← Nederland

Beleidsregels Keur waterschap Aa en Maas 2013 (Waterschap Aa en Maas)

In het kort

Deze beleidsregels concretiseren de regels van het Waterschap Aa en Maas voor activiteiten die de waterhuishouding kunnen beïnvloeden, met als doel overstromingen, wateroverlast en waterschaarste te voorkomen en te beperken. Ze dienen als toetsingskader voor het verlenen van vergunningen voor werkzaamheden in, op, onder of nabij waterkeringen, oppervlaktewaterlichamen en grondwater.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Beleidsregels Keur waterschap Aa en Maas 20131. Inleiding 1.1 Algemeen 1.1.1 KeurHet waterschap is bevoegd om nadere regels te stellen aan activiteiten die mogelijk een nadelig effect hebben op de waterhuishouding. Dit met als doel het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Betreffende regels zijn in de Keur vastgelegd met een aantal gebods- en verbodsbepalingen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar waterkeringen, oppervlaktewater en grondwater. De Keur van waterschap Aa en Maas is gebaseerd op de modelkeur van de Unie van waterschappen

(2012). De gebods- en verbodsbepalingen in de Keur zijn algemeen van aard. Via een aantal algemene regels en beleidsregels zijn deze verder uitgewerkt, ten behoeve van: Het beschermen tegen activiteiten die de stabiliteit van waterkeringen in gevaar brengen. Het beschermen tegen activiteiten die de waterhuishoudkundige functie (wateraanvoer en -afvoer, waterbergen, waterpeilen) van het oppervlaktewatersysteem aantasten. Het beschermen tegen activiteiten die een negatief effect hebben op de nagestreefde ecologische doelen. Het beschermen tegen activiteiten die de grondwatervoorraad in gevaar brengen. Het beschermen tegen activiteiten die het waterschap hinderen in het tegen zo laag mogelijk kosten uitvoeren van het beheer en onderhoud aan oppervlaktewaterlichamen en waterkeringen. 1.1.2 Algemene regels Veel voorkomende werkzaamheden die onder voorwaarden kunnen worden toegestaan, reguleert het waterschap zoveel mogelijk via algemene regels. Hiermee worden tijdrovende en onnodige vergunningprocedures voorkomen. 1.1.3 BeleidsregelsDaar waar niet aan de algemene regels kan worden voldaan, bestaat de mogelijkheid een vergunning voor de werkzaamheden aan te vragen waarbij nadere regels aan de wijze van uitvoering en onderhoud kunnen worden gesteld. Om op eenduidige wijze te kunnen bepalen of en hoe een activiteit kan worden vergund, hanteert het waterschap beleidsregels. Alhoewel bij de beleidsregels onderscheid wordt gemaakt naar waterkeringen, oppervlaktewater en grondwater wordt één integrale watervergunning verleend per activiteit. Het verlenen van een watervergunning door het waterschap ontslaat de vergunninghouder niet van de plicht om zich te houden aan overige wet- en regelgeving of van de plicht om maatregelen te nemen om te voorkomen dat derden (onevenredige) schade lijden. In de beleidsregels zijn raakvlakken met andere wet- en regelgeving ter informatie opgenomen. Dit is niet allesomvattend en moet worden gezien als een eventueel hulpmiddel voor andere wet- en regelgeving die (wellicht) geldt. Figuur 1: Relatie Keur, algemene regels en beleidsregels 1.1.4 Beschermde gebieden Gebieden die op basis van de aan hen toegekende functies een extra waterhuishoudkundige bescherming behoeven, zijn aangemerkt als beschermde gebieden Keur. Voor deze gebieden zijn specifieke beleidsregels opgesteld. Het betreft de in tabel 1 opgenomen gebieden. Met uitzondering van de waterbergingsgebieden zijn deze gebieden opgenomen op de kaart “oppervlaktewater behorende bij de Keur”. De waterbergingsgebieden zijn opgenomen op de leggerkaart. Tabel 1: Overzicht beschermde gebieden, inclusief de doelen die met specifieke beleidsregels worden beoogd Beschermde gebieden Met als doel Beschermde gebieden waterhuishouding: •Ecologische hoofdstructuur (verdicht) Interne bescherming van de hydrologische randvoorwaarden voor natuurbehoud en herstel in de EHS/natte natuurparels/N
  1. Gerealiseerde ecologische verbindingszones Bescherming van de werking van gerealiseerde ecologische verbindingszones. Attentiegebieden Externe bescherming van de hydrologische randvoorwaarden voor natuurbehoud en herstel in de natte natuurparels. Zoekgebieden beekherstel en ecologische verbindingszones Om de toekomstige meandering van beken met de functie beekherstel mogelijk te houden. Om de toekomstige inrichting van ecologische verbindingszones mogelijk te houden. Waterbergingsgebieden Bescherming van de waterbergingscapaciteit in de daarvoor ingerichte gebieden. Wijstgebieden Hydrologische bescherming van het geohydrologische verschijnsel wijst. Veel van de beschermde gebieden keur vinden hun oorsprong in het provinciaal beleid en zijn als zodanig ook door de provincie begrensd. Als gevolg van provinciale beleidswijzigingen kunnen hierin mutaties optreden. Het waterschap anticipeert hierop door de keurkaart aan te passen en in de tussenliggende tijd vergunningen die hierop betrekking hebben bestuurlijk te verlenen. 1.1.5 Relatie met de legger Een legger is een door het waterschap vastgesteld register. De functie van een legger is om derden en het waterschap inzage te geven in de taken van het waterschap ten aanzien van beheer en onderhoud. De beheertaken en onderhoudsplichten van het waterschap en van derden waarop het waterschap toezicht uitoefent, zijn hierin opgenomen. Daarbij geeft de legger ook aan tot waar het regime van de Keur van toepassing is. Legger waterkeringen In de legger waterkeringen zijn alle waterkeringen naar vorm, afmetingen en ligging vastgelegd, inclusief de beschermingszones. Legger oppervlaktewater In de legger oppervlaktewater zijn de belangrijkste oppervlaktewaterlichamen naar afmetingen en ligging ruimtelijk vastgelegd, inclusief de beschermingszones die hiervoor gelden. Er wordt, gerangschikt naar afnemend belang, onderscheid gemaakt naar vier categorieën oppervlaktewaterlichamen. Tabel 2: Overzicht categorieën waterlopen Categorie Omschrijving Categorie A waterloop Waterlopen met een maatgevende aan- en/of afvoer van meer dan 30 liter per seconde. Deze waterlopen zijn qua afmetingen en ligging, inclusief beschermingszones, vastgelegd in de legger. Categorie B waterloop Waterlopen met een maatgevende afvoer van minder dan 30 liter per seconde. Uitgezonderd de Categorie C waterlopen. Deze waterlopen zijn alleen qua ligging vastgelegd in de legger. Categorie C waterloop Waterlopen met een maatgevende afvoer van minder dan 10 liter per seconde, die slechts dienstig zijn aan één belanghebbende. Deze waterlopen zijn niet vastgelegd in de legger. Solitaire wateren Geïsoleerd gelegen oppervlaktewaterlichamen die niet dienen voor afvoer, aanvoer en berging van water. Het waterschap is verantwoordelijk voor het op orde houden van de categorie A waterlopen, en wel op de wijze zoals deze zijn vastgelegd in de legger. In de Keur en de bijbehorende regels wordt ook onderscheid gemaakt naar deze vier categorieën waterlopen. Gelet op het waterhuishoudkundig belang zijn de regels voor de categorie A waterlopen het meest stringent. Aan werkzaamheden in en rond categorie C waterlopen zijn slechts beperkt eisen gesteld. 1.1.6 Waterkwaliteitsaspecten Het waterschap toetst werkzaamheden van derden met deze beleidsregels uitsluitend op de stabiliteit van de waterkeringen, waterhuishoudkundige en ecologische effecten op het watersysteem, effecten op de grondwatervoorraad en de consequenties voor beheer en onderhoud daarvan. De invloed van werkzaamheden van derden op de waterkwaliteit wordt op basis van de Waterwet en bijbehorende Algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) getoetst en valt daarmee buiten het bereik van deze beleidsregels. 1.1.7 Eigen werkzaamheden Met de Keur, de bijbehorende algemene regels en beleidsregels en de legger, reguleert het waterschap uitsluitend activiteiten van derden. Als waterbeheerder voert het waterschap echter zelf ook veel werkzaamheden in en rond het watersysteem uit. De reguliere beheermaatregelen die het waterschap uitvoert, zijn bedoeld er voor te zorgen dat de waterstaatswerken op de afmetingen blijven zoals die zijn vastgesteld in de legger. Voor al deze werkzaamheden geldt er geen meldplicht of vergunningplicht. Wel houdt het waterschap zich zelf ook aan de regels zoals wij die aan derden stellen. Door nieuwe ambities of functiewijzigingen moet het watersysteem soms aangepast worden. Dergelijke aanpassingen doet het waterschap door middel van een projectplan. Belanghebbenden kunnen tegen deze plannen bezwaar maken. 1.1.8 Recreatie en sportvisserij De Keur, algemene regels en beleidsregels gericht op oppervlaktewaterlichamen zijn het juridisch instrumentarium waarmee het waterschap bestuursrechtelijk de waterbeheerbelangen voor het watersysteem beschermt. Veel van de categorie A-waterlopen zijn in eigendom van het waterschap evenals de werkpaden die langs veel van deze oppervlaktewaterlichamen aanwezig zijn. De belangen van het waterschap als eigenaar worden beschermd via het privaatrechtelijke spoor. Dit is vastgelegd in de nota ‘Recreatief medegebruik’. Eisen met betrekking tot sportvisserij zijn vastgelegd in huurovereenkomsten. 1.1.9 Vaarweg- en nautisch beheer Het vaarwegbeheer en het nautisch beheer worden in principe tot de reguliere waterbeheertaken van het waterschap gerekend. Voor de provinciale vaarwegen is in de Verordening water van de provincie Noord-Brabant aangeven wie vaarweg- en nautisch beheerder is. Daar waar het vaarwegbeheer een duidelijke verzwaring van taken betekent heeft in het verleden besluitvorming plaatsgevonden om een vaarweg- en nautisch beheerder aan te wijzen. Voor de wateren in de gemeenten 's Hertogenbosch en Helmond is de gemeente dit. Op basis van de Scheepsvaartverkeerswet heeft het waterschap een verkeersbesluit vaarwegen genomen waarin regels zijn opgenomen voor het varen op onze oppervlaktewaterlichamen. Vaaractiviteiten van derden worden aan deze regels getoetst. Waar bij activiteiten rekening moet worden gehouden met vaaractiviteiten, is dat opgenomen in deze beleidsregels. Op basis van de Scheepsvaartverkeerswet heeft het waterschap een verkeersbesluit vaarwegen genomen waarin regels zijn opgenomen voor het varen op onze oppervlaktewaterlichamen. Vaaractiviteiten van derden worden aan deze regels getoetst. Waar bij activiteiten rekening moet worden gehouden met vaaractiviteiten, is dat opgenomen in deze beleidsregels. 1.2 Leeswijzer Wanneer de Keur van toepassing is en er geen algemene regels (of vrijstellingen) zijn gesteld in de Algemene regels Keur waterschap Aa en Maas 2013 of een activiteit voldoet niet aan de algemene regels dan is de activiteit vergunningplichtig op grond van de Keur. Deze beleidsregels bevatten de concretisering van de regelgeving op het gebied van oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen en grondwateronttrekkingen in de Keur van het waterschap Aa en Maas. De beleidsregels vormen het toetsingskader bij vergunningverlening. Het document is opgebouwd uit vier hoofdstukken met daaronder de beleidsregels. Hoofdstuk 2 bevat de beleidsregels weer voor handelingen in, op, onder of nabij oppervlaktewaterlichamen. Hoofdstuk 3 gaat in op waterkeringen en hoofdstuk 4 bevat de algemene regels en vrijstellingen met betrekking tot grondwater.
