Beleidsregels bij de Keur Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2018Het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden; Gezien het bestuursvoorstel d.d. 5 februari 2019 (1483299, 1447198); Gelet op artikel 56 van de Waterschapswet, artikel 6.13 van de Waterwet, de artikelen 3.2 en 3.3 van de Keur Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2018 en het besluit van het Algemeen Bestuur d.d. 19 december 2018 (1446665, 1475838); BESLUIT Vast te stellen de Beleidsregels bij de Keur Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2018 [en deze op 1 mei 2019 in werking te laten treden]. Inhoudsopgave
- Inleiding bij de beleidsregels Deel 1: Beleidsregels voor vergunningplichtige handelingen met betrekking tot oppervlaktewater
- Graven van of in oppervlaktewater
- Dempen van oppervlaktewater
- Duikers, dammen met duiker en dichte dammen in oppervlaktewater
- Bruggen in of over oppervlaktewater
- Steigers en vlonders bij oppervlaktewater
- Beschoeiingen in of langs oppervlaktewater
- Uitstroomvoorzieningen en onttrekkingspunten in oppervlaktewater
- Onttrekken van oppervlaktewater
- Kabels en leidingen in, onder of langs oppervlaktewater
- Beplanting bij oppervlaktewater
- Objecten (hekwerken, rasters e.d.), wegen en paden langs oppervlaktewater
- Constructies, objecten en vaartuigen in oppervlaktewater
- Aanleggen van natuurvriendelijk oevers en/of het verrichten van handelingen daarin of daarboven
- Versneld afvoeren en lozen van hemelwater vanaf nieuw verhard oppervlak op oppervlaktewater
- Bouwwerken langs oppervlaktewater
- Beweiden van gronden langs oppervlaktewater
- Grondboringen, sonderingen en peilbuizen in of langs oppervlaktewater
- Evenementen in oppervlaktewater
- Op- of onderbemalingen en peilafwijkingen in oppervlaktewater
- Peilscheidende en peilregulerende kunstwerken in en langs oppervlaktewater
- Verrichten van handelingen in of boven een vaarweg
- (Gereserveerd)
- (Gereserveerd) Deel 2: Beleidsregels voor vergunningplichtige handelingen met betrekking tot een waterkering
- Algemeen
- Graafwerkzaamheden bij een waterkering
- Aanbrengen van grond bij een waterkering
- Duikers, dammen met duiker en inlaatduikers bij een waterkering
- Bruggen bij een waterkering
- Steigers en vlonders bij een waterkering
- Beschoeiing en damwanden bij een waterkering
- Uitstroomvoorzieningen en onttrekkingspunten bij een waterkering
- Kabels en leidingen bij een waterkering
- Beplanting bij een waterkering
- Hekwerken en schuttingen bij een waterkering
- Objecten bij een waterkering
- Bouwwerken bij een waterkering
- Beweiden grond bij een waterkering
- Afrasteringen bij een waterkering
- Bemesten van gronden bij een waterkering
- Bewerken van gronden bij een waterkering
- Vervangen van de grasmat bij een waterkering
- Grondboringen, sonderingen, peilbuizen en bodemenergiesystemen in of bij een waterkering
- Evenementen bij een waterkering
- Op- of onderbemalingen en (tijdelijke) peilafwijkingen bij een waterkering
- Aanleggen van wegen en verhardingen op of bij een waterkering
- Werkzaamheden aan wegen en verhardingen op of bij een waterkering
- Stuwen in of bij een waterkering
- Sluizen in of bij een waterkering
- Seismisch onderzoek in of bij een waterkering
- Explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen op of bij een waterkering
- Werken met een overdruk van 10 bar of hoger op of bij een waterkering
- Het uitvoeren van werkzaamheden op of bij een waterkering
- Insteekhavens langs waterkeringen langs de Gekanaliseerde Hollandse IJssel
- (Gereserveerd) Deel 3: Beleidsregels voor vergunningplichtige handelingen met betrekking tot grondwater
- Algemeen
- Grondwateronttrekking voor werkzaamheden in de bodem (laagwaardig gebruik)
- Grondwateronttrekking voor grondwatersanering of beheersmaatregel (laagwaardig gebruik)
- Proefonttrekking (laagwaardig gebruik)
- Brandblusvoorziening
- Grondwateronttrekking voor bedrijfsmatige beregening / bevloeiing (laagwaardig gebruik)
- Grondwateronttrekking voor drinkwater voor vee (laagwaardig gebruik)
- Grondwateronttrekking voor menselijke consumptie (middelwaardig gebruik)
- Grondwateronttrekking voor bedrijfsmatige toepassing (laagwaardig gebruik)
- Grondwateronttrekking voor huis tuin en keuken of andere kleinschalige toepassingen (laagwaardig gebruik)
- Grondwateronttrekking voor droog houden en beschermen van ondergrondse bebouwing / infrastructuur (laagwaardig gebruik)
- Permanente drainage percelen (laagwaardig gebruik)
- Grondwateronttrekkingen voor waterpartijen of natuur (respectievelijk laag- en middelwaardig gebruik)
- Infiltreren en water (terug) in de bodem brengen 1 Inleiding bij de beleidsregels 1.1 Inleiding In de Keur en met name de uitvoeringsregels behorend bij de Keur, heeft het waterschap bepaald in welke gevallen een handeling in het watersysteem is toegestaan en wanneer hiervoor een vergunning nodig is. Onder watersysteem wordt verstaan: het samenhangend geheel van een of meer oppervlaktewaterlichamen met bijbehorende bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken en grondwaterlichamen. In hoofdstuk 2 van de Keur heeft het algemeen bestuur van het waterschap doelcriteria vastgesteld. Deze criteria zijn bepalend voor de vraag of een handeling in het watersysteem kan worden toegestaan of niet. Het college heeft deze doelcriteria voor concrete situaties uitgewerkt in stroomschema’s, vastgelegd in het document “Uitvoeringsregels bij de Keur 2018”. Daarnaast heeft het college voor de handelingen die vergunningplichtig zijn, beleidsregels vastgesteld. Deze zijn vastgelegd in dit document “Beleidsregels bij de Keur 2018”. De beleidsregels zijn onderverdeeld in: deel 1: handelingen met betrekking tot oppervlaktewater (hoofdstuk 2 t/m 24) deel 2: handelingen met betrekking tot een waterkering (hoofdstuk 25 t/m 54) en deel 3: handelingen met betrekking tot grondwater (hoofdstuk 55 t/m 67). 1.2 Mogelijke uitkomsten stroomschema In de uitvoeringsregels zijn stroomschema’s opgenomen waarin criteria zijn vastgelegd aan de hand waarvan kan worden bepaald of een handeling is toegestaan en aan welke regels moet worden voldaan. De initiatiefnemer kan met het doorlopen van de stroomschema’s zelf nagaan waar hij zich aan moet houden voordat hij de voorgenomen handeling uitvoert. Hierbij zijn verschillende uitkomsten mogelijk, te weten: er moet alleen worden voldaan aan de zorgplicht (dit geldt altijd); of naast de zorgplicht moet worden voldaan aan een algemene regel (al dan niet met voorafgaande melding); of naast de zorgplicht moet een vergunning worden aangevraagd; of de handeling is niet toegestaan; er geldt een algeheel verbod. 1.3 Zorgplicht Zoals hierboven aangegeven moet de initiatiefnemer altijd voldoen aan de zorgplicht. Met deze zorgplicht wordt invulling gegeven aan het “ja-mits”-uitgangspunt waar de nieuwe Keur op is gebaseerd. Handelingen die in het stroomschema zijn aangeduid met “zorgplicht”, zijn toegestaan mits wordt voldaan aan de zorgplicht. Per hoofdstuk hebben wij aangegeven wat in dat geval onder de zorgplicht kan worden verstaan. Dit zijn slechts voorbeelden. De initiatiefnemer moet altijd zelf nagaan wat in het concrete geval moet worden gedaan of nagelaten om aan de zorgplicht te voldoen. In artikel 3.1 van de Keur staan de nadelige effecten voor het watersysteem die met de zorgplicht moeten worden voorkomen. Daarnaast functioneert de zorgplicht ook als vangnet om te kunnen optreden tegen eventuele nadelige effecten van handelingen op het watersysteem, die niet op andere wijze zijn gereguleerd. 1.4 Vergunningplicht Als volgens het stroomschema een vergunningplicht geldt, dan mag de handeling niet zonder meer worden uitgevoerd en moet hiervoor op grond van artikel 3.3 van de Keur eerst een vergunning zijn verleend. In dit document met beleidsregels is te lezen welk afwegingskader het waterschap hanteert bij de beoordeling van een vergunningaanvraag. Eventuele vergunningen worden alleen verleend als waterstaatkundige belangen niet in het gedrang komen. Bij het verlenen van een vergunning worden deze belangen altijd afgewogen. Daarnaast moet rekening gehouden worden met de verbrede doelstellingen van de Waterwet te weten de samenhang met chemische en ecologische aspecten en de vervulling van maatschappelijke functies van watersystemen. Om op dit punt zoveel mogelijk duidelijkheid en zekerheid te bieden, zijn zowel ten behoeve van het waterschap als initiatiefnemers duidelijke uitgangspunten geformuleerd en vastgelegd in beleidsregels. Daarnaast kan het zijn dat er voor een handeling naast een watervergunning op grond van de Keur nog andere regelgeving van toepassing is, waarvoor een vergunning nodig is. Te denken valt aan een aanlegvergunning van een gemeente, een vergunning op basis van de Natuur- en landschapsverordening van de provincie of op basis van de Flora en faunawet. De initiatiefnemer dient daar zelf op te letten. 1.5 Keuzevrijheid initiatiefnemer De initiatiefnemer kan aan de hand van het stroomschema keuzes maken in de manier van uitvoering van de voorgenomen handeling, waarmee de uitkomst kan worden beïnvloed. Door een bouwplan of voorgenomen handeling aan te passen, waardoor op grond van het stroomschema andere criteria gelden, kan het doorlopen van het stroomschema een andere uitkomst geven. De uitkomst kan dan bijvoorbeeld zijn alleen zorgplicht of een algemene regel, in plaats van een vergunningplicht. Verder heeft de initiatiefnemer de vrijheid, tenzij in dit document en/of het document met uitvoeringsregels anders is aangegeven, om gecombineerde handelingen te splitsen of samen te voegen. De basis hiervoor ligt in artikel 3.4 van de Keur. Als een voorgenomen project uit meerdere handelingen bestaat waarbij voor één of meer van de handelingen een vergunningplicht geldt, dan kan de initiatiefnemer voor dat project een gecombineerde vergunning aanvragen, waarin dus ook de handelingen worden opgenomen waarvoor een algemene regel bestaat. Blijkt echter bij het doorlopen van de stroomschema’s dat een handeling op basis van één of meer van de stroomschema’s vergunningplichtig is, dan is de handeling altijd vergunningplichtig, ook al geeft één van de stroomschema’s aan dat er een algemene regel voor is. Dit kan voorkomen als vanuit het watersysteembelang geen vergunningplicht geldt, maar wel vanuit het waterkeringenbelang. De initiatiefnemer heeft met dit alles meer keuzevrijheid, maar krijgt tevens meer verantwoordelijkheid voor het goed functioneren van het watersysteem. Per hoofdstuk hebben wij aangegeven dat mogelijk ook andere hoofdstukken met regelgeving van toepassing zijn. Indien is verwezen naar andere hoofdstukken is dat niet uitputtend bedoeld, maar slechts informatief. Gezien de keuzevrijheid die de initiatiefnemer krijgt, is het voor het waterschap niet mogelijk een uitputtende opsomming te geven van alle mogelijk van toepassing zijnde regels. Het is aan de initiatiefnemer zelf om na te gaan of hij ook nog aan andere algemene regels en/of andere regelgeving moet voldoen. 1.6 Relatie tussen vergunningen eigendomssituatie De eigendomssituatie van de locatie is geen beoordelingscriterium voor de watervergunning. Het eigendom beïnvloedt immers niet het onderhoud en/of de doorstroming. Of derden toestemming geven of niet is geen beoordelingscriterium voor de vergunning. Het waterschap zal niet de eigendomssituatie verifiëren. Dat is een zaak tussen de aanvrager en de eigenaar. In de begeleidende brief bij de vergunning zal het waterschap standaard aangeven dat er mogelijk nog andere vergunningen of toestemmingen van eigenaren nodig zijn. Als het waterschap eigenaar is, zijn er situaties denkbaar waarin het bepaalde (bouw)werken niet wil toestaan, ook al voldoet het ontwerp aan de randvoorwaarden uit het beleid. Een voorbeeld is een kano-overdraagplaats direct nabij een groot gemaal van het waterschap. Vanuit haar eigenaarsrol kan het waterschap een dergelijke voorziening weigeren, bijvoorbeeld omdat het onveilig zou zijn. Mocht het waterschap vanuit haar eigenaarsrol wel willen instemmen dan wordt dit in een aparte toestemmingsbrief vermeld. 1.7 Hoe aanvraag indienen? Een aanvraag voor een vergunning moet bij het waterschap worden ingediend op het daarvoor bestemde aanvraagformulier. Dit formulier kunt u vinden op de site van het waterschap: www.hdsr.nl. Tevens kan de aanvraag digitaal worden ingediend via het Omgevingsloket: www.omgevingsloket.nl. Na het indienen van het formulier zal uw aanvraag worden beoordeeld, waarbij er zal worden vastgesteld of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden. Uitgangspunt hierbij is dat eventueel op te treden nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen door de te stellen voorschriften. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan. 1.8 Vragen? Bij het opstellen van de beleidsregels is er naar gestreefd dit op een zo klantvriendelijk mogelijke manier te doen. Indien een en ander toch niet duidelijk is, is het raadzaam voorafgaand aan het uitvoeren van de handeling of het indienen van de vergunningaanvraag, te informeren bij de afdeling Vergunningverlening en Handhaving van het waterschap. 