← Nederland

Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 (Zeeland)

In het kort

Dit besluit regelt de voorwaarden en procedures voor het verstrekken van subsidies door Gedeputeerde Staten van Zeeland, ter uitvoering van het vastgestelde subsidiebeleid. Het beschrijft hoe subsidies worden aangevraagd, beoordeeld, verleend en vastgesteld, afhankelijk van de hoogte van het subsidiebedrag.

Wat het regelt

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013Gedeputeerde staten van Zeeland Gelezen het voorstel van de afdeling FEZ, nr. FEZ A-01, stuknr. 12076926; Overwegende dat ter uitvoering van het door provinciale staten vastgestelde subsidiebeleid nadere regels dienen te worden gesteld voor het verstrekken van subsidies; Gelet op artikel 8 van de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013; besluiten vast te stellen het navolgende Algemeen subsidiebesluit Zeeland

  1. Hoofdstuk
  2. Algemene bepalingen § 1.1 Begripsbepalingen Artikel 1.1.1 In dit uitvoeringsbesluit wordt verstaan onder: instelling: een rechtspersoon, een vennootschap of een eenmanszaak; arrangement: een vaste set van specifieke regels, voorwaarden en verplichtingen dat gerelateerd is aan de hoogte van het subsidiebedrag; prestatieafspraak: één of meerdere activiteiten geformuleerd in de beschikking tot subsidieverstrekking, die dienen te worden gerealiseerd om in aanmerking te komen voor subsidie of voor een deel daarvan; prestatiebewijs: een op basis van dit besluit dan wel in de beschikking tot subsidieverlening als zodanig aangeduid geheel van bewijsmiddelen waarmee onweerlegbaar wordt aangetoond dat de prestatieafspraak is gerealiseerd; accountant: een accountant, die is ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 55 van de Wet op de registeraccountants, of een Accountant-Administratieconsulent ten aanzien van wie bij de inschrijving in het in artikel 36, eerste lid, van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten bedoelde register een aantekening is geplaatst als bedoeld in artikel 36, derde lid, van die wet; financiële verantwoording: een verantwoording over de werkelijke kosten en opbrengsten, die direct gerelateerd zijn aan de te subsidiëren activiteit en die zijn afgezet tegen de begrote kosten en opbrengsten; integrale kosten subsidie: een subsidie waarbij alle kosten van een instelling subsidiabel zijn. § 1.2 Algemene weigeringsgronden Artikel 1.2.1 Subsidie wordt slechts verstrekt aan een instelling. Subsidie wordt niet verstrekt indien: de activiteit op het moment van ontvangst van de aanvraag voor de subsidie is gerealiseerd; de subsidie is aangemerkt als ontoelaatbare staatssteun; of de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 2.
  3. § 1.3 Subsidiabele kosten Artikel 1.3.1 Subsidiabel zijn de voor de te subsidiëren activiteit noodzakelijke kosten, die aantoonbaar rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de betreffende activiteit. De in rekening te brengen BTW die kan worden teruggevorderd of op enigerlei wijze wordt terugbetaald, komt niet voor subsidie in aanmerking. Artikel 1.3.2 Personeelskosten zijn subsidiabel: indien deze aantoonbaar zijn toe te rekenen aan de activiteit en daartoe bij de instelling een door de accountant controleerbare urenadministratie wordt toegepast, tegen een uurtarief dat overeenkomt met ten hoogste 1,2 procent van het betreffende bruto maandsalaris, in welk uurtarief worden geacht te zijn verwerkt, vakantiegeld, bijzondere uitkeringen, werkgeverslasten, feestdagen, verlof, improductieve uren, opslagen en overige directe of indirecte personeelskosten, ingeval van een deeltijd dienstverband om te rekenen naar een maandsalaris bij een voltijds dienstverband, en tot een maximum van de in de begroting opgenomen personeelskosten. Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager van de subsidie in een individueel geval besluiten af te wijken van de in het eerste lid genoemde systematiek. § 1.4 De aanvraag voor de subsidie Artikel 1.4.1 Tenzij in dit besluit anders is bepaald, wordt de aanvraag voor de subsidie tenminste acht weken voor het begin van de activiteit ingediend. Gedeputeerde staten kunnen in een individueel geval besluiten af te wijken van de in het eerste lid genoemde termijn. Artikel 1.4.2 De aanvraag voor de subsidie bevat ten minste: een concrete beschrijving van de activiteit, een uiteenzetting van de wijze waarop de activiteit bijdraagt aan de beleidsdoelstellingen van de provincie Zeeland, de duur van de activiteit, het geografisch gebied waarop de activiteit betrekking heeft, een concrete beschrijving van het verwachte resultaat en het na te streven kwaliteitsniveau, een sluitende begroting van de activiteit, een verklaring van het bestuur of de directie van de instelling waaruit blijkt dat de instelling voldoet dan wel niet voldoet aan de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 5 van de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013, en een beschrijving van eventuele organisatorische verbanden met andere rechtspersonen en van eventuele banden van financiële aard die blijvend van invloed kunnen zijn op de hoogte van de kosten van subsidiabele activiteiten of op de opbrengsten daaruit. Gedeputeerde staten kunnen aanvullende informatie opvragen die zij relevant achten voor de beoordeling van de aanvraag van de subsidie. Artikel 1.4.3 De sluitende begroting als bedoeld in artikel 1.4.2, eerste lid, onder f, vermeldt: alle kosten en opbrengsten, die direct gerelateerd zijn aan de te subsidiëren activiteit, of en bij welke instanties en tot welke bedragen voorts subsidies, sponsorgelden of andere bijdragen worden aangevraagd, en welke inmiddels zijn verleend, tot welk bedrag men een beroep doet op de provincie Zeeland, ter zake van personeelskosten het aan de activiteit toe te rekenen aantal uren per personeelslid, en of de aanvrager van de subsidie wel of geen betaalde BTW kan terugvorderen of op enigerlei wijze kan terugontvangen. § 1.5 De beslissing op de aanvraag voor de subsidie Artikel 1.5.1 Gedeputeerde staten betrekken bij de beoordeling van de aanvraag voor de subsidie de met de instelling in het verleden opgedane ervaringen met betrekking tot de naleving van de subsidieverplichtingen. Artikel 1.5.2 Gedeputeerde staten beslissen op de aanvraag voor de subsidie binnen acht weken na ontvangst van de volledige aanvraag. Als de aanvraag voor de subsidie in verband met staatsteun aan de Europese Unie wordt voorgelegd, beschikken gedeputeerde staten daarop binnen acht weken na de beslissing van de Europese Unie. Artikel 1.5.3 Indien voor dezelfde activiteit een subsidie door het Rijk of de Europese Unie is verstrekt, dan sluit de provincie aan bij de voorwaarden, verplichtingen en de wijze van vaststelling van de hogere overheid. Indien voor dezelfde activiteit een hogere subsidie is verstrekt dan de subsidie van de provincie Zeeland door een andere dan in het eerste lid genoemde overheid kunnen gedeputeerde staten bepalen aan te sluiten bij de voorwaarden, verplichtingen en de wijze van bevoorschotting en vaststelling van de andere subsidieverstrekker. Gedeputeerde staten kunnen van het bepaalde in het eerste lid afwijken, indien: de provincie een hogere subsidie verstrekt dan de subsidie van het Rijk of de subsidie van de Europese Unie; of de provinciale subsidie wordt toegekend conform paragraaf 1.7: Arrangement 1 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland
  4. Artikel 1.5.4 Indien een subsidie wordt verstrekt aan een overheidsinstelling in het kader van een specifieke uitkering waarop de beginselen van Single information, Single audit van de artikelen 17a en 17b van de Financiële verhoudingswet van toepassing zijn, dan zijn verplichtingen en voorwaarden betreffende de subsidieverstrekking zoals bepaald in de artikelen 17a en 17b van de Financiële verhoudingswet van toepassing. § 1.6 Verplichtingen Artikel 1.6.1 De instelling besteedt de subsidie niet in strijd met op haar rustende wettelijke verplichtingen. Artikel 1.6.2 De instelling stelt gedeputeerde staten onverwijld schriftelijk in kennis zodra aannemelijk is dat: de activiteit of de prestatieafspraak waarvoor subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zal worden verricht; of niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden voorwaarden en verplichtingen zal worden voldaan. Artikel 1.6.3 Activa aangeschaft met een subsidie van de provincie Zeeland dient: de gehele economische gebruiksduur beschikbaar te zijn voor het doel waarvoor deze is aangeschaft indien deze een economische gebruiksduur heeft van minder dan vijf jaar; gedurende vijf jaar na vaststelling van de subsidie beschikbaar te zijn voor het doel waarvoor deze is aangeschaft indien deze een economische gebruiksduur heeft van meer dan vijf jaar. Artikel 1.6.4 Bij de subsidieverlening kunnen gedeputeerde staten de instelling ook andere verplichtingen tot verwezenlijking van het doel van de subsidie opleggen dan die bedoeld in artikel 4:37 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 1.6.5 Als een subsidie is aangemerkt als toelaatbare staatssteun, voldoet de instelling aan de daaraan door de Europese Unie gestelde verplichtingen. Artikel 1.6.6 Aan een subsidie verbinden gedeputeerde staten de verplichting dat de instelling in zijn bekendmakingen of publiciteitsuitingen de provincie als subsidieverstrekker vermeldt. Gedeputeerde staten kunnen gelet op de hoogte van het subsidiebedrag of de aard van de activiteit besluiten dat het eerste lid niet van toepassing is op de subsidieverstrekking. Indien niet of niet volledig is voldaan aan de in het eerste lid bedoelde verplichting, kan het uiteindelijke subsidiebedrag ten hoogste worden verlaagd met vijf procent, met een maximum van € 5.
  5. § 1.7 Arrangement 1 Artikel 1.7.1 Op het verstrekken van subsidie tot en met € 10.000 zijn de regels van arrangement 1 van toepassing zoals opgenomen in deze paragraaf. Artikel 1.7.2 Het verstrekken van een subsidie waarop arrangement 1 van toepassing is, vindt plaats in de vorm van een vast bedrag per te realiseren prestatieafspraak. Artikel 1.7.3 Bij een subsidie waarop arrangement 1 van toepassing is verlenen gedeputeerde staten een voorschot van honderd procent van de maximale subsidie. Artikel 1.7.4 Op basis van een steekproef besluiten gedeputeerde staten of de instelling wel of niet een aanvraag tot vaststelling moet indienen en stellen de instelling binnen tweeëntwintig weken na afloop van de gesubsidieerde activiteit op de hoogte van dit besluit. Indien de instelling geen aanvraag tot vaststelling hoeft in te dienen, stellen gedeputeerde staten de subsidie binnen tweeëntwintig weken na afloop van de gesubsidieerde activiteit ambtshalve vast. Artikel 1.7.5 Uiterlijk vier weken na ontvangst van het in artikel 1.7.4 eerste lid bedoelde besluit dient de instelling de aanvraag tot vaststelling van de subsidie in. Indien de aanvraag tot vaststelling niet voor het in het eerste lid genoemde tijdstip is ontvangen, kunnen gedeputeerde staten acht weken na een éénmalig rappel overgaan tot ambtshalve vaststelling. Artikel 1.7.6 De aanvraag tot vaststelling bevat het prestatiebewijs over de gerealiseerde prestatieafspraak en de overige in de beschikking tot subsidieverlening vermelde bescheiden. Artikel 1.7.7 Gedeputeerde staten stellen binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling de subsidie vast. Artikel 1.7.8 De instelling is verplicht aan gedeputeerde staten of aan de door hen daartoe aangewezen ambtenaar alle gewenste inlichtingen te verstrekken, voor zover dit naar het onderdeel van gedeputeerde staten nodig is in verband met de subsidievaststelling. Artikel 1.7.9 De subsidie wordt vastgesteld naar evenredigheid van de werkelijk gerealiseerde, uit het prestatiebewijs blijkende, prestatieafspraken. Verlagingspercentages worden berekend over het verleende subsidiebedrag en zullen, evenals verlagingsbedragen, in mindering worden gebracht op het bedrag waarop de vaststelling van de subsidie ingevolge het eerste lid wordt berekend. § 1.8 Arrangement 2 Artikel 1.8.1 Op het verstrekken van subsidie hoger dan € 10.000 en tot en met € 50.000 zijn de regels van arrangement 2 van toepassing zoals opgenomen in deze paragraaf. Artikel 1.8.2 Het verstrekken van een subsidie waarop arrangement 2 van toepassing is vindt plaats in de vorm van een vast bedrag per te realiseren prestatieafspraak. Artikel 1.8.3 Gedeputeerde staten verlenen bij een subsidie waarop arrangement 2 van toepassing is een voorschot van ten hoogste vijfenzeventig procent van de maximale subsidie. Gedeputeerde staten kunnen besluiten dat het voorschot wordt betaald in termijnen. Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager van de subsidie kunnen gedeputeerde staten afwijken van het in het eerste lid bepaalde. Artikel 1.8.4 De instelling dient binnen twaalf weken na afloop van de activiteit waarvoor de subsidie is verleend een aanvraag tot vaststelling in. Indien de aanvraag tot vaststelling niet voor het in het eerste lid genoemde tijdstip is ontvangen, kunnen gedeputeerde staten acht weken na een éénmalig rappel overgaan tot ambtshalve vaststelling. Artikel 1.8.5 De aanvraag tot vaststelling bevat het prestatiebewijs over de gerealiseerde prestatieafspraak en de overige in de beschikking tot subsidieverlening vermelde bescheiden. Artikel 1.8.6 Gedeputeerde staten stellen binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling de subsidie vast. Artikel 1.8.7 De instelling is verplicht aan gedeputeerde staten of aan de door hen daartoe aangewezen ambtenaar alle gewenste inlichtingen te verstrekken, voor zover dit naar het oordeel van gedeputeerde staten nodig is in verband met de subsidievaststelling. Artikel 1.8.8 De subsidie wordt vastgesteld naar evenredigheid van de werkelijk, uit het prestatiebewijs blijkende, gerealiseerde prestatieafspraak. Verlagingspercentages worden berekend over het verleende subsidiebedrag en zullen, evenals verlagingbedragen, in mindering worden gebracht op het bedrag waarop de vaststelling van de subsidie ingevolge het eerste lid wordt berekend. Artikel 1.8.9 Gedeputeerde staten kunnen in individuele gevallen, op basis van een risicoafweging, besluiten om op een subsidie hoger dan € 10.000 en tot en met € 50.000 arrangement 1 toe te passen. § 1.9 Arrangement 3 Artikel 1.9.1 Op het verstrekken van subsidie hoger dan € 50.000 zijn de regels van arrangement 3 van toepassing zoals opgenomen in deze paragraaf. Artikel 1.9.2 Het verstrekken van een subsidie waarop arrangement 3 van toepassing is vindt plaats op basis van een vast bedrag per te realiseren prestatieafspraak en een percentage van de door gedeputeerde staten subsidiabel geachte kosten. Artikel 1.9.3 Gedeputeerde staten verlenen bij een subsidie waarop arrangement 3 van toepassing is een voorschot van ten hoogste vijfenzeventig procent van de maximale subsidie. Gedeputeerde staten kunnen besluiten dat het voorschot wordt betaald in termijnen. Op schriftelijk gemotiveerd verzoek van de aanvrager van de subsidie kunnen gedeputeerde staten afwijken van het in het eerste lid bepaalde. Artikel 1.9.4 De instelling dient uiterlijk twaalf weken na afloop van de activiteit waarvoor de subsidie is verleend een aanvraag tot vaststelling in. In geval de instelling een financiële verantwoording indient zoals bedoeld in artikel 1.9.5, tweede lid, dient de instelling uiterlijk twaalf weken na vaststelling van de jaarrekening een aanvraag tot vaststelling in. Indien de aanvraag tot vaststelling niet voor het in het eerste lid en tweede lid genoemde tijdstip is ontvangen, kunnen gedeputeerde staten acht weken na een éénmalig rappel overgaan tot ambtshalve vaststelling. Artikel 1.9.5 De aanvraag tot vaststelling bevat: het prestatiebewijs over de gerealiseerde prestatieafspraak, de overige in de beschikking tot subsidieverlening vermelde bescheiden, en een financiële verantwoording voorzien van een controleverklaring van de accountant. De financiële verantwoording zoals bedoeld in het eerste lid onder c kan onderdeel uitmaken van de vastgestelde jaarrekening van de instelling en hiervan worden gedeputeerde staten tijdig in kennis gesteld. Gedeputeerde staten kunnen in individuele gevallen uit economisch-rationele overwegingen afzien van de vereiste controleverklaring van de accountant en bepalen dat de vaststelling kan geschieden aan de hand van een beoordelingsverklaring dan wel bewijsstukken zoals kopieën van facturen en betalingsbewijzen van de gesubsidieerde kosten. Artikel 1.9.6 Gedeputeerde staten stellen binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling de subsidie vast. Artikel 1.9.7 De accountant voert zijn controle uit mede overeenkomstig het in Bijlage A bij dit besluit opgenomen controleprotocol. Artikel 1.9.8 De financiële administratie van een instelling ten behoeve van de verantwoording van de subsidie dient op een inzichtelijke wijze te worden gevoerd. De instelling is verplicht aan gedeputeerde staten of aan de door hen daartoe aangewezen ambtenaren of accountant inzage te verlenen in de administratie en alle gewenste inlichtingen te verstrekken, voor zover dit naar het oordeel van gedeputeerde staten nodig is in verband met de subsidievaststelling. In aanvulling op het in het tweede lid bepaalde kan de externe accountant van de provincie op verzoek van gedeputeerde staten bij de accountant van de gesubsidieerde instelling een accountantsreview instellen. Artikel 1.9.9 De subsidie wordt vastgesteld aan de hand van de ingediende verantwoording, waarbij: het maximale te ontvangen subsidiebedrag wordt bepaald aan de hand van de werkelijk gerealiseerde uit het prestatiebewijs blijkende prestatieafspraken, en waarbij de werkelijke subsidie niet meer kan bedragen dan het in de beschikking tot subsidieverlening genoemde percentage van de totale werkelijk gemaakte subsidiabel geachte kosten. Extra opbrengsten op de activiteit ten opzichte van de begroting bij de aanvraag van de subsidie worden in mindering gebracht op de totale werkelijk gemaakte subsidiabele geachte kosten. Verlagingspercentages worden berekend over het verleende subsidiebedrag en zullen, evenals verlagingbedragen, in mindering worden gebracht op het bedrag waarop de vaststelling van de subsidie ingevolge het eerste en tweede lid wordt berekend. Artikel 1.9.10 Gedeputeerde staten kunnen in individuele gevallen, op basis van een risicoafweging, besluiten om op een subsidie hoger dan € 50.000 arrangement 2 toe te passen. § 1.10 Overige bepalingen Artikel 1.10.1 Indien na vaststelling van de subsidie blijkt dat de in artikel 1.6.3 genoemde activa is vervreemd en aldus de subsidieontvanger niet heeft voldaan aan de op basis van genoemd artikel aan de subsidie verbonden verplichting, kunnen gedeputeerde staten de beschikking tot subsidievaststelling ten nadele van de ontvanger wijzigen of intrekken. Indien de Europese Unie dat in verband met ontoelaatbare staatsteun vordert, wijzigen of trekken gedeputeerde staten de beschikking tot subsidieverlening of subsidievaststelling in. Hoofdstuk 2 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van integrale kosten subsidie § 2.1 Weigeringsgronden Artikel 2.1.1 In aanvulling op artikel 1.2.1 komt een instelling slechts in aanmerking voor een integrale kosten subsidie indien: wordt voldaan aan de maatstaven zoals gesteld in de subsidienota "resultaat met subsidie", en de instelling is opgenomen in een door gedeputeerde staten samengestelde lijst. De in het eerste lid onder b genoemde lijst met instellingen die in aanmerking komen voor een integrale kosten subsidie stellen gedeputeerde staten vast op basis van de subsidienota "resultaat met subsidie" en overig provinciaal beleid. Gedeputeerde staten publiceren de lijst met instellingen en een eventuele wijziging hiervan in het provinciaal blad. § 2.2 Subsidiabele kosten en subsidiabele periode Artikel 2.2.1 In afwijking van het bepaalde in artikel 1.3.1 eerste lid geldt ten aanzien van het verstrekken van een integrale kosten subsidie dat: de kosten die direct en indirect zijn toe te rekenen aan de te subsidiëren activiteit, subsidiabel zijn, de kosten op een realistische en transparante wijze worden toegerekend aan de te subsidiëren activiteit, de toevoeging aan een voorziening gerekend wordt tot de subsidiabele kosten, en de toevoeging aan een reserve niet gerekend wordt tot de subsidiabele kosten. Gedeputeerde staten kunnen bij de aanvraag van de subsidie, op gemotiveerd verzoek van de aanvrager, besluiten dat de toevoeging aan een reserve wordt beschouwd als subsidiabele kosten. Artikel 1.3.1 tweede lid is van overeenkomstige toepassing. Artikel 2.2.2 Artikel 1.3.2 is niet van toepassing op een integrale kosten subsidie. Artikel 2.2.3 Een integrale kosten subsidie wordt verstrekt voor een periode van maximaal het boekjaar van de instelling. § 2.3 De aanvraag voor de subsidie Artikel 2.3.1 Een aanvraag voor integrale kosten subsidie wordt ingediend tenminste acht weken voor aanvang van het boekjaar van de instelling. Gedeputeerde staten kunnen in een individueel geval besluiten af te wijken van de in het eerste lid genoemde termijn. Artikel 2.3.2 In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.4.2 eerste lid bevat de aanvraag voor subsidie ten minste: een toelichting op de toerekening van de kosten en opbrengsten aan de te subsidiëren activiteiten, en de meest recente jaarrekening van de instelling voorzien van een controleverklaring van een accountant. Artikel 1.4.2 tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een integrale kosten subsidie. Artikel 2.3.3 In afwijking van het bepaalde in artikel 1.4.
  6. vermeldt de begroting als bedoeld in artikel 1.4.2 eerste lid onder f, bij een aanvraag voor een integrale kosten subsidie voor het boekjaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd: alle kosten en opbrengsten van de instelling, een overzicht van de kosten en opbrengsten per te subsidiëren activiteit, tot welk bedrag men een beroep doet op de provincie Zeeland, en of de aanvrager van de subsidie wel of geen betaalde BTW kan terugvorderen of op enigerlei wijze kan terugontvangen. § 2.4 De beslissing op de aanvraag Artikel 2.4.1 De artikelen 1.5.1 en 1.5.2 zijn van overeenkomstige toepassing op een integrale kosten subsidie. De artikelen 1.5.3 en 1.5.4 zijn niet van toepassing op een integrale kosten subsidie. Artikel 2.4.2 Bij de beoordeling van de aanvraag voor een integrale kosten subsidie wordt de financiële positie van de instelling betrokken. Indien de financiële positie van de instelling zo gunstig is dat de instelling over voldoende vrij besteedbare financiële middelen beschikt om activiteiten zelf te realiseren, kunnen gedeputeerde staten besluiten een lagere integrale kosten subsidie te verstrekken dan aangevraagd. § 2.5 Verplichtingen Artikel 2.5.1 Op een integrale kosten subsidie zijn de artikelen 1.6.1 tot en met 1.6.6 van overeenkomstige toepassing. § 2.6 Arrangement 3 Artikel 2.6.1 Ter vervanging van paragraaf 1.9 zijn op een integrale kosten subsidie de regels van arrangement 3 (verstrekken van subsidies hoger dan € 50.000,--) van toepassing, zoals opgenomen in de paragrafen 2.6 tot en met 2.
  7. Paragrafen 1.7 (arrangement 1) en 1.8 (arrangement 2) zijn niet van toepassing op een integrale kosten subsidie. Artikel 1.9.2 is van overeenkomstige toepassing op een integrale kosten subsidie. § 2.7 Voorschotten Artikel 2.7.1 Gedeputeerde staten verstrekken op een integrale kosten subsidie een voorschot van ten hoogste honderd procent van de maximale subsidie. Het voorschot op een integrale kosten subsidie zoals bedoeld in het eerste lid wordt in termijnen uitbetaald. § 2.8 Aanvraag tot vaststelling Artikel 2.8.1 Bij een integrale kosten subsidie dient de instelling binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een aanvraag tot vaststelling in. Indien de aanvraag tot vaststelling niet voor het in het eerste lid genoemde tijdstip is ontvangen, kunnen gedeputeerde staten acht weken na een éénmalig rappel overgaan tot ambtshalve vaststelling. Artikel 2.8.2 De aanvraag tot vaststelling voor een integrale kosten subsidie bevat: de in de beschikking tot subsidieverlening genoemde prestatiebewijzen, de overige in de beschikking tot subsidieverlening vermelde bescheiden, het jaarverslag over het boekjaar, een verantwoording over de werkelijke kosten en opbrengsten van de in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen activiteiten als onderdeel van de jaarrekening, en de jaarrekening over het boekjaar van de instelling voorzien van een controleverklaring van de accountant. § 2.9 Vaststelling Artikel 2.9.1 De artikelen 1.9.6 tot en met 1.9.9 zijn van overeenkomstige toepassing op een integrale kosten subsidie. Artikel 1.9.10 is niet van toepassing op een integrale kosten subsidie. § 2.10 Overige bepalingen Artikel 2.10.1 Artikel 1.10.1 is van overeenkomstige toepassing op een integrale kosten subsidie. Hoofdstuk 3 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor verkeersveiligheid § 3.1 Algemeen Artikel 3.1.1 Subsidie kan worden verleend voor activiteiten ter bevordering van de verkeersveiligheid in Zeeland, passend bij het vigerend Beleidsplan verkeersveiligheid. Artikel 3.1.2 De artikelen 1.2.1, eerste lid, en 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel a en b zijn van toepassing op een subsidie voor verkeersveiligheid. In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c wordt een subsidie voor verkeersveiligheid niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan €
  8. Artikel 3.1.3 De artikelen 1.3.1 tot en met 1.10.1 zijn van toepassing op een subsidie voor verkeersveiligheid. Artikel 3.1.4 Voor de beoordeling van de aanvraag voor de subsidie voor verkeersveiligheid wordt advies gevraagd aan het Regionaal Orgaan Verkeersveiligheid Zeeland. § 3.2 Zeeuws Verkeersveiligheidslabel Artikel 3.2.1 Subsidie kan worden verleend voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel. Artikel 3.2.2 In afwijking van artikel 1.2.1, eerste lid, wordt een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel slechts verstrekt aan een basisschool. Artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel a en c, zijn niet van toepassing op een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel. Artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel b is van toepassing op een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel. Artikel 3.2.3 Een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel bedraagt € 250 per behaald label. In afwijking van artikel 1.4.1, eerste lid, wordt een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel aangevraagd na ontvangst van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel-certificaat. Artikel 3.2.4 In afwijking van artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel-certificaat. Artikel 3.2.5 Een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel wordt verstrekt na afloop van de activiteit, door middel van een beschikking tot vaststelling. Artikel 3.2.6 De artikelen 1.3.1, 1.3.2, 1.4.1 tweede lid, 1.4.2 tweede lid, 1.4.3, 1.5.3, 1.5.4, 1.6.1 tot en met 1.6.6, 1.7.1, 1.7.3, 1.7.4, 1.7.5, 1.7.6, 1.7.7, 1.7.9 en 1.8.1 tot en met 1.10.1, eerste lid, zijn niet van toepassing op een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel. De artikelen 1.5.1, 1.5.2, , 1.7.2, 1.7.8 en 1.10.1, tweede lid, zijn van toepassing op een subsidie voor het behalen van het Zeeuws Verkeersveiligheidslabel. Hoofdstuk 4 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor het doen draaien van molens Artikel 4.1 Subsidie kan worden verleend voor het doen draaien van een windmolen, die in het register van beschermde rijksmonumenten is opgenomen als molen in de categorie Industrie- en poldermolen. Artikel 4.2 In afwijking van artikel 1.2.1, eerste lid, wordt een subsidie voor het doen draaien van een windmolen verleend aan de eigenaar van de molen, ook indien dit een natuurlijk persoon betreft. Een subsidie voor het doen draaien van een windmolen wordt niet verleend aan een gemeente. Artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder a en c is niet van toepassing op een subsidie voor het doen draaien van een windmolen. Artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onder b is van overeenkomstige toepassing op een subsidie voor het doen draaien van een windmolen. Artikel 4.3 In afwijking van de artikelen 1.3.1, 1.3.2 en 1.7.9 wordt een subsidie voor het doen draaien van een windmolen berekend op basis van het aantal omwentelingen van de bovenas tussen de voorlaatste tellerstand en de tellerstand op het moment van aanvraag geregistreerd door een goedgekeurde, functionerende telmachine, waarvan de verzegeling niet is verbroken. De subsidie voor het doen draaien van een windmolen bedraagt per jaar: bij duizend tot zestigduizend geregistreerde omwentelingen: € 100; of bij zestigduizend of meer geregistreerde omwentelingen: € 0,50 per 300 omwentelingen tot een maximum van € 2.
