← Nederland

Verordening Jeugdhulp Lelystad 2025 (Lelystad)

Kort samengevat

Deze verordening regelt de jeugdhulp in de gemeente Lelystad, waarbij de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen primair bij ouders en de jeugdige zelf ligt. De gemeente zorgt voor de organisatie van goede en toegankelijke jeugdhulp.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Verordening Jeugdhulp Lelystad 2025De raad van de gemeente Lelystad; gelezen het voorstel van het college van burgemeesters en wethouders van 3 juni 2025; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.11 en 8.1.1., derde lid, van de Jeugdwet; gezien het advies van de Cliëntenraad sociaal domein van 26 mei 2025; overwegende dat: de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd; het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt, ook als er sprake is van een jeugdige met een psychisch probleem of stoornis, een psychosociaal probleem, een gedragsprobleem of een beperking; Door de raad regels gesteld moeten worden over: de door het college te verlenen individuele voorzieningen en algemene voorzieningen; de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; wat wordt verstaan onder 'eigen mogelijkheden' en 'probleemoplossend vermogen' en wanneer die in de weg staan aan de toekenning van jeugdhulp; de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen; de wijze waarop de hoogte van een pgb wordt vastgesteld; de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet; de borging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan; onder welke voorwaarden degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot diens sociale netwerk; de wijze waarop ingezetenen, waaronder in elk geval de jeugdigen of hun ouder(s), worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet; besluit vast te stellen de Verordening Jeugdhulp Lelystad 2025. HOOFDSTUK1.BEGRIPPEN. Artikel1.Begripsbepalingen. 1.De begripsbepalingen zoals vastgelegd in artikel 1.1 van de Jeugdwet en artikel 1.1 Besluit Jeugdwet, zijn onverkort van toepassing op deze verordening. 2.Aanvullend op het eerste lid wordt in deze verordening en de daarop berustende bepalingen verstaan onder: algemene voorziening: vrij toegankelijke voorziening als bedoeld in artikel 2, eerste lid van deze verordening, waarvoor geen beschikking van het college vereist is; andere voorziening voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; budgetbeheerder: wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde van de budgethouder; budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de Jeugdwet; budgetplan: door jeugdige en/of diens ouders opgesteld plan waarin is opgenomen hoe het persoonsgebonden budget wordt besteed; cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad; familiegroepsplan: hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren; GIZ-methodiek: Gezamenlijk Inschatten van Zorgbehoeften: een erkende methodiek waarmee snel de sterke kanten en ontwikkel- en zorgbehoeften van een kind of gezin in kaart kan worden gebracht; hulpvraag: behoefte van jeugdige en/of ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet; individuele voorziening: een op de jeugdige of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening die door het college in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt; professionele standaard: beroepscodes en richtlijnen die gelden voor de jeugdzorg ; pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige, dat de jeugdige in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken; voorliggende voorziening een voorziening die voorgaat op een individuele voorziening vanuit de Jeugdwet. zorg in natura: De ondersteuning of jeugdhulp die aan personen wordt geleverd door jeugdhulpaanbieders die door de gemeente gecontracteerd zijn HOOFDSTUK2.VORMEN VAN JEUGDHULP Artikel2.Algemene voorzieningen 1.Bij elke jeugdhulpvraag moet eerst worden beoordeeld of een algemene voorziening beschikbaar, passend en toereikend is. Als dit zo is, komen jeugdigen en zijn ouder(

  1. s)niet in aanmerking voor een individuele voorziening. 2.De volgende vormen van algemene voorzieningen zijn beschikbaar: (lichte) opvoed- en opgroeiondersteuning trainingen voor ouders en/of jeugdigen informatie en advies (gericht op cliënt) onderzoek consultatie en advies jeugd professionals bij de huisarts Artikel3.Individuele voorziening 1.De individuele voorzieningen die door het college in ieder geval beschikbaar zijn gesteld staan beschreven in bijlage 1 bij deze verordening, met daarbij de maximale duur, frequentie en nadere kenmerken van deze voorzieningen. HOOFDSTUK3.TOEGANG TOT JEUGDHULPVOORZIENINGEN Artikel4Toegang tot jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1.Het college zorgt, overeenkomstig artikel 2.6, eerst lid, aanhef en onder e, van de Jeugdwet, voor de toegankelijkheid van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, nadat de jeugdhulpaanbieder heeft beoordeeld welke vorm van jeugdhulp naar aard, duur en omvang nodig is. 2.In het geval van een verwijzing zoals bedoeld in het eerste lid, is het college niet verplicht jeugdhulp te vergoeden als deze wordt geleverd door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente geen contract- of subsidierelatie heeft. Hiervan kan uitsluitend worden afgeweken als het college daarmee schriftelijk heeft ingestemd voorafgaand aan de start van de verlening van jeugdhulp, op grond van bijzondere feiten of omstandigheden. 3.De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening, in het bijzonder aan artikel 8 "Onderzoek", in het bijzonder lid 8 en artikel 13 "Criteria voor toekenning van een individuele voorziening", vierde en vijfde lid, en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. 4.Om te kunnen beoordelen of de jeugdhulp die de jeugdhulpaanbieder wil inzetten voldoet aan de verordening en de afspraken als bedoeld in het derde lid, is de jeugdhulpaanbieder verplicht om aan het college gegevens te verstrekken van de jeugdige of zijn ouder(
  2. s)die noodzakelijk zijn voor deze beoordeling. De gecontracteerde jeugdhulpaanbieder verstrekt in ieder geval de volgende gegevens: de productcategorie en de productcode van de voorziening; de eenheid en het volume van de voorziening; de frequentie en de duur van de voorziening; de reden van de inzet van de voorziening; de verwijsbrief die niet ouder is dan negen maanden (exclusief de inhoudelijke medische gegevens). 5.Het college legt de verstrekking van de individuele voorziening, dan wel de afwijzing daarvan, vast in een beschikking. Artikel5Uniform hulpaanbod rechtbank bij scheidingen of directe doorverwijzing ter zitting 1.Het uniforme hulpaanbod is een samenwerking tussen de rechtbanken en gemeentes, waarbij passende hulp wordt aangeboden aan ouders en kinderen in met name (echt)scheidingen en omgangszaken. 2.De rechtbank kan alleen in scheidingszaken verwijzen naar jeugdhulpverlening, te weten ouderschapsbemiddeling en omgangsbegeleiding. Artikel6Toegang tot jeugdhulp via justitieel kader 1.Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp die de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van de jeugdreclassering. 2.Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen over de vorm en inhoud van het besluit tot inzet van jeugdhulp bij de gecontracteerde jeugdhulpaanbieder en hoe het college daarvan op de hoogte gesteld wordt. 3.Voor toegekende voorzieningen via het justitieel kader verstrekt het college een toewijzingsbericht voor de in te zetten voorziening. 4.Het college kan nadere regels stellen over de toeleiding tot jeugdhulp via een gecertificeerde instelling. Artikel7Toegang tot jeugdhulp via de gemeente 1.Jeugdigen en/of ouders kunnen zich rechtstreeks wenden tot de aanbieders van algemene voorzieningen. 2.Jeugdigen en/of ouders dienen hun hulpvraag voor een individuele voorziening schriftelijk in bij het college op een daartoe door het college beschikbaar gesteld aanvraagformulier. Dit wordt aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. 3.Het college bevestigt schriftelijk de ontvangst van de aanvraag. 4.Indien bij de aanvragen benodigde bijlagen ontbreken, zoals een (behandel)plan of evaluatie, stelt het college de indiener van de aanvraag in de gelegenheid om de aanvraag aan te vullen. In dat geval wordt de beslistermijn opgeschort. 5.Het college neemt het besluit op een aanvraag binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag. 6.Het college legt het besluit op een aanvraag voor een individuele voorziening vast in een beschikking. 7.In spoedeisende gevallen, ter beoordeling van het college, treft het college zo spoedig mogelijk een passende individuele voorziening. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van de individuele voorziening in dat geval zo snel mogelijk, doch in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking. HOOFDSTUK4.BEHANDELING VAN EEN AANVRAAG OM EEN INDIVIDUELE VOORZIENING; ONDERZOEK EN BESLUITVORMING VIA DE GEMEENTE Artikel8Onderzoek 1.Wanneer bij het college een aanvraag wordt ingediend als bedoeld in artikel 7, tweede lid, voert het college in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(
  3. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger(s), zo spoedig mogelijk, een onderzoek uit. 2.Het college wijst de jeugdige en/of zijn ouder(
  4. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger(
  5. s)op de mogelijkheid gebruik te maken van een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5, van de Jeugdwet en van gratis cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 3.Voordat het onderzoek van start gaat, kunnen de jeugdige of zijn ouder(
  6. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger(
  7. s)het college een familiegroepsplan verstrekken. Het college brengt hen van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hen in de gelegenheid het plan te overhandigen. 4.Het onderzoek en de beoordeling van de aanvraag vindt plaats met de GIZ-methodiek in combinatie met het schema Ontwikkelaspecten en Omgevingsinteractie-schema van het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid. Daarnaast past het college de richtlijnen jeugdhulp van het Nederlands Jeugdinstituut (NJI) toe in het onderzoek en de beoordeling van de best passende hulp. 5.Het college verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de jeugdige en zijn situatie en maakt een afspraak voor een gesprek met de jeugdige en zijn ouder(
  8. s)dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger(s). 6.Binnen de kader van wet- en regelgeving verschaffen de jeugdige en/of zijn ouder(
  9. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger(
  10. s)aan het college alle overige gegevens en bescheiden die gemotiveerd naar oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. 7.Het college kan, met toestemming van de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger(s), informatie inwinnen bij andere instanties, zoals de huisarts en de onderwijsinstelling. 8.Het college onderzoekt in samenspraak met de jeugdige of zijn ouder(
  11. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger(s): wat de hulpvraag is; of de gemeente verantwoordelijk is (woonplaatsbeginsel, artikel 1.1. Jeugdwet); of de Jeugdwet van toepassing is; of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen en/of psychische problemen en stoornissen; welke hulp naar aard en omvang nodig is om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(
  12. s)en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden; voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, overige voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp. 9.Als de jeugdige of zijn ouders een familiegroepsplan hebben opgesteld, betrekt het college dat bij het onderzoek. 10.Het college informeert de jeugdige of zijn ouder(
  13. s)dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger(
  14. s)over de gang van zaken bij het onderzoek, hun rechten en plichten en de vervolgprocedure. 11.Bij het onderzoek wordt aan de jeugdige of zijn ouder(
  15. s)dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger(
  16. s)medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een pgb en welke gevolgen die keuze heeft. Artikel9.Niet meewerken ouder(
  17. s)1.De jeugdige en zijn ouder(
  18. s)is (zijn) verplicht om, binnen de eigen mogelijkheden, mee te werken aan onderzoek gericht op besluitvorming over en de doelmatige inzet van jeugdhulp. 2.Als de jeugdige of zijn ouder(
  19. s)naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt (meewerken), kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief en kan door het college worden besloten geen individuele voorziening toe te kennen, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken. Artikel10.Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming 1.Het onderzoek als bedoeld in artikel 8, eerste lid, wordt uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde professional, als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit Jeugdwet. 2.De in het eerste lid genoemde professional beschikt over deskundigheid met betrekking tot: opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd, taal- en leerproblemen, somatische aandoeningen, lichamelijke of verstandelijke beperkingen, en kindermishandeling en huiselijk geweld. 3.Als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag specifieke deskundigheid vereist, kan het college ook gebruikmaken van andere deskundigen. 4.Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het daarop betrekking hebbende besluit neemt. Artikel11.Identificatie 1.Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(
