← Nederland

Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022 (Bergen (L))

In het kort

Deze verordening regelt de fysieke leefomgeving in de gemeente Bergen (L) en bundelt regels uit verschillende gemeentelijke verordeningen. Het doel is een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit te waarborgen.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022De raad van de gemeente Bergen, Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 25 april 2022; gelet op: de artikelen 147, 149, 149a en 154 van de Gemeentewet; artikel 8 van de Woningwet; de artikelen 3.16 en 9.1 van de Erfgoedwet, gelezen in samenhang met de artikelen 12, 15 en 38 van de Monumentenwet 1988; artikel 6 van de Wet basisregistratie adressen en gebouwen; de artikelen 10.23, eerste lid, 10.24, tweede lid, 10.25, 10.26, eerste lid, en 10.32a van de Wet milieubeheer; de artikelen 2.18, eerste lid, onder f en g, en vijfde lid, 2.21 en 3.148, tweede lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer; artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 2.1, 2.2 en 5.13 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; Besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022 Hoofdstuk1:Algemene bepalingen Afdeling

  1. Inleidende bepalingen Artikel1:1Begripsbepalingen Bijlage 1 bij deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening. Artikel1:2Toepassingsbereik Deze verordening geeft regels over aanwijzingen in de fysieke leefomgeving en regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving die gaan vallen onder de reikwijdte van de toekomstige Omgevingswet en die niet mogen worden opgenomen in een bestemmingsplan. Artikel1:3Doelen van de verordening 1.Het doel van deze verordening is het samenbrengen van regels over de fysieke leefomgeving vanuit diverse gemeentelijke verordeningen in één verordening. Deze regels zullen na de inwerkingtreding van de Omgevingswet (gefaseerd) worden verwerkt in het omgevingsplan. 2.Binnen het toepassingsbereik van deze verordening is het doel van de regels: een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en een doelmatig beheer en gebruik van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. 3.De toepassing van deze verordening is verder gericht op de bescherming van het milieu, met inbegrip van een doelmatig beheer van afvalstoffen. Afdeling
  2. Proces Artikel1:4Beslistermijn 1.Het bevoegd gezag beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2.Het bevoegd gezag kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3.In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing als beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 5:1 of artikel 7:
  3. Artikel1:5Voorschriften en beperkingen 1.Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel1:6Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel1:7Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1.De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of de houder dit verzoekt. 2.Naast deze intrekkings- en wijzigingsgronden kunnen voor specifieke vergunningen of ontheffingen nog aanvullende gronden gelden. Artikel1:8Geldingsduur 1.De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2.De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel1:9Weigeringsgronden 1.Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu. 2.Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. 3.Naast deze weigeringsgronden kunnen voor specifieke vergunningen of ontheffingen nog aanvullende gronden gelden. Afdeling
  4. Advisering Artikel1:10De advisering door de welstandscommissie 1.De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan Dorp, Stad en Land, die personen voordraagt als lid van de welstandscommissie, hierna gezamenlijk te noemen: de welstandscommissie. 2.De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. 3.De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota genoemde welstandscriteria. Artikel1:11Samenstelling van de welstandscommissie 1.De welstandscommissie bestaat ten minste uit een voorzitter en drie leden, die allen deskundig zijn op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie. 2.Voor de voorzitter en leden worden plaatsvervangers aangewezen die hen bij afwezigheid kunnen vervangen. 3.De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste twee leden aanwezig zijn, tenzij sprake is van gemandateerde behandeling als bedoeld in het Reglement Integrale Kwaliteits Commissie conform bijlage 2 van deze verordening. 4.De voorzitter en leden van de welstandscommissie zijn onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur. 5.Een van de leden van de welstandscommissie fungeert tevens als secretaris. Artikel1:12Benoeming en zittingsduur 1.De voorzitter en leden van de welstandscommissie en hun plaatsvervangers worden op voorstel van Dorp, Stad en Land benoemd en ontslagen door het college. 2.Het Reglement Integrale Kwaliteits Commissie dat als bijlage 2 van deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in het voorgaande, nadere benoemingsprocedures. 3.De leden van de commissie blijven bij het verstrijken van de benoemingstermijn hun functie vervullen totdat in de opvolging is voorzien. 4.Het gemeentebestuur kan een tijdelijk voorziening treffen in het belang van de continuïteit van de samenstelling van de commissie. Artikel1:13Jaarlijkse verantwoording De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde komt: op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de welstandsnota; de werkwijze van de welstandscommissie; op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van vergaderen; de aard van de beoordeelde plannen; de bijzondere projecten. De welstandscommissie kan in haar jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder. Artikel1:14Termijn van advisering 1.De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat door of namens het college daarom is verzocht. 2.De welstandscommissie brengt het advies, over de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning betrekking heeft op een deel van een project of een gefaseerde aanvraag betreft, uit binnen drie weken nadat door of namens het college daarom is verzocht. 3.Het college kan in hun verzoek om advies de welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een langere termijn kan door het college worden gegeven indien de termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel1:15Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting 1.De behandeling van bouwplannen door of onder verantwoordelijkheid van de welstandscommissie is openbaar. De datum van de vergadering van de welstandscommissie wordt tijdig bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien het college – al dan niet op verzoek van de aanvrager – een verzoek doet tot niet-openbare behandeling, dan dient het college daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen. 2.Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor bouwen hierom bij het indienen van de aanvraag om bouwvergunning heeft verzocht, wordt deze door of namens de welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het bouwplan. 3.In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor bouwen een uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld. 4.Er is spreekrecht. Artikel1:16Afdoening onder verantwoordelijkheid 1.De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies, in afwijking van artikel 1:11, onder verantwoordelijkheid van de commissie overlaten aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. Het aangewezen lid of de aangewezen leden adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden verondersteld. 2.In geval van twijfel wordt het bouwplan alsnog voorgelegd aan de welstandscommissie. Artikel1:17Vorm waarin het advies wordt uitgebracht 1.De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk. 2.Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens het college gevoegd bij de omgevingsvergunning voor het bouwen. Hoofdstuk2:Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Afdeling
  5. Gemeentelijk erfgoedregister Artikel2:1Gemeentelijk erfgoedregister 1.Het college houdt een door eenieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van krachtens deze verordening onherroepelijk aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed. 2.Het gemeentelijk erfgoedregister bevat: gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed; gegevens over door het college van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet. Afdeling
  6. Aanwijzing gemeentelijk monument Artikel2:2Aanwijzing als gemeentelijk monument 1.Het college kan besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. 2.Dit artikel is niet van toepassing op: rijksmonumenten, en monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. Artikel2:3Voornemen tot aanwijzing 1.Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 2:2, eerste lid, wordt door het college schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2.Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voert het college overleg over het voornemen met de eigenaar. Artikel2:4Advies gemeentelijke adviescommissie 1.Het college vraagt over het voornemen om toepassing te geven aan artikel 2:2, eerste lid, advies aan een gemeentelijke adviescommissie waarbinnen enkele leden deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg. Van de adviescommissie maken geen deel uit leden van het gemeentebestuur. 2.De gemeentelijke adviescommissie betrekt in ieder geval de leden die deskundig zijn op het gebied van de monumentenzorg bij het advies. 3.De gemeentelijke adviescommissie brengt binnen acht weken na ontvangst van de adviesaanvraag schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit. Artikel2:5Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1.Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag. 2.De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel2:6Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1.De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2.Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel2:7Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument 1.In een spoedeisend geval kan het college een monument of archeologisch monument aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. In afwijking van artikel 2:4 wordt in dat geval aan de gemeentelijke adviescommissie advies gevraagd over de vastgestelde aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument. 2.Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als het college een besluit heeft genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 2:2, eerste lid. 3.Artikel 2:6 is van overeenkomstige toepassing op de aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel2:8Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1.Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten en voorlopige gemeentelijke monumenten ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2.Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register is deze afdeling van overeenkomstige toepassing, tenzij het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 3.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het monument of het archeologisch monument waarop de aanwijzing betrekking heeft is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. Afdeling