  2. Beleidsregels oppervlaktewater 2.1 Algemene toetsingscriteria 2.1.1 Algemeen In artikel 2.1 van de Waterwet staan de doelstellingen die door de beheerder bij de toepassing van de wet in acht moeten worden genomen: Voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met; Bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, en; Vervulling van maatschappelijk functies voor watersystemen. In het Waterbeheersplan is aangegeven welke doelen waterschap Aa en Maas binnen zijn beheersgebied nastreeft. De algemene toetsingscriteria zijn gebaseerd op de doelstellingen van de Waterwet en de doelen van het Waterbeheersplan. De algemene toetsingscriteria voor oppervlaktewaterlichamen vallen uiteen in twee onderdelen: Toetsingscriteria die de constructie en waterhuishoudkundige functie van oppervlaktewaterlichamen waarborgen. Toetsingscriteria die het doelmatig onderhoud van categorie A en B oppervlaktewaterlichamen waarborgen. Naast de algemene toetsingscriteria zijn er specifieke criteria voor bepaalde onderwerpen opgenomen. Daar waar voor werken bijzondere specifieke beleidsregels van toepassing zijn gelden deze boven de algemene toetsingscriteria. 2.1.2 Constructie en waterhuishoudkundige functie categorie A en B waterlichamenVanuit waterhuishoudkundig oogpunt hebben oppervlaktewaterlichamen vooral een functie voor de afvoer, aanvoer en/of berging van water. Daarnaast hebben watergangen veelal ook een ecologische functie. Algemeen uitgangspunt bij de beoordeling van aanvragen voor een watervergunning voor werken/werkzaamheden in of nabij oppervlaktewaterlichamen is dan ook dat de functie van het oppervlaktewaterlichaam voor de afvoer, aanvoer en/of berging van water en de ecologie niet in gevaar komt. Bij de beoordeling van aanvragen voor een watervergunning op dit algemene toetsingscriterium wordt onder meer gekeken naar de volgende waterhuishoudkundige aspecten: Stabiliteit taluds Doel van de bepalingen in de Keur is het behouden van een goede stabiliteit van het talud. In de nieuwe situatie mag het onderwatertalud en het bovenwatertalud in principe niet steiler zijn dan 1:1,
  3. Tevens moet worden voorkomen dat de stabiliteit van het talud wordt aangetast. Deze kan onder meer in gevaar komen door: Ontbreken van begroeiing op talud. Bij een onbegroeid talud neemt de kans op erosie toe. Schaduwwerking. Hierdoor neemt de dichtheid van de eventueel aanwezige grasmat van het talud af, wat de kans op erosie vergroot. Belastingtoename. Een (bouw)werk of grondlichaam oefent een zekere druk uit op de ondergrond. Door deze belastingtoename kan het gebeuren dat het talud instabiel wordt en vervolgens gaat afschuiven of dat de beschoeiing bezwijkt. Uitgangspunt is dat binnen 1 meter vanaf insteek water bij normaal waterpeil (bouw)werken alleen zijn toegestaan mits zij deugdelijk zijn gefundeerd en geen extra druk uitoefenen op talud en/of beschoeiing. Voor watergangen vallend onder de categorie A geldt daarnaast een beschermingszone van 5 meter. Doorstroomcapaciteit water Doel van de keur is het voorkomen van stremming, stuwing en wijziging van de afvoer en aanvoer van water. Als in de nieuwe situatie de doorstroomfunctie wordt aangetast, moet deze functie geheel worden gecompenseerd. Bij het bepalen van de doorstroomcapaciteit houdt het waterschap rekening met de bergingscapaciteit. Bergingscapaciteit water Doel van de keur is het behouden van de bestaande bergingscapaciteit van het betreffende afwateringsgebied. In de nieuwe situatie moet verloren bergingscapaciteit in peilbesluit- en stedelijke gebieden geheel worden gecompenseerd. Bij het bepalen van de bergingscapaciteit houdt het waterschap rekening met de uitgangspunten dat: de omgeving qua afvoer niet zwaarder mag worden belast dan voorheen en het watersysteem in het plangebied moet voldoen aan de normen voor wateroverlast zoals die zijn vastgelegd in de provinciale waterverordening en Waterbeheerplan Aa en Maas (in bebouwd gebied is de norm T=100 (waarbij de kans op het buiten zijn oevers treden kleiner is dan 1/100 per jaar) en in landelijk gebied T=10 (idem maar dan kleiner dan 1/10 per jaar). De aanvrager moet zelf aantonen hoe aan deze criteria wordt voldaan. Daarbij moet de aanvrager gebruik maken van de meest recente KNMI scenario’s voor neerslag. Ecologische toestand water Doel van de Keur is het beschermen van de ecologische toestand van oppervlaktewaterlichamen en oevers. Bij de behandeling van de vergunningaanvraag wordt beoordeeld wat het effect is op de ecologische toestand van een water. Als algemeen criterium geldt dat er geen negatief effect mag zijn op aanwezige of nog te ontwikkelen ecologische waarden. Zo is het niet toegestaan om werken (bijvoorbeeld steigers of vlonders) aan te leggen op locaties waar natuurvriendelijke oevers liggen óf zijn gepland, indien het negatieve effect op de ecologie niet volledig wordt gecompenseerd. Onderscheid is gemaakt in KRW-waterlichamen en overige oppervlaktewaterlichamen (met of zonder een natuurfunctie). Er wordt gewerkt aan kwaliteitsbeelden voor zowel stedelijk als landelijk water, deze gaan gelden als integraal toetsingskader voor overig water. In de specifieke toetsingscriteria worden de ecologische uitgangspunten per ingreep weergegeven. Hierbij wordt het effect op stromende (R-type) en niet stromende (M-type) oppervlaktewaterlichamen benaderd. KRW-waterlichamen. Op grond van de uitgangspunten in de Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn door de provincie in het provinciaal Waterplan 2010-2015 de oppervlaktewaterlichamen aangewezen. Voor deze oppervlaktewaterlichamen zijn de doelen (GEP; Goed Ecologisch Potentieel), geplande maatregelen en huidige ecologische toestand per kwaliteitselement (vissen, waterplanten, zuurstof etc.) gekwantificeerd en vastgelegd in het provinciaal waterplan en/of het waterbeheersplan. In de Nederlandse wetgeving is bepaald dat de ecologische toestand ten opzicht van de huidige ecologische toestand niet mag achteruitgaan. Ingrepen mogen daarnaast geen belemmering vormen voor geplande maatregelen of gestelde doelen. De in dit kader uit te voeren maatregelen zijn in de Keur opgenomen als zoekgebied beekherstel en – ecologische verbindingszone. Elke vergunningaanvraag met betrekking tot deze zoekgebieden wordt hieraan getoetst. Overige oppervlaktewaterlichamen (met een natuurfunctie). In het Waterbeheerplan Aa en Maas 2010-2015 staan alle oppervlaktewaterlichamen aangeven met een natuurfunctie (beekherstel, natuurvriendelijke oever en ecologische verbindingszone). Dit zijn oppervlaktewaterlichamen waar extra gelet wordt op het beschermen van de ecologische toestand. Ook bij de oppervlaktewaterlichamen zónder natuurfunctie wordt gelet op het beschermen van de ecologische toestand, zij het in mindere mate. Van de overige wateren is de huidige ecologische toestand niet gekwantificeerd en vastgelegd in het provinciaal waterplan of het waterbeheersplan. Voor deze wateren wordt een meer kwalitatieve benadering gehanteerd om te bepalen of er sprake is een negatief effect op huidige ecologische waarden. Deze benadering werkt als volgt: indien bijvoorbeeld een natuurvriendelijke oever van een bepaalde afmeting verloren gaat, moet deze worden gecompenseerd door een nieuwe natuurvriendelijke oever met een vergelijkbare ecologische functie. Migratiebarrières verdienen hierbij afzonderlijke aandacht, omdat deze effect hebben op een groter deel van de watergang. Grondwatersituatie Doel van de Keur is het beschermen van de gewenste grondwatersituatie met het oog op een optimaal gebruik door de verschillende daar aan verbonden belangen. Deze is afhankelijk van de functie en het gebruik van de langs de watergang gelegen gronden. Het is onwenselijk dat peilen zodanig wijzigen dat natuur verdroogd raakt, funderingen van woningen worden aangetast of natschade ontstaat. Daarnaast kunnen ook andere handelingen in het watersysteem zoals slootdempingen veranderingen in de grondwaterstand veroorzaken. In het Waterbeheerplan 2010-2015 is aangegeven dat de gewenste grondwatersituatie via de GGOR (Gewenst Grond- en Oppervlaktewaterregime) gekwantificeerd wordt bepaald. Daar waar de GGOR is bepaald of visies zijn opgesteld zullen deze als toetsingskader dienen voor de vergunningverlening. Beschermde gebieden Op de Keurkaarten zijn de (hydrologisch) beschermde gebieden aangegeven. Het gaat daarbij om de gebieden binnen de Ecologische hoofdstructuur (incl. Natte natuurparels (TOP-lijst) en de Natura 2000-gebieden), de beschermingszones rond de Natte Natuurparels (attentiegebieden), Wijst gebieden, de gerealiseerde ecologische verbindingszones en de zoekgebieden voor beekherstel en ecologische verbindingszones (nog te realiseren). Dit zijn de belangrijkste gebieden waar gelet moet worden op het beschermen van de natuur tegen verdroging. Bij wijst gaat het daarbij ook om de voor wijst gronden specifieke hydrologische toestand en bij de zoekgebieden gaat het tevens om het weren van activiteiten die het uitvoeren van voorgenomen maatregelen belemmeren dan wel onmogelijk maken. 2.1.3 Doelmatig onderhoud van categorie A oppervlaktewaterlichamen Doel van de bepalingen in de Keur is het onbelemmerd kunnen uitvoeren van het onderhoud van de categorie A oppervlaktewaterlichamen, veelal watergangen in onderhoud bij het waterschap. Bij de behandeling van de vergunningaanvraag wordt beoordeeld of het onderhoud van de watergang naar behoren kan worden uitgevoerd. In de legger zijn de afmetingen van de oppervlaktewaterlichamen, inclusief aanwezige beschermingszone, vastgelegd. Deze beschermingszone heeft vooral ten doel om de watergang toegankelijk te houden voor – doorgaans machinaal – uit te voeren onderhoud. Gezien de grote variëteit aan watergangen binnen het beheergebied van het waterschap is het niet mogelijk voor elke denkbare situatie dekkende criteria op te stellen. Aanvragen voor een watervergunning worden in ieder geval aan de volgende eisen voor wat betreft de afmetingen van watergangen en kunstwerken getoetst: Onderhoud vanaf de oever Wanneer het onderhoud vanaf de oever plaatsvindt: dient bij watergangbreedtes tot 7 meter (gerekend vanuit de insteek) de watergang ten minste aan één zijde te zijn voorzien van een obstakelvrije vlakke strook van minimaal 5 meter breedte, waarbij rekening wordt gehouden met de hoogte van onderhoudsmaterieel van 4 meter; bij watergangbreedtes van meer dan 7 meter (gerekend vanuit de insteek) de watergang aan twee zijden voorzien te zijn van een obstakelvrije vlakke strook van minimaal 5 meter breedte, waarbij rekening wordt gehouden met de hoogte van onderhoudsmaterieel van 4 meter; mogen de in de watergang aanwezige boten geen belemmering vormen voor het reguliere rijdende onderhoud. Varend onderhoud Wanneer het onderhoud varend plaatsvindt: dient er voldoende waterdiepte (ook naast eventueel mee te maaien natuurvriendelijke oevers) te zijn: > 1 meter bij minimale bodembreedte van 3,50 meter; dient de te onderhouden watergang minimaal 50 meter lang te zijn; dient er voldoende doorvaarthoogte van de aanwezige kruisingen met infrastructuur te zijn van 1 meter ten opzichte van normaalpeil of, wanneer zomer- en winterpeil worden gehanteerd, tot zomerpeil; dient er een beperkte breedte van de aangrenzende natuurvriendelijke oevers te zijn van maximaal 2,0 - 2,5 meter; dienen er locaties aanwezig te zijn waar een maaiboot te water kan worden gelaten: trailerhelling met ten minste een halfverharding, ten minste 3,5 meter breed, taludhelling 1:5 of flauwer; dient er een locatie aanwezig te zijn waar maaisel uit de watergang kan worden verwijderd en op een voertuig kan worden geladen om zo te worden afgevoerd; dient er in een locatie aanwezig te zijn van 10 meter bij 10 meter (met een waterdiepte > 1 meter) waar maaiboot gekeerd kan worden (zodat maaisel kan worden opgeduwd); mogen de in de watergang aanwezige boten geen belemmering vormen voor het varend onderhoud. Groot onderhoud (baggeren en vervangen van de beschoeiing) Wanneer groot onderhoud plaatsvindt zoals het baggeren van watergangen en het vervangen van de beschoeiing, dienen (bouw)werken/ steigers/ terrassen e.d. binnen 1 meter vanaf insteek water voorafgaand daaraan te worden verwijderd door de vergunninghouder. 2.2 Werkzaamheden in beschermde gebieden waterhuishouding, gerealiseerde ecologische verbindingszones en attentiegebied KaderKeur Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszone door, anders dan in overeenstemming met de functie daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Hieronder worden ook werkzaamheden in beschermde gebieden waterhuishouding en attentiegebieden verstaan. Begripsbepaling De beschermde gebieden waterhuishouding zijn overgenomen uit de provinciale Verordening water. Hieronder valt de ecologische hoofdstructuur (EHS - opgevuld). De ecologische verbindingszones (EVZ) zijn overgenomen uit het Waterbeheerplan en betreft het ontsnipperen van natuurgebieden. Bij de attentiegebieden gaat het om beschermingsgebieden van gemiddeld 500 meter rond de zogenaamde "natte natuurparels" (rond de Groote Peel is de 2 kilometerzone uit het aanwijzingsbesluit van de minister van LNV op grond van de Natuurbeschermingswet als beschermingsgebied overgenomen). De begrenzing is overgenomen uit de provinciale Verordening water. In de EHS zijn gebieden aangewezen die qua natuur erg afhankelijk zijn van de waterhuishouding. De ecologisch meest waardevolle gebieden zijn aangemerkt als natte natuurparels. Een aantal van deze natte natuurparels heeft tevens de status van Natura 2000 gebied. Ter bescherming van natuurwaarden ligt rondom de natte natuurparels een beschermingszone, de zgn. attentiegebieden. Deze bufferzone wordt in deze beleidsregel als attentiegebied aangemerkt. Een EVZ is een zone die is (of wordt) ingericht om natuurkerngebieden met elkaar te verbinden met als doel de kwetsbaarheid van de natuur te verminderen. Inrichting en beheer van deze zones zijn erop gericht dat vooraf bepaalde doelsoorten zich langs deze zones kunnen verplaatsen. Toepassingsgebied Deze beleidsregel heeft uitsluitend betrekking op de beschermde gebieden waterhuishouding, welke zijn opgenomen op de kaart oppervlaktewater behorende bij de Keur. Wat betreft EVZ is deze beleidsregel uitsluitend van toepassing voor reeds gerealiseerde EVZ. Voor de nog niet realiseerde EVZ’s geldt een lichter beschermingsregime welke is vastgelegd in een afzonderlijke beleidsregel “beleidsregel werkzaamheden in zoekgebieden beekherstel en ecologische verbindingszones”. Het gaat bij het beschermingsbeleid binnen beschermde gebieden waterhuishouding met name om het lozen, onttrekken, aan- en afvoeren van water, maar geldt ook voor andere vergunningplichtige handelingen in oppervlaktewaterlichamen welke van invloed zijn op de hydrologische situatie. Raakvlakken met andere wet- en regelgeving De beschermde gebieden waterhuishouding zijn vastgelegd in de provinciale verordening water. Ruimte Waterhuishoudkundige ingrepen in en rond Natura 2000 gebieden dienen tevens te voldoen aan de eisen die worden gesteld vanuit de Natuurbeschermingswet. Doel van de beleidsregelHet doel van deze beleidsregel is er voor te zorgen dat waterhuishoudkundige ingrepen in kwetsbare gebieden er op gericht zijn de natuurwaarden te versterken dan wel te behouden. Motivering van de beleidsregelBescherming ecologische hoofdstructuur Door aanpassing van het watersysteem in het verleden zijn veel natte natuurgebieden in Brabant verdroogd. Het Rijk heeft in 2008 een lijst vastgesteld van gebieden die met voorrang moeten worden hersteld. Binnen Brabant zijn deze gebieden bekend als natte natuurparels. Een aantal hiervan is aangemerkt als Natura 2000 gebied. Binnen de ecologische hoofdstructuur dienen waterhuishoudkundige maatregelen in het teken van verdrogingsbestrijding te staan. In inrichtingsplannen en beheerplannen zijn de natuurdoelen en de inrichting en beheermaatregelen ter realisatie en bescherming van deze doelen opgenomen. Deze plannen worden benut bij het beoordelen van werkzaamheden van derden. Het beschermingsbeleid is hier gericht op instandhouding en waar mogelijk verbetering van de wezenlijke kernmerken en waarden van ecologische hoofdstructuur en Natura
  4. Gewerkt wordt aan een verbetering van de hydrologische situatie voor de natuur. Heeft een activiteit een hydrologisch effect en is er daarbij sprake van een positief effect op de wezenlijke kenmerken van de natuur dan kan een individuele ingreep in beginsel plaatsvinden indien deze onderdeel uitmaakt van een combinatie van plannen, projecten of handelingen die cumulatief per saldo tot een kwantitatieve en kwalitatieve versterking van de EHS en/of Natura 2000 leidt (“nee tenzij”). Attentiegebieden De attentiegebieden vormen de buffer tussen de natte natuurparels en hun omgeving. Binnen deze zones dienen hydrologische verschillen tussen natte natuurparels en omgeving opgevangen te worden. De attentiegebieden zijn in eerste instantie gericht op bescherming van de hydrologisch toestand binnen de zgn. natte natuurparels. Daarnaast kunnen in deze gebieden waar nodig compenserende maatregelen worden getroffen om uitstralingseffecten vanuit de natte natuurparels naar de omgeving te voorkomen. Bij voorkeur hebben activiteiten binnen deze zone een positief effect op de gewenste natuurontwikkeling. Ecologische verbindingszones Waterhuishoudkundige ingrepen die het functioneren van een EVZ hinderen of beperken dienen te worden voorkomen. ToetsingscriteriaBeschermde gebieden waterhuishouding Werkzaamheden die een structureel hydrologisch negatief effect hebben op de natuur gerichte waterhuishouding zijn niet toegestaan. Werkzaamheden die de waterhuishouding structureel aantasten kunnen alleen worden toegestaan als het hydrologisch negatief effect volledig wordt gecompenseerd. Ook indien de ingreep een gewenst effect heeft op de natuurfuncties, al is het doel van de ingreep niet primair op natuur gericht, dan kan de ingreep onder voorwaarden worden toegestaan. De vastgestelde GGOR visies voor Natura 2000 gebieden en/of natte natuurparels gelden als toetsingskader. Als deze effecten negatief zijn, zal de vergunning geweigerd worden of zullen er voorwaarden aan de vergunning worden gesteld. De compensatie door aanvullende maatregelen wordt beoordeeld door het waterschap. In specifieke gebieden binnen de EHS en oppervlaktewaterlichamen met bijzondere natuurwaarde kan een onttrekking onaanvaardbare gevolgen hebben voor het ecologische systeem. Dat kan reden zijn voor het weigeren van een vergunning of het eisen van extra (compenserende) maatregelen. Attentiegebieden Werkzaamheden mogen geen structureel hydrologisch negatief effect hebben op de waterhuishouding in natte natuurparels. Werkzaamheden die de waterhuishouding structureel aantasten kunnen alleen worden toegestaan indien het negatief effect volledig wordt gecompenseerd. Het effect van de maatregel wordt getoetst op de rand van de natte Natuurparel. De compensatie door aanvullende maatregelen wordt beoordeeld door het waterschap. Gerealiseerde ecologische verbindingszones Werkzaamheden mogen geen negatief effect hebben op de mogelijkheden voor planten en dieren om zich te verplaatsen. Werkzaamheden die de mogelijkheden om zich te kunnen verplaatsen structureel aantasten kunnen alleen worden toegestaan indien de aantasting volledig wordt gecompenseerd. Het aanbrengen van oeverbeschermende voorzieningen wordt niet toegestaan, tenzij een negatief effect voldoende kan worden gecompenseerd door aanvullende maatregelen. Bruggen mogen geen belemmering betekenen voor de aanwezige of nog te ontwikkelen ecologische waarden. De bruggen dienen dan ook geschikt te worden gemaakt voor het migreren van fauna. Bijvoorbeeld door de afmetingen van de brug hierop aan te passen of looprichels aan te brengen. De dammen met taluds dienen geschikt te zijn voor het migreren van (macro)fauna. Stuwen dienen passeerbaar te zijn voor macrofauna en vissen. Bijzondere toetsingscriteria specifiek voor drainage binnen beschermd gebied waterhuishouding en attentiegebied: (Onderstaande toetsingscriteria gelden aanvullend op bovenstaande specifieke toetsingscriteria per gebied.) Voor de beschermde gebieden waterhuishouding en attentiegebieden wordt een waterhuishoudkundige bescherming voorgestaan waarbij nieuwe drainage niet is toegestaan, tenzij deze bijdraagt aan het bereiken van een hydrologische plus en past binnen of deel uitmaakt van een projectplan/maatregelenpakket voor de ontwikkeling van de natuur (compenserende maatregelen ter voorkoming van uitstralingseffecten binnen attentiegebied ten gevolge van de natuurontwikkeling worden hierbij inbegrepen). Ook indien de ingreep een gewenst effect heeft op de natuurfuncties, al is het doel van deingreep niet primair op natuur gericht, dan kan de ingreep onder voorwaarden worden toegestaan. De vervanging van bestaande drainages wordt niet als een nieuwe waterhuishoudkundige ingreep geïnterpreteerd, mits deze wordt aangelegd volgens het principe van peilgestuurde drainage. Daarbij geldt dat de diepte waarop de uitmondingconstructie kan worden ingesteld gelijk dient te zijn aan de bestaande diepte, met een maximum diepte van 70 cm beneden het gemiddelde maaiveldniveau. 2.3 Werkzaamheden in wijstgebieden Kader Keur Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszone door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Hieronder worden ook werkzaamheden in wijstgebieden verstaan. Begripsbepaling Wijst is een uniek geohydrologisch verschijnsel dat zich langs de Peelrandbreuk voordoet. De Peelrandbreuk vormt de overgang tussen de zakkende gronden (slenk) en stijgende gronden (horst) in Oost Brabant. Langs de breuklijn schuren de gronden langs elkaar waardoor deze slecht doorlatend wordt voor grondwater. Het verschijnsel dat de grondwaterstand op de hoger gelegen horst duidelijk hoger ligt dan in de lager gelegen slenk, wordt als wijst getypeerd. Wijstgebieden zijn de gebieden waar dit verschijnsel duidelijk zichtbaar is. Toepassingsgebied Deze beleidsregels is van toepassing op de gebieden die als wijstgebieden zijn aangegeven op de kaart oppervlaktewater, behorende bij de Keur. De begrenzing van deze gebieden komt overeen met de projectgebieden wijst uit het provinciaal waterplan. Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Bescherming van de aardkundige waarde vindt plaats in de provinciale Verordening Ruimte en gemeentelijke bestemmingsplannen. Doel van de beleidsregel Het wijstverschijnsel is een geohydrologisch uniek fenomeen dat we wensen te behouden. Het doel van deze beleidsregel is het beschermen van het geohydrologisch verschijnsel wijst in de wijstgebieden. Motivering van de beleidsregel In een intentieverklaring
(2007)tussen provincie, waterschap, gemeenten, belangenorganisaties en terreinbeheerders zijn afspraken gemaakt om vijf wijstgebieden te herstellen. In het WBP 2010 – 2015 is opgenomen dat het waterschap het wijstverschijnsel in deze gebieden beschermt door activiteiten van derden te reguleren. Alle activiteiten die het wijstverschijnsel aantasten dienen te worden vermeden. Zoals het doorsnijden van de breuklijn of het treffen van voorzieningen om de grondwaterstand structureel te verlagen. Betreffende beleidsregel voorziet hierin. Toetsingscriteria Algemeen Activiteiten die tot een structurele daling van de grondwaterstand leiden, kunnen slechts worden toegestaan wanneer het negatieve effect op het wijstverschijnsel volledig kan worden gecompenseerd door aanvullende maatregelen. Activiteiten die tot een structureel grotere afstand leiden tussen maaiveld hoogte en grondwaterstand kunnen slechts worden toegestaan wanneer het negatieve effect op het wijstverschijnsel volledig kan worden gecompenseerd door aanvullende maatregelen. Het initiatief voor de aanvullende maatregelen ligt bij de aanvrager waarvan de hydrologische effectiviteit van de aanvullende maatregelen door het waterschap wordt beoordeeld. 2.4 Werkzaamheden in zoekgebieden beekherstel en ecologische verbindingszones KaderKeur Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszone door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Hieronder wordt ook werkzaamheden verstaan in zoekgebieden voor beekherstel en ecologische verbindingszones. Begripsbepaling Het waterschap heeft als inrichtingsopgave om voor 2027 circa 200 kilometer oppervlaktewaterlichamen als beek te herstellen. Bovendien dient in dezelfde periode circa 370 kilometer oppervlaktewaterlichaam te worden ingericht als ecologische verbindingszone. Deze inrichtingsopgaven overlappen elkaar deels. Voor welke oppervlaktewaterlichamen deze opgaven gelden, is vastgelegd in het waterbeheerplan 2010 – 2015 van het waterschap. Zolang de betreffende oppervlaktewaterlichamen nog niet als zodanig zijn ingericht, worden deze aangemerkt als zoekgebied beekherstel en ecologische verbindingszones. De zoekgebieden zijn standaard 25 meter breed. Een meander is het bochtig door het landschap kronkelen van de beek of rivier. In het beheergebied van Aa en Maas gaat het veelal om beperkte veranderingen in bodem en oever. Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op alle oppervlaktewaterlichamen met een inrichtingsopgave voor beekherstel en/of ecologische verbindingszone, welke nog niet als zodanig zijn ingericht. Betreffende trajecten zijn als zoekgebieden beekherstel en ecologische verbindingszones opgenomen op de kaart oppervlaktewater behorende bij de Keur. Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Voor al gerealiseerde EVZ is de beleidsregel “werkzaamheden in beschermde gebieden waterhuishouding” van toepassing. Doel van de beleidsregelVoorkomen dat in de zoekgebieden voor beekherstel en ecologische verbindingszones werkzaamheden worden uitgevoerd die het toekomstig meanderen van beken of de toekomstige inrichting van een ecologische verbindingszone ernstig belemmeren of onmogelijk maken. Motivering van de beleidsregelResultaatverplichting KRW Beekherstel en inrichting van EVZ zijn nodig om voor de betreffende oppervlaktewaterlichamen te kunnen voldoen aan de KRW doelstellingen. Hiervoor geldt een resultaatverplichting. Uiterlijk 2027 dienen de doelstellingen te zijn bereikt. In het WBP 2010 – 2015 wordt globaal inzicht geboden welk realisatietempo het waterschap hiervoor hanteert. Voorkomen moet worden dat maatregelen van derden tot gevolg hebben dat de KRW doelstellingen niet kunnen worden gehaald. Reserveren van ruimte voor toekomstige inrichting De inrichting van EVZ vergt een ruimtebeslag van gemiddeld 25 meter aan een zijde van het oppervlaktewaterlichaam. Het waterschap is verantwoordelijk voor de inrichting van de 10 meter gelegen direct langs het oppervlaktewaterlichaam. Voor beekherstel varieert deze ruimte van circa 10 meter in de bovenloop tot wel 125 meter benedenstrooms. In inrichtingsplannen wordt het ruimtebeslag nader geconcretiseerd. Zolang er nog geen inrichtingsplan is wordt voor de oppervlaktewaterlichamen met een inrichtingsopgave voor beekherstel en/of EVZ een zoekgebied gehanteerd met een breedte van 25 meter. Objecten infrastructurele werken en bouwwerken Voorkomen moet worden dat bij oppervlaktewaterlichamen met een inrichtingsopgave voor beekherstel en/of EVZ infrastructurele werken en bouwwerken worden uitgevoerd die het onmogelijk maken om ter plaatse de inrichtingsopgave mogelijk maken. Ook moet worden voorkomen dat bouwwerken tegen hoge kosten in een later stadium alsnog moeten worden verplaatst of compenserende maatregelen moeten worden uitgevoerd. Oeververdedigende voorzieningen Er zijn verschillende constructies mogelijk om oevers tegen afkalven te beschermen. Harde overgangen tussen water en oever zoals beschoeiingen en damwanden hebben een negatief effect op de werking van de EVZ. Bij beekherstel wordt ruimte geboden aan natuurlijke processen zoals erosie en sedimentatie. Het afkalven van oevers hoort hierbij. Alle vormen van oeververdediging hinderen oeverafkalving en daarmee beekherstel. Zolang beken niet als zodanig zijn ingericht en door middel van meanderzones is vastgelegd in de legger, dient het waterschap het oppervlaktewaterlichaam op profiel te houden zoals deze in de legger is vastgelegd. Kabels en leidingen Bij het inrichten van EVZ en beekherstel moeten bestaande kabels en leidingen vaak verplaatst worden. Dit leidt tot hogere projectkosten. Dergelijke extra kosten kunnen worden voorkomen door ter plekke kabels en leidingen, vooruitlopend op nog uit te voeren inrichtingsmaatregelen, in een keer goed te plaatsen. Bruggen Uit oogpunt van kosten wordt een brug niet ruim over een oppervlaktewaterlichaam aangelegd. Daardoor vormt deze echter een beperking voor de inrichting van het oppervlaktewaterlichaam als EVZ en voor beekherstel. Met het hierop aanpassen van bruggen zijn hoge kosten gemoeid. Door bij de aanleg van de brug hier gelijk rekening mee te houden kunnen extra kosten zoveel mogelijk worden voorkomen. Graven Het vergroten van het doorstroomprofiel van een beek leidt tot afname van de stroomsnelheid. Dit tast het kenmerkende karakter van een beek aan. Bovendien kunnen als gevolg hiervan beek specifieke soorten verdwijnen. ToetsingscriteriaObjecten infrastructurele werken en bouwwerken Bouwwerken, infrastructurele werken en permanente obstakels kunnen worden toegestaan als deze geen negatief effect hebben op de toekomstige inrichting van de beek en/of EVZ en het uit te voeren onderhoud.. Dit moet blijken uit een door het waterschap goedgekeurd inrichtingsplan. Indien er geen goedgekeurd inrichtingsplan aanwezig is, kunnen bouwwerken, infrastructurele werken en permanente obstakels worden toegestaan mits de initiatiefnemer zich bereid verklaard deze objecten om eigen kosten te verwijderen dan wel aan te passen als dit voor de latere inrichting van de beek en/of EVZ gewenst is. Oeverbeschermende voorzieningen Het aanbrengen van oeverbeschermende voorzieningen is alleen toegestaan indien het negatief effect voldoende wordt gecompenseerd door aanvullende maatregelen. Het waterschap bepaalt welke aanvullende maatregelen er dienen te worden getroffen. De aanvullende maatregelen worden gelijktijdig met de vergunde werkzaamheden uitgevoerd. Kabels en leidingen Kabels en leidingen die de zoekgebieden kruisen dienen zodanig diep te worden geplaats dat deze voldoende dekking hebben bij het toekomstige meanderen van de beek. Ook mogen deze geen beletsel vormen voor de toekomstige inrichting van de EVZ. Kabels en leidingen die de zoekgebieden niet kruisen dienen buiten de zoekgebieden te worden aangelegd. Bruggen Bruggen mogen geen belemmering betekenen voor toekomstig beekherstel en/of inrichting van de EVZ. Dit moet blijken uit een door het waterschap goedgekeurd inrichtingsplan. Het waterschap bepaalt welke aanvullende maatregelen er dienen te worden getroffen. De aanvullende maatregelen worden gelijktijdig met de vergunde werkzaamheden uitgevoerd. Graven Voor zover de vergunningaanvraag betrekking heeft een oppervlaktewater met een opgave voor beekherstel, is het onwenselijk dat het doorstroomprofiel wordt vergroot zonder hydraulische noodzaak. 2.5 Werkzaamheden in waterbergingsgebieden KaderKeur Op grond van artikel 3.2, eerste lid van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een bergingsgebied door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder; het maaiveld te verhogen; waterkerende constructies aan te brengen, te wijzigen of te verwijderen; bouwwerken aan te brengen of te wijzigen. Begripsbepaling Waterbergingsgebieden zijn gebieden die speciaal zijn aangewezen en/of ingericht om tijdens situatie van hoge afvoeren water te kunnen bergen om te voorkomen dat benedenstrooms kapitaalintensieve gebieden waterschade oplopen. Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op de gebieden die als waterbergingsgebieden zijn aangegeven op de leggerkaart. Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Het kan zijn dat de voorgenomen activiteiten omgevingsvergunningplichtig zijn op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Een omgevingsvergunning kan noodzakelijk zijn op het gebied van (ver)bouw, wonen, monumenten, milieu, natuur en ruimte. Doel van de beleidsregelHet doel van deze beleidsregel is het beschermen van de waterbergingscapaciteit van het waterbergingsgebied. Motivering van de beleidsregelAlgemeen Waterbergingsgebieden zijn ingericht om in perioden van hoge waterafvoer water vast te houden om wateroverlast in kapitaalintensieve gebieden, zoveel mogelijk te voorkomen. Het realiseren van deze gebieden heeft aanzienlijke investeringen gevergd. Alle activiteiten die een negatief effect hebben op de waterbergingscapaciteit van de waterbergingsgebieden dienen te worden geweerd. ToetsingscriteriaAlgemeen Werkzaamheden mogen niet leiden tot een structurele afname van de bergingscapaciteit van het waterbergingsgebied. Werkzaamheden die de bergingscapaciteit structureel aantasten kunnen alleen worden toegestaan indien de afname in bergingscapaciteit volledig wordt gecompenseerd. De mate van compensatie door aanvullende maatregelen, voorgesteld door de aanvrager, wordt beoordeeld door het waterschap, dit mede op basis van de inrichtingsplannen en beheerplannen die voor de bergingsgebieden zijn vastgesteld. Objecten en bouwwerken Obstakels en bouwwerken mogen geen stroomgeleiding van water teweeg brengen. De door de obstakels en bouwwerken veroorzaakte waterstand verhogende effecten dienen, evenals de afname van de berging te worden gecompenseerd. Compensatie moet plaatsvinden binnen hetzelfde waterbergingsgebied/vak van het oppervlaktewaterlichaam. 2.6 Beplantingen in en langs oppervlaktewaterlichamen KaderKeur Op grond van artikel 3.1, eerste en tweede lid van de Keur is het verboden zonder watervergunning van het bestuur gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszones door daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Hieronder valt ook het aanbrengen of verwijderen van beplanting, uitgezonderd eenjarige land- en tuinbouwgewassen en gras binnen de beschermingszone. Begripsbepaling Onder beplanting wordt verstaan alle vormen van beplanting, zoals bomen en struiken (hoog opgaand en laagblijvend) en tevens wordt beschouwd als een werk in en langs een oppervlaktewaterlichaam conform de Keur. Onder een eenjarige plant wordt in deze beleidsregel bedoeld een plant die zijn levenscyclus voltooit van kieming tot zaad binnen één jaar. De plant sterft na de zaadzetting af, zoals bij zomertarwe, of gaat aan het eind van het jaar dood. Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterstaatswerken zijnde oppervlaktewaterlichamen, die (inclusief beschermingszones) opgenomen zijn in de legger van het waterschap. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in categorieën A en B waterlopen. Deze beleidsregel is van toepassing indien het ontwerp van de beplanting niet voldoet aan de criteria gesteld in de algemene regels voor oppervlaktewaterlichaam “Beplanting” en “Gras en eenjarige beplanting”. Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Wanneer het oppervlaktewaterlichaam in de nabijheid van een waterkering is gelegen, moet rekening worden gehouden met een soortgelijke beleidsregel en algemene regel voor waterkeringen (beplantingen langs waterkeringen noemen) en voor de algemene regel beplanting in en langs oppervlaktewaterlichamen. Bij beplanting kan het zijn dat daarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit aanleg vereist is. Een omgevingsvergunning is nodig als het bestemmingsplan dit vereist voor werkzaamheden die niet als bouwen zijn aan te merken. Doel van de beleidsregelDoel van de bepaling in de Keur ten aanzien van beplanting is, vanuit zowel de functie als onderhoudsoogpunt, tegengaan van situaties die het onderhoud belemmeren of onmogelijk maken. Motivering van de beleidsregelAlgemeen Beplanting heeft een hoge belevingswaarde, maar kan in of direct nabij een oppervlaktewater een knelpunt vormen voor onderhoud en schade toebrengen aan het oppervlaktewater. Niet zozeer de solitaire beplanting of rijbeplanting geeft ongewenste effecten, maar veel aaneengesloten beplanting, vaak hoog opgaand, zorgt voor problemen met het oog op bereikbaarheid met onderhoudsmaterieel. Daarnaast veroorzaakt deze beplanting overlast als gevolg van bladval. Doorstroming en waterberging Sommige beplanting bevindt zich door zijn aard of functie in het natte profiel van een categorie A waterloop of bevindt zich binnen stedelijk gebied aansluitend op openbaar groen of tuinen in en langs het waterstaatswerk met beschermingszone. Deze beplanting kan de doorstroming en de berging nadelig beïnvloeden. Onderhoud Doelmatig onderhoud van het oppervlaktewater mag niet worden belemmerd. Als dit vanaf de kant wordt gedaan, dient een strook langs de watergang vrij gehouden te worden. Als het onderhoud vanaf het water wordt uitgevoerd, dient voldoende doorvaartbreedte vrij te blijven. Daar waar vanuit het beek type beplanting langs de beek gewenst is, leidt dit door de schaduwwerking tot minder begroeiing in de watergang en heeft daarmee een positief effect op het onderhoud ofwel de onderhoudsbehoefte. Stabiliteit Bij het aanbrengen van beplanting moet rekening worden gehouden met de stabiliteit van het talud/de oevers. Het profiel van de watergang moet hiervoor geschikt zijn. Door voornamelijk grotere bomen en struiken kan het talud beschaduwd raken en kan dit leiden tot afschuiven van het talud. Omvallende bomen leiden tot uitspoeling van taluds en bodem. Er worden daarom eisen gesteld aan de plaatsing van de beplanting ten opzichte van de watergang en functie van de watergang. Sommige type beken zijn juist gebonden aan begeleidende beplanting middels bomen of verspreid voorkomende boomgroepen. Ecologie/overige gebruiksfuncties Beplanting kan van invloed zijn op de waterkwaliteit door schaduw op en te veel directe bladval in het oppervlaktewaterlichaam. De uitgangspunten die gelden met betrekking tot het onderhoud kunnen hier worden herhaald. Doelen voor de ecologie zijn bij snelstromende beken op zandgronden zijn mede afhankelijk van bomen langs de beek. Daar waar deze vanuit waterhuishoudkundig oogpunt niet voor problemen zorgen zijn deze toegestaan. ToetsingscriteriaAlgemeen Bestaande en/of aan te brengen beplanting mag geen belemmering veroorzaken met betrekking tot de functie van de watergang. Aan de kant van een oppervlaktewaterlichaam vallend onder de categorie A waarvoor een watervergunning voor beplanting is verleend, moet altijd een strook van 1 meter vrij blijven. Deze strook is bedoeld o.a. voor de stabiliteit van taluds, voor inspecties te voet, voor de berging van maaisel (ontvangstplicht) en voor een werkstrook bij vervanging van de beschoeiing. Indien door het toestaan van beplanting een andere eigenaar of gebruiker dan de vergunninghouder vaker het gebruik van zijn gronden moet gedogen en/of indien die andere eigenaar of gebruiker ieder jaar alle maaisel of specie moet gaan ontvangen, kan een vergunning alleen worden verleend indien de toekomstige vergunninghouder hiervoor, vooraf aan de realisatie, een regeling getroffen heeft (zoals bv een zakelijk recht) met de andere eigenaar of gebruiker m.b.t. de bereikbaarheid. Paalvormige bouwwerken, zoals straatnaamborden en lantaarnpalen, worden behandeld als solitaire bomen. De aanleg van een gazon is voor eigen risico toegestaan, met dien verstande dat het gazon bestand moet zijn tegen betreding met materieel. Doorstroming en waterberging Het doorstromingsprofiel van het oppervlaktewaterlichaam vallend onder categorie A mag door het aanbrengen van beplanting niet worden belemmerd. Onderhoud Voor de instandhouding van de oppervlaktewaterlichamen is het noodzakelijk dat de watergangen toegankelijk zijn voor onderhoudsmaterieel; elke watergang dient vanaf één of beide zijden onderhouden te kunnen worden en er dient ruimte te zijn om uitkomende specie te bergen. Watergangen categorie A met een boven breedte van 7 meter of minder, moeten eveneens aan beide zijden over een breedte van 5 meter vrij blijven. Hierop bestaan echter de volgende uitzonderingen. Vergunning voor het aanbrengen van beplanting kan worden verleend, indien: De watergang categorie A aan de overzijde bereikbaar is vanaf de openbare weg of openbare ruimte; De beplanting langs de watergang categorie A het onderhoud, uitgevoerd vanaf de zijde waarop de beplanting staat, niet belemmert. In de regel zal het hier gaan om laagblijvende beplanting (grondbedekkers) welke bestand is tegen betreding met materieel. Indien er sprake is van een oppervlaktewaterlichaam categorie A waarvan het waterschap het gewoon en het buitengewoon onderhoud vanaf het water uitvoert en de oever niet gebruikt om specie en of maaisel te deponeren, kan vergunning worden verleend. Om de bereikbaarheid van stuwen en gemalen te verzekeren, mag in de 5 meter strook geen beplanting worden geplaatst binnen een straal van 10 meter van stuwen en gemalen, gemeten in beide richtingen langs de watergang. Indien er vergunning wordt afgegeven voor meerdere bomen geldt dat de tussenruimte gemeten tussen de hartlijn van de stammen 10 meter of meer moet zijn en de bomen op een minimale afstand van 1 meter vanuit de insteek worden aangeplant. Stabiliteit Solitaire bomen dienen minimaal 1 meter uit de insteek van de watergang categorie A te worden aangebracht. Ook in verband met de doorgroei van wortels in het talud en de mogelijke uitgroei boven de watergang is een minimale afstand van 1 meter noodzakelijk, met uitzondering van beplanting ten behoeve van natuurlijke oevers. De hart-op-hartafstand van de stam van de bomen dient minimaal 10 meter te bedragen, zodat onderhoud en specieberging mogelijk blijven. Plaatselijke omstandigheden kunnen ertoe leiden dat een grotere, dan wel kleinere onderlinge afstand wordt voorgeschreven. Tenslotte moet een obstakelvrije strook van 5 meter breedte beschikbaar zijn achter de solitaire bomen. Ecologie/ overige gebruiksfuncties De beplanting mag geen nadelige invloed hebben op de (ecologische) waterkwaliteit. Dit kan onder andere worden veroorzaakt door: de aanwezigheid van wortels en opgaande beplanting die de doorstroming belemmeren, tenzij dit vanuit de functie gewenst is; beschaduwen van het water waardoor de grasmat van het talud minder dicht wordt, wat erosie tot gevolg kan hebben. Vergunning wordt dan ook alleen verleend als het talud een dusdanige flauwe helling heeft dat de afname van de dichtheid van de grasmat geen erosie tot gevolg heeft, tenzij het ontwikkelen van meandering en of beschaduwen een doel is; de doorstroming van het water niet voldoende groot is om eventueel ingevallen blad af te kunnen voeren. Is er sprake van genoemde gevallen dan verleent het waterschap geen vergunning. Verwijdering Er bestaat een grote kans op instabiliteit van het talud door het verwijderen van beplanting van het talud van de watergang. Een aanvraag voor het verwijderen van beplanting langs oppervlaktewaterlichamen vallend onder de categorie A en uit de insteek wordt verleend indien het water in oorspronkelijke staat wordt hersteld. 2.7 Dam met duiker in oppervlaktewaterlichamen KaderKeur Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszone door, anders dan in overeenstemming met de functie daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Begripsbepaling Onder een dam met duiker wordt verstaan een werk over en in een oppervlaktewater dat bedoeld is voor de verbinding van een perceel aan de ene kant van het oppervlaktewaterlichaam naar een perceel aan de andere kant van het oppervlaktewaterlichaam. Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op oppervlaktewaterlichamen, die (inclusief bijbehorende onderhoudsstroken) opgenomen zijn in de legger, van het waterschap, voor zover de dam met duiker niet voldoet aan de in de hiervoor geldende algemene regel. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in A en B waterlopen. Deze beleidsregel is van toepassing indien het ontwerp van dam met duiker niet voldoet aan de criteria gesteld in de algemene regels voor oppervlaktewaterlichaam Dam met duiker. Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Wanneer het oppervlaktewaterlichaam in de nabijheid van een waterkering is gelegen, moet rekening worden gehouden met de beleidsregels die gelden voor waterkeringen. Voor ‘dam met duiker’ is een aparte algemene regel van toepassing. Voor aansluiting op de openbare weg is daarnaast veelal een omgevingsvergunning (inrit en uitritvergunning) noodzakelijk van de gemeente. De gemeente kan daarbij maximale afmetingen stellen aan de inrit/uitrit en kan zelfs een aanvraag weigeren wanneer er een inrit/uitrit aangelegd of veranderd wordt. Denk daarbij aan het voorkomen van gevaarlijke of hinderlijke situaties voor het verkeer. De omgevingsvergunning geldt naast de watervergunning. Doel van de beleidsregelHet doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van het oppervlaktewater lichaam als onderdeel van het totale watersysteem. Belangrijke aspecten daarbij zijn het in stand houden van doorstroming en bergingscapaciteit, het waarborgen van de stabiliteit van de taluds en de normale onderhoudsmogelijkheden. Motivering van de beleidsregelAlgemeen Een dam met duiker wordt meestal geplaatst om een perceel te ontsluiten of om openbare wegen over watergangen te verbinden. Doorstroming en waterberging Bij het plaatsen van een dam met duiker treedt een vernauwing op van het oppervlaktewater, waardoor de doorstroming van het water vermindert. Afhankelijk van de lengte van de dam en de diameter van de duiker treedt er verlies aan berging en opstuwing op. Deze negatieve effecten moeten worden voorkomen. Voor perceel ontsluitingen worden beperkte lengten tot 12,5 meter toegepast. Afhankelijk van de functie en de afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam (categorieën) worden er minimale afmetingen gesteld aan dam met duiker; hierbij speelt de lengte van de duiker ook een rol (duikers onder infrastructurele werken). Onderhoud De locatie van een dam met duiker in een oppervlaktewaterlichaam vallen onder de categorie A is van belang voor het doelmatig onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam. Om goed onderhoud te kunnen uitvoeren is het van belang dat de watergang goed bereikbaar is voor (machinaal) onderhoud. De dam met duiker mag daarom niet te dicht bij andere (kunst)werken worden aangelegd. Stabiliteit Bij het aanleggen van een dam met duiker moet rekening gehouden worden met de stabiliteit van de taluds/oevers. Door de aanvulling van de dam met duiker heeft de dam een aanzienlijk gewicht en vormt een punt van aandacht voor de stabiliteit van de taluds van dam en watergang. Ecologie/overige gebruiksfuncties Het materiaal waaruit de dam met duiker bestaat kan van invloed zijn op de waterkwaliteit. Er kunnen daarom eisen worden gesteld aan het gebruikte materiaal en aan de afwerking van de taluds. Niet alleen de water aan- en afvoer wordt door duikers beïnvloed. Ze hebben nadrukkelijk ook invloed op de waterkwaliteit en ecologie. Door een duiker wordt de oever onderbroken en het open water afgedekt. Dit heeft onder andere negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit (zuurstofhuishouding) en de migratie van water- en oeverdieren en de verspreiding van plantensoorten. Zowel voor de waterkwaliteit en de ecologie als de waterkwantiteit is het van belang dat er zo min mogelijk duikers voorkomen. Mede om deze reden bestaat er een voorkeur voor het gebruik van bruggen ten opzichte van duikers. ToetsingscriteriaAlgemeen Om de hoeveelheid dammen met duiker beperkt te houden in verband met verlies van hoogteverschil (verhang), toename intensiteit onderhoud en kans op opstuwing wordt per perceel maximaal één dam met duiker toegestaan. Bij percelen die over een afstand van meer dan 100 meter grenzen aan een categorie A waterloop kunnen twee of meer duikers worden toegestaan. De minimale afstand tussen de duikers moeten dan wel 10 meter bedragen. Het aanleggen van duikers om een andere reden dan een perceelontsluiting of infrastructurele werken worden slechts toegestaan indien alternatieven hiervoor niet toepasbaar zijnen het verlies aan bergend vermogen zal hierbij volledig moeten worden gecompenseerd. In verband met de verkeersveiligheid of bereikbaarheid voor hulpdiensten kan een langere duiker (dan vermeld in de tabel) worden vergund, bijvoorbeeld indien de ontsluiting uitkomt op een hoge dijk of een smalle weg. Indien vanuit andere wet- of regelgeving een tweede in-/uitrit verplicht is (bv om bedrijf hygiënische redenen) kan een tweede duiker worden vergund conform de afmetingen in de tabel. Indien de duiker tevens dient als vaste drempel, gericht op verdrogingsbestrijding voor de landbouw of natuur of voorkoming van droogval in stedelijk gebied, zijn ook de toetsingscriteria voor de aanleg van een stuw van toepassing. Doorstroming en waterberging Bij een grotere duikerlengte dan de standaardlengte (zie constructieve eisen), zal het verlies van bergend vermogen geheel moeten worden gecompenseerd; in de vergunning zal dit nader worden aangegeven. Onderhoud De duiker dient een vrije doorstroomhoogte in de duiker te hebben van minimaal 0,20 meter bij categorie A-watergangen boven het normaal gehandhaafde peil. Wordt het betreffende oppervlaktewaterlichaam met de maaiboot onderhouden, dan dient de duiker als vaarduiker te worden uitgevoerd; de minimale doorvaarhoogte van de vaarduiker dient minimaal 1 meter boven het te handhaven peil te zijn. De doorvaarbreedte dient minimaal 3,5 meter te zijn. Stabiliteit De dam met duiker mag de stabiliteit van de taluds en bodem niet aantasten. Indien hogere stroomsnelheden voorkomen dan 0,20 meter per seconde in de duiker, door de aanleg van de dam met duiker, moeten in- en uitstroomvoorzieningen worden aangelegd om onder andere schade aan de taluds en bodem te voorkomen. Ecologie/ waterkwaliteit Dammen met duikers in oppervlaktewaterlichamen met een natuurfunctie mogen geen belemmering betekenen voor de aanwezige of nog te ontwikkelen ecologische waarden. De dammen met taluds dienen geschikt te zijn voor het migreren van fauna. Daar waar de aan te leggen duiker om water conserverende reden, in afwijking van tabel 3, verhoogd wordt aangelegd ten opzichte van de bestaande bodemhoogte dient de barrière werking die hiervan uitgaat voor macrofauna gecompenseerd te worden ( bv. plaatselijke bodemophoging). Constructieve eisen Tabel 3: Constructieve eisen duiker Voorschriften duiker Voorschriften duiker Minimale diameter Bodemhoogte (binnen onderkant) duiker Maximale lengte Stabiliteit taluds Minimale afstand tot andere kunstwerken Categorie B oppervlaktewaterlichamen 300 millimeter landelijk 500 millimeter Stedelijk - 0,05 meter t.o.v. waterbodem 12,5 meter Voorzien van stapel zoden 10 meter (20 meter Beneden strooms van stuw) Categorie A oppervlaktewaterlichamen de afmeting waarbij de duiker geen knelpunt vormt voor de waterhuishouding - 0,05 meter t.o.v. waterbodem 12,5 meter Voorzien van stapel zoden 10 meter (20 meter Beneden strooms van stuw) 2.8 Grondroering en ophogen/aanpassen maaiveld KaderKeur Op grond van artikel 3.1, eerste en tweede lid van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder grondroering uit te voeren. Hieronder valt ook het op enigerlei wijze grondroeringen, incl. uit te voeren in de vorm van ophogen of verlagen maaiveld, binnen de beschermingszone. Begripsbepaling In deze beleidsregel wordt uitleg gegeven over hoe het waterschap omgaat met het ophogen c.q. aanpassen van het maaiveld langs een oppervlaktewaterlichaam vallend onder de categorie A. Onder ophogen/aanpassen van het maaiveld wordt in dit kader verstaan het uitvoeren van grondroeringen, ophogen en verlagen. Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op alle oppervlaktewaterlichamen, die (inclusief bijbehorende beschermingszone) opgenomen zijn in de legger onder categorie A en de grondroering niet voldoet aan de criteria opgenomen in de algemene regel voor gras en eenjarige beplanting. Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Beleidsregels: Wanneer het oppervlaktewaterlichaam in de nabijheid van een waterkering is gelegen, moet rekening worden gehouden met een soortgelijke beleidsregel voor waterkeringen. Algemeen De ligging van de nieuwe insteek en daarmee ook de beschermingszone, na verlaging of ophoging van het maaiveld, wordt in de legger en vergunning opgenomen. Wijzigingen in maaiveldhoogte laten de eigendomssituatie ongemoeid. Algemene regels: Voor grondroeringen noodzakelijk voor het landbouwkundig gebruik met betrekking tot gras en eenjarige planten geldt een algemene regel. Naast een watervergunning is er in veel gevallen een ontgrondingsvergunning nodig van de provincie. Voorbeelden van ontgronding zijn: zandwinning; waterberging; en natuurontwikkeling. De voorwaarden om een ontgrondingvergunning te krijgen zijn onder andere: de ontgronding komt overeen met het bestemmingsplan, en de eigenaar van de grond geeft toestemming voor de ontgronding. Doel van de beleidsregelHet doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van oppervlaktewaterlichamen als onderdeel van het watersysteem. Bij het aanpassen van het maaiveld is het in dat kader van belang dat de stabiliteit van de oever niet wordt aangetast en dat het doelmatig onderhoud van het betreffende oppervlaktewaterlichaam niet wordt belemmerd. Motivering van de beleidsregelWaterpeil Aanpassingen in maaiveldhoogte kan het waterpeil ongewenst beïnvloeden. Aanpassingen moeten daarbij afgestemd worden op het gewenst waterpeil behorende bij het gemiddeld grondgebruik. Onderhoud Grondroeringen binnen de beschermingszone kunnen tot gevolg hebben dat de insteek van plaats verandert en daarmee ook de beschermingszone van plaats verandert. Het onderstaande heeft daarom ook betrekking op verhogingen of verlagingen van het maaiveld binnen de beschermingszone van oppervlaktewaterlichamen categorie A. Grondroeringen binnen de beschermingszone gericht op het gebruik van landbouwgrond, zoals ploegen, kan leiden tot een structurele maaiveldverlaging en obstakels (zoals ploegvoor) welke een negatieve invloed hebben op het uit te voeren onderhoud en/of peilbeheer en worden daarom geweerd. Stabiliteit Als grondroeringen binnen de beschermingszone van een oppervlaktewaterlichaam categorie A worden uitgevoerd kan hiermee de stabiliteit van het talud of een kunstwerk worden beïnvloed. Dit heeft consequenties voor de waarborging van de doorstroming. ToetsingscriteriaAlgemeen Bij maaiveldverandering welke wordt gecombineerd met het aanbrengen van andere obstakels geldt na realisatie de insteek na de verandering van het maaiveld. Grondbewerkingen, zoals ploegen, welke structureel leiden tot een maaiveldverlaging ter plaatse van de beschermingszone worden beoordeeld als een maaiveldverlaging. Waterpeil Een gewenste peilwijziging als gevolg van het verlagen of ophogen van het maaiveld is alleen mogelijk indien het gebruikelijke grondgebruik van de op de watergang ontwaterende percelen dit toelaat. Indien voor deze gronden de GGOR is vastgesteld zijn de daarin gehanteerde peilen leidend. Stabiliteit en oeverbescherming Bij het verhogen van het maaiveld wordt het bestaande talud doorgetrokken tot aan het nieuwe maaiveldniveau, onder de taludhelling zoals deze in de legger is opgenomen. De stabiliteit van de oever (kerende functie) wordt door de verhoging dan wel verlaging van het maaiveld niet aangetast. Onderhoud Het maaiveld binnen de beschermingszone moet te allen tijde geschikt blijven voor het uitvoeren van het onderhoud. Bij een maaiveldverlaging wordt in ieder geval bezien of de beschermingszone voldoende drooglegging heeft om machinaal onderhoud uit te voeren. Hiervoor geldt als norm een gemiddelde zomer waterstand van maximaal 0,30 meter beneden maaiveld. Indien in de nieuwe situatie onvoldoende drooglegging aanwezig is, wordt geen vergunning verleend. De ophoging mag niet leiden tot een grotere boven breedte dan 7 meter van een oppervlaktewaterlichaam vallend onder de categorie A, tenzij het onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam tweezijdig mogelijk blijft waarbij de boven breedte de 14 meter niet mag overschrijden, of tenzij het onderhoud vanaf het water geschiedt (volgens de legger) waarbij de boven breedte niet van belang is. Door het ophogen of verlagen van het maaiveld, mag er niet een zodanig hoogteverschil ten opzichte van aansluitende percelen ontstaan, dat de berijdbaarheid van de onderhoudsstrook ten behoeve van het uitvoeren van onderhoud wordt belemmerd. 2.9 Natuurvriendelijke oevers KaderKeur Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur, is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszone door, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Hieronder wordt ook verstaan het aanleggen van natuurvriendelijke oevers. Begripsbepaling Een natuurvriendelijke oever is een oever die zo is aangelegd dat het niet alleen dient om de afvoercapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam te waarborgen, maar ook ruimte schept voor de natuur en daarmee de landschappelijke en ecologische functie versterkt. Natuurvriendelijke oevers dragen daarnaast bij aan de verbetering van de waterkwaliteit. Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing indien het ontwerp van de natuurvriendelijke oever niet voldoet aan de criteria gesteld in de algemene regel: “Algemene regel aanleggen natuurvriendelijke oever van een oppervlaktewaterlichaam”. Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Andere beleidsregels/algemene regels Voor het aanleggen van natuurvriendelijke oevers is in een algemene regel aangegeven onder welke condities een natuurvriendelijke oever met een meldingsplicht volstaat. Het aanleggen van een natuurvriendelijke oever kan tevens relatie hebben met het dempen en/of (ver)graven van een watergang. Daarnaast gelden er algemene regels voor werkzaamheden die regelmatig worden uitgevoerd en die weinig invloed hebben op de waterhuishouding. Doel van de beleidsregelDeze beleidsregel heeft als doel de ecologische waterkwaliteit en kwantitatieve functionaliteit van de watergang als gevolg van de aanleg van natuurvriendelijke oevers te handhaven of te verbeteren. Motivering van de beleidsregelAlgemeen Natuurvriendelijke oevers zijn oevers waarbij naast de waterkerende functie nadrukkelijk rekening gehouden wordt met natuur en landschap. Een oever wordt natuurvriendelijker naarmate groepen planten en dieren die er van nature thuishoren er voordeel van ondervinden. Een belangrijk kenmerk is de natuurlijke overgang van nat naar droog; meestal hebben natuurvriendelijke oevers flauwe taluds waarbij een duidelijke begroeiing waarneembaar is. Doorstroming en waterberging Natuurvriendelijke oevers kunnen bijdragen aan extra waterberging en doorstroming. Onderhoud In verband met de duurzaamheid en het goed functioneren van de natuurvriendelijke oever is goed en aangepast onderhoud noodzakelijk. Het onderhouden van een natuurvriendelijke oever is tevens maatwerk. Constructieve eisen Als een oeververdediging noodzakelijk is, dan moet deze de overgang van nat naar droog, en de daarbij behorende natuurontwikkeling, zo min mogelijk verstoren. Tevens moet bij de aanleg van oeververdediging rekening worden gehouden met het kwantitatief functioneren van de oppervlaktewaterlichamen. Ecologie/overige gebruiksfuncties Natuurvriendelijke oevers zijn belangrijk voor de waterkwaliteit. Sommige planten en dieren die in het oppervlaktewater voorkomen, hebben plaatsen nodig op de oever waarin zij bijvoorbeeld kunnen schuilen. Ook kunnen kikkers en padden in ondiep water hun eitjes afzetten. Hoe meer de natuur zijn gang kan gaan, hoe beter de kwaliteit van het oppervlaktewater wordt. Het resultaat is helder en gezond oppervlaktewater. ToetsingscriteriaDoorstroming/berging In bestaande oppervlaktewaterlichamen moet een natuurvriendelijke oever buiten de bestaande waterbreedte, conform de Legger, worden aangelegd. Onderhoud De natuurvriendelijke oever moet, gericht op de voorkomende natuurwaarde, duurzaam in stand gehouden kunnen worden. Onderhoud aan categorie A waterloop moet mogelijk blijven binnen de op moment van aanleg, voor deze oevers bestaande, toe te passen techniek. De vereiste beschermingszone (ten behoeve van machinaal onderhoud) kan worden gecombineerd met het talud, indien het bovenwatertalud 1:6 of flauwer is en de beschermingszone een breedte heeft van minimaal 5,00 meter, gerekend vanaf een niveau van 0,30 meter boven het zomerpeil, indien relevant. Constructieve eisen Indien ter plaatse van een aan te leggen natuurvriendelijke oever kabels en/of leidingen aanwezig zijn, dienen deze voorafgaand aan het aanleggen van de natuurvriendelijke oever, minimaal 1 meter buiten het te realiseren profiel (water + natuurvriendelijke oever) te worden verlegd. 2.10 Stuwen KaderKeur Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een oppervlaktewaterlichaam of bijbehorende beschermingszone door, anders dan in overeenstemming met de waterhuishoudkundige functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen; waaronder ook valt de waterstand op een peil te brengen of te houden, anders dan het peil dat daarvoor in het betreffende peilbesluit is opgenomen of dat normaal wordt aangehouden. Hieronder wordt ook verstaan het plaatsen van stuwen. Begripsbepaling Een stuw is een waterbouwkundig kunstwerk dat als doel heeft om water in een loop, beek of rivier op te stuwen. Stuwen kunnen vast of regelbaar zijn. Een vaste stuw geeft altijd hetzelfde peil. Bij een regelbare stuw is er een inrichting (bijvoorbeeld een klep) die ervoor zorgt dat er in verschillende periodes een ander peil kan worden ingesteld. Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op stuwen die in een oppervlaktewaterlichaam met categorie A en B worden geplaatst. Deze beleidsregel is van toepassing voor oppervlaktewaterlichamen vallend onder categorie B indien het ontwerp van de stuw niet voldoet aan de criteria gesteld in de hiervoor geldende algemene regels. Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Wetgeving In artikel 3.11 van de Keur is bepaald dat ingeval van grote schaarste of overvloed aan water, opmerkelijke verslechtering van de kwaliteit daarvan of bij het in ongerede raken van een waterstaatswerk, dan wel indien zodanige omstandigheden dreigen te ontstaan, het bestuur zo nodig in afwijking van verleende vergunningen of geldende peilbesluiten, kan verbieden water te onttrekken aan oppervlaktewaterlichamen. In artikel 2.11 van de Keur is bepaald dat de eigenaren van stuwen, dan wel andere onderhoudsplichtigen van stuwen zijn verplicht het door het bestuur bepaalde stuwpeil in te stellen en te houden. Andere beleidsregels/algemene regels Het aanleggen van een stuw kan tevens relatie hebben met het dempen en/of graven van een watergang. Ook het leggen van een duiker kan onderdeel uitmaken van de aanleg van een stuw (bijvoorbeeld Landbouw Ontwikkelingsplan stuw, zogenaamde LOP stuw). Ook is er een relatie met het onttrekken van water uit een oppervlaktewaterlichaam. Voor deze activiteiten zijn voor bepaalde gevallen algemene regels vastgesteld. Er geldt een algemene regel voor de aanleg van stuwen in categorie B waterlopen. Daarnaast gelden er algemene regels voor werkzaamheden die regelmatig worden uitgevoerd en die weinig invloed hebben op de waterhuishouding. Doel van de beleidsregelDeze beleidsregel heeft als doel om een stuw optimaal te laten functioneren in het totale watersysteem en het voorkomen van ongewenste effecten, bijvoorbeeld ongewenste vernatting van percelen en het veroorzaken van problemen bij hoge waterafvoeren. Motivering van de beleidsregelAlgemeen In oppervlaktewaterlichamen kunnen stuwen worden aangebracht om water langer vast te houden. Door het plaatsen van stuwen in oppervlaktewaterlichamen kan het waterpeil ter plaatse (tijdelijk) worden verhoogd. Dit gebeurt onder andere in het kader van verdrogingbestrijdingsprojecten. Daarnaast worden stuwen ook gebruikt als afsluiting van retentievoorzieningen (retentiestuwen). Doorstroming en waterberging Voor de waterbeheersing is het van belang dat overtollig water uit het gebied dat via een stuw afwatert, kan worden afgevoerd met een capaciteit (het normdebiet) die gelijk is aan de maximale afvoernorm. Tegelijkertijd mag de afvoer uit het gestuwde gebied niet leiden tot afwenteling naar het lager gelegen peilgebied. Om wateroverlast te voorkomen mag voor de stuw geen opstuwing ontstaan, de hoogte van de maximaal overstortende straal moet beperkt blijven. Bij niet stuwen is het van belang de stuw en de locatie zodanig te kiezen dat de berging bovenstrooms van de stuw zo goed mogelijk wordt benut. Het aanbrengen van stuwen kan tot ongewenste effecten leiden. Bijvoorbeeld vernatting van percelen en problemen bij piekafvoeren. Daarom moet terughoudend worden omgegaan met het verlenen van vergunningen voor stuwen en met de in de vergunningen op te nemen eisen die gesteld worden aan de bediening van de stuw. Onderhoud en stabiliteit Om erosie achter de stuw door hoge stroomsnelheden te voorkomen, moeten voor de bodem en de oever beschermende maatregelen worden genomen. Ecologie/overige gebruiksfuncties Het plaatsen van stuwen in oppervlaktewaterlichamen kan een negatief effect op de natuurlijke kwaliteit van het oppervlaktewater en de vismigratie hebben. Constructieve eisen Voor een optimale werking van de stuw kunnen constructieve voorschriften worden gesteld aan de afmetingen en overstorthoogte van de stuw. Op basis van het normdebiet en de maximaal overstortende straal kan een minimale doorstroombreedte worden bepaald. ToetsingscriteriaAlgemeen De stuw wordt in het kader van een project ter bestrijding van verdroging aangelegd. De stuw is gericht op verdrogingsbestrijding voor de landbouw of natuur of voorkomen van droogval in stedelijk gebied. Indien de stuw aangesloten wordt op een categorie A oppervlaktewaterlichaam, als onderdeel van een retentievoorziening, kan hiervoor een vergunning worden verleend. Deze afweging wordt gemaakt in samenhang met de criteria die gelden voor retentievoorzieningen, de lozingen vanaf verhard oppervlak en de eisen ten aanzien van de dimensionering/ontwerp van de retentievoorzieningen en aansluiting op het oppervlaktewaterlichaam. Doorstroming/berging Het watersysteem blijft aan de geldende aan- en afvoernormen voldoen. Het watersysteem moet aan de geldende peilen blijven voldoen tenzij voor het afwijken van het peil vergunning kan worden verleend. Ter waarborging van de aan- en afvoer en waterconserveringsdoelstellingen van het betreffende water kunnen aan een vergunning nadere voorschriften worden verbonden met betrekking tot de bediening van de stuw door de vergunninghouder. Onderhoud en stabiliteit De stuw mag de stabiliteit van de oever en waterbodem van de oppervlaktewaterlichamen niet negatief beïnvloeden. In oppervlaktewaterlichamen met categorie A moeten aan de lage zijde van een stuw voorzieningen worden getroffen om uitspoeling van de bodem en talud te voorkomen. Ecologie en waterkwaliteit In oppervlaktewaterlichamen vallend onder de categorie A oppervlaktewaterlichamen mag een te plaatsen stuw geen belemmering vormen voor de vrije migratie van vissen en macrofauna . Constructieve eisen Ter waarborging van (toekomstige) schade aan het waterstaatswerk en waarborging van de aan- en afvoer van water kunnen aan een vergunning nadere voorschriften worden verbonden met betrekking tot de constructie en de bediening van de stuw door de vergunninghouder. 2.11 Drainage Kader Keur Op grond van artikel 3.9 van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur van het waterschap gronden te ontwateren met drainagemiddelen. De aanleg van drainage vindt doorgaans plaats ter bevordering van landbouwkundig gebruik. Begripsbepaling Deze beleidsregel gaat over de aanleg en gebruik van drainage in het algemeen. Er is onderscheid gemaakt in aanleg van conventionele buisdrainage en peilgestuurde drainage (PGD). Drainage: het kunstmatig ontwateren van de bodem, ofwel het verlagen van het grondwaterpeil. Peilgestuurde drainage: buisdrainage, gecombineerd met een werk waarmee de hoeveelheid te lozen water kan worden gestuurd. Bestaande buisdrainage: buisdrainage of peilgestuurde drainage, welke voor 1 januari 2013 is aangelegd. Uitstroomvoorziening: een constructie om water in een oppervlaktewaterlichaam te laten stromen. Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op alle oppervlaktewateren in het beheersgebied van waterschap Aa en Maas en is van toepassing indien het ontwerp van de drainage niet voldoet aan de criteria gesteld in de algemene regels voor oppervlaktewaterlichamen “Peilgestuurde drainage”. Voor drainage binnen de beschermde gebieden Keur gelden, naast onderstaande bijzondere toetsingscriteria, specifieke toetsingscriteria voor drainage. Deze zijn opgenomen in de beleidsregel werkzaamheden in beschermde gebieden waterhuishouding. De drainage kan bestaan uit de aanleg van buizen maar ook in de vorm van het graven van greppels. De gemeenten vallen niet onder vergunningplicht bij het treffen van maatregelen op grond van artikel 3.5 en artikel 3.6 van de Waterwet (afvoer hemelwater en voorkomen grondwateroverlast). Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Voor de aanleg van peildrainage buiten beschermde gebieden is een algemene regel voor drainage van toepassing. Aanleg van greppels met een minimale diepte van meer dan 0,5 meter ten opzichte van het maaiveld worden beschouwd als watergang en vallen onder de beleidsregel graven van een oppervlaktewaterlichaam. Deze beleidsregel heeft mede betrekking op de uitstroomvoorziening die moet worden aangebracht om het drainagewater te kunnen lozen in een oppervlaktewaterlichaam. De lozing en het werk in de vorm van de uitstroomvoorziening zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Indien drainage wordt aangelegd en de lozing vindt plaats op een categorie A waterloop is tevens een vergunning nodig voor de lozingsconstructie op de watergang (beleidsregel uitmondingsvoorziening) en het doorkruisen van de beschermingszone (beleidsregel plaatsen van objecten in en langs leggerwateren categorie A). Het bestuur kan, al dan niet op verzoek, met het oog op de te beschermen waterstaatkundige belangen, op grond van artikel 3.12, derde lid van de Keur maatwerkvoorschriften stellen ter zake ligging, constructie en onderhoud van de uitstroomvoorziening. Indien een drainagesysteem is gelegen in een keurbeschermingsgebied en de situering van de lozing buiten het keurbeschermingsgebied plaatsvindt, wordt de lozing van dit drainagewater aangemerkt als lozing binnen keurbeschermingsgebied. Voor de aanleg van drainagesystemen binnen de begrenzing van beschermingszone van een primaire waterkering is een vergunning vereist. In de beleidsregel waterkering “Kabels en leidingen” wordt aandacht besteed aan de toetsingscriteria die in dat kader worden gehanteerd. Voor de aanleg, voor het wijzigen, verplaatsen, verwijderen et cetera van kabels, buizen en ondergrondse objecten is er wellicht ook een vergunning nodig van de gemeente. Op grond van een Leidingenverordening of Telecommunicatieverordening kan een vergunning of instemmingsbesluit noodzakelijk zijn naast een watervergunning. Doel van de beleidsregel Het doel van het beleid is om verdere verdroging tegen te gaan door ingrepen in de waterhuishouding. Deze beleidsregel draagt bij aan voldoende water voor zowel natuur als landbouw. Motivering van de beleidsregel Algemeen Voor de natuur zijn doelstellingen geformuleerd. Deze beleidsregel moet ervoor zorgen dat de aanleg van drainage bijdraagt aan die doelstellingen (hydrologische plus), of in ieder geval de doelstellingen niet negatief beïnvloed (minimaal ‘stand still’). Voor de landbouw geldt dat deze beleidsregel ervoor moet zorgen dat het individuele belang van een agrariër niet leidt tot schade voor omliggende agrariërs en daarnaast de doelen voor waterconservering (WBP) niet negatief beïnvloed. Toetsingscriteria Algemeen Bij de aanleg van conventionele (ongestuurde) drainages mag deze niet dieper zijn gelegen dan maximaal 0,70 meter beneden de gemiddelde maaiveldhoogte. Bij de aanleg van drainage in combinatie met een werk waarmee de hoeveelheid te lozen water van deze drainage kan worden gestuurd (peilgestuurde drainage) mag het in te stellen overlooppeil niet dieper zijn gelegen dan maximaal 0,70 meter beneden de gemiddelde maaiveldhoogte. Aanleg van (peilgestuurde) buisdrainage dieper dan 0,70 meter ten opzichte van het maaiveld of met een laagst instelbaar peil dieper dan 0,70 meter ten opzichte van het maaiveld, is niet toegestaan, tenzij hiervoor aantoonbare locatie of teelt specifieke redenen voor zijn. Dit ter beoordeling van het waterschap. De minimale hoogte voor de uitstroomvoorziening voor nieuwe (peilgestuurde) drainage is minimaal 0,40 meter beneden het gemiddelde maaiveldniveau. Het overlooppeil bij peilgestuurde drainage buiten beschermde gebieden waterhuishouding mag maximaal 7 dagen kunstmatig worden verlaagd ten behoeve van activiteiten met betrekking tot grondbewerkingen of oogst. Het overlooppeil van de drains mag worden bijgesteld: zolang de werkelijk gemeten grondwaterstand in de direct te ontwateren grond, hoger staat dan 0,40 meter beneden de gemiddelde maaiveldhoogte en het aannemelijk is dat de grondwaterstand binnen 7 dagen daar niet onder zal staan; indien de werkzaamheden binnen 7 dagen uitgevoerd worden die bij de werkelijk gemeten grondwaterstand tot gewas- of bodemstructuurschade leiden; zodanig dat een zo hoog mogelijke grondwaterstand in het perceel blijft gerealiseerd. 2.12 Bruggen KaderKeur Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszone door, anders dan in overeenstemming met de functie daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Begripsbepaling Werk over een oppervlaktewaterlichaam dat bedoeld is voor de doorgang van een perceel aan de ene kant van het oppervlaktewaterlichaam naar een perceel aan de andere kant van het oppervlaktewaterlichaam. Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterstaatswerken in de categorieën A en B oppervlaktewaterlichamen en geldt daarbij voor zowel nieuwe bruggen als bij vervanging van bestaande bruggen. Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Voor het plaatsen van bruggen over oppervlaktewaterlichamen categorie B geldt de algemene regel bruggen. (Vaar)wegbeheer Wanneer het waterschap van het betreffende oppervlaktewaterlichaam ook het vaarwegbeheer heeft, wordt ook rekening gehouden met regels die gesteld zijn in het kader van dit vaarwegbeheer. Een vergunningaanvraag voor een brug wordt ter kennisneming gestuurd naar de wegbeheerder. Het kan zijn dat de voorgenomen activiteiten omgevingsvergunningplichtig zijn op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Een omgevingsvergunning kan noodzakelijk zijn op het gebied van (ver)bouw, wonen, monumenten, milieu, natuur en ruimte. Doel van de beleidsregelHet doel van deze beleidsregel is het beschermen van de functie van het oppervlaktewater-lichaam als onderdeel van het totale watersysteem. Belangrijke aspecten daarbij zijn het in stand houden van doorstroming en bergingscapaciteit, het waarborgen van de stabiliteit van de taluds en de normale onderhoudsmogelijkheden. Motivering van de beleidsregelDoorstroming en waterberging Als bruggen worden geplaatst zonder ondersteunende pijlers in het natte profiel van het oppervlaktewaterlichaam heeft de brug vrijwel geen effect op de doorstroming van het oppervlaktewaterlichaam. Bij lange bruggen worden vaak wel pijlers gebruikt. Daardoor kan de doorstroming enigszins worden beïnvloed, bijvoorbeeld door ophoping van vuil wanneer de ondersteuningspunten/pijlers te dicht op elkaar zijn geplaatst Onderhoud Bij een brug over een oppervlaktewaterlichaam categorie A is het belangrijk dat de brug het doelmatig onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam niet belemmert. Er worden daarom eisen gesteld aan de hoogte van de brug ten opzichte van het zomerpeil en de afstand tussen de eventuele pijlers. Daarnaast is het belangrijk op welke afstand de brug is gelegen ten opzichte van een ander (kunst)werk. Wanneer een brug bijvoorbeeld te dicht op een andere brug of een dam met duiker is geplaatst zou dat kunnen betekenen dat het (doelmatig) onderhoud met behulp van machines moeilijk wordt of zelfs niet meer mogelijk is. Stabiliteit Bij het plaatsen van een brug moet rekening gehouden worden met de stabiliteit van het talud en de oevers. Bruggen kunnen een aanzienlijk gewicht hebben en als er geen sprake is van een goede ondersteuning, zou dat kunnen leiden tot het verzakken van de oevers of het talud. Er worden daarom eisen gesteld aan de positie van de brug ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam om de stabiliteit te bevorderen. ToetsingscriteriaAlgemeen Een watervergunning wordt alleen verleend wanneer de brug wordt gebruikt voor perceelontsluiting, uit bedrijfshygiënische redenen of voor de verbinding van openbare wegen. Daar waar mogelijk dienen bestaande overgangen te worden benut. Bij vergunningaanvragen voor bruggen speelt de gevoeligheid van het bovenstroomse of aangrenzend gebied voor wateroverlast een grote rol. De brug mag het profiel niet wijzigen waardoor de doorstroming en bergingscapaciteit behouden blijft. Dit wordt bij vergunningverlening meegewogen. Daarnaast is het aantal aanwezige bruggen, stuwen of andere obstakels van belang. Indien de vergunningaanvraag betrekking heeft op het ter plaatse vervangen van een bestaande brug, waarbij het naar oordeel van het waterschap niet mogelijk is de infrastructuur aan te passen, is het minimale vereiste dat de waterhuishoudkundige situatie ten opzichte van de huidige situatie niet mag verslechteren. Doorstroming en waterberging Voor oppervlaktewaterlichamen met een bovenbreedte tot 7 meter (bij normaal waterpeil) geldt dat bruggen met pijlers niet zijn toegestaan. Voor oppervlaktewaterlichamen met een bovenbreedte van meer dan 7 meter geldt dat eventuele toegepaste pijlers ten minste een onderlinge afstand van 3,50 meter hebben. Er worden geen pijlers in het stroomvoerend profiel van het oppervlaktewaterlichaam toegestaan tenzij het opstuwende effect wordt gecompenseerd. Aan de brug, de landhoofden en eventuele pijlers kunnen technische voorwaarden worden verbonden ter waarborging van een goede staat van onderhoud van het water. De pijlers moeten rond van vorm zijn om onnodige stuwing te voorkomen. De hoogte van de brug (ten opzichte van de bodem) is afhankelijk van de maatgevende afvoer van het oppervlaktewaterlichaam en het geldende vaarwegbeheer op het oppervlaktewaterlichaam. Met behulp van de maatgevende afvoer en het profiel van het oppervlaktewaterlichaam kan de minimale afmeting worden berekend. De onderkant van de brugconstructie dient minimaal 1 meter boven de hoogwaterlijn te liggen zodat er tijdens hoogwater geen drijfvuil kan verzamelen bij de brug. De aanleg van de brug tast het doorstroomprofiel van het oppervlaktewaterlichaam niet aan. Onderhoud Wordt het betreffende oppervlaktewaterlichaam met de maaiboot onderhouden, dan dient de minimale doorvaarthoogte 1 meter te zijn. De doorvaartbreedte dient in dit geval minimaal 3,5 meter te zijn. De aanleg en aanwezigheid van de brug mag het onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam niet belemmeren. Dit betekent dat de brug minimaal 10 meter van een ander werk in het oppervlaktewaterlichaam geplaatst moet worden. De brug mag het eventuele gebruik van het oppervlaktewaterlichaam als vaarweg niet belemmeren. Dit betekent dat een minimale doorvaarthoogte aan de vergunning kan worden verbonden. Stabiliteit en oeverbescherming De brughoofden mogen de stabiliteit van de oevers niet aantasten. De eventueel aanwezige beschoeiing mag niet worden beschadigd. Indien hogere stroomsnelheden worden veroorzaakt door de aanleg van bruggen moeten in- en uitstroomvoorzieningen worden aangelegd om onder andere schade aan de taluds te voorkomen. De taluds onder de brug en aan weerszijden tot 2 meter naast de brug moeten verhard worden afgewerkt. 2.13 Steigers, vlonders en overhangende bouwwerken KaderKeur Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszone door, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Begripsbepaling Een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk wordt in de zin van de Keur beschouwd als een werk. Het (aan)leggen en behouden van steigers, vlonders en overhangende bouwwerken zonder vergunning is verboden. Onder een steiger, vlonder of overhangend bouwwerk wordt verstaan een constructie aan of op het water die bedoeld is om mensen direct bij het water toe te laten, of om met een vaartuig aan te leggen (vissen, zwemmen, kanoën, zeilen, gemotoriseerd vaartuigen). Waar in het volgende wordt gesproken over een steiger dan wordt daaronder ook een vlonder of overhangend bouwwerk begrepen. Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterstaatswerken in de categorie A oppervlaktewaterlichamen, die (inclusief bijbehorende onderhoudsstroken) opgenomen zijn in de legger, dan wel zijn vastgelegd op de bij de legger behorende kaart, van het waterschap. Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Voor het aanbrengen en hebben van steigers in oppervlaktewaterlichamen categorie B geldt de algemene regel steigers, vlonders en overhangende bouwwerken. Voor oppervlaktewaterlichamen met een inrichtingsopgave voor beekherstel en/of ecologische verbindingszone, welke nog niet als zodanig zijn ingericht, is tevens de beleidsregel werken in zoekgebied voor beekherstel en ecologische verbindingszone van toepassing. Het kan zijn dat de voorgenomen activiteiten omgevingsvergunningplichtig zijn op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Een omgevingsvergunning kan noodzakelijk zijn op het gebied van (ver)bouw, wonen, monumenten, milieu, natuur en ruimte. Wanneer het voorgenomen bouwwerk op eigendom van een andere partij (bijvoorbeeld het waterschap) wordt gerealiseerd, is voorafgaand aan een watervergunning privaatrechtelijke toestemming noodzakelijk. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is het mogelijk maken van voorzieningen zoals steigers en vlonders en andere soortgelijke bouwwerken zonder dat de doorstroming wordt belemmerd. De voorzieningen mogen geen nadelige invloed hebben op de stabiliteit van het talud. Belangrijk aspect is het waarborgen van de mogelijkheden voor gewoon en buitengewoon onderhoud. De toegepaste materialen mogen geen nadelige gevolgen hebben voor de waterkwaliteit. Motivering van de beleidsregelDoorstroming en waterberging Indien een steiger ondersteund wordt door palen die in het water zijn geplaatst of indien de steiger tot op de waterlijn wordt aangebracht kan dit tot stremming en / of opstuwing leiden. Tevens spelen de inrichting en peilfluctuaties van het oppervlaktewaterlichaam een rol. Onderhoud Bij een steiger in een oppervlaktewaterlichaam categorie A is het belangrijk dat de steiger het doelmatig onderhoud aan het oppervlaktewaterlichaam niet belemmert. Een steiger mag geen nadelige invloed hebben op het (doelmatig) onderhoud. Uitgangspunt is dat het onderhoud machinaal wordt uitgevoerd. Dit kan met varend materieel (maaiboot) of met rijdend materieel worden uitgevoerd. Stabiliteit Bij het plaatsen van een steiger moet rekening gehouden worden met een belemmering van de groei van talud beschermende beplanting. Een oeverbescherming is dan noodzakelijk. Er worden daarom eisen gesteld aan de afmetingen van steiger (ten opzichte van het oppervlaktewaterlichaam). ToetsingscriteriaAlgemeen De steiger mag maximaal 35% van de breedte van het perceel beslaan. Als dit leidt tot een steiger kleiner dan 6,00 m, dan is verlenging van de steiger toegestaan tot maximaal 6,00 m en uit ecologisch belang is een groter ruimtebeslag ongewenst. Doorstroming De steiger mag niet haaks op de vaarweg worden aangelegd. Voor oppervlaktewaterlichamen met een bovenbreedte tot 7 meter (bij normaal waterpeil) geldt dat bij een steiger een oversteek niet is toegestaan. Voor oppervlaktewaterlichamen met een bovenbreedte groter dan 7 meter (bij normaal waterpeil) geldt dat bij een steiger een maximale oversteek van maximaal 1 meter is toegestaan. De steiger mag geen aantasting van de functie van het oppervlaktewaterlichaam veroorzaken. Onderhoud 6. Bij varend onderhoud: De aanleg en aanwezigheid van een steiger aan de overzijde moet mogelijk blijven met inachtneming van de doorvaarbreedte 3,5 meter. De steiger mag maximaal 1,50 meter landinwaarts doorlopen, gemeten vanaf de boven insteek van de waterloop. Per perceel is er dus minimaal 3,50 meter oever zonder steiger. Hiermee is de bereikbaarheid voor inspectie en onderhoud geborgd. De steiger bevat aan landzijde geen opstaande delen die het onderhoud op enige wijze kunnen hinderen. De steiger mag het onderhoud van het oppervlaktewaterlichaam niet belemmeren. Dit betekent dat de steiger minimaal 10 meter van een ander werk in het oppervlaktewaterlichaam geplaatst moet worden, ook vanuit ecologische overwegingen is een groter ruimtebeslag ongewenst.. De steiger moet door de eigenaar in het uiterste geval verwijderd kunnen worden in geval van buitengewoon onderhoud aan oever of water. Hiervan zal door de waterbeheerder tijdig bericht worden gedaan. Verwijdering geschiedt door en op kosten van vergunninghouder. Stabiliteit De steiger mag niet rusten op beschoeiingen, schanskorven en andere oeververdedigingswerken. De steiger mag niet aan oeverbeschermingsconstructies worden bevestigd. Constructieve eisen In geval van een vaste steiger dient de onderkant van de steiger minimaal 1 meter boven de hoogwaterlijn te liggen zodat er geen drijfvuil kan verzamelen onder de steiger. Drijvende delen aan een steiger, zoals een loopplank op jerrycans, zijn niet toegestaan. 2.14 Dempen en graven oppervlaktewaterlichamen KaderKeur Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszone door, anders dan in overeenstemming met de functie daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Begripsbepaling Onder dempen wordt in dit kader verstaan het verkleinen (geheel of gedeeltelijk dempen) van het profiel van het in het bestaande watersysteem aanwezige oppervlaktewaterlichaam. Onder graven wordt in dit kader verstaan het vergroten van het profiel van het bestaande watersysteem aanwezige oppervlaktewaterlichaam en het nieuw graven van een oppervlaktewaterlichaam. Stedelijk gebied Onder stedelijk gebied wordt verstaan het gebied dat valt binnen de bebouwde kom zoals – op basis van de Wegenverkeerswet - vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente waarin de werkzaamheden worden uitgevoerd. Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op alle waterstaatswerken zijnde categorie A en B oppervlaktewaterlichamen, die (inclusief bijbehorende onderhoudsstroken) opgenomen zijn in de legger van het waterschap. Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Voor de categorie C waterlopen buiten de peilbesluitgebieden, gelden er voor dempen en graven algemene regels. Voor het verondiepen van diepe plassen wordt er getoetst aan een afzonderlijke beleidsregel verondiepen van diepe plassen. Voor oppervlaktewaterlichamen met een inrichtingsopgave voor beekherstel, welke nog niet als zodanig zijn ingericht, is tevens de beleidsregel werken in zoekgebied voor beekherstel en ecologische verbindingszone van toepassing. Het Besluit bodemkwaliteit biedt het beleidskader voor het toepassen van grond en baggerspecie op of in de bodem en in het oppervlaktewater. Bij het dempen of graven van een oppervlaktewaterlichaam kan het zijn dat daarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit aanleg vereist is. Een omgevingsvergunning is nodig als het bestemmingsplan dit vereist voor werkzaamheden die niet als bouwen zijn aan te merken. Om graafschade aan kabels en leidingen in Nederlandse bodem te voorkomen is er de Wet Informatie-uitwisseling Ondergrondse Netten (WION). De Kadasterdienst KLIC is de schakel tussen netbeheerders en gravers voor de uitwisseling van de informatie. Een zogenaamde KLIC-melding kan noodzakelijk zijn. Doel van de beleidsregel Het doel van deze beleidsregel is de functie van oppervlaktewaterlichamen te beschermen. Het gaat er daarbij om dat de wateraan- en afvoer, de waterberging en het profiel van oppervlaktewaterlichamen minstens hetzelfde blijven. Ook moet het mogelijk blijven om zonder belemmeringen doelmatig onderhoud en inspecties van oppervlaktewaterlichamen uit te kunnen voeren en instandhouding van de vaarfuncties. Motivering van de beleidsregelAlgemeen Het dempen of vergroten van watergangen kan een negatieve invloed hebben op de werking van het watersysteem. Het uitgangspunt bij de beleidsregel is dat de waterhuishouding niet negatief mag worden beïnvloed. De afvoer- en bergingscapaciteit van een oppervlaktewaterlichaam mag niet verminderen. Peilscheidingen mogen niet worden doorgraven. Met een demping of vergroting van oppervlaktewaterlichamen wordt de bestaande afwatering en wateraanvoer veranderd. Hierbij wordt uitgegaan van het zogenaamde “stand-still” principe. Bij iedere demping dient de afname van de hoeveelheid open waterberging dan ook minimaal te worden gecompenseerd binnen hetzelfde peilgebied en zo dicht mogelijk bij de ingreep. Het kan echter voorkomen dat er gewoon geen mogelijkheid is tot compenseren in hetzelfde peilgebied. Ook voor grote inrichtingsplannen bestaat vaak de wens om te compenseren in een ander peilgebied. In het beleid wordt hiervoor nu als volgt ruimte geboden: Demping 1:1 compenseren in het zelfde peilgebied; indien niet mogelijk gemotiveerd uitwijken naar 2. Demping compenseren in aangrenzend benedenstrooms peilgebied (met lager peil dus); indien niet mogelijk, gemotiveerd uitwijken naar 3. Demping compenseren in aangrenzend bovenstrooms peilgebied (met hoger peil); indien niet mogelijk gemotiveerd uitwijken naar 4. Demping compenseren in het zelfde bemalingsgebied Met het afwijken van de hoofdregel (compenseren in hetzelfde peilgebied) moet terughoudend worden omgegaan. Het uiteindelijke resultaat mag geen negatieve invloed hebben op de werking van het watersysteem. Uitzondering op de regel dat altijd gecompenseerd moet worden is als het uit oogpunt van verdrogingbestrijding gewenst is dat een watergang gedempt wordt of in kader van een stedelijke uitbreiding op een andere wijze een gelijkwaardige waterbeheersingsmaatregel wordt gerealiseerd. Er kan dan een vergunning worden verleend zonder dat compensatie van de waterberging noodzakelijk is. Onderhoud Onderhoud is noodzakelijk om een goed functioneren van het watersysteem te waarborgen. Bij het graven van een nieuw oppervlaktewaterlichaam of het vergraven van een bestaand oppervlaktewaterlichaam, moet rekening worden gehouden met de manier waarop het onderhoud aan het water wordt uitgevoerd. Bij oppervlaktewaterlichamen categorie A wordt een beschermingszone van 5 meter toegepast. Met betrekking tot de afmetingen van de nieuwe oppervlaktewaterlichamen moet dus niet alleen rekening gehouden worden met de afmetingen van het oppervlaktewaterlichaam zelf, maar ook met de beschermingszones. Dit is vooral belangrijk als er sprake is van meerdere perceeleigenaren. Met deze onderhoudsplicht, evenals het in stand houden van de obstakelvrije beschermingszone, moet voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden door alle belanghebbenden zijn ingestemd. Stabiliteit Het is bij nieuwe en te vergraven oppervlaktewaterlichamen belangrijk dat de stabiliteit van het talud wordt gewaarborgd. Er worden daarom voorschriften gegeven over de taludverhouding en de afwerking van de oever. Ook het opbarsten van de bodem moet worden voorkomen. Afhankelijk van de status van het water kunnen aanvullende eisen worden gesteld. Ecologie/overige gebruiksfuncties Ook kunnen (ongewenste) effecten optreden op een aan het oppervlaktewaterlichaam toegekende ecologische functie. Bij een demping kan de doorstroming verminderen waardoor de waterkwaliteit afneemt. De leefomstandigheden voor planten en dieren kunnen zodanig wijzigen dat het voortbestaan van specifieke planten of dieren wordt bedreigd. In specifieke watergangen met bijzondere natuurlijke waarden kan een vergroting van het profiel onaanvaardbare gevolgen hebben voor het ecologische systeem. Dat kan reden zijn voor het weigeren van de vergunning. ToetsingscriteriaDempen Het dempen van een oppervlaktewaterlichaam is alleen mogelijk als het verlies aan waterberging wordt gecompenseerd. Dit kan door: het graven van een nieuw oppervlaktewaterlichaam; het verbreden van een bestaand oppervlaktewaterlichaam. De compensatie moet vooraf en bij voorkeur gebeuren in oppervlaktewaterlichaam categorie A. De aanvrager is zelf verantwoordelijk voor de compensatie. De compensatie moet in eerste instantie gebeuren op het eigendom van de aanvrager. Het is niet toegestaan vernauwingen in het profiel van het oppervlaktewaterlichaam te maken. Dit geldt tijdens de werkzaamheden en ook daarna. Indien oppervlaktewater gedempt wordt in een gebied waar een peilbesluit geldt, moet compenserende waterberging worden aangelegd binnen hetzelfde peilgebied: De demping dient te worden gecompenseerd door vooraf vervangend wateroppervlak (uitgedrukt in m2) te graven in hetzelfde peilgebied. Het te graven oppervlak is minimaal gelijk aan het te dempen oppervlak. In uitzonderingsgevallen kan worden afgeweken van de regel dat moet worden gecompenseerd in hetzelfde peilgebied. Hiervoor moet echter een goede motivering worden gegeven. Er geldt dan de volgende volgorde: Compenseren in aangrenzend benedenstrooms peilgebied (met lager peil); Compenseren in aangrenzend bovenstrooms peilgebied (met hoger peil); Compenseren in hetzelfde bemalingsgebied. Dempingen in de vorm van de aanleg van een gronddam zonder duiker kunnen alleen worden toegestaan als de gronddam noodzakelijk is om watersystemen van elkaar gescheiden te houden om waterstaatkundige redenen of vanwege de bescherming van natuurwaarden met inachtneming van het gestelde onder punt 2. Graven/vergroten Het talud moet minimaal een schuinte hebben van 1:2. Als de grondsoort het toelaat, kan het waterschap een afwijkend talud toestaan (flauwer of steiler). Bodembreedte oppervlaktewaterlichaam categorie A minimaal 0,7 meter. Bodemhoogte 1 meter onder zomerpeil of boezempeil. Als de fysische gesteldheid van de bodem deze bodemhoogte niet toelaat, kan een geringere waterdiepte dan 1 meter worden voorgeschreven. Dit kan zich voordoen in zandbanen, zandige oeverwallen, veengebied en in gebieden met (al dan niet tijdelijke) sterke rivierkwel. Door het graven van nieuwe oppervlaktewaterlichamen mag geen directe verbinding ontstaan tussen verschillende peilgebieden. Als het te verbreden oppervlaktewaterlichaam machinaal vanaf één kant wordt onderhouden, mag de boven breedte van het oppervlaktewaterlichaam na de verbreding niet breder worden dan 7meter. De aanvrager moet er voor zorgen dat aan beide kanten van het nieuwe oppervlaktewaterlichaam categorie A een obstakelvrije beschermingszone beschikbaar is van 5 meter. Deze beschermingszone moet het oppervlaktewaterlichaam toegankelijk houden voor het onderhoud. Gebied specifiek Specifiek voor het stedelijk gebied geldt dat de volgende eisen worden gesteld: Oppervlaktewaterlichamen moeten voldoende omvang hebben; De doorstroming in oppervlaktewaterlichamen moet gewaarborgd zijn; Nieuw aan te leggen oppervlaktewaterlichamen, moeten zo worden uitgevoerd dat minstens 35% van de oeverlengte, natuurvriendelijk wordt uitgevoerd, tenzij in overleg met het waterschap voor een gelijke hoeveelheid alternatieve ecologische voorzieningen wordt gekozen; Eenzijdig obstakelvrije zones (grondstroken voor machinaal onderhoud) zijn mogelijk indien een zakelijk recht geregeld is dat de perceeleigenaar: het eenzijdig onderhoud van het water vanaf zijn/haar perceel accepteert, altijd toegang verleent tot zijn/haar perceel aan personen die in opdracht van het waterschap werken en hun materieel, de algehele ontvangstplicht van zowel maaisel/bagger e.d. afkomstig van het onderhoud van het water accepteert Als één zijde alleen voor handmatig onderhoud bereikbaar moet zijn, dan moet de zone minimaal 1,50 meter breed zijn; 2.15 Verondiepen diepe plassen KaderKeur Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te plaatsen of te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Begripsbepaling Onder verondiepen wordt verstaan het verkleinen van de waterdiepte door de waterbodem met bodemmateriaal of baggerspecie aan te vullen. Toepassingsgebied De beleidsregel “Verondiepen diepe plassen” is een beleidsregel in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het doel van de beleidsregel is aan te geven hoe het dagelijks bestuur van het waterschap omgaat met de bestuursbevoegdheid een melding af te handelen voor een verondieping van een diepe plas. Het dagelijks bestuur blijft bevoegd in het individuele geval gemotiveerd af te wijken van de beleidsregel. Deze beleidsregels zijn van toepassing op het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie, voor zover: het gaat om een grootschalige bodemtoepassing; het gaat om schone of licht verontreinigde grond of baggerspecie, zoals bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit; het niet gaat om het geheel dempen van het oppervlaktewaterlichamen. Plassen met een natuurfunctie of de functie zwemwater zijn aangeven op de bij het provinciaal Waterplan 2010-2015 behorende plankaart 1, waterhuishoudkundige functies. Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit bieden sinds 2008 het wettelijk kader voor het nuttig toepassen van bouwstoffen, schone en licht verontreinigde grond en baggerspecie op of in de bodem of het oppervlaktewater. In het Besluit Bodemkwaliteit wordt de mogelijkheid geboden om diepe plassen te verondiepen als een nuttige, grootschalige toepassing. Voor het verondiepen is geen watervergunning benodigd, maar hiertoe dient de initiatiefnemer een melding in te dienen bij het bevoegd gezag. Bevoegd gezag voor het toepassen van grond en baggerspecie in oppervlaktewaterlichamen is het waterschap. Doel van de beleidsregel Het beschermen van de kwaliteit van diepe plassen met een natuurfunctie of functie zwemwater tegen mogelijk negatieve effecten van verondiepen. Motivering van de beleidsregelAlgemeen In 2009 heeft de Minister als gevolg van maatschappelijke onrust over het verondiepen van plassen opdracht gegeven aan de commissie Verheijen om een advies uit te brengen over het proces van herinrichten en de wetenschappelijke onderbouwing van effecten van verondiepingen op de omgeving. Aan de hand van het advies is door een werkgroep van Rijk, provincies en waterschappen de Handreiking voor het herinrichten van diepe plassen (verder in deze beleidsregel aangeduid als ‘Handreiking’) opgesteld. De Handreiking is verankerd in de ministeriële circulaire Herinrichting diepe plassen en moet worden beschouwd als onderdeel van deze circulaire. Volgens de Handreiking is er ruimte voor de betrokken regionale overheden om te kunnen sturen op nuttige en functionele herinrichtingen in een gebied. Van deze mogelijkheid is door de provincie Noord-Brabant en de Brabantse waterschappen (Waterschap Brabantse Delta, Waterschap Rivierenland, Waterschap Aa en Maas, Waterschap De Dommel) gebruik gemaakt om gezamenlijk een visie te ontwikkelen over de functionaliteit van verondiepen in relatie tot de functie van een plas. De functionaliteit van een verondieping van een diepe plas volgens een grootschalige toepassing binnen het Besluit bodemkwaliteit wordt gekoppeld aan de functie van de plas. De verondieping moet wenselijk zijn vanuit de functie van de plas en dus niet het aanbod van het materiaal mag de primaire reden zijn tot verondieping. Een verondieping dient er niet alleen voor te zorgen dat de kwaliteit niet achteruit gaat (stand-still), maar ook leiden tot een functieverbetering. In beginsel geldt voor een verondieping het uitgangspunt ‘ja, mits …’, maar voor specifieke categorieën plassen, welke nog niet voldoende in huidig beleid en regelgeving is beschermd, is het uitgangspunt ‘nee, tenzij...’ gehanteerd. ToetsingscriteriaAlgemeen De Handreiking dient als leidraad voor het doorlopen van een zorgvuldig proces voor het herinrichten van diepe plassen. Door de waterbeheerder wordt aan de hand van de melding en het inrichtingsplan beoordeeld of de verondieping: voldoet aan het Besluit bodemkwaliteit; voldoet aan de voorwaarden gesteld in de Handreiking; voldoet aan deze beleidsregel; past in de gewenste ontwikkelingen die neergelegd zijn in bestaande planfiguren, zoals waterbeheerplannen, provinciale waterplannen, de provinciale milieuverordening, de provinciale Verordening ruimte en gemeentelijke bestemmingsplannen. geschikt is volgens de locatie specifieke kenmerken van de betreffende diepe plas. Plassen met een natuurfunctie In plassen met een natuurfunctie is gezien de hoge natuurwaarden en wezenlijke kenmerken verondieping in beginsel niet toegestaan, tenzij de verondieping leidt tot een functieverbetering van de plas en vanuit oogpunt van de stabiliteit van de waterkering. Plassen met functie zwemwater In plassen met de functie zwemwater is gezien: de onduidelijkheid over de effecten van licht verontreinigde grond en/of baggerspecie op de waterkwaliteit; het risico voor vertroebeling en de verstoring die verondieping kan hebben op de uitoefening van de gebruiksfunctie verondieping in beginsel niet toegestaan, tenzij de verondieping leidt tot functieverbetering (zoals de bevordering van de veiligheid van zwemmers of verbetering van een ernstig bestaand waterkwaliteits-probleem wat met de toepassing verbeterd kan worden) en aangetoond kan worden dat de kwaliteit van het aanvulmateriaal in overeenstemming is met de gebruiksfunctie. 2.16 Oeverbeschermende voorzieningen KaderKeur Op grond van artikel 3.1, eerste lid van de Keur is het verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk of bijbehorende beschermingszones door, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder handelingen te verrichten, werken te plaatsen of te behouden of vaste substanties of voorwerpen te laten staan of liggen. Begripsbepaling Met werken wordt bedoeld alle door menselijk toedoen ontstane of te maken constructies of inrichtingen. Zowel een constructie met als zonder fundering is een (bouw)werk. Een oeverbeschermende voorziening wordt als werk beschouwd. Toepassingsgebied Deze beleidsregel is van toepassing op alle werken die langs een categorie A en B oppervlaktewaterlichaam worden aangebracht en die dienen om het talud of de oever te beschermen tegen afkalving of afschuiving, dan wel om bij een verbreding of versmalling van het oppervlaktewaterlichaam het talud op te vangen. Deze werken kunnen verband houden met het plaatsen van bouwwerken nabij een oppervlaktewaterlichaam. Belangrijk is dat de bouwwerken de aanwezige voorzieningen niet extra belasten en dat de doorstroming van en de berging in het watersysteem in stand blijft. Raakvlakken met andere wet- en regelgeving Voor oppervlaktewaterlichamen met een inrichtingsopgave voor beekherstel en/of ecologische verbindingszone, welke nog niet als zodanig zijn ingericht, is tevens de beleidsregel werken in zoekgebied voor beekherstel en ecologische verbindingszone van toepassing. Voor ‘steigers, vlonders en overhangende bouwwerken’ is een aparte algemene regel van toepassing. Het kan zijn dat de voorgenomen activiteiten omgevingsvergunningplichtig zijn op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Een omgevingsvergunning kan noodzakelijk zijn op het gebied van (ver)bouw, wonen, monumenten, milieu, natuur en ruimte. Bij de aanleg van oeverbeschermde voorzieningen kan het zijn dat daarvoor een omgevingsvergunning voor de activiteit aanleg vereist is. Een omgevingsvergunning is nodig als het bestemmingsplan dit vereist voor werkzaamheden die niet als bouwen zijn aan te merken. Wanneer het voorgenomen bouwwerk op eigendom van een andere partij (bijvoorbeeld het waterschap) wordt gerealiseerd, is voorafgaand aan een watervergunning privaatrechtelijke toestemming noodzakelijk. Doel van de beleidsregelHet doel van het beleid in deze beleidsregel is het in stand houden en beschermen van het oppervlaktewaterlichaam als onderdeel van het totale watersysteem. Belangrijke aspecten daarbij zijn het in stand houden van doorstroming en bergingscapaciteit en het waarborgen van de gewone en buitengewone onderhoudsmogelijkheden. Motivering van de beleidsregelAlgemeen Het waterschap is verantwoordelijk voor het functioneren van het watersysteem. In het algemeen geldt dat het aanleggen van werken in een oppervlaktewaterlichaam, dan wel de beschermingszone, negatieve gevolgen kan hebben voor het functioneren van het watersysteem. Doorstroming en waterberging De doorstroming van het water mag niet worden belemmerd door het plaatsen van palen in het doorstromingsprofiel van het oppervlaktewaterlichaam Onderhoud Om de aan- en afvoer te kunnen waarborgen voert het waterschap onderhoudstaken uit en toetst of bij de aanleg van werken in, op, boven of onder waterstaatwerken (met bijbehorende onderhoudsstroken) en in beschermingszones deze taken niet in het geding komen. Stabiliteit Werken langs het oppervlaktewaterlichaam (in de beschermingszone) kunnen de constructie en stabiliteit van de taluds en eventuele al bestaande werken aantasten. Ecologie/overige gebruiksfuncties De werken kunnen een negatief effect hebben op de waterkwaliteit. Het ecologisch functioneren van een oppervlaktewater kan ook door een werk worden belemmerd bijv. doordat het een barrière vormt voor migratie van bepaalde diersoorten. ToetsingscriteriaAlgemeen De aan te leggen werken dienen buiten het doorstromingsprofiel te worden aangelegd. De aan te leggen werken dienen buiten de waterkering of de bijbehorende beschermingszones te worden aangelegd. Doorstroming/ Berging Het aanbrengen van de oeverbeschermende voorzieningen mag niet leiden tot een verminderde bergingscapaciteit van het oppervlaktewaterlichaam en niet tot een verhoging leiden van

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.