← Nederland

Algemene plaatselijke verordening gemeente Alkmaar (Alkmaar)

In het kort

Deze wet regelt de openbare orde en veiligheid, zedelijkheid en andere gemeentelijke zaken in Alkmaar door middel van vergunningen, ontheffingen en verboden. Het stelt regels voor gedrag op openbare plaatsen en wateren, en voor de afhandeling van aanvragen.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Algemene plaatselijke verordening gemeente Alkmaar De raad van de gemeente Alkmaar; gelet op het voorstel van burgemeester en wethouders, van 6 april 2021; gelet op het advies van de commissie Bestuur en Middelen, van 18 mei 2021; gelet op de artikelen 149, 151a, 151b, 151c, 151d, 154,154a en 174 van de Gemeentewet, artikelen 3 en 4 van de Wet openbare manifestaties, artikelen 4, 25a, 25b, 25c en 25d van de Drank- en Horecawet (Alcoholwet), artikel 30c van de Wet op de kansspelen en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994; overwegende dat het wenselijk is om op gemeentelijk niveau regels te stellen ter handhaving van de openbare orde en veiligheid, zedelijkheid en andere onderwerpen over de huishouding van de gemeente; b e s l u i t vast te stellen de Algemene plaatselijke verordening gemeente Alkmaar Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1:1Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart;. college: het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar; gebouw: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;. manifestatie: een betoging, vergadering of samenkomst tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging; openbare plaats: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek, waaronder begrepen de weg als bedoeld onder i; openbaar water: ieder water dat al dan niet met enige beperking voor het publiek bevaarbaar of op een andere manier toegankelijk is; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; weg: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten. Artikel1:2Beslistermijn 1.Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag om een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2.Het bevoegde bestuursorgaan kan de termijn met ten hoogste acht weken verlengen. 3.Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor de beslissing op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 3:5. Artikel1:3Indieningstermijn aanvraag 1.Een aanvraag om een vergunning of ontheffing wordt ingediend in de periode van zes maanden tot acht weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft. 2.Een aanvraag om een vergunning op grond van artikel 2:10 voor een b- of c-evenement wordt ingediend veertien of achttien weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning nodig heeft. 3.Een aanvraag om een vergunning op grond van artikel 2:12 die meerdere voetbalwedstrijden betreft, kan meer dan zes maanden maar uiterlijk twaalf maanden vóór het tijdstip waarop de vergunning nodig is worden ingediend. Artikel1:4Voorschriften en beperkingen 1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. 2.Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, moet de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen nakomen. Artikel1:5Persoonsgebonden karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. Artikel1:6Intrekking, schorsing of wijziging van vergunning of ontheffing Het bevoegde bestuursorgaan kan een vergunning of ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken, schorsen of wijzigen als: ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; na het onherroepelijk worden van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn of, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; voor de duur van zes maanden anders dan wegens overmacht geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning of ontheffing; of de houder dit verzoekt. Artikel1:7Termijnen De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. Artikel1:8Weigeringsgronden 1.De vergunning of ontheffing kan door het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu. 2.Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan acht weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Hoofdstuk2Openbare orde en veiligheid Afdeling 1 Orde en veiligheid op de weg en in of op het water Paragraaf1Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden Artikel2:1Samenscholing en ongeregeldheden 1.Het is verboden op een openbare plaats of het openbaar water zich samen met anderen te begeven naar of deel te nemen aan een samenscholing, zich onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2.Een ieder die op een openbare plaats of het openbaar water: aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie of een buitengewoon opsporingsambtenaar van unit Veiligheid, team Handhaving zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3.Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op een openbare plaats of het openbaar water die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. 4.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid. 5.Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet openbare manifestaties. 6.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel2:2Verblijfsontzegging 1.De burgemeester kan, in het belang van de openbare orde of veiligheid, een verbod opleggen aan degene die de openbare orde of veiligheid verstoort om zich tijdens een in dat verbod genoemd tijdvak te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen. Dit verbod geldt voor de duur van de in de bekendmaking van het verbod genoemde periode die ten hoogste twaalf weken kan bedragen. 2.Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod. 3.De burgemeester gaat niet over tot aanwijzing van gebieden waarvoor een verblijfsontzegging kan gelden, of tot omschrijvingen van overtredingen die tot een verblijfsontzegging kunnen leiden, dan na overleg op grond van artikel 13 van de Politiewet 2012. 4.De burgemeester stelt nadere regels over de toepassing van dit artikel en de omstandigheden die kunnen leiden tot een verblijfsontzegging. Paragraaf2Manifestaties Artikel2:3Manifestaties 1.De organisator van een manifestatie op een openbare plaats of het openbaar water stelt ten minste 24 uur vóór de aanvang de burgemeester schriftelijk in kennis van het houden daarvan. 2.De kennisgeving bevat in ieder geval: de naam, het adres, het telefoonnummer en het e-mailadres van de organisator; de datum waarop de manifestatie wordt gehouden en het tijdstip van het begin en het einde van de manifestatie; de aard van de manifestatie; de plaats en, voor zover van toepassing, het vertrekpunt en de route; het verwachte aantal deelnemers; en de door de organisator te nemen maatregelen om een ordelijk verloop van de manifestatie te waarborgen. 3.De organisator ontvangt een bewijs van de kennisgeving. 4.Als het tijdstip van de manifestatie valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag. 5.De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten en de schriftelijke kennisgeving in behandeling nemen. Paragraaf3Vertoningen en dergelijke op de weg Artikel2:4Straatartiest en dergelijke 1.Het is verboden voor publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar of filmoperateur op te treden. 2.Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing als: met ten hoogste vijf personen wordt opgetreden; geen draaiorgels of geluidversterkende apparatuur wordt gebruikt; het optreden niet langer duurt dan een half uur achtereen op dezelfde plaats, waaronder wordt verstaan iedere plaats die ligt op minder dan 100 meter afstand van een plaats waar in de twee voorafgaande uren is opgetreden; er niet actief wordt gecollecteerd; en de muziek niet wordt gemaakt tussen 21.00 en 08.00 uur in winkelgebieden en tussen 20.00 en 13.00 uur in de overige delen van de gemeente. 3.De burgemeester kan het bepaalde in het tweede lid beperken tot bepaalde dagen en uren. 4.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. Paragraaf4Veiligheid op of in het openbaar water Artikel2:5Veiligheid op of in het openbaar water 1.Het is verboden zich op of in het openbaar water zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden. 2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de provinciale omgevingsverordening of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet. 3.Degene aan wie een aanwijzing in het belang van de openbare orde en veiligheid ter voorkoming van gevaar, schade of hinder in de havens en in of op het gemeentelijk vaarwater in Alkmaar is gegeven volgt de aanwijzing onmiddellijk op. Artikel2:5aOogmerkbepaling De bepalingen in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op de openbare orde en veiligheid. Paragraaf5Veiligheid op de weg Artikel2:6Winkelwagens 1.Degene die winkelwagens ter beschikking stelt is verplicht: de winkelwagens te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, achtergelaten winkelwagens terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf, en ervoor te zorgen dat de winkelwagens na winkelsluitingstijdstip niet onbeheerd op een openbare plaats achterblijven. 2.Het is verboden een winkelwagen na gebruik onbeheerd op een openbare plaats of in het openbaar water achter te laten. 3.Het is verboden zich met een winkelwagen op de weg te bevinden buiten de onmiddellijke omgeving van het bedrijf, of als het bedrijf is gelegen in een winkelcentrum, buiten de onmiddellijke omgeving van het winkelcentrum. Als onmiddellijke omgeving van het bedrijf of winkelcentrum wordt aangemerkt de weg of het weggedeelte, grenzend aan het bedrijf of winkelcentrum en ook een aan die weg of dat weggedeelte aansluitende parkeerplaats. 4.Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet. Artikel2:7Hinderlijke voorwerpen, modder of stoffen op de weg of openbare plaats 1.Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige manier dat aan weggebruikers het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor hen hinder of gevaar oplevert. 2.Het is, onverminderd het bepaalde in bestaande wettelijke bepalingen, verboden op, aan of boven een weg voorwerpen, modder of stoffen, die aanleiding kunnen geven tot verontreiniging, beschadiging of slechte afwatering van de weg, of tot gevaarlijke situaties op de weg, aldaar in directe of indirecte zin te plaatsen, te werpen, uit te gieten, over te brengen, te laten afvloeien, te laten vallen of daarop te laten. De in de eerste zin genoemde voorwerpen of stoffen dienen onmiddellijk of op aanwijzing van een ambtenaar van politie of een toezichthouder te worden verwijderd. 3.Het is ook verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de openbare plaats voorwerpen of stoffen aan te brengen of te hebben als deze door hun omvang, vormgeving, constructie of plaats van bevestiging hinder of gevaar opleveren. 4.Het verbod in het derde lid geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste rand van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht 5.Het verbod in het derde lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wegenverkeerswet 1994. Artikel2:8Veiligheid op het ijs 1.Het is verboden: voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; bakens of andere voorwerpen voor de veiligheid geplaatst op de onder a. bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale omgevingsverordening. Artikel2:9Plaatsen van zaken bij samenkomsten Het is verboden bij openbare samenkomsten en vermakelijkheden op door de burgemeester aangewezen tijden en plaatsen zaken op of aan de weg te plaatsen of te hebben. Afdeling 2 Evenementen en voetbalwedstrijden Artikel2:10Begripsomschrijvingen 1.In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: bioscoop-, theater- of muziekvoorstellingen, voor zover deze worden gehouden in gebouwen die daarvoor zijn bestemd of overwegend worden gebruikt; markten in de zin van artikel 160, eerste lid en onder g, van de Gemeentewet en snuffel- en themamarkten in de zin van artikel 4:3; activiteiten in een inrichting in de zin van de Alcoholwet die passen binnen de reguliere vergunde activiteiten van deze inrichting; kansspelen in de zin van de Wet op de kansspelen; manifestaties in de zin van artikel 2:3; sportwedstrijden, niet zijnde free, cage-, en ultimate fight evenementen of daarmee vergelijkbare evenementen, die plaatsvinden op of in daarvoor bestemde terreinen of gebouwen, voor zover betrekking hebbend op reguliere wedstrijden in clubverband; voetbalwedstrijden in de zin van artikel 2:12; het optreden van een straatartiest en dergelijke in de zin van artikel 2:4. 2.Onder evenement wordt ook verstaan: een braderie; een circus; een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; een optocht, niet zijnde een manifestatie in de zin van artikel 2:3; een rommelmarkt. Artikel2:11Evenementen 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te houden. 2.De burgemeester kan in verband met de voorbereidingstijd van het evenement afwijken van de indieningstermijn als bedoeld in artikel 1:3 of voor bijzondere, periodiek terugkerende evenementen afzonderlijk bepalen op welk tijdstip de aanvraag wordt ingediend. 