Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Omgevingsdienst IJmondInleiding Voor u ligt de Nota bodembeheer van de deelnemende gemeenten binnen het beheergebied van de Omgevingsdienst IJmond, waarin het beleid ten aanzien van het hergebruik en toepassen van grond en baggerspecie op landbodem is beschreven. In de Nota bodembeheer staat het bodembeleid van de deelnemende gemeenten beschreven en de bijbehorende beleidsregels. Het is een praktische richtlijn voor het omgaan met vrijkomende grond en baggerspecie en geeft invulling aan het lokale grondstromenbeleid. De betrokken wet- en regelgeving voor onder andere het tijdelijk opslaan en toepassen van grond en baggerspecie is beschreven in het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) en de Wet bodembescherming (Wbb) en na de inwerkingtreding van de Omgevingswet in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het gewijzigde Bbk en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Aanleiding voor het opstellen van de Nota bodembeheer is tweeledig. Allereerst zal naar verwachting de Omgevingswet op 1 januari 2023 van kracht worden. Ten tweede zijn de huidige Nota’s inmiddels weer enkele jaren in gebruik en kunnen daarom een actualisatie gebruiken. Beide situaties vormen het uitgelezen moment om het lokale bodembeleid te herzien en nieuwe onderwerpen in het bodembeleid op te nemen en het beleid binnen de regio zoveel mogelijk te uniformeren. De OD IJmond heeft daarom Antea Group gevraagd om namens de deelnemende gemeenten de Nota bodembeheer op te stellen die afgestemd is op zowel de huidige als de toekomstige wet- en regelgeving. De Nota die voor u ligt is in eerste instantie gebaseerd op de voorgaande Nota’s die in de afzonderlijke regio’s van kracht waren. Veel van het bestaande bodembeleid is overgenomen en samengevoegd. Daarnaast zijn de bestaande bodembeleidsregels nog eens kritisch beoordeeld zowel op formulering als aan de hand van de Omgevingswet. Ook zijn voor actuele onderwerpen aanvullende regels opgenomen ter bescherming van de regionale bodemkwaliteit. In het kader van eenduidigheid binnen het werkgebied van de Omgevingsdienst IJmond is gekozen voor een gezamenlijke aanpak van het bodembeleid. Door een regionale aanpak zijn de bodemregels eenduidig in het geval van gemeente-overstijgende initiatieven. Daarnaast hebben de gemeenten (een deel van) hun bodemtaken bij de OD IJmond neergelegd. Op deze manier wordt voorkomen dat er een ‘lappendeken’ ontstaat aan lokale bodemregels waarop toegezien moet worden. I.Beheergebied Het regionale bodembeleid is tot stand gekomen in samenwerking met 13 gemeenten binnen het werkgebied van de Omgevingsdienst IJmond. De deelnemende gemeenten zijn weergegeven in de onderstaande tabel. Tabel 1: Deelnemende gemeenten aan de Nota bodembeheer Deelnemende gemeenten Beverwijk Landsmeer Waterland Bloemendaal Purmerend Wormerland Edam-Volendam Oostzaan Zandvoort Heemskerk Uitgeest Heemstede Velsen Het bodembeleid dat in deze Nota is beschreven, is van toepassing op het beheergebied van de deelnemende gemeenten, zie figuur
(2016). RIVM-rapport 2015-0204, beschikbaar via https://www.rivm.nl/publicaties/diffuse-loodverontreiniging-in-bodem-advies-voor-gemeenschappelijk-beleidskader worden gemeenten opgeroepen het bodembeheer op een dusdanige wijze in te richten, dat de kans wordt verkleind op blootstelling aan lood in de bodem. Tabel 2: Risicowaarde voor lood in de bodem (mg/kg d.s.) op basis van ingeschat IQ-punten verlies Naar aanleiding van het RIVM-rapport heeft de landelijke GGD-projectgroep bodem een gezondheidskundig advies opgesteld4Landelijke GGD-projectgroep bodem, “Toelichting Lood in bodem en gezondheid” 18 april 2016.. De bovenstaande tabel (tabel 2) is hieruit afkomstig en geeft het ingeschatte IQ-punten verlies in verhouding met de concentratie lood in de bodem aan. De deelnemende gemeenten willen hun jonge inwoners aanvullend beschermen tegen schadelijke gevolgen van bodemlood. Daarom volgen de deelnemende gemeenten het advies van het RIVM en de GGD op. Op locaties waar verwacht wordt dat kinderen in aanraking komen met de bodem, wordt een afwijkende normstelling, een lokale maximale waarde (LMW) voor lood in toe te passen grond gehanteerd op basis van de risicowaardes. Door strengere toepassings-normen te hanteren, wordt de bodemloodconcentratie in de loop van de tijd lager. Hierdoor neemt op den duur het blootstellingsrisico af. Het is de verwachting dat met name in gebieden met de functie ‘Wonen’, (jonge) kinderen in contact kunnen komen met de bodem. Blootstelling aan bodemlood vindt met name plaats door lood in de contactzone (tot 50 cm -mv., zie ook verderop). Om deze reden wordt de norm voor bodemlood in toe te passen grond in het bodemfunctiegebied ‘Wonen’, in de contactzone aangescherpt. Volgens het generieke beleid kan binnen een zone met bodemfunctie ‘Wonen’, grond met de maximale kwaliteitsklasse ‘Wonen’ worden toegepast. Hieraan wordt de uitzonderingsregel toegevoegd voor lood: een partij grond die binnen een zone met functieklasse ‘Wonen’ wordt toegepast in de contactzone, mag een maximaal gemeten gehalte aan lood bevatten van 90 mg/kg d.s. (ongecorrigeerd). De contactzone Als contactzone wordt het traject van 0,0 tot 0,5 meter onder maaiveld gehanteerd. Wanneer er geen contact met de bovengrond mogelijk is door een gesloten bovenafdichting, is er ook geen sprake van een contactzone. Onder gesloten bovenafdichtingen worden verstaan: Een aaneengesloten verharding (asfalt, beton) inclusief doorgroeitegels en speeltuin-tegels; Een half-verharding van ten minste 20 cm dikte; Kunstgras met een funderingsmateriaal (van grond of bouwstof). Andere vormen van bodembedekking die niet in bovenstaande opsomming zijn genoemd, denk hierbij aan grind, gras of boomschors, verminderen het risico op contact met de grond in de contactzone, maar worden niet beschouwd als een gesloten bovenafdichting. Toetsing aan de lokale maximale waarde en de bodemtypecorrectie Wanneer grond wordt toegepast binnen gebieden met bodemfunctie ‘Wonen’, dient de kwaliteit van de toe te passen partij bekend te zijn. Hiertoe heeft de initiatiefnemer verschillende mogelijkheden, zie ook hoofdstuk 22. Het bewijs van de milieuhygiënische bodemkwaliteit van de toe te passen partij, wordt zoals gebruikelijk is bij de melding grondverzet gevoegd. In het geval de kwaliteit van de toe te passen partij voldoet aan de achtergrondwaarden, kan er zonder aanvullende toetsing worden toegepast. In het geval de kwaliteit níet voldoet aan de achtergrondwaarden, dient, vóórdat de partij mag worden toegepast, door het bevoegd gezag te worden getoetst dat de loodconcentratie 90 mg/kg d.s. niet overschrijdt. Indien de maximale bodemloodconcentratie wordt overschreden, kan de partij niet in de contactzone binnen de bodemfunctie ‘Wonen’ worden toegepast (toepassen onder een gesloten afdeklaag blijft overigens wel mogelijk). N.B.: De toetsing aan de bodemloodconcentratie dient plaats te vinden aan de hand van de gemeten loodconcentratie en niet de gecorrigeerde waarde naar standaardbodem op basis van het humus- en lutumgehalten. Gebruik van de bodemkwaliteitskaart bij grondverzet Een partij toepassen binnen de bodemfunctiezone ‘Wonen’ is tevens mogelijk op basis van de bodemkwaliteitskaart van de gemeente en erkende bodemkwaliteitskaarten. Hier zijn wel de volgende voorwaarden aan verbonden: De toe te passen partij is afkomstig uit een zone met de ontgravingskwaliteit Achter-grondwaarde; De bodemkwaliteitskaart is erkend door de gemeente; Uit het historisch bodemonderzoek conform NEN 5725 blijken geen verdachtmakingen. Indien de partij niet aan één van bovengenoemde eisen voldoet, is aanvullend bewijs voor het gehalte lood noodzakelijk. Het bovenstaande geldt tevens in het geval partijen binnen de bodemfunctie ‘Wonen’ worden verplaatst. In alle gevallen waarin niet wordt aangetoond dat de partij de bodemkwaliteit achtergrondwaarden heeft, toetst het bevoegd gezag of de LMW voor lood (90 mg/kg d.s.) niet wordt overschreden. Toepassingseis voor toepassingen in bodemfunctieklasse ‘Wonen’ Voor toepassingen binnen de bodemfunctieklasse ‘Wonen’ binnen de het beheergebied geldt de volgende toepassingseis: Een partij die binnen een zone met functieklasse ‘Wonen’ wordt toegepast in de con-tactzone, mag een maximaal gemeten gehalte aan lood bevatten van 90 mg/kg d.s. (ongecorrigeerd). Het bovenstaande beleid is nieuw voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Edam-Volendam, Heemskerk, Heemstede, Landsmeer, Purmerend, Oostzaan, Uitgeest, Velsen, Waterland, Wormerland en Zandvoort. 