← Nederland

PROSTITUTIEBELEID GEMEENTE SITTARD-GELEEN (Sittard-Geleen)

In het kort

Dit beleid regelt prostitutie in de gemeente Sittard-Geleen, met als doel de exploitatie van prostitutie te beheersen en te reguleren, mensenhandel te bestrijden en minderjarigen te beschermen. Het is een reactie op de opheffing van het algemeen bordeelverbod in 2000.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

PROSTITUTIEBELEID GEMEENTE SITTARD-GELEEN1 Inleiding1.1 AlgemeenBij besluit van 1 juli 1997 werd bij de Tweede Kamer een wetsvoorstel ingediend, dat strekte tot opheffing van het algemeen bordeelverbod. Nadat de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel was afgerond is de wet op 1 oktober 2000 in werking getreden. De betreffende wet strekte tot opheffing van het algemeen bordeelverbod (art. 250bis Wetboek van Strafrecht) en tot opneming van een bepaling (art. 250a (oud), thans art. 273a) die voorziet in zwaardere strafbaarstelling van mensenhandel en van vormen van exploitatie van prostitutie waarbij sprake is van onvrijwilligheid of betrokkenheid van minderjarigen. De doelstellingen van de wet zijn: beheersen en reguleren van de exploitatie van prostitutie, onder andere door het invoeren van een gemeentelijk vergunningenbeleid; verbeteren van de bestrijding van mensenhandel; beschermen van minderjarigen tegen seksueel misbruik; ontvlechten van prostitutie en criminele randverschijnselen; verbeteren van de positie van de prostituée; terugdringen van de omvang van illegale prostitutie. Wat zijn de gevolgen van de opheffing van het bordeelverbod voor de gemeenten? De Minister van Justitie was van mening, dat aangezien het de gemeenten zijn die daadwerkelijk te maken hebben met de effecten van het verschijnsel prostitutie, het aan de gemeenten moest worden overgelaten om vast te stellen in welke mate en onder welke voorwaarden zij prostitutie binnen hun grenzen toelaatbaar achten. De wet is er daarom mede op gericht, gemeenten in staat te stellen om een effectief prostitutiebeleid te voeren met behulp van een - bij verordening vast te stellen - vergunningenstelsel. Gemeenten hebben slechts een beperkte mogelijkheid om het aantal seksinrichtingen aan een maximum te binden. Dit laatste is alleen mogelijk indien hiervoor ruimtelijke argumenten worden aangedragen. Gelet op de wensen van de gemeenten in het politiedistrict Sittard die voorafgaand aan de afschaffing van het bordeelverbod geen seksinrichtingen binnen hun gemeentegrenzen hadden (de voormalige gemeente Born en de gemeenten Beek en Stein) en destijds ook voor de toekomst deze situatie wilden behouden, hebben motieven als historisch en regionaal perspectief en de aard van de gemeente in casu een rol gespeeld bij het ontwikkelen van het prostitutiebeleid van de gemeenten in de Westelijke Mijnstreek. Dit beleid was gericht op beheersing, sturing en sanering van de prostitutie en op de verbetering van de omstandigheden waaronder in de prostitutie wordt gewerkt. Dat beleid kan worden gevoerd op drie terreinen. In de eerste plaats kunnen gemeenten een vestigingsbeleid voeren. De vestiging moet in overeenstemming zijn met het bestemmingsplan. Verder mag het prostitutiebedrijf het woon- en leefklimaat niet verstoren. Dit kan indirect via een vergunningenstelsel in de Algemene Plaatselijke Verordening nader geregeld worden. In de tweede plaats kunnen regels worden gesteld over de inrichting van een prostitutiebedrijf, op het gebied van de hygiëne en brandveiligheid. In de derde plaats kunnen voorschriften worden gegeven inzake de bedrijfsvoering en arbeidsomstandigheden. Deze voorschriften betreffen de positie van de prostituée (geen illegalen, geen minderjarigen). 1.2 Commissie Van HasselIn 1995 werd door de vergadering van het Regionaal College van Burgemeesters de "commissie van Hassel” geïnstalleerd. Deze commissie waarin gemeenten, politie en GGD waren vertegenwoordigd had als doelstelling: “het ontwikkelen van eenduidige vergunningvoorwaarden en eenduidige handhaving betreffende het prostitutiemilieu na opheffing van het bordeelverbod”. In maart 1999 werd door de commissie de eerste “nota opheffing bordeelverbod” uitgebracht met daarin aanbevelingen en aandachtspunten ten behoeve van gemeenten in de regio in aanloop naar de opheffing van het bordeelverbod. In juli 1999 werd door de commissie de tweede “nota opheffing bordeelverbod“ uitgebracht met daarin een nadere uitwerking van aanbevelingen en aandachtspunten. Op 17 december 1999 is de definitieve nota van de commissie met de titel “Van donkerrood naar transparant”, met daarin een totaalpakket aan regelgeving en aanbevelingen het prostitutiebeleid betreffende, aan het Regionaal College aangeboden. Deze nota vormde de leidraad voor de gemeenten in de regio Limburg - Zuid voor het te ontwikkelen prostitutiebeleid. Dit geldt ook voor de districtelijke handreiking inzake de vestigingsaspecten en inzake de overige aspecten met betrekking tot het prostitutiebeleid (zie paragraaf 1.3). Daar waar mogelijk is in de nota van de commissie van Hassel aangehaakt bij landelijk beleid, al dan niet na regionale nuancering, dan wel werden nieuw beleid en regelgeving ontwikkeld. 1.3 Prostitutiebeleid Westelijke MijnstreekMede op verzoek van de leden van het portefeuillehoudersoverleg Algemene Zaken van het Streekgewest Westelijke Mijnstreek, maar ook ingegeven door argumenten van efficiency, coördinatie en eenduidigheid van beleid, is in de Westelijke Mijnstreek overleg gevoerd over de wijze waarop het prostitutiebeleid in districtelijk verband (politiedistrict Sittard) kan worden aangepakt. Geconcludeerd is dat de complexiteit en de duidelijke relatie met het handhavingsregime korte lijnen met zowel politie als justitie noodzakelijk maken. Er zijn een aantal randvoorwaarden geformuleerd die een districtelijke aanpak mogelijk zouden moeten maken. Hierbij valt onder andere te denken aan: uniforme prostitutieregelgeving zowel op het gebied van Algemene Plaatselijke Verordening, uitvoeringsvoorschriften als vergunningsvoorwaarden; uniforme handhaving door de politie; uniforme strafrechtelijke vervolging door het openbaar ministerie; uniforme bestuursrechtelijke sanctionering; uniforme registratie met behoud van lokale verantwoordelijkheden. Het prostitutiebeleid van de Westelijke Mijnstreek is weliswaar lokaal volgens de daarvoor bestemde procedures uitgezet doch voor elk van de destijds 7 gemeenten (voormalige gemeenten Sittard, Geleen en Born en de gemeenten Schinnen, Susteren, Beek en Stein) zijn grotendeels dezelfde beleidsuitgangspunten gaan gelden. De invulling van het vestigingsbeleid en het gebruik van de hierbij in te zetten middelen (bestemmingsplan/APV) is door elke gemeente zelf, naar eigen inzichten, ingevuld. Dit vestigingsaspect wordt ook niet geregeld in de nota “Van donkerrood naar transparant”. Een beleid dat vervolgens districtelijk wordt gehandhaafd door het Regionaal Coördinatiepunt Mensenhandel en Prostitutie (RCMP) en de gemeenten. Het RCMP signaleert knelpunten en adviseert de burgemeester ter zake. Ook zijn de OM-lijnen bij de politie veel korter. Op deze wijze vindt centrale coördinatie en bewaking plaats terwijl de lokale autonomie (formeel) behouden blijft. Dit neemt niet weg dat de Westelijke Mijnstreek zich naar buiten met het prostitutiebeleid als eenheid presenteert met een eenduidig en uniform gedragen beleid. Concreet komt vorenstaande er op neer dat gekozen is voor twee delen prostitutiebeleid. Het eerste deel heeft betrekking op de vestiging van prostitutiebedrijven. Hiervoor is een algemeen deel voor alle gemeenten in de Westelijke Mijnstreek gaan gelden terwijl een meer specifiek onderdeel het aantal vestigingen regelt en aangeeft op welke wijze de middelen bestemmingsplan en APV ingezet kunnen worden. Dit meer specifieke deel is lokaal ingevuld door iedere gemeente. Het tweede deel van het prostitutiebeleid betreft met name de uitvoering en de handhaving. Gedacht moet worden aan aspecten met betrekking tot bedrijfsvoering, arbeidsomstandigheden, hygiëne, brandveiligheid en handhaving. Voor dit deel is de nota van de commissie van Hassel het uitgangspunt voor alle gemeenten geweest. Op basis van de situatie van medio 2000 is voor het beleid in de Westelijke Mijnstreek gekozen voor de status-quo optie ten aanzien van de gevestigde vormen van prostitutie. Een toename van zowel het aantal bedrijven als de soorten zal niet worden toegestaan. Evenmin als verplaatsing binnen en buiten de gemeentegrenzen van het district. Niet uitgesloten is dat gemeenten op basis van de lokale situatie kiezen voor een afname en/of wijziging van het aantal en soort bedrijven. Het als zodanig oormerken van de seksinrichtingen c.a. in vergunningtechnische en ruimtelijke ordening technische zin is de verantwoordelijkheid van de gemeenten zelf, maar in beleidsmatige zin geschiedt een en ander in districtelijk verband. Coördinatie vindt plaats vanuit het districtelijk driehoeksoverleg. De nota “Handreiking prostitutiebeleid voor de gemeenten vallende onder het politiedistrict Sittard” is op 4 februari 2000 vastgesteld door het driehoeksoverleg politiedistrict Sittard. 1.4 Prostitutiebeleid voormalige gemeenten Sittard, Geleen en BornNaar aanleiding van de handreiking prostitutiebeleid voor de gemeenten die vallen onder het politiedistrict Sittard is er door de voormalige gemeenten Sittard en Geleen een prostitutiebeleid ontwikkeld en vastgesteld. Geleen heeft reeds in 1992 besloten ten aanzien van bordelen een “gedoogbeleid” te voeren. Destijds is besloten de exploitatie van het toenmalige bordeelbestand, gelet op de invloed van de bordelen op het woon- en leefklimaat, met name in die delen van de gemeente die een typische c.q. overwegende woonfunctie hebben, alsmede gelet op de (handhaving van