1.9 Achtergrondinformatie over het hoe en waarom van beleidsregels Artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (en verder) maakt het mogelijk om beleidsregels vast te stellen Deze beleidsregels moeten er voor zorgen dat aanvragen om vergunning volgens vaste toetsingscriteria en maatstaven worden beoordeeld. Definitie In artikel 1:3 vierde lid Awb, wordt de volgende definitie gegeven van een beleidsregel: ''Onder beleidsregel wordt verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.'' Enkele opmerkingen hierbij: een beleidsregel is een besluit in de zin van de Awb en moet dus aan dezelfde eisen voldoen ter zake van motivering en bekendmaking; een beleidsregel geeft aan hoe het bestuursorgaan in bepaalde gevallen gebruik zal maken van zijn bevoegdheid; anders dan bijvoorbeeld een algemeen verbindend voorschrift, kent de beleidsregel een zogenaamde inherente afwijkingsbevoegdheid. Dit wil zeggen dat het bestuursorgaan zich altijd moet afvragen of er bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking van de beleidsregel vereisen. Strikte toepassing van de beleidsregel kan in voorkomende gevallen immers onevenredige gevolgen hebben. In die gevallen kan gemotiveerd van de beleidsregel worden afgeweken; het bestuursorgaan kan slechts beleidsregels vaststellen ten aanzien van de eigen bevoegdheden. In dit geval is dat dus het college van dijkgraaf en hoogheemraden. Voordeel Beleidsregels bieden de burger rechtszekerheid en rechtsgelijkheid; dat is een belangrijk voordeel. Voor het waterschap betekenen de beleidsregels dat in vergelijkbare gevallen niet iedere keer dezelfde afweging en motivering hoeft te worden gemaakt. Er kan eenvoudig naar de beleidsregel worden verwezen. Binding Omdat een beleidsregel een besluit is in de zin van de Awb, moet zowel het bestuursorgaan als de burger zich aan de beleidsregel houden. De burger mag dus verwachten dat hij in principe een vergunning krijgt als hij een aanvraag indient die strookt met de betrokken beleidsregel. Aan de andere kant moet het bestuursorgaan de gevraagde vergunning in principe weigeren als deze niet strookt met de betrokken beleidsregel. In beide gevallen geldt dat in bijzondere gevallen en om zwaarwegende redenen van de beleidsregel kan worden afgeweken. Afwijking Alleen in bijzondere gevallen kan van de beleidsregel worden afgeweken. Bijvoorbeeld omdat het belang van toepassing van de regel niet opweegt tegen het grotere belang van de aanvrager. Andersom kan ook: een aanvraag lijkt binnen de beleidsregel te passen, maar er zijn bijzondere omstandigheden op grond waarvan de aanvraag alsnog moet worden geweigerd. In beide gevallen zal een besluit goed gemotiveerd moeten worden. Indien dezelfde afwijking regelmatig (of zelfs structureel) voorkomt is het denkbaar dat het beter is om de beleidsregel te wijzigen. Een dergelijke wijziging behoort uit een oogpunt van rechtszekerheid op dezelfde wijze tot stand te komen als de beleidsregel zelf. Van een beleidsregel mag en moet alleen worden afgeweken als de strikte naleving, gelet op de strekking van de beleidsregel zelf, niet nodig is en bovendien een onevenredig nadeel voor belanghebbende(n) of de waterschapsbelangen zou opleveren. Bezwaar en beroep De Awb biedt op grond van artikel 8:2 onder b tegen de vaststelling van de beleidsregels zelf géén bezwaar- of beroepsmogelijkheden. Uiteraard is dat wel het geval met besluiten, zoals vergunningen die onder de werking van een beleidsregel tot stand komen. In dat kader kan een rechter, indien deze een beleidsregel geheel of gedeeltelijk onrechtmatig vindt, alsnog de onverbindendheid van de beleidsregel zelf vaststellen. Deel 1: Beleidsregels voor vergunningplichtige handelingen met betrekking tot oppervlaktewater 2 Graven van of in oppervlaktewater 2.1 Inleiding Als u in het stroomschema voor het “Graven van of in oppervlaktewater”, opgenomen in de Uitvoeringsregels bij de Keur, uitkomt bij vergunningplicht, dan mag de handeling niet zonder meer worden uitgevoerd. Hiervoor heeft u een vergunning nodig van het waterschap die u bij ons kunt aanvragen. In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen. De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend. Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen. 2.2 Afwegingskader Van geval tot geval moet worden bekeken of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur. Bij de beoordeling van een aanvraag voor het graven van oppervlaktewater ten behoeve van het permanent aanleggen van een nieuwe watergang of het verlengen, verdiepen of verbreden van een bestaande watergang, houden wij rekening met de volgende aspecten: het voorkomen van het ontstaan van waterschaarste of -overlast als gevolg van wegzijging of kwel; het garanderen van de aan- en afvoer van water in relatie tot bestaande waterhuishouding en toekomstige ontwikkelingen; het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem (watergang en oevers) worden belemmerd; het voorkomen van negatieve effecten op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand van water en oevers. Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a: het voorkomen van het ontstaan van waterschaarste- of overlast Bij de aanleg van nieuwe watergangen kunnen deklagen worden doorgraven, waardoor de bodem van een watergang gaat bestaan uit een doorlatende zandlaag. Aan de voet van de Utrechtse Heuvelrug kan het graven van oppervlaktewater leiden tot extra afvoer van kwel uit de Utrechtse Heuvelrug. Dit heeft verlaging van de grondwaterstand hoger in het gebied tot gevolg. Door het treffen van maatregelen zoals het plaatsen van stuwen is het mogelijk om extra kwel te voorkomen. Het doorgraven van deklagen kan in sommige gebieden leiden tot extra wegzijging van water. Dit kan ter plaatse leiden tot een watertekort en in lager gelegen gebieden tot een teveel aan water. Vergunningaanvragen worden getoetst of extra kwel of wegzijging leidt tot waterschaarste of –overlast. Indien dit het geval is kunnen voorschriften worden opgenomen om dit te voorkomen. ad b: het garanderen van de aan- en afvoer van water Het graven in een beschermingszone K van een kunstwerk kan de stabiliteit van het betreffende kunstwerk in gevaar brengen. Graafwerkzaamheden worden in een beschermingszone K uitsluitend toegestaan indien de stabiliteit van het kunstwerk niet in gevaar komt of onder voorwaarde dat maatregelen worden getroffen waarmee de stabiliteit van het kunstwerk wordt geborgd. Ook kan het graven onderloopsheid van het kunstwerk tot gevolg hebben. Maatregelen moeten worden getroffen om dit te voorkomen. Bij de aanleg van nieuwe watergangen wordt getoetst of deze passen binnen de bestaande waterhuishouding en binnen eventuele toekomstige ontwikkelingen met betrekking tot het watersysteem. Het nieuw gegraven water mag toekomstige ontwikkelingen niet onmogelijk maken. Indien vergunning wordt verleend, wordt tenminste de voorwaarde opgenomen dat het nieuwe oppervlaktewater past binnen toekomstige ontwikkelingen. Indien oppervlaktewater wordt gegraven, dan wordt dit water opgenomen in de Legger oppervlaktewateren, ook als het niet als compensatie dient voor een demping of versnelde afvoer en lozing van verhard oppervlak. Dit water kan dan later niet zonder compensatie worden gedempt (zie ook hoofdstuk 3 voor het dempen van oppervlaktewater). Indien het water wordt opgenomen in een waterbank, dan kan het later ingezet worden voor compensatie van demping of versneld afvoeren en lozen. De mogelijkheden voor een waterbank kunt u bespreken met het waterschap. ad c: het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd Het verbreden van een primaire of secundaire watergang met een beschermingszone A, die door het waterschap vanaf één oever wordt onderhouden, kan tot gevolg hebben dat onderhoud vanaf die oever na de verbreding niet meer mogelijk is. Alternatief is het onderhoud, indien mogelijk, vanaf beide oevers of varend uit te voeren. Dit brengt echter hogere kosten met zich mee en stelt ook eisen aan de inrichting van de watergang (inlaatplaatsen voor de boot, bruggen op minimale hoogte). Het belang van de verbreding wordt gewogen tegen de extra kosten voor onderhoud. Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat minimaal een vorm van machinaal onderhoud tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten, mogelijk blijft. ad d: het voorkomen van negatieve effecten op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand van water en oevers Het waterschap heeft op grond van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) de verplichting om te streven naar ecologisch gezond water. Om dit te kunnen waarborgen in nieuw te graven water, worden er eisen gesteld aan de vormgeving (diepte, breedte, taludhelling) van de watergang. Voor het graven van tertiaire watergangen gelden minimale afmetingen. Voor het verlengen van bestaande primaire of secundaire watergangen heeft het de voorkeur om het bestaande profiel door te trekken. Dit geldt met name als het profiel een vorm heeft die afgestemd is op de ecologische wensen. Als dit niet het geval is, wordt met de initiatiefnemer gekeken of het mogelijk is om een ecologisch gewenst profiel aan te leggen. Voor andere nieuw aan te leggen watergangen wordt samen met de initiatiefnemer gekeken in hoeverre een op de ecologie afgestemd profiel mogelijk is. Indien vergunning wordt verleend, wordt tenminste de voorwaarde opgenomen dat minimaal ecologisch gezond water kan ontstaan, maar bij voorkeur met een maximaal op de ecologie afgestemd profiel. 3 Dempen van oppervlaktewater 3.1 Inleiding Als u in het stroomschema voor “Dempen van oppervlaktewater”, opgenomen in de Uitvoeringsregels bij de Keur, uitkomt bij vergunningplicht, dan mag de handeling niet zonder meer worden uitgevoerd. Hiervoor heeft u een vergunning nodig van het waterschap die u bij ons kunt aanvragen. In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen. De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend. Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen. 3.2 Afwegingskader Van geval tot geval moet worden bekeken of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur. Bij de beoordeling van een aanvraag voor het dempen, versmallen of verondiepen van een watergang houden wij rekening met de volgende aspecten: het voorkomen van het ontstaan van wateroverlast of -schaarste; het garanderen van de wateraan- en -afvoer; het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd; het voorkomen van negatieve effecten op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand van water en oevers; het tegengaan van bodemdaling. Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a: het voorkomen van het ontstaan van wateroverlast of -schaarste Uitgangspunt is dat de waterberging door een demping niet verkleind wordt. Oppervlaktewater dat tengevolge van een demping geïsoleerd wordt van het watersysteem wordt ook als gedempt beschouwd. Een demping moet volledig worden gecompenseerd (stand-still principe). bij voorkeur binnen hetzelfde peilgebied; indien dit niet mogelijk is, in het aangrenzend benedenstroomse peilgebied; indien dit niet mogelijk is, in het aangrenzend bovenstroomse peilgebied; indien dit niet mogelijk is, in hetzelfde afwateringsgebied. Voor de compensatie valt ook het verwijderen van bestaande dammen onder het graven van nieuw water. Het opheffen van overbodige dammen is positief voor de doorstroming en de ecologie van de watersysteem en kan daarom de voorkeur genieten boven het graven van nieuw water. Deze compensatie moet in principe voorafgaand of gelijktijdig met de demping plaatsvinden. Indien duidelijke garanties worden gegeven dat de compensatie in een later stadium van het project wordt uitgevoerd, staat het waterschap onder voorwaarden toe om in gebieden waar geen wateropgave voor wateroverlast is, een demping op een later moment te compenseren. Tijdelijke dempingen, bijvoorbeeld ten behoeve van de uitvoering van een project, hoeven niet gecompenseerd te worden, tenzij deze tijdelijke demping zou kunnen leiden tot wateroverlast. Afspraken over inzet van eerder gegraven of later te graven water kunnen in overleg met het waterschap worden vastgelegd in een waterbank. Indien vergunning wordt verleend, wordt tenminste de voorwaarde opgenomen dat bij later compenseren de demping binnen een bepaalde periode volledig wordt gecompenseerd. Ook tijdelijke afdammingen met het doel om in het voorjaar ten behoeve van vogelweidebeheer de (grond)waterstand tijdelijk te verhogen kunnen worden vergund zonder dat dit gecompenseerd wordt. Randvoorwaarde is dat het risico op (grond)wateroverlast bij derden binnen de norm blijft en er geen nadelige beïnvloeding is op de waterkwaliteit (uitspoeling van nutriënten). Alleen bij hoge uitzondering kan vergunning worden gegeven voor een permanente demping zonder dat deze wordt gecompenseerd. Deze uitzonderingen zijn: droge sloten die geen bijdrage leveren aan de berging in het watersysteem; watergangen die worden gedempt met aantoonbaar het doel verdroging te bestrijden. Door het dempen van deze sloten worden kwelstromen verminderd en hiermee neemt de belasting op het watersysteem af; oppervlaktewater dat niet is aangesloten op het watersysteem (geïsoleerde wateren); het herstellen van afgekalfde oevers, waarbij aantoonbaar is dat deze afkalving recent (afgelopen 5 jaar) heeft plaatsgevonden. ad b: het garanderen van de wateraan- en -afvoer Bij een demping van oppervlaktewater moet de wateraan- en -afvoer van het achterliggende gebied gegarandeerd blijven. Op kaart 11 zijn tertiaire watergangen aangegeven die niet zondermeer versmald kunnen worden tot het minimale leggerprofiel, zoals weergegeven in tabel 3.1 van de uitvoeringsregels. Voor het versmallen of dempen van tertiaire watergangen binnen deze gebieden wordt bij een vergunningaanvraag getoetst of de wateraan- en afvoer binnen het peilgebied niet wordt belemmerd, zodat er wateroverlast of -schaarste kan ontstaan. Indien vergunning wordt verleend, wordt tenminste de voorwaarde opgenomen dat de capaciteit van de waterdoorvoer minimaal aan de gestelde normen blijft voldoen. ad c: het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd Een demping in een primaire of secundaire watergang in onderhoud bij het waterschap kan het normale varend onderhoud belemmeren. In deze gevallen wordt gekeken of onderhoud vanaf de oever mogelijk is. Is dit niet het geval, dan moet minimaal machinaal onderhoud van de watergang tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten mogelijk blijven. Eventuele meerkosten van het onderhoud door het waterschap worden gewogen tegen het belang van de demping. Vergunning wordt verleend, onder voorwaarde dat machinaal onderhoud van de watergang mogelijk blijft en de kosten voor onderhoud niet disproportioneel stijgen. ad d: het voorkomen van negatieve effecten op de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand van water en oevers Dempingen kunnen leiden tot (ongewenste) effecten op de fysisch-chemische waterkwaliteit en ecologische toestand van het water. Voor het behoud van de ecologische waarden wordt het ‘stand-still principe’ gehanteerd. Na een demping kan de doorstroming verminderen, waardoor de waterkwaliteit afneemt. De leefomstandigheden voor planten en dieren kunnen zodanig wijzigen dat het voortbestaan van specifieke planten of dieren ter plaatse wordt bedreigd. Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand na demping minimaal gelijk blijft. ad e: het tegengaan van bodemdaling Klei-op-veen- en veengronden zijn zogenaamde zettingsgevoelige gronden. Vooral wanneer de grondwaterspiegel onder de bovenkant van het veen komt te liggen, bestaat het gevaar dat het veenpakket inklinkt en krimpt met als gevolg dat het maaiveld daalt. De grondwaterstand (ontwateringsdiepte) in een perceel wordt mede bepaald door het waterpeil in de sloten en de afstand tussen de sloten. Om deze reden worden er randvoorwaarden gesteld aan de maximale perceelsbreedte. Van deze criteria kan niet worden afgeweken, tenzij er afdoende maatregelen worden getroffen om de extra bodemdaling te voorkomen en uit berekeningen blijkt dat de grondwaterstand niet verder daalt dan in de oorspronkelijke toestand. Bijvoorbeeld door percelen integraal op te hogen met zand, waarbij in de eindsituatie het grondwater tot in het zandpakket staat. Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat voldaan wordt aan de door het waterschap gehanteerde droogleggingsnormen. 4 Duikers, dammen met duiker en dichte dammen in oppervlaktewater 4.1 Aanleggen van duikers, dammen met duiker en dichte dammen in oppervlaktewater 4.1.1 Inleiding Als u in het stroomschema voor “Aanleggen van duikers, dammen met duiker en dichte dammen in oppervlaktewater”, opgenomen in de Uitvoeringsregels bij de Keur, uitkomt bij vergunningplicht, dan mag de handeling niet zonder meer worden uitgevoerd. Hiervoor heeft u een vergunning nodig van het waterschap die u bij ons kunt aanvragen. In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen. De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend. Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen. 4.1.2 Afwegingskader Van geval tot geval moet worden bekeken of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan zoals bepaald in artikel 3.1 van de Keur. Bij de beoordeling van een aanvraag voor aanleggen van duikers en dammen met duiker houden wij rekening met de volgende aspecten: het voorkomen van het ontstaan van wateroverlast of schaarste; het garanderen van de wateraan- en -afvoer; het voorkomen van het belemmeren van het onderhoud; de fysisch-chemische waterkwaliteit en ecologische toestand van water en oevers. Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a: het voorkomen van het ontstaan van wateroverlast of schaarste Opstuwing en daarmee de vermindering van de drooglegging en het afnemen van de bergingscapaciteit van het watersysteem worden als negatieve effecten beschouwd. Om de bergingscapaciteit van het watersysteem te behouden moeten dammen met duiker, die meer dan 25 m2 aan bergingscapaciteit wegnemen altijd gecompenseerd worden door nieuw water te graven. Uitzondering hierop zijn tijdelijke dammen met duiker, die bijvoorbeeld voor de uitvoering van een project worden aangelegd. Voor de compensatie valt ook het verwijderen van bestaande dammen onder het graven van nieuw water. Het opheffen van overbodige dammen is positief voor de doorstroming en de ecologie van de watersysteem en kan daarom de voorkeur genieten boven het graven van nieuw water. Wateroverlast of -schaarste kan ontstaan als duikers in een watergang te veel opstuwing veroorzaken. Om deze reden streeft het waterschap naar zo weinig en zo kort mogelijke duikers. Om opstuwing in het watersysteem te voorkomen en het risico op verstopping van duikers klein te houden, wordt voor primaire watergangen in beginsel een minimale diameter van rond 0,80 meter en voor tertiaire watergangen van minimaal rond 0,50 meter als norm gehanteerd. Bij vervanging van duikers wordt in beginsel gestreefd naar deze minimale afmetingen, ook al zijn de oorspronkelijke duikers kleiner. Alleen onder voorwaarden genoemd onder ad d kan hier voor duikers in het tertiaire systeem van afgeweken worden. Voor nieuwe duikers in het primair stelsel wordt altijd getoetst welke afmeting vereist is om wateroverlast ten gevolge van opstuwing te voorkomen(zie ook ad b). Binnen het beheergebied van het waterschap zijn er gebieden die kwetsbaar zijn voor wateroverlast (zie kaart 5 Bijlage 5 bij de Keur, Uitvoeringsregels en Beleidsregels). Hier voldoet de standaard duikerdiameter van 0,50 meter in tertiaire watergangen niet altijd, maar een diameter van 0,80 meter wel. Indien een initiatiefnemer in deze gebieden een kleinere duiker dan 0,80 meter wil aanleggen, zal per geval worden beoordeeld of deze afwijking extra risico op wateroverlast tot gevolg zal hebben. Indien vergunning wordt verleend, wordt tenminste de voorwaarde opgenomen dat de aanleg van duikers of dammen met duikers niet leidt tot extra risico op wateroverlast of -schaarste. ad b: het garanderen van de wateraan- en -afvoer Duikers in primaire en secundaire watergangen moeten voldoende doorstroomprofiel hebben ten behoeve van de aan- en afvoer van water. In de regio Kromme Rijn worden aanvragen voor duikers in het tertiaire systeem getoetst op voldoende aanvoer capaciteit ten behoeve van de nachtvorstschadebestrijding in de fruitteelt. De afvoercapaciteit wordt bepaald door de diameter van de duiker en het maximaal aanvaardbare verhang in de duiker. Om grote verschillen in de afstroming (het verhang) binnen het watersysteem te beperken, worden eisen gesteld aan de maximale opstuwing die een duiker mag veroorzaken. De toegestane opstuwing wordt van geval tot geval beoordeeld op basis van de aanvraag. Indien teveel opstuwing ontstaat, kan alleen vergunning worden verleend voor een diameter die dit verhang voldoende beperkt. Door het verlenen van vergunning voor het plaatsen van een dam met duiker mogen echter niet alle reserves gebruikt worden. Met andere woorden, de eerste aanvrager mag niet beperkend worden voor potentiële aanvragers op hetzelfde afvoertraject. Vergunning wordt verleend, onder voorwaarde dat de doorvoercapaciteit van de watergang blijft voldoen aan de norm, ook als op vergelijkbare plaatsen in de watergang dezelfde duikers worden aangelegd. Dammen met duikers die op minder dan 10 meter afstand van een peilregelend kunstwerk worden aangelegd, kunnen de werking van het kunstwerk verstoren. Vergunningaanvragen worden getoetst op verstoring van de werking van een peilregelend kunstwerk. Indien mogelijk worden voorschriften opgenomen op dit te voorkomen. ad c: het voorkomen van het belemmeren van het onderhoud In een watergang, die varend moet kunnen worden onderhouden, vormt een dam met duiker een hindernis voor het varend onderhoud. Op kaart 1B zijn de watergangen aangegeven, waar varend onderhoud mogelijk moet blijven (de zogenaamde vaarleidingen). In vaarleidingen waarop uitsluitend bruggen als ontsluiting liggen, worden geen dammen met duiker toegestaan. Er zijn ook vaarleidingen waar reeds dammen met duiker aanwezig zijn. Voor een aantal vaarleidingen is een uitsterfbeleid voor dammen met duiker van toepassing. Bij vervanging worden alleen doorvaarbare constructies toegestaan (een brug of een doorvaarbare duiker). In deze gevallen worden geen nieuwe dammen met duiker toegestaan. In vaarleidingen waar reeds dammen met duiker liggen waarop geen uitsterfbeleid van toepassing is - vaak stedelijk gebied - kunnen alleen extra dammen met duiker worden toegestaan onder voorwaarde dat er voldoende mogelijkheid is, of wordt gecreëerd, om de onderhoudsboot in en uit het water te halen. Dammen met duiker, die dichter dan 7 meter van elkaar of van een peilregelend kunstwerk liggen, kunnen een belemmering vormen voor het machinaal onderhoud vanaf de oever van de watergang. Indien dammen niet op de gewenste afstand kunnen worden gelegd, worden in de vergunning voorwaarden opgenomen over het onderhoud van de watergang. In lange duikers en duikers die niet in één rechte lijn worden gelegd is het onderhoud van het doorstroomprofiel moeilijk. Om deze reden kan het waterschap bij lange duikers een inspectieput eisen, zodat het reinigen van de duiker mogelijk blijft. Vergunning wordt verleend, onder voorwaarde dat onderhoud van het doorstroomprofiel tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten mogelijk blijft. ad d: de fysisch-chemische waterkwaliteit en ecologische toestand van water en oevers Dammen vormen een belemmering voor de fysisch-chemische waterkwaliteit en het ecologisch functioneren van een watergang. Ook voor dit doel is het beleid van het waterschap er op gericht om het aantal dammen zo beperkt mogelijk te houden en ook geen langere duikers toe te staan dan strikt noodzakelijk. Dammen zonder duiker vormen een barrière voor het ecologisch functioneren van water en worden daarom in beginsel niet toegestaan. Uitzondering hierop kunnen tijdelijke dammen zijn of een dam die tegen het doodlopende eind van een watergang wordt gelegd. Lange duikers bevatten relatief veel water waar geen licht bij kan komen. Bij slechte doorstroming kan dit tot zuurstofloos water leiden. Bij aanvragen wordt getoetst of er voldoende inspanning wordt gepleegd om de duikerlengte zoveel mogelijk te beperken en of de verblijftijd van het water dermate wordt beperkt dat zuurstofloosheid van het water in de duiker wordt voorkomen. Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat de invloed op de fysisch-chemische waterkwaliteit en ecologie dermate beperkt is dat het niet leidt tot ecologisch ongezond water. Voor tertiaire watergangen wordt onder andere om kwalitatieve en ecologische redenen een minimale duikerdiameter van 0,50 meter vereist, met uitzondering van de tertiaire watergangen op kaart
- Voor het hydraulisch functioneren volstaat vaak een kleinere diameter. Kleinere diameters worden alleen toegestaan indien aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan: de kleinere capaciteit niet leidt tot te weinig aan en afvoer van water de aanleg van een duiker met een diameter van 0,5 m onevenredig duur is het negatieve effect op de ecologie en waterkwaliteit klein is. Bij vervanging van bestaande duikers die niet met voldoende (ongeveer 20%) lucht zijn gelegd, is het uitgangspunt dat de nieuwe duiker wel met voldoende lucht wordt aangelegd. Onder voldoende lucht wordt minimaal 20% en maximaal 35% verstaan bij het hoogste streefpeil. Indien door de aanwezigheid van kabels en leidingen het onevenredig kostbaar wordt om aan deze eis te kunnen voldoen kan hier van afgeweken worden. De huidige waterkwaliteit en ecologische toestand van het water wordt hierin meegewogen. Ook kan het voorkomen dat vanwege de geringe drooglegging er niet voldoende gronddekking op de duiker gelegd kan worden. (veenweide) In deze gevallen kan ook afgeweken worden van de eis van minimaal 20% lucht. 4.2 Verwijderen van duikers en dammen met duiker 4.2.1 Inleiding Als u in het stroomschema voor het “Verwijderen van duikers en dammen met duiker in oppervlaktewater”, opgenomen in de Uitvoeringsregels bij de Keur, uitkomt bij vergunningplicht, dan mag de handeling niet zonder meer worden uitgevoerd. Hiervoor heeft u een vergunning nodig van het waterschap die u bij ons kunt aanvragen. In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen. De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend. Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen. 4.2.2 Afwegingskader Van geval tot geval moet worden bekeken of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur. Bij de beoordeling van een aanvraag voor het verwijderen van duikers en dammen met duiker houden wij rekening met de volgende aspecten: het garanderen van de water aan- en afvoer; het voorkomen van het belemmeren van het onderhoud; de fysisch-chemische waterkwaliteit en ecologische toestand van water en oevers. Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a: het garanderen van de wateraan- en -afvoer Door het verwijderen van een duiker in een dam wijzigt de wateraan- en -afvoer van het watersysteem. Daarnaast kan hierdoor een peilwijziging veroorzaakt worden (zie verder hoofdstuk 21 voor het verwijderen van peilscheidende en peilregelende kunstwerken in oppervlaktewater). Vergunningaanvragen worden getoetst op het in stand houden van de benodigde waterdoorvoer. ad b: het voorkomen van het belemmeren van het onderhoud Het verwijderen van een dam (met of zonder duiker) in een beschermingszone A van een watergang belemmert de doorgang van een onderhoudsvoertuig. Dit kan alleen worden toegestaan onder voorwaarde dat het normaal machinaal onderhoud mogelijk blijft tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Indien de dam wordt vervangen door een brug, zal deze brug voldoende sterk moeten zijn voor het dragen van het onderhoudsvoertuig. Indien er geen brug op de locatie van de dam wordt gelegd, zal er een alternatieve route voor het onderhoudsvoertuig beschikbaar moeten zijn. Deze route mag het onderhoud niet erg vertragen. Het belang van de initiatiefnemer wordt gewogen tegen de nadelen die het waterschap ondervindt bij het uitvoeren van het onderhoud. Het onderhoud moet tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten mogelijk blijven. ad c: de fysisch-chemische waterkwaliteit en ecologische toestand van water en oevers Het verwijderen van een dam met duiker heeft een positief effect op de waterkwaliteit en ecologie, want er wordt een barrière verwijderd. Als alleen de duiker wordt verwijderd kan er een doodlopende watergang ontstaan. Dit kan ongunstig zijn voor de waterkwaliteit en ecologie. Vergunningaanvragen worden getoetst op effecten op de waterkwaliteit en ecologie. Randvoorwaarde is dat ecologische achteruitgang niet optreedt of zo beperkt is dat het water ecologisch gezond blijft. 5 Bruggen in of over oppervlaktewater 5.1 Inleiding Als u in het stroomschema voor “Bruggen in of over oppervlaktewater”, opgenomen in de Uitvoeringsregels bij de Keur, uitkomt bij vergunningplicht, dan mag de handeling niet zonder meer worden uitgevoerd. Hiervoor heeft u een vergunning nodig van het waterschap die u bij ons kunt aanvragen. In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen. De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend. Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen. 5.2 Afwegingskader Van geval tot geval moet worden bekeken of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur. Bij de beoordeling van een aanvraag voor het aanleggen van bruggen houden wij rekening met de volgende aspecten: het garanderen van de wateraan- en -afvoer; het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd; de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand van water en oevers. Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a: het garanderen van de wateraan- en -afvoer Als de aanleg van een brug leidt tot versmalling van de watergang, dan kan dat worden vergund mits de opstuwing beperkt blijft. Hierbij wordt er op gelet dat de eerste aanvrager niet beperkend mag zijn voor de volgende aanvragers. Indien er op het onderhavige traject meer aanvragen voor landhoofden, die gedeeltelijk in het water staan, verwacht worden, die tezamen teveel opstuwing gaan veroorzaken, wordt geen of slechts een beperkte versmalling toegestaan. Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat de doorvoercapaciteit blijft voldoen aan de norm, ook als er meer te voorziene landhoofden in het water worden aangelegd. Het vergroten van bestaande of aanleggen van nieuwe landhoofden die gedeeltelijk in het water staan, wordt beschouwd als het dempen van water. Als er door de aanleg van de brug meer dan 25 m² water wordt weggenomen als gevolg van bijvoorbeeld de aanleg van landhoofden in de watergang, dan moet dit gecompenseerd worden. De regelgeving uit hoofdstuk 2 betreffende het graven van oppervlaktewater is hierop van toepassing. In de meeste primaire of secundaire watergangen vormen bruggen met twee sets palen of pijlers geen belemmering voor de doorvoer van water. In primaire of secundaire watergangen waar hoge stroomsnelheden voorkomen, bijvoorbeeld bij grote poldergemalen, kunnen twee sets palen of pijlers ophoping van maaisel, takken etc. veroorzaken en hiermee de doorvoer van water belemmeren. Deze watergangen zijn aangegeven op kaart
- Voor bruggen die in de watergangen op kaart 12 worden aangelegd, wordt per geval beoordeeld welke constructie toegepast kan worden. Bij brede primaire of secundaire watergangen is het soms wenselijk dat er meer dan twee sets palen of pijlers onder een brug worden geplaatst. Dit kan leiden tot ophoping van drijvend (planten)materiaal tegen de palen of pijlers, waardoor de doorstroming wordt belemmerd. Dit effect kan worden beperkt of voorkomen indien de hoeveelheid palen of pijlers wordt beperkt of de palen of pijlers op voldoende afstand van elkaar worden geplaatst. Ook bij bruggen waarbij de afstand van de onderkant van de brug tot de waterspiegel klein is (< 0,30 meter) bestaat het risico op ophoping van drijvend materiaal. Dit wordt uitsluitend toegestaan in gevallen waar dit niet anders kan. Er worden dan voorwaarden in de vergunning opgenomen over het verwijderen van drijvend (planten)materiaal. Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat het risico ten gevolge ophoping van drijvend materiaal dermate wordt beperkt dat de vereiste aan- en afvoer van water niet wordt belemmerd. ad b: het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd In primaire watergangen waar het onderhoud varend wordt uitgevoerd, mogen bruggen geen obstakel vormen voor de maaiboot. Doorvaarthoogten kleiner dan 0,80 meter ten opzichte van het hoogst vastgestelde peil in het peilbesluit, belemmeren het varend onderhoud. In gevallen waar varend onderhoud wordt belemmerd, wordt eerst gekeken of onderhoud vanaf de oever een optie is. Is dit niet mogelijk dan wordt gekeken welke maatregelen getroffen moeten worden om varend onderhoud mogelijk te maken. In gebieden met geringe drooglegging kunnen situaties ontstaan dat een aan te leggen brug met doorvaarthoogte van 0,80 meter hinderlijk hoog boven het maaiveld komt te liggen. Dit kan leiden tot verkeersgevaarlijke situaties. In deze gevallen kan een lagere hoogte worden vergund; indien mogelijk op een hoogte dat de onderhoudsboot nog wel onder de brug door kan varen. Daar waar de onderhoudsboot niet meer onder de brug door kan en varend onderhoud mogelijk moet blijven, dienen er voorzieningen (zoals bijvoorbeeld een in- en uitlaatplaats) te worden aangelegd. Bruggen met een kleinere doorvaarbreedte dan 2,5 meter in primaire watergangen, die varend worden onderhouden, worden in beginsel niet toegestaan. Alleen in zeer uitzonderlijke situaties, waarbij een initiatiefnemer onevenredig hoge kosten moet maken om aan de eis van 2,5 meter te voldoen, wordt vergunning verleend onder voorwaarde dat machinaal onderhoud tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten mogelijk blijft. Indien deze kosten te hoog worden kunnen afspraken met de initiatiefnemer in de vergunning worden opgenomen over het onderhoud van de watergang. Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat machinaal onderhoud tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten van de watergang mogelijk blijft. ad c: de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand van water en oevers Bij een vrije hoogte onder de brug van minder dan 0,30 meter bestaat het risico dat de lichttoevoer onvoldoende is. Dit kan een negatief effect hebben op de ecologische toestand van het water. Bij een vrije hoogte onder de brug minder dan 0,30 meter kan vergunning worden verleend onder voorwaarde dat het effect op de ecologie van de watergang dermate klein is dat het water ecologisch gezond blijft. 6 Steigers en vlonders bij oppervlaktewater 6.1 Inleiding Als u in het stroomschema voor “Steigers en vlonders bij oppervlaktewater”, opgenomen in de Uitvoeringsregels bij de Keur, uitkomt bij vergunningplicht, dan mag de handeling niet zonder meer worden uitgevoerd. Hiervoor heeft u een vergunning nodig van het waterschap die u bij ons kunt aanvragen. In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen. De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend. Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen. 6.2 Afwegingskader Van geval tot geval moet worden bekeken of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur. Bij de beoordeling van een aanvraag voor het aanleggen van steigers en vlonders houden wij rekening met de volgende aspecten: het garanderen van de wateraan- en –afvoer; het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd; de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand van water en oevers. Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a: het garanderen van de wateraan- en –afvoer Achter steigerpalen in het natte profiel van een watergang kan maaisel en drijfvuil blijven hangen. Dit kan een directe belemmering voor de waterdoorstroming vormen. Het hydraulisch profiel van de watergang dient te worden gehandhaafd. Steigers met een kleinere drooglegging dan 0,30 meter lopen het risico te inunderen tijdens hevige neerslag. Gevolg kan zijn dat objecten die zich op de steiger bevinden, in de primaire watergang terecht komen. Deze kunnen de doorstroming belemmeren. Steigers met een kleinere drooglegging dan 0,30 meter kunnen alleen worden vergund, indien deze geringe drooglegging een vereiste is vanwege de functie van de steiger. Een voorbeeld hiervan zijn steigers voor het aan- en afmeren van kano’s. Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat het risico op wegdrijven van objecten van de steiger beperkt is. ad b: het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd De aanleg van een steiger of vlonder kan het maaionderhoud van het natte profiel bemoeilijken. Voor het rijdend maaien vanaf de oever waaraan de steiger of vlonder is geplaatst vormt de hele steiger of vlonder een obstakel. Als het maaionderhoud vanaf de overzijde kan plaatsvinden vormen alleen eventuele palen van een steiger een obstakel. Bij de aanleg van een steiger of vlonder wordt er in beginsel naar gestreefd om de bestaande techniek van onderhoud te handhaven. Hiervoor kan het waterschap aanvullende eisen in de vergunning stellen ten aanzien van vorm, sterkte en afmetingen van de steiger of vlonder. In gevallen waar dit tot hoge kosten voor de initiatiefnemer leidt, kan een andere techniek van onderhoud worden overwogen. In primaire en secundaire watergangen, die varend onderhouden worden, moet de doorvaartbreedte voor de maaiboot gegarandeerd blijven. Motieven van de initiatiefnemer om de doorvaarbreedte te verminderen worden gewogen tegen de mogelijkheden voor het blijven uitvoeren van het varend onderhoud. Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat varend onderhoud of een andere vorm van machinaal onderhoud tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten mogelijk blijft. Palen in het water onder een steiger bemoeilijken het maaionderhoud. De hoogte van de steiger boven de waterspiegel, het aantal palen en de omvang van de steiger zijn bepalend in hoeverre het varend onderhoud wordt gehinderd. In eerste instantie zal beoordeeld worden of het ontwerp tegen redelijke kosten ook zonder palen uitgevoerd kan worden. De hoogte van de steiger is ook bepalend of en in hoeverre vegetatie zich onder de steiger zal ontwikkelen. Indien van toepassing moeten palen zover uit elkaar staan, dat de maaiboot vegetatie onder de steiger kan verwijderen. Bij steigers breder dan één meter (met of zonder palen) waaronder vegetatiegroei optreedt, moet machinaal maaionderhoud onder de steiger mogelijk blijven. Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat normaal machinaal onderhoud tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten mogelijk blijft en dat risico’s op schade aan de steiger als gevolg van het onderhoud klein is. Eventueel kan in de te verlenen vergunning de voorwaarde worden opgenomen dat vergunninghouder het natte profiel onder de steiger open en schoon houdt. ad c: de fysisch-chemische waterkwaliteit en de ecologische toestand van water en oevers Een steiger kan belemmerend werken op plantengroei door het wegnemen van licht. Bij aanleg van een steiger met een maximaal overstek van één meter en hoger dan 0,30 meter boven het water, is de impact op de ecologie beperkt. Bij hiervan afwijkende maten kan vergunning worden verleend onder voorwaarde dat het effect op de ecologie van de watergang dermate klein is dat het water ecologisch gezond blijft. 7 Beschoeiingen in of langs oppervlaktewater 7.1 Het plaatsen van beschoeiingen in of langs oppervlaktewater 7.1.1 Inleiding Als u in het stroomschema voor “Plaatsen van beschoeiingen in of langs oppervlaktewater”, opgenomen in de Uitvoeringsregels bij de Keur, uitkomt bij vergunningplicht, dan mag de handeling niet zonder meer worden uitgevoerd. Hiervoor heeft u een vergunning nodig van het waterschap die u bij ons kunt aanvragen. In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen. De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend. Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen. 7.1.2 Afwegingskader Van geval tot geval moet worden bekeken of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur. Bij de beoordeling van een aanvraag voor het aanleggen van beschoeiing houden wij rekening met de volgende aspecten: het voorkomen van wateroverlast; het garanderen van de wateraan- en –afvoer. Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a: het voorkomen van wateroverlast Bij het plaatsen van een nieuwe beschoeiing voor de bestaande beschoeiing vindt er demping van oppervlaktewater plaats. Het oppervlak dat door het plaatsen van de beschoeiing wordt gedempt, moet worden gecompenseerd. Zie ook hoofdstuk 3 over het dempen van oppervlaktewater. Voor het plaatsen van een beschoeiing wordt in beginsel geen uitzondering gemaakt op de compensatieplicht. Er zijn echter gevallen waarbij de compensatie leidt tot dermate hoge kosten dat deze niet opwegen tegen het nadeel van verlies van wateroppervlak. Bijvoorbeeld bij particuliere bebouwing waarbij aantoonbaar het trekken van de bestaande beschoeiing leidt tot gebouwschade en er weinig of geen ruimte is om te compenseren. In zo’n geval kan in de vergunning worden opgenomen dat compensatie achterwege kan blijven. Voorwaarde is wel dat de beschoeiing zo strak mogelijk tegen de bestaande beschoeiing moet worden geplaatst, waarbij de versmalling van de watergang maximaal 0,10 meter mag bedragen. Het totale verlies aan wateroppervlak mag in dergelijke gevallen niet meer zijn dan 25 m
- ad b: het garanderen van de wateraan- en –afvoer Bij het plaatsen van een nieuwe beschoeiing voor de bestaande beschoeiing in een primaire of secundaire watergang vindt er versmalling van het doorstroomprofiel plaats. Dit heeft effect op de doorvoercapaciteit van de watergang. Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat de waterdoorvoer minimaal blijft voldoen aan de normen. Uiteraard gelden hierbij ook de voorwaarden genoemd onder ad a. 7.2 Het verwijderen van beschoeiingen in of langs oppervlaktewater 7.2.1 Inleiding Als u in het stroomschema voor “Verwijderen van beschoeiingen in of langs oppervlaktewater”, opgenomen in de Uitvoeringsregels bij de Keur, uitkomt bij vergunningplicht, dan mag de handeling niet zonder meer worden uitgevoerd. Hiervoor heeft u een vergunning nodig van het waterschap die u bij ons kunt aanvragen. In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen. De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend. Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen. 7.2.2 Afwegingskader Van geval tot geval moet worden bekeken of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur. Bij de beoordeling van een aanvraag voor het verwijderen van beschoeiingen houden wij rekening met het volgende aspect: het voorkomen dat de vervulling van maatschappelijke functies van het watersysteem wordt belemmerd. Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a: het voorkomen dat de vervulling van maatschappelijke functies van het watersysteem wordt belemmerd Voor beschoeiingen in beheer en onderhoud bij het waterschap, heeft het waterschap de taak om een stabiele oever in stand te houden. Deze verplichting kan bijvoorbeeld voortkomen uit de zorg voor het vaarwegbeheer of door de aanwezigheid van een kunstwerk van het waterschap. Bij verwijderen van deze beschoeiing zal het waterschap toetsen of een voldoende stabiele oever achterblijft. Tevens kunnen er in de vergunning voorschriften worden opgenomen over de onderhoudsplicht van de nieuwe oever. Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat na het verwijderen van de beschoeiing een stabiele oever aanwezig moet blijven. 8 Uitstroomvoorzieningen en onttrekkingspunten in oppervlaktewater 8.1 Inleiding Als u in het stroomschema voor “Uitstroomvoorzieningen en onttrekkingspunten in oppervlaktewater”, opgenomen in de Uitvoeringsregels bij de Keur, uitkomt bij vergunningplicht, dan mag de handeling niet zonder meer worden uitgevoerd. Hiervoor heeft u een vergunning nodig van het waterschap die u bij ons kunt aanvragen. In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen. De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend. Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen. 8.2 Afwegingskader Van geval tot geval moet worden bekeken of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur. Bij de beoordeling van een aanvraag voor het aanleggen van een uitstroomvoorziening of een onttrekkingspunt houden wij rekening met het volgende aspect: het voorkomen van het belemmeren van het onderhoud. Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a: het voorkomen van het belemmeren van het onderhoud Door het plaatsen van een permanente installatie voor het lozen of het onttrekken van oppervlaktewater kan het onderhoudspad zo versmald worden dat een onderhoudsmachine niet meer kan passeren. Het waterschap kan haar medewerking hieraan uitsluitend verlenen, indien er voor de initiatiefnemer geen redelijk alternatief is en er een werkbaar alternatief voor het passeren van de onderhoudsmachine en/of het uitvoeren van het onderhoud wordt geboden. Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat normaal machinaal onderhoud tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten mogelijk moet blijven. Een onttrekkingspunt of lozingspunt bij of door een beschoeiing in beheer en onderhoud van het waterschap, kan het vervangen van deze beschoeiing belemmeren. In deze gevallen zal in de vergunning een voorschrift worden opgenomen dat bij vervanging van de beschoeiing de vergunninghouder de installatie of het lozingswerk tijdelijk verwijderd. Een onttrekkingspunt of lozingspunt in de nabijheid van een kunstwerk kan onderhoudswerken aan het kunstwerk belemmeren en of de goede werking van het kunstwerk beïnvloeden. In deze gevallen zal in eerste instantie worden gekeken of er een alternatieve locatie voor het punt gekozen kan worden. Indien dit niet kan, kan alleen vergunning worden verleend als de werking van het kunstwerk niet negatief wordt beïnvloed. 9 Onttrekken van oppervlaktewater 9.1 Inleiding Als u in het stroomschema voor “Onttrekken van oppervlaktewater”, opgenomen in de Uitvoeringsregels bij de Keur, uitkomt bij vergunningplicht, dan mag de handeling niet zonder meer worden uitgevoerd. Hiervoor heeft u een vergunning nodig van het waterschap die u bij ons kunt aanvragen. In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen. De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend. Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen. 9.2 Afwegingskader Van geval tot geval moet worden bekeken of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur. Bij de beoordeling van een aanvraag voor het onttrekken van oppervlaktewater houden wij rekening met het volgende aspect: het voorkomen van waterschaarste. Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a: het voorkomen van waterschaarste Voor het onttrekken van oppervlaktewater ten behoeve van nachtvorstschadebestrijding is niet altijd voldoende water beschikbaar. Tevens dient voorkomen te worden dat, ten gevolge van de onttrekking, de waterpeilen dermate worden verlaagd dat er schade optreedt. Door in een vergunning voorschriften op te nemen over de hoeveelheid, het tijdstip, locatie en duur van de onttrekking, kunnen deze problemen worden voorkomen. In gevallen waar dit niet mogelijk is, kunnen als alternatief bassins worden aangelegd, die volgepompt kunnen worden als de watervraag laag of nihil is. Een ander alternatief is een onttrekking uit de bodem (zie Deel 3). Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat er geen waterschaarste voor andere onttrekkers ontstaat en dat eventuele peilverlagingen niet leiden tot schade bij derden. 10 Kabels en leidingen in, onder of langs oppervlaktewater 10.1 Het aanleggen van kabels en leidingen 10.1.1 Inleiding Als u in het stroomschema voor “Aanleggen van kabels en leidingen in, onder of langs oppervlaktewater”, opgenomen in de Uitvoeringsregels bij de Keur, uitkomt bij vergunningplicht, dan mag de handeling niet zonder meer worden uitgevoerd. Hiervoor heeft u een vergunning nodig van het waterschap die u bij ons kunt aanvragen. In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen. De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend. Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen. 10.1.2 Afwegingskader Van geval tot geval moet worden bekeken of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur. Bij de beoordeling van een aanvraag voor het aanleggen van kabels en leidingen houden wij rekening met de volgende aspecten: het voorkomen dat de doorstroming in een watergang wordt belemmerd; het voorkomen dat de onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd. Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a: het voorkomen dat de doorstroming in een watergang wordt belemmerd Indien kabels of leidingen worden aangelegd door middel van een open ontgraving in of onder de watergang, wordt de watergang geheel of gedeeltelijk droog gezet. Hierdoor wordt altijd de water aan- en afvoer beperkt of volledig gestremd. Van geval tot geval wordt beoordeeld of de risico’s van de stremming aanvaardbaar zijn. Bij een tijdelijke of volledige afsluiting zijn altijd maatregelen nodig om de minimaal benodigde waterdoorvoer te garanderen. Dit kan door bijvoorbeeld een tijdelijke bypass te graven of voldoende pompcapaciteit te installeren. Indien vergunning wordt verleend, worden hierin tenminste voorschrift opgenomen ten aanzien van de minimale aan- en afvoercapaciteit van water. ad b: het voorkomen dat de onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd Kabels en leidingen die een watergang kruisen dienen voldoende diep te worden aangelegd, zodat bij maai- en baggerwerkzaamheden de kabel of leiding of de onderhoudsmachine niet wordt beschadigd. Standaard wordt een diepte van één meter onder de vaste waterbodem aangehouden. Bij vaarwegen geldt hiervoor een maat van twee meter. In gevallen waar dit niet mogelijk is, kunnen aanvullende beschermende maatregelen worden geëist in de vergunning, zoals een betonnen afdekking of dikke stalen mantelpijp. Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat de benodigde doorvoercapaciteit aan de norm blijft voldoen. 10.2 Het verwijderen van kabels en leidingen 10.2.1 Inleiding Als u in het stroomschema voor “Verwijderen van kabels en leidingen in, onder of langs oppervlaktewater”, opgenomen in de Uitvoeringsregels bij de Keur, uitkomt bij vergunningplicht, dan mag de handeling niet zonder meer worden uitgevoerd. Hiervoor heeft u een vergunning nodig van het waterschap die u bij ons kunt aanvragen. In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen. De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend. Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen. 10.2.2 Afwegingskader Van geval tot geval moet worden bekeken of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur. Bij de beoordeling van een aanvraag voor het verwijderen van kabels en leidingen houden wij rekening met het volgende aspect: het voorkomen dat de doorstroming in een watergang wordt belemmerd. Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a: het voorkomen dat de doorstroming in een watergang wordt belemmerd Indien kabels of leidingen worden verwijderd door middel van een open ontgraving in of onder de watergang, wordt de watergang geheel of gedeeltelijk droog gezet. Hierdoor wordt altijd de water aan- en -afvoer beperkt of volledig gestremd. Van geval tot geval dient beoordeeld te worden of de risico’s van de stremming aanvaardbaar zijn. Bij een tijdelijke volledige afsluiting zijn altijd maatregelen nodig om de minimaal benodigde waterdoorvoer te garanderen. Dit kan door bijvoorbeeld een tijdelijke bypass te graven of voldoende pompcapaciteit te installeren. Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat de benodigde doorvoercapaciteit aan de norm blijft voldoen. 11 Beplanting bij oppervlaktewater 11.1 Inleiding Als u in het stroomschema voor “beplanting bij oppervlaktewater”, opgenomen in de Uitvoeringsregels bij de Keur, uitkomt bij vergunningplicht, dan mag de handeling niet zonder meer worden uitgevoerd. Hiervoor heeft u een vergunning nodig van het waterschap die u bij ons kunt aanvragen. In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen. De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend. Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen. 11.2 Afwegingskader Van geval tot geval moet worden bekeken of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur. Bij de beoordeling van een aanvraag voor het aanbrengen van beplanting houden wij rekening met de volgende aspecten: het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd; het voorkomen dat de vervulling van maatschappelijke functies van het watersysteem worden belemmerd. Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a: het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd Doordat bomen te dicht op elkaar worden geplant of hagen en struiken onbelemmerd uitgroeien, kan machinaal maaionderhoud vanaf de oever worden bemoeilijkt of zelfs onmogelijk worden gemaakt. Indien een initiatiefnemer wil afwijken van de in het stroomschema genoemde criteria, wordt getoetst of normaal machinaal onderhoud van de watergang mogelijk blijft. Dit onderhoud vindt dan bij voorkeur plaats vanaf de andere oever of in uitzonderlijke gevallen vanaf het water (varend). Vergunningaanvragen worden getoetst op de uitvoerbaarheid van het machinaal onderhoud. De kosten voor onderhoud mogen ten gevolge van de activiteit niet of slechts zeer beperkt stijgen. Bomen en struiken, die te dicht op een beschoeiing in beheer en onderhoud van het waterschap worden geplant, kunnen het vervangen van de beschoeiing bemoeilijken. Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat de aanvrager op verzoek van het waterschap, bij vervanging van de beschoeiing de beplanting verwijdert, of eventuele schade aan de beplanting accepteert. Bomen en struiken die in een beschermingszone K van een peilregelend kunstwerk worden geplaatst, kunnen de bediening en het onderhoud van dit kunstwerk belemmeren. In deze zone kan alleen beplanting worden toegestaan indien de toegang tot het kunstwerk voor bediening en onderhoud niet wordt belemmerd. In het algemeen zal daarom alleen kleinere beplanting (hagen en struiken) worden vergund. ad b: het voorkomen dat de vervulling van maatschappelijke functies van het watersysteem worden belemmerd Diepwortelende bomen en struiken, die dicht op een beschoeiing of een peilregelend kunstwerk worden geplant, kunnen deze beschoeiing of dit kunstwerk beschadigen, vanwege doorgroei van wortels en takken. Vergunningaanvragen voor aanplant in een beschermingszone B van een beschoeiing of in de beschermingszone K van een peilregelend kunstwerk worden getoetst op de aard van de beplanting in relatie tot het type oeververdediging en kunstwerk. Vergunningaanvragen worden getoetst op het risico op schade door de beplanting op de beschoeiing of kunstwerk. Dit risico moet nihil of zeer gering zijn om de beplanting toe te kunnen staan. 12 Objecten (hekwerken, rasters e.d.), wegen en paden langs oppervlaktewater 12.1 Inleiding Als u in het stroomschema voor “Objecten (hekwerken, rasters e.d.), wegen en paden langs oppervlaktewater”, opgenomen in de Uitvoeringsregels bij de Keur, uitkomt bij vergunningplicht, dan mag de handeling niet zonder meer worden uitgevoerd. Hiervoor heeft u een vergunning nodig van het waterschap die u bij ons kunt aanvragen. In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen. De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend. Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen. 12.2 Afwegingskader Van geval tot geval moet worden bekeken of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur. Bij de beoordeling van een aanvraag voor het aanleggen van objecten, wegen of paden houden wij rekening met het volgende aspect: het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd. Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a: het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd Machinaal onderhoud vanaf de oever wordt door het waterschap doorgaans met zware machines uitgevoerd. Lichte constructies van wegen en paden kunnen door de werkzaamheden beschadigd raken. Vergunningaanvragen worden getoetst op voldoende draagkracht van de constructie of dat onderhoud mogelijk blijft zonder over de constructie te rijden. Indien vergunning wordt verleend, wordt hierin tenminste een voorschrift opgenomen dat machinaal onderhoud vanaf de oever mogelijk moet blijven zonder schade aan te richten aan de wegconstructie. Indien objecten te dicht op elkaar worden geplaatst, wordt machinaal maaionderhoud vanaf de oever bemoeilijkt of zelfs onmogelijk gemaakt. Indien een aanvrager wil afwijken van de in het stroomschema genoemde criteria, wordt getoetst of normaal machinaal onderhoud van de watergang mogelijk blijft, bijvoorbeeld vanaf de andere oever of varend. Het belang van initiatiefnemer om van de criteria af te wijken wordt afgewogen tegen het algemeen belang dat het onderhoud goed kan worden uitgevoerd tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat machinaal onderhoud vanaf de oever of eventueel vanaf het water mogelijk moet blijven tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Hekken en afrasteringen die haaks op de watergang in een beschermingszone A van een watergang worden geplaatst, belemmeren de vrije doorgang van onderhoudsmachines. Deze objecten worden vergund op voorwaarde dat de vrije doorgang geregeld wordt. Deze hekwerken worden alleen vergund als er een toegangshek in het hekwerk wordt geplaatst. Objecten die over een watergang worden geplaatst, kunnen het varend onderhoud hinderen. Deze objecten worden vergund op voorwaarde dat de vrije doorvaart mogelijk blijft of geregeld wordt. Objecten die worden geplaatst in een beschermingszone B van een beschoeiing kunnen het vervangen van de beschoeiing belemmeren. Indien vergunning wordt verleend, wordt hierin tenminste een voorschrift opgenomen dat het object het vervangen van de beschoeiing niet mag belemmeren of dat het object (tijdelijk) moet worden verwijderd bij vervanging van de beschoeiing. 13 Constructies, objecten en vaartuigen in oppervlaktewater 13.1 Inleiding Als u in het stroomschema voor “Constructies, objecten en vaartuigen in oppervlaktewater”, opgenomen in de Uitvoeringsregels bij de Keur, uitkomt bij vergunningplicht, dan mag de handeling niet zonder meer worden uitgevoerd. Hiervoor heeft u een vergunning nodig van het waterschap die u bij ons kunt aanvragen. In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen. De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend. Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen. 13.2 Afwegingskader Van geval tot geval moet worden bekeken of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur. Bij de beoordeling van een aanvraag voor het plaatsen van constructies, objecten of vaartuigen in een watergang houden wij rekening met de volgende aspecten: het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd; het voorkomen dat de doorstroming in een oppervlaktewaterlichaam wordt belemmerd. Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a: het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd Door het permanent plaatsen van een constructie in een watergang kan het varend onderhoud worden belemmerd. Indien uit toetsing van de vergunningaanvraag blijkt dat dit het geval is, wordt nagegaan of het object zo geplaatst kan worden of de watergang zo aangepast kan worden, dat varend onderhoud mogelijk blijft. Bij zwaarwegende belangen kan een extra uit- en inlaatplaats voor de maaiboot aangelegd worden. Voor tijdelijke constructies die de watergang versmallen zal eerst beoordeeld worden of in de periode van de versmalling ook varend onderhoud zal plaatsvinden. Indien dit het geval is zullen in de vergunning voorschriften worden opgenomen voor het in stand houden van de minimale doorvaartbreedte. Indien hiervoor vergunning wordt verleend, wordt tenminste een voorschrift opgenomen dat varend onderhoud mogelijk moet blijven. Bij het afmeren van woonarken, woonboten of woonschepen, kan het onderhoud van de oever en het baggeronderhoud belemmerd worden. In de vergunning voor het afmeren worden voorschriften opgenomen waarin het onderhoud wordt geregeld. Bijvoorbeeld bepalingen dat het object of vaartuig voor de baggerwerkzaamheden tijdelijk moet worden verwijderd of dat bewoners dit onderhoud zelf moeten doen. ad b: het voorkomen dat de doorstroming in een oppervlaktewaterlichaam wordt belemmerd Een constructie in het water heeft altijd effect op het doorstroomprofiel van de watergang. Bij een primaire en secundaire watergang wordt daarom getoetst of door de verkleining van het profiel de watergang nog voldoet aan de afvoernorm. Voor tijdelijke constructies die de watergang dermate versmallen dat de afvoernorm niet meer gehandhaafd blijft, worden voorschriften opgenomen om de doorvoer van water te garanderen. Bijvoorbeeld door de inzet van pompen of een bypass. Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat het doorstroomprofiel aan de gestelde norm moet blijven voldoen. Kortdurende versmallingen (maximaal enkele dagen) kunnen worden vergund op voorwaarde dat er in deze periode geen neerslag wordt voorspeld, waardoor tijdelijk een kleiner profiel acceptabel is. Voor woonarken, woonboten en woonschepen wordt het uitgangspunt gehanteerd dat deze onder alle omstandigheden vrij van de bodem moeten blijven liggen. Hiervoor worden voorwaarden gesteld aan de diepgang in relatie tot de diepte van de watergang. Tevens wordt getoetst of bij grote peilfluctuaties de woonark, woonboot of het woonschip vrij kan blijven drijven, zodat het doorstroomprofiel gehandhaafd blijft en er geen schade aan leidingen tussen het object of vaartuig en de wal ontstaat. 14 Aanleggen van natuurvriendelijk oevers en/of het verrichten van handelingen daarin of daarboven 14.1 Het aanleggen van natuurvriendelijke oevers 14.1.1 Inleiding Als u in het stroomschema voor “Aanleggen van natuurvriendelijke oevers”, opgenomen in de Uitvoeringsregels bij de Keur, uitkomt bij vergunningplicht, dan mag de handeling niet zonder meer worden uitgevoerd. Hiervoor heeft u een vergunning nodig van het waterschap die u bij ons kunt aanvragen. In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen. De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend. Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen. 14.1.2 Afwegingskader Van geval tot geval moet worden bekeken of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur. Bij de beoordeling van een aanvraag voor het aanleggen van natuurvriendelijke oevers houden wij rekening met de volgende aspecten: het voorkomen van wateroverlast; het voorkomen dat de doorstroming in een watergang wordt belemmerd; het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd. Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a: het voorkomen van wateroverlast Indien de natuurvriendelijke oever wordt aangelegd binnen het natte profiel van een watergang, dan kan dit ten koste gaan van het bergend vermogen van de watergang. Het verlies aan waterberging dient altijd gecompenseerd te worden door het graven van nieuw water. Bij het verlies van waterberging is in feite sprake van een demping (zie ook hoofdstuk 3 over dempen van oppervlaktewater). De mate waarin het bergend vermogen vermindert, is afhankelijk van de wijze waarop de oever wordt aangelegd. De taludhelling is hierin bepalend. Bij een plasberm moet de diepte minimaal 0,30 meter zijn ten opzichte van het in het peilbesluit vastgestelde peil in het groeiseizoen, omdat anders de kans op verlanding erg groot is. In hoeverre er verlanding van de oever gaat optreden, is afhankelijk van de vorm van de oever, de mogelijkheden voor onderhoud en de intensiteit waarmee de oever wordt onderhouden. Bijvoorbeeld een brede plas-dras zone die alleen maar vanaf het water is te bereiken, is lastiger te onderhouden dan een schuin talud dat vanaf het land gemaaid kan worden. Indien een natuurvriendelijke oever wordt aangelegd als compensatie, bijvoorbeeld voor een demping, of als compensatie voor versnelde afvoer en lozing vanaf nieuw verhard oppervlak, of als compensatie voor een handeling in een bestaande natuurvriendelijke oever, dan worden er eisen gesteld aan de vorm van de aan te leggen natuurvriendelijke oever. Het ontwerp van de oever wordt beoordeeld op welk type vegetatie er waarschijnlijk gaat groeien en het risico op verlanding. In de vergunning kunnen voorschriften worden opgenomen om verlanding tegen te gaan. Vergunning voor de aanleg van een natuurvriendelijke oever ter compensatie van demping van water of versneld afvoeren van hemelwater wordt verleend onder voorwaarde dat er geen risico op verlanding is in het natte profiel. ad b: het voorkomen dat de doorstroming in een watergang wordt belemmerd Bij aanleg van een natuurvriendelijke oever in het bestaande natte profiel van een watergang wordt het doorstroomprofiel en daarmee de doorvoercapaciteit van de watergang verkleind. Aanvragen worden getoetst op het handhaven van het minimale aan- en/of afvoerprofiel, gebaseerd op de aan- en/of afvoernorm voor het achterliggende gebied. Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat het doorstroomprofiel moet blijven voldoen aan de doorvoernorm. ad c: het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd Bij aanleg van een natuurvriendelijke oever in een beschermingszone A van een watergang kan het machinaal onderhoud van de watergang vanaf de oever worden gehinderd of onmogelijk worden gemaakt. In feite vindt een verbreding van de watergang plaats. Van geval tot geval moet worden beoordeeld of alternatieve onderhoudsmethoden mogelijk zijn. Het belang bij de aanleg en het hebben van de natuurvriendelijke oever wordt gewogen tegen de eventuele meerkosten voor het onderhoud. In beginsel wordt er naar gestreefd dat onderhoud vanaf de kant mogelijk blijft. De beschermingszone A moet dan worden verlegd. Indien dit niet kan en de oever wel varend onderhouden kan worden, kan dit vergund worden mits dit niet leidt tot veel hogere onderhoudskosten. Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat het onderhoud van het natte profiel op machinale wijze en tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten mogelijk moet blijven. 14.2 Het verrichten van handelingen in of boven natuurvriendelijke oevers 14.2.1 Inleiding Als u in het stroomschema voor “Verrichten van handelingen in of boven natuurvriendelijke oevers”, opgenomen in de Uitvoeringsregels bij de Keur, uitkomt bij vergunningplicht, dan mag de handeling niet zonder meer worden uitgevoerd. Hiervoor heeft u een vergunning nodig van het waterschap die u bij ons kunt aanvragen. In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen. De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend. Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen. 14.2.2 Afwegingskader Van geval tot geval moet worden bekeken of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur. Bij de beoordeling van een aanvraag voor het verrichten van handelingen in of boven natuurvriendelijke oevers houden wij er rekening mee dat een verslechtering van de fysisch-chemische en/of ecologische waterkwaliteit moet worden voorkomen. Handelingen in natuurvriendelijk oevers waarbij meer dan 2 m2 oever verdwijnt, die niet in dezelfde watergang gecompenseerd kan worden, komen in de praktijk zelden voor. Om deze reden is er geen standaard beleid, maar wordt van geval tot geval beoordeeld hoe om te gaan met die gevallen waarin compensatie aansluitend aan de bestaande oever niet kan plaatsvinden. 15 Versneld afvoeren en lozen van hemelwater vanaf nieuw verhard oppervlak op oppervlaktewater 15.1 Inleiding Als u in het stroomschema voor “Versneld afvoeren en lozen vanaf nieuw verhard oppervlak op oppervlaktewater”, opgenomen in de Uitvoeringsregels bij de Keur, uitkomt bij vergunningplicht, dan mag de handeling niet zonder meer worden uitgevoerd. Hiervoor heeft u een vergunning nodig van het waterschap die u bij ons kunt aanvragen. In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen. De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend. Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen. 15.2 Afwegingskader Van geval tot geval moet worden bekeken of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur. Bij de beoordeling van een aanvraag voor het realiseren van nieuw verhard oppervlak en bijbehorende versnelde afvoer en lozing van (hemel)water houden wij rekening met het volgende aspect: het voorkomen van wateroverlast. Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a: het voorkomen van wateroverlast Ten gevolge van de verwachtte klimaatsverandering zal de neerslagintensiteit toenemen, waardoor vaker peilstijgingen in het oppervlaktewater zullen optreden. Bij versnelde afvoer en lozing van extra aangelegd verhard oppervlak wordt daarom het stand-still beginsel gehanteerd. Dit wil zeggen dat er ten gevolge van de aanleg geen extra peilstijging mag optreden. Bij aanleg van meer dan in de criteria genoemd extra verhard oppervlak, waarvan versnelde afvoer en lozing naar oppervlaktewater plaatsvindt, moet daarom altijd extra oppervlaktewater worden gegraven. Voor de compensatie valt ook het verwijderen van bestaande dammen onder het graven van nieuw water. Het opheffen van overbodige dammen is positief voor de doorstroming en de ecologie van de watersysteem en kan daarom de voorkeur genieten boven het graven van nieuw water. Compensatie moet in beginsel voorafgaand aan of direct na aanleg van de verharding worden uitgevoerd. Bij voorkeur in hetzelfde peilgebied of anders in een lager gelegen peilvak in hetzelfde afvoergebied. In overleg met het waterschap kan, indien doelmatig ook in een hoger peilgebied worden gecompenseerd. Later compenseren wordt uitsluitend toegestaan indien er voldoende garanties binnen een langlopend project zijn dat er op een later tijdstip wordt gecompenseerd. Hierbij wordt getoetst of in de tussenliggende periode het extra risico op wateroverlast aanvaardbaar is. Andersom is het mogelijk dat water wat al eerder is gegraven, als compensatie dient. Deze wateren dienen wel geregistreerd te zijn in een waterbank. Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat de lozing van het nieuw verharde oppervlak niet leidt tot extra peilstijging en dat compensatie voor de versnelde afvoer bij voorkeur wordt gerealiseerd in hetzelfde peilgebied of anders in een lager gelegen peilvak in hetzelfde afwateringsgebied. Toenames van verhard oppervlak van meer dan 10.000 m2 kunnen een dermate grote impact op het watersysteem hebben dat de vuistregels voor compensatie niet zonder meer toegepast kunnen worden. De initiatiefnemer dient daarom bij de planvorming samen met het waterschap een maatwerkberekening te maken. Op basis van deze berekening kan een watervergunning worden aangevraagd. Vergunning wordt verleend wanneer de in de maatwerkberekening voorgestelde maatregelen aantoonbaar extra peilstijgingen bij maatgevende neerslaggebeurtenissen in het watersysteem voorkomen. 16 Bouwwerken langs oppervlaktewater 16.1 Inleiding Als u in het stroomschema voor “Aanleggen van bouwwerken langs oppervlaktewater”, opgenomen in de Uitvoeringsregels bij de Keur, uitkomt bij vergunningplicht, dan mag de handeling niet zonder meer worden uitgevoerd. Hiervoor heeft u een vergunning nodig van het waterschap die u bij ons kunt aanvragen. In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen. De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend. Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen. 16.2 Afwegingskader Van geval tot geval moet worden bekeken of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur. Bij de beoordeling van een aanvraag voor het aanleggen en verwijderen van bouwwerken houden wij rekening met de volgende aspecten: het voorkomen van wateroverlast; het voorkomen dat de doorstroming in een watergang wordt belemmerd; het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd. Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a: het voorkomen van wateroverlast Indien een bouwwerk geheel of gedeeltelijk in een watergang wordt geplaatst, heeft dit effect op de berging van de watergang. In feite vindt er demping plaats. Bij het plaatsen van een bouwwerk geheel of gedeeltelijk in een watergang kan ook de beleidsregel voor dempen van oppervlaktewater van toepassing zijn (zie hoofdstuk 3). Indien vergunning wordt verleend, wordt hierin tenminste een voorschrift opgenomen dat de verkleining van het wateroppervlak minimaal volledig moet worden gecompenseerd. ad b: het voorkomen dat de doorstroming in een watergang wordt belemmerd Vergunningaanvragen worden getoetst op het handhaven van het minimale aan- en afvoerprofiel gebaseerd op de aan- en afvoernorm voor het achterliggende gebied. Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat het minimaal benodigde profiel voor de doorvoer van water moet worden gehandhaafd. ad c: het voorkomen dat onderhoudswerkzaamheden aan het watersysteem worden belemmerd Indien een bouwwerk in een beschermingszone A van een watergang of beschermingszone B van een beschoeiing wordt geplaatst, belemmert dit het maaionderhoud (vanaf de oever) en/of het onderhoud aan een beschoeiing. Dit kan tot gevolg hebben dat het onderhoud vanaf het water moet plaatsvinden. Vergunningaanvragen worden getoetst op de mogelijkheden voor alternatief onderhoud. Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat een vorm van machinaal maaionderhoud van het natte profiel en indien van toepassing, onderhoud aan de beschoeiing, mogelijk moet blijven. Een bouwwerk in de beschermingszone K van een peilregelend kunstwerk kan de bereikbaarheid, het onderhoud en het vervangen van het kunstwerk belemmeren. Bouwwerken kunnen alleen worden toegestaan indien het kunstwerk normaal bereikbaar blijft voor de bediening en het onderhoud. Dit kan een andere route zijn, mits dit niet leidt tot hogere kosten voor het waterschap. Het kunstwerk dient ook tegen normale kosten vervangen te kunnen worden, zonder dat dit tot schade aan het vergunde bouwwerk leidt. Eventueel kunnen, afhankelijk van het type bouwwerk, voorschriften in de vergunning worden opgenomen over het tijdelijk verwijderen van het bouwwerk bij vervanging van het kunstwerk. 17 Beweiden van gronden langs oppervlaktewater Als u het stroomschema voor “beweiden van gronden langs oppervlaktewater”, opgenomen in de Uitvoeringsregels bij de Keur, heeft doorlopen, blijkt dat voor deze activiteit geen vergunningplicht geldt. Om deze reden is dan ook geen beleidsregel opgesteld. Uiteraard is de zorgplicht wel van toepassing op deze activiteit. 18 Grondboringen, sonderingen en peilbuizen in of langs oppervlaktewater Als u het stroomschema voor “grondboringen, sonderingen en peilbuizen in of langs oppervlaktewater”, opgenomen in de Uitvoeringsregels bij de Keur, heeft doorlopen, blijkt dat voor deze activiteiten geen vergunningplicht geldt. Om deze reden is dan ook geen beleidsregel opgesteld. Uiteraard is de zorgplicht wel van toepassing op deze activiteit. 19 Evenementen in oppervlaktewater Als u het stroomschema voor “evenementen in oppervlaktewater”, opgenomen in de Uitvoeringsregels bij de Keur, heeft doorlopen, blijkt dat voor deze activiteit geen vergunningplicht geldt. Om deze reden is dan ook geen beleidsregel opgesteld. Uiteraard is de zorgplicht wel van toepassing op deze activiteit. 20 Op- of onderbemalingen en peilafwijkingen in oppervlaktewater 20.1 Inleiding Als u in het stroomschema voor “Op- of onderbemalingen en peilafwijkingen in oppervlaktewater”, opgenomen in de Uitvoeringsregels bij de Keur, uitkomt bij vergunningplicht, dan mag de handeling niet zonder meer worden uitgevoerd. Hiervoor heeft u een vergunning nodig van het waterschap die u bij ons kunt aanvragen. In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen. De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend. Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen. 20.2 Afwegingskader Van geval tot geval moet worden bekeken of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur. Bij de beoordeling van een aanvraag voor het realiseren en hebben van een afwijkend oppervlaktewaterpeil houden wij rekening met de volgende aspecten: het voorkomen van wateroverlast of -schaarste; het voorkomen van verzakkingen van de bodem. Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a: het voorkomen van wateroverlast of -schaarste Een afwijkend waterpeil (op- of onderbemaling) wordt begrensd door peilscheidende kunstwerken. Deze vormen een belemmering voor de vrije aan- en afvoer van water. In beginsel mag daarom geen afwijkend peil worden gerealiseerd in een primaire of secundaire watergang, omdat de water aan- en afvoer daardoor wordt gestremd. Uitzondering op deze regel is het realiseren van een afwijkend peil aan het begin van een primaire of secundaire watergang, waarbij de water aan- en afvoer van derden niet wordt gestremd. In dit geval wordt het deel van de primaire of secundaire watergang onderdeel van het gebied met een afwijkend peil. Het beheer en onderhoud van deze watergang gaat in dit geval over op vergunninghouder. Permanente peilverlaging in elk oppervlaktewater kan tot ongewenste verdroging leiden van de omgeving. Daarnaast kan permanente peilverhoging in elk oppervlaktewater tot ongewenste vernatting van de omgeving leiden. Deze effecten worden in de afweging bij vergunningverlening meegewogen. Vergunningaanvragen worden getoetst aan de uitgangspunten van het vigerend beleid voor peilbeheer. Vergunningaanvragen worden bovendien getoetst op het in stand houden van de benodigde waterdoorvoer en ongewenste effecten op de grondwaterstand. ad b: het voorkomen van verzakkingen van de bodem Klei-op-veen- en veengronden zijn zogenaamde zettingsgevoelige gronden. Vooral wanneer de grondwaterspiegel onder de bovenkant van het veen komt te liggen, bestaat het gevaar dat het veenpakket inklinkt en krimpt met als gevolg dat het maaiveld daalt. Vergunningaanvragen worden getoetst aan de door het waterschap gehanteerde maximale droogleggingsnormen. Het verlagen van de grondwaterstand kan ook leiden tot schade aan funderingen van bouwwerken van derden. 21 Peilscheidende en peilregulerende kunstwerken in en langs oppervlaktewater 21.1 Inleiding Als u in het stroomschema voor “Peilscheidende en peilregulerende kunstwerken in en langs oppervlaktewater”, opgenomen in de Uitvoeringsregels bij de Keur, uitkomt bij vergunningplicht, dan mag de handeling niet zonder meer worden uitgevoerd. Hiervoor heeft u een vergunning nodig van het waterschap die u bij ons kunt aanvragen. In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen. De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend. Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen. 21.2 Afwegingskader Van geval tot geval moet worden bekeken of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur. Bij de beoordeling van een aanvraag voor het aanleggen, wijzigen of verwijderen van peilscheidende en peilregulerende kunstwerken houden wij rekening met de volgende aspecten: het voorkomen van wateroverlast of -schaarste; het voorkomen dat de doorstroming in een watergang wordt belemmerd; het voorkomen dat de fysisch-chemische en/of ecologische waterkwaliteit verslechtert; het voorkomen van verzakkingen van de bodem. Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a:het voorkomen van wateroverlast of -schaarste Het wijzigen of verplaatsen van een peilscheidend kunstwerk is gelijk aan het realiseren van een afwijkend peil. Hierbij zijn dezelfde afwegingen van toepassing zoals genoemd in de beleidsregel voor “op- of onderbemalingen en tijdelijke peilafwijkingen in oppervlaktewater” (zie hoofdstuk 20). Inlaatwerken voor peilregulering mogen alleen worden verwijderd of aangepast mits de nieuw aan te leggen werken voldoen aan de minimale eisen die worden gesteld aan het inlaatwerk (inlaatcapaciteit en deugdelijkheid van de constructie). Vaak is er behoefte aan het aanleggen van een inlaat om doorspoeling rondom woningen en gebouwen in hoogwatervoorzieningen te creëren om zo de waterkwaliteit te verbeteren. In lintbebouwingen, waarin elk perceel zijn eigen inlaat aanlegt, kan dit leiden tot een groot overschot aan water in de lager gelegen polder. Dit is onwenselijk omdat dit overschot uitgemalen moet worden, waardoor het risico op wateroverlast toeneemt. In beginsel worden deze inlaten alleen maar toegestaan voor peilhandhaving. Hierbij worden beperkende voorschriften in de vergunning opgenomen voor de capaciteit van de inlaat. Indien vergunningaanvrager een inlaat wenst voor kwaliteitsverbetering, wordt eerst getoetst of deze verbetering niet op andere wijze tot stand kan komen. Dit kan bijvoorbeeld ook worden bereikt door: baggeren, verwijderen van bomen en struiken en aanpassen van de oeverinrichting. Als dit niet tot het gewenste resultaat leidt kan de inlaat alleen maar toegestaan worden als er beperkingen aan de capaciteit van de inlaat worden gesteld. Hierbij wordt ook gelet op precedentwerking bij vergelijkbare gevallen die op hetzelfde lager gelegen peilgebied lozen. Alternatief voor doorspoelen is het plaatsen van een pomp, die uit het lager gelegen peilgebied water oppompt in de hoogwatervoorziening. ad b: het voorkomen dat de doorstroming in een watergang wordt belemmerd Plaatsen van een peilregelend kunstwerk heeft effect op de doorstroming in het watersysteem. Van peilregelende kunstwerken, die niet in het kader van een peilbesluit worden aangelegd, heeft geen toetsing plaatsgevonden op de doorstroming. Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat de minimaal benodigde doorvoercapaciteit in stand moet blijven. ad c: het voorkomen dat de fysisch-chemische en/of ecologische waterkwaliteit verslechtert Plaatsen van een peilregelend kunstwerk kan de doorstroming van een watergang verminderen of blokkeren. Dit kan tot ecologische achteruitgang leiden. Vergunningaanvragen worden getoetst op effecten op de waterkwaliteit en ecologie. Randvoorwaarde is dat ecologische achteruitgang niet optreedt of zo beperkt is dat het water ecologisch gezond blijft. ad d: het voorkomen van verzakkingen van de bodem Klei-op-veen- en veengronden zijn zogenaamde zettingsgevoelige gronden. Vooral wanneer de grondwaterspiegel onder de bovenkant van het veen komt te liggen, bestaat het gevaar dat het veenpakket inklinkt en krimpt met als gevolg dat het maaiveld daalt. Vergunningaanvragen worden getoetst op de maximale drooglegging die is toegestaan in het vigerend beleid voor peilbeheer. Het verlagen van de grondwaterstand kan ook leiden tot schade aan funderingen van bouwwerken van derden. Vergunning wordt verleend onder voorwaarde dat de peilwijziging binnen de normen blijft van het vigerend beleid voor peilbeheer. 22 Verrichten van handelingen in of boven een vaarweg 22.1 Inleiding Als u in het stroomschema voor “Verrichten van handelingen in of boven een vaarweg”, opgenomen in de Uitvoeringsregels bij de Keur, uitkomt bij vergunningplicht, dan mag de handeling niet zonder meer worden uitgevoerd. Hiervoor heeft u een vergunning nodig van het waterschap die u bij ons kunt aanvragen. In deze paragraaf leest u wat ons beleid is waaraan wij een vergunningaanvraag toetsen. De mogelijkheid bestaat om vooroverleg aan te vragen zodat u samen met het waterschap tot een goede aanvraag komt. Na afweging van alle relevante belangen kan al dan niet een vergunning worden verleend. Hoe u een vergunning bij het waterschap aanvraagt, kunt u vinden op de site van het waterschap, www.hdsr.nl/vergunningen. 22.2 Afwegingskader Van geval tot geval moet worden bekeken of de handeling kan worden toegestaan door voorschriften aan de vergunning te verbinden waarmee eventueel nadelige effecten van de handeling kunnen worden weggenomen. Daarnaast moet ook altijd aan de zorgplicht worden voldaan als bepaald in artikel 3.1 van de Keur. Bij de beoordeling van een aanvraag voor het verrichten van handelingen in of boven een vaarweg houden wij rekening met het volgende aspect: het voorkomen dat de vervulling van maatschappelijke functies van het watersysteem wordt belemmerd. Dit afwegingskader is uitgewerkt in deze beleidsregel: ad a: het voorkomen dat de vervulling van maatschappelijke functies van het watersysteem wordt belemmerd Alle activiteiten die de scheepvaart belemmeren, zijn niet toegestaan. Versmallingen en verondiepingen van de watergang worden getoetst aan de legger oppervlaktewateren en de door het waterschap gehanteerde maatvoering. Vergunning wordt verleend op voorwaarde dat het minimale doorvaartprofiel vastgelegd in de legger oppervlaktewateren in stand blijft en er geen belemmering voor de scheepvaart optreedt. Deel 2: Beleidsregels voor vergunningplichtige handelingen met betrekking tot een waterkering 25 Algemeen Bij het opstellen van de Beleidsregels voor vergunningplichtige handelingen met betrekking tot waterkeringen is een onderscheid gemaakt tussen de verschillende categorieën waterkeringen en de verschillende waterkeringzones. Daarnaast wordt bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag naar een aantal specifieke criteria gekeken. 25.1 Categorieën waterkeringen In het beheergebied van het waterschap zijn 5 categorieën waterkeringen (zie kaart 15A-15E in bijlage 5 bij de Keur, Uitvoeringsregels en Beleidsregels) aanwezig: primaire waterkeringen regionale waterkeringen overige waterkeringen zomerkaden Bij het beoordelen van (vergunningplichtige) handelingen is het waterschap het meest kritisch voor de primaire waterkeringen, omdat het hierbij gaat om de waterveiligheid van een groot deel van ons beheergebied en zelfs daar buiten. Daarnaast is het waterschap voor de regionale waterkeringen vaak kritischer dan voor de overige waterkeringen, omdat de gevolgen bij het falen van een regionale waterkering veelal groter zijn dan bij een overige waterkering. De zomerkaden zijn qua beleidsregels veelal op een gelijke wijze beschouwd als een primaire waterkering in verband met het mogelijk optreden van hoogwater op de rivier (dit levert beperkingen op voor aangevraagde werkzaamheden). 25.2 Waterkeringszones In de Beleidsregels voor vergunningplichtige handelingen met betrekking tot waterkeringen wordt gesproken over vier verschillende waterkeringszones:. Zone Waterstaatswerk De zone waterstaatswerk is -behalve voor de overige waterkeringen en de zomerkaden- vastgelegd in de verschillende leggers voor waterkeringen en beslaat voor alle categorieën de gehele waterkering inclusief de binnen- en buitendijkse zones die van belang zijn om de waterkerende functie van de waterkering te waarborgen. Zie ook bijlage 2 bij de Keur, Uitvoeringsregels en Beleidsregels. Dijklichaam Het dijklichaam is een zone die is bepaald om een variatie aan te brengen binnen de zone waterstaatswerk. Het dijklichaam is gedefinieerd als de kruin en de wederzijdse taluds van een waterkering -met inbegrip van eventuele bermen- én 5 meter vlak aan weerszijden (of tot aan de bodem van een naastliggende watergang). Zie ook bijlage 2 bij de Keur, Uitvoeringsregels en Beleidsregels. Beschermingszone De beschermingszone grenst zowel binnen- als buitendijks aan de zone waterstaatswerk en is -behalve voor de overige waterkeringen en zomerkaden- vastgelegd in de verschillende leggers voor waterkeringen. Ook deze zone beschermt de waterkerende functie van de waterkering en is van toepassing op specifieke werkzaamheden, zoals bepaalde ontgravingen, het aanleggen van hogedrukleidingen en explosiegevaarlijke werken. Profiel van Vrije Ruimte Het profiel van vrije ruimte is alleen vastgesteld voor de primaire waterkeringen en is als zone in de legger primaire waterkeringen opgenomen. Door de toepassing van een profiel van vrije ruimte kan een waterbeheerder rekening houden met de uitbreidingsmogelijkheden van een waterkering. Binnen dit profiel kan een toekomstige dijkversterking plaatsvinden. Bij het beoordelen van vergunningplichtige handelingen is het waterschap het meest kritisch voor de zone waterstaatswerk, omdat werkzaamheden in deze zone direct een negatieve invloed kunnen hebben op de waterkerende functie van de waterkering. Voor sommige werkzaamheden op de primaire waterkeringen en de zomerkaden wordt nog een onderscheid gemaakt tussen binnen of buiten het dijklichaam in de zone waterstaatswerk, omdat als deze werkzaamheden buiten het dijklichaam plaats vinden, deze nauwelijks tot geen negatieve invloed hebben op de waterkerende functie en dan kan het waterschap meer toe staan. Voor enkele specifieke handelingen in de beschermingszone is het waterschap ook kritisch; hierbij gaat het voornamelijk om handelingen met mogelijke grote effecten zoals bepaalde ontgravingen of explosiegevaarlijke werken. Het profiel van vrije ruimte is een toetsingskader van de beheerder bij het verlenen van vergunningen. De beheerder kan zo aan de hand van het aangeven van het profiel van vrije ruimte een op de toekomst gericht beleid voor een primaire waterkering ontwikkelen, waarbij ruimtelijke reserveringen mogelijk worden. In dit beleid wordt er dus voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening mee gehouden dat toekomstige dijkversterkingen nog mogelijk moeten zijn zonder dat dit tot bijvoorbeeld het afbreken van kapitaalintensieve nieuwe bebouwing leidt. Het profiel van vrije ruimte is niet van toepassing op bestaande bebouwing. 25.3 Vergunningscriteria Bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag wordt naar een aantal specifieke aspecten gekeken. Voor iedere handeling kunnen deze aspecten verschillen. Hieronder worden ze allemaal toegelicht, in de beleidsregels is bij iedere handeling beschreven naar welke aspecten wordt gekeken bij de beoordeling van de betreffende aanvraag. Hoogte De handeling mag geen nadelige effecten hebben op de kerende hoogte van de waterkering, zowel tijdens de werkzaamheden als na afloop (bijv. zettingen). De aanvrager van de vergunning kan gevraagd worden om aan te tonen dat er geen nadelige effecten voor de kerende hoogte gaan optreden voor de beide situaties (tijdens de handeling en na afloop van de handeling). Stabiliteit De handeling mag geen nadelige effecten hebben op de stabiliteit van de waterkering (macro- en microstabiliteit, binnen- en buitenwaarts). Dit geldt voor de stabiliteit tijdens de werkzaamheden én na de werkzaamheden. De aanvrager van de vergunning kan gevraagd worden de stabiliteit voor beide situaties door te (laten) rekenen en bij de vergunningsaanvraag ter controle aan het waterschap voor te leggen. Handelingen die plaats vinden in de zone waterstaatswerk kunnen een negatief effect hebben op de stabiliteit van een waterkering, maar in enkele gevallen kunnen handelingen in de beschermingszone hier ook een effect op hebben (zoals diepe ontgravingen). Erosiebestendigheid De handeling mag geen negatieve effecten hebben op de erosiebestendigheid van de waterkering of het negatieve effect moet zo kort mogelijk zijn. Dit betekent dat de werkzaamheden geen negatief effect mogen hebben op de staat van de bekleding (bijv. gras of stenen) van de waterkering of dat het negatieve effect op de staat van de bekleding zo kort mogelijk moet zijn. Daarnaast dient de buitenste laag van een waterkering te bestaan uit erosiebestendige klei. Wat voor klasse klei en hoe dik dit moet zijn, is afhankelijk van de categorie waterkering en of het binnen- of buitendijks is. Zie ook bijlage 3 bij de Keur, Uitvoeringsregels en Beleidsregels. Bekleding Als er een nieuwe bekleding wordt aangelegd, dan dient deze voldoende erosiebestendig te zijn. De voorkeur van het waterschap gaat hierbij veelal uit naar een goede grasmat (met een gevarieerd wortelstelsel). Als er voor een andere bekleding wordt gekozen, dient van te voren te worden aangetoond dat deze voldoende erosiebestendig is. Daarnaast zijn de overgangen tussen verschillende typen bekleding en de aansluiting tussen de bekleding en objecten ook van belang. En bij waterkeringen met een grasbekleding wordt specifiek gekeken naar de periode waarin de werkzaamheden plaats vinden, omdat een grasmat in de wintermaanden niet of nauwelijks groeit of aanslaat. Van belang is ook dat het ingezaaide gras (naar beoordeling van het waterschap) in voldoende mate aanslaat. Buiten- of binnentalud Het waterschap maakt bij het beoordelen van handelingen een onderscheid tussen de erosiebestendigheid van het buitentalud van een waterkering en de erosiebestendigheid van het binnentalud. Voor het buitentalud is het waterschap kritischer, omdat hier het buitenwater direct tegen aan staat of kan staan (afhankelijk van categorie waterkering). De erosiebestendigheid van het binnentalud speelt vooral een rol bij water dat over de waterkering heen stroomt of slaat. Voor het binnentalud is sprake van een minder grote dreiging dan bij het buitentalud. Voor het binnentalud van een primaire waterkering en een zomerkade kijkt het waterschap voor de erosiebestendigheid alleen naar de zone dijklichaam en niet naar de gehele zone waterstaatswerk - zoals wel het geval is aan de buitenzijde. Piping De handeling mag de kans op het voor komen van piping niet vergroten. Dit betekent dat de aanwezige kwelweglengte niet mag worden verkort, door bijvoorbeeld ontgravingen of het plaatsen van verticale objecten in de grond waar water langs kan stromen. Van belang hierbij is ook dat er geen ondoorlatende grondlagen onder de waterkering worden verstoord door de uitvoering van de werkzaamheden. Piping kan optreden bij handelingen die plaats vinden in de zone waterstaatswerk, maar in enkele gevallen kunnen handelingen in de beschermingszone hier ook een effect op hebben. Voor de beoordeling van de vergunningplichtige handelingen kan de aanvrager van de vergunning worden gevraagd om met berekeningen aan te tonen dat het risico op piping niet wordt vergroot en deze berekeningen dienen bij de vergunningsaanvraag ter controle aan het waterschap te worden voorgelegd. Inspectie en onderhoud De handeling mag geen hinder veroorzaken voor het efficiënt kunnen uitvoeren van onderhoud (dagelijks/regulier) en inspecties aan de waterkering – gedurende de werkzaamheden én hier na. Hierbij wordt vooral gekeken naar de aanwezige ruimte en de toegankelijkheid en begaanbaarheid (vastheid, draagvermogen en helling). Kan de waterkering bijvoorbeeld nog gemaaid worden met een tractor en is de waterkering bijvoorbeeld nog toegankelijk voor inspecteurs? Periode Het waterschap kijkt bij het beoordelen van (vergunningplichtige) handelingen naar de periode waarin de werkzaamheden worden uitgevoerd. Zo kan het in de zomer heel droog zijn en in de winter heel nat; beide situaties kunnen nadelig zijn voor waterkeringen. Bij waterkeringen met een grasbekleding zijn handelingen in de winter vooral een aandachtspunt, omdat het gras nauwelijks of niet groeit of aanslaat in deze periode. Voor de primaire waterkeringen en zomerkaden is de ‘gesloten dijkperiode’ van toepassing. Dit is ieder jaar van 1 oktober tot 1 april. In deze periode is er een verhoogde kans op hoogwater op de rivier en dit betekent dat de waterkerende functie van de waterkeringen in deze periode optimaal moet zijn en dat er in principe niets mag plaats vinden wat deze functie benadeelt. Profiel van vrije ruimte (primaire waterkeringen) Bij grote, kapitaalsintensieve werken moet voldoende vrije ruimte over blijven voor een in de toekomst uit te voeren versterking van de waterkering. Het profiel van vrije ruimte is vastgelegd in de legger. Daarnaast moeten werkzaamheden binnen het profiel van vrije ruimte nu of in de toekomst mogelijk zijn zonder dat hierdoor schade aan het te bouwen object ontstaat. Dit betekent dat de aanvrager van de vergunning gevraagd kan worden om door berekeningen aan te tonen dat de bebouwing en/of fundering daarvan geen schade oploopt door de (extra) belasting van het grondlichaam van de waterkering conform het toekomstige profiel van vrije ruimte. Toekomstige kadeverbeteringen (regionale/overige waterkeringen en zomerkaden) De handeling mag geen nadelig effect hebben op toekomstige kadeverbeteringen. Er moet bijvoorbeeld voldoende ruimte over blijven voor een in de toekomst uit te voeren verbetering aan de waterkering. Daarnaast kan de aanvrager van de vergunning worden gevraagd om door berekening