  7. Aanwijzing gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht Artikel2:9Aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1.De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, stads- of dorpsgezichten aanwijzen als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. 2.Het college zendt het voorstel voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid. Artikel 2.4, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. 3.De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid. 4.Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 5.Dit artikel is niet van toepassing op een beschermd stads- of dorpsgezicht die zijn aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel2:10Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht 1.De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 2.9, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- of dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- of dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, of beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 3.Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. Afdeling
  8. Aanwijzing gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling Artikel2:11Aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling 1.Het college kan ambtshalve besluiten een cultuurgoed dat van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis of uitzonderlijke schoonheid is en dat als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en dat in eigendom is van de gemeente of dat aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermd cultuurgoed. 2.Het college kan ambtshalve besluiten een verzameling van bijzondere cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis, die als geheel of door een of meer van de cultuurgoederen die een wezenlijk onderdeel van de verzameling zijn, als onvervangbaar en onmisbaar behoort te worden behouden voor het gemeentelijk cultuurbezit en die in eigendom van de gemeente is of die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd aan te wijzen als gemeentelijk beschermde verzameling. 3.Voor de aanwijzing van een cultuurgoed dat of een verzameling die aan de zorg van de gemeente is toevertrouwd is toestemming van de eigenaar vereist. 4.Over het voornemen van een aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid, alsmede over de vervreemding van een gemeentelijk beschermd cultuurgoed of een gemeentelijk beschermde verzameling of over het afstand doen van de zorg daarvoor vraagt het college advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet. 5.Dit artikel is niet van toepassing op: door de minister beschermde cultuurgoederen en beschermde verzamelingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, en cultureel erfgoed dat is aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. 6.Zodra een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt deze onverwijld opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel2:12Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als gemeentelijk beschermd cultuurgoed of gemeentelijk beschermde verzameling 1.Het college kan een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 2:11, eerste of tweede lid, ambtshalve wijzigen of intrekken. Artikel 2:11, vierde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2.Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het gemeentelijk beschermd cultuurgoed of de gemeentelijk beschermde verzameling waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: door de minister beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, of beschermd cultureel erfgoed op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet. 3.Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. Afdeling
  9. Aanwijzing van namen en nummers in de openbare ruimte Artikel2:13Naamgeving woonplaatsen en openbare ruimte 1.Het college stelt de grens en de naam van een of meer woonplaatsen vast en kan deze in wijken en buurten verdelen conform de eisen die het Centraal Bureau voor de Statistiek aan deze indeling verbindt. 2.Het college kent per woonplaats namen toe aan delen van de openbare ruimte en zo nodig aan gemeentelijke gebouwen en bouwwerken. 3.Onder vaststellen, verdelen en toekennen als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt tevens begrepen het wijzigen en intrekken daarvan. Artikel2:14Nummering objecten 1.Het college stelt de lig- en standplaatsen vast. 2.Het college kent nummeraanduidingen toe aan verblijfsobjecten, lig- en standplaatsen. 3.Het college bepaalt de afbakening van panden, verblijfsobjecten, lig- en standplaatsen. 4.De toekenning of afbakening, bedoeld in het tweede en derde lid, kan ook op voor personen toegankelijke objecten, niet zijnde verblijfsobjecten, dan wel op afgebakende terreinen worden toegepast. 5.Onder vaststellen, toekennen en bepalen als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid wordt tevens begrepen het wijzigen en intrekken daarvan. Artikel2:15Nadere regels 1.Het college kan nadere regels stellen over het proces en de wijze van: naamgeving en begrenzing van woonplaatsen, wijken, buurten en bouwblokken; naamgeving en begrenzing van de openbare ruimte; nummering van verblijfsobjecten, lig- en standplaatsen en afgebakende terreinen; opmaak van formulieren, besluiten en verklaringen. 2.De nadere regels zijn niet strijdig met het Convenant inzake postcodes. Hoofdstuk3:Bouwactiviteiten, aanlegactiviteiten, sloopactiviteiten Afdeling
  10. Bodem Artikel3:1Bodemonderzoek 1.Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat in ieder geval uit de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740:2009+A1:2016 nl. Als op basis van het onderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707:2015 nl. 2.De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, geldt niet als het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in de artikelen 2 of 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Deze verwijzing geldt niet voor de hoogtebepalingen in de artikelen 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. 3.Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, toe als voor toepassing van artikel 3.2 bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. 4.Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport, bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, toestaan als uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en de bodemgesteldheid blijkt dat de locatie onverdacht is of dat de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740:2009+A1:2016 nl niet rechtvaardigen. 5.Als het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. Artikel3:2Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; voor het bouwen waarvan een omgevingsgunning voor het bouwen is vereist; en dat de grond raakt, of waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd. Artikel3:3Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen In afwijking van het bepaalde in artikel 3.2 en onverminderd het bepaalde in artikel 2.4 van de Regeling omgevingsrecht, kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. Artikel3:4Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze afdeling wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd. Artikel3:5Vangnet archeologie 1.Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten worden verwacht als in het daar vigerende bestemmingsplan niet is voldaan aan artikel 3.1.6, vijfde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening, tenzij: voor de activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste of tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend; het de verstoring betreft van een archeologisch monument of verwachtingsgebied dat is aangegeven op de provinciale archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door het college vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring; de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. 2.Het college kan nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek. Afdeling
  11. Afvoer hemelwater en grondwater Artikel3:6Lozingsverbod grondwater 1.Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater is het verboden grondwater te lozen op het openbaar riool, de openbare weg of in de openbare ruimte. 2.Het college kan een ontheffing verlenen voor afwijken van het verbod, als van de eigenaar van het bouwwerk of het perceel redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van grondwater kan worden gevergd. Artikel3:7Gebiedsaanwijzing lozingsverbod hemelwater 1.Het college kan een gebied aanwijzen waarbinnen het verboden is afvloeiend hemelwater te lozen op het openbaar riool. 2.Het college houdt bij het aanwijzen van de gebieden rekening met het gemeentelijk rioleringsplan en het basisrioleringsplan. 3.Het verbod als gevolg van de gebiedsaanwijzing treedt in werking 6 maanden na de bekendmaking ervan. 4.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, als van de eigenaar van het gebouw of het perceel redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van het hemelwater kan worden gevergd. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. 5.Op de voorbereiding van de gebiedsaanwijzing is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Artikel3:8Lozingsverbod hemelwater op het openbaar riool – nieuwbouw en aanwijzingsgebieden 1.Met het oog op het beperken van wateroverlast, het beperken van verdroging en het doelmatig beheer van afvalwater is het bij nieuw verhard oppervlak, nieuwe bouwwerken en in daartoe aangewezen gebieden als bedoeld in artikel 3:7, niet toegestaan afvloeiend hemelwater direct of indirect te lozen op het openbaar riool, tenzij een voorziening voor hemelwaterberging is aangebracht en in stand wordt gehouden. 2.De eigenaar van een perceel heeft de verplichting het hemelwater op eigen terrein te verwerken en heeft daarbij de vrije keuze tussen de toe te passen voorzieningen voor hemelwaterberging. 3.De minimale capaciteit van de hemelwaterberging als bedoeld in lid 1 is 60 liter per m2 verhard oppervlak. 4.De hemelwaterberging wordt zo ontworpen en in stand gehouden dat deze binnen 48 uur weer voor 90% beschikbaar is. 5.Het in de hemelwaterberging opgevangen water wordt hergebruikt, geïnfiltreerd in de bodem of vertraagd afgevoerd naar oppervlaktewater. 6.Het college kan ontheffing verlenen van de verplichting als bedoeld in dit artikel, als van de eigenaar van het gebouw of het perceel redelijkerwijs geen andere wijze van afvoer van het hemelwater kan worden gevergd. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Afdeling