  20. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger(
  21. s)vast aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1, van de Wet op de identificatieplicht. 2.Ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit merkt het college als geldig identiteitsbewijs aan: een vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER; een verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen); een buitenlands paspoort; of een vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers). Artikel12.Onderzoeksrapport 1.Na het onderzoek verstrekt het college aan de jeugdige en/of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger(
  22. s)schriftelijke verslaglegging in de vorm van een onderzoeksrapport. 2.Het college vergewist zich ervan dat de jeugdige en zijn ouder(
  23. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger het onderzoeksrapport hebben begrepen. 3.Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(
  24. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger(
  25. s)worden aan het onderzoeksrapport toegevoegd. Artikel13.Criteria voor toekenning van een individuele voorziening 1.Een jeugdige of ouder komt in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening: na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, of; na onderzoek door het college indien het college van oordeel is dat de jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft: in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen, of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van een andere of algemene voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen. 2.Gelet op de definitie van jeugdhulp uit artikel 1.1, van de Jeugdwet wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan houdt het college rekening met de volgende factoren: de leeftijd van de jeugdige; de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige de mate van planbaarheid van de hulp de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige. 3.Als de oorzaak van de hulpvraag is gelegen in problematiek bij de ouder, bijvoorbeeld vanwege lichamelijke handicap of psychosociale problematiek, valt dit niet onder jeugdhulp. 4.Een andere of algemene voorziening kan de noodzaak verminderen of wegnemen als deze: daadwerkelijk beschikbaar is; en passend en toereikend is voor de hulpvraag. 5.Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate, tijdig beschikbare voorziening. 6.De individuele voorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 8 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de jeugdige in staat wordt gesteld om: gezond en veilig op te groeien; te groeien naar zelfstandigheid, en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met leeftijd en ontwikkelingsniveau. 7.Een individuele voorziening voor jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan de in het zesde lid genoemde doelen en of de jeugdhulpaanbieder gebruik maakt van evidence based en practice based methodieken. 8.Er is sprake van een bewezen effectieve voorziening als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventies is opgenomen in: de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut; de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden; de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg). 9.Een voorziening ter ontlasting van ouders kan alleen worden getroffen ten aanzien van de jeugdige: die de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt; die aangewezen is op permanent toezicht, en; die begeleiding of persoonlijke verzorging ontvangt, of verpleging ontvangt. Artikel14.Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. 1.Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van het college uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(
  26. s)toereikend zijn om binnen de eigen mogelijkheden, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s). 2.Tot het sociale netwerk behoren personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor- en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de jeugdige of zijn ouder(s). 3.Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoort in elk geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten. 4.Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, bedoeld in het eerste lid, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(
  27. s)zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd dient te worden. 5.Voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen wordt geacht aanwezig te zijn, in de volgende situaties: De hulpvraag behoort tot de opvoedingsopgaven en/of normale uitdagingen zoals omschreven door het Nederlands Jeugdinstituut in de uitgave ‘Opgroeien en opvoeden’ en waarvan het overzicht is opgenomen in bijlage 2 van deze verordening; De hulpvraag een periode van minder dan zes maanden bedraagt, met uitzondering van behandeling; 6.Onverlet het bepaalde in leden 5a en 5b, kan uit het onderzoek blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(
  28. s)tekortschiet, omdat sprake is van: vastgestelde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden; een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven. 7.Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen houdt het college in ieder geval rekening met de volgende factoren: de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige; de mate van planbaarheid van de hulp; de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige; vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld een verpleegachtergrond); of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden; welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en zwaarwegende sociale verplichtingen; het belang van ouders om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen; de woonsituatie; de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet); de beschikbaarheid van een sociaal netwerk en de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of zijn ouders te ondersteunen; 8.Bij de beoordeling van het zesde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(
  29. s)hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouder(
  30. s)maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met: de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige; de duur van de inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan [

(3)] maanden in een jaar niet tot overbelasting leidt; de planbaarheid van de hulp; de benodigde ondersteuningsintensiteit; de samenstelling van het gezin en de woonsituatie; de noodzaak van de ouder(
  1. s)om in een inkomen te voorzien; en financiële situatie van de ouder(s). Bij uitval van één van de ouders wordt van de andere ouder verwacht dat die de noodzakelijke hulp en zorg overneemt. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Artikel15.Vervoer 1.Uitgangspunt is dat ouder(
  2. s)zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. Hierbij wordt twee keer per week brengen en halen in ieder geval beschouwd als behorend tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s). 2.Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt. 3.Een vervoersvoorziening wordt alleen aan de jeugdige toegekend als naar het oordeel van het college is aangetoond dat er een noodzaak bestaat tot inzet van deze voorziening. Bij grotere mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van ouders kan meer keren brengen en halen worden gevergd, dan wordt er geen vervoersvoorziening toegekend. 4.Het college beoordeelt, overeenkomstig artikel Artikel 14 "Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen", in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(
  3. s)onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen. 5.Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden. Artikel16.Dyslexie 1.De zorg voor kinderen tot 13 jaar met ernstige dyslexie (ED), dyslexiezorg, valt onder de Jeugdwet. 2.Voor dyslexiezorg geldt dat deze alleen toegankelijk is voor de jeugdige nadat de ED-specialist van het Samenwerkingsverband Passend Onderwijs Lelystad Dronten op basis van het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling [versie] van oordeel is dat diagnostiek dan wel de behandeling van Ernstige Dyslexie noodzakelijk is. Artikel17.Kinderopvang en buitenschoolse opvang 1.Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang zijn geen vormen van jeugdhulp. 2.In uitzonderlijke situaties, als een kind extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouder(
  4. s)kan worden verwacht, kan vanuit de Jeugdwet in begeleiding op de kinderopvang en buitenschoolse opvang worden ingezet. 3.Bij een situatie als bedoeld in het tweede lid wordt de duur van de begeleiding bepaald op basis van de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige. Artikel18Inhoud beschikking 1.In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt vastgelegd: welke individuele voorziening verstrekt wordt; de omvang van de voorziening; wie de jeugdhulp gaat bieden en met welke methodiek er gewerkt wordt; of de zorg in natura of als pgb wordt verstrekt; de duur van de voorziening de kosten van de voorziening. 2.Bij het verstrekken van een individuele voorziening in de vorm van een pgb vermeldt de beschikking naast de in lid 1 genoemde zaken bovendien: de hoogte van het pgb en hoe deze is bepaald; voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend; welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb; de duur van het pgb. 3.De start van de individuele voorziening mag nooit gelegen zijn voor de datum van de aanvraag. 4.Bij het besluit wordt informatie verstrekt over de rechten en de plichten van de jeugdige en zijn ouders. 5.De jeugdige of zijn ouders moeten zich binnen drie maanden na de besluitdatum (datum beschikking) hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder. HOOFDSTUK5.AANVULLENDE REGELS VOOR EEN INDIVIDUELE JEUGDHULPVOORZIENING IN DE VORM VAN EEN PGB Artikel19.Toekenning of weigering voorziening in de vorm van een pgb 1.Als een jeugdige of zijn ouder(
  5. s)in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een pgb, dienen de jeugdige of zijn ouder(
  6. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger daartoe een budgetplan in volgens een door het college ter beschikking gesteld format. In het budgetplan is opgenomen: de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente volgens de jeugdige of zijn ouder(
  7. s)niet passend is en een pgb gewenst is; welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(
  8. s)willen inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd; de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt; op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd, overeenkomstig artikel 24 "Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb"; de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief; waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb de jeugdige of zijn ouders in staat stelt tijdig kwalitatief goede jeugdhulp van derden te betrekken; indien van toepassing, welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(
  9. s)willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk; en de motivatie aan de hand van de punten benoemd in artikel 20 [Pgb-vaardigheid] waaruit blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. 2.Het college verstrekt een pgb indien: de jeugdige en zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, niet passend achten; uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid met inachtneming van artikel 24 blijkt dat de budgethouder of, indien van toepassing, de budgetbeheerder in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een pgb met zich meebrengt; en naar het oordeel van het college met inachtneming van artikel 24 [Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb] is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouder(
  10. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger met het pgb willen inzetten, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het budgetplan opgenomen beoogde resultaat; 3.Het college verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp, wat zich in ieder geval voordoet indien de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp in de vier jaar voorafgaande aan de aanvraag: fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd; betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen; veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf; of op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder. 4.Het college weigert een pgb als een wettelijke weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.1, vierde lid, van de Jeugdwet van toepassing is. Artikel20.Pgb-vaardigheid 1.Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval: een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag; op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden; in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden; voldoende vaardig te zijn om in de Nederlandse taal te communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners; in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen; in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college; in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is; in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte; in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden. 2.Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden: het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder[, tenzij [hiervoor door het college toestemming is verleend OF de persoon eerste of tweedegraads bloed- of aanverwant is van de jeugdige]]; er is sprake van één of meer van de volgende omstandigheden: schuldenproblematiek; ernstige verslavingsproblematiek; aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; een aanmerkelijke verstandelijke beperking; een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; of het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag. Artikel21.Hoogte pgb 1.De hoogte van het pgb voor formele jeugdhulp als bedoeld in artikel 23 [Onderscheid formele en informele hulp] bedraagt 100% van het laagste adequate gecontracteerde tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura. 2.De hoogte van het pgb voor informele jeugdhulp als bedoeld in artikel 23 [Onderscheid formele en informele hulp] bedraagt [(minimaal 100)]% van het wettelijke minimumloon. 3.De tarieven voor het pgb worden jaarlijks geïndexeerd, waarbij: de indexering wordt berekend uit de som van het geprognostiseerde percentage voor het komende jaar (t + 1) en het verschil tussen het in het voorgaande jaar (t – 1) geprognostiseerde percentage voor het lopende jaar (
  11. t)en het definitieve percentage voor het lopende jaar (t). De percentages zijn verschillend voor loonkosten en materiële kosten; en het college het pgb-tarief verhoogt of verlaagt voor 90% op basis van het geprognostiseerde en definitieve indexcijfer Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA) voor personele kosten van het CPB, gepubliceerd door de NZA en voor 10% op basis van het geprognostiseerde en definitieve prijsindexcijfer particuliere consumptie (PPC) voor materiële kosten van het CPB gepubliceerd door de NZA. 4.Het tarief is lager als op basis van het door de jeugdige of zijn ouder(
  12. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ingediende budget-plan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. 5.Het tarief voor jeugdhulp dat op onverplichte basis wordt verleend door een hulpverlener uit het sociaal netwerk wordt door het college vastgesteld overeenkomstig artikel 8ab, eerste lid, van de Regeling Jeugdwet. 6.Met inachtneming van voorgaande bepalingen stelt het college de pgb-tarieven vast in nadere regels. 7.Het college maakt minimaal eenmaal per jaar de tarieven bekend. Artikel22.Uitgesloten van pgb De volgende kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit een pgb: kosten voor bemiddeling; kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; kosten voor het voeren van een pgb-administratie; kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; kosten die worden gemaakt voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college; [kosten voor vervoer als de jeugdige op grond van artikel 11 naar het oordeel van het college niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening;] [kosten voor hulp die direct ingezet moet worden (crisishulp);] kosten voor een aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag. Artikel23.Onderscheid formele en informele hulp 1.Van formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen: personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister, conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007 en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. 2.Formele hulp wordt geleverd door personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg of artikel 5.2.1, van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. 3.Als de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de eerste- of tweede graad van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp omdat zij onderdeel uitmaken van het sociale netwerk. 4.Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in het eerste lid, onder a of b, en er niet voldaan is aan het tweede lid, is er sprake van informele hulp. Artikel24.Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb 1.Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van de jeugdhulp aan de volgende eisen: beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie[. Ouder(
  13. s)zijn uitgesloten van deze eis]; beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden; houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp; is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren; werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd; voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college; stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige of zijn ouder(s); stemt de hulp af op andere voorzieningen, algemene voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige of zijn ouder(
  14. s)gebruik van maken; respecteert de privacy van de jeugdige of zijn ouder(
  15. s)en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie; neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige of zijn ouder(
  16. s)voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis; meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het college; werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid; en is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast. 2.Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp aan de volgende aanvullende eisen: hetgeen is bepaald in artikel 23 [Onderscheid formele en informele hulp] eerste en tweede lid; handelt in overeenstemming met de professionele standaard; werkt op basis van een hulpverleningsplan; werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking; hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren. 3.Er wordt geen pgb voor informele jeugdhulp verstrekt als, conform het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling op basis van het Kwaliteitskader Jeugd, formele jeugdhulp noodzakelijk is. Artikel25.Verantwoording PGB 1.De persoon die een pgb ontvangt, geeft de middelen uit in overeenstemming met het budgetplan. Hij bewaart gedurende een periode van vijf jaar de originele aankoopbewijzen, overeenkomsten en betaalbewijzen van alle tot het bestedingsdoel van het pgb behorende goederen of diensten. 2.Deze gegevens worden op verzoek van het college aangeleverd door de persoon aan wie het pgb is toegekend, binnen een termijn van 20 werkdagen nadat het college hierom heeft gevraagd. 3.Het pgb mag worden aangewend voor een mantelzorgvergoeding en lidmaatschap van een belangenvereniging voor mensen met een pgb. 4.Het pgb mag niet worden aangewend voor de betaling van tussenpersonen, belangenbehartigers, bemiddelingskosten, coördinatietaken, cadeaus, feestdagenuitkeringen, begeleidingskosten of administratiekosten. 5.De budgethouder hoeft van het persoonsgebonden budget 1,5% per jaar niet te verantwoorden, met een minimum van€ 250,- en een maximum van€ 1250,- per jaar. Wanneer de budgetperiode minder is dan een jaar, wordt het verantwoordingsvrije bedrag berekend naar rato. 6.Wanneer geen passende voorziening in natura beschikbaar is, én niet door de gemeente alsnog gecontracteerd kan worden, én de jeugdige en/of zijn ouder(
  17. s)niet in staat is op verantwoorde wijze uitvoering te geven aan het pgb, dan zal het college een coördinator (zorg in natura) aanwijzen of (al dan niet tijdelijk) toestaan dat een pgb-bureau voor ondersteuning wordt ingeschakeld. Er vindt daarbij in ieder geval functiescheiding plaats tussen de coördinatortaken en het bieden van daadwerkelijke hulp. HOOFDSTUK6.HERZIENING, INTREKKING, TERUGVORDERING EN BESTRIJDING MISBRUIK Artikel26.Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking, terugvordering en opschorting. 1.Mede overeenkomstig artikel 8.1.2 van de Jeugdwet doen een jeugdige of zijn ouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening al dan niet in de vorm van een pgb. 2.Het college onderzoekt periodiek of er aanleiding is een beslissing aangaande een verstrekking van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb te heroverwegen en kan hierover nadere regels stellen. 3.Een individuele voorziening al dan niet in de vorm van een pgb wordt beëindigd wanneer de jeugdige of zijn ouders hebben aangegeven geen gebruik meer te maken of te willen maken van de verstrekte individuele voorziening. 4.Een pgb wordt uiterlijk beëindigd op de eerste dag van de maand volgend op de maand dat de jeugdige is overleden dan wel niet langer staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente Lelystad. 5.Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeugdwet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger(
  18. s)onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de jeugdige en zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of op het pgb zijn aangewezen; de individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; de jeugdige en/of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van de individuele voorziening of het pgb; er sprake is van (dreigende) overbelasting in de zin van artikel 14, zesde lid, sub c, bij ouders aan wie een individuele voorziening in de vorm van een pgb is toegekend; de jeugdige en zijn ouders de individuele voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd; de jeugdige of zijn ouder(
  19. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger met het pgb jeugdhulp betrekken van een jeugdhulp-aanbieder tegen wie bezwaren zijn ontstaan, als bedoeld in artikel 19, 3de lid; of de jeugdige langer dan […] weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. 6.Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 7.Als het college een beslissing heeft herzien of ingetrokken op grond van het vijfde lid onder a, dan kan het college de geldschade vorderen van de te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het te veel of ten onrechte genoten pgb. 8.Als het college een beslissing op grond van het vijfde lid, onder a, heeft ingetrokken, kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb invorderen. 9.Het college kan, bij een gegrond vermoeden van een omstandigheid als bedoeld in het vijfde lid, onder a, d, e of f, de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting van de verplichting tot het doen van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken. Artikel27.Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s 1.Het college wijst toezichthouders aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van de rechtmatige uitvoering van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk en ondoelmatig gebruik van de Jeugdwet. 2.Het college onderzoekt met inachtneming van de paragrafen 6a en 6b van de Regeling Jeugdwet de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele pgb voorzieningen. 3.Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan. Artikel28.Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik 1.Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties. 2.Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over het monitoren van de gemiddelde trajectduur tijdens de looptijd van een contract. HOOFDSTUK7.AFSTEMMING MET ANDERE VOORZIENINGEN Artikel29.Voorliggende voorziening 1.Het college verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp als er: met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Zorgverzekeringswet; naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; of gegronde redenen zijn voor het college om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe. 2.Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de Jeugdwet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van de Jeugdwet te treffen. 3.De jeugdige of zijn ouder(
  20. s)dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger die een aanvraag voor jeugdhulp doen, worden verwezen naar de instantie waar een aanvraag voor een voorziening op basis van de voornoemde wetten kan worden behandeld. 4.Bij een verwijzing als bedoeld in het vorige lid naar Wet langdurige zorg wordt cliëntondersteuning ingeschakeld. Artikel30.Afbakening aanspraken op Jeugdwet en Wet Langdurige Zorg (WLZ) 1.Ondersteuning valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet als een jeugdige vanwege een somatische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuigelijke handicap een blijvende behoefte heeft aan zorg én als de jeugdige blijvend 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht nodig heeft: ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel voor de jeugdige, of omdat de jeugdige zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen om ernstig nadeel voor zichzelf te voorkomen door fysieke problemen of door zware regieproblemen. 2.Ondersteuning die gezien voorgaande in ieder geval niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet valt, betreft: logeeropvang voor jeugdigen met een indicatiebesluit Wet langdurige zorg; verblijf in een instelling; vervoer naar en van een locatie voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg; behandeling van psychische stoornissen, mits deze een integraal onderdeel uitmaken van de behandeling die vanuit de Wet langdurige zorg geboden wordt. Als jeugdige of zijn ouder(
  21. s)weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit op basis van de Wet langdurige zorg terwijl er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige recht heeft op zorg op grond van de Wet langdurige zorg, bijvoorbeeld bij de noodzaak tot meer dan 4 dagdelen dagbesteding, dan weigert het college een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet. Als een jeugdige met een besluit op basis van de Wet langdurige zorg een aanvraag indient voor behandeling voor een psychische stoornis, verleent het college een individuele voorziening jeugdhulp, mits de behandeling integraal onderdeel uitmaakt van de geboden behandeling vanuit de Wet langdurige zorg. Artikel31.Afbakening aanspraken op Jeugdwet en Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 (Wmo 2015) Als naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek van de jeugdige of de ouder een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, dan verleent het college geen voorziening op grond van de Jeugdwet, tenzij sprake is van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Het betreft in ieder geval: voorzieningen in de vorm van hulpmiddelen, woningaanpassingen en een gebarentolk; een noodzakelijke vervoersvoorziening om te kunnen reizen naar verschillende locaties, zoals sportvereniging en recreatieplekken; een maatwerkvoorziening voor opvang, indien de jeugdige met de ouder meekomt als een ouder de thuissituatie moet verlaten, vanwege bijvoorbeeld huiselijk geweld, mishandeling of een huisuitzetting. Artikel32.Afbakening aanspraken op Jeugdwet en Wet Passend Onderwijs 1.Ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma dat primair gericht is op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling, valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet; 2.Als een jeugdige recht heeft op ondersteuning vanuit de Wet passend onderwijs is deze wet voorliggend op de Jeugdwet en hoeft het college geen voorziening te treffen op grond van de Jeugdwet; 3.Als een jeugdige voor het behalen van onderwijsdoelen begeleiding of persoonlijke verzorging nodig heeft op school in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen of psychische problemen en stoornissen, valt die ondersteuning onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet. Daarbij zijn algemene voorzieningen voorliggend op individuele voorzieningen; 4.Als op basis van wettelijke bepalingen onduidelijk is of de hulpvraag valt onder de Wet passend onderwijs of onder de Jeugdwet, dan rust op het college een inspanningsverplichting om in samenwerking met het onderwijs met behulp van het ondersteuningsplan of het onderwijsperspectiefplan tot een passende oplossing te komen voor de hulpvraag. 5.Indien jeugdhulp wordt ingezet in situaties als bedoel in het vierde of het vijfde lid, wordt die inzet afgestemd met eventueel in te zetten ondersteuning vanuit de Wet passend onderwijs. De gezamenlijke inzet is gericht op het versterken van ontwikkelkansen door deelname aan het onderwijs. Artikel33.Afbakening aanspraken op Jeugdwet en Zorgverzekeringswet (ZVW): 1.Indien de jeugdige medisch noodzakelijke zorg nodig heeft, dan valt dit niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet en is er in dat kader geen recht op een individuele voorziening op basis van de Jeugdwet. Voorbeelden van zorg op basis van de Zorgverzekeringswet zijn: hulpmiddelenzorg; ziekenvervoer; zintuiglijke gehandicaptenzorg. 2.Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problematiek van de jeugdige en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de Jeugdwet kan worden verkregen, verleent het college een individuele voorziening. 3.Persoonlijke verzorging voor jeugdigen die nodig is in verband met een behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop, valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet. Persoonlijke verzorging die gericht is op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij algemene dagelijkse levensverrichtingen valt wel onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet. Het college verleent alleen laatstgenoemde individuele voorziening, mits jeugdige daarvoor gezien zijn jeugdhulpvraag in aanmerking komt. 4.Jeugdhulp met verblijf valt niet onder de Jeugdwet als het een medisch noodzakelijk verblijf betreft vanwege geneeskundige zorg of als het gaat om tijdelijk, kortdurend geneeskundig verblijf buiten de thuissituatie. Jeugdhulp met verblijf valt wel onder de jeugdhulplicht van de Jeugdwet als het een verblijf van de jeugdige buiten de thuissituatie betreft, niet zijnde een ziekenhuisverblijf. Het college verleent alleen laatstgenoemde individuele voorziening, mits jeugdige daarvoor gezien zijn jeugdhulpvraag in aanmerking komt. Artikel34.Afstemming met voorziening werk en inkomen 1.Inzake de afstemming tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van wet- en regelgeving inzake werk en inkomen, zie het college erop toe: dat Jeugd Lelystad jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor het slagen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering vroegtijdig kunnen signaleren; dat jeugdigen en hun ouder(
  22. s)waar nodig de juiste ondersteuning vanuit de gemeentelijke voorzieningen krijgen - zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, re-integratievoorzieningen en armoedevoorzieningen - om de financiële belemmeringen weg te nemen; dat voorzieningen beschikbaar zijn op het terrein van arbeidsparticipatie van jonggehandicapten en draagt zorg voor voldoende mogelijkheden van loonkostensubsidies en beschut werk voor deze doelgroep op het moment dat zij 18 jaar worden. Artikel35.Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning 1.Het college stemt de jeugdhulp waaraan een jeugdige of een ouder behoefte heeft, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van: de Leerplichtwet; de Participatiewet; de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; de Wet Inburgering 2021; de Wet kinderopvang; de Wet langdurige zorg; de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; de Wet passend onderwijs; de Wet publieke gezondheid; de Wet tijdelijk huisverbod; de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; en de Zorgverzekeringswet, zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten en ondersteunt de jeugdige en zijn ouder(
  23. s)actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(
  24. en)of bij behoud van de continuïteit van de zorg op grond van de benodigde zorg. 2.De afgestemde jeugdhulp wordt zodanig ingezet dat dit leidt tot: het opheffen van een situatie die voor een jeugdige of een ouder of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade; stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a; een voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van een jeugdige of een ouder, voor zover dat binnen het vermogen ligt. 3.Het college weegt bij de afstemming van de jeugdhulp de volgende aspecten mee: de behoefte aan hulp en ondersteuning van een jeugdige of een ouder; de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van een jeugdige of een ouder zoals bedoeld in artikel 14 [Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen] en de mogelijkheden van het sociale netwerk; welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet; welke hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn. 4.Als een jeugdige of een ouder of wettelijk vertegenwoordiger weigert mee te werken aan afstemming als bedoeld in het eerste lid, kan het college het onderzoek beëindigen en een individuele voorziening weigeren. 5.Als een jeugdige van 16 jaar of ouder die hulp op grond van de Jeugdwet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijke kader als bedoeld in het eerste lid, is het college gehouden om: voor het achttiende levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn; en de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is. 6.Ter uitvoering van het vijfde lid, onderzoekt het college tijdig welke andere voorziening nodig is, vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar wordt ingezet. HOOFDSTUK8.INSPRAAK Artikel36.Inspraak inwoners 1.Het college betrekt inwoners van de gemeente, waaronder in ieder geval jeugdigen en ouders of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp, overeenkomstig de Inspraakverordening Lelystad 2008 en de Verordening cliëntenparticipatie sociaal domein Lelystad 2019. 2.Het college stelt inwoners vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3.Het college zorgt ervoor dat inwoners kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4.Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het tweede en derde lid. HOOFDSTUK9.SLOTBEPALINGEN Artikel37.Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van een jeugdige of ouder(
  25. s)gemotiveerd afwijken van de bepalingen in deze verordening, wanneer toepassing van deze verordening of van de hieruit voortvloeiende nadere regels, leidt tot onevenredig nadelige gevolgen voor een jeugdige of ouder(
  26. s)die niet verhouding zijn tot de met het besluit te dienen doelen. Artikel38.Evaluatiebepaling Het college evalueert de Verordening jeugdhulp eens per twee jaar na de inwerkingtreding van de verordening en brengt verslag daarover uit aan de gemeenteraad. Artikel39.Overgangsrecht 1.Een recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening Jeugdhulp Gemeente Lelystad 2021 blijft gehandhaafd, totdat dat recht eindigt of het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee die voorziening is verstrekt, wordt beëindigd of wordt ingetrokken. 2.Aanvragen die zijn ingediend onder de verordening bedoeld in het eerste lid en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 3.Bezwaarschriften gericht tegen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld op grond van de Verordening Jeugdhulp Gemeente Lelystad 2021. Hier kan ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(
  27. s)van worden afgeweken als heroverweging op grond van deze verordening leidt tot een gunstiger uitkomst. 4.Besluiten genomen op grond van de Verordening Jeugdhulp Lelystad 2021 tot het aanwijzen toezichthouders blijven gehandhaafd, totdat de aanwijzing eindigt of het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit tot aanwijzing wordt ingetrokken. Artikel40.Inwerkingtreding 1.Deze verordening treedt in werking op de dag na die van bekendmaking. 2.De Verordening Jeugdhulp Gemeente Lelystad 2021 en de Beleids- en nadere regels jeugdhulp Lelystad 2021 worden ingetrokken. 3.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Jeugdhulp Lelystad 2025. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 1 juli 2025.De raad van de gemeente Lelystad,de griffier,L.A. WieringaBijlage1Specificatie individuele voorzieningen Perceel 1: Tijdelijke opvang en/of zorg tijdens onderwijstijd Omschrijving Productcode Extra begeleiding op de kinderopvang (0 t/m 12 jaar) 45T01 Begeleiding groep 45T02 Begeleiding terug naar of in het onderwijs 45T03 Naschoolse dagbehandeling 45T04 Begeleiding groep: respijtzorg dagbesteding 45T05 Extra begeleiding op de kinderopvang (0 tm 12 jaar) Voor jeugdigen in de leeftijd van 0 tot en met 12 jaar met een ondersteuningsvraag die verder reikt (qua intensiteit en deskundigheid) dan vanuit de regulier kinderopvang-ondersteuningsstructuur geboden kan worden. Er is extra pedagogische aandacht nodig vanwege het gedrag, de ontwikkeling of opvoeding. Voorkomen dat jeugdigen uitvallen of geen gebruik kunnen maken van de reguliere kinderopvang en zijn aangewezen op (vormen van) dagbesteding- of dagbehandeling. Specifiek aanvullend voor de groep 0 t/m 3 jaar, verwachten we een goede voorbereiding op instroom in het basisonderwijs. We streven ernaar dat de kinderopvang een passende plek is voor kinderen (0 t/m 12 jaar) met een ondersteuningsvraag. Met deze extra ondersteuning bieden we deze kinderen extra tijd, aandacht en begeleiding om goed te kunnen functioneren op de kinderopvang. Criteria Extra begeleiding op de kinderopvang (0 t/m 12 jaar) is voorliggend op begeleiding groep; Dit product kan alleen worden ingezet wanneer een kind naar de kinderopvang gaat; Extra begeleiding op de kinderopvang (0 t/m 12 jaar) duurt in den beginsel maximaal 1 jaar; De plus wordt afgegeven aan de hand van het aantal uren per dag dat het kind gebruikmaakt van de kinderopvang; Vanuit de Wet kinderopvang betalen de ouders de kinderopvang en vanuit de Jeugdwet bekostigt de gemeente de extra ondersteuningsbehoefte: de plus (op de kinderopvang); De extra ondersteuning kan alleen uitgevoerd worden bij kinderopvang-organisaties die: Voldoen aan de in de wet IKK, de Wet kinderopvang en de wet Harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk gestelde kwaliteitseisen. Ingeschreven staan bij het LRK. Verlenging van de voorziening is mogelijk wanneer de geboden ondersteuning doelmatig en effectief is waarbij er reële doelen worden gesteld die specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden zijn. De doelen worden geëvalueerd en waar nodig minimaal elk halfjaar bijgesteld of eerder indien noodzakelijk. Er wordt vooruitgang geboekt en/of stabilisatie bereikt in relatie tot de beperkingen en de mogelijkheden van de jeugdige en/ of ouder en in de gestelde doelen. Hierbij wordt er gewerkt aan zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de jeugdige, afbouw van hulp en geen afhankelijkheid van hulp; De inzet en duur van de voorziening dient te worden onderbouwd door recent afgenomen onderzoek, door de jeugdprofessional en diens Gedragsdeskundige (GD). Begeleiding groep Begeleiding groep is voor jeugdigen die door hun (vastgestelde) beperking en/of gedragsproblematiek niet (volledig) deel kunnen nemen aan het (speciaal) onderwijs, regulier onderwijs, begeleid werk. Enkelvoudig vastgestelde problematiek, enkele doelen/resultaten te behalen; Er is altijd sprake van ontwikkelperspectief, en Er wordt van de bestaande schooltijden/onderwijstijd afgeweken doordat gedeeltelijke ontheffing is verleend op grond van de VARIA-wet. Jeugdigen die geheel of gedeeltelijk niet deelnemen aan het onderwijs terugbrengen naar het volgen van een volledig onderwijsprogramma. Gericht op duurzame terugkeer naar het (speciaal) onderwijs. Voor een deel van de oudere doelgroep ook gericht op begeleiding naar (begeleid) werk. Er is een structurele, competentiegerichte methodische aanpak gericht op oefenen, eigen maken van vaardigheden, handelingen of het aanbrengen van structuur en het terugpakken van regie door jeugdige en het systeem. Criteria Dit product wordt geboden binnen een groep waarbij er 2 pedagogisch medewerkers staan voor maximaal 8 kinderen; Begeleiding groep heeft een maximale inzet van 9 dagdelen per week, waarbij de vuistregel is: twee dagdelen per levensjaar van een kind; Begeleiding groep duurt in den beginsel maximaal 1 jaar; Een dagdeel bestaat uit 4 uur; Er dient een afbouw te zijn in het aantal dagdelen van ‘begeleiding groep’ wanneer het product ‘individuele begeleiding terug naar of in het onderwijs’ wordt ingezet t.b.v. stapsgewijze terugkeer naar school; Ouderbegeleiding maakt integraal deel uit van de begeleiding groep; De begeleiding groep wordt zo dicht mogelijk nabij een onderwijslocatie verzorgd; Voordat inzet vanuit de Jeugdwet mogelijk is, dient de school een Ontwikkelperspectiefplan (OPP) opgesteld te hebben, waarin staat beschreven wat de school zelf kan/moet doen om de jeugdige te ondersteunen. Aanvullend daarop kan jeugdhulp worden ingezet, wanneer uit onderzoek blijkt dat dit nodig en passend is Er is een gedeeltelijke ontheffing op grond van de VARIA-wet. Aantoonbaar middels een verklaring van de onderwijsinspectie; Leerplichtambtenaar is betrokken; Een onafhankelijk arts moet schriftelijk bevestigen dat een kind tijdelijk geen onderwijs kan volgen; Er moet een terugkeerplan naar het onderwijs zijn opgesteld; Verlenging van de voorziening is mogelijk wanneer de geboden ondersteuning doelmatig en effectief is waarbij er reële doelen worden gesteld die specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden zijn. De doelen worden geëvalueerd en waar nodig minimaal elk halfjaar bijgesteld of eerder indien noodzakelijk. Er wordt vooruitgang geboekt en/of stabilisatie bereikt in relatie tot de beperkingen en de mogelijkheden van de jeugdige en/ of ouder en in de gestelde doelen. Hierbij wordt er gewerkt aan zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de jeugdige, afbouw van hulp en geen afhankelijkheid van hulp; De inzet en duur van de voorziening dient te worden onderbouwd door recent afgenomen onderzoek, door de jeugdprofessional en diens GD. Begeleiding terug naar of in het onderwijs ‘Begeleiding terug naar of in het onderwijs’ is gericht op: jeugdigen die uitstromen uit begeleiding groep (45T02) en aanvullende jeugdhulpondersteuning nodig hebben om duurzaam de stap naar het onderwijs te maken; of jeugdigen die dreigen uit te vallen en extra ondersteuning nodig hebben om onderwijs te kunnen blijven volgen (en daarmee uitval voorkomen); De didactische en pedagogische ondersteuning die nodig is om onderwijsdoelen te bereiken geboden vanuit het onderwijs is niet voldoende. Het doel is om een naadloze overgang van een (deels) onderwijs vervangende voorziening naar het volgen van een volledig onderwijsprogramma mogelijk te maken. Daarbij ook het voorkomen van schooluitval (langdurig verzuim of uitval-uitstroom). Het is gericht op een duurzame terugkeer naar of het duurzaam kunnen blijven volgen van het (speciaal) onderwijs en/of stabiele onderwijscarrière. Begeleiding terug naar het onderwijs is voor jeugdigen die niet of gedeeltelijk gebruik maken van regulier of speciaal onderwijs; Er is sprake van een opvoed- en opgroeiproblemen, psychische problemen of psychische stoornissen bij de jeugdige; De jeugdige kan door het probleem of stoornis niet zelfstandig deelnemen aan volledig onderwijs; De jeugdige leert zonder extra toezicht of begeleiding zelfstandig te functioneren in het onderwijs en de lessen te kunnen volgen. Criteria Deze inzet is pedagogisch en didactisch onderlegd, methodisch van aard en gericht op terugkeer in of voorkomen van uitval uit de vastgestelde onderwijsomgeving; De jeugdige leert zonder extra toezicht of begeleiding zelfstandig te functioneren in het onderwijs en de lessen te kunnen volgen; De begeleiding richt zich op onderwijsprofessionals en geeft handvatten voor het omgaan met de gedragsproblematiek van de jeugdige. De inzet ‘Individuele begeleiding terug naar of in het onderwijs’ gaat in geval van gecombineerde inzet met begeleiding groep, altijd gepaard met afbouw van het aantal dagdelen begeleiding groep; Voordat inzet vanuit de Jeugdwet mogelijk is, dient de school een Ontwikkelperspectiefplan (OPP) opgesteld te hebben, waarin staat beschreven wat de school zelf kan/moet doen om de jeugdige te ondersteunen. Aanvullend daarop kan jeugdhulp worden ingezet, wanneer uit onderzoek blijkt dat dit nodig en passend is; Begeleiding terug naar of in het onderwijs heeft een maximale inzet van 5 uur per week; Begeleiding terug naar het onderwijs duurt in den beginsel maximaal 6 maanden; Verlenging van de voorziening is mogelijk wanneer de geboden ondersteuning doelmatig en effectief is waarbij er reële doelen worden gesteld die specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden zijn. De doelen worden geëvalueerd en waar nodig minimaal elk halfjaar bijgesteld of eerder indien noodzakelijk. Er wordt vooruitgang geboekt en/of stabilisatie bereikt in relatie tot de beperkingen en de mogelijkheden van de jeugdige en/ of ouder en in de gestelde doelen. Hierbij wordt er gewerkt aan zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de jeugdige, afbouw van hulp en geen afhankelijkheid van hulp; De inzet en duur van de voorziening dient te worden onderbouwd door recent afgenomen onderzoek, door de jeugdprofessional en diens GD. Naschoolse dagbehandeling Naschoolse dagbehandeling is bedoeld voor jongeren van 0 tot 18 jaar die naar school gaan en die als gevolg van opgroei- en opvoedingsproblemen vastlopen op verschillende gebieden: thuis, op school en in hun vrije tijd. Dit uit zich bij de jeugdige vaak in motivatie- en gedragsproblemen. Naschoolse dagbehandeling is van specifieke of gedragswetenschappelijke aard, gericht op het beperken van gedrag- en/of ontwikkelproblemen. Ouders en andere volwassenen, zoals leerkrachten, ervaren problemen in de opvoeding, aansturing en communicatie. Meestal is het wederzijds begrip ernstig verstoord. Het doel van naschoolse dagbehandeling is dat de jeugdige versterkt en vaardigheden en gedrag ontwikkelt op het gebied van sociale vaardigheden, weerbaarheid, emotieregulatie en zelfbeeld. De jeugdige leert deze vaardigheden en gedrag implementeren in de diverse leefgebieden, als thuis, school en vrije tijd, zodat hij hier adequaat kan functioneren. Dit ter bevordering van de maatschappelijke deelname. Naschoolse dagbehandeling is voor jeugdigen die nieuwe vaardigheden en gedrag dienen aan te leren. Dit gaat met methodische interventies; Naschoolse dagbehandeling is voor jeugdigen met meervoudige ontwikkel- of gedragsproblemen met complexe problematieken op meerdere leefgebieden welke met elkaar verweven zijn; Het gezin of het systeem en andere belangrijke personen rondom de jeugdige worden actief betrokken in het traject; Behandeling op de groep gaat altijd samen met een intensieve gezinsbehandeling (integraal onderdeel van dit product), om de vaardigheden van het kind te versterken en nieuwe vaardigheden te implementeren; Gezinsbehandeling maakt integraal deel uit van dit product; Samenwerking met onderwijssetting is verplicht, waarbij afstemming plaats vindt met school Voordat inzet vanuit de Jeugdwet mogelijk is, dient de school een Ontwikkelperspectiefplan (OPP) opgesteld te hebben, waarin staat beschreven wat de school zelf kan/moet doen om de jeugdige te ondersteunen. Aanvullend daarop kan jeugdhulp worden ingezet, wanneer uit onderzoek blijkt dat dit nodig en passend is. Criteria Naschoolse dagbehandeling heeft een maximale inzet van 3 dagdelen per week na schooltijd voor een periode van 9 tot 12 maanden; Een dagdeel bestaat uit 4 uur; 2 pedagogisch medewerkers op maximaal 8 jeugdigen; Verlenging van de voorziening is mogelijk wanneer de geboden ondersteuning doelmatig en effectief is waarbij er reële doelen worden gesteld die specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden zijn. De doelen worden geëvalueerd en waar nodig minimaal elk halfjaar bijgesteld of eerder indien noodzakelijk. Er wordt vooruitgang geboekt en/of stabilisatie bereikt in relatie tot de beperkingen en de mogelijkheden van de jeugdige en/ of ouder en in de gestelde doelen. Hierbij wordt er gewerkt aan zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de jeugdige, afbouw van hulp en geen afhankelijkheid van hulp; De inzet en duur van de voorziening dient te worden onderbouwd door recent afgenomen onderzoek, door de jeugdprofessional en diens GD. Begeleiding groep: Respijtzorg dagbesteding Begeleiding groep: Respijtzorg dagbesteding is voor jeugdigen met een vastgestelde beperking in combinatie met gedragsproblematiek, waarbij volgens draagkracht-/draaglastonderzoek is vastgesteld dat het gezinssysteem overbelast is als gevolg van de opvoeding van de jeugdige. De inzet van dit product is bedoeld om de ouders en opvoeders tijdelijk te ontlasten van de zorg/opvoeding van hun kind, zodat ze de zorg/opvoeding zelf weer vorm kunnen geven en de draagkracht van het gezin wordt vergroot. Gericht op (terugkeer naar) deelname aan reguliere maatschappelijke voorzieningen; Structurele tijd besteding met vaste regelmaat Met de inzet van dit product is bedoeld om de ouders en opvoeders tijdelijk te ontlasten van de zorg/opvoeding van hun kind, zodat ze de zorg/opvoeding zelf weer vorm kunnen geven en de draagkracht van het gezin vergroot. Criteria Begeleiding groep: Respijtzorg dagbesteding heeft structurele tijdsbesteding met vaste regelmaat; Er zijn weinig of nauwelijks veiligheidsrisico’s aanwezig; De jeugdige neemt volledig deel aan het speciaal of regulier onderwijs; Begeleiding groep: Respijtzorg dagbesteding heeft een maximale inzet van 3 dagdelen per week na schooltijd voor een periode van 6 maanden; Een dagdeel bestaat uit 4 uur; 1 pedagogisch medewerker op maximaal 8 jeugdigen; Belastbaarheid / eigen kracht van ouders is in kaart gebracht; Verlenging van de voorziening is mogelijk wanneer de geboden ondersteuning doelmatig en effectief is waarbij er reële doelen worden gesteld die specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden zijn. De doelen worden geëvalueerd en waar nodig minimaal elk halfjaar bijgesteld of eerder indien noodzakelijk. Er wordt vooruitgang geboekt en/of stabilisatie bereikt in relatie tot de beperkingen en de mogelijkheden van de jeugdige en/ of ouder en in de gestelde doelen. Hierbij wordt er gewerkt aan zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de jeugdige, afbouw van hulp en geen afhankelijkheid van hulp; De inzet en duur van de voorziening dient te worden onderbouwd door recent afgenomen onderzoek, door de jeugdprofessional en diens GD. Perceel 2: Langdurige dagbesteding of - behandeling Omschrijving Productcode Langdurige dag begeleidng 41L01 Dagbehandeling op een Kinderbehandelcentrum (KBC) 41L02 Dagbehandeling op een Medisch Kinderdagverblijf (MKD) 41L03 Langdurige dagbegeleiding Langdurige dagbegeleiding is voor jeugdigen met een ernstige meervoudige beperking en gedragsproblematiek die gezien de aard van hun problematiek niet in bestaande voorzieningen voor (speciaal) onderwijs kunnen deelnemen. De jeugdige is op psychische of lichamelijke gronden ongeschikt om tot een school of instelling te worden toegelaten (vrijstelling 5 onder a LPW). Er is sprake van begeleidingsdoelen, maar er zijn geen behandeldoelen. Bij langdurige dagbegeleiding gaat het om het bieden van zinvolle gestructureerde dagbesteding. Ontwikkelen van de verstandelijke en sociaal-emotionele vaardigheden op het niveau van de jeugdige. Methodisch functionele dagbesteding, gericht op de ontwikkelingsmogelijkheden rond het opdoen van ervaringen, het aanleren van vaardigheden en het vergroten van de kwaliteit van leven; Gestructureerd dagprogramma, afgestemd op de mogelijkheden van de jeugdige. Criteria Bij langdurige dagbegeleiding kan bijvoorbeeld gedacht worden aan begeleiding zoals geboden door een Kinderdagcentrum (KDC) of orthopedagogisch centrum (OPC); Langdurige dagbegeleiding heeft een maximale inzet van 9 dagdelen per week, waarbij de vuistregel is: twee dagdelen per levensjaar van een kind; Langdurige dagbegeleiding duurt in den beginsel maximaal 1 jaar; Een dagdeel bestaat uit 4 uur; 2 pedagogisch medewerkers op maximaal 8 jeugdigen; Er kan geen losse beschikking voor vervoer gecombineerd worden met dit product, vervoer is inclusief bij dit product. De jeugdige heeft een vrijstelling 5 onder a LPW en geen perspectief op het volgen van (speciaal) onderwijs; Overgang naar de WLZ is voorliggend als dit product langer dan een jaar nodig blijkt te zijn; De inzet en duur van de voorziening dient te worden onderbouwd door recent afgenomen onderzoek, door de jeugdprofessional en diens GD; Tijdens de opdracht-uitvoering wordt van jeugdhulpaanbieder (in samenwerking met JEL) verwacht dat de jeugdige wordt voorgedragen voor ondersteuning op basis van Wlz. Daarmee fungeert deze voorziening als ‘voorportaal’ voor de Wlz. Dagbehandeling op een Kinderbehandelcentrum (KBC) Dagbehandeling op een kinderbehandelcentrum (KBC) is voor jeugdigen van 0 tot 18 jaar met ernstige verstandelijke, gedrags- en/of ontwikkelingsproblemen die gezien de aard van hun problematiek zijn aangewezen op paramedische zorg en langdurig (langer dan 2 jaar) niet in bestaande voorzieningen voor kinderopvang of (speciaal) onderwijs kunnen deelnemen. De jeugdige is op psychische of lichamelijke gronden ongeschikt om tot een school of instelling te worden toegelaten (vrijstelling 5 onder a LPW) Dagbehandeling op een Kinderbehandelcentrum (KBC) is er om de problematiek van de jeugdige en in het gezin in kaart te brengen (diagnostiek), waarbij een behandelplan wordt opgesteld; KBC is er voor een vermindering van de uiting van de vastgestelde problematiek en daardoor een verbetering in de thuissituatie; KBC is er voor verbetering van de ontwikkeling van de jeugdige; Er is inzicht of en aan welke vorm van onderwijs/dagbesteding de jeugdige kan deelnemen na de dagbehandeling; Ingeval van onderwijsperspectief kunnen jonge kinderen stap voor stap de overstap maken naar regulier of speciaal onderwijs. Criteria Dagbehandeling KBC heeft een maximale inzet van 9 dagdelen per week, waarbij de vuistregel is: twee dagdelen per levensjaar van een kind; Dagbehandeling KBC duurt in den beginsel maximaal 1 jaar; Een dagdeel bestaat uit 4 uur; 2 pedagogisch medewerkers op maximaal 8 jeugdigen; Er kan geen losse beschikking voor vervoer gecombineerd worden met dit product, vervoer is inclusief bij dit product. De jeugdige heeft een vrijstelling 5 onder a LPW en geen perspectief op het volgen van (speciaal) onderwijs; Er wordt gewerkt met een multidisciplinair team waarin alle benodigde specialismen waaronder paramedici zijn vertegenwoordigd; Dagbehandeling op kinderbehandelcentrum (KBC) biedt de mogelijkheid voor een volledige plaatsing of een deeltijdplaatsing. Een combinatie met plaatsing in een regulier kinderdagverblijf, peuterspeelzaal, buitenschoolse opvang of (speciaal) onderwijs is mogelijk; Begeleiding en ondersteuning aan ouders om thuis de ontwikkeling van de jeugdige te bevorderen maakt integraal onderdeel uit van dit product; De inzet en duur van de voorziening dient te worden onderbouwd door recent afgenomen onderzoek, door de jeugdprofessional en diens GD; Wanneer blijkt dat er geen onderwijsperspectief is voor de jeugdige, wordt van jeugdhulpaanbieder (in samenwerking met JEL) verwacht dat de jeugdige wordt voorgedragen voor ondersteuning op basis van Wlz. Dagbehandeling op een Medisch Kinderdagverblijf (MKD) Dagbehandeling op Medisch Kinderdagverblijf (MKD) is voor kinderen van 0 tot 7 jaar met complexe ontwikkelings- en gedragsproblemen. Dit is veelal als gevolg van een combinatie van spraak-taal, sociaal-emotionele, cognitieve en lichamelijke factoren of een ontwikkelingsstoornis. Vaak is bij de start van de hulpverlening nog niet duidelijk wat er precies aan de hand is. De jeugdige is op psychische of lichamelijke gronden ongeschikt om tot een school of instelling te worden toegelaten (vrijstelling 5 onder a LPW). Bij MKD wordt de problematiek van het kind en in het gezin in kaart gebracht (diagnostiek) en een behandelplan opgesteld. Het is gericht op vermindering van de uiting van de vastgestelde problematiek en daardoor een verbetering in de thuissituatie. MKD is er voor verbetering van de ontwikkeling van de jeugdige; Er is inzicht of en aan welke vorm van onderwijs/dagbesteding de jeugdige kan deelnemen na de dagbehandeling; Ingeval onderwijsdeelname mogelijk is wordt stap voor stap toegewerkt naar plaatsing op regulier of speciaal onderwijs; MKD biedt een groepsklimaat en een vast dagritme met structuur en duidelijkheid, en een op het individuele kind afgestemde aanpak waarbij activiteiten methodisch onderbouwd zijn; Met kinderen van 4 tot 7 jaar wordt gericht gewerkt om de schoolse vaardigheden te stimuleren en om de onderwijsbehoeften in kaart te brengen; Naast de plaatsing van het kind in de groep wordt altijd ambulante begeleiding in de thuissituatie geboden en zijn er ouderbijeenkomsten/-activiteiten. Criteria MKD biedt de mogelijkheid voor een volledige plaatsing of een deeltijdplaatsing. Een combinatie met plaatsing in een regulier kinderdagverblijf, peuterspeelzaal, buitenschoolse opvang of (speciaal) onderwijs is mogelijk; Dagbehandeling op een MKD heeft een maximale inzet van 9 dagdelen per week, waarbij de vuistregel is: twee dagdelen per levensjaar van een kind; Dagbehandeling op een MKD duurt in den beginsel maximaal 1 jaar; Een dagdeel bestaat uit 4 uur; 2 pedagogisch medewerkers op maximaal 8 jeugdigen; Er kan geen losse beschikking voor vervoer gecombineerd worden met dit product, vervoer is inclusief bij dit product. De jeugdige heeft een vrijstelling 5 onder a LPW en geen perspectief op het volgen van (speciaal) onderwijs; Verlenging van de voorziening is mogelijk wanneer de geboden ondersteuning doelmatig en effectief is waarbij er reële doelen worden gesteld die specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden zijn. De doelen worden geëvalueerd en waar nodig minimaal elk halfjaar bijgesteld of eerder indien noodzakelijk. Er wordt vooruitgang geboekt en/of stabilisatie bereikt in relatie tot de beperkingen en de mogelijkheden van de jeugdige en/ of ouder en in de gestelde doelen. Hierbij wordt er gewerkt aan zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de jeugdige, afbouw van hulp en geen afhankelijkheid van hulp; De inzet en duur van de voorziening dient te worden onderbouwd door recent afgenomen onderzoek, door de jeugdprofessional en diens GD; Wanneer blijkt dat er geen onderwijsperspectief is voor de jeugdige, wordt van jeugdhulpaanbieder (in samenwerking met JEL) verwacht dat de jeugdige wordt voorgedragen voor ondersteuning op basis van Wlz. Perceel 3a: Jeugd GGZ (vrijgevestigden) Omschrijving Productcode Basis GGZ 51B01 Perceel 3b: Jeugd GGZ (instellingen) Omschrijving Productcode Basis GGZ 51B01 S-GGZ 54S01 Diagnostiek J-GGZ 54S02 Medicatie controle 54S03 Curatieve GGZ uitgevoerd door kinderartsen 54S04 Basis GGZ Basis GGZ wordt ingezet bij: onvoldoende effect van behandeling in de JGZ, huisartsenzorg of jeugd-professional huisarts en wanneer er sprake is (of een vermoeden) van een DSM-benoemde stoornis, en: een licht tot matige beperking in het dagelijks functioneren, of; lichte tot matig-ernstige problematiek, met laag tot matig risico, of; vermoeden van een leerstoornis of twijfel over verstandelijke vermogens; en er is een goed functionerend sociaal netwerk, of; herstel is te verwachten na een relatief korte of geprotocolleerde interventie. bij kinderen met een ernstige psychiatrische stoornis met stabiele problematiek die geen behandeling, maar wel langdurige monitoring behoeven. Specifiek t.a.v. EMDR Jeugdigen die na het meemaken van ingrijpende gebeurtenissen, trauma gerelateerde klachten hebben ontwikkeld. Het doel van EMDR is het verwerken van herinneringen aan identificeerbare ingrijpende ervaringen, die de cliënt hebben getraumatiseerd. Hierdoor kunnen klachten worden verminderd, die zijn ontstaan als gevolg van die herinneringen en het lijden dat daarmee gepaard gaat. Criteria De directe behandelaar fungeert tevens als regiebehandelaar; De regiebehandelaar is eindverantwoordelijk voor het vaststellen van het Behandelplan, voor integrale behandeling van de Jeugdige en voor het vastleggen van de daadwerkelijk verleende zorg; Basis-GGZ wordt geboden door professionals met een opleidingsniveau variërend van WO tot en met WO+ (functiemix). Het zwaartepunt ligt bij een inzet van een professional met WO-opleidingsniveau; Basis-GGZ vindt altijd plaats onder toezicht van een regiebehandelaar. De volgende professionals kunnen de rol van regiebehandelaar bekleden: Professionals die daartoe bevoegd zijn op grond van landelijke kwaliteitsnormen van beroepsorganisaties NVO, V&VN, FGzPt en KNMG kunnen de rol van regiehandelaar bekleden. Tot de bevoegde professionals behoren in ieder geval: Psychiater, Klinisch psycholoog, Klinisch neuropsycholoog, Psychotherapeut, Verslavingsarts in profielregister KNMG, GZ-psycholoog, Verpleegkundig specialist GGZ, Orthopedagoog Generalist en Sociaal Psychiatrisch Verpleegkundige.; De regiebehandelaar kan bij zijn behandeling ondersteund worden door medebehandelaars met tenminste een HBO-opleidingsniveau die vermeld is in de Beroepentabel GGZ; Indien sprake is van hogere complexiteit dient zo spoedig mogelijk – doch uiterlijk binnen 5 behandelingen – opgeschaald te worden naar S-GGZ. Hiervoor is een nieuwe Beschikking nodig. Basis-GGZ heeft een maximale inzet van totaal 21 uur in een periode van maximaal 6 maanden. Deze uren zijn vrij inzetbaar gedurende de looptijd van de Beschikking. Basis-GGZ kan nimmer verlengd worden; Voor de uitvoering van een EMDR traject dient de uitvoerend professional te beschikken over een certificaat van een erkende EMDR training/opleiding voor de doelgroep Jeugdige; Het EMDR-voortraject heeft per week minimaal 1 tot maximaal 3 sessies van 1 uur; De EMDR-behandeling heeft per week minimaal 3 tot maximaal 12 sessies van 1,5 uur. Specialistische GGZ Doelgroep (Bron: www.ggzstandaarden.nl en kenniscentrum KJP) S-GGZ wordt ingezet bij onvoldoende resultaat van B-GGZ behandeling en wanneer er sprake is van een DSM-benoemde stoornis. Bij Jeugdige en gezin wordt de kwaliteit van leven als gevolg van de stoornis/problematiek ernstig benadeeld/beperkt. De Jeugdige kent een feitelijke diagnose-classificatie conform de integrale DSM-5 (excl. persoonlijkheidsstoornis als primaire diagnose) en ernstige problematiek. Wanneer ernstige problematiek leidt tot aanzienlijke beperkingen in het dagelijks functioneren, zowel thuis als elders als gevolg van het ziektebeeld, kan S-GGZ ingezet worden. Naast deze ernstige problematiek kunnen ook andere beperkingen spelen. Deze beperkingen kunnen ook zelfstandig spelen. In beide gevallen kan S-GGZ ingezet worden. Het gaat dan om de volgende beperkingen: hoog risico (duidelijke aanwijzingen voor gevaar (ernstig nadeel), suïcidaliteit); en/of hoge complexiteit: ingewikkelde (somatische) co morbiditeit, psychosociale problemen in het gezin, geringe draagkracht in het netwerk, langdurige schooluitval; en/of ernstige opvoedingsproblematiek als gevolg van psychiatrische problematiek van opvoeder(s); en/of (vermoeden van) ontwikkeling richting criminaliteit Specifiek t.a.v. EMDR Jeugdigen die na het meemaken van ingrijpende gebeurtenissen, trauma gerelateerde klachten hebben ontwikkeld. Het doel van EMDR is het verwerken van herinneringen aan identificeerbare ingrijpende ervaringen, die de cliënt hebben getraumatiseerd. Hierdoor kunnen klachten worden verminderd, die zijn ontstaan als gevolg van die herinneringen en het lijden dat daarmee gepaard gaat. Voor complex trauma kan EMDR als onderdeel van de totale behandeling binnen de S-GGZ worden ingezet, mits er geen sprake is van enkelvoudig trauma. Criteria Bij de berekening van de maximaal te verlenen S-GGZ wordt uitgegaan van maximaal 2 uur per week voor de periode van maximaal 12 maanden. De Beschikking bevat op basis van deze berekening een totaal aantal uren die binnen de afgegeven periode vrij ingezet kunnen worden. Slechts in uitzonderlijke gevallen is verlenging bespreekbaar. In voorkomend geval zal de beoordeling plaatsvinden aan de hand van alle relevante omstandigheden. De casuspositie van de Jeugdige -met inachtneming van alle omstandigheden- is hierin leidend; Verlenging van maximaal 6 maanden is alleen bespreekbaar indien er een goed onderbouwd Behandelplan aan ten grondslag ligt en er voldaan is aan alle toepasselijke wet- en regelgeving. Streven is dat bij verlenging wordt afgeschaald naar Basis-GGZ; De behandeling wordt geboden vanuit multidisciplinaire teams bestaande uit professionals met een opleidingsniveau variërend van HBO+ tot en met medisch specialist (functiemix). Het zwaartepunt ligt bij de inzet van WO+ opleidingsniveau. Er is altijd een Psychiater of Klinisch psycholoog lid van een multidisciplinair team; De behandeling vindt altijd plaats onder toezicht van een regiebehandelaar. De regiebehandelaar is eindverantwoordelijk voor het vaststellen van het Behandelplan, voor de integrale behandeling van de Jeugdige en voor het vastleggen van de daadwerkelijk verleende Jeugdhulp; Professionals die daartoe bevoegd zijn op grond van landelijke kwaliteitsnormen van beroepsorganisaties NVO, V&VN, FGzPt en KNMG kunnen de rol van regiehandelaar bekleden. Tot de bevoegde professionals behoren in ieder geval: Psychiater, Klinisch psycholoog, Klinisch neuropsycholoog, Psychotherapeut, Verslavingsarts in profielregister KNMG, GZ-psycholoog, Verpleegkundig specialist GGZ, Orthopedagoog Generalist en Sociaal Psychiatrisch Verpleegkundige.; De regiebehandelaar kan bij zijn behandeling ondersteund worden door medebehandelaars. Deze hebben ten minste een HBO-opleidingsniveau; Voor de uitvoering van een EMDR traject dient de uitvoerend professional te beschikken over een certificaat van een erkende EMDR training/opleiding voor de doelgroep Jeugdige. Diagnostiek GGZ Diagnostiek is het proces waarbij de probleemgebieden in het functioneren van de jeugdige genuanceerd wordt beschreven en waarbij de ontwikkeling op verschillende deelgebieden in beeld wordt gebracht. Hierbij hoort een inventarisatie van verschillende omgevingsvariabelen die van invloed kunnen zijn op het functioneren van de jeugdige, worden sterke kanten in kaart gebracht en wordt vanuit het perspectief op eventuele mogelijkheden voor behandeling naar de jeugdige en diens omgeving gekeken. Diagnostiek is gericht op de volle breedte van de ontwikkeling van de jeugdige, de in de ontwikkeling optredende problemen en kansen en de mogelijkheden voor behandeling en begeleiding. Diagnostiek is dus meer dan classificatie. Classificatie vindt plaats wanneer de probleembeschrijving gewogen wordt getoetst aan de formele criteria van de classificatiecategorieën van een classificatiesysteem, bijvoorbeeld de DSM. Onder Diagnostiek J-GGZ worden de volgende activiteiten onderscheiden: Intake/screening: alle activiteiten gericht op verduidelijking van de zorgvraag; Verwerven informatie van eerdere behandelaars; Hetero-anamnese: het verzamelen van alle noodzakelijke diagnostische informatie bij de partner, familie of andere relaties van de jeugdige middels gesprekken en vragenlijsten; Psychiatrisch onderzoek: het doel van een psychiatrisch onderzoek is om een totaalbeeld te krijgen van de Jeugdige op de verschillende ontwikkelingsgebieden: algemene ontwikkeling, emotionele en sociale ontwikkeling, cognitieve ontwikkeling, lichamelijke ontwikkeling en biologische rijping. Op basis van het beeld dat hiermee verkregen wordt, wordt bekeken of er sprake is van psychopathologische symptomen, d.w.z. kenmerken die te maken kunnen hebben met (kinder-)psychiatrische aandoeningen zoals autisme, ADHD, hechtingsproblematiek, depressie, angststoornis, psychose, etc.; En/Of Psychodiagnostisch onderzoek: met psychodiagnostisch onderzoek kan de ontwikkeling (en het gedrag) van een Jeugdige in kaart gebracht worden. Er wordt niet alleen gekeken naar problematiek bij de Jeugdige, maar ook naar de (gezins)context. Een psychodiagnostisch onderzoek kan bestaan uit verschillende onderdelen: ontwikkelingsanamnese, intelligentie en neuropsychologisch onderzoek, persoonlijkheidsonderzoek; En Contextueel onderzoek: inschatten van de invloed/beperkingen/ mogelijkheden van onder andere het gezin en de school voor de Jeugdige; Het terugkoppelen van het advies aan de Jeugdige over de in te zetten behandeling. Volledig verslag van bovenstaande inzet, inclusief het advies over in te zetten behandeling of (gezins)begeleiding. Neurologisch onderzoek maakt geen deel uit van dit product of van de Jeugdhulp vergoed door het College. Criteria Diagnostiek J-GGZ wordt uitgevoerd in een multidisciplinair team. In dit multidisciplinair team is in ieder geval een in een Beroepsregister opgenomen kinder- en jeugdpsychiater, klinisch psycholoog, K&J-psycholoog of GZ-psycholoog werkzaam. Verder kunnen medisch professionals die op grond van landelijke normen en veldafspraken van de NVO, V&VN, FGzPt en KNMG daartoe bevoegd zijn, onderdeel uitmaken van het multidisciplinair team; Teneinde een accurate (psychiatrische) diagnose te kunnen stellen schakelt Opdrachtnemer ter eigen beoordeling en zo nodig de expertise in van bijvoorbeeld een Kinderarts, Kinderneuroloog, Logopedist of Fysiotherapeut; De werkwijze is gebaseerd op richtlijnen en wetenschappelijke inzichten; Indien er rapportages worden opgesteld ten behoeve van Diagnostiek J-GGZ dienen deze in beginsel minimaal twee jaar te worden gehanteerd. Diagnostiek J-GGZ kan in beginsel niet binnen 2 jaar herhaald worden afgegeven; Diagnostiek J-GGZ heeft een maximale inzet van totaal 50 uur per Beschikking. Deze uren zijn vrij inzetbaar gedurende de looptijd van de Beschikking. Diagnostiek J-GGZ kan nimmer verlengd worden. Medicatiecontrole De gemeenten zijn o.b.v. de Jeugdwet verantwoordelijk voor het (laten) uitvoeren van medicatieregulatie voor Jeugdigen (tot 18 jaar) met psychiatrische stoornissen (psychofarmaca). Het betreft hier instellen, dan wel bijstellen van de benodigde medicatie ten behoeve van het volledig voorkomen of verminderen van klachten en symptomen van de psychiatrische stoornis. Dit met uiteindelijk doel dat de Jeugdige functioneert en zich leeftijdsadequaat ontwikkelt binnen zijn/haar mogelijkheden. In praktijk houdt dit in dat de Jeugdige periodiek een consult heeft met de behandelaar. Tijdens dit consult worden de effecten (zowel bedoelde, als onbedoelde) van de medicatie beoordeeld. Op basis hiervan wordt er al dan niet een wijziging (andere type of andere dosering) aan de medicatie doorgevoerd. Medicatiecontrole is voor Jeugdigen die na afsluiting van een (psychologische) behandeling ondersteuning nodig hebben bij het eventueel wijzigen van psychofarmaca en de controle daarop. Als de huisarts betrokken is bij de medicatie, dan kan hij/zij de medicatiecontrole uitvoeren en hoeft er geen ggz aanbieder betrokken te zijn bij medicatiecontrole. De controle op het gebruik van psychofarmaca en/of de bijstelling daarvan wordt uitgevoerd door een psychiater of voorschrijvend arts zoals bedoeld in de wet BIG; Het stellen van de diagnose vindt plaats door (of onder strikte supervisie van) de psychiater, kinderarts of huisarts. Als een diagnose gesteld is door de hiervoor genoemde regiebehandelaar, kan de uitvoering van de medicatiecontrole ook door de (sociaal) psychiatrisch verpleegkundige worden uitgevoerd. Criteria Medicatiecontrole wordt beschikt voor in totaal 12o minuten per Beschikking. Een consult wordt afgenomen door psychiater of medisch specialist of (sociaal) psychiatrisch verpleegkundige; Het aantal consulten binnen de afgegeven Beschikking voor Medicatiecontrole is te bepalen door de behandelaar;; De kosten voor de psychofarmaca zelf worden vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet; Product vervoer kan niet worden ingezet. Curatieve GGZ uitgevoerd door kinderartsen Curatieve GGZ uitgevoerd door kinderartsen betreft een poliklinische diagnostiek of ingreep bij gedragsproblemen of problemen met een psychische oorzaak. Behandeling of diagnostiek van Jeugdigen met ADHD of niet nader geduide psychosociale problematiek bij Jeugdigen. Er wordt ingezet op het stabiliseren en het signaleren of terugval aan de orde is. Curatieve GGZ uitgevoerd door kinderartsen wordt veelal ingezet als in een eerder jeugdhulptraject een diagnose is gesteld en behandeling heeft plaatsgevonden. Het gaat veelal om medicatie-onderhoud. De behandeling van Jeugdigen met ADHD richt zich op het bestrijden of reduceren van de symptomen en belastende factoren door middel van medicijnen Criteria De Curatieve GGZ uitgevoerd door kinderartsen wordt uitsluitend uitgevoerd door een kinderarts, werkzaam in een ziekenhuis of bij een zelfstandig behandelcentrum; Ingeval van ADHD problematiek heeft de kinderarts die de diagnostiek en/of behandeling uitvoert aantoonbaar ADHD als aandachtsveld, wat onder meer blijkt uit specifieke nascholing op het gebied van ADHD en de praktijkervaring daarvoor benodigd; Regiebehandelaar bij medicamenteuze behandeling is: kinderarts, (kinder- en jeugd) psychiater of gespecialiseerde arts; Medicamenteuze GGZ behandeling wordt toegepast conform professionele standaarden die binnen de sector gebruikelijk zijn; Curatieve GGZ uitgevoerd door kinderartsen heeft als uitgangspunt een maximale inzet van 1,5 uur per week in een periode van maximaal 3 maanden. Deze uren zijn vrij inzetbaar gedurende de looptijd van de Beschikking; Verlenging van maximaal 3 maanden is mogelijk indien er een goed onderbouwd Behandelplan aan ten grondslag ligt en er voldaan is aan alle toepasselijke wet- en regelgeving. Perceel 4a: Gezinsbegeleiding en behandeling Omschrijving Productcode Gezinsbegeleiding 45G01 Gezinsbehandeling 45G02 Persoonlijke verzorging 40A04 Gezinsbegeleiding Gezinsbegeleiding is gericht op het bevorderen, het behoud of het compenseren van zelfredzaamheid van de jeugdige en zijn (dagelijkse) pedagogische omgeving. Daarbij is het gericht op het in evenwicht brengen van draagkracht en draaglast van de jeugdige en het gezin. Gezinsbegeleiding wordt ingezet ter vergroting van de opvoedvaardigheden van ouders en/of om jeugdigen zélf te begeleiden bij gestelde ontwikkelingseisen die nu net te zwaar voor hen zijn. Na afloop van de gezinsbegeleiding is de zelfredzaamheid en de veiligheid van de jeugdige vergroot, zijn ouders in staat aan te sluiten bij de ontwikkelbehoefte van de jeugdige en zijn de jeugdige en zijn gezin in staat om hun eigen kracht en/of hun netwerk in te zetten om hun problematiek aan te pakken. Gezinsbegeleiding is er voor de jeugdige en zijn/haar gezin met enkelvoudige tot meervoudige systeem-/opvoedproblematiek, waarvoor professionele opvoeddeskundigheid is vereist; De jeugdige en zijn gezin hebben (nog) niet volledig de vaardigheden om hun problematiek op eigen kracht aan te pakken. Er is dan ook sprake van beperkte of weinig motivatie bij jeugdige en/of ouder; Gezinsbegeleiding bestaat uit het oefenen en/of eigen maken van vaardigheden of handelingen of het aanbrengen van structuur of het voeren/terugpakken van regie door de jeugdige en/of het systeem zelf; Bij gezinsbegeleiding is er altijd sprake van ontwikkelingsperspectief en/of stabilisatie, gericht op uitstroom en kortdurende ondersteuning; Er zijn veiligheidsrisico’s aanwezig; Onvoorspelbaarheid in gedrag en ondersteuningsbehoefte. Criteria Gezinsbegeleiding kan bestaan uit Praktische pedagogische gezinsbegeleiding (PPG), Intensieve Pedagogische Thuisbegeleiding (IPT), Begeleide bezoeken of soortgelijke interventies zoals opgenomen in de databank effectieve jeugdinterventies van het NJI onder de noemer gezinsgerichte aanpak, gespecialiseerde hulp; En de databank effectieve sociale interventies van Movisie gelden de daaraan gestelde kwaliteits- en uitvoeringseisen; Wanneer een aanbieder een andere methodiek wil inzetten dan de specifiek genoemde methodieken bij dit product, dient de aanbieder te voldoen aan de gestelde kwaliteit- en uitvoeringseisen van de betreffende methodiek en dient de regiehouder/JEL hier akkoord voor te geven; PPG heeft een maximaal inzet van 3 uur per week voor een periode van maximaal 9 maanden; IPT heeft een maximale inzet van 3 tot 4 uur per week voor maximaal 8 maanden; Begeleide bezoeken hebben een maximaal inzet van 2 uur per week; Gezinsbegeleiding vindt altijd plaats ín de thuissituatie; Inzet is methodisch en gericht op het stabiliseren en/of vergroten van de zelfredzaamheid in het algemeen dagelijks functioneren van het gezin en opvoedsysteem; Er wordt gewerkt met een competentiegerichte, systeemgerichte methodische en resultaatgerichte aanpak; Verlenging van de voorziening is mogelijk wanneer de geboden ondersteuning doelmatig en effectief is waarbij er reële doelen worden gesteld die specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden zijn. De doelen worden geëvalueerd en waar nodig minimaal elk halfjaar bijgesteld of eerder indien noodzakelijk. Er wordt vooruitgang geboekt en/of stabilisatie bereikt in relatie tot de beperkingen en de mogelijkheden van de jeugdige en/ of ouder en in de gestelde doelen. Hierbij wordt er gewerkt aan zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de jeugdige, afbouw van hulp en geen afhankelijkheid van hulp. De inzet en duur van de voorziening dient te worden onderbouwd door recent afgenomen onderzoek, door de jeugdprofessional en diens GD. Gezinsbehandeling Gezinsbehandeling is van specifieke, medische of gedragswetenschappelijke aard, gericht op het beperken van gedrags- en/of ontwikkelproblemen en het versterken van specifieke opvoedvaardigheden van ouders. Er is specifieke deskundigheid van een gedragsdeskundige nodig. Gezinsbehandeling is gericht op gezinnen met kinderen van elke leeftijd die meerdere problemen ervaren in het opvoeden en opgroeien, daarnaast zijn er problemen op de andere domeinen; Er is ondersteuning vanuit een multidisciplinair team van behandelaren en is altijd systeemgericht; Bij de uitvoering van de gezinsbehandeling wordt het functioneren op alle relevante leefgebieden meegenomen en vastgelegd in een behandelplan; Observatie kan als onderdeel van dit product worden ingezet om zicht te krijgen op de oorzaak en/of de ernst van de problematiek Gezinsbehandeling vindt altijd plaats ín de thuissituatie; De omgeving wordt betrokken bij de ondersteuning, zodat jeugdige en ouders zoveel mogelijk zelf verder kunnen. Criteria Gezinsbehandeling kan bestaan uit Intensieve Ambulante Gezinsbegeleiding (IAG), ouderschapsbemiddeling, Ouderschap na Scheiding (ONS) of soortgelijke interventies zoals opgenomen in de databank effectieve jeugdinterventies van het NJI onder de noemer gezinsgerichte aanpak, gespecialiseerde hulp; Wanneer een aanbieder een andere methodiek wil inzetten dan de specifiek genoemde methodieken bij dit product, dient de aanbieder te voldoen aan de gestelde kwaliteit- en uitvoeringseisen van de betreffende methodiek en dient de regiehouder/JEL hier akkoord voor te geven. Inzet IAG bevat gemiddeld 4 uur per week voor een maximaal inzet van 6 maanden; Inzet IAG bij aangetoonde LVB-problematiek in het gezin bevat 6 uur per week voor 9 tot 14 maanden; Ouderschapsbemiddeling bevat gemiddeld 2,5 uur per week voor een periode van 3-6 maanden; ONS-traject (Ouderschap Na Scheiding) bevat gemiddeld 3 uur per week voor maximaal 6 maanden; De gezinsbehandeling richt zich altijd op het hele systeem. Verlenging van de voorziening is mogelijk wanneer de geboden ondersteuning doelmatig en effectief is waarbij er reële doelen worden gesteld die specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden zijn. De doelen worden geëvalueerd en waar nodig minimaal elk halfjaar bijgesteld of eerder indien noodzakelijk. Er wordt vooruitgang geboekt en/of stabilisatie bereikt in relatie tot de beperkingen en de mogelijkheden van de jeugdige en/ of ouder en in de gestelde doelen. Hierbij wordt er gewerkt aan zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de jeugdige, afbouw van hulp en geen afhankelijkheid van hulp. De inzet en duur van de voorziening dient te worden onderbouwd door recent afgenomen onderzoek, door de jeugdprofessional en diens GD. Persoonlijke verzorging Persoonlijke verzorging is er voor jeugdigen van 0 tot 18 jaar waarbij sprake is van een tekort aan of verminderde zelfredzaamheid op het gebied van zelfzorgactiviteiten door een ontwikkelingsachterstand, psychische aandoening, verstandelijke, lichamelijke, zintuiglijke en/of meervoudige beperking. Persoonlijke verzorging richt zich op de ontwikkeling of stabilisering van algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), persoonlijke hygiëne en lichamelijke basiszorg, zodat de jeugdige zo zelfstandig mogelijk kan deelnemen aan de samenleving; Persoonlijke verzorging biedt doelgerichte hulp bij algemeen dagelijkse levensbehoeften en zelfverzorgings-taken. Persoonlijke verzorging houdt in: het ondersteunen bij, het stimuleren van, het aanleren van of het tijdelijk overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging; De volgende algemeen dagelijkse levensverrichtingen zijn onderdeel van de Persoonlijke verzorging: In en uit bed komen; Wassen; Aan en uit kleden; Toiletgang en zich daarbij reinigen; Ondersteuning bij uitscheiding; Eten en drinken (ook sondevoeding); Zorg voor tanden, haren, nagels en huid; Zich verplaatsen in zit- en lighouding (hulp bij beweging en houding); Het aanreiken en zo nodig toedienen van medicatie; Aanbrengen en verwijderen van prothese; Aanleren en begeleiden van activiteiten op het gebied van persoonlijke verzorging. De persoonlijke verzorging regulier bevat ook advies, instructie en voorlichting aan jeugdige die in directe relatie staan met de ADL, waaronder stimulering van jeugdige bij het deels zelf uitvoeren van activiteiten. Hiertoe behoort ook het desgevraagd adviseren van gebruikelijke verzorgers van cliënt. Criteria In den beginsel voor een periode van 1 jaar. Verlenging van de voorziening is mogelijk wanneer de geboden ondersteuning doelmatig en effectief is waarbij er reële doelen worden gesteld die specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch en tijdgebonden zijn. De doelen worden geëvalueerd en waar nodig minimaal elk halfjaar bijgesteld of eerder indien noodzakelijk. Er wordt vooruitgang geboekt en/of stabilisatie bereikt in relatie tot de beperkingen en de mogelijkheden van de jeugdige en/ of ouder en in de gestelde doelen, Hierbij wordt er gewerkt aan zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de jeugdige, afbouw van hulp en geen afhankelijkheid van hulp. De inzet en duur van de voorziening dient te worden onderbouwd door recent afgenomen onderzoek, door de jeugdprofessional en diens GD. Perceel 4b: Vaktherapie Omschrijving Productcode Vaktherapie 45G03 Vak therapie is voor jeugdigen waarbij sprake is van: psychische, dan wel psychosociale problematiek, een vastgelopen ontwikkeling, een ingrijpende ervaringen, gebeurtenissen, veranderingen en/of een beperkingen die leiden tot klachten op het gebied van emotieregulatie, contact met het eigen gevoelsleven en zelfbeeld, omgaan met stress of op het sociaal functioneren. Dit kan zich bijvoorbeeld uiten in: gedragsproblemen, psychosomatische klachten, leer- en ontwikkelingsproblemen of communicatieproblemen. Bij vak therapie is er sprake van een complexe of verstoorde relatie tussen ouder en kind en/of het gezinssysteem en/of ouders/verzorgers hebben moeite om het kind te begrijpen en te begeleiden en hebben behoefte aan ondersteuning; Vak therapie is om de problematiek op te heffen, te verminderen of te accepteren, om terugval of hernieuwde klachten zo veel mogelijk te voorkomen en om de veerkracht van kind en ouders/verzorgers te herstellen; Ouders/opvoeders/gezinssysteem worden betrokken bij de vak therapie van de jeugdige; Onder het product vak therapie vallen de volgende therapieën: beeldende therapie, danstherapie, dramatherapie, muziektherapie, speltherapie, psychomotorische kindertherapie en psychomotorische therapie. Criteria Dit product wordt ingezet voor gemiddeld 1 sessie per week waarbij er een maximale inzet is van 20 sessies; Een sessie heeft de duur van 1 uur; Verlenging is eenmalig mogelijk in samenspraak met de verwijzer Daar waar de aanvullende zorgverzekering voorziet in vergoeding van vak therapie, is dat voorliggend op de inzet vanuit de Jeugdwet. Dit dient gecheckt te worden door de verwijzer. Perceel 4c: Flexibele Assertive Community Treatment (FACT) Omschrijving Productcode FACT 45G04 FACT is voor jongeren (12 tot 18 jaar) en hun gezinnen die zijn vastgelopen op meerdere levensgebieden, die onvoldoende aansluiting hebben bij de reguliere hulpverlening. Daarbij is er sprake van complexe psychische problemen, al dan niet in combinatie met een verstandelijke beperking. FACT-teams bieden zorg op maat door samenwerking met partijen in het netwerk van de jeugdige, waaronder onderwijs en politie. Door snel de benodigde hulp op de juiste tijd en plaats in te zetten, kan in de toekomst opname en langdurige zorgafhankelijkheid voorkomen worden. Soms is een time out opname nodig. Dit maakt integraal deel uit van het behandeltraject. FACT is er om te stabiliseren, behandelen en begeleiden van een gezin naar reguliere zorg en een uithuisplaatsing voorkomen; Het ondersteunen en verbeteren van de situatie van de jeugdige op alle levensgebieden FACT teams zijn multidisciplinair samengesteld; GZ-psycholoog of gedragswetenschapper, systeemtherapeut, (kinder- en jeugd) psychiater, sociaal psychiatrisch verpleegkundige, intensief ambulant gezinsbegeleider en een ervaringsdeskundige. Bij specifieke hulpvragen wordt samengewerkt met specialisten in de GGZ en verslavingszorg. er kan sprake zijn van verslavingsgevoeligheid, het vertonen van agressief en (dreigend) crimineel gedrag; Multi problematiek in het gezin, met een verstoorde draagkracht/draaglast, met een hoog risico op dat de situatie in een crisis uitmondt als geen passende zorg wordt ingezet; Er kan sprake zijn van zorg-mijdend gedrag. Criteria Bij de berekening van de te verlenen FACT wordt uitgegaan van maximaal 12 uur Cliëntgebonden tijd per gezin per week voor een periode van maximaal 6 maanden. De Beschikking bevat op basis van deze berekening een totaal aantal uren die binnen de afgegeven periode vrij ingezet kunnen worden. Een verlenging is bespreekbaar indien op basis van de evaluatie blijkt dat dit noodzakelijk is. De evaluatie wordt opgesteld door de zorgaanbieder en wordt door de Verwijzer beoordeeld. Verlenging van maximaal 3 maanden is alleen bespreekbaar indien er een goed onderbouwd Behandelplan aan ten grondslag ligt en er voldaan is aan alle toepasselijke wet- en regelgeving. De inzet en duur van de Zorg dient te worden onderbouwd door recent afgenomen onderzoek, door de jeugdprofessional en diens Gedragsdeskundige. Het FACT team is gedurende 24*7 bereikbaar en beschikbaar voor het leveren van dit product. Perceel 4d: Multisysteemtherapie (MST) Omschrijving Productcode Multisysteemtherapie (MST) 45G05 MST is bestemd voor 12 tot 18-jarigen met ernstig antisociaal/ grensoverschrijdend gedrag (zoals agressie, spijbelen, plegen van delicten, weglopen, drugsgebruik en omgang met verkeerde vrienden) én hun ouder(s). De problematiek doet zich op meerdere levensgebieden voor (gezin, school, vrienden, buurt) en is vaak dermate ernstig, dat een uithuisplaatsing dreigt. MST beoogt een uithuisplaatsing te voorkomen; Het is voor MST niet nodig dat een jongere zelf gemotiveerd is om zijn of haar gedrag te veranderen; Contra-indicatie voor reguliere MST is seksueel grensoverschrijdend gedrag. Voor seksueel grensoverschrijdend gedrag bestaat MST-PSB. Autisme en suïcidaliteit is een contra-indicatie. MST ondersteund bij het terugdringen van de ernstige gedragsproblemen waarmee de jongere is aangemeld en zorgen dat het gezin en zijn omgeving in staat zijn eventuele toekomstige problemen zelfstandig het hoofd te bieden; De MST-therapeut stelt bij aanvang van de behandeling samen met de ouders, jongere en verwijzer een behandelplan op met duidelijke doelen en meetbare uitkomsten; Richt zich ook op terugkeer naar het onderwijs of richting werk. Criteria Inzet MST is gemiddeld 5-7 uur per week voor 3-5 maanden De aanpak bestaat uit intensieve behandeling in de thuissituatie; Het gezin staat centraal en heeft 24 uur per dag, 7 dagen per week een therapeut ter beschikking. Na het opstellen van het behandelplan wordt in alle systemen om de jongere heen gezocht naar de factoren die samenhangen met het probleemgedrag; De behandeltechnieken en strategieën die tijdens MST ingezet worden zijn gericht op de jongere zelf, het gezin, de school, het contact met leeftijdsgenoten en de buurt. Perceel 4e: Multidimensionale familietherapie (MDFT) Omschrijving Productcode Multidimensionale familietherapie (MDFT) 45G06 MDFT is bedoeld voor jongeren tussen de 12 en 18 jaar die meervoudig probleemgedrag vertonen als het overmatig gebruik van drugs en/of alcohol, criminaliteit en spijbelen en die daarnaast vaak gedrags- of psychische stoornissen vertonen. Zij zijn meestal op meerdere leefgebieden vastgelopen of dat dreigt te gebeuren. MDFT ondersteund bij het realiseren van een verslavingsvrije leefstijl zonder probleemgedrag, en het verminderen van het risico op (strafrechtelijke) recidive. Daarbij ondersteund het bij afzwakking van co morbiditeit (minder symptomen), minder spijbelen, en betere communicatie en grotere cohesie in het gezin (blijkend uit minder conflicten, minder weglopen). MDFT is een ambulante systeemtherapie aangevuld met bemoeizorg; MDFT richt zich niet alleen op de jongere zelf, maar ook op het gezin en op de bredere sociale omgeving van de jongere; Meestal is er sprake van een verstoord evenwicht in de thuissituatie waarbij de communicatie tussen ouders en jongeren is verslechterd; Bij de behandeling is tenminste één ouder fysiek en emotioneel in staat om, samen met de jongere, in behandeling te gaan. Criteria Een MDFT-traject heeft een inzet van 2 tot 3 sessies per week (totaal 6 uur per week) en heeft een duur van 6 maanden. MDFT is geprotocolleerd doch flexibel, telt sessies met respectievelijk jongere/ouders/gezin en omvat interventies als: Verhogen van behandelmotivatie; Jongere leren problematische situaties te vermijden; Verbeteren van de communicatie in en buiten het gezin; Verbeteren van ouderschaps- en opvoedvaardigheden; Bemoeizorg/casemanagement: de jongere helpen te slagen op school/werk. Losse modules Alle lokaal gecontracteerde aanbieders moeten onderstaande producten kunnen leveren (zie beschrijving van de producten voor de geldende voorwaarden en regels voor inzetbaarheid) Omschrijving Productcode Respijtzorg (logeren) 38K01 Kortdurend verblijf plus behandeling 38K02 Vervoer zonder rolstoel 42A03 Vervoer met rolstoel 42A04 Respijtzorg (logeren) Respijtzorg (logeren) is voor Jeugdigen met een vastgestelde beperking en/of in combinatie met gedragsproblematiek, waarbij de draagkracht/draaglast van het gezinssysteem onder druk staat aangetoond via een belastbaarheidsonderzoek. Waarbij er de mogelijkheid is voor jeugdigen om ergens te logeren waar permanent (24/7) toezicht wordt geboden. In een huiselijke en veilige omgeving aangevuld met een lichte begeleiding waar nodig. Met respijtzorg wordt de draagkracht van het gezin vergroot. Ter ontlasting van ouders en opvoeders, zodat ze de opvoeding zelf vol kunnen houden en geen extra zorg/begeleiding nodig hebben. Bij respijtzorg is er sprake van enkelvoudige problematiek; Er zijn geen of nauwelijks veiligheidsrisico’s aanwezig; Ouders zijn zelf verantwoordelijk voor het vervoer naar de locatie van de respijtzorg. Criteria De respijtzorg wordt aangeboden in een groep bestaande uit maximaal 6 jeugdigen; Respijtzorg heeft als uitgangspunt een maximale inzet van 3 etmalen aansluitend per week voor een maximale periode van 6 maanden. Deze etmalen zijn vrij inzetbaar gedurende de looptijd van de Beschikking. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen is verlenging bespreekbaar; Verlenging van maximaal 6 maanden is alleen bespreekbaar indien er een goed onderbouwd Behandelplan aan ten grondslag ligt en er voldaan is aan alle toepasselijke wet- en regelgeving; De respijtzorg kan als aanvullend product worden ingezet bij alle percelen en dient uitgevoerd te worden door de gecontracteerde die in dat perceel de zorg voor de betreffende jeugdige heeft. Ter uitvoering kan er voor gekozen worden om gebruik te maken van een onderaannemer. De begeleiding wordt geleverd door professionals met een opleidingsniveau variërend van MBO niveau 3 tot en met MBO niveau 4 (functiemix), waar nodig onder de supervisie van een professional met HBO-opleidingsniveau. Waar mogelijk maakt de Opdrachtnemer gebruik van informele zorg. Kortdurend verblijf plus behandeling Kortdurend verblijf plus behandeling is voor jeugdigen met meervoudige opgroei- en opvoedproblemen en/of een ernstige meervoudig vastgestelde beperking/gedragsproblematiek, waarbij continue nabijheid en toezicht van de hulpverlening nodig is en waarbij sprake is van vastgestelde veiligheidsrisico’s. Kortdurend verblijf met behandeling is voor jeugdigen met meervoudige opgroei- en opvoedproblemen; Kortdurend verblijf met behandeling is er om de draagkracht van het gezin te vergroten. Ontlasten ouders/verzorger, waardoor uithuisplaatsing kan worden voorkomen; Het is gericht op het reguleren van de gedragsproblematiek, op ontwikkeling en waar mogelijk maatschappelijke participatie van de jeugdige; Kortdurend verblijf met behandeling is alleen mogelijk wanneer ook een vorm van begeleiding en/of behandeling in het gezin wordt geboden. Kortdurend verblijf met behandeling kan daarmee niet als zelfstandig product worden ingezet. Criteria Mogelijkheid voor jeugdigen om ergens te logeren waar permanent (24/7) toezicht en intensieve methodische begeleiding met inzet van een gedragswetenschapper wordt geboden; Kortdurend verblijf met behandeling wordt altijd in samenhang met een product gezinsbegeleiding of gezinsbehandeling in perceel 4a ingezet. Is onderdeel van een integraal (gezins)behandelplan. Voorwaarde is dat er sprake is van behandeldoelen en de huisvesting gedurende het logeren specifieke aanpassingen vereist om de verzorging/behandeling van de jeugdige mogelijk te maken Groepen van maximaal 4 kinderen; De

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.