← Nederland

Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht houdende regels omtrent restauratierichtlijnen bij verbouw en o

In het kort

Deze beleidsregel van de gemeente Maastricht geeft richtlijnen voor onderhoud, restauratie, verbouwing en herbestemming van monumenten, met als doel het cultureel erfgoed te behouden voor toekomstige generaties. Het dient als hulpmiddel voor planvorming, planbeoordeling, vergunningverlening en inspectie.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht houdende regels omtrent restauratierichtlijnen bij verbouw en onderhoud van monumenten 1 Inleiding Verantwoording Het opstellen van de restauratierichtlijnen is de uitwerking van het actiepunt 7c van de beleidsnota cultureel erfgoed Maastricht 2007-2012 ‘Springlevend Verleden’. In aanvulling op de welstandscriteria zoals die zijn opgesteld in de welstandsnota ‘Welstand Transparant’, is het voor het in stand houden van het cultureel erfgoed wenselijk richtlijnen op te stellen die inzicht en advies geven over onderhoud, restauratie, verbouwing en herbestemming van monumenten. Het is geen uitputtende handleiding maar een overzicht van de meest voorkomende praktijkgevallen, die dankzij kennisbundeling van de bestaande informatiebestanden tot stand is gekomen. Het Programma van Eisen Kwaliteit Monumenten 2007 van de gemeente Amsterdam heeft hierbij tot voorbeeld gediend. Voor sommige bouwkundige toelichtingen is gebruik gemaakt van “Bouwkundige termen” van E.J. Haslinghuis uitgegeven bij Primavera pers en de website www.joostdevree.nl. Opbouw Na het geven van algemene uitgangspunten bij onderhoud, verbouwing, restauratie en herbestemming volgen de technische richtlijnen en toetsingscriteria die per categorie zijn samengesteld, van fundering tot dak en van exterieur tot interieur. Doel In de nota “Springlevend Verleden” is “Behoud door behoedzame ontwikkeling” als missie vastgelegd voor omgang met cultureel erfgoed. Het gebruik van een monument is de beste garantie voor het voortbestaan ervan. Verlies van de oorspronkelijke functie kan gemakkelijk leiden tot langdurige leegstand. Leegstand vormt één van de grootste bedreigingen voor het voortbestaan van een monument. Bij onderhoud, restauratie, verbouwing en herbestemming van monumenten moet op verantwoorde, behoedzame wijze met de monumentale waarden worden omgegaan. Om het behoud van cultureel erfgoed voor toekomstige generaties te garanderen zijn deze richtlijnen een goed hulpmiddel door het geven van: Duidelijkheid en helderheid vooraf ten behoeve van de planvorming Toetsingscriteria bij de planbeoordeling Uitvoeringsvoorschriften ten behoeve van de vergunningverlening Inspectieleidraad tijdens de uitvoering Ze dragen bij aan een zorgvuldig afgewogen balans tussen behoud en ontwikkeling, waardoor de historie in het stadsbeeld zichtbaar blijft. Doelgroep De restauratierichtlijnen zijn bedoeld voor Initiatiefnemers, eigenaren en architecten om voorafgaand aan de planning van de werkzaamheden inzicht te krijgen in de manier van onderhouden, restaureren en herbestemmen die de gemeente nastreeft Adviseurs monumentenzorg, leden van de Welstands-/Monumentencommissie en indien van toepassing adviseurs van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed om te gebruiken als criteria en richtlijnen bij de planbeoordeling Vergunningverleners om te gebruiken bij het opstellen van vergunningvoorwaarden in de omgevingsvergunning Bouwinspecteurs om te gebruiken bij het en bij het toezicht op de bouwplaats en inspectie van de verleende vergunning Handhavers als instrument te hebben om te beoordelen of werkzaamheden welke zijn uitgevoerd zonder vergunning vergunningplichtig zijn. Op deze manier wordt een kwaliteitsverbetering beoogd zodat minder monumentale waarden verloren gaan. Ook wordt daarbij zoveel mogelijk schade aan monumenten voorkomen die wellicht door onwetend handelen wordt veroorzaakt. Maatwerk Omdat elk monument om maatwerk vraagt, is het niet altijd mogelijk vooraf specifieke richtlijnen en algemene, toetsbare criteria op te stellen. Veel is afhankelijk van de ouderdom, het materiaalgebruik, de fysische condities en de monumentaliteit. Met name dit laatste begrip is niet sluitend te definiëren. Het is dan ook mogelijk dat in bijzondere situaties in afwijking van deze richtlijnen keuzes gemaakt moeten worden of aanvullende richtlijnen of voorschriften gelden. Dit is mogelijk op grond van de AWB artikel 4:84 Nadere onderzoeken De beoordeling is in veel gevallen afhankelijk van zowel de bouwkundige als de monumentale kwaliteit. Om een objectieve afweging te kunnen maken bij de planbeoordeling is regelmatig een onderbouwing van het verbouwings- of restauratieplan door middel van een cultuurhistorisch rapport (met een bouwhistorisch en/of architectuurhistorisch onderzoek) en/of een gebrekenrapport en/of een technisch rapport noodzakelijk. Indien er graafwerkzaamheden plaatsvinden dieper dan 40 cm is zelfs vaak een archeologisch rapport verplicht. De rapporten dienen opgesteld te worden conform het Programma van Eisen van de gemeente Maastricht, de door het veld bepaalde Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie en de ‘Richtlijnen Bouwhistorisch Onderzoek’ opgesteld door o.a. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en de Rijksgebouwendienst in april 2009; Wanneer onderzoek vereist is en waar het aan moet voldoen is opgenomen in de indieningsvereisten van de desbetreffende vergunningaanvraag. (zie hoofdstuk 6) Bouwbesluit en Besluit brandveilig gebruik gebouwen Bij nieuwe functies in bestaande monumenten dient regelmatig een afweging gemaakt te worden tussen de monumentale waarden en de technische eisen die gesteld worden aan een ruimte met een bepaald gebruik. Een bestaand monumentaal pand kan bij wijzigingen niet altijd aan de technische nieuwbouweisen voldoen. Om toch een zo goed mogelijk resultaat te bereiken is een zorgvuldige afweging vereist. Bij de beoordeling hiervan zijn het bouwhistorisch onderzoek, het advies van de Welstands-/Monumentencommissie en in sommige gevallen het advies van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed basis voor de afweging. Bij veranderingen die leiden tot een aantasting van het monument zal bij met name de veiligheidsvoorschriften (denk aan brandveiligheid en constructieve veiligheid) worden bezien of er op een andere wijze het gelijkwaardig veiligheidsniveau kan worden behaald. In tweede instantie zal worden beoordeeld of het mogelijk is bouwkundige voorzieningen te treffen die omkeerbaar zijn, met andere woorden dat de voorzieningen niet leiden tot onherstelbare aantasting van de monumentale waarden van het pand. Vervolgens kan worden afgewogen om eventueel de technische eisen op een lager niveau uit te voeren door middel van het gemotiveerd afwijken van de eisen van het bouwbesluit. Blijkt dit niet te leiden tot een gewenste oplossing, in die zin dat hierdoor het monumentale karakter wordt geschaad, dan zal het gebruik van het pand beperkt moeten worden zodat een verantwoord gebruik gewaarborgd is. Het is evident dat deze afweging bij de brandveiligheidsvoorschriften strikter is dan bijvoorbeeld de eisen die worden gesteld ten aanzien van daglichttoetreding. In het laatste geval zal eerder een afwijking van de eisen van het bouwbesluit worden toegestaan daar er geen veiligheidsvoorschriften door in het gedrang komen. (artikel 1.12 van het Bouwbesluit) Vergunningplicht Een groot deel van de in deze richtlijnen genoemde werkzaamheden is vergunningplichtig. Voor de meeste wijzigingen aan een gebouwd beschermd rijksmonument, zowel aan exterieur als aan interieur, is een omgevingsvergunning vereist (als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, sub f van de Wabo, voor het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigingen van een beschermd rijksmonument). Dit geldt voor grootschalig onderhoud en restauratie van onderdelen van het monument, maar ook voor bijvoorbeeld het reinigen van de gevel, het plaatsen van dubbel glas, het volledig vernieuwen van kozijnen, dakbedekking of het plaatsen van een dakkapel of dakraam Voor wijzigingen van het interieur, bijvoorbeeld doorbraak van muren of het slopen van een schouw, is ook meestal een vergunning. Kleinschalige onderhoudswerkzaamheden (bijvoorbeeld kozijnen schilderen in dezelfde kleur en het vervangen van kapotte, niet historische ruiten) en wijzigingen aan onderdelen zonder monumentale waarden (bijvoorbeeld een hedendaagse aanbouw, keuken of badkamer) zijn doorgaans vergunningsvrij. Bij bodemverstoringen dieper dan 40 cm ter plekke van een archeologisch rijksmonument, oftewel een wettelijk beschermd AMK-terrein (Archeologische Monumenten Kaart), is een monumentenvergunning van de minister van OC en W vereist. Voor wijzigingen, groot onderhoud en restauratie van objecten behorende tot het Maastrichts Planologisch Erfgoed is een omgevingsvergunning vereist (als bedoeld in artikel 2.2, lid 1, sub b van de Wabo, juncto art 3 lid 2 van de erfgoedverordening 2011, voor het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen van een gemeentelijk monument als bedoeld in de gemeentelijke erfgoedverordening). Voor meer informatie over vergunningplicht kan contact worden opgenomen met het gemeenteloket bouwen en wonen van de gemeente Maastricht of het digitaal omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl). Zie ook: http://www.maastricht.nl/web/GemeenteLoket/GemeenteLoket/Alle-producten-en-diensten/Alle-producten-en-diensten/Productpagina.htm?dbid=562&typeofpage=79906 Proceduretijd Vergunningsprocedures hoeven niet eindeloos te duren. De meeste vergunningen worden afgehandeld binnen de reguliere procedure met een maximale termijn van 8 weken. Binnen deze proceduretermijn wordt advies gegeven door de gemeentelijke Welstands- en Monumentencommissie. Indien er sprake is van volledige sloop of gedeeltelijke sloop van ingrijpende aard, ingrijpende wijzigingen zoals grootschalige cascowijzigingen, reconstructie of herbestemming wordt een uitgebreide procedure toegepast van maximaal 6 maanden. In deze gevallen moet de gemeente advies aanvragen bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en tevens bij de provincie als het pand buiten de bebouwde kom ligt. Om hier vooraf duidelijkheid over te bieden zijn er wettelijke termijnen gebonden aan het verkrijgen van een vergunning. Een goede voorbereiding is hierbij altijd essentieel. Bij hoge uitzondering kan deze periode door de gemeente, mits goed onderbouwd, met maximaal 6 weken worden verlengd. http://www.maastricht.nl/web/GemeenteLoket/GemeenteLoket/Alle-producten-en-diensten/Alle-producten-en-diensten/Productpagina.htm?dbid=687&typeofpage=79906 http://www.monumenten.nl/site/nl-nl/Themas/Omgevingsvergunning.htm Advies Deze richtlijnen zijn bedoeld als een hulpmiddel bij planning, toetsing en uitvoering. Toch zal het noodzakelijk blijken over bepaalde specialistische onderwerpen meer informatie te verzamelen. Meer informatie kan o.a. gevonden worden in de technische informatiebrochures van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed, http://www.cultureelerfgoed.nl/monumenten/publicaties/brochures Voor vragen over de mogelijkheden en onmogelijkheden van specifieke panden in Maastricht kan tijdens de voorbereiding van de werkzaamheden contact worden opgenomen met de vergunningverlener van de gemeente Maastricht. Voor vragen welke zich voordoen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden kan contact worden opgenomen met de bouwinspecteur van de gemeente Maastricht. Zij zullen indien nodig contact leggen met de specifieke adviseurs, bijvoorbeeld van cultureel erfgoed van de gemeente Maastricht. Bij onduidelijkheden over vergunningplicht of vergunningprocedures kan contact worden opgenomen met het gemeenteloket bouwen en wonen van de gemeente Maastricht of het digitaal omgevingsloket (www.omgevingsloket.nl). Specialisme Bij vaktechnische vraagstukken is het raadzaam specialisten te benaderen. Er zijn vele erkende vakmensen en specialisten die in de restauratie werkzaam zijn. Hierbinnen is een grote diversiteit aan onderwerpen waar vakmensen gespecialiseerd in zijn. Ook bij het vinden van de juiste specialisten kan de adviseur van cultureel erfgoed Maastricht behulpzaam zijn. Monumentenwacht Met regelmatig onderhoud blijft een monument in goede staat. Voor een grondige inspectie of regelmatige monitoring van de onderhoudstoestand van een monument kan een abonnement worden afgesloten op de Monumentenwacht. Voor monumenten in de provincie Limburg is dit de Monumentenwacht Limburg te Thorn. Het doel van de Monumentenwacht is door het stimuleren van doeltreffend onderhoud bij te dragen aan de instandhouding van de monumenten. Om dit doel te bereiken, inspecteren de medewerkers van de monumentenwacht regelmatig het monument. Daarbij verrichten zij ook kleinschalig herstel- en onderhoudswerk. Bovendien geven zij, in de vorm van een overzichtelijke rapportage, een beeld van de bouwtechnische staat, met gerichte adviezen voor onderhoud op de korte en langere termijn. https://www.monumentenwachtlimburg.nl/ Zie ook: http://www.monumenten.nl/site/nl-nl/Themas/Onderhoudstips+Monumentenwacht/Onderhoud+van+een+monument.htm 2Algemene richtlijnen Of het nu onderhoud of een restauratie betreft, het aanpassen aan de huidige gebruikseisen of een herontwikkeling ten behoeve van toekomstig ander gebruik, de uitgangspunten welke hier staan beschreven moeten altijd een leidende rol spelen in het denkproces van omgang met cultureel erfgoed. Indien met gemotiveerde redenen voor vernieuwing en herontwikkeling wordt gekozen, dient dit eveneens te gebeuren vanuit deze cultuurhistorische randvoorwaarden. Behoud gaat voor vernieuwen Historische constructies, structuren en bouwmaterialen geven een pand belangrijke monumentale en historische waarde. Door de aanwezigheid hiervan is de geschiedenis en ontwikkeling van het monument afleesbaar. Met het vervangen of wijzigen van de bestaande constructies, structuren, materialen, details en waardevolle interieuronderdelen kunnen deze bouw- en cultuurhistorische waarden verloren gaan. Daarom dienen deze waarden met respect behandeld te worden. Behoud door zorgvuldig ontwikkelen en vernieuwen Toevoegingen dienen tot stand te komen op zodanige wijze dat de monumentale waarden van het pand zo min mogelijk worden aangetast. Een eigentijds ontwerp heeft hierbij de voorkeur, waarbij moderne materialen mogelijk zijn. Dergelijke ingrepen dienen zorgvuldig te worden afgewogen en in harmonie met het monument te worden vormgegeven. Ze moeten een meerwaarde geven aan de historische gelaagdheid van het monument. Met name ondergeschikte toevoegingen of veranderingen dienen zodanig te worden uitgevoerd dat ze op het moment dat ze ongedaan gemaakt zouden worden geen blijvende schade aan de monumentale waarden hebben aangericht. De toe te passen technieken mogen geen mechanische, fysische of chemische schade toebrengen aan een monument. Respect voor historische structuren Externe hoofdstructuren moeten met respect behandeld worden; dit geldt voor de