  12. Rioolaansluiting Artikel3:9Specifieke zorgplicht 1.Degene die een particulier riool op een openbaar riool aansluit of wijzigt, waarbij sprake kan zijn van nadelige gevolgen voor de gezondheid en/of de doelmatige werking van het openbaar riool, is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. 2.Deze zorgplicht houdt in ieder geval in dat: bij sloopwerkzaamheden of andere werkzaamheden op een op het openbaar riool aangesloten perceel verzanding wordt voorkomen; en de doelmatige werking van de rioolaansluitleiding, naburige aansluitingen en de voorzieningen voor het beheer van afvalwater worden beschermd. Artikel3:10Verbod op de totstandbrenging, wijziging of beëindiging van een rioolaansluiting 1.Het is niet toegestaan een aansluiting op het openbare riool tot stand te brengen, te wijzigen of te beëindigen. 2.Het verbod in het eerste lid geldt niet als: er is voldaan aan de meldplicht bedoeld in artikel 3:11 van deze afdeling, en er wordt voldaan aan de eisen als bedoeld in artikel 3:12 van deze afdeling, en er geen sprake is van een situatie waarin aansluiting of wijziging van aansluiting bezwaarlijk is, zoals omschreven in artikel 3:13 van deze afdeling. 3.Het college bericht de melder uiterlijk binnen 4 weken na ontvangst van de melding of voldaan wordt aan de voorwaarden als bedoeld in het tweede lid. Artikel3:11Melding rioolaansluiting 1.De melding als bedoeld in artikel 3:10 wordt schriftelijk of digitaal met behulp van een daartoe bestemd formulier ingediend bij de gemeente Bergen (L). 2.De melding dient uiterlijk 6 weken voor uitvoering gedaan te worden. Artikel3:12Eisen totstandbrenging, wijziging en beëindiging rioolaansluitleiding 1.Met het oog op de doelmatige werking van het openbaar riool ligt de binnen-onderkant van de rioolaansluitleiding ter plaatse van de perceelsgrens minimaal hoger dan de bovenkant van het openbaar riool, vermeerderd met 200 mm plus een afschot van 1:100 over de afstand tussen het openbaar riool en de perceelsgrens. 2.Indien de bovenzijde/opening van enig lozingstoestel lager is gelegen dan 300 mm boven de kruin van de weg, mag alleen aangesloten worden via een rioolwaterpomp voorzien van terugslagklep. 3.De diameter van de rioolaansluitleiding is kleiner dan of gelijk aan 125 mm, tenzij: de noodzaak van een grotere diameter is aangetoond met een rioleringsberekening; en het openbaar riool ter plaatse van de rioolaansluitleiding over voldoende capaciteit beschikt om het te lozen afvalwater te kunnen afvoeren. 4.De rioolaansluitleiding heeft een voldoende sterkteklasse. 5.Rioolaansluitleidingen worden uitgevoerd in de kleuren: groen als het een leiding voor hemelwater betreft; of grijs als het een leiding voor afvalwater betreft. 6.Uitvoering van werkzaamheden in de openbare ruimte ten behoeve van de totstandbrenging, wijziging en beëindiging van een rioolaansluitleiding, inclusief de aansluiting op het openbaar riool vindt uitsluitend plaats door of namens de gemeente. Artikel3:13Situaties waarin rioolaansluiting of wijziging van rioolaansluiting bezwaarlijk is 1.Een aansluiting van het particulier riool op het openbaar riool of wijziging van die aansluiting kan vanwege technische, juridische of milieu-hygiënische redenen bezwaarlijk zijn. 2.Aansluiting van het particulier riool op het openbaar riool of wijziging van die aansluiting is in ieder geval bezwaarlijk indien: de gevraagde aansluiting een lozing voor afvalwater betreft, waarvoor krachtens de geldende milieuwetgeving een vergunning of een ontheffing benodigd is, maar niet is verleend, of niet aan de geldende algemene regels is voldaan; het openbaar riool ter plaatse van de rioolaansluitleiding niet over voldoende capaciteit beschikt om de hoeveelheid te lozen afvalwater te kunnen afvoeren; de lozing van het afvalwater de doelmatige werking van de openbare riolering en/of de Rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) belemmert. Artikel3:14Kosten en uitvoeren van rioolaansluiting 1.Het college stelt de kosten van de aanleg van de rioolaansluitleiding inclusief aansluitpunt vast op basis van de door het college geraamde werkelijke kosten. 2.De totstandbrenging, wijziging en beëindiging van een rioolaansluitleiding, inclusief de aansluiting op het openbaar riool, vindt uitsluitend plaats door of namens de gemeente. 3.De gemeente kan niet worden gehouden tot feitelijke uitvoering over te gaan, voordat de verschuldigde kosten uit lid 1 door de rechthebbende aan de gemeente zijn voldaan. 4.Indien de kosten voor de aanleg van het openbaar riool, het aansluiten op het openbaar riool en de aanleg of wijziging van de rioolaansluitleiding reeds zijn voldaan uit hoofde van een eerder door de rechthebbende met de gemeente gesloten overeenkomst, worden er geen kosten in rekening gebracht. Artikel3:15Eigendom, beheer en onderhoud rioolaansluitleiding 1.De grens tussen het gemeentelijke eigendom en het particuliere eigendom en de daarmee verbonden verantwoordelijkheid voor beheer en onderhoud van een rioolaansluitleiding ligt ter plaatse van het ontstoppingsstuk in die rioolaansluitleiding. 2.Een ontstoppingsstuk bevindt zich op particulier terrein binnen 0,5 meter van de perceelsgrens. 3.Bij afwezigheid van een ontstoppingsstuk of rioolwaterpomp ligt de grens in de rioolaansluitleiding op een afstand van 0,5 meter binnen de perceelsgrens van rechthebbende c.q. perceeleigenaar. 4.Beheer, onderhoud en inspectie van een ontstoppingsstuk is de verantwoordelijkheid van de perceeleigenaar. Artikel3:16Hardheidsclausule Indien een strikte toepassing van deze afdeling zou leiden tot een beslissing met onvoorziene en onredelijke gevolgen, dan kan het college in bijzondere gevallen van het gestelde in deze afdeling afwijken. Afdeling
  13. Grafkelders en grafbedekkingen Artikel3:17Grafkelder Het college kan aan de rechthebbende op een particulier graf vergunning verlenen tot het daarin voor eigen rekening doen aanbrengen van een grafkelder overeenkomstig de door het college te stellen voorwaarden. Artikel3:18Vergunning grafbedekking 1.Voor het hebben van een grafbedekking is een schriftelijke vergunning nodig van het college. 2.De rechthebbende van een particulier graf vraagt de vergunning voor het hebben van een grafbedekking aan. 3.Het college kan nadere regels vaststellen omtrent de wijze van aanvragen van de vergunning, de aard en de afmetingen van de grafbedekking en de wijze van aanbrengen. 4.Het college kan ontheffing verlenen van de door hen vastgestelde nadere regels. 5.Het college kan de vergunning weigeren indien: niet voldaan wordt aan de vastgestelde nadere regels, genoemd in het derde lid; de grafbedekking afbreuk doet aan het aanzien van de begraafplaats; de duurzaamheid van de materialen onvoldoende is; de constructie van de grafbedekking ondeugdelijk is. Artikel3:19Onderhoud door de gemeente Het college voorziet in het schoonhouden van het gedenkteken en in de zorg voor de winterharde beplantingen. Artikel3:20Onderhoud door rechthebbende of gebruiker 1.Het (doen) plaatsen, aanbrengen, herstellen, vernieuwen of verwijderen van de grafbedekking geschiedt door, voor rekening van en voor risico van de rechthebbende of de gebruiker. 2.De rechthebbende of de gebruiker is verplicht de grafbedekking behoorlijk te onderhouden of te herstellen. 3.Indien de rechthebbende of de gebruiker nalaat de grafbedekking behoorlijk te onderhouden of te herstellen, kan het college de hiervoor in aanmerking komende voorwerpen of zo nodig de gehele grafbedekking doen verwijderen. Het verwijderde blijft gedurende dertien weken ter beschikking van de rechthebbende of de gebruiker en vervalt daarna aan de gemeente, zonder dat deze tot enige vergoeding verplicht is. 4.De verwijdering vindt niet plaats dan nadat het college de rechthebbende of de gebruiker door middel van een verklaring schriftelijk op de hoogte heeft gesteld van de toestand van de grafbedekking. Wanneer het adres van de rechthebbende of de gebruiker niet bekend is maakt het college de verklaring bij de ingang van de begraafplaats op het mededelingenbord bekend. Bij het graf wordt een verwijzing naar de mededeling aangebracht. 5.Het college kan de rechthebbende of de gebruiker per aanschrijving verplichten een beschadiging aan de grafbedekking te herstellen binnen de door het college gestelde termijn indien de beschadiging zodanig is dat deze naar het oordeel van het college het uiterlijk aanzien van de begraafplaats schaadt of indien de beschadiging van de grafbedekking gevaar op levert voor derden. Artikel3:21Niet-blijvende grafbeplanting Niet-blijvende beplanting op een graf die in een verwaarloosde staat verkeert kan door de beheerder worden verwijderd zonder dat aanspraak kan worden gemaakt op schadevergoeding. Losse bloemen, planten, kransen en dergelijke kunnen, wanneer zij verwelkt zijn, door de beheerder worden verwijderd. Linten, siervazen en dergelijke voorwerpen worden gedurende dertien weken ter beschikking gehouden van de rechthebbende of, wanneer het een algemeen graf betreft, van de belanghebbende indien deze daartoe tevoren een aanvraag heeft ingediend bij de beheerder. Artikel3:22Verwijdering grafbedekking na verstrijken van de termijn 1.De grafbedekking kan na het verstrijken van de termijn van uitgifte van het graf door het college worden verwijderd. 2.Het voornemen tot verwijdering van de grafbedekking maakt het college ten minste een jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop de grafbedekking zal worden verwijderd per brief aan de rechthebbende of, wanneer het een algemeen graf betreft, aan de belanghebbende bekend. Wanneer het adres van de rechthebbende of belanghebbende niet bekend is, maakt het college het voornemen tot verwijdering van de grafbedekking gedurende ten minste een jaar voorafgaande aan het tijdstip waarop de grafbedekking zal worden verwijderd door middel van een bij het graf te plaatsen bordje en bij de ingang van de begraafplaats op het mededelingenbord bekend. 3.Indien de grafbedekking niet binnen dertien weken na de verwijdering is afgehaald, vervalt deze aan de gemeente, zonder dat de gemeente tot enige vergoeding verplicht is. Hoofdstuk4:Milieubelastende activiteiten Afdeling
  14. Huishoudelijke afvalstoffen Artikel4:1Aanwijzing van de inzameldienst 1.Het college wijst de inzameldienst aan die is belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. 2.Aan de aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. 3.Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop de inzameldienst huishoudelijke afvalstoffen inzamelt. Artikel4:2Regulering van andere inzamelaars 1.Het is voor anderen dan de inzameldienst verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen tenzij de inzamelaar: daartoe is aangewezen door het college; bij nadere regels van het college van het verbod is vrijgesteld; of verplicht is tot inname, bedoeld in artikel 9.5.2, derde lid, aanhef en onderdeel b, of vierde lid, van de Wet milieubeheer. 2.Het college kan aan een aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, onder a, voorschriften verbinden en beperkingen stellen. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing. Artikel4:3Aanwijzing van inzamelplaats Het college draagt zorg voor ten minste één daartoe ter beschikking gestelde plaats binnen de gemeente, waar in voldoende mate gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen, met inbegrip van grof huishoudelijk afval, achter te laten. Artikel4:4Algemene verboden Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen: ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst of een inzamelaar als bedoeld in artikel 4:2, eerste lid; over te dragen aan een ander dan een inzamelaar als bedoeld in artikel 4:2, eerste lid; of achter te laten op een andere plaats dan de inzamelplaats, bedoeld in artikel 4:
  15. Artikel4:5Gescheiden afvalinzameling 1.Het college stelt regels over de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk door de inzameldienst worden ingezameld, over de frequentie van de inzameling van elk van deze bestanddelen, en over de locaties van deze inzameling bij of nabij elk perceel. 2.In ieder geval de volgende bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen worden afzonderlijk ingezameld: groente-, fruit- en tuinafval; klein chemisch afval; glas; oud papier en karton; kunststof-, metalen – en drankverpakkingen; textiel; afgedankte elektrische en elektronische apparatuur; bouw- en sloopafval; verduurzaamd hout; grof tuinafval; asbest en asbesthoudend afval; grof huishoudelijk afval; schone grond; huishoudelijk restafval; autobanden; herbruikbare huisraad; oud ijzer en metalen; gebruikte disposable babyluiers; vloerbedekking; bitumenhoudend afval; droge matrassen; harde kunststoffen. Artikel4:6Gescheiden aanbieding 1.Het is verboden de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in artikel 4:5, anders dan afzonderlijk: ter inzameling aan te bieden; achter te laten op een inzamelplaats als bedoeld in artikel 4:
  16. 2.Het college kan nadere regels stellen. Deze regels kunnen voor categorieën van gevallen of personen een vrijstelling inhouden van het verbod, bedoeld in het eerste lid. Artikel4:7Tijdstip van aanbieding Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan op de door het college daartoe bepaalde dag en tijden. Deze kunnen voor verschillende bestanddelen verschillend worden vastgesteld. Artikel4:8Wijze en plaats van aanbieding 1.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over het gebruik van: inzamelmiddelen voor het aanbieden ter inzameling bij een perceel; inzamelvoorzieningen voor het aanbieden ter inzameling nabij een perceel. 2.Het is verboden om een inzamelmiddel na afloop van de bepaalde dag en tijden, bedoeld in artikel 4:7, buiten een perceel te laten staan. 3.Het college kan nadere regels stellen voor categorieën van percelen. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden. Afdeling
