← Nederland

WMO Verstrekkingenboek 2011 (Noordoostpolder)

In het kort

Dit document beschrijft de beleidsregels voor individuele voorzieningen in het kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) in de gemeente Noordoostpolder, met als doel inwoners te ondersteunen om volwaardig deel te nemen aan de samenleving.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

WMO Verstrekkingenboek 2011Inleiding In de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) is per 1 januari 2007 de Welzijnswet, de Wet Voorzieningen gehandicapten (Wvg), de huishoudelijke verzorging en een aantal subsidieregelingen uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Awbz) ondergebracht. Het doel van de Wmo is dat iedereen, van elke leeftijd, met en zonder beperkingen en met en zonder problemen volwaardig aan de samenleving deel kan nemen. Iedereen moet zo lang mogelijk, zo zelfstandig mogelijk kunnen wonen en kunnen deelnemen aan de samenleving. Sommige mensen hebben hierbij ondersteuning nodig. Hier dient de gemeente zorg voor te dragen. De Wmo verplicht de gemeente om te zorgen voor een goed samenhangend stelsel van ondersteuning voor die inwoners die onvoldoende in staat zijn om in bepaalde situaties zelf, of samen met anderen, oplossingen te realiseren. In de Wmo wordt de opdacht gegeven om compenserende voorzieningen te treffen om beperkingen in de zelfredzaamheid op het gebied van het voeren van een huishouden, het zich verplaatsen in en om de woning en om zich lokaal per vervoermiddel te verplaatsen, weg te nemen. Ter uitvoering van de opdracht om personen met beperkingen door het treffen van voorzieningen een gelijkwaardige uitgangspositie te verschaffen zodat zij zelfredzaam zijn en in staat tot maatschappelijke participatie is in de gemeente Noordoostpolder de verordening Individuele voorzieningen Wmo gemeente Noordoostpolder vastgesteld. Hierin zijn regels vastgelegd over de te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget. Juridische status verstrekkingenbeleid In de verordening is vastgesteld op welke voorzieningen en onder welke voorwaarden personen met beperkingen in het kader van de Wmo aanspraak kunnen maken. In het besluit individuele verstrekkingen Wmo gemeente Noordoostpolder zijn de bedragen opgenomen die hierop van toepassing zijn. In dit verstrekkingenboek (in deze tekst wordt “verstrekkingenboek” en “verstrekkingenbeleid” willekeurig gebruikt. Gelieve daar waar “boek” staat ook “beleid” te lezen en andersom) individuele voorzieningen Wmo gemeente Noordoostpolder zijn de beleidsregels opgenomen. Deze beleidsregels strekken ertoe te komen tot een goed samenhangend stelstel van compenserende voorzieningen voor inwoners van de gemeente die niet goed in staat zijn zelfredzaam te zijn. Daarbij zullen de wettelijke voorschriften van de Wmo, de Gemeentewet, de Algemene wet bestuursrecht, de verordening individuele voorzieningen Wmo gemeente Noordoostpolder, het financieel besluit en het opgestelde beleid zoals dit verstrekkingenboek, in acht moeten worden genomen. De voorschriften kunnen van procedurele en van inhoudelijke aard zijn. Daar waar de voorschriften beleidsvrijheid bieden dient uit een oogpunt van rechtszekerheid en rechtsgelijkheid door middel van nadere beleidsregels zoveel mogelijk in gedragslijnen te worden aangegeven hoe met de beleidsruimte zal worden omgegaan. In het kader van de Wmo zal in een breder kader dan onder de Wvg met het verstrekken van voorzieningen dienen te worden omgegaan. Dit verstrekkingenboek ligt in het verlengde van de verordening. Met het oog op het uitgangspunt van behoorlijk bestuur kan niet zonder meer van de inhoud van dit verstrekkingboek worden afgeweken. Indien door toepassing van een beleidsregel voor een aanvrager vanwege bijzondere omstandigheden tot een onevenredigheid zou leiden in verhouding tot het doel van de gedragslijn, bestaat echter de mogelijkheid om gemotiveerd van de beleidsregel af te wijken. In de verordening is bepaald dat het gemeentelijke beleid periodiek geëvalueerd wordt. Dat beleid omvat zowel het algemene beleid, zoals door de gemeenteraad neergelegd in de verordening, als het uitvoeringsbeleid, dat onder de bevoegdheid van het college is neergelegd in beleidsregels. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft, bijvoorbeeld omdat het voorzieningenniveau te hoog of te laag blijkt te zijn, leidt de evaluatie tot aanpassing van de verordening of van de beleidsregels. Opbouw verstrekkingenboek Dit verstrekkingenboek bestaat uit zeven delen, waarbij de hoofdstukindeling van de verordening en het besluit wordt gevolgd: Het eerste deel betreft de algemene bepalingen, het compensatie beginsel en de voorwaarden voor verstrekking. Het tweede deel bevat uitwerking vormen van voorzieningen als de financiële tegemoetkoming, het PGB en de eigen bijdrage/het eigen aandeel in de kosten. Het derde deel betreft bepalingen over het verstrekken van Huishoudelijke ondersteuning: de soorten voorzieningen, de voorwaarden voor verstrekking, aandachtspunten, jurisprudentie, specifieke procedures, afspraken met leveranciers en dergelijke. Het vierde deel bevat bepalingen over het verstrekken van woonvoorzieningen: de soorten woonvoorzieningen, de voorwaarden waaronder woonvoorzieningen worden verstrekt, aandachtspunten, specifieke procedures, jurisprudentie, afspraken met leveranciers en dergelijke. Het vijfde deel bevat bepalingen over het verstrekken van vervoersvoorzieningen: de soorten vervoersvoorzieningen, de voorwaarden waaronder vervoersvoorzieningen worden verstrekt, aandachtspunten, jurisprudentie, specifieke procedures, afspraken met leveranciers en dergelijke. Het zesde deel bevat bepalingen over het verstrekken van rolstoelvoorzieningen: de soorten rolstoelvoorzieningen, de voorwaarden waaronder rolstoelvoorzieningen worden verstrekt, aandachtspunten, jurisprudentie, specifieke procedures, afspraken met leveranciers en dergelijke. Het zevende deel bevat de wijze waarop voorzieningen worden verkregen en besluiten gemotiveerd worden, de aanvraagprocedure, de wijze van beoordelen en beschikking. Het laatste deel bevat standaarddocumenten in de vorm van bijlagen. Hoofdstuk 1. Algemene uitgangspunten voorzieningen beleid Wmo 1.1 Compensatiebeginsel Het compensatiebeginsel is gericht op het compenseren van personen die beperkingen ondervinden in hun zelfredzaamheid en hun maatschappelijke participatie. Het compensatiebeginsel, dat is neergelegd in artikel 4, eerste lid van de wet verdient speciale aandacht. Het is eigenlijk het centrale artikel van de Wmo. Een huishouden te voeren Voor personen bij wie beperkingen zijn geconstateerd voor het voeren van een huishouden kan de gemeente een voorziening verstrekken. Bij de beoordeling wordt in eerste instantie gekeken naar de gezinssituatie en het sociale netwerk van de persoon. Indien vanuit het huishouden of het sociale netwerk voldoende ondersteuning kan worden geboden is een aanvullende voorziening niet noodzakelijk. Zich te verplaatsen in en om de woning Indien beperkingen worden ondervonden bij het verplaatsen in en om de woning dient hiervoor een compensatie aangeboden te worden. Deze voorziening kan bestaan uit een woonvoorziening, rolstoel, vervoersvoorziening maar ook uit het aanbod van hulp bij het huishouden of andere voorziening om op deze wijze de beperking op te heffen of te verminderen. Zich lokaal te verplaatsen Indien belemmeringen worden ondervonden bij het lokaal verplaatsen voor deelname aan het maatschappelijke verkeer kan een voorziening worden aangeboden. Medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan Bij de beoordeling van de voorziening die wordt aangeboden dient er rekening mee te worden gehouden dat een voorziening er in voldoende mate aan bijdraagt om de persoon in de gelegenheid te stellen medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Het aanbod van voorzieningen gaat verder dan alleen voor de persoon die een belemmering ondervindt. Zo kan bijvoorbeeld ook bij (dreigende) overbelasting van een mantelzorger extra huishoudelijke verzorging ingezet worden. Op deze wijze kan de mantelzorger in staat worden gesteld om sociale verbanden aan te gaan. 1.1.1 Het bepalen van compensatie De strekking van het compensatiebeginsel is anders dan die van de oude Wvg-zorgplicht. Die laatste plicht kwam (enigszins gechargeerd) in zekere zin neer op voorgeprogrammeerde oplossingen bij vaststaande handicaps. Het compensatiebeginsel beoogt weliswaar evenzeer om oplossingen bij medische problemen te bieden (hoewel de bijpassende terminologie nu 'beperkingen' is in plaats van 'handicaps'), maar biedt de klant en de gemeente veel meer speelruimte om tot individuele oplossingen te komen. Het is maatwerk. De gemeente heeft op grond van de Wmo een plicht om uitvoering te geven aan het compensatiebeginsel. De gemeente heeft hiermee de algemene verplichting om beperkingen bij burgers in maatschappelijke participatie en de zelfredzaamheid op het gebied van het voeren van een huishouden, het zich verplaatsen in en om de woning en om zich lokaal per vervoermiddel te verplaatsen te compenseren. Onder zelfredzaamheid wordt in dit verband verstaan het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en financiële vermogen om zelf voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken. Onder normale deelname aan het maatschappelijke verkeer wordt in ieder geval verstaan: het kunnen voeren van een huishouden; het normale gebruik van een woning; het zich in en om de woning kunnen verplaatsen; het zich zodanig kunnen verplaatsen dat aansluiting kan worden gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke vervoerssystemen; het kunnen ontmoeten van andere mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die manier te kunnen deelnemen aan het lokale sociaal-maatschappelijk leven. Een voorbeeld is de situatie waarin iemand een keukenaanpassing vraagt, maar uiteindelijk in overleg met de gemeente tot een toekenning van ondersteuning in het huishouden komt (HV), misschien in combinatie met enkele kleine aanpassingen. Dit eventueel nog gecombineerd met wat mantelzorg. Allerlei maatwerkvarianten zijn denkbaar. 1.1.2 De reikwijdte van het compensatiebeginsel Het compensatiebeginsel is er niet op gericht om de persoon in zoverre te compenseren dat hij/zij in staat is om dezelfde activiteiten te verrichten als een niet-gehandicapte persoon. Bij de vertaling van de Wvg naar de Wmo is het behouden van het voorzieningenniveau Wvg als uitgangspunt genomen. Dit houdt echter niet vanzelfsprekend in dat de klant op dezelfde manier wordt gecompenseerd zoals hij/zij gewend was in de Wvg. Er kan op grond van het compensatiebeginsel best een andere voorziening worden verstrekt. De wens van de klant/aanvrager kan een rol spelen in dit proces van het zoeken van de meest adequate compensatie, maar is op zichzelf niet doorslaggevend. Objectiveringen, zoals bijvoorbeeld de leeftijd, de ernst van de beperking, de eventueel verwachte progressie van de beperking, de aanwezigheid van mantelzorg en dergelijke en de kosten van de diverse alternatieven spelen alle een rol in de uiteindelijke toekenning. De gemeente heeft met het compensatiebeginsel de vrijheid gekregen om ook andere voorzieningen aan te bieden. De gedachte achter de Wmo en het compensatiebeginsel verlangt van de gemeente een bepaalde mate van creativiteit. De gemeente hoeft zich hierbij niet te beperken tot het aanbieden van voorzieningen zoals die op dit moment bestaan. Zo kan bijvoorbeeld bij iemand die een scootmobiel aanvraagt voor het doen van de boodschappen ook gekeken worden naar andere mogelijkheden dan het verstrekken van een scootmobiel. Hierbij valt te denken aan het aanbieden van een boodschappendienst. Een andere mogelijkheid is het aanbieden van deelname aan een pool van scootmobielen. Een dergelijke pool kan zeker voor aanvragers die slechts incidenteel gebruik wensen te maken van deze voorziening een geschikte voorziening zijn. Dit is ook van toepassing op rolstoelen die minimaal gebruikt worden door bijvoorbeeld bewoners van een verzorgingshuis. Daar kan ook een pool van rolstoelen worden gemaakt in plaats van de individuele bewoner een rolstoel te verstrekken. Eigen verantwoordelijkheid Bij het bepalen van de voorzieningen houdt de gemeente rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen en de mogelijkheden die de aanvrager heeft om zelf in de kosten te voorzien. Met andere woorden: de eigen verantwoordelijkheid staat voorop. 1.2 Toekennen van een voorziening Primaat van algemene voorzieningen Bij het aanbod van voorzieningen geldt het primaat van een algemene voorziening. Indien de gemeente beschikt over een algemene voorziening die toereikend is om de beperking te compenseren dan zal deze voorziening worden verstrekt. In artikel 4 van de verordening worden de voorwaarden voor een verstrekking behandeld. - De voorziening moet langdurig noodzakelijk zijn (zie verordening artikel 4 lid 1 onder a). Een voorziening kan slechts worden toegekend indien deze geschikt en langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het gebied van wonen, het voeren van het huishouden, het verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en op basis daarvan sociale verbanden aangaan op te heffen of te verminderen. Geschikt wil onder andere zeggen dat de voorziening de beperking wegneemt of vermindert. Langdurig noodzakelijk wil zeggen dat betrokkene voor langere tijd aangewezen moet zijn op het desbetreffende hulpmiddel of aanpassing. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijk gehandicapt is niet voor een voorziening in aanmerking komt. Betrokkene kan bij een handicap van tijdelijke aard (korter dan 6 maanden) een beroep doen op de hulpmiddelendepots van de Thuiszorg-organisaties die zijn opgezet in het kader van de AWBZ. Waarbinnen precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig zal van situatie tot situatie verschillen. In dit kader zal de prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat betrokkene na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan mag men van een kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand en situaties van terugval elkaar opvolgen kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak, mits het wisselende beeld permanent is. Een uitzondering op de regel dat de aangevraagde voorziening langdurig noodzakelijk moet zijn, wordt gevormd door situaties waarin voor een afzienbare periode hulp bij het huishouden nodig is, bijvoorbeeld bij ontslag uit het ziekenhuis na een opname of bij een ontregeld huishouden. Deze uitzondering geldt ook voor situaties waarin een PGB te besteden aan hulp bij het huishouden wordt verstrekt voor korter dan drie maanden (zie ook paragraaf 3.2). - De voorziening moet, naar objectieve maatstaven gemeten, de goedkoopst adequate voorziening zijn (zie verordening artikel 4, lid 1 onder b). Het criterium goedkoopst-adequaat betekent dat een te verstreken voorziening allereerst adequaat dient te zijn. Zijn er twee of meer voorzieningen adequaat, dan mag gekozen worden voor de goedkoopste voorziening. De goedkoopste voorziening wordt beschouwd vanuit het gezichtspunt van de gemeente: het gaat om de voorziening die voor de gemeente het goedkoopst is. Daarbij kan ook rekening gehouden worden met zogenaamde macro-overwegingen, overwegingen die het gehele beleid en de consequenties betreffen. Collectief vervoer ontleent zijn besparingen vanuit de mogelijkheden combinatieritten te maken die de kilometerprijs naar beneden kunnen brengen. Het is dus in het belang van het systeem zo veel mogelijk gebruikers te hebben. Dat mag meetellen: dus ook al is een individuele aanvrager wellicht goedkoper met een andere voorziening dan collectief vervoer, er mag een uitzondering gemaakt worden als daardoor de basis onder het collectief vervoer in gevaar zou kunnen komen. - De voorziening moet in overwegende mate op het individu gericht zijn (zie verordening artikel 4 lid 1 onder c). Bij het verstrekken van voorzieningen wordt in principe alleen rekening gehouden met de aanvrager. Huisgenoten en anderen vallen buiten de voorziening. Een enkele keer zal hier een uitzondering op gemaakt moeten worden. Dat kan aan de hand van de hardheidsclausule. Een aanvraag voor voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten kan dus alleen worden toegekend indien er een individuele aanvrager is voor wie de voorziening noodzakelijk is. Hulpmiddelen voor gemeenschappelijk gebruik zijn uitgesloten. Hulpmiddelen met een individueel karakter, maar waarvan gezamenlijk gebruik kan worden gemaakt, kunnen wel worden toegekend. Ook het regelen van collectief vervoer is mogelijk op grond van de Wmo omdat de voorziening die via dit collectieve systeem wordt vervuld individueel gericht is. In wooncomplexen voor senioren is het gebruikelijk dat de woningen bereikbaar zijn voor ouderen. Voorbeeld: Bij een appartementengebouw wil de verhuurder graag automatische schuifdeuren voor de hoofdingang om het voor de bewoners en bezoekers wat comfortabeler te maken. Er is geen individuele aanvrager, de aanvraag wordt daarom afgewezen. Of: Een gehandicaptensportvereniging wil graag vervoer geregeld hebben naar de wekelijkse training. Een aanvraag in dit kader is niet op het individu gericht en zal afgewezen worden. Voorbeeld: Een ondersteuningsbehoevende wordt alleen een woningaanpassing toegekend als deze noodzakelijk is om zijn individuele beperkingen op te heffen. Als een persoon met beperkingen een bepaalde ruimte, zoals een zolder, niet nodig heeft om zijn leven van alledag te kunnen leven (eten, slapen, douchen) dan zal er geen traplift naar de zolder worden vergoed alleen omdat dit door het gezin als wenselijk wordt ervaren. 1.3 Het weigeren van een voorziening Volgens lid 2 van artikel 4 van de verordening weigert het college een voorziening als een aanvrager niet tot de doelgroep van de Wmo behoort. Het eerste dat dus bij een aanvraag moet gebeuren is beoordelen of de aanvrager behoort tot de doelgroep van de Wmo. Daarvoor liggen enkele uitgangspunten vast in de Wmo zelf en aanvullend hierop enkele uitgangspunten in de verordening. In de Wmo zelf liggen ter afbakening van de doelgroep de volgende uitgangspunten vast: 1.3.1 Voorliggende voorzieningen Er bestaat geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning als er sprake is van een voorliggende voorziening (zie Wmo art. 2). In de verordening is dit nader uitgewerkt in artikel 4. lid 2 sub f. In aanvulling daarop geldt nog dat indien een algemene voorziening of een collectieve voorziening (voor bepaalde groepen) een adequate oplossing kan bieden, er geen aanspraak bestaat op een individuele voorziening. Indien een aanvrager een rolstoel voor wonen en werken kan krijgen op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) dan is dat een voorliggende voorziening en wordt er geen rolstoel verstrekt op grond van de Wmo. Deze bepaling geldt ook voor andere hulpmiddelen en andere wet- en regelgeving, bijvoorbeeld de Awbz en de Wet op de jeugdzorg. Ook wat op grond van een verzekering of een privaatrechtelijke overeenkomst wordt verstrekt valt onder deze bepaling. 1.3.2 Aantoonbare beperkingen De aanvrager moet (aantoonbare) beperkingen ondervinden in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. De aanvrager moet een persoon zijn als bedoeld in artikel 1 van de Wmo, eerste lid onder g, onderdeel 4, 5 en 6 (zie Wmo art 4) Het gaat hierbij om: het ondersteunen van mantelzorgers (en vrijwilligers). het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem. het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking, een chronisch psychische probleem of een psychosociaal probleem. Ad a Mantelzorgers Mantelzorg is zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, maar door personen uit diens directe omgeving waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie. Mantelzorg vindt plaats op basis van vrijwilligheid. Met de invoering van de Wmo wordt mantelzorgondersteuning een verantwoordelijkheid van de gemeente. Als het gaat om mantelzorgers in relatie tot voorzieningen geldt dat zij alleen voor voorzieningen in aanmerking kunnen komen als zij die voorzieningen zelf nodig hebben. Heeft degene die de mantelzorg ontvangt voorzieningen nodig, dan zullen die uiteraard op zijn of haar naam aangevraagd moeten worden. Ten aanzien van hulp bij het huishouden kan een uitzondering worden gemaakt. Als de mantelzorger bijvoorbeeld de mantelzorg (bestaande uit persoonlijke verzorging) door overbelasting niet meer (geheel) aan zou kunnen, zou een indicatie hulp bij het huishouden gesteld kunnen worden, zodat de mantelzorger die hulp niet meer hoeft te geven en meer tijd overhoudt voor de persoonlijke verzorging. Het is dus niet zo dat de mantelzorger hulp bij het huishouden in zijn eigen huishouden aan kan vragen ter ontlasting, zodat de mantelzorg gemakkelijker te verlenen is. Het moet altijd gaan om het huishouden van de zorgvrager. Ook als de mantelzorger geen mantelzorg meer wil of kan bieden, ontstaat aanspraak op de Wmo. Een mantelzorger heeft een belangrijke rol maar door het beroep dat op de mantelzorger wordt gedaan staan vele mantelzorgers onder zware druk. Voor de gemeente is de taak weggelegd om uitval te voorkomen. In samenwerking met lokale partijen wordt vorm gegeven aan de versterking van de ondersteuning van de mantelzorgers. Gedacht kan worden aan het bieden van cursussen, opleidingen, het in contact brengen van mantelzorgers met elkaar, het bieden van respijtzorg. Respijtzorg is de tijdelijke en volledige overname van de zorg van een mantelzorger met het doel om die mantelzorger vrijaf te geven. Ad b en c Ten aanzien van de onder 2 en 3 genoemde groepen, mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en mensen met een psychosociaal probleem zal vaak een medisch advies nodig zijn om vast te stellen waar de beperkingen/belemmeringen uit bestaan, of dat te objectiveren is en welke mogelijkheden er zijn om de problemen op te lossen. Daarbij zal gebruik gemaakt worden van de ICF, wat verder is uitgewerkt in hoofdstuk 7. Onder deze beperkingen dienen de onder de Wvg gangbare ‘aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek’ te worden verstaan. Maar belemmeringen kunnen ook worden geconstateerd zonder dat er sprake is van beperkingen. Zo kunnen pijnklachten psychosomatisch zijn. Dan zal een uitspraak van een deskundige noodzakelijk zijn, om te bepalen of de klachten relevant zijn voor de Wmo. Essentieel voor de toekenning van een voorziening is in de eerste plaats de mate waarin belemmeringen worden ondervonden. Ook binnen de Wmo zal, net als binnen de Wvg en de Awbz, de medische noodzaak centraal staan bij het toekennen van voorzieningen. 1.3.3 Algemeen gebruikelijke voorzieningen De aangevraagde voorziening mag geen algemeen gebruikelijke voorziening zijn (zie verordening artikel 4 lid 2 onder a). Voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn vallen buiten de reikwijdte van het verstrekkingenbeleid. Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorzieningen waarover een met de aanvrager vergelijkbare persoon, ook los van de beperking, zou kunnen beschikken. Deze voorzieningen worden namelijk als algemeen gebruikelijk beschouwd. De algemene criteria die de Centrale Raad van Beroep hanteert bij het beoordelen of een zaak (product) als algemeen gebruikelijk wordt aangemerkt, zijn de volgende: normaal in de handel verkrijgbaar zijn; niet speciaal voor mensen met een beperking bedoeld zijn; niet duurder zijn dan vergelijkbare producten met hetzelfde doel. Daarnaast speelt de financiële situatie van de aanvrager een rol, bezien in relatie tot de maatschappelijke normen op het moment van de aanvraag. Met name die financiële situatie van de aanvrager kan leiden tot een uitzondering op het beginsel dat geen algemeen gebruikelijke voorzieningen worden verstrekt. Uit de jurisprudentie blijkt dat een dergelijke uitzondering zich voordoet als het inkomen van de aanvrager - mede ten gevolge van aantoonbare kosten die samenhangen met zijn beperking, onder het voor hem geldende sociaal minimum dreigt te geraken. Een andere uitzondering is het ten gevolge van een plotseling optredende beperking moeten vervangen van zaken die nog niet zijn afgeschreven; dat zou zonder die beperking immers ook niet gebeuren. Voorbeelden van voorzieningen die als algemeen gebruikelijk worden beschouwd: centrale verwarming; wasdroger; keramische kookplaat/inductie kookplaat; automatische transmissie in een auto; thermosstatische mengkraan; één-hendelkraan; douchekop op glijstang; een auto bij een inkomen hoger dan 1,5 keer het norminkomen; bromfiets/fiets met hulpmotor (Spartamet); (mobiele) telefoon; verhoogd toilet 6 (een toiletverhoger wordt dus niet toegekend als er nog geen plus 6 toiletpot aanwezig is); wandbeugels van 20 tot en met 100 centimeter; sta-opstoel. Door een bijzondere uitvoering kunnen bovenstaande voorzieningen weer niet algemeen gebruikelijk zijn. Voorbeelden daarvan zijn een een-hendelkraan met een extra lange hendel en een ééngreeps thermosstatische mengkraan. (Ter bepaling of een voorziening als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd, wordt de lijst van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) als uitgangspunt genomen. De op deze lijst voorkomende voorzieningen komen in principe niet voor verstrekking in aanmerking.) 1.3.4 Hoofdverblijf De aanvrager van de voorziening moet zijn hoofdverblijf hebben in Noordoostpolder (zie verordening artikel 4 lid 2 onder b). De Wmo geeft de gemeente een compensatieplicht voor inwoners van de gemeente. In eerste instantie geeft de gemeentelijke basisadministratie hierover uitsluitsel. Voor bepaalde zorginstellingen geldt dat de bewoners een briefadres elders kunnen aanhouden. In dat geval heeft de gemeente waar betrokkene daadwerkelijk verblijft de compensatieplicht. 1.3.5 Aantoonbare meerkosten Bij de aanvrager dient sprake te zijn van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperking(

  1. en)waarvoor de voorziening wordt gevraagd (zie de verordening artikel 2 lid 2 onder c). In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren voorzieningen en vragen zij na het optreden van een beperking voorzieningen aan, die in hun situatie kunnen leiden tot de conclusie dat het optreden van beperkingen geen meerkosten met zich meebrengt. Het onderzoek naar meerkosten is van belang in situaties waarin twijfel bestaat over de noodzaak van een voorziening. 1.3.6 Kosten voorafgaand aan beschikken Als de aanvraag betrekking heeft op kosten die de aanvrager voorafgaand aan de datum van bekendmaking van het door de gemeente genomen besluit heeft gemaakt, wordt de voorziening geweigerd wanneer hierdoor de noodzaak, waaronder de adequaatheid en de passendheid vallen, van de aangevraagde voorziening niet meer kunnen worden beoordeeld. Hierbij wordt gedoeld op de situatie dat de aanvrager een voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de aanvrager gerealiseerd of aangekocht is. Als de gemeente dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Als de beoordeling ondanks de gemaakte kosten toch kan plaatsvinden mag niet op grond van deze bepaling worden afgewezen. Alleen als niet meer te achterhalen is of een voorziening noodzakelijk, dus adequaat en passend, is voor de specifieke situatie is een afwijzing mogelijk. Door deze bepaling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen de gemeente als goedkoopst adequate voorziening beschouwt. De gemeente kan bijvoorbeeld ook factoren mee laten wegen die buiten de woonruimte van de aanvrager gelegen zijn, zoals een beschikbare aangepaste of goedkoop aan te passen woning elders, of een losse woonunit, waardoor een woningaanpassing wellicht niet noodzakelijk is. 1.3.7 Eerdere aanvraag De voorziening mag - binnen de normale afschrijvingstermijn - niet eerder aangevraagd zijn, tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die de aanvrager niet zijn toe te rekenen (zie verordening artikel 4 lid 2 onder e). Als door grove nalatigheid de voorziening verloren gaat, hoeft gedurende de verdere afschrijvingsperiode geen nieuwe voorziening verstrekt te worden. Als iemand een PGB heeft, kan op gelijke wijze bij verloren gaan van de voorziening gedurende de looptijd gehandeld worden: er wordt geen nieuw PGB verstrekt. Zeker bij personen die afhankelijk zijn van voorzieningen kan dit een zeer ingrijpende, maar noodzakelijke maatregel zijn. Indien er een voorziening in natura is verstrekt in de vorm van bruikleen en er door onzorgvuldig gebruik of zelfs misbruik regelmatig reparaties nodig zijn, dient met betrokkene overleg plaats te vinden en zal duidelijk moeten worden gemaakt dat dit in strijd is met de bruikleenovereenkomst. Heeft een dergelijk gesprek geen resultaat, dan kan overgegaan worden tot aangetekend waarschuwen dat bij herhaling de voorziening zal worden ingenomen. Herhaalt het probleem zich dan weer dan kan tot inname worden overgegaan en hoeft er geen herverstrekking plaats te vinden. 1.3.8 Aanspraak op andere voorzieningen De voorziening wordt geweigerd indien er op grond van enige andere wettelijke regeling of enige privaatrechtelijke overeenkomst of verbintenis aanspraak op de voorziening bestaat. Er bestaan voorzieningen die kunnen voorkomen dat ondersteuning in het kader van de Wmo nodig is. Personen met een beperking kunnen op grond van de WIA, Regeling hulpmiddelen Awbz, de Regeling farmaceutische hulp en een aantal subsidieregelingen die zijn opgesteld op basis van artikel 39 van de Wet financiering volksverzekeringen (Wfv) aanspraak maken op een groot aantal voorzieningen. Deze voorliggende voorzieningen gaan voor boven een aanspraak op ondersteuning in het kader van de Wmo. Wanneer een adequate oplossing wordt geboden door gebruik te maken van voorliggende voorzieningen, dan kan iemand dus geen aanspraak maken op de Wmo. Het gebruik van voorliggende voorzieningen is redelijk, maar afhankelijk van de de financiële omstandigheden en de aanwezigheid van de voorzieningen. Voorbeelden van voorliggende en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen in Noordoostpolder zijn: kinderopvang maaltijdvoorziening 1.4 Burgerparticipatie In artikel 11 en 12 van de Wmo is opgenomen dat gemeenten verplicht zijn de burgers en belang hebbende natuurlijke en rechtspersonen te betrekken bij de voorbereiding van het beleid. Om invulling aan deze verplichting te geven is de Adviesgroep Participatie Wmo en WWB opgericht. In deze groep zitten 9 leden op persoonlijke titel en met kennis van het maatschappelijk middenveld. De adviesgroep beoordeelt of de gemeente op een juiste wijze vorm geeft aan het participatieproces. Dat wil zeggen dat de leden van de Adviesgroep beoordelen of de gemeente de doelgroepen en de professionals op een juiste wijze bij het voorbereiden van nieuw beleid hebben betrokken. Als de burgers niet worden betrokken bij een bepaald beleidsproces, dan wordt de adviesgroep inhoudelijk om advies gevraagd. Verder heeft de adviesgroep het recht om de gemeente te voorzien van ongevraagd advies op het gebied van de Wmo en de WWB. Hiernaast wordt ook twee keer per jaar een bijeenkomst georganiseerd voor de Wmo-achterbanorganisaties. Op deze manier wordt door de gemeente informatie aan de achterban verstrekt, maar wordt ook gestuurd op het verkrijgen van signalen uit de samenleving. Hoofdstuk 2. Vorm van de voorziening 2.1 De verschillende vormen Voorzieningen kunnen binnen de Wmo in verschillende vormen verstrekt worden: algemene voorzieningen. individuele voorzieningen in natura. individuele voorzieningen in de vorm van een financiële tegemoetkoming. individuele voorzieningen in de vorm van een persoonsgebonden budget (PGB). In artikel 6 van de Wmo is bepaald dat de personen die aanspraak hebben op een individuele voorziening de keuze hebben tussen het ontvangen van een voorziening in natura of een hiermee vergelijkbaar persoonsgebonden budget (PGB), tenzij hiertegen overwegende bezwaren bestaan. De financiële tegemoetkoming wordt genoemd in artikel 7 van de verordening. De keuzevrijheid wordt aan de orde gesteld in artikel 5 van de verordening. 2.2 Algemene voorzieningen Allereerst is er de algemene voorziening. Deze vorm van voorziening is in de gemeente Noordoostpolder nog in ontwikkeling. Kenmerkend voor algemene voorzieningen is dat de gemeente deze voorzieningen organiseert, inkoopt en ter beschikking stelt, los van (of vooruitlopend
  2. op)individuele aanvragen. Deze voorzieningen kunnen in de regel met een minimum aan procedures worden aangeboden, dus met slechts een lichte toegangstoets en zonder eigen bijdrage. Een algemene voorziening is altijd voorliggend op een individuele voorziening. Algemene voorzieningen worden altijd in natura verstrekt, dus nooit in de vorm van een PGB of een financiële tegemoetkoming. 2.3 Voorziening in natura Ten tweede bestaat de voorziening in natura. Een voorziening in natura wordt in bruikleen middels een bruikleenovereenkomst aan de aanvrager ter beschikking gesteld. Voorzieningen in natura zijn voorzieningen die niet in de vorm van een PGB of een financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Dat wil zeggen dat de gemeente de aanvrager een voorziening verstrekt die hij of zij kant-en-klaar krijgt. De gemeente huurt een voorziening van de leverancier en de voorziening wordt door de leverancier in bruikleen aan de cliënt verstrekt. Sanitaire hulpmiddelen (het betreft de toiletstoel, de toiletbril met armleuningen, de staande- en verrijdbare douchestoel) worden echter in eigendom verstrekt aan de aanvrager. Sanitaire woonvoorzieningen of douchehulpmiddelen die buiten het kernassortiment vallen en een netto waarde hebben gelijk aan of minder dan € 300, zoals bijvoorbeeld een badplank, worden eveneens in eigendom verstrekt. Daarnaast kan de gemeente in zeer uitzonderlijke gevallen besluiten tot het kopen van de voorziening van de leverancier. Voorwaarde is dat deze beslissing binnen het hele team is besproken en door het hele team wordt gedragen. In het geval dat een voorziening in eigendom wordt verstrekt, geldt er een bruikleenovereenkomst tussen de gemeente en de cliënt. Elektrische voorzieningen zijn verzekerd. Verzekering tegen diefstal in de woning en het teniet gaan van de voorziening door brand dient de cliënt zelf te regelen (inboedelverzekering). Een verstrekking van een voorziening in natura heeft voor de gemeente in ieder geval de voorkeur als de verwachting is dat een voorziening na enige tijd niet meer adequaat zal zijn voor de aanvrager. 2.4 Financiële tegemoetkoming De derde vorm van verstrekking is de financiële tegemoetkoming. Voorzieningen kunnen ook worden verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming. Een financiële tegemoetkoming houdt in dat iemand een bedrag aan geld krijgt als tegemoetkoming in de kosten die gemaakt worden om de verstrekking aan te schaffen of hulp te organiseren. Deze tegemoetkoming kan worden afgestemd op het inkomen van de aanvrager. De voorwaarden met betrekking tot een financiële tegemoetkoming zijn beschreven in hoofdstuk 3 van het besluit. Ook de (gemaximeerde) hoogtes van de tegemoetkoming zijn hierin opgenomen. Een financiële tegemoetkoming kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij bepaalde woonvoorzieningen. Het betreft dan een bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte die wordt verleend aan de eigenaar van de woonruimte. 2.5 Persoonsgebonden budget Indien de noodzaak van een individuele voorziening is vastgesteld, kan de aanvrager ervoor kiezen een bepaalde voorziening in de vorm van een PGB te ontvangen. De aanvrager kan hiermee de geïndiceerde voorziening(
  3. en)zelf verwerven. 2.5.1 Gang van zaken De gang van zaken bij het PGB is als volgt: Aanvraag: de cliënt dient een aanvraag in voor een individuele Wmo-voorziening in. Indicatieadvies: de indicatiesteller van de gemeente of de externe indicatiesteller brengt een indicatieadvies uit. Gemeente neemt besluit: op basis van dit indicatieadvies neemt de gemeente een besluit over het al dan niet toekennen van een individuele voorziening. Keuzevrijheid: de cliënt heeft de keuze tussen een voorziening in natura en een PGB en kiest voor een PGB (waaronder ook de vergoeding voor een dienstverlener aan huis valt). De gemeente is verplicht om burgers te informeren over de gevolgen van de keuze die de burger maakt. Dit betekent dat alle rechten en plichten die de keuze voor PGB of een financiële vergoeding voor een dienstverlener aan huis bij hulp bij het huishouden met zich meebrengt voor burgers duidelijk moeten zijn. De keuze van de cliënt in deze wordt vastgelegd in de beschikking. Beschikking: in de beschikking staat vermeld dat de cliënt nog een eigen bijdrage moet betalen bij huishoudelijke ondersteuning. Bij deze voorlopige beschikking wordt een bijlage gevoegd waarin aangegeven wordt hoe de eigen bijdrage berekend wordt. Het ligt op de weg van de gemeente om inzichtelijk te maken wat de verschuldigde eigen bijdrage zal zijn. De eigen bijdrage wordt later vastgesteld en geïnd door het CAK. Uitbetaling: Is de beschikking verzonden, dan kan het PGB uitbetaald worden. Dat kan in één keer, indien daar aanleiding voor is (een aan te schaffen voorziening zal ook in één keer betaald moeten worden), maar ook in termijnen zijn, bijvoorbeeld bij een PGB voor huishoudelijke ondersteuning. Om de betaling overzichtelijk te houden zal de gemeente Noordoostpolder het PGB dat periodiek wordt uitbetaald een keer per kwartaal bevooorschotten, tenzij anders met de aanvrager of diens vertegenwoordiger overeen is gekomen. De gemeente betaalt de cliënt het bruto PGB uit. De cliënt dient er rekening mee te houden dat hij nog een eigen bijdrage verschuldigd is aan het CAK; Inkoop huishoudelijke ondersteuning/aanschaf voorziening: de cliënt koopt huishoudelijke ondersteuning in of schaft de voorziening aan. Bij een PGB voor huishoudelijke ondersteuning sluit de PGB-houder een schriftelijke overeenkomst af met de zorgaanbieder. Vaststelling en inning eigen bijdrage: Het CAK heeft de hoogte van de te betalen eigen bijdrage vastgesteld en verzend de beschikking. Indien de cliënt betrokken wordt in de controle, wordt zijn administratie gecontroleerd. 2.5.2 Overwegende bezwaren In het besluit is in artikel 2 lid 2 sub a en b bepaald dat een PGB niet kan worden toegekend indien er overwegende bezwaren bestaan tegen het verstrekken van een PGB. Verstrekking van een PGB vindt niet plaats indien: De aanvrager naar het oordeel van de gemeente niet in staat is het budget te beheren en de bestedingen te verantwoorden en ook een zaakwaarnemer hier niet in kan voorzien. Ook wordt een PGB niet toegekend indien het PGB het in stand houden van een adequate algemene voorziening ondergraaft. Om een dergelijke voorziening, zoals het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV), in stand te kunnen houden moet er immers een minimaal aantal deelnemers zijn. Mogelijk andere redenen waarom het college een PGB kan weigeren zijn: Bij gebleken misbruik of onverantwoord gebruik van het PGB. Op individuele gronden: bijvoorbeeld als er sprake is van problematische schulden, verslavingsproblematiek, dementie, verstandelijke beperkingen ed. 2.5.3 PGB bij huishoudelijke ondersteuning Bij het bepalen van de omvang van het persoonsgebonden budget worden twee mogelijkheden onderscheiden. Enerzijds het persoonsgebonden budget voor diensten, afkomstig uit de AWBZ, dat in de Wmo alleen maar betrekking heeft op hulp bij het huishouden, anderzijds het persoonsgebonden budget voor voorzieningen afkomstig uit de Wvg, zoals woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen. De hoogte van het PGB voor huishoudelijke ondersteuning is vastgesteld in het besluit (zie artikel 6 besluit). Bij diensten met betrekking tot Huishoudelijke ondersteuning gaat het dus om de betaling van tijd aan dienstverleners. Hierop wordt de eigen bijdrage in mindering gebracht. 2.5.4 PGB overige Wmo voorzieningen Wat betreft de voorzieningen afkomstig uit de Wvg zal per toekenning een berekening gemaakt worden. De kosten van de voorziening als de voorziening in natura zou worden verstrekt zijn daarbij uitgangspunt. Dat kan afgeleid worden van bijvoorbeeld een offerte. Daarbij kunnen bedragen geteld worden voor het onderhoud, reparatie en verzekering van de voorziening, voor zover daar sprake van is. Deze bedragen zijn ofwel bij verstrekking in eigen beheer bekend vanuit het verleden, ofwel kunnen bij verstrekking via een leverancier bij de leverancier worden opgevraagd. Bij het bepalen van het bedrag van de voorziening wordt uitgegaan van het bedrag dat de voorziening bij verstrekking in natura zou kosten. Daarbij zal veelal sprake zijn van kortingen, omdat via een contract met een leverancier een grote hoeveelheid voorzieningen afgenomen wordt. Deze korting wordt doorberekend naar het persoonsgebonden budget. Het is immers niet de bedoeling dat een persoonsgebonden budget meer geld gaat kosten dan verstrekking in natura. Over het algemeen zal er van uitgegaan kunnen worden dat ook met een persoonsgebonden budget een voorziening met korting zal kunnen worden aangeschaft. De voorwaarden voor een PGB voor het verwerven van een woon-, vervoers- of rolstoelvoorziening zijn opgenomen in het besluit (artikel 9). Indien de kosten van de voorziening het PGB overschrijden zijn deze voor rekening van de aanvrager. 2.5.4.1 Afschrijvingstermijn Bij de woon- , vervoers- en rolstoelvoorzieningen wordt, indien mogelijk de afschrijvingsperiode gebaseerd op de technische afschrijving van de voorziening. Bij rolstoelen en scootmobielen wordt uitgegaan van de afschrijvingsperiode zoals deze wordt gehanteerd door de vaste leverancier van de gemeente. Bij gelijkblijvende beperkingen kan binnen de afschrijvingstermijn niet opnieuw een overeenkomstige voorziening worden verstrekt. (Of een aanvrager na het verstrijken van de afschrijftermijn daadwerkelijk in aanmerking komt voor een vervanging van de voorziening wordt individueel beoordeeld). De door de aanvrager gekozen leverancier dient bereid te zijn om de voorziening gedurende de technische afschrijvingsperiode te repareren en te verzekeren. Indien de leverancier hiertoe niet bereid is onder deze voorwaarde te leveren, mag hij niet leveren. 2.5.4.2 Fabrieksaanpassingen en een PGB Indien standaard fabrieksaanpassing en/of individueel te vervaardigen aanpassingen noodzakelijk zijn, wordt het PGB verhoogd met de prijs die de gemeente voor deze aanpassingen zou betalen ingeval deze voorziening in natura zou zijn toegekend. De gemeente berekent het PGB voor de aanpassingen. Eventueel wordt een schaduwofferte opgevraagd bij de leverancier. Bij de berekening van het PGB wordt rekening gehouden met de kosten van onderhoud, reparatie en, indien van toepassing, van de verzekering (verzekering tegen diefstal uit de woning (inboedelverzekering) dient de cliënt zelf te regelen). 2.5.4.3 Omvang PGB overige voorzieningen De hoogte van het PGB is 100% van de prijs die de gemeente bij haar vaste leverancier voor de geïndiceerde voorziening zou betalen uitgaande van de goedkoopst adequate, beschikbare voorziening in natura. Bij de inkoop van bepaalde voorzieningen kan de gemeente korting bedingen omdat zij een grote hoeveelheid afneemt. Deze korting wordt doorberekend naar het PGB. Het is immers niet de bedoeling dat een PGB meer geld gaat kosten dan verstrekking in natura. Bij het vaststellen van de hoogte van het PBG in relatie tot de kosten van de voorziening in natura is in de Noordoostpolder rekening gehouden met het gegeven dat de gemeente een dergelijke voorziening inkoopt via de hulpmiddelen leverancier. Omdat de gemeente ervan uit gaat dat iemand met een PGB bij de gecontracteerde (of andere leveranciers) een rolstoel niet tegen een lagere prijs in kan kopen dan de gemeente zelf bij Welzorg, is het niet redelijk ook voor de voormalige Wvg verstrekkingen een percentage van 75% van het laagste bedrag van de voorziening in natura aan te houden. Op het PGB wordt een eigen bijdrage in mindering gebracht. De vaststelling en inning van de eigen bijdrage wordt ook bij het PGB uitgevoerd door het CAK. Voor een rolstoel voorziening geldt geen eigen bijdrage. Met een PGB voor een rolstoelvoorziening of een scootmobiel wordt de budgethouder in staat gesteld een rolstoel of scootmobiel te kopen. De kosten van de voorziening voor de gemeente als de voorziening in natura zou worden verstrekt zijn daarbij uitgangspunt bij de berekening van het PGB. Dat kan afgeleid worden van bijvoorbeeld een offerte. Daarbij dienen bedragen geteld te worden voor instandhoudingskosten, zoals het onderhoud en de reparaties van de voorziening en een WA-verzekering, voor zover daar sprake van is. Deze bedragen zijn door een verstrekking in eigen beheer bekend vanuit het verleden, of kunnen bij verstrekking via een leverancier bij die leverancier worden opgevraagd. 2.6 Uitbetaling Als het persoonsgebonden budget berekend is, wordt het bij beschikking aan de aanvrager bekend gemaakt. In deze beschikking wordt vermeld wat de omvang van het persoonsgebonden budget is en voor hoeveel jaar het persoonsgebonden budget bedoeld is. Om volstrekt duidelijk te laten zijn wat met het persoonsgebonden budget dient te worden aangeschaft en meer precies: aan welke vereisten de aan te schaffen voorziening dient te voldoen, wordt een zo nauwkeurig mogelijk omschreven program van eisen bij de beschikking gevoegd. Hierdoor kan voorkomen worden dat door onduidelijkheid omtrent de eisen die aan de voorziening gesteld worden een verkeerde voorziening wordt aangeschaft. Dat zou tot inadequate voorzieningen kunnen leiden, hetgeen op zich weer tot nieuwe aanvragen kan leiden. Dit wordt voorkomen door een program van eisen onderdeel uit te laten maken van de beschikking. Wordt dan toch een voorziening aangeschaft die niet aan dat programma van eisen voldoet, dan is er gehandeld in strijd met de beschikking. Is de beschikking verzonden, dan kan het persoonsgebonden budget beschikbaar worden gesteld. Dat kan in één keer, indien daar aanleiding voor is (een aan te schaffen voorziening zal ook in één keer betaald moeten worden), maar kan ook per kwartaal, bijvoorbeeld bij een persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden. Indien cliënt kiest voor een PGB dienstverlening aan huis, dan wordt in dit geval het verleende PGB maandelijks middels een machtiging achteraf door de gemeente aan de Bemiddelings- en serviceorganisatie overgemaakt. 2.6.1 Gedeeltelijke terugbetaling van het PGB Dit gebeurt indien de voorziening niet meer wordt gebruikt. Indien een voorziening aangeschaft met een PGB, niet meer wordt gebruikt, dan dient de budgethouder dit bij de gemeente te melden. Indien de technische afschrijvingstermijn nog niet is verstreken, dient de budgethouder een deel van het PGB terug te betalen. Hierbij wordt rekening gehouden met de reeds betaalde eigen bijdrage dan wel andere eigen ingebrachte middelen. Het feit dat de voorziening overbodig geworden is, kan samenhangen met het overlijden van de cliënt of met andere omstandigheden. Bij deze terugbetaling zal dan ook terdege rekening gehouden worden met de specifieke omstandigheden. Hierna kan zo nodig opnieuw een PGB kan worden toegekend voor een nieuw aan te schaffen voorziening. Ook bij verhuizing naar een andere gemeente vóór het verstrijken van de technische afschrijvingstermijn, dient de budgethouder de gemeente hiervan op de hoogte te stellen en het PGB minus de afschrijving over de verstreken termijn terug te betalen aan de gemeente. De gemeente waar naartoe verhuisd wordt zal op de hoogte gesteld moeten worden van de verhuizing om, via het CAK, eigen bijdrage te kunnen gaan innen. Deze ‘ontvangende’ gemeente zal ook zorg moeten dragen voor het terugbetalen van het resterende bedrag van het PGB. Bij verhuizing binnen een periode van vijf jaar wordt een tijdsevenredig deel van de eigen bijdrage terugbetaald aan de cliënt. 2.7 Verantwoording/controle besteding PGB In hoofdstuk 2 van het besluit zijn in artikel 4 en verder de voorwaarden benoemd die van toepassing zijn bij het verstrekken van een PGB. In het besluit is ook bepaald op welke wijze de budgethouder verantwoording aflegt over de besteding van het PGB. Controle van het persoonsgebonden budget vindt op twee manieren plaats. Enerzijds controle van het persoonsgebonden budget regulier voor huishoudelijke ondersteuning, anderzijds controle van het persoonsgebonden budget voor voorzieningen afkomstig uit de Wvg, zoals hulpmiddelen als woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen. 2.7.1 Controle PGB regulier huishoudelijke ondersteuning De controle van het persoonsgebonden budget regulier voor huishoudelijke ondersteuning zal als volgt plaatsvinden: Iedere budgethouder dient de volgende stukken te bewaren: de nota/factuur van de afgenomen dienstverlening; een betalingsbewijs van de afgenomen dienstverlening; of een overzicht van de salarisadministratie met bewijsmiddelen. Het college zal bepalen bij welke budgethouders deze stukken zullen worden opgevraagd om te controleren of het persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is. Is dat het geval, dan hoeft er verder niets te gebeuren. Is het persoonsgebonden budget anders besteed dan bedoeld, dan zal het college overwegen het persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk terug te vorderen. Daarbij zal leidend zijn of er opzet in het spel is geweest, of dat sprake is geweest van onwetendheid. In die laatste situatie kan overlegd worden dat deze situatie in de toekomst vermeden dient te worden. Bij opzet moet afgewogen worden of terugvordering in verhouding staat tot wat er bewust onjuist is gedaan. 2.7.2 Controle PGB overige voorzieningen De controle van het persoonsgebonden budget voor voorzieningen afkomstig uit de Wvg zal als volgt plaatsvinden: Bij iedere ontvanger van een persoonsgebonden budget wordt aan de hand van: de nota/factuur van de aangeschafte voorziening; een betalingsbewijs van aanschaf van de voorziening nagegaan of het persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het bestemd is. De gemeente zal steekproefsgewijs bepalen bij welke budgethouders stukken zullen worden opgevraagd om te controleren of het PGB besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is. Is dat het geval, dan hoeft er verder niets te gebeuren. Is het persoonsgebonden budget anders besteed dan bedoeld, dan zal het college overwegen het persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk terug te vorderen dan wel te verrekenen. Daarbij zal leidend zijn of er opzet in het spel is geweest, of dat sprake is geweest van onwetendheid. In die laatste situatie kan overlegd worden dat deze situatie in de toekomst vermeden dient te worden. Bij opzet moet afgewogen worden of terugvordering in verhouding staat tot wat er bewust onjuist is gedaan. 2.8 Eigen bijdrage en eigen aandeel Bij het verstrekken van een individuele voorziening is de gemeente, op grond van de artikelen 15 lid 1 en 19 lid 1 van de Wmo, bevoegd een (inkomensafhankelijke) eigen bijdrage op te leggen dan wel bij de financiële tegemoetkoming uit te gaan van het aandeel in de kosten. De gemeente hanteert alleen een eigen bijdrage bij de huishoudelijke ondersteuning. De hoogte van de eigen bijdrage is afhankelijk van het belastbaar (verzamel) inkomen van de aanvrager. Dit is uitgewerkt in het besluit, waarbij aansluiting gezocht is met de Algemene maatregel van Bestuur. De eigen bijdrage wordt vastgesteld en geïnd door het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Het CAK verzorgt ook al de vaststellingen en inning van de verschuldigde eigen bijdrage voor de Awbz en bewaakt de opeenstapeling van eigen bijdragen door toepassing van het anti-cumulatiebeding. Dit betekent dat burgers die zowel gebruik maken van een Wmo-voorziening als van Awbz zorg in eerste instantie voor de Wmo-voorziening de eigen bijdrage betalen, de Wmo eigen bijdrage gaat voor. Hebben zij het voor hen geldende maximum nog niet bereikt, dan betalen zij ook (een deel van) de Awbz eigen bijdrage. De cliënt krijgt één rekening van het CAK voor zowel de Wmo eigen bijdrage als - indien van toepassing - voor de Awbz eigen bijdrage. Ook bewaakt het CAK de anticumulatie bij de eigen bijdrage voor de maatschappelijke opvang, waaronder vrouwenopvang. Als de cliënt al betaalt voor deze opvang, dan ontvangt diegene geen rekening meer voor overige Wmo- of AWBZ-voorzieningen. Een eigen bijdrage of aandeel in de kosten mag alleen gevraagd worden aan personen van 18 jaar en ouder. De bijdrageplicht voor onderhoudsplichtige ouders zoals die in de Wvg geregeld is, komt daarmee te vervallen. Indien een cliënt uitdrukkelijk aangeeft geen toestemming te verlenen aan het CAK om de inkomensgegevens bij de Belastingdienst op te vragen, dan zal het CAK de eigen bijdrage opleggen tot maximaal de werkelijke kosten van de voorziening(
  4. en)en/of genoten uren huishoudelijke ondersteuning. 2.8.1 Tabellen standaardbedragen en uurtarieven ter berekening eigen bijdrage Onderstaande tabel bevat de standaardbedragen ter berekening van de eigen bijdrage volgens de AMvB. Groep Laagste eigen bijdrage Startpunt inkomensafhankelijke bijdrage Marginaal tarief a:65- ongehuwd € 17,80 € 22.636,- 15% b:65+ ongehuwd € 17,80 € 15.838,- 15% c:65- gehuwd € 25,40 € 27.902,- 15% d:65+gehuwd € 25,40 € 22.100,- 15% Onderstaande tabel bevat de uurtarieven ter berekening van de eigen bijdrage. Soort hulp bij huishouden Zorg in natura PGB dienstverlening aan huis PGB regulier Categorie 1 22,- 15,02 15,02 Categorie 2 22,- Nvt. 15,02 Cliënten kunnen op verschillende manieren achterhalen of en hoeveel eigen bijdrage zij moeten betalen. Ze kunnen de berekening maken via de rekenmodule op de website van het CAK, namelijk www.hetcak.nl. Ze kunnen de berekening ook maken met het rekenschema in de brochure van het CAK. Ook kunnen cliënten contact opnemen met het gratis telefoonnummer van het CAK (0800-1925) en hun vraag voorleggen aan een medewerker. Hoofdstuk 3. Huishoudelijke ondersteuning 3.1 Overgang van Awbz naar de Wmo De hulp bij het huishouden is afkomstig uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, waar de functie Huishoudelijke Verzorging één van de zeven functies was die onder de Awbz vielen en uitgewerkt werden in het besluit zorgaanspraken Awbz. Op 1 januari 2007 is deze functie uit de Awbz geschrapt (artikel 41, lid 2 Wmo) en heeft de Wmo op basis van artikel 4 lid 1 onder a. deze functie overgenomen. Hierbij wordt gesproken over het “een huishouden te voeren” waaronder in de verordening Wmo zowel hulp bij het huishouden wordt verstaan als de woonvoorzieningen uit de Wvg. De gemeente heeft de wettelijke verplichting om haar ondersteuningsbehoevende inwoners een keuzemogelijkheid te bieden. De gemeente heeft daarom convenanten afgesloten met vijf zorgaanbieders voor het leveren van huishoudelijke zorg. Deze mogelijkheid kan worden uitgebreid indien andere zorgaanbieders aangeven ook in de gemeente Noordoostpolder zorg te willen leveren onder dezelfde voorwaarden als gesteld in het convenant en mits deze partijen aan een aantal in hetzelfde convenant genoemde voorwaarden voldoen. In bijlage 1 zijn de contactgegevens van de huidige vijf gecontracteerde zorgaanbieders opgenomen. 3.2 Soorten huishoudelijke ondersteuning Artikel 10 van de verordening geeft een drietal soorten te verstrekken huishoudelijke voorzieningen aan: een algemene voorziening, waaronder algemene hulp bij het huishouden; hulp bij het huishouden in natura; een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het huishouden, waaronder ook de vergoeding voor een dienstverlener aan huis. Ad a.: Primaat van de algemene hulp bij het huishouden. Uit artikel 11 van de verordening blijkt dat indien als gevolg van aantoonbare beperkingen of problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg het zelf uitvoeren van één of meer huishoudelijke taken onmogelijk is en de algemene hulp bij het huishouden dit snel en adequaat op kan lossen, men voor deze eerste vorm, algemene hulp bij het huishouden in aanmerking kan komen. Bij algemene hulp bij het huishouden ligt zodoende het primaat. Daarvoor is het allereerst noodzakelijk dat deze vorm van hulp binnen de gemeente bestaat. Is dat niet zo, dan vervalt automatisch deze vorm van hulp. In de gemeente Noordoostpolder is deze algemene voorziening (nog) niet aanwezig. In de verordening is rekening gehouden met de mogelijkheid van het ontstaan van deze voorziening in de toekomst. Het zou hierbij dan gaan om “een snelle en eenvoudige dienstverleningsoplossing zonder veel administratieve rompslomp voor gemeente en aanvrager. Gedacht moet worden aan vormen van direct beschikbare hulp bij het huishouden vanuit bijvoorbeeld een wijksteunpunt met name voor eenvoudige werkzaamheden, al dan niet op basis van een kortdurende hulpbehoefte.” Om te realiseren dat er weinig administratieve rompslomp is worden er geen eigen bijdragen gevraagd. Er vindt derhalve een eenvoudige toets plaats naar de noodzaak van de hulp, er wordt direct toegekend en gerealiseerd, hetgeen in een brief wordt bevestigd. Ad b en c.: Hulp bij het huishouden in natura of door middel van een persoonsgebonden budget, waaronder ook de vergoeding voor een dienstverlener aan huis. Artikel 10 van de verordening bepaalt dat indien de algemene hulp bij het huishouden niet aanwezig is, of indien deze algemene hulp bij het huishouden een onvoldoende oplossing bied, men in aanmerking kan komen voor hulp bij het huishouden in natura of een persoonsgebonden budget, waaronder ook de vergoeding voor een dienstverlener aan huis te besteden aan hulp bij het huishouden. Ook in deze situatie moet er sprake zijn van aantoonbare beperkingen of van problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg. Zorg in natura betekent dat cliënt een hulp ontvangt via een zorgleverancier. PGB betekent, dat cliënt een budget ontvangt om een hulp te regelen en te betalen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen PGB dienstverlening aan huis en PGB regulier. PGB dienstverlening aan huis betekent dat een PGB-houder ervoor kiest om huishoudelijke ondersteuning categorie 1 in te kopen op grond van de Regeling Dienstverlening aan huis en daarbij wordt ondersteund door een Bemiddelings- en serviceorganisatie. PGB regulier betekent, dat cliënt een budget ontvangt om zelf een hulp te regelen en te betalen en indien gewenst bemiddeling en service in te kopen. Ter afwijking van hetgeen artikel 4 lid 1 onderdeel a van de verordening aangeeft (een voorziening dient langdurig noodzakelijk te zijn) kan een PGB verstrekt worden indien behoefte is aan ondersteuning in de huishouding voor een periode korter dan drie maanden. Er dient allereerst te worden nagegaan of er sprake is van aantoonbare beperkingen. Die beperkingen kunnen liggen op de terreinen als vermeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5 en 6 van de Wmo: mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem. De vaststelling hiervan zal op objectieve wijze plaats moeten vinden en in het grote deel van de gevallen op basis van een medische beoordeling. In dat kader kan het noodzakelijk zijn medisch advies te vragen aan een medisch adviseur die daartoe de nodige deskundigheid bezit. Daarbij dient bijzondere aandacht te bestaan voor de zogenaamde medisch moeilijk te objectiveren aandoeningen (mmoa’s), waarbij gewaakt moet worden voor het verlenen van anti-revaliderende hulp. Is er sprake van aantoonbare beperkingen in het kader van de Wmo dan komt men in principe in aanmerking voor hulp bij het huishouden. Daarnaast kan ook hulp bij het huishouden verstrekt worden in situaties dat de mantelzorg problemen heeft bij de uitvoering daarvan. Het is de verantwoordelijkheid van de mantelzorger om aan te geven wat de mantelzorg voor haar of hem inhoudt en wat hij/zij daarbij nodig heeft om dit te blijven doen. In situaties dat de problemen (deels) opgelost kunnen worden door het toekennen van hulp bij het huishouden is dat een reden voor toekenning. Daarbij dient er van uitgegaan te worden dat de hulp bij het huishouden plaats vindt bij de hulpvrager, die de mantelzorg ontvangt, en niet bij de mantelzorger thuis, indien die een ander woonadres heeft dan de hulpvrager. 3.3 Keuze zorgaanbieders De huishoudelijke ondersteuning is opgedeeld in 2 categorieën van zorg: Categorie 1: Huishoudelijke werkzaamheden, zoals bijvoorbeeld boodschappen doen, maaltijd(
  5. en)bereiden, licht en zwaar huishoudelijk werk, de was doen en het op orde houden van de huishoudelijke spullen. De hulpverlener heeft daarnaast een signalerings- en doorverwijsfunctie. Categorie 2: Categorie 1 aangevuld met organisatie van de huishouding. Het betreft hier o.a.: anderen helpen in huis met zelfverzorging, het bereiden van de maaltijd(en), de dagelijkse organisatie van het huishouden, advies, instructie en voorlichting gericht op het huishouden, sturing of stimulering bij het deels zelf uitvoeren van activiteiten en/of het verzorgen en opvangen van jonge kinderen in verband met uitval van de primaire verzorger(s). De aanvrager wordt door de gemeente de mogelijkheid geboden om te kiezen tussen de door de gemeente gecontracteerde aanbieders. Op dit moment zijn er vijf zorgaanbieders gecontracteerd. Dit zijn: De Nieuwe Zorg Thuis; Reformatorische Stichting Thuiszorg (RST); Thuiszorg Service Nederland (TSN); Thuiszorg Zuidwest Friesland; Zorggroep Oude en Nieuwe Land (ZONL). Met iedere zorgaanbieder die zorg in de gemeente Noordoostpolder wil verlenen onder de voorwaarden zoals gesteld in het convenant en die voldoet aan de voorwaarden gesteld in dit convenant, wordt een convenant afgesloten. Daarnaast kan de aanvrager in aanmerking komen voor een PGB waarmee hij ook kan kiezen voor een andere zorgaanbieder dan deze de gecontracteerde zorgaanbieders. De selectie van een zorgaanbieder door de gemeente vindt vervolgens plaats op basis van de volgende criteria: Keuze van zorgaanvrager; Indien de aanvrager geen voorkeur heeft, zal de opdracht per toerbeurt worden toegekend. Dit alles onder de voorwaarde van beschikbaarheid van de zorg bij de aanbieder. 3.4 Gebruikelijke zorg en omvang hulp bij het huishouden Artikel 12 van de verordening bepaalt dat, “als tot de leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten” men niet in aanmerking komt voor hulp bij het huishouden. Deze beperking heet “gebruikelijke zorg” en is overgenomen uit de beleidsregels zoals het CIZ die hanteerde ten aanzien van de functie HV in de Awbz tot de invoering van de Wmo. 3.4.1 Huisgenoten Gebruikelijke zorg wil zeggen dat als de hulpvrager huisgenoten heeft die het huishoudelijk werk over kunnen nemen, zij verondersteld worden dit door een herverdeling van taken te doen, zodat er geen ruimte meer bestaat hulp bij het huishouden te indiceren. Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat een leefeenheid in gezamenlijkheid verantwoordelijk is voor het huishoudelijke werk. Dat betekent dat indien degene die gewend is het huishoudelijk werk te doen hiertoe niet meer in staat is, andere leden van de leefeenheid verondersteld worden dit over te nemen. 3.4.2 18 jaar en ouder Dit principe heeft een verplichtend karakter en betreft alle huisgenoten ouder dan 18 jaar. Vanaf 18 jaar wordt men verondersteld in verband met studie op kamers te kunnen wonen en een eenpersoonshuishouden te kunnen draaien. Vanaf 23 jaar wordt men verondersteld een volledig huishouden te kunnen draaien. Onder 18 jaar wordt men verondersteld te helpen bij het huishouden, zoals het bijhouden van de eigen kamer, het helpen dekken van de tafel, het helpen bij de afwas enz. Ook met deze activiteiten kan rekening gehouden worden bij de indicatie. Daarbij wordt er geen rekening mee gehouden of men het al dan niet wil of al dan niet gewend is te doen. In situaties dat personen uit de leefeenheid die nog nooit huishoudelijk werk hebben gedaan, dit niet kunnen, kan via een tijdelijke indicatie hulp geboden worden bij het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen maar via instructies gestuurd. Ook studie of werkzaamheden vormen in principe geen reden om van de gebruikelijke zorg af te zien. Immers, iedereen die werkt zal naast zijn werk het huishouden moeten doen of hier eigen oplossingen voor zoeken (zoals het inhuren van particuliere hulp). Dat geldt ook voor tweeverdieners. Ook ouderen die in staat zijn tot het verrichten van huishoudelijk werk vallen onder de gebruikelijke zorg. Een (zeer) hoge leeftijd kan in omstandigheden aanleiding te zijn niet te vragen het huishoudelijk werk aan te leren. 3.4.3 Werk als afwijkende reden Bij werkenden wordt geen rekening gehouden met zeer drukke werkzaamheden en (zeer) lange werkweken. Over het algemeen kan alleen rekening worden gehouden met personen die vanwege hun werkzaamheden langdurig van huis zijn. Daardoor zijn zij immers niet in staat het huishoudelijk werk over te nemen. Maar in alle situaties dat daarbij sprake is van een eigen keuze, zal daar geen rekening mee worden gehouden. De afwezigheid moet een verplichtend karakter hebben. Het gaat te ver chauffeurs die op het buitenland reizen, medewerkers in de off-shore of marinemensen die maanden achtereen van huis zijn, te dwingen een andere functie te zoeken. Een indicatiesteller dient altijd te onderzoeken of een leefeenheid, gegeven de voor die leefeenheid geldende gebruikelijke zorg, door de (chronische) uitval van een gezinslid niet alsnog onevenredig belast wordt en overbelasting dreigt. Wanneer partner of huisgenoot gezondheidsproblemen en beperkingen heeft door een combinatie van een (volledige) werkkring en het voeren van een huishouden overbelast is of dreigt te raken, zullen de (medische) gegevens ter onderbouwing daarvan door de betrokkene moeten worden aangeleverd. 3.5 Mantelzorg Mantelzorg is zwaarder, langduriger en intensiever dan gebruikelijke zorg. Gebruikelijke zorg beperkt zich tot huisgenoten. Mantelzorgers kunnen huisgenoten zijn, maar ook buren, familie, vrienden etc. Mantelzorg is in strikte zin vrijwillig, hoewel de mantelzorger dat niet als zodanig ervaart. Mantelzorg is geen wettelijk vastgestelde voorliggende voorziening voor de Wmo of de AWBZ, maar in de toekenning wordt door de gemeente wel rekening gehouden met de eventuele aanwezigheid van mantelzorg. 3.5.1 Mantelzorg en indicatiestelling Mantelzorgers worden betrokken bij de indicatiestelling. Het is immers belangrijk om na te gaan wat er al aan mantelzorg wordt verleend door huisgenoten en externe mantelzorgers. Doel van de inventarisatie is na te gaan of de mantelzorger de zorg kan blijven bieden. Het is de verantwoordelijkheid van de mantelzorger om aan te geven wat de mantelzorg voor haar of hem inhoudt en wat hij/zij daarbij nodig heeft om dit te blijven doen. De indicatiesteller brengt in kaart wat de fysieke, psychische en sociale belasting is voor de mantelzorger. Het is de verantwoordelijkheid van de indicatiesteller om aan te geven wat er aan voorzieningen mogelijk is in het kader van de Wmo en te toetsen of de belasting die de mantelzorger zichzelf oplegt reëel is. De indicatiesteller is alert op het voorkomen van overbelasting van de mantelzorger(
  6. s)waardoor hun eigen leven en mogelijkheden tot maatschappelijk participeren in het gedrang komen. Uitgangspunt voor de indicatiesteller is de wijze waarop de cliënt zijn/haar leven vorm wil geven en de wijze waarop de mantelzorger hieraan kan en wil bijdragen. Op het indicatiebesluit wordt aangegeven welke geïndiceerde zorg door de mantelzorg wordt geleverd. Valt de mantelzorg (tijdelijk) weg, dan is meteen duidelijk hoeveel (aanvullende) zorg door professionals geleverd moet worden. (Begin november 2010 is bekend geworden dat het CIZ haar protocollen aan zal passen en in het indicatiebesluit aan zal geven welke geïndiceerde zorg door de mantelzorg wordt geleverd.) 3.5.2 Kamerverhuur Onder personen die lid zijn van de leefeenheid worden niet verstaan personen die een (pension)kamer huren. Het moet dan gaan om personen die in generlei familiebetrekking staan tot elkaar en er moet daadwerkelijk een huurovereenkomst liggen. In die situaties worden overigens de werkzaamheden ten aanzien van de huurder door de verhuurder als zijnde beroepsmatig niet geïndiceerd! 3.5.3 Leefeenheden Er zijn situaties die op een grensgebied liggen. Bij kloostergemeenschappen bijvoorbeeld is wel sprake van een leefeenheid, maar is over het algemeen een taakverdeling, die zich niet leent voor overname. In die situatie kan wel geïndiceerd worden voor bijvoorbeeld het schoonmaken van de eigen kamer indien met dit niet zelf meer kan. Gemeenschappelijke ruimten die kenmerkend voor kloosters zijn kunnen niet worden geïndiceerd omdat zij het niveau sociale woningbouw te boven gaan (bibliotheken, gebedsruimten, gemeenschapsruimten, refters) en behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenschap. 3.5.4 Instellingen-tehuizen Voor Awbz-instellingen geldt dat huishoudelijke verzorging in de functie verblijf is opgenomen en dus niet geïndiceerd kan worden. Voor particuliere tehuizen die verzorging bieden geldt dat daar hulp bij het huishouden voor het eigen appartement of de eigen kamer geïndiceerd kan worden in zoverre de zorg niet door betrokkene wordt betaald. Dan gaat het immers om al aanwezige professionele zorg en is er geen tekort of probleem. Dit geldt ook voor door het tehuis verzorgde wasverzorging of maaltijdverzorging. 3.5.5 Huishoudelijke ondersteuning bij korte levensverwachting In geval de cliënt een zeer korte, bekende levensverwachting heeft kan ter ontlasting van de leefeenheid afgeweken worden van de normering gebruikelijke zorg. 3.6 Omvang huishoudelijke ondersteuning Is er geen sprake van gebruikelijke zorg, dan dient de omvang van de hulp bij het huishouden te worden vastgesteld. Hiervoor moet bepaald worden welke activiteiten de hulpvrager zelf niet kan uitvoeren en welke normtijden hiervoor gelden. Er is, in navolging van de Awbz gekozen voor normtijden, om een uitgangspunt te hebben voor de omvang van de verschillende taken die in het huishoudelijk werk verricht moeten worden. In de bijlage 3 aangegeven normtijden worden gehanteerd. Deze normtijden zijn afkomstig uit het protocol huishoudelijke verzorging van het CIZ en samengesteld in overleg met de landelijke koepel van thuiszorginstellingen. Normering door de gemeente is nodig om een uitgangspunt te hebben en discussies te voorkomen over de benodigde tijd voor bepaalde activiteiten. 3.7 Geen langdurige noodzaak Een voorbeeld hiervan is transferzorg na een ziekenhuisopname De door de behandelende arts of transferverpleegkundige van het ziekenhuis geïndiceerde transferzorg, ondersteuning thuis na een ziekenhuisopname, is geen algemene voorziening maar een individuele, omdat hieraan een indicatie ten grondslag is. Wel is er sprake van kortdurende, snel inzetbare ondersteuning en is er geen sprake van langdurige noodzaak. Voor transferzorg gelden de regels voor een gewone individuele verstrekking. Hiervoor dient dus bijvoorbeeld ook een eigen bijdrage te worden betaald. Voor de afhandeling van de transferzorg is een richtlijn ontwikkeld. Kortdurende huishoudelijke ondersteuning bij reorganisatie van een huishouding Bij een acuut disfunctioneren van een huishouden (crisis) kan herverdeling van de gebruikelijke zorg of inschakelen van algemeen gebruikelijke voorliggende voorzieningen een dermate grote belasting zijn dat ter ontlasting kortdurend huishoudelijke ondersteuning kan worden geïndiceerd. Redenen als ‘niet gewend zijn of niet willen’ zijn geen reden voor een voortzetting van de indicatie cq. herindicatie. Vaak is hulpverlening gedurende een periode van zes weken voldoende. 3.8 Voorwaarden voor verstrekking In artikel 14 onder a van de verordening is opgenomen dat de aangevraagde huishoudelijke voorziening wordt geweigerd indien de aanvraag betrekking heeft op vertrekken van de woning die niet op regelmatige basis gebruikt worden of waarvoor geen noodzaak tot gebruik vaststaat. Indien aanzienlijk meer hulp wordt gevraagd vanwege het feit dat men in een veel grotere ofmeer luxe woning woont, geeft deze bepaling een duidelijke grens aan. Wanneer men aanzienlijk meer hulp vraagt vanwege het feit dat men een grote of luxe woning bewoont, zal men geen hulp ontvangen om de hele woning te onderhouden. huishoudelijke ondersteuning dient in beginsel verstrekt te worden in verband met activiteiten die plaatsvinden in een woning al naar gelang de behoeften van de ondersteuningsbehoevende. Wanneer een grote woning wordt bewoond, kent de compensatieplicht echter een maximaal niveau. Indien de noodzaak van een grote woning niet vaststaat, maar ook wanneer er geen medische noodzaak is voor bijvoorbeeld een (inpandig) zwembad of een therapieruimte vallen deze ruimten buiten de compensatieplicht van de gemeente. Onder lid c. is sprake van een voorliggende voorziening. De aanvrager kan hier een beroep doen op de Awbz waarbij voorkomen wordt dat huishoudelijke ondersteuning nodig is. 3.9 Omvang van de huishoudelijke ondersteuning Aan de hand van de normtijden zoals genoemd in bijlage 3 kan voor de individuele situatie worden bepaald hoeveel tijd noodzakelijk is. Afhankelijk van het systeem dat de gemeente heeft gekozen kan dan toegekend worden. In artikel 15 van de verordening heeft de gemeente Noordoostpolder de keuze gemaakt voor indicatiestelling van huishoudelijke ondersteuning in uren. Het voordeel hiervan is dat er een betere controle en dus sturing op het volume van productie mogelijk is. De klasse waarin een aanvrager is geïndiceerd wordt opgenomen in het dossier en in de beschikking worden vervolgens de feitelijke uren opgenomen, afgerond op kwartieren, die in de uitvoeringspraktijk op halve uren naar boven of beneden worden bijgesteld. De toekenning vindt plaats nadat er onderzocht is of er voorliggende voorzieningen zijn waar de aanvrager voor in aanmerking komt. Voorliggende voorzieningen, die altijd algemeen gebruikelijk zijn, kunnen gevonden worden in: kinderopvang (crèche, kinderdagverblijf, overblijfmogelijkheden op school, voor- of naschoolse opvang); oppascentrales; maaltijddiensten; hondenuitlaat-service; boodschappendiensten enz. De voorliggende voorziening moet wel beschikbaar zijn. Is dat niet zo, dan is er geen sprake van een voorliggende voorziening. Hiertoe is het nodig rekening te houden met de sociale kaart van de gemeente Noordoostpolder. Niet relevant is of men gebruik wil maken van een voorliggende voorziening. Ook is in principe niet relevant welke kosten aan de voorliggende voorziening zijn verbonden, tenzij sprake zou kunnen zijn van een zogenaamd extreem laag inkomen als geldt bij het begrip algemeen gebruikelijk: een inkomen dat door kosten op grond van de beperkingen of het probleem onder de bijstandsnorm uitkomt of dreigt uit te komen door deze kosten. Indien het gaat om zorg in natura, dan kan de toe te kennen hulp bij het huishouden bij beschikking worden toegekend en tevens doorgegeven worden aan de instelling die deze gaat verzorgen. Hierbij is relevant dat de instelling de inhoudelijke opbouw van de indicatie kent. Daardoor kan voorkomen worden dat activiteiten worden uitgevoerd waarvoor geen hulp is toegekend. Gaat het om een persoonsgebonden budget, dan kan, indien aan het gestelde in artikel 7 van het besluit is of kan worden voldaan en er geen overwegende bezwaren bestaan het persoonsgebonden budget bij beschikking worden toegekend en kan tot uitbetaling worden overgegaan. Ook in deze situatie dienen de benodigde gegevens voor het innen van de eigen bijdrage aan het CAK worden doorgegeven indien van toepassing. 3.10 De duur van de indicatie bij huishoudelijke ondersteuning Indien er een indicatie wordt gesteld voor huishoudelijke ondersteuning, dan wordt de indicatie afgegeven voor een vastgestelde periode. De periode waarover de indicatie wordt afgegeven is afhankelijk van de aard van de voorziening en de situatie van de ondersteuningsbehoevende. Voor de concrete vaststelling van de duur van de indicatie is een richtlijn ontwikkeld door het CIZ. Wanneer de geldigheidstermijn is verstreken en er nog een hulpvraag resteert, zal de ondersteuningsbehoevende de voorziening opnieuw moeten aanvragen. Er is dan sprake van een vervolgindicatie (ongewijzigd) of een herindicatie (nieuw onderzoek en indicatiestelling met een mogelijke wijziging). Verstrekkingen aan een huishouden waarvan de cliënt tijdelijk is opgenomen in een Awbz instelling worden tijdelijk stopgezet zodra de cliënt is opgenomen. Ook bij tijdelijk verblijf buiten de Noordoostpolder worden de verstrekkingen tijdelijk stopgezet. De indicatie blijft wel van kracht. 3.11 Veranderingen AWBZ, inzet gemeente en raakvlakken met de AWBZ Binnen de AWBZ (Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten) hebben vanaf 2008 bezuinigingen plaats gevonden. De volgende maatregelen zijn getroffen: De psychosociale grondslag voor de functie ondersteunende begeleiding algemeen binnen de AWBZ is geschrapt. De functies Ondersteunende Begeleiding en Activerende Begeleiding zijn samengevoegd tot één functie: Begeleiding. Mensen met problemen op het gebied van participatie krijgen geen indicatie voor Begeleiding meer. Alleen problemen op het gebied van zelfredzaamheid komen nog voor een indicatie Begeleiding in aanmerking. Mensen met lichte zorg- of ondersteuningsbehoefte kunnen geen aanspraak op de functie Begeleiding. Alleen mensen met een matige of zware zorg- of ondersteuningsbehoefte komen nog in aanmerking voor Begeleiding. Deze laatste groep kan wel te maken krijgen met een vermindering van uren Begeleiding. De gevolgen van deze maatregelen zijn dat er steeds meer mensen een beroep op de Wmo doen. Voor het vervallen van de psychosociale grondslag heeft de gemeente middelen ontvangen om een regeling voor deze doelgroep te treffen. Voor de ontregelde gezinnen is het product Thuisbegeleiding opgezet. Dit wordt uitgevoerd door Zorggroep Oude en Nieuwe Land. De Wmo-consulenten maken afspraken met de Zorggroep over de inzet van de Thuisbegeleiding. 3.11.1 Het product Thuisbegeleiding Thuisbegeleiding Thuisbegeleiding bestaat uit tijdelijke hulpverlening van drie maanden met een mogelijke verlenging met nog eenmaal drie maanden. De invulling kan bestaan uit de volgende onderdelen; praktische opvoedingsondersteuning, het in kaart brengen van de financiële situatie, structuur aanbrengen in huishouding, signaleren van problemen tussen partners en of kinderen zo nodig verwijzen naar het Algemeen Maatschappelijk Werk (AMW), activeren richting werk of dagbesteding en oog hebben voor ieders rol binnen het gezin. Thuisbegeleiding wordt ingezet om mensen weer ‘op de rit te krijgen’. Voor een meer uitgebreide omschrijving van hier boven beschreven product wordt verwezen naar de ‘werkwijze Thuisbegeleiding’. Vervuilde huishoudens Als er sprake is van een ernstige verontreiniging van een huishouden waarbij gevaar voor de volksgezondheid aanwezig is, kan in zeer uitzonderlijke situaties een oplossing op maat geboden worden. Uitgangspunt hierbij is dat de cliënt zelf de kosten van de schoonmaak betaalt. Als hiervoor geen of onvoldoende mogelijkheden zijn, dan is hiervoor een beperkt budget beschikbaar. De volgende verstrekkingen vanuit de AWBZ hebben raakvlakken met de huishoudelijke ondersteuning: Persoonlijke verzorging (PV): Het ondersteunen of overnemen van activiteiten op het gebied van lichaamsgebonden zorg. (bijv.: wassen, kleden, gebitsverzorging, toiletgang, hulp bij eten/drinken etc.) Begeleiding: De functie wordt toegekend als er een matige of zware zorg- of ondersteuningsbehoefte is op het gebied van zelfredzaamheid. Om in aanmerking te komen moet op onderstaande punten bij de indicatie een bepaalde score behaald worden: Sociale redzaamheid (mogelijkheid hebben om sociale contacten aan te gaan, eigen leven vorm te geven en te regisseren, inclusief financiën regelen); Bewegen en verplaatsen (zelfstandig voortbewegen binnen- en buitenshuis); Probleemgedrag (destructief, grensoverschrijdend, agressief, dwangmatig gedrag); Psychisch functioneren (stoornissen in denken, concentratie en waarneming); Geheugen- en oriëntatiestoornissen (problemen met oriëntatie in tijd, plaats en persoon). 3.12 Afstemming tussen Wmo en Awbz In de Awbz-regeling was het mogelijk functies tegen elkaar “uit te ruilen”. Een gezonde partner kon bijvoorbeeld besluiten de persoonlijke verzorging voor de gehandicapte partner op zich te nemen, en daarvoor in de plaats huishoudelijke ondersteuning krijgen via de thuiszorg. Deze uitruil is tussen de Awbz en de Wmo niet meer aan de orde. In voorkomende gevallen is het juist een taak van de gemeente om te bezien wat er nodig is ter ondersteuning van de mantelzorger. Dat kán betekenen dat de gemeente huishoudelijke ondersteuning inzet om te voorkomen dat de mantelzorger overbelast raakt. Juist in dit soort situaties is het van belang dat in het backoffice een goede afstemming plaatsvindt. 3.13 Bijzondere verstrekkingen 3.13.1 Huishoudelijke ondersteuning bij CARA/COPD Een vraag naar huishoudelijke ondersteuning kan pas aan de orde zijn als de woning gesaneerd is. Immers het verstrekken van huishoudelijke ondersteuning in een niet gesaneerde woning is niet adequaat. Het geïndiceerde aantal uren is dan ook afgestemd op een gesaneerde woning. Eventueel kunnen er extra uren worden geïndiceerd voor het stofvrij houden van de woning. 3.13.2 Huishoudelijke ondersteuning bij 75+ Wanneer in redelijkheid niet (meer) kan worden gesteld dat een nieuwe taak als het huishouden nog is te trainen of aan te leren, zoals soms het geval is bij ouderen op hoge leeftijd kan, indien nodig, hulp voor de zwaar huishoudelijke taken worden geïndiceerd die anders tot de gebruikelijke zorg zouden worden gerekend. Indien de betreffende persoon hiertoe wel in staat is, wordt slechts een kortdurende indicatie gesteld voor het aanleren van de huishoudelijke activiteiten. Het betreft dan instructie (categorie 3 2). Vaak is hulpverlening gedurende een periode van zes weken voldoende. 3.13.3 Huishoudelijke ondersteuning bij korte levensverwachting In geval iemand een zeer korte, bekende levensverwachting heeft kan ter ontlasting van de leefeenheid afgeweken worden van de normering gebruikelijke zorg. 3.13.4 Huishoudelijke ondersteuning kortdurend bij revalidatie Het aanleren van huishoudelijke taken en stimuleren tot zelfzorg duurt vaak niet langer dan zes á acht weken. Wanneer de aandoening die de oorzaak vormt voor de huishoudelijke beperkingen nog behandelmogelijkheden biedt, dan kan in de regel geen huishoudelijke ondersteuning alleen worden geïndiceerd. In dat geval kan de huishoudelijke ondersteuning invaliderend werken. Wel kan huishoudelijke ondersteuning naast een te volgen behandeling worden geïndiceerd. Afstemming met behandelaars en Awbz is noodzakelijk. Voorbeeld: Iemand herstelt van een orthopedische operatie. Ter revalidatie krijgt hij fysiotherapie. Deze persoon heeft een indicatie voor huishoudelijke ondersteuning totdat zij de taken weer zelf kan uitvoeren. Een cliënt keert terug naar huis na te zijn gerevalideerd van bijvoorbeeld een hersenbloeding middels opname in een Awbz instelling. De persoon heeft een slecht ziekte-inzicht. Deze cliënt heeft geen indicatie voor huishoudelijke ondersteuning, maar voor Activerende begeleiding (Awbz) en of Ondersteunende begeleiding (Awbz). 3.13.5 Huishoudelijke ondersteuning kortdurend bij reorganisatie van een huishouding Bij een acuut disfunctioneren van een huishouden (crisis) kan herverdeling van de gebruikelijke zorg of inschakelen van algemeen gebruikelijke voorliggende voorzieningen een dermate grote belasting zijn dat ter ontlasting kortdurend huishoudelijke ondersteuning kan worden geïndiceerd. Redenen als ‘niet gewend zijn of niet willen’ zijn geen reden om een voor een voortzetting van de indicatie cq. herindicatie. Vaak is hulpverlening gedurende een periode van zes weken voldoende. 3.13.6 Huishoudelijke ondersteuning bij de geboorte van een drie- of vierling Huishoudelijke hulp kan worden geboden ter ontlasting van de ouders van wie meer dan een normale hoeveelheid gebruikelijke lichamelijke zorg voor de kinderen wordt verlangd door de aanwezigheid van veel kleine kinderen tegelijk (drie of vier of nog meer in verband met nog jonge broertjes en zusjes) in het huishouden. Een tweeling is een zware, maar wel normaal gezonde situatie. Hoofdstuk 4 Woonvoorzieningen 4.1 Inleiding Wanneer een persoon beperkingen ondervindt bij het voeren van een huishouden, of anders gezegd in het normale gebruik van zijn woning, is het College verplicht op grond van artikel 4 lid 1 onder a van de Wmo deze beperkingen te compenseren. De beperkingen in het normale gebruik van de woonruimte worden gecompenseerd door het verstrekken van woonvoorzieningen. Onder woonvoorziening wordt verstaan: een voorziening die verband houdt met een maatregel die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die een persoon met beperkingen bij het normale gebruik van zijn woning ondervindt. Bij het bepalen van het recht op woonvoorzieningen is bepalend of de aanvrager belemmeringen ervaart in het normale gebruik van zijn woning. In een uitspraak van 04-02-2004 (nr. 01/2691 WVG) heeft de CRvB vastgesteld dat slechts sprake is van beperkingen die worden ondervonden bij het normale gebruik van de woonruimte, als wordt voldaan aan de volgende twee vereisten: Er bestaat een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de ondervonden (naar objectieve medische maatstaf aanwezige) beperkingen en één of meer bouwkundige of woontechnische kenmerken van de door de gehandicapte bewoonde woning; en De beperkingen worden in de woning zelf (waaronder ook de toegankelijkheid van de woning moet worden begrepen) ondervonden. Ontbreekt één van de twee criteria, of ontbreken beiden, dan is afwijzing mogelijk. 4.2 Soorten woonvoorzieningen Artikel 16 van de verordening bepaalt dat er de volgende mogelijkheden zijn om een woonvoorziening te verstrekken: een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten; een bouwkundige of woontechnische voorziening; een niet bouwkundig of niet woontechnische woonvoorziening; een voorziening voor onderhoud, keuring en reparatie; een voorziening voor tijdelijke huisvesting; een voorziening voor huurderving; een voorziening voor het verwijderen van voorzieningen; een voorziening voor een uitraasruimte. 4.3 Primaat van verhuizing Artikel 18 van de verordening regelt het primaat van de verhuizing. Dat wil zeggen dat als vast staat dat een aanpassing noodzakelijk is, eerst beoordeeld wordt of verhuizing naar een reeds geheel aangepaste woning, of naar een goedkoper en gemakkelijker aan te passen woning een oplossing is die in aanmerking komt. De gemeente heeft als uitgangspunt gekozen dat verhuizen het primaat heeft bij ingrijpende woningaanpassingen. “Ingrijpende woningaanpassingen” zijn woningaanpassingen waarvan de kosten naar verwachting hoger zullen zijn dan € 5.600,00. Bij het afwegen van het primaat van verhuizen tegenover een woningaanpassing wordt voor de plaatsing van een traplift een fictief bedrag van € 3.650,00 aangehouden. Naast deze financiële afweging, wordt bij het al dan niet opleggen van het primaat van verhuizen nog een groot aantal andere criteria betrokken. Met behulp van het advies van de indicatiesteller beslist de gemeente uiteindelijk of verhuizing een adequate voorziening is voor de ondersteuningsbehoevende. Een afweging in deze zaak wordt echter zorgvuldig gemaakt. Hiervoor worden de consequenties per individuele aanvraag bekeken van beide opties, zowel voor de gemeente als voor de ondersteuningsbehoevende. Dit betekent dat voor iedere individuele situatie op grond van de beoordelingscriteria een andere uitkomst het resultaat kan zijn. Zorgvuldigheid in het beoordelen van individuele omstandigheden is hierbij van essentieel belang. 4.4 Primaat losse woonunit Komt verhuizing niet in aanmerking, dan zal beoordeeld moeten worden welke aanpassingen noodzakelijk zijn. Hierbij geeft de verordening nog een tweede primaat aan, te weten het primaat van de losse woonunit. Dit primaat heeft een plaats gekregen om te voorkomen dat grote bedragen over een gering aantal jaren afgeschreven moet worden: na aanpassing van een eigen woning is de kans op hergebruik immers gering. Om van dit primaat gebruik te kunnen maken moet uiteraard de mogelijkheid tot het plaatsen van een losse unit bestaan, bijvoorbeeld doordat er voldoende ruimte is. Daarbij zal het meestal zo zijn dat als er voldoende ruimte is voor het plaatsen van een losse unit als er ook ruimte is voor het plaatsen van een aanbouw. Ook op dit punt geldt dat de wens van betrokkene een aanbouw te realiseren niet doorslaggevend is: een aanbouw is niet herbruikbaar, een losse unit wel. Het programma van eisen zoals dat geldt voor een aanbouw kan gebruikt worden voor een losse woonunit. Het is daarbij van belang in de beschikking vast te leggen dat – als de unit niet meer nodig is – dit aan de gemeente gemeld dient te worden. De gemeente kan er dan zorg voor dragen dat de unit verwijderd wordt en de woning in de oude staat wordt teruggebracht. Deze kosten maken onderdeel uit van de verstrekking van een losse woonunit. Is een losse unit niet mogelijk, of is de aanpassing niet zodanig dat deze afweging gemaakt moet worden, dan kan de stap naar de al dan niet bouwkundige aanpassing worden gemaakt. 4.5 Beoordelingscriteria bij de keuze tussen verhuizing of woningaanpassing Bij de afweging tussen verhuizen of woningaanpassing wordt aandacht besteed aan de volgende factoren: a. De aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woonruimten. Allereerst is het van belang te bekijken of er een aangepaste of een eenvoudig aanpasbare woning beschikbaar is, of op korte termijn (binnen zes maanden) beschikbaar komt. Indien er niet-ondersteuningsbehoevenden wonen in een geschikte aangepaste woning, stimuleert de gemeente deze mensen door middel van een verhuiskostensubsidie te verhuizen. Een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten voor het vrijmaken van een reeds aangepaste woning wordt verstrekt, indien hiermee wordt voorkomen dat een woningaanpassing moet plaatsvinden die meer dan € 5.600,00 kost. Wanneer de kosten voor een woningaanpassing meer bedragen dan € 5.600,00 is het primaat van verhuizen in principe van toepassing. De prijs voor een traplift is fictief vastgesteld op € 3.650,00. Dit is inclusief elektra voor de traplift en ander kosten die direct het gevolg zijn van de trapliftplaatsing. b. Vergelijking aanpassingskosten huidige versus toekomstige woonruimte. Om een goede kostenafweging te kunnen maken worden de aanpassingskosten van de huidige woonruimte enerzijds en verhuizing (inclusief eventuele aanpassingskoten in de nieuwe woonruimte) anderzijds vergeleken. Daarbij worden de volgende kosten in elk geval meegenomen in de overweging: de kosten van de financiële tegemoetkoming voor verhuiskosten; huidige en voorzienbare toekomstige aanpassingskosten van de reeds bewoonde woonruimte; eventuele aanpassingskosten van de nieuwe woning; het eventueel vrijmaken van de nieuwe woning door achterblijvers; eventuele financiële tegemoetkoming voor huurderving. c. Volkshuisvestelijke afwegingen. Hierbij speelt de vraag of het wel doelmatig is om nog een woning aan te passen. Het aanpassen van een eengezinswoning voor een alleenstaande is in het algemeen niet doelmatig. Daarnaast zijn aangepaste woningen soms moeilijker verhuurbaar dan niet-aangepaste woningen. Vooral in de dorpen van Noordoostpolder blijkt het relatief moeilijk te zijn een aangepaste woning opnieuw te verhuren. d. Snelheid waarmee het woonprobleem kan worden opgelost. Verhuizen kan soms sneller dan een woning aanpassen. Als er echter niet binnen een bepaalde tijd een geschikte woning vrijkomt is aanpassing van de huidige woonruimte van de ondersteuningsbehoevende een snellere oplossing. Per individuele situatie wordt beoordeeld, in overleg met betrokkene, in hoeverre er snel een oplossing gerealiseerd moet zijn. Uit de Wvg-jurisprudentie blijkt dat het essentieel is dat uit het indicatie-advies blijkt binnen welke medisch aanvaardbare termijn een oplossing gevonden moet zijn voor het woonprobleem. e. Sociale omstandigheden, aanwezigheid van mantelzorg. Bij de afweging in deze zin houdt de gemeente rekening met de volgende factoren: de binding van de ondersteuningsbehoevende met de buurt, af te lezen aan de tijd die de ondersteuningsbehoevende in de buurt woont; de aanwezigheid van familie en/of vrienden binnen de woonkern; de aanwezigheid van mantelzorg binnen de woonkern. f. Visuele beperkingen Indien het mensen met een visuele handicap betreft houdt de gemeente rekening met een aantal extra specifieke factoren: veiligheid; oriëntatiemogelijkheden; toegankelijkheid; herkenbaarheid; de scherpte en zwakte van licht. g. Werksituatie. Als een ondersteuningsbehoevende door het opleggen van het primaat verder van zijn werk komt te wonen, kan dit reden zijn het primaat niet op te leggen. De beschikbare vervoersmogelijkheden spelen hierbij een belangrijke rol. h. Woonlastenconsequenties. Er zal bij de afweging tussen verhuizen en woningaanpassing, rekening moeten worden gehouden met de woonlastenconsequenties. Verhuizen naar een woning met een hogere huur kan voor de gemeente een kostenbesparing zijn, maar voor de ondersteuningsbehoevende leiden tot hogere woonlasten dan wanneer de huidige woning wordt aangepast. Op basis van een rechterlijke uitspraak (CRvB, 18-08-1998, 96/9851 WVG) moet de draagkracht van de aanvrager worden meegenomen in de overwegingen. Het verschil tussen de “nieuwe” huur en de “oude” huur mag niet noemenswaardig hoger zijn dan de draagkracht van de aanvrager. Daarbij wordt rekening gehouden met de te ontvangen huurtoeslag (de maximale huurtoeslaggrens is op een ondersteuningsbehoevende in een aangepaste woning niet van toepassing). Er wordt dus uitgegaan van het verschil tussen de oude en nieuwe huur na aftrek van de huurtoeslag (of gelijksoortige tegemoetkomingen). Voor ondersteuningsbehoevenden met een inkomen tot 1,5 maal het geldend sociaal minimum betekent dit dat de voor eigen rekening blijvende huurkosten van de aangeboden woning vrijwel gelijk of lager moeten zijn dan de huur van de “oude” woning. Bij een inkomen dat hoger is dan 1,5 maal het sociaal geldend minimum is een hogere huur op grond van de draagkracht wellicht wel mogelijk. Indien sprake is van een substantieel hoger woongenot, dan kan het primaat bij een hogere huur toch worden toegepast zolang het verschil tussen de woonkosten niet groter is dan de draagkracht van de aanvrager. Overigens dient een substantieel hoger woongenot aantoonbaar te zijn. Een en ander dient per aanvraag te worden beoordeeld. Zo zal een grotere woning voor een alleenstaande niet automatisch leiden tot een groter woongenot. Indien men verhuist van een eigen woning naar een huurwoning, is het van belang rekening te houden met het verlies van de hypotheek en de daaraan gekoppelde belastingfaciliteiten, wat maandelijks een lager inkomen kan opleveren. Daarnaast volgt uit de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, 07-10-2009, nr. 07/2433 WVG) dat bij de vergelijking van de woonlasten uitgegaan dient te worden van de netto hypotheek lasten vermeerderd met Nibud-normbedragen voor opstalverzekering, onderhoud en gemeentelijke belastingen. i. Is de ondersteuningsbehoevende eigenaar of huurder van de woonruimte Bij de afweging tussen verhuizen of aanpassen van een eigen woning houdt de gemeente rekening met zowel de emotionele als de financiële consequenties die dit voor betrokkene heeft. Indien subsidie wordt verleend voor aanpassing van de eigen woning verbindt de gemeente hieraan de voorwaarde dat betrokkene, of zijn/haar huisgenoten, aan de gemeente doorgeeft wanneer de woning wordt verkocht. De gemeente heeft dan de mogelijkheid een ondersteuningsbehoevende te attenderen op de verkoop van deze woning, indien de woning voor betreffende ondersteuningsbehoevende geschikt lijkt. 4.6 Hoofdverblijf Artikel 20 van de verordening dat een woonvoorziening slechts wordt verleend indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen. Het hoofdverblijf is de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de betrokkenezijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in degemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven dan wel zal staan ingeschreven Ook kan het gaan om het feitelijke adres, indien de betrokkene een briefadres heeft. De gemeente waar de woning staat heeft compensatieplicht, behalve in de situatie waarin de persoon uit de Wmo-doelgroep verhuist van de ene gemeente naar een andere gemeente. Een aanvraag voor een woonvoorziening in de vorm van een verhuiskostenvergoeding behoort dan tot de compensatieplicht van de vertrekgemeente. In uitzonderingssituaties is er sprake van twee hoofdverblijven. Daarbij moet worden gedacht aan gehandicapte kinderen van gescheiden ouders, die in co-ouderschap door beide ouders worden opgevoed en daadwerkelijk de ene helft van de tijd bij de ene ouder wonen en de andere helft van de tijd bij de andere ouder. Alleen in die situatie kunnen in beide ouderlijke woningen woonvoorzieningen getroffen worden, en niet in situaties waarin sprake is van bezoekregelingen. Als de woningen van de ouders in een dergelijke situatie in twee verschillende gemeenten zijn gesitueerd, rust de compensatieplicht alleen op de gemeente waar de woning van de betreffende ouder is gelegen. Artikel 21 biedt in de leden 2 tot en met 5 een uitzondering op deze hoofdregel. Wanneer de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een Awbz instelling, kan als uitzondering een woonvoorziening worden verstrekt aan één andere woonruimte. Deze woonvoorziening is dan bedoeld om de woonruimte bezoekbaar te maken. Dit bezoekbaar maken houdt in dat de ondersteuningsbehoevende de woonruimte, de woonkamer en het toilet moet kunnen bereiken. De aanvraag voor het bezoekbaar maken van een woonruimte moet worden ingediend in de gemeente waar de aan te passen woonruimte staat. 4.7 Uitsluitingen In artikel 22 van de verordening zijn de volgende woonruimte uitgesloten van het treffen van voorzieningen: hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen, kamerverhuur en specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden. Door dit artikel zijn enerzijds alle woonsituaties die niet gericht zijn op een permanent zelfstandig hoofdverblijf uitgesloten. Anderzijds zijn uitgesloten situaties waarbij gezien de aard van het soort gebouw verondersteld mag worden dat bepaalde voorzieningen standaard aanwezig zijn. Uitzonderingen kunnen worden gemaakt voor voorzieningen ten behoeve van gemeenschappelijke ruimten zonder welke de woning van de persoon met beperkingen onbereikbaar is. 4.8 Voorwaarden voor verstrekking Als het gaat om woonvoorzieningen zijn er nog een aantal voorwaarden, zoals in de verordening vastgelegd in artikel 23. De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geweigerd indien: de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van beperkingen bij het normale gebruik van de woning geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; Deze voorwaarde voor verstrekking ziet vooral op situaties waarbij vanuit een aangepaste en geschikte woning verhuisd wordt naar een niet of minder aangepaste en geschikte woning. Deze verhuizingen van adequaat naar inadequaat kunnen alleen leiden tot aanpassingen als daar een belangrijke reden voor is. Daaronder kan verstaan worden het aannemen van een functie op een zodanige afstand dat verhuizen noodzakelijk is, de situatie na een echtscheiding waarbij de aangepaste woning niet meer bewoond kan blijven worden enz. In deze uitzonderingssituaties wordt verwacht dat de aanvrager tevoren contact opneemt met de gemeente, zodat de gemeente mee kan bepalen wat de goedkoopst-adequate oplossing is. Indien verhuisd wordt van een inadequate woning naar een eveneens inadequate woning, heeft men geen recht op een verhuiskostenvergoeding. De verhuizing is immers niet noodzakelijk om de problemen die de ondersteuningsbehoevende bij het wonen ondervindt langdurig op te lossen. Als bij de verhuizing van een inadequate woning naar een eveneens inadequate woning, rond die verhuizing geen overleg plaats vindt met de gemeente en er waren geschikte woningen beschikbaar, dan hoeft de gemeente niet mee te werken aan aanpassing van de nieuw betrokken woning. (Arrondissementsrechtbank Middelburg, 19 juli 2001, reg.nr.00/741 WVG, Gemeente Borsele) Uitgangspunt is dat de ondersteuningsbehoevende tien jaar nadat zijn woning is aangepast, de mogelijkheid heeft naar een andere woning te verhuizen zonder dat dit noodzakelijk is vanwege beperkingen. In dat geval kan de ondersteuningsbehoevende een aanvraag indienen voor een woningaanpassing. Het staat de ondersteuningsbehoevende vrij om binnen een periode van tien jaar nadat zijn woning is aangepast te verhuizen. Echter, op dat moment bestaat geen recht op een woonvoorziening in de aanpassingskosten van de andere woning. De periode van tien jaar geldt ook voor de ondersteuningsbehoevende wiens woning niet eerder is aangepast, maar die wel verhuist vanuit een adequate woning. Ondersteuningsbehoevenden kunnen diverse legitieme gronden aanvoeren om toch binnen de gestelde termijn een aanvraag voor een woningaanpassing te doen. Eén van de redenen kan zijn dat de ondersteuningsbehoevende een andere werkkring heeft aanvaard. Een andere reden kan zijn de noodzaak tot mantelzorg niet realiseerbaar is in de woning waar de ondersteuningsbehoevende op dat moment woont. De gemeente zal in dergelijke gevallen na zorgvuldige individuele toets overgaan tot het aanpassen van een andere woning. Als een ondersteuningsbehoevende vanuit een andere gemeente een (aangepaste) woning zoekt, moet de ondersteuningsbehoevende aantonen dat hij de laatste tien jaar niet is verhuisd. de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming is verleend door het college; Bij verhuizing wordt gezocht naar de meest geschikte woning, gezien de omstandigheden van betrokkene. Dat betekent dat als er een keuze is tussen een geschikte en een (minder) niet geschikte woning, gekozen dient te worden voor de geschikte woning. Wanneer een verhuizing niet bijdraagt aan het opheffen of verminderen van de beperkingen, dan zal dat aanleiding zijn tot afwijzing (CRvB, 3 april 1998, reg.nr. 97/3146, gemeente Oosterhout). Daarbij kan meegewogen worden of tevoren overleg heeft plaatsgevonden. Ook kan rekening gehouden worden met kennis die een gemeente heeft van op enig moment beschikbare geschikte woningen. deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan het verbreden van toegangsdeuren, het aanbrengen van elektronische deuropeners, aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het gebouw, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders, het aanbrengen van extra trapleuning bij een portiekwoning. Aanpassingen aan gemeenschappelijke ruimten kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, gelimiteerd worden. Andere dan de limitatief opgesomde voorzieningen hoeven niet verstrekt te worden. Een uitzondering kan worden gemaakt voor een aantal voorzieningen aan gemeenschappelijke ruimten zonder welke de woning van de persoon met beperkingen onbereikbaar is (zie ook paragraaf 4.7). De ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen of de slechte staat van onderhoud. Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen of de slechte staat van onderhoud aan de woning voor problemen zorgen. De aangevraagde voorzieningen betrekking hebben op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw. Voorzieningen die de het uitrustingsniveau van sociale woningbouw te boven behoren tot de eigen verantwoordelijkheid en is een afwijzingsgrond. De woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en er geen sprake is van een onverwacht optredende noodzaak; Op grond van artikel 23 lid 6 van de verordening kan een woonvoorziening worden afgewezen als de ondersteuningsbehoevende verhuist of gaat verhuizen op een moment dat de verhuizing op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie ook zonder beperking algemeen gebruikelijk zou zijn. In de praktijk wordt dit lid vaak toegepast als een oudere verhuist naar een gelijkvloerse woning. Voordat een verzoek om een woonvoorziening op grond van dit lid kan worden afgewezen op basis van leeftijd, is het belangrijk vast te stellen op welk moment een verhuizing als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt. Een voorziening wordt als algemeen gebruikelijk aangemerkt als deze voor “een persoon als de aanvrager” algemeen gebruikelijk is. Met “een persoon als de aanvrager” wordt in dit verband bedoeld: “een niet ondersteuningsbehoevend persoon die zich, wat betreft leeftijd, inkomen, etc., in een vergelijkbare positie bevindt”. In de verschillende levensfasen zijn bij iedereen momenten aan te geven waarop een wijziging in leefomstandigheden, waaronder een verhuizing, een logisch vervolg is. In de levensloop van de meeste mensen worden 5 levensfasen doorlopen (algemeen deel van Rapport verkenning levensloop, aangeboden aan Tweede Kamer door Staatssecretaris Verstand, 22-01-2002, Blz. 8): Jeugd ( 0 tot 15 jaar) Jongvolwassenheid (15 tot 30 jaar) Volwassenheid (30 tot 60 jaar) Actieve ouderdom (60 tot 80 jaar) Afhankelijke ouderdom (80+) Overigens zijn de hier genoemde leeftijdsgrenzen slechts gemiddelden die per individu kunnen verschillen. Naarmate mensen ouder worden, blijken hun woonwensen te veranderen en tegelijkertijd blijkt ook hun hulp- en zorgbehoefte toe te nemen. Zo blijken omstreeks de 60-jarige leeftijd de woonwensen van mensen te veranderen als gevolg van diverse gebeurtenissen, zoals: het laatste kind heeft het ouderlijk huis verlaten; pensionering; het optreden dan wel toenemen van ouderdomsgebreken; het overlijden van de partner. Bij ouderen van boven de 75 jaar, blijkt dat met name de hulp- en zorgbehoefte toeneemt (§ 2.4, "Zorg en wonen voor kwetsbare ouderen", Rapportage ouderen 2004, M.M.Y. de Klerk (red.), SCP, mei 2004). Van deze ouderen kampt meer dan 75% met matige tot ernstige beperkingen. Bij ouderen vanaf 75 jaar neemt ook het percentage toe (>50%) dat niet (meer) met een partner samenwoont, waardoor er ook om die reden behoefte ontstaat aan kleinere huisvesting. (§ 2.3, "Zorg en wonen voor kwetsbare ouderen", Rapportage ouderen 2004, M.M.Y. de Klerk (red.), SCP, mei 2004) Uit het voorgaande blijkt dat met name bij ouderen van 75 jaar en ouder de behoefte aan en noodzaak voor kleinere en gelijkvloerse huisvesting toeneemt. Als een verhuizing plaatsvindt naar een woning die past bij de levensfase/leeftijd van de oudere, kan de verhuizing als een gebruikelijke stap worden beschouwd en daarmee aangemerkt worden als een algemeen gebruikelijke verhuizing. Op grond hiervan mag daarom van ouderen worden verwacht dat zij er rekening mee houden dat zij na hun 75e levensjaar wellicht moeten verhuizen naar een woning die past bij de laatste levensfase. Dit betekent dat zij daar ook in financiële zin rekening mee moeten houden door hiervoor tijdig te reserveren. In het kader van ouderhuisvesting wordt in dit verband vaak gesproken over een zgn. “nultredenwoning”. Een “nultredenwoning” is een woning die zonder trappen van buitenafbereikbaar is en waarbij de “primaire ruimtes” (keuken, sanitair, woonkamer en minimaal 1 slaapkamer) zich op dezelfde woonlaag bevinden. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van leeftijd en een algemeen gebruikelijke verhuizing is daarom als volgt. Indien men 75 jaar of ouder is en men verhuist naar een “nultredenwoning”, dan wordt deze verhuizing beschouwd als een algemeen gebruikelijke verhuizing op grond van leeftijd. Er bestaat dan geen recht op een verhuiskostenvergoeding op grond van de Wmo. Indien men niet heeft kunnen reserveren voor de verhuiskosten, dan kan eventueel een beroep worden gedaan op bijzondere bijstand. De aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd is vanuit of naar een woning die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een Awbz-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg. Verhuizingen naar Awbz- en andere zorginstellingen leiden ertoe dat de aanvrager buiten de doelgroep van de Wet valt. Deze mensen kunnen niet meer zelfstandig participeren en hebben dus geen aanspraak op woonvoorzieningen. Voor verhuizingen naar woningen die niet geschikt of bestemd zijn voor permanente bewoning wordt evenmin geen woonvoorziening verstrekt. Een verhuizingen om als jongvolwassene zelfstandig te gaan wonen is in beginsel algemeen gebruikelijk de aanvraag voor een woonvoorziening wordt om die reden geweigerd. Er in de verlaten woonruimte geen problemen met het normale gebruik van de woning zijn ondervonden. Als er in de te verlaten woning geen problemen bij het normale gebruik van de woning werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men verhuisd naar een inadequate woning. In dergelijke situaties is geen aanspraak op woonvoorzieningen. 4.9 Tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten Een verhuis- en herinrichtingskostenvergoeding kan verstrekt worden aan een ondersteuningsbehoevende die verhuist naar een aangepaste of een goedkoper aan te passen woning dan de reeds bewoonde woning. Overwegingen voor het verstrekken van een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskostenvergoeding aan ondersteuningsbehoevende zijn verder in de vorige paragraaf genoemd. Als verhuizing medisch geïndiceerd is voor meerdere ondersteuningsbehoevende die wonen in dezelfde woning, en die gezamenlijk gaan verhuizen naar een adequate woning, wordt slechts eenmaal een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten toegekend. Indien een ondersteuningsbehoevende verhuist ten gevolge van gezinsuitbreiding wordt slechts een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten toegekend als de gezinsuitbreiding heeft geleid tot beperkingen in de woning. Hierbij geldt dat twee kinderen een slaapkamer kunnen delen, mits deze qua oppervlakte toereikend is. Overigens wordt ook geen tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten verstrekt als een ondersteuningsbehoevende voor het eerst zelfstandig gaat wonen. Een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten voor het vrijmaken van een reeds aangepaste woning wordt verstrekt, indien hiermee wordt voorkomen dat een woningaanpassing moet plaatsvinden die meer dan € 5.600,00 kost. Met ondersteuningsbehoevenden die voor een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten in aanmerking komen wordt niet afgerekend op declaratiebasis. Wel dienen ondersteuningsbehoevende een gereedmeldingsformulier aan de gemeente te sturen waaruit blijkt dat ze zijn verhuisd naar een voor hen adequate woning, overeenkomstig datgene wat geadviseerd is. Hierna kan worden overgegaan tot uitbetaling. Overigens is de tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten niet kostendekkend. Binnen 15 maanden nadat de tegemoetkoming in verhuis- en herinrichtingskosten is toegekend dient de cliënt verhuisd te zijn naar een adequate woning. Het hierboven genoemde gereedmeldingsformulier dient men naar de gemeente toe te sturen om aan te tonen dat men verhuisd is. Is men binnen deze termijn niet verhuisd, dan wordt via een heronderzoek bekeken wat de reden is waarom men niet is verhuisd. Individueel wordt dan bekeken, afhankelijk van de reden, of de termijn verlengd moet worden of niet. Een tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten wordt verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming. De hoogte van de tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten is vastgelegd in het besluit individuele voorzieningen Wmo gemeente Noordoostpolder artikel 14 lid 1. Het betreft een gemaximeerde vergoeding en bedraagt maximaal € 2.653,00. Het aanbod van woningen via Mercatus woondiensten: In de Noordoostpolder op de woningpagina van Mercatus woondiensten (www.mercatus.
  7. nl)worden alle woningen aangeboden die verhuurd kunnen worden. Er is een apart deel opgenomen waarin seniorenwoningen en aangepaste woningen worden vermeld. De aanvrager dient deze pagina te raadplegen. Is er een geschikte woning bij, dan moet de aanvrager het urgentieformulier van Mercatus woondiensten invullen en opsturen naar Mercatus, gezamenlijk met een kopie van de brief waarin staat vermeld dat de aanvrager recht heeft op een tegemoetkoming verhuis- en herinrichtingskosten (de indicatie). Op de website staat precies beschreven hoe de urgentieprocedure werkt (onder brochures). Bij de toewijzing van de woning wordt door Mercatus rekening gehouden met de indicatie van de gemeente. Beschikbaar houden van aangepaste woningen voor ondersteuningsbehoevenden: Een eenmaal aangepaste woning moet bij voorkeur ook in de toekomst weer aan een andere ondersteuningsbehoevende worden toegewezen. Op de volgende wijze wordt dit bevorderd: De aangepaste woningen worden geregistreerd. Er wordt bevorderd dat woningen die specifiek geschikt zijn voor ondersteuningsbehoevende met voorrang aan iemand uit deze doelgroep wordt toegewezen. Er wordt een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten toegekend aan niet-ondersteuningsbehoevenden die een aangepaste woning vrijmaken voor een ondersteuningsbehoevende. 4.9.1 Woningsanering Een woningsanering valt onder artikel 16 lid 1 sub a van de verordening, te weten een tegemoetkoming in de (verhuis-
  8. en)herinrichtingskosten. Men kan in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming voor woningsanering die als gevolg van allergie, astma of chronische bronchitis (CARA) noodzakelijk zijn. Sanering is slechts mogelijk als een duidelijke diagnose is gesteld door de huisarts of de longarts. In de regel kan een financiële tegemoetkoming worden verstrekt indien: de aanvrager bij de aanschaf niet van tevoren had kunnen weten dat CARA zou ontstaan/verergeren; vervanging van het artikel medisch gezien op zeer korte termijn noodzakelijk is. Geen financiële tegemoetkoming wordt verstrekt indien: het treffen van een voorziening niet tot verbetering van de situatie van de cliënt leidt; de cliënt bij aanschaf van het artikel redelijkerwijs had kunnen weten dat hij overgevoelig op bepaalde stoffen reageert. Bij een noodzakelijke vervanging in verband met CARA komt zowel de vervanging van vloerbedekking als gordijnen in aanmerking voor een vergoeding. De woningsanering in verband met CARA beperkt zich tot de ruimten die door de ondersteuningsbehoevende het meest worden gebruikt en waarvan de CARA-verpleegkundige de noodzaak tot sanering heeft vastgesteld. In het algemeen gaat het dan om de slaap- en woonkamer. De keuken en slaapkamers van huisgenoten (inclusief kinderen) komen daarom niet voor sanering in aanmerking. Bij vervanging door rolstoeltapijt wordt de vloerbedekking in alle kamers, die door de ondersteuningsbehoevende moeten worden gebruikt, vervangen. In geval van een verhuizing die niet op grond van beperkingen heeft plaatsgevonden, gaat de gemeente ervan uit dat inrichtingskosten algemeen gebruikelijke kosten zijn: kosten die ook een niet-ondersteuningsbehoevende moet maken bij verhuizing. Deze kosten komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking. Een voorwaarde is verder dat de overige gezinsleden maatregelen moeten nemen om schadelijke effecten te voorkomen (bijvoorbeeld niet roken in de kamer in het bijzijn van het kind). Doen zij dit niet, dan wordt de woonkamer niet gesaneerd. Bovendien wordt van een ondersteuningsbehoevende verwacht dat hij/zij bij de inrichting van de woning rekening houdt met de aard van de beperking en de problemen die hiermee gepaard gaan. Concreet betekent dit dat wanneer een verhuizing plaatsvindt nadat een beperking zich heeft gemanifesteerd, er geen financiële tegemoetkoming meer wordt verstrekt voor woningsanering. Problemen die dan ontstaan, zijn het gevolg van de aard van de in de woning gebruikte materialen en de problemen hadden door de ondersteuningsbehoevende kunnen worden voorzien. Bij het bepalen van de hoogte van de financiële tegemoetkoming wordt rekening gehouden met de een reguliere afschrijftermijn van 8 jaar op de bestaande stoffering. Als de bestaande stoffering volgens deze afschrijftermijn aan vervanging toe zou zijn (dus ouder dan 8 jaar), dan wordt er geen vergoeding verstrekt. Het vervangen van de stoffering kan na 8 jaar immers als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Indien de bestaande stoffering niet ouder is dan 8 jaar, kunnen de kosten (gedeeltelijk) worden vergoed volgens onderstaand schema: 1-2 jaar :100% 2-4 jaar :75% 4-6 jaar :50% 6-8 jaar :25% In het kader van de Wmo komen alleen vloerbedekking en gordijnen voor sanering in aanmerking. Voor de vergoeding van deze zaken wordt aangesloten bij de normbedragen van het NIBUD. De voorziening wordt in de vorm van financiële tegemoetkoming verstrekt. Het betreft een gemaximeerde vergoeding en bedraagt maximaal € 2.653,00. 4.10 Een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening In deze paragraaf wordt het beleid weergegeven voor die situaties dat een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening de goedkoopst adequate oplossing is. 4.10.1 De procedure De procedure voor de aanvraag van een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening gaat als volgt: Vaststellen programma van eisen Nadat de aanvraag is ingediend wordt een indicatie gesteld, waarbij een gemeentelijke functionaris met ergonomische, sociale en bouwtechnische deskundigheid of een externe adviseur een programma van eisen voor de goedkoopst adequate woningaanpassing opstelt. De woningeigenaar vraagt op basis van dat programma van eisen enkele offertes bij een aannemer op. In sommige situaties vraagt de gemeente zelf offertes aan bij bouwbedrijven. Het is mogelijk om een financiële tegemoetkoming te krijgen voor het verwerven van extra grond ten behoeven van een aanbouw of uitbreiding van een bepaald vertrek indien dit op grond van beperkingen noodzakelijk zou zijn. Het aantal m2 dat voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking komt is per vertrek (zie onderstaande tabel) gemaximaliseerd. In de tabel is het aantal m2 vermeld waarvoor ten hoogste een financiële tegemoetkoming kan worden verleend, aangegeven per vertrek in een zelfstandige woning. Soort vertrek Aantal m² bij aanbouw Aantal m² bij uitbreiding Woonkamer 30 6 Keuken 10 4 1 persoonsslaapkamer 10 4 2 persoonsslaapkamer 18 4 Toiletruimte 2 1 Badkamer -wastafelruimte 2 1 -doucheruimte 3 2 entree/hal/gang 5 2 Berging 6 4 Als het gaat om uitbreiding van ruimten worden deze maxima aangehouden, tenzij medische noodzaak een ander maximum vergt. Uiteraard dient dat door een onafhankelijk adviserend arts (in principe de adviseur van de gemeente) aangegeven te worden. Het aantal m² verhard pad tussen de openbare weg en de hoofding

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.