← Nederland

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2018 (Capelle aan den IJssel)

In het kort

Deze beleidsregels beschrijven hoe de gemeente Capelle aan den IJssel maatschappelijke ondersteuning biedt, met een focus op maatwerkvoorzieningen voor inwoners die door een beperking minder zelfredzaam zijn. Het doel is om de zelfredzaamheid en participatie van cliënten te versterken of te behouden.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 20181 Inleiding In de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015 is vastgelegd dat gemeenten zorg dragen voor maatschappelijke ondersteuning en de kwaliteit en continuïteit van voorzieningen. Hiervoor moet de gemeenteraad bij Verordening regels vaststellen. De eigen verantwoordelijkheid en zelfredzaamheid van cliënten vormen het uitgangspunt. Wanneer zij vanwege een beperking of psychiatrische of sociaal psychische problemen minder zelfredzaam zijn, wordt gekeken naar wat zij zelf kunnen oppakken of leren, wat hun omgeving kan doen, welke mogelijkheden het informele kader biedt en of er voorliggende voorzieningen zijn. Als hiermee de ondersteuningsvraag onvoldoende wordt beantwoord, bepaalt de gemeente of maatwerkvoorzieningen nodig zijn. Deze maken altijd onderdeel uit van een samengesteld en afgestemd palet van ondersteuning en staan nooit op zich. Voorts geldt bij psychische en psychosociale problematiek dat deze chronisch van aard moeten zijn. Bij tijdelijke psychische of psychosociale problematiek is eerst behandeling aangewezen, welke wordt vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet. In de Wmo 2015 gaat het om maatwerk en een maatwerkvoorziening moet afgestemd zijn op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een cliënt. Inherent hieraan is dat aan twee cliënten met vergelijkbare beperkingen mogelijk niet een zelfde maatwerkvoorziening wordt toegekend.Het streven is om de persoon op het niveau van participatie en zelfredzaamheid te brengen dat bij zijn situatie past. Daarbij zijn met name van belang de situatie van betrokkene voordat deze geconfronteerd werd met beperkingen, alsmede de situatie van personen in vergelijkbare omstandigheden en in dezelfde leeftijdscategorie die geen beperkingen hebben. Maar ook de mogelijkheden die er zijn, mede gelet op de persoonlijke situatie van de cliënt. De persoon zal zich er soms bij neer moet leggen dat er belemmeringen blijven, of dat hij zich enige beperkingen zal moeten getroosten. De door het college te bieden ondersteuning beperkt zich in die zin tot wat noodzakelijk is in het licht van de versterking of het behoud van zelfredzaamheid en participatie. De ondersteuning gaat niet zover dat het college rekening kan en moet houden met alle wensen van de cliënt, wat betreft bijvoorbeeld persoonlijke voorkeuren, smaak, luxe en gewoontes. Wel is voor een aantal voorzieningen keuzevrijheid van toepassing, waarbij de gemeente afspraken met meerdere aanbieders maakt en cliënten kunnen kiezen op basis van bijvoorbeeld levensbeschouwing, schaalgrootte of eerdere ervaringen. Onder de Wmo 2015 is geen sprake van een vast aanbod dat hoort bij een bepaalde beperking of problemen op één specifiek leefdomein. Er wordt aan de hand van verschillende leefdomeinen integraal naar iemands ondersteuningsvraag gekeken. Wanneer gemeente in afstemming met de cliënt vaststelt dat hij of zij op één of meerdere leefdomeinen ondersteuning nodig heeft en dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, bepaalt gemeente welke resultaten moeten worden behaald, welke maatwerkvoorzieningen hiervoor in worden gezet en voor welke termijn. Deze beleidsregels hebben betrekking op de toewijzing van maatwerkvoorzieningen waarvoor een gemeentelijke beschikking vereist is. Het gaat dan ook echt om maatwerk waarbij de gemeente van iedere cliënt met een ondersteuningsvraag door middel van integrale vraagverheldering, de persoonlijke omstandigheden en mogelijkheden zorgvuldig en individueel beoordeelt. Op basis daarvan wordt een palet van ondersteuning samengesteld met indien aan de orde de toebedeling van maatwerkvoorzieningen. Deze beleidsregels vormen een handreiking om gegeven de ruimte voor maatwerk tot een afgewogen ondersteuningspalet te komen en zijn als volgt opgebouwd: Begrippenkader: de kernbegrippen die aan de basis staan voor deze beleidsregels; Procedure: een omschrijving van de stappen om tot een afweging te komen voor maatwerkvoorzieningen, te weten melding, onderzoek, verslag, aanvraag en beschikking; Maatwerkvoorzieningen: wonen, verplaatsen in en om de woning, vervoer, huishoudelijke ondersteuning en individuele begeleiding, groepsbegeleiding en kortdurend verblijf. 2 Begrippenkader Aanbieder Een natuurlijk persoon of rechtspersoon (dat wil zeggen: een individu of een organisatie) die op basis van een overeenkomst met het college een algemene- of een maatwerkvoorziening aan een cliënt moet leveren. Algemeen gebruikelijk Geen (maatwerk)voorziening wordt verstrekt als deze voor de aanvrager algemeen gebruikelijk is (zie CRvB 04-05-2011, nr. 10/6824 WMO). Met het begrip algemeen gebruikelijk wordt volgens de CRvB beoogd te voorkomen dat een voorziening wordt verstrekt, gelet op de omstandigheden van betrokken persoon met beperkingen, aannemelijk is te achten dat deze daarover ook, als hij of zij geen beperkingen zou (hebben kunnen) beschikken (o.a. CRvB 03-07-2001 nr.00/764 WVG). Dus voorzieningen waarover de aanvrager ook los van zijn beperking zou kunnen beschikken, hoeven niet te worden verstrekt (CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG). De beoordeling of in het individuele geval sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening ziet op twee aspecten: is de voorziening op zich algemeen gebruikelijk? is de voorziening, die op zich algemeen gebruikelijk is, ook voor de persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk? Uit rechtspraak volgen 3 voorwaarden die een rol spelen bij de beoordeling of een voorziening algemeen gebruikelijk is: de voorziening is in de reguliere handel te koop; de prijs van de voorziening is vergelijkbaar met voorzieningen met een vergelijkbare functie; de voorziening is niet specifiek voor gehandicapten ontworpen. Een voorziening is nooit zonder meer algemeen gebruikelijk. Als aan de bovenstaande criteria wordt voldaan, volgt nog de beoordeling of voorziening ook voor de concrete individuele aanvrager algemeen gebruikelijk is. Het inkomen en vermogen staat niet centraal bij de beoordeling of de aanvrager over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Algemene voorziening Een algemene voorziening is in de Wet als volgt gedefinieerd: Aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het versterken van zelfredzaamheid en participatie, of op opvang. De CRvB heeft algemene voorzieningen gedefinieerd als “in beginsel voor een ieder toegankelijk, collectief aangeboden voorzieningen, op basis van een beperkte toelatingsbeoordeling aan de hand van beperkt aantal geformuleerde maatstaven en daarbij in aanmerking genomen dat de toelatingsbeoordeling in het algemeen geen acht wordt geslagen op de specifieke (persoons)kenmerken van de individuele aanvrager en dat deze soort voorziening naar zijn aard niet is afgestemd op de kenmerken van de individuele aanvrager” (CRvB 15-04-2010, nr. 09/1519 WMO). Kenmerk van algemene voorzieningen is dat zij altijd in natura verstrekt worden. Er kunnen globale restricties en toegangscriteria worden gesteld. Bijvoorbeeld aan de frequentie waarmee de voorziening wordt bezocht of dat men behoort tot de doelgroep waarvoor de voorziening is bedoeld. Er kan gedacht worden aan rolstoel- of scootmobielpools en aan zaken als een klussendienst, een boodschappenservice, open inloop, een was- en strijkservice, een maaltijdbezorgdienst. Ook cliëntondersteuning en 24-uurs bereikbaarheid voor cliënten met behoefte aan een luisterend oor vallen onder de algemene voorzieningen. Algemene voorzieningen zijn voorliggend op het verstrekken van maatwerkvoorzieningen, mits die algemene voorzieningen daadwerkelijk beschikbaar zijn; door de cliënt financieel gedragen kan worden; adequate compensatie bieden. Anti- revaliderende werking van een voorziening Ondersteuning in de vorm van een voorziening wordt niet geboden wanneer de voorziening antirevaliderend zal werken. Hierbij wordt het uitgangspunt genomen dat een voorziening met een anti- revaliderend karakter niet als doeltreffend kan worden aangemerkt, omdat de voorziening niet gericht is op het opheffen of verminderen van de door de cliënt ondervonden beperkingen (CRvB 23-10-2013, nr. 12/620 WMO). Hierbij kan gedacht worden aan een situatie waar uit de medische beoordeling door de medisch adviseur niet is gebleken dat de maatwerkvoorziening langdurig noodzakelijk is voor het opheffen of verminderen van beperkingen. Uit het medisch advies blijkt dat het voor de cliënt van belang is, mede gelet op zijn adipositas actief te blijven (CRvB 30-03-2011, nr. 10/4115 WMO). Beleidsregels Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2018. Besluit Het Besluit maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2018. Bijdrage Bijdrage in de kosten als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid van de Wmo 2015. Bijdrage in de kosten Een bijdrage in de kosten mag gevraagd worden voor algemene voorzieningen, voor maatwerkvoorzieningen in natura en voor een Pgb. Voor cliëntondersteuning mag geen bijdrage worden gevraagd. Een eigen bijdrage is een door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen bijdrage, die bij de verstrekking zoals hierboven beschreven betaald moet worden en waarop de regels van het besluit van toepassing zijn. De hoogte van deze bijdragen wordt vastgesteld door het college en vastgelegd in het Besluit. Een bijdrage mag gevraagd worden zolang de verstrekking voortduurt en is afhankelijk van het inkomen van de cliënt. Een bijdrage mag de kostprijs van de verstrekking niet te boden gaan. De hoogte van de eigen bijdrage is afgestemd op het inkomen. In het Besluit is weergegeven wat de (maximale) hoogte van deze bijdrage is. De heffing en inning van de eigen bijdrage wordt uitgevoerd door het CAK. Centraal Administratie Kantoor (CAK) Het CAK berekent en incasseert de eigen bijdragen voor de Wlz (Wet langdurige zorg) en de Wmo. Cliënt Cliënt is een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of Pgb is verstrekt of door, of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet. Er is sprake van een cliënt op het moment dat iemand een melding heeft gedaan. Dat kan door de cliënt zelf gedaan zijn, maar ook door iemand namens de cliënt. Daarna is iedereen die gebruik maakt van een algemene voorziening (ook als geen bijdrage wordt gevraagd, zodat betrokkene misschien niet bekend is bij de gemeente) of van een verstrekking (een maatwerkvoorziening of een Pgb) een cliënt. Cliëntondersteuning Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlenging op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; Voor cliëntondersteuning kunnen cliënten gebruik maken van de diensten aangeboden door Stichting Welzijn Capelle. Bij cliëntondersteuning is uitgangspunt het belang van de cliënt. Onafhankelijkheid van de cliëntondersteuning betekent dat de cliënt erop moet kunnen vertrouwen dat de ondersteuning die geboden wordt om de cliënt bij te staan tijdens het opstellen van een plan onafhankelijk is van het besluit dat de gemeente uiteindelijk neemt om een cliënt wel of niet een maatwerkvoorziening toe te kennen. De onafhankelijkheid van de cliëntondersteuner wordt gewaarborgd via de wettelijke plicht er voor te zorgen dat uitgangspunt bij de cliëntondersteuning het belang van betrokkene is en door middel van de professionele autonomie van de cliëntondersteuner. Collectieve voorziening Binnen de maatwerkvoorzieningen kunnen de ‘collectieve voorzieningen’ nog worden onderscheiden die ondanks wat de naam doet vermoeden (weliswaar collectief aangeboden) maatwerkvoorzieningen zijn. Het voorbeeld hiervan is het collectief aanvullend vervoer. College Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel. Directe woon- en leefomgeving Het begrip ‘lokaal vervoer in de directe woon- en leefomgeving is in jurisprudentie uitgelegd als verplaatsingen in een straal van 15-20 kilometer rondom de woning. Waar het om gaat is dat een cliënt alledaagse verplaatsingen kan maken, zoals het doen van boodschappen, bezoek aan familieleden en bekenden in de eigen omgeving, deelnemen aan sociale activiteiten etc (CRvB LJN: AA9001 12-06-1998 en Rechtbank Arnhem 09-02-2010, nr. AWB 09/2537). Eigen bijdrage Een aan de hand van de in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 vastgestelde criteria, door het college te bepalen bijdrage, die hetzij bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening, een Pgb of een algemene voorziening door de cliënt betaald moet worden. Fokuswoningen Volledig aangepaste, gelijkvloerse woningen geschikt voor rolstoelgebruikers. De woningen zijn geïntegreerd in een woonwijk of appartementencomplex. De woningen zijn via een alarm-intercomsysteem rechtstreeks verbonden met een hulppost van waaruit desgewenst ADL- assistentie kan worden verleend. Gebruikelijke hulp Gebruikelijke hulp wordt in de wet als volgt gedefinieerd: Hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Voor zover het gebruikelijk is dat partners, ouders, inwonende kinderen en/of andere huisgenoten elkaar bepaalde ondersteuning bieden, is een persoon niet aangewezen op ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening. De ondersteuning die deze gebruikelijke hulp in omvang en intensiteit overstijgt, wordt als mantelzorg gezien en deze hulp is in principe wel indiceerbaar. Wat onder gebruikelijke hulp valt, wordt bepaald door wat naar algemene aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht. In onze samenleving wordt het normaal geacht dat de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk hun rol nemen in het huishouden, zeker daar waar er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Wat in redelijkheid mag worden verwacht is mede afhankelijk van de intensiteit en verwachte duur van de ondersteuningsbehoefte. Uitzonderingen: voor zover een partner, kinderen of andere huisgenoten geobjectiveerde beperkingen hebben en/of kennis/vaardigheden missen om gebruikelijke ondersteuning binnen een voor te cliënt te behalen resultaat uit te voeren en deze vaardigheden (nog) niet kunnen aanleren wordt van hen geen bijdrage verwacht. voor zover een partner, kind en/of andere huisgenoot overbelast zijn of dreigen