  1. de)openbare orde, als maximum te gedogen tot inwerkingtreding van de wetswijziging. Ook in de gemeente Sittard werd in het verleden ten aanzien van bordelen een “gedoogbeleid” gevoerd. In de gemeente Born bevonden zich geen bordelen. Kort gezegd kwam het beleid van de voormalige gemeenten Sittard en Geleen er op neer dat gekozen werd voor handhaving van het aantal bedrijven dat op het moment van opheffing van het bordeelverbod binnen de gemeentegrenzen gevestigd was, terwijl voor een aantal andere bedrijven een afsterfconstructie ging gelden op grond van het bestemmingsplan omdat deze bedrijven op dat moment in strijd met de planologische uitgangspunten gesitueerd waren. De voormalige gemeente Born voerde op basis van de districtelijke nota een nulbeleid. 1.5 Prostitutiebeleid gemeente Sittard-GeleenIn verband met het ontstaan van de gemeente Sittard-Geleen per 1 januari 2001 was het noodzakelijk om tot harmonisatie van beleid te komen. Het prostitutiebeleid van de gemeente Sittard-Geleen dat werd ontwikkeld bestaat uit twee delen. Een eerste deel dat betrekking heeft op planologische aspecten en de Algemene plaatselijke verordening, zoals hierboven ook reeds aangegeven. Het tweede deel van het prostitutiebeleid betreft aspecten met betrekking tot bedrijfsvoering, arbeidsomstandigheden, hygiëne, brandveiligheid en handhaving. De onderhavige nota is een herziene versie van de nota “Prostitutiebeleid gemeente Sittard-Geleen” die op 4 november 2002 door het college van B&W werd vastgesteld. Deze nota komt voor een groot deel overeen met de vorige versie. Op onderdelen is er echter sprake van aanpassing en/of actualisering van de informatie. 2 Deel I: Lokaal beleid ten aanzien van de vestiging van seksinrichtingen c.a.2.1 Algemeen2.1.1 InleidingZoals reeds aangegeven was het noodzakelijk beleid te formuleren ten behoeve van de vestiging en exploitatie van seksinrichtingen. Met de wetswijziging die per 1 oktober 2000 in werking is getreden werd het algemeen bordeelverbod opgeheven. De grondslag van het te formuleren beleid is thans terug te vinden in artikel 273a van het Wetboek van Strafrecht. Tot 1 januari 2005 werd de grondslag gevormd door artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht. De tekst van laatstgenoemd artikel is uit de titel “Misdrijven tegen de zeden” van het Wetboek van Strafrecht gehaald en integraal opgenomen in artikel 273a. Overigens heeft er een verruiming van de bepaling plaatsgevonden, waardoor o.a. orgaandonatie nu ook onder de werking van het artikel valt. Daarbij dient op gemeentelijk niveau gedacht te worden aan inrichtingseisen, brandveiligheid, hygiëne, arbeidsomstandigheden en bedrijfsvoering. Dit beleid is vormgegeven in deel II van het prostitutiebeleid. Voor wat betreft dit laatste heeft, zoals reeds eerder opgemerkt, de nota “Van donkerrood naar transparant” van de commissie van Hassel hiervoor de leidraad gevormd. Het reguleren van de vestiging van prostitutiebedrijven heeft als belangrijkste grondslag de ruimtelijke ordening en de noodzaak de openbare orde te handhaven en meer in het bijzonder het woon- en leefklimaat te beschermen. In concreto gaat het hierbij om het voorkomen, het bestrijden en het inperken van hinder en overlast. Het gemeentelijk prostitutiebeleid zal gevoerd moeten worden op de grondslag van de gemeentelijke regelgeving. Op basis van vooral het bestemmingsplan en de APV kan uitvoering worden gegeven - voor wat betreft de vestiging - aan een dergelijk prostitutiebeleid. Dit beleid zal dus zowel betrekking hebben op de planologische aspecten als op de aspecten van openbare orde en/of het woon- en leefmilieu in relatie tot de vestiging en exploitatie van seksinrichtingen. Op de diverse aspecten zal onderstaand nader worden ingegaan. Daarbij zal dit beleid zich ook richten op sekswinkels, seksbioscopen, escortbedrijven, straatprostitutie en thuiswerk(st)ers. BestemmingsplanDoor de voormalige gemeenten Sittard, Geleen en Born werd in het verleden prostitutie- en seksinrichtingenbeleid, danwel aanzetten daartoe geformuleerd. Aanleiding daartoe was de opheffing van het zogenaamde bordeelverbod. In Geleen heeft dit geleid tot het op 14 december 2000 vastgestelde facetbestemmingsplan uitvoering prostitutiebeleid. In Sittard werd eveneens een dergelijk plan opgesteld. Besluitvorming m.b.t. het in procedure nemen van dit plan heeft evenwel niet plaatsgevonden. In beide plannen werden de bestaande prostitutiebedrijven positief bestemd, waarbij het bestaande aantal tevens als maximum gold. Voor Sittard werd tevens een afsterfconstructie opgenomen voor de in de Putstraat gevestigde bedrijven zonder dat daarvoor elders bij afsterf aanvullende vestigingsmogelijkheden geboden werden. Een zelfde constructie geldt voor Rijksweg Zuid 241 in Geleen. In Born had nog geen ruimtelijke vertaling van het prostitutiebeleid plaatsgevonden. Wel werd door het voormalige bestuur aangegeven dat in deze de zogenaamde nul-optie gehanteerd zou worden. Zoals reeds eerder opgemerkt was het als gevolg van het ontstaan van de gemeente Sittard-Geleen noodzakelijk om te komen tot harmonisatie van beleid m.b.t. prostitutie en seksinrichtingen van de drie voormalige gemeenten Sittard, Geleen en Born. Daarnaast diende de vraag gesteld te worden of het in het verleden vastgestelde beleid en uitgesproken beleidsvoornemens actualisatie en eventueel zelfs bijstelling behoeven. In de als bijlage bij deze nota opgenomen notitie “Ruimtelijke uitgangspunten prostitutie- en seksinrichtingenbeleid” zijn aanzetten voor het prostitutiebeleid voor de gemeente Sittard-Geleen gegeven. Het was aanvankelijk de bedoeling dat deze notitie de basis zou vormen van een voor de gemeente op te stellen facetbestemmingsplan prostitutie- en seksinrichtingenbeleid alsmede zou dienen als ruimtelijke onderbouwing voor het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de WRO. Tevens kan deze notitie dienen om regulerend op te treden door middel van verlening van exploitatievergunningen als bedoeld in de APV. Bij nader inzien is ervoor gekozen om geen facetplan voor prostitutiebeleid te maken. Wel wordt het aspect prostitutiebeleid conform eerdere afspraken verwerkt in nieuwe bestemmingsplannen en in de actualisering van bestaande bestemmingsplannen, die fasegewijs plaatsvindt en in 2009 zal zijn afgerond. Algemene plaatselijke verordening (APV)De APV wordt gezien als het instrument voor de gemeentelijke overheid om de prostitutiebranche te reguleren. Door de VNG werd een Hoofdstuk 3 model-APV ontworpen. Deze model-APV werd in de loop der tijd al meerdere malen toegespitst en veranderd, met name ook door aandachtspunten vanuit het land, waaronder Zuid-Limburg. De bepalingen uit Hoofdstuk 3 van de model-APV van de VNG zijn opgenomen in de APV van de gemeente Sittard-Geleen. Nu artikel 273a van het wetboek van strafrecht van toepassing is kan er met betrekking tot seksinrichtingen regulerend worden opgetreden via een vergunningplicht op grond van de APV. Hierdoor is indirect een aanvullend vestigingsbeleid mogelijk (primair dient dit via ruimtelijke ordeningsinstrumenten te geschieden). Via de vergunningplicht kunnen bovendien nadere eisen worden gesteld ten aanzien van de inrichting, brandveiligheid, hygiëne, arbeidsomstandigheden en bedrijfsvoering. 2.1.2 BegripsbepalingAlvorens concreet op het lokale beleid in te gaan is het belangrijk duidelijkheid te scheppen in het begrippenkader zoals dit gebruikt wordt in artikel 3.1.1. van hoofdstuk 3 “Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.” in de APV. Onder een seksinrichting wordt verstaan een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of erotisch-pornografische voorstellingen plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische-massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar. In een seksbioscoop, -automatenhal en –theater kan men erotisch-pornografische voorstellingen bijwonen. In plaats van prostitutiebedrijf wordt ook vaak gesproken over een bordeel. Hiermee worden dan wel het privé-huis, de massagesalon en de parenclub bedoeld maar niet de bioscoop/automatenhal. Ook wanneer gesproken wordt over bordelen betreft het seksinrichtingen zoals in vorenstaande definitie bedoelt. Met betrekking tot andere vormen zoals sekswinkels, seksbioscoop/-automatenhal/-theater, raamprostitutie, escortbedrijven, straatprostitutie en thuiswerker(st)ers wordt in het betreffende onderdeel steeds een nadere begripsomschrijving gegeven. Daarnaast wordt ook nog ingegaan op zogenaamde sekswinkels met een gemengde functie. 