  9. Artikel 4.4 In afwijking van artikel 1.4.1 wordt de aanvraag voor de subsidie voor het doen draaien van een windmolen ingediend voor 1 februari na afloop van de periode waarin de omwentelingen zijn gemaakt. Artikel 4.5 In afwijking van artikel 1.4.2 eerste lid bevat de aanvraag voor de subsidie voor het doen draaien van een windmolen: het aanvraagformulier voor het doen draaien van een windmolen; naam en locatie van de molen; naam, adres en rekeningnummer van de aanvrager; de datum en hoogte van de voorlaatste tellerstand en de datum van de hoogte van de tellerstand op het moment van de aanvraag, en een foto waarop de tellerstand op het moment van de aanvraag duidelijk afleesbaar is. Artikel 1.4.2 tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een subsidie voor het doen draaien van een windmolen. Artikel 4.6 In afwijking van artikel 1.7.2 wordt een subsidie voor het doen draaien van een windmolen verstrekt na afloop van de activiteit, door middel van een beschikking tot vaststelling. In afwijking van artikel 1.7.3 vindt de betaling van de gehele subsidie voor het doen draaien van een windmolen in één bedrag plaats. Artikel 4.7 De artikelen 1.4.3, 1.5.3, 1.5.4, 1.6.3, 1.6.6, 1.7.1, 1.7.4, 1.7.5, 1.7.6, 1.7.7 en 1.8.1 tot en met 1.10.1 eerste lid zijn niet van toepassing op een subsidie voor het doen draaien van een windmolen. De artikelen 1.5.1, 1.5.2, 1.6.1, 1.6.2, 1.6.4, 1.6.5, 1.7.8 en 1.10.1 tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op een subsidie voor het doen draaien van een windmolen. Hoofdstuk 5 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor restauratie rijksmonumenten § 5.1 Begripsbepalingen Artikel 5.1.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: rijksmonument: een zich in de provincie Zeeland bevindend rijksmonument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; restauratie: het verrichten van die werkzaamheden, de normale instandhouding te boven gaand, die voor het herstel van een rijksmonument noodzakelijk zijn; herbestemming: het geven van een nieuwe functie aan een rijksmonument of het herstellen van de functie die het rijksmonument had voor een periode van leegstand; Sim: Subsidieregeling instandhouding monumenten; Brim: Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten; restauratieplan: een plan bestaande uit: een adequaat overzicht van aard en omvang van de werkzaamheden en beschrijving van de daarmee beoogde resultaten in de vorm van een bestek inclusief tekeningen van de huidige en nieuwe situatie, gecombineerd met een projectplan voor de bestemming of herbestemming; actuele overzichts- en detailfoto’s die een duidelijke indruk geven van het rijksmonument en zijn gebreken; en een begroting van de restauratiewerkzaamheden gespecificeerd in hoeveelheden, manuren, materialen, stelposten en onderaannemers en niet ouder dan 2 jaar; deskundig restauratiebedrijf: een bedrijf dat de restauratiewerkzaamheden uitvoert volgens de in de beroepsgroep geldende kwaliteitsrichtlijnen en normen, voor zover deze zijn vastgesteld door het College van Deskundigen Restauratiekwaliteit van de Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg. § 5.2 Subsidieverlening Artikel 5.2.1 Subsidie kan worden verleend voor de restauratie van een rijksmonument indien het rijksmonument vóór het einde van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 5.5.1, door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waarin het rijksmonument is gelegen bij gedeputeerde staten is voorgedragen voor restauratie. Artikel 5.2.2 Subsidie wordt verleend aan de eigenaar van het rijksmonument. Subsidie kan worden verleend aan een natuurlijke persoon. Artikel 5.2.3 Een subsidie voor de restauratie van een rijksmonument bedraagt maximaal zeventig procent van de subsidiabele kosten met een maximum van € 750.000,-. § 5.3 Weigeringsgronden Artikel 5.3.1 In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel a, wordt subsidie niet verstrekt indien op het moment van ontvangst van de aanvraag voor de subsidie met de werkzaamheden waarvoor subsidie is aangevraagd al is begonnen. In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, wordt subsidie niet verstrekt: indien niet schriftelijk wordt aangetoond dat: een aanvullend geldbedrag boven het maximaal door het Nationaal Restauratiefonds te financieren leningsbedrag noodzakelijk is om te voorzien in de totale financieringsbehoefte, of financiering door het Nationaal Restauratiefonds niet mogelijk is; voor restauratie van: een woonhuis als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel i, van de Sim, tenzij het een aanvraag betreft van een professionele organisatie voor monumentenbehoud, gemeente, waterschap of openbaar lichaam dat is ingesteld met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen; een groen monument als bedoeld in artikel 1, aanhef en onderdeel a, van de Sim; of een archeologisch monument als bedoeld in art 1, aanhef en onderdeel c, van de Monumentenwet 1988; indien naar het oordeel van gedeputeerde staten het reguliere onderhoud van het rijksmonument niet voor zes jaar na realisatie van de restauratie waarvoor subsidie wordt aangevraagd voldoende is gewaarborgd. Het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing wanneer de subsidie wordt aangevraagd door een overheid. In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, wordt subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 100.000,-, behoudens het geval een aanvullend geldbedrag boven het maximaal door het Nationaal Restauratiefonds te financieren leningsbedrag noodzakelijk is om te voorzien in de totale financieringsbehoefte, in welk geval subsidie niet wordt verstrekt indien de te verstrekken subsidie € 50.000,- of minder bedraagt. § 5.4 Subsidiabele kosten Artikel 5.4.1 In afwijking van artikel 1.3.1 en artikel 1.3.2 zijn subsidiabel de kosten van werkzaamheden, maatregelen en voorzieningen die als zodanig zijn aangemerkt in de Leidraad subsidiabele instandhoudingskosten die als bijlage bij de Sim is opgenomen. Indien voor de instandhouding van het rijksmonument een subsidie in het kader van het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten is verstrekt, komen de in de beschikking tot subsidieverstrekking subsidiabel geachte kosten niet in aanmerking voor subsidie op basis van dit hoofdstuk. § 5.5 De aanvraag voor de subsidie Artikel 5.5.1 Een subsidie voor restauratie rijksmonumenten kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het indienen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie. Artikel 5.5.2 In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat de aanvraag voor een subsidie voor restauratie rijksmonumenten: een volledig ingevuld aanvraagformulier subsidie restauratie rijksmonumenten Provincie Zeeland; een restauratieplan voor het rijksmonument; een sluitende begroting inclusief dekkingsplan, indien van toepassing voorzien van stukken waaruit de toezegging van geldelijke bijdragen door derden aan de restauratie blijkt; Een kopie van de (gedeeltelijke) toekenning dan wel de afwijzing door het Nationaal Restauratiefonds inzake de financieringsaanvraag een niet meer dan twee jaar oud inspectierapport dat de technische of fysieke staat van het rijksmonument beschrijft en dat is opgesteld door een ter zake deskundige persoon of instantie, zoals de Monumentenwacht Zeeland; een exploitatieplan waaruit tevens blijkt dat het reguliere onderhoud voor zes jaar na afronding van de restauratie is gewaarborgd; indien rijkssubsidie is ontvangen of is aangevraagd in het kader van de Brim of de Sim, een kopie van de subsidiebeschikking dan wel de ontvangstbevestiging van de subsidieaanvraag; een door een erkend bureau opgestelde bouwhistorische verkenning, voor zover sprake is van herbestemming of herstel van de oorspronkelijke bestemming na leegstand, uitgevoerd conform de Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek van de Rijksdiensten voor het Cultureel Erfgoed, 2009; een lijst van restauratiebedrijven die worden uitgenodigd om een offerte uit te brengen voor de uitvoering van het restauratieplan; een bewijs waaruit blijkt hoeveel leerling werkplekken ten behoeve van de opleiding van vakmensen in de restauratie worden gecreëerd; een toelichting op de openbare toegankelijkheid waarin wordt aangegeven hoe vaak het pand is opengesteld voor het publiek. Artikel5.5.3 Een onvolledige aanvraag voor een subsidie voor restauratie rijksmonumenten kan na het einde van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 5.5.1, alleen volledig worden gemaakt voor zover het geen inhoudelijke aanvulling of wijziging van de aanvraag betreft. § 5.6 Subsidieplafond en wegingsfactoren Artikel 5.6.1 Gedeputeerde staten stellen voor de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 5.5.1, een subsidieplafond vast. Artikel 5.6.2 Indien de subsidieaanvragen die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de volgorde van behandeling een rangschikking van de aanvragen door middel van het toekennen van punten op basis van de volgende criteria: de uniciteit van het rijksmonument, maximaal 25 punten; de bouwkundige urgentie, maximaal 30 punten; de herbestemming of herstel van de oorspronkelijke bestemming na leegstand, maximaal 10 punten; de mate waarin het rijksmonument aantoonbaar toegankelijk is voor het publiek, maximaal 10 punten; indien de aanvraag bijdraagt aan prioritaire provinciale beleidsdoelstellingen, namelijk instandhouding van kerkgebouwen, agrarisch erfgoed en industrieel erfgoed: 5 punten. Gedeputeerde staten rangschikken de aanvragen op volgorde van het aantal toegekende punten. Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking. Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt subsidie verleend aan de aanvraag met het hoogste aantal punten behaald op basis van het criterium, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. § 5.7 De beslissing op de aanvraag voor de subsidie Artikel 5.7.1 In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag voor de subsidie binnen zestien weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in artikel 5.5.
  10. Gedeputeerde staten kunnen de beslistermijn eenmalig met maximaal vier weken verlengen. Artikel 5.7.2 Voor de beoordeling van de aanvraag kan advies worden gevraagd aan een extern deskundige. Hoofdstuk 6 Vervallen Hoofdstuk7Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland Artikel7.1 Subsidie kan worden verleend voor MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland met toepassing van de als supplement bij dit besluit opgenomen Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland
  11. Artikel7.2 De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing voorzover daarvan in de Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2015 niet wordt afgeweken. Supplement Hoofdstuk7Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2015 Gedeputeerde Staten van Zeeland; Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant; Gedeputeerde Staten van Limburg; Gelet op artikel 8 van de Algemene subsidieverordening Zeeland 2013; Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant; Gelet op artikel 5 van de Algemene Subsidieverordening 2012 Provincie Limburg; Overwegende dat de 12 Nederlandse provincies, in landsdelig verband, op 11 december 2014 een Samenwerkingsagenda hebben ondertekend met de minister van Economische Zaken en vertegenwoordigers van de nationale topsectoren en MKB-Nederland, waarin onder andere is afgesproken om te komen tot stroomlijning van het financiële instrumentarium om innovatie bij het MKB te stimuleren; Overwegende dat het Rijk middelen beschikbaar heeft gesteld voor een aantal gestandaardiseerde MKB-instrumenten die in alle regio’s van Nederland worden uitgevoerd; Overwegende dat beoogd wordt om op kwaliteit sturen en hiertoe subsidieverstrekking op landsdelig niveau voor de drie Zuidelijke provincies samen noodzakelijk is; Overwegende dat ter rechtvaardiging van deze subsidie daar waar sprake is van staatssteun, in het kader van rechtvaardiging van staatssteun, de volgende steunmaatregelen van toepassing worden geacht: de artikelen 25 en 28 van verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L 187/1 van 26 juni 2014 (algemene groepsvrijstellingsverordening); Verordening (EG) Nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, Pb L 352/1 van 24 december 2013 (de-minimisverordening); Besluiten, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft, vast te stellen de volgende regeling: Paragraaf1Algemene bepalingen Artikel1.1Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: adviesorganisatie: organisatie, niet zijnde een kennisinstelling, die deskundigheid heeft op het gebied van de op grond van deze regeling te subsidiëren activiteiten en die als bedrijfsactiviteit adviesopdrachten uitvoert; algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L 187/1 van 26 juni 2014; Awb: Algemene wet bestuursrecht; crossover: samenwerkingsverbanden tussen partijen uit verschillende technologiedomeinen, waarin innovatieve producten en diensten worden ontwikkeld; de-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van aanmelding als opgenomen in de de-minimisverordening; de-minimisverordening: Verordening (EU) N1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun, Pb EU L 352/9 van 24 december 2013; experimentele ontwikkeling: experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onder 86 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Zeeland, Noord-Brabant of Limburg; haalbaarheidsstudie: haalbaarheidsstudie als bedoeld in artikel 2, onder 87, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; industrieel onderzoek: industrieel onderzoek als bedoeld in artikel 2, onder 85, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; innovatief product: technologisch nieuw product of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand product; innovatief productieproces: technologisch nieuw productieproces of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand productieproces; innovatieprogramma’s Topsectoren: thema’s zoals omschreven in de innovatieprogramma’s als bedoeld in artikel 3.4.2 van de Regeling nationale EZ-subsidies voor de topsectoren; innovatieadviesdienst: innovatieadviesdienst als bedoeld in artikel 2, onder 94 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; innovatieve dienst: technologisch nieuwe dienst of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaande dienst; internationale topclusters: drie in het RIS3 voor Zuid-Nederland aangewezen technologiedomeinen waarin bedrijfsleven en kennisinstellingen de potentie hebben om internationaal uit te blinken, te weten: High Tech System & Materialen; Chemie & Materialen; Agrofood en Tuinbouw & Uitgangsmaterialen; kennisinstelling: onder a, b, c, g of h van de bijlage van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek genoemde instelling voor hoger onderwijs en een onder j van de bijlage bij die wet bedoeld academisch ziekenhuis en Nyenrode Business Universiteit; andere dan onder 1º bedoelde geheel of gedeeltelijk, meerjarig door de overheid gefinancierde onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke of technische kennis uit te breiden; een geheel of gedeeltelijk, meerjarig door een andere lidstaat van de Europese Unie gefinancierde: openbare instelling voor hoger onderwijs of een daaraan verbonden ziekenhuis gelijkwaardig aan een instelling respectievelijk academisch ziekenhuis als bedoeld onder 1º, onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk die activiteiten verricht met als doel de algemene wetenschappelijke en technische kennis uit te breiden; een rechtspersoon ten aanzien waarvan een instelling als bedoeld onder 1º, 2º of 3º direct of indirect: meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft; volledig aansprakelijk vennoot is; of, overwegende zeggenschap heeft; een onderzoeksorganisatie zonder winstoogmerk met eigen medewerkers in loondienst, die tot doel heeft om via het structureel doen van eigen onderzoek en het ontwikkelen en testen van technische toepassingen door haar medewerkers, de technologische kennis op een specifiek terrein te bevorderen, die geen instelling is als bedoeld onder 1º tot en met 4º; MKB-onderneming: kleine en middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 1, onder 28 van Verordening 1303/2013 en bijlage I van Aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (2003/361/EG); nationale topclusters: vier in het RIS3 voor Zuid-Nederland aangewezen technologiedomeinen die sterk zijn op bovenregionaal niveau en specifieke potenties op internationaal niveau hebben, te weten: Logistiek; Life Sciences & Health; Biobased; Maintenance; project: activiteit of samenhangend geheel van activiteiten die afgebakend zijn in tijd en gericht op een specifiek eindresultaat; projectsubsidie: subsidie voor een project in de vorm van een eenmalige aanspraak op financiële middelen; Provinciale Staten: Provinciale Staten van Zeeland, Noord-Brabant of Limburg RIS3: Regionale Innovatie Strategie voor Slimme Specialisaties, vastgesteld op 24 september 2013 door Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant in de hoedanigheid van beoogd managementautoriteit van het OPZuid; topsectoren: sectoren uit het landelijke Topsectorenbeleid waar Zuid-Nederland op wil excelleren, te weten: Logistiek; Agri & Food; Chemie & Biobased; Hightech Systemen & Materialen inclusief ICT en Solar; Life Sciences & Health; Tuinbouw & Uitgangsmaterialen; Zuid-Nederland: grondgebied van de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg. Artikel1.2Doelgroep Subsidie op grond van deze regeling kan worden verstrekt aan MKB-ondernemingen. Artikel1.3Subsidievorm 1.Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze regeling projectsubsidies. 2.Subsidies als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag. Artikel1.4Weigeringsgronden algemeen Subsidie op grond van deze regeling wordt geweigerd indien: het aangevraagde bedrag minder bedraagt dan € 2.500; gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten ontplooit in strijd met de wet, het algemeen belang of openbare orde; de subsidie geen stimulerend effect, als bedoeld in artikel 6 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, heeft; ten aanzien van aanvrager een bevel tot terugvordering als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, uitstaat; de aanvrager een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, onder 18, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, is. Artikel1.5Vereisten algemeen 1.Om voor subsidie op grond van deze regeling in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten: aanvrager is gevestigd in Zuid-Nederland dan wel de subsidiabele activiteit komt ten goede aan Zuid-Nederland; aanvrager, de uitvoerder van het project dan wel het te ontwikkelen innovatief product, productieproces of dienst maakt onderdeel uit van dan wel is gericht op: internationale topclusters; nationale topclusters; of, crossovers van een of meerdere topclusters als bedoeld onder 1° of 2°; het project past binnen een of meerdere thema’s uit de innovatieprogramma’s Topsectoren; de aanvraag betreft een eenmalig project; de aanvraag betreft niet de reguliere bedrijfsvoering van de aanvrager. 2.Aan de aanvraag ligt ten grondslag: een projectplan waarin in ieder geval is opgenomen op welke wijze wordt voldaan aan de vereisten uit deze regeling; een begroting en sluitend financieringsplan; een samenvatting van het project ten behoeve van een voor eenieder toegankelijke publicatie. Artikel1.6Berekeningswijze subsidiabele kosten 1.In afwijking van artikel 1.3.