3.De burgemeester draagt zorg voor een onpartijdige en transparante verlening van beschikbare vergunningen. 4.Geen vergunning is vereist voor bepaalde, door de burgemeester aangewezen, categorieën van evenementen. 5.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als: het evenement een onevenredig groot beslag legt op de beschikbare ruimte of tijd of de inzet van hulpdiensten; van het evenement een onevenredige belasting voor het woon- of leefklimaat in de omgeving is te verwachten; de inhoud of uitstraling van het evenement niet past in het evenementenbeleid, het imago of de belangen van Alkmaar; het evenement in strijd is met het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan. 6.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin wordt voorzien door artikel 10 in samenhang gelezen met artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 7.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel2:12Begripsomschrijving voetbalwedstrijd 1.Voor de toepassing van artikel 2:13 tot en met 2:18 wordt onder organisator verstaan: de betaald voetbalorganisatie, als het gaat om een voetbalwedstrijd waarbij een elftal van de betaald voetbalorganisatie als thuisspelende ploeg is betrokken, uitgezonderd wedstrijden buiten enig competitieverband tegen een amateurvoetbalorganisatie; de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond, als het gaat om een voetbalwedstrijd tussen voetbalorganisaties afkomstig van buiten de gemeente Alkmaar, waarbij tenminste één betaald voetbalorganisatie is betrokken; degene die buiten de gevallen genoemd onder a en b een voetbalwedstrijd organiseert waarbij tenminste één binnenlandse of buitenlandse betaald voetbalorganisatie is betrokken. 2.Voor de toepassing van de artikelen 2:18 tot en met 2:23 wordt onder voetbalwedstrijd verstaan: een voetbalwedstrijd georganiseerd door een organisator als bedoeld in het vorige lid. 3.Voor de toepassing van de artikelen 2:18 tot en met 2:23 wordt onder stadion verstaan: de locatie waar de organisator een voetbalwedstrijd organiseert. 4.Onder de omgeving van het voetbalstadion wordt verstaan: het stadionterrein rondom het voetbalstadion gelegen aan de Stadionweg 1 en de parkeerterreinen P1 tot met P9, het trottoir en fietspad van de Ommering (vanaf de Vondelstraat tot aan de Bestevaerstraat), het bedrijventerrein Boekelermeer en de ontsluitingsweg van het voetbalstadion (inclusief de twee kleine rotondes). Artikel2:13Vergunningplicht voetbalwedstrijden 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een voetbalwedstrijd te organiseren. Een vergunning kan meerdere voetbalwedstrijden betreffen. 2.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel2:14Indienen aanvraag In de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:13 worden in ieder geval vermeld: de gegevens van de organisator; de deelnemende voetbalorganisatie(s); de geplande datum, tijdstip en locatie van de wedstrijd(en). Artikel2:15Verwijderingsplicht voetbalsupporters Personen die zich door kleding, uitrusting of gedragingen manifesteren als voetbalsupporters en tegen wie het vermoeden bestaat dat zij van plan zijn de orde te verstoren, zijn verplicht zich op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie met inachtneming van diens aanwijzingen, naar een in het bevel aangegeven plaats, of buiten de gemeentegrenzen te begeven. Artikel2:16Stadionomgevingsverbod De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan een persoon schriftelijk het verbod opleggen zich niet op te houden in de omgeving van het voetbalstadion vanaf 4 uur voor het vastgestelde aanvangstijdstip van een voetbalwedstrijd in het stadion tot 4 uur na afloop van de voetbalwedstrijd. Het verbod geldt voor een bepaalde periode die niet langer is dan 24 maanden. Artikel2:17Supportersstromen 1.Degenen die behoren tot de supportersaanhang van een bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedragingen of op een andere manier kenbaar maken en in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de te bezoeken wedstrijd, zijn verplicht in omstandigheden als bedoeld in artikel 175 van de Gemeentewet om hun weg naar het stadion te vervolgen zodra ze de gemeente bereiken. 2.Degenen die behoren tot de supportersaanhang van een bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedragingen of op een andere manier kenbaar maken, zijn verplicht in omstandigheden als bedoeld in artikel 175 van de Gemeentewet om direct na afloop van de wedstrijd te vertrekken uit de gemeente, behalve als zij woonachtig zijn in de gemeente Alkmaar. 3.Degenen die behoren tot de supportersaanhang van een bezoekende betaald voetbalclub en dat door bijvoorbeeld kleding, uitrusting, gedragingen of op een andere manier kenbaar maken en niet in het bezit zijn van een geldig toegangsbewijs voor de wedstrijd en op een of andere manier de openbare orde verstoren of dreigen te verstoren of racistisch gedrag vertonen of racistische uitlatingen doen, zijn verplicht zich in omstandigheden als bedoeld in artikel 175 van de Gemeentewet op eerste aanzegging van de politie buiten de gemeentegrenzen te begeven in de door de politie aan te geven route en richting, behalve als zij woonachtig zijn in de gemeente Alkmaar. Artikel2:18Ordeverstoring 1.Het is verboden bij evenementen of voetbalwedstrijden de orde te verstoren. 2.Het is verboden bij evenementen of voetbalwedstrijden wapens die behoren tot categorie I, II, III en IV van de Wet wapens en munitie of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt op zodanige manier mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in gevaar komt of kan komen. 3.Eenieder is verplicht bij evenementen of voetbalwedstrijden alle aanwijzingen van ambtenaren van politie, brandweer of van de unit Veiligheid, team Handhaving in het belang van de openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen. Afdeling 3 Toezicht op openbare inrichtingen Paragraaf1Toezicht op openbare inrichtingen Artikel2:19Begripsbepalingen 1.In deze afdeling wordt verstaan onder: bijeenkomsten van persoonlijke aard: bijeenkomsten, met een veelal feestelijk karakter, waarbij meestal alcoholhoudende drank wordt genuttigd, gehouden door direct aan de vereniging verbonden leden en die geen direct verband houden met de activiteiten van de paracommerciële rechtspersoon, zoals bruiloften, feesten, partijen, recepties, jubilea, verjaardagen, bedrijfsfeesten, koffietafels, condoleancebijeenkomsten en dergelijke. openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies worden verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt of bereid voor gebruik ter plaatse. Onder openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, clubhuis of sportkantine. Onder openbare inrichting wordt ook verstaan een bij deze inrichting behorend terras en andere aanhorigheden. terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt voor gebruik ter plaatse. 2.Onder de overige begrippen in deze afdeling wordt verstaan dat wat de Alcoholwet daaronder verstaat. Artikel2:20Exploitatie openbare inrichting 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een openbare inrichting of terras te exploiteren. 2.De burgemeester weigert de vergunning als: de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan of in het geval het maximum aantal vergunningen is bereikt; of redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag voor de vergunning vermelde in overeenstemming zal zijn. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: het woon- of leefklimaat of de openbare orde in de omgeving van de openbare inrichting of het terras op ontoelaatbare manier nadelig wordt beïnvloed; of de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 4.Bij de toepassing van de in het derde lid en onder a genoemde weigeringsgronden houdt de burgemeester rekening met: het karakter van de straat en de wijk waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen; de aard van de openbare inrichting; de spanning waaraan het woon- en leefklimaat ter plaatse al blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie; de manier van bedrijfsvoering door de exploitant of de leidinggevende. 5.Als de aanvraag om een vergunning ook betrekking heeft op één of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen op de openbare plaats of het openbaar water, beslist de burgemeester over de ingebruikneming van die openbare plaats of openbaar water bestemd voor het terras. 6.De burgemeester kan de ingebruikneming van de openbare plaats als bedoeld in het vijfde lid weigeren als: het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare plaats of het openbaar water of gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats of het openbaar water. 7.Het bepaalde in het vijfde en zesde lid is niet van toepassing op activiteiten binnen een bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening aangewezen gebied waar vanwege de aanwezigheid van een weg of waterstaatswerk regels gelden over activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor die weg of dat waterstaatswerk. 8.De vergunning vervalt als een wijziging plaatsvindt in de bedrijfsvoering van de openbare inrichting. 9.Het eerste lid geldt niet voor door de burgemeester aangewezen soorten openbare inrichtingen. 10. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de aanvraag om een vergunning bedoeld in het eerste lid. Artikel 2:21 Sluitingstijd 1. Openbare inrichtingen zijn gesloten dagelijks tussen 00.00 uur en 06.00 uur (sluitingstijd), tenzij door het bevoegde bestuursorgaan in nadere regels anders is bepaald. 2. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de openbare inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 3. De burgemeester kan andere sluitingstijden vaststellen voor een afzonderlijke openbare inrichting of een daarbij behorend terras. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. 5. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:20, negende lid, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 6. Het bepaalde in het eerste, derde en vierde lid is niet van toepassing op situaties waarin bij of krachtens de Omgevingswet is voorzien. 7. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op de aanvraag om een ontheffing bedoeld in het vierde lid. Artikel 2:22 Het college als bevoegd bestuursorgaan Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college van burgemeester en wethouders bij de toepassing van de artikelen 2:20 en 2:21 op als bevoegd bestuursorgaan. Artikel 2:23 Onderscheid naar de aard van de paracommerciële rechtspersoon 1. Er zijn twee categorieën paracommerciële rechtspersonen: wijk- en buurtondernemingen, sociaal culturele instellingen en dergelijke (cluster 1); sportverenigingen, educatieve instellingen, kerken en instellingen van levensbeschouwelijke aard en dergelijke (cluster 2). 2. De burgemeester bepaalt voor elke paracommerciële rechtspersoon in welke cluster deze wordt ingedeeld. Voor cluster 1 en cluster 2 kunnen verschillende beperkingen en voorwaarden gelden. Artikel 2:24 Schenk- en sluitingstijden paracommerciële rechtspersoon 1. Het is toegestaan om alcoholhoudende drank te verstrekken gedurende één uur voor, tijdens en tot twee uur na een verenigingsactiviteit, mits die activiteit past binnen de statutaire doelstelling van de paracommerciële rechtspersoon. 2. De paracommerciële rechtspersoon die is ingedeeld in cluster 2, verstrekt, in afwijking van het eerste lid, alleen alcoholhoudende drank op: maandag tot en met vrijdag na 17.00 uur en tot uiterlijk twee uur na de laatste reguliere activiteit van de paracommerciële rechtspersoon; zaterdag na 15.00 uur en tot uiterlijk twee uur na de laatste reguliere activiteit van de paracommerciële rechtspersoon; zondag na 12.00 uur en tot uiterlijk twee uur na de laatste reguliere activiteit van de paracommerciële rechtspersoon. 3. De schenktijd kan daarbij niet later komen te liggen dan 01.00 uur. 4. Het is de paracommerciële rechtspersoon verboden bezoekers toe te laten in de openbare inrichting na 00.00 uur. 5. Het is de paracommerciële rechtspersoon verboden de openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de openbare inrichting te laten verblijven tussen 01.00 uur en 06.00 uur. 6. De burgemeester kan door een voorschrift andere sluitingstijden vaststellen voor een openbare inrichting of een daarbij behorend terras. Artikel 2:25 Afwijking schenk- en sluitingstijden paracommerciële rechtspersoon 1. De burgemeester kan in geval van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van de schenk- en sluitingstijden tot ten hoogste 02.00 uur: voor wijk- en buurtverenigingen, sociaal culturele instellingen en dergelijke (cluster 1) met een maximum van zes keer per jaar; voor sportverenigingen, educatieve instellingen, kerken en instellingen van levensbeschouwelijke aard en dergelijke (cluster 2) met een maximum van twee keer per jaar. 2. De burgemeester kan incidenteel in geval van zeer bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van de in de vergunning opgenomen schenk- en sluitingstijd. Artikel 2:26 Bijeenkomsten van persoonlijke aard en verhuur aan derden 1. Het is de paracommerciële rechtspersoon die is ingedeeld in cluster 2 verboden om bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken in of vanuit de openbare inrichting voor gebruik ter plaatse tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bij verhuur aan derden, tenzij het een van de uitzonderingen genoemd in het tweede lid betreft. 2. De paracommerciële rechtspersoon die is ingedeeld in cluster 2, verstrekt alcoholhoudende drank jaarlijks voor ten hoogste: zes bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bruiloften en partijen; nul bijeenkomsten die zijn gericht op personen die niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de beherende paracommerciële rechtspersoon zijn betrokken. 3. De paracommerciële rechtspersoon doet uiterlijk vijf werkdagen vóór een bijeenkomst van persoonlijke aard en bij verhuur aan derden hiervan melding aan de burgemeester 4. Het is verboden om de mogelijkheid tot het houden van bijeenkomsten van persoonlijke aard en de verhuur van het pand voor deze en andere bijeenkomsten of activiteiten die niet behoren tot de statutaire doelstelling van de paracommerciële rechtspersoon openlijk aan te prijzen of onder de aandacht te brengen met bijvoorbeeld posters, brochures, publicaties in kranten of tijdschriften, internet of via social media als sprake is van oneerlijke mededinging Artikel 2:27 Afwijking sluitingstijd De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen of terrassen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiten. Artikel 2:28 Sluiting van een openbare inrichting of terras en intrekking of schorsing van de vergunning 1. De burgemeester kan, onverminderd het bepaalde in artikel 2:27, een openbare inrichting of een terras sluiten als daar: is gehandeld zonder geldige vergunning als bedoeld in artikel 2:19; is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen; door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn of zijn verworven of overgedragen; discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook; wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend, of zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van de openbare inrichting of het terras ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester de vergunning als bedoeld in artikel 2:20 intrekken of schorsen als aannemelijk is dat de exploitant of leidinggevende betrokken is bij of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten in verband met activiteiten als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet of bij andere activiteiten in of vanuit de openbare inrichting die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de openbare inrichting of het terras of als naar zijn oordeel de manier van bedrijfsvoering of het levensgedrag, als bedoeld in artikel 2:20, derde lid, onder b, en vierde lid, onder d, een dergelijk gevaar of een dergelijke bedreiging vormen. Artikel 2:29 Verboden gedragingen 1. Het is verboden in een openbare inrichting: de orde te verstoren; zich, als bezoeker, te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit als bedoeld in artikel 2:27 en artikel 2:28; bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die in de betreffende openbare inrichting of op het betreffende terras wordt gevraagd. onverminderd het bepaalde in de Alcoholwet distikstofmonoxide (lachgas) te verkopen. 2. Het is de paracommerciële rechtspersoon die op grond van artikel 2:23 is ingedeeld in cluster 2 verboden sterke drank aanwezig te hebben of te verstrekken. Paragraaf2Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel2:30Kennisgeving nachtverblijf 1.In dit artikel wordt onder inrichting verstaan: elke ruimte waarin bij wijze van uitoefening van beroep of bedrijf aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt gegeven. 2.Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding daarvan staakt, moet daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennisgeven aan de burgemeester. 3.Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder moet de exploitant of de feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek verstrekken. Paragraaf3Toezicht op speelgelegenheden Artikel2:31Speelgelegenheden 1.In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof het bedrijfsmatig is, de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen waarbij premies, geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren. Dit verbod geldt niet voor: speelcasino’s waarvoor op grond van artikel 27h van de Wet op de kansspelen een vergunning is vereist; kansspelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30b van de Wet op de kansspelen een vergunning is verleend; speelgelegenheden waarvoor een vergunning van de raad van bestuur van de Kansspelautoriteit is vereist; speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, waar gelegenheid wordt gegeven te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen of waar gelegenheid wordt gegeven tot de in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen omschreven handeling. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning als: naar zijn oordeel het woon- en leefklimaat in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde of de veiligheid nadelig wordt beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan. 4.De vergunning vervalt als er een wijziging plaatsvindt in de bedrijfsvoering van de speelgelegenheid. 5.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Afdeling 4 Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade Artikel2:32Betreden gesloten woning, openbare inrichting of lokaal 1.Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2.Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 3.Het is verboden een krachtens artikel 2:28 gesloten openbare inrichting of terras te betreden. 4.Het is verboden een krachtens artikel 2:55 gesloten gebouw of erf te betreden. 5.Het verbod geldt niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel2:33Plakken en kladden 1.Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2.Het is verboden op een openbare plaats of op een (on)roerende zaak: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding op welke manier dan ook aan te brengen of aan te laten brengen of met water, kalk, krijt, teer, een kleur- of verfstof of op andere manier een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of aan te laten brengen. Dit verbod geldt niet voor zover er sprake is van recreatief gebruik van krijt op een openbare plaats en de openbare orde niet wordt verstoord of dreigt te worden verstoord. 3.Het verbod in het tweede lid geldt niet als: wordt gehandeld krachtens wettelijk voorschrift; wordt gehandeld met schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de openbare plaats of de zaak, of het aanbrengen of laten aanbrengen geschiedt op een plaats die vanaf de openbare plaats niet zichtbaar is. 4.Het college kan aanplakobjecten aanwijzen die alleen zijn bestemd voor het aanbrengen van meningsuitingen die geen reclame zijn. 5.Het college kan voor het gebruik van de aangewezen aanplakobjecten nadere regels stellen mits deze geen betrekking hebben op de inhoud van de meningsuiting. Artikel2:34Vervoer aanplakgereedschap 1.Het is verboden op een openbare plaats of op het openbaar water enig aanplakbiljet, plakmiddel, plakgereedschap, hogedrukreiniger, kalk, krijt, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben. 2.Het verbod geldt niet als aannemelijk is dat deze voorwerpen of stoffen niet zijn gebruikt of bestemd voor handelingen die op grond van artikel 2:33 zijn verboden. Artikel2:35Vervoer inbrekerswerktuigen en geprepareerde voorwerpen 1.Het is verboden op een openbare plaats of het openbaar water een werktuig, gereedschap of ander voorwerp te vervoeren of bij zich te hebben, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. 2.Het is verboden op een openbare plaats of het openbaar water in de nabijheid van een winkel een tas of andere zaak te vervoeren of bij zich te hebben, die er kennelijk toe dient om het plegen van diefstal uit winkels te vergemakkelijken. 3.De verboden gelden niet als redelijkerwijs aannemelijk is dat de in het eerste en tweede lid bedoelde zaken niet zijn bestemd voor de daar bedoelde handelingen. Artikel2:36Hinderlijk gedrag en straatintimidatie op openbare plaatsen 1.Het is verboden: op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, heining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; zich op een openbare plaats of het openbaar water op te houden op een manier die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt. 2.Het verbod geldt is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel2:37Verboden gebruik van drank 1.Het is verboden op een openbare plaats of op openbaar water alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben als dit gepaard gaat met gedrag dat de openbare orde verstoort, het woon- en leefklimaat aantast of op een andere manier overlast veroorzaakt. 2.Het is verboden op door de burgemeester aangewezen openbare plaatsen of op openbaar water alcoholhoudende drank te nuttigen of bij zich te hebben in aangebroken flessen, blikjes en dergelijke. 3.Het in het tweede lid bedoelde verbod geldt niet op een terras als bedoeld in artikel 2:18, eerste lid en onder c. 4.De burgemeester kan plaatsen en tijden aanwijzen waarop het in het tweede lid bedoelde verbod niet geldt. 5.Het verbod in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 27 van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 45 van de Alcoholwet. Artikel2:38Verboden gebruik van lachgas 1. Het is verboden op een openbare plaats lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of voorwerpen of stoffen bestemd voor dat gebruik bij zich te hebben, als dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of op een andere manier hinder veroorzaken. 2. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of voorwerpen of stoffen bestemd voor dat gebruik bij zich te hebben. Artikel2:39Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen en voor publiek toegankelijke ruimten 1.Het is anderen dan de bewoners of gebruikers van een gebouw verboden: zonder redelijk doel tegen een deur, raam of vensterbank te zitten, te liggen, te leunen of zich op een andere manier hinderlijk op te houden in de onmiddellijke omgeving van dat gebouw; zonder redelijk doel of op voor anderen kennelijk hinderlijke manier zich op te houden in de voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte(

  1. n)van dat gebouw. 2.Het is verboden zonder redelijk doel of op voor anderen kennelijk hinderlijke manier zich op te houden in of bij een portiek, een portaal, een parkeergarage, een rijwielstalling of een soortgelijke, voor publiek toegankelijke ruimte of deze ruimte te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij is bestemd. Artikel2:40Doen van natuurlijke behoefte Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten de daarvoor bestemde plaatsen. Artikel2:41Verontreiniging door honden 1.Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd. 2.De verplichting om uitwerpselen van een hond onmiddellijk te verwijderen is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. Artikel2:42Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties [vervallen] Artikel2:43Overlast van fiets of bromfiets op markt en evenemententerrein en dergelijke Het is verboden zich op door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen, met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, evenement, bijeenkomst of plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan bezoekers van het terrein. Artikel2:44Gevaarlijke honden 1.Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2.De eigenaar of houder van een hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, moet de hond kort aangelijnd houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3.De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die: vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; door een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is, en zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4.Het is verboden te handelen in strijd met een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod. 5.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in het eerste lid of heeft meegedeeld dat hij de hond gevaarlijk acht, of als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk. 6.6. Het in het vierde lid genoemde verbod geldt niet als: op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht; het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en het terrein is voorzien van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen. 7.Een hond als bedoeld in het eerste lid dient te zijn voorzien van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door een microchip die met een chipreader afleesbaar is. Artikel 2:44a Loslopende honden 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op andere door het college aangewezen plaatsen; binnen de bebouwde kom als de hond niet is aangelijnd; of buiten de bebouwde kom op door het college aangewezen plaatsen als de hond niet is aangelijnd; of als de hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiekenmerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2. Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b en c, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3. De verboden in het eerste lid, aanhef en onder a, b en c, zijn niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond: die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden en de hond als zodanige gekwalificeerd is, of die deze hond gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. Artikel2:45Bedelarij Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op een openbare plaats of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw om geld of andere zaken te bedelen. Afdeling 5 Bestrijding van heling van goederen Artikel2:46Begripsbepaling In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan: degene die op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen. Artikel2:47Verplichtingen over het verkoopregister 1.De handelaar moet aantekeningen van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere manier overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen: het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; de datum van verkoop of overdracht van het goed; een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor zover dat mogelijk is – soort, merk en nummer van het goed; de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. 2.De burgemeester kan bepalen dat de verplichting als bedoeld in het eerste lid ook of alleen langs elektronische weg kan geschieden. 3.De burgemeester kan ontheffing verlenen van de verplichting als bedoeld in het eerste lid. 4.Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel2:48Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie werkdagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed is verkregen. Afdeling 6 Consumentenvuurwerk Artikel2:49Gebruik van consumentenvuurwerk 1.In dit artikel wordt onder consumentenvuurwerk verstaan: vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, waarop het Vuurwerkbesluit van toepassing is. 2.Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 3.Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats of het openbaar water te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 4.De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel2:50Carbidschieten 1.Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen op explosieve manier te verbranden (carbidschieten). 2.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. 3.Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht. Afdeling 7 Drugsoverlast Artikel2:51(Drugs)handel en openlijk (drugs)gebruik 1.Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet, is het verboden zich op een openbare plaats, het openbaar water, in een voertuig of in een vaartuig op te houden of zich daarmee heen en weer te bewegen met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, slaapmiddelen, kalmeringsmiddelen, stimulerende middelen of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. 2.Het is verboden op een door de burgemeester aangewezen openbare plaats, het openbaar water of in een voertuig of vaartuig middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daar op gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, of voorbereidingen daarvoor te verrichten. Afdeling 8 Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester Artikel2:52Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan in overeenstemming met artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats, als deze personen het bepaalde in de volgende artikelen groepsgewijs niet naleven: artikel 2:1, 2:7, tweede lid, 2:18, 2:36, 2:37, 2:39 en 2:51 van deze verordening; artikel 5:16 van de Verordening fysieke leefomgeving. Artikel2:53Aanwijzing veiligheidsrisicogebied De burgemeester kan in overeenstemming met artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel2:54Cameratoezicht op openbare plaatsen 1.De burgemeester kan in overeenstemming met artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur voor het toezicht op een openbare plaats. 2.De burgemeester heeft deze bevoegdheid ook ten aanzien van de volgende andere plaatsen: parkeerterreinen, parkeergarages, winkelcentra en het openbaar water. Artikel2:55Sluiting van een voor publiek openstaand gebouw of erf 1.In dit artikel wordt verstaan onder voor het publiek openstaand gebouw of daarbij behorend erf: een gebouw of erf als bedoeld in artikel 174, eerste lid, van de Gemeentewet, met uitzondering van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:19, eerste lid en onder b, of een seksinrichting als bedoeld in artikel 3:1, onder k. 2.De burgemeester kan de sluiting bevelen van een voor publiek openstaand gebouw of daarbij behorend erf als daar: is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen; door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn of zijn verworven of overgedragen; discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook; wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend, of zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid. Artikel2:56Aanpak woonoverlast 1.Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2.De burgemeester kan een last onder dwangsom of onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: geluid- of geurhinder; hinder van dieren; hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; intimidatie van derden vanuit een woning of een erf. Hoofdstuk3Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen Artikel3:1Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: advertentie: elke commerciële uiting in een medium, die een seksbedrijf of een prostituee onder de aandacht van het publiek brengt; beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding van een seksbedrijf; escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon of rechtspersonen die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; exploitant: de natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, als van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico een seksbedrijf of escortbedrijf wordt uitgeoefend; klant: degene die gebruik maakt van de door een exploitant van een (raam)prostitutiebedrijf, escortbedrijf of een prostituee aangeboden seksuele diensten; prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; prostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie; raamprostitutiebedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie, waarbij het werven van klanten gebeurt door een prostituee die zichtbaar is vanuit een voor het publiek toegankelijke plaats; seksbedrijf: de activiteit, bestaande uit het bedrijfsmatig gelegenheid geven tot prostitutie of tot het verrichten van seksuele handelingen voor een ander tegen vergoeding of uit het bedrijfsmatig aanbieden van vertoningen van erotisch-pornografische aard in een seksinrichting tegen vergoeding; seksinrichting: voor het publiek toegankelijke besloten ruimte, onderdeel van een seksbedrijf; werkruimte: als zelfstandig aan te merken onderdeel van een seksinrichting waarin de seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding worden verricht. Artikel3:2Bevoegd bestuursorgaan In dit hoofdstuk wordt onder bevoegd bestuursorgaan verstaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. Artikel3:3Nadere regels Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:6, vijfde lid en het bepaalde in artikel 3:4 kan het bevoegd bestuursorgaan nadere regels stellen met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in dit hoofdstuk. Artikel3:4Bedrijfsplan Een prostitutiebedrijf of een escortbedrijf beschikt over een bedrijfsplan. Artikel3:5Vergunning seksbedrijf 1.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan een seksbedrijf of een escortbedrijf uit te oefenen of te wijzigen. 2.Het bevoegd bestuursorgaan draagt zorg voor een onpartijdige en transparante verlening van beschikbare vergunningen. 3.Het bevoegd bestuursorgaan beslist, in afwijking van artikel 1:2, binnen twaalf weken op de aanvraag om een vergunning. 4.De in het derde lid gestelde termijn kan door het bevoegd bestuursorgaan met ten hoogste twaalf weken worden verlengd. 5.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. 6.Het college kan het aantal te verlenen vergunningen voor seksbedrijven en het aantal werkruimten aan een maximum binden. 7.De vergunning voor een seksbedrijf wordt verleend voor de duur van drie jaar tenzij in de vergunning anders staat vermeld. De vergunning wordt op naam van de exploitant gesteld en is niet overdraagbaar. Artikel3:6Weigeringsgronden 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning geweigerd als: de exploitant of de beheerder onder curatele staat; de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met de aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000; de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar geleden voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van meer dan zes maanden; de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar geleden voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid en onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens of ook wegens overtreding van: bepalingen, gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 273a, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; de artikelen 8 en 162, derde lid, en ook artikel 6 in samenhang gelezen met artikel 8 of in samenhang gelezen met artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie; de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de Kansspelen. het maximum aantal vergunningen en/of maximum aantal werkruimten, zoals door het college is vastgesteld in de nadere regels op grond van deze verordening, is bereikt. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met het omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan. 2.Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid en onder g en h, wordt gelijk gesteld: een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf; betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid en onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt. 3.De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid en onder g en h, wordt: bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning; bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning. 4.Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid en onder g en h, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee. 5.Een vergunning kan, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, worden geweigerd in het belang van: het voorkomen of beperken van overlast; het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; de veiligheid van personen of goederen; de verkeersvrijheid of -veiligheid; de gezondheid of zedelijkheid; de arbeidsomstandigheden van de prostituee; 6.Een vergunning kan, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, worden geweigerd als het bedrijfsplan niet voldoet aan het bepaalde in de nadere regels op grond van deze verordening. Artikel3:7Adverteren voor seksbedrijf Het is verboden in advertenties voor een seksbedrijf: geen vermelding op te nemen van het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het escortbedrijf zal worden gebruikt, het nummer van de vergunning en van de bedrijfsnaam; vermelding op te nemen van een ander nummer dan bedoeld onder a, en onveilige seks aan te bieden of te garanderen dat prostituees die voor of bij het betreffende bedrijf werken vrij zijn van seksueel overdraagbare aandoeningen. Artikel3:8Leeftijd en verblijfstitel prostituees; verbod werken voor onvergund prostitutiebedrijf of escortbedrijf 1.Het is een exploitant verboden een prostituee voor of bij zich te laten werken die: nog niet de leeftijd van 21 jaar heeft bereikt; in Nederland verblijft of werkt in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000. 2.Het is een prostituee verboden werkzaam te zijn voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf of escortbedrijf is verleend. Artikel3:9Sluitingstijden, aanwezigheid en toegang 1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers of prostituees geopend te hebben en daarin bezoekers of prostituees toe te laten of te laten verblijven dagelijks tussen 01.00 en 07.00 uur, tenzij bij vergunning anders is bepaald. 2.Het bevoegd bestuursorgaan kan voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen. 3.Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting gesloten dient te zijn voor bezoekers. 4.Het is de exploitant en de beheerder verboden personen die nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt toe te laten of te laten verblijven in een seksinrichting, tenzij bij vergunning anders is bepaald. Artikel3:10Tijdelijke afwijking sluitingstijden en tijdelijke sluiting 1.Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:6, vijfde lid of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:9, eerste en derde lid, geldende sluitingstijden vaststellen; van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht maakt het bevoegd bestuursorgaan het besluit bedoeld in het eerste lid bekend op grond van het bepaalde in artikel 3:42, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel3:11Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers te hebben geopend, zonder dat de op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. 2.De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting: geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde. Artikel3:12Beëindiging exploitatie 1.De vergunning vervalt als de beslissing op een aanvraag om een nieuwe vergunning onherroepelijk is geworden. 2.De vergunning vervalt verder zodra de exploitant die op de vergunning is vermeld, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. 3.Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan de burgemeester of het college. Artikel3:13Melding gewijzigde omstandigheden 1.Als de beheerder het beheer van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk beëindigt, geeft de exploitant daarvan binnen een week schriftelijk kennis aan de burgemeester of het college. 2.Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, als het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant besluit de verleende vergunning in overeenstemming met de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in het artikel 3:6, eerste lid, onder a tot en met j, zijn van overeenkomstige toepassing. 3.In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder vanaf het moment waarop de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat op de aanvraag is besloten. Artikel3:14Intrekking of schorsing van een vergunning 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 wordt de vergunning als bedoeld in artikel 3:5 ingetrokken als: ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven; zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of veiligheid; zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:6, eerste lid onder a tot en met h; de houder dit verzoekt. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de vergunning als bedoeld in artikel 3:5 worden geschorst of ingetrokken als: er sprake is van gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten waarbij de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning; is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen, onverminderd het bepaalde in het eerste lid en onder c; zich binnen het seksbedrijf feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de woon- of leefomgeving of de gezondheid van prostituees of klanten; de exploitant of de beheerder het toezicht op de naleving het in dit hoofdstuk bepaalde belemmert of bemoeilijkt; er bij het seksbedrijf of escortbedrijf personen zijn tewerkgesteld die onherroepelijk zijn veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel; voor de duur van tenminste zes maanden geen gebruik is gemaakt van de vergunning; er is gehandeld in strijd met het bedrijfsplan; er is gehandeld in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen. Artikel3:15Straatprostitutie 1.Het is verboden op openbare plaatsen of het openbaar water door handelingen, houding, woord, gebaar of op een andere manier, passanten te bewegen, uit te nodigen of aan te lokken om gebruik te maken van de diensten van een prostituee. 2.Het is verboden zich op openbare plaatsen of het openbaar water op enige manier dwingend te bemoeien met een prostituee. 3.Met het oog op de naleving van het in het eerste en tweede lid bedoelde verbod, kan door een ambtenaar van politie of een buitengewoon opsporingsambtenaar van de unit Veiligheid, team Handhaving het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. 4.Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:6, vijfde lid, kan door een ambtenaar van politie of een buitengewoon opsporingsambtenaar van de unit Veiligheid, team Handhaving aan personen die zich bevinden op de openbare plaatsen of het openbaar water bedoeld in het eerste en tweede lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. 5.De burgemeester kan met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3:6, vijfde lid, personen aan wie tenminste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het vijfde lid, verbieden zich tijdens een bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op de in dat besluit aangegeven openbare plaats(
  2. en)of het openbaar water. Degene die een verbod heeft gekregen moet hieraan onmiddellijk te voldoen. 6.De burgemeester beperkt het verbod bedoeld in het vijfde lid als dat in verband met persoonlijke omstandigheden van de betrokkene noodzakelijk is. Artikel3:16Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 1.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk tentoon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: als het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels. 2.Het verbod bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Hoofdstuk4Andere onderwerpen over de huishouding van de gemeente Artikel4:1Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daarvoor een intekenlijst aan te bieden, of in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 2.Onder inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt ook verstaan het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig, maatschappelijk of ideëel doel is bestemd. 3.Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring wordt gehouden. 4.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel4:2Venten 1.In dit artikel wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of diensten, anders dan op een markt-, stand- of ligplaats, waarbij niet langer wordt stilgestaan dan voor het bedienen van klanten nodig is. 2.Het is verboden te venten als daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 3.Het is verboden te venten op zondagen en op maandag tot en met zaterdag tussen 22.00 en 06.00 uur. 4.Het verbod in het derde lid is niet van toepassing op zondagen tussen 10.00 en 21.00 uur. 5.Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. 6.Het in het tweede en derde lid gestelde verbod is niet van toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Artikel4:3Snuffelmarkten en themamarkten 1.In dit artikel wordt verstaan onder: snuffelmarkt: een rommelmarkt of vlooienmarkt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats; themamarkt: een markt met één thema in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden. 2.Onder snuffelmarkt of themamarkt wordt niet verstaan: een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid en onder g, van de Gemeentewet; een evenement als bedoeld in artikel 2:9. 3.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt of themamarkt te houden. 4.Het verbod geldt niet voor ruimten die alleen of nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet. 5.De burgemeester kan de vergunning weigeren wegens strijd met het omgevingsplan. 6.Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Artikel4:4Verbod gebruik wensballonnen 1.Het is verboden zogenoemde wens- of ufoballonnen, door hete lucht afkomstig van vuur op te laten stijgen 2.Onder een wens- of ufoballon wordt ook verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon, papierballon, geluksballon, etc. Hoofdstuk5Straf-, overgangs- en slotbepalingen Artikel5:1Strafbepaling 1.Overtreding van het bij of krachtens het bepaalde in deze verordening opgenomen artikelen, uitgezonderd artikel 2:3 of de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen en de artikelen 2:47 en 2:48, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie, met uitzondering van het bepaalde in het tweede lid. 2.Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie: de artikelen 2:8, 2:34, 2:36, 2:37 en 2:39. Artikel5:2Toezichthouders 1.Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast: de medewerker(
  3. s)beleidsuitvoering I, II en IV, de medewerker(
  4. s)locatie I en II, de medewerker(
  5. s)handhaving I, medewerker(
  6. s)toezicht I en de medewerker(
  7. s)ontwikkeling II van de unit Leefgebied en de unit Veiligheid; de medewerker(
  8. s)handhaving II en III, de medewerker(
  9. s)bedrijfsvoering IV en de operationeel leidinggevende(
  10. n)II van de unit Veiligheid, team Handhaving; de toezichthouders van Landschap Noord-Holland voor de artikelen 2:36 en 2:37; de buitengewoon opsporingsambtenaar domein II van Staatsbosbeheer voor de artikelen 2:36 en 2:37. 2.Het college of de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten. Artikel5:3Binnentreden woningen Zij die zijn belast met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Artikel5:4Intrekking oude verordening De Algemene plaatselijke verordening, vastgesteld bij raadsbesluit van 23 juni 2016 en laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 29 april 2021 wordt ingetrokken. Artikel5:5Overgangsrecht 1.Een vergunning of ontheffing verleend op grond van een van de in artikel 5:4 ingetrokken verordening blijft ook na de inwerkingtreding van deze verordening gelden, of tot het einde van de looptijd, of tot het tijdstip dat zij met toepassing van deze verordening wordt gewijzigd of ingetrokken. 2.Op aanvragen om een vergunning of ontheffing op grond van de in artikel 5:4 ingetrokken verordening, waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, wordt met toepassing van deze verordening een beslissing genomen. 3.Besluiten ter uitvoering of handhaving van bepalingen van een van de in artikel 5:4 ingetrokken verordening, worden geacht te zijn genomen ter uitvoering of handhaving van deze verordening. 4.Op bezwaarschriften tegen een vergunning of ontheffing verleend op grond van een van de in artikel 5:4 ingetrokken verordening, waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, wordt met toepassing van deze verordening een beslissing genomen. Artikel5:6Omhangen Na inwerkingtreding van deze verordening berust: de Beleidsregel verblijfsontzegging Alkmaar, de gebiedsaanwijzingen Alkmaar gedeelten centrum, Johanna Naberstraat inclusief Johan Cruijffcourt, Melis Stokelaan en omgeving, winkelcentrum De Mare en omgeving, Paardenmarkt en omgeving, Clarissenbolwerk en het mandaatbesluit verblijfsontzegging Alkmaar op artikel 2:2 van deze verordening; de Uitvoeringsregels evenementen op de artikelen 2:11 en 4:3 van deze verordening; de Uitvoeringsregels Horecabeleid op de artikelen 2:19 tot en met 2:29 van deze verordening; de gebiedsaanwijzing Paardenmarkt en omgeving op artikel 2:37 van deze verordening; het Handhavingsarrangement Overlast op openbaar water op artikel 2:37 van deze verordening; het Aanwijzingsbesluit verbods- en losloopgebieden voor honden in gemeente Alkmaar op artikel 2:44a van deze verordening; het besluit over de aanwijzing gebieden bedelverbod Alkmaar op artikel 2:45 van deze verordening; het Aanwijzingsbesluit Digitaal Opkopers Register op artikel 2:47 van deze verordening; het Aanwijzingsbesluit cameratoezicht centrum Alkmaar, het Aanwijzingsbesluit verlenging permanent Cameratoezicht in de omgeving van het winkelcentrum De Mare, het Aanwijzingsbesluit cameratoezicht stationsgebied Alkmaar, het Aanwijzingsbesluit cameratoezicht Spilstraat en het verlengingsbesluit cameratoezicht Melis Stokelaan/Percivalstraat op artikel 2:54 van deze verordening; de Nadere regels prostitutie, de Beleidsregel verdeling schaarse vergunningen voor de exploitatie van een seksbedrijf en het Prostitutiebeleid gemeente Alkmaar op hoofdstuk 3 van deze verordening. Artikel5:7Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking daarvan. Artikel5:8Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening. Alkmaar, 27 mei 2021,De raad voornoemd,E.G.M. Roemer, voorzitter mw. mr. V.H. Hornstra, griffierToelichting Algemene plaatselijke verordening Algemeen Algemene inleiding De Algemene plaatselijke verordening (hierna: Apv) is een verordening waarin de huishouding van de gemeente wordt geregeld. In de Apv staat dan ook beschreven welke regels binnen de gemeente gelden. Deze regels gaan naast vergunningen en ontheffingen ook over gedrags- en fatsoensnormen. De nieuwe verordening is op onderdelen aangepast aan relevante jurisprudentie, aangepast naar nieuwe inzichten, juridisch-technisch en taalkundig moderner vormgegeven en vereenvoudigd door het schrappen van onnodige en niet gebruikte regels. Hierbij is rekening gehouden met de model-APV van de VNG en de 100 Ideeën voor de gemeentelijke regelgever. Vooruitlopend op de naderende inwerkingtreding van de Omgevingswet is een aantal artikelen overgeheveld naar de Verordening op de fysieke leefomgeving (verwezen wordt naar de bijgevoegde transponeringstabel). Reikwijdte en juridisch kader De Apv behoort tot de belangrijkste verordeningen in Alkmaar. Dat wordt niet alleen bepaald door de relatief grote omvang en het grote aantal verschillende onderwerpen die erin worden geregeld maar ook door het belang van die onderwerpen voor onder meer de openbare orde en veiligheid in de gemeente, de zedelijkheid en het toezicht op de voor publiek toegankelijke gebouwen. De Apv regelt de onderwerpen die tot het gemeentelijk domein kunnen worden gerekend voor zover deze niet nader zijn uitgewerkt in bijzondere verordeningen zoals bijvoorbeeld de Verordening op de fysieke leefomgeving. De Apv is daarmee bij uitstek een verordening die de gemeenteraad op basis van artikel 149 van de Gemeentewet in het belang van de gemeente kan maken. In de Apv wordt op een aantal plaatsen verwezen naar hogere regelgeving. Door het opnemen van zogenoemde afbakeningsbepalingen is aangeven dat de betreffende Apv-bepaling alleen beoogt dat te regelen wat niet al in hogere regelgeving is geregeld. De Gemeentewet bevat de basis voor het toedelen van bevoegdheden aan gemeentelijke bestuursorganen. Voor uitvoerende taken zijn dat het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester. De burgemeester heeft op grond van de wet bijzondere bevoegdheden als het gaat om openbare orde en veiligheid en het toezicht op voor het publiek toegankelijke gebouwen (artikelen 172 en 174 van de Gemeentewet). De burgemeestersbevoegdheden komen in het tweede en derde hoofdstuk aan de orde. Daarbij is er voor gezorgd om de bevoegdheden bij de burgemeester te leggen zodra het gaat om de taken die tot zijn verantwoordelijkheid kunnen worden gerekend. Systematiek Gekozen is voor de indeling en nummering zoals de VNG deze in haar modelverordening heeft opgenomen. Dit komt de leesbaarheid en toegankelijkheid van deze verordening ten goede. Gekozen is ook voor een indeling waarin samenhangende onderwerpen zo veel mogelijk bij elkaar zijn gebracht. Hoewel bij iedere keuze kanttekeningen zijn te plaatsen komen de gemaakte keuzes de logica en de bruikbaarheid van de verordening ten goede. De verordening heeft een gelaagde structuur. Het eerste hoofdstuk bevat bepalingen die gelden voor de gehele verordening. Dit betekent dat bijvoorbeeld de in hoofdstuk 1 opgenomen begripsomschrijvingen van toepassing zijn op alle artikelen waarin deze voorkomen. Dit geldt ook voor andere bepalingen over bijvoorbeeld de termijn van het indienen van vergunningsaanvragen en de algemene weigerings- en intrekkingsgronden. Daarnaast komt het voor dat in een specifiek artikel een begripsomschrijving is opgenomen die alleen in dat artikel voorkomt of dat er specifieke weigerings- en intrekkingsgronden in een artikel zijn genoemd die alleen van toepassing zijn op een aanvraag die wordt getoetst aan dat betreffende artikel. Bij het gebruik van de Apv is het zaak om naast het toepassen van een bepaald artikel ook de algemene bepalingen aan het begin van het hoofdstuk én van hoofdstuk 1 er op na te slaan omdat algemene en bijzondere bepalingen elkaar aanvullen. De artikelen zijn aangeduid, met voor de punt het nummer van het betreffende hoofdstuk en na de punt het betreffende artikelnummer. Als een artikel voor zich spreekt is geen toelichting opgenomen. Bestuursrechtelijke en strafrechtelijke aanpak Bestuursorganen hebben op grond van de Gemeentewet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevoegdheden om met bestuurlijke maatregelen handhavend op te treden tegen geconstateerde overtredingen van de regels zoals het intrekken van een vergunning, het opleggen van een dwangsom en het toepassen van bestuursdwang. Behalve de keuze voor een bestuursrechtelijke aanpak is het ook mogelijk om bij overtreding van het bij of krachtens de Apv gestelde te opteren voor een strafrechtelijke aanpak. Hoofdstuk 5 geeft aan welke bepalingen tot strafrechtelijke vervolging kunnen leiden. Artikelsgewijs Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1:1 Begripsbepalingen De begripsomschrijvingen staan op alfabetische volgorde, zodat de verschillende definities eenvoudig zijn terug te vinden. Bebouwde kom: de reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening is beperkt tot de bebouwde kom. Bouwwerk: de definitie is ontleend aan artikel 1:1 van de Verordening op de fysieke leefomgeving. Gebouw: de definitie moet in samenhang met de definitie van bouwwerk worden gelezen. Manifestatie: de definitie is ontleend aan geschiedenis van de totstandkoming van de Wet openbare manifestaties, zie Kamerstukken II, 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 8. Openbare plaats: de definitie is ontleend aan artikel 1, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties. Ook de «weg» valt hieronder net als sommige ruimten in gebouwen. Openbaar water: de term «openbaar» heeft geen bijzondere juridische betekenis. Het gaat om water dat feitelijk voor het publiek toegankelijk is. Rechthebbende: het eerste deel van de definitie knoopt aan bij het begrip zoals dat in het privaatrecht wordt gehanteerd. Het gaat om een ruime omschrijving. Zo is bijvoorbeeld niet alleen de eigenaar, maar ook de huurder van een pand rechthebbende. Daarnaast is ook de persoon die de feitelijke macht uitoefent over een zaak onder de definitie van rechthebbende gebracht. Weg: de definitie is ontleend aan artikel 1, eerste lid en onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 en betreft – kort gezegd – de feitelijk voor het openbaar verkeer openstaande wegen met toebehoren. Uit de definitie van «openbare plaats» blijkt dat de weg daar onderdeel van uitmaakt. Artikel 1:2 Beslistermijn Eerste lid In dit lid is de algemeen geldende beslistermijn gesteld op acht weken. Dit is gelijk aan de maximale redelijke beslistermijn als bedoeld in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb. Dit doet dan ook bij uitstek recht aan het algemeen beginsel dat elke termijn redelijk moet zijn. De datum van ontvangst van de aanvraag is de dag waarop de beslistermijn begint te lopen. Het merendeel van de aanvragen zal binnen deze termijn van acht weken kunnen worden afgedaan. Als voor bepaalde besluiten een langere beslistermijn of afwijkende werkwijze nodig is (zoals bijvoorbeeld bij de exploitatievergunning voor seksinrichtingen of de evenementenvergunning voor een circus), dan wordt afzonderlijk geregeld. Als er een afwijkende beslistermijn geldt, dan heeft die bepaling voorrang. Tweede lid Als het bestuursorgaan in een concreet geval niet in staat is om binnen de algemene termijn van acht weken te beslissen, dan kan het de beslistermijn verlengen (verdagen). Daarvoor geldt een maximumtermijn van opnieuw acht weken. De Awb regelt dat het bestuursorgaan de aanvrager schriftelijk op de hoogte brengt van een verlenging. Een reden om de beslistermijn te verlengen kan bijvoorbeeld zijn de complexiteit van de aanvraag of de noodzaak om advies in te winnen. Dit artikel voldoet aan het bepaalde in artikel 13 van de Dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123/EG van 26 december 2006 betreffende diensten op de interne markt, PbEU 2006, L 376/36) (artikel 31 van de Dienstenwet). Artikel 1:3 Indieningstermijn aanvraag In de praktijk komt het met enige regelmaat voor dat ondernemers en burgers met de aanvraag om een vergunning tot het laatste moment wachten. Elke aanvraag moet kunnen worden getoetst aan het wettelijk kader. Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen Bij de bevoegdheid om een vergunning of ontheffing te verlenen, hoort tegelijk de bevoegdheid om hieraan voorschriften (verplichtingen die de houder moet naleven) of beperkingen (begrenzingen in tijd, plaats of anderszins) te verbinden. De bevoegdheid is niet ongelimiteerd: voorschriften en beperkingen moeten dienen ter bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing in het leven is geroepen. Om welk belang het precies gaat en hoeveel ruimte het bevoegde bestuursorgaan heeft, blijkt weer uit de afzonderlijke hoofdstukken. Handelen zonder verplichte vergunning of ontheffing is verboden. Handelen met vergunning of ontheffing, maar in strijd met de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen is ook verboden. Het tweede lid van deze bepaling regelt dat het niet-naleven van een voorschrift of een beperking een zelfstandige overtreding oplevert. Als reactie op deze overtreding zijn verschillende bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten beschikbaar, zoals het intrekken van de vergunning of ontheffing. Strafrechtelijke handhaving is – via de strafbepalingen van hoofdstuk 5 – ook mogelijk. Daardoor staat ook straf op het overtreden van aan een vergunning of ontheffing verbonden voorschriften. Artikel 1:5 Persoonsgebonden karakter van vergunning of ontheffing De beantwoording van de vraag of een vergunning of ontheffing overgaat op een rechtsopvolger, hangt af van het persoonsgebonden of zakelijk karakter van die vergunning of ontheffing. Een vergunning is persoonsgebonden als de mogelijkheid van verkrijging alleen of in hoge mate afhangt van de persoon van de vergunningaanvrager (diens persoonlijke kwaliteiten, zoals bijvoorbeeld het bezit van een diploma of een verklaring omtrent het gedrag). De persoonsgebonden vergunning (verleend aan een rechtspersoon of een natuurlijk persoon) is in beginsel niet overdraagbaar, tenzij de regeling op grond waarvan de vergunning is verleend hiertoe de mogelijkheid biedt. Zakelijk daarentegen is de vergunning die afhangt van en gebonden is aan het object waarop zij betrekking heeft en waarbij de persoonlijke kwaliteiten van de aanvrager geen rol spelen. Anders gezegd: de zakelijke vergunning is niet gebonden aan de persoon, maar aan de hoedanigheid van de eigenaar of anderszins zakelijk gerechtigde. De zakelijke vergunning gaat in beginsel over krachtens rechtsopvolging onder algemene of bijzondere titel op de opvolger in diens hoedanigheid van eigenaar, zakelijk gerechtigde, ondernemer et cetera. Een voorbeeld van een persoonsgebonden vergunning is de vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet (Alcoholwet). Dit hangt samen met de omstandigheid dat op grond van deze wet voor het verkrijgen van een vergunning de nodige diploma's moeten zijn gehaald. In deze bepaling is gekozen voor de persoonsgebondenheid van de vergunning of ontheffing. Hiervan kan worden afgeweken door toevoeging van de zinsnede «tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald» en expliciete vermelding van het zakelijk karakter in de deze bepaling of de vergunning of ontheffing. Bij een wijziging van een zogenoemde schaarse vergunning kan geen aanspraak worden gemaakt op continuering van de schaarse vergunning, zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2611. Als het gaat om een schaarse vergunning waarbij een wijziging van de tenaamstelling wordt beschouwd als een wezenlijke (of aanzienlijke) wijziging, moet dus opnieuw gelegenheid tot indiening van aanvragen worden geboden. Artikel 1:6 Intrekking, schorsing of wijziging van vergunning of ontheffing Deze bepaling regelt de bevoegdheid om een vergunning of ontheffing in te trekken, te schorsen of te wijzigen. Het gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het bestuursorgaan heeft in ieder concreet geval de mogelijkheid om af te wegen of intrekking, schorsing of wijziging een passende en noodzakelijke maatregel is. Verder is expliciet opgenomen dat gedeeltelijke intrekking, schorsing of wijziging mogelijk is. Ook voor artikel 1:6 geldt: hier zijn algemene gronden opgenomen die van toepassing zijn naast de specifieke gronden die in de afzonderlijke hoofdstukken staan. Beide soorten gronden, algemeen of specifiek, kunnen leiden tot het intrekken, schorsen of wijzigen van een vergunning of ontheffing. Onder a (onjuiste gegevens): dit is vooral aan de orde als het bevoegd bestuursorgaan een andere beslissing zou hebben genomen op de aanvraag als destijds wel de juiste gegevens bekend waren geweest. Het gaat dus om onjuistheden of onvolledigheden die van meer dan ondergeschikte aard zijn. Of er met opzet onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt is niet van doorslaggevend belang. Onder b (veranderde wetgeving e.d.): regelgeving, beleid en omstandigheden kunnen veranderen. In sommige situaties moet dat invloed kunnen hebben op bestaande vergunningen of ontheffingen. Bijvoorbeeld als de bescherming van het algemene belang zwaarder weegt dan het belang van de houder bij een ongewijzigde beschikking. Deze grond kan ook worden gebruikt wanneer een vergunning – in strijd met deze verordening – privaatrechtelijk is overgedragen aan een ander, terwijl de vergunning een persoons- of een adresgebonden karakter heeft. Onder c (niet nakomen van voorschriften of beperkingen): voorschriften en beperkingen worden niet voor niets aan een beschikking verbonden, maar dienen een (algemeen) belang. Het is dus van belang dat zij worden nageleefd. Niet-naleving levert een overtreding op en kan ertoe leiden dat het bestuursorgaan de vergunning of ontheffing wijzigt of intrekt. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geschorst als de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen. Een schorsing houdt in dat de vergunning of ontheffing nog wel bestaat, maar dat er geen gebruik van kan en mag worden gemaakt. Onder d (de beschikking wordt niet gebruikt): wanneer de houder van een vergunning of ontheffing deze niet gebruikt, is het aannemelijk dat hij geen belang (meer) heeft bij het in stand laten van deze beschikking. Als het bestuursorgaan niet langer rekening wil blijven houden met een ongebruikte vergunning, kan het de vergunning intrekken. Onder e (de beschikking wordt niet gebruikt): dit onderdeel beoogt te voorkomen dat met gebruikmaking van een al geruime tijd geleden verleende vergunning of ontheffing weer een begin wordt gemaakt met de krachtens die vergunning of ontheffing toegestane activiteiten. Onder f (op verzoek van de houder): intrekking, schorsing of wijzing vanwege een van de andere gronden van artikel 1:6 zal doorgaans ambtshalve of op verzoek van een derde zijn. Deze grond daarentegen regelt dat het bestuursorgaan kan intrekken, schorsen of wijzigen op verzoek van de houder, bijvoorbeeld bij een faillissement. Artikel 1:7 Termijnen Deze bepaling bepaalt dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Dit vloeit ook voort uit artikel 11 van de Dienstenrichtlijn (artikel 33 van de Dienstenwet), op grond waarvan vergunningen geen beperkte geldigheidsduur morgen hebben, tenzij: a. de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden; b. het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang; c. een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang. Over b: zoals hiervoor al is aangegeven volgt uit de Dienstenrichtlijn dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Maar wanneer het aantal vergunningen logischerwijs is beperkt, bijvoorbeeld omdat de gemeenten geen onbeperkt grondgebied heeft, mag de markt juist niet gesloten blijven voor nieuwe aanbieders omdat de bestaande aanbieders voor onbepaalde tijd alle beschikbare vergunningen in handen hebben. In dat geval moet zijn voorzien in een transparante en onpartijdige herverdeling van schaarse vergunningen. Over c: als het bevoegde bestuursorgaan voor bepaalde tijd een vergunning of ontheffing verleend, moet worden gemotiveerd waarom deze beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan doorstaan. Sommige vergunningen lenen zich uit de aard alleen voor verlening voor bepaalde tijd. Te denken valt aan een evenementenvergunning (als het evenement is geweest, bestaat de vergunning niet meer). Artikel 1:8 Weigeringsgronden Deze bepaling bevat de gronden voor het bevoegde bestuursorgaan om een vergunning of een ontheffing te weigeren. Zoals blijkt uit deze bepaling wordt de term «kan» gebruikt. Hiermee is aangegeven dat het bestuursorgaan de bevoegdheid en niet de verplichting heeft om te weigeren. Alleen als er voor een vergunning of ontheffing andere weigeringsgronden gelden dan de in artikel 1:8 genoemde, dan zijn die in deze artikelen genoemd. De weigeringsgronden vloeien voort uit het lichtste regime van artikel 16 van de Dienstenrichtlijn: de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu. Enkele voorheen gehanteerde weigeringsgronden komen niet meer als zodanig voor in de Dienstenrichtlijn. De vraag waar deze dan wel onder vallen wordt als volgt beantwoord: Overlast Het milieubegrip omvat alle soorten van overlast die zijn gerelateerd aan de omgeving/het milieu. Te denken valt aan geluidsoverlast, geurhinder, overlast veroorzaakt door stof, afval en dergelijke. Overlast veroorzaakt door vuurwerk valt eveneens onder de bescherming van het milieu of zelfs de gezondheid. Verkeersveiligheid De verkeersveiligheid valt aan te merken als een dwingende reden van algemeen belang als bedoeld in artikel 9 van de Dienstenrichtlijn. Maar ook is er sprake van een belang dat valt te scharen onder de volksgezondheid, als het voorkomen van verkeersslachtoffers het te beschermen belang betreft. Veiligheid van personen en gezondheid Deze gronden kunnen als een belang van de volksgezondheid worden aangemerkt. Zedelijkheid Het begrip zedelijkheid valt onder het begrip openbare orde. Te denken valt aan de bescherming van de menselijke waardigheid of dierenwelzijn. Ook andere dwingende redenen dan de openbare orde kunnen een zedelijkheidsaspect hebben. Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000 In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de aanvraag om een vergunning een verblijfsrechtelijke toetst plaats te vinden voordat tot het verlenen van de vergunning kan worden overgegaan. Artikel 9, vierde lid, van de Vw 2000 schept de verplichting om desgevraagd bij een aanvraag om een beschikking anders dan op grond van de Vw 2000, een document over te leggen waaruit het rechtmatige verblijf blijkt. Artikel 8.3, tweede lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) bepaalt dat een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8 van de Vw 2000 geen aanspraak kan maken op de toekenning van vergunningen en ontheffingen door bestuursorganen van onder meer gemeenten, voor zover die onder meer betrekking hebben op evenementen of beroepsmatige of bedrijfsmatige activiteiten. Tweede lid Bij verordening kunnen geen aanvullende gronden worden gesteld waarmee een aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten. Het is echter weinig zinvol – voor zowel de gemeente als de aanvrager – om te beginnen met een inhoudelijk toetsing van een aanvraag als door het (late) tijdstip van indienen van de aanvraag een – volledige en – goede beoordeling hiervan niet redelijkerwijs mogelijk is vóór de beoogde datum van de activiteit waarvoor de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft. Een vergunning of ontheffing zal in die gevallen niet (tijdig) verleend kunnen worden. Zie in dit verband ook artikel 3:2 van de Awb. Een (snelle) weigering schept (snel) duidelijkheid voor de aanvrager en voorkomt een onnodige inspanning aan de kant van de gemeente. Het tweede lid biedt de weigeringsgrondslag voor die gevallen, voor zover de betreffende aanvraag is ingediend minder dan acht weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Hoofdstuk 2 Openbare orde en veiligheid Afdeling 1 Orde en veiligheid op de weg en in of op het water Paragraaf 1 Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden Eerste lid In dit lid zijn gedragingen aangegeven die door hun dreigende karakter aanleiding kunnen zijn voor verstoring van de openbare orde. Het begrip «samenscholing» is ontleend aan artikel 186 van het Wetboek van Strafrecht. Het samenscholingsverbod richt zich tot een ieder, voorzover wordt voldaan aan het bepaalde in het eerste lid. Vanzelfsprekend is de bepaling niet van toepassing op het «normaal» samenkomen, waar – voor wat betreft openbare orde problematiek – niets of weinig aan de hand is. Er zal (objectief gezien) sprake moeten zijn van (dreigende) verstoring van de openbare orde. Dit laatste zal steeds feitelijk moeten worden vastgesteld aan de hand van de uiterlijke verschijningsvormen en gedragingen, ook bezien in samenhang met de plaatselijke omstandigheden. In situaties waarbij een samenscholing zonder meer overlast gevend is, hoeft de overlast die voortvloeit uit de samenscholing niet als zodanig te worden aangetoond. Het samenscholingsverbod moet worden onderscheiden van het groepsverbod zoals opgenomen in de Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast. Een dergelijke (opgelegd) groepsverbod geldt voor specifieke personen van wie het niet is gewenst dat hij / zij zich in een groep ophoudt. Bij overtreding van dat verbod is alleen diegene aan wie het verbod is opgelegd strafbaar. Bij een samenscholingsverbod geldt het verbod voor alle deelnemers en kan iedere overtreder van het verbod worden aangehouden. Tweede lid In dit lid is voor gevallen van (dreigende) wanordelijkheden de plicht opgenomen zich te verwijderen als een ambtenaar van politie of een buitengewoon opsporingsambtenaar van de unit Veiligheid, team Handhaving daartoe een bevel geeft. Onder opsporingsambtenaar wordt verstaan de ambtenaar van politie en de bijzonder opsporingsambtenaar bij de unit Veiligheid, team Handhaving (vergelijk de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering). Op grond van artikel 3 van de Politiewet 2012 heeft de politie de bevoegdheid om bevelen te geven. Deze bevelen dienen ter feitelijke handhaving van de openbare orde, bijvoorbeeld bij opstootjes, bemoeienis bij aanhouding en het samenkomen van groepen. Artikel 2:1, tweede lid, van de Apv is een nadere concretisering daarvan op gemeentelijk niveau. De bevoegdheid is in dit geval aan een bepaald doel gebonden. Overtreding van een dergelijk bevel is strafbaar gesteld via opname van artikel 2:1, tweede lid, in artikel 5:1 (vgl. de uitspraak van de Hoge Raad van 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:199 en de uitspraak van de Hoge Raad van 16 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3639). Ook in het proces-verbaal en de tenlastelegging dient het niet opvolgen van het bevel dat is gegeven in het kader van de openbare orde, te worden vervolgd op grond van overtreding van artikel 2:1, tweede lid, in samenhang gelezen met artikel 5:1. De opsporingsambtenaar (waaronder wordt verstaan de ambtenaar van politie en de buitengewoon opsporingsambtenaar bij de unit Stadstoezicht, vergelijk de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering) verricht de beoordeling die nodig is voor toepassing van de strafbepaling; de rechterlijke toetsing vindt plaats als vervolging wordt ingesteld. Naast de bevelen als bedoeld in artikel 2:1, tweede lid, blijven uiteraard ook de bevelen van de burgemeester in het kader van diens openbare ordebevoegdheden mogelijk. De bevoegdheid voor de buitengewoon opsporingsambtenaar om bevelen te geven volgt uit artikel 5:2 (de aanwijzing als toezichthouder). Vierde lid Er is ontheffing mogelijk van het verbod om op een openbare plaats of het openbaar water dat is afgezet in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden is afgezet. Die beslissing is altijd maatwerk. Vijfde lid Samenscholingen of samenkomsten kunnen (ook) het karakter hebben van een betoging. Regeling daarvan behoort niet tot de bevoegdheid van de gemeentelijke wetgever. Daarom zijn samenkomsten waarop de Wet openbare manifestaties van toepassing is uitgezonderd. De burgemeester moet eventuele maatregelen op die wet baseren. De wet kent aan de burgemeester onder andere bevoegdheden toe om bij ongeregeldheden maatregelen te treffen en bevat ook strafbepalingen. Zesde lid In dit lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Awb niet van toepassing verklaard. Het is niet wenselijk om dringende reden van algemeen belang, in dit geval in het kader van de openbare orde en de openbare veiligheid, dat een ontheffing van het verbod als bedoeld in het derde lid van rechtswege wordt verleend. Artikel 2:2 Verblijfsontzegging Vaak zal binnen een grotere groep overlastveroorzakers een beperkte groep mensen starten met de overlast. Anderen nemen dat gedrag dan over. Als de initiator niet aanwezig is neemt vaak de overlast gelijk af. Er is dan ook behoefte om overlastveroorzakers voor enige tijd uit het betreffende gebied te kunnen weren. Dat kan met een zogenoemde verblijfsontzegging. Met de verblijfsontzegging kan de burgemeester tijdens een bepaalde periode het verbod uitvaardigen om zich tijdens in het verbod aan te geven tijden op een in het verbod aan te geven plaats of plaatsen te begeven. De effecten van een verblijfsontzegging kunnen diep ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer. Er dient dan ook terughoudend mee te worden omgegaan. Er is geen sprake van een strafrechtelijke maatregel. Het betreft een bestuurlijke maatregel ter bescherming van de openbare orde. Negeren van een bevel is strafbaar op grond van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht. De burgemeester heeft op basis van dit artikel de mogelijkheid ernstige overlastveroorzakers uit een aangewezen gebied te weren. De maatregel is dan ook een middel om overlast in een gebied tegen te gaan en wordt ingezet als andere middelen niet toereikend zijn. Daarbij moet worden gedacht aan die situaties waarin het uitdelen van waarschuwingen, het geven van aanwijzingen en het uitdelen van bekeuringen door de politie niet leidt tot afname van de overlast. Het verblijfsverbod wordt opgelegd voor feiten die leiden tot verstoring van de openbare orde. Het is niet doorslaggevend of de feiten op straat plaatsvinden, maar er moet wel een verband zijn met de openbare orde. Zo zullen bedreigingen in een winkel of een inloopcentrum wel degelijk relevant zijn voor de openbare orde en ten grondslag kunnen liggen aan een verblijfsontzegging. Ook kunnen strafbare feiten die zich afspelen in een voor pubiek toegankelijke inrichting de basis zijn voor een verblijfsontzegging. De burgemeester legt in beleidsregels vast hoe hij uitvoering geeft aan zijn bevoegdheid. Zoals in het artikel is aangegeven is de maximale duur van een verblijfsverbod 12 weken. De duur waarvoor een verblijfsverbod door de burgemeester wordt opgelegd wordt gerelateerd aan de ernst van het geconsateerde feit. Daarbij moet er een verband zijn met de aangewezen gebieden. Paragraaf 2 Manifestaties Artikel 2:3 Manifestaties De Wet openbare manifestaties (Wom) is van toepassing op de activiteiten die vallen onder de bescherming van de artikelen 6 en 9 van de Grondwet, namelijk betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging, voor zover die worden gehouden op openbare plaatsen. De Wom heeft betrekking op collectieve uitingen, dat wil zeggen uitingen van meer dan twee personen. De Wom kent bepaalde bevoegdheden toe aan de gemeenteraad en de burgemeester namelijk het hanteren van een kennisgevingstelsel, het geven van aanwijzingen, en – in het uiterste geval – het beëindigen van een manifestatie. Deze bepaling geeft een nadere invulling aan het doen van een kennisgeving van een voorgenomen openbare manifestatie. Over vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent de Wom aan de burgemeester alleen repressieve bevoegdheden toe. Voor deze activiteiten is geen voorafgaande kennisgeving vereist. De gedachte hierachter is dat voor manifestaties op niet-openbare plaatsen een terughoudende opstelling vooraf van de overheid op haar plaats is. De Wom definieert wat een openbare plaats is: een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik openstaat voor het publiek. Dat wil zeggen dat een ieder in beginsel vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan. Op die plaats is het verblijf niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden. Op grond hiervan kunnen bijvoorbeeld stadions, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken niet als openbare plaatsen worden aangemerkt, maar wel openbare wegen, pleinen, speelweiden, parken en de voor ieder vrij toegankelijke gedeelten van bijvoorbeeld overdekte passages, winkelgalerijen en stationshallen. Er zijn allerlei activiteiten op of aan de weg die geen manifestaties zijn in de zin van de Wom. Deze worden aangeduid met de verzamelterm «evenementen». Het gaat daarbij om activiteiten die erop zijn gericht publiek aan te trekken of die feitelijk tot allerlei samenkomsten op of aan de weg leiden, zie artikel 2:10. Overtreding van de in het eerste lid opgenomen verplichting is strafbaar gesteld in de Wom. Op grond van die wet kan de burgemeester onder omstandigheden de manifestatie verbieden. De kennisgeving bevat in ieder geval de in het tweede lid genoemde gegevens. Onder omstandigheden kan het nodig zijn dat nog andere gegevens moeten worden overgelegd. Het bewijs van kennisgeving vormt voor de organisator het bewijs dat hij aan zijn wettelijke verplichting heeft voldaan. De, al dan niet automatisch gegenereerde, ontvangstbevestiging van de melding is niet het bewijs van kennisgeving. Het vierde lid bevat de regeling die voorkomt dat afhandeling op zaterdag, op zondag, op een algemeen erkende feestdag of op een werkdag na 12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste is gedaan om toch nog over enige uren voor beoordeling en besluitvorming te beschikken. Het vijfde lid heft genoemde verplichting – en dus de strafbaarstelling – op, als naar het oordeel van de burgemeester van bijzondere omstandigheden sprake is, bijvoorbeeld bij een spontane publieke samenkomst naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Concreet valt hierbij te denken aan een stille tocht. Wel geldt de verplichting onverwijld schriftelijk kennis te geven van de manifestatie. Die manifestatie is als een betoging op te vatten, omdat volgens de rechtspraak van een betoging sprake is, wanneer een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet in beweging, en de groep erop uit is een mening uit te dragen. Bij deelneming van twee personen kan al sprake zijn van een collectieve uiting. Alleen een vreedzame betoging kan aanspraak maken op grondwettelijke bescherming. Het element meningsuiting moet voorop staan. Waar het uitdragen van de mening op de achtergrond raakt en dwangmiddelen tegen de overheid of derden domineren, bijvoorbeeld bij blokkades van wegen, is grondwettelijke bescherming niet aan de orde: demonstreren mag, blokkeren mag niet. Er is geen verbodsbepaling voor manifestaties opgenomen. Een demonstratie of betoging kan alleen op grond van de Wom door de burgemeester worden verboden. Volgens rechtspraak is er bijvoorbeeld reden voor een verbod wanneer er gegronde vrees bestaat voor ernstige ongeregeldheden die niet kunnen worden voorkomen of bestreden door middel van door de overheid te treffen maatregelen. Bij manifestaties waarbij ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde bestaat of de verstoring daadwerkelijk plaatsvindt, kan de burgemeester bevelen, zoals bedoeld in artikel 175 van de Gemeentewet of een noodverordening, zoals bedoeld in artikel 176 van de Gemeentewet uitvaardigen. De enkele omstandigheid dat een bepaalde demonstratie bij het publiek irritaties opwekt of tegendemonstraties uitlokt biedt onvoldoende basis voor een verbod. Een verbod kan ook worden gegeven als de vereiste kennisgeving niet tijdig is gedaan of de vereiste gegevens niet tijdig zijn verstrekt. Handelen in strijd met het verbod is strafbaar op grond van artikel 11 van de Wom. Paragraaf 3 Vertoningen en dergelijke op de weg Artikel 2:4 Straatartiest en dergelijke In deze bepaling wordt het op straat optreden geregeld van mimespelers, goochelaars, jongleurs, muziek- en zanggroepen, straattekenaars, theatergroepen et cetera. Voor een belangrijk deel vallen deze vormen van expressie onder de bescherming van artikel 7, derde lid, van de Grondwet. Op grond hiervan kan geen voorafgaand verlof worden gesteld aan het uiten van gedachten of gevoelens – anders dan via de drukpers – wegens de inhoud daarvan. Deze bepaling heeft geen betrekking op de inhoud van de uiting. Gereguleerd wordt alleen de verspreiding van de activiteiten over de gemeente om overlast te voorkomen. De aspecten inhoud en verspreiding zijn in de praktijk moeilijk los van elkaar te zien. Voorop staat daarom dat er voldoende ruimte voor deze activiteiten moet overblijven. Naast het belang van de vrijheid van expressie leveren straatartiesten ook een bijdrage aan een veelzijdige en aantrekkelijke gemeente. Op grond van het eerste lid is het verboden om als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar of filmoperateur voor publiek op te treden. Hierop worden in het tweede lid belangrijke uitzonderingen gemaakt: het optreden is toegestaan mits met ten hoogste vijf personen wordt opgetreden, een optreden niet langer duurt dan een half uur (exclusief 10 minuten voor het opbouwen van een straatact), ’s avonds niet wordt opgetreden en geen gebruik wordt gemaakt van draaiorgels of geluidsversterkende apparatuur. Het criterium «een half uur achtereen op dezelfde plaats» geeft aan dat een optreden niet tussentijds een of meerdere keren mag worden onderbroken om het vervolgens voort te zetten totdat de totale speeltijd van een half uur is bereikt. Verder moet voor een volgend optreden een afstand van ten minste 100 meter in acht worden genomen. Ook mag niet actief worden gecollecteerd. Wordt niet aan deze voorwaarden voldaan, dan is een ontheffing nodig. Op grond van het derde lid kan de burgemeester het optreden als bedoeld in het tweede lid beperken tot bepaalde dagen en uren. Ook kan de burgemeester op grond van het vierde lid ontheffing verlenen van het verbod. Deze bevoegdheden komt de burgemeester toe op grond van artikel 174 van de Gemeentewet. Paragraaf 4 Veiligheid op of in het openbaar water Artikel 2:5 Veiligheid op of in het openbaar water Het eerste lid is een aanvulling op het Binnenvaartpolitiereglement en richt zich niet zoals het Binnenvaartpolitiereglement op de gebruikers van vaartuigen, maar op de overige gebruikers van het openbaar water. Bij handelingen die gevaar, schade of hinder kunnen opleveren kan (niet uitputtend) worden gedacht aan: het met enig voorwerp steken of haken in de metselwerken van bruggen of sluizen of de daarvoor niet bestemde hout- of ijzerwerken, het lopen, klimmen of zich bevinden in meerpalen, remmingswerken of sluisdeuren, het onbevoegd bedienen van een brug, sluisdeur of de daarbij behorende schuif, de schuif van het bij een sluis behorend riool, of schuiven van afzonderlijke duikers, het met een vaartuig in de havens op die manier te liggen of te varen dat met dat vaartuig of met de meermiddelen daarvan, of door golfslag of zuiging, hinder, schade of een ongeluk wordt veroorzaakt. Paragraaf 5 Veiligheid op de weg Artikel 2:6 Winkelwagens Het gebruik van winkelwagens op de openbare weg is toegestaan, maar de wagens moeten onverwijld na gebruik van de openbare weg worden verwijderd. Dit is zowel een verplichting voor de ondernemer, de eigenaar van de winkelwagens, als voor de consument. De verplichting voor de consument is opgenomen in het tweede lid. Deze bepaling beoogt op deze manier het rondzwerven van winkelwagens te verkleinen door de winkelbedrijven én de gebruiker te verplichten de gebruikte en achtergelaten winkelwagens onverwijld te verwijderen, of terug te brengen. Dit komt de veiligheid ten goede. Uit het derde lid volgt dat de consument zich alleen met een winkelwagen op de weg in de onmiddellijke omgeving van het bedrijf of winkelcentrum mag bevinden. Als dit winkelbedrijf omgevingsvergunningplichtig is krachtens de Wet milieubeheer, kunnen voorschriften over winkelwagens worden verbonden aan de omgevingsvergunning. Artikel 2:7 Hinderlijke voorwerpen, modder of stoffen op de weg of openbare plaats Eerste lid Als door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden, een last opleggen om de bomen of beplanting te snoeien of te verwijderen. Bomen of struiken in voortuinen kunnen flink uitgroeien. Wanneer de bomen of struiken niet regelmatig worden gesnoeid kunnen ze over het trottoir of de weg heen (gaan) hangen wat hinderlijk kan zijn voor voetgangers of overige weggebruikers. Omdat onder het begrip «weggebruikers» ook voetgangers vallen, kan ook tegen eigenaren van die bomen en struiken worden opgetreden. Ook kunnen op grond van dit artikel hinderlijk opgehangen spandoeken worden verwijderd. Tweede lid Modder of klei op de weg is een dermate groot probleem dat het effectief daarop kunnen handhaven noodzakelijk is, te meer de gemeente Alkmaar 128 kilometer wegen in het buitengebied in beheer heeft. Bij het beheer en onderhoud van de wegen hoort dan ook een bepaling om een weg bruikbaar te houden en hinderlijke voorwerpen of stoffen op een weg tegen te gaan. Dit komt de veiligheid op de weg ten goede. Vooral tijdens de campagnes van de land- en tuinbouwsector komt er modder of klei op het wegdek terecht. Dit kan zorgen voor gevaarlijke verkeerssituaties. Modder of klei op de weg dient dan onmiddellijk te worden verwijderd. Het onmiddellijk weer berijdbaar maken van de weg mag in alle redelijkheid van de vervuiler worden gevraagd. Het door het schoonspuiten verdwijnen van modder in de bermen, dat een al dan niet tijdelijke verslechtering van de afwatering van de weg als gevolg kan hebben, wordt als een zeer klein potentieel verkeersgevaar gezien, zeker in vergelijking met het uitvoeren van voor andere verkeersdeelnemers hinderlijke werkzaamheden tot het verzamelen en vervolgens verwijderen van modder (voor zover dat mogelijk is). Overigens wordt door adequaat bermbeheer dit soort mogelijke problemen in het algemeen voorkomen. Vierde lid Dit lid gaat niet verder dan het stellen van een afstandsvereiste voor het aanbrengen van prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen. Artikel 2:8 Veiligheid op het ijs Het verbod beoogt de veiligheid en de bruikbaarheid van het ijs voor schaatsen en ander vermaak zo veel mogelijk te waarborgen. Uit het verbod kan geen aansprakelijkheid van de gemeente worden afgeleid voor door het ijs zakken. Artikel 2:9 Plaatsen van zaken bij samenkomsten Bijvoorbeeld bij evenementen op het Waagplein moeten op bepaalde plaatsen fietsen en andere voorwerpen kunnen worden verwijderd om het evenement goed te laten verlopen. Dit artikel geeft hiervoor de juridische grondslag. Op grond van artikel 174, derde lid, van de Gemeentewet is de burgemeester belast met de uitvoering van (bepalingen van) verordeningen die betrekking hebben op het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden, en op de vo

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.