2.2 Seksinrichtingen, prostitutiebedrijven e.d.Onderstaand zal allereerst het beleid besproken worden ten aanzien van seksinrichtingen, waarbij afzonderlijk aandacht besteed zal worden aan raamprostitutie en seksbioscopen/automatenhallen/sekstheaters. Verder zullen behandeld worden sekswinkels, sekswinkels met een gemengde functie, escortbedrijven, straatprostitutie en thuiswerk(st)ers. 2.2.1 Seksinrichtingen2.2.1.1 AlgemeenBij hantering van de definitie van het begrip seksinrichting zoals aangegeven onder 2.1.2. betekent dit dat de gemeente Sittard-Geleen momenteel 4 seksinrichtingen in de vorm van een bordeel/privéhuis/parenclub binnen haar grenzen heeft. Daarnaast zijn er nog een aantal bedrijven die een combinatie zijn tussen een sekswinkel en seksbioscoop/automatenhal/ massagesalon en een aantal escortbedrijven, ter zake mag verwezen worden naar paragraaf 2.2.2. en 2.2.3. De zogenaamde gemengde bedrijven vallen ook onder het begrip seksinrichtingen. Drie bedrijven in Geleen zijn inmiddels gestopt. Voor één bedrijf daarvan (Rijksweg Zuid 241) is een zogenaamde afsterfconstructie opgenomen, op grond waarvan van langer dan twee jaar leegstaande panden de bestemming zodanig gewijzigd kan worden dat seksinrichtingen niet meer toegestaan zijn. Lokatie Bestemmingsplan (vigerend) Bestemming Toelichting Groenstraat 64 Geleen Club Lydia (bordeel) Momenteel gesloten. Centrum stadscentrum Speelhallen en seks- en pornobedrijven zijn niet toegestaan. Bestaande functies die hier niet mee in overeenstemming zijn mogen worden gehandhaafd. Rijksweg Noord 22 Geleen Club 2000 (bordeel) Centrum stadscentrum Speelhallen en seks- en pornobedrijven zijn niet toegestaan. Bestaande functies die hier niet mee in overeenstemming zijn mogen worden gehandhaafd. Rijksweg Zuid 241 Geleen Shirly’s privé (bordeel) Momenteel gesloten. *Voor deze lokaties is een bestemmingsplan vastgesteld (Zuid 1 Geleen). In dit plan zijn deze panden bestemd voor woondoeleinden c.q. gemengde doeleinden, met dien verstande dat als afwijkende en toegestane functie wordt opgenomen seks- en/of pornobedrijven. Indien het gebruik stopt kan de bestemming veranderd worden. Dit impliceert een afsterfconstructie. Rijksweg Zuid 131 Geleen Club Bubbels (bordeel) Gedeelten bebouwde kom Rijksweg Zuid en Noord Gemengde bebouwing in 3 bouwlagen Rijksweg Zuid 105 Geleen De Olifant (bordeel) Sedert 1 maart 2002 gesloten. Op 9 augustus 2003 heeft een nieuwe exploitant een aanvraag ingediend. Centrum stadscentrum Speelhallen en seks- en pornobedrijven zijn niet toegestaan. Bestaande functies die hier niet mee in overeenstemming zijn mogen worden gehandhaafd. Leyenbroekerweg 160 Sittard Pleasure 2 Gether (parenclub) Putstraat 40 Sittard St. Tropezbar (bordeel) Sedert 1 december 2005 gesloten. Positief bestemmen met afsterfconstructie Putstraat 85a Sittard Cupido (parenclub) Positief bestemmen met afsterfconstructie Rijksweg Noord 66a Geleen Sekswinkel Pussycat (met cabines) Centrum Stadscentrum Speelhallen en seks- en pornobedrijven zijn niet toegestaan. Bestaande functies die hier niet mee in overeenstemming zijn mogen worden gehandhaafd. Rijksweg Zuid 127 Geleen Chapeau X Erotheek/sekswinkel (met cabines) Gedeelten bebouwde kom Rijksweg Zuid en Noord Gemengde bebouwing in 3 bouwlagen Stationsstraat 31 Sittard Vicaf – videotheek Eroland Sekswinkel/videotheek (cabines/filmzaal) Stationsdwarsstraat 1 Sittard Sex shop Amor Sekswinkel/videotheek (cabines/filmzaal) Rijksweg Noord 3 Sittard Nightlife Lingerie Sekswinkel/videotheek (cabines) Winkel Aanschrijving via RO ivm handelen in strijd met het bestemmingsplan BestemmingsplanIn de geldende bestemmingsplannen vóór de opheffing van het bordeelverbod was niet altijd iets geregeld over seksinrichtingen. Als zodanig kon de vraag of het gebruik als seksinrichting zich verdraagt met de betreffende bestemming niet steeds eenduidig worden beantwoord. Met name bij horecabestemmingen zal zich deze vraag voordoen, doch ook bij de woonbestemming zal het moeilijk zijn om thuisprostitutie als strijdig gebruik aan te merken. Hieronder zal kort de stand van zaken worden weergegeven met betrekking tot het ruimtelijke beleid zoals dat door de voormalige gemeenten Sittard en Geleen is gevoerd na vaststelling van deel I van het prostitutiebeleid. In de voormalige gemeente Geleen is op 14 december 2000 een (facet)bestemmingsplan uitvoering prostitutiebeleid vastgesteld (definitief geworden medio 2001). Daarnaast zijn er in 1997 en 2000 twee gewone bestemmingsplannen (Centrum en Geleen-Zuid I) vastgesteld waarin een aantal bedrijven positief bestemd zijn (al dan niet met een afsterfconstructie). Door de voormalige gemeente Sittard werd eveneens een (facet)-bestemmingsplan uitvoering prostitutiebeleid opgesteld. Zoals hierboven reeds werd opgemerkt heeft besluitvorming m.b.t. het in procedure nemen van dit plan echter niet plaatsgevonden. Bedoelde bestemmingsplannen van de voormalige gemeenten Sittard en Geleen zouden er uiteindelijk toe moeten leiden dat bestaande bedrijven positief bestemd zouden moeten worden al dan niet met een afsterfconstructie. Door de voormalige gemeente Born zijn na het vaststellen van de districtelijke nota de ruimtelijke uitgangspunten niet verder vertaald in een (facet)bestemmingsplan. Ruimtelijke beleidsuitgangspuntenDe gemeente Sittard-Geleen is van opvatting dat bedrijven die in alle opzichten aan de eisen voldoen ook daadwerkelijk de ruimte moet worden geboden en kiest daarmee voor een benadering die meer recht doet aan het van hogerhand in gang gezette legaliseringstraject van de prostitutiebranche. Binnen dit uitgangspunt past het niet om bedrijven enkel binnen de thans in gebruik zijnde panden exploitatiemogelijkheden te bieden. Om de branche daadwerkelijk ontwikkelingsmogelijkheden te geven is een minder defensief en meer flexibel vestigingsbeleid nodig. Anders gezegd een vestigingsbeleid, waarbij niet de bestaande locatie maatgevend is maar een beleid waarbij een ontwikkelingsgebied aangegeven wordt, waarbij afwegingen mogelijk zijn en waarbij mogelijkheden geboden kunnen worden het juiste bedrijf op de juiste plaats te krijgen. Afsterfconstructies zijn daarbij mogelijk en zelfs gewenst, tenminste indien daar voor in de plaats elders betere vestigingsmogelijkheden geboden kunnen worden. Van de andere kant mag het ook niet zo zijn dat de branche zich vrijelijk en zonder regels en beperkingen kan ontwikkelen. Evenals bij andere bedrijfssectoren (bijv. horeca en detailhandel) dienen bepaalde kaders aangegeven te worden om enerzijds ongewenste ontwikkelingen te kunnen tegengaan en anderzijds sturing en ordening te kunnen geven. Een zekere maximering van het aantal bordelen acht de gemeente in dit opzicht gewenst. Daarnaast verdient het aanbeveling om de vestigingsruimte te zoneren zodat nieuwe bedrijven zich alleen in specifiek daarvoor aangewezen gebieden, wijken, straten of gedeelten van straten kunnen vestigen. Tenslotte moet het mogelijk zijn om bepaalde vormen van prostitutie in zijn algemeenheid te verbieden, bijvoorbeeld omdat de ruimtelijke impact voor de omgeving negatief is dan wel de behoefte daaraan niet zodanig is dat in elke gemeente daartoe voorzieningen noodzakelijk zijn. Omgekeerd kan het voorkomen dat bepaalde vormen van prostitutie zo weinig impact voor de omgeving hebben dat het stellen van beperkingen onevenredig is aan het middel. Zonering prostitutiebedrijvenZoals nader uiteengezet in de als bijlage bij deze nota opgenomen notitie “Ruimtelijke uitgangspunten prostitutie- en seksinrichtingenbeleid” acht de gemeente vestiging van prostitutiebedrijven alleen op zijn plaats in goed voor het (auto)verkeer ontsloten gebieden met een multifunctioneel gebruikspatroon. Uitgaande van dit principe acht de gemeente vestiging van prostitutiebedrijven in specifieke woon- en winkelgebieden, bedrijventerreinen en het buitengebied in beginsel niet wenselijk. Vertaling van dit zoneringsprincipe (goed voor het verkeer ontsloten straten met voldoende parkeergelegenheid en een multifunctioneel vestigingspatroon) beperkt het vestigingsgebied voor bordelen in hoofdzaak tot de Rijksweg in Sittard en Geleen, althans die gedeeltes welke niet gelegen zijn binnen het winkelcentrum en/of specifieke woonwijken. In concreto komt dit neer op de tussen de eigenlijke stadscentra en woonwijken gelegen schillen met een multifunctioneel vestigingspatroon. Het concept van de Rijkswegboulevard levert daarvoor geen belemmeringen op, aangezien bezoekers van dit soort bedrijven immers tot de categorie van het bestemmingsverkeer behoren. Voor Sittard kan verder nog gedacht worden aan een beperkt gedeelte van de Leyenbroekerweg, waarbij overeenkomstig de huidige situatie vestiging van één bordeel als het maximaal haalbare beschouwd moet worden. Tenslotte komen ook goed bereikbare locaties langs gebiedsontsluitende en verbindende wegen alsook een eventueel leisure-concept op Bedrijvenstad Fortuna voor vestiging in aanmerking. De thans niet binnen deze zones gevestigde bedrijven (Putstraat 40- en 85a in Sittard) zullen positief bestemd dienen te worden. Verplaatsing of sanering zal immers ingrijpende financiële consequenties hebben. Om toch enige ruimtelijke sturing te kunnen geven zal voor deze buiten de aangewezen zones gevestigde bedrijven een afsterfconstructie opgenomen moeten worden. Als gevolg van deze constructie zijn langer dan 2 jaar leegstaande bedrijven niet meer toegestaan. Maximering prostitutiebedrijvenHet in de voormalige gemeenten Sittard en Geleen voor prostitutiebedrijven (clubs, privé-huizen, erotische massagesalons en parenclubs) gehanteerde maximumstelsel (5 in Geleen en 3 in Sittard) was gebaseerd op het destijds feitelijk bestaande aantal bedrijven. Inmiddels zijn in Geleen de voorheen aan de Rijksweg Zuid 105, de Rijksweg Zuid 241 en de Groenstraat 64 gevestigde bedrijven gesloten. Zoals hierboven reeds opgemerkt heeft inmiddels echter een nieuwe exploitant een aanvraag ingediend ter verkrijging van een vergunning voor een seksinrichting voor het pand Rijksweg Zuid 105 in Geleen. Uit overleg met rijk en provincie is naar voren gekomen dat als uitgangspunt dient te worden gehanteerd dat een maximering van het aantal prostitutiebedrijven alleen mogelijk is voor zover daartoe voldoende ruimtelijke motieven aangevoerd kunnen worden. Voor een maximumstelsel, gebaseerd op het feitelijk bestaande aantal seksinrichtingen, ontbreken volgens rijk en provincie de ruimtelijke argumenten. Argumenten als negatieve uitstraling en overlast voor de omgeving zijn niet ruimtelijk relevant; het stellen van voorwaarden in het kader van te verlenen exploitatievergunningen is in deze de aangewezen weg. Wel is het in de visie van rijk en provincie mogelijk om zodanige regels te stellen dat de vanuit ruimtelijk oogpunt gewenste functionele