krediethypotheek 4.8 Wettelijke basis 4.1Betekenis van de begrippen middelen, inkomen en vermogen De Participatiewet verstaat onder het begrip middelen: inkomen en vermogen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Iemand kan pas bijstand ontvangen op het moment dat hij zelf onvoldoende middelen heeft. De wet rekent tot middelen: vermogen en inkomen dat iemand vrij kan besteden; vermogen en inkomen waarover iemand redelijkerwijs kán beschikken; inkomsten die iemand anders krijgt voor het levensonderhoud van de klant zelf, zoals de curator die inkomsten ontvangt voor de klant; de fiscale heffingskortingen uit de Wet Inkomstenbelasting 2001. Uitzondering: de jonggehandicaptenkorting voor 27-plussers. Die is vrijgelaten. Wat wordt verstaan onder ‘redelijkerwijs kunnen beschikken’? Middelen waarover iemand redelijkerwijs kan beschikken zijn middelen waarover iemand de beschikking kan krijgen als hij er enige moeite voor doet. Denk bijvoorbeeld aan: een uitkering die aangevraagd kan worden bij UWV; een onverdeelde nalatenschap die nog verdeeld moet worden; antiek dat verkocht kan worden. Inkomen of vermogen Om te kunnen bepalen welke gevolgen bepaalde middelen voor de bijstandsuitkering hebben, is het nodig om te weten of er sprake is van inkomen of van vermogen. Voor inkomen gelden andere regels dan voor vermogen. A. Inkomen Er is sprake van inkomen als voldaan is aan twee voorwaarden. De eerste voorwaarde is dat de middelen het karakter van inkomen hebben. Dat is het geval als de middelen regelmatig worden ontvangen en vrij besteedbaar zijn. Maar ook middelen die eenmalig worden ontvangen kunnen als inkomen worden beschouwd. Dat is bijvoorbeeld zo bij een afkoopsom voor alimentatie, loon of pensioen. Middelen met het karakter van ‘inkomen’ zijn bijvoorbeeld: inkomsten uit arbeid; doorbetaald loon bij ziekte; inkomsten uit vermogen; sociale zekerheidsuitkeringen; alimentatie; inkomsten uit verhuur en onderhuur; inkomsten van kostgangers. De tweede voorwaarde is, dat de middelen betrekking hebben op een periode waarin bijstand is/wordt ontvangen. Als dat niet zo is, dan is er sprake van vermogen. Een afkoopsom voor een ouderdomspensioen dat ver voor de pensioengerechtigde leeftijd wordt uitgekeerd, is bijvoorbeeld vermogen, omdat het geen betrekking heeft op een periode waarover algemene bijstand zal worden ontvangen. B. Vermogen Vermogen is de waarde van bezittingen, na aftrek van de aanwezige schulden. Bezittingen zijn zowel geld als goederen die een bepaalde economische waarde hebben. Inlichtingenplicht Alle middelen moeten worden gemeld bij het College, ook als de klant twijfelt aan de noodzaak daarvan. Het College bepaalt vervolgens of de middelen van belang zijn voor de bijstandverlening. Als de klant nalaat om dergelijke middelen door te geven, dan komt hij de inlichtingenverplichting niet na. Als daardoor ten onrechte bijstand wordt verleend, moet dat teruggevorderd worden en wordt een onderzoek ingesteld naar het opleggen van een boete. Zie ook hoofdstuk 6 ‘Bestuurlijke sancties’ en hoofdstuk 8 ‘Terugvordering en verhaal’. 4.2Geen middelen voor de Participatiewet Artikel 31 van de Participatiewet somt een aantal middelen op, dat ‘vrijgelaten’ wordt. Ze worden niet betrokken bij de bijstandverlening. De belangrijkste middelen die worden vrijgelaten zijn: kindgebonden budget en kinderbijslag; persoonsgebonden budget; inkomsten uit arbeid van kinderen onder de 18 jaar; rente over vrijgelaten vermogen en spaargeld; vergoedingen van een werkgever voor reiskosten; toeslagen van de Belastingdienst; inkomstenvrijlatingen; activeringssubsidies van Het College; jonggehandicaptenkorting van de Belastingdienst voor mensen van 27 jaar of ouder. Er zijn ook middelen, die onder bepaalde omstandigheden vrijgelaten worden: uitkeringen en vergoedingen voor geleden schade; bepaalde giften; onkostenvergoeding voor vrijwilligerswerk. 