  12. van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 zijn ten aanzien van de berekening van de subsidiabele kosten de Nadere regels met betrekking tot uniforme berekeningswijzenuurtarieven in het kader van het verstrekken van subsidies van overeenkomstige toepassing. 2.Voor de toepassing van de berekeningswijze op basis van kosten per kostendrager voor indirecte kosten bedraagt het opslagpercentage voor de indirecte kosten, bedoeld in artikel 3, onder d, van de Nadere regels met betrekking tot uniforme berekeningswijzen uurtarieven in het kader van het verstrekken van subsidies van de uurtarieven, 50%. 3.oor de toepassing van een forfaitair vastgesteld uurtarief bedraagt het uurtarief per gewerkt uur als bedoeld in artikel 3, onder e, van de Nadere regels met betrekking tot uniforme berekeningswijzen uurtarieven in het kader van het verstrekken van subsidies, € 60 per uur. 4.Het forfaitair vastgesteld uurtarief , bedoeld in het vorige lid, wordt gehanteerd voor alle direct bij de subsidiabele activiteit betrokken personen en omvat zowel directe arbeids- en loonkosten als de daaraan toegerekende indirecte kosten. Artikel1.7Niet subsidiabele kosten Onverminderd artikel 11 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant, artikel 15 van de Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2017 e.v. en artikel 1.3.1, tweede lid van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking: kosten gemaakt voor de startdatum van het project; kosten van gerechtelijke procedures, boetes of sancties. Artikel1.8Vereisten subsidieaanvraag 1.Een subsidieaanvraag voldoet in ieder geval aan de volgende vereisten: subsidieaanvragen worden ingediend met gebruikmaking van het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde aanvraagformulier; een subsidieaanvraag bevat ten minste het volledig ingevulde aanvraagformulier en de daarin voorgeschreven bijlagen. 2.Een aanvraag is tijdig ingediend indien die voor het einde van de termijn is ontvangen. Artikel1.9Beslistermijnen subsidieverlening 1.In afwijking van artikel 1.5.2 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 beslissen Gedeputeerde Staten op een aanvraag voor subsidie binnen 12 weken na ontvangst van de aanvraag of na afloop van de tenderperiode. 2.Overeenkomstig artikel 12 van de Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2017 e.v. kan de termijn met 12 weken worden verdaagd. Artikel1.10Verplichtingen algemeen 1.Artikel 1.6.6, derde lid en artikel 1.10.1, eerste lid van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 blijven buiten toepassing. 2.Artikel 18 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant en artikel 25 van de Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2017 e.v. zijn van overeenkomstige toepassing op subsidies verleend voor de provincie Zeeland. Artikel1.11Verantwoording 1.Gedeputeerde staten leggen in de beschikking tot subsidieverlening vast op welke wijze de subsidieontvanger bij de aanvraag tot vaststelling aantoont dat de activiteiten, waarvoor subsidie is verleend, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. 2.In afwijking van paragraaf 1.7 en paragraaf 1.8 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 en in afwijking van de artikelen 13, 20 en 21 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant en de artikelen 31 en 32 van de Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2017 e.v., worden subsidies als bedoeld in paragraaf 3 tot €125.000 vastgesteld op basis van prestaties, werkelijke kosten en gerealiseerde opbrengsten.
  13. In afwijking van het tweede lid en van paragraaf 1.7 en paragraaf 1.8 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland en in afwijking van de artikelen 21 en 22 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant en de artikelen 31 en 32 van de Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2017 e.v. worden subsidies als bedoeld in paragraaf 2 tot en met € 25.000 direct vastgesteld. 4.Op de subsidies, bedoeld in het tweede lid, zijn de volgende artikelen van overeenkomstige toepassing: artikel 22 van de Algemene subsidieverordening Noord- Brabant met uitzondering van het tweede lid, onder b, en het vijfde lid, onderdeel a, onder 2 en onder b; artikel 33 van de Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2017 e.v. met uitzondering van het eerste lid onder c. artikel 1.9.5 van het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 met uitzondering van de accountantsverklaring genoemd in het eerste lid, onder c. Paragraaf2Haalbaarheidsproject Artikel2.1Subsidiabele activiteiten Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor projecten gericht op het uitvoeren van een haalbaarheidsproject. Artikel2.2Weigeringsgronden Onverminderd artikel 1.4, wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.1, geweigerd indien aan aanvrager voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele kosten reeds subsidie is verstrekt op grond van deze paragraaf. Artikel2.3Vereisten haalbaarheidsproject 1.Onverminderd artikel 1.5, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten: het project bestaat voor: tenminste 60 % uit haalbaarheidsstudie; ten hoogste 40 % uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling; het project wordt uitgevoerd ter voorbereiding van de ontwikkeling van een innovatief product, innovatief productieproces of innovatieve dienst; het te ontwikkelen innovatief product, innovatief productieproces of innovatieve dienst waarop het project betrekking heeft, is in technische of financiële zin voldoende risicovol om het project te rechtvaardigen; het project geeft voldoende inzicht in het economisch perspectief en de uitvoerbaarheid van het te ontwikkelen innovatief product, innovatief productieproces of innovatieve dienst; 2.Onverminderd het eerste lid wordt, indien sprake is van staatssteun, om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1, in aanmerking te komen, voldaan aan de vereisten uit artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Artikel2.4Subsidiabele kosten Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1, de kosten in aanmerking genoemd in artikel 25, derde en vierde lid van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Artikel2.5Vereisten subsidieaanvraag Onverminderd artikel 1.8 en in afwijking van artikel 1.4.1 van het Algemeen subsidiebesluit 2013 Zeeland worden subsidieaanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 2.1 ingediend binnen de periode van 17 april 2018, vanaf 09.00 uur tot en met 6 september 2018, tot 17.00 uur. Artikel2.6Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 2.1 voor de periode, genoemd in artikel 2.5, vast op € 3.139.
  14. Artikel2.7Subsidiehoogte 1.De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 2.1, bedraagt 40% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 25.
  15. 2.Het percentage bedoeld in het voorgaande lid, wordt gehanteerd onder het voorbehoud dat het totaal van overheidsbijdragen die aangemerkt moeten worden als staatssteun, aan subsidieontvanger niet meer bedragen dan volgens Europeesrechtelijke bepalingen inzake staatssteun is toegestaan. Artikel2.8Verdeelcriteria 1.Het subsidieplafond als bedoeld in artikel 2.6, wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen. 2.Indien een subsidieaanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomt. 3.Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting. Artikel2.9Verplichtingen van de subsidieontvanger Onverminderd artikel 1.10 heeft de subsidieontvanger ten aanzien van de subsidie, bedoeld in artikel 2.1, in ieder geval de volgende verplichtingen:het project wordt uiterlijk vier maanden na de beschikking tot subsidieverlening gestart; het project wordt uiterlijk 12 maanden na de start van het project gerealiseerd. Artikel 2.10 Prestatieverantwoording De subsidieontvanger toont desgevraagd aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van een rapport van het haalbaarheidsonderzoek. Artikel 2.11 Betaling De betaling van het subsidiebedrag vindt in een keer plaats. Paragraaf3R&D samenwerkingsproject Artikel3.1Subsidiabele activiteiten Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor projecten gericht op het uitvoeren van een R&D-samenwerkingsproject. Artikel3.1aWeigeringsgrond Onverminderd artikel 1.4, wordt subsidie als bedoeld in artikel 3.1, geweigerd indien aan aanvrager voor dezelfde activiteit en dezelfde subsidiabele kosten reeds subsidie is verstrekt op grond van deze paragraaf. Artikel3.2Vereisten 1.Onverminderd artikel 1.5, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1 in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten: aanvrager neemt deel aan een samenwerkingsverband van ten minste twee MKB-ondernemingen; het samenwerkingsverband, bedoeld onder a, is opgericht ten behoeve van de uitvoering van het project; het samenwerkingsverband, bedoeld onder a, heeft geen rechtspersoonlijkheid; het project draagt de instemming van alle deelnemers aan het samenwerkingsverband; deelnemers aan het samenwerkingsverband zijn niet anderszins met elkaar verbonden dan in het samenwerkingsverband; geen van de deelnemers aan het samenwerkingsverband, bedoeld onder a, neemt meer dan 70% van de subsidiabele kosten voor zijn rekening; ten minste 50% van de subsidiabele kosten van het project worden gedragen door MKB-ondernemers die zijn gevestigd in Zuid-Nederland; het project is gericht op industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling; het project draagt bij aan het creëren van economische waarde voor: de deelnemers in het samenwerkingsverband; of, de topclusters en topsectoren; of, de Zuid-Nederlandse economie; het samenwerkingsverband, bedoeld onder a, is voldoende toegerust voor het uitvoeren van het project blijkens: complementariteit van de deelnemers aan het samenwerkingsverband; capaciteiten van de deelnemers aan het samenwerkingsverband; de kwaliteit van de projectorganisatie; het project draagt bij aan: vernieuwing van producten, processen of diensten; of, wezenlijke nieuwe toepassing van bestaande producten, processen of diensten; het project scoort tenminste 50 punten op de verdeelcriteria als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid. 2.Onverminderd het eerste lid, wordt, indien sprake is van staatssteun, om voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1, in aanmerking te komen, voldaan aan de vereisten uit artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Artikel3.3Subsidiabele kosten Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1 de kosten in aanmerking genoemd in artikel 25, derde lid van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Artikel3.4Subsidieplafond Subsidieaanvragen voor subsidie als bedoeld in artikel 3.1 worden ingediend binnen de tenderperiode van 2 juli 2018, vanaf 09.00 uur tot en met 6 september 2018, tot 17.00 uur. Artikel3.5Vereisten subsidieaanvraag Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 3.1 voor de tenderperiode genoemd in artikel 3.4 vast op € 7.324.800 met dien verstande dat maximaal 50% van het subsidieplafond wordt toekend voor aanvragen met een subsidiehoogte van meer dan € 200.000 tot en met € 350.
  16. Artikel3.6Subsidiehoogte 1.De hoogte van de subsidie, bedoeld in artikel 3.1 bedraagt maximaal 35% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 350.000 per subsidiabele activiteit. 2.Het percentage, bedoeld in het voorgaande lid, wordt gehanteerd onder het voorbehoud dat het totaal van overheidsbijdragen die aangemerkt moeten worden als staatssteun, aan subsidieontvanger niet meer bedragen dan volgens Europeesrechtelijke bepalingen inzake staatssteun is toegestaan. 3.De totale subsidie wordt niet verstrekt, indien toepassing van de voorgaande leden tot gevolg heeft dat een deel van de subsidie dat aan een deelnemer aan het samenwerkingsverband toekomt: minder dan € 25.000 bedraagt; of, meer bedraagt dan: € 100.000 indien het subsidiebedrag maximaal € 200.000 is; of meer bedraagt dan € 175.000 indien het subsidiebedrag hoger dan € 200.000 is. Artikel3.7Verdeelcriteria 1.Gedeputeerde Staten maken voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie, een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria: de mate waarin technologische vernieuwing of wezenlijke nieuwe toepassingen van een bestaand product, productieproces of dienst wordt verwacht, te waarderen met maximaal 30 punten; de mate waarin economische waarde wordt gecreëerd, te waarderen met maximaal 30 punten, voor: de deelnemers aan het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onder a, de topclusters en topsectoren; of, de Zuid-Nederlandse economie; de mate van kwaliteit van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, onder a, te waarderen met maximaal 30 punten, gezien de: complementariteit van de deelnemers; capaciteiten van de deelnemers; kwaliteit van de projectorganisatie; de mate waarin een vernieuwende crossover wordt gerealiseerd te waarderen met maximaal 10 punten. 2.Indien na toepassing van het eerste lid, en artikel 3.2, onder j, blijkt dat de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 3.5, te boven gaan, worden de aanvragen gerangschikt op volgorde van puntenaantal waarbij de aanvraag met de meeste punten bovenaan eindigt. 3.Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat meer dan 50% van het subsidieplafond wordt verstrekt aan aanvragen met een subsidiehoogte van € 200.000 tot en met € 350.000, wordt subsidie niet verstrekt aan aanvragen die het maximum van 50% van het subsidieplafond overschrijden. 4.Indien toepassing van het tweede lid, ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door loting. Artikel3.8Externe adviescommissie Gedeputeerde Staten leggen subsidieaanvragen als bedoeld in artikel 3.