1.2LMW bij toepassing gevoelig bodemgebruik Gevoelig bodemgebruik Toepassing van grond of baggerspecie op locaties met gevoelig bodemgebruik moet met de grootste zorgvuldigheid gebeuren. Lokaal kunnen binnen het beheergebied van de deelnemende gemeenten gevoelige locaties voorkomen. Onder locaties met gevoelig bodemgebruik vallen: Speelterreinen; Scholen en schoolpleinen; Kinderopvang en bijbehorende speelterreinen; Wonen met tuin (woonerf); Volkstuin/moestuin; Park en plantsoen; Sportterrein; Verblijfsrecreatie; Dagrecreatie; Sport en Vrije tijd; Natuurgebied. In bijlage 1 zijn de bronnen aangegeven waarmee bepaald kan worden of er op een locatie sprake is van en van de bovengenoemde bestemmingen. De bronnen (zoals de Basisregistratie Grootschalige Topografie) zijn openbaar beschikbaar en inzichtelijk. De gemeente draagt geen verantwoordelijkheid voor de volledigheid van deze bronnen. Derhalve is het aan de initiatiefnemer om voorafgaande aan de toepassing op een mogelijke locatie met gevoelig bodemgebruik altijd contact op te nemen met de gemeente voor inzicht in de huidige situatie. Risico’s van stoffen In sommige gebieden is het toegestaan om grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ toe te passen. De deelnemende gemeenten stellen daarentegen bij locaties met gevoelig bodemgebruik strengere eisen als daar grond wordt toegepast. Dit, om bij het gevoelig bodemgebruik eventuele risico’s uit te sluiten. Binnen de deelnemende gemeenten dient de grond die in de bovengrond (0,0 - 0,50 m-mv.) wordt toegepast ter plaatse van bestaande gevoelige locaties te voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’. Van nieuw aan te leggen locaties met gevoelig bodemgebruik moet de bovengrond (traject 0,0 - 0,50 m -mv.) te worden voorzien van grond die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’. De kwaliteit van de toe te passen grond die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’ moet worden aangetoond met een wettig bewijsmiddel (zie hoofdstuk 22 voor de mogelijke bewijsmiddelen). Als er aanleiding is dat de grond verdacht is voor verhoogde gehalten met asbest, moet asbest ook in de partijkeuring of ander wettig bewijsmiddel worden meegenomen (historische gegevens, zintuiglijk en analytisch). Ook gelden nog eisen ten aanzien van bijmenging van bodemvreemd materiaal (hoofdstuk 2). Risico’s van asbest In Nederland is van ca. 1955 tot 1993 asbest toegepast. In de periode van 1955-1978 is op grote schaal gewerkt met asbesthoudende materialen. Asbest kan in de bodem terecht zijn gekomen op locaties waar asbest is gebruikt in gebouwen, door het zagen of breken van asbestplaten of (afval)stortingen. De aanwezigheid van asbest in de bodem kan risico’s opleveren voor de volksgezondheid. Om deze reden is onderzoek naar het voorkomen van asbest in de bodem in sommige gevallen verplicht. De bodemkwaliteitskaart geeft geen uitsluitsel of er sprake is van asbesthoudende grond of bodem. Voor grond geldt als generieke toepassingseis dat deze maximaal 100 mg/kg droge stof (d.s.) aan -gewogen- asbest mag bevatten. Dit betreft een gewogen gehalte, zijnde het gehalte serpentijnasbest plus tienmaal het gehalte amfiboolasbest. De gemeente stelt gebiedsspecifiek beleid vast: voor toepassingen van grond ter plaatse van locaties met gevoelig bodemgebruik is het niet toegestaan met asbest verontreinigde grond toe te passen. De deelnemende gemeenten hanteren hierbij de eis dat er visueel geen asbest in de grond zichtbaar mag zijn. Van partijen met asbestverdachte bijmengingen dient conform een passend bewijsmiddel aangetoond te worden dat de grond niet asbesthoudend is. Toepassingseisen voor toepassingen op locaties met gevoelig bodemgebruik De toepassingseis voor het toepassen van grond en/of baggerspecie ter plaatse van locaties met gevoelig bodemgebruik binnen haar grondgebied is als volgt: De partij die wordt toegepast in de bovengrond (traject 0,0 - 0,50 m -mv.) ter plaatse van de gevoelige locatie voldoet minimaal aan de kwaliteitseisen voor de bodemkwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’; De partij is visueel dan wel analytisch vrij van asbest. Dit wordt voor elke toe te passen partij aangetoond door middel van minimaal een onderzoek conform de NEN 5725. Als uit het vooronderzoek conform NEN 5725 blijkt dat de locatie verdacht is op de aanwezigheid van asbest, dan dient een volledig verkennend asbestonderzoek conform NEN5707 of NEN5720 met passende strategie te worden uitgevoerd. Als uit het vooronderzoek conform NEN 5725 blijkt dat de locatie onverdacht is op de aanwezigheid van asbest, maar er is in de vrijkomende grond visueel wel sprake van een bijmenging van asbestverdacht materiaal, dan dient een volledig verkennend asbestonderzoek conform NEN5707 of NEN5720 te worden uitgevoerd. De genoemde kwaliteitseis geldt zowel voor nieuw aan te leggen locaties met gevoelig bodemgebruik als voor bestaande gevoelige locaties. Onder locaties met gevoelig bodemgebruik vallen de voorgenoemde gevoelige locaties, zie ook bijlage 2. Ten aanzien van bijmengingen van bodemvreemd materiaal (niet zijnde asbestverdacht) gelden aanvullende eisen, zie hiervoor hoofdstuk 2. De bovenstaande regel is nieuw voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Heemstede, Heemskerk, Purmerend, Uitgeest, Velsen en Zandvoort. De bovenstaande regel is gewijzigd beleid voor de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Waterland en Wormerland. 1.3LMW voor het buitengebied van regio Zaanstreek-Waterland Onderbouwing In grote delen van het buitengebied van de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland is het in het generieke kader toegestaan dat ter plaatse van locaties met de (toekomstige) bodemfunctie ‘Wonen’ of ‘Industrie’ grond mag worden toegepast met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’. Deze bodemfuncties komen vooralsnog weinig voor in het buiten-gebied. De gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland willen voor deze gebieden in het buitengebied aansluiten bij de toepassingseis die volgt als de bodemfunctie ‘Overig’ is: ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’. Daarom stellen de gemeenten voor gebieden in het buitengebied waarvan de (toekomstige) bodemfunctie ‘Wonen’ of ‘Industrie’ is vastgesteld, strengere lokale maximale waarde vast, namelijk de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’ voor die gebieden waar de (toekomstige) bodemfunctie ‘Wonen’ of ‘Industrie’ is vastgesteld. Toepassingseis voor toepassingen in buitengebied regio Zaanstreek-Waterland De toepassingseis voor locaties in het buitengebied van de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland met de (toekomstige) bodemfuncties ‘Wonen’ en ‘Industrie’ is vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’. De bovenstaande regel is een voortzetting van het beleid voor de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland. 1.4LMW voor onverharde wegbermen Onderbouwing Van onverharde (spoor)wegbermen is het bekend dat deze verontreinigd kunnen zijn als gevolg van: Depositie van uitlaatgassen (PAK, lood); Afstromend regenwater (minerale olie, PAK en lood); Funderingsmateriaal (zware metalen en PAK); Toepassing van teerhoudend asfalt (PAK); Uitloging uit vangrails (zink) Uitloging uit bovenleidingen (koper). Aangezien het bekend is dat de onverharde bermen belast worden met verontreinigende stoffen, wordt het niet milieuvriendelijk geacht dat eventueel toe te passen schone grond als gevolg van het drukke (spoor)wegverkeer na de toepassing wordt verontreinigd. Lokale baggeropgave Als gevolg van het op diepte houden van de watergangen komt in de regio veel bagger vrij die niet direct op de kant kan worden verspreid. Een deel van de vrijkomende bagger wordt door het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) afgevoerd naar doorgangdepots waar de bagger wordt ontwaterd alvorens te worden hergebruikt als grond. De naar doorgangsdepots afgevoerde baggerspecie is maximaal van de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. Uit een quickscan van uitgevoerde waterbodemonderzoeken van het Hoogheemraadschap in de regio IJmond is gebleken dat vooral het gehalte minerale olie klassebepalend is (maximaal klasse ‘Industrie’). Uit onderzoek van Alterra, dat is gepubliceerd in het vakblad Bodem (nummer 5 van oktober 2009), blijkt dat door biologische afbraak de concentraties aan minerale olie en PAK's in een periode van 5 jaar minimaal 70-80% reduceren. Voorwaarde hierbij is dat er alleen snelle biologische afbraak plaatsvindt in aërobe (zuurstofrijke) omstandigheden. Gezien het bodemgebruik van wegbermen worden geen onacceptabele risico’s verwacht wan-neer hierin grond of baggerspecie van de kwaliteitsklassen 'Industrie' of ‘Wonen’ wordt toege-past. Om de nu beperkte toepassingsmogelijkheden van grond en baggerspecie met de kwaliteitsklassen ‘Industrie’ en ‘Wonen’ te vergroten, worden lokale maximale waarden vastgesteld. De deelnemende gemeenten staan lokale verslechtering met gebiedseigen grond met maximaal de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ toe in de onverharde (spoor)wegbermen. Door de gemeenten aangewezen wegen zijn: Spoorwegen, rijkswegen, provinciale wegen; Door de gemeenten aangewezen wegen*. *Alle wegen die in beheer van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) zijn, zijn ook door de gemeenten aangewezen met de bodemfunctieklasse ‘Industrie’. Uit de argumentatie van het Hoogheemraadschap, die is opgenomen in bijlage 4, blijkt dat deze wegen een afwijkende kwaliteit hebben dan de omgeving. Op de gebiedsspecifieke toepassingskaarten van de regio Zaanstreek-Waterland zijn de wegen aangegeven waar de lokale verslechtering tot kwaliteitsklasse ‘Industrie’ wordt toegestaan. Definitie wegberm Met onverharde wegbermen wordt bedoeld: de strook grond naast de (klinker- en asfalt)weg of spoorweg. Uitgangspunt voor de definitie van onverharde wegberm is dat er geen afwateringsgoot met straatkolken aanwezig is. De strook omvat de bodemlaag tot maximaal 0,3 meter diepte gerekend vanaf het maaiveld, en heeft gerekend vanuit de wegverharding een maximale breedte van 10 meter. De erfgrens of De meest afgelegen insteek van een droge bermsloot of De meest nabij gelegen insteek van een natte sloot of Als voorgaande niet aanwezig zijn, de overgang naar andere begroeiing (houtopstanden zoals hagen, struiken, bosschages, bos). Voor de begrenzing van de wegbermen wordt aangesloten bij de volgende figuren. Deze figuren zijn afkomstig uit een brief van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Dienst Verkeer en Scheepvaart (kenmerk RWS/DVS-2009/2932, 19 november 2009). Figuur 4: begrenzing wegbermen Voor wegbermen langs dijkwegen geldt dat de wegberm bestaat uit de strook grond tussen de weg en de teen van de dijk. Voor wegen op dijken geldt dat de wegberm bestaat uit de strook grond tussen de weg en de kruin van de dijk. Bij de wegbermen gelegen in het NatuurNetwerk Nederland (NNN, voormalig EHS) geldt voor beide zijden van het wegvak een strook van maximaal 2 meter, in verband met de ecologische functie van de wegbermen. Buiten de aangegeven strook mag in de wegbermen alleen schone grond toegepast worden. Toepassingseis voor toepassingen in