voor- en achtergevel-rooilijnen en de herkenbaarheid van bouwvolumes, zoals achterhuizen, schuren, koetshuizen en tuinhuizen. Ingrepen in de structuur dienen te gebeuren met de grootst mogelijke zorgvuldigheid, waarbij optimaal aansluiting gezocht wordt bij het oorspronkelijke concept. De interne structuur dient zoveel mogelijk in tact te blijven en de ingrepen moeten zodanig uitgevoerd worden, dat de oorspronkelijke structuur herkenbaar blijft. Respect voor historisch materiaal Alvorens tot vervanging van historisch materiaal over te gaan moet eerst onderzocht worden of technisch herstel van het aangetaste materiaal mogelijk is. Bij noodzakelijke vervanging moet gekozen worden voor materiaal dat gelijksoortig is aan het te vervangen materiaal. Indien dit niet mogelijk blijkt dient gezocht te worden naar bij de historische materialen passende oplossingen. Respect voor authenticiteit Bij restauratie moet men de historische gelaagdheid en de afleesbaarheid van het verleden in vormgeving, constructie en materiaalgebruik respecteren. Het transformatieproces, door verandering van het gebruik of functie, dat een gebouw door de tijd heen ondergaat, heeft historische waarde. Een monument ontleent ondermeer zijn waarde aan de bouwgeschiedenis. Indien het oorspronkelijke materiaal reeds volledig verloren is gegaan wordt niet gepleit voor reconstructie, maar voor een eigentijds ontwerp zodat de geschiedenis afleesbaar blijft. Respect voor details De kwaliteit van een monument wordt vaak bepaald door de aanwezigheid van historische bouwdetails. De oorspronkelijke detaillering in de vorm van profileringen, roedeverdelingen in vensters, voegwerk, gevelafwerking, decoraties, metselpatronen, etc. dient optimaal gerespecteerd te worden. Indien er sprake is van eigentijdse interventies, dient de detaillering qua maat en schaal in harmonie te zijn met het historische karakter van het pand. 2.1Duurzaamheid Inleiding Als er vandaag de dag gesproken wordt over duurzaamheid wordt veelal energieduurzaamheid bedoeld. Duurzaamheid is echter breder. Het behoud van een monument op zichzelf is uiteraard zeer duurzaam. Duurzaam ontwerpen betekent ook dat naar de duurzaamheid van de toegepaste materialen gekeken wordt, naar geavanceerde technieken, naar het productie- en verwerkingsproces en naar de mogelijkheden van het afvoeren en/of hergebruik van materialen. Om de bewustwording van duurzaamheid te verbeteren wordt ook bij het wijzigen of herbestemmen van monumenten aanbevolen een onderzoek uit te voeren naar de duurzaamheid van het monument. In deze richtlijnen worden overwegingen voor oplossingen genoemd, die in overleg met de vergunningverlener van de gemeente Maastricht kunnen worden onderzocht bij het vinden van een geschikte oplossing. Duurzame monumentenzorg: http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/duurzame_monumentenzorg.pdf http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u6/Duurzaamheid_zomer 202010.pdf Energieduurzaamheid en monumenten Om de energieduurzaamheid van gebouwen te verbeteren worden in de hedendaagse bouwpraktijk standaardoplossingen toegepast zoals dubbel glas en dikke isolatiepakketten voor gevels en het dak. Het kiezen voor deze standaardoplossingen kan echter ernstige gevolgen hebben voor de technische staat en uitstraling van historische gebouwen. Door de constructiewijze van de meeste oude panden ontstaan bij na-isoleren koudebruggen, een plek in de constructie waar kou van buiten naar binnen wordt geleid. Isolatie leidt dan tot condensvorming en inwendige condensatie hetgeen ernstige schade kan opleveren zoals rottende houten balken en roestende gevelankers en vorstschade aan steen. Zo kan een gebouw, dat misschien al honderden jaren in een prima conditie verkeerde, in enkele jaren kapot gaan. Naast technische schade leiden standaard energiebesparende maatregelen ook dikwijls tot monumentale schade. Zo past het isolatieglas doorgaans niet in historische ramen waardoor deze vervangen moeten worden, terwijl ramen een wezenlijk onderdeel vormen van de karakteristiek van een monument. Het doorvoeren van de energiebesparende maatregelen leidt dan ook dikwijls op weerstand van monumentenzorg en of welstand waardoor de realisatie van klimaatdoelstellingen in de praktijk wordt ervaren als een keuze tussen het milieu of het monument. Het toepassen van zonnecollectoren, dubbel glas of het isoleren van daken of muren is bij monumenten of historische panden niet altijd mogelijk zonder monumentale kwaliteit aan te tasten. In dat geval is wellicht een ander pakket aan maatregelen voor energieduurzaamheid denkbaar. Om de historische bebouwing energieduurzamer te krijgen zonder verlies van monumentale waarden of technische (gevolg)schade is gezocht naar verantwoorde oplossingen die in het gebouw worden gegenereerd. Het resultaat van de combinatie van maatregelen is hierbij leidend en niet de afzonderlijke maatregelen op zich. Onderzoek heeft aangetoond dat het pakket van maatregelen goed op elkaar moet zijn afgestemd en dat het toepassen van bijvoorbeeld gevelisolatie energetisch weinig effect heeft als er te weinig aan kierdichting wordt gedaan. Het doorvoeren van verantwoorde energieduurzame maatregelen in historische gebouwen is weliswaar maatwerk maar de problematiek is veelal vergelijkbaar waardoor in algemene zin oplossingsrichtingen zijn aan te geven. In deze richtlijnen worden oplossingsrichtingen gegeven die inzicht geven in de problematiek waarop diverse maatregelen worden aangedragen die een antwoord kunnen zijn. Uitgangspunt Als uitgangspunt geldt dat het te behalen effect van de verschillende maatregelingen optimaal is. Hierbij levert het principe van het aanpakken van de zwakste schakel in de energiehuishouding het grootste effect op. Van belang hierbij is dat de onderlinge samenhang van de afzonderlijke oplossingsrichtingen in goede balans is. Er wordt een praktisch pakket van verantwoorde energieduurzame oplossingen voor historische gebouwen geboden, dat als leidraad kan fungeren voor zowel kleinschalige initiatieven van particulieren als grootschalige renovatie- en restauratieprojecten. De nadruk ligt op het kiezen van een maatregel, die vanuit monumentaal oogpunt het meest wenselijk is. Op basis van rendement is het aan te bevelen de werkzaamheden aan de zwakste schakel in de energiehuishouding als eerste aan te pakken. Dat betekent dat in volgorde van effectiviteit het beste eerst gekeken kan worden naar kierdichting, vervolgens naar de ventilatie, de ramen en beglazing, de daken, de vloeren en de gevel. Daarnaast kan gekeken worden naar toepassen van eenvoudige techniek en naar hoogwaardige installaties. Bij monumenten moet rekening worden gehouden of de technische ingrepen fysieke gevolgen hebben voor de monumentale waarden, of de ingrepen door wijziging van fysische eigenschappen op langer termijn schade kunnen veroorzaken maar evenzeer of er gevolgen zijn voor de beeldkwaliteit. 3Technische richtlijnen en toetsingscriteria De technische richtlijnen en toetsingscriteria zijn opgebouwd uit verschillende categorieën, ingedeeld naar materialen en methoden die toegepast zijn bij een monument. Iedere categorie bestaat uit de volgende onderdelen: Definitie: wat wordt met de betreffende categorie bedoeld. Uitgangspunt: wat is het algemene uitgangspunt over de omgang met de betreffende categorie. Onderzoek en analyse: zijn er op voorhand reeds specifieke onderzoeken bekend die als onderbouwing noodzakelijk zijn om de oorzaak van eventuele schades te traceren, om vervanging van het materiaal te motiveren of om de noodzaak tot wijziging aan te tonen. Schades, oorzaken en oplossingen: De meest voorkomende schades en de daarbij behorende oplossingen worden per categorie weergegeven. Ook worden mogelijke oorzaken van de schades gegeven. Deze zijn niet limitatief. Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria: puntsgewijze opsomming hoe om te gaan met het onderhoud, restauratie of wijzigingen bij een monument. Dit dient in het kader van de vergunningaanvraag reeds te worden overlegd en beoordeeld. De aangedragen richtlijnen en toetsingscriteria zijn in volgorde van voorkeur genoemd. Uitgangspunt is hierbij dat de minst schadelijke activiteit het eerst genoemd wordt. Indien toepassen hiervan niet mogelijk is kan naar een volgende activiteit worden gestapt. Uitvoeringsvoorschriften: dit zijn regels waarmee tijdens de uitvoering van de vergunning rekening moet worden gehouden en die, afhankelijk van de specifieke situatie, als voorwaarde opgenomen kunnen worden in de vergunning. Nadere informatie: verwijzingen naar brochures en websites. 3.1Fundering Definitie De fundering is de draagconstructie waarop een gebouw geplaatst wordt, meestal onder het maaiveld gelegen. Deze heeft ten doel om gewicht van het gebouw gelijkmatig op de ondergrond over te brengen. De verschillende typen funderingen zijn meestal afhankelijk van de desbetreffende bodemgesteldheid. Typen funderingen zijn bijvoorbeeld de strokenfundering (eventueel met getrapte voet), paal- of poerenfundering of plaatfundering. Materiaalsoorten zijn bijvoorbeeld: maaskeien, kolenzandsteen, mergel, baksteen en beton. In Maastricht is de ondergrond meestal stabiel en opgebouwd uit een dichte klei of leemlaag, grindlaag of mergelpakket hetgeen betekent dat men op de aanwezige ondergrond kan funderen. Dit noemt men “funderen op staal”, waarbij een verbrede voet op de draagkrachtige bodem rust. Paal- of poerenfundering komen bij monumenten in Maastricht nauwelijks voor. Uitgangspunt De fundering mag slechts worden vervangen als deze aantoonbaar slecht en/of overbelast is en herstel niet mogelijk blijkt. Indien het mogelijk is, dient de oude fundering gehandhaafd te worden. Onderzoek en analyse Doorgaans begint een onderzoek met het bestuderen van de scheuren. Pas wanneer duidelijk is dat de scheuren niet zijn ontstaan door andere gebreken zal worden overgegaan tot onderzoek van de fundering. Schade aan elementen als gevelankers, metselwerk, balkkoppen en hemelwaterafvoer etc. kunnen namelijk ook tot scheuren leiden. Bepaalde scheuren in de gevel kunnen echter op funderingsproblemen duiden. Deze zijn óf bij de bouw al ontstaan, óf naderhand door wijzigende omstandigheden. In dat geval zal er iets aan de fundering moeten gebeuren. Daarvoor is onderzoek nodig: hoe is de bestaande fundering, wat is er fout gegaan, en waarom ? En hoe is het probleem het beste op te lossen ? Bij onderzoek van de fundering is het noodzakelijk de bestaande fundering en belastingen op deze funderingen in kaart te brengen om uitsluitsel te bieden over de technische staat en stabiliteit. Op deze manier kan de oorzaak van het probleem en de juiste oplossing gezocht worden. Mogelijk dient de fundering ontgraven te worden op een plaats waar de scheur de grond in gaat. De laatste jaren zijn er vele technische mogelijkheden en apparatuur ontwikkeld om funderingsherstel achteraf uit te voeren. Meetbouten aanbrengen is meestal een optie om zo het verzakken in de gaten te houden. De volgende aspecten dienen in een dergelijk funderingsonderzoek aan bod te komen: Archiefonderzoek : is er al eens eerder een funderingsonderzoek geweest en is de fundering al eens hersteld? Staat de woning op houten palen of op staal (=vaste ondergrond)? Visuele inspectie van de gevels (alleen aan de straatzijde). Zijn er scheuren en verzakkingen zichtbaar? Soms wordt een lintvoegmeting gedaan om verzakkingen te kunnen vaststellen. Funderingsinspectie: hoe is de kwaliteit van de fundering? Aan de buitenkant van de woning worden inspectieputten gegraven. De soort fundering wordt vastgesteld. Ook wordt er gekeken naar de toestand van het metselwerk, zoals de hardheid van de stenen, is er scheurvorming of is het metselwerk vervormd. Geotechnisch onderzoek: in uitzonderlijke gevallen kan een geotechnisch onderzoek noodzakelijk zijn voor het in beeld brengen van verzakkingen en scheefstand van muren. De werkelijke maatvoering van een gebouwkan met een digitale laserscanner in kaart gebracht worden. Schades, oorzaken en oplossingen Mogelijke schades verzakkingen verticale vervormingen of schranken scheurvorming in gevels vocht- en zoutproblemen in gevels verzepen of uiteenvallen van de steen Mogelijke oorzaken Mogelijke schades kunnen tijdens de bouw of bij latere wijzigingen onder andere ontstaan door: Onvoldoende draagvermogen, door bijvoorbeeld een te dunne zandplaat. Twee buurpanden tot één pand te verbouwen. Houten vloeren te vervangen door betonvloeren. Grote sparingen in dragende wanden te maken. Fouten tijdens de uitvoering, waarbij heipalen kapot zijn geslagen of kromme of te lichte palen zijn gebruikt. Ook kunnen palen te ver van de muur zijn geheid of op oude waterlopen. Hogere belasting doordat het gebouw met een verdieping is opgehoogd. De functie te wijziging waarbij er een verandering in de belasting van de fundering kan optreden, bijvoorbeeld indien woonhuizen een horecabestemming krijgen. Inklinking van de grond door bijvoorbeeld ophoging van de grond in de omgeving. Door trillingen, graafwerkzaamheden, geologische eigenschappen of materiaal. Mogelijke oplossingen (afhankelijk van het type fundering) Handhaven van de bestaande fundering, aangevuld met onderzoek. Partieel herstel, door beton aan te storten, of de paalfundering te ontlasten. aanstorten met beton. plaatselijk injecteren met kunstharsgebonden mortel. Volledig herstel, door nieuwe keldervloer te storten met sparingen waarin later betonnen segmentpalen worden gedreven. etc. Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria Indien een slechte fundering door onvoldoende draagvermogen schade kan aanbrengen dient de fundering vervangen te worden, los van het feit of er monumentale waarden in het geding zijn. Onvoldoende draagvermogen van en schade aan een fundering moet altijd rekentechnisch worden aangetoond. Indien een fundering technisch goed functioneert is vervanging alleen mogelijk mits er geen monumentale waarden verloren gaan. De aanleg van een nieuwe vloer dient nooit onder de aanlegdiepte van de oorspronkelijke fundering te komen. Voor het uitdiepen van kelders zie ook kelders en souterrains. Indien een object een gemeenschappelijke bouwmuur heeft moet er afstemming plaatsvinden met de funderingssituatie van het belendende pand. Soms zijn gebouwen in drassig gebied gefundeerd op rijsmatten van riet of wilgentenen (o.a. bekend bij kasteel Borgharen en Meerssenhoven) en bij deze gebouwen is het van groot belang dat de fundering altijd onder water staat. Uitvoeringsvoorschriften Keldergewelven mogen bij herstel van fundering niet aangetast worden. Nadere informatie Funderingen bij monumenten: http://www.monumentenwachtbrabant.nl/index.php?id=105 http://www.bouwadviesnederland.nl/informatie/bouwadvies/bodemonderzoek/ 3.2Gevels 3.2.1 baksteen metselwerk Definitie Baksteen is een kunststeen, waarbij de ruwe grondstoffen klei of leem of mengsels daarvan worden gevormd, gedroogd en in ovens worden gebakken. De eigenschappen van dit ceramische materiaal, zoals kleur, worden bepaald door de duur en de temperatuur van het bakken ( van 850 tot 1200 graden) en door de geaardheid van het materiaal (bijv. de kleuren rood en geel, respectievelijk afhankelijk van een gering of hoog ijzer- en of kalkgehalte) en de methode van het in vorm brengen. Een belangrijke eigenschap van baksteen is poreusheid. De afmeting van de poriën en het totale poriënsysteem beïnvloeden het gedrag van de baksteen en verflaag bij vocht-, zouttransport en vorst. Naast bouwmateriaal wordt baksteen ook gebruikt voor detaillering of ornamentering. Hierbij valt te denken aan vlechtwerk, muizenoor, ezelsrug, rollagen, vensterbanken, hoekstenen, geprofileerde stenen, verblend - en geglazuurde stenen e.d. Bakstenen worden in een specifiek verband gemetseld. We onderscheiden ondermeer kruis-, vlaams-, staand-, halfsteens-, klezoren-, koppen-, ketting en wild verband. Uitgangspunt Het metselverband, het formaat, de textuur (de waarneembare structuur), de kleur en de patina (de door weersinvloeden ontstane toplaag) van de steen zijn bepalend voor het historisch karakter van een monument. Conserveren van het bestaand metselwerk is daarom het uitgangspunt. Onderzoek en analyse Voorafgaand aan de werkzaamheden dient de oorzaak van de schade te worden vastgesteld. Hierbij dienen de bouwtechnische aspecten van het metselwerk aan de orde te komen, maar ook de factoren in de omgeving die van invloed op de schade zijn geweest. Pas wanneer de oorzaak van de schade is vastgesteld en ook is weggenomen, kan gestart worden met het herstel van het metselwerk. Voorafgaand aan de werkzaamheden is het belangrijk dat het verband, de metseltekens en andere bijzonderheden zoals bouwsporen en onregelmatigheden door middel van het maken van tekeningen en/of foto’s worden vastgelegd. Schades, oorzaken en oplossingen Mogelijke schades scheurvorming uiteenvallende stenen afschilferen van bakhuid verkleuring afzanden uitbleken uitbloeien van zouten aan het oppervlak (efflorescentie) afschilferen (door crypto-efflorescentie: uitbloeien van zouten onder het oppervlak) afpoederen verkruimelen, afbrokkelen slijp- en haksporen vervuiling door onder andere verf of aanplakbiljetten Mogelijke oorzaken klimatologische invloeden inwateren van bovenaf of stromen van regenwater langs gevel indringing regenwater door loszittende voegen bevriezing water in capillaire ruimtes en poriën reinigen (van cementspatten) met zoutzuur optrekkend vocht of direct contact met grondwater kristalliserende zouten verkeerde hardheid of samenstelling van de voeg- en metselmortel onvoldoende ventilatie van binnenruimten inferieure bakstenen en voegen gebruik van verkeerde stenen bij inboeten het verzakken van muren achterstand onderhoud ijzerconstructies in metselwerk opspattend water, verkeerd aangelegde bestratingen het gebruik van verkeerde afwerklagen begroeiing van planten en schimmels, met name mossen en klimopplanten aangebrachte graffiti of gelijmd reclamemateriaal het verkeerd en onzorgvuldig reinigen van de gevel afwerken van de gevel met verkeerd of dampdicht verfsysteem hydrofoberen onzorgvuldig uitslijpen van voegwerk Mogelijke oplossingen (afhankelijk van onderzoek en type schade) toetreding van vocht en vochttransport voorkomen door gootherstel, aanbrengen van muurafdekkingen etc. bij omvangrijke reparaties het verband, metseltekens, bouwsporen etc. op foto vastleggen. de nog bij te werken steen afhakken met beitel en hamer tot de vaste, gezonde kern, ontstane opening reinigen van stof en gruis en vol en zat aanhelen met reparatiemortel herbestraten en aanleggen van een goede afvoer beschadigde stenen uithakken en vervangen (inboeten) door stenen van dezelfde aard en kwaliteit algen en mossen droog afborstelen met een zachte borstel steen herstellen door reparatiemortel verbleekte of verkleurde stenen of inboetwerk camoufleren door te schilderen, oliën of pleisteren, indien toegestaan of historisch verantwoord scheuren herstellen door reparatiemortels of dilatatievoegen lijmresten van papier losweken en verwijderen met een zachte borstel graffiti verwijderen met milieuvriendelijke watergedragen verfafbijt Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria Het metselwerk mag plaatselijk vervangen worden, indien herstel niet meer mogelijk blijkt bij bijvoorbeeld scheurvorming of onherstelbare aantasting van de stenen. Dit dient op tekening te worden aangeduid. Het vervangen van metselwerk dient plaats te vinden door middel van inboeten. Onder inboeten wordt het inmetselen van bakstenen verstaan op plaatsen waar bakstenen zijn gescheurd en/of op plaatsen waar de baksteenconstructie niet meer voldoende is. Het inboeten kan zowel aan de oppervlakte van de gevel plaatsvinden als in het inwendige ervan. Brede scheuren moet men niet dichtsmeren of herstellen met reparatiemortel maar inboeten zodat de muur één constructief geheel vormt. Het inwerken van wapening kan hierbij noodzakelijk zijn. Een grote hoeveelheid scheuren in de bakstenen muur kan duiden op instabiliteit van het metselwerk. Indien de muur hierdoor niet behouden kan worden dient dit altijd rekentechnisch te worden onderbouwd. Het inboetwerk moet aangepast zijn aan de samenstelling en hardheid van het bestaande metselwerk. Indien dit niet het geval is kunnen reacties optreden die schade veroorzaken. Het gebruik van metselmortels met uitsluitend cement als bindmiddel is niet toegestaan, omdat cementmortels te star zijn en een slecht watervasthoudend vermogen hebben. Door het gebruik van cementmortels blijft er te veel vocht in de steen waardoor beschadigingen op kunnen treden bijvoorbeeld tijdens vorst. Het gebruik van kalkmortels is bij het metselwerk essentieel vanwege het feit dat kalk goed verwerkbaar is en een belangrijke bijdrage levert aan de ontwikkeling van de hechtsterkte, de elasticiteit van de baksteenconstructie en het reguleren van de vochthuishouding. Indien vanwege herbestemming of herinrichting er voor gekozen wordt om een doorbraak in het metselwerk door te voeren dient de noodzaak hiervan aangetoond te worden. Zie ook interieurs. Voor het isoleren van gevels zie gevelafwerking en schilderwerk Uitvoeringsvoorschriften Kapotte stenen die tot vervolgschade kunnen leiden dienen hersteld te worden door onder andere inboeten, het toepassen van reparatiemortels, injectie van mortel en/of dilatatievoegen. De stenen die aangemerkt zijn om uitgehakt te worden, dienen strak en kantig en per gedeelte te worden uitgehakt en/of te worden uitgeboord. Hergebruik van de bestaande stenen heeft bij inboeten en vervanging de voorkeur. De in te boeten stenen moeten qua hardheid, formaat, kleur en textuur aansluiten op het bestaande metselwerk. Gebruik geen ‘achterwerkers’ of binnenmuurstenen aan de oppervlakte van het werk. Let er op dat stenen niet verontreinigd zijn door roet, zouten, resten van verf, teer of een hydrofobeermiddel; De in te boeten stenen moeten in hetzelfde verband worden verwerkt als in de bestaande situatie. De in te boeten stenen en de samenstelling van de metselmortel moeten voorafgaand aan de werkzaamheden overlegd worden met de vergunningverlener/bouwinspecteur van de gemeente Maastricht. De vochtigheidsgraad van de steen is van invloed op de hechting aan het bestaande werk en de uitharding van de metselmortel. Nadere informatie Baksteenmetselwerk: scheuren en herstel: http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/racm_brochure_techniek_4.pdf Oorzaak en schade van baksteenmetselwerk en herstel 2: http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/rdmz_info_rb_05-2001.pdf Vocht en zouten in metselwerk: http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/rdmz_info_rb_08-2005.pdf Zout en behoud? http://www.wta.de/nl/system/files/syllabi/Zout_en_behoud.pdf Zie ook: het Kalkboek: het gebruik van kalk als bindmiddel voor metsel- en voegmortels in verleden en heden, Koen van Balen en Bert van Bommel; e.a., Zeist: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2003. Algen, mossen en korstmossen: http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/racm_brochure_techniek_16.pdf 3.2.2 Voegwerk Definitie Voegwerk is het geheel van voegen in metselwerk. De voeg is het zichtbare deel van de mortel, ofwel de verharde specie, tussen de stenen van het metselwerk. Hiermee worden openingen tussen de stenen zodanig opgesloten dat indringing van vocht in de stenen wordt voorkomen. Voegwerk bestaat uit stootvoegen en lintvoegen. De stootvoegen zijn de staande voegen en de lintvoegen zijn de liggende voegen. De tekening en het beloop van de voegen is afhankelijk van de aard van het metselverband. Vormen van voegwerk kunnen onder meer zijn: Doorgestreken voeg (veelal 17de eeuws) komt voor bij de vestingwerken. Dagstreep (kan 16de eeuws zijn). Gesneden voeg (17 en 18de eeuws) Geknipte voeg (veelal 19de eeuws) verdiepte voeg, schaduwvoeg, terug liggende en iets terug liggende voeg, platvolle voeg, dik opgezette voeg e.d. Pas na de WO II werd er met portlandcement gewerkt, daarvoor veelal met kalkmortel. Uitgangspunt Het voegwerk is een essentieel onderdeel van de gevelafwerking van een monument en draagt in grote mate bij aan de schoonheid en architectonische waarden. De vorm en kleur van het voegwerk bepalen mede het karakter van de gevel. Om het historisch karakter te handhaven staat het behoud van het bestaand voegwerk voorop. De vorm, kleur en samenstelling van het bestaande voegwerk is het uitgangspunt bij herstel en vervanging. Onderzoek en analyse Voorafgaand aan de werkzaamheden dienen onderstaande items te worden vastgesteld / onderzocht: de oorzaak van de schade de bestaande samenstelling en kleur van het voegwerk oorspronkelijke karakteristieke vorm van de voeg. Vaak is deze vorm nog onder de goot te vinden. het wateropnemend gedrag van de voeg, visueel of bijvoorbeeld door een waterabsorptie test (Karstenbuisje). in het verleden uitgevoerde reparaties of reinigingswerkzaamheden of aangebrachte waterafstotende lagen. Schades, oorzaken en oplossingen Mogelijke schades het loslaten van de voeg scheuren in het voegwerk het verkleuren van het voegwerk Mogelijke oorzaken lekkende goten of hemelwaterafvoeren overmatige vochtbelasting van het metselwerk oude voeg is te ondiep uitgehaald activeren van zouten door vocht bevriezing van vocht het verzakken van de muren onvoldoende onderhoud optrekkend vocht vanuit de fundering reparaties of reiniging in het verleden vochtoverbelasting door slagregen het verkeerd reinigen van de gevel zure regen die een chemische reactie met kalk aangaat, waardoor gipsvorming ontstaat. begroeiing in ’t algemeen maar ook mos of algengroei in het verleden aangebrachte waterafstotende lagen hebben nadelige invloed op nieuw voegwerk Mogelijke oplossingen (afhankelijk van onderzoek en type) toetreding van vocht en vochttransport voorkomen door gootherstel, aanbrengen van muurafdekkingen etc. voegherstel uitvoeren in vorstvrije periodes indien voegherstel noodzakelijk is tijdens vorstperiodes, het nieuwe werk voldoende isoleren en afdekken algen en mossen droog afborstelen met een zachte borstel indien bestaande mortel geen schade heeft veroorzaakt, oude samenstelling opnieuw gebruiken het loszittend voegwerk vervangen kalk of traskalk gebruiken Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria Alleen die delen van het voegwerk die slecht zijn mogen worden vervangen. Dit wil zeggen alleen de voegen die technisch niet meer functioneren en niet meer waterwerend zijn. Indien meer dan 70 % van het voegwerk slecht is, mag het voegwerk integraal worden vervangen. Indien het metselwerk een oppervlakte van minder dan 35 vierkante meter beslaat, mag het voegwerk integraal worden vervangen als 50% van het voegwerk in een slechte staat verkeert. In het geval dat de aantasting onder het bovengenoemde percentage blijft maar zeer over de gevel is verspreid, kan dit reden zijn om het voegwerk integraal te vervangen. Dit dient in het kader van de vergunningaanvraag te worden voorgelegd en beoordeeld. Indien de voeg in het verleden met de verkeerde mortelsamenstelling is uitgevoerd, en deze schade kan veroorzaken aan de steen, kan dit reden zijn de voegen integraal te vervangen. Indien er smalle scheuren in de gevel aanwezig zijn en inboeten niet mogelijk blijkt, kunnen de voegen uitgekapt worden en opnieuw worden gevoegd. Het gebruik van (luchthardende) kalk of traskalk als bindmiddel is bij restauratie van historisch voegwerk uitgangspunt. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de juiste verhoudingen die vanwege andere samenstelling van species anders kan zijn dan de historische verhoudingen van bestanddelen. Indien er bijvoorbeeld veel zouten in de gevel aanwezig zijn of wanneer er met cementspecie is gemetseld, kan een ander bindmiddel gekozen worden dan kalk of traskalk. Pas na de Tweede Wereldoorlog werd er met portlandcement gewerkt. Het gebruik van portlandcement is slechts toegestaan, indien aangetoond kan worden dat het gebouw oorspronkelijk in portlandcement is gevoegd. Uitvoeringsvoorschriften De te vervangen voeg moet worden verwijderd met gereedschap dat geen schade toebrengt aan het historisch metselwerk. Een lintvoeg (de liggende voeg) dient, alvorens hij met een naaldbeitel wordt uitgehakt, eerst langs een rei met een op lage toeren draaiende diamantzaag tot de gewenste uithakdiepte te worden ingezaagd. Vervolgens kan de stootvoeg (de staande voeg) handmatig worden verwijderd. Bij metselwerk met een lintvoeg die smaller is dan 7 mm is slechts het inzagen van de lintvoeg toegestaan. Een stootvoeg smaller dan 1,5 mm mag niet worden verwijderd. Het gebruik van een slijptol voor het verwijderen van voegwerk is niet toegestaan. Samenstelling, kleur en vorm van de voeg dienen uitgevoerd te worden conform bestaande toestand. De afzonderlijke bestanddelen (bindmiddel, toeslagstoffen zoals zand, water en eventuele hulpstoffen), waaruit de voegspecie is opgebouwd, dienen in het juiste volume gemengd te worden en vrij van verontreinigingen te zijn. De voegmortel moet qua samenstelling aangepast zijn aan de samenstelling en hardheid van het bestaande metselwerk. Indien dit niet het geval is kunnen reacties optreden die schade veroorzaken. Bovendien is de vochtigheidsgraad en de vorstperiode van invloed op de hechting aan het bestaande werk en de uitharding van de voegmortel. De samenstelling van de voegmortel moet voorafgaand aan de werkzaamheden overlegd te worden met de vergunningverlener/bouwinspecteur van de gemeente Maastricht. Voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden dient een bemonstering van het te vervangen voegwerk beoordeeld te worden door de vergunningverlener/bouwinspecteur van de gemeente Maastricht. Het proefvlak dient circa 50 bij 50 cm groot te zijn en op een niet zichtbare plek aangebracht te worden. Nadere informatie Voegwerk: http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/racm_brochure_techniek_2.pdf Het gebruik van kalkmortel: http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/rdmz_info_rb_37-2003.pdf Onderhoud en herstel van historisch voegwerk: http://www.monumentenwacht.be/nl/uploads/b129.pdf