balans van een wijk of straat niet verstoord kan worden dan wel een onevenwichtige situatie verder versterkt wordt. Het mag niet zo zijn dat bepaalde functies (horeca in combinatie met prostitutiebedrijven en sekswinkels) op bepaalde plaatsen oververtegenwoordigd zijn en daardoor het ruimtelijk evenwicht verstoren. Regels om te voorkomen dat de prostitutiebranche te dominant aanwezig is zijn dus wel geoorloofd. Als zodanig stellen Burgemeester en Wethouders dan ook voor om in het op te stellen beleidskader voor de gemeente Sittard-Geleen een maximumpercentage van het aantal panden binnen de betreffende zone op te nemen. Het percentage dient zodanig vastgesteld te worden dat de branche slechts ondergeschikt aanwezig kan zijn. APV: Openbare orde en/of woon- en leefmilieu:De exploitatie van seksinrichtingen kan ernstige hinder en overlast voor de straat en buurt opleveren. Daarbij moet gedacht worden aan: geluidhinder veroorzaakt door verkeer en bezoekers, voornamelijk bij het aankomen en verlaten van de seksinrichting op late tijdstippen; overlast van het parkeren van voertuigen van bezoekers; algemene gevoelens van onveiligheid; storende reclames; het ongewild geconfronteerd worden met erotisch-pornografische afbeeldingen en waren, met name voor wat betreft kinderen. Vorenstaande kan ernstige gevolgen hebben voor de openbare orde en het woon- en leefklimaat. In de APV is dan ook een vergunningplicht voor seksinrichtingen opgenomen. Bij het uitvoeringsbeleid ter zake is het gewenst voor wat betreft het maximaal aantal te verlenen vergunningen aan de huidige seksinrichtingen aan te sluiten bij eerder genoemde planologische en beleidsuitgangspunten. 2.2.1.2 RaamprostitutieOnder raamprostitutiebedrijf dient te worden verstaan een inrichting met een of meerdere ramen van waarachter de prostitue(
  2. e)tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen. Raamprostitutie valt dus onder het begrip seksinrichting. De exploitatie van raamprostitutie zal eerder dan bij andere soorten inrichtingen ernstige hinder en overlast voor de straat en buurt opleveren. Men wordt zeer direct geconfronteerd met de prostitutie en er kan met name veel overlast ontstaan door rondrijdende auto’s (van kijkers). Dit alles kan gevoelens van onveiligheid oproepen. Omdat raamprostitutie tot op heden niet voorkomt in de regio Westelijke Mijnstreek en gelet op de weerslag die dit kan hebben op het woon- en leefklimaat, en ook andere motieven zoals (verkeers)veiligheid, dient te worden voorkomen dat er raamprostitutie gaat plaatsvinden. Raamprostitutie wordt in Sittard-Geleen dan ook niet toegestaan. Een voorschrift van die strekking zal aan de vergunning voor seksinrichtingen worden toegevoegd. Dat raamprostitutie in Sittard-Geleen niet voorkomt heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat voldoende andere vormen van prostitutie aanwezig zijn en in omliggende regio’s wel vormen van raamprostitutie geboden worden. Aangezien raamprostitutie vaak confronterend is en bovendien een enorme weerslag op het woon- en leefklimaat en op de verkeersveiligheid kan hebben acht de gemeente ook vanuit planologisch oogpunt hier een verbod op zijn plaats. Zowel in het bestemmingsplan als bij APV zal raamprostitutie derhalve expliciet uitgesloten worden. 2.2.1.3 Seksbioscopen/automatenhallen/sekstheatersEen seksbioscoop is een inrichting waarin hoofdzakelijk erotisch-pornografische voorstellingen worden gegeven door middel van audiovisuele apparatuur. Dit is in afwijking van een seksautomatenhal, waarin dergelijke erotisch-pornografische voorstellingen worden gegeven m.b.v. automaten en van een sekstheater, waarin deze voorstellingen anders dan door middel van audiovisuele apparatuur of automaten – met andere woorden “live” - worden gepresenteerd. Voor zowel de seksbioscoop, de seksautomatenhal als het sekstheater geldt dat daarin hoofdzakelijk voorstellingen van erotisch pornografische aard worden gegeven. Zoals reeds onder 2.2 “Begripsafbakening” aangegeven vallen ook seksbioscopen/ automatenhallen/sekstheaters onder het begrip seksinrichting en derhalve de ter zake geldende vergunningplicht. Binnen de gemeente Sittard-Geleen komen thans geen afzonderlijke seksbioscopen of seksautomatenhallen voor. Wel komen in deze gemeente sekswinkels in combinatie met videocabines en/of automatenhallen en/of seksbioscopen voor. De vestiging van deze sekswinkels met een gemengde functie zal planologisch geregeld worden via het bestemmingsplan. Voor de planologische uitgangspunten ten aanzien van deze bedrijven wordt kortheidshalve naar paragraaf 2.2.2 van deze nota verwezen. In het bestemmingsplan zullen alleen straat- en raamprostitutie expliciet uitgesloten worden. Zoals hierboven reeds aangegeven wordt hier een verbod op zijn plaats geacht omdat dergelijke vormen van prostitutie vaak confronterend zijn en bovendien een enorme weerslag op het woon- en leefklimaat als ook op de verkeersveiligheid kunnen hebben. Voor sekstheaters gelden dergelijke argumenten in veel mindere mate, temeer nu eventuele negatieve uitstraling op de omgeving in het kader van het exploitatievergunningenbeleid voorkomen c.q. beperkt kan worden. Sekstheaters zullen qua zonering en maximering ondergebracht worden in het voor prostitutiebedrijven (bordelen) op te stellen regime. 2.2.2 SekswinkelsOnder sekswinkel wordt begrepen een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht dan wel verhuurd. Voor sekswinkels al dan niet in combinatie met seksbioscopen of videocabines wenst de gemeente ook enige ruimte te reserveren. In de huidige situatie blijkt aan dergelijke bedrijven immers een duidelijke behoefte te bestaan. Daarnaast zijn sekswinkels al dan niet gemengd onder een aantal te stellen voorwaarden (zonering, reclames, uitstalling, etalage-inrichting) zeer wel inpasbaar. In het centrum van Sittard zijn momenteel 3 gemengde bedrijven gevestigd (Stationsstraat 31, Stationsdwarsstraat 1 en Rijksweg Noord 3). Langs de Rijksweg in Geleen zijn eveneens 2 gemengde bedrijven aanwezig (Rijksweg Noord 66a en Rijksweg Zuid 127). Evenals voor prostitutiebedrijven acht de gemeente met het oog op de functionele balans binnen een gebied een zekere maximering middels een maximaal vestigingspercentage noodzakelijk. Ook hier ware dit percentage zodanig vast te stellen dat sekswinkels slechts ondergeschikt aanwezig kunnen zijn. Middels voorwaarden (bijvoorbeeld m.b.t. etalage-uitstalling) gekoppeld aan de te verlenen exploitatievergunningen kan voorkomen worden dat dergelijke winkels een negatieve invloed op het winkelgebied uitoefenen. Wat betreft de zonering acht de gemeente het wederom gewenst de vestigingsruimte voor zowel Sittard als Geleen te beperken tot de Rijksweg, met dien verstande dat ook hier het binnen het winkelcentrum gelegen deel voor vestiging in aanmerking komt. Evenals bij de prostitutiebedrijven zullen de thans niet binnen deze zone gevestigde bedrijven (Stationsstraat 31 en Stationsdwarsstraat 1) positief bestemd dienen te worden, zulks in combinatie met een afsterfconstructie. Sekswinkels vallen niet onder het begrip seksinrichting en daarmee onder de vergunningplicht. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag dat de vestiging van sekswinkels doorgaans afdoende zal kunnen worden gereguleerd langs de weg van het bestemmingsplan en dat het - ter bescherming van de openbare orde of de woon- en leefomgeving - niet nodig is deze bedrijven in de regel aan voorafgaand toezicht te onderwerpen. Afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden kan het (vanuit deze motieven) echter gewenst zijn wel in zekere mate te kunnen reguleren. Naast het bestemmingsplan-technische spoor is daartoe artikel 3.2.7 in de APV opgenomen, waardoor gebieden of delen van de gemeente kunnen worden aangewezen waarin het in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving niet is toegestaan een sekswinkel te (doen) exploiteren. Door de voormalige gemeente Geleen zijn op basis van die aan te wijzen gebieden, alle woongebieden in de gemeenten aangewezen, waarbij de twee bedrijven op de huidige locaties als een soort afwijkende functie worden toegestaan. Door de voormalige gemeente Sittard is het hele grondgebied van de gemeente Sittard, met uitzondering van het centrum aangewezen als gebied waar in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving geen sekswinkels gevestigd mogen worden. In het centrum mogen maximaal 3 sekswinkels gevestigd worden. Dit maximum omvat ook bedrijven die een combinatie zijn tussen sekswinkel en bijvoorbeeld een seksbioscoop/automatenhal/cabines/ theater. Door de voormalige gemeente Born zijn er geen gebieden aangewezen. 2.2.2.1 Sekswinkels met een gemengde functieZoals hierboven reeds aangegeven zijn er in de gemeente Sittard-Geleen op dit moment ook bedrijven gevestigd die een combinatie zijn tussen een sekswinkel en een seksinrichting (in de vorm van cabines/filmzalen/massage). Deze bedrijven vallen voor het gedeelte dat ze niet winkel zijn onder het begrip seksinrichting en zijn als zodanig vergunningplichtig ingevolge de APV. Wat betreft de sluitingstijden zal aansluiting gezocht worden bij de Winkeltijdenwet (zie § 3.3.2 Sluitingstijden). Zoals hierboven reeds aangegeven wordt met het oog op de functionele balans binnen een gebied een zekere maximering middels een maximum vestigingspercentage noodzakelijk geacht. 