4.3Inkomen 4.3.1 Netto inkomen In de Participatiewet worden inkomsten netto verrekend met de bijstandsuitkering. De bijstandsuitkering is ook een netto bedrag. Netto inkomen is het bruto inkomen, na aftrek van: de loonbelasting of inkomstenbelasting; de premies volksverzekeringen of een inhouding die overeenkomt met een of meer van deze premies, plus de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 43 van de Zorgverzekeringswet; de verplichte bijdragen voor pensioenopbouw of daarmee vergelijkbare regelingen; andere verplichte inhoudingen (bijvoorbeeld voor verplichte bedrijfskleding). Uitzonderingen Op het uitgangspunt van netto-uitkering en netto-verrekening van inkomsten bestaan enkele uitzonderingen: de IOAW- en IOAZ-uitkering zijn bruto-uitkeringen. De klant ontvangt weliswaar een netto uitkering, bij de berekening wordt uitgegaan van een bruto-bedrag. Inkomsten worden daarom ook bruto verrekend; zelfstandige werkzaamheden op bescheiden schaal. De inkomsten worden bruto in aanmerking genomen. Voor latere belastingaanslagen kan onder bepaalde voorwaarden bijstand worden verleend. 4.3.2Vakantiegeld Bij inkomsten telt vakantietoeslag ook mee. Het is niet altijd duidelijk hoeveel vakantietoeslag de klant uiteindelijk zal ontvangen. Daarom gaat de Participatiewet uit van een fictief bedrag dat per maand wordt gekort op de uitkering. Inkomsten worden dus verrekend inclusief een fictief bedrag aan vakantietoeslag. De hoogte van dit bedrag wordt bepaald door de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ. Als inkomsten worden vrijgelaten dan wordt het inkomen pas met de fictieve vakantietoeslag verhoogd nadat de vrijlatingsregeling is toegepast. De vakantietoeslag die de klant uiteindelijk van de werkgever ontvangt, wordt dan vrijgelaten. Als de werkgever de vakantietoeslag per maand uitbetaalt, zijn de regels van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ niet van toepassing, maar moet de uitbetaalde vakantietoeslag maandelijks gekort worden op de uitkering. Niet voor alle inkomsten geldt dat vakantietoeslag wordt betaald. Voorbeelden daarvan zijn alimentatie en de fiscale heffingskortingen, maar ook inkomsten als zelfstandige op bescheiden schaal. In dat geval wordt het inkomen niet met een fictief bedrag aan vakantietoeslag verhoogd voordat het wordt gekort op de bijstandsuitkering. De jaarlijkse betaling van de vakantietoeslag voor bijstandsgerechtigden is in juni, of binnen drie maanden na beëindiging van de bijstand. 4.3.3Verrekening inkomsten per maand De algemene bijstand wordt per kalendermaand vastgesteld. Inkomsten worden dus ook per maand verrekend met de uitkering. Bij de inkomstenverrekening is de datum waarop de bijstand ingaat of wordt beëindigd van belang. Over de betreffende maand tellen alleen de inkomsten mee die betrekking hebben op het deel van de maand waarover recht op bijstand bestaat. Inkomsten die betrekking hebben op een periode waarin geen aanspraak bestaat op bijstand, worden beschouwd als vermogen (zie par. 4.1). Het kan zijn dat een klant zijn inkomsten niet per maand maar per week of per 4 weken ontvangt. Dan moet eerst beoordeeld worden op welke maand de inkomsten betrekking hebben. Inkomsten worden dan zoveel mogelijk verrekend met de bijstand in de maand waarin de inkomsten feitelijk worden ontvangen. De vier-weken-betaalsystematiek kan er wel toe leiden dat er één maand is waarin tweemaal inkomsten moeten worden gekort. Dan wordt over die maand dus geen uitkering uitbetaald. Het College kan dan met een klant een afspraak maken om inkomsten op een andere manier te korten, bijvoorbeeld door de inkomsten over een langere periode uit te smeren. Volgens de Participatiewet is het in ieder geval mogelijk om inkomsten tot zes maanden na ontvangst alsnog te verrekenen met de lopende uitkering. Heeft de klant erg wisselende inkomsten, dan kan met de klant de afspraak worden gemaakt om maandelijks een vast bedrag te korten op de uitkering en dit na verloop van tijd te corrigeren. Het inkomen wordt dan over een langere periode geschat en na enige tijd wordt over een achterliggende periode berekend wat er teveel of te weinig aan inkomen is verrekend. Eventueel wordt dan nog een extra verrekening toegepast of wordt er een nabetaling op de uitkering gedaan. 4.3.4Heffingskortingen Belastingdienst Een bijstandsuitkering wordt netto uitbetaald. De klant hoeft daarover niet zelf loonbelasting en premies volksverzekeringen af te dragen aan de Belastingdienst. Het College doet dit voor de klant. Het College betaalt deze heffingen voor de klant aan de Belastingdienst. De klant heeft recht op bepaalde heffingskortingen. Dat is een korting op de te betalen belastingen. De klant hoeft daardoor minder belasting te betalen. Deze kortingen zijn van belang voor de bijstand. Er zijn twee soorten heffingskortingen: heffingskortingen die worden verrekend met de loonbelasting bij de maandelijkse uitbetaling van de bijstandsuitkering (loonheffingskortingen); heffingskortingen die iemand rechtstreeks van de Belastingdienst ontvangt (via een voorlopige aanslag) Welke heffingskortingen zijn er? Hieronder staat een overzicht van de heffingskortingen die via de loonbelasting lopen. Hun verzamelnaam is de loonheffingskorting (LHK): de algemene heffingskorting* (AHK) de arbeidskorting** (AK) de ouderenkorting (OK) (alleen bij AOW) de alleenstaande ouderenkorting (alleen bij AOW) de jonggehandicaptenkorting (alleen bij Wajong) * Soms wordt de algemene heffingskorting niet via de loonheffing verrekend ** In bijzondere situaties, bijvoorbeeld bij Alfahulpen, kan de arbeidskorting via de voorlopige aanslag lopen. De heffingskortingen die via een voorlopige aanslag rechtstreeks door de Belastingdienst worden uitbetaald, zijn: inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK) de algemene heffingskorting voor de minstverdienende partner (AHKmp) Klanten die recht hebben op heffingskortingen die rechtstreeks door de Belastingdienst worden uitbetaald, krijgen deze automatisch of moeten deze aanvragen. Zodra ze deze ontvangen, moeten ze dat opgeven bij het College . Als deze kortingen middelen zijn in de definitie van Participatiewet, past de gemeente een korting toe op de uitkering. Tellen heffingskortingen mee als inkomen? Heffingskortingen zijn middelen die in mindering moeten worden gebracht op de maandelijkse bijstandsuitkering. Ze hebben het karakter van inkomen. Als het College geen rekening zou houden met deze heffingskortingen, dan zou het College in feite teveel belastingen afdragen aan de Belastingdienst. De algemene heffingskorting wordt als loonheffingskorting verrekend met de uitkering. Heeft de klant inkomsten uit deeltijdwerk, dan is de arbeidskorting van toepassing. Deze wordt door de werkgever verrekend met de inkomsten. Als er sprake is van inkomsten uit zelfstandig werk of alimentatie kan dit niet. Dan worden de inkomsten ‘bruto’ gekort op de bijstandsuitkering. Na afloop van het kalenderjaar wordt de arbeidskorting door de Belastingdienst betrokken bij de aanslag Inkomstenbelasting. Voor de andere heffingskortingen geldt, dat het College de voorlopige aanslag heffingskortingen altijd als netto inkomsten in mindering brengt op de uitkering. Deze kortingen worden toegerekend aan de maand waarop de korting betrekking heeft. Uitzondering: de jonggehandicaptenkorting is geen middel voor personen tot 27 jaar. Deze wordt vrijgelaten. Wat gebeurt er als heffingskortingen niet worden opgegeven? Als een klant de ontvangen gelden van de Belastingdienst niet meldt aan de gemeente, voldoet hij niet aan de inlichtingenplicht. Dan wordt gehandeld volgens de regels in hoofdstuk 6 ‘Bestuurlijke sancties’. Teveel betaalde bijstand wordt verrekend of teruggevorderd. Wat als klanten geld terugkrijgen van de belasting? Als een klant geld terugkrijgt van de Belastingdienst, omdat de heffingskorting te laag is vastgesteld, dan heeft hij in feite teveel bijstand ontvangen. De bijstand wordt dan verrekend of teruggevorderd van de klant. Als er sprake is van teruggave voor kosten waarvoor geen bijstand is verleend, zoals bijvoorbeeld bijzondere ziektekosten, dan heeft dit geen gevolgen voor de bijstand. Bij een aanslag zit altijd heffingsrente. Als een klant moet bijbetalen, rekent de Belastingdienst heffingsrente. Krijgt de klant geld terug, dan verhoogt de Belastingdienst het bedrag met rente. Ontvangen rente is een middel in de zin van de Participatiewet, als deze rente betrekking heeft op de heffingskortingen die eerder ook als middel zijn aangemerkt. Het College vergoedt de te betalen heffingsrente als zij de aanslag ook vergoedt. 4.4Bijzondere vormen van inkomen 4.4.1 Inkomen in natura Het gaat hier om inkomsten ‘in natura’ (bijvoorbeeld voeding, kost en inwoning, etc.) in ruil voor geleverde arbeid. Dat inkomen in natura moet worden gewaardeerd op de hoogte van het daarvoor door de klant opgeofferde bedrag. Daarmee wordt bedoeld: welk bedrag zou de klant hebben kunnen krijgen als zijn arbeid uitbetaald was? Denk daarbij aan een klant die afgezien heeft van een arbeidsbeloning, in ruil voor een reisje naar een vakantie-oord. Als niet duidelijk is welk bedrag ‘opgeofferd’ is, dan is er geen sprake van inkomen dat betrokken moet worden bij de bijstandverlening. Als het inkomen in natura objectief gezien een veel hogere waarde heeft dan het opgeofferde bedrag, is er sprake van een gift (zie par. 6.2.11). 4.4.2Studiefinanciering of tegemoetkoming schoolkosten Studenten en scholieren hebben meestal geen recht op bijstand voor levensonderhoud. Er is in principe een andere voorziening in de kosten: studiefinanciering of een tegemoetkoming in de schoolkosten. Soms kan een student met studiefinanciering toch aanvullende bijstand krijgen. Dat kan het geval zijn bij een gezin. In artikel 33,lid 2 PW wordt aangegeven welk inkomen hierbij in aanmerking wordt genomen. 4.4.3Inkomsten uit onderhuur of kostganger Een klant die op commerciële basis een kamer verhuurt of een kostganger heeft, heeft inkomsten die betrokken moeten worden bij de bijstandsuitkering. Onder ‘commercieel’ wordt verstaan: een marktconforme prijs, die betaald moet worden voor de verhuur of kostgangerschap. Per situatie moet dat worden beoordeeld. Factoren die met name van belang zijn: grootte kamer, voorzieningen die gebruikt kunnen worden en de gemiddelde huurprijs voor kamers in de gemeente. De onderhuur of kostgangerschap moet worden aangetoond door middel van bankafschriften of betaalbewijzen waaruit blijkt welke prijs maandelijks wordt betaald. Bovendien moet de huur- of kostgangersovereenkomst schriftelijk zijn vastgelegd. Als er geen sprake is van commerciële verhuur of kostgangerschap, dan is de medebewoner een kostendeler en moet de kostendelersnorm toegepast worden. Zie ook hoofdstuk 3 ‘Bijstandsnormen’. De definitie van commerciële verhuur staat tevens opgenomen in hoofdstuk 3 ‘Bijstandsnormen’. Bij commerciële verhuur en kostgangerschap wordt per onderhuurder of kostganger 10% van de bijstandsnorm voor gehuwden (21 jaar tot AOW-leeftijd) op de bijstandsuitkering in mindering gebracht. Zijn er drie of meer onderhuurders of kostgangers, dan is er sprake van een kamerverhuurbedrijf en vervalt het recht op een bijstandsuitkering. 4.4.4Alimentatie en onderhoudsbijdragen Alimentatie die een klant voor zichzelf ontvangt wordt als inkomen in mindering gebracht op de bijstandsuitkering. Dit geldt ook voor alimentatie die voor ten laste komende kinderen wordt ontvangen. Het kind maakt deel uit van het gezin en de bijstandsuitkering is bestemd voor het gezin. Alimentatie die de belanghebbende ontvangt voor kinderen van 18 jaar of ouder, geldt niet als inkomen van belanghebbende. Deze kinderen behoren n