  17. voor advies over artikel 3.2, eerste lid, onder i, j, k en l en artikel 3.7 voor aan een externe adviescommissie. Artikel3.9Verplichtingen van de subsidieontvanger
  18. Ten aanzien van de subsidie, als bedoeld in artikel 3.1, heeft de subsidieontvanger in ieder geval de volgende verplichtingen: Het project wordt uiterlijk zes maanden na het indienen van de volledige aanvraag gestart. Het project wordt uiterlijk 24 maanden na de start van het project gerealiseerd. De subsidieontvanger overlegt jaarlijks een tussentijds voortgangsverslag, indien de periode van uitvoering van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt meer dan twaalf maanden bedraagt. De subsidieontvanger houdt een administratie bij van de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten als bedoeld in artikel 4:37, eerste lid, onder b van de Awb en overlegt deze desgevraagd aan Gedeputeerde Staten. Artikel 3.10 Bevoorschotting
  19. Gedeputeerde Staten verstrekken voor subsidies een voorschot van ten hoogste 75% op het verleende subsidiebedrag.
  20. Gedeputeerde Staten bepalen de hoogte van het voorschot als bedoeld in het derde lid, op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte van de subsidieontvanger.
  21. Gedeputeerde staten betalen het voorschot in termijnen, waarvan de hoogte van de termijnen en de tijdstippen van betaling in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.
  22. De bevoorschotting als bedoeld in de voorgaande leden, geschiedt ambtshalve en gelijktijdig met de beschikking tot subsidieverlening. Paragraaf4Slotbepalingen Artikel4.1Evaluatie Gedeputeerde Staten zenden in 2016 en vervolgens ieder jaar aan Provinciale Staten een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze regeling in de praktijk. Artikel4.2Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 mei 2015 en vervalt met ingang van 31 december
  23. Artikel4.3Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland
  24. Aldus vastgesteld in de vergadering van Gedeputeerde Staten van Zeeland van 21 april 2015 de voorzitter , Drs. J.M.M. Polman de secretaris, A.W. Smit ’s-Hertogenbosch, 21 april 2015 Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, de voorzitter, prof. dr. W.B.H.J. van de Donk de secretaris, mw. ir. A.M. Burger Aldus besloten in de vergadering van Gedeputeerde Staten van Limburg, gehouden op 21 april 2015 Gedeputeerde Staten voornoemd, de voorzitter , dhr. drs. Th. J.F.M. Bovens de secretaris, dhr. mr. A.C.J.M. de Kroon Toelichting behorende bij de Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland
  25. Algemeen Op 11 december 2014 is de Samenwerkingsagenda ondertekend, waarin de gezamenlijke provincies (op landsdelig niveau), het ministerie van EZ, de topsectoren en MKB-Nederland afspraken hebben gemaakt over afstemming van het brede innovatiebeleid t.a.v. het MKB. Onderdeel daarvan is een traject om te komen tot een samenhangende set financiële instrumenten voor het stimuleren van de eerste fases van innovatie, voor het MKB in het gehele land. Als eerste stap wordt daarbij gekeken naar de MKB-instrumenten in de OP-programma’s en de MKB-instrumenten in de nationale zogeheten MIT-regeling. Tussen EZ en landsdelen is afgesproken de uitvoering van die MIT-regeling zoveel mogelijk te decentraliseren. EZ is daartoe bereid, mits uitvoering plaatsvindt op landsdelig niveau. Dit om te voorkomen dat de middelen over 12 provincies worden versnipperd, met het risico op onderbenutting, respectievelijk om er voor te zorgen dat binnen de tender voor Samenwerking-sprojecten op landsdelig niveau de beste projecten worden gehonoreerd. Voor 2015, dat geldt als pilotjaar, worden daartoe in Zuid-Nederland de instrumenten uit het OP-Zuid en de gedecentraliseerde MIT-instrumenten op elkaar afgestemd, maar nog los van elkaar in twee aparte regelingen uitgevoerd. Het streven is om vanaf 2016 te komen tot verdere integratie van de uitvoering, door 1 of meer van de MIT-instrumenten te integreren in het OP. Leeswijzer Deze toelichting bevat meer dan alleen de uitleg voor de aanvrager over de uitleg van de regeling. Tevens is verantwoord hoe is omgegaan met de regelgeving van de drie provincies. Europese regelgeving in het kader van staatssteun Bij subsidieverstrekking op grond van deze regeling kan sprake zijn van staatssteun, uitgaande van het volgende: aanvrager is een MKB-onderneming is en valt onder de definitie van onderneming in de zin van het Europees recht; het voordeel dat met de subsidie wordt verkregen, zou niet op de markt zijn verkregen, anders was de stimulans immers niet nodig geweest; De subsidie geldt voor een specifieke sector en voor een specifieke regio; De maatregel vervalt in potentie de mededinging of concurrentiepositie (dit vereist individuele beoordeling). Staatssteun is in beginsel verboden maar uitzonderingen zijn mogelijk. Afhankelijk van het project wordt in deze regeling gebruik gemaakt van de volgende bepalingen uit de algemene groepsvrijstellingsverordenining: voor het innovatieadviesproject uit paragraaf 2, artikel 28, innovatiesteun voor KMO’s; voor het haalbaalheidsproject uit paragraaf 2 en voor het R&D- samenwerkingsproject uit paragraaf 3, artikel 25, steun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie. Indien sprake is van staatssteun, geen van de vrijstellingen uit de algemene groepsvrijstellingsverordening van toepassing is en het gevraagde subsidiebedrag onder de de-minimisdrempel blijft, dan wordt gebruik gemaakt van de de-minimisverordening. In Europese regelgeving wordt een aantal specifieke eisen voorgeschreven ingeval de subsidie als staatssteun wordt aangemerkt. Deze regelgeving is pas van toepassing zodra sprake is van het subsidiëren van ondernemende activiteiten. Als toepassing van de Asv’s in strijd is met EU-regelgeving op dit vlak, gaat laatstgenoemde regelgeving voor. Veelal betreft dit verantwoordingsbepalingen omdat dergelijke subsidies veelal op basis van werkelijke kosten moeten worden afgerekend opdat aangetoond kan worden dat binnen de toegestane steunpercentages wordt gesubsidieerd en geen sprake is van overcompensatie. Deze bepalingen blijven buiten werking, overigens is dit in artikel 2, vierde lid, van de Algemene Subsidieverordening 2012 Provincie Limburg ook bepaald. Vanwege de eisen die de algemene groepsvrijstellingsverordening stelt aan subsidieregelingen die onder de algemene groepsvrijstelling vallen, wordt in de regeling wel opgenomen welke bepalingen uit de Asv’s buiten werking blijven. Juridisch kader De regeling is vastgesteld door de drie colleges van Gedeputeerde Staten van de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft. Dit betekent dat de regeling moet passen binnen de kaders die bij de verschillende provincies zijn gesteld. Iedere provincie heeft hiertoe een eigen algemene subsidieverordening vastgesteld: Algemene subsidieverordening Zeeland 2013 (Asv 2013), Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013(Asb 2013), Algemene subsidieverordening Noord-Brabant (Asv), Algemene Subsidieverordening 2012 Provincie Limburg (ASV2012). De regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de genoemde Asv’s liggen ten grondslag aan de regeling. De Asv’s zijn kaderverordeningen. Deze beschrijven op hoofdlijnen voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt en bevatten verder delegatie- en bevoegdheidsbepalingen. Daarnaast geven de Asv’s van Limburg en Noord-Brabant algemene procedureregels voor subsidieverstrekking. In Zeeland is dit geregeld in het Asb
  26. De Asv’s verplichten de colleges van Gedeputeerde Staten om de inhoudelijke en beleidsmatige aspecten van het subsidiebeleid nader uit te werken in subsidieregelingen. Voor Zeeland is hiertoe het Asb 2013 aangewezen. Om die reden wordt deze regeling in Zeeland vastgesteld als supplement bij het Asb
  27. Voor zover mogelijk worden onderwerpen die worden geregeld in de afzonderlijke Asv’s niet herhaald in de regeling, behoudens die onderwerpen die niet in alle drie de Asv’s op dezelfde wijze zijn geregeld. Arrangementen De provincies Limburg en Noord-Brabant volgen het rijkssubsidiekader voor het systeem van verantwoording en financieel beheer van de subsidies. Beide Asv’s hanteren dezelfde standaardarrangementen voor wat betreft uitvoerings- en verantwoordingseisen. Ook aan de Asv van Zeeland heeft het gedachtegoed van het rijkssubsidiekader ten grondslag gelegen, met een andere verdeling van arrangementen. In bijlage 1 bij deze toelichting zijn de verschillende arrangementen in schema gezet. Om te verzekeren dat overcompensatie wordt uitgesloten is het bij subsidies waar sprake is van gerechtvaardigde staatssteun gebruikelijk af te rekenen op basis van werkelijke kosten en gerealiseerde opbrengsten. Dit betekent dat ongeacht de hoogte van de arrangementen, in alle gevallen een vaststelling plaatsvindt en wordt afgerekend op basis van werkelijke kosten en gerealiseerde opbrengsten. Hiertoe is niet in alle gevallen een accountsverklaring vereist maar kan ook volstaan worden met een financieel verslag. Artikelsgewijs § 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen Onder d. crossover Een crossover kan een innovatie die nieuw is voor elk van de innovatiegebieden betreffen, of een bestaand product, dienst of lopende innovatie in een innovatiegebied die innovatie oplevert in een ander innovatiegebied. Dit vraagt samenwerkingsverbanden tussen partijen uit verschillende technologiedomeinen, waarin innovatieve producten en diensten worden ontwikkeld. Onder j. innovatieprogramma’s Topsectoren De innovatieprogramma’s topsectoren liggen volgens artikel 3.4.
  28. van de Regeling nationale EZ-subsidies ter inzage op het Ministerie van Economische Zaken. Voorts zijn deze digitaal beschikbaar bij de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg en op www.rvo.nl. De Regeling nationale EZ-subsidies is een rijksregeling en te vinden op www.overheid.nl. Onder n. kennisinstelling De definitie van kennisinstelling is overgenomen uit de Subsidieregeling sterktes in innovatie. Dit is een rijksregeling, te vinden op www.overheid.nl Onder p. nationale topclusters In de RIS3 zijn de doelstellingen van Europa vertaald naar regionale, maatschappelijke uitdagingen en is focus aangebracht naar vier sterke nationale clusters. Deze clusters hebben een bredere reikwijdte dan de topsectoren. Onder r. projectsubsidie Het begrip projectsubsidie is gedefinieerd in de Asv’s van Noord-Brabant en Limburg. De definitie van Limburg is een subsidie anders dan een waarderings- of exploitatiesubsidie. Omdat deze beide subsidies niet in de regeling voorkomen, is gekozen om aan te sluiten bij de definitie van Noord-Brabant. Onder t. regionale ontwikkelingsmaatschappij Zuid-Nederland heeft de volgende ROM’s: Economische Impuls Zeeland, BOM NV (Brabantse Ontwikkelingsmaatschappij) en NV Industriebank LIOF (Limburgse ontwikkelings- en investeringsmaatschappij). Onder u. RIS3 De afkorting staat voor Research & Innovation Strategy for smart specialisation Zuid-Nederland. In de begripsomschrijving is de Nederlandse vertaling gegeven. De RIS3 is op 24 september 2013 door de beoogde Managementautoriteit Operationeel Programma EFRO Zuid-Nederland 2014-2020 (Managementautoriteit) voor heel Zuid-Nederland vastgesteld. Hiertoe is deze behalve door de Managementautoriteit ook in de drie colleges van Gedeputeerde Staten van de drie provincies behandeld. In de RIS3 is de innnovatiestrategie voor Zuid-Nederland voor de periode 2014-202 uiteengezet. De RIS3 maakt integraal onderdeel uit van het OPZuid en is daarnaast gebaseerd op een aantal onderleggers, zoals de provinciale economische agenda’s en de agenda’s van de Triple Helix organisaties en het nationale topsectorenbeleid. Artikel 1.2 Doelgroep In iedere Asv en aanverwant Asb is de doelgroep afgebakend. Dit betekent dat alleen die MKB-ondernemingen die binnen de afbakening uit de verschillende Asv’s en Asb past, in aanmerking kan komen voor subsidie. In Zeeland is in artikel 1.2.1 van het Asb 2013 bepaald dat subsidie slechts wordt verstrekt aan een instelling. Onder instelling wordt blijkens artikel 1.1.
  29. onder a van het Asb 2013 verstaan: een rechtspersoon, vennootschap (niet zijnde rechtspersoon) of eenmanszaak. In Noord-Brabant is de doelgroep in artikel 6 van de Asv afgebakend tot rechtspersonen of natuurlijke personen. In Limburg is in artikel 4 van de ASV2012 de doelgroep afgebakend tot rechtspersonen, maatschappen of vennootschappen met een mogelijkheid tot uitbreiding tot natuurlijke personen indien dit voortvloeit uit de aard van de activiteit. Dit betekent dat een MKB-onderneming die rechtspersoon of eenmanszaak (een natuurlijke persoon met inschrijving in het handelsregister van de Kamer van Koophandel) tot de doelgroep van de regeling behoort. Artikel 1.3 Subsidievorm De Asv van Noord-Brabant noemt in artikel 7 vier subsidievormen en drie wijzen waarop subsidie verstrekt dient te worden. Dit artikel sluit aan bij de Asv van Noord-Brabant en loopt vooruit op de verplichting uit artikel 12 van de ASV2012 van Limburg waarin staat dat Gedeputeerde Staten bij de verlening aan moeten geven van welke soort subsidie sprake is. Overigens zijn een aantal bepalingen uit de verschillende Asv’s door de afbakening van de subsidie tot projectsubsidie, niet van toepassing omdat deze naar hun aard gericht zijn op exploitatie- of begrotingssubsidies. Artikel 1.4 Weigeringsgronden algemeen De weigeringsgronden gelden onverminderd de weigeringsgronden in artikel 4:25 (subsidieplafond) en 4:35 van de Awb en de weigeringsgronden in de drie Asv’s. Dit betekent dat de weigeringsgronden in de Asv’s onverkort gelden. Daar waar dit stroomlijning behoeft, is de weigeringsgrond opgenomen in artikel 1.
  30. Artikel 4:35 van de Awb bepaalt dat subsidie wordt geweigerd indien gegronde reden bestaat om aan te nemen dat: De activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden; De aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen De aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn; En voorts indien de aanvrager: in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid of Failliet is verklaard of aan hem surseance ven betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel daartoe een verzoek bij de rechtbank is ingediend. In het schema in bijlage 2 zijn de weigeringsgronden uit de drie Asv’s vergeleken. Tevens is de conclusie weergegeven voor de regeling. Onder c. Stimulerend effect Indien sprake is van staatssteun kan deze alleen worden vrijgesteld of anderszins gerechtvaardigd worden verstrekt, indien sprake is van een stimulerend effect. Stimulerend effect is aanwezig als door de subsidie het gedrag van de onderneming verandert. Er wordt bijvoorbeeld een project gerealiseerd dat niet van de grond zou komen zonder subsidie. Of de omvang van een project verandert door de subsidie. In artikel 6 van de algemene groepsvrijstellingsverordening is bepaald dat steun wordt geacht een stimulerend effect te hebben wanneer de aanvraag om subsidie is ingediend voordat de activiteit aanvangt. Hiermee wordt niet uitgesloten dat activiteiten die eerder zijn aangevangen, ook een stimulerend effect hebben. Dit dient te worden aangetoond.. Omdat de doelgroep van deze regeling MKB-ondernemingen zijn en hier snel sprake is van een onderneming in de zin van Europees recht, is de weigeringsgrond breed opgenomen. Onder d. Deggendorf clausule Een van de verplichtingen die gelden om gebruik te kunnen maken van een vrijstelling op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening, is het opnemen van de zogeheten Deggendorf clausule. Deze houdt in dat betaling van steun uitgesloten aan een onderneming waarbij eerdere steun onrechtmatig en onverenigbaar is verklaard met de interne markt. Tegen de onderneming is in dat geval een terugvorderingsbevel gegeven. Onder e. Onderneming in moeilijkheden In de Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun voor reddings- en herstructeringssteun aan ondernemingen in financiële moeilijkheden (PbEU 2004/C244/02) is aangegeven in welke gevallen een onderneming in financiële moeilijkheden verkeert. Bij het indienen van een aanvraag, dient hiervoor een verklaring te worden gevoegd waarin wordt verklaard dat de aanvrager niet in financiële moeilijkheden verkeert. Artikel 1.5 Vereisten algemeen Deze algemene vereisten gelden voor alle aanvragen op grond van deze regeling en onverminderd de algemene vereisten die in de drie Asv’s zijn opgenomen. Daarnaast zijn de in de bijzondere paragrafen aanvullende vereisten opgenomen die specifiek voor de betreffende subsidiabele activiteit gelden. In bijlage 3 zijn de algemene vereisten die reeds in de drie Asv’s zijn bepaald, opgenomen: Overigens staan deze inhoudelijke vereisten los van de vereisten aan de aanvraag (indieningsvereisten), stukken ten grondslag aan de aanvraag zijn in bovenstaande gevallen tevens inhoudelijke toetsingsgronden. Deze komen verder in de regeling aan de orde voor de specifieke subsidiabele activiteit. d. eenmalig project & e. reguliere bedrijfsvoering Dit vereiste hangt nauw samen met het kenmerk van de subsidie: een projectsubsidie, een subsidie voor producten, activiteiten of een samenhangend geheel van activiteiten die afgebakend zijn in tijd. De in het kader van het project uitgevoerde activiteiten behoren op het moment van de subsidieaanvraag niet tot de alledaagse bedrijfsvoering, het gaat om eenmalige en specifiek projecten die zonder subsidie niet tot stand zouden komen. Tweede lid Een aanvraag dient volledig te zijn om in behandeling te worden genomen. Dit betekent dat een aantal bijlagen dient te worden aangeleverd. In het aanvraagformulier staat duidelijk beschreven welke bijlagen dienen te worden aangeleverd, gebaseerd op inhoudelijke vereisten die in deze regeling zijn gesteld. De bijlagen die niet blijken uit de vereisten of anderszins, zijn, voor zover geldend voor de hele regeling, opgesomd in het tweede lid. Als een van deze bijlagen ontbreekt, is de aanvraag niet volledig. Onder a. projectplan In het projectplan bevat een beschrijving van het project en een beschrijving of het project voldoet aan de vereisten uit de regeling. De omvang van het projectplan is afhankelijk van de grootte van het project. In het aanvraagformulier wordt een concept of format van het projectplan gegeven. Als het projectplan onvoldoende is, dan kan de subsidie geweigerd worden, omdat aan de hand van het projectplan wordt getoetst of aan de vereisten is voldaan en een project haalbaar is te achten. Weigering vindt in dat geval plaats op grond van de bepalingen in de Awb. Onder b. begroting en sluitend financieringsplan Een sluitend financieringsplan wordt gevraagd om inzicht te hebben in de subsidiabele kosten en alle kosten, opbrengsten en financiering van het project. Het omvat onder andere dan ook een overzicht van alle kosten en opbrengsten die direct gerelateerd zijn aan het project, de subsidies, bijdragen, sponsorgelden van andere instanties, de hoogte van het gevraagde subsidiebedrag. De omvang van het financieringsplan en begroting is afhankelijk van de omvang van het project. Onder c. Voor een ieder toegankelijke publicatie Deze samenvatting wordt gevraagd opdat Gedeputeerde Staten de mogelijkheid heeft te publiceren over de projecten waarvoor subsidie wordt verstrekt. Deze eis staat los van de verplichting, die in alle drie de Asv’s is opgenomen, voor de subsidieontvanger om in eigen publicaties te vermelden dat het project is gerealiseerd met subsidie van een van de provincies. Artikel 1.6 Berekeningswijze subsidiabele kosten In de Asb2013 van Zeeland is bepaald op welke wijze personeelskosten subsidiabel zijn. Van deze regeling kan worden afgeweken. Voor Limburg en Noord-Brabant zijn gelijksoortige regels vastgesteld door Gedeputeerde Staten op grond van de Asv Voor Limburg zijn dit de Nadere regels met betrekking tot uniforme berekeningswijzenuurtarieven in het kader van het verstrekken van subsidies vastgesteld.. Voor Noord-Brabant is hiertoe bepaald dat voor het berekenen van subsidiabele kosten de uniforme kostenbegrippen en berekeningswijzen, opgenomen in een daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde regeling, worden gehanteerd. Door in het artikel de Nadere regels van Limburg van toepassing te verklaren, bepalen Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant in dit geval dat de Nadere regels voldoen aan hetgeen bepaald in de Asv van Noord-Brabant. Artikel 1.7 Niet subsidiabele kosten In de drie provincies is bepaald dat verrekenbare of compensabele BTW niet voor subsidie in aanmerking komt. Daarnaast is in artikel 14 van de ASV2012 van Limburg bepaald dat niet subsidiabel zijn: kosten die samenhangen met financiële of contractuele verplichtingen die zijn aangegaan voordat een projectsubsidie is aangevraagd, tenzij sprake is van voorbereidingskosten zoals kosten voor onderzoek, voorlichtingsactiviteiten of het ontwikkelen van plannen met betrekking tot de in de aanvraag genoemde activiteiten; kosten die uit andere hoofde zijn of worden gesubsidieerd; kosten van gerechtelijke procedures, boetes of sancties. Kosten die uit andere hoofde zijn of worden gesubsidieerd, zijn reeds uitgesloten op basis van staatssteunregelgeving (overcompensatieverbod, transparantiebeginsel en maximale steunpercentages). Artikel 1.8 Vereisten subsidieaanvraag Dit artikel bevat indieningsvereisten en is een aanvulling op hetgeen reeds is bepaald voor de drie provincies. In Zeeland zijn in artikel 1.4.2 van het Asb 2013 de in te dienen gegevens opgesomd. Deze opsomming wordt in het aanvraagformulier opgenomen. Hetzelfde geldt voor de opsomming in artikel 10 van de ASV2012 van Limburg. Artikel 1.9 Beslistermijn subsidieverlening De beslistermijnen voor subsidieverlening wijken onderling van elkaar af in de provincies. Omdat de subsidies uit een gezamenlijk plafond worden verstrekt, is het van belang gelijke termijnen te hanteren. De kortste termijn wordt gehanteerd door Zeeland. Dit is een termijn van acht weken en wordt niet haalbaar geacht voor de subsidies uit deze regeling. Omdat deze termijn is opgenomen in het Asb2013, kan hier gemotiveerd van worden afgeweken. Van de Asv’s van Noord-Brabant en Limburg kan echter niet worden afgeweken. Derhalve is de kortste termijn van deze twee provincies aangehouden: 12 weken. Artikel 1.10 Verplichtingen algemeen De provinciale regelgeving van alle drie de provincies geeft de colleges van Gedeputeerde Staten de bevoegdheid om de verplichtingen uit de Asv’s of het Asb aan te vullen. De verplichtingen zijn in het algemene deel en bijzondere deel aangevuld of gelijkgesteld voor de drie provincies waar dit noodzakelijk is geacht. De analyse die hieraan ten grondslag ligt is opgenomen in bijlage 4 Eerste lid In artikel 19 van de Asv van Noord-Brabant is expliciet en in artikel 17 van de ASV2012 van Limburg impliciet bepaald dat voor subsidies tot € 25.000 respectievelijk € 125.000 geen verplichting wordt opgelegd tot het overleggen van een tussentijds voortgangsverslag. In lijn van deze bepaling is voor de drie provincies tezamen bepaald dat de verplichtingen in het eerste lid, onder a, gelden voor subsidies van € 25.000 en hoger. Overigens is dit in overeenstemming met artikel 29, derde lid van de ASV2012 van Limburg, waarin wordt bepaald dat voor subsidies waarvoor moet worden afgerekend op basis van werkelijke kosten en gerealiseerde opbrengsten deze administratieverplichting mag worden opgelegd. Hetzelfde geldt voor de verplichting tot het bijhouden van een administratie. Artikel 1.11 Vaststelling De elementen van vaststelling van de subsidies (aanvraagtermijn, beslistermijn en wijze van verantwoording) zijn in de drie provincies bepaald door de hoogte van de subsidie en het hieraan verbonden arrangement. Omdat de subsidies onder de algemene groepsvrijstellingsverordening zijn gebracht, grotendeels, gelden voor de verantwoording onverkort de Europese verplichtingen inzake staatssteunrecht en dient te worden afgerekend op basis van werkelijke kosten en gerealiseerde opbrengsten. Ter zake van arrangement 1 en 2 van alle drie de provincies betekent dit dat de verantwoordingsverplichtingen verzwaard zijn tot ten minste een financieel verslag, mogelijk zelfs accountantsverklaring, en prestatieverantwoording. Dit is tot uiting gebracht in eerste lid. De aanvraagtermijn en beslistermijn zijn voor alle drie provincies verschillend geregeld. Voor de beslistermijn wordt aangesloten bij de kortste termijn zoals vastgelegd in de ASV2012 van Limburg: 12 weken. Dit sluit aan bij de termijn van de Asb2013 van Zeeland en past binnen de termijn van Noord-Brabant. De verdagingsmogelijkheid die in de ASV2012 van Limburg is opgenomen, geldt op grond van artikel 4:14, eerste lid van de Awb ook voor Zeeland en Noord-Brabant en is derhalve niet geregeld in de regeling. Ter zake de aanvraagtermijn waarbinnen de subsidieontvanger zijn aanvraag om vaststelling in moet dienen, hanteren de drie provincies drie verschillende termijnen. In de beschikking tot subsidieverlening wordt de aanvraagtermijn voor de aanvraag tot vaststelling opgenomen zodat voor de aanvrager duidelijk is welke Asv van toepassing is. Artikel 1.12 Bevoorschotting en betaling In het Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2013 is voor subsidies tot € 10.000 bepaald dat de subsidie 100% wordt bevoorschot. Een soortgelijke bepaling is opgenomen voor het eerste arrangement, dus tot € 25.000, in Noord-Brabant en Limburg. Voor het tweede en derde arrangement is in Zeeland een maximale bevoorschotting van 75% bepaald en voor Limburg en Noord-Brabant is dit niet bepaald in de Asv’s. Wel is in Limburg in beleidsregels, artikel 2, onder B, van de Beleidsregels bevoorschotting en uitbetaling van subsidies, bepaald dat bij projectsubsidies van € 25.000 tot € 125.000 direct bij de subsidieverleningsbeschikking een voorschot worden verleend van 90%. Voor projectsubsidies vanaf € 125.000,00 is ingevolge artikel 2, onder C, van voornoemde beleidsregels bepaald dat vooraf bij de subsidieverlening op basis van de ingediende liquiditeitsprognose van de aanvrager, een schema van de bevoorschottingautomatisch zal worden opgenomen tot maximaal 90%. Voorts is bepaald dat dit voorschot binnen zes weken na verzenddatum van de beschikking zal worden overgemaakt op de rekening van de subsidieontvanger. In artikel 3, van voornoemde beleidsregels staat dat de bevoorschotting conform de in beleidsregels geschetste beleidslijn worden toegepast, tenzij Gedeputeerde Staten anders bepalen. Met de huidige bepaling in de regeling wordt afgeweken van het beleid omwille van de eenduidigheid tussen de drie provincies en ten voordele van de aanvragers. Voor de hoogte van de bevoorschotting is aangesloten bij Zeeland, binnen de arrangementenhoogtes van Limburg en Noord-Brabant. § 2 Innovatieadviesproject en haalbaarheidsproject Artikel 2.2 Weigeringsgronden De weigeringsgronden zijn afgeleid uit paragraaf 3.4 van de Regeling nationale EZ-subsidies (centrale regeling te vinden op www.overheid.nl). Artikel 2.3 Vereisten innovatieadviesproject Eerste lid, onder e De kennisvraag die wordt voorgelegd aan de kennisinstelling of onafhankelijke adviesorganisatie dient voldoende aan te sluiten bij het innovatietraject waarop het vooruitloopt. Eerste lid, onderdeel g, onder 3 Activiteiten op het gebied van verkoop van producten of diensten kunnen bijvoorbeeld bestaan uit het ontwikkelen en vervaardigen van marketinginstrumenten en verkoopondersteunend promotiemateriaal. Eerste lid, onder i Artikel 28 van de algemene groepsvrijstellingsverordening stelt een aantal vereisten om in aanmerking te komen voor de vrijstelling voor innovatiesteun voor KMO’s. Deze vereisten zijn veelal vertaald in de regeling, voor die vereisten die niet reeds zijn vertaald is onderdeel i. als vangnet opgenomen. Eerste lid, onderdeel j, onder 2 De aanvrager dient in zijn eigen provincie, de provincie waarin hij het project uitvoert of waaraan de resultaten van het project ten goede komen, een advies te vragen over zijn project bij de betreffende ROM. Artikel 2.4 Vereisten haalbaarheidsproject Onder e Artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening stelt een aantal vereisten om in aanmerking te komen voor de vrijstelling voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten, in dit geval een combinatie van een haalbaarheidsstudie en industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling. Deze vereisten zijn veelal vertaald in de regeling, voor die vereisten die niet reeds zijn vertaald is onderdeel e. als vangnet opgenomen. Onder f De aanvrager dient in zijn eigen provincie, de provincie waarin hij het project uitvoert of waaraan de resultaten van het project ten goede komen, een advies te vragen over zijn project bij de betreffende ROM. Artikel 2.5 Subsidiabele kosten Eerste lid De subsidiabele kosten zijn afgeleid uit artikel 18 van de algemene groepsvrijstellingverordening. Artikel 2.6 Vereisten subsidieaanvraag In artikel 1.4.1 van het Asb2013 van Zeeland is bepaald dat aanvragen tenminste acht weken voor het begin van de activiteit worden ingediend. Op grond van het tweede lid kunnen Gedeputeerde Staten in een individueel geval besluiten af te wijken van deze termijn. In de regeling wordt afgeweken van deze bepaling als volgt: aanvragen worden geweigerd indien het stimulerend effect ontbreekt. Veelal zal dit zijn vanwege het starten van de activiteit voor de aanvraag. Projecten moeten uiterlijk een jaar na de start van het project zijn afgerond. In artikel 9 van de ASV2012 van Limburg is bepaald dat subsidieaanvragen het hele jaar door kunnen worden ingediend tenzij in nadere regels anders is bepaald. Overige vereisten aan de aanvraag zijn opgenomen in artikel 1.
  31. In het artikel wordt gesproken over een indieningstermijn. Op grond van de Awb is een aanvraag tijdig indien deze voor het einde van de indieningstermijn is ontvangen. Artikel 2.8 Subsidiehoogte Algemeen De aanvraag is leidend bij de bepaling van de subsidiehoogte. Dit betekent dat een aanvrager minder ontvangt, indien hij minder aanvraagt. Dit volgt reeds uit de Algemene wet bestuursrecht. Tweede lid Het subsidiepercentage is als volgt tot stand gekomen: Het project bestaat voor tenminste 60% uit haalbaarheidsstudie. Op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening kan over dit deel van de kosten maximaal 50% subsidie worden verstrekt, over het totaal bezien betekent dit 30% van de subsidiabele kosten kan uit subsidie voor haalbaarheidsstudie bestaan. Het project bestaat ten hoogste voor 40% uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling. Op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening kan over dit deel van de kosten 25% subsidie worden verstrekt, (uitgaande van het laagste percentage). Over het totaal bezien betekent dit 10% van de subsidiabele kosten kan uit subsidie voor experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek bestaan. Samen komt dit uit op 40% subsidie van de subsidiabele kosten. § 3 R&D samenwerkingsproject Artikel 3.2 Vereisten In de Regeling nationale EZ-subsidies (centrale regeling te vinden op www.overheid.nl) is een definitie van R&D-samenwerkingsproject en R&D-samenwerkingsverband opgenomen. De vereisten onder a tot en met c en e zijn afgeleid uit deze begripsomschrijvingen. R&D-samenwerkingsproject: Research and Development-project, bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie hiervan, in daadwerkelijke samenwerking en voor gezamenlijke rekening en risico uitgevoerd door een R&D-samenwerkingsverband; R&D-samenwerkingsverband: Research and Development-verband dat geen rechtspersoonlijkheid bezit, bestaande uit twee of meer niet in een groep verbonden MKB-ondernemers, dat is opgericht ten behoeve van de uitvoering van een R&D-samenwerkingsproject. Onder d instemming Instemming van alle deelnemers omvat onder andere instemming met de sluitende begroting en sluitend financieringsplan. Hierdoor kan getoetst worden wat ieders bijdrage in de subsidiabele kosten is en hoe de subsidie over de subsidiabele kosten van de deelnemers verdeeld wordt. Bijlage1bij de Toelichting behorende bij de Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland
  32. Limburg art. 12, 3e lid, 13, 2e lid, 27- 30 ASV2012 Brabant (art. 13, 20- 23 Asv) Zeeland artikel 3 Asv conclusie Arr. 1 Tot € 25.000 directe vaststelling • Steekproefsgewijze controle • Vast bedrag of vast bedrag per te verrichten prestatie-eenheid • Voorschot in beleidsregels • Beslistermijn vaststelling 12 weken en 12 weken verdagen Tot € 25.000 directe of ambtshalve vaststelling • Desgevraagd aantonen activiteit verricht en verplichtingen voldaan • Vast bedrag of vast bedrag per te verrichten prestatie-eenheid • Voorschot 100% of bedrag in een keer • Geen verplichtingen tot administratie en rekening en verantwoording ex. 4:37 eerste lid onder b en f Awb • Beslistermijn vaststelling 13 weken of 22 weken Tot € 10.000 directe of Ambtshalve vaststelling of steekproefsgewijze op aanvraag § 1.7 Asb2013: • vast bedrag per prestatieafspraak, voorschot 100% in een keer • aanvraagtermijn vaststelling 4 weken beslistermijn vaststelling 22 weken Vanwege rechtstreekse toepassing van Europees staatssteunrecht en uitsluiten overcompensatie afrekenen op basis van werkelijke kosten en gerealiseerde opbrengsten dus: - vaststelling op verzoek - prestatieverantwoording en financieel verslag Bevoorschotting aansluiten bij Zeeland en Noord-Brabant, ook voor overlap voor Zeeland vanwege grootste gemene deler. Aanvraagtermijn 4 weken Beslistermijn aansluiten bij kortste termijn van 13 weken Arr. 2 € 25.000-€ 125.000 aantonen activiteiten verricht en verplichtingen voldaan • vast bedrag of vast bedrag per te verrichten prestatie-eenheid • voorschot in beleidsregels • In principe geen verplichtingen bijkomende financiële verantwoording over de werkelijke kosten en opbrengsten en geen controle verklaring accountant Tenzij ... • aAanvraagtermijn vaststelling 6 maanden • beslistermijn vaststelling 12 weken en 12 weken verdagen GS kunnen besluiten tot directe vaststelling en tot minder verplichtingen bij prestatieverantwoording € 25.000-€ 125.000 aantonen activiteiten verricht en verplichtingen voldaan • vast bedrag of vast bedrag per te verrichten prestatie-eenheid • voorschot in subsidieregeling, ambtshalve • In principe geen verplichtingen tot administratie en rekening en verantwoording ex. 4:37 eerste lid onder b en f Awb en overleggen accountantsverklaring Tenzij… • aanvraagtermijn vaststelling 13 weken • beslistermijn vaststelling 22 weken • GS kunnen arrangement 1 van toepassing verklaren € 10.000-€ 50.000 prestatieverantwoording § 1.8 Asb2013: • vast bedrag per prestatieafspraak • voorschot max 75% in termijnen • aanvraagtermijn vaststellen 12 weken • beslistermijn vaststellen 12 weken GS kunnen besluiten arrangement 1 toe te passen Vanwege rechtstreekse toepassing van Europees staatssteunrecht en uitsluiten overcompensatie afrekenen op basis van werkelijke kosten en gerealiseerde opbrengsten dus: - prestatieverantwoording en financieel verslag Bevoorschotting vanaf 25.000 tot 125000 aansluiten bij Zeeland, dus max. 75% Aanvraagtermijn 12 weken Beslistermijn aansluiten bij termijn van 22 weken, afwijken van Asb
  33. Arr. 3 € 125.000 en hoger aantonen activiteiten verricht en verplichtingen voldaan met financieel verslag en controleverklaring accountant • hoogte het bedrag dat GS noodzakelijk achten om activiteit te realiseren • voorschot in beleidsregels • aanvraagtermijn vaststelling 6 maanden • beslistermijn vaststelling 12 weken en 12 weken verdagen € 125.000 en hoger aantonen activiteiten verricht en verplichtingen voldaan met financieel verslag en controleverklaring accountant • hoogte op basis van prestaties en gerealiseerde kosten • voorschot in subsidieregeling, ambtshalve • aanvraagtermijn vaststelling 13 weken • beslistermijn vaststelling 22 weken • GS kunnen arrangement 2 van toepassing verklaren € 50.000 en hoger prestatieverantwoording en financiële verantwoording w.o. controle verklaring accountant en mogelijk jaarrekening en accountantsreview § 1.9 Asb2013: • vast bedrag per te realiseren prestatieafspraak en percentage van subsidiabele kosten • voorschot 75% max in termijnen • aanvraagtermijn vaststellen 12 weken • beslistermijn vaststellen 12 weken GS kunnen besluiten tot vervallen/verminderen verantwoordingsvereisten of arrangement 2 toe te passen Rechtstreeks toepassing van het staatssteunrecht heeft ic geen gevolgen. Hoogte verschillen in arrangementen wel want vanaf 50.000 voor Zeeland in principe accountantsverklaring. Hier van mag worden afgeweken in het Asb
  34. In dit geval ten behoeve van eenduidigheid en grootste gemene deler tot 125.000 geen accountantsverklaring maar afrekenen met financieel verslag. Bevoorschotting aansluiten bij Zeeland, dus max. 75% Aanvraagtermijn 12 weken Beslistermijn aansluiten bij termijn van 22 weken, afwijken van Asb
  35. GS kunnen ander arrangement toepassen, in Asb2013: zou volgens toelichting wegens Rijkssubsidiekader alleen lager arrangement kunnen zijn, tenzij Sisa-systematiek Bijlage 2bij de Toelichting behorende bij de Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland
  36. Zeeland (art. 2, 4 – als vereisten opgenomen- , 5 Asv2013, art. 1.2.1 Asb2013) Noord-Brabant (art. 8) Limburg (art. 15) Conclusie Ondergrens aanvraag € 2.500 Ondergrens aanvraag € 1.000 - Ondergrens Zeeland opgenomen in regeling Draagt niet bij aan realisering van een of meer beleidsdoelstellingen, tenzij bijzondere gebeurtenis Subsidie niet in voldoende mate in het algemeen provinciaal belang Subsidieverlening past niet binnen het beleid van Limburg Geborgd in drie Asv’s - Activiteiten aanvrager niet gericht op de provincie Noord-Brabant - Voldoende eenduidige toetsing door vereiste in regeling dat ziet op Zuid-Nederland - Activiteiten aanvrager komen niet aantoonbaar ten goede aan de inwoners van Noord-Brabant Activiteiten aanvrager komen niet aanwijsbaar ten goede aan ingezetenen van Limburg Voldoende eenduidige toetsing door vereiste in regeling dat ziet op Zuid-Nederland - Ontvanger handelt op enigerlei wijze in strijd met fundamentele rechtsbeginselen Aanvrager beoogt doelstellingen of zal activiteiten ontplooien ins strijd met de wet, het algemeen belang of openbare orde Omschrijving niet hetzelfde maar beogen hetzelfde. Om te borgen dat deze ook voor Zeeland geldt, is deze ter aanvulling opgenomen in de regeling - - Gelden worden niet of niet in voldoende mate besteed voor het doel waarvoor de subsidie is aangevraagd Eenduidigheid geborgd door afbakening tot projectsubsidie en bepalingen in artikel 4:35 van de Awb Gevraagde subsidie noodzakelijk om activiteit uit te voeren - Aanvrager kan ook zonder subsidie over voldoende middelen voor activiteit beschikken Weigeringsgrond ter zake het stimulerend effect ziet mede hierop. - - Continuïteit aanvrager onvoldoende gewaarborgd Artikel 4:35 Awb borgt voldoende eenduidigheid in toetsing op deze weigeringsgrond Ontoelaatbare staatssteun - Ongeoorloofde steun in de zin van artikel 107 VWEU of in strijd met verplichting ingevolgde door de staat gesloten verdrag Als een aangevraagde subsidie zou leiden tot verstrekking van onrechtmatige staatssteun, kan de provincie deze weigeren. Omdat de plicht tot het naleven van het Europees staatssteunrecht al rechtstreeks volgt uit het Europees recht, behoeft de bevoegdheid om subsidie te weigeren op grond van het staatssteunrecht geen grondslag in de Asv of een subsidieregeling - In Noord-Brabant wordt wel register bijgehouden. Aanvrager staat geregistreerd wegens misbruik en/of oneigenlijk gebruik van een eerder verstrekte subsidie Aanvragen van subsidieontvangers, waarop in het verleden een sanctie is toegepast, kunnen ook op grond van artikel 4:35 Awb preventief geweigerd worden. Voldoende eenduidigheid. Behoefte aan activiteit (vereiste) - - Behoefte aan activiteit is onderdeel van het beleid en de vereisten en op die wijze voldoende eenduidigheid Redelijkerwijze mag worden verwacht dat de activiteit wordt gerealiseerd (vereiste) - - Artikel 4:35 Awb borgt voldoende eenduidige toetsing Bezoldingsnorm - - Geldt voor exploitatiesubsidies Activiteit is gerealiseerd op moment ontvangst subsidieaanvraag - - Artikel 4:29 Awb borgt voldoende eenduidigheid Bijlage3bij de Toelichting behorende bij de Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland
  37. Zeeland (voorzover in artikel 4 Asv2013 reeds meegenomen bij weigeringsgronden) Noord-Brabant, artikel 9, eerste lid Asv Limburg artikel 10 ASV2012 Conclusie eenmalige aanspraak op financiële middelen Voldoende geborgd met begripsomschrijving projectsubsidie eenmalig project opgenomen in de regeling niet reguliere bedrijfsvoering aanvrager opgenomen in de regeling Stukken ten grondslag aan de aanvraag:
  38. Concrete beschrijving activiteit;
  39. Uiteenzetting wijze van bijdragen aan beleid provincie;
  40. Duur activiteit
  41. Geografisch gebied waarop activiteit betrekking heeft
  42. Concrete beschrijving resultaat en na te streven kwaliteitsniveau
  43. Sluitende begroting cf artikel 1.4.
  44. Verklaring bezoldiging
  45. Beschrijving organisatorische verbanden mbt invloed hoogte subsidiabele kosten Stukken ten grondslag aan de aanvraag
  46. Activiteitenplan met beschrijving van activiteiten, doelen, resultaten..;
  47. ..