2.2.3 EscortbedrijvenOnder een escortbedrijf wordt verstaan een bedrijf gevoerd door een natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend. Escort is een vorm van prostitutie die, vanwege het niet-perceelgebonden karakter, nauwelijks haar weerslag kent op de openbare orde en het woon- en leefklimaat van een buurt. Hoewel handhaving van de vergunningplicht in de praktijk zeer moeilijk zal blijken te zijn adviseert de commissie van Hassel wel de vergunningplicht in te voeren teneinde een drempel op te werpen voor illegale vestiging en meer zicht te krijgen op deze weinig transparante tak van prostitutie en om ongewenste verschuivingseffecten tegen te gaan. Ten behoeve van deze vergunningplicht is in artikel 3.2.1 APV een vergunningplicht opgenomen voor inrichtingen, waarbij lid c van artikel 3.1 APV bepaalt dat onder inrichting ook valt een escortbedrijf. De gemeente acht het niet noodzakelijk om in ruimtelijk opzicht regulerend op te treden ten aanzien van escortbedrijven, aangezien dit soort bedrijven geen ruimtelijke impact heeft. In geval escortbedrijven zich evenwel door hun bedrijfsmatige opzet als prostitutiebedrijf profileren, zullen zij in de regelgeving ook als zodanig behandeld worden. 2.2.4 StraatprostitutieDe wetswijziging tot opheffing van het bordeelverbod heeft geen gevolgen voor de straatprostitutie. Het is echter bij uitstek een vorm van prostitutie die nader beleid toch gewenst maakt. Dat is de laatste jaren gebleken, doordat in verschillende gemeenten de straatprostitutie tot grote overlastproblemen heeft geleid en het aanwijzen van zogenaamde gedoogzones doorgaans veel commotie teweegbrengt. Straatprostitutie heeft een zeer nadelige invloed op het woon- en leefmilieu, en ook op de openbare orde en leidt tot ernstige overlastsituaties. Daarbij lopen ook vaak de veiligheid van personen en goederen gevaar, alsmede de verkeersveiligheid. Ook vanuit een oogpunt van zedelijkheid en volksgezondheid wordt straatprostitutie ongewenst geacht, terwijl bovendien de arbeidsomstandigheden van straatprostituees doorgaans te wensen overlaten. Daarbij speelt verder dat er voor de prostituee voldoende andere mogelijkheden zijn om haar beroep uit te oefenen via de reguliere prostitutiebedrijven, escortservice etc. Over de (juridische) vraag of in een gemeente straatprostitutie in zijn geheel verboden mag worden verschillen de meningen. Vooralsnog is de gemeente Sittard-Geleen echter van mening dat nu tot op heden in het geheel niet wordt getippeld, dit in het belang van de openbare orde en het woon- en leefklimaat, en ook andere motieven zoals overlast, (verkeers)veiligheid etc. moeten kunnen worden voorkomen. Derhalve is in de APV artikel 3.2.6 opgenomen dat straatprostitutie verbiedt. Om ook tegen tippelen op basis van het bestemmingsplan te kunnen optreden is het noodzakelijk om voor die bestemmingen via het facetplan welke het openbaar gebied regelen (verkeersdoeleinden, pleinen, openbaar groen e.d.) expliciet te bepalen dat tippelen als een vorm van verboden gebruik aangemerkt zal worden. Een dergelijke regeling zal echter met voldoende ruimtelijke relevante argumenten onderbouwd moeten worden (bv. verkeersveiligheid, woonmilieu, openbare orde, behoefte). Dat straatprostitutie in Sittard-Geleen niet voorkomt heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat voldoende andere vormen van prostitutie aanwezig zijn en in omliggende regio’s wel vormen van straatprostitutie geboden worden. Aangezien straatprostitutie vaak confronterend is en bovendien een enorme weerslag op het woon- en leefklimaat en op de verkeersveiligheid kan hebben acht de gemeente ook vanuit planologisch oogpunt hier een verbod op zijn plaats. In het bestemmingsplannen en bij APV zal straatprostitutie derhalve expliciet uitgesloten worden. 2.2.5 Thuiswerk(st)ers Thuisprostitutie zal over het algemeen op kleine schaal plaatsvinden in het huis van de prostituée en dus nauwelijks haar weerslag hebben op de openbare orde en het woon- en leefklimaat van een buurt. Echter wanneer prostituees in een woning bedrijfsmatig werken, en een en ander een openbaar karakter heeft, dient dit als prostitutiebedrijf en derhalve als een seksinrichting te worden aangemerkt, ook al werkt er slechts een prostituee en betreft het haar eigen woning. Teneinde ook hier ongewenste verschijningsvormen (denk aan zogenaamde kamerverhuurbedrijven) te voorkomen adviseert de commissie van Hassel een zodanige bedrijfsmatige prostitutie aan te merken als prostitutiebedrijf en te behandelen als reguliere seksinrichting met een daaraan gekoppelde vergunningplicht. Mocht er toch overlast ontstaan dan is er waarschijnlijk sprake van bedrijfsmatige activiteiten en kan er ook op basis van het bestemmingsplan worden opgetreden. Omdat het beroep van prostituee niet als een zogenaamd vrij beroep aangemerkt kan worden (AB 1996/105), kan thuisprostitutie als strijdig gebruik aangemerkt worden en als zodanig in de bestemmingsomschrijving ook als toegestaan gebruik uitgesloten worden. In de praktijk zal het evenwel moeilijk zijn een dergelijke regeling te handhaven (moeilijke bewijslast). Gegevens omtrent de mate en omvang van vergunningplichtige thuisprostitutie zullen door het RCMP worden aangeleverd. De gemeente acht het niet noodzakelijk om in ruimtelijk opzicht regulerend op te treden ten aanzien van thuiswerk(st)ers, aangezien dit soort activiteiten geen ruimtelijke impact heeft. In geval thuiswerk(st)ers zich evenwel door hun bedrijfsmatige opzet als prostitutiebedrijf profileren, zullen zij in de regelgeving ook als zodanig behandeld worden. 3. Deel II: nader beleid in het kader van de uitvoering van de bevoegdheidsuitoefening van hoofdstuk 3 van de APV.3.1 InleidingDe Algemene plaatselijke verordening (APV) wordt naast het bestemmingsplan gezien als een van de belangrijkste instrumenten voor de gemeentelijke overheid om de prostitutiebranche te reguleren. Door de VNG werd een hoofdstuk 3 model - APV ontworpen. Deze model - APV werd in de loop der tijd al meerdere malen toegespitst en veranderd, met name ook door aandachtspunten vanuit het land, waaronder Limburg-Zuid. Het blijft echter een model – APV, die in zijn algemeenheid voor heel Nederland als voorbeeld dient, en die als basis dient voor de model - APV voor de regio Limburg-Zuid. Door de commissie van Hassel zijn in deze model - APV een aantal toevoegingen en wijzigingen aangebracht teneinde in te spelen op de specifieke situatie van de regio. Deze afwijkingen van de model - APV zijn getoetst op juridische haalbaarheid en zijn uitgebreid besproken met de VNG. Zie bijlage II voor de APV. In de APV van Sittard-Geleen is het hoofdstuk 3 van de model-APV voor de regio Limburg-Zuid verwerkt. 3.2 Nadere regelsHet artikel 3.1.3 van de APV geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid “nadere regels” vast te stellen in het kader van de belangen die genoemd zijn in artikel 3.3.2 lid 2 van de APV. Deze nadere regels bevatten aanvullende regelgeving en gelden voor alle inrichtingen. In de nadere regels kan inhoud gegeven worden aan de belangen genoemd in artikel 3.3.2 lid 2 van de APV. Derhalve is het van groot belang dat ook deze nadere regels zoveel mogelijk eenduidig binnen de regio Limburg-Zuid ingevoerd worden. De commissie heeft dan ook model nadere regels voor de regio Limburg-Zuid ontworpen. Hierbij is de commissie uitgegaan van drie basisregels waaraan de nadere regels dienden te voldoen, zijnde duidelijk, uitvoerbaar en handhaafbaar. Bij de totstandkoming van de nadere regels bleek dat hier een stuk onontgonnen terrein lag. Door de commissie werd intensief overleg gevoerd met de weinige gemeenten in Nederland die zich reeds eerder op dit terrein hadden begeven. De VNG liet het maken van nadere regels over aan de gemeenten. De door de commissie opgestelde nadere regels treft u aan in bijlage I. Hieronder zal een toelichting en motivering op de belangrijkste nadere regels worden gegeven. Door de gemeenten in het politiedistrict Sittard zijn, voor zover zij seksinrichtingen binnen hun grenzen hebben, deze nadere regels vastgesteld. 3.2.1 Inhoud nadere regels.Paragraaf 2: Inrichtingseisen In deze paragraaf zijn de arbeidsomstandigheden en de veiligheid van de prostituee het uitgangspunt. Paragraaf 3: BrandveiligheidsvoorschriftenBrandveiligheidsvoorschriften horen op grond van motivering en van jurisprudentie op de artikelen 2 en 8 van de Woningwet thuis in de bouwverordening en niet in de APV. Derhalve is gekozen voor het verplicht stellen van een gebruiksvergunning voor prostitutiebedrijven met vijf of meer verblijfsruimten. Hiertoe dient in de Bouwverordening aan artikel 6.1.1 lid 1 een nieuw sub e (modelbouwverordening) toegevoegd te worden: “ bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen met een ander al dan niet tegen vergoeding, worden verricht, voor zover in het bouwwerk vijf of meer verblijfsruimten aanwezig kunnen zijn”.De toevoeging van de woorden “al dan niet” betrekt ook parenclubs onder de werking van dit artikel. Controle op naleving van het gestelde zal in principe één maal per jaar plaatsvinden. Paragraaf 4: Gebruiks – en gezondheidsvoorschriftenHieromtrent wordt verwezen naar het in Hoofdstuk 2 vermelde. Paragraaf 5: Overige verplichtingen van exploitant en beheerderDeze artikelen zijn opgenomen op basis van ongewenste ontwikkelingen uit het verleden welke middels deze regels voorkomen kunnen worden. 3.3 Overige aangelegenheden uit de APV welke nadere regeling behoeven.3.3.1 Advisering gedragseisenOp grond van artikel 3.2.2 van de APV dienen de exploitant en de beheerders van de seksinrichting te voldoen aan in dit artikel genoemde gedragseisen. Teneinde zorg te dragen voor zoveel mogelijk eenduidigheid zal de advisering ten aanzien van de gedragseisen regionaal centraal plaatsvinden door het Regionaal Coördinatiepunt Mensenhandel en Prostitutie (R.C.M.P.) en niet door de betreffende basiseenheid. 