onverharde wegbermen De toepassingseis voor de onverharde bermen van rijkswegen, provinciale wegen, spoorwegen en de door de gemeenten aangewezen wegen is vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. De deelnemende gemeenten wijzen alle wegen die in beheer van het HHNK zijn als bermen waar tot en met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ mag worden toegepast. De bermen waarop dit van toepassing is, zijn opgenomen in kaartbijlage Als het voornemen bestaat grond in een onverharde wegberm van een spoorweg, rijksweg, provinciale weg, of een van de door de gemeente aangewezen wegen, toe te passen, gelden de volgende regels: Voorafgaand aan de toepassing in een aangewezen onverharde wegberm moet een indicatief onderzoek worden uitgevoerd naar de kwaliteit van de toe te passen berm-grond (zie § 22.3.4). De resultaten van het indicatieve onderzoek moeten worden getoetst volgens de normen van het Besluit en de Regeling Bodemkwaliteit zodat een kwaliteitsklasse kan worden bepaald. Afhankelijk van de onderzoeksresultaten kan de grond worden toegepast: Als de grond voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ of beter, dan mag de grond op of in de aangewezen onverharde wegbermen worden toegepast. Als één of meerdere gehalten in de grond de maximale waarden voor ‘Industrie’ overschrijden, maar de interventiewaarde wordt niet overschreden, dan moet de grond worden getransporteerd naar een erkend verwerker. De grond kan ook aanvullend worden gekeurd. Als uit de partijkeuring blijkt dat de grond voldoet aan de maximale waarden voor ‘Industrie’, dan kan deze alsnog in de onverharde wegberm worden toegepast. Als één of meer gehalten in de grond de interventiewaarde van de Wet bodembescherming overschrijdt, mag de grond niet worden toegepast en moet het spoor van de Wet bodembescherming worden gevolgd. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet gelden de interventiewaarden bodemkwaliteit zoals opgenomen in de bijlagen van het Besluit activiteiten leefomgeving en wordt het spoor van de Omgevingswet gevolgd. De partij grond of baggerspecie die wordt toegepast is afkomstig uit het beheergebied. Als het voornemen bestaat grond uit een onverharde wegberm van een spoorweg, rijksweg, provinciale weg, of een van de door de gemeente aangewezen wegen, elders toe te passen (dat wil zeggen: niet in een van de voorgenoemde bermen of een toepassingskwaliteit ‘Industrie’ op basis van de bodemkwaliteitskaart), dient er altijd een bodemonderzoek met passende strategie (zoals een partijkeuring) te worden uitgevoerd (zie voor bewijsmiddelen hoofdstuk 22). Afhankelijk van de resultaten kan de grond elders worden toegepast conform de eisen van het generieke kader en gebiedsspecifieke kader zoals beschreven in deze Nota. De bovenstaande regel is bestaand beleid voor de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland. Het is nieuw beleid voor de gemeente Purmerend. De bovenstaande regel is ten dele nieuw beleid voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Heemstede, Heemskerk, Uitgeest, Velsen en Zandvoort. De mogelijkheden voor het toepassen van grond met klasse ‘Wonen’ en 'Industrie’ zijn uitgebreid. Daarnaast zijn de eisen aan het benodigde bodemonderzoek gedefinieerd. 1.5Toepassingseis voor industriegrond Zuid-Kennemerland-IJmond Aanleiding De bodem in de oude woonwijken van in de regio Zuid-Kennemerland-IJmond is door de eeuwen heen veelal verontreinigd geraakt als gevolg van menselijke handelingen. De bodemkwaliteit van de bovengrond in woongebieden heeft een kwaliteitsklasse ‘Industrie’. Volgens de generieke eisen kan en mag deze grond niet in woongebieden worden hergebruikt. Figuur 5: Problematiek hergebruik van klasse industriegrond De problematiek is in figuur 5 weergegeven. Vrijkomende bovengrond (in paars op kaart gekleurd) kan niet of nauwelijks hergebruikt worden (zie toepassingskaart Generiek). Onderbouwing Een oplossing is gevonden in de onderbouwing van de normstelling en bodemkwaliteits-beoordeling. Deze zijn beschreven in het rapport NOBO5NOBO: Normstelling en bodemkwaliteitsbeoordeling. Onderbouwing en beleidsmatige keuzes voor de bodemnormen in 2005, 2006 en 2007. Door: Ministerie van VROM, d.d. december 2008. Hierbij is het risico’s en de mate van contactmogelijkheid met de verontreinigde bodem gekoppeld aan de bodemfunctie. Is er sprake van veel bodemcontact (bijv. voor de functie ‘wonen met tuin’) dan is sprake van hoger risicoscenario en dus een strengere normering voor deze bodemfunctie. Dit uitgangspunt is opgenomen in de onderstaande figuur 6. Er is gezocht naar bodemfuncties die geen risico opleveren voor de gebruiksfunctie in het gebied. De gebieden waar de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ aanwezig is worden gevormd door oude woongebieden en bedrijventerreinen. Figuur 6: Beslisschema koppeling bodemfuncties aan risicoscenario's (bron: NOBO) Op basis van het bovenstaande figuur blijkt dat voor de functie ‘Ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie’ er weinig bodemcontact is. Er is hierbij dus slechts beperkt sprake van humane risico’s. Ook het aanwezige groen heeft een weinig ecologische waarde. Op basis van de functiebeschrijving in het NOBO-rapport mag de vrijkomende kwaliteitsklasse industriegrond worden hergebruikt binnen de onderstaande (woon)gebieden: Siergroen in openbaar gebied, bermen, groenstroken, taluds, etc.; Wegen en spoorwegen met weinig groen; Ook alle bebouwing en verharding kan onder deze functie vallen, dus ook dicht bebouwd stedelijk gebied zonder tuinen. Oplossing De eisen voor het toepassen van grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ zijn als volgt: De functiebeschrijving van het gebied moet passen in de volgende beschreven (woon)gebieden: Siergroen in openbaar gebied, bermen, groenstroken, taluds, etc.; Wegen en spoorwegen met weinig groen; Alle bebouwing en verharding. De toepassingslocatie dient voor de bovengrond de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ te hebben (ze hiervoor de ontgravingskaart); De Omgevingsdienst IJmond dient schriftelijk in te stemmen met de toepassing. Maatwerkoplossing industriegrond onder de Omgevingswet De Omgevingswet biedt maatwerkmogelijkheden bij het toepassen van grond en baggerspecie. Dat is in de vorm van maatwerkregels en maatwerkvoorschriften. Zo kan onder de Omgevingswet kan volgens artikel 4.1273 van het Bal met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift het toepassen van grond of baggerspecie van een kwaliteit die niet voldoet aan de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 4.1272, eerste of tweede lid, alleen worden toegestaan als de toe te passen grond of baggerspecie afkomstig is uit een aangewezen bodembeheergebied en ook weer binnen dat gebied wordt toegepast. De initiatiefnemer kan een dergelijk maatwerkvoorschrift bij de gemeente aanvragen voor de voorgenomen activiteit. Toepassingseis voor toepassen industriegrond in woongebieden in regio Zuid-Kennemerland-IJmond De eisen voor het toepassen van grond met de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ binnen gebieden met de bodemfunctie ‘Wonen’ zijn als volgt: De functiebeschrijving van het gebied moet passen in de volgende beschreven (woon)gebieden: Siergroen in openbaar gebied, bermen, groenstroken, taluds, en vergelijkbaar; Wegen en spoorwegen met weinig groen; Alle bebouwing en verharding. De toepassingslocatie dient voor de bovengrond de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ te hebben; De Omgevingsdienst IJmond dient schriftelijk in te stemmen met de toepassing. Het bovenstaande beleid is bestaand beleid voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Heemstede, Heemskerk, Uitgeest, Velsen en Zandvoort. N.B.: het beheergebied is uitgebreid met de gemeenten in regio Zaanstreek-Waterland. 1.6LMW voor toepassing van baggerspecie Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier op regionale waterkeringen Onderbouwing Bij het op diepte houden van de vaarwegen binnen het beheergebied van de deelnemende gemeenten komt veel baggerspecie vrij. Het gaat om een totale hoeveelheid van ca. 73.000 m3 bagger in het beheergebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) in de periode 2016-2019. Niet alle vrijkomende bagger kan op de kant worden gezet. Vooral in het stedelijk gebied is hier te weinig ruimte voor beschikbaar. De baggerspecie die niet direct op de kant kan worden verwerkt, wordt verwerkt in weilanddepots of doorgangdepots. Een weilanddepot is alleen rendabel bij grote werken, na afloop moet het depot worden afgevlakt en ingezaaid. De baggerspecie in een doorgangsdepot wordt ontwaterd en omgezet totdat de baggerspecie is gerijpt tot grond die elders kan worden hergebruikt. Deze grond wordt door middel van zeven over 30 millimeter ontdaan van eventuele bodemvreemde materialen, waarna de ontstane partij wordt gekeurd en elders toegepast. De baggerspecie die in eigen depots wordt gestort, mag maximaal kwaliteitsklasse ‘Industrie’ zijn. Gezien het historische gebruik en beheer van de regionale waterkeringen is het zeer aannemelijk dat in de waterkeringen heterogeen verspreide verontreinigingen voor komen (kwaliteitsklasse ‘Wonen’ tot soms saneringsgevallen). Het is daarom niet duurzaam om op waterkeringen alleen grond te mogen toepassen die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’. Ook mag op deze waterkeringen in het beheer van het Hoogheemraadschap geen vee grazen, geen groenten worden gekweekt of geteeld, en mag de locatie niet worden gebruikt als een plaats waar kinderen spelen, bijvoorbeeld een kinderspeelterrein. Als gevolg hiervan is het risico op blootstelling aan grond met de toegepaste kwaliteit ‘Wonen’ en ‘Industrie’ in de waterkering nihil. Door het mogelijk maken van het toepassen van de vrijkomende baggerspecie op de regionale waterkeringen, voldoen de waterkeringen aan het toekomstige gebruik én kan een nuttige toepassing van grond van het Hoogheemraadschap worden bereikt bij zo laag mogelijke maatschappelijke kosten, zonder afbreuk te doen aan het milieu. Ten slotte wordt opgemerkt dat het toepassen van grond “in ophogingen en waterbouwkundige constructies […] met het oog op hoogwaterbescherming, de doelstellingen van de Kaderrichtlijn water […]” binnen het Besluit Bodemkwaliteit binnen het stelsel van de Wet bodembescherming als een nuttige toepassing wordt gezien (zie artikel 35 onderdeel c van het Besluit). Ook onder de Omgevingswet wordt het ophogen van de regionale waterkeringen met grond/bagger als functionele toepassing beschouwd: “ophogingen op of in de landbodem voor het herstellen of verbeteren van de bodemgesteldheid van een terrein” (artikel 4.1269 van het Bal). Toepassingseis voor toepassen van baggerspecie HHNK op regionale waterkeringen De deelnemende gemeenten willen de mogelijkheden voor het nuttig toepassen van grond, verworden van baggerspecie uit het beheergebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ en 'Industrie' vergroten door toe te staan dat deze grond mag worden gebruikt voor het op hoogte brengen van waterkeringen. Hierbij gelden de volgende toepassingseisen: De kwaliteit van de grond is maximaal klasse ‘industrie’ en dit is bepaald met een partijkeuring of vergelijkbaar wettig bewijsmiddel; De laag opgebrachte grond wordt afgedekt met een teeltlaag van minimaal 30 centimeter dikte; Deze teeltlaag moet blijkens een partijkeuring minimaal van de kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde (AW2000)’ zijn, of te zijn opgebouwd uit de huidige teeltlaag van de waterkering; Toepassing is alleen mogelijk in de kades van de regionale waterkeringen in beheer bij het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier als zijnde landbodem. Hergebruik in kades geldt derhalve alleen voor de toepassing van uit baggerspecie verworden grond op landbodem. De bovenstaande regel is bestaand beleid voor de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland en is nieuw voor de gemeente Purmerend. De regel is niet van toepassing op de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Heemstede, Heemskerk, Uitgeest, Velsen en Zandvoort, aangezien deze gemeenten buiten het werkgebied van het HHNK liggen. 1.7LMW verspreiden onderhoudsbaggerspecie in veengebieden Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) schat op basis van waterbodem-onderzoeken van de afgelopen jaren in dat in de veengebieden van de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland circa 27% van de jaarlijkse onderhoudsbaggerspecie (circa 13.500 m3) niet-verspreidbaar is. Deze baggerspecie moet naar een erkend verwerker worden getransporteerd. De extra kosten die hiermee zijn gemoeid worden uiteindelijk aan de bewoners van de voornoemde gemeenten doorberekend. Door het opstellen van lokale maximale waarden wil het HHNK meer onderhoudsbaggerspecie kunnen verspreiden dan onder het generieke kader van het Bbk mogelijk is. Voor de onderbouwing van de LMW zijn meerdere risicobeoordelingen uitgevoerd6Onderbouwing gebiedsspecifiek beleid verspreiden onderhoudsbaggerspecie in veengebieden (gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland), projectcode: SOB005056, LievenseCSO Milieu B.V., 20 april 2018.. In bijlage 6 is de hoofdtekst van de onderbouwing van de LMW gegeven. Voor de volledige rapportage moet contact worden opgenomen met het HHNK. De LMW voor het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie worden gelijk gesteld aan de toetsnormen voor de kwaliteitsklasse 2 van de voormalige Vierde Nota waterhuishouding (zie tabel 3 verderop). Door deze lokale maximale waarden te hanteren, kan circa 12.500 m3 onderhoudsbaggerspecie van de jaarlijks ca. 13.500 m3 niet-verspreidbare onderhoudsbagger-specie in veengebieden alsnog worden verspreid. De oorzaak ligt in het vrijkomen van partijen bagger die hogere concentraties aan zware metalen bevatten en sinds jaar en dag al verspreid werden op de veengebieden die onderdeel uitmaken van hetzelfde watersysteem. De LMW gelden alleen voor het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie in de veengebieden van de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland. Onder-houdsbaggerspecie die niet voldoet aan de LMW moet worden getransporteerd naar een erkend verwerker. Met de huidige toetsingsnormen en rekenmodel ‘RisicotoolboxBodem’7https://www.risicotoolboxbodem.nl/ zijn voor het huidige bodemgebruik in veengebieden risico’s vastgesteld voor het duurzame gebruik van de bodem. Als bij het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie gebruik is gemaakt van het gebiedsspecifieke beleid, moeten de volgende bedrijfsvoering en gebruiksbeperkingen in acht worden genomen: De strook grond waar de bagger is verspreid, moet op een passende wijze worden afgerasterd om begrazing van vee te voorkomen; De eerste snij van het gras (3-6 maanden) moet worden afgevoerd naar een erkend verwerker. Er mag tot aan het moment dat het gras voor de eerste keer wordt ge-maaid geen vee op het betreffende perceel/percelen grazen; Het eerste vee dat op de percelen met verspreide onderhoudsbaggerspecie mag gra-zen zijn schapen; Laat de schapen afwisselend grazen op de percelen waar de onderhoudsbaggerspecie is verspreid en op percelen waar geen baggerspecie is verspreid; Voer de schapen niet bij met runderbrok; Bemest de weidegrond niet met varkensmest; Laat koeien pas grazen op de percelen waar onderhoudsbaggerspecie is verspreid nadat daar schapen hebben gegraasd; Voer het vee (in de winter) bij met gras uit andere gebieden dan de regio Zaanstreek-Waterland en met krachtvoer; bijvoorbeeld mineralen bolus. Op deze manier krijgt het vee meer dan alleen gras van veengebieden uit de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland dat relatief veel ijzer en zwavel bevat. Dit ijzer en zwavel resulteert in een zeer grote kans op een secundair kopertekort bij het vee waardoor gezondheidsproblemen kunnen optreden. Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier neemt deze gebruiksbeperkingen op in de acceptatieovereenkomsten van onderhoudsbaggerspecie. Toepassingseis voor toepassingen in de gemeenten in de regio Zaanstreek-Waterland De gemeente toetst bij het ontvangen van de melding voor het verspreiden van onderhouds-baggerspecie in veengebieden in de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland of aan de volgende voorwaarden is voldaan: De te verspreiden onderhoudsbaggerspecie ligt binnen de contouren van de gemeentegrenzen van de bovengenoemde gemeenten; De kwaliteit van de te verspreiden onderhoudsbaggerspecie voldoet aan de toetsnormen voor de kwaliteitsklasse 2 van de voormalige Vierde nota waterhuishouding (zie tabel 3); Voor het aantonen van de kwaliteit van de te verspreiden onderhoudsbaggerspecie wordt een waterbodemonderzoek verricht met passende strategie conform de gestelde normen, zie paragraaf betreffende erkende bewijsmiddelen (hoofdstuk 22); Er heeft overleg plaatsgevonden tussen de gemeente en Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier over de bedrijfsvoering en gebruiksbeperkingen die in acht moeten worden genomen nadat mogelijke verspreiding van de onderhoudsbaggerspecie heeft plaatsgevonden. Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier neemt deze gebruiksbeperkingen op in de acceptatieovereenkomsten van onderhoudsbaggerspecie. Het bovenstaande beleid is een voortzetting van het bestaande beleid voor de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Waterland en Wormerland. De regel is niet van toepassing op de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Heemstede, Heemskerk, Uitgeest, Velsen en Zandvoort, aangezien deze gemeenten buiten het werkgebied van het HHNK liggen. Tabel 3: Lokale maximale waarden in mg/kg d.s. bij verspreiden onderhoudsbaggerspecie in veengebieden Stof LMW – Verspreiden onderhoudsbaggerspecie in veengebieden (gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland) Barium - Cadmium 7,5 Kobalt - Koper 90 Kwik 1,6 Lood 530 Molybdeen - Nikkel 45 Zink 720 PCB (som 7) 0,2 PAK (10VROM) 10 Naftaleen 0,2096 Fenantreen 0,8357 Antraceen 0,2870 Fluoranteen 2,6223 Benzo(a)antraceen 1,0691 Chryseen 1,2451 Benzo(k)fluoranteen 0,7753 Benzo(a)pyreen 0,9432 Benzo(ghi)peryleen 1,1949 Ideno(1,2,3-cd)pyreen 0,8179 Minerale olie 3.000 Chroom 380 Arseen 55 1.8LMW poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) 1.8.1Toelichting PFAS is een verzamelnaam van gefluoreerde koolwaterstoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. PFAS is sinds de jaren ’50 in Nederland veel gebruikt in diverse industriële toepassingen als blusschuim, coatings (o.a. teflon), verf, kleding en cosmetica. Het heeft de eigenschappen persistent, mobiel en niet tot nauwelijks biologisch afbreekbaar te zijn. Regionaal en landelijk wordt steeds meer kennis en inzicht verkregen over PFAS en de onderliggende perfluoralkyl-verbindingen. Zo staan PFOS (perfluoroctaansulfonzuur), PFOA (perfluoroctaanzuur) en GenX op de lijst van Zeer Zorgwekkend stoffen (ZZS). Een aantal andere stoffen uit de PFAS-groep staat op de lijst van potentiële ZZS. PFAS is niet opgenomen in bestaande regelgeving, aangezien de stof “nieuw” is ten aanzien van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. In juli van 2019 is door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat een ‘Tijdelijk Handelingskader PFAS’ uitgebracht, waarna verschillende actualisaties zijn gepubliceerd. In de handelingskaders zijn de kaders aangegeven om hergebruik van PFAS-houdende grond te stimuleren en tegelijkertijd voldaan wordt aan zorgplicht. Tot op heden zijn de volgende handelingskaders gepubliceerd: “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie”, d.d. 8 juli 2019; Geactualiseerde versie “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie”, d.d. 29 november 2019; Geactualiseerde versie “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie”, d.d. 2 juli 2020; “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie”, d.d. 13 december 2021. Binnen het beheergebied zijn de volgende beleidsdocumenten opgesteld t.a.v. PFAS: Regio Zuid-Kennermerland en IJmond: “Rapport Bodemkwaliteitskaart PFAS OD IJmond”, kenmerk 0458873.100, rev. 0.0, d.d. 20 mei 2020, door Antea Group, en revisie 1.0 d.d. 28 januari 2021; “Notitie grondverzet Bodemkwaliteitskaart PFAS OD IJmond”, kenmerk 0458873.100, revisie 1.0 d.d. 28 januari 2021 door Antea Group; Regio Zaanstreek-Waterland: “Bodemkwaliteitskaart PFAS-verbindingen regio Zaanstreek-Waterland”, kenmerk SOB011149, d.d. 8 april 2020, versie 1, door Lievense-WSP; “Notitie Aanvulling bodemkwaliteitskaart en nota bodembeheer gemeenten Beemster, Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland”, kenmerk SOB011149, d.d. 08 april 2020, door Lievense-WSP; Provincie Noord-Holland: Beleidsregel van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland houdende regels omtrent de Beleidsregel PFAS Noord-Holland 2019, kenmerk: 1309449/1316340, d.d. 19 november 2019, in werking getreden: 21 november 2019. Het doel van de bovengenoemde beleidsdocumenten is het grondverzet binnen het beheergebied van de deelnemende gemeenten te vereenvoudigen voor wat betreft de stofgroep PFAS. Voor het toepassen van grond dient de toetsing op PFAS separaat plaats te vinden aan toetsing aan de lokaal vastgestelde reguliere bodemkwaliteitskaart. In de onderhavige Nota bodembeheer worden lokale maximale waarden voor PFAS vastgelegd. Bij het vaststellen van deze Nota stelt de gemeente tevens de basis voor de LMW vast, namelijk de betreffende Bodemkwaliteitskaarten op de stofgroep PFAS. Uit de opgestelde bodemkwaliteitskaarten blijkt dat de mate van diffuse verontreiniging in de twee regio’s in het beheergebied van OD IJmond niet geheel overeenkomt. Om deze reden worden per regio (per “eigen beheergebied”) LWM vastgelegd. 1.8.2LMW PFAS regio Zaanstreek-Waterland Met het opstellen van de bodemkwaliteitskaart PFAS voor de regio Zaanstreek-Waterland8“Bodemkwaliteitskaart PFAS-verbindingen regio Zaanstreek-Waterland”, kenmerk SOB011149, d.d. 8 april 2020, versie 1, door Lievense-WSP; zijn de achtergrondwaarden van PFAS in de gemeenten Beemster (voormalige gemeente), Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland bepaald. Het eigen beheergebied voor deze LMW zijn derhalve uitsluitend de genoemde gemeentes. Voor het bepalen van de kwaliteit van de actuele bodemkwaliteit is in het rapport het gemiddelde gebruikt. De P80 wordt over het algemeen en voor het landelijke beleid9“Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie”, d.d. 13 december 2021. gebruikt voor het bepalen van de kwaliteitsklasse van de te ontgraven grond. De P80 houdt in dat 80% van alle waarnemingen beneden of gelijk zijn aan de gegeven waarde. Deze waarde is zodanig laag dat de kans dat hiermee verslechtering zal optreden klein is. Waar voorheen in de regio Zaan-streek-Waterland gebruik is gemaakt van de P95, wordt om de bovengenoemde reden de P80 gehanteerd om de actuele ontgravingskwaliteit te bepalen In tabel 4 zijn de berekende waarden weergegeven voor PFOS, PFOA en de overige PFAS. Tabel 4: Berekende ontgravingskwaliteit in regio Zaanstreek-Waterland op basis van de P80, PFAS in de bovengrond (0,0 – 0,5 m-
- mv)en ondergrond (0,5 - 1,0 m-
- mv)in µg/kg d.s. Uit het rapport van de bodemkwaliteitskaart PFAS blijkt dat alle gemeten waarden (P80) van PFOS, PFOA en de overige PFAS voldoen aan dan de normen voor de klasse ‘Landbouw/natuur’ uit het Handelingskader van december 2021. Hierbij is onderscheid gemaakt in bovengrond (0-0,5 m -maaiveld) en ondergrond (0,5-1,0 m -maaiveld). De deelnemende gemeenten aan de PFAS Bodemkwaliteitskaart van de regio Zaanstreek-Waterland hanteren derhalve de maximaal geldende toepassingsnorm voor de klasse ‘Land-bouw/natuur’ als maximale toepassingskwaliteit voor PFAS-houdende grond, naar aanleiding van de oproep van de minister voor milieu en wonen. In de kamerbrief van 29 november 2019 (IenW/BSK-2019/251123) (laatste alinea pagina 2) roept de Minister van milieu en wonen, gemeenten op om de landelijke achtergrondwaarden als minimum waarden te hanteren, ook als lokaal lagere waarden zijn gemeten. Toepassingseis voor toepassen van grond/bagger in de regio Zaanstreek-Waterland De lokale maximale waarden voor PFAS voor hergebruik van grond binnen de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland, Wormerland en de voormalige gemeente Beemster, nu Purmerend, zijn als volgt: Tabel 5: Lokale maximale waarden PFAS voor regio Zaanstreek-Waterland in de bovengrond (0,0 – 0,5 m-
- mv)en ondergrond (0,5 - 1,0 m-
- mv)in µg/kg d.s. Zonenaam PFOS PFOA Overige PFAS Bovengrond 1,4* 1,9* 1,4* Ondergrond 1,4* 1,9* 1,4* *: normering afgeleid uit het Handelingskader PFAS (dec 2021) Indien op een later tijdstip nog nieuwe toepassingsnormen voor de klasse ‘Landbouw/natuur’ worden gepubliceerd welke boven de berekende landelijke achtergrondwaarden liggen (aangegeven met een asterisk in tabel 5), dan wel in een nieuw Handelingskader PFAS, dan wel als onderdeel van het generieke bodembeleid vanuit het rijk, zullen deze toepassingsnormen worden gehanteerd. Het bovenstaande beleid is grotendeels bestaand beleid voor de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland, Wormerland en de voormalige gemeente Beemster, nu Purmerend. N.B.: het onderscheid tussen toepassen boven- of onder grondwaterniveau is vervallen in overeenstemming met het Handelingskader PFAS van december 2021. 1.8.3LMW PFAS regio Zuid-Kennemerland-IJmond Met het opstellen van de bodemkwaliteitskaart PFAS voor de regio Zuid-Kennemerland-IJmond zijn de achtergrondwaarden van PFAS in de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Heemstede, Heemskerk, Uitgeest, Velsen en Zandvoort bepaald. Het eigen beheergebied voor deze LMW zijn derhalve uitsluitend de genoemde gemeentes. Voor het bepalen van de kwaliteit van de actuele bodemkwaliteit is de 80 percentiel (P80) gebruikt. De P80 wordt algemeen gebruikt voor het bepalen van de kwaliteitsklasse van de te ontgraven grond. Om deze reden wordt voor de regio Zuid-Kennemerland-IJmond tevens de P80 gebruikt om de actuele ontgravingskwaliteit te bepalen. In tabel 6 zijn de berekende waarden weergegeven voor PFOS, PFOA en de overige PFAS. Tabel 6: Berekende ontgravingskwaliteit in regio Zuid-Kennemerland-IJmond op basis van de P80, PFAS in de bovengrond (0,0 – 0,5 m-
- mv)en ondergrond (0,5 - 1,0 m-
- mv)in µg/kg d.s. Uit het rapport van de bodemkwaliteitskaart PFAS blijkt dat, met uitzondering van PFOS in de bovengrond, alle gemeten waarden (P80) van PFOS, PFOA en de overige PFAS lager zijn dan de normen voor de klasse ‘landbouw/natuur’ uit het Handelingskader van december 2021. Hierbij is onderscheid gemaakt in bovengrond (0-0,5 m -maaiveld) en ondergrond (0,5-1,0 m -maaiveld). De deelnemende gemeenten aan de PFAS Bodemkwaliteitskaart regio Zuid-Kennemerland-IJmond hanteren derhalve de maximaal geldende toepassingsnorm voor de klasse ‘Landbouw/natuur’ als maximale toepassingskwaliteit voor PFAS-houdende grond, naar aanleiding van de oproep van de minister voor milieu en wonen. In de kamerbrief van 29 november 2019 (IenW/BSK-2019/251123) (laatste alinea pagina 2) roept de Minister van milieu en wonen, gemeenten op om de landelijke achtergrondwaarden als minimum waarden te hanteren, ook als lokaal lagere waarden zijn gemeten. Toepassingseis voor toepassen van grond/bagger in de regio Zuid-Kennemerland-IJmond De lokale maximale waarden voor PFAS voor hergebruik van grond binnen de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Heemstede, Heemskerk, Uitgeest, Velsen en Zandvoort zijn als volgt: Tabel 7: Lokale maximale waarden PFAS voor de regio Zuid-Kennemerland-IJmond in de bovengrond (0,0 – 0,5 m-
- mv)en ondergrond (0,5 - 1,0 m-
- mv)in µg/kg d.s. Zonenaam PFOS PFOA Overige PFAS Bovengrond 2,6 1,9* 1,4* Ondergrond 1,4* 1,9* 1,4* *: normering afgeleid uit het Handelingskader PFAS (dec 2021) Indien op een later tijdstip nog nieuwe toepassingsnormen voor de klasse ‘Landbouw/natuur’ worden gepubliceerd welke boven de berekende landelijke achtergrondwaarden liggen (aangegeven met een asterisk in tabel 7), dan wel in een nieuw Handelingskader PFAS, dan wel als onderdeel van het generieke bodembeleid vanuit het rijk, zullen deze toepassingsnormen worden gehanteerd. Het bovenstaande beleid is grotendeels bestaand beleid voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Heemstede, Heemskerk, Uitgeest, Velsen en Zandvoort. N.B.: het onderscheid tussen toepassen boven- of onder grondwaterniveau is vervallen in overeenstemming met het Handelingskader PFAS van december 2021. 1.8.4Toepassen van PFAS-houdende grond De lokale maximale waarden PFAS gelden uitsluitend voor grondverzet binnen het gestelde beheergebied. Met deze LMW wordt invulling gegeven aan het “stand-still” beginsel uit het Besluit bodemkwaliteit. De belasting van PFAS-houdende grond binnen het eigen beheergebied blijft gelijk. Het opnieuw toepassen van grond afkomstig uit het beheergebied is mogelijk onder de volgende voorwaarden: De eigen bestuurlijk vastgestelde bodemkwaliteitskaart voor PFAS-verbindingen kan als bewijs dienen voor de kwaliteit van de toe te passen partij, in combinatie met een historisch onderzoek (overeenkomstig de NEN 5725) waaruit blijkt de ontgravingslocatie niet verdacht is voor het voor komen van PFAS-verbindingen als gevolg van een (bedrijfsmatige) activiteit. Een partijkeuring volgens de eisen die volgen vanuit het Besluit bodemkwaliteit (zie ook Onder voorwaarden een bodemonderzoek volgens de NEN 5740 De gemiddelde PFAS-kwaliteit van de grond afkomstig uit het beheergebied moet voldoen aan de Lokale Maximale Waarden die zijn benoemd de voorgaande paragrafen. De gemiddelde PFAS-kwaliteit van de grond buiten het eigen beheergebied moet voldoen aan de normen uit het Handelingskader PFAS, ofwel de maximale waarden voor PFAS zodra verankerd in de Regeling bodemkwaliteit en/of het Besluit activiteiten leefomgeving. Grondverzet tussen regio Zaanstreek-Waterland en Zuid-Kennemerland-IJmond De toepassingseisen voor het toepassen van PFAS-houdende grond zijn niet geheel gelijk tussen de regio’s Zaanstreek-Waterland en Zuid-Kennemerland-IJmond. Om deze reden is vrij grondverzet tussen de regio’s m.b.t. PFAS niet in alle gevallen mogelijk. Er is wél vrij grondverzet m.b.t. de stofgroep PFAS mogelijk wanneer de ontgravingslocatie ofwel regio Zaanstreek-Waterland ofwel de ondergrond van regio Zuid-Kennemerland-IJmond is. Deze vrijkomende grond mag in zowel in regio Zaanstreek-Waterland als in regio Zuid-Kennemerland-IJmond worden toegepast in de boven- en ondergrond. Uitsluitend voor vrijkomende grond uit de bovengrond (0,0 - 0,5 m -mv.) van regio Zuid-Kennemerland-IJmond is er géén vrij grondverzet m.b.t. PFAS mogelijk naar regio Zaanstreek-Waterland en naar de ondergrond van regio Zuid-Kennemerland-IJmond. De actuele bodemkwaliteit van de vrijkomende bovengrond uit regio Zuid-Kennemerland-IJmond voldoet name-lijk niet aan de toepassingseisen in regio Zaanstreek-Waterland en van de ondergrond (wegens de hogere achtergrondwaarde van PFOS). Wel is het mogelijk om vrijkomende grond uit de bovengrond opnieuw elders in de bovengrond van regio Zuid-Kennemerland-IJmond toe te passen. De toepassingsmogelijkheden van vrijkomende partijen in de regio’s Zaanstreek-Waterland en Zuid-Kennemerland-IJmond met betrekking tot de stofgroep PFAS zijn weergegeven in de on-derstaande grondstromenmatrix. Tabel 8: Grondstromenmatrix voor de PFAS-houdende grond Overige situaties Voor toepassingen van grond en bagger onder andere omstandigheden dan bovenstaand bedoeld wordt in principe het landelijke beleidskader gevolgd. Het huidige beleid (Handelingskader PFAS, d.d. december 2021) is in tabel 9 samengevat. Voor het verspreiden van baggerspecie uit watergangen op aangrenzende percelen of in een weilanddepot (artikel 35, onder f, Besluit) gelden dezelfde toepassingswaarden als voor andere vormen van toepassen van grond/baggerspecie op de landbodem Tabel 9: Samenvatting toepassingseisen grond en baggerspecie met PFAS conform Handelingskader PFAS Situatie Toepassingswaarde/eis(
- en)(in μg/kg d.s.) Grond en baggerspecie grootschalig toepassen PFOS = 3 PFOA = 7 Overige PFAS = 3 Grond en baggerspecie toepassen in grondwaterbeschermings- gebieden Gebiedskwaliteit, indien niet bekend 0,1 Verspreiden in hetzelfde oppervlaktewaterlichaam of aansluitende (sediment delende) stroomafwaarts gelegen oppervlaktewaterlichaam Bagger toepasbaar, wel meten en toetsen op uitschieters Toepassen in hetzelfde oppervlaktewaterlichaam in ophogingen in waterbouwkundige constructies, uitgezonderd de diepe plas Bagger toepasbaar, wel meten en toetsen op uitschieters Toepassen in een ander oppervlaktewaterlichaam in ophogingen in waterbouwkundige constructies, uitgezonderd de diepe plas Grond en bagger: Rijkswater: PFAS = 0,8 PFOS = 3,7 Anders: PFAS = 0,8 PFOS = 1,1 Toepassen in nietvrijliggende diepe plassen die in open verbinding staan net een rijkswater Grond en bagger: PFAS = 0,8 PFOS = 3,7 Toepassen in andere diepe plassen Grond en bagger PFAS = 0,8 PFOS = 1,1 2Alternatief percentage bijmengingen 2.1Toepassen grond met bodemvreemd materiaal (puin, bakstenen, plastic, piepschuim etc.) Landelijk beleidskader De Regeling bodemkwaliteit en het Besluit activiteiten leefomgeving stellen dat een partij grond maximaal 20 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal mag bevatten. Voor steenachtig materiaal en hout mag tot maximaal 20 gewichtsprocent in de partij aanwezig zijn. Het gaat alleen om bodemvreemd materiaal dat al vóór het ontgraven of bewerken in de bodem aanwezig was en vermenging daarmee redelijkerwijs niet kon worden voorkomen (artikel 1.2 van de Regeling Bodemkwaliteit; artikel 4.1271 van het Bal). Ander bodemvreemd materiaal, zoals plastics, piepschuim, rubber korrels, tapijtvezels en kabelschredder, mag alleen sporadisch in de ontgraven grond of baggerspecie voorkomen. Het gaat hierbij uitsluitend om bodemvreemd materiaal dat al vóór het ontgraven of bewerken in de bodem aanwezig was en waarbij het redelijkerwijs niet mogelijk is deze uit de grond of baggerspecie te verwijderen. Partijen die niet voldoen aan de definitie van grond in de Regeling bodemkwaliteit worden aangemerkt als afvalstof die niet nuttig kan worden toegepast. Toepassing van dergelijke partijen is in strijd met de zorgplicht (artikel 13 Wbb, onderscheidenlijk artikel 7 Bbk). Regionale afweging In de bodem van de deelnemende gemeenten wordt lang niet altijd 20 gewichtsprocent bodemvreemd materiaal in de bodem aangetroffen. Veel bijmengingen hebben een negatief effect op de structuur van de grond en bagger. Om deze redenen hanteren d regiogemeenten een maximaal gehalte aan bodemvreemd materiaal, namelijk 5 gewichtsprocent. Hergebruik van grond met meer dan 5% bodemvreemd materiaal is niet toegestaan. Uitgezonderd hiervan zijn plastic-achtige materialen, zoals plastic en piepschuim. Indien deze materialen als bodem-vreemde bijmenging aanwezig zijn, wordt het generieke beleid gevolgd dat stelt dat deze maximaal sporadisch aanwezig mogen zijn. Concreet betekent dit het volgende: Bij het aanleveren van historische gegevens (zie deel 3 van deze Nota) voorafgaand aan het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond moet aandacht besteed worden aan het voor komen van bodemvreemd materiaal in de grond. Tijdens de grondwerkzaamheden moet een visuele controle plaatsvinden of de grond mogelijk verontreinigd is met bodemvreemde bijmengingen; De deelnemende gemeenten stellen een maximale bijmenging van bodemvreemd materiaal vast van maximaal 5 gewichtsprocent voor steenachtige materialen zoals puin of bakstenen en hout. Voor plastics, piepschuim of vergelijkbare materialen wordt het generieke beleid gevolgd dat stelt dat deze materialen maximaal sporadisch aanwezig mogen zijn; Als blijkt dat de toe te passen grond een bijmenging heeft van meer dan het hierboven gegeven en toegestane percentage bodemvreemd materiaal, is het niet toegestaan deze (ongezeefd) als zijnde grond toe te passen. Als er geen sprake is van sterk verontreinigde grond, is het toegestaan om door civiel technisch zeven het percentage bodemvreemd materiaal terug te brengen naar het toegestane percentage. Het civiel technisch zeven wordt volgens het stelsel van de Wet bodembescherming niet als een tussentijdse bewerking beschouwd. Onder de Omgevingswet is het “opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie” een milieubelastende activiteit en is mogelijk conform de algemene regels in paragraaf 4.122 van het Bal; Het uitgezeefde bodemvreemd materiaal moet worden getransporteerd naar een erkend verwerker. Is het bodemvreemd materiaal niet uit te zeven, bijvoorbeeld bij kolengruis, dan moet een alternatieve toepassingslocatie voor de grond worden gezocht; Bij twijfel of grenssituaties beslist de Omgevingsdienst IJmond (Toezicht en handhaving voor de gemeenten in de regio Zaanstreek-Waterland en Zuid-Kennemerland-IJmond); Als tijdens de grondwerkzaamheden asbestverdacht materiaal wordt waargenomen, moeten de werkzaamheden direct gestaakt worden vanuit de arbo-wetgeving en de zorgplicht bodem. Er dient contact worden opgenomen met de Omgevingsdienst IJmond (Toezicht en handhaving voor de gemeenten in de regio Zaanstreek-Waterland en Zuid-Kennemerland-IJmond). Dit geldt ook voor overige bijmengingen en afwijkingen zoals kleur en geur die redelijkerwijs op een bodemverontreiniging kunnen wijzen. Mogelijk is er sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging/ verontreiniging boven interventiewaarde bodemkwaliteit en moet het spoor van de Wet bodembescherming respectievelijk de Omgevingswet worden gevolgd; Als in de toe te passen grond meer dan het toegestane percentage bodemvreemd materiaal aan bijmenging wordt vastgesteld, of er wordt asbest of een andere niet verwachte mogelijke bodemverontreiniging aangetroffen, dan moet dit direct worden gemeld aan de Omgevingsdienst IJmond en moet het werk (tijdelijk) gestaakt worden; Omgevingsdienst IJmond heeft ten alle tijden de mogelijkheid om in het geval van risicovolle situaties het werk stil te leggen. Toepassingseis bodemvreemde bijmengingen Binnen het gehele beheergebied, voor alle bodemfuncties, geldt de volgende toepassingseis: de toe te passen grond of baggerspecie mag maximaal 5 gewichtsprocent bodemvreemde bijmengingen bevatten indien de bijmenging bestaat uit steenachtig materiaal en/of hout. Indien er sprake is van bijmenging met materialen als plastics (PVC, LDPE, HDPE, e.d.), piepschuim of vergelijkbaar materiaal, geldt het generieke beleid dat stelt dat deze materialen maximaal sporadisch voorkomen. Deze eisen zijn ook van toepassing op grootschalige bodemtoepassingen. Het kan voorkomen dat in specifieke gevallen een nog strengere norm noodzakelijk is. In specifieke gevallen kan door de gemeente een aangepaste norm worden beschreven in de onderliggende contractstukken zoals een bestek. Ook kan de gemeente hiertoe een maatwerkvoorschrift uitschrijven. De bovenstaande regel is grotendeels bestaand beleid voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Edam-Volendam, Heemskerk, Heemstede, Landsmeer, Purmerend Oostzaan, Uitgeest, Velsen, Waterland, Wormerland en Zandvoort. 3Erkenning bodemkwaliteitskaarten Met deze Nota wordt het bodembeheergebied voor het grondstromenbeleid van de regio vastgesteld als zijnde het gemeentelijke grondgebied van de gemeenten in de regio Zaanstreek-Waterland en Zuid-Kennemerland-IJmond. Het gaat hierbij om de gemeenten zoals genoemd in tabel 1 van deze Nota. De vigerende bodemkwaliteitskaarten van de deelnemende gemeenten in het beheergebied (zie tabel 1) worden door alle deelnemende gemeenten geaccepteerd als bewijsmiddel voor het aantonen van de bodemkwaliteit van een te ontgraven partij. De deelnemende gemeenten accepteren ook de bestuurlijk vastgestelde bodemkwaliteitskaart van de gemeenten Haarlem en Purmerend. Deze bodemkwaliteitskaart mag gebruikt worden als bewijsmiddel van de chemische kwaliteit van de toe te passen. De voorwaarden waaronder de bodemkwaliteitskaart gebruikt kan worden als grondslag om deze als bewijsmiddel voor de bodemkwaliteit te gebruiken staan in de Regeling bodemkwaliteit. De bodemkwaliteitskaart is in alle gevallen uitsluitend een erkend bewijsmiddel als deze gepaard gaat met een historisch vooronderzoek overeenkomstig de NEN 5725. Zie voor meer informatie hierover hoofdstuk 22 in deel 3 van deze Nota. De bodemkwaliteitskaart van Tata-Steel wordt uitgesloten als wettig bewijsmiddel gezien de specifieke verontreinigingsproblematiek. In hoofdstuk 22, paragraaf 22.3.5 is beschreven onder welke voorwaarden bodemkwaliteits-kaarten van andere gemeenten kunnen worden toegestaan als onderdeel van het bewijsmiddel bodemkwaliteit. Deel2: Beleidsregels bodem 4Verspreiden van baggerspecie uit (boezem)systemen De kwaliteit van de baggerspecie uit boezemsystemen is doorgaans van een wat slechtere kwaliteit dan de baggerspecie van oppervlaktewaterlichamen in het buitengebied. Voorafgaand aan het verspreiden van baggerspecie vanuit de boezemwatergang wordt altijd een waterbodemonderzoek conform de NEN 5720 uitgevoerd. Afhankelijk van de onderzoeksresultaten én de bijmenging van bodemvreemd materiaal mag de baggerspecie op aangrenzende percelen worden verspreid. Huidige beleidskader Op grond van artikel 60 van het Besluit bodemkwaliteit hoeft de kade, een teensloot en/ of een onderhouds- of fietspad als perceel niet gerekend te worden tot het aangrenzende perceel. Met andere woorden: dergelijke smalle grondstroken mogen worden ‘overgeslagen’. Bij de invulling van het begrip ‘pad’ wordt gehanteerd: een voetpad, een fietspad, een onderhouds-pad of een gemeentelijke- of Waterschapsweg bestaande uit één rijstrook. Rijkswegen, provinciale en gemeentelijke wegen, bestaande uit meer dan één rijstrook maken geen deel uit van de invulling van het begrip pad. Verspreidbare baggerspecie uit een boezemwatergang kan volgens deze Nota bodembeheer alleen worden verspreid op een perceel in een naastgelegen polder (met een ander watersysteem) dat direct grenst aan de betreffende boezem. In figuur 7 is dit schematisch verduidelijkt en weergegeven. Figuur 7: schematische weergave van definitie van een aangrenzend perceel en mogelijkheden voor het verspreiden van baggerspecie Omgevingswet In artikel 4.1278 van het Bal staan de specifieke kwaliteitseisen vermeld voor het verspreiden van baggerspecie op de landbodem. Met betrekking tot de verspreidingsmogelijkheden van baggerspecie verandert het volgende: met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is verspreiding van baggerspecie over het aangrenzende perceel of op landbouwgronden die tot maximaal 10 km afstand liggen van waar de baggerspecie vandaan komt, aangewezen als een functionele toepassing. Dit omdat de toepassing tot doel heeft om de bodemgesteldheid te herstellen of verbeteren op basis van artikel 4.1269, derde lid van het Bal. Daarnaast valt ook het verspreiden van baggerspecie in een weilanddepot met een maximale afstand van 10 kilometer onder het verspreiden van baggerspecie op aangrenzend perceel. Artikel 60 uit het Besluit bodemkwaliteit vervalt in het nieuwe Besluit bodemkwaliteit onder de Omgevingswet en maakt geen onderdeel uit van het Bal. Gebiedsspecifieke afweging Met het inwerkingtreden van de Omgevingswet zullen de mogelijkheden voor het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie worden verruimd. De interpretatie van de term ‘aangrenzend perceel’ wordt namelijk opgerekt tot zowel direct aangrenzende percelen als landbouwgronden die tot 10 km afstand liggen van de herkomstlocatie van de baggerspecie. In het beleidskader van de Wet bodembescherming en Besluit bodemkwaliteit zijn de versprei-dingsmogelijkheden relatief beperkt. Om de afzetmogelijkheden van vrijkomende onderhouds-baggerspecie uit de regio Zaanstreek-Waterland te vergroten, hanteren de gemeente Water-land te volgende invulling van het begrip ‘aangrenzend perceel’: als aangrenzend perceel wor-den de landbouwgronden in hetzelfde watersysteem beschouwd. Ter indicatie van het boven-staande is in figuur 8 op de volgende pagina door middel van een drietal schetsen het principe van de combinatie bodemkwaliteitszones en watersystemen en de invulling van het begrip aangrenzend perceel schematisch weergegeven: Figuur 8.1 betreft een schets van de fictieve situatie. Figuur 8.2 betreft een overzicht van de aanwezige watersystemen in de schematische weergave. In principe worden drie watersystemen onderscheiden: het boezemsysteem, polder I en polder II. Figuur 8.3 geeft een overzicht van de opslagmogelijkheden in het aangegeven wei-landdepot voor baggerspecie vanuit de boezem, polder I en polder II. Figuur 8.1: Situatieschets Figuur 8.2: Situatie watersystemen Figuur 8.3: Opslagmogelijkheden weilanddepots Beleidsregel voor gemeenten in de regio Zaanstreek-Waterland De onderstaande beleidsregel is uitsluitend van toepassing onder het stelsel van de Wet bodembescherming. Oftewel: deze regel vervalt op het moment dat de Omgevingswet van kracht wordt. De gemeente verleent medewerking aan de melding voor het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie binnen hetzelfde watersysteem indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: Van de te verspreiden baggerspecie is een waterbodemonderzoek conform NEN 5720 uitgevoerd en toegevoegd aan de melding; De toe te verspreiden baggerspecie voldoet aan de eisen voor de voorgenomen verspreiding op de landbodem. Dit blijkt uit het geleverde waterbodemonderzoek; Indien is voldaan aan de bovenstaande eisen, kan de te verspreiden baggerspecie uit een boe-zemwatergang worden verspreid op een aangrenzend perceel. Een perceel binnen hetzelfde watersysteem wordt beschouwd als een aangrenzend perceel. Dit is in figuur 8 nader verduidelijkt. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet, zullen voor het verspreiden van baggerspecie en de interpretatie van de term ‘aangrenzend perceel’ de algemene regels uit het Bal worden gevolgd. Voor de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Waterland en Wormerland is dit een voortzetting van het tot nu toe gevoerde beleid. Het is nieuw beleid voor de gemeente Purmerend. 5Uitzonderingsregel bij opslag van grond In het generieke kader van het Besluit moet bij de tijdelijke opslag van grond (langer dan 6 maanden en maximaal 3 jaar) de ontgravingskwaliteit van de grond gelijk of beter zijn dan de bodemkwaliteitsklasse van de (tijdelijk) ontvangende bodem. Deze voorwaarde past goed binnen de uitgangspunten van het landelijk geldende generieke toepassingskader, en dus wanneer: De betreffende partij grond van een locatie afkomstig is van buiten het bodembeheer-gebied; De betreffende partij grond afkomstig is van buiten het beheergebied en waarvan de gemeente waarin de opslag plaatsvindt de bodemkwaliteitskaart niet heeft geaccepteerd als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond; Het baggerspecie betreft. In sommige bovengrondzones leidt dit met gebiedseigen grond tot knelpunten. In sommige gebieden kan zich bijvoorbeeld de situatie voordoen dat op een bepaalde locatie, waar de ontvangende bodem de kwaliteitsklasse ‘Achtergrondwaarde (AW2000)’ heeft, wel partijen grond van de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ mogen worden toegepast, maar dat dezelfde partij grond daar niet tijdelijk mag worden opgeslagen. Dat staat haaks op de definitie van tijdelijke opslag die in het Besluit is opgenomen: "De tijdelijke toepassing van grond/gerijpte baggerspecie voorafgaand aan de definitieve nuttige toepassing." Om deze discrepantie onder het stelsel van de Wet bodembescherming te verhelpen staat de gemeente toe dat partijen grond die volgens de gebiedsspecifieke toepassingseisen op een bepaalde locatie binnen de gemeente mogen worden toepast, eveneens, voorafgaand aan de definitieve toepassing, op deze toepassingslocatie tijdelijk in opslag mogen worden genomen. Deze tijdelijke opslag mag maximaal 3 jaar duren. Tijdelijke opslag onder de Omgevingswet Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de bovengenoemde eis aan de kwaliteit van de partij die tijdelijk wordt opgeslagen, losgelaten. In het Bal komt voor de milieubelastende activiteit opslaan van grond of baggerspecie de toets aan de ontvangende bodem niet meer terug. De algemene regels voor het opslaan van grond en baggerspecie zijn opgenomen in paragraaf 4.122 van het Bal. Beleidsregel voor gemeenten in de regio Zaanstreek-Waterland De onderstaande beleidsregel is uitsluitend van toepassing onder het stelsel van de Wet bodembescherming. Oftewel: de regel vervalt op het moment dat de Omgevingswet van kracht wordt. De gemeente verleent medewerking aan de melding van opslag van een partij onder de volgende voorwaarden: De partij grond is afkomstig uit het bodembeheergebied; De kwaliteit van de grond voldoet aan de gebiedsspecifieke toepassingseisen. Hiertoe is een erkend bewijsmiddel gevoegd bij de melding; De partij wordt na de tijdelijke opslag toegepast op dezelfde locatie. De tijdelijke opslag heeft een maximale duur van 3 jaar. Voor partijen die niet voldoen aan de bovenstaande eisen wordt het generieke beleid voor opslag van partijen gevolgd. De bovenstaande regel is een voorzetting van het beleid voor de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Waterland en Wormerland. Het is nieuw beleid voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Heemstede, Heemskerk, Uitgeest, Velsen en Zandvoort. 6Uitzonderingsregel bij tijdelijke uitname Situatie en huidige beleidskader Bij aanleg, vervang-, reparatiewerkzaamheden van ondergrondse infrastructuur zoals kabels, leidingen, rioleringen en graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen, wordt grond ontgraven en weer toegepast (tijdelijke uitname van grond). In het Bbk is tijdelijke uitname van grond op een niet-verdachte locatie (volgend uit het vooronderzoek) toegestaan zonder dat een kwaliteitsbepaling is uitgevoerd, een functietoets is gedaan en een melding is verricht. De voorwaarden hierbij zijn dat: Er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; Er geen tussentijdse bewerking plaatsvindt; De grond onder dezelfde condities weer worden toegepast; ondergrond wordt weer ondergrond en bovengrond wordt weer bovengrond. Met deze laatste voorwaarde is het zogenaamde ‘over-de-kop-werken’ (de bovengrond en de ondergrond worden niet gescheiden ontgraven) bij graafwerkzaamheden niet mogelijk. Dit is niet wenselijk omdat bij veel graafwerkzaamheden er geen tot (zeer) weinig ruimte op en in de nabije omgeving van de graaflocatie aanwezig is om de boven- en ondergrond gescheiden tijde-lijk op te slaan. Daarbij wordt over het algemeen geen onderscheid gemaakt in grond afkomstig uit de bovengrond of uit de ondergrond, met als consequentie dat de grond geroerd in de sleuf wordt teruggebracht. Dit is met onderstaande figuur geïllustreerd. Figuur 9: werkzaamheden aan kabels en leidingen Ook is de grond in de meeste situaties, bijvoorbeeld bij de aanleg en reparatie van de ondergrondse infrastructuur, al eerder 'over-de-kop' gegaan. Omgevingswet Onder de Omgevingswet valt tijdelijke uitname onder de milieubelastende activiteiten ‘graven in de bodem boven dan wel beneden interventiewaarde’. Het is toegestaan om de ontgraven grond na afloop van het werk weer terug te plaatsen in de oorspronkelijke bodem. In dat geval gelden niet de regels voor het toepassen van grond en baggerspecie, maar alleen de regels voor deze activiteit. Daarvoor gelden de volgende voorwaarden: De grond heeft geen bewerking ondergaan, anders dan het uitzeven van bodem-vreemd materiaal; Het terugplaatsen vindt plaats op of nabij het ontgravingsprofiel. De aanduiding ‘op of nabij’ geeft aan dat er enige speelruimte is, waarbij de afbakening van geval tot geval kan verschillen; Er is geen sprake van bodemverontreiniging boven de interventiewaarde; Het terugplaatsen vindt plaats op de ontgravingslocatie en onder dezelfde omstandigheden. Er is bijvoorbeeld geen sprake van terugplaatsen “onder dezelfde omstandigheden” als grond van boven de grondwaterspiegel wordt teruggeplaatst naar onder de grondwaterspiegel (of omgekeerd). Of als grond afkomstig uit de kern van een weglichaam of geluidswal wordt teruggeplaatst als afdeklaag van het weglichaam of de geluidswal (onderlaag wordt toplaag). Gebiedsspecifieke afweging Vanwege de voornoemde knelpunten bij tijdelijke uitname van grond, verruimen de gemeenten in de deelnemende gemeenten voor niet-verdachte locaties de regels voor graafwerkzaam-heden bij de tijdelijke uitname van grond bij kabels, leidingen, rioleringen en graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen als volgt: Bij graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur en bij groenvoorzieningen op niet-verdachte locaties, hoeven de bovengrond (bodemlaag vanaf het maaiveld tot 0,5 meter diepte) en de ondergrond (bodemlaag dieper dan 0,5 meter) niet gescheiden te worden ontgraven. De grond mag worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst; Er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; Er geen tussentijdse bewerking plaatsvindt, met uitzondering van de uitzeven van bodemvreemd materiaal dat na inwerkingtreding van de Omgevingswet mogelijk is conform de algemene regels in het Bal; Als grond na ontgraving niet op dezelfde locatie kan worden teruggeplaatst, kan deze elders nuttig worden hergebruikt met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel van de chemische kwaliteit. Omdat de grond niet gescheiden is ontgraven, geldt de ‘minste’ kwaliteit van beide bodemlagen als bodemkwaliteitsklasse. Consequentie van de bovenstaande werkwijze is dat de bodem ter plaatse van bijvoorbeeld leidingtracés geroerd raakt en daarmee mogelijk lokaal verslechtert. Door de Omgevingsdienst IJmond is derhalve nagegaan wat hiervan de milieurisico's zijn. Op basis van de gegevens kan worden geconcludeerd dat in een aantal zones binnen het beheergebied een verslechtering van de bodemkwaliteit in de ondergrond kan optreden. Dit wordt echter geaccepteerd omdat sprake is van verwaarloosbare risico's. Opgemerkt wordt dat naar verwachting de grond ter plaatse van onder andere leidingtracés in het verleden reeds vermengd is geraakt bij de aanleg van de kabels en leidingen (incl. riolering). Anderzijds zijn de kabelgoten destijds mogelijk zijn aangevuld met schone grond. Uitzonderingssituatie regio’s met diffuse bodemverontreiniging Uitgezonderd van het bovenstaande beleid is tijdelijke uitname van grond in zones ‘B1. Oud Volendam en Purmer’, ‘B2. Wonen B en Oud Edam’ en ‘O1. Wonen B, Oud Edam, Oud Volendam en Purmer’. In deze zones zijn relatief hoge gehalten aan meerdere stoffen vastgesteld. Als er gewerkt wordt met een gesloten grondbalans, moet voorafgaand aan de graafwerkzaamheden in deze zones ten minste een partijkeuring plaatsvinden. Als de interventiewaarde wordt overschreden moet de standaardprocedure van de Wet bodembescherming onderscheidenlijk de Omgevingswet worden gevolgd. Als uit het indicatieve onderzoek blijkt dat de interventie-waarde niet wordt overschreden, mag alsnog de grond worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst. Als niet wordt gewerkt met een gesloten grondbalans, moet voorafgaand aan de werkzaamheden in deze zones een indicatief onderzoek plaatsvinden (zie § 22.3.4). Als de interventiewaar-de wordt overschreden moet de standaardprocedure van de Wet bodembescherming, onderscheidenlijk de Omgevingswet worden gevolgd. Als uit het onderzoek blijkt dat de interventie-waarde niet wordt overschreden, mag alsnog de grond die op het werk blijft worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst. De grond die niet op het werk blijft, moet, voorafgaand aan een nuttige toepassing elders, worden gekeurd of worden getransporteerd naar een erkend verwerker. Beleidsregel voor de deelnemende gemeenten De deelnemende gemeenten zullen niet strikt handhaven op het gescheiden en separaat terugplaatsen van de boven- en ondergrond bij tijdelijk uitname binnen de bebouwde kom. De gemeente, of de daartoe aangewezen instantie, staat toe dat onder de volgende voorwaarden niet-gescheiden wordt ontgraven en teruggeplaatst bij tijdelijke uitname: De werkzaamheden worden verricht in het kader van werkzaamheden aan kabels- en/of leidingen of aan groenvoorzieningen. Hieronder vallen tevens werkzaamheden aan het riool; De werkzaamheden bevinden zich niet binnen de bodemkwaliteitszones zones ‘B1. Oud Volendam en Purmer’, ‘B2. Wonen B en Oud Edam’ en ‘O1. Wonen B, Oud Edam, Oud Volendam en Purmer’; Uitsluitend grond uit het traject maaiveld tot onderzijde van het onderste dieptetraject zoals op de ontgravingskaart in de vigerende bodemkwaliteitskaart is aangegeven, mag geroerd worden teruggeplaatst in de sleuf; Bij het terugplaatsen van uitgekomen grond, dient altijd de zorgplicht in acht te worden genomen. Bij tijdelijke uitname in de zones ‘B1. Oud Volendam en Purmer’, ‘B2. Wonen B en Oud Edam’ en ‘O2. Wonen B, Oud Edam, Oud Volendam en Purmer’, moet voorafgaand aan graafwerkzaamheden minimaal geval een indicatief onderzoek plaatsvinden, zie ook paragraaf 22.3.4. Voor de gemeenten Edam-Volendam, Landsmeer, Oostzaan, Purmerend, Waterland en Wo-merland is dit bestaand beleid. Het is nieuw beleid voor de gemeenten Beverwijk, Bloemendaal, Heemstede, Heemskerk, Uitgeest, Velsen en Zandvoort. 7Toepassen van thermisch gereinigde grond Onderbouwing De deelnemende gemeenten hebben tot doel gesteld hergebruik van grond zoveel mogelijk te stimuleren zonder daarmee de duurzame eigenschappen van de bodem te belemmeren. Het toepassen van gereinigde grond past binnen dit kader. Door het toestaan van thermisch gereinigde grond (TGG) op vooraf geselecteerde locaties wordt op een duurzame en verantwoorde manier omgegaan met grondstromen. Op dit moment speelt er een landelijke discussie en zijn er onderzoeken gaande betreffende de bijzondere eigenschappen van TGG. In het recente verleden zijn milieuproblemen ontstaan bij toepassing van TGG. Voorbeelden van voorgaande grootschalige toepassingen waar de toepassing van TGG tot ophef heeft geleid zijn de Westdijk in Bunschoten en een zeedijk in de Perk-polder in Zeeland. Er zijn dan ook aanwijzingen dat in het huidige wettelijke kader voor het toepassen van grond, onvoldoende rekening wordt gehouden met deze eigenschappen van TGG, zoals bijvoorbeeld het uitlooggedrag. Met het verhitten van verontreinigde grond zouden de verontreinigen verwijderd worden en kan de grond veilig en duurzaam worden toegepast. Het RIVM erkent echter dat in de praktijk problemen ontstaan waarbij zware metalen en zouten in het grond- en oppervlaktewater terecht kunnen komen die op hun beurt weer het ecosysteem verstoren . Eigenschappen TGG In TGG zijn (ondanks de hoge verbrandingstemperatuur) bepaalde organische verontreinigingen in verhoogde concentraties aangetroffen en was er sprake van uitloging van zware metalen en zouten naar het grondwater en het naastgelegen oppervlaktewater. TGG heeft andere eigenschappen dan ‘natuurlijke’ grond die bij ontgravingen vrijkomt vanwege het reinigingsproces die de grond heeft ondergaan. Zo heeft TGG een hoge pH (pH ≈9-11,5) en zijn organische stof en bodemorganismen afwezig. Het toepassen van TGG blijkt door deze eigenschappen niet onder alle omstandigheden probleemloos en duurzaam te kunnen verlopen, aldus het RIVM in haar rapport over de toepassing van thermisch gereinigde grond11Kamerbrief 4-11-2021 (IenW/BSK-2021/287238) en Rapport RIVM