  17. Bedrijfsafvalstoffen Artikel4:9Inzameling bedrijfsafvalstoffen door inzameldienst Het college kan bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen aanwijzen die worden ingezameld door de inzameldienst die is aangewezen op grond van artikel 4:1, in gevallen waarin de voor deze inzameling krachtens de Verordening Afvalstoffenheffing en Reinigingsrechten verschuldigde heffing is voldaan. Artikel4:10Aanbieding ter inzameling van bedrijfsafvalstoffen Het is verboden anders dan in overeenstemming met artikel 4:9 bedrijfsafvalstoffen ter inzameling door de inzameldienst aan te bieden of over te dragen, of bij een inzamelplaats als bedoeld in artikel 4:3, achter te laten. Artikel4:11Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen 1.Het is verboden bedrijfsafvalstoffen ter inzameling aan te bieden anders dan in overeenstemming met de door het college te stellen regels over de dagen, tijden, wijzen en plaatsen van inzameling van de krachtens artikel 4:9 aangewezen bedrijfsafvalstoffen. 2.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbieden, overdragen of achterlaten van bedrijfsafvalstoffen. Deze regels kunnen mede worden vastgesteld voor anderen dan de inzameldienst. Deze regels kunnen een vrijstelling van het verbod inhouden. Afdeling
  18. Zwerfafval en overige Artikel4:12Dumpingsverbod 1.Het is verboden zonder ontheffing van het college, buiten een inrichting, hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu te veroorzaken, door een afvalstof, een stof of een voorwerp op of in de bodem te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op: het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen of bedrijfsafvalstoffen in overeenstemming met deze verordening; het composteren van huishoudelijk groente-, fruit- of tuinafval op het perceel waar dit is ontstaan; het laden, lossen of vervoeren van afvalstoffen, met inbegrip van daarbij niet te vermijden plaatsing van afvalstoffen, stoffen of voorwerpen op de weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994; handelingen die zijn verboden bij of krachtens de Wet bodembescherming, de Waterwet of het Besluit bodemkwaliteit. 3.Indien de overtreder van dit artikel onbekend is, wordt de persoon tot wie de aangetroffen afvalstof, stof of voorwerp kan worden herleid, geacht te hebben gehandeld in strijd met dit artikel. Artikel4:13Zwerfafval in de openbare ruimte 1.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht die zijn ontstaan buiten een perceel, achter te laten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van deze afvalstoffen. 2.Reclamedrukwerk, ander promotiemateriaal en de verpakking daarvan, die in weerwil van het eerste lid in de openbare ruimte wordt weggeworpen of achtergelaten, wordt terstond opgeruimd door degene die het in de betreffende omgeving onder het publiek verspreidde. 3.Het is verboden zwerfafval te veroorzaken door ter inzameling gereedstaande afvalstoffen of inzamelmiddelen te doorzoeken of te verspreiden, te stoten, te schoppen, omver te werpen of door deze anderszins te behandelen. Artikel4:14Ongeadresseerd drukwerk Een huis-aan-huisblad of ongeadresseerd reclamedrukwerk mag worden bezorgd bij een perceel, tenzij de bewoner of gebruiker expliciet kenbaar heeft gemaakt geen prijs te stellen op het ontvangen ervan. Artikel4:15Zwerfafval rondom inrichtingen 1.Degene die een inrichting drijft waar eet- of drinkwaren worden verkocht die ter plaatse kunnen worden genuttigd, draagt zorg voor de aanwezigheid in of nabij de inrichting van een steeds voor gebruik door het publiek beschikbare en tijdig geleegde afvalbak of soortgelijk middel voor het houden van afval. 2.Degene die de inrichting drijft verwijdert zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, afval of andere materialen, die kennelijk uit de inrichting afkomstig zijn of voor de inrichting zijn bestemd, binnen een straal van ten minste 25 meter van de inrichting. 3.De vorige leden gelden niet voor situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel4:16Afval en verontreiniging op de weg 1.Het is verboden een weg, bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994, te verontreinigen of het milieu nadelig te beïnvloeden door afvalstoffen, stoffen of voorwerpen te laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te verrichten. 2.Degene die in strijd met het eerste lid de weg verontreinigt of het milieu nadelig beïnvloedt, of diens opdrachtgever, zorgt terstond na de beëindiging van de werkzaamheden van die dag voor het reinigen van de weg, of zoveel eerder als nodig is om de veiligheid van het verkeer of de bescherming van het wegdek te verzekeren. Artikel4:17Geen opslag van afval in de open lucht 1.Het is verboden afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht en buiten een inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer op te slaan of opgeslagen te hebben, anders dan door het in overeenstemming met afdeling 1 van dit hoofdstuk aanbieden, achterlaten of overdragen van huishoudelijke afvalstoffen. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. Artikel4:18Ontdoen van autowrakken Het is verboden zich te ontdoen van een autowrak dat afkomstig is van een perceel, anders dan door afgifte aan een inrichting als bedoeld in artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken. Artikel4:19Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1.Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2.Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand; vuur voor koken, bakken en braden. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:9 van deze verordening kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚ of 3˚, van het Wetboek van Strafrecht of de Omgevingsverordening Limburg. 6.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt daarnaast niet voor zover het betreft: verbranding van snoeihout; verbranding van hout in geval van besmettelijke ziekten waardoor vervoer niet mogelijk is; kampvuren; Sint Maartensvuren; Mits voldaan wordt aan door het college vast te stellen nadere regels. Afdeling
  19. Geluid en verlichting Artikel4:20Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden niet voor: de zaterdag, de zondag, de maandag en de dinsdag tijdens de jaarlijkse carnaval; de zaterdag, de zondag en de maandag tijdens de jaarlijkse kermis (conform het gemeentelijke reguliere kermisschema); Koningsdag; nacht van oud- op Nieuwjaar. Voor de kermisdagen geldt dat de vrijstelling slechts van toepassing is op de inrichtingen in het kermisvierende dorp. 2.De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gelden voor een inrichting behorende tot de categorie ‘sport’ niet voor de in het eerste lid genoemde dagen. 3.Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 4.Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 60 dB(A), gemeten op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen of op de grens van geluidsgevoelige terreinen op een hoogte van 1,5 meter. 5.In afwijking van het vierde lid mag bij een festiviteit op een buitenterrein het equivalente geluidsniveau LAeq als gevolg van de inrichting niet meer bedragen dan 80 dB(A) gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen of op de grens van gevoelige terreinen op een hoogte van 1,5 meter. 6.De geluidsnorm genoemd in het vierde en vijfde lid is niet van toepassing bij onversterkte muziek en is exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Bedrijfsduurcorrectie wordt buiten beschouwing gelaten. 7.Op de dagen bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer - uiterlijk om 2.00 uur te worden beëindigd. 8.In afwijking van het vorige lid dient op Nieuwjaarsdag het ten gehore brengen van extra muziek uiterlijk om 4.00 uur te worden beëindigd. Artikel4:21Melding incidentele festiviteiten 1.Het is een inrichting behorende tot de categorie ‘horeca met muziek’ twaalf keer, ‘’overige horeca’ vijf keer en ‘overige bedrijven’ twee keer per kalenderjaar toegestaan incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 2.Een inrichting mag één van het aantal in het eerste lid toegestane dagen gebruiken voor een festiviteit op het buitenterrein van de inrichting. 3.Het is een inrichting behorende tot de categorie ‘sport’ toegestaan om per kalenderjaar tijdens twaalf incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van activiteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 4.Het college stelt een formulier vast voor het doen van een de melding. 5.De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 6.De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 7.Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 60 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen of op de grens van gevoelige terreinen op een hoogte van 1,5 meter. 8.In afwijking van het zevende lid mag bij een festiviteit op een buitenterrein het equivalente geluidsniveau LAeq als gevolg van de inrichting niet meer bedragen dan 80 dB(A) gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen of op de grens van gevoelige terreinen op een hoogte van 1,5 meter. 9.De geluidsnorm genoemd in het zevende en achtste lid is niet van toepassing bij onversterkte muziek en is exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 10.Op de dagen waarvoor kennisgeving is gedaan zoals beschreven in het vierde en vijfde lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer - uiterlijk om 2.00 uur te worden beëindigd. 11.In afwijking van het tiende lid dient het ten gehore brengen van extra muziek op een buitenterrein te allen tijde uiterlijk om 1.00 uur te zijn beëindigd. 12.De geluidsnorm, bedoeld in het zevende lis, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte. 13.Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren besloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Artikel4:22Overige geluidhinder 1.Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de Omgevingsverordening Limburg. Afdeling
  20. Crossterreinen en beperking verkeer in natuurgebieden Artikel4:23Crossterreinen 1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2.Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen of beperken van overlast; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren. Artikel4:24Beperking verkeer in natuurgebieden 1.Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. 2.Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: het voorkomen van overlast; de bescherming van natuur- of milieuwaarden; de veiligheid van het publiek. 3.Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld; die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 4.Het verbod is voorts niet van toepassing: op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; binnen de bij of krachtens de Omgevingsverordening Limburg aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel. 5.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Afdeling
  21. Asverstrooiing Artikel4:25Verboden plaatsen 1.Incidentele asverstrooiing is verboden op verharde delen van de weg. 2.Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat ook op andere plaatsen incidentele asverstrooiing plaatsvindt. Artikel4:26Hinder of overlast Incidentele asverstrooiing is verboden als daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden. Hoofdstuk5:Activiteiten op of bij wegen of bij wateren in beheer bij de gemeente Afdeling