3.3.2 SluitingstijdenIn artikel 3.2.3 van de APV worden de sluitingstijden voor seksinrichtingen nader geregeld. Onder verwijzing naar onderdeel 2.1.2 “Begripsbepaling” van deel I van het prostitutiebeleid vallen naast bordelen, parenclubs etc. ook seksbioscopen e.d., escortbureaus en soms zelfs thuiswerkbedrijven onder het begrip seksinrichting en derhalve onder de sluitingstijden zoals bedoeld in lid 1 van artikel 3.2.3. De sluitingstijden van seksinrichtingen lopen inmiddels parallel aan de sluitingstijden als vastgesteld in de APV voor wat betreft horecabedrijven. Met name de bordelen, parenclubs e.d. vallen in de regel ook onder de definitie horecabedrijf als bedoeld in de APV. Dit betekent dat ook andere seksinrichtingen zoals seksbioscopen, seksautomatenhallen etc. onder deze sluitingstijden van art 3.2.3 van de APV vallen. Immers dit zijn ook seksinrichtingen. Voorheen gold hiervoor geen sluitingstijdstip. Sekswinkels vallen niet onder het begrip seksinrichting. Op sekswinkels is het regime van de Winkeltijdenwet in de regel van toepassing. Voor de sekswinkels met een gemengde functie als bedoeld in onderdeel 2.2.2.1 van deel I van het prostitutiebeleid zal voor het deel niet vallende onder de winkel, maar wel aan te merken als seksinrichting, een vergunningvoorschrift aan de vergunning bedoeld in art 3.2.1 van de APV, verbonden worden dat bepaalt dat de sluitingstijden voor het “seksinrichting-gedeelte” gelijk dienen te zijn aan de sluitingstijden voor de sekswinkel zoals deze gelden ingevolge de Winkeltijdenwet. Een en ander komt de duidelijkheid ten goede en maakt het ook enigszins controleerbaar bij deze bedrijven met een gemengde functie. Bovendien kan dit bijdragen aan een beperking van de aantasting van het woon- en leefmilieu en/of de openbare orde. Concreet betekent vorenstaande, dat lid 1 van art 3.2.3 als volgt luidt: “1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven: op maandag tot en met donderdag tussen 02.00 uur en 07.00 uur; op vrijdag, zaterdag en zondag tussen 03.00 uur en 07.00 uur.” In het sluitingstijdenbeleid horecabedrijven van de voormalige gemeente Sittard (vastgesteld 9 februari 1999) is in onderdeel 5.2.2.1. een afzonderlijke passage gewijd aan de inrichting gelegen Putstraat 40. Daarbij is bepaald dat de nachtvergunning van dit bedrijf komt te vervallen indien de huidige onderneemster de exploitatie staakt c.q. niet meer als bedrijfsleidster/beheerster functioneert. Hiertoe is een afzonderlijk vergunningvoorschrift verbonden aan de horeca-exploitatievergunning als bedoeld in lid 1 van art 2.3.1.2 van de APV. Een gelijkluidend voorschrift zal ook verbonden worden aan de seksinrichting-exploitatievergunning als bedoeld in lid 1 van art 3.2.1 van de APV. 3.3.3 Overgangsregeling Bij de invoering van het nieuwe rechtsregime met vergunningstelsel is speciaal gewezen op de overgangsregeling als vermeld in artikel 3.5.1 onder 3 van de APV. Voor meer informatie kan men de toelichting op de APV-artikelen raadplegen. Door het nieuw ingevoerde vergunningstelsel is onder meer op bestaande inrichtingen een nieuw rechtsregime van toepassing geworden. Vanuit een oogpunt van behoorlijk bestuur dient exploitanten van een inrichting een redelijke termijn te worden gegund om de benodigde vergunning aan te vragen. Destijds is voorgesteld in districtelijk verband hiervoor een termijn van 12 weken te hanteren. Indien de exploitant de vergunningaanvraag binnen deze termijn heeft ingediend, mag hij de inrichting zonder vergunning exploiteren zolang op zijn aanvraag niet is beslist (eerste lid onder
  3. b)3.4 Handhaving3.4.1 InleidingEenduidige handhaving is essentieel om duidelijkheid te scheppen voor de branche en mede daardoor te komen tot een zo snel mogelijke normalisering en decriminalisering. Door de commissie van Hassel werd een voorstel voor het invoeren van een lokaal handhavingsarrangement gedaan. Dit voorstel was mede gebaseerd op een landelijk voorstel als vermeld in het “Handboek lokaal prostitutiebeleid” van het Ministerie van Justitie. Hierin worden drie kwaliteitscriteria aangegeven die van belang zijn voor het uitwerken van een handhavingsarrangement. De handhaving dient effectief, efficiënt en consequent te zijn. In de politieregio Limburg Zuid is de overheid (m.n. team vrouwenhandel van de politie) al enkele jaren bezig met toezicht op de branche, zowel repressief als preventief. Een en ander heeft gevolgen voor het opstellen van het handhavingsarrangement in vergelijking met regio’s waar de overheid geen of nagenoeg geen bemoeienis had met de branche. 3.4.2 Districtelijk c.q. lokaal handhavingarrangementNa meeweging van het vorenstaande werd een handhavingsarrangement voor de politieregio Limburg Zuid opgesteld. Dit handhavingsarrangement zou ook in het politiedistrict Sittard gaan gelden en moest als zodanig door iedere gemeente worden vastgesteld. Bij de vaststelling van de nota Prostitutiebeleid gemeente Sittard-Geleen van oktober 2002 werd dit arrangement als bijlage opgenomen. Inmiddels is dit handhavingsarrangement nader uitgewerkt en uitgebreid op basis van praktijkervaringen. Voor dit uitgewerkte en uitgebreide handhavingsarrangement, dat is gebaseerd op het handhavingsarrangement prostitutiebeleid 2000 van de gemeente ’s-Gravenhage, wordt verwezen naar bijlage IV. Het op basis van dit arrangement gevoerde beleid is al menig maal door de rechter erkend. Ten aanzien van de handhavingsbevoegdheden van de burgemeester en het college van burgemeester en wethouders is door de commissie van Hassel een aantal beleidsregels geformuleerd welke als bijlage V bij deze nota zijn gevoegd. Het toepassen van bestuursdwang naast de voorgestelde in de beleidsregels vastgelegde intrekkings- en sluitingsmogelijkheden blijft mogelijk. Denk hierbij bijvoorbeeld aan dwangsom en daadwerkelijke fysieke sluiting. Als beleidsregel voor het college betreffende het tegengaan van illegale thuisprostitutie wordt gekozen voor de navolgende omschrijving: “Wordt een woning of een gedeelte van een woning zonder vergunning gebruikt als seksinrichting of escortbedrijf en het verlenen van een vergunning is niet mogelijk dan zal door middel van het opleggen van een dwangsom de strijdige situatie (mede) worden aangepakt.” (bijlage VI). Het opleggen van een dwangsom is effectiever dan het sluiten van een gedeelte van een woning. 3.4.3 Openbaar Ministerie.Het Openbaar Ministerie gaat ervan uit dat voor wat betreft inrichting- en woninggebonden problematiek het bestuur primair zorg zal dragen voor handhaving en het strafrecht daarin het ultimum remedium (en sluitstuk van de keten) is. Door het Openbaar Ministerie van het arrondissement Maastricht zullen in beginsel de volgende kaders worden gehanteerd. In hoofdstuk 3 van de APV Sittard-Geleen heeft de gemeente de (exploitatie van) prostitutie gebonden aan onder andere verboden. Het handelen in strijd met een verbod als bedoeld in voornoemd hoofdstuk wordt in juridische termen aangeduid als overtreding. Op grond van de geconstateerde overtreding dient een proces-verbaal te worden opgemaakt. Het Openbaar Ministerie zal op grond van het proces-verbaal strafvervolging instellen, hetgeen kan variëren van het aanbieden van een transactie tot het dagvaarden van de verdachte(n). Afhankelijk van het bij proces-verbaal aangedragen bewijs behoudt het Openbaar Ministerie zich het recht voor om in een voorkomend geval een zaak te seponeren. 3.4.4 Handhavingsteams.In het “Handboek lokaal prostitutiebeleid” van het Ministerie van Justitie wordt de voorkeur uitgesproken voor het samenstellen van regionale Handhavingsteams van meerdere disciplines (Politie, Gemeente, Arbeidsinspectie, Belastingdienst e.d.). Deze teams zouden het toezicht en de handhaving op de prostitutiebranche op zich dienen te nemen. Handhavingsteams dienen te worden ingezet ter bereiking van de beoogde doelstellingen van de wetswijziging. Door het optreden sedert 1995 van het team Vrouwenhandel van de politie zijn in de regio Limburg-Zuid de meeste doelstellingen van het beoogde wetsontwerp en het daarmee samenhangend gemeentelijk prostitutiebeleid reeds in grote mate bereikt. Leden van het team Vrouwenhandel zullen, onder aansturing en coördinatie van het Regionaal Coördinatiepunt Mensenhandel en Prostitutie (RCMP) van de politie regio Limburg Zuid, deze controles blijven verrichten, waardoor minimaal stabilisering bereikt wordt alsmede eenduidigheid in optreden blijft bestaan. Ook de politie is gebaat bij decriminalisering van de branche, waardoor tevens voorkomen wordt dat de georganiseerde criminaliteit grip op de branche krijgt. Andere partners (zoals Arbeidsinspectie, GGD, Belastingdienst) hebben ieder hun eigen belang en invalshoek bij de benadering van de branche. Hierbij zal binnen onze regio, indien nodig, samengewerkt worden op basis van ieders eigen verantwoordelijkheid en insteek. Het RCMP zal hierbij als centraal aanspreek - en informatiepunt blijven fungeren. Belangrijk voor de ontwikkeling van de branche is ook dat zij de eerste tijd niet overspoeld wordt door allerlei instanties die repressief optreden. De branche moet de kans krijgen zichzelf te ontwikkelen tot een “normale” branche. Gezien de situatie in de regio Limburg Zuid wordt voor het niet instellen van een handhavingsteam gekozen. 3.4.5 Handhaving bestemmingsplanIn deel I van het prostitutiebeleid is reeds aangegeven dat het bestemmingsplan het primaire instrument is ter regulering van de vestiging van seksinrichtingen. In dat kader zal dan ook steeds bij een illegale vestiging in het kader van het bestemmingsplan c.q. de voorschriften van het bestemmingsplan handhaving plaats vinden. 