http://www.monumenten.nl/site/nl-nl/Themas/Onderhoudstips+Monumentenwacht/Voegwerk.htm 3.2.3 Natuursteen Definitie Natuursteen bestaat uit één of meerdere mineralen die door een specifieke ontstaanswijze tot een structuur en samenstelling zijn gevormd. Zij bezitten een eigen karakter en fysische en chemische eigenschappen als sterkte, kleur en duurzaamheid. Natuursteen is in steengroeven uit vaste rots gebroken steen, die daarna meer of minder door steenhouwers bewerkt wordt. Veel voorkomende soorten natuursteen zijn o.a. hardsteen, mergelsteen, zandsteen, kalksteen, tufsteen, kolenzandsteen, graniet, marmer, maaskeien. Natuursteen kan ook bewerkt worden of op een decoratieve wijze toegepast. Voorbeelden van bewerking of ornamentering zijn frijnslag ( Belgische/Hollandse), scharreren, boucharderen, geschuurd, gezoet. We onderscheiden ook verbanden- patronen in vloervelden zoals: diagonaal, visgraat, stroken e.d. Uitgangspunt Het gebruik van natuursteen bij monumenten was historisch gezien vaak een teken van rijkdom, zoals bijvoorbeeld het toepassen van natuurstenen raamomlijstingen, gevelstenen en traptreden. Een ‘rijke’ gevel heeft doorgaans veel architectonische en monumentale waarde. Het is daarom van belang dat behoud van de historische natuursteen voorop staat. Onderzoek en analyse Voorafgaand aan de werkzaamheden dienen onderstaande items te worden vastgesteld / onderzocht: de oorzaak van de schade de bestaande steensoort de bestaande afwerkingstechniek vastleggen van telmerken en merktekens die steenhouwers vaak achterlieten Schades, oorzaken en oplossingen Mogelijke schades Uiteenvallen Verwering Verkleuring Slijtage van de oppervlakte Scheurvorming Roestvorming Kalkvorming in de vorm van gipskorst Mogelijke oorzaken Schadelijke ingrepen in het verleden Zure regen die een chemische reactie met kalksteen aangaat, waardoor gipsvorming ontstaat. Specifieke verweringsverschijnsel per natuursteensoort Slechte stenen kunnen een bedreiging vormen voor andere stenen Verkleuring of verwering door het verwijderen van in het verleden aangebrachte verflagen Roestende ankers Te harde mortel Gebruik van steenverstevigende middelen Belemmering van vochttransport of vochthuishouding door gebruik van verkeerde mortel of lijm Vervolgschade in de vorm van snellere verwering door oude verwering te verwijderen met chemicaliën of stralen De (ex)positie van de natuursteen Bevriezen van vocht Wijze waarop de natuursteen is gewonnen of bewerkt Uitslijten door erosie Zuren Kristalliserende zouten Biodegradatie, begroeiing door mossen of algen Begroeiing van bomen en struiken in de nabijheid Op verkeerde wijze of met verkeerde producten reinigen of schilderen Waterafstotende lagen Mogelijke oplossingen (afhankelijk van onderzoek en type schade) Goede afwatering van de natuurstenen elementen Herstel van goten en waterlijsten Begroeiing van bomen en struiken tegengaan Vakkundig verwijderen van gipskorsten, met behoud van natuurlijke verwering en patina toetreding van vocht en vochttransport voorkomen door gootherstel, aanbrengen van muurafdekkingen etc. voegherstel uitvoeren in vorstvrije periodes indien voegherstel noodzakelijk is tijdens vorstperiodes, het nieuwe werk voldoende isoleren en afdekken algen en mossen droog afborstelen met een zachte borstel steen herstellen door reparatiemortels of lijmen mortel of lijmen aanpassen teneinde vochthuishouding of vochttransport te verbeteren scheuren herstellen door reparatiemortels of lijmen kapotte stenen indien noodzakelijk vervangen door inboeten roestende ankers behandelen of vervangen beschermen van het natuursteenoppervlak door te schilderen indien historisch verantwoord afdekken, beschermen tegen regen Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria Natuursteen mag pas vervangen worden als herstel niet mogelijk blijkt. Dit dient altijd middels onderzoek aangetoond te worden. Indien schade aan natuursteen verdere schade aan het monument tot gevolg kan hebben, dient de steen met een daartoe geëigende reparatiemortel gerepareerd te worden. Hierbij mag de reparatieplek geen grotere omvang hebben dan 10 cm³. Herstel van natuurstenen onderdelen met een acrylhars is slechts toegestaan als reguliere reparatiemethoden (met mineraalgebonden mortels) geen oplossing bieden. Het gebruik van acrylhars beïnvloedt de dampdichtheid en vochthuishouding van de natuursteen. Dit kan nadelige gevolgen hebben. In geval van ernstige schade dan wel verwering (meer dan 10 cm³) is inboeten (inschieten) van een nieuw stuk natuursteen van dezelfde soort, kleur en afwerking toegestaan. Kunstharslijmen zijn alleen voor kleine verticale scheuren (max. 1,2 mm) toegestaan. Indien het bij horizontale scheuren toegepast zou worden vormt de reparatie een waterwerende laag wat kan leiden tot vorstschade of verwering. Het toepassen van steenverstevigers en impregneren met kunsthars is niet toegestaan. De laag is niet te verwijderen zonder schade en dient in verband met verwering na circa acht jaar opnieuw aangebracht te worden waardoor de textuur van het natuursteen volledig verloren gaat. Indien de laag gaat verweren en er vocht achter de verstevigingslaag komt, kan door vorst of afschilfering ernstige schade ontstaan. Ernstig aangetaste natuurstenen elementen mogen in uitzonderlijke gevallen, vervangen worden door een kopie van dezelfde steensoort. Voor ornamenten waarvan de expressie volledig verloren is gegaan, kan het element in uitzonderlijke gevallen vervangen worden door een kopie in dezelfde steensoort. De oorspronkelijke balusters van trapleuningen en hekwerken dienen met lood in natuursteen bevestigd te worden. Voor isoleren van gevels zie de paragraaf 3.4.1 Gevel isoleren Uitvoeringsvoorschriften Bij enkelvoudige breuken dienen de natuursteen onderdelen gelijmd te worden. Nieuw aan te brengen natuursteen dient eenzelfde afwerking en detaillering te krijgen als in de bestaande situatie. Nadere informatie Natuursteen in Nederland: http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/rdmz_info_rb_28-2001.pdf Verwering van natuursteen in het exterieur: http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/rdmz_info_rb_29-2002.pdf Natuursteen: de steenkeuze in de restauratiepraktijk http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/rdmz_info_rb_30-2002.pdf Algen, mossen en korstmossen: http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/racm_brochure_techniek_16.pdf 3.2.4 Mergel Definitie Mergel is een natuursteensoort die in de laatste periode van het Krijt (bv. het Maastrichtien) in een ondiepe zee werd afgezet als een laag kalksteen. Mergel is net als bentheimer zandsteen een sedimentair gesteente (afzettingsgesteente), maar is anders gevormd. In Zuid-Limburg komt mergel veelvuldig voor. Afhankelijk van de locatie bevat mergel een andere verhouding van kalk met klei, leem of zand. De zacht lichtgele mergelsoort, die geschikt is voor de bouw en toegepast wordt voor decoratieve elementen, bestaat hoofdzakelijk uit calciumcarbonaat met slechts 2% zand. Mergel(steen) is een zachte steensoort, maar toch weervast en krijgt na verloop van tijd een calcietlaagje, dat de steen beschermd. Uitgangspunt Vanwege de toepassing van dit typisch locale product is de architectonische en cultuurhistorische waarde ervan groot. Behoud van de bestaande mergel is het uitgangspunt. Onderzoek en analyse Voorafgaand aan de werkzaamheden dienen onderstaande items te worden vastgesteld / onderzocht: de oorzaak van de schade de bestaande mergelsoort de bestaande afwerkingstechniek vastleggen van telmerken en merktekens die steenhouwers vaak achterlieten Schades, oorzaken en oplossingen Mogelijke schades Verkleuring Slijtage van de oppervlakte door verwering en inkrassing Scheurvorming Afstoting van de complete (calciet)huid Gaten en krassen Belasting door hemelwaterafvoer Mogelijke oorzaken Behandelingen in het verleden met een steenverstevigend middel, zoals waterglas of kalkmelk, waardoor de steen aan het oppervlak zijn vocht niet meer kwijt kan Behandelingen in het verleden met een steenverstevigend middel, waardoor zouten in de natuursteen worden geïntroduceerd met mogelijke vervolgschade Zure regen die een chemische reactie met kalksteen aangaat, waardoor gipsvorming ontstaat. Schadelijke ingrepen in het verleden Bevriezing van vocht Uitslijten door erosie Zuren en zouten Begroeiing door mossen of algen Op verkeerde wijze of met verkeerde producten reinigen of schilderen Waterafstotende lagen Vandalisme Wespennesten Krassen van vogelpoten Mogelijke oplossingen (afhankelijk van onderzoek en type schade) Goede afwatering van de natuurstenen elementen Herstel van goten en waterlijsten Begroeiing van bomen en struiken tegengaan Acceptatie van gipskorsten, natuurlijke verwering en patina kapotte stenen vervangen door inboeten toetreding van vocht en vochttransport voorkomen door gootherstel, aanbrengen van muurafdekkingen en drainage systemen etc. voegherstel uitvoeren in vorstvrije periodes steen herstellen door reparatiemortels of lijmen scheuren herstellen door reparatiemortels of lijmen kapotte stenen vervangen door inboeten algen en mossen droog afborstelen met een zachte borstel mortel of lijmen aanpassen teneinde vochthuishouding of vochttransport te verbeteren roestende ankers behandelen of vervangen Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria Indien de kapotte mergelsteen verdere schade aan het monument tot gevolg kan hebben, dient de steen met een daartoe geëigende reparatiemortel gerepareerd te worden. Hierbij mag de reparatieplek geen grotere omvang hebben dan circa 10 cm³. Bij vervanging van mergel dient altijd middels onderzoek aangetoond te worden dat het bestaande materiaal om technische redenen niet meer te behouden is. Het vervangen van mergelwerk dient plaats te vinden door middel van inboeten. Voor ornamenten waarvan de expressie volledig verloren is gegaan, kan het element in uitzonderlijke gevallen, vervangen worden door een kopie in dezelfde steensoort. Het kan zijn dat de calciethuid te dik wordt waardoor er risico bestaat op afschilferen. Om dit te voorkomen beschilderde men in het verleden mergelsteen met een laagje rode ijzeroer. Deze kleurstof bestaat uit zuivere ijzeroxyde, die zich gemakkelijk kan binden met de kalk uit de mergelsteen: zo wordt een hechte beschermende buitenlaag gevormd, die de indringing van water vermindert. Indien aangetoond kan worden dat een dergelijke laag op het monument aanwezig was, kan een dergelijke afwerking in het kader van de vergunningaanvraag worden voorgelegd en beoordeeld. Het is niet toegestaan mergelblokken te reinigen met hoge druk, door afschaven en het gebruik van chemische middelen. Mergel vormt van nature een harde calciethuid aan de buitenzijde van de steen die ontstaat door uitwatering van opgeloste kalkdeeltjes. Hierdoor wordt de beschermende calciethuid verwijderd of beschadigd. Bij vochtproblemen dient voorafgaand aan de werkzaamheden de oorzaak van het vochtprobleem achterhaald te worden. Op basis hiervan kan een geschikte oplossing gezocht worden. Een (historische) oplossing voor optrekkend vocht is het toepassen van een basement of trasraam van een hardere steensoort opgemetseld aan de voet van een mergelgebouw. Mergel heeft een groot waterabsorberend vermogen. Het is dan ook belangrijk om de natuurlijke waterhuishouding van de steen te bevorderen door goede ventilatie en indien van toepassing het gebruik van goede waterdampdoorlatende verfsystemen. Voor isoleren van gevels zie de paragraaf 3.4.1 Gevel isoleren Uitvoeringsvoorschriften Indien het reinigen van mergel noodzakelijk is, kan dit door het gebruik van een zachte borstel en eventueel afspoelen met schoon leidingwater. De te vervangen stenen dienen verwijderd te worden zonder de omringende stenen te beschadigen. Bij het inboeten moeten de mergelblokken eerst vochtig worden gemaakt, om de uitharding van de mortel goed te laten verlopen. De nieuwe mergelblokken moeten op een manier verwerkt worden waarbij rekening wordt gehouden met de structuur van de mergelblok. De horizontale legrichting van de mergelblok dient dezelfde te zijn als de structuur voorafgaand aan de delving in de groeve. Mer¬gel kan maar een geringe druk¬spanning verdragen en als de steen dwars op de richting van de oorspronkelijke lagen wordt ingemet¬seld dan zal de steen breken of verpulveren. De samenstelling van de mortel moet overlegd te worden met de vergunningverlener/bouwinspecteur van de gemeente Maastricht. De voegen moeten zo smal mogelijk zijn, maximaal 2-3 mm dik zijn. Het hoofdbestanddeel van de mortel die gebruikt wordt moet op kalkbasis en zonder cement samengesteld zijn. De mergel moet ‘vol en zat’ worden verwerkt, zodat holle ruimtes met lucht in het muurwerk vermeden worden. Voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden dient een bemonstering van het te vervangen mergelwerk beoordeeld te worden door de vergunningverlener/bouwinspecteur van de gemeente Maastricht. Het proefvlak dient circa 50 bij 50 cm groot te zijn en op een niet zichtbare plek aangebracht te worden. Nadere informatie “Mergel, natuurlijk Limburgs bouwmateriaal”, in: Monumenten, vol.16

(1995), afl. 1-2, pag. 15-
  1. KNOB Rob van Hees 2009 Algen, mossen en korstmossen http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/racm_brochure_techniek_16.pdf 3.2.5 Beton Definitie Beton is een kunstmatig vervaardigd steenachtig materiaal. Minerale hulpstoffen als zand en grind, toeslagstoffen en water worden bijeen gehouden door een hydraulisch bindmiddel. In de meeste gevallen is dit bindmiddel cement, in alle andere gevallen is kalk met tras het bindmiddel. De verharding ervan is een gevolg van de reactie tussen water en cement, waardoor het cement alle samenstellende delen verbindt tot een steenachtig materiaal. Het verschil tussen beton en cementmortel wordt bepaald door de grootte van de zand- en grindkorrels: zijn deze korrels groter dan 4 mm dan is er sprake van beton, zijn deze kleiner dan hebben we te maken met cementmortel. Beton wordt toegepast betonconstructies. Historische betonconstructies komen o.a. voor als het Hennebiquesysteem of paddestoelvloeren. Door het Hennebiquesysteem werd een skelet van kolommen, balken en vloeren van gewapend beton mogelijk. De paddestoelvloer is geschikt voor hoge belastingen, maar werd ook om esthetische redenen regelmatig toegepast. De paddestoelvloer kan buiging in twee richtingen opnemen en om spanningsconcentraties bij de opleggingen te verminderen worden de kolommen van een kop voorzien. Uitgangspunt De bestaande betonconstructie dient zoveel mogelijk behouden te worden. Hierbij geldt dat de kwaliteit van het beton en de mogelijk optredende schadeoorzaken bepalend zijn voor de wijze waarop het materiaal moet worden geconserveerd of hersteld. Bij sommige monumenten met name bij het industrieel erfgoed maakt het beton onderdeel uit van het architectonisch ontwerp. Hierbij heeft het materiaal beton ook een esthetische waarde. Daarom is het van belang terughoudend te zijn met schilderwerk en gevelbekleding van het beton. Onderzoek en analyse Voorafgaand aan de werkzaamheden dienen onderstaande items te worden vastgesteld / onderzocht, waarbij de technieken afhangen van de schade: Visuele inspectie Prognose van de schade ontwikkeling en onderzoek naar de schademechanismen Bepaling van de historische waarden van het beton voorafgaand aan werkzaamheden Bekloppen van het betonoppervlak (verschil van klank)om delaminaties, grindnesten, holtes etc. op te sporen Het nemen van monsters om de mechanische, fysische en chemische eigenschappen te onderzoeken in het laboratorium Onderzoek met een terugslaghamer, dekkingsmeter of een betontester de oorzaak van de schade om een schadeanalyse te kunnen maken de kwaliteit van het beton de invloeden waaraan het beton wordt blootgesteld: fysische en mechanische belasting, weersinvloeden de betondekking (de afstand tussen oppervlak en wapening). Hiermee kan de levensduur van het beton bepaald worden of berekend wanneer de wapening bloot komt te liggen. de pH-waarde van het beton / alkaliteit, waarbij ondermeer gebruik kan worden gemaakt van een indicator vloeistof (fenolftaleïne) in een breukvlak om de carbonatatiediepte te berekenen. Indien onderdelen van de betonconstructie vervangen moeten worden dient aangetoond te worden dat deze constructief niet meer voldoen. Schades, oorzaken en oplossingen Mogelijke schades Roestende wapening Afdrukken / loskomen van schollen beton Lichtbruine roestvlekken, zogenaamde chloridenschade Constructieve schade indien roestende wapening niet behandeld wordt Scheuren ten gevolge van te hoge druk Mogelijke oorzaken Chemische reactie tussen stoffen die aanwezig zijn in de cementsteen en de toeslagstoffen, waarbij een hoge vochtigheid een voorwaarde is Roestende wapening als gevolg van het carbonatatieproces (het indringen van koolzuur in het beton waardoor de alkaliteit van het beton afneemt en door verval de wapening bloot komt te liggen) Roestende wapening heeft meer volume dan het wapeningsstaal In het verleden verkeerd uitgevoerde herstelwerkzaamheden met verkeerde reparatiemortel Schade ontstaan door hogere belasting door een veranderd gebruik of andere functie Niet stabiele verzakkingen als gevolg van wisselende grondwaterpeil Thermische werking als vervormingen niet mogelijk zijn of worden verhinderd, door het ontbreken van dilataties en uitzetvoegen Uitdrogingskrimp Bevriezing van vocht, vorst-dooizoutschade Dampdicht verfsysteem met vochtophoping als gevolg kwaliteit beton chemische aantasting van de cementsteen fysische en mechanische aantasting van het beton calamiteiten Mogelijke oplossingen Kwaliteit beton en betondekking (minimaal 25 mm) verbeteren De vereiste eigenschappen van het herstelmateriaal bepalen de keuze van de hersteltechniek Kathodische bescherming van de wapening, waardoor de roestvorming wordt afgeremd, zodat geen hak- en breekwerk nodig is. Vochttoetreding verminderen door het afdichten en / of volledig dichtzetten van scheuren of in uiterste geval het aanbrengen van een verflaag Verminderen van vochtgehalte in beton rondom de wapening Injecteren van beton kan onder lage druk via de scheur of onder hoge druk via boorgaten Wanneer uit onderzoek is gebleken dat het beton gezond is, dan hoeft het beton niet gehydrofobeerd of geschilderd te worden Het schilderen van beton om esthetische of technische redenen is slechts mogelijk indien historisch verantwoord en indien geen afbreuk wordt gedaan aan oorspronkelijke uitstraling, textuur en kleur Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria Afhankelijk van het oorspronkelijk materiaal dienen de beschadigingen aangeheeld te worden met cementgebonden mortel al dan niet polymeer gemodificeerd. Het gebruik van volledig kunstharsgebonden mortels wordt ontraden, omdat de eigenschappen teveel verschillen met die van traditioneel beton. Door verschillen in spanningen kan het materiaal loskomen Betonconstructies kunnen alleen geschilderd worden indien de ‘schone’ betonconstructie geen wezenlijk onderdeel vormt van de karakteristiek van het monument. Wanneer het vanwege vocht of andere technische redenen noodzakelijk is de betonconstructie te beschermen kan het geïmpregneerd worden of behandeld met een kleurloze minerale verf. De verflaag dient dampopen te zijn en niet film-vormend (folievorming). Indien de bestaande constructie niet toereikend is, dient naar een oplossing gezocht te worden om het draagvermogen te versterken die zo min mogelijk de bestaande karakteristiek van het monument aantast. Uitvoeringsvoorschriften Bij gebruik van reparatiemortel moet deze aangepast zijn aan de bestaande kwaliteit, samenstelling en elasticiteit van het bestaande beton. Het is van belang dat reparaties of aangeheelde onderdelen eenzelfde afwerking en uiterlijk krijgen als de oppervlaktestructuur, textuur, kleur en behandeling van het bestaande beton. Nadere informatie Beton, schade en analyse: http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/rdmz_info_rb_40-2004.pdf Beton, onderhoud en herstel: http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/rdmz_info_rb_44-2006.pdf Beton, herstel en uitvoering: http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/rdmz_info_rb_45-2006.pdf Beton behouden – Theorie in de praktijk gezet: http://www.wta.de/nl/system/files/syllabi/Beton20behouden20-20Theorie20in20de20praktijk20gezet.pdf Valorisatie en consolidatie van monumentale betonconstructies: http://www.wta.de/nl/system/files/syllabi/Valorisatie_en_consolidatie_van_monumentale_betonconstructies.pdf Cement en beton Nieste, A., van mergel tot cement: zeventig jaar ENCI 1926-1996, (Maastricht 1996). 3.2.6 Vakwerkgevels Definitie Vakwerk Vakwerkbouw is een bouw in stijl- en regelwerk, waarbij de wanden als een vakwerk worden samengesteld, d.w.z. een geraamte van horizontale drempelhouten, regels of liggers, verticale stijlen en schuine schoren of kruishouten, waartussen de open ruimten gevuld worden met vlechtwerk van tenen en leem, grove steen of planken. Het gebruik van vakwerk is typerend voor Zuid-Limburg. Leem Leem is een kleisoort en bestaat vooral uit de fijnkorrelige mineralen klei, silt en een relatief hoog percentage fijn zand. Daarnaast bevat leem een aantal andere mineralen als ijzer, magnesium, calcium en kalium die het materiaal speciale eigenschappen als elasticiteit en verwerkbaarheid verschaffen. Zij bepalen ook de kleur die kan variëren van bruin tot rood en van wit tot geel of grauw. Leem is een natuurlijk bindmiddel, waarbij de aanwezigheid van klei belangrijk is vanwege de bindende kracht. Het bestanddeel klei mag echter niet te groot zijn, omdat anders de leem te vet of kleiig wordt en de toevoeging van zand nodig is om de leem te verschralen. Door leem te verschralen blijven krimpscheuren uit. Leem kan steviger en watervaster worden gemaakt door het materiaal te vermengen met stro of koeienmest. Leem heeft door zijn massa een groot vermogen om warmte op te slaan en heeft, wanneer met voldoende stro vermengd, een goede warmte-isolerende werking. Leem reguleert de luchtvochtigheid en neemt in korte tijd een grote hoeveelheid vocht op uit de lucht, nog meer dan baksteen, en geeft dit vocht geleidelijk ook weer af. Leem is niet watervast en dit wordt soms als een groot nadeel gezien. Uitgangspunt Behoud van de bestaande vakwerkconstructie is het uitgangspunt. Onderzoek en analyse Bij het noodzakelijk vervangen van vakwerkonderdelen dient middels deugdelijk onderzoek aangetoond te worden dat dit technisch noodzakelijk is. Bouwhistorisch onderzoek zou kunnen uitwijzen hoe de vakwerkconstructie is opgebouwd en ontstaan. Wellicht zijn er nog merktekens aanwezig. Dendrochronologisch onderzoek kan uitsluitsel geven over de datering van het houtwerk. Schades, oorzaken en oplossingen Mogelijke schades Uitvallen van (leem)-pleister Uitspoelen van leempleister Instabiliteit vakwerk Verwering van houten vakwerk Afbladderen van verflagen Mogelijke oorzaken Indringing van vocht door bijvoorbeeld lekkende goten of hemelwaterafvoeren overmatige vochtbelasting van het metselwerk Bevriezing van vocht, leem is vorstgevoelig wanneer de poriën te klein zijn Onvoldoende onderhoud Verzakking Natuurlijke verwering Mogelijke oplossingen Herstel van goten en waterlijsten Herstel van houtconstructie Aanbrengen van nieuw leempleisterwerk Aanbrengen van leempleisterwerk met voldoende lucht en grote poriën om schade door bevriezen van vocht tegen te gaan. Aanbrengen van nieuwe verflagen op zowel leem als het houten vakwerk Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria Voorafgaand aan de werkzaamheden dient middels deugdelijk onderzoek te worden aangetoond welke onderdelen van de houtconstructie vervangen moeten worden. Dit dient op tekening met een kleuraanduiding inzichtelijk te worden gemaakt. Indien mogelijk dient het onvoldoende draagvermogen rekentechnisch te worden aangetoond. Het vervangen van lemen vakwerkvullingen door stenen vullingen is niet toegestaan. Dit kan schade aan de houten vakwerkconstructie veroorzaken. Indien het lemen vakwerkvullingen vervangen moeten worden, dient de opbouw en samenstelling te worden overlegd en beoordeeld. Hierbij dient rekening gehouden te worden met ventilatie en isolatie. De kleurstelling en de vakwerkvulling van vakwerkgevels dienen conform bestaande toestand gehandhaafd te blijven. Voor overige richtlijnen en toetsingcriteria zie houten kapconstructie. Voor isoleren van gevels zie de paragraaf 3.4.1 Gevel isoleren Uitvoeringsvoorschriften Indien er vakwerkvullingen aanwezig zijn en deze niet handhaafbaar zijn, dient na het verwijderen overleg plaats te vinden met de vergunningverlener/bouwinspecteur van de gemeente Maastricht om de technische staat van het vakwerkskelet goed te kunnen inspecteren en het definitieve restauratieplan vast te stellen. Nadere informatie Eggen, C., Vakwerkbouw in Limburg. Weert,
  2. Hekker, R.C. Het vakwerkhuis van de late middeleeuwen tot omstreeks 1850 in Maastricht en Sittard. Zeist, 1990 Birgit Dukers, “Maastrichtse vakwerkbouw, resten van een houten verleden”, Bulletin van de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond, 103
(2004), p. 201-
  1. 3.2.7 Geveldetails en ornamenten Definitie In een gevel kunnen onderdelen of details zijn opgenomen ter verfraaiing, maar die tegelijkertijd ook een constructieve functie kunnen hebben. Voorbeelden van dit soort elementen zijn fratskoppen (mascarons), kraagstenen, sluitstenen, jaarstenen, gevelstenen, frontons, omlijstingen, sierankers, enz. Gevelsteen Een gevelsteen is een steen, plaat of blok in de gevel waarin een voor de (eerste) eigenaar kenmerkend opschrift is zij kunnen bijvoorbeeld jaartalstenen, stenen met een naamaanduiding of ook familiewapens in attieken zijn. Soms is de gevelsteen een herdenkingssteen. In sommige gevallen zijn gevelstenen herplaatst en afkomstig van een andere locatie. Gevelstenen ontlenen hun zeggingskracht aan een voorstelling of tekst in reliëf, eventueel in combinatie met polychromering. Gevelstenen waren gewoonlijk opgenomen in het fries boven de onderpui en zij speelden vaak een rol in de adresaanduiding. Gedenkstenen Gedenkstenen zijn een aparte categorie binnen de gevelstenen. Gedenkstenen herinneren aan een beroemde bewoner of aan een gebeurtenis, zoals bijvoorbeeld een eerste steenlegging. Jaartalstenen zijn ook op te vatten als gedenkstenen. Mascaron Een mascaron is een siermotief, dat is uitgevoerd in de vorm van een fantasierijk menselijk of dierlijk gelaat of buste en wordt meestal toegepast als ornament boven een boog of onder een kroonlijst of balkon. Muurankers Een muuranker is een smeedijzeren staaf, waarmee balken en stijlen aan muren kunnen werden bevestigd waarmee werd voorkomen dat muren konden uitwijken. De oudste muurankers stammen uit de 13de eeuw. Smeedijzeren sierankers werden meestal vervaardigd van begin 16de eeuw tot in de 2de helft van de 17de eeuw. Jaartalankers werden meestal vervaardigd vanaf ca. 1550.. Na het midden van de 17de eeuw verandert de architectuur en worden vrijwel geen sierankers meer vervaardigd. In de 19de eeuw verschijnt dan weer het zogeheten gietijzeren sier- en rozetanker. Een muuranker kan recht, gekromd, C-, S-, X- of Y-vormig, in de vorm van een letter of cijfer (jaartal), en kan ook rijk bewerkt zijn. Als het anker bewerkt is spreken we van een sieranker. Als het anker ingemetseld wordt, heet het anker blind. Ventilatieroosters Bij 19e eeuwse en vroeg 20e eeuwse panden kunnen wel gietijzeren roosters voorkomen als afsluiting van een ventilatiekanaal ter hoogte van de vloerconstructie. Deze situatie kan benut worden om de ventilatievoorziening van een pand te verbeteren. Aan dergelijke kanalen zijn vaak eenvoudig suskasten te koppelen. Uitgangspunt Behoud van alle geveldetails en ornamenten staat voorop. Onderzoek en analyse Bij het schilderen van gevelstenen of gevelankers dient steeds kleuronderzoek plaats te vinden. Gevelankers dienen gecontroleerd te worden op roestvorming. Visuele inspectie van de gevelankers is gericht op het signaleren van: Kunnen er stabiliteitsproblemen ontstaan wanneer gevelankers worden gedemonteerd? Onderzoek van historische verflagen op gevelankers Vervorming Breuken en scheuren Corrosie Ontbrekende verbindingen Porositeit en luchtgaten Schades, oorzaken en oplossingen Mogelijke schades Scheurvorming Barstvorming Kapot springen van metselwerk of natuursteen Vervorming van de gevelankers Afdrukken / loskomen van delen van gevelsteen of natuurstenen decoratie Roestvorming in de ankers Verlies van decoratieve waarde Gebroken ankers Vochtproblemen Mogelijke oorzaken Roestvorming in de ankers waardoor spanning in het metaal worden veroorzaakt, vooral wanneer elementen zitten vastgeklemd Door roestvorming neemt volume toe en ontstaan scheuren en barsten of worden delen van de gevel losgedrukt Bevriezing van vocht in gevelstenen of andere natuurstenen elementen Aanwezigheid van roest en zuurstof leidt tot corrosie van ijzeren of stalen delen Verkeerde hersteltechnieken in het verleden Op verkeerde wijze isoleren leidt tot vochtstromen Spanning in het metaal Ontbrekende verbindingen bij gevelankers Luchtgaten, porositeit bij gevelankers Onvoldoende onderhoud, met als gevolg bijvoorbeeld poreuze verflagen Verkeerde verfsystemen Mogelijke oplossingen Frequenter onderhoud van gevelankers, ook op moeilijk bereikbare plaatsen Op de juiste wijzen isoleren, daarbij ook rekening houdend met gevelisolatie, beglazing en verflagen aan binnen- en buitenzijde van gevelkozijnen om vochtstromen te voorkomen Uitvoeren van conserverings-, schilder- of verniswerk Voorkomen dat water kan blijven staan op of in de aansluiting van gevelanker en gevel Afhankelijk van de ernst van de schade en de locatie moeten gevelankers gedemonteerd worden door boren of hakken, behandeld ter plaatse of in fabriek en herplaatst of vervangen worden Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria Indien onderdelen zoals muurankers vervangen moeten worden dient middels deugdelijk onderzoek aangetoond te worden dat deze constructief niet meer voldoen. Onderdelen van ankers of ijzeren elementen die aan de buitenzijde niet zichtbaar zijn maar zich in of achter het geveloppervlak bevinden dienen eveneens zo veel mogelijk ontroest te worden. Tegeltableaus en gevelstenen moeten gehandhaafd blijven en mogen niet worden overgeschilderd of anderzijds weggewerkt op een wijze die schade aan het tableau of gevelsteen veroorzaakt. Het polychromeren van gevelstenen en reliëfs is alleen toegestaan, indien ze dateren uit een tijd dat polychromeren gebruikelijk was. Een voorstel hiervoor dient onderbouwd te zijn door middel van historisch onderzoek en dient in het kader van de vergunningverlening te worden voorgelegd en beoordeeld. Het schilderen van gevelstenen met olie- of siliconenemulsieverf in dezelfde kleurstelling is aan te raden, omdat deze verf de stenen beschermt. Het verfsysteem moet dampopen zijn en moet zonder schade aan de steen te verwijderen zijn. Het gebruik van mineralogische verven op gevelstenen is niet toegestaan, omdat deze verven een reactie aangaan met de ondergrond en niet meer reversibel zijn. Het maken van extra ventilatievoorzieningen in de gevel is bij gevels met een hoge monumentale waarde doorgaans niet mogelijk. Bij gevels met beperkte monumentale waarde kan een ventilatievoorziening in de vorm van een gemetseld “rooster” m.b.v. open voegen of een gietijzeren rooster gemaakt worden. Achter deze roosters behoort het maken van suskasten tot de mogelijkheden. Uitvoeringsvoorschriften Geroeste ijzeren elementen in de gevel dienen ontroest en geconserveerd te worden in plaats van te vervangen, tenzij herstel niet mogelijk is. Geroeste ankers moeten goed vakkundig en door een specialistisch bedrijf worden geconserveerd want ze kunnen veel schade aanrichten in de steenachtige constructies waarin ze geplaatst zijn. Smeedijzeren elementen kunnen niet gelast worden. IJzeren restanten zonder technische functie of decoratieve waarde dienen om corrosie te voorkomen in overleg met de vergunningverlener/bouwinspecteur van de gemeente Maastricht verwijderd te worden. Bij het aanbrengen van verflagen dient men rekening te houden met de textuur van de ondergrond door een transparante opbouw van de verschillende verflagen te gebruiken, ook wel glaceren genoemd. Nadere informatie Instandhouding van smeedijzer in het exterieur http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/rdmz_info_rb_32-2003.pdf Onderhoud van ijzerwerk http://www.monumentenwacht.be/nl/uploads/b487.pdf 3.2.8 Gevelpuien Zie welstandsnota, gebiedsgericht, Hoofdstuk 11, bijzondere gebieden, objecten en ensembles, winkelpuien, pagina 106, 108 en 109, http://www.maastricht.nl/maastricht/show/id=146254 3.2.9 Gevelreclame Zie welstandsnota, reclamebeleid, http://www.maastricht.nl/maastricht/show/id=147985 3.3Vensters en deuren Inleiding Het venster en de deurpartij heeft een interessante technische ontwikkeling doorgemaakt op het gebied van bescherming tegen weersinvloeden en afsluiting. Kozijnen hebben zich ontwikkeld van kruiskozijnen met draaiende luiken of ramen in de vijftiende eeuw tot kozijnen met schuiframen met meer comfort door betere aansluitingen in de zeventiende eeuw. In sommige gevallen werd gebruik gemaakt van bestaande kruiskozijnen, waar simpelweg het kruis werd verwijderd en een kalf met onderschuifraam met bovenlicht werd ingepast. Rond 1700 verdween steeds vaker het kalf en deed het bovenschuifraam haar intrede. Inherent aan de ontwikkeling van het kozijn is de glasfabricage en de mogelijkheid om steeds grotere ruiten te produceren. Het T-raam, bestaande uit drie grote glasvlakken gevat in raamhout en soms nog een 17e eeuws kozijn, verschijnt aan het einde van de 19e eeuw. Door de toepassing van houten ramen, deuren en kozijnen krijgen veel gevels extra reliëf en diepte. In de 19e eeuw tot de jaren twintig van deze eeuw werden zij vaak sierlijk bewerkt. Zulke ramen vormen daardoor een essentieel onderdeel van de stijl van de gevel. Definitie Venster Is een opening in een muur of wand van een gebouw, waar men doorheen kan kijken. Onder vensters worden alle delen gerekend die samen het venster vormen, zoals het kozijn, de ramen, de luiken, de blinden en de persiennes, met alle daarbij behorende getimmerten, zoals waterdorpels, architraaflijsten, bekroningen en vensterbanken. Kozijn Een kozijn is een raamwerk van steen, hout of ijzer, de omranding van een deur of raam, bestaande uit een boven- en onderdorpel en twee of meer verticale stijlen, om een ingangs- of lichtopening te vormen en een glasraam, een deur of een luik in te bevestigen. Deur Een deur is een afsluiting van toegangen tot ruimten, maar ook een verbinding met het interieur en het exterieur; Onder deurpartijen worden de kozijnen verstaan, alsmede de deuren, de bovenlichten en alle daarbij behorende getimmerten, zoals pilasters, basementen, kroonlijsten en aftimmerlijsten. Raam Een raam is het gedeelte van het venster waarin het glas is gevat. In het bijzonder wordt in de bouwkunde met raam het randwerk bedoeld, dat de glazen ruiten omsluit. In het verleden is de term nogal eens niet geheel juist gebruikt. In feite zou men er onder moeten verstaan het kozijn dat glas, raam of deur omsluit. Vensterluik Een vensterluik is een houten schot of paneel waarmee een venster aan de meestal geheel, soms gedeeltelijk, kan worden bedekt. Afhankelijk van de wens tot toetreding van zonlicht en de mate van bescherming tegen inkijk of inbraak kan een kleiner of groter gedeelte van een vensterluik van "louvrelatten" zijn voorzien. We onderscheiden: Binnenluiken zijn vaak schuifluiken die uit de voorzetwand naast het raam te voorschijn komen of klapluiken uit samengestelde scharnierende elementen. Traditionele houten buitenluiken, afgehangen op duimen. Rolluiken binnen of buiten Vensterluiken kunnen een positieve bijdrage leveren aan de energieprestatie. Het gangbaar houden, het opnieuw gangbaar maken van luiken of het opnieuw aanbrengen van luiken die in het verleden zijn verdwenen, kan een goede alternatieve isolerende voorziening zijn. Voorzetraam Een voorzetraam is een raamconstructie die men aan de binnen- of buitenzijde voor een kozijnconstructie aanbrengt, voornamelijk om voor warmte- en of geluidsisolatie te zorgen. Het is in principe een vorm van "dubbel glas" door de toepassing van twee ramen. Voorzetramen aan de buitenzijden zijn ontsierende elementen die het beeld van een pand aantasten en daarmee vanuit monumentaal oogpunt onwenselijk. Indien hier gesproken wordt van voorzetramen worden nadrukkelijk de voorzetramen bedoeld die aan de binnenzijde van de bestaande kozijnconstructie zijn geplaatst. Zie 3.3.3 Beglazing Duurzaamheid In de regel is de zwakste schakel in de energiehuishouding van woonhuizen de kierdichting. Omdat de zwakste schakel sterk bepalend is voor de totale energieprestatie van een woning moet bij het isoleren allereerst naar de kierdichting worden gekeken. Het effect van andere maatregelen is immers beperkt wanneer de kierdichting niet toereikend is. Afhankelijk van het type raam kunnen tochtwerende voorzieningen worden aangebracht. Bij sommige ramen zoals draairamen kan dit eenvoudig door het aanbrengen van tochtstrips. Bij schuiframen ligt dit complexer en zal er naar aangepaste oplossingen moeten worden gezocht. In dit hoofdstuk is ook het voorzetraam (aan de binnenzijde) als oplossing mee genomen. Een voorzetraam heeft naast kierdichting ook voordelen op het gebied van de totale isolatie van ramen. Oplopend in mate van complexiteit van de ingreep en de bijkomende kosten kan globaal een onderscheid worden gemaakt tussen: permanent dichtzetten of toepassen van tochtstrips kierdichting door kozijnaanpassing (bijv. infrezen tochtstrips) voorzetraam Energietechnisch zijn de verschillende oplossingen, mits goed uitgevoerd, vergelijkbaar. Zo is een raam permanent dichtzetten of de toepassing van kierdichting door kozijnaanpassing qua rendement nagenoeg gelijkwaardig. Het permanent dichtzetten van een raam is een simpele en goedkope oplossing maar daar tegenover staat het nadeel dat het raam niet meer open kan. De keuze tussen de oplossingen is daarom gelegen in de mate van monumentaliteit en het comfort en de gebruikswens van de bewoner. Wanneer isolerende beglazing is toegestaan, kan de keuze van het type kierdichting gekoppeld zijn aan de mogelijkheden die dit glas biedt. Het is dan ook zaak de oplossingen in samenhang te bepalen. 3.3.1 Houten vensters en deurpartijen Definitie Verduurzamen Conserveren of verduurzamen van een materiaal om aantasting te voorkomen. In de bouw is voornamelijk bij hout sprake van verduurzaming. Door biologische verschillen tussen houtsoorten zijn er verschillen in de mate waarin verduurzamingmiddel in het hout kan worden gebracht. Schimmels Schimmels (zwammen) zijn vaak het gevolg van overmatige vochtproblemen. Het gaat vaak om bouwkundige of bouwfysische gebreken: onvoldoende of geblokkeerde ventilatie, doorslaand of optrekkend vocht in muren, te hoge grondwaterstand, gaten en scheuren in gevels, als ook lekkende goten, daken, leidingen of rioleringen. Houtrot Houtrot is het verweren, vermolmen van hout onder invloed van water en lucht. Rottend hout is de ideale voedingsbodem voor insecten als de bonte knaagkever, die het hout dan makkelijker kan eten en verteren. Uitgangspunt De oorspronkelijke vensters en deurpartijen zijn mede bepalend voor de verschijningsvorm van het monument. Bestaande historische vensters en deurpartijen dienen daarom gehandhaafd te worden. Onderzoek en analyse Waarom bestaat de wens het raam of de deur te vervangen: Vanwege slijtage en houtrot? Vanwege comfortverbetering, tegengaan van tocht en stookkosten Vanwege geluidsisolatie Onderhoudsvrij Afhankelijk van bovenstaande conclusie wordt in het kader van de vergunningverlening afgewogen wat men moet vervangen. Gaat het alleen om de onderdorpel of ook om de stijlen en de bovendorpel. Gaat het alleen om de beglazing of ook om het raam? Bij vervangen of schilderwerk dient in sommige gevallen eerst kleuronderzoek te worden uitgevoerd. De historische waarde van de verschillende onderdelen is bij het maken van de afweging belangrijk. Schades, oorzaken en oplossingen Mogelijke schades Houtrot Schimmelgroei Loslaten van delen van het hout Kromtrekken Blazen onder en onthechting van de verflaag Holten en deuken in de langsrichting van het hout Verkleuring van het onbehandelde hout Mogelijke oorzaken Liggende, vooruitstekende onderdelen zoals onderdorpels zijn kwetsbaar voor houtrot Onvoldoende onderhoud of onvoldoende inspecties Gebruik van onvoldoende duurzame houtsoorten Teveel begroeiing doorbomen en struiken in de directe omgeving Aanwezigheid van vuil en algen Ondeugdelijke of dampdichte verflagen of verkeerd verfsysteem aan binnen- en / of buitenzijde Zetting van het gebouw Onvoldoende ventilatie Waterinfiltratie door slechte detaillering of profilering of bijvoorbeeld verstopte condensgaatjes Mechanische belasting Dichtkitten van openingen en kieren rondom kozijnen Zeer gesloten pleister- en verfsystemen op de gevel kunnen voor vochttransport naar het kozijn zorgen Door gebruik van kunststof reparatiemortels in het verleden Mechanische verwering of winderosie Aantasting door insecten Hedendaagse eisen en comfort Mogelijke oplossingen Bij voorkeur herstel met behulp van historische demontabele technieken zoals pen- en gatverbinding en het gebruik van toognagels in plaats van verlijming Frequenter (preventief) onderhoud, reinigen, schilderwerk Bij schilderwerk aandacht voor binnen- en buitenzijde en juiste type verf. De binnenzijde dient beter beschermd te zijn dan de buitenzijde in verband met het vochttransport van binnen naar buiten. Herstelwerkzaamheden door middel van aanlassen, aanscherven etc. Vanwege historische demontabele karakter kunnen beschadigde delen makkelijk worden vervangen Milieuvriendelijke pillen en capsules tegen houtrot Kunststof reparatiemortel, met als nadeel dat vocht niet wordt doorgelaten en kans op vervolgschade Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria Wanneer vensters of deurpartijen historisch waardevol zijn dienen uitsluitend die onderdelen vervangen te worden die technisch slecht en niet handhaafbaar zijn. Dit dient middels deugdelijk onderzoek aangetoond te worden. De detaillering en de afmetingen van de nieuwe onderdelen van historische vensters of deurpartijen moet worden aangepast aan de bestaande detaillering en afmetingen en uitgevoerd in dezelfde houtsoort met dezelfde verbindingstechnieken. Reparaties van gedeelten van een historisch venster of deurpartij moet gebeuren door uitstukken of aanlassen door middel van een schuine liplas met dezelfde houtsoort als het bestaande venster of de deurpartij. Bij vervangen van een enkel raam moet dit gebeuren door een nieuw exemplaar dat een exacte kopie is van het bestaande raam, inclusief indeling, detaillering, profilering, afmeting en materiaal. De oplossing voor kierdichting is dan overeenkomstig de te handhaven ramen. Indien vensters of deurpartijen volledig vervangen moeten worden, dient een exacte kopie van de algehele opbouw van het kozijn gemaakt te worden, inclusief indeling, detaillering, profilering, afmeting en materiaal. De nieuwe ramen kunnen hierbij van een optimale kierdichting worden voorzien. Draai-kiepramen zijn niet toegestaan ter vervanging van historische ramen. Een aanslagstuk in de vorm van een wellat is bij beschermde monumenten niet toegestaan. Het vervangen van naaldhout door tropisch hardhout is niet toegestaan. Het vervangen van houten vensters en deurpartijen door kunststof en aluminium is niet toegestaan, vanwege de afwijkende profilering, detaillering en materialisering. Door de toepassing van kunststof kozijnen ontstaat een vervlakking van het gevelbeeld. Indien er een duidelijke samenhang is van meerdere panden die als totaliteit ontworpen zijn, kan individuele kozijnvervanging afbreuk doen aan het geheel en is derhalve niet aanvaardbaar. Indien in het verleden vensters en deurpartijen zijn vervangen door kunststof of aluminium dienen deze in principe bij een vernieuwing teruggebracht te worden in het oorspronkelijke materiaal en op het huidige architectonische gevelbeeld passende wijze. Hierbij dient deugdelijk onderzoek plaats te vinden naar de vroegere situatie door middel van oude foto’s en/ of tekeningen. Het verdient aanbeveling herkenbare nieuwe deuren en vensters te ontwerpen, die zijn geïnspireerd op het bestaande monument en daaraan een nieuwe kwaliteit toevoegen. In zo’n geval moeten voorzieningen ten behoeve van isolatie, zonwering, rolluiken en beveiliging in het ontwerp worden geïntegreerd. Bij ramen zonder of met een lage monumentale waarde kunnen tochtstrips blind worden gemonteerd. Hiervoor wordt de sponning van het raam uitgefreesd voor de plaatsing van de strip. De ingreep is niet reversibel en daarmee niet toepasbaar bij ramen met een hoge monumentale waarde. Naden tussen kozijnen en omliggende constructie dienen aan de binnenzijde deugdelijk te worden afgedicht tegen tocht. Aan de buitenzijde mogen ze niet worden afgekit, maar moeten ze door middel van een kalkmortel worden gedicht. Dit om vochtophoping en verstikking te voorkomen. Bij grotere naden als gevolg van scheefstand is het vullen van de naad met een vulmiddel, bijvoorbeeld een schuimrubberachtig product te prevaleren boven PUR-schuim, omdat dit niet reversibel is aan te brengen. Het schuimrubber kan als rugvulling dienen voor de mortelvoeg aan de buitenzijde en aan de binnenzijde kan een afdeklat worden geplaatst. In monumentale ramen of ramen met hoge beeldkwaliteit zijn ventilatieroosters in de glassponning niet toegestaan. In ramen met beperkte monumentale waarden kan in de bovendorpel van het raam of bovenlicht een ventilatievoorziening worden aangebracht in de vorm van een sleuf met een schuifrooster. Indien het vervangen van de ramen is toegestaan kan een verholen ventilatievoorziening met daar achter evt. een suskast worden aangebracht. Bij beschermde monumenten en panden die van belang zijn vanwege de beeldkwaliteit mogen alleen luiken worden toegepast als deze er van origine gezeten hebben. De luiken moeten hierbij aansluiten bij de architectonische verschijningsvorm van het pand. Aangezien de samenhang tussen isolerende maatregelen bepalend is voor de totale isolatiewaarde van de buitenschil, is de meerwaarde van geïsoleerde luiken bij historische constructies relatief beperkt. Nieuwe voorzieningen ten behoeve van isolatie, zonwering, rolluiken en (doorval)beveiliging moeten aan de binnenzijde worden aangebracht, tenzij aangetoond kan worden dat deze voorzieningen in de historische situatie aanwezig waren. Zie ook welstandsnota, gebiedsgerichte deel, Hoofdstuk 11, Bijzondere gebieden, objecten en ensembles, buitenzonwering, pagina 109 en 110, http://www.maastricht.nl/maastricht/show/id=146254 Het aanbrengen van rolluiken aan de buitenzijde is niet toegestaan omdat dit afbreuk doet aan het architectonisch ontwerp. Bestaande rolluiken die niet bij het oorspronkelijk ontwerp horen mogen in principe niet vervangen worden. Zie ook welstandsnota, Hoofdstuk 11, gebiedsgerichte deel, Bijzondere gebieden, objecten en ensembles, buitenbeveiliging, pagina 110, http://www.maastricht.nl/maastricht/show/id=146254 Uitvoeringsvoorschriften Ten behoeve van tochtwering kunnen aan de binnenzijde kunnen tochtstrips op het kozijn of raam gemonteerd waardoor geen ingreep in het kozijn of raamhout nodig is. Een nadeel is dat de strips bij interieurwaarden mogelijk hinderlijk zichtbaar zijn. Door het aanbrengen van deurdrangers sluit een deur automatisch waardoor tocht en warmteverlies wordt voorkomen. Bij deuren met een monumentale waarde kunnen echter problemen ontstaan. Plaatsing van een deurdranger met een opdekplaat en glijarm is meestal niet mogelijk wanneer een deur bijvoorbeeld een geprofileerde kozijnlijst bevat. Nadere informatie Het conserveren en repareren van historische houten vensters en deurpartijen: http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/rdmz_info_rb_14-2004.pdf Instandhouding van historische houten vensters: http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/rdmz_info_rb_07-2004.pdf Onderhoud van buitenschrijnwerk: http://www.monumentenwacht.be/nl/uploads/b128.pdf Biologische aantastingen in hout: http://www.monumentenwacht.be/nl/uploads/b82.pdf 3.3.2 Stalen vensters en deurpartijen Definitie Begin van de 20e eeuw maakte de architectuur verschillende vernieuwingen door, waaronder het gebruik van stalen ramen. Geheel nieuw was dit niet, want al vanaf de zestiende eeuw werden ook gietijzeren ramen toegepast. Het toenemende gebruik van stalen ramen, deuren en kozijnen kan verklaard worden door de ontwikkeling van het gewalste profiel, waardoor kwalitatieve en goedkope productie binnen handbereik kwam. Stalen gevelkozijnen kwamen voornamelijk voor in de periode tussen 1920 en
  2. Het stalen kozijn werd veelvuldig toegepast in architectonische ontwerpen van de architectuurstromingen het ‘Nieuwe Bouwen’ en ‘de Stijl’. Uitgangspunt Stalen vensters en deurpartijen mogen alleen worden vervangen indien herstel niet mogelijk is. Onderzoek en analyse Waarom bestaat de wens het raam of de deur te vervangen: Vanwege slijtage corrosie Vanwege comfortverbetering, tegengaan van tocht en stookkosten Vanwege geluidsisolatie Onderhoudsvrij Afhankelijk van bovenstaande conclusie wordt in het kader van de vergunningverlening afgewogen wat men moet vervangen. Gaat het alleen om de onderdorpel of ook om de stijlen en de bovendorpel. Gaat het alleen om de beglazing of ook om het kozijn? Bij vervangen of schilderwerk dient in sommige gevallen eerst kleuronderzoek te worden uitgevoerd. Ook bij reparaties van het stalen kozijn dient goed kleuronderzoek te worden uitgevoerd aangezien de ondergrond meestal wordt gestraald. De historische waarde van de verschillende onderdelen is bij het maken van de afweging belangrijk. Schades, oorzaken en oplossingen Mogelijke schades Corrosie Kromtrekken Uitzakken Vervolgschade aan glas, door roestvorming en volumevergroting Mogelijke oorzaken Corrosie of roestvorming door aanwezigheid van water en zuurstof bij een ijzeren element Locaties waar langdurig water kan blijven staan Extreme spanning of overbelasting in het materiaal Zetting van het gebouw Achterstallig onderhoud aan schilderwerk, kit of stopverf Via scheurtjes in stopverf kan gemakkelijk vocht binnendringen Onbehandeld oppervlak Slijtage van de scharnieren veroorzaakt kromtrekken of scheefzakken Slechte aansluiting stalen kozijn met het muurwerk Mogelijk oplossingen Frequent onderhoud van schilderwerk, kit en stopverf Scharnieren regelmatig oliën Verzorgen van een goede afwatering Condensgaatjes regelmatig controleren en openhouden Hergebruik van kozijnen en ramen, bijvoorbeeld door kozijnen van een minder belangrijke achtergevel te verplaatsen naar de voorgevel Plaatsen die gevoelig zijn voor corrosie extra inspecteren en behandelen Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria Stalen ramen of kozijnen worden alleen vervangen indien aangetoond is dat deze onderdelen technisch slecht of niet handhaafbaar zijn. In geval van vervanging dient rekening te worden gehouden met de verfijnde detaillering en profilering in het bestaande gevelbeeld. Te vervangen stalen ramen dienen derhalve in staal worden uitgevoerd. Aluminium profielen zijn zwaarder dan de rankere staalprofielen en doen daarmee afbreuk aan de architectonische verschijningsvorm. Bij integrale vervanging van stalen ramen en/of deuren, kunnen in de nieuwe ramen en deuren tochtdichting en koudebrug onderbreking worden gerealiseerd. Hierbij dient de uiterlijke verschijningsvorm van de bestaande ramen zo veel mogelijk te worden benaderd. Bij stalen ramen, welke van belang zijn voor de beeldkwaliteit zijn ventilatieroosters in de glassponning niet toegestaan. Er zijn geen mogelijkheden om ventilatievoorzieningen aan te brengen. Uitvoeringsvoorschriften Stalen ramen of kozijnen ontroesten en behandelen tegen corrosie. In draaiende delen van stalen ramen kan een tochtstrip worden geplakt. Bij ramen of deuren met grote speling behoort plaatsing van dichtingsband tot de mogelijkheden. Nadere informatie Stalen ramen en deuren http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/racm_brochure_techniek_48.pdf Onderhoud van stalen schrijnwerk: http://www.monumentenwacht.be/nl/uploads/b130.pdf 3.3.3 Beglazing Inleiding In de twintigste eeuw ontstaan verschillende toepassingen van vensterglas, waaronder gelamineerd glas, dubbel glas, gehard glas. Het dubbelglas “Thermopaneglas” is in de jaren ’30 in Amerika ontwikkeld. In 1948 wordt dubbele beglazing voor het eerst in Nederland geïntroduceerd en is sinds de oliecrisis in de jaren ’70 veelvuldig hier toegepast. Tegenwoordig wordt bij nieuwbouw en renovatie veel HR+ glas toegepast met hoog rendement, waarbij de stelregel geldt: hoe breder de luchtspouw des te beter de isolatie van het glas. In oude monumentale gebouwen wordt van oudsher enkel glas toegepast en hierop zijn veelal ook de kozijnen en bijhorende raamvleugels afgestemd. Oud historische glas is, afhankelijk van het type, te herkennen aan de hierboven omschreven kenmerken als ronde of rechte trekstrepen, de fijne brekingsindex en speels karakter. De detaillering van ramen is sterk bepalend voor de uitstraling van een cultuurhistorisch waardevol pand. Veel oude ramen zijn te rank gedetailleerd voor het dubbel glas dat tegenwoordig in de handel is. Om Hr++ glas te kunnen plaatsen moeten ramen overwegend worden vervangen. Naast dat het bij monumenten ten kosten kan gaan van een historisch waardevol raam hebben de voor het standaard dubbel glas noodzakelijke, zwaardere profielen een andere uitstraling van het pand tot gevolg. Er zijn echter alternatieve beglazingssystemen in de handel die in veel gevallen wel verenigbaar zijn met de historische detaillering of er kan gekozen worden voor een achterzetraamsysteem. De verschillende oplossingen verschillen niet alleen in kosten maar ook in rendement. Een punt van aandacht bij beglazing is de spiegeling. Het ouderwetse getrokken glas spiegelt veel minder dan het moderne floatglas. Bij dubbel glas is deze spiegeling hoger door de dubbele breking van het licht (twee ruiten). Zo kan het zijn dat omwille van het monumentale karakter of de beeldkwaliteit, een hogere spiegeling als ongewenst wordt beschouwd. Het is aan te bevelen om per gevel of pand eenzelfde beglazingssysteem te kiezen omwille van de uniformiteit. Verschillende soorten glas kunnen immers een verschil in spiegeling en kleur opleveren. Definitie Binnen vensterglas onderscheiden we de volgende types en historische ontwikkeling: Schijvenglas en Kroonglas Dit type glas is toegepast vanaf de zevende eeuw tot het begin van de twintigste eeuw. Door een klomp vloeibaar glas aan een stok onder grote snelheid in de lengterichting van de stok te laten roteren transformeerde het glas in een ronde schijf. Na afkoeling werd de schijf in ruitvormige stukjes verdeeld, zodat er zo min mogelijk restafval ontstond. Opvallend aan schijvenglas zijn de rondlopende strepen, die ontstaan tijdens het draaien. Wanneer in plaats van een stok een blaaspijp wordt gebruikt ontstaat in plaats van een schijf een platte bol. Nadat de bol op een pontilijzer wordt geplaatst kan de blaaspijp worden losgesneden. Door het ijzer rond te draaien en het gat te vergroten ontstaat een grotere en dunnere schijf glas. Cilinderglas In de elfde eeuw lukt het om met een blaaspijp een druppel glas langzaam op te blazen en deze heen en weer te slingeren, totdat er een lange holle cilinder van glas ontstaat. Door de cilinder aan de uiteinden en in het vlak open te snijden en vervolgens in een strekoven uit te rollen, ontstaat een vlakke glasplaat met de kenmerkende fijne lichtbreking en het speelse karakter. Cilinderglas werd in gebouwen tot 1915 veelvuldig toegepast. Na 1915 wordt plaats geruimd voor het ‘getrokken glas’ in de vorm van enkele beglazing. Getrokken glas Al vanaf midden negentiende eeuw wordt gezocht naar een alternatief voor het cilinderglas. Experimenten zijn er op gericht om uit met vloeibaar glas gevulde baden brede en langgerekte banen te trekken met minder spanning en trekstrepen en waarmee grotere glasoppervlakken konden worden gerealiseerd. Voor een hoge kwaliteit blijkt luchttoevoer noodzakelijk en een balk die in het bad vlak onder het oppervlak van het vloeibaar glas wordt aangebracht. Floatglas In 1959 wordt een nieuw productieproces ontdekt, waarbij vloeibaar glas wordt uitgegoten over een bad met vloeibaar tin, waar het op blijft drijven. Door de eigenschappen van tin en het vloeibaar glas wordt menging voorkomen en ontstaan aan de onderzijde van de glasplaat een glad oppervlak. Door verhitting van bovenaf ontstaat ook aan de bovenzijde een glad oppervlak. De snelheid waarmee het glas over de tin wordt voortgeduwd bepaalt de dikte van het glas. Monumentenglas Onder monumentenglas wordt verstaan glas met een beperkte dikte en met een "oude" uitstraling. Het wordt toegepast in monumentale gebouwen waar de bestaande kozijnen, met de smalle glassponningen, gehandhaafd moeten blijven. Het is ontwikkeld om een hogere isolatiewaarde te bereiken in monumenten en historisch waardevolle gebouwen. Monumentenglas kan bestaan uit dubbelglas met een hele kleine spouw, gevuld met hoogwaardig gas, of uit gelaagd glas met een laag folie tussen de bladen. De isolatiewaarde van een raam met monumentenglas past goed bij een monumentaal gebouw. Het is van groot belang op de isolatiewaarden van de verschillende uitwendige scheidingsconstructies op elkaar af te stemmen om ongewenste vocht- of schimmelproblemen te voorkomen, door te hoge isolatiewaarde van een van de onderdelen.. Monumentenglas kan worden uitgevoerd in getrokken glas, waardoor men de zachte, onregelmatige spiegeling behoudt die juist zo karakteristiek is voor gevels in historische gebouwen en monumenten. Uitgangspunt Glas is een van meest in het oog springende bestanddelen van een gevel of façade. De reflectie en de structuur van het glas bepaalt vaak de vormgeving en van gevel- en straatbeeld en is bepalend voor de karakteristiek en belevingswaarde van gevel(s). Historisch glas dient zoveel mogelijk gehandhaafd te blijven. Met het vernieuwen van dit historische glas gaat een waardevolle substantie verloren. Onderzoek en analyse Waarom bestaat de wens het glas te vervangen: Vanwege breukvorming Vanwege comfortverbetering, tegengaan van tocht, condensvorming en stookkosten Vanwege geluidsisolatie Er dient middels deugdelijk onderzoek t worden geanalyseerd hoe authentiek het glas is. Over het algemeen kan gesteld worden hoe kleiner de ruiten en hoe meer roeden, hoe ouder het glas. Schades, oorzaken en oplossingen Mogelijke schades Breuk Mogelijke oorzaken Ongeluk Vandalisme Corrosie Spanning door kromtrekken houten raam Mogelijke oplossingen Vervangen In uitzonderlijke gevallen lijmen Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria Indien isolatie of comfortverbetering gewenst is dient eerst middels deugdelijk onderzoek te worden vastgesteld hoe authentiek de kozijnen, de ramen en het glas zijn. Indien de ramen en het glas historisch waardevol zijn dienen aan de binnenzijde voorzetramen, houten zomerblinden, luiken of markiezen toegepast te worden ten behoeve van isolatie of comfortverbetering. Hierbij is het van belang dat de isolatiemethoden van glas, kozijn en gevel op elkaar afgestemd worden. Een voorzetraam kan voorzien worden van hoog rendementsglas en een hoogwaardige kierdichting. In geval van een monumentaal interieur kan een voorzetraamconstructie aan de binnenzijde onwenselijk zijn. Voorzetramen mogen geen afbreuk doen aan de waarde van het interieur en dienen zo min mogelijk roeden te bevatten. Indien dit niet mogelijk is dienen de roeden donker geschilderd te worden en dezelfde raamindeling te hebben als de buitenramen. Een zorgvuldige plaatsing in de negge en zorgvuldige detaillering en profilering met betrekking tot kozijnen, aftimmering van de dagkant en aftimmerlatten is hierbij van belang. Gezien de rankheid van stalen ramen is het van belang dat de voorzetramen zo slank mogelijk zijn gedimensioneerd en verdekt worden geplaatst om hinderlijke zichtbaarheid vanaf de buitenzijde te voorkomen Indien een voorzetraam wordt geplaatst moet het kozijn kiervrij aansluiten op de bestaande constructie om te voorkomen dat er binnenlucht in de ruimte tussen het nieuwe en het bestaande raam komt. Wanneer de aansluiting niet naadloos is kan tussen de ramen condensvorming optreden. Bij het toepassen van voorzetramen dient de gecreëerde luchtspouw licht geventileerd te worden met buitenlucht. Indien voorzetramen technisch of esthetisch niet mogelijk blijken, kan gekozen worden voor monumentenglas. Indien het glas niet historisch waardevol is kan gekozen worden voor de toepassing van monumentenglas. Het monumentenglas dient zo dun mogelijk te zijn. Dubbel glas met een luchtspouw geeft een dubbele spiegeling en dient daarom te worden vermeden. Behoud van de bestaande kozijnen en raamvleugels is daarbij het uitgangspunt. Het is afhankelijk van de kozijnprofilering of monumentenglas toepasbaar is. Dit wil zeggen dat het vervangen van het glas niet de reden mag zijn om in goede staat verkerende kozijnen en ramen te vervangen vanwege de beperkte sponningbreedte. Spiegelend en ondoorzichtig glas doen vaak afbreuk aan het uiterlijk van een pand en zijn daarom in monumenten niet toegestaan. Het toepassen van dubbele beglazing is alleen mogelijk bij nieuw toegevoegde raamopeningen en nieuw toegevoegde voorzetramen. Hierbij is het een optie vanwege de zichtbaarheid de afstandsprofielen uit te voeren in een donkere kleur of met een zwarte rubberkern in plaats van metaal. Uitvoeringsvoorschriften Indien het glas vervangen moet worden vanwege technische redenen dient hetzelfde type glas en dikte gebruikt te worden indien dit verkrijgbaar is. Getrokken glas heeft de voorkeur ten opzichte van floatglas. Dit glas is verkrijgbaar tot een maximale handelsmaat van 1240 x 1860 mm met een dikte van 3-4 mm. Het kan voorkomen dat sommige glassoorten niet meer geproduceerd worden. Enkel glas of monumentenglas dient door het toepassen van stopverf geplaatst te worden. Nadere informatie Vensterglas http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/rdmz_info_rb_43-2005.pdf Bouwglas http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/racm_brochure_techniek_46.pdf 3.3.4 Glas-in-lood Definitie Glas-in-lood De term glas-in-lood wordt gebruikt voor een raamwerk met H-vormige loodstrippen of -lijsten waarin een groot aantal, vaak gekleurde, ruiten is aangebracht. Het raam wordt vervolgens gekit om het wind- en waterdicht te maken en het te verstevigen. Bij grotere ramen worden ondersteunende brugstaven aangebracht om de ramen te dragen.Vooral in kerken, oude herenhuizen of gebouwen van begin twintigste eeuw werd het materiaal veelvuldig toegepast. Glas-in-lood is zeer gevoelig voor vandalisme of weersinvloeden. Gebrandschilderd glas Op blank of gekleurd glas kunnen kleuren of schilderingen worden aangebracht. Bij temperaturen van ca. 610 graden Celcius branden deze kleuren of voorstellingen in het glas. Voor het inbranden werd in de middeleeuwen bruin vloeiglaspoeder gebruikt. Later werden zilververbindingen of metaaloxiden gebruikt of werden gekleurde glasscherven als email ingebrand. Een glas-in-lood raam kan dus bestaan uit gebrandschilderde ruitjes. Uitgangspunt Glas-in-lood en gebrandschilderd glas zijn in het oog springende bestanddelen van een gevel of façade en zijn bepalend voor de karakteristiek en belevingswaarde van gevel(s). Historisch glas-in-lood en gebrandschilderd glas dienen zoveel mogelijk gehandhaafd te blijven. Met het vernieuwen van dit historische glas gaat een belangrijke en waardevolle substantie verloren. Er kan, afhankelijk van de omvang van het raam, een aantal oplossingen worden toegepast om de warmte-isolatie met behoud van de ramen, te verbeteren: Het voorzetraam aan de buitenzijde; het voorzetraam aan de binnenzijde, het opnemen in een dubbele beglazing en de museale opstelling. Welke methode gekozen wordt is afhankelijk van de situatie en bijkomende factoren. Onderzoek en analyse Deugdelijk onderzoek is noodzakelijk. Het dient gericht te zijn op aanwezigheid van vocht, conditie van mortel rondom het venster, conditie van brugstaven en loodnet, glas. Waarom bestaat de wens het glas te vervangen: Vanwege breukvorming Vanwege comfortverbetering, tegengaan van tocht, condensvorming en stookkosten Vanwege geluidsisolatie Cultuurhistorisch onderzoek kan behulpzaam zijn bij de analyse naar de authenticiteit het glas is. Analyseer hoe authentiek het glas is. Hierbij kan cultuurhistorisch onderzoek helpen. Schades, oorzaken en oplossingen Mogelijke schades Uitzakken, uitvallen, uitbuiken Mechanische schade Breuk Uitloging van glas aan binnen- of buitenzijde Aantasting van grisailles en contouren bij gebrandschilderd glas Verpoederen of wegvloeien van de verf bij gebrandschilderde ramen Roetafzet van kaarsen aan de binnenzijde van het glas-in-lood raam Mogelijke oorzaken Windstoten, mist, hagel, slagregen, lekkage, felle zon Vandalisme Condenswater, vocht Warmte, door geleiding van warmte koelt lood snel af en kan condens ontstaan op het lood, wat vervolgens tussen het lood en glas penetreert. Spanningsverschillen door zonlicht tussen verschillende kleuren verf of tussen verf en glas bij gebrandschilderd glas Te grondig of onzorgvuldig reinigen, bijvoorbeeld met ruwe ragebol waardoor krassen ontstaan of met de verkeerde (alkalische) reinigingsmiddelen Verzakking van het gebouw Gedrag van de materialen onderling Eigenschappen en samenstelling van het materiaal zelf (bijvoorbeeld hoeveelheid kleur- en vloeimiddelen) Onzorgvuldige uitname van glas Gebruik van verkeerde kit of kitwerkzaamheden verkeerd uitgevoerd Scheurgevoeligheid op soldeerpunten Oppervlakkig solderen, waardoor alleen de bovenzijde is gesoldeerd Oude loodstrips zijn vaak te zacht waardoor uitzakking of mechanische schade kan optreden. Plaatsen van voorzetramen aan de buitenzijde zonder de werkelijke bedreiging te hebben verholpen Verkeerd geplaatste voorzetramen, bijvoorbeeld te dicht op het glas-in-lood Glas-in-lood geplaatst tussen dubbel glas, waardoor het niet mogelijk is om te ventileren. Uitlogen van de buitenste gellaag door vocht Verkeerde glasverf gebruikt Mogelijke oplossingen Regelmatig onderhoud Gebrandschilderd glas alleen reinigen met schone doek, gedestilleerd water en eventueel niet-iogene zeep In kerken een basistemperatuur van 8-12 graden Celsius aanhouden Voldoende ventilatie om condens te voorkomen Afhankelijk van de situatie plaatsen van voorzetramen van (gehard) glas (geen polycarbonaat in verband met krasgevoeligheid en vuilaantrekking) Openhouden van condensgaatjes Verwijderen van begroeiing en takken rondom de vensters Plaatsen van (bronzen of kunststof) gaas om vandalisme of schade door vogels te voorkomen Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria De hoeveelheid schade en de risico’s van het uitnemen moeten worden afgezet tegen de beperkingen van het in situ restaureren. Verdwenen delen van een voorstelling of decoratie bij gebrandschilderd glas kunnen ‘koud’ worden ingeschilderd, op de buitenzijde van het glas, de niet-beschilderde zijde. Dit wordt een koude retouche genoemd. Het toepassen van een voorzetraam aan de buitenzijde heeft bij glas in lood de voorkeur daar het waardevolle glas in lood tevens tegen weersinvloeden en vandalisme wordt beschermd. Bij een voorzetraam aan de buitenzijde wordt een plaat veelal gehard glas of isolerende beglazing voor het glas in lood geplaatst waarbij het glas in lood op zijn oorspronkelijke plek blijft. Museale opstelling; Deze opstelling wordt toegepast met glas in loodramen die een hoge kunsthistorische waarde hebben en is bedoeld om het glas te beschermen. Op de plaats van het glas in lood wordt nieuw al dan niet geïsoleerd glas geplaatst en het glas in lood wordt in een nieuw frame achter (aan de binnenzijde) dit glas geplaatst. Bij een voorzetraam aan de binnenzijde wordt een plaat glas of isolerend glas achter het glas in lood geplaatst, waarbij het glas in lood op zijn oorspronkelijke positie blijft. Het plaatsen van ongeïsoleerd enkel glas heeft energetisch relatief een beperkt effect en kan condensvorming aan de binnenzijde veroorzaken. Het is derhalve minder geshikt bij monuemntaal glas in lood. Opnemen in dubbel glas; Het glas in lood wordt uitgenomen en tussen twee glasplaten in een nieuwe loodsponning aangebracht. Bij beschermde monumenten is het opnemen van glas in lood in dubbel glas niet toegestaan. Uitvoeringsvoorschriften Bolle of uitbuikende glaspaneeltjes nooit in situ proberen vlak te drukken. Nadere informatie Bescherming van glas-in-lood http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/rdmz_info_rb_41-2004.pdf Onderhoud en restauratie van glas-in-lood http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/rdmz_info_rb_42-2004.pdf Aantasting van gebrandschilderd glas en glas-in-lood http://www.cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/u4/rdmz_info_rb_31-2002.pdf 3.4Gevelafwerking & schilderwerk 3.4.1 Gevel isoleren Definitie Via de gevel, muur of wand die grenst aan de buitenlucht of aan een onverwarmde ruimte kan veel warmte verloren gaan of geluid of koude binnendringen. Om verlies of indringing van warmte of koude of geluidsoverlast tegen te gaan kan aan de binnen- of buitenzijde isolatie worden aangebracht. Het isoleren van buitenmuren levert bij oude gebouwen relatief de meeste problemen op. Oudere gebouwen zijn zodanig gebouwd dat gevelisolatie aan de binnenzijde niet overal kan worden doorgezet. Op de koudere plekken die hierdoor ontstaan, koudebruggen genaamd, kan condens optreden die tot vochtplekken en schimmelvorming kunnen leiden. Ook ontstaat het risico tot inwendige condensatie. Plaatselijk kan de constructie hierdoor erg nat worden hetgeen tot bijvoorbeeld rottende houten balken en roestende ijzeren gevelankers leidt. Zo kan een gebouw, dat misschien al honderden jaren in een prima conditie verkeert, in enkele jaren kapot gaan. De gebouwen worden ‘thermisch lek’ waardoor koudebruggen bijna niet zijn te voorkomen en zal het isolatieniveau wat lager moeten worden gehouden. De toepassing van een luchtspouw is vaak nog lastiger te realiseren dan de isolatie rechtstreeks tegen de buitenmuur. Dit maakt dat het aanbrengen van isolatiemateriaal aan de binnenzijde voor een gemiddelde woning een energieverbetering betekent van slechts 8%. De investering heeft dus in verhouding een beperkt rendement. Panden van vóór 1900 zijn doorgaans uitgevoerd met massieve muren. Vanaf de eeuwwisseling wordt de spouwmuurconstructie geleidelijk aan toegepast. Vanaf de jaren ’30 van de twintigste eeuw voert de spouwmuur de boventoon en vanaf de jaren ’40 worden alleen nog maar spouwmuurconstructies toegepast. Tot de jaren ’70 zijn spouwmuren in de regel ongeïsoleerd uitgevoerd. Wanneer in een gebouw spouwmuren aanwezig zijn kan het isolatiemateriaal van buitenaf in de spouw worden aangebracht. Bij het toepassen van gevelisolatie aan de buitenzijde worden harde kunststof isolatieplaten op de gevels bevestigd. Vervolgens wordt een dunne sierpleisterlaag aangebracht die voorzien is van een glasvezelwapening. De pleisterlaag wordt doorgaans uitgevoerd in lichte kleuren omdat donkere kleuren meer thermische spanningen oproepen. Een nadeel is dat het uiterlijk van het pand volledig wijzigt, en dus voor monumenten niet toepasbaar. Uitgangspunt Het nemen van milieubewuste en energiezuinige maatregelen wordt gestimuleerd indien de aanwezige monumentale waarden, alsmede de technische en fysische condities niet worden aangetast. Een zorgvuldige afweging dient, aan de hand van de specifieke omstandigheden, in het kader van de vergunningverlening te geschieden. Onderzoek en analyse De isolatiemaatregel dient aantoonbaar resultaat op te leveren voor de isolatiewaarde van de totale gevel. De isolatiemaatregel zal moeten worden afgestemd op het totale pakket van isolatievoorzieningen, vanwege het feit dat deze in combinatie met elkaar de thermische of fysische balans kunnen verstoren en daarmee schade kunnen veroorzaken. Schades, oorzaken en oplossingen Mogelijke schades Schimmelgroei Vocht- en vorstschade Isolatievoorzieningen kunnen de vochthuishouding van een gevel ernstig verstoren , met schade aan de buitenzijde als gevolg Mogelijke oorzaken Onvoldoende ventilatie Dampwerende folie aan de verkeerde kant van het pakket Geen dilataties tussen de isolatiepanelen De gevelisolatie is niet afgestemd op de beglazing of vice versa Mogelijke oplossingen Ventilatie aanbrengen Specifieke richtlijnen en toetsingscriteria Isolatievoorzieningen zijn alleen mogelijk als de waarde van het monument niet wordt aangetast of geen vervolgschade veroorzaakt wordt door het wijzigen van de technische of fysische conditie van het monument. Het aanbrengen van buitengevelisolatie is niet toegestaan, vanwege het verstoren van het gevelbeeld. Binnenisolatiesystemen en voorzetwanden kunnen alleen worden toegepast als er geen monumentale interieuronderdelen verwijderd of aan het zicht onttrokken worden, zoals lambriseringen, wandbespanning en monumentale plafonds. Het aanbrengen van binnenisolatie en de dikte hiervan moet afgestemd zijn op het bestaande aftimmerwerk van venster- en deuropeningen en op de bestaande dagkanten en vensterbanken. Het is van belang dat de verschillende isolatiemethoden van glas, kozijn en gevel op elkaar afgestemd worden, vanwege het beoogde rendement. Indien de isolatievoorziening niet langs de gevel kan worden doorgezet, vanwege monumentale plafonds of de beperkte ruimte tussen de gevel en het constructieonderdeel, kan het beoogde rendement niet behaald worden en moet worden afgezien van de ingreep. Bij het toepassen van binnenisolatie moeten koudebruggen worden vermeden. Doordat de warme lucht afkoelt, kan inwendige condensatie optreden wat tot ernstige schade leidt. Het aanbrengen van een dampwerende folie aan de binnenkant van het isolatiepakket (warme kant) is hierbij noodzakelijk. Goed ventileren is belangrijk om schade door vocht te voorkomen. Bij strijkbalken moet tussen de muur en de balk minimaal 25 mm isolatiemateriaal kunnen worden aangebracht om condensatieproblemen te voorkomen. De binnenisolatie dient niet over een strijkbalk of strijkspant (de eerste balk / spant evenwijdig aan de gevel) aangebracht te worden. De strijkbalk of strijkspant mag niet verplaatst worden, tenzij de monumentale waarden niet worden aangetast. Zie ook kapspant Bij gevels met een groot en breed oppervlak die geïsoleerd worden dienen dilataties te worden aangebracht om mogelijke scheurvorming te voorkomen. Bij binnenwanden die aansluiten op een massieve buitenmuur, kan ter voorkoming van koudebruggen het isolatiemateriaal tegen de binnenwand worden omgezet. In de regel is 500 mm isolatiemateriaal tegen de binnenwand afdoende. Bij lichte, niet dragende, scheidingswanden kan de wand eventueel worden losgehaald van de buitenmuur en het isolatiemateriaal worden doorgezet. Nadere informatie http://www.monumenten.nl/site/nl-nl/

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.