  22. Aanleggen wegen en uitwegen Artikel5:1(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3.Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht. 4.Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wegenwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de waterschapskeur, de Omgevingsverordening Limburg, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Algemene verordening ondergrondse infrastructuren Bergen (AVOI). 5.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel5:2Maken of veranderen van een uitweg 1.Het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg als: daarvan niet van tevoren melding is gedaan aan het college, onder indiening van een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie; of het college het maken of veranderen van de uitweg heeft verboden. 2.Het college verbiedt het maken of veranderen van de uitweg als: daardoor het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht; dat zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; het openbaar groen daardoor op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen. 3.Op het in lid 2 genoemde verbod is het Beleidskader uitwegen van de gemeente Bergen (L) van toepassing, dat een nadere uitwerking bevat van de in lid 2 genoemde weigeringsgronden. Indien niet wordt voldaan aan de bij deze weigeringsgronden behorende in het beleidskader genoemde voorwaarden, kan de uitweg worden verboden. 4.De uitweg kan worden aangelegd als het college niet binnen zes weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de gewenste uitweg wordt verboden. 5.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Keur waterschap Limburg 2019 of de Omgevingsverordening Limburg. Afdeling
  23. Parkeerexcessen Artikel5:3Voertuigen van autobedrijf en dergelijke 1.Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 2.Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; of voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon. 3.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 4.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 5.Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel5:4Voertuigwrakken 1.Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel5:5Kampeermiddelen en andere voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een binnen de bebouwde kom gelegen weg; op een door het college aangewezen plaats te plaatsen of te hebben, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; te plaatsen of te hebben bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a. 3.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingsverordening Limburg. Artikel5:6Reclamevoertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel5:7Grote voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren binnen de bebouwde kom en op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren binnen de bebouwde kom en op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. 3.Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden. 4.Het tweede lid is voorts niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 5.Het college kan ontheffing verlenen van de verboden. Artikel5:8Uitzichtbelemmerende voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2.Het verbod is niet van toepassing gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel5:9Parkeren of laten stilstaan van voertuigen anders dan op de rijbaan 1.Het is verboden een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte. 2.Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam. Artikel5:10Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1.Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan. 2.Dit verbod is niet van toepassing op: de weg; voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam; voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Artikel5:11Overlast van fietsen of bromfietsen Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. Afdeling
  24. Standplaatsen Artikel5:12Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben. 2.Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:9 kan de vergunning worden geweigerd als: de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; of een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. 4.Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel5:13Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen. Artikel5:14Afbakeningsbepalingen 1.Artikel 5:12, eerste lid, is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Omgevingsverordening Limburg. 2.De weigeringsgrond van artikel 5:12, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken. Afdeling
  25. Markt Artikel5:15Toepassingsgebied Deze afdeling is van toepassing op de door het college ingestelde warenmarkt die wekelijks op vrijdag van 8:00 tot 12:00 uur wordt gehouden op het plein van Mosaïque in Nieuw Bergen. Artikel5:16Inrichtingsplan Voor de markt stelt het college een inrichtingsplan vast, dat in elk geval bevat: aanduiding van de dagen en de uren waarop en eventueel de periode waarin de markt wordt gehouden (markttijd); een kaart van de markt. Op deze kaart zijn minimaal de grenzen van de markt aangegeven. Artikel5:17Vergunningen 1.Het is verboden op de markt zonder vergunning van het college een vaste standplaats of dagplaats voor het uitoefenen van markthandel in te nemen. 2.Een vaste-standplaatsvergunning geldt voor onbepaalde tijd en voor de op de vergunning vermelde standplaats, tenzij de vergunning anders bepaalt. Het college kan in bijzondere gevallen een andere standplaats aanwijzen. 3.Een dagplaatsvergunning geldt voor één dag en voor de op de vergunning vermelde standplaats. 4.Het is verboden, op een markt zonder standwerkvergunning van het college als standwerker op te treden op een markt. Onder standwerker wordt verstaan iemand die publiek om zich heen verzamelt en dat door een aansprekende uiteenzetting probeert over te halen artikelen te kopen. 5.Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. 6.Vergunning kan enkel worden verleend aan een handelingsbekwame natuurlijke persoon die gerechtigd is in Nederland arbeid te verrichten. Artikel5:18Mandaatverboden De bevoegdheid tot het vaststellen van inrichtingsplannen kan niet worden gemandateerd. De bevoegdheid tot wijzigen daarvan en die tot het verlenen of het intrekken van een vaste-standplaatsvergunning kan niet aan de marktmeester of een andere toezichthouder worden gemandateerd. Artikel5:19Wachtlijststelsel 1.Het college houdt een lijst bij van de kandidaten voor een vaste-standplaatsvergunning die daarvoor een aanvraag hebben ingediend en die een handelingsbekwame natuurlijke persoon zijn (wachtlijst). 2.Op de wachtlijst worden bij iedere kandidaat vermeld: diens naam en voornamen, geboortedatum en -plaats, adres en woonplaats; de datum van de aanvraag; de branche waartoe de kandidaat behoort of de soort artikelen die hij wenst te verhandelen; informatie over de uitstalling die de kandidaat wenst te gebruiken. 3.De kandidaat ontvangt een schriftelijk bewijs van inschrijving op de wachtlijst. 4.De inschrijving wordt doorgehaald als aan de kandidaat een vaste-standplaatsvergunning is toegekend, tenzij hij deze op grond van bijzondere omstandigheden niet aanvaard, op zijn schriftelijke aanvraag, na zijn overlijden, als hij onder curatele is gesteld of als hij niet vóór 1 januari van het lopende jaar een aanvraag om verlenging voor dat jaar heeft gedaan. 5.Als er ruimte is om een nieuwe vaste-standplaatsvergunning toe te kennen, komt daarvoor als eerste in aanmerking de hoogstgeplaatste kandidaat die op de wachtlijst staat en die voldoet aan de vereisten voor toekenning. Daarna komen andere aanvragers in aanmerking, in volgorde van indiening van hun aanvraag tot plaatsing op de wachtlijst. De kandidaat die in aanmerking komt voor de vergunning dient daarvoor binnen 3 weken een aanvraag in te dienen. Artikel5:20Overschrijven vaste-standplaatsvergunning 1.Wenst de houder van een vaste-standplaatsvergunning niet langer zelf gebruik te maken van de vergunning of is hij overleden of onder curatele gesteld, dan kan het college op aanvraag van de vergunninghouder, zijn erven of zijn curator de vergunning overschrijven op naam van zijn echtgenoot, geregistreerde partner of andere persoon met wie hij duurzaam samenwoonde, of zijn kind. 2.Kan deze weg niet worden gevolgd, dan kan de vergunning op aanvraag van de vergunninghouder, zijn erven of zijn curator worden overgeschreven op een medewerker van de vergunninghouder of de mede-eigenaar van diens bedrijf. 3.In geval van overlijden of ondercuratelestelling van de vergunninghouder wordt de aanvraag tot overschrijving binnen twee maanden nadien ingediend. 4.Het college kan van het vorenstaande afwijken voor zover de toepassing daarvan voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de bepalingen te dienen doelen. 5.De aanvraag tot overschrijving wordt alleen geweigerd als niet wordt voldaan aan de uit dit artikel voortvloeiende eisen of aan een eis waaraan een houder van een vaste-standplaatsvergunning volgens deze afdeling moet voldoen. Artikel5:21Intrekking en vervallen vaste-standplaatsvergunning 1.Het college trekt een vaste-standplaatsvergunning in: op schriftelijke aanvraag van de vergunninghouder; of twee maanden na diens overlijden of ondercuratelestelling, tenzij een aanvraag tot overschrijving is ingediend overeenkomstig artikel 5:
  26. 2.Het college kan een vaste-standplaatsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd intrekken: als de vergunninghouder ter verkrijging van de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt; als de vergunninghouder, degene die hem vervangt of een persoon die hem bijstaat zich op de markt schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of bedrog of een bij of krachtens deze afdeling gestelde bepaling heeft overtreden; als van de vergunning gedurende ten minste 2 maanden geen gebruik is gemaakt; of als de vergunninghouder niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet. 3.In geval van intrekking voor bepaalde tijd kan tevens worden bepaald dat de toegewezen standplaats vervalt. 4.Als de vergunninghouder of zijn overeenkomstig artikel 5:22 aangewezen vervanger zijn standplaats niet uiterlijk om 7:45 uur heeft ingenomen, vervalt de vergunning voor de rest van de dag. Tenzij de marktmeester de standplaats op tijdig verzoek van de vergunninghouder voor hem beschikbaar houdt. Artikel5:22Persoonlijk innemen standplaats; vervanging 1.De houder van een vaste-standplaatsvergunning neemt de hem toegewezen standplaats persoonlijk in. 2.De houder van een vaste-standplaatsvergunning kan de hem toegewezen standplaats laten innemen door een vervanger. Daarvan doet hij van tevoren melding aan de marktmeester. 3.De vervanger treedt op namens de vergunninghouder. De rechten – behalve die tot vervanging ingevolge het vorige lid – en verplichtingen die bij of krachtens deze afdeling gelden voor de vergunninghouder, zijn van overeenkomstige toepassing op de vervanger. Artikel5:23Dagplaatsvergunning 1.Een dagplaatsvergunning kan worden verleend voor het innemen van een standplaats voor het uitoefenen van markthandel op een markt op plaatsen die niet zullen worden ingenomen door de houder van een vaste-standplaatsvergunning omdat voor de plaats geen vergunning geldt, de vergunning is vervallen of omdat de vergunninghouder niet in staat is de plaats in te nemen en niet is voorzien in vervanging overeenkomstig artikel 5:
  27. 2.Voor een dagplaatsvergunning komen in aanmerking degenen die daarvoor die dag vóór de aanvang van de markttijd bij de marktmeester een aanvraag hebben ingediend, voldoen aan een eventueel van toepassing zijnd branche- of artikelgroepvereiste en die niet zijn uitgesloten omdat zij gedurende een of meer van de voorafgaande vier marktdagen: zich op de markt schuldig hebben gemaakt aan wangedrag of aan bedrog of een bij of krachtens deze afdeling gestelde bepaling hebben overtreden, of niet tijdig het verschuldigde marktgeld hebben voldaan dat wordt geheven op de grondslag van artikel 229 van de Gemeentewet. 3.Het college kan ten aanzien van een gegadigde bepalen dat een uitsluitingsgrond niet geldt of dat voor de toepassing van het vorige lid een langere termijn in aanmerking wordt genomen. 4.De dagplaatsvergunningen worden verstrekt aan de in aanmerking komende gegadigden op volgorde van ontvangst van de aanvragen. 5.Een dagplaatsvergunning kan niet worden overgedragen. De vergunninghouder kan zich niet laten vervangen. Artikel5:24Standwerkvergunning 1.Een standwerkvergunning kan worden verleend met overeenkomstige toepassing van artikel 5:23, tweede tot en met vijfde lid. 2.Een standwerkvergunning geldt voor de in de vergunning vermelde dag en plaats en voor de in de vergunning omschreven artikelen. Artikel5:25Bijstand De houder van een vaste-standplaatsvergunning of van een dagplaatsvergunning kan zich doen bijstaan door een of meer andere personen. Artikel5:26Legitimatieplicht Degene die een vaste standplaats, dagplaats of een standwerkplaats wenst in te nemen of inneemt op een markt, is op eerste verzoek van een toezichthouder verplicht aan te tonen dat hij daartoe gerechtigd is. Artikel5:27Markttijden in acht nemen 1.Het is een vergunninghouder verboden meer dan 1 uur voor de aanvang en meer dan 1 uur na afloop van de markt ruimte in te nemen of te doen innemen op het marktterrein met een voertuig, met goederen of anderszins, of goederen aan- of af te voeren of te laten aan- of afvoeren. De aanvoer van marktartikelen moet een kwartier voor aanvang van de markt zijn beëindigd. 2.Een vergunninghouder neemt zijn standplaats in tot de sluitingstijd van de markt, tenzij anders bepaald in overleg met de marktmeester. Artikel5:28Markt schoonhouden 1.Een vergunninghouder is verplicht afval, waaronder verpakkingsmateriaal, dat tijdens de door hem uitgeoefende verkoop op zijn standplaats vrij komt zodanig te bewaren dat het marktterrein daardoor niet wordt verontreinigd en het afval niet door onbevoegden kan worden verwijderd. Hij voert het afval onmiddellijk na afloop van de markt af of laat het afvoeren. 2.Een vergunninghouder is verplicht de door hem ingenomen standplaats en de naaste omgeving daarvan na afloop van de markt veegschoon achter te laten. Artikel5:29Onmiddellijke verwijdering Het college kan een vergunninghouder of iemand die hem bijstaat of vervangt gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen als deze zich op de markt schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of aan bedrog of een bij of krachtens deze afdeling gestelde bepaling heeft overtreden. Afdeling
  28. Reclame Artikel5:30Verbodsbepalingen reclame buitengebied 1.Binnen het gebied zoals nader aangegeven op de bij deze afdeling behorende kaart, opgenomen in bijlage 3 van deze verordening, is het verboden om ten behoeve van reclame opschriften, aankondigingen, afbeeldingen, constructies ten behoeve daarvan, of kennelijk voor reclamedoeleinden gebezigde vervoersmiddelen (verder te noemen: reclame) te plaatsen of te doen plaatsen dan wel als eigenaar of andere zakelijk gerechtigde of gebruiker van enige onroerende zaak plaatsing toe te staan. 2.Het in lid 1 vervatte verbod is niet van toepassing op reclame: die is aangebracht op een bedrijfsperceel voor zover deze reclame betrekking heeft op een aldaar uitgeoefend beroep, bedrijf of dienst; die is aangebracht op een wachtruimte bij een halteplaats voor het openbaar vervoer; aan of bij een onroerende zaak, waarbij deze te koop, te huur, of in pacht wordt aangeboden, voor zolang zij feitelijke betekenis heeft; in het inwendige deel van een onroerende zaak en niet zichtbaar van buitenaf; die is geplaatst op een terrein waar een openbare wedstrijd, manifestatie, evenement of tentoonstelling wordt gehouden, welke niet behoort tot de gebruikelijke commerciële uitoefening van een beroep, bedrijf of dienst, voor zolang zij feitelijke betekenis heeft en voor zover zij niet eerder dan twee weken daaraan voorafgaand is geplaatst; van tijdelijke aard, voor de verkoop van seizoensgebonden agrarische producten ter plaatse waar deze worden gekweekt; die betrekking heeft op een werk in uitvoering, mits zij onmiddellijk bij het werk is geplaatst en niet langer aanwezig is dan de uitvoering van dat werk duurt; die is aangebracht op borden, die voldoen aan de door de overheid gestelde regels ten aanzien van bewegwijzering; die betrekking heeft op het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet; op borden ten behoeve van een bedrijf indien deze niet op het bedrijfsperceel worden geplaatst en indien en voor zover aan de navolgende voorwaarden wordt voldaan: het bedrijf kan geen gebruik maken van bebording in het kader van de provinciale richtlijn Handboek Toeristische Bewegwijzering; het bedrijf mag ten hoogste twee borden plaatsen; borden mogen uitsluitend verwijzen naar het bedrijf dan wel producten van het bedrijf; borden mogen uitsluitend worden geplaatst binnen een straal van 500 meter van de grens van het bedrijfsperceel zoals is vastgelegd in het bestemmingsplan; borden mogen niet in de bestemming 'Natuur', 'Bos' of daarmee vergelijkbare bestemmingen in het bestemmingsplan worden geplaatst; borden mogen niet groter zijn dan 1.00 m²; het bedrijfsperceel moet zijn gelegen in het gebied waarvoor het in lid 1 geldende verbod van toepassing is; op bebording en/of aankondigen met een gezamenlijk oppervlak van ten hoogste 1.00 m² bij de oprit van een bedrijf indien en voor zover de oprit geen deel uitmaakt van het bedrijfsperceel; van tijdelijke aard ten behoeve van een openbare wedstrijd, manifestatie, evenement of tentoonstelling met een grootschalig karakter en als zodanig door het college erkend, voor zolang zij feitelijke betekenis heeft en voor zover zij niet eerder dan vier weken daaraan voorafgaand is geplaatst en voor zover een voor reclame gebruikt bord de omvang van 4 vierkante meter niet overstijgt. 3.Het college is bevoegd de begrenzing van de gebieden, waarvoor het in lid 1 geldende verbod van toepassing is, te wijzigen dan wel de bepalingen in lid 2 uit te breiden. 4.Indien toepassing van het bepaalde in dit artikel naar het oordeel van het college tot kennelijke onbillijkheid leidt, dan kan het college, al dan niet onder het stellen van voorwaarden, het bepaalde in lid 1 buiten toepassing verklaren. Artikel5:31Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 1.Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit milieubeheer. Afdeling
  29. Kamperen Artikel5:32Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1.Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd. 2.Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4.Onverminderd het bepaalde in artikel 1:9 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van de bescherming van: natuur en landschap; of een stadsgezicht. Artikel5:33Aanwijzing kampeerplaatsen 1.Artikel 5:32, eerste lid, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 2.Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 5:32, vierde lid. Afdeling
  30. Openbaar water Artikel5:34Ligplaats vaartuigen 1.Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. 2.Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Woningwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de Omgevingsverordening Limburg en afdeling 8 (Leukermeer e.o.) van dit hoofdstuk. 4.Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. 5.De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. Artikel5:35Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken. Artikel5:36Veiligheid op het water 1.Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Omgevingsverordening Limburg. Artikel5:37Zwemverbod Het is verboden te zwemmen in het Reindersmeer en andere door het college aangewezen openbare wateren of gedeelten daarvan. Artikel5:38Watersportvoorzieningen 1.Het is verboden havens, aanlegsteigers, dag- en/of surfstranden, hellingen, beschoeiingen, dan wel andere watersportvoorzieningen te hebben of te houden zonder ontheffing van het college. 2.Dit verbod geldt niet voor die voorzieningen, die ingevolge een geldend bestemmingsplan als zodanig zijn aangewezen dan wel waarvoor de benodigde wettelijke medewerking ingevolge de Woningwet en/of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en/of de Wet op de ruimtelijke ordening is verleend. Artikel5:39Bestrijding overlast waterscooters 1.Onverminderd het bepaalde in afdeling 8 (Leukermeer e.o.) van dit hoofdstuk is het verboden om vanaf het grondgebied binnen de gemeentegrenzen waterscooters te water te laten of daartoe aanstalten te maken, met de kennelijke bedoeling zich daarmee op de rivier de Maas of een ander openbaar water voort te gaan bewegen. 2.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement. Afdeling
  31. Leukermeer en omgeving Artikel5:40Toepassingsgebied Deze afdeling is van toepassing op de wateren en de daaraan grenzende oevers binnen een afstand van 150 meter uit de oeverlijn voor zover gelegen binnen de gemeente, als zodanig aangegeven en begrensd op de overzichtskaart in bijlage 4 bij deze verordening. Artikel5:41Vergunningen, ontheffingen, aanwijzingen 1.Het college kan aan een vergunning, ontheffing of aanwijzing als in deze afdeling bedoeld, voorschriften en beperkingen verbinden. 2.Het college kan aan een vergunning, ontheffing of aanwijzing nieuwe voorschriften en/of beperkingen verbinden of de daaraan verbonden voorschriften en/of beperkingen wijzigen. 3.Het college kan een vergunning, ontheffing of aanwijzing intrekken indien: het onroerend goed waarop de ontheffing betrekking heeft van bestemming is veranderd; de aan de vergunning, ontheffing of aanwijzing verbonden voorschriften en/of beperkingen niet of niet behoorlijk worden nageleefd. 4.De voorschriften bedoeld in de leden 1 en 2 mogen uitsluitend strekken ter bescherming van de belangen van natuur, milieu, landschap, visserij, watersportrecreatie alsmede ter aanvulling van de belangen welke in het kader van het Binnenvaartpolitiereglement worden behartigd. Artikel5:42Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen 1.Het is verboden zonder vergunning van het college binnen het toepassingsgebied van deze afdeling: met een woonschip of een bedrijfsvaartuig ligplaats in te nemen of te hebben in de wateren en plassen dan wel toe te laten dat dit gebeurt; met een vaartuig, dat bestemd is voor de sloop ter plaatse of elders, ligplaats in te nemen of te hebben in de wateren en plassen dan wel toe te laten dat dit gebeurt. 2.Het verbod geldt niet voor bedrijfsvaartuigen, die direct betrokken zijn bij de ontgronding dan wel bij de inrichting van de wateren en plassen. 3.Het is verboden binnen het toepassingsgebied van deze afdeling vaartuigen te bouwen, te verbouwen of te slopen, behoudens binnen de daartoe op grond van andere wettelijke voorschriften bestemde en als zodanig in gebruik zijnde inrichtingen. 4.Het is verboden zich zonder vergunning van het college met een vaartuig binnen de wateren en plassen op te houden tot het drijven van handel of het beroepsmatig verschaffen van nachtverblijf. Artikel5:43Innemen ligplaatsen 1.Het is verboden binnen het toepassingsgebied van deze afdeling buiten de havens met een vaartuig langer dan twee achtereenvolgende dagen gedurende de gehele dag of een gedeelte daarvan op dezelfde plaats ligplaats te houden of, indien het vaartuig is verhaald, binnen twee dagen wederom dezelfde ligplaats in te nemen. Voor de toepassing van dit verbod wordt onder dag verstaan de tijd tussen 0.00 en 24.00 uur. Indien het vaartuig wordt verhaald naar een plaats, gelegen binnen een afstand van 500 m. hemelsbreed gemeten van een eerder ingenomen ligplaats, wordt het vaartuig geacht op dezelfde plaats te zijn blijven liggen. 2.Het in lid 1 vervatte verbod geldt niet voor bedrijfsvaartuigen ten aanzien waarvan artikel 5:42, lid 2, van toepassing is. 3.Het college kan gedeelten van wateren en plassen aanwijzen, waarin het in lid 1 vervatte verbod niet geldt ten aanzien van visboten. 4.Het college kan, in aanvulling van lid 1, gedeelten van wateren en plassen aanwijzen, waar het verboden is na zonsondergang en voor zonsopkomst ligplaats in te nemen. Artikel5:44Verbodsbepalingen Het is verboden binnen het toepassingsgebied van deze afdeling: met een vaartuig aan de oevers van of op de wateren en plassen ligplaats in te nemen of te hebben op plaatsen die door het college als zodanig zijn aangewezen en die ter plaatse nader zijn aangegeven; met vaartuigen ligplaats in te nemen in de voor de oever gelegen rietkraag; in de onder b bedoelde rietkraag of in de oever te ankeren; binnen 50 meter van een als zodanig in gebruik zijnde zweminrichting, strand, haven, steiger, brug of surfoever te ankeren; vaartuigen te water te laten, uit het water te halen, op gronden neer te leggen of te laten liggen anders dan op de daarvoor door het college aangewezen en ter plaatse nader aangegeven plaatsen; buiten de havens sneller te varen dan 9 kilometer per uur; binnen de havens sneller te varen dan 6 kilometer per uur. Artikel5:45Stoffen of voorwerpen 1.Het is verboden binnen het toepassingsgebied van deze afdeling: vaste stoffen of voorwerpen in de wateren en plassen te doen geraken; vaste stoffen of voorwerpen op een zodanige wijze op de oevers te plaatsen of te hebben, dat deze geheel of gedeeltelijk in bedoelde waterpartijen kunnen geraken; in de waterpartijen of oevers te graven, dan wel de oevers al dan niet met een vaartuig of anderszins te beschadigen of te verontreinigen. 2.Dit verbod geldt niet voor handelingen of gedragingen, die direct voortvloeien uit werkzaamheden verband houdende met ontgrinding en herinrichting. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in lid
  32. Artikel5:46Voortstuwingswerktuigen Het is verboden binnen het toepassingsgebied van deze afdeling: het voortstuwingswerktuig van een aangelegd vaartuig te laten werken anders dan bij onmiddellijk wegvaren of aanleggen; het voortstuwingswerktuig van een vaartuig zodanig te laten werken, dat daardoor oevers kunnen worden beschadigd. Artikel5:47Motorboten 1.Het is verboden zich binnen het toepassingsgebied van deze afdeling op de wateren en plassen te bevinden met een snelle motorboot die niet voldoet aan de onderstaande eisen: een snelle motorboot dient ten name van de eigenaar te zijn geregistreerd bij de Rijksdienst voor het wegverkeer (RDW); het registratieteken van de snelle motorboot dient aan de buitenzijde, aan weerszijden van de boot midscheeps te zijn aangebracht; het registratieteken dient in een van de ondergrond sterk afwijkende kleur te zijn aangebracht met letters en cijfers van ten minste 150 mm hoog, 100 mm breed en met een stamdikte van ten minste 20 mm; het registratieteken moet steeds duidelijk zichtbaar worden gevoerd; het bewijs van de registratie bedoeld onder a, moet aan boord van de boot aanwezig zijn; de boot moet zijn voorzien van een technische inrichting, waardoor bij het ontbreken van de besturing de middelen tot voortbeweging onmiddellijk tot stilstand of nagenoeg tot stilstand komen; de stuurinrichting moet deugdelijk en doelmatig zijn; er moet een zwemvest of een drijfkussen voor ieder der opvarenden, alsmede een deugdelijk brandblusapparaat aanwezig zijn; de inrichting van de boot en van de motor moet zodanig zijn dat gevaar voor brand of ontploffing en hinder voor de omgeving door rook, damp of water wordt voorkomen; de afgewerkte gassen moeten door een behoorlijk geluiddempende inrichting worden afgevoerd; de bestuurder moet gezeten zijn op de voor hem bestemde zitplaats. 2.De bestuurder van een snelle motorboot is binnen het toepassingsgebied van deze afdeling verplicht het registratiebewijs, bedoeld in lid 1, onder b, op eerste vordering van een ambtenaar of persoon, bedoeld in artikel 8:2, aan deze ter inzage te verstrekken. Artikel5:48Waterscooters 1.Het is verboden binnen het toepassingsgebied van deze afdeling een waterscooter bij zich te hebben. 2.Het college kan gedeelten van wateren, plassen en oevers aanwijzen waar het gestelde in lid 1, alsmede het gebruik van de waterscooter, niet van toepassing is. Afdeling
  33. Voorzieningen voor verkeer, verlichting, naamgeving en nummering Artikel5:49Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Artikel5:50Aanbrengen naam- en nummeraanduiding 1.De door het college aan de openbare ruimte of een gedeelte daarvan toegekende namen, bedoeld in artikel 2:13, worden door of in opdracht van de gemeente blijvend zichtbaar en in voldoende aantallen ter plaatse aangebracht. 2.De door het college aan een object toegekende nummers, bedoeld in artikel 2:14, tweede en vierde lid, worden daaraan op doeltreffende wijze aangebracht. 3.Het is eenieder die daartoe niet bevoegd is verboden namen aan de openbare ruimte of delen daarvan, dan wel nummers aan een pand of verblijfsobject, of lig- of standplaats of afgebakend terrein toe te kennen door deze op zichtbare wijze aan te brengen. Artikel5:51Gedoogplicht naamaanduiding 1.Als het college het nodig oordeelt dat de door het college toegekende aanduidingen, bedoeld in artikel 2:13, tweede lid, aan een bouwwerk, gebouw, muur, paal, schutting of een andere soort terreinafscheiding worden aangebracht, draagt de rechthebbende er zorg voor dat de hier bedoelde aanduidingen vanwege of op verzoek en overeenkomstig de aanwijzingen van het college worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Als het college het nodig oordeelt een naamaanduiding, waarop de vervallen naam is doorgehaald, gedurende ten hoogste een jaar naast de naamaanduiding met de nieuwe naam te handhaven laat de rechthebbende dit toe. 3.De rechthebbende draagt er voor zorg dat de in het eerste en tweede lid bedoelde aanduidingen vanaf de openbare weg duidelijk leesbaar blijven. Artikel5:52Aanbrengplicht nummeraanduiding 1.Tenzij het college anders heeft besloten, draagt de rechthebbende van een object er zorg voor dat de nummers, bedoeld in artikel 2:14, tweede lid, worden aangebracht overeenkomstig het krachtens artikel 2:15 bepaalde. 2.De rechthebbende draagt er zorg voor dat de nummers binnen vier weken na kennisgeving van het besluit van het college zijn aangebracht. 3.Als een verblijfsobject, lig- of standplaats of afgebakend terrein nog niet gereed is gekomen, wordt het nummer binnen vier weken na het gereedkomen daarvan aangebracht. 4.Als het college het nodig oordeelt een nummeraanduiding, waarop het vervallen nummer is doorgehaald, gedurende ten hoogste een jaar naast de nummeraanduiding met het nieuwe nummer te handhaven laat de rechthebbende dit toe of geeft de rechthebbende daaraan uitvoering. 5.Het college kan de in het tweede en derde lid genoemde termijnen verlengen. Hoofdstuk6:Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed en wereldgoed Afdeling
  34. Bescherming gemeentelijk monument Artikel6:1Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel6:2Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een gemeentelijk monument: te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op: de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt; of inpandige veranderingen van het monument, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg zonder betekenis is. 3.Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid. Artikel6:3Intrekken van de omgevingsvergunning De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 6:2, eerste lid, kan door het college worden ingetrokken: als de verlening berust op onjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid; voor zover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten. Artikel6:4Weigeringsgronden 1.De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. 2.Een omgevingsvergunning voor een kerkelijk monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar. Artikel6:5Voorbescherming bij voornemen tot aanwijzing 1.Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op het monument of archeologisch monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 2:3, eerste lid, is bekendgemaakt. 2.De voorbescherming, bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd. Artikel6:6Voorbescherming bij voorlopig gemeentelijke monument Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van het college tot aanwijzing van het monument of archeologisch monument als voorlopig gemeentelijk monument als bedoeld in artikel 2:
  35. Afdeling
  36. Rijksmonumenten Artikel6:7Advies omgevingsvergunning rijksmonument Het college zendt onverwijld een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor een rijksmonument als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor advies aan de adviescommissie, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid. Artikel 2.4, tweede en derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Afdeling
  37. Bescherming gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht Artikel6:8Verbodsbepaling en aanvraag omgevingsvergunning 1.Het is in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een bouwwerk te slopen. 2.De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het college niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 3.De artikelen 6.3 en6.4 zijn van overeenkomstige toepassing. 4.Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet. Hoofdstuk7:Activiteiten met betrekking tot planten en dieren Afdeling
  38. Houtopstanden Artikel7:1Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden 1.Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een houtopstand te vellen of te doen vellen. 2.Het verbod geldt niet voor: wegbeplantingen en éénrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit niet-geknotte populieren of wilgen; laagstamfruitbomen en windschermen om boomgaarden; fijnsparren of andere coniferen niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen; kweekgoed; houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld; houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantgezondheidswet of krachtens een aanschrijving of last van het bevoegd gezag; houtopstanden waarvoor een aanlegvergunning nodig is; hakhout. 3.In afwijking van het eerste lid is voorts geen vergunning vereist voor het vellen of doen vellen van een houtopstand binnen de bebouwde kom met een stamomtrek tot maximaal 80 cm, gemeten op 130 cm boven het maaiveld, met uitzondering van houtopstanden die staan in het gebied “Kobslocatie” zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende tekening, opgenomen in bijlage