3.5. Gezondheids – en hygiëneaspecten3.5.1 Prostitutiebeleid GGD Zuid Limburg in het kader van de opheffing van het bordeelverbod De opheffing van het bordeelverbod en de noodzaak tot regulering is voor de GGD aanleiding om een aantal producten in een integraal pakket te beschrijven ten aanzien van de doelgroep prostitue(e)s en seksinrichtingen. Het gegeven dat één op de vijf seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA) herleidbaar is tot het prostitutiebedrijf geeft aan welk belang deze doelgroep heeft in het kader van de SOA-bestrijding. Het productenpakket in het kader van het prostitutiebeleid bestaat uit de producten: technische hygiënezorg, SOA-preventie, SOA-screening en SOA-surveillance. De legitimatie van de vier GGD-producten is te vinden in de Wet Collectieve Preventie Volksgezondheid. In deze wet wordt de verantwoordelijkheid bij de gemeenteraad gelegd om via een GGD hygiëne en collectieve preventie op het gebied van SOA (waaronder Aids) en epidemieën van infectieziekten te bevorderen, waaronder het realiseren van controle van specifieke groepen, passieve en actieve bron- en contactopsporing, begeleiding en voorlichting van patiënten en specifieke groepen, het aanbieden van vaccinatie aan specifieke groepen en epidemiologische surveillance (monitoring). Er zullen met de GGD nog nadere afspraken gemaakt moeten worden over onder andere de toezichthoudende taak zoals door de commissie van Hassel is voorgesteld en de uit te voeren inspecties. 3.5.2 Technische hygiëne zorgDe GGD voert de inspecties uit aan de hand van hygiëne-eisen die vanuit een collectief belang aan de inrichting gesteld worden. Op basis van een risicoanalyse wordt een rapportage gemaakt waarin bevindingen en zonodig aanbevelingen ter verbetering van de hygiënische omstandigheden worden opgenomen. Het verslag wordt aan de gemeente en ook aan de geïnspecteerde seksinrichting ter beschikking gesteld. De gemeente bepaalt of bevindingen uit de inspecties moeten leiden tot sancties. Eén keer per jaar wordt een inspectie verricht. Indien een vervolgvergunning voor langere duur dan een jaar wordt verleend, nadat hieraan voorafgaand reeds twee keer een positief inspectierapport door de GGD is afgegeven, acht de GGD het van belang dat in de vervolgvergunning een bepaling wordt opgenomen dat binnen de periode waarvoor deze vergunning geldt tenminste één inspectie door de GGD plaatsvindt. Tot op heden is de gang van zaken dat naar aanleiding van een aanvraag voor een (vervolg)vergunning de gemeente de GGD opdracht geeft tot het uitvoeren van een technische hygiëne inspectie van de inrichting. De kosten van deze inspecties worden door de gemeente rechtstreeks aan de GGD betaald en worden vervolgens omgeslagen in de legestarieven. Het is de bedoeling is dat vanaf 2008 de verantwoordelijkheid voor het laten uitvoeren door de GGD van technische hygiëne-inspecties bij de vergunninghouders wordt neergelegd. De kosten van de inspecties zullen alsdan rechtstreeks door de ondernemers aan de GGD moeten worden vergoed en worden derhalve niet langer meer in de legestarieven verdisconteerd (zie paragraaf 3.7.3). 3.5.3 SOA-preventieSOA-preventie waaronder minimaal eens per jaar voorlichting door middel van persoonlijke gesprekken of groepsvoorlichting met ondersteuning van voorlichtingsmaterialen. Het doel hiervan is kennis en vaardigheden over te brengen op prostitue(e)s om veilig seksueel gedrag te bevorderen teneinde besmetting met en transmissie van SOA te voorkomen. Vanaf 2006 zit de zorg voor de prostituees in het basispakket van de GGD. Dit betekent dat de SOA-verpleegkundigen de bordelen regelmatig zullen benaderen (1-2 x per jaar) voor SOA-onderzoek en eventuele behandeling en hepatitus-B vaccinatie. 3.5.4 SOA-screeningVier keer per jaar aanbieden van geneeskundige screening op SOA. Er is een individueel doel om SOA-behandeling te realiseren en een collectief doel om verspreiding van SOA te beperken in de groep prostituanten en daarmee de algemene bevolking. Bij klachten en constateren SOA van meer dan huisartsgeneeskundige aard wordt standaard doorverwezen naar de dermatoloog. Door bronbehandeling wordt verdere verspreiding voorkomen. 3.5.5 SOA-surveillanceOp basis van anonieme gegevens vanuit SOA-screening kan inzicht in het verloop van aan prostitutie gerelateerde SOA worden verkregen om daarmee inzicht te krijgen in het effect van maatregelen ter bestrijding van SOA. 3.5.6 FinancieringIn de nota van de GGD getiteld “Prostitutiebeleid GGD-en Limburg in het kader van de opheffing van het bordeelverbod” (zie bijlage VII) wordt voor wat betreft de technische hygiëne zorg in het midden gelaten of de exploitant danwel de gemeente die kosten dient te voldoen. De mogelijkheid dat de gemeente deze kosten betaalt is open gelaten. Het streven zal zijn dat de kosten van de inspecties door de ondernemers gedragen zullen worden. Zie paragraaf 3.5.2. 3.6. Regelgeving met betrekking tot seksinrichtingen c.a.Naast de wijziging van het Wetboek van Strafrecht c.q. de opheffing van het bordeelverbod zijn er nog diverse andere wettelijke regelingen die betrekking kunnen hebben op seksinrichtingen en waarbij de gemeente bevoegdheden zijn toegekend. Onderstaand wordt kort ingegaan op de meest van belang zijnde regelingen. 3.6.1 Algemene plaatselijke verordeningKortheidshalve mag hier verwezen worden naar deel I van het prostitutiebeleid, waarin is aangegeven dat een nieuw hoofdstuk 3 “ Seksinrichtingen, Sekswinkels, Straatprostitutie e.d.” in de APV is opgenomen. Tevens mag verwezen worden naar paragraaf 2.2.1 ”APV: Openbare orde en/of woon- en leefmilieu” van deze nota. 3.6.2 BestemmingsplanIn deel I van het Prostitutiebeleid is uitvoerig aandacht besteed aan het bestemmingsplan en het beleid terzake. Met name met betrekking tot reeds langer bestaande bedrijven, die in strijd met het bestemmingsplan al jaren worden gedoogd, kan een problematische situatie ontstaan. Door de voormalige gemeenten Sittard en Geleen is gekozen voor een afsterfconstructie op grond van het bestemmingsplan voor een aantal bedrijven. Door het bovenstaande blijven de vergunningsplicht, het vastgestelde beleid en de handhavingsmogelijkheden intact. 3.6.3 Bestemmingsplan/relatie APVEr bestaat een relatie tussen het bestemmingsplan en de APV, in die zin, dat op grond van artikel 3.3.2 lid 1 sub b van de APV een vergunning (imperatief) geweigerd dient te worden indien vestiging of exploitatie van een inrichting in strijd is met het bestemmingsplan of een Leefmilieuverordening. 3.6.4 Andere regelgevingAlvorens tot vergunningverlening kan worden overgegaan zal, naast de planologische en APV toets, tevens worden getoetst aan: Eisen bouwverordening/bouwbesluit; Eisen van brandveiligheid; Eisen Wet Milieubeheer; Eisen Drank- en Horecawet; Eisen Wet BIBOB; Centraal justitieel documentatieregister; Het niet aanwezig zijn van illegale prostituees; Eisen van gezondheid en hygiëne; Eisen van de Arbo-wet. Ad A t/m D: Deze voorschriften behoeven eigenlijk geen nadere toelichting. Op het moment dat een vergunningaanvraag wordt ingediend zal het gebouw en de bedrijfsvoering aan deze wettelijke eisen worden getoetst. Pas nadat geheel hieraan wordt voldaan, eventueel na goedgekeurde aanpassingen door de aanvrager en/of eigenaar, kunnen deze aspecten geen beletsel meer voor de vergunningverlening opleveren. Een en ander betekent natuurlijk ook wel dat regelmatig gecontroleerd zal moeten worden. Ad E: Bij alle aanvragen wordt een BIBOB-intake toegepast Ad F en G: De aanvrager van een vergunning dient aan te tonen dat er voor de bedrijfsvoering geen strafrechtelijke beletsels bestaan c.q. een gegronde vrees moet bestaan dat het bedrijf benut zal worden voor strafrechtelijk verboden handelingen. Meer in concreto betekent dit dat in seksinrichtingen: Geen harddrugs aanwezig mogen zijn; Geen minderjarigen aanwezig mogen zijn; Geen illegalen aanwezig mogen zijn; Geen wapens aanwezig mogen zijn. Ad H en I: Naast de eisen van de Arbo-wet, waar de aanvrager van de vergunning aan dient te voldoen, moet tevens worden voldaan aan de voorschriften van gezondheid en hygiëne zoals in de nadere regels op grond van de APV. Deze voorwaarden zullen ook als bijlage bij de vergunning worden gevoegd onder het voorschrift dat de vergunninghouder deze dient na te leven c.q. voor naleving dient zorg te dragen. Tenslotte zullen ook de werkkamers aan een aantal eisen moeten voldoen. 3.6.5 WinkeltijdenwetVoor de sekswinkels met een gemengde functie als bedoeld in onderdeel 2.2.2. van deel I van het prostitutiebeleid zal voor het deel niet vallende onder de winkel, maar wel aan te merken als seksinrichting, een vergunningvoorschrift aan de vergunning bedoeld in art 3.2.1 van de APV, verbonden worden dat bepaalt dat de sluitingstijden voor het “seksinrichting-gedeelte” gelijk dienen te zijn aan de sluitingstijden voor de sekswinkel zoals deze gelden ingevolge de Winkeltijdenwet. 3.6.6 Exploitatievergunning op grond van de APVNaast voornoemd hoofdstuk 3 APV, kunnen ook overige bepalingen uit de APV van toepassing zijn. Met name dient dan gekeken te worden naar de exploitatievergunningplicht voor horecabedrijven zoals neergelegd in de APV. Aangezien met name bordelen, parenclubs e.d. onder de definitie van het begrip horecabedrijf vallen zullen zij tevens over een exploitatievergunning dienen te beschikken. 3.7 Overige aangelegenheden.3.7.1 InleidingIn dit hoofdstuk zullen een aantal van belang zijnde onderwerpen nader worden aangeduid en uitgewerkt. Hierbij is veelal integraal de tekst van het rapport van de commissie van Hassel overgenomen, waarbij onderwerpen die al in deel I van het beleid behandeld zijn (o.a. nulbeleid, maximumstelsel, thuiswerksters, escortbureaus etc.) buiten beschouwing worden gelaten. 