te raken wordt van hem of haar geen gebruikelijke hulp verwacht, totdat deze dreigende overbelasting is opgeheven. Daarbij geldt het volgende: Wanneer voor de partner, ouder, kind en/of andere huisgenoot eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen, inzet van behandeling zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen dienen deze eigen mogelijkheden en/of voorliggende voorzieningen te worden aangewend. De partner, ouder, volwassen kind en/of andere volwassen huisgenoot moeten bereid zijn maatschappelijke activiteiten te beperken, voor zover dat redelijkerwijs van hem of haar mag worden verwacht. Gesprek Gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet; Met dit gesprek wordt een onderdeel van het onderzoek bedoeld dat na de melding door de cliënt plaats dient te vinden, waarbij beoordeeld wordt, wat de cliënt zelf kan met inzet van alle mogelijkheden waaronder een algemene voorziening, voorliggende voorzieningen etc en waarvoor als het probleem door de cliënt zelf niet (voldoende) opgelost kan worden, een maatwerkvoorziening of Pgb verstrekt moet worden. Goedkoopst adequaat In de Verordening is bepaald dat een voorziening slechts kan worden toegekend, voor zover deze als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt. Uit CRvB 28-10-2009, nr. 08/1600 WMO volgt dat de cliënt recht heeft op een (maatwerk)voorziening die in haar individuele situatie kan worden aangemerkt als ondersteuning. Voor gevallen waarin meer dan één voorziening als ondersteuning voor de vastgestelde beperkingen kan worden aangemerkt, staat het de gemeente vrij te bepalen dat slechts recht bestaat op de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening (CRvB 28-10-2009, nr. 08/1600 WMO en CRvB 27-03-2013, nr. 11/2411 WMO). Het staat de gemeente vrij slechts één ondersteunende voorziening te treffen voor gevallen waarin meer dan één voorziening als compensatie voor vastgestelde beperkingen kan worden aangemerkt. Deze ene ondersteunende voorziening dient een oplossing te bieden voor het opheffen en/of verminderen van de belemmering die de cliënt ervaart. Een maatwerkvoorziening is niet adequaat te achten indien de voorziening in strijd is met andere wet- en regelgeving (CRvB 04-12-2013, nrs. 11/6918 WMO e.a.). De begrippen “goedkoopst” en “adequaat” moeten in onderlinge samenhang worden bezien. De volgorde waarin deze begrippen zijn geplaatst, betekent niet dat in de afweging die bij het verstrekken van een bepaalde voorziening wordt gemaakt, de hoogte van de kosten van de maatwerkvoorziening voorop staat en pas in tweede instantie wordt gekeken naar het feit of de voorziening als adequaat kan worden aangemerkt. “Goedkoopst adequaat” betekent dat een voorziening altijd adequaat moet zijn. Pas als er meerdere adequate voorzieningen zijn, kan de goedkoopst adequate voorziening worden gekozen. Deze ene goedkoopst adequate voorziening dient een oplossing te bieden voor het opheffen en/of verminderen van de belemmering die de cliënt ervaart. Het begrip “goedkoop” moet bij de beoordeling niet in absolute zin worden uitgelegd. Zo kan een in aanschaf duurdere voorziening bijvoorbeeld langer meegaan en dus uiteindelijk goedkoper zijn (zie bijvoorbeeld CRvB 08-10-2003, nr. 02/1128 WVG). Huiselijke kring Een eenheid bestaande uit alle huisgenoten met wie de persoon met beperkingen duurzaam een huishouding voert, waaronder een mantelzorger, huisgenoot, familielid. Van een gezamenlijke huishouding is in ieder geval sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Denk bijvoorbeeld aan gehuwden, het hebben van een samenlevingscontract, broer en zus met gezamenlijk huur, het hebben van een kind waarvan de huisgenoot het kind heeft erkend.Hulpvraag De behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; de hulpvraag wordt tijdens het onderzoek/het gesprek verduidelijkt. Dan wordt beoordeeld of de cliënt op eigen kracht in staat is het probleem op te lossen of niet. Als dit wel het geval is zal er geen ondersteuning worden verleend. Anders kan een maatwerkvoorziening of een Pgb verstrekt worden. In en om de woning In en om de woning betekent dat de cliënt zich in, om en nabij zijn woning moet kunnen verplaatsen. Hierbij gaat het zowel om de doorgankelijkheid van de woning (trap, drempels), als voorzieningen om te kunnen verplaatsen en transfereren (zoals rolstoel en bijvoorbeeld een tillift). Het betreft ook de verplaatsing naar een centrale hal in een flat, waar veelal de brievenbussen zijn, of het gebruik van een balkon of het gebruik van de tuin. In de woning moeten de normale woonruimten bereikt kunnen worden. Te denken valt daarbij aan de woonkamer, het slaapvertrek, of mogelijk de slaapvertrekken, het toilet, de keuken en de natte cel. Als er een berging is, moet ook de berging bereikt kunnen worden, als cliënt deze daadwerkelijk gebruikt. In principe zullen zolders zonder stahoogte, veelal bereikbaar zonder vaste trap, met bijvoorbeeld een vlizotrap, niet onder de compensatieplicht vallen. Het doel hierbij is dat men zich in die ruimten zodanig kan verplaatsen en zich daardoor zodanig kan redden dat normaal functioneren mogelijk is. Ingezetene Cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Capelle aan den IJssel. Over het algemeen zal het gaan om een cliënt die ook in Capelle aan den IJssel staat ingeschreven. Als dat niet het geval is zal conform vaste jurisprudentie beoordeeld moeten worden of de cliënt de meeste nachten per jaar in Capelle aan den IJssel doorbrengt of in een andere gemeente. Het hoofdverblijf is dan in de gemeente waar de meeste nachten per jaar wordt doorgebracht. Inkomen Het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde dan wel de gehuwde personen tezamen vastgesteld op grond van het verzamelinkomen bedoeld in de Wet inkomstenbelasting of in de overige gevallen op grond van het belastbaar loon bedoeld in de Wet op de loonbelasting in het peiljaar. Het peiljaar is het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin aan een persoon maatschappelijke ondersteuning is verleend. Instandhoudingskosten De kosten voor onderhoud, reparatie en eventuele verzekeringskosten van een maatwerkvoorziening. Langdurig noodzakelijk Langdurig wil zeggen dat degene die beperkingen ondervindt voor langere tijd aangewezen moet zijn op de desbetreffende maatwerkvoorziening. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijk beperkingen ondervindt, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast staat dat de aard van de beperking van voorbijgaande aard is, niet voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. Degene die voor 'beperkte of onzekere duur' beperkingen ondervindt kan een beroep doen op een (wettelijk) voorliggende voorziening, zoals de Zorgverzekeringswet. Langdurig geeft een grens aan in tijd. Waar de grens van langdurig gelegd moet worden is niet eenduidig aan te geven. Een afgrenzing die gemaakt kan worden, is te kijken naar andere regelgeving, die voor beperkte duur een voorziening verstrekken. Een andere benadering gaat uit van de eventuele tijdelijkheid van een beperking. In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat de cliënt na enige tijd zonder de benodigde maatwerkvoorzieningen zal kunnen functioneren, dan mag het college van kortdurende noodzaak uitgaan en dus de Wmo- aanvraag afwijzen. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand gevolgd wordt door situaties van terugval, kan worden uitgegaan van een langdurige noodzaak, mits dat wisselend beeld permanent is. De voorwaarde dat een maatwerkvoorziening langdurig noodzakelijk moet zijn om op grond van de Wmo verstrekt te kunnen worden, betekent net als onder het WVG- regime en de Wmo 2007, niet dat terminale patiënten geen beroep op de Wmo zouden kunnen doen. Wel zal bij de advisering en de keuze voor de soort maatwerkvoorziening rekening gehouden moeten worden met het feit dat het een terminale patiënt betreft. Voor wat betreft het criterium langdurige noodzakelijkheid, is in het kader van de Wmo geen medische eindtoestand vereist (CRvB 30-03-2011, nr. 10/4115 WMO) en (Rechtbank Alkmaar 22-08-2007, nr. Awb 07/1565 en Vzr. rechtbank Haarlem 30-06-2008, nr. AWB 08/4293. De omstandigheid dat geen medische eindsituatie is ingetreden impliceert zonder meer niet dat niet kan worden vastgesteld of het treffen van de gevraagde maatwerkvoorziening was aangewezen (Vzr. rechtbank Haarlem 15-02-2008, nrs. AWB 08-92 WMO). Voor wat betreft het vaststellen van de langdurig noodzakelijkheid dient te worden gekeken of voorliggende voorzieningen voor de cliënt openstaan zoals mogelijkheden voor behandeling op grond van de Zorgverzekeringswet en waar van cliënt verwacht mag worden dat hij zich ten volle inspant om de behandeling optimaal te laten verlopen. De mogelijkheden voor behandeling zijn voorliggende voorzieningen in het kader van de Wmo (CRvB 28-09-2011 10/2587 Wmo en Rechtbank Noord- Holland 13-05-2013 13/1946). Lokaal verplaatsen Onder lokaal in het kader van ‘lokaal verplaatsen’ wordt de directe woon- en leefomgeving verstaan. Zie ‘Directe woon- en leefomgeving’ in deze begrippenlijst. Maatschappelijke ondersteuning 1°. bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld, 2°. ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psycho- sociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving, 3°. bieden van beschermd wonen en opvang; De maatschappelijke ondersteuning richt zich op 3 soorten voorzieningen: de algemene en preventieve voorzieningen ten behoeve van cliënt en dan toegespitst op de personen met een beperking; de maatwerkvoorzieningen en Pgb’s voor het bevorderen van participatie en zelfredzaamheid en het bieden van een beschermde woonsituatie en zo nodig opvang. De eerste groep is preventief en voor zover niet preventief voor iedereen vrij toegankelijk, de tweede en de derde groep verstrekkingen is beschikbaar na een melding en het daaropvolgende traject. Maatwerkvoorziening Op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: 1°. ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, 2°. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, 3°. ten behoeve van beschermd wonen en opvang. De maatwerkvoorziening is de verstrekking in de tweede en derde groep van de maatschappelijke ondersteuning (zie 23). De maatwerkvoorziening biedt maatwerk, want hij is afgestemd op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon. Een maatwerkvoorziening is gericht op: zelfredzaamheid, waar ook ontlasting van de mantelzorger toe gerekend wordt, en kan het hele scala van verstrekkingen bevatten. participatie en kan het hele scala van verstrekkingen bevatten. beschermd wonen en opvang en biedt dan een voorziening op maat. Uitgangspunt is dat een cliënt een maatwerkvoorziening in natura krijgt. De cliënt kan verzoeken om een Pgb (artikel 2.3.6 lid 1 Wmo 2015). Een maatwerkvoorziening wordt verstrekt aan cliënten met een beperking of een chronisch psychisch of psychosociaal probleem. De doelgroep 'cliënten met een beperking of een chronisch psychisch of psychosociaal probleem' voor het verlenen van een maatwerkvoorziening kan worden verdeeld in drie subgroepen: mensen met een beperking; mensen met een chronisch psychisch probleem; mensen met een psychosociaal probleem. Bij 'cliënten met een beperking' gaat het om mensen met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische of een andere chronische psychische aandoening of beperking, dan wel om een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap. Het gaat hier in alle gevallen om kenmerken van een persoon. De doelgroep van de Wmo omvat ook cliënten met een psychosociaal probleem. Men spreekt van een psychosociaal probleem indien verlies van zelfstandigheid en, met name, een gebrek aan deelname aan het maatschappelijk verkeer, het is gevolg is van problemen die iemand heeft in zijn relatie met anderen en met zijn sociale omgeving. Mantelzorg Hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. Gebruikelijke zorg en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen. Mantelzorg is zorg, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, door personen uit diens directe omgeving waarbij de zorg/hulpverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie. Niet alle zorg, die mensen aan hun naaste bieden, is mantelzorg. Mantelzorg is alleen die zorg of hulp, die de gebruikelijke zorg/hulp overstijgt. Bij mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) zorg in zwaarte, duur en/of intensiteit aanmerkelijk overschreden. Mantelzorger Een persoon die mantelzorg verleent, is een mantelzorger. Melding Aan het het indienen van een aanvraag gaat een melding vooraf. Een melding is het kenbaar maken van de hulpvraag aan het college. De cliënt kan geen aanvraag doen, zonder dat er eerst een melding en onderzoek heeft plaatsgevonden. In artikel 2.3.2 lid 9 Wmo 2015 is namelijk bepaald dat een aanvraag pas kan worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd. Een onderzoek wordt pas gedaan als er eerst een melding heeft plaatsgevonden. Voor de gehele procedure is in totaal een termijn van 8 weken beschikbaar. Onderzoek Artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 bepaalt dat als bij het college een melding is gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college - na bevestiging van de melding - allereerst een onderzoek uitvoert, dat binnen 6 weken dient plaats te vinden en waarbij ook mantelzorgers of andere personen kunnen worden betrokken ( art. 2.3.2, lid 1). Voordat het onderzoek van start gaat kan de cliënt met een persoonlijk plan komen. Dit persoonlijk plan wordt in het onderzoek meegenomen en afgewogen. Cliënt krijgt hiervoor 7 dagen na de melding de gelegenheid. Cliënt wordt bij de melding erop gewezen dat er een mogelijkheid bestaat tot het inleveren van een persoonlijk plan. Deze zeven dagen gaan van de termijn van 6 weken af, zodat die nog slechts 5 weken telt (lid 2 van art. 2.3.2). Verder dient het college de cliënt te wijzen op de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning. De gemeente moet in het kader van de Wmo 2015 beoordelen of een persoon in aanmerking komt voor maatschappelijke ondersteuning. Daarnaast moet de gemeente - ook in het kader van een efficiënt beheer van de gemeentelijke middelen – periodiek beoordelen of een persoon in aanmerking blijft komen voor maatschappelijke ondersteuning, waaronder mede te verstaan voorzieningen. Het gaat dus niet alleen om het beoordelen van nieuwe aanspraken, maar ook om het herbeoordelen van bestaande (duur)aanspraken. Voor die (her)beoordeling moet een zorgvuldig onderzoek worden ingesteld. Er zijn diverse wijzen waarop het onderzoek kan worden uitgevoerd, zoals een onderzoek op basis van het dossier, telefonisch contact met de cliënt, een huisbezoek of het 'live' spreken en onderzoeken van de cliënt. Het is sterk afhankelijk van de situatie hoe het onderzoek dient te worden ingericht om te voldoen aan de eisen van artikel 3:2 Awb. Vervolgens is net zo belangrijk hoe de gang van zaken wordt neergelegd in een rapportage. Overbelasting Het meer belasten dan het prestatievermogen toelaat. Oftewel het (on)evenwicht tussen draagkracht (= belastbaarheid) en draaglast (= belasting). Er moet in het onderzoek gekeken worden naar de behoeften, mogelijkheden en belastbaarheid van de mantelzorger. Er dient te worden uitgegaan van wat redelijkerwijs de mogelijkheden van de mantelzorger zijn. Wat redelijkerwijs verwacht kan worden van een mantelzorger, verschilt van persoon tot persoon en is mede afhankelijk van de aard van de relatie, en de situatie waarin de cliënt en de mantelzorger zich op dat moment bevinden. De gemeente moet daarbij vooral uitgaan van wat de mantelzorger zelf aangeeft. Naast de fysieke gesteldheid van de mantelzorger, moet er ook worden gekeken naar de tijd die de mantelzorger beschikbaar heeft en de reistijd die de mantelzorger heeft. Overgangsrecht Cliënten houden recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2015 of diens rechtsvoorgangers, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. Participatie Deelnemen aan het maatschappelijke verkeer. Het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer is een belangrijke doelstelling van de Wmo die voor iedereen anders ingevuld kan worden maar wel voor iedereen op enigerlei niveau bereikbaar moet zijn, aansluitend bij de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de persoon. Persoonsgebonden budget Persoonsgebonden budget (Pgb) is een bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken. Het Pgb is één van de mogelijkheden tot verstrekking, naast de voorziening in natura. Het Pgb is een verstrekkingsvorm en wordt alleen toegekend als men in staat is de consequenties van het Pgb te overzien of als er een persoon is die dat namens cliënt verantwoord kan doen. Verder moet men gemotiveerd waarom men een Pgb wil aanvragen. Persoonlijk plan Het college moet de cliënt na de melding en voordat het onderzoek van start gaat, wijzen op de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te leveren. Deze verplichting is geregeld in artikel 2.3.2 lid 2 Wmo 2015. In dit persoonlijk plan moet de cliënt de omstandigheden, zoals beschreven in artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015 beschrijven en aangeven welke maatschappelijke ondersteuning volgens hem in zijn geval de beste oplossing is. Het college moet de cliënt gedurende 7 dagen na de melding de kans geven om het persoonlijk plan in te leveren. Door de cliënt een persoonlijk plan te laten maken, wordt de eigen regie en de betrokkenheid van het sociale netwerk van cliënten in de Wmo versterkt. Ook kan het persoonlijk plan bijdragen aan de tevredenheid van cliënten over de zorg en ondersteuning die geboden wordt door de gemeente. Cliënten zijn zelf regievoerder en eigenaar van hun persoonlijk plan. Burgers hebben zelf de keuze op welke manier en met welk(

  1. e)instrument(
  2. en)of methodes zij hun persoonlijke plan willen invullen. Resultaat De ondersteuning die het college door middel van een maatwerkvoorziening of Pgb verleent, vindt plaats binnen één of meerdere resultaatgebieden, die allemaal te maken hebben met het uiteindelijke doel van maatschappelijke ondersteuning. Daarbij gaat het enerzijds om het behoud en voor zover mogelijk versterking van de zelfredzaamheid en participatie en anderzijds opvang en beschermd wonen. In het kader van de Wmo onderscheiden we op hoofdlijnen de volgende resultaatgebieden: Resultaatgebieden 1 Wonen in een geschikt huis. 2 Zich verplaatsen in en om de woning 3 Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel 4 Een schoon en leefbaar huis 5 Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften 6 Beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding en huishoudtextiel 7 Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren 8 Het kunnen uitvoeren van de dagelijks noodzakelijke activiteiten 9 Het hebben van een dagvulling bestaande uit arbeidsmatige, recreatieve of andere activiteiten 10 Veiligheid en geborgenheid in de eigen leefomgeving, het veilig kunnen doorbrengen van de dag 11 Toerusting mantelzorger opdat cliënt zo lang mogelijk in de eigen omgeving kan blijven wonen 12 De mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten Sociaal netwerk Personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. Tot het sociale netwerk van een cliënt horen alle personen die een cliënt kent en met wie hij meer heeft dan alleen maar een vluchtig contact, maar met wie hij een sociale relatie heeft. Een sociale relatie zal in ieder geval wederzijds moeten zijn. Op grond van artikel 2.3.2 lid 7 Wmo 2015 moet de cliënt de gegevens die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs kan beschikken aan het college verschaffen. Hiertoe behoren ook de gegevens van personen uit het sociale netwerk. De cliënt die melding doet van een ondersteuningsvraag moet de gemeente dan ook actief informeren over de personen die onderdeel zijn van zijn sociale netwerk en daarbij aangeven wat deze personen voor hem zouden kunnen betekenen. De regering vindt dat van cliënten die een beroep doen op de gemeente, verwacht mag en kan worden dat zij alles doen dat binnen redelijke grenzen ligt, om het college in staat te stellen de aanvraag voor een maatwerkvoorziening goed te beoordelen. Bovendien moet de cliënt ook bereid zijn om de gemeente in contact te brengen met zijn sociale netwerk, indien de gemeente dit wenst. Dit hoeft niet wanneer de cliënt gegronde redenen heeft om dit te weigeren. Wat gegronde redenen zijn, zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van een cliënt om een beroep op het eigen netwerk te doen voordat hij bij de gemeente aanklopt voor ondersteuning. Hulp van personen uit het sociale netwerk kan echter niet worden afgedwongen. De personen uit het sociaal netwerk zijn namelijk niet verplicht om de cliënt bij te staan. Hiertoe zijn dan ook geen verplichtingen opgenomen in de Wmo. Wanneer er geen sociaal netwerk is, of de personen uit het sociale netwerk geen ondersteuning kunnen of willen bieden, dan zal het college de benodigde ondersteuning moeten organiseren. Verordening De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Capelle aan den IJssel 2018. Verstrekking Op grond van de Wmo kan een maatwerkvoorziening op de volgende wijzen verstrekt worden (artikel 2.3.5. en 2.3.6. Wmo 2015) een maatwerkvoorziening in natura; een persoonsgebonden budget (Pgb). Vertegenwoordiger Een vertegenwoordiger is op grond van de definitie in de Wmo 2015 de persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. Op grond van de wet kunnen als vertegenwoordiger optreden de curator, mentor ofgevolmachtigde van de cliënt. De bewindvoerder staat hier niet bij. De bewindvoerder kan alleen als vertegenwoordiger optreden als deze is gevolmachtigd door de cliënt. Curatele, bewind en mentorschap zijn verschillende maatregelen om mensen te beschermen die zelf geen goede beslissingen kunnen nemen. Bijvoorbeeld door een verstandelijke beperking, verslaving of dementie. Bewind is bedoeld voor wie zijn financiële zaken niet zelf kan regelen. Mentorschap gaat over het nemen van beslissingen over de verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding van de betrokkene. Curatele is bedoeld voor mensen die hun financiële en persoonlijke zaken niet zelf kunnen regelen. Die mensen zijn handelingsonbekwaam. Curatele, bewind en mentorschap kunnen worden aangevraagd bij de kantonrechter. Als een curator, mentor of gevolmachtigde ontbreekt, kunnen ook als vertegenwoordigeroptreden: -echtgenoot, geregistreerd partner of andere levensgezel van de cliënt; dan wel (als deze ontbreekt); -diens ouder, kind, broer of zus. Deze personen kunnen echter niet als vertegenwoordiger optreden als de cliënt dat niet wenst. Om die reden zal geprobeerd moeten worden om zoveel mogelijk een schriftelijke machtiging te vragen van de cliënt. Een buurvrouw, vriend of kennis, kan alleen als vertegenwoordiger optreden als deze expliciet door de cliënt is gevolmachtigd. Volledig pakket thuis Mensen met een ZZP- indicatie (Wlz- indicatie) kunnen zelf kiezen of zij de noodzakelijke zorg thuis ontvangen, mits de aanbieder daarover afspraken heeft gemaakt met het zorgkantoor. Bij inzet van het Volledig Pakket Thuis (VPT) is de inhoud van de zorg gelijk aan de zorg die de persoon in de instelling zou krijgen. Levering van het Volledig Pakket Thuis is niet af te dwingen. Zowel de persoon als de zorgaanbieder moeten akkoord gaan met levering van de zorg bij de persoon thuis. Het Volledig Pakket Thuis stimuleert het scheiden tussen wonen en zorg, doordat de cliënt zelf de woonkosten betaalt. (Wettelijk) voorliggende voorziening/Eigen kracht Algemene voorziening of andere voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen. Er bestaat geen aanspraak op een maatwerkvoorziening voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot compensatie, een voorziening op grond van een andere (wettelijke) bepaling bestaat. Het begrip voorliggende voorziening is niet opgenomen in de Wmo 2015 en kan niet als weigeringsgrond worden gehanteerd voor afwijzing van aanvragen waarvoor ook een beroep op een andere wet openstaat. Een aanvraag kan wel worden afgewezen als op grond van onderzoek (artikel 2.3.5 lid 4 Wmo 2015) blijkt dat cliënt op eigen kracht in staat is tot zelfredzaamheid en participatie. Hieronder wordt ook verstaan dat cliënt daadwerkelijk een beroep kan doen op andere wetten (zoals de Zvw en PW). Uit de jurisprudentie volgt dat de aanvrager aanspraak moet hebben op de voorziening, om te kunnen spreken van een voorliggende voorziening (CRvB 09-11-2011, nr. 11/3583 WMO en CRvB 28-09-2011, nr. 10/2587 WMO). Dat wil niet zeggen dat de aanvrager de voorziening daadwerkelijk moet hebben, maar dat hij daarop aanspraak heeft. Vrijwilliger Een persoon die onverplicht en onbetaald werkzaamheden verricht ten behoeve van andere mensen of de samenleving, zonder van deze werkzaamheden voor het levensonderhoud afhankelijk te zijn. Wlz Wet langdurige zorg. Het volledige zorgpakket Wlz bestaat, naast verblijf, persoonlijke verzorging, verpleging, behandeling, het individueel gebruik van mobiliteitshulpmiddelen en vervoer naar dagbesteding en dagbehandeling, ook uit begeleiding. Artikel 2.3.5. lid 6 Wmo 2015 bepaalt dat het college een maatwerkvoorziening kan weigeren indien: de cliënt aanspraak heeft op verblijf en daarmee samenhangende zorg in een instelling op grond van de Wlz, dan wel er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarop aanspraak kan doen gelden en weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit dienaangaande. Voor een heldere afbakening tussen de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Wet langdurige zorg (Wlz) is het uitgangspunt in de Wlz neergelegd dat een cliënt met een Wlz-indicatie al zijn voorzieningen uit de Wlz ontvangt. De tegenhanger in de Wmo 2015 is dat gemeenten een Wlz- cliënt in beginsel daarom geen maatwerkvoorziening hoeven te verstrekken (artikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015). De Wlz kan worden aangemert als wettelijke voorliggende voorziening. Wegens diverse technische uitvoeringsredenen is deze wettelijke overheveling van hulpmiddelen, woningaanpassingen en huishoudelijke ondersteuning voor cliënten met een Wlz-indicatie die zelfstandig wonen echter gefaseerd overgegaan naar de Wlz. De overheveling van de huishoudelijke ondersteuning heeft reeds plaatsgevonden. De laatste overheveling, de mobiliteitshulpmiddelen en woningaanpassingen, voor thuiswonende Wlz cliënten is uitgesteld omdat de overheveling niet in het belang was van de cliënt. De overheveling was bedoeld om overzicht te creëren en het aantal loketten te verminderen waar burgers met een beperking een beroep op moeten doen. Voor hulpmiddelen en woningaanpassingen, in tegenstelling tot huishoudelijke ondersteuning, zou een overheveling dit doel niet bereiken en is in november 2016 door het kabinet besloten om deze overheveling uit te stellen naar minimaal 2019. Een van de redenen van deze datum is dat het huidige onderscheid tussen verblijf met en zonder behandeling komt te vervallen. Dan is het mogelijk om hulpmiddelen en andere voorzieningen voor mensen die intramuraal wonen door het Zorgkantoor te laten verstrekken. Per 1 januari 2019 of later wanneer vastgesteld, worden alle voorzieningen voor cliënten die intramuraal wonen door het Zorgkantoor ingekocht. Alle voorzieningen voor Wlz clienten die thuis wonen worden krachtens de Wmo door de gemeente ingekocht. 2018 Overzicht verstrekkingen op grond van de Wmo voor WLZ- thuiswonenden WlzWmo WLZ pgb (persoons-gebonden budget) Huishoudelijke ondersteuning CapelleHopper Rolstoel Vervoermiddelen Woonvoorzieningen/hulpmiddelen Woningaanpassing WLZ vpt (volledig pakket thuis) Huishoudelijke ondersteuning CapelleHopper Rolstoel Vervoermiddelen Woonvoorzieningen/hulpmiddelen Woningaanpassing WLZ mpt (modulair pakket thuis) Huishoudelijke ondersteuning CapelleHopper Rolstoel Vervoermiddelen Woonvoorzieningen/hulpmiddelen Woningaanpassing WLZ Intramuraal zonder behandeling Huishoudelijke ondersteuning CapelleHopper Rolstoel Vervoermiddelen Woonvoorzieningen/hulpmiddelen Woningaanpassing WLZ Intramuraal met behandeling Huishoudelijke ondersteuning Rolstoel Vervoermiddelen Woonvoorzieningen/hulpmiddelen CapelleHopper Woningaanpassing Wmo Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Woningaanpassing Bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte. Zelfredzaamheid Zelfredzaam wordt in de wet als volgt gedefinieerd: In staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Algemeen dagelijkse levensverrichtingen zijn alle handelingen die te maken hebben met het lichaam en dagelijks gedaan moeten worden, zoals wassen, aankleden, toiletgang, haren wassen, eten en slapen. Het merendeel van de algemene dagelijkse levensverrichtingen valt niet onder de Wmo maar als persoonlijke verzorging onder de Zvw. Zelfredzaamheid is van belang om zo lang mogelijk zelfstandig te kunnen blijven wonen, zonder dat zorg met verblijf op grond van de Wet langdurige zorg noodzakelijk is. De omschrijving van zelfredzaamheid bevat twee elementen: het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen, het voeren van een gestructureerd huishouden. Algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) zijn de handelingen die mensen dagelijks in het gewone leven verrichten, met inbegrip van persoonlijke verzorging. Het begrip wordt gebruikt om te bepalen in hoeverre iemand zelfredzaam is. Iemand die als gevolg van lichamelijke en geestelijke beperkingen ADL- verrichtingen niet zelf kan doen, zal hulp nodig hebben en indien hij zoveel hulp nodig heeft dat het niet verantwoord is dat hij zonder enige vorm van (vrijwel) continu toezicht en hulp leeft, misschien zelfs niet langer thuis kan blijven wonen. Voor de zelfredzaamheid van mensen zijn de volgende algemene dagelijkse levensverrichtingen van belang: in en uit bed komen, aan- en uitkleden, bewegen, lopen, gaan zitten en weer opstaan, lichamelijke hygiëne, toiletbezoek, eten/drinken, medicijnen innemen,ontspanning, sociaal contact. Zelfredzaamheid wil niet per definitie zeggen dat de persoon zelf overal toe in staat is. De zelfredzaamheid van een persoon kan ook versterkt worden door de inzet van huisgenoten,het netwerk rond de persoon, mantelzorg, of een vrijwilliger die ondersteunende taken verricht. Verder kan het gebruik van algemeen gebruikelijke voorzieningen bijdragen aan de zelfredzaamheid. 3 Procedure 3.1 Stroommodel De procedure om tot een maatwerkvoorziening te komen start bij de melding van een cliënt en eindigt wanneer blijkt dat een maatwerkvoorziening inderdaad van toepassing is in een beschikking. Onderstaand stromenmodel geeft grofweg aan welke stappen in deze procedure worden doorlopen, die aansluitend achtereenvolgens aan de orde komen. Melding Afdoen enkelvoudige informatie- en adviesvragen Onderzoek (6 weken) - Persoonlijk plan - Keukentafelgesprek - Vaststellen ondersteuningsbehoefte - Op resultaatgebieden waarin ondersteuningsvraag speelt het volgende vaststellen • Eigen mogelijkheden • Mogelijkheden in de omgeving • Mogelijkheden informele zorg en vrijwillegers • (Wettelijke) voorliggende voorzieningen • Noodzakelijke maatwerkvoorzieningen Verslaglegging Aanvraag (2 weken) - Bepalen inzet adequaat goedkoopste maatwerkvoorzieningen - Bepalen duur van de inzet van de maatwerkvoorziening - Besluit Ondersteuningspalet Figuur 1. Stroommodel procedure van melding tot maatschappelijke ondersteuning 3.2 Melding Een ondersteuningsvraag kan op verschillende manieren worden gemeld. Een cliënt kan zichzelf melden met een ondersteuningsvraag, maar een melding kan ook worden gedaan door een derde, zoals de huisarts, een organisatie op het gebied van wonen, welzijn of zorg, een bekende of een aanbieder waar iemand al in beeld is. Meldingen kunnen telefonisch, schriftelijk of digitaal worden gedaan. Het college bevestigt schriftelijk de ontvangst van de melding. Er zijn meldingen die bij nader inzien kunnen worden afgedaan als enkelvoudige vragen om informatie en advies. Hierop is geen nadere integrale vraagverheldering nodig. Voor andere vragen zal de gemeente een onderzoek verrichten. Vanaf het moment dat het college een melding schriftelijk bevestigt, gaat de termijn van zes weken lopen die wettelijk is voorgeschreven voor de uitvoering van het onderzoek.3.3 Onderzoek Artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 bepaalt dat als bij het college een melding is gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college - na bevestiging van de melding - allereerst een onderzoek uitvoert, dat binnen 6 weken dient plaats te vinden en waarbij ook mantelzorgers of andere personen kunnen worden betrokken ( art. 2.3.2, lid 1). Voordat het onderzoek van start gaat kan de cliënt met een persoonlijk plan komen. Dit persoonlijk plan is onderdeel van het onderzoek en het resultaat daarvan. Cliënt krijgt hiervoor 7 dagen na de melding de gelegenheid. Deze zeven dagen gaan van de termijn van 6 weken af, zodat die nog slechts 5 weken telt (lid 2 van art. 2.3.2). Verder dient het college de cliënt te wijzen op de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning. Als het persoonlijk plan is gemaakt, of na 7 dagen, of indien de cliënt afziet van een persoonlijk plan zo spoedig als mogelijk na de melding, volgt het onderzoek, dat zich op 7 zaken dient te richten: "a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt; de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren en/of te behouden of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering en/of behoud van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering of behoud van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering en/of behoud van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4, verschuldigd zal zijn." (artikel 2.3.2, lid 4) Ook dient de cliënt tijdens het onderzoek geïnformeerd te worden over de mogelijkheden om te kiezen voor een Pgb (artikel 2.3.2 lid 6). Van de cliënt wordt verwacht dat die het college de gegevens en bescheiden verschaft die nodig zijn en waar de cliënt over kan beschikken (artikel 2.3.2, lid 7). Het onderzoek bestaat uit een vooronderzoek en een gesprek, een nadere verkenning van de ondersteuningsbehoefte en een analyse van resultaatgebieden waarin een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Na het onderzoek geeft het college de cliënt een verslag van het gesprek (art. 2.3.2 lid 8). Een aanvraag kan niet worden ingediend zonder melding en/of onderzoek tenzij het onderzoek niet binnen 6 weken is uitgevoerd. 3.3.1 Vooronderzoek De gemeente verricht een vooronderzoek waarin alle relevante cliëntgegevens worden verzameld ter voorbereiding op het onderzoek. De cliënt verschaft de gemeente de informatie die voor het onderzoek nodig zijn en die de gemeente in kan zien, waaronder in ieder geval een (kopie) identificatiedocument. Daarnaast is er mogelijk informatie beschikbaar over diagnoses of andere informatie van specialisten en behandelaren die de gemeente mee kan nemen in het onderzoek. Als over een cliënt de benodigde informatie reeds afdoende beschikbaar is, bijvoorbeeld omdat iemand al bekend is bij de gemeente, kan worden afgezien van het vooronderzoek en geldt de beschikbare informatie als basis voor het onderzoek. 3.3.2 Gesprek Er vindt een gesprek plaats met de cliënt door of voor wie een melding is gedaan om vast te stellen op welke leefdomeinen/resultaatsgebieden ondersteuning nodig is en op welke wijze deze vormgegeven kan worden. Het gesprek kan uiteenvallen in verschillende gesprekken, afhankelijk van hoeveel tijd nodig is om een goed totaalbeeld te krijgen. Het gesprek vindt plaats aan de hand van onderstaande leefdomeinen: Werk & Opleiding; Tijdsbesteding; Huisvesting; Huiselijke relaties; Geestelijke gezondheid; Middelengebruik; Adl; Sociaal netwerk; Maatschappelijke participatie Justitie. De medewerker die de melding in behandeling heeft, bespreekt samen met de cliënt, dan wel diens vertegenwoordiger en de cliëntondersteuner en/of met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie of iemand uit het sociale netwerk, wat de hulpvraag inhoudt en waaruit de behoefte aan ondersteuning bestaat. Ook de mate van zelfredzaamheid van de cliënt wordt besproken. De behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt wordt nadrukkelijk ook meegenomen in het gesprek. Dit gesprek kan gezien worden als het gesprek zoals vermeld in de Verordening. In het gesprek worden cliënt en andere belanghebbenden ook gewezen op hun rechten en plichten op het gebied van privacy. Dit gesprek vormt de basis voor een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wet. De medewerker verzamelt de benodigde informatie. Daarbij is de medewerking van de cliënt en naasten onontbeerlijk. Als iemand al voldoende bekend is en er zijn geen nieuwe omstandigheden die op de melding van invloed zijn, kan met instemming van de cliënt worden afgezien van (delen van) het onderzoek. De onderzoeksfase is een waarborg voor cliënten om gehoord te worden en in gezamenlijk overleg tot een kwalitatief goed plan te komen. Hierbij wordt ook aandacht besteed aan de eigen mogelijkheden van de cliënt. Bovendien is het van belang na te gaan of de maatwerkvoorziening/ondersteuning die de cliënt voor ogen heeft geen surrogaat is voor mogelijk onderliggende problematiek (vraag achter de vraag). Indien er sprake is van een spoedeisende situatie, dan is het college, na de melding, gehouden aan het onverwijld een vorm van noodzakelijk ondersteuning, aan te bieden. Afhankelijk van de spoedeisendheid kan beoordeeld worden of de uitkomst van het onderzoek wel of niet kan worden afgewacht. Wanneer tijdens het intakegesprek of het onderzoek blijkt dat de inwoner mogelijk recht heeft op ondersteuning vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw) of andere voorzieningen, wordt het aanvragen hiervan opgenomen in het plan. De mate van zelfredzaamheid van de inwoner bepaalt of de afspraak is dat de inwoner dit zelf doet, of dat iemand uit zijn omgeving dan wel Stichting Welzijn Capelle ondersteuning biedt. 3.3.3 Resultaatgebieden bepalen Resultaatgebieden De gemeente hanteert in het kader van de Wmo 2015 de volgende resultaatgebieden om de ondersteuningsvraag nader te duiden en hier oplossingen voor te vinden: Resultaatgebieden 1 Wonen in een geschikt huis. 2 Zich verplaatsen in en om de woning 3 Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel 4 Een schoon en leefbaar huis. 5 Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften. 6 Beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding en huishoudtextiel. 7 Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren. 8 Het kunnen uitvoeren van de dagelijks noodzakelijke activiteiten. 9 Het hebben van een dagvulling bestaande uit arbeidsmatige, recreatieve of andere activiteiten. 10 Veiligheid en geborgenheid in de eigen leefomgeving, het veilig kunnen doorbrengen van de dag. 11 Toerusting mantelzorger opdat cliënt zo lang mogelijk in de eigen omgeving kan blijven wonen. 12 De mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten. 3.4 Eigen mogelijkheden van cliënt en de omgeving In de Wmo 2015 wordt een sterk beroep gedaan op de eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid van de cliënt. De cliënt wordt geacht eerst eigen oplossingen in te zetten. Eventuele ondersteuning vanuit de gemeente vormt slechts het sluitstuk. 3.4.1 Eigen mogelijkheden Wanneer de ondersteuningsbehoefte van de cliënt in kaart is gebracht, dient vervolgens in het onderzoek centraal te komen staan hoe de ondersteuningsbehoefte opgeheven en/of verminderd kan worden met de mogelijkheden die de cliënt zelf heeft. Ook het lerend vermogen vormt onderdeel van de eigen mogelijkheden. Dan gaat het om kennis en vaardigheden die een cliënt met een ondersteuningsvraag nog kan opdoen. Maar ook kan gedacht worden aan een eigen auto waarmee cliënt in de eigen vervoersbehoefte kan voorzien, of het verdisconteren van extra kosten die gemoeid zijn met het aanpassen van de tweede bedrijfswoning (CRvB 21-05-2012, nr. 11/5321 WMO), reorganisatie aanbrengen in zijn of haar handelen door het zittend uitvoeren van bijvoorbeeld de strijkwerkzaamheden, het anders inrichten van het huis om de ondervonden beperkingen zelf op te lossen (CRvB 15-05-2013, nr. 10/7085 WMO). Van cliënten wordt verwacht dat zij zoveel mogelijk zelf zoeken naar passende oplossingen om hun belemmeringen op te heffen en/of te verminderen. Ook kan gedacht worden aan een verhuizing wanneer de cliënt door het ouder worden of vanwege een gewijzigde gezinssituatie belemmeringen in het wonen in een geschikt huis ondervindt. Bovengenoemde zijn voorbeelden en dus indicatief, in iedere situatie dient tijdens het onderzoek individueel beoordeeld te worden wat voor die specifieke cliënt eigen mogelijkheden zijn. 3.4.2 Aanspraak op privaatrechtelijke verbintenis Het is niet toegestaan om een voorziening uit te sluiten omdat de cliënt op grond van een privaatrechtelijke verbintenis hier aanspraak op kan hebben. Het uitsluiten van een voorziening om deze reden is in strijd met de Wmo (CRvB 04-05-2011 nr.10/6824 WMO). Bij de beoordeling of een voorziening algemeen gebruikelijk is, mag soms wel meegenomen worden dat een aanvrager daadwerkelijk aanspraak heeft op een voorziening op grond van een privaatrechtelijke overeenkomst (CRvB 22-11-2006 nr. 05/2567 WVG). 3.4.3 Sociaal netwerk Onderdeel van het onderzoek richt zich op het sociale netwerk van de cliënt. Er dient onderzoek te worden verricht naar het sociale netwerk van de cliënt en mantelzorger om te beoordelen welke persoon welke ondersteuning kan bieden om de mantelzorger te ontlasten. Hierbij dient het gesprek met deze personen te worden aangegaan om te onderzoeken waartoe zij daadwerkelijk in staat zij voor wat betreft het bieden van ondersteuning. In praktijk blijkt dat soms niet aan een bepaalde persoon gedacht wordt als ondersteuning of als extra mantelzorger, zodat het deze persoon niet is gevraagd, maar als het gevraagd wordt blijkt de persoon wel degelijk bereid te hulp te schieten. Het is dus noodzakelijk alle mogelijkheden de revue te laten passeren en niet al te snel verder te gaan als cliënt aangeeft dat iets niet kan. Er dient altijd de vraag gesteld te worden of de optie wel eens is besproken. Ook als cliënt aangeeft iets zelf niet te willen of meent iets niet te kunnen vragen, dient bespreekbaar gemaakt te worden: het is aan iemand zelf om ja of nee te zeggen. Het bieden van mantelzorg is namelijk niet afdwingbaar, maar de wetgever stelt in de Wmo 2015 dat een sterk beroep gedaan kan worden op de eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid van de cliënt, waaronder het sociale netwerk van de cliënt. De cliënt wordt geacht eerst eigen oplossingen in te zetten. Eventuele ondersteuning vanuit de gemeente vormt slechts het sluitstuk. 3.4.4 Mantelzorg Onder mantelzorg wordt verstaan: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een cliënt door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt. Het moet gaan om zorg die uit gaat boven de zorg die men redelijkerwijs van een persoon uit diens sociale netwerk mag verwachten. Er bestaat brede overeenstemming dat er vooral sprake is van mantelzorg als deze intensief en langdurig is, dat wil zeggen meer dan 8 uur per week en langer dan 3 maanden, wordt verleend. Minder intensieve en langdurige zorg voor een ander valt uiteraard ook onder mantelzorg, maar krijgt minder aandacht bij de ondersteuning van mantelzorgers. Dit is gebaseerd op het feit dat mantelzorgers pas echt problemen gaan ondervinden ten gevolge van het verlenen van zorg als dat intensief gedurende een langere periode geschiedt. De belangrijkste kenmerken van mantelzorg zijn: Er is een bestaande sociale relatie tussen cliënt en zorgverlener; De cliënt en de zorgverlener kennen elkaar. De sociale relatie kan heel uiteenlopend zijn. Het gaat niet alleen om de zorg voor gezinsleden en huisgenoten en zorg voor familieleden. Het kan ook gaan om zorg voor vrienden, buren en bekenden. Mantelzorg wordt niet in een georganiseerd verband verricht; Het gaat om zorgverlening die niet beroepsmatig wordt verricht. Hierdoor is een goede begeleiding van de mantelzorger niet direct vanzelfsprekend. De mantelzorger moet, voor zover hier behoefte aan is, in beginsel zelf begeleiding/ondersteuning regelen. Verrichten van mantelzorg is veelal geen bewuste keuze;Omstandigheden zorgen er voor dat iemand er als het ware inrolt. Meestal heeft diegene vooraf geen idee hoelang de situatie gaat duren. Het verlenen van mantelzorg is nooit afdwingbaar; Het verlenen van mantelzorg is geen (maatschappelijke) verplichting. De toerusting van de mantelzorger om ervoor te zorgen dat cliënt zo lang mogelijk in de eigen omgeving kan wonen is één van de gehanteerde resultaatgebieden. Met betrekking tot mantelzorgers bevinden zich ook veel ondersteuningsmogelijkheden in het voorliggende kader en in het welzijnsaanbod binnen Capelle aan den IJssel. Aandacht voor mantelzorg in het onderzoek Het is bij dit resultaat van het grootste belang dat het onderzoek uitgevoerd wordt tijdens een gesprek waar ook de mantelzorger bij aanwezig is. Alleen in aanwezigheid van de mantelzorger kan een juist beeld ontstaan van de situatie, het stadium waarin de mantelzorger zich bevindt en de behoefte aan ondersteuning en de vorm waarin deze ondersteuning het beste gegeven kan worden. Tijdens het onderzoek zal antwoord gegeven moeten worden op de volgende vragen. wat is de lichamelijke conditie van de mantelzorger? wat is de geestelijke conditie van de mantelzorger? hoe gaat de mantelzorger om met de aanwezige problematiek? is de mantelzorger gemotiveerd om de mantelzorgtaken op zich te (blijven) nemen? bestaat er een sociaal netwerk dat de mantelzorger mogelijk kan ontlasten bij de uitvoering van de mantelzorg? bestaan er voorliggende voorzieningen en/of technische hulpmiddelen die de mantelzorger mogelijk kunnen ontlasten bij de uitvoering van de gebruikelijke zorg? Een belangrijke start is de vraag of iemand het resultaat zelfstandig, in deze situatie samen met de mantelzorger zal kunnen bereiken. Daarbij moet opgemerkt worden dat het volgen van een behandeltraject op grond van de Zorgverzekeringswet een (wettelijk) voorliggende voorziening betreft en dat van een mantelzorger verwacht mag worden dat hij van deze voorliggende voorziening gebruik maakt en daarbij ten volle inspant om de behandeling optimaal te laten verlopen (CRvB 28-09-2011 10/2587 Wmo en Rechtbank Noord- Holland 13-05-2013 13/1946). Zoals opgenomen in de Verordening, dient ook bij dit resultaat wederom gekeken te worden op welke andere wijze de belemmering in ernst kan worden verminderd of kan worden opgeheven. Hierbij dient te worden beoordeeld of de cliënt de mogelijkheid zou kunnen hebben om "op eigen kracht" zijn probleem geheel of gedeeltelijk op te lossen of door de hulp van personen uit zijn sociale netwerk, door de inzet van (wettelijk) voorliggende voorzieningen, door gebruikmaking van algemeen gebruikelijke of algemene voorzieningen. Als het gaat om dit resultaat dan zal het allereerste dat moet gebeuren de vraag zijn of iemand aanspraak heeft op verblijf vanuit de Wet langdurige zorg, of dat iemand aanspraak zou kunnen hebben daarop als hij zich zou laten indiceren door het Centrum Indicatiestelling Zorg. Dit zal steeds de eerste vraag moeten zijn met als achtergrond het bepaalde in artikel 2.3.5, lid 6 Wmo. Is daar sprake van, dan wordt dit resultaat buiten beschouwing gehouden of vindt er een beperkte beoordeling plaats. Mantelzorgondersteuning Mantelzorgondersteuning is een verzamelterm voor voorzieningen en diensten die de draagkracht van mantelzorgers vergroten of de draaglast verlichten. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen directe en indirecte mantelzorgondersteuning. Directe mantelzorgondersteuning is gericht op de mantelzorger, zoals informatie, advies en begeleiding bijvoorbeeld vanuit Stichting Welzijn Capelle, de wijkverpleegkundige, de huisarts of een belangenorganisatie. Er zijn ook indirecte vormen van mantelzorgondersteuning. Het gaat dan om voorzieningen die primair zijn gericht op de cliënt, maar de mantelzorger wel kunnen ontlasten. Voorbeelden zijn tafeltje-dek-je en het gebruik van een tillift. Onder het ondersteunen van mantelzorgers wordt mede begrepen het bieden van steun bij het vinden van adequate oplossingen indien de mantelzorger zijn taken tijdelijk niet kan verrichten. De noodzaak van de mantelzorgondersteuning is veelal gelegen in het gegeven dat mantelzorg zo veel beslag op iemands eigen daginvulling kan leggen dat er geen tijd meer overblijft voor een eigen "leven" waardoor de mantelzorger met zijn of haar vele mantelzorgactiviteiten en de onmogelijkheid weg te gaan, onevenredig zwaar wordt belast. Deze belasting zal bij langer voortduren tot gevolg kunnen hebben dat de mantelzorger het niet meer volhoudt en dat de cliënt naar een instelling moet zal moeten verhuizen. Het is daarbij van belang het niet alleen niet zo ver te laten komen, maar het ook niet zo ver te laten komen dat de mantelzorger overbelast raakt. Het is van belang de mantelzorger op een zodanig moment noodzakelijke hulp - in wat voor vorm dan ook - te geven dat het punt van dreigende overbelasting wordt voorkomen. Er zijn vele voorliggende voorzieningen en/of technische hulpmiddelen aanwezig om de mantelzorger in de bestaande situatie te ontlasten. Afhankelijk van de situatie kunnen deze mogelijkheden beoordeeld worden. Te denken valt aan tijdelijke inzet van persoonlijke verzorging op grond van de Zvw, bezoek aan mantelzorgcafé, de inzet van een (zorg)vrijwilliger bijvoorbeeld voor luisterend oor of maken van uitstapjes met cliënt, inzet van Sensoor. Tevens dient beoordeeld worden of met behulp van een (technisch) hulpmiddel, zoals bijvoorbeeld een alarmeringssysteem de mantelzorg meer ruimte geboden kan worden. Ook kan gedacht worden aan de inzet van een ergotherapeut die de cliënt- en mantelzorgsituatie beoordeeld en bekijkt op welke wijze mogelijk verbeteringen in situatie kunnen worden aangebracht, bijvoorbeeld door gebruik te maken van hulpmiddelen om de mantelzorger zodoende op de minst belastende wijze in staat te stellen mantelzorgondersteuning te bieden bij bijvoorbeeld de persoonlijke verzorging van de cliënt. De ondersteuning heeft als doel het gevoel van competentie, verminderde draaglast en verbetering van kwaliteit van leven van de mantelzorger, ervaren gezondheidstoestand en stemmingsverbetering te bewerkstelligen. Ook dient te worden gekeken of er al hulp/ondersteuning aanwezig is in het kader van een ander resultaat. De cliënt is op dat moment niet alleen en als er dan geen hulp geboden hoeft te worden kunnen dat momenten zijn dat de mantelzorger eigen activiteiten kan gaan ondernemen. Als gebruikelijke hulp, (andere) mantelzorg, of het sociale netwerk geen mogelijkheden bieden, zal beoordeeld moeten worden of er (wettelijk) voorliggende voorzieningen zijn. Dat zou zowel binnen als buiten de Wmo kunnen zijn. Is geen van de beoordeelde mogelijkheden een (gedeeltelijke) oplossing dan zal naar de noodzaak van een maatwerkvoorziening gekeken moeten worden. 3.5 Eigen kracht Een voorziening waarmee anders dan een maatwerkvoorziening waarmee aan de ondersteuningsvraag tegemoet wordt gekomen, moet worden aangemerkt als het aanspreken van de eigen kracht. Vanuit de Wmo zal altijd gekeken worden welke andere mogelijkheden er zijn. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen algemeen gebruikelijke voorzieningen, , algemene voorzieningen en het aanspreken van de eigen kracht. Een niet uitputtend overzicht van verschillende soorten algemeen gebruikelijke voorzieningen is schematisch weergegeven in de bijlage. Onderstaand wordt op ieder van deze soorten voorzieningen nader ingegaan. 3.5.1 Algemeen gebruikelijke voorzieningen Het is in het kader van de Wmo toegestaan in de Wmo- verordening te bepalen dat geen maatwerkvoorziening wordt toegekend indien de aangevraagde voorziening voor een persoon als de aanvrager algemeen gebruikelijk is (CRvB 04-05-2011, nr. 10/6824 WMO). Met het criterium algemeen gebruikelijk wordt beoogd te voorkomen dat het college een voorziening verstrekt waarvan, gelet op de omstandigheden van betrokken belanghebbende, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperking of probleem had, de beschikking (zou) kunnen hebben (CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG). In bijlage 2 is een overzicht opgenomen waarbij een niet limitatieve opsomming is gegeven van algemeen gebruikelijke voorzieningen. Uit jurisprudentie blijkt dat het college steeds zal moeten onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de persoon als aanvrager (CRvB 17-11-2009, nr. 08/3352 WMO). Dit staat dan ook in ieder onderzoek na een melding centraal. 3.5.2 Eigen kracht/wettelijk voorliggende voorziening Wet langdurige zorg (Wlz) De Wlz heeft voorrang op de Wmo en kan daarom als een wettelijk voorliggende voorziening ten opzichte van de Wmo zijn. Dat betekent dat wanneer de cliënt voor de ondervonden beperkingen recht heeft op een voorziening op grond van de Wlz, er geen aanspraak bestaat op Wmo- maatwerkvoorzieningen. Daartoe moet evenwel vaststaan dat de Wlz- voorziening daadwerkelijk door cliënt verkregen kan worden. Participatiewet De Wmo kan op zijn beurt als een toereikende en passende voorliggende voorziening worden beschouwd ten aanzien van de Participatiewet (Pw). De Pw heeft dus geen voorrang op de Wmo. Anders gezegd: als een voorziening onder de Wmo valt, dan kunnen de kosten niet in het kader van de Pw worden vergoed. Zorgverzekeringswet (Zvw) (Eigen kracht) Indien de cliënt aanspraak kan maken op zorg vanuit de Zvw waarmee de cliënt in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning wordt voorzien, dan hoeft het college in het kader van de eigen kracht geen maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 te verstrekken (artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015). Het uitgangspunt is dan namelijk dat de cliënt op eigen kracht het probleem op kan lossen, namelijk door zijn aanspraak op grond van de andere wet tot gelding te brengen. Het college kan de cliënt op grond van artikel 2.3.5 lid 5 Wmo 2015 verwijzen naar de Zvw. Let wel, de aanvullende zorgverzekering kan alleen meegenomen worden als de cliënt deze ook heeft afgesloten. Wanneer een cliënt op grond van de Zorgverzekeringswet in aanmerking komt voor slechts een gedeeltelijke vergoeding van de aan de orde zijnde kosten, dan nog kan er gesproken worden van een voorliggende voorziening. De cliënt kan dan niet voor het gedeelte van de kosten dat niet voor vergoeding in aanmerking komt een beroep doen op de Wmo (CRvB 22-05-2013, nr. 10/6782 WMO). De afstemming met de Zvw als bedoeld in artikel 2.3.5 lid 5 Wmo 2015 ziet onder andere op de volgende onderwerpen: Hulpmiddelenzorg, waaronder: Loophulpmiddelen Transferhulpmiddelen Hulpmiddelen voor het zich wassen en zorgdragen voor toiletgang Ziekenvervoer Omgevingsbediening Verzorging en verpleging op bed Hulpmiddelen bij communicatie Verpleging en verzorging (wijkverpleging) Eerstelijns verblijf Op diverse gebieden spelen afbakeningsvraagstukken tussen de Zvw en de Wmo. Hieronder staat een aantal voorbeelden: Rolstoelen, drempelhulpen en transferhulpmiddelen Rolstoelen, drempelhulpen en transferhulpmiddelen zoals transferplanken, patiëntenliften en draaischijven e.d. worden op grond van de Zvw alleen verstrekt als het gaat om zorg voor een beperkte of onzekere duur. In de regel gaat het dan om een uitleentermijn van ten hoogste 26 weken. Om te voorkomen dat een hulpmiddel stipt na 26 weken bij de cliënt wordt weggehaald, is de term ‘beperkte of onzekere duur’ geïntroduceerd. Voorkomen moet worden dat verzekerden zonder hulpmiddel komen te zitten als gevolg van afbakeningsproblematiek tussen Zvw en Wmo. Daarom is geregeld dat ten aanzien van genoemde hulpmiddelen in het kader van de Zvw alleen sprake kan zijn van zorg voor een beperkte of onzekere duur. Bij langdurend gebruik vallen deze hulpmiddelen onder de Wmo. Onder langdurend wordt in dit verband verstaan: dat van tevoren duidelijk is dat de middelen permanent ofwel levenslang noodzakelijk zullen zijn. Hulpmiddelen voor het zich wassen en zorgdragen voor toiletgang Op grond van de Zvw kunnen hulpmiddelen worden verstrekt die compensatie bieden bij het wassen en het zorgdragen voor de toiletgang (artikel 2.12 lid 1 onder b onderdeel 4 Rzv). Voorbeelden van hulpmiddelen die een compensatie bieden bij beperkingen in het zich wassen en zorgdragen voor de toiletgang zijn (Staatscourant 2012, nr. 14946, p. 11): losse toiletverhogers; douchestoelen toiletstoelen. Loophulpmiddelen, transferhulpmiddelen en hulpmiddelen voor het zich wassen en zorgdragen voor toiletgang, worden op grond van de Zvw alleen verstrekt als het gaat om zorg voor een beperkte of onzekere duur (artikel 2.12 lid 2 Rzv). Cliënten die zich bij de gemeente melden en een hulpmiddel voor een beperkte of onzekere duur nodig hebben, kunnen op grond van artikel 2.3.5 lid 5 onderdeel b Wmo 2015 door het college worden verwezen naar de Zvw. Het uitgangspunt is dan dat de cliënt op eigen kracht het probleem op kan lossen, namelijk door zijn aanspraak op grond van de andere wet tot gelding te brengen. Het college hoeft dan in het kader van de eigen kracht hiervoor geen maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 te verstrekken (artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015). Bij langdurend gebruik vallen hulpmiddelen voor het zich wassen en zorgdragen voor toiletgang niet onder de Zvw en kan het hulpmiddel onder de compensatieplicht van het college op grond van de Wmo 2015 vallen. Onder langdurend wordt in dit verband verstaan: dat van tevoren duidelijk is dat de middelen permanent ofwel levenslang noodzakelijk zullen zijn. Ziekenvervoer Onder de Wmo 2015 moet het college onderzoeken of de cliënt aanspraak kan maken op medisch vervoer op grond van de Zvw (artikel 2.14 Besluit Zorgverzekering). Indien de cliënt gebruik kan maken van medisch vervoer op grond van de Zvw, dan hoeft er geen voorziening op grond van de Wmo te worden verstrekt. In dat geval geldt dat de cliënt in het kader van eigen kracht het probleem kan oplossen door de aanspraak op een andere wet tot gelding te brengen. Ziekenvervoer is het vervoer van en naar een zorgverlener of zorginstelling. De vergoeding van ziekenvervoer is onder meer afhankelijk van de: vorm van ziekenvervoer (ambulance, (eigen) auto, taxi of openbaar vervoer); af te leggen afstand. Een verzekerde heeft op grond van de Zvw recht op vergoeding van ziekenvervoer per (eigen) auto, taxi of openbaar vervoer voor zover: hij nierdialyses moet ondergaan; hij oncologische behandelingen met chemotherapie of radiotherapie moet ondergaan; hij zich uitsluitend met een rolstoel kan verplaatsen; het gezichtsvermogen zodanig is beperkt dat hij zich niet zonder begeleiding kan verplaatsen. Deze vorm van ziekenvervoer wordt aangeduid als “zittend ziekenvervoer”. Het medisch vervoer valt volgens de CRvB onder de verplaatsingen die een cliënt in staat stellen om deel te namen aan het leven van alledag (CRvB 28-01-2009, nr. 08/2273 WVG, CRvB 06-05-2009 nr.08/419 en CRvB 12-01-2010, nr. 08/6555 WMO). Het medisch vervoer valt onder de Wmo (mits sprake is van lokaal verplaatsen en aan de overige voorwaarden wordt voldaan). Dit is anders indien cliënt aanspraak kan maken op zittend ziekenvervoer In dat geval bestaat geen aanspraak op een Wmo- voorziening. Omgevingsbediening Een verzekerde kan op grond van de Zvw in aanmerking komen voor hulpmiddelen die een compensatie bieden bij beperkingen in het gebruiken van hand en arm. Een voorbeeld van een dergelijk hulpmiddel is de apparatuur voor omgevingsbediening. Omgevingsbedieningsapparatuur is de verzamelnaam voor diverse apparaten waarmee personen met een beperking hun omgeving kunnen sturen. De omgevingsbedieningsapparatuur kan o.a. gebruikt worden voor het op afstand openen van ramen en deuren, het openen en sluiten van gordijnen en het aan- en uitzetten van allerlei apparaten Voor het bedienen van de apparatuur in de omgeving is zowel een zender als een ontvanger noodzakelijk. Op grond van de Zvw komt alleen de zender voor vergoeding in aanmerking. De zender voor omgevingsbedieninsapparatuur komt voor vergoeding in aanmerking op grond van de Zvw of de WLZ. In dat geval is de Zvw of de WLZ een voorliggende voorziening en bestaat er geen aanspraak op de Wmo. De ontvangers voor de omgevingsbediening kunnen verstrekt worden op grond van de Wmo, echter een ontvanger wordt niet verstrekt op grond van artikel 2.3.5. lid 6 Wmo wanneer de persoon in het bezit is van een WLZ- indicatie of hier aanspraak op kan maken. Hulpmiddelen die samenhangen met verzorging en verpleging op bedOp grond van de Zvw kunnen hulpmiddelen worden verstrekt die samenhangen met verzorging en verpleging op bed. Hieronder vallen (artikel 2.17 lid 1 Rzv): bedden in speciale uitvoering met inbegrip van daarvoor bestemde matrassen; anti-decubitusbedden, -matrassen en -overtrekken ter behandeling en preventie van decubitus; dekenbogen, bedhekken, bedrugsteunen en bedtafels; bedgalgen en hulpmiddelen voor het zelfstandig in en uit bed komen; glij- en rollakens; bedverkorters, -verlengers en -verhogers; ondersteken; bedbeschermende onderleggers, indien het verlies van bloed en exsudaat dusdanige hygiënische problemen oplevert dat deze slechts door gebruik van een bedbeschermende onderlegger kunnen worden ondervangen; infuusstandaarden. Als geen sprake is van verzorging of verpleging op bed dan kunnen de hulpmiddelen alleen worden verstrekt indien deze noodzakelijk zijn ter bewaring van de zelfredzaamheid (artikel 2.17 lid 2 Rzv). Bij zowel een kortdurende als langdurende noodzaak vallen bovengenoemde voorzieningen onder het bereik van de Zvw. Bed- opstahulp Een bed-opstahulp zoals de 'Betty' is geen tillift. Een bed-opstahulp helpt de cliënt eenvoudig vanuit liggende positie tot zittende positie op de rand van het bed. De bed-opstahulp kan door de cliënt of de verzorger bediend worden. De Betty valt onder de Zorgverzekeringswet (artikel 2.17 lid 1 onderdeel d Regeling zorgverzekering). Hulpmiddelen bij communicatie Op grond van de Zvw kunnen hulpmiddelen worden verstrekt die compensatie bieden bij de beperkingen bij communicatie, informatievoorziening en signalering. Hulpmiddelen bij communicatie zijn (artikel 2.26 Rzv). Verpleging en verzorging Voor de afbakening tussen de Wmo 2015 en de Zvw met betrekking tot de persoonlijke verzorging, is bepalend of er sprake is van een “behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop.” De wijkverpleegkundige beoordeelt of er sprake is van een behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. Is dat het geval, dan vindt de bekostiging plaats vanuit de Zvw. Is dat niet het geval, dan is het aan de gemeente om te beoordelen of er aanspraak is op ondersteuning vanuit de Wmo 2015. Cliënten kunnen aanspraak maken op persoonlijke verzorging op grond van de Wmo 2015 wanneer de behoefte aan persoonlijke verzorging samenhangt met de behoefte aan begeleiding. Deze verzorging houdt dan geen verband met de behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. Persoonlijke verzorging op grond van de Wmo 2015 kan dan bestaan uit hulp bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), die gericht is op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid. Het gaat in deze gevallen niet om het daadwerkelijk douchen en aankleden van de cliënten, maar om de begeleiding hierbij. In de praktijk blijkt het niet altijd duidelijk of de persoonlijke verzorging onder de Zvw, of onder de Wmo 2015 valt. In die gevallen wanneer dit niet op voorhand duidelijk is, dient de gemeente in overleg te treden met de wijkverpleegkundige om te beoordelen of de cliënt al dan niet behoefte heeft aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop heeft. Een goede afstemming tussen de wijkverpleegkundige Wmo-consulent is dus van belang. Maaltijdverzorging Als professionele ondersteuning bij de maaltijdverzorging nodig is, moet beoordeeld worden of deze zorg onder de Zvw valt of onder de Wmo 2015. De wijkverpleegkundige beoordeelt of er sprake is van een “behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop”. Is dat het geval, dan vindt de bekostiging plaats vanuit de Zvw. Is dat niet het geval, dan is het aan de gemeente om te beoordelen of er aanspraak is op ondersteuning vanuit de Wmo. Indien de cliënt aanspraak kan maken op verpleging en verzorging vanuit de Zvw, dan hoeft het college in het kader van de eigen kracht hiervoor geen maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 te verstrekken (artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015). Het uitgangspunt is dan namelijk dat de cliënt op eigen kracht het probleem op kan lossen, namelijk door zijn aanspraak op grond van de andere wet tot gelding te brengen. Het college kan de cliënt op grond van artikel 2.3.5 lid 5 onderdeel b Wmo 2015 verwijzen naar de Zvw. Eerstelijnsverblijf (ELV) Eerstelijns verblijf is een vorm van verblijf als bedoeld in artikel 2.12 Bzv en wordt uitgevoerd door de zorginstellingen en kan worden worden gedeclareerd bij de zorgverzekeraars. Aard ELVBij eerstelijns verblijf gaat het om cliënten met een tijdelijke behoefte aan medisch noodzakelijk verblijf die het vooruitzicht hebben om daarna weer thuis te kunnen wonen. Het gaat bij eerstelijns verblijf om instabiele (zorg)situaties en om mensen die om medische redenen tijdelijk niet thuis kunnen wonen (bijvoorbeeld na ontslag uit het ziekenhuis) en daarom voor korte tijd in een zorginstelling worden verzorgd en verpleegd. Eerstelijns verblijf kan ook aan de orde zijn als door het wegvallen van de mantelzorg een ‘hoog risico’ ontstaat op gezondheidsverlies doordat de medische situatie van de patiënt verslechtert of de zorgbehoefte escaleert (denk aan valgevaar of complicaties). Als dit betekent dat de verzekerde onder het wakend oog van huisarts of verpleegkundige moet blijven (naast een behoefte aan verzorging in de zin van het overnemen van ADL-handelingen, is er sprake van een behoefte aan verpleging), dan is opname in het eerstelijns verblijf mogelijk. De prestaties eerstelijnsverblijf omvatten in ieder geval de volgende componenten: Verblijf voor zorg die medisch noodzakelijk is. Hierbij is inbegrepen de huisvestingskosten, inventaris, eten en drinken, schoonmaak, linnengoed, outillagemiddelen, etc. 24-uurs beschikbaarheid en zorglevering van verpleging en/of verzorging. De geneeskundige zorg geleverd door de specialist ouderengeneeskunde en arts verstandelijk gehandicapten. Bij de geneeskundige zorg is ook de eerstelijns diagnostiek, uitgevoerd door de specialist ouderengeneeskunde en arts verstandelijk gehandicapten, inbegrepen. De paramedische zorg Afbakening met kortdurend verblijf o.g.v. de Wmo 2015 (respijtzorg)Bij respijtzorg in de zin van de Wmo staat het voorkomen van de overbelasting van de mantelzorger voorop. Bij het ELV is er een medische noodzaak tot verblijf in verband met geneeskundige zorg. In de praktijk kan het voorkomen dat een cliënt niet thuis kan blijven door het (tijdelijk) uitvallen van de mantelzorger. Er dient dat een afweging te worden gemaakt tussen enerzijds respijtzorg Wmo en anderzijds eerstelijnsverblijf. Mogelijkheden voor behandeling op grond van de Zorgverzekeringswet (Eigen kracht) Mogelijkheden voor behandeling op grond van de Zorgverzekeringswet waarvan cliënt geacht wordt gebruik te maken en waarvoor hij of zij zich ten volle moet inspannen om de behandeling optimaal te laten verlopen is een voorliggende voorziening/eigen kracht in het kader van de Wmo. Wel dient duidelijk te zijn dat er een behandelmogelijkheid is en dat die tot een zodanige verbetering kan leiden, dat geen behoefte of in minderen mate zal bestaan aan een (maatwerk)voorziening. Een operatieve ingreep kan niet als voorliggende behandeling worden beschouwd. Het gaat om openstaande conservatieve behandelopties die wel als voorliggend aangemerkt kunnen worden. WIA (Eigen kracht) Om in aanmerking te komen voor de leefvervoersvoorzieningen kunnen cliënten zowel een beroep doen op de Wmo als de WIA. Een leefvervoersvoorziening in het kader van de WIA is een voorliggende voorziening in het kader van de Wmo. De CRvB overweegt dat die vergoeding en de door cliënt gewenste vervoersvoorziening op grond van de Wmo betrekking hebben op dezelfde vervoersfunctie in de leefsfeer. De CRvB merkt daarbij op dat het op de weg van cliënt ligt bezwaar te maken tegen een besluit van het UWV, indien hij van mening is dat door het UWV toegekende voorziening voor leefvervoer geen toereikende voorziening is. Dus de aanvrager kan in dit geval geen (aanvullende) aanspraak op de Wmo doen. Verhuiskostenvergoeding van de woningstichting (Eigen kracht) Een verhuiskostenvergoeding van de woningstichting op grond van de Woningwet is een voorliggende voorziening in het kader de Wmo. 3.5.3 Algemene voorzieningen Algemene voorzieningen bestaan uit het aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het versterken van zelfredzaamheid en participatie, of op opvang. Kenmerk van algemene voorzieningen is dat zij altijd in natura verstrekt worden. Er kunnen globale restricties en toegangscriteria worden gesteld. Bijvoorbeeld aan de frequentie waarmee de voorziening wordt bezocht of dat men behoort tot de doelgroep waarvoor de voorziening is bedoeld. Er kan gedacht worden aan rolstoel- of scootmobielpools, wijkcentra en aan zaken als een boodschappenservice, een klussendienst, een was- en strijkservice, een maaltijdbezorgdienst. Ook cliëntondersteuning en 24-uurs bereikbaarheid voor cliënten met behoefte aan een luisterend oor en een ontmoetingsaanbod dat mede door de gemeente mogelijk wordt gemaakt, vallen onder de algemene voorzieningen. Algemene voorzieningen zijn voorliggend op maatwerkvoorzieningen, mits die algemene voorzieningen daadwerkelijk beschikbaar zijn; door de cliënt financieel gedragen kan worden; adequate compensatie bieden. 6 Verslag Het verslag van het onderzoek bestaat uit de volgende onderdelen: persoonsgegevens; informatie uit het vooronderzoek; uitkomsten van het onderzoek; nadere verkenning van resultaatgebieden waarop ondersteuning nodig is; een overzicht van de resultaatgebieden waarin een maatwerkvoorziening nodig is. Wanneer uit het onderzoek is gebleken dat voor één of meerdere resultaatgebieden maatwerkvoorzieningen noodzakelijk zijn, wordt bepaald welke dat zijn en in welke mate deze dienen te worden toegekend. De maatwerkvoorzieningen worden in hoofdstuk 4 verder uitgewerkt. In de basis is de verbinding tussen resultaatgebieden en maatwerkvoorzieningen als volgt: Resultaatgebieden Maatwerkvoorzieningen 1 Wonen in een geschikt huis. Woonvoorzieningen 2 Zich verplaatsen in en om de woning Verplaatsen in en om de woning/Rolstoelen 3 Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel Vervoer 4 Een schoon en leefbaar huis. Huishoudelijke ondersteuning 5 Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften. Huishoudelijke ondersteuning 6 Beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding en huishoudtextiel. Huishoudelijke ondersteuning 7 Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren Huishoudelijke ondersteuning 8 Het kunnen uitvoeren van de dagelijks noodzakelijke activiteiten. Begeleiding 9 Het hebben van een dagvulling bestaande uit arbeidsmatige, recreatieve of andere activiteiten. Begeleiding 10 Veiligheid en geborgenheid in de eigen leefomgeving, het veilig kunnen doorbrengen van de dag. Begeleiding 11 Toerusting mantelzorger opdat cliënt zo lang mogelijk in de eigen omgeving kan blijven wonen Begeleiding 12 De mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten. Begeleiding/Vervoer Ook wanneer er geen maatwerkvoorzieningen nodig zijn, of bijvoorbeeld het onderzoek leidt tot een combinatie van maatwerk en voorliggende inzet, wordt in het verslag opgenomen op welke wijze een antwoord is gevonden op de ondersteuningsvraag waarmee een cliënt zich heeft of is gemeld. Indien er wel maatwerkvoorzieningen nodig zijn, wordt tevens in het verslag opgenomen welke andere vormen van ondersteuning uit de eigen omgeving of het voorliggende kader worden ingezet in antwoord op deze ondersteuningsvraag. Zodoende ontstaat er een totaalbeeld van de maatschappelijke ondersteuning die wordt ingezet naar aanleiding van een melding en kunnen waar nodig de verschillende vormen van ondersteuning op elkaar worden afgestemd. Het verslag wordt binnen drie weken na het gesprek aan de cliënt verstrekt waarbij de cliënt wordt gevraagd het verslag voor gezien of akkoord te tekenen en binnen drie weken na dagtekening te retourneren aan de contactpersoon waarmee hij het gesprek heeft gevoerd. Wanneer een verslag niet retour wordt ontvangen, betekent dit dat er geen sprake is van een aanvraag zoals bedoeld in de Verordening waarop een besluit genomen dient te worden. Het is dan ook de eigen verantwoordelijkheid van cliënt om het verslag te retourneren en wanneer dit niet het geval is hiervan de consequenties te ervaren. Wanneer de cliënt tekent voor gezien, kan hij daarbij tevens aangeven wat de reden is waarom hij niet akkoord is. Wanneer de cliënt van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op het door hem ondertekende verslag. 