  39. 4.In afwijking van het eerste lid is voorts geen vergunning vereist voor het vellen of doen vellen van een houtopstand buiten de bebouwde kom met een stamomtrek tot maximaal 80 cm, gemeten op 130 cm boven het maaiveld, voor zover deze houtopstanden zich bevinden op erven of tuinen bij woningen. 5.Het derde en vierde lid zijn niet van toepassing wanneer het een houtopstand betreft welke is aangeplant met een door het bevoegd gezag opgelegde herplantplicht. 6.Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften. 7.Het bevoegd gezag kan toestemming geven tot direct vellen, indien sprake is van grote gevaarzetting of vergelijkbaar spoedeisend belang. Artikel7:2Weigeringsgronden 1.De vergunning kan worden geweigerd op grond van: de natuurwaarde van de houtopstand; de landschappelijke waarde van de houtopstand; de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; de beeldbepalende waarde van de houtopstand; de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand. 2.Op de weigeringsgronden genoemd in het eerste lid is het Beleidskader Houtopstanden van de gemeente Bergen (L) van toepassing, dat een nadere uitwerking bevat van de in het eerste lid genoemde weigeringsgronden. Artikel7:3Herplant- / instandhoudingsplicht 1.Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant. 2.Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen. 3.Indien een houtopstand, waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gedaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn. 4.Wordt een verplichting als bedoeld in het derde lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen. 5.Indien een houtopstand, waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevind dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn voorzieningen te treffen waardoor de bedreiging wordt weggenomen. 6.Degene aan wie een voorschrift dan wel verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht hieraan te voldoen. 7.Op de herplant-/instandhoudingsplicht zoals omschreven in dit artikel is het Beleidskader Houtopstanden van de gemeente Bergen (L) van toepassing, dat een nadere uitwerking bevat van de in dit artikel omschreven herplant-/instandhoudingsplicht. Artikel7:4Bescherming van bij de houtopstand voorkomende flora en fauna Het bevoegd gezag kan aan de vergunning voorschriften verbinden ter bescherming van in- en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna. Artikel7:5Bestrijding en beteugeling van boomziekten 1.Indien zich op een terrein een houtopstand bevindt die naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar oplevert voor verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van ziekteverspreiders, zoals insecten, is de rechthebbende, indien hij daartoe door het bevoegd gezag is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn: de houtopstand te vellen; conform richtlijnen van de gemeente de gevelde houtopstand direct zodanig te behandelen dat de verspreiding van de boomziekte wordt voorkomen. 2.Het is verboden een gevelde houtopstand of een deel daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren indien het een boomsoort betreft die de desbetreffende boomziekte kan verspreiden. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van dit verbod. Artikel7:6Bescherming houtopstanden 1.Het is verboden om houtopstanden die openbaar eigendom zijn: te beschadigen, te bekladden of te beplakken; daaraan snoeiwerk te verrichten behoudens door ambtenaren of derden ter uitoefening van de hun opgedragen boomverzorgende taak. 2.Het is verboden om één of meer voorwerpen in of aan een openbare houtopstand aan te brengen of anderszins te bevestigen, behoudens via een ontheffing van het bevoegd gezag. Artikel7:7Vervaltermijn vergunning De vergunning, als bedoeld in artikel 7:1 vervalt indien daarvan niet binnen uiterlijk één jaar na de datum van onherroepelijk worden van de vergunning gebruik is gemaakt. In de vergunning kan van deze termijn worden afgeweken. Afdeling
  40. Bescherming van flora en fauna Artikel7:8Plukverbod paddenstoelen 1.Het is verboden ter bescherming van het natuur-, landschaps-, of dorps- of stadsschoon paddenstoelen te plukken of bij zich te hebben. 2.Het verbod is niet van toepassing ten aanzien van door of met toestemming van de rechthebbende ter plaatse verkregen of van elders afkomstige paddenstoelen; als de in dit artikel bedoelde handelingen worden verricht in het kader van normale onderhoudswerkzaamheden; voor zover de Wet natuurbescherming van toepassing is; voor zover het plukken van paddenstoelen gebeurt voor educatieve doeleinden, voor inventarisatie en voor beheerswerk. 3.Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. Artikel7:9Verbod oplaten ballonnen Het is verboden ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht afkomstig van vuur, dan wel door middel van helium of andere gassen, op te laten stijgen. Hoofdstuk8:Handhaving Artikel8:1Strafbepaling 1.Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde, met uitzondering van het bepaalde in hoofdstuk 2, hoofdstuk 3, afdeling 1 en hoofdstuk 6, de artikelen 6:2 lid 1 en 2 en 6:3 tot en met 6:8, en de daarbij op grond van artikel 1:5 gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. 2.In afwijking van het eerste lid wordt overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 5:30 gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie. 3.In afwijking van het eerste lid wordt overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 3:17 tot en met 3:22 en het bepaalde bij of krachtens de artikelen 5:50 tot en met 5:52 gestraft met een geldboete van de eerste categorie. 4.In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4:2, 4:4, 4:6 tot en met 4:8, 4:10 tot en met 4:18, 5:1, tweede lid, 5:2, eerste lid en 7:1, eerste lid. Artikel8:2Toezichthouders 1.Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast: de buitengewoon opsporingsambtenaren die in opdracht van de gemeente Bergen werken; de toezichthouders die in opdracht van de gemeente Bergen werken. 2.Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten. 3.Onverminderd het eerste en het tweede lid zijn de functionarissen van de Politie Limburg eveneens belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens het bepaalde in: hoofdstuk 4, de artikelen 4:19 tot en met 4:26; hoofdstuk 5, de artikelen 5:1 tot en met 5:14, de artikelen 5:31 tot en met 5:39 en artikel 5:49; hoofdstuk
  41. 4.Onverminderd het eerste en het tweede lid is de door het college aangewezen marktmeester eveneens belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 5, afdeling
  42. Artikel8:3Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Hoofdstuk9:Overgangs- en slotbepalingen Artikel9:1Intrekking van verordeningen De volgende verordeningen worden vanaf het moment van inwerkingtreding van deze verordening ingetrokken: Afvalstoffenverordening gemeente Bergen 2014; Bouwverordening gemeente Bergen 2012; Erfgoedverordening gemeente Bergen 2010; Marktverordening Bergen 2015; Reclameverordening buitengebied gemeente Bergen (L.); Verordening Leukermeer e.o. gemeente Bergen (L.); Verordening naamgeving en nummering (adressen) Gemeente Bergen L. Artikel9:2Wijziging van verordeningen De volgende verordeningen worden vanaf het moment van inwerkingtreding van deze verordening gewijzigd: Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Bergen (L) 2021, met dien verstande dat de volgende artikelen worden ingetrokken: Hoofdstuk 2, de artikelen 2:11, 2:12 en 2:21; Hoofdstuk 4, de artikelen 4:1 tot en met 4:3, 4:6, 4:10 tot en met 4:12, 4:15, 4:17 tot en met 4:20a; Hoofdstuk 5, de artikelen 5:2, 5:5 tot en met 5:12, 5:17 tot en met 5:20, 5:25, 5:29 tot en met 5:31b, 5:32 tot en met 5:
  43. Beheersverordening gemeentelijke begraafplaats Bergen 2011, met dien verstande dat de volgende artikelen vervallen: De artikelen 16 en 19 tot en met
  44. Artikel9:3Overgangsbepalingen 1.Besluiten, genomen krachtens de verordeningen, genoemd in artikel 9:1, en besluiten, genomen krachtens de artikelen, genoemd in artikel 9:2, die golden op het moment van inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. 2.De krachtens de Marktverordening Bergen 2015 vastgestelde wachtlijst geldt als wachtlijst krachtens deze verordening. 3.De intrekking van de verordeningen als bedoeld in artikel 9:1 en het vervallen van de artikelen als bedoeld in artikel 9:2, heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordeningen en artikelen genomen nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten, indien en voor zover de rechtsgrond waarop die nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken. 4.Op aanvragen en meldingen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze verordening en waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, wordt met toepassing van deze verordening een beslissing genomen. 5.In afwijking van het vierde lid worden aanvragen met betrekking tot erfgoed die zijn ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening, afgehandeld met inachtneming van de Erfgoedverordening gemeente Bergen
  45. Artikel9:4Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op 1 juli
  46. Artikel9:5Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Bergen (L) 2022 of VFL Bergen (L)
  47. Bijlagen Bijlage 1: Begripsbepalingen Bijlage 2: Reglement Integrale Kwaliteits Commissie Bijlage 3: Overzichtskaart toepassingsgebied verbodsbepaling reclame buitengebied Bijlage 4: Overzichtskaart toepassingsgebied Leukermeer e.o. Bijlage 5: Kobs-locatie Nieuw-Bergen Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 7 juni 2022.Bergen (L), 7 juni 2022I.C. van ’t Hof De griffier M.H.E. PelzerDe voorzitterBijlage1(begrippenlijst) Algemeen bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994; bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, met inbegrip van een gedeelte daarvan, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren; bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994; college: het college van burgemeester en wethouders; gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet; handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet
  48. Erfgoed (hoofdstuk 2, afdeling 1 t/m 4 en hoofdstuk 6) gemeentelijk beschermd cultuurgoed: cultuurgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 2:11, eerste lid; gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht: groep van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en waarin zich één of meer monumenten bevinden, dat als zodanig is aangewezen op grond van artikel 2:9; gemeentelijk beschermde verzameling: verzameling als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, die als zodanig is aangewezen op grond van artikel 2:11, tweede lid; gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister; minister: minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Naamgeving en nummering (hoofdstuk 2, afdeling 5 en hoofdstuk 5, afdeling 9) adres; ligplaats; openbare ruimte; pand; standplaats; verblijfsobject; woonplaats: dat wat daaronder wordt verstaan in de Wet basisregistratie adressen en gebouwen; afgebakend terrein: een terrein met een kunstmatige of natuurlijke afbakening, waarop zich geen verblijfsobjecten bevinden en dat betreedbaar en afsluitbaar is; nummeraanduiding: dat wat daaronder wordt verstaan in de Wet basisregistratie adressen en gebouwen, met dien verstande dat deze bestaat uit een of meer Arabische cijfers, al dan niet met toevoeging van een letter- of cijfercombinatie, en ook betrekking kan hebben op een afgebakend terrein; rechthebbende: een ieder die krachtens eigendom of een beperkt zakelijk recht of een persoonlijk recht zodanig beschikking heeft over een onroerende zaak dat hij naar burgerlijk recht bevoegd is om in die zaak te handelen zoals in de verordening is voorgeschreven, alsmede de beheerder. Bodem (hoofdstuk 3, afdeling 1) bevoegd gezag: dat wat daaronder wordt verstaan in de Woningwet; NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm; omgevingsvergunning voor het bouwen: dat wat daaronder wordt verstaan in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Afvoer hemelwater en grondwater (hoofdstuk 3, afdeling 2) afvalwater: alle water waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen; basisrioleringsplan: strategisch operationeel en maatregelen plan waarin beschreven staat hoe binnen de gemeente met de riolering dient om te worden gegaan; bouwwerk, nieuw: bouwwerk dat wordt opgericht na de inwerkingtreding van deze verordening, inclusief herbouw na de sloop van een bestaand bouwwerk; gemeentelijk rioleringsplan: in het gemeentelij

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.