  48. ..
  49. ..
  50. ..
  51. Begroting
  52. ..
  53. Beschrijving organisaties verbanden mbt invloed hoogte subsidiabele kosten..
  54. Igv aanvraag hoger dan €125.000 ook een raming van de liquiditeitsbehoefte
  55. Opgenomen in artikel 1.5,2e lid onder a: projectplan
  56. Zie 1 en in vereisten 1.
  57. en bij specifieke paragraaf
  58. indien toetsingsgrond opgenomen in specifieke vereisten;
  59. verplichting hiertoe volgt uit vereiste 1.5, onder a, komt in projectplan;
  60. komt in projectplan ogv artikel 1.5 onder b en c
  61. opgenomen in artikel 1.5, tweede lid, onder b
  62. nvt
  63. … Hoofdstuk 8 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie in het kader van de Provinciale Impuls Wonen Artikel 8.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: particuliere woning: een pand in eigendom van een particulier, met een individueel adres, een eigen nutsaansluiting, al dan niet grondgebonden, bedoeld en geschikt om in te wonen, waarop de planologische bestemming Wonen rust, niet zijnde een bedrijfs- of dienstwoning of een 1- of 2- kamerappartement; ongewenste particuliere woning: een bestaande particuliere woning met een WOZ-waarde of een door een beëdigd taxateur bepaalde taxatiewaarde (inclusief bijbehorende grond) lager dan € 170.000 en gebouwd voor 1975; ongewenste particuliere woningvoorraad: het totaal van ongewenste particuliere woningen in Zeeland; toekomstbestendige woning: woning die voldoet aan de huidige en toekomstige eisen van gebruikers, al dan niet na investeringen in de woning, en minimaal levensloopbestendig en energieneutraal is; regionale woningmarktafspraken: afspraken die gemeenten binnen een regio met elkaar maken over de omvang en kwaliteit van te bouwen en te herstructureren woningen in de komende tien jaar, zoals omschreven in het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018; sociale huurwoning: een goedkope huurwoning die meestal eigendom is van een woningcorporatie, met een maximale huurprijs van € 710,68; Z4: de gebieden gelegen binnen de Grens bestaand bebouwd gebied van de steden Goes, Middelburg, Terneuzen en Vlissingen; krimpgebied: de gebieden behorend tot de gemeenten Hulst, Terneuzen, Schouwen-Duiveland, Sluis en Vlissingen; transformatiegebied: vier door de betreffende gemeenten afgebakende gebieden in de vier Zeeuwse steden die een transformatie ondergaan van industriegebied naar woongebied. Het gaat hierbij om de Goese Schans in Goes, Axelse Dam in Terneuzen, Ramsburg in Middelburg en Scheldekwartier in Vlissingen; innovatie: de mate waarin binnen een activiteit onderdelen zijn opgenomen die nog nooit op deze wijze in Zeeland of daarbuiten zijn uitgeprobeerd; cultuurhistorie: een door het Rijk op grond van de Monumentenwet 1988 aangewezen stads- of dorpsgezicht, een door het Rijk geselecteerd wederopbouwgebied dat van nationaal belang is of een ander waardevol cultuurhistorisch erfgoed dat is opgenomen in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur van Zeeland; duurzaamheid: de mate waarin binnen een activiteit maatregelen worden genomen in het kader van het zuinig omgaan met energie, water, grondstoffen en het terugdringen of vermijden van vervuiling; bestaand bebouwd gebied: de begrenzing van het gebied, zoals opgenomen in kaart 19 van het Omgevingsplan Zeeland 2012-2018; landelijke bebouwingsconcentratie: een concentratie van bebouwing in het landelijk gebied, ook wel buurtschap genoemd, met overwegend een woonfunctie. De grens van de landelijke bebouwingsconcentratie eindigt daar waar de bebouwing zijn aaneengesloten karakter verliest; levensloopbestendige woning: een woning die geschikt is of eenvoudig geschikt is te maken voor bewoning tot op hoge leeftijd, ook in geval van fysieke handicaps of chronische ziekten van bewoners. Vereiste daarbij is dat de woning zonder trappen van buiten af bereikbaar en rolstoeltoegankelijk is, waarbij de zogenaamde 'primaire ruimtes' (keuken, sanitair, woonkamer en minimaal één slaapkamer) zich op dezelfde woonlaag bevinden; energie-neutrale woning: een woning die met een normaal leefpatroon en een hoog comfortniveau op jaarbasis voldoende energie opwekt om te voorzien in het huishoudelijk verbruik (elektra, warm water, koken, verwarming); sloop van een woning: het geheel verwijderen van een woning, met inbegrip van de fundering; nieuwbouw van een woning: het bouwen van een woning waarbij de regels van toepassing zijn inzake nieuwbouw conform het Bouwbesluit 2012; particuliere verhuurder: iemand die een woning verhuurt zonder dat daar een woningcorporatie of woningbouwvereniging bij betrokken is. Artikel 8.2 Subsidie kan worden verstrekt voor een activiteit die tot doel heeft: het verminderen van de ongewenste particuliere woningvoorraad door sloop of samenvoeging van woningen; het slopen van ongewenste particuliere woningen en het terugbouwen van evenveel particuliere woningen; het renoveren van minimaal drie aaneengesloten ongewenste particuliere woningen tot toekomstbestendige woningen waarbij de minimale investering € 40.000 per woning bedraagt; het verdunnen van de sociale huurwoningvoorraad in een wijk door sloop of samenvoeging van woningen. Artikel 8.3 In afwijking van artikel 1.2.1, eerste lid, kan aan een natuurlijk persoon subsidie worden verstrekt voor een activiteit als bedoeld in artikel 8.2, aanhef en onderdeel a, b of c. In aanvulling op artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel a en b, wordt subsidie niet verstrekt indien: de activiteit is aangevangen eerder dan vier weken na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, als bedoeld in artikel 8.5, eerste lid; de activiteit niet aanvangt binnen één jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie, bedoeld in artikel 8.5, eerste lid; de activiteit niet is gerealiseerd binnen drie jaar na beëindiging van de openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie bedoeld in artikel 8.5, eerste lid; de activiteit een bezwaar vormt voor het gemeentelijk beleid of geldende regelgeving van de gemeente waarbinnen de activiteit wordt uitgevoerd; de activiteit plaatsvindt in een regio waarvoor geen geldende en door de provincie onderschreven regionale woningmarktafspraken beschikbaar zijn; de activiteit geen punten scoort op basis van artikel 8.9, tweede lid, aanhef en onderdeel a; de activiteit plaatsvindt buiten het bestaand bebouwd gebied en de landelijke bebouwingsconcentratie; de activiteit betrekking heeft op een woning die wordt verhuurd door een particuliere verhuurder. Gedeputeerde staten kunnen op schriftelijk gemotiveerd verzoek gedurende de looptijd van een verleende subsidie in een individueel geval afwijken van het in het tweede lid, aanhef en onderdeel b bepaalde. In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, wordt een subsidie niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 10.
  64. Artikel 8.4 De artikelen 1.3.1 en 1.3.2 zijn niet van toepassing op een subsidie in het kader van de Provinciale Impuls Wonen. Artikel 8.5 Een subsidie in het kader van de Provinciale Impuls Wonen kan uitsluitend worden verstrekt als gedeputeerde staten de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag voor subsidie hebben opengesteld door vaststelling van een subsidieplafond en van een openstellingsperiode voor de indiening van de aanvraag voor subsidie. In afwijking van artikel 1.5.2, eerste lid, beslissen gedeputeerde staten op de aanvraag binnen twaalf weken na afloop van de openstellingsperiode, bedoeld in het eerste lid van dit artikel. Gedeputeerde staten kunnen de beslissing eenmaal voor ten hoogste vier weken verdagen. Artikel 8.6 In aanvulling op artikel 1.4.2, eerste lid, bevat een aanvraag voor een subsidie in het kader van de Provinciale Impuls Wonen: een volledig ingevuld aanvraagformulier Provinciale Impuls Wonen, zoals beschikbaar gesteld op de website van de provincie Zeeland; een beschrijving van de tijdplanning van het project. Artikel 8.7 Voor de beoordeling van de subsidieaanvraag kan een beroep worden gedaan op een externe deskundige. Artikel 8.8 De hoogte van de subsidie bedraagt: indien er sprake is van het verminderen van de ongewenste particuliere woningvoorraad door sloop: maximaal € 40.000 per onttrokken woning; indien er sprake is van het verminderen van de ongewenste particuliere woningvoorraad door samenvoeging van woningen: maximaal € 25.000 per samenvoeging; indien er sprake is van het slopen van ongewenste particuliere woningen en het terugbouwen van evenveel particuliere woningen: maximaal € 10.000 per gesloopte woning; en maximaal € 10.000 ten behoeve van de kosten van het saneren van ernstige vormen van verontreiniging per woning; indien er sprake is van het renoveren van minimaal drie aaneengesloten ongewenste particuliere woningen tot toekomstbestendige woningen: maximaal € 10.000 per omgevormde woning waarbij de minimale investering € 40.000 per woning bedraagt; indien er sprake is van het verdunnen van de sociale huurwoningvoorraad in een wijk door sloop of samenvoeging van woningen: maximaal € 15.000 per onttrokken woning. Artikel 8.9 Als de subsidieaanvragen, die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, maken gedeputeerde staten voor het bepalen van de volgorde van behandeling een rangschikking van de aanvragen op basis van de volgende criteria: soort fysieke ingreep; locatie; innovatie; cultuurhistorie; duurzaamheid. Gedeputeerde staten kennen voor de rangschikking, bedoeld in het eerste lid, de volgende punten toe: criterium soort fysieke ingreep: het verminderen van de ongewenste particuliere woningvoorraad door sloop of samenvoeging van woningen: ten hoogste vijfhonderd punten; het slopen van ongewenste particuliere woningen en de nieuwbouw van evenveel particuliere woningen: ten hoogste tweehonderdvijftig punten; het renoveren van minimaal drie aaneengesloten ongewenste particuliere woningen tot toekomstbestendige woningen: ten hoogste honderd punten; het verdunnen van de sociale huurwoningvoorraad in een wijk door sloop of samenvoeging van woningen: ten hoogste honderd punten; criterium locatie: Z4: ten hoogste vijftig punten; krimpgebied: ten hoogste vijftig punten; transformatiegebied: ten hoogste vijftig punten; criterium innovatie: ten hoogste tweehonderd punten; criterium cultuurhistorie: ten hoogste vijftig punten; criterium duurzaamheid: ten hoogste honderd punten. Gedeputeerde staten rangschikken de aanvragen op volgorde van het aantal toegekende punten. Gedeputeerde staten verdelen het bedrag van het subsidieplafond op volgorde van de rangschikking. Hoofdstuk 9 Bijzondere bepalingen voor verstrekking van subsidie voor een kernsportevenement Artikel 9.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: Kernsport: wieler-, water- en strandsport waarbij gebruik wordt gemaakt van het Zeeuwse landschap; Wielersport: een sport erkend door de Internationale Wielerunie UCI en NFTU; Watersport: een sport erkend door één van de aan het NOC*NSF gelieerde watersportbonden; Strandsport: een sport die wordt uitgeoefend op het strand en erkend wordt door één van de aan het NOC*NSF gelieerde bonden. Artikel 9.2 Subsidie kan worden verleend voor een kernsportevenement, dat: door de landelijke sportbond of het NOC*NSF wordt gekwalificeerd als hoogste niveau in de betreffende tak van sport voor de betreffende leeftijdscategorie; potentie voor Zeeland heeft in de zin van de promotie van de provincie Zeeland door internationale of nationale zichtbaarheid en waarmee de provincie als regio wordt geprofileerd; of, een economische impuls levert voor de regio. Subsidie wordt niet verstrekt voor een evenement waarbij er geen sprake is van verbreding van het evenement door sportontwikkeling, talentontwikkeling, breedtesport of gehandicaptensport. In afwijking van artikel 1.2.1, tweede lid, aanhef en onderdeel c, wordt een subsidie voor een kernsportevenement niet verstrekt indien de te verstrekken subsidie minder bedraagt dan € 1.
  65. Artikel 9.3 De subsidie bedraagt: maximaal € 75.000 voor een nationaal of internationaal evenement met regionale en nationale en beperkte internationale media-aandacht, met een publieksbereik ook buiten Zeeland, een groot aantal sporters op het hoogste niveau, een groot aantal side-events en georganiseerd door een professionele organisatie; maximaal € 25.000 voor een nationaal of provinciaal evenement met provinciale en beperkte nationale media-aandacht, een groot aantal sporters op hoog niveau, een provinciaal publieksbereik en georganiseerd door een semi-professionele organisatie; maximaal € 5.000 voor een meerdaags evenement met nationale of internationale deelnemers en een regionale uitstraling; € 2.500 voor een eendaags evenement met nationale deelnemers en een regionale uitstraling. De subsidie bedraagt maximaal 10 procent van de subsidiabele kosten, met een maximum zoals genoemd in het eerste lid. Artikel 9.4
  66. De aanvraag voor een subsidie wordt ingediend voor 1 januari van het kalenderjaar waarin de activiteit wordt aangevangen.
  67. De behandelingstermijn van de aanvraag vangt aan op 1 januari.
  68. In afwijking van het eerste lid wordt de aanvraag voor subsidie voor een activiteit in 2014 ingediend voor 15 mei
  69. In afwijking van het tweede lid vangt de behandelingstermijn van de aanvraag voor subsidie in 2014 aan op 15 mei
  70. Artikel 9.5 Voor de beoordeling van de aanvraag kan advies worden gevraagd aan SportZeeland. Artikel 9.6 Als de subsidieaanvragen die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, worden de aanvragen voor subsidie beoordeeld en geselecteerd aan de hand van de criteria: Spreiding over de drie kernsporten; Publieksbereik van het evenement; Niveau van de sporters die deelnemen aan het evenement; Provinciaal belang van het evenement; De publieke uitstraling van het evenement; Verbreding van het evenement naar een groot publiek. Indien na selectie op basis van het eerste lid de subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond te boven gaan, worden de te verstrekken subsidies naar rato van de aangevraagde subsidiebedragen verlaagd, tenzij het aangevraagde subsidiebedrag het maximum uit artikel 9.3, eerste lid overschrijdt, dan wordt de subsidie verlaagd naar rato van de in het betreffende artikel genoemde bedrag. Artikel 9.7 Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel 9.8 Bij de subsidieverlening kunnen gedeputeerde staten de instelling verplichten medewerking te verlenen aan d

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.