3.7.2 GedragscodeVanuit de werkzaamheden van het R.C.M.P. en het team Vrouwenhandel werd de noodzaak van een gedragscode voor ambtenaren die vanwege hun functie in de prostitutiebranche dienen te opereren duidelijk. Door het R.C.M.P. is een “gedragscode” opgesteld die voor alle politieambtenaren geldt. Inmiddels is deze gedragscode overgenomen door de overige politiekorpsen in Nederland en zal deze als landelijke gedragscode gaan gelden. De commissie beveelt dringend aan dat ook gemeenteambtenaren en andere instellingen die namens de gemeente de prostitutiebranche betreden zich aan deze gedragscode houden. Burgemeester en wethouders hebben besloten deze aanbeveling over te nemen. De gedragscode geldt thans derhalve ook voor gemeenteambtenaren en personen van andere instellingen die namens de gemeente de prostitutiebranche betreden. Waarom een gedragscode? :Het prostitutiemilieu is bij uitstek de omgeving waar een groot afglijdgevaar bestaat voor personen die vanwege hun werk in deze omgeving dienen te verkeren en van belang zijn of kunnen zijn voor de werkers in de branche. Uit vele ervaringen gedurende de afgelopen jaren van politiekorpsen in binnen- en buitenland bleek dit gevaar niet denkbeeldig te zijn. Naast het risico om te bezwijken voor de verlokkingen van de wereld van de “3 D’s” zijnde “drank, duiten en (vooral) dames” bestaat ook een groot risico om door kwaadwillenden in een compromitterende situatie gebracht te worden, zulks met het doel de ambtenaar te beschadigen dan wel hierdoor pogen te corrumperen. Teneinde de bovenstaande risico’s te minimaliseren werd er een gedragscode opgesteld waaraan politieambtenaren die zich in het prostitutiemilieu begeven zich dienen de houden. Niet ondenkbaar is dat deze gedragscode ook wordt gehanteerd door andere ambtenaren die zich, al dan niet in gezelschap van politiemensen, in het milieu dienen te begeven. Deze regels zijn opgesteld om de integriteit te waarborgen doch ook ter bescherming van de individuele ambtenaar. Behoudens de normale fatsoens - en integriteitsregels gelden de volgende regels: contacten met exploitanten/beheerders dienen zakelijk te blijven verbod op afspraken voor ontmoetingen buiten diensttijd met prostituees gastvrouwen en eigenaars verbod op privé bezoek van prostitutiebedrijf binnen de regio/gemeente verbod op aanname van consumpties tijdens controle van bordelen, al dan niet betaald verbod op acceptatie van giften, diensten of beloften nimmer alleen bordeel bezoeken of dienstcontacten onderhouden met betrokkenen tijdens controles contact houden met collega wees er van bewust dat er genegenheidsgevoelens kunnen ontstaan en bespreek die binnen het team. verplichte melding van toenaderingspogingen, geruchten en andere bijzonderheden aan teamleider strikte geheimhoudingsplicht voor wat betreft privacy gevoelige informatie meldingsplicht bij teamleiding bij constateren niet integer gedrag door collega’s. De organisatie: Ook voor de organisatie die haar medewerkers het prostitutieveld instuurt zijn een aantal gedragsregels van belang teneinde waarborgen te scheppen dat de integriteit niet in het geding komt en de medewerkers beschermd worden. Het betreffen randvoorwaarden die door de organisatie ingevuld dienen te worden. binnen het betreffende team/eenheid dient een sfeer van openheid geschapen te worden de noodzakelijkheid van het bestaan van een gedragscode en de strikte naleving daarvan dient organisatiebreed onderkend en onderschreven te worden er dient bij voorkeur gewerkt te worden met vaste teams/vaste eenheden die het prostitutiemilieu bezoeken in de teams/eenheden dienen vrouwelijke medewerkers vertegenwoordigd te zijn nimmer mogen vaste koppels ontstaan er dient zorg gedragen te worden voor een inzichtelijke registratie van bezoeken en contacten de leden van de controlerende teams/eenheden dienen goed opgeleid en geëquipeerd te worden. Het ware zeer wenselijk dat deze gedragscode ook gehanteerd wordt door andere overheidsdienaren die in het kader van hun functie het prostitutiemilieu dienen te betreden. 3.7.3 Legeskosten vergunningIn de legesverordening 2007 is een tarief opgenomen van € 1077,08 voor de afgifte van een vergunning op grond van artikel 3.2.1. van de APV. Dit bedrag moet als reëel worden beschouwd gelet op de met de vergunningverlening gemoeide directe en indirecte kosten en overhead. In het in de legesverordening opgenomen tarief zijn tot op heden zowel de kosten voor inspecties en controles door gemeentelijke diensten (Brandweer i.v.m. brandveiligheidseisen en Stadswinkels i.v.m. inrichtingseisen en vergunningverlening) als de kosten voor de technische hygiëne-inspecties door de GGD verdisconteerd. Voor 2007 bedraagt het tarief voor het inspecteren van een seksinrichting door de GGD € 250,00 per inspectie. Anders dan in het verleden wordt thans in de tarifering door de GGD geen onderscheid meer gemaakt tussen het inspecteren van een bordeel en het inspecteren van een erotheek/sekswinkel. Gelet op het vorenstaande is het wenselijk om ook in de toekomst voor alle seksinrichtingen en escortbedrijven één legestarief te hanteren. Met het oog op het voorkomen van wildgroei en om eventuele ongewenste verschuivingseffecten tegen te gaan is een differentiatie naar tarief voor inrichtingen die op grond van artikel 3.2.1 van de APV vergunningplichtig zijn niet raadzaam. In paragraaf 3.5.6 werd aangegeven dat het streven erop gericht is dat de kosten van de inspecties door de ondernemers gedragen zullen worden. De gemeente geeft hieraan invulling door met ingang van 2008 de verantwoordelijkheid voor het laten uitvoeren van technische hygiëne-inspecties door de GGD bij de vergunninghouders neer te leggen. In de praktijk betekent dit dat de gemeente vanaf 2008 aan het verlenen van een exploitatievergunning aan ondernemers de verplichting zal koppelen om een positief inspectierapport van de GGD te overleggen. Indien de ondernemers de factuur van de GGD voor de technische hygiëne-inspectie niet (tijdig) hebben voldaan ontvangen zij geen inspectierapport en kunnen zij derhalve niet voldoen aan deze verplichting. Uit het voorgaande vloeit voor dat vanaf 2008 de kosten voor de technische hygiëne-inspecties door de GGD niet langer meer in de gemeentelijke legeskosten zullen worden verdisconteerd. Overigens blijft de gemeente bevoegd om te bepalen of bevindingen uit de inspecties moeten leiden tot sancties. De verplichting om een positief inspectierapport van de GGD te overleggen geldt vanaf 2008 voor alle seksinrichtingen, derhalve ook voor bedrijven die een combinatie zijn tussen een seksinrichting en een sekswinkel. Dit betekent dat met ingang van 2008 ook sekswinkels met videocabines of filmza(a)l(
  4. en)bestemd voor vertoningen van erotisch-pornografische aard, massagesalons en erotheken aan genoemde verplichting moeten voldoen. Dit brengt voor de ondernemers overigens geen extra kosten met zicht mee omdat de kosten voor de GGD inspecties vanaf 2008 niet langer in de legeskosten worden verdisconteerd, maar rechtstreeks door de ondernemers aan de GGD moeten worden voldaan. Twee à drie maanden vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de exploitatievergunning worden exploitanten door de gemeente aangeschreven met het verzoek om een vervolgvergunning aan te vragen. In de betreffende brief worden zij geattendeerd op het feit dat zij zelf een afspraak met de GGD moeten maken voor een technische hygiëne-inspectie. Een positief GGD-advies is van belang voor het behouden van de exploitatievergunning. De geldigheid van het inspectierapport van de GGD is één jaar, tenzij de gemeente tussentijds klachten heeft over de technische hygiënezorg. Bij een negatief GGD-advies of een advies onder voorbehoud krijgt de exploitant maximaal een half jaar de gelegenheid om de door de GGD geconstateerde tekortkomingen te herstellen. Bij een negatief GGD-advies en bij het volharden van de exploitant om niet te voldoen aan de GGD-eisen kan de gemeente overgaan tot intrekking van de vergunning en sluiting van de inrichting. 3.7.4 Duur vergunningOmdat de vergunningverlening aan seksinrichtingen een geheel nieuw beleidsterrein betreft is in de vorige versie van de nota “Prostitutiebeleid gemeente Sittard-Geleen” voorgesteld om de eerste twee jaar de vergunning steeds te verlenen voor de duur van 1 jaar. Na de eerste twee jaar zou de branche zich naar verwachting wat uitgekristalliseerd hebben en zou een vergunning voor langere duur (3 jaar) kunnen worden verleend. Inmiddels is aan alle inrichtingen reeds een eerste vergunning voor de duur van één jaar dan wel een vervolgvergunning voor de duur van één jaar verleend. Zeven inrichtingen beschikken op dit moment over een vervolgvergunning voor de duur van drie jaar. Gelet op het vorenstaande wordt thans voorgesteld om vast te houden aan het uitgangspunt om vergunningen voor bepaalde tijd te blijven verlenen, aangezien bij het verlenen van vergunningen voor onbepaalde tijd het risico te groot is dat het RCMP het zicht op bepaalde situaties verliest. Evenals werd voorgesteld in de vorige versie van deze nota en met het oog op het voorkomen van rechtsongelijkheid dient voorshands te worden vastgehouden aan het uitgangspunt om eerst vergunning voor de duur van één jaar te verlenen, vervolgens een vervolgvergunning voor de duur van één jaar en daarna een vervolgvergunning voor de duur van drie jaar. Wellicht dat op termijn kan worden bezien of bedrijven voor een vergunning met een geldigheidsduur van vijf jaar in aanmerking kunnen komen. Dit kan evenwel pas worden beoordeeld nadat de geldigheidsduur is verstreken van de aan hen verleende vergunning voor de duur van drie jaar. Laatstgenoemde situatie is thans evenwel nog bij géén van de vergunde inrichtingen binnen de gemeente Sittard-Geleen aan de orde. 3.7.5 Helpdeskfunctie Commissie van HasselNa het aanbