Beleidsregels voor de Keur van AGVAfwegingskader voor vergunningverlening en maatwerkvoorschriften DEEL I – Doel en toepassing Doel van de Keur, Keurbesluit en beleidsregels Instrumenten voor regulering van activiteiten in en rond het watersysteem De Waterschapsverordening van AGV, ofwel: de Keur, heeft als belangrijkste doel om een veilig en gezond watersysteem te waarborgen en het te beschermen tegen risico’s van activiteiten die van invloed kunnen zijn op de goede staat en werking van het watersysteem. Een veilig en gezond watersysteem is van groot belang voor Nederland en het waterschap is binnen zijn beheergebied verantwoordelijk om hiervoor te zorgen. Het watersysteem is onderdeel van een omgeving die voortdurend verandert en waarin soms aanpassingen nodig zijn. Daarnaast is de ruimte in Nederland schaars. Mensen willen de beschikbare ruimte zo optimaal mogelijk benutten. De druk is groot om het watersysteem en de keringen voor méér te gebruiken dan alleen voor bescherming tegen wateroverlast en het creëren van een ecologisch gezond watersysteem. Niet alle activiteiten zijn altijd mogelijk, maar vaak kunnen activiteiten wel degelijk – soms onder bepaalde voorwaarden. AGV beoordeelt aanvragen voor activiteiten in en rond het watersysteem, met behulp van een aantal instrumenten. De Waterschapsverordening (of: de Keur) De Keur is een juridisch instrument dat valt onder de bevoegdheid van het algemeen bestuur van het waterschap. Het is een verordening waarmee het waterschap het waterbeheer kan uitvoeren. Uitgangspunt is dat het waterschap het waterbeheer moet kunnen uitvoeren tegen aanvaardbare maatschappelijke lasten, nu en in de toekomst. In de Waterwet, provinciale verordeningen en het Waterbeheerplan staan normen waar waterkeringen, oppervlaktewaterlichamen, grondwaterlichamen en bergingsgebieden aan moeten voldoen en die het waterschap bij de uitoefening van zijn taken in acht moet nemen. In de Keur heeft het waterschap deze normen uitgewerkt tot oogmerken. Dit is een belangrijke basis voor het toetsen van activiteiten van derden. De Keur bevat artikelen die aangeven of een activiteit verboden is of niet. Ook beschrijft de Keur wat er in ieder geval nodig is om te zorgen dat de keringen en het watersysteem goed blijven functioneren. Dit heet specifieke zorgplichten. De keur bevat voor de verschillende onderdelen van het watersysteem – waterkeringen, oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden en grondwaterlichamen - apart ‘objectgerichte’ specifieke zorgplichten. Op verschillende plaatsen in de Keur staan ‘aanwijzingsbevoegdheden’. Daarmee kan het bestuur de werking van de regels beperken tot bepaalde aangewezen gebieden. Voor sommige activiteiten stelt de Keur grenswaarden aan gebieden, om het watersysteem te kunnen beschermen tegen het cumulatieve effect van activiteiten. Het kan zijn dat een bepaalde activiteit op zichzelf geen kwaad kan voor het watersysteem, maar een aantal van deze activiteiten tegelijk wél. In dat geval dreigt de ‘gebruiksruimte’ van het gebied te worden overschreden en kan het waterschap de activiteit weigeren of aanvullende beperkingen of voorschriften stellen. De Keur bevat ook een artikel over het opstellen van een uitvoeringsprogramma onderhoud. Daarmee is het mogelijk om voor een bepaald gebied het onderhoud gericht af te stemmen op de kenmerken van dat specifieke gebied en de gebiedsdoelen die er gelden. Dit maakt het mogelijk om lokaal af te wijken van bijvoorbeeld standaard afmetingen voor een watergang of oever. Het Keurbesluit Naast de Keur kent het waterschap ook het Keurbesluit. De vaststelling van het Keurbesluit valt onder de bevoegdheid van het dagelijks bestuur. Het Keurbesluit bevat aanvullingen op de specifieke zorgplichten voor activiteiten op en om het water en waterkeringen. Dit zijn de zogenoemde ‘activiteitgerichte’ specifieke zorgplichten. Degene die een activiteit verricht, is gebonden aan de ‘activiteitgerichte’ specifieke zorgplichten. Dit geldt ook als de activiteit niet verboden is (de ‘activiteitgerichte specifieke zorgplichten’ heten dan nadere regels) of als er een vrijstelling voor geldt. Maatwerkbesluit In sommige gevallen kan het beschermingsniveau van de aanvullingen in het Keurbesluit van de specifieke zorgplichten tekortschieten of juist te streng zijn. In die gevallen kan het waterschap met behulp van de beleidsregels een maatwerkvoorschrift stellen en opnemen in een maatwerkbesluit. Het waterschap kan zelfstandig een maatwerkvoorschrift stellen, maar ook op aanvraag van de initiatiefnemer of een ander. Watervergunning Voor activiteiten die verboden zijn en waarvoor in het Keurbesluit geen ‘activiteitgerichte’ specifieke zorgplichten zijn opgenomen, moet de initiatiefnemer een vergunning aanvragen. De beleidsregels Naast de Keur en het Keurbesluit gebruikt het waterschap ook Beleidsregels. Deze vallen onder de bevoegdheid van het dagelijks bestuur. De beleidsregels zijn van toepassing op vergunningverlening en op het stellen van maatwerkvoorschriften. Of een initiatiefnemer die een vergunning aanvraagt deze krijgt, hangt af van de beoordeling van het waterschap. De oogmerken en specifieke zorgplichten in de Keur vormen samen de beoordelingsregels voor een vergunningaanvraag of het stellen van een maatwerkvoorschrift. Het waterschap toetst de aanvraag voor een vergunning of maatwerkvoorschrift aan de specifieke zorgplichten, tegen de achtergrond van de oogmerken. De beleidsregels kunnen uitleg, maatstaven en afwegingen geven bij de toepassing van de beoordelingsregels. Soms zijn er zwaarwegende redenen van openbaar belang om een activiteit toch toe te staan, ondanks dat de activiteit niet wenselijk is omdat de maatschappelijke lasten van waterbeheer daardoor onaanvaardbaar toenemen. Artikel 2.39 van de Keur maakt het in deze uitzonderingsgevallen mogelijk toch een vergunning te verlenen. De doelen van het waterbeheer Rijks- en provinciale waterbeheernormen Het rijk en de provincies hebben doelstellingen voor het waterbeheer uitgewerkt in regelgeving. Op hoofdlijnen komen deze doelstellingen neer op het volgende: De waterkeringen moeten voldoen aan veiligheidsnormen tegen overstroming. Voor de oppervlaktewateren stelt het waterschap het waterpeil vast en handhaaft deze. De bergingscapaciteit van het oppervlaktewatersysteem dient te voldoen aan de ‘normen voor wateroverlast’, om de neerslagtoename vanwege de klimaatverandering op te kunnen vangen. Bij een watertekort vanwege droogte verdeelt het waterschap het water over de verschillende maatschappelijke belangen volgens de wettelijke rangorde in de ‘verdringingsreeks’. De chemische en ecologische kwaliteit van oppervlaktewaterlichamen moeten voldoen aan de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water van de Europese Unie. Waterschapsdoelen Het waterschap stelt eens in de 6 jaar een Waterbeheerplan vast, om de rijks- en provinciale doelen op hoofdlijnen, te vertalen in maatregelen voor AGV. Het Waterbeheerplan beschrijft ook de maatregelen die het waterschap gaat nemen om het watersysteem ‘op orde’ te houden en te laten voldoen aan de eisen, zoals het watersysteem inspecteren, monitoren, toetsen, onderhouden, verbeteren en aanpassen aan de veranderingen van de omgeving en het beleid. Oogmerken in de Keur In de Keur zijn de doelstellingen van het waterbeheer terug te vinden als ‘oogmerken’. Het gaat hierbij zowel om de algemene doelstellingen van waterbeheer in artikel 2.1 van de Waterwet, als om bijzondere doelstellingen uit het Waterbeheerplan. De specifieke zorgplichten in de Keur en in het Keurbesluit zijn bedoeld om te zorgen dat een initiatiefnemer die een activiteit wil uitvoeren deze oogmerken van het watersysteem ‘in het oog houdt’ en deze niet in gevaar brengt. In de Keur zijn de specifieke zorgplichten onderverdeeld naar ‘watersysteemobject’: Waterkeringen. Oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden. Grondwater. Stedelijke uitbreiding. In het Keurbesluit zijn de specifieke zorgplichten onderverdeeld naar ‘activiteit’. De opbouw van de Beleidsregels Er zijn 61 beleidsregels, verdeeld over 16 hoofdstukken: Oogmerken en zorgplicht Oogmerken De Keur bevat artikelen met de oogmerken (doelstellingen) die gelden voor het watersysteem: waterkeringen, oppervlaktewateren, grondwater en bergingsgebieden. De essentie van de oogmerken is dat deze onderdelen van het watersysteem hun functie goed moeten kunnen blijven vervullen. Dat wil zeggen dat ze in goede staat moeten blijven en dat het waterschap ze goed moet kunnen inspecteren en onderhouden. Het waterschap toetst activiteiten aan deze oogmerken. Voor exacte formulering: zie de Keur zelf. Zorgplichten Daarnaast bevat de Keur artikelen met zorgplichten, voor deze zelfde onderdelen van het watersysteem. De essentie daarvan is iemand die een activiteit onderneemt die nadelige gevolgen kan hebben, moet zorgen dat deze gevolgen niet optreden of ze moet beperken of ongedaan maken door maatregelen te nemen. Het waterschap toetst activiteiten ook aan deze zorgplichten. Voor exacte formulering: zie de Keur zelf. Voor de volledigheid volgt hieronder een korte omschrijving van de oogmerken en zorgplichten voor waterkeringen, oppervlaktewateren, grondwater en bergingslocaties. De exacte formuleringen staan in de Keur zelf. Waterkeringen De oogmerken voor waterkeringen (art. 2.13 Keur) zijn dat de kering in goede staat verkeert, het achterliggende land goed beschermt tegen overstroming en dat het waterschap de kering doelmatig kan inspecteren. De zorgplicht (art. 2.14 Keur) schrijft voor dat iemand die een activiteit uitvoert bij een kering maatregelen moet nemen om te zorgen dat: De bekleding van de dijk en de oeverbescherming niet beschadigd raakt. De activiteit niet leidt tot grotere gevoeligheid voor erosie van de kering. De stabiliteit van de kering in stand blijft. Inspectie van de kering goed mogelijk blijft. Groot onderhoud van de kering mogelijk blijft tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. De grondwaterstand niet daalt in de zone langs de kering en De hoogte van de kering niet lager wordt. Oppervlaktewaterlichamen De oogmerken voor oppervlaktewaterlichamen (art. 2.26 van de Keur) zijn dat zij goed blijven functioneren in waar ze bedoeld zijn, dat wil zeggen: water aan – en afvoeren, water bergen, leefruimte bieden voor (water- en oever)planten en dieren en voor sommige waterlichamen gelden ook maatschappelijke functies zoals varen of zwemmen. Het waterschap moet het waterlichaam doelmatig kunnen inspecteren en onderhouden. De zorgplicht (art. 2.27 Keur) schrijft voor dat iemand die een activiteit uitvoert bij een oppervlaktewater maatregelen moet nemen om te zorgen dat: Het profiel van het waterlichaam in stand blijft (afmetingen, vorm en constructie). De oever van meren en plassen niet verandert (vorm en constructie). De doorstroming goed blijft functioneren. De waterstand in het waterlichaam niet hoger wordt of het bergend vermogen afneemt. Voorzieningen die bedoeld zijn om de ecologische waterkwaliteit te verbeteren goed blijven functioneren. De ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet achteruit gaat. Uitgekomen materiaal minimaal 1 meter uit de insteek van groene oevers komt te liggen. Het gebruik van het oppervlaktewaterlichaam of de onderhoudsstrook voor het uitvoeren van onderhoud niet belemmerd wordt. De uitvoering van buitengewoon onderhoud mogelijk blijft tegen maatschappelijk aanvaardbare lasten. De vaarfunctie, voor zover aanwezig, geen hinder ondervindt. De grondwaterstand gelijk blijft. Grondwaterlichamen De oogmerken voor grondwaterlichamen (art. 2.7 van de Keur) zijn dat er voldoende grondwater beschikbaar blijft van goede kwaliteit voor een duurzaam gebruik van water. Daarnaast is het belangrijk dat de grondwaterstand geschikt is voor de belangen die spelen, zoals: natuur, landbouw, bebouwing, infrastructuur, waterkeringen, drinkwatervoorziening, archeologische, aardkundige en cultuurhistorische waarden, bodemenergiesystemen, grondwatersaneringen en voorkomen en beperken van bodemdaling. De zorgplicht (art. 2.8 Keur) schrijft voor dat iemand die een activiteit uitvoert die invloed heeft op een grondwaterlichaam, maatregelen moet nemen om te zorgen dat: Er geen uitputting optreedt van de grondwatervoorraad. Ongewenste kwel wordt voorkomen. De grondwaterstand blijft passen bij de belangen die een rol spelen. Grondwaterstromen niet veranderen en geen verspreiding kan plaatsvinden van aanwezige verontreinigingen, koudebellen of warmtebellen. Er geen doorboring van slecht doorlatende bodemlagen plaatsvindt. De aanwezige grondwaterkwaliteit in stand blijft. Er geen opbarsting van de waterbodem plaats vindt. Er geen verzilting van zoet grondwater optreedt. Bergingsgebieden De oogmerken voor oppervlaktewaterlichamen zijn van overeenkomstige toepassing op bergingsgebieden en waterbergingsvoorzieningen voor zover het de waterbergende functie van oppervlaktewaterlichamen betreft. De zorgplicht (art. 2.27 Keur) schrijft voor dat iemand die een activiteit uitvoert die invloed heeft op een bergingsgebied of een waterbergingsvoorziening, maatregelen moet nemen om te zorgen dat: Het bergend vermogen van bergingsgebieden niet afneemt. Het bergend of infiltrerend vermogen van waterbergingsvoorzieningen niet afneemt. DEEL II – Beleidsregels 1.Beleidsregels voor werken op of bij waterkeringen 1.1Wanneer is een vergunning nodig? Deze beleidsregels hebben betrekking op het aanbrengen, hebben, wijzigen of verwijderen van werken op of bij waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen. 1.2Relevante regelgeving AGV toetst aan de beoordelingsregels in de oogmerken (art. 2.13 Keur) en de specifieke zorgplicht (art. 2.14 Keur) – zie ook deel I van dit rapport. De beleidsregels vormen de afwegingen en de maatstaven bij de toetsing aan de beoordelingsregels, waar nodig. Verboden in de Keur van AGV Deze beleidsregels zijn van toepassing op vergunningaanvragen die betrekking hebben op de volgende verboden in de Keur van AGV: Artikel 2.17: Beperkingengebiedactiviteiten waterkerende lichamen. Artikel 2.18: Beperkingengebiedactiviteiten half-verholen waterkeringen. Artikel 2.19: Beperkingengebiedactiviteiten verholen waterkeringen. Artikel 2.20: Beperkingengebiedactiviteiten Beschermde gronden. Keurbesluit Vrijstellingen Voor bepaalde werken geldt een vrijstelling van de vergunningplicht. In het Keurbesluit staat wanneer en onder welke voorwaarden dat het geval is: Paragraaf 2.4: Steigers, afmeerpalen en ligplaatsnemen. Paragraaf 2.8: Werken in verholen waterkeringen. Paragraaf 2.9: Dammen en bruggen. Paragraaf 2.15: Overige werken in het beperkingengebied van waterkeringen. Andere beleidsregels die relevant zijn voor werken op of bij waterkeringen Andere beleidsregels die relevant kunnen zijn voor werken op waterkeringen zijn: Hoofdstuk 3 de beleidsregels voor wegen en verkeersvoorzieningen op waterkeringen. Hoofdstuk 4 de beleidsregels voor beschoeiingen en damwanden bij waterkeringen. Hoofdstuk 6 de beleidsregels voor graven in of nabij waterkeringen. Hoofdstuk 7 de beleidsregels voor drukvaten en explosiegevaar bij waterkeringen. Hoofdstuk 8 de beleidsregels voor kabels en leidingen. Hoofdstuk 12 de beleidsregels voor stedelijke uitbreiding. 1.3Beleidsregels voor werken op of bij waterkeringen Doel van de Keurartikelen en beleidsregels voor werken op of bij waterkeringen Werken (zowel groot als klein) kunnen de stabiliteit van een waterkering in gevaar brengen en daarmee de bescherming van het land tegen overstromingen. Vanwege deze risico’s hanteert AGV voorwaarden voor het verlenen van vergunningen voor werken op en bij waterkeringen. 1.3.1Beleidsregel 1.1: werken Beleidsregel 1.1: plaatsen van werken of uitbreiden of verbouwen van bestaande werken in en nabij waterkeringen en beschermende gronden De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het plaatsen van werken binnen de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en in beschermende gronden wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: de oogmerken als bedoeld in artikel 2.13 van de keur; de specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.14 van de keur, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende afwegingen en maatstaven: het werk kan in de kernzone of in beschermende gronden worden geplaatst: als geen aanvaardbaar alternatief bestaat buiten de kernzone en beschermende gronden; als geen gevaar bestaat voor omvallen of omwaaien van het werk; het werk of de uitbreiding daarvan is stabiel en standzeker; het werk of de uitbreiding ervan is bestand tegen periodieke dijkversterkingen; de plaatsing van het werk op de kruin van de waterkering is niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten; de plaatsing van het werk in het keurprofiel van waterkerende dijklichamen en beschermende gronden is niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten; de plaatsing van het werk in het profiel van vrije ruimte van waterkerende dijklichamen is niet verenigbaar met de oogmerken en de specifieke zorgplichten, behalve in de vergrote kernzone in het vlakke achterland achter de teen. Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich met name op het waarborgen van de stabiliteit van de kering. Werken kunnen een risico vormen voor de stabiliteit van een waterkering. Daarbij spelen diverse mechanismen een rol: verzakking: Het eigen gewicht van het werk kan leiden tot instabiliteit van de kering door extra zetting van de ondergrond of door verzakking. Bij verzakking naast een dijk kan het dijklichaam gaan verschuiven in de richting van het gezakte deel aan de voet, door de zwaartekracht. Verzakking of extra zetting kan ook leiden tot een verkorting van de levensduur van de dijk. Dit betekent dat het waterschap eerder onderhoud moet uitvoeren om de dijk sterk genoeg te houden. Dit is niet wenselijk en leidt tot hogere maatschappelijke kosten. Erosie: Als het werk op een fundering op palen staat kan erosie gaan optreden wanneer er ruimte onder de fundering ontstaat, waar water met zand in gaat stromen. Inspectie en onderhoud: bebouwing dichtbij de waterkering kan inspectie en onderhoud door het waterschap bemoeilijken. Beleidsregels De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de keur. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. ad a en b: Vanwege de risico’s zijn werken alleen toegestaan in de kernzone of in beschermende gronden, als er geen alternatief is en als de aanvrager kan aantonen dat het werk niet kan omvallen, omwaaien of verzakken. ad c: Ook moet het werk geen belemmering vormen voor toekomstige dijkversterkingen. ad d: De kruin moet vrij blijven tot een breedte van 3 meter vanaf de referentielijn om de kering bereikbaar te houden voor onderhoudsmaterieel en tijdens calamiteiten. ad e en f: Het werk (inclusief de fundering) mag niet komen te liggen in het keurprofiel en het profiel van vrije ruimte. Het keurprofiel is de (driedimensionale) vorm en hoogte die de waterkering minimaal moet hebben om de veiligheid te garanderen. Het profiel van vrije ruimte is een reservering om in de toekomst de waterkering te kunnen onderhouden, ook met de verwachte (klimatologische) ontwikkelingen. Alleen als er sprake is van een vergrote kernzone in het vlakke achterland achter de teen is het wel mogelijk om een werk te plaatsen in het profiel van vrije ruimte van een waterkering. 1.3.2Beleidsregel 1.2: funderingspalen Beleidsregel 1.2: aanbrengen van funderingspalen De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het aanbrengen van funderingspalen binnen de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen en van half-verholen waterkeringen en in de kernzone van verholen waterkeringen wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: de oogmerken als bedoeld in artikel 2.13 van de keur; de specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.14 van de keur, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende afwegingen en maatstaven: de funderingspalen kunnen in de kernzone geplaatst wanneer als er geen aanvaardbaar alternatief is buiten de kernzone; en in het talud van waterkeringen wordt geen gebruik gemaakt van houten palen met betonnen opzetters; en er wordt geen gebruik gemaakt van palen met vergrote paalvoet; en er worden alleen grondverdringende palen toegepast; en het aanbrengen van funderingspalen binnen de kruin is niet verenigbaar met de oogmerken en de specifieke zorgplichten. Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich met name op het waarborgen van de stabiliteit van de kering. Het aanbrengen van funderingspalen door heien kan invloed hebben op de stabiliteit van een kering, omdat heien trillingen veroorzaakt. Daarbij kunnen de volgende mechanismen een rol spelen: Zetting: Trillingen kunnen leiden tot beweging in de ondergrond. Er kan zetting en verdichting van de grond optreden, waardoor de kering lager wordt. Vermindering draagkracht: Ook kan trilling tot gevolg hebben dat de draagkracht van bepaalde bodemlagen vermindert, met name vochtige, slappere lagen (‘drijfzandvorming’). Dit alles kan de stabiliteit van de kering in gevaar brengen. Doorboring waterafsluitende lagen: Daarnaast is een risico van heien dat doorboring van waterafsluitende lagen kan plaatsvinden. Onder een afsluitende, slecht doorlatende laag kan een waterover- of onderdruk aanwezig zijn. Na perforatie van de afsluitende laag kan het water door de perforatie gaan stromen. Dit kan leiden tot andere waterspanningen in grondlagen, wat nadelig kan zijn voor de stabiliteit van de waterkering. Het ontstaan van een wel is daar een voorbeeld van. Beleidsregels De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de keur. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. ad a en b: In het talud van de waterkering mogen houten palen met betonnen opzetters (een betonnen stuk aan de bovenkant van de heipaal) niet worden gebruikt, omdat deze de horizontale gronddruk, die in een talud aanwezig is, niet aankunnen. De palen kunnen afbreken en het werk kan van de palen af gaan schuiven. ad c: Ook palen met vergrote paalvoet mogen niet worden gebruikt, omdat er bij het heien dan een soort schacht ontstaat met ruimte rondom de paal. Zeker als de paal waterdoorlatende lagen doorsnijdt, kan hierin kortsluiting tussen watervoerende lagen optreden. ad d: De reden om alleen grondverdringende palen toe te staan is dat deze als het ware klem in de grond geslagen worden, waarbij geen holle ruimten ontstaan. Grondverdringende palen zijn onder meer betonpalen, stalen buispalen of schroefpalen. ad e: In de kruin mogen geen funderingspalen worden aangebracht. De reden dat heien in de kruin niet wenselijk is, is dat heien gebeurt met als doel een gebouw of constructie stevig te kunnen plaatsen. Dergelijke constructies zijn moeilijk te verwijderen als dat nodig is voor bijvoorbeeld ophogen van een waterkering. 1.3.3Beleidsregel 1.3: opritten en bruggen Beleidsregel 1.3: aanleggen, vervangen en verwijderen van opritten en bruggen naar woningen, panden en percelen nabij waterkerende dijklichamen en half-verholen keringen De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het aanleggen, vervangen en verwijderen van opritten, waaronder ook bruggen ten behoeve van toegang naar woningen, panden en percelen bij waterkerende dijklichamen en half-verholen waterkeringen wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: de oogmerken als bedoeld in artikel 2.13 van de keur; de specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.14 van de keur; waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: De oprit blijft zoveel mogelijk buiten het keurprofiel. Wanneer het een brug betreft, blijft deze buiten het keurprofiel; en De oprit of brug wordt niet groter aangelegd dan strikt noodzakelijk is voor de toegang tot woning, pand of perceel en het uitgangspunt is niet meer dan 1 oprit of brug per woning, pand of perceel. In het geval van een brug voldoet deze aan de geldende veiligheidsnormen voor de betreffende waterkering en de geldende NEN-normen en handreikingen, zoals thans het Technisch Rapport Waterkerende Grondconstructies (TAW, 2001) en Addendum (TAW/ENW, 2007). Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op het goed kunnen functioneren van de kering. Opritten en bruggen bij waterkerende dijklichamen kunnen een probleem zijn voor de veiligheid van de waterkering. Daarbij kunnen de volgende mechanismen een rol spelen: Schade aan de dijk: De opritten en bruggen verstoren het dijkprofiel en de kleikap die aanwezig is op de dijk. Belemmering voor beheer en onderhoud: Bruggen zijn relatief grote werken die een belemmering kunnen vormen voor het beheer en onderhoud aan de waterkering. Beleidsregels De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de keur. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. ad a: Voor bruggen geldt dat zij altijd buiten het keurprofiel moeten blijven, omdat zij anders een belemmering vormen voor het beheer en onderhoud van de waterkering. ad b: Uitgangspunt is dat er vergunning wordt verleend voor niet meer dan één oprit of brug per woning, bedrijf of stuk landbouwgrond. ad c: Een brug moet uiteraard voldoen aan de eisen uit de van toepassing zijnde leidraden voor veilige aanleg van bruggen en veilige waterkeringen. 1.3.4Beleidsregel 1.4: windturbines Beleidsregel 1.4: oprichten windturbine De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het oprichten van een windturbine nabij waterkerende dijklichamen en half-verholen waterkeringen wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: de oogmerken als bedoeld in artikel 2.13 van de keur; de specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.14 van de keur, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: De bouwlocatie bevindt zich zo ver uit de teen dat de windturbine (inclusief de wieken) niet geheel of gedeeltelijk op de kering kan vallen; en De windturbine (inclusief fundering) staat buiten de beschermingszone. Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich met name op de stabiliteit en het functioneren van de waterkering. Een windturbine kan een gevaar zijn voor de waterkering. Daarbij kunnen de volgende mechanismen een rol spelen: Verzakking door gewicht: Een windturbine wordt gebruikt om windenergie om te zetten in elektriciteit. Er zijn grote krachten in het spel die invloed kunnen hebben op de waterkering. Het gaat zowel om het gewicht van de windturbine zelf, Beschadiging door trillingen: als om krachten die op de turbine, en via de turbine op de waterkering werken door het opvangen van de wind. Trillingen tijdens storm en blikseminslag, en ook trillingen als gevolg van de voortdurende windbelasting kunnen leiden tot beschadiging van de dijkbekleding of tot afschuiven van het talud van de kering. Dit kan ertoe leiden dat de stabiliteit en daarmee de veiligheid van de waterkering afneemt. Beleidsregels De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de keur. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. ad a: De windturbine moet zo geplaatst worden dat hij bij omvallen niet op de kering kan vallen, dit geldt ook voor de wieken. ad b: Binnen de kern- en beschermingszone van de kering is het niet toegestaan een windturbine te plaatsen, met name vanwege de risico’s van trillingen door de grote krachten die werken op een windturbine. 1.3.5Beleidsregel 1.5: windmolens Beleidsregel 1.5: herbouwen windmolen De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het herbouwen van een windmolen in de beschermingszone van waterkerende dijklichamen wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: de oogmerken als bedoeld in artikel 2.13 van de keur; de specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.14 van de keur, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: De vervangende windmolen wordt op de bestaande fundering geplaatst, de fundering wordt niet uitgebreid; de vervangende windmolen veroorzaakt geen toename van de belasting van de fundering of de waterkering. De fundering is stabiel. Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht Met ‘windmolen’ bedoelen we een klassieke molen, zoals een poldermolen of korenmolen. De essentie van deze beleidsregel is dat de situatie niet verslechtert ten opzichte van de situatie vóór de vervanging van de windmolen. Beleidsregels De uitleg en afweging van de beoordelingsregels met betrekking tot de activiteit leidt tot de conclusie dat het belangrijk is de verstoring van de waterkering zo beperkt mogelijk te houden. Dat kan door de oude fundering te gebruiken. 2.Beleidsregels voor waterkerende werken en inlaten in waterkeringen 2.1Wanneer is een vergunning nodig? Deze beleidsregels hebben betrekking op het aanleggen en aanpassen van waterkerende werken en inlaten bij waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen. 2.2Typen waterkerende werken en inlaten Waterkerende werken en inlaten zijn constructies die deel uitmaken van de waterkering, met of zonder beweegbare onderdelen (afsluitmiddelen). Ze bevinden zich bijvoorbeeld op de kruising van een waterkering met een water-, verkeers- of spoorweg, tram- of metrolijn. Er zijn verschillende typen waterkerende kunstwerken: Kunstwerken die gewoonlijk gesloten zijn en alleen open gaan als er iemand of iets doorheen moet. Voorbeelden: schutsluis, uitwateringssluis, inlaatsluis, gemaal. Kunstwerken die gewoonlijk open zijn en alleen dicht gaan als dit voor bescherming tegen overstroming bij hoge (buiten)waterstanden noodzakelijk is. Voorbeelden: keersluis, afsluitbare duiker, coupure, afsluitmiddelen in tunnels. Kunstwerken zonder beweegbare onderdelen. Voorbeelden zijn: kistdammen, diepwanden en constructies om een niveauverschil in het maaiveld op te vangen (keermuren en -wanden, kademuren). Bij een inlaatwerk gaat het om een buisleiding door een waterkering, voor het inlaten van oppervlaktewater. Dit gebeurt voor het op peil houden van het polderwaterniveau en ook voor het op peil houden van de waterstand binnen hoogwatervoorzieningen rondom bebouwing in polders. 2.3Relevante regelgeving AGV toetst aan de oogmerken (art. 2.13 Keur) en de specifieke zorgplicht (art 2.14 Keur) – zie ook deel I van dit rapport. De beleidsregels vormen de standaarden en de maatstaven bij de toetsing, waar nodig. Verboden in de Keur van AGV Deze beleidsregels zijn van toepassing op vergunningaanvragen die betrekking hebben op de volgende verboden in de Keur van AGV: Artikel 2.17: Beperkingengebiedactiviteiten in waterkerende dijklichamen. Artikel 2.18: Beperkingengebiedactiviteiten in half-verholen waterkeringen. Artikel 2.19: Beperkingengebiedactiviteiten in verholen waterkeringen. Artikel 2.20 : Beperkingengebiedactiviteiten in beschermende gronden. Keurbesluit Vrijstellingen Voor bepaalde werken geldt een vrijstelling van de vergunningplicht. In het Keurbesluit staat wanneer en onder welke voorwaarden dat het geval is: Paragraaf 2.14: Peilafwijkingen. Andere beleidsregels die relevant zijn voor aanleggen en aanpassen van waterkerende werken en inlaten in waterkeringen zijn: Andere beleidsregels die relevant zijn voor aanleggen en aanpassen van waterkerende werken en inlaten bij waterkeringen zijn: Hoofdstuk 1 de beleidsregels voor werken op of bij waterkeringen. Hoofdstuk 4 de beleidsregels voor beschoeiingen en damwanden bij waterkeringen. Hoofdstuk 6 de beleidsregels voor graven in of nabij waterkeringen. 2.4Beleidsregels voor waterkerende werken en inlaten in waterkeringen Doel van de Keurartikelen en beleidsregels voor aanleggen en aanpassen van waterkerende werken en inlaten in waterkeringen Met de keurartikelen en beleidsregels die betrekking hebben op waterkerende werken en inlaten in waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen draagt AGV bij aan de bescherming van het land tegen overstroming. Het risico van kunstwerken is dat ze relatief veel onderhoud nodig hebben. Bovendien zijn kunstwerken met beweegbare delen meer slijtagegevoelig dan waterkeringen zonder beweegbare delen. Daarmee vormen kunstwerken een risicofactor voor de veiligheid van de kering. Daarnaast is ook het onderhoud van kunstwerken duur. Vanwege de risico’s en kosten stelt AGV voorwaarden aan de vergunningen voor aanleggen en aanpassen van waterkerende werken en inlaten bij waterkeringen en beschermende gronden. 2.4.1Beleidsregel 2.1: sluizen en gemalen Beleidsregel 2.1: sluizen en gemalen De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het aanleggen of aanpassen van sluizen en gemalen in de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en in beschermende gronden wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: de oogmerken als bedoeld in artikel 2.13 van de keur; de specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.14 van de keur, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: de aanleg of aanpassing is niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten. als ondanks beleidsregel
- a)een beroep wordt gedaan op zwaarwegende redenen van openbaar belang als bedoeld in artikel 2.39 van de Keur wordt in ieder geval het volgende meegewogen: het ontwerp voldoet aan de geldende veiligheidsnormen voor de betreffende kering; en het ontwerp voldoet aan de daarvoor geldende NEN-normen en handreikingen, zoals thans de Leidraad Kunstwerken (ENW, 2017); en het kunstwerk is voldoende sterk, stabiel en duurzaam; en het ontwerp wordt gedimensioneerd op het profiel van vrije ruimte. Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op de stabiliteit en het goed functioneren van waterkeringen. Sluizen en gemalen vormen een risico voor een waterkering. Daarbij kunnen de volgende mechanismen een rol spelen: Slijtage: Sluizen en gemalen bevatten beweegbare delen en zijn daarom meer aan slijtage onderhevig dan waterkeringen zonder beweegbare delen. De ontwerplevensduur van de beweegbare delen is meestal korter dan die van het waterkerende kunstwerk zelf. Ze moeten periodiek worden geïnspecteerd, beproefd en onderhouden en vragen veel aandacht en zorg. Hogere faalkans: Vanwege de beweegbare onderdelen heeft een waterkerend kunstwerk vrijwel altijd een hogere faalkans dan een ‘normale’ waterkering. Het aantal waterkerende kunstwerken in een dijkring moet dan ook zoveel mogelijk beperkt blijven omdat ze vaak de zwakke schakel in een dijkring vormen. Verkeerde bediening: Ook wanneer sluiting van beweegbare delen afhankelijk is van menselijk handelen vergroot dat de faalkans. Beleidsregels De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de keur. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. ad b: Uiteraard moet het ontwerp deugdelijk zijn en voldoen aan de geldende normen en richtlijnen. De afmetingen van de sluis of het gemaal moeten zodanig zijn dat het nu water kan keren, maar ook in de toekomst, als de waterkering wellicht hoger of sterker moet worden vanwege bijvoorbeeld zeespiegelstijging. De ontwerper moet hier rekening mee houden door uit te gaan van het profiel van vrije ruimte van de waterkering. 2.4.2Beleidsregel 2.2: bijzondere waterkerende constructies Beleidsregel 2.2: bijzondere waterkerende constructies zonder beweegbare onderdelen De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het aanleggen of aanpassen van bijzondere waterkerende constructies zonder beweegbare onderdelen in de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en beschermende gronden wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: de oogmerken als bedoeld in artikel 2.13 van de keur; de specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.14 van de keur, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaard en maatstaf: de aanleg of aanpassing is niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten. als ondanks beleidsregel
- a)een beroep wordt gedaan op zwaarwegende redenen van openbaar belang als bedoeld in artikel 2.39 van de Keur wordt in ieder geval het volgende meegewogen: Het ontwerp voldoet aan de daarvoor geldende NEN- normen en handreikingen, zoals CUR-Handboeken, het Technisch Rapport Waterkerende Grondconstructies (TAW, 2001) en Addendum (TAW/ENW, 2007), het Technisch Rapport Kistdammen en Diepwanden in Waterkeringen (TAW, 2004); De constructie voldoet aan de geldende veiligheidsnormen voor de betreffende kering. Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op de stabiliteit en het functioneren van de waterkering. Hoewel deze constructies in principe bedoeld zijn om de waterkering te versterken, kunnen ze een risico vormen voor de waterkering. Daarbij kunnen verschillende mechanismen een rol spelen: Waterkerende constructies kunnen het waterkerend vermogen van de waterkering nadelig beïnvloeden als ze niet goed zijn ontworpen of uitgevoerd. Verzakking door gewicht: Door het gewicht van de constructie kan zetting optreden waardoor de dijk onder de minimaal benodigde hoogte kan zakken. Doorboring waterafsluitende lagen: Er kan doorboring van waterafsluitende lagen plaatsvinden zodat water omhoog komt, waardoor de kering instabiel wordt. Erosie: Er kunnen holtes of erosiegeulen ontstaan waar water door gaat stromen en erosie op gaat treden. Hogere kosten beheer en onderhoud: Bovendien zijn dergelijke constructies in het algemeen ook duurder in het beheer en onderhoud dan een waterkering die bestaat uit een grondlichaam. Beleidsregels De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de keur. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. ad b: AGV verleent alleen vergunning voor dergelijke constructies als het ontwerp deugdelijk is en voldoet aan de geldende normen en richtlijnen. 2.4.3Beleidsregel 2.3: kunstwerken met afsluitmiddelen Beleidsregel 2.3: kunstwerken met afsluitmiddelen De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het aanleggen of aanpassen van kunstwerken met afsluitmiddelen (afsluitbare duikers, coupures en afsluitmiddelen in tunnels) in de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en in beschermende gronden wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: de oogmerken als bedoeld in artikel 2.13 van de keur; de specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.14 van de keur, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: de aanleg of aanpassing is niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten. als ondanks beleidsregel
- a)een beroep wordt gedaan op zwaarwegende redenen van openbaar belang als bedoeld in artikel 2.39 van de Keur wordt in ieder geval het volgende meegewogen: de constructie voldoet aan de geldende veiligheidsnormen voor de betreffende waterkering; Het ontwerp voldoet aan de daarvoor geldende NEN-normen en handreikingen zoals bedoeld in beleidsregel 2.2. Motivering De voorwaarden voor kunstwerken met afsluitmiddelen zijn vergelijkbaar met die voor bijzondere waterkerende constructies, om gelijke redenen. 2.4.4Beleidsregel 2.4: Inlaten Beleidsregel 2.4: Inlaten De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het aanbrengen of aanpassen van inlaten in de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en in beschermende gronden wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: de oogmerken als bedoeld in artikel 2.13 van de keur; de specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.14 van de keur, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: Er is een noodzaak voor het aanbrengen of aanpassen van inlaat; Inlaten (buisleidingen) voldoen aan geldende NEN-normen; en De inlaat bestaat uit duurzame materialen; Aan de hoogwaterzijde is de inlaat voorzien van een duurzaam en deugdelijk afsluitmiddel, dat altijd voor het waterschap goed bereikbaar is en door 1 persoon te bedienen en af te sluiten is; en De inlaat wordt zodanig geconstrueerd dat stroming van water langs de inlaatleiding voorkomen wordt. Het aanbrengen of aanpassen van een inlaat in/door directe waterkerende dijklichamen door middel van boren of persen is niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten. Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op het functioneren van de waterkering. Een inlaat kan een risico vormen voor een waterkering. In principe brengt elke inlaat een negatief effect voor de waterkering met zich mee doordat deze een bijdrage levert aan de totale faalkans van de waterkering. Beleidsregels De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de keur. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. ad a: De inlaat moet noodzakelijk zijn. ad b en c: De inlaat moet deugdelijk zijn, dat wil zeggen: voldoen aan de geldende NEN-normen en bestaan uit duurzame materialen. ad d: Aan de hoogwaterzijde moet de inlaat goed en makkelijk afsluitbaar zijn: bij hoogwatersituaties of calamiteiten moet het waterschap snel kunnen handelen. ad e: Het is belangrijk om te voorkomen dat er vanaf de hoogwaterkant water langs de inlaatleiding kan stromen. Gebruikelijk is hiervoor de inlaatleiding aan de hoogwaterzijde te voorzien van een kwelscherm of kleikist. ad f: Deze methode brengt te veel risico’s met zich mee voor de stabiliteit van de kering. Bij het boren of persen kunnen holle ruimten ontstaan in de dijk, met name wanneer er puin in de dijk aanwezig is. Holle ruimten vergroten de kans op kwel en piping. 3.Beleidsregels voor wegen en verkeersvoorzieningen op waterkeringen 3.1Wanneer is een vergunning nodig? Deze beleidsregels hebben betrekking op wegen en verkeersvoorzieningen op of nabij waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen. Hieronder vallen ook bruggen, tunnels en aquaducten met de daarbij behorende funderingen. Verkeersvoorzieningen zijn bedoeld om de verkeersafhandeling te faciliteren: het betreft verkeersregulerende werken zoals verkeersdrempels, verkeersplateaus, vernauwingen en obstakels. 3.2Relevante regelgeving AGV toetst aan de oogmerken (art. 2.13 Keur) en de specifieke zorgplicht (art 2.14 Keur) – zie ook deel I van dit rapport. De beleidsregels vormen de standaarden en de maatstaven bij de toetsing, waar nodig. Verboden in de Keur van AGV Deze beleidsregels zijn van toepassing op vergunningaanvragen die betrekking hebben op de volgende verboden in de Keur van AGV: Artikel 2.17: Beperkingengebiedactiviteiten in waterkerende dijklichamen. Artikel 2.18: Beperkingengebiedactiviteiten in half-verholen waterkeringen. Artikel 2.19: Beperkingengebiedactiviteiten in verholen waterkeringen. Artikel 2.20: Beperkingengebiedactiviteiten in beschermende gronden. Keurbesluit Vrijstellingen In bepaalde gevallen geldt een vrijstelling van de vergunningplicht. In het Keurbesluit staat wanneer en onder welke voorwaarden dat het geval is voor openbare wegen en verkeersvoorzieningen: Paragraaf 2.6: wegen op waterkeringen. Paragraaf 2.15: Overige activiteiten in het beperkingengebied van waterkeringen. Andere beleidsregels die relevant zijn voor wegen en verkeersvoorzieningen op waterkeringen zijn: Deze beleidsregels gelden niet voor hectometerpalen, dijkpalen en verkeersborden. Regels hiervoor staan in een andere beleidsregel, namelijk: Hoofdstuk 1 de beleidsregels voor Werken op of bij waterkeringen. Andere beleidsregels die relevant zijn voor openbare wegen en verkeersvoorzieningen zijn: Hoofdstuk 2 de beleidsregels voor Aanleggen en aanpassen van waterkerende werken en inlaten in waterkeringen (met name bij de aanleg van tunnels en aquaducten wanneer daarbij gebruik gemaakt wordt van noodkeringen/afsluitmiddelen); Hoofdstuk 6 de beleidsregels voor graven en grond verstoren in of nabij waterkeringen. 3.3Beleidsregels voor wegen en verkeersvoorzieningen op waterkeringen Doel van de Keurartikelen en beleidsregels voor wegen en verkeersvoorzieningen op waterkeringen Met de keurartikelen en beleidsregels die betrekking hebben op wegen en verkeersvoorzieningen bij waterkeringen draagt AGV bij aan de bescherming van het land tegen overstromingen. Risico’s van het aanleggen van een weg of verkeersvoorziening op een kering is dat het de stabiliteit van de waterkering kan aantasten en de gevoeligheid voor erosie kan vergroten. Vanwege deze risico’s stelt AGV voorwaarden aan de vergunningen voor wegen en verkeersvoorzieningen op waterkeringen. 3.3.1Beleidsregel 3.1: wegen Beleidsregel 3.1: wegen op waterkeringen De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het aanleggen, verzwaren of verbreden van wegen in de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en in beschermende gronden wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: de oogmerken als bedoeld in artikel 2.13 van de keur; de specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.14 van de keur, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: De verwachte verkeersbelasting overschrijdt de maximaal toegestane belasting van 13 kN/m2 over een breedte van 2,5 meter niet; Bij toenemende verkeersbelasting en opwaardering naar een hogere verkeersklasse wordt de stabiliteit van de waterkering niet in gevaar gebracht; en Bij de aanleg van een nieuwe weg of verbreding of verzwaring van een bestaande weg blijft de weg inclusief de verkeersvoorzieningen buiten het keurprofiel. Bij de aanleg van een nieuwe weg of verbreding of verzwaring van een bestaande weg komt de weg niet binnen 20 jaar door verkeersbelasting en inklinking binnen het keurprofiel te liggen. Als ondanks beleidsregel
- c)een beroep wordt gedaan op zwaarwegende redenen van openbaar belang als bedoeld in artikel 2.39 van de Keur wordt in ieder geval het volgende meegewogen: Afspraken over beheer en onderhoud van de weg in relatie tot de waterkering worden vastgelegd in een beheerovereenkomst. Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op de stabiliteit en het functioneren van de waterkering. Voor de bereikbaarheid van de waterkering en voor het ontsluiten van bebouwde gebieden zijn wegen, bijbehorende op- en afritten en verkeersvoorzieningen zoals drempels en dergelijke nodig. Deze kunnen een negatief effect op de waterkering hebben. Hierbij spelen diverse mechanismen een rol: Zetting: Door het gewicht van de weg, de verkeersvoorzieningen en het verkeer dat over de weg rijdt kan zetting optreden in de waterkering. Dit kan slecht zijn voor de stabiliteit van de kering, en de kering kan zakken tot onder de minimaal vereiste hoogte. Doorsnijding ondoorlatende laag: De afsluitende laag op het buitentalud van de waterkering kan ‘lek raken’ bij de aanleg van een weg. De meeste waterkeringen zijn voorzien van een afsluitende laag op het buitentalud, die er voor zorgt dat water uit de boezem niet de dijk in kan stromen. Dit zorgt er voor dat de stand van het grondwater in de waterkering laag blijft. Als de aanleg van de weg leidt tot doorsnijding van deze ondoorlatende laag dan zal de grondwaterstand in de waterkering hoger worden. Er kunnen natte plekken ontstaan, die de kering instabiel maken. Erosie: Het gebruik van wegen en paden kan leiden tot extra erosie van de kruin en het binnentalud. Bijvoorbeeld door het optreden van spoorvorming bij onverharde wegen, verslechtering van de grasmat langs de weg door bijvoorbeeld uitwijkend verkeer, parkeren en het strooien van zout. Dit tast de dijk aan en ook kan de kruinhoogte hierdoor afnemen. Beleidsregels De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de keur. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. ad a: De verwachte verkeersbelasting mag de maximaal toegestane belasting van 13 kN/m2 over een breedte van 2,5 meter niet overschrijden. ad b: Bij stabiliteitsberekeningen moet de aanvrager rekening houden met toekomstige ontwikkelingen, waarbij de verkeersbelasting kan toenemen door meer verkeer uit bijvoorbeeld een nieuwe woonwijk. In dat geval moet de dijk nog steeds stabiel blijven. De aanvragen moet dat aantonen aan de hand van de geldende normen. ad c en d: Een weg moet buiten het keurprofiel blijven. Dit is het deel van de waterkering dat minimaal nodig is voor een veilige dijk. Ook op langere termijn (20 jaar), rekening houdend met inklinking, moet dat nog steeds het geval zijn. 3.3.2Beleidsregel 3.2: bruggen, tunnels of aquaducten Beleidsregel 3.2: brug, tunnel of aquaduct De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het aanleggen van een brug, tunnel of een aquaduct en de onderdoorgang eronder in de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en in beschermende gronden wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: de oogmerken als bedoeld in artikel 2.13 van de keur; de specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.14 van de keur, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: De aanleg van een brug, tunnel of aquaduct en de onderdoorgang is niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten. als ondanks beleidsregel
- a)een beroep wordt gedaan op zwaarwegende redenen van openbaar belang als bedoeld in artikel 2.39 van de Keur wordt in ieder geval het volgende meegewogen: Het ontwerp voldoet aan de geldende veiligheidsnormen voor de betreffende kering; en Het ontwerp voldoet aan de daarvoor geldende NEN-normen en handreikingen, zoals thans het Technisch Rapport Waterkerende Grondconstructies (TAW, 2001) en Addendum (TAW/ENW, 2007); en In geval van een tunnel onder de kering of een onderdoorgang van een aquaduct worden de in- en uitrit boven kruinhoogte aangelegd. Het ontwerp en de berekeningen dienen te worden uitgevoerd volgens de daarvoor geldende NEN-normen en handreikingen, zoals thans het Technisch Rapport Waterkerende Grondconstructies (TAW, 2001) en Addendum (TAW/ENW, 2007), het Technisch Rapport Kistdammen en Diepwanden in Waterkeringen (TAW, 2004); en Indien de in- en uitrit van de tunnel of het aquaduct niet op kruinhoogte aangelegd kan worden, wordt een noodkering aangelegd. Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op de stabiliteit en het functioneren van de waterkering. Bruggen en tunnels kunnen een risico vormen voor de waterkering. Ze kruisen vaak niet alleen wateren, maar ook de waterkeringen die langs het water liggen. In- en uitritten komen vaak onder de dijk te liggen. Het komt dan ook regelmatig voor dat bruggen, tunnels en aquaducten en hun fundering in de beschermingszone van een waterkering moeten liggen. Dit kan problemen opleveren voor de waterkering. Daarbij spelen diverse mechanismen een rol: Omhoog komen grondwater: De fundering van het kunstwerk kan een waterafsluitende laag perforeren waardoor grondwater dat zich onder druk onder deze laag bevindt door de perforatie omhoog komt. Als deze stroming sterk genoeg is kan zand mee gaan stromen, hetgeen de stabiliteit van de kering ondermijnt. Holtes onder de fundering: Een brug op palen kan kortsluiting tussen verschillende watervoerende lagen tot gevolg hebben doordat water langs de palen gaat stromen, waardoor er holtes onder de fundering ontstaan. Overstroming: Een tunnel gaat onder dijken en het daartussen liggende water door. Bij instorting of lekkage van de tunnel kan het water de tunnelbak instromen. Als de in- en uitgang van de tunnel te laag liggen, kan dit leiden tot overstromingen in het gebied naast de dijken. Ook voor aquaducten bestaat een kans op overstromingsgevaar indien de constructie bezwijkt. Daarom moeten de toe- of uitritten altijd boven kruinhoogte liggen. Het kan ook voorkomen dat er geen kruising van de dijk zelf plaatsvindt, maar dat de werken in de langsrichting van een waterkering worden aangelegd: Stabiliteitsverlies door afgraving: De afgraving die nodig is om een tunnel of een onderdoorgang van een aquaduct aan te leggen kan stabiliteitsverlies van de dijk veroorzaken. Verweking: De fundering in de ondergrond kan een negatieve invloed hebben op de stabiliteit, doordat water door de harde constructie (bijvoorbeeld een damwand of een betonwand) niet meer uit kan treden (badkuipeffect). Dit kan leiden tot verweking en stabiliteitsverlies. Doorboren afsluitende laag: Ook kan de fundering een afsluitende kleilaag perforeren, waardoor kortsluiting tussen verschillende watervoerende lagen kan optreden. Beleidsregels De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de keur. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. ad b: Er mogen geen risico’s zijn voor het functioneren van de waterkering. Het ontwerp moet uiteraard deugdelijk zijn en voldoen aan de meest recente NEN-normen. De in- en uitrit van een tunnel onder een kering door of een onderdoorgang van bijvoorbeeld een aquaduct moeten op kruinhoogte liggen om te voorkomen dat er overstromingen plaatsvinden als de constructie bezwijkt. Alleen als het echt niet anders kan, mogen de in- en uitrit onder de kruinhoogte liggen, maar ze moeten dan wel afsluitbaar zijn met een noodkering die voldoet aan de geldende kadeklasse, voor het geval zich een calamiteit voordoet. De regels voor kleine bruggen als toegang naar een enkele woning, pand of perceel staan in beleidsregel 1.3. 3.3.3Beleidsregel 3.3: verkeersdrempels en -plateaus Beleidsregel 3.3: verkeersdrempels en verkeersplateaus De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het aanbrengen van al dan niet dynamische verkeersdrempels en verkeersplateaus in de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en in beschermende gronden wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: de oogmerken als bedoeld in artikel 2.13 van de keur; de specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.14 van de keur. waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: De stootbelastingen leiden niet tot onevenredig grote zettingen; Het gebruikte materiaal tast de waterdichtheid van de waterkering niet aan; De klei-aanvullingen, vooral aan de hoogwaterzijde van de verkeersdrempel, zijn voldoende dik en erosiebestendig. Motivering Snelheidsremmende voorzieningen in de vorm van lokale hoogteverschillen bestaan in het algemeen uit verkeersdrempels of plateaus. Deze voorzieningen kunnen een risico opleveren voor de stabiliteit van de dijk. Daarbij spelen verschillende mechanismen een rol: Door het hoogteverschil kunnen stootbelastingen optreden, zeker bij zwaar vrachtverkeer en/of bij hoge snelheden. Stootbelastingen kunnen leiden tot lokale zettingsverschillen, scheurvorming en andere deformaties in de waterkering, in het bijzonder bij een slappe en samendrukbare ondergrond van klei- en veenlagen. Ook kan het water in het dijklichaam en de ondergrond onder druk komen te staan. Dit kan de stabiliteit van de waterkering negatief beïnvloeden. Met name bij directe waterkeringen met een beperkte breedte kan dit ernstige gevolgen hebben. Daarnaast is er een risico dat de aangebrachte voorzieningen niet helemaal waterdicht zijn. Hierdoor kan water in de dijk sijpelen, hetgeen slecht is voor de stabiliteit. Ook kan een verkeersdrempel aangrijpingspunt zijn voor erosie. Dit kan de dijk beschadigen en dat is – vooral aan de hoogwaterzijde – risicovol. Beweegbare obstakels, waarbij een constructie uit het wegdek omhoog komt, zijn werken die vallen onder beleidsregel 1.1 uit hoofdstuk 1 werken in waterkeringen. 4.Beleidsregels voor beschoeiingen en damwanden bij waterkeringen 4.1Wanneer is een vergunning nodig? Deze beleidsregels hebben betrekking op het aanbrengen, hebben of verwijderen van beschoeiingen en damwanden bij waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen. 4.2Typen damwanden Een damwand levert geen bijdrage aan het waterkerend vermogen van de dijk. Voor damwanden die dienen als vervanging van een waterkerend element gelden de beleidsregels uit hoofdstuk 2. Er zijn verschillende typen damwanden: Damwandplanken en damwanden ten behoeve van bouwkuipen. Deze zorgen er voor dat de grondwaterstand in de buurt van de bouwkuip niet te ver daalt bij het onttrekken van grondwater. Dit voorkomt schade in de omgeving. Damwanden ten behoeve van het uitvoeren van werkzaamheden waarbij een grondlichaam stabiel moet worden gehouden. Tijdelijke damwanden zijn damwanden die ten behoeve van werkzaamheden worden geplaatst en na afloop van deze werkzaamheden weer worden verwijderd. Permanente damwanden die blijven staan nadat werkzaamheden zijn afgerond. Een voorbeeld kan zijn een oeverbeschoeiing, maar ook damwanden die een parkeergarage droog houden. 4.3Relevante regelgeving AGV toetst aan de oogmerken (art. 2.13 Keur) en de specifieke zorgplicht (art 2.14 Keur) – zie ook deel I van dit rapport. De beleidsregels vormen de standaarden en de maatstaven bij de toetsing, waar nodig. Verboden in de Keur van AGV Deze beleidsregels zijn van toepassing op vergunningaanvragen die betrekking hebben op de volgende verboden in de Keur van AGV: Artikel 2.17: Beperkingengebiedactiviteiten in waterkerende dijklichamen. Artikel 2.18: Beperkingengebiedactiviteiten in half-verholen waterkeringen. Artikel 2.19: Beperkingengebiedactiviteiten in verholen waterkeringen. Artikel 2.20: Beperkingengebiedactiviteiten in beschermende gronden. Keurbesluit Vrijstellingen In bepaalde gevallen geldt een vrijstelling van de vergunningplicht. In het Keurbesluit Vrijstellingen en nadere regels staat wanneer en onder welke voorwaarden dat het geval is voor het aanbrengen, hebben of verwijderen van damwandplanken en damwanden in of nabij waterkeringen: Paragraaf 2.7: Beschoeiingen. Paragraaf 2.8: Werken in verholen waterkeringen. Andere beleidsregels die relevant zijn voor aanbrengen, hebben of verwijderen van beschoeiingen en damwanden bij waterkeringen zijn: We hebben het hier uitdrukkelijk niet over damwanden die de functie van waterkering vervangen. Vervangende waterkeringen vallen onder beleidsregel 2.2 van hoofdstuk 2 waterkerende werken en inlaten in waterkeringen. Algemene beleidsregels die relevant kunnen zijn bij werkzaamheden op waterkeringen zijn: Hoofdstuk 1: de beleidsregels voor werken op of nabij waterkeringen; Hoofdstuk 2: de beleidsregels voor het aanleggen en aanpassen van waterkerende werken en inlaten in waterkeringen; Hoofdstuk 6: de beleidsregels voor graven in of nabij waterkeringen; Hoofdstuk 11: de beleidsregels voor aanleg, wijzigen en dempen van wateren; Hoofdstuk 13: de beleidsregels voor grondwateronttrekkingen. 4.4Beleidsregels voor beschoeiingen en damwanden bij waterkeringen Doel van de Keurartikelen en beleidsregels voor aanbrengen, hebben of verwijderen van beschoeiingen en damwanden bij waterkeringen Met de keurartikelen en beleidsregels die betrekking hebben beschoeiingen en damwanden bij waterkeringen draagt AGV bij aan de bescherming van het land tegen overstromingen. Risico’s van het aanleggen van een beschoeiing of damwand bij een kering is dat het de stabiliteit van de waterkering kan aantasten en invloed kan hebben op het beheer en onderhoud. Vanwege deze risico’s stelt AGV voorwaarden aan de vergunningen voor beschoeiingen en damwanden bij waterkeringen. AGV toetst de veiligheid van damwanden apart als niet-waterkerend object NWO als onderdeel van de veiligheidstoetsing van de dijken. Dit is een kostbare procedure. Ook dat is een reden om terughoudend om te gaan met het toestaan van damwanden in waterkeringen. 4.4.1Beleidsregel 4.1: tijdelijke damwanden Beleidsregel 4.1: plaatsen van tijdelijke damwanden in of nabij waterkeringen De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het plaatsen van tijdelijke damwanden binnen de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en binnen de kernzone van verholen waterkeringen en in beschermende gronden wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: de oogmerken als bedoeld in artikel 2.13 van de keur; de specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.14 van de keur, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: Er is geen aanvaardbaar alternatief voor het plaatsen van een tijdelijke damwand; en De constructie voldoet aan de geldende (TAW-)eisen voor waterkerende of grondkerende constructies; en De tijdelijke damwand wordt opgebouwd uit onbeschadigde en deugdelijke damwandplanken, zodat de waterkering bij het trekken van de damwanden niet beschadigt; De damwand met ankers is te verwijderen, zonder onacceptabele schade aan de waterkering te veroorzaken. Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op de stabiliteit en het functioneren van de waterkering. Het aanbrengen van damwanden kan risico’s meebrengen voor de stabiliteit van de waterkering. Hierbij spelen diverse mechanismen een rol: Zetting door gewicht: Het aanbrengen van een (tijdelijke) damwand levert risico op voor de waterkering, onder andere vanwege het gebruik van doorgaans zwaar materieel. Uitdrogen: Vooral bij veendijken kunnen damwanden een grote invloed hebben op de grondwaterstand in de waterkering. Hierdoor kan de waterkering uitdrogen en minder stabiel worden. Beleidsregels De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de keur. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. ad b: Uiteraard moet de tijdelijke damwand voldoen aan de geldende normen. ad c: Het toepassen van onbeschadigde en deugdelijke damwandplanken is van belang om de waterkering niet te beschadigen bij het verwijderen van de damwand. Al eerder gebruikte damwandplanken met beschadigingen, kunnen ondergrondse lagen beschadigen doordat er grondmateriaal aan blijft hangen. Zo kan er onbedoeld water tussen verschillende bodemlagen gaan stromen. Dit vermindert de stabiliteit van de waterkering en kan zorgen voor ongewenste kwel of kortsluiting tussen watervoerende lagen. ad d: Een extra maatregel die kan worden genomen is de (onbeschadigde en deugdelijke) damwandplanken invetten, zodat ze makkelijker te verwijderen zijn. 4.4.2Beleidsregel 4.2: beschoeiingen Beleidsregel 4.2: plaatsen van een beschoeiing in en nabij waterkeringen De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het plaatsen van een beschoeiing binnen de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen en half-verholen waterkeringen en de kernzone van verholen waterkeringen wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: de oogmerken als bedoeld in artikel 2.13 van de keur; de specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.14 van de keur. waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: plaatsen van beschoeiing binnen het keurprofiel of - indien aanwezig - het profiel van vrije ruimte van waterkerende dijklichamen, is niet verenigbaar met de oogmerken en de specifieke zorgplichten, behalve wanneer er geen aanvaardbare alternatieve locatie voor de beschoeiing met bijbehorende verankering voorhanden is. plaatsen van beschoeiing binnen de kernzone van een half-verholen of verholen waterkering is niet verenigbaar met de oogmerken en de specifieke zorgplichten, als de beschoeiing buiten de kernzone kan worden geplaatst. Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op de stabiliteit en het functioneren van de waterkering. Het aanbrengen van beschoeiing kan risico’s meebrengen voor de stabiliteit van de waterkering. Hierbij spelen vooral de volgende mechanismen een rol: doorboring van afsluitende lagen: als de beschoeiing door een waterafsluitende laag gaat, kan water dat onder die laag onder druk staat omhoog komen, waardoor de kering instabiel kan worden. Erosie: Beschoeiing kan een aangrijpingspunt zijn voor erosie van de waterkering. Beleidsregels De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de keur. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. ad a: Vanwege de risico’s is plaatsen van beschoeiing binnen het keurprofiel of profiel van vrije ruimte van waterkeringen alleen toegestaan als het echt niet anders kan. ad b: Datzelfde geldt voor plaatsen van beschoeiing binnen de kernzone van (half)-verholen waterkeringen. 4.4.3Beleidsregel 4.3: permanente damwanden Beleidsregel 4.3: plaatsen van permanente damwanden in en nabij waterkeringen De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het plaatsen van permanente damwandplanken en damwanden ten behoeve van werken, niet zijnde een beschoeiing, binnen de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen, verholen en half-verholen waterkeringen wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: de oogmerken als bedoeld in artikel 2.13 van de keur; de specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.14 van de keur, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: De constructie voldoet aan de geldende (TAW-)eisen voor waterkerende of grondkerende constructies; en De damwand is bestand tegen eventuele ophoging en versterking van de dijk, negatieve kleef en horizontale gronddruk. Een permanente damwand in de kernzone van waterkerende dijklichamen, verholen en half-verholen waterkeringen is niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten. In afwijking van het gestelde onder
- c)is het plaatsen van de permanente damwand in de kernzone van een waterkerend dijklichaam wel verenigbaar met de oogmerken en speciefieke zorgplichten in het vlakke achterland achter de teen van de dijk, wanneer er sprake is van een zogenaamde vergrote kernzone. Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op de stabiliteit en het functioneren van de waterkering. Net als bij tijdelijke damwanden kunnen ook permanente damwanden risico’s met zich meebrengen voor de stabiliteit van de waterkering. Hierbij spelen diverse mechanismen een rol: Zetting door gewicht: Het aanbrengen van een damwand levert risico op voor de waterkering, onder andere vanwege het gebruik van doorgaans zwaar materieel. Uitdrogen: Vooral bij veendijken kunnen damwanden een grote invloed hebben op de grondwaterstand in de waterkering. Hierdoor kan de waterkering uitdrogen en minder stabiel worden. Beleidsregels De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de keur. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. ad a: Uiteraard moet de damwand voldoen aan de geldende normen. ad b: Damwanden dicht bij een dijklichaam moeten horizontale gronddruk kunnen weerstaan bij verhoging en verbreding van de dijk wordt. De ankers die nodig zijn voor de damwand moeten op zodanige manier worden aangebracht dat ze het beheer en onderhoud van de waterkering niet belemmeren. Ondiepe ankers (met bijvoorbeeld ankerschotten) zijn niet wenselijk in een gebied waar de waterkering moet worden verhoogd, of waar bij een dijkreconstructie bijvoorbeeld een teensloot moet worden verlegd. Ankers die door een dijklichaam heen gaan zijn eveneens niet wenselijk, maar zijn niet altijd te voorkomen. In deze situatie wordt gelet op de mogelijkheid om bij onderhoud de beschoeiing van de teensloot of zelfs van de hoogwaterzijde aan te kunnen passen zonder dat er een probleem kan ontstaan met de ankers van een derde. In de vergunning zullen eisen worden gesteld aan de ankers, maar ook bijvoorbeeld de methode van aanbrengen en de locatie van de heistelling. ad c: Permanente damwanden in de kernzone van waterkerende dijklichamen, verholen en half-verholen waterkeringen zijn niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten. Permanente damwanden kunnen grote invloed hebben op de onderhoudbaarheid van de kernzone van de verholen waterkering. In de beschermingszone kunnen permanente damwanden wel worden toegepast, hiervoor is een vrijstelling in artikel 2.32 opgenomen in het Keurbesluit waterschap AGV. Ook bij half-verholen keringen worden geen permanente damwanden in de kernzone toegestaan, tenzij dit in de vorm van een oeverbeschoeiing is. Voor het toepassen van damwanden in de beschermingszone van een half-verholen kering blijft een vergunningaanvraag vereist in verband met onder andere risico’s voor de buitendijkse stabiliteit. ad d: AGV staat permanente damwanden alleen toe in het vlakke achterland achter de teen van de dijk, waar sprake is van een zogenaamde vergrote kernzone. Van een vergrote kernzone is sprake als de kernzone verder in het achterland reikt dan de teen van de dijk. In het leggerprofiel is de vergrote kernzone te herkennen aan het vlakke deel van het profiel op maaiveldniveau, zoals in de leggertabel is af te lezen (maaiveldhoogte binnenteen). 4.4.4Beleidsregel 4.4: trillingen bij aanleg damwanden en beschoeiingen Beleidsregel 4.4: aanbrengen van damwanden en beschoeiingen De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het aanbrengen van damwanden en beschoeiingen door middel van een methode die trillingen voortbrengt (zoals het intrillen van een damwand) binnen de kernzone, beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen keringen en waterkerende constructies wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: de oogmerken als bedoeld in artikel 2.13 van de keur; de specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.14 van de keur, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaard en maatstaf: Het aanbrengen van de damwand binnen de kruin blijft achterwege. Wanneer de werkzaamheden buiten de kernzone kunnen plaatsvinden, is plaatsing in de kernzone niet verenigbaar met de oogmerken en de specifieke zorgplichten. Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op de stabiliteit en het functioneren van de waterkering. Veel damwanden en bepaalde typen beschoeiing worden aangebracht door deze de grond in te trillen. Dit brengt risico’s met zich mee voor de stabiliteit van de kering. Daarbij spelen verschillende mechanismen een rol: Zetting en verdichting: Trillingen kunnen leiden tot beweging in de ondergrond. Er kan zetting en verdichting van de grond optreden, waardoor de kering lager wordt. Vermindering draagkracht: Ook kan trilling tot gevolg hebben dat de draagkracht van bepaalde bodemlagen vermindert, met name vochtige, slappere lagen (‘drijfzandvorming’). Dit kan de stabiliteit van de kering in gevaar brengen. Doorboring waterafsluitende lagen: Daarnaast is een risico van het heien van damwanden en beschoeiingen dat doorboring van waterdichte lagen kan plaatsvinden. Onder een afsluitende, slecht doorlatende laag kan een water over/onderdruk aanwezig zijn. Na perforatie van de afsluitende laag kan het water door de perforatie gaan stromen. Dit kan leiden tot andere waterspanningen in grondlagen, wat nadelig kan zijn voor de stabiliteit van de waterkering. Het ontstaan van een wel is daar een voorbeeld van. Beleidsregels De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de keur. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. ad a: In de kruin mogen geen damwanden worden aangebracht, tenzij er een groot openbaar belang is. De reden dat dit in de kruin niet wenselijk is, is dat heien of andere methoden die trillingen veroorzaken, een risico vormen voor de stabiliteit van de waterkering. Daarnaast kunnen damwanden een belemmering vormen voor beheer en onderhoud. Bij het ophogen van een waterkering vormen ze een obstakel. Indien de werkzaamheden plaatsvinden in de kernzone is aangetoond dat de werkzaamheden niet buiten de kernzone kunnen plaatsvinden. Dit gaat bij primaire keringen om een zone van maximaal 5 meter breed en bij secundaire en tertiaire/overige keringen maximaal 3 meter breed, tenzij in de legger anders is bepaald. Ook hier gelden de zones van 5 meter bij primaire keringen en 3 meter bij secundaire en tertiaire/overige keringen, tenzij in de legger anders is bepaald 5.Beleidsregels voor bodemonderzoek in en nabij waterkeringen 5.1Wanneer is een vergunning nodig? Deze beleidsregels hebben betrekking op bodemonderzoek in en nabij waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen. 5.2Typen bodemonderzoek Er zijn verschillende typen bodemonderzoek: Exploratieboringen: hierbij ontstaan één of meerdere gaten diep in de grond, bedoeld om grondmonsters te nemen. Proefheiingen. Seismisch onderzoek: dit gebeurt om de structuur van dieper gelegen bodemlagen te onderzoeken, bijvoorbeeld in verband met olie- of aardgaswinning. Seismisch bodemonderzoek gebeurt meestal door een springlading op tientallen meters diepte tot ontploffing te brengen of door trillingen op te wekken met trillingsbronnen, zoals een “airgun” of vibratoren. 5.3Relevante regelgeving AGV toetst aan de oogmerken (art. 2.13 Keur) en de specifieke zorgplicht (art 2.14 Keur) – zie ook deel I van dit rapport. De beleidsregels vormen de standaarden en de maatstaven bij de toetsing, waar nodig. Verboden in de Keur van AGV Deze beleidsregels zijn van toepassing op vergunningaanvragen die betrekking hebben op de volgende verboden in de Keur van AGV: Artikel 2.17: Beperkingengebiedactiviteiten in waterkerende dijklichamen. Artikel 2.18: Beperkingengebiedactiviteiten in half-verholen waterkeringen. Artikel 2.20: Beperkingengebiedactiviteiten in beschermende gronden. Keurbesluit Vrijstellingen In bepaalde gevallen geldt een vrijstelling van de vergunningplicht. In het Keurbesluit Vrijstellingen en nadere regels staat wanneer en onder welke voorwaarden dat het geval is voor bodemonderzoek in of nabij waterkeringen: Paragraaf 2.3: Boringen, sonderingen en grondmechanisch onderzoek. Andere beleidsregels die relevant zijn voor uitvoeren van bodemonderzoek in en nabij waterkeringen zijn: Andere beleidsregels die relevant zijn voor bodemonderzoek zijn: De beleidsregels voor ‘graven en grond verstoren’ in of nabij waterkeringen. 5.4Beleidsregels voor uitvoeren van bodemonderzoek in en nabij waterkeringen Doel van de Keurartikelen en beleidsregels voor uitvoeren van bodemonderzoek in en nabij waterkeringen Met de keurartikelen en beleidsregels die betrekking hebben op het uitvoeren van bodemonderzoek in of nabij waterkeringen draagt AGV bij aan de bescherming van het land tegen overstromingen. Het risico van bodemonderzoek is dat het de dijk beschadigt of de stabiliteit aantast. Vanwege deze risico’s stelt AGV voorwaarden aan de vergunningen voor bodemonderzoek in en nabij waterkeringen. Beleidsregel 5.1: Boringen 5.4.1Beleidsregel 5.1: Boringen De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor boringen wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: de oogmerken als bedoeld in artikel 2.13 van de keur; de specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.14 van de keur. waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaard en maatstaf: Exploratieboringen veroorzaken geen problemen als gevolg van potentiaalverschillen (verschillen tussen grondwaterstijghoogten in de onderscheiden relevante watervoerende pakketten). Exploratieboringen in de kernzone van waterkerende dijklichamen zijn niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten. Spuitboringen in de kernzone en in de beschermingszone van waterkerende dijklichamen zijn niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten. Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op de stabiliteit en het functioneren van de waterkering. Boringen bij waterkeringen leveren risico’s op voor de stabiliteit van de kering. Hierbij spelen diverse mechanismen een rol: Schade door ‘blow-out’: dit betekent dat vloeistof of gas vanuit een diepere grondlaag met kracht via het boorgat omhoog komt. Daardoor kunnen evenwichtsverstoringen in de grond ontstaan, waardoor schade aan waterkeringen kan optreden en slecht doorlatende grondlagen in de nabijheid van waterkeringen kunnen worden verstoord of vernield. Afname erosiebestendigheid: Verontreiniging en daardoor aantasting van de grasmat op de waterkering: hierdoor neemt de erosiebestendigheid van de kering af. Afname sterkte: Infiltratie van olie in de grond: dit kan een sterke afname van de sterkte (schuifweerstand) van de grond veroorzaken met als mogelijk gevolg instabiliteit van de waterkering. Doorboring waterafsluitende lagen: Doorboring van slecht doorlatende lagen in de ondergrond, met risico op kortsluiting: onder een afsluitende, slecht doorlatende laag kan een wateroverdruk aanwezig zijn. Dit kan permanent het geval zijn, bijvoorbeeld in droogmakerijpolders met een laag maaiveldniveau, waarvan er in het westen van het AGV gebied veel voorkomen. Dit kan ook tijdelijk het geval zijn bij een hoge waterstand tegen de dijk, die kortdurend is, zoals bijvoorbeeld bij de dijken langs het IJmeer en Markermeer. Na perforatie van de afsluitende laag kan het water door de perforatie gaan stromen. Als die grondwaterstroming zodanig sterk is dat hij zand- en gronddeeltjes meevoert, is er sprake van de vorming van zandmeevoerende wellen. Dit is een voor de waterkering gevaarlijk fenomeen, omdat in de ondergrond holle ruimte ontstaat. Dit ondermijnt de waterkering waardoor hij na verloop van tijd kan bezwijken. Beleidsregel De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de keur. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. ad a: Een boring kan verschillende waterlagen in de bodem met elkaar in verbinding brengen; dit wordt hydraulische kortsluiting genoemd. Deze kortsluiting ontstaat als gevolg van het doorbreken van een water-afsluitende laag in de bodem. Door de verbinding van de verschillende watervoerende pakketten kunnen er afwijkende waterdrukken ontstaan, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de stabiliteit van de dijk. ad b: De risico’s van exploratieboringen en spuitboringen in de kernzone van een waterkering zijn groot; daarom zijn deze boringen niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten. 5.4.2Beleidsregel 5.2: seismisch onderzoek Beleidsregel 5.2: seismisch onderzoek De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor seismisch onderzoek wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: de oogmerken als bedoeld in artikel 2.13 van de keur; de specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.14 van de keur, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: Het onderzoek vindt plaats in de zone van 100 tot 500 meter uit de teen van direct waterkerende dijklichamen en/of in de zone van 50 tot 300 meter uit de teen van indirect waterkerende dijklichamen; en Indien het onderzoek wordt uitgevoerd met springstoffen mogen deze een kracht hebben van maximaal 1 kg TNT equivalent; en Indien het onderzoek wordt uitgevoerd met een airgun geldt een maximale totale inhoud van de cilinders van 15 liter en een maximale druk van 150 bar; en Indien het onderzoek wordt uitgevoerd met vibratoren geldt een maximale 10 s “sweep” met een massa van 1000 kg. Er worden geen problemen verwacht als gevolg van potentiaalverschillen (verschillen tussen grondwaterstijghoogten in de onderscheiden relevante watervoerende pakketten). In een zettingsvloeiingsgevoelig gebied (losgepakte zandlagen) of in een gebied met zeer slappe lagen (veenlagen met een dikte van meer dan 5 meter) beschadigen de activiteiten de dijklichamen niet. het gebruik van explosieven en andere trillingsbronnen ten behoeve van seismisch onderzoek in de kernzone en binnen een afstand van 100 meter uit de teen van direct waterkerende dijklichamen of binnen 50 meter uit de teen van indirect waterkerende dijklichamen is niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten. Seismisch onderzoek, of gebruik van explosieven of andere trillingsbronnen in de nabijheid van directe waterkeringen in de periode van 1 oktober tot 1 april is niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten. Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op de stabiliteit en het functioneren van de waterkering. Risico’s van seismisch bodemonderzoek voor de waterkering zitten vooral in het boren van gaten, het effect van trillingen, schokgolven en eventueel kratervorming. Hierbij kunnen de volgende mechanismen een rol spelen: Doorboring waterafsluitende lagen: Bij het boren van gaten kunnen er waterstromen vanuit de ondergrond op gang komen door het doorbreken van waterafsluitende grondlagen (wellen). Verminderen draagkracht: Trillingen en schokgolven kunnen de draagkracht van de grond verminderen. De sterkte (schuifweerstand) van de grond neemt af, waardoor instabiliteit kan optreden. Bovendien kunnen trillingen zettingen veroorzaken door verdichting van de grond. Verschuiving in de ondergrond: In gebieden die gevoelig zijn voor zettingsvloeiing (losgepakte zandlagen in de ondergrond) of in gebied met zeer slappe lagen (veenlagen met een dikte van meer dan 5 meter), is het risico relatief groot dat de ondergrond in beweging komt bij seismisch onderzoek, en de stabiliteit van de waterkering in gevaar brengt. Beschadiging door krater: Kratervorming gaat gepaard met het ontstaan van een grote zone waarin de grond een plastische vervorming ondergaat. Een explosiekrater kan ook waterafsluitende grondlagen verstoren of doorbreken, met als mogelijk gevolg instabiliteit en het ontstaan van zandmeevoerende wellen. Beleidsregels De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de keur. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. ad a: Seismisch onderzoek mag niet dicht bij de waterkering plaatsvinden (100 meter vanaf de teen bij directe keringen, 50 meter bij indirecte). ad b, c, en d: De breedte van de zones en de technische randvoorwaarden in de beleidsregels voor springstoffen, airguns en vibratoren zijn gebaseerd op de daarvoor geldende leidraden en handreikingen, zoals thans de Leidraad bij bodemonderzoek in en nabij waterkeringen (TAW, 1988). ad e: Er worden geen problemen verwacht als gevolg van potentiaalverschillen (verschillen tussen grondwaterstijghoogten in de onderscheiden relevante watervoerende pakketten). ad f: In een zettingsvloeiingsgevoelig gebied (losgepakte zandlagen) of in een gebied met zeer slappe lagen (veenlagen met een dikte van meer dan 5 meter) beschadigen de activiteiten de dijklichamen niet. ad h: In de periode van 1 oktober tot 1 april is er een relatief grote kans op natte weersomstandigheden. Bij direct kerende waterkeringen zijn de risico’s als er iets mis gaat het grootst en bestaat er direct gevaar voor inundatie van polders. Bij indirecte waterkeringen, die onder normale omstandigheden geen water keren, is die dreiging veel minder. De periode van 1 oktober tot 1 april is de tijd, waarin de kans op extreme belasting van de kering het grootst is. Extreme belasting op de directe waterkeringen in het AGV-gebied zijn neerslag- en windbepaald. De kans op veel neerslag (met als gevolg een hoge belasting van de boezem en tussenboezem) en harde wind of storm is in de periode van 1 oktober tot 1 april groter dan in de zomerperiode. 6.Beleidsregels voor graven in of nabij waterkeringen 6.1Wanneer is een vergunning nodig? Deze beleidsregels hebben betrekking op graven in of nabij waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen. 6.2Typen graven Graven betekent: het verwijderen van grond. Een ontgraving kan permanent of tijdelijk zijn. Bij een permanente ontgraving wordt het maaiveld verlaagd. Bij tijdelijke ontgraving wordt de ontgraven grond weer teruggebracht. 6.3Relevante regelgeving AGV toetst aan de oogmerken (art. 2.13 Keur) en de specifieke zorgplicht (art 2.14 Keur) – zie ook deel I van dit rapport. De beleidsregels vormen de standaarden en de maatstaven bij de toetsing, waar nodig. Verboden in de Keur van AGV Deze beleidsregels zijn van toepassing op vergunningaanvragen die betrekking hebben op de volgende verboden in de Keur van AGV: Artikel 2.17: Beperkingengebiedactiviteiten in waterkerende dijklichamen. Artikel 2.18: Beperkingengebiedactiviteiten in half-verholen waterkeringen. Artikel 2.19: Beperkingengebiedactiviteiten in verholen waterkeringen. Artikel 2.20: Beperkingengebiedactiviteiten in beschermende gronden. Keurbesluit Vrijstellingen In bepaalde gevallen geldt een vrijstelling van de vergunningplicht. In het Keurbesluit Vrijstellingen en nadere regels staat wanneer en onder welke voorwaarden dat het geval is voor het graven in of nabij waterkeringen: Paragraaf 2.2: Kabels en leidingen. Paragraaf 2.5: Ophogen en ontgraven van waterkeringen. 6.4Beleidsregels voor graven in of nabij waterkeringen Doel van de Keurartikelen en beleidsregels voor graven in of nabij waterkeringen Met de keurartikelen en beleidsregels die betrekking hebben op het graven in of nabij waterkeringen draagt AGV bij aan de bescherming van het land tegen dijkdoorbraken en overstromingen. Risico’s van graven zijn dat ze een negatief effect op de stabiliteit van de waterkering kunnen hebben. Vanwege de risico’s stelt AGV voorwaarden aan de vergunningen voor graven in of nabij waterkeringen. 6.4.1Beleidsregel 6.1: ontgravingen Beleidsregel 6.1: ontgravingen De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor een ontgraving in de kernzone en beschermingszones van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en in de beschermende gronden, waarbij extra maatregelen nodig zijn om de minimaal benodigde stabiliteit te garanderen wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: de oogmerken als bedoeld in artikel 2.13 van de keur; de specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.14 van de keur, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: Permanente ontgravingen in de kernzone en in het profiel van vrije ruimte zijn niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten. Als ondanks het gestelde onder
- a)een beroep wordt gedaan op zwaarwegende redenen van openbaar belang als bedoeld in artikel 2.39 van de Keur, wordt in ieder geval het volgende meegewogen: De waterkerende functie en stabiliteit van de waterkering wordt gegarandeerd door middel van waterkeringvervangende voorzieningen; Alle ontgravingen worden tot het minimum beperkt. Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op de stabiliteit en het functioneren van de waterkering. Ontgravingen, bijvoorbeeld het graven van een sloot of het verlagen van het maaiveld, kunnen ernstige risico’s met zich meebrengen voor de stabiliteit van de waterkering. Hierbij spelen diverse mechanismen een rol: Afschuiven van grond: Als het talud van een nieuw gegraven watergang niet stabiel is, kan er grondverplaatsing gaan plaatsvinden: de grond schuift de watergang in en kan ook grond vanaf de waterkering meenemen. Ook in de beschermingszone van (half-) verholen waterkeringen levert een (grote) permanente ontgraving risico’s op. Een verholen waterkering heeft als eigenschap dat deze dezelfde hoogte heeft als het omliggende maaiveld. Wanneer de grond in de beschermingszone (naast de kernzone of kruin) permanent wordt ontgraven, verdwijnt het karakter van de verholen waterkering en wordt het op die locatie een waterkerend dijklichaam. Dit kan (grote) invloed hebben op de omgeving, omdat de kering daarmee een andere classificatie krijgt en de legger moet worden aangepast. Als gevolg daarvan zijn andere (meer beperkende) regels van toepassing voor activiteiten in en rondom het waterkerend dijklichaam. Beleidsregels De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de keur. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. ad a en b: Bij permanente ontgraving in de kernzone van een kering of in het profiel van vrije ruimte zijn soms extra maatregelen nodig om de minimaal benodigde stabiliteit te garanderen, zoals bij graafwerkzaamheden die invloed hebben op de waterkerende functie en stabiliteit van de kering. Dit mag alleen als de stabiliteit en standzekerheid van de waterkering gegarandeerd is, door het aanbrengen van waterkeringvervangende voorzieningen, zoals steunconstructies. De eventuele hulpconstructies voldoen aan de voorwaarden uit hoofdstuk 4 “Beleidsregels aanbrengen, hebben of verwijderen van beschoeiingen en damwanden bij waterkeringen”. 7.Beleidsregels voor drukvaten en explosiegevaar bij waterkeringen 7.1Wanneer is een vergunning nodig? Deze beleidsregels hebben betrekking op drukvaten, explosiegevaarlijke stoffen en installaties en vergelijkbare werken in, op of nabij waterkerende dijklichamen. 7.2Typen drukvaten en explosiegevaar Drukvaten en vergelijkbare werken (zoals gastanks en olievaten) zijn vaten die een vloeistof of gas bevatten, al dan niet onder druk. Ten behoeve van de leesbaarheid gebruiken we hierna alleen het woord “drukvaten”. De regels gelden ook voor de vergelijkbare werken, zoals opslag van explosiegevaarlijke stoffen, waaronder vuurwerk. 7.3Relevante regelgeving AGV toetst aan de oogmerken (art. 2.13 Keur) en de specifieke zorgplicht (art 2.14 Keur) – zie ook deel I van dit rapport. De beleidsregels vormen de standaarden en de maatstaven bij de toetsing, waar nodig. Verboden in de Keur van AGV Deze beleidsregels zijn van toepassing op vergunningaanvragen die betrekking hebben op de volgende verboden in de Keur van AGV: Artikel 2.17: Beperkingengebiedactiviteiten in waterkerende dijklichamen. Keurbesluit Vrijstellingen In bepaalde gevallen geldt een vrijstelling van de vergunningplicht. In het Keurbesluit Vrijstellingen en nadere regels staat wanneer en onder welke voorwaarden dat het geval is voor het hebben, plaatsen of vervangen van drukvaten in, op of nabij waterkeringen en wateren: Paragraaf 2.13: Explosiegevaarlijke stoffen en installaties. Andere beleidsregels die relevant zijn voor plaatsen, hebben of vervangen van drukvaten, explosiegevaarlijke stoffen, en installaties in, op of nabij waterkerende dijklichamen zijn: Andere beleidsregels die relevant zijn voor het hebben, plaatsen of vervangen van drukvaten kunnen zijn: Hoofdstuk 1 De beleidsregels voor Werken op of bij waterkeringen; Hoofdstuk 6 De beleidsregels voor Graven of grond verstoren in of nabij waterkeringen; Hoofdstuk 8 De beleidsregels voor Leggen van kabels en leidingen in of nabij waterstaatswerken. 7.4Beleidsregels voor drukvaten en explosiegevaar bij waterkeringen Doel van de Keurartikelen en beleidsregels voor plaatsen, hebben of vervangen van drukvaten, explosiegevaarlijke stoffen, en installaties in, op of nabij waterkerende dijklichamen Met de keurartikelen en beleidsregels die betrekking hebben op drukvaten en explosiegevaarlijke stoffen of installaties in, op of nabij waterkerende dijklichamen, draagt AGV bij aan de bescherming tegen overstromingen en aan een goed functionerend watersysteem met goede waterkwaliteit. Risico’s van drukvaten zijn dat ze kunnen gaan lekken en dat ze kunnen exploderen. Vanwege deze risico’s stelt AGV voorwaarden aan de vergunningen voor het plaatsen, hebben of vervangen van drukvaten en vergelijkbare werken in of nabij waterkerende dijklichamen. 7.4.1Beleidsregel 7.1: ondergronds drukvat Beleidsregel 7.1: ondergronds drukvat De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het plaatsen van een ondergronds drukvat in de beschermingszone of buitenbeschermingszone van waterkerende dijklichamen wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: de oogmerken als bedoeld in artikel 2.13 van de keur; de specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.14 van de keur. waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: Er is een noodzaak van ondergrondse aanleg; Het drukvat voldoet aan de geldende (veiligheids-) normen; De verstoringszone reikt niet tot binnen de stabiliteitszone van de waterkering. Het plaatsen of vervangen van een ondergronds drukvat in de kernzone van waterkeringen is niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten. Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op de stabiliteit en het functioneren van de waterkering. Ondergrondse opslag van drukvaten brengt grote risico’s met zich mee voor de stabilteit van de waterkering en de waterkwaliteit in de directe omgeving. Hierbij spelen diverse mechanismen een rol: Schade door explosie: Als een ondergronds drukvat explodeert in het grondlichaam van de waterkering kan dit leiden tot instabiliteit van de waterkering. Afschuiven van grond: Ook een lekkage van een drukvat kan leiden tot instabiliteit: de bodem rond het drukvat wordt nat, waardoor een soort ‘drijfzandeffect’ kan ontstaan, met afschuivingen tot gevolg. Verontreiniging: Een lekkage kan ook het grond- en oppervlaktewater verontreinigen met gevolgen voor de ecologische kwaliteit van het watersysteem. Belemmering inspectie: Een ander nadeel van ondergronds opslaan van drukvaten is dat er graafwerk voor nodig is (zie hoofdstuk 6 beleidsregels voor graven en grond verstoren) en dat er onvoldoende mogelijkheden zijn voor inspectie. Beleidsregel De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de keur. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. ad a en b: Vanwege bovenstaande risico’s is een ondergronds drukvat niet wenselijk. Als het niet anders kan, moet het drukvat uiteraard voldoen aan de geldende (veiligheids)normen. ad c: Niet alleen de ligging van het drukvat zelf is van belang, maar ook de verstoringszone. Dit is de zone waarbinnen de invloed van een lekkend of exploderend drukvat nog merkbaar is. 7.4.2Beleidsregel 7.2: bovengronds drukvat Beleidsregel 7.2: bovengronds drukvat De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het plaatsen van een bovengronds drukvat in de kern- of beschermingszone van waterkerende dijklichamen wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: de oogmerken als bedoeld in artikel 2.13 van de keur; de specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.14 van de keur, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: Ter bescherming van het waterkerende dijklichaam zijn de volgende voorzieningen nodig onder het drukvat: Een betonplaat met een dikte van minimaal 5 centimeter en Een brandwerende lekbak (die voldoet aan de geldende milieunormen) Bovenstaande voorzieningen mogen gecombineerd worden. Het drukvat plus toebehoren wordt niet (deels) ingegraven in de kernzone. Het drukvat voldoet aan de geldende (milieu-) normen. Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op de stabiliteit en het functioneren van de waterkering. De risico’s van een bovengronds drukvat voor een waterkering zijn vergelijkbaar met de risico’s van een ondergronds drukvat. Beleidsregels De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de keur. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. ad a: Bij een bovengronds drukvat zijn beschermende voorzieningen nodig: zo moet het drukvat staan op een betonplaat met een dikte van minimaal 5 cm. Een stevige betonplaat onder het bovengrondse drukvat kan de schade aan de waterkering door een explosie sterk verminderen, doordat de explosie alleen ‘naar boven’ kan. Een betonplaat heeft nog een ander voordeel: als regenwater langs een drukvat omlaag stroomt kan geulvorming optreden in de bodem waar het vat op staat, met mogelijk erosie als gevolg. Een betonplaat onder het vat voorkomt dit. Het drukvat moet ook in een brandwerende lekbak staan (eventueel gecombineerd met de betonplaat) om een eventuele lekkage op te vangen. ad b: Een bovengronds drukvat mag in de kernzone niet (deels) worden ingegraven, om dezelfde redenen als waarom een ondergronds drukvat in de kernzone niet mag. ad c: Uiteraard moet het drukvat voldoen aan de geldende normen. 7.4.3Beleidsregel 7.3: explosiegevaarlijke stoffen of installaties Beleidsregel 7.3: explosiegevaarlijke stoffen of installatie De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het hebben van explosiegevaarlijke stoffen of een explosiegevaarlijke installatie in de buitenbeschermingszone maar binnen een afstand van 100 meter van de grens van de kernzone van een waterkerend dijklichaam wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: de oogmerken als bedoeld in artikel 2.13 van de keur; de specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.14 van de keur. waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: Een explosie leidt niet tot instabiliteit van het waterkerend dijklichaam en de erosiekrater reikt niet tot in de beschermingszone. Het plaatsen, hebben of vervangen van explosiegevaarlijke stoffen of installaties in de kernzone of beschermingszone van waterkerende dijklichamen is niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten. Motivering Uiteraard zijn explosiegevaarlijke stoffen in de buurt van een waterkering zeer onwenselijk, vanwege het risico op schade aan de kering. Binnen 100 meter vanaf de grens van de kernzone van de kering is dan ook een vergunning nodig. 8.Beleidsregels voor kabels en leidingen op of bij waterstaatswerken 8.1Wanneer is een vergunning nodig? Deze beleidsregels hebben betrekking op kabels en leidingen in of nabij waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen, beschermende gronden en wateren. 8.2Typen kabels en leidingen Kabels zijn sterke, buigzame, verbindingen, bestaande uit een of meer geleiders die zijn samengesteld uit draden van metaal of glasvezel en geschikt voor het transport van elektrische energie en/of elektrische signalen en/of optische signalen. Leidingen zijn buizen, vervaardigd van een duurzaam materiaal zoals staal, beton of kunststof en geschikt voor het transport van vloeistoffen en gassen, of het doorvoeren van kabels en leidingen onder bijvoorbeeld wegen of op- en afritten. Bij kabels en leidingen is er een onderscheid tussen Huisaansluitingen: een huisaansluiting is een kabel of leiding die een verbinding vormt tussen een pand en een doorgaande leiding Doorgaande kabels en leidingen. 8.3Relevante regelgeving AGV toetst aan de oogmerken (art. 2.13 en 2.26 Keur) en de specifieke zorgplicht (art 2.14 en 2.27 Keur) – zie ook deel I van dit rapport. De beleidsregels vormen de standaarden en de maatstaven bij de toetsing, waar nodig. Verboden in de Keur van AGV Deze beleidsregels zijn van toepassing op vergunningaanvragen die betrekking hebben op de volgende verboden in de Keur van AGV: Artikel 2.17: Beperkingengebiedactiviteiten in waterkerende dijklichamen. Artikel 2.18: Beperkingengebiedactiviteiten in half-verholen waterkeringen. Artikel 2.19: Beperkingengebiedactiviteiten in verholen waterkeringen. Artikel 2.20: Beperkingengebiedactiviteiten in beschermende gronden. Artikel 2.31: Beperkingengebiedactiviteiten in oppervlaktewaterlichamen. Keurbesluit Vrijstellingen In bepaalde gevallen geldt een vrijstelling van de vergunningplicht. In het Keurbesluit Vrijstellingen en nadere regels staat wanneer en onder welke voorwaarden dat het geval is voor leggen van kabels en leidingen: Paragraaf 2.2: Kabels en leidingen. Paragraaf 2.5: ophogen en ontgraven van waterkeringen. Andere beleidsregels die relevant zijn voor leggen van kabels en leidingen op of nabij waterstaatswerken zijn: Andere beleidsregels die relevant zijn voor leggen van kabels en leidingen: Hoofdstuk 6 De beleidsregels voor graven in of nabij waterkeringen. 8.4Beleidsregels voor kabels en leidingen op of bij waterstaatswerken Doel van de Keurartikelen en beleidsregels voor leggen van kabels en leidingen op of nabij waterstaatswerken Met de keurartikelen en beleidsregels die betrekking hebben op het leggen van kabels en leidingen draagt AGV bij aan de bescherming van het land tegen overstromingen. Risico’s van kabels en leidingen zijn dat ze een negatief effect op de stabiliteit van de waterkering kunnen hebben, zowel tijdens als na het aanleggen. Vanwege deze risico’s stelt AGV voorwaarden aan de vergunningen voor het leggen van kabels en leidingen in of nabij waterstaatswerken. 8.4.1Beleidsregel 8.1: algemene voorwaarden kabels en leidingen Beleidsregel 8.1: algemene voorwaarden voor het leggen van kabels en leidingen De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het leggen, hebben en vervangen van kabels en leidingen in de kernzone, beschermingszone en buitenbeschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen, en in beschermende gronden wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: de oogmerken als bedoeld in artikel 2.13 en 2.26 van de keur; de specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.14 en 2.27 van de keur, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: Leidingen voldoen aan de geldende NEN-normen, en Kabels en leidingen in de kernzone en beschermingszone liggen met de onderkant niet dieper dan voor de kabel of leiding strikt noodzakelijk is, gelet op de veiligheid en het goed kunnen functioneren van de kabel of leiding. Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op de stabiliteit en het functioneren van de waterkering. Kabels en leidingen brengen risico’s met zich mee voor de stabiliteit van de kering. Daarbij spelen diverse mechanismen een rol: Verweking: Een kleine breuk in een vloeistofleiding leidt tot een vochtige zone rondom de breuk. Hier verandert de structuur van de bodem (verweking): er kan een soort ‘drijfzandeffect’ ontstaan, waardoor de kering instabiel wordt. Afschuiven van grond: Bij een grote breuk spoelt een deel van de dijk weg. Erosie: Bij explosie van een gasleiding ontstaat een gat waar grondmateriaal in kan stromen (een zogenoemde erosiekrater). Ook dit is slecht voor de stabiliteit van de dijk. Beleidsregels De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de keur. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. ad a: Leidingen moeten deugdelijk zijn, dat wil zeggen: voldoen aan de eisen voor buisleidingsystemen, zoals in de NEN-normen aangegeven. Dit om het risico op een breuk in de leiding zo klein mogelijk te maken. ad b: Kabels en leidingen in de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen mogen met de onderkant niet dieper liggen dan strikt noodzakelijk. Het kan gebeuren dat water uit de ondergrond omhoog komt via deze doorsnijding en langs de kabels of leidingen gaat stromen, waarbij ook zand kan worden meegevoerd. Ook de sleuven die nodig zijn voor de aanleg van kabels en leidingen kunnen de stabiliteit van de waterkering negatief beïnvloeden. 8.4.2Beleidsregel 8.2: huisaansluitingen Beleidsregel 8.2: huisaansluitingen De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het leggen en hebben van huisaansluitingen in de kernzone of beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen of in beschermende gronden wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: de oogmerken als bedoeld in artikel 2.13 van de keur; de specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.14 van de keur, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: Er wordt voldaan aan de algemene voorwaarden van beleidsregel 8.1 en De aftakking van de hoofdleiding wordt zoveel mogelijk loodrecht op de waterkering aangebracht; Aanleg anders dan met een open ontgraving, is niet verenigbaar met de oogmerken en specifieke zorgplichten in kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen; In de vergunning kunnen voorschriften worden opgenomen ten aanzien van het aanleggen van een kwelscherm. Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op de stabiliteit en het functioneren van de waterkering. Een huisaansluiting is een aftakking van een distributieleiding. Hiervoor gelden dezelfde risico’s als beschreven bij ‘kabels en leidingen’, 8.1. Beleidsregels De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de keur. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. ad a: De huisaansluiting moet deugdelijk zijn (NEN-normen) en niet dieper liggen dan nodig (zie 8.1). ad b: De aftakking moet zo veel mogelijk loodrecht op de lengterichting van de kering liggen. Hierdoor is het stuk waarbij de leiding door de kering loopt zo klein mogelijk. ad c: Wanneer het aanleggen van een huisaansluiting in een open ontgraving niet mogelijk is, kan onder voorwaarden andere methoden worden toegestaan, mits de stabiliteit van de waterkering tijdens en na de werkzaamheden is gewaarborgd. Bij het boren of persen van een kabel of leiding ontstaat het risico dat de boring of persing stuit op puin of bijvoorbeeld een oude fundering in de ondergrond. Op dat moment is een holle ruimte ontstaan in de kering waar geen kabel of leiding in zit, dit is niet wenselijk. Het leggen van kabels en leidingen in een open ontgraving geldt daarom als standaard, omdat het aanleggen gecontroleerd kan worden. ad d: In de vergunning kan tevens worden opgenomen dat een kwelscherm met kleikist aan de hoogwaterzijde van de kabel of leiding moet worden aangelegd. 8.4.3Beleidsregel 8.3: kabels en leidingen in (half)verholen keringen Beleidsregel 8.3: kabels en leidingen in de lengterichting in een verholen en half- verholen kering De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het leggen en hebben van doorgaande kabels en leidingen in de lengterichting in de kernzone en beschermingszone van verholen en half-verholen waterkeringen wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: de oogmerken als bedoeld in artikel 2.13 van de keur; de specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.14 van de keur, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: Er wordt voldaan aan de algemene voorwaarden van beleidsregel 8.1, en Indien binnen vijf jaar werkzaamheden zijn gepland aan de kering wordt dit in de vergunning opgenomen en wordt er geen vergoeding toegekend als de vergunning wordt ingetrokken als gevolg van de werkzaamheden. Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op de stabiliteit en het functioneren van de waterkering. Beleidsregels De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de keur. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. ad a: Ook in een (half)verholen kering moeten kabels en leidingen deugdelijk zijn (NEN-normen) en niet dieper liggen dan nodig (zie 8.1). ad b: Indien er binnen vijf jaar na het behandelen van de aanvraag werkzaamheden zijn gepland aan de kering, wordt dit in de vergunning opgenomen overeenkomstig de ’Nadeelcompensatieregeling verleggen kabels en leidingen in en buiten rijkswaterstaatswerken en spoorweg-werken 1999 (NKL, 1999)’. In dat geval wordt de vergunning voor de kabels en leidingen ingetrokken zonder dat vergoeding van de schade wordt verleend. 8.4.4Beleidsregel 8.4: kabels en leidingen in waterkeringen Beleidsregel 8.4: kabels en leidingen in de lengterichting in een waterkerend dijklichaam en in beschermende gronden De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor aanleg en hebben van een kabel of leiding in de kernzone, beschermingszone of buitenbeschermingszone van waterkerende dijklichamen en in beschermende gronden wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: de oogmerken als bedoeld in artikel 2.13 van de keur; de specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.14 van de keur, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: Er wordt voldaan aan de algemene voorwaarden van beleidsregel 8.1; en Kabels en leidingen worden binnen het keurprofiel door een open ontgraving aangebracht. Buiten het keurprofiel kan de kabel of leiding via een boring of persing worden aangebracht; en Het keurprofiel blijft in stand. Bij aanleg van een drukleiding wordt er voldaan aan de geldende NEN veiligheidseisen, eventueel door middel van extra maatregelen; en De aanleg van een kabel of leiding in de kernzone, beschermingszone of buitenbeschermingszone van een waterkerend dijklichaam of in beschermende gronden blijft achterwege wanneer: de NEN-verstoringszone van de leiding reikt tot binnen de stabiliteitszone van de kering of de kabel ligt op een afstand minder dan 4x het hoogteverschil tussen het maatgevend hoog water (waterpeil) aan de buitenzijde van de dijk en het laagste waterpeil aan de binnenzijde van de dijk, gemeten vanuit de teen van het waterkerend dijklichaam. Dit is niet van toepassing als sprake is van een leveringsplicht voor kabel- en leidingbedrijven en er geen aanvaardbare alternatieve locaties zijn. Indien binnen vijf jaar werkzaamheden zijn gepland aan de kering wordt dit in de vergunning opgenomen en wordt er geen vergoeding toegekend als de vergunning wordt ingetrokken als gevolg van de werkzaamheden. Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op de stabiliteit en het functioneren van de waterkering. Kabels en leidingen brengen risico’s met zich mee voor de stabiliteit van de kering (zie 8.1). Beleidsregels De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de keur. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. ad a: Kabels en leidingen moeten deugdelijk zijn (NEN-normen) en niet dieper liggen dan nodig (zie 8.1). ad b en c: Het aanleggen van kabels en leidingen in het keurprofiel mag alleen door middel van een open ontgraving, dat wil zeggen: niet met ondergrondse boringen of persingen. De reden hiervoor is dat veel waterkeringen in het AGV-gebied liggen op een slappe en samendrukbare ondergrond en periodiek opgehoogd moeten worden. In het verleden werden hiervoor allerlei materialen gebruikt, veelal afkomstig van sloopwerken. Er zit dan ook veel puin in de waterkeringen. Bij uitvoering van een boring of persing in de dijk is de kans op mislukken daardoor groot. Als er meerdere pogingen nodig zijn, ontstaan gaten en holle ruimtes in de ondergrond. Dit kan verzakkingen veroorzaken. Bij aanwezigheid van puin kan bij een boring of persing ook schade aan de leiding ontstaan, hetgeen met name bij vloeistofleidingen later problemen kan opleveren. Een open ontgraving geeft de mogelijkheid het aanwezige puin en andere obstakels te verwijderen en het is zichtbaar wat er tijdens de ontgraving en aanleg gebeurt. Aanvulling van het gat kan gecontroleerd plaatsvinden, zodat de kans op holle ruimtes nihil is. ad d: Naast de algemene voorwaarden geldt ook dat drukleidingen moeten voldoen aan de NEN-veiligheidseisen, om het risico van een leidingbreuk zo klein mogelijk te maken. ad e: De teen is het belangrijkste deel van de dijk als het gaat om stabiliteit en de risico’s zijn groot als er iets mis gaat. Binnen een zone langs de dijk is het aanleggen van leidingen of kabels dan ook ongewenst. Voor leidingen heet dit de veiligheidszone, die is vastgelegd in de NEN-normen voor leidingen (thans NEN 3650 en 3651). De breedte van de veiligheidszone bedraagt 4 keer het verschil in kerende hoogte van de dijk (verschil tussen maatgevend hoog water aan de buitendijkse zijde en het laagste polderpeil aan de binnendijkse zijde) én een stuk extra. Het stuk extra heet de verstoringszone. De breedte van de verstoringszone hangt af van de diameter van de leiding, het materiaal van de leiding, het medium dat door de leiding stroomt en de druk in de leiding. Hoe groter de verstoringszone, hoe verder van een leiding het effect nog merkbaar is bij een breuk. Ofwel: hoe groter het verwachte effect bij een leidingbreuk, des te verder moet de leiding van de dijk liggen. In ieder geval op een afstand van minstens 4 keer het verschil in kerende hoogte van de dijk. Een kabel veroorzaakt bij een breuk geen krater, en dus is er geen verstoringszone, en houdt AGV 4x het verschil in kerende hoogte van de dijk aan als zone. Een uitzondering geldt als er sprake is van een leveringsplicht voor kabel- en leidingbedrijven en er geen aanvaardbaar alternatief tracé voorhanden is. ad f: Indien er binnen vijf jaar na het behandelen van de aanvraag werkzaamheden zijn gepland aan de kering, wordt dit in de vergunning opgenomen overeenkomstig de ’Nadeelcompensatieregeling verleggen kabels en leidingen in en buiten rijkswaterstaatswerken en spoorweg-werken 1999 (NKL, 1999)’. In dat geval wordt de vergunning voor de kabels en leidingen ingetrokken zonder dat vergoeding van de schade wordt verleend. 8.4.5Beleidsregel 8.5: kabels of leidingen dwars op de waterkering Beleidsregel 8.5: kabels of leidingen dwars op de waterkering De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het leggen en hebben van kabels of leidingen die waterkerende dijklichamen, half-verholen of verholen waterkeringen kruisen wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: de oogmerken als bedoeld in artikel 2.13 van de keur; de specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.14 van de keur, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: Er wordt voldaan aan de algemene voorwaarden uit beleidsregel 8.1 en Kruisingen van kabels en leidingen met waterkerende dijklichamen worden zoveel mogelijk geconcentreerd met inachtneming van de veiligheidsafstanden onderling. Dit houdt in dat voor nutsvoorzieningen voor buitendijkse terreinen zo mogelijk één plaats wordt gekozen waar deze de waterkering kruisen. De kabel of leiding kruist de kernzone loodrecht, tenzij dit niet mogelijk b en c gelden niet bij half verholen of verholen keringen. Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op de stabiliteit en het functioneren van de waterkering. Kabels en leidingen brengen risico’s met zich mee voor de stabiliteit van de kering (zie 8.1). Beleidsregels De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de keur. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. ad a: Kabels en leidingen moeten deugdelijk zijn (NEN-normen) en niet dieper liggen dan nodig (zie 8.1). ad b en c: De essentie van deze beleidsregel is om de kering zo min mogelijk te verstoren, door verschillende kabels en leidingen zoveel mogelijk op één plaats de dijk te laten kruisen en bij voorkeur haaks op de richting van de dijk, zodat de kruislengte zo kort mogelijk is. Een aandachtpunt hierbij is dat bundels van meer dan twee kabels of leidingen niet wenselijk zijn, omdat tussen de kabels en leidingen holle ruimtes kunnen ontstaan. Hierin kan water gaan stromen dat grondmateriaal met zich meeneemt, hetgeen de stabiliteit van de dijk kan ondermijnen. Kabels en leidingen moeten zodanig worden gelegd, dat de grond rondom elke individuele kabel of leiding goed verdicht kan worden, zodat er geen holle ruimtes in de dijk ontstaan. 8.4.6Beleidsregel 8.6: gestuurde boring Beleidsregel 8.6: leiding of mantelbuis onder een waterkering door middel van een gestuurde boring De watervergunning of het maatwerkvoorschrift voor het aanbrengen van een leiding of mantelbuis onder waterkerende dijklichamen en half-verholen keringen door middel van een gestuurde boring wordt alleen verleend als het verenigbaar is met: de oogmerken als bedoeld in artikel 2.13 van de keur; de specifieke zorgplichten als bedoeld in artikel 2.14 van de keur, waarbij rekening wordt gehouden met de volgende standaarden en maatstaven: Leidingen voldoen aan de geldende NEN-normen; De boring wordt uitgevoerd volgens de “horizontal directional drilling” (HDD) techniek of volgens de “gesloten front techniek” (GFT); en De leiding of mantelbuis ligt ter plaatse van de kernzone tenminste 10 meter onder de kruin of wanneer het vaste (pleistocene) zand ondiep onder het maaiveldoppervlak ligt, ligt de bovenkant van de leiding of mantelbuis ter plaatse van de kernzone tenminste 2 meter beneden de bovenkant van het vaste (pleistocene) zand; en Binnen de kernzone van de waterkering ligt de leiding of mantelbuis zoveel mogelijk horizontaal; en Het in- en uittredepunt van de boring ligt tenminste buiten de NEN veiligheidszone van de waterkering; en Kruisingen van leidingen met waterkerende dijklichamen worden zoveel mogelijk geconcentreerd met inachtneming van de veiligheidsafstanden onderling. Dit houdt in dat voor nutsvoorzieningen voor buitendijkse terreinen zo mogelijk één plaats wordt gekozen waar deze de waterkering kruisen. De leiding kruist de kernzone loodrecht, tenzij dit niet mogelijk is. De kans op piping is verwaarloosbaar klein. Sub b, c, e en h gelden niet voor half-verholen keringen. Motivering Oogmerken en specifieke zorgplicht De oogmerken en specifieke zorgplicht voor waterkeringen richten zich op de stabiliteit en het functioneren van de waterkering. Een gestuurde boring gebeurt meestal bij het aanleggen van een leiding diep onder de grond. Dit brengt risico’s met zich mee voor de waterkering (zie 8.1). Beleidsregels De beleidsregels geven een uitleg aan de beoordelingsregels uit de keur. Deze beoordelingsregels staan in de oogmerken en de zorgplicht. ad a: Uiteraard moeten de leidingen voldoen aan de NEN-normen, om het risico op een leidingbreuk zo klein mogelijk te maken. ad b: De HDD- en GFT-technieken worden bij waterkeringen vaak toegepast en hebben zich in de loop van de tijd bewezen als betrouwbare methoden. Deze methoden hebben niet de nadelen die andere methoden wel hebben, zoals open frontboringen, raketboringen en boogboringen. Door gebruikmaking van bijvoorbeeld de HDD-techniek kan de leiding zodanig worden aangelegd, dat deze in de pleistocene zandlaag komt te liggen. Hiermee wordt gewaarborgd dat de leiding geen invloed ondervindt van zetting en de kans op een leidingbreuk wordt beperkt. Bovendien is er in deze laag geen risico op verweking bij een eventuele leidingbreuk, als gevolg waarvan de kering instabiel kan worden. ad c: De leiding of buis moet minstens 10 meter onder de kruin liggen. Dit is om te voorkomen dat de buis beschadigd raakt bij werkzaamheden, zoals het plaatsen van damwanden of beschoeiingen. Die gaan in de meeste gevallen niet dieper dan 10 meter de grond in, en de buis ligt op 10 meter onder de kruin diep genoeg. Daarnaast moet de buis in de stevige pleistocene zandlaag liggen, die meestal ook rond een meter of 10 diep in de ondergrond ligt. Deze laag zakt niet, in tegenstelling tot lagen die daarboven liggen. Als de leiding of buis zich in een zakkende laag zou bevinden zou hij beschadigd kunnen raken. ad d: De leiding of buis moet binnen de kernzone van de waterkering zoveel mogelijk horizontaal liggen om te voorkomen dat de leiding of buis het keurprofiel doorsnijdt en om zo het risico op schade aan de waterkering zoveel mogelijk te beperken. ad e: Het in- en uittredepunt van de boring moet tenminste buiten de NEN-veiligheidszone van de waterkering liggen (zie ook beleidsregel 8.4), omdat de boorwerkzaamheden anders te dicht bij de teen van de dijk plaatsvinden, hetgeen de stabiliteit van de dijk in gevaar kan brengen en waardoor de kans op piping toeneemt. Als een lekkage optreedt, wordt de grond nat en kan er een soort ‘drijfzandeffect’ optreden. Als dit gebeurt binnen de veiligheidszone van de dijk kan dit de stabiliteit van de dijk ondermijnen. ad f: Uiteraard moet ook een diep onder de grond kruisende leiding of buis bij voorkeur haaks op de richting van de dijk liggen, zodat de kruislengte zo kort mogelijk is. ad g: Als de kabel of leiding niet loodrecht kruist met de kernzone, dan is daarvoor een noodzaak aanwe