3.7 Aanvraag en beschikking Als na het onderzoek een aanvraag wordt ingediend, moet het college op deze aanvraag beschikken. Het zal niet altijd nodig zijn een aanvraag te doen. Dat zal het geval zijn wanneer blijkt dat op de punten die de belemmering vormen een oplossing gevonden werd, op eigen kracht, via mantelzorg, of hulp van andere personen uit het netwerk, met gebruikmaking van algemene voorzieningen, of van algemeen gebruikelijke voorzieningen of (wettelijk) voorliggende voorzieningen. Is de cliënt het hier niet mee eens, dan kan hij besluiten toch een aanvraag in te dienen. Een aanvraag kan ook worden ingediend op een daartoe door het college vastgesteld formulier. Ook kan het college een ondertekend verslag als aanvraag aanmerken (artikel 8 Verordening). De termijn die het college heeft voor de beschikking bedraagt 2 weken (art. 2.3.5, lid 2) zodat er niet veel tijd is voor een extern onderzoek. Mocht dat nodig zijn, dan zal dat indien mogelijk in gang gezet moeten worden tijdens het onderzoek. In artikel 2.3.8, derde lid, van de Wet is een medewerkingsplicht opgenomen. De cliënt is verplicht desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering. In artikel 9, eerste lid van de Verordening is bepaald dat het college bevoegd is degene voor wie een melding is gedaan of voor wie een aanvraag is ingediend, alsmede diens huisgenoten op te roepen in persoon te verschijnen en te bevragen op een te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of bevragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van de beoordeling van de aanspraak op een voorziening. Advies zal in het kader van de uitvoering van de wet vaak onontbeerlijk zijn. Te denken valt aan een deskundigenadvies uitgevoerd door een onafhankelijk medisch adviseur. Mocht de termijn niet worden gehaald, dan kan op grond van artikel 4:14 Algemene wet bestuursrecht (voor afloop van de termijn) bericht gegeven worden van de vertraging, met opgave van het moment dat wel beschikt zal worden. De afweging mondt uit in een beschikking, die bevat of en welke maatwerkvoorzieningen worden toegekend en waarom, zo nodig met ingangsdatum, voor welke periode, onder welke voorwaarden en met vermelding van de overige relevante informatie, die per maatwerkvoorziening anders zal zijn. 4 Maatwerkvoorzieningen 4.1 Woonvoorzieningen Bij het resultaatgebied wonen in een geschikt huis horen de woonvoorzieningen. Wonen in een geschikt huis bestaat uit het normaal gebruik kunnen maken van de woning waarover men beschikt. Onder het normale gebruik van de woning werd in de Wvg- jurisprudentie het verrichten van elementaire woonfuncties verstaan. Ook uit Wmo- jurisprudentie tot op heden komt dit begrip ook naar voren. Er bestaat geen aanleiding om dit onder de Wmo 2015 anders uit te leggen. Voorbeelden van elementaire woonfuncties volgens de jurisprudentie zijn: wonen, douchen en slapen; slapen, eten en lichaamsreiniging; het gebruik maken van de keuken; het aan- en uitkleden, wassen en verschonen van een baby, die geheel van de verzorging door een cliënt afhankelijk is; het doen van essentiële huishoudelijke werkzaamheden; het normale gebruik van de tuin, berging of balkon; dat kinderen zonder gevaar voor eigen gezondheid in de woonruimte kunnen spelen. Geen elementaire woonfunctie is: de bereikbaarheid van een hobbykamer of studeerkamer; 4.1.1 Eigen verantwoordelijkheid cliënt De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 legt sterk de nadruk op de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt. In de considerans van de wet begint dit al doordat daar geformuleerd is: "Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat cliënten een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven en dat van cliënten mag worden verwacht dat zij elkaar naar vermogen daarin bijstaan; dat het tevens wenselijk is nieuwe regels te stellen om de rechten en plichten van de cliënt weer met elkaar in evenwicht te brengen; (....) dat de ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen, erop gericht moeten zijn dat cliënten zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven;" In met name artikel 2.3.2 van de wet komt dit praktisch terug doordat onderzoek gedaan moet worden naar oplossingsmogelijkheden die het probleem op eigen kracht tot een oplossing kunnen brengen zodat er geen maatwerkvoorziening verstrekt hoeft te worden. 4.1.2 Maatwerkvoorziening Wanneer uit onderzoek blijkt dat de belemmering niet kan worden verminderd of worden weggenomen door de inzet van de eigen kracht van de cliënt, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met behulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, met (wettelijk) voorliggende voorzieningen, met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of met gebruikmaking van algemene voorzieningen zal het in de praktijk op neerkomen op het bieden van maatwerkvoorzieningen in de vorm van woonvoorzieningen, zowel bouwkundig als niet- bouwkundig, maatwerkvoorziening voor verhuizing en (her)inrichting, maatwerkvoorziening voor tijdelijke huisvesting en huurderving. Er dient te worden benadrukt dat het niet de bedoeling is dat een recht op een woning ontstaat. Uitgangspunt is de woning waar de cliënt zelf al over beschikt of over zal beschikken. Inmiddels is in de rechtspraak uitgemaakt dat het ondersteunen of bemiddelen bij de zoektocht naar een woning niet onder de ondersteuning van de Wmo valt. 4.1.3 Weigeringsgronden maatwerk- woonvoorzieningen In een aantal situaties zal na onderzoek geen maatwerkvoorziening worden geboden, omdat er in die situaties sprake is van een zo bijzondere woonsituatie dat die niet valt onder de ondersteuning in het kader van de Wmo. Hier gaat het om woonsituaties die niet bestaan uit een permanent zelfstandig woonverblijf, zoals hotels en pensions, kamerverhuur of doelgroepenwoningen. Hoofdverblijf De woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven; dan wel; zal staan ingeschreven; dan wel; het feitelijke woonadres indien de persoon met beperkingen met een briefadres is ingeschreven. De gemeente waar de woning staat dient ondersteuning te bieden, behalve in de situatie waarin de persoon uit de Wmo- doelgroep verhuist van de ene gemeente naar een andere gemeente. Een aanvraag voor een maatwerk- woonvoorziening in de vorm van een verhuizing en (her) inrichting, wanneer dit niet anderszins kan worden opgelost behoort tot de ondersteuning van de vertrekgemeente. Twee hoofdverblijven In uitzonderingssituaties is er sprake van twee hoofdverblijven. Daarbij moet worden gedacht aan gehandicapte kinderen van gescheiden ouders, die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van de tijd bij de andere ouder. Alleen in die situatie kunnen in beide ouderlijke woningen maatwerkwoonvoorzieningen getroffen worden, niet in situaties waarin sprake is van bezoekregelingen. Bovendien mag van ouders verwacht worden dat zij voorzieningen die gedeeld kunnen worden, delen (denk aan roerende voorzieningen). Woning ongeschikt voor hele jaar bewoning Het college biedt geen maatwerk- woonvoorziening wanneer sprake is van een zo bijzondere woonsituatie dat die niet valt onder de ondersteuning in het kader van de Wmo. Hier gaat het enerzijds uit om woonsituaties die niet bestaan uit een permanent zelfstandig woonverblijf, zoals hotels en pensions, kamerverhuur en tweede woningen. Bezoekbaar maken woonruimte, niet zijnde hoofdverblijf Maatwerk- woonvoorzieningen kunnen worden getroffen aan een woning niet zijnde hoofdverblijf, in het kader van het bezoekbaar maken van de woning. Dit betreft een bovenwettelijke voorziening, waar de Wmo in principe geen ondersteuning voor biedt, nu het hier geen hoofdverblijf betreft. Deze bovenwettelijke voorziening is beperkt tot: het kunnen bereiken van de woonruimte; het kunnen bereiken van de woonkamer; het kunnen bereiken en gebruiken van een toilet. Met het gebruiken van een toiletvoorziening is ook gebruik van een losse toiletstoel inbegrepen. De eventueel noodzakelijke verstrekking van een tilvoorziening/transferhulpmiddel om de toiletvoorziening te kunnen gebruiken valt ook onder de bovenwettelijke ondersteuning. Het bezoekbaar maken van de woning is gemaximeerd tot een bedrag vastgesteld in het Besluit. Alle overige voorwaarden van deze beleidsregels zijn onverkort van toepassing op deze bovenwettelijke toepassing. De gemeente waarin de Wlz- instelling zich bevindt en de persoon zijn hoofdverblijf heeft, is verantwoordelijk voor het bezoekbaar maken van een woning. De CRvB oordeelt dat het college uitsluitend personen moet compenseren die in de betreffende gemeente woonplaats hebben. Bovendien kan een persoon niet in meerdere gemeenten tegelijkertijd woonplaats hebben. De vraag waar iemand woonplaats heeft, is afhankelijk van concrete feiten en omstandigheden. Doorgaans zal een bewoner van een Wlz- instelling woonplaats hebben in de gemeente waar de Wlz- instelling staat. Deze gemeente is dan verantwoordelijk voor het compenseren. ·De gemeente Capelle aan den IJssel biedt geen ondersteuning in de vorm van maatwerk- woonvoorzieningen in het kader van logeerbaar maken van een woning. Aard van de gebruikte materialen Een maatwerk- woonvoorziening wordt niet verstrekt als de belemmeringen het gevolg zijn van de aard van de gebruikte materialen. Ook als de belemmeringen voortkomen uit achterstallig onderhoud van de woning dan wel het gevolg zijn van de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de daaromtrent geldende wettelijke eisen kan niet worden overgegaan tot ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening. Hierop wordt een uitzondering gemaakt indien de cliënt goede pogingen heeft ondernomen om de gebreken door de woningeigenaar te doen wegnemen en met oog op de gezondheidstoestand van de cliënt binnen redelijkerwijs aanvaardbaar tijdbestek geen uitzicht was op opheffing van die gebreken. Aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten Een maatwerk- woonvoorziening in gemeenschappelijke ruimten wordt geweigerd, tenzij het gaat om: het verbreden van toegangsdeuren; het aanbrengen van elektrische deuropeners; de aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang tot de woning; drempelhulpen en vlonders; een opstelplaats voor een rolstoel of een vervoersvoorziening bij de toegangsdeur van het woongebouw. Naar het oordeel van de CRvB is bovenstaande in het algemeen niet in strijd met de ondersteuning die de gemeente moet bieden, maar andersoortige ondersteuning is nog wel noodzakelijk. Het college kan dan bijvoorbeeld in plaats van een voorziening in de gemeenschappelijke ruimte, een maatwerkvoorziening gericht op verhuizen & (her) inrichten bieden. Uitgesloten woonruimten Specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte gebouwen: Een maatwerk- woonvoorziening wordt niet getroffen in specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen. Dit geldt dan voor voorzieningen: in gemeenschappelijke ruimten; of voorzieningen die zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen bij: (nieuw)bouw; verbouw; of renovatie. Deze bepaling is een verbijzondering is van de bepaling dat geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt indien de voorziening algemeen gebruikelijk is. Een voorziening in een specifiek voor gehandicapten of ouderen bedoeld gebouw is in principe algemeen gebruikelijk als: op grond van objectieve gegevens kan worden vastgesteld dat een sociale huurwoning die bestemd is voor een specifieke groep bewoners onmiskenbaar niet voldoet aan de geldende vereisten voor een dergelijke woning: op grond van wettelijke voorschriften, algemeen aanvaarde regels of contractuele bepalingen Om vast te stellen of een voorziening bij nieuwbouw zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen had kunnen worden, moet het college in ieder geval onderzoek doen naar: welke specifieke voorzieningen de cliënt wil aanvragen en in hoeverre deze noodzakelijk zijn; de door de cliënt geclaimde beperkingen en in hoeverre het door hem te betrekken appartement in het zorgcomplex adequaat zou zijn. Doelgroepenwoning Doelgroepenwoningen zijn woningen of een zelfstandig deel van een woning waar service wordt verleend en die qua inrichting specifiek is gebouwd voor een bepaalde doelgroep. Denk hierbij aan: Serviceflats Aanleunwoningen, vaak aan/in of nabij een verzorgingshuis, niet zijnde een WLZ- woning ADL- woningen; levensloopbestendig, zogenaamde ‘MIVA’-woningen, in ieder geval rolstoel toe- en doorgankelijke woningen en dus als zodanig aangemerkt Fokus- woningen WLZ- instellingen: verzorgingshuis, verpleeghuis, gezinsvervangend tehuis De verschillende termen voor doelgroepenwoningen worden door elkaar gebruikt. Het gaat er uiteindelijk om welk ‘label’ aan een betreffend gebouw wordt toegekend. Veelal zijn senioren- of 55+-woningen (zonder service labelling) geen doelgroepenwoningen. Dit zijn woningen die zich richten op een specifieke groep bewoners, maar biedt geen specifieke faciliteiten (service). Het is dus van belang goed na te gaan hoe het woongebouw ‘bekend staat’, bij de woningeigenaar. Onderverdeling doelgroepenwoning In onderstaande tabellen staat weergegeven hoe de doelgroepenwoningen te definiëren, te weten rollator- of rolstoelgeschikt en welke specifieke kenmerken hiertoe behoren. Type woning Rollator-geschikt Rolstoel-geschikt Serviceflat X Aanleunwoningen X ADL-woningen X ·Tabel 1 Verdeling type woning naar rollator- en rolstoelgeschiktheid Basis-uitrustingsniveau voor doelgroep woningen Rollator-geschikt Rolstoel-geschikt Gelijkvloerse woning of alle ADL functies  wonen, koken, slapen, wassen, op één verdieping X X Woning op begane grond of bereikbaar met lift X X Toegangspad tot wooncomplex geschikt met rollator, dus geen hoge drempels en losse tegels, etc. X X Toegangspad tot wooncomplex en woning min. 1.20 m breed met een maximale helling van 1:12 X Alle deuren in het wooncomplex zijn met een rollator doorgankelijk, wat ook betekent elektrische deuropeners X X Alle gemeenschappelijke deuren en voordeuren van de woning hebben een minimale dagmaat van 85 cm. X X Alle deuren in de woning zijn doorgankelijk met een rollator (ongeveer 80 cm. dagmaat) X X Alle deuren in de woning hebben een minimale dagmaat van 85 cm. X Voldoende manoeuvreerruimte voor een rollator, zowel in de algemene ruimte als in de keuken, toilet, natte cel, slaapkamer. X X Voldoende manoeuvreerruimte voor een rolstoel, zowel in de algemene ruimte als in de keuken, toilet, natte cel en slaapkamer. X Geen niveauverschillen van meer dan 2 cm. in/om de woning, dus ook niet om de buitenruimtes te betreden (zoals balkon en tuin). X X Vlakke douchevloer aanwezig (evt. naast bad) X X Bedieningselementen (zoals doorspoelsysteem toilet, kranen, lichtschakelaars) bereikbaar vanuit rolstoel X Er dient een bergingsruimte aanwezig te zijn, incl. geaarde wandcontactdoos, geschikt voor het stallen van een elektrische rolstoel/ scootmobiel X Tabel Specificaties rollator- rolstoelgeschiktheid, per aanpassing/voorziening Maatwerkvoorzieningen om te komen tot beschreven basisuitrustingsniveau worden niet verstrekt. Er wordt verwacht dat de woningen in deze complexen bruikbaar zijn voor deze doelgroepen en deze voorzieningen dus aanwezig. Niet verhuisd naar de beschikbare meest adequate woning Uitgangspunt is dat van de cliënt verlangd mag worden dat hij inspanningen verricht op het verkrijgen van een woning die voor hem adequaat is of naar de woning die het goedkoopst adequaat te maken is. Geen maatwerk- woonvoorziening wordt verstrekt indien de aanvraag verband houdt met een verhuizing en de cliënt niet verhuist of verhuisd is naar de voor hem op dat moment beschikbare meest geschikte woning. Uitzondering hierop is de situatie waarin het college schriftelijk toestemming heeft gegeven voor de verhuizing. Tevens kan van de cliënt worden verlangd dat hij zich in verband hiermee in een zo vroeg mogelijk stadium in verbinding stelt met de gemeente. Dit om het college zodoende de mogelijkheid te geven om na te gaan of er voor de cliënt (goedkopere) eveneens adequate oplossingen voorhanden zijn en te bepalen wat de meest adequate en zo goedkoop mogelijke oplossing is. Als het college een maatwerk- woonvoorziening wil weigeren omdat de cliënt niet naar de meest adequate woning is verhuisd, dient het college aannemelijk te maken dat er woningen beschikbaar waren die meer adequaat zijn dan de door de cliënt gekozen woning. Wanneer het laatste door het college aannemelijk is gemaakt, is het aan de cliënt om het tegendeel met controleerbare gegevens aannemelijk te maken. Bij een verhuizing naar een inadequate woning kan de cliënt wel in aanmerking komen voor een maatwerk- woonvoorziening als er geen adequate woning beschikbaar is. In dit geval kan van de cliënt wel worden verlangd dat hij naar een woning verhuist die het goedkoopst adequaat te maken is. Als de cliënt dit nalaat wordt geen maatwerk- woonvoorziening verstrekt. 4.1.4 Voorzienbaarheid en onverwacht optredende noodzaak Het is voor gemeenten onder de Wmo 2015 wel mogelijk om een voorziening af te wijzen op de grond dat deze voorzienbaar was, mits deze voorzienbaarheid gebaseerd is op de beperkingen van de client en er sprake is van de situatie van het betrekken van een ongeschikte woning (CRvB 15-05-2013, nr. 11/713 WMO) Onder de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt valt ook het rekening houden met zijn eigen situatie. Dat wil zeggen dat de cliënt, net zoals wanneer het gezin groeit, de cliënt zelf verantwoordelijk is voor het zoeken en verwerven van een grotere en passender woning, ook in de situatie dat er voorzienbaar problemen met een woning ontstaan door een aandoening die leidt tot een beperking, of doordat de cliënt doordat hij ouder wordt een toename van gebreken ziet ontstaan, zelf verantwoordelijk is voor het tijdig zoeken van een oplossing. Concreet betekent dit dat een cliënt die op leeftijd merkt dat het traplopen voor hem problemen geeft, de eigen verantwoordelijkheid aan moet spreken en moet gaan kijken hoe dat probleem opgelost kan worden. De cliënt is zelf verantwoordelijk voor deze oplossing en de houdbaarheid van deze oplossing. Indien gewenst kan de cliënt daarbij een beroep doen op de gemeente, niet met het doel een maatwerkvoorziening te verkrijgen, maar wel met het doel geholpen te worden bij het zoeken naar goede oplossingen, als hij of zij daar zelf niet toe in staat is. Op dit punt heeft de invoering van de Wmo 2015 tot gevolg dat er een verschuiving in de voorzieningen rond aanpassen en verhuizen plaats zal vinden van de gemeente naar de cliënt. Een maatwerkvoorziening zal in situaties waarin sprake is van voorzienbaarheid komen te vervallen, het betreft de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt. Een voorzienbare/voorspelbare verhuizing is voorspelbaar zodat de cliënt in staat is hiermee rekening te houden. Zoals gedurende het leven van tijd tot tijd een verhuizing noodzakelijk is, zo zal ook bij het ouder worden of bij het ontstaan van gebreken rekening gehouden moeten worden met een komende verhuizing. Wil men niet verhuizen, dan is dat uiteraard toegestaan, maar dan zal het oplossen van de problemen rond het wonen ook een eigen verantwoordelijkheid zijn. Men kan een woning (aanzienlijk) langer blijven bewonen door het plaatsen van een traplift. Maar bij een voorspelbare/voorzienbare situatie zal dit de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt zijn. In de situatie van gezinsuitbreiding waardoor de geschikte woning te klein wordt kan gesproken worden van een voorspelbare/voorzienbare situatie. Het is de eigen verantwoordelijkheid deze consequentie in de afwegingen mee te nemen. Hetzelfde geldt bij het aanvaarden van een functie op een andere plaats. Ook daarbij zal men in het besluit daartoe mee moeten laten wegen dat er dan verhuisd zal moeten worden en dat men in de nieuwe woning en de nieuwe gemeente over een geschikte woning zal moeten kunnen beschikken. Blijkt die nieuwe woning niet beschikbaar te zijn, dan is het een onderdeel van de eigen verantwoordelijkheid hier een besluit over te nemen. Besluit men ondanks het ontbreken van een woning toch de functie te accepteren en te verhuizen, dan zal het geschikt maken van een woning tot de eigen verantwoordelijkheid behoren. Uiteraard vindt er zorgvuldig onderzoek en gedegen afweging plaats, welke ten grondslag ligt aan het uiteindelijk te nemen besluit. Maatwerkvoorzieningen zoals verhuizingen en aanpassingen in situaties van onverwacht optredende oorzaken blijven uiteraard mogelijk, hierbij dient wel onderzoek plaats te vinden of de belemmering kan worden verminderd of worden weggenomen door de inzet van de eigen kracht van de cliënt, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met behulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, met (wettelijk) voorliggende voorzieningen, met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of met gebruikmaking van algemene voorzieningen. 4.1.5 Afschrijvingstermijn bouwkundige woonvoorzieningen De Wmo biedt geen ondersteuning in de vorm van een maatwerk- woonvoorziening wanneer de belemmering in het gebruik van de woning door de cliënt kan worden opgeheven in het kader van reguliere renovatie of door aanpassingen aan de eisen van de tijd. Dit daar dit als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de afschrijvingstermijn voor voorzieningen die in de sociale woningbouwsector wordt gehanteerd. Een voorbeeld hiervan is een cliënt die als gevolg van zijn beperkingen, belemmeringen in het gebruik van het bad ervaart. De belemmering kan alleen worden opgeheven door verwijdering van het bad en het realiseren van een gelijkvloerse douchehoek. Gebleken is echter dat de bad meer dan 20 jaar oud is en zodoende volledig is afgeschreven. De afschrijvingstermijn van een bad in de sociale woningbouwsector is 20 jaar. De kosten voor verwijdering van het bad en realiseren van een gelijkvloerse douchehoek zijn hiermee in beginsel algemeen gebruikelijk. 4.1.6 Geen noodzaak reeds gerealiseerde woonvoorziening Wanneer de cliënt voor de melding en/of aanvraag reeds op eigen kracht of met behulp van mantelzorg of personen uit zijn sociale netwerk een maatwerk- woonvoorziening heeft gerealiseerd, kan op het moment van aanmelding/aanvraag gesteld worden dat de cliënt op dat moment geen belemmeringen ondervindt waarvoor ondersteuning in de vorm van een maatwerk- woonvoorziening in het kader van de Wmo noodzakelijk is. Te denken valt hierbij aan een cliënt die volledig rolstoelafhankelijk is, waarvoor hij de douchehoek in de natte cel heeft laten aanpassen. Na realisatie hiervan meldt de cliënt zich met het verzoek om een maatwerk- woonvoorziening in de vorm van een aanpassing aan de natte cel in het kader van de Wmo. Er kan niet worden overgegaan tot verstrekking. Hierbij staat ook los dat een cliënt niet eerder op de hoogte is van de mogelijkheid om aanpassingen aan de natte cel in haar woning mogelijkerwijs via de Wmo vergoed te krijgen. De onbekendheid van een cliënt met de terzake geldende regeling komen voor diens eigen rekening en risico. 4.1.7 Stalling (driewiel)fiets Een maatwerk- woonvoorziening wordt niet verstrekt in het kader van het stallen van een fiets of een driewielfiets. De stalling van een fiets of driewielfiets kan als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt waar de cliënt zelf verantwoordelijk voor is. Reden hiervoor is dat de noodzaak voor de berging voor de stalling van de (driewiel)fiets ontbreekt en er geen sprake is van een rechtstreeks verband met het opheffen en verminderen van de beperkingen van de cliënt. 4.1.8 Primaat van verhuizing Wanneer een maatwerkvoorziening noodzakelijk is om de belemmering in het gebruik van de woning op te heffen en/of te verminderen wordt eerst beoordeeld of een verhuizing naar een reeds geheel aangepast woning, of naar een goedkoper en makkelijker aan te passing woning een oplossing is. Voordat het college het verhuisprimaat toepast, moet een belangenafweging worden gemaakt tussen het aanpassen van de huidige woning of het verhuizen naar een andere woning (zie Rechtbank Groningen 30-03-2010, nr. AWB 09/1259 WMO en Rechtbank 's-Hertogenbosch 06-01-2011, nr. AWB 09/5150). Bij de belangenafweging kunnen diverse factoren een rol spelen. Het college moet uit eigen beweging een onderzoek instellen naar de factoren die in het kader van de belangenafweging een rol kunnen spelen (zie Vzr. Rechtbank Breda 11-12-2007, nr. 07/4759 Wmo VV e.a.). Het is niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van alle mogelijke afwegingsfactoren die een rol kunnen spelen, omdat elke situatie van een cliënt weer anders is. Wel wordt hieronder in grote lijnen een overzicht gegeven van een aantal vaak voorkomende factoren, die afhankelijk van de situatie, een rol kunnen spelen bij de besluitvorming. Het primaat van verhuizen komt pas aan de orde wanneer uit onderzoek is gebleken dat de kosten die gemoeid zijn voor het adequaat maken van de woning een bedrag van € 4500,- te boven gaat. Met deze algemene uitgangspunten ontstaat de volgende uitvoeringspraktijk met het volgende afwegingskader. Mantelzorg Sociale omstandigheden waarmee rekening gehouden wordt, zijn de nabijheid van voor de cliënt belangrijke voorzieningen en de binding van de cliënt met de huidige woonomgeving. De aanwezigheid van vrienden, kennissen en familie in de nabijheid van de woning speelt met name een rol in het afwegingsproces indien er sprake is van niet uitstelbare/niet planbare (bijvoorbeeld toiletbezoek) en structurele mantelzorg. De sociale omstandigheden dienen in het onderzoek geobjectiveerd te worden. De sociale factor zal bij woningaanpassingen minder zwaar wegen, als dicht in de buurt van de huidige woning een geschikte of goedkoper aan te passen woning kan worden gevonden. Als de beoogde nieuwe woning dicht bij belangrijke voorzieningen, zoals winkels en werkplek is gelegen, zal dat ook de beslissing in de richting van verhuizen beïnvloeden, bijvoorbeeld omdat dan ook minder andere voorzieningen (bijvoorbeeld vervoer, zorg) nodig zijn. Als de cliënt zijn werk "aan huis" heeft (eigen bedrijf), worden de consequenties van verhuizing ook vanuit de bedrijfsmatige kant meegewogen. Snelle ondersteuning De snelheid waarmee het woonprobleem kan worden opgelost speelt een rol in het afwegingsproces. Hierbij wordt altijd rekening gehouden met de prognose van de cliënt. In een aantal gevallen kan verhuizen het woonprobleem sneller oplossen, als er snel een geschikte aangepaste of eenvoudig adequaat te maken woning beschikbaar is. Omgekeerd kan het ook zo zijn dat het aanpassen van een woning een snellere oplossing biedt als er niet binnen een bepaalde tijd een geschikte woning vrij komt. ·Financiële overwegingen voor de gemeente ·De gemeente maakt een kostenafweging tussen het aanpassen van de huidige woonruimte enerzijds en verhuizen (inclusief eventuele aanpassingskosten in de nieuwe woonruimte) anderzijds. Daarbij worden de volgende kosten in elk geval meegenomen in de overwegingen: a.huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de reeds bewoonde woonruimte; kosten in de zin van kapitaalvernietiging vanwege eerder uitgevoerde woningaanpassingen of eerder verstrekte roerende woonvoorzieningen; de hoogte van de kosten voor maatwerk- woonvoorziening in het kader van verhuizen en (her) inrichten; eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning; kosten van het eventueel vrijmaken van de nieuwe woning. Deze situatie doet zich voor indien een medebewoner van een persoon met beperkingen verhuist nadat bewoning door de persoon met beperkingen beëindigd is en de medebewoner in de aangepaste woning is blijven wonen; een eventuele financiële tegemoetkoming voor huurderving . (Financiële) gevolgen voor de cliënt De gemeente maakt een vergelijking tussen de woonlasten van de huidige en de mogelijke nieuwe woonsituatie. Als de cliënt eigenaar van de woonruimte is, zal een verhuizing of woningaanpassing andere gevolgen met zich meebrengen dan wanneer deze de woning huurt, met name in financiële zin. Een aantal aspecten zal pleiten voor het verkopen van de woning en verhuizen naar een huurwoning. Andere aspecten daarentegen zullen de balans naar het aanpassen van de eigen woning doen doorslaan. Alle relevante aspecten zullen bij de afweging door de gemeente in aanmerking worden genomen. Cliënt wil niet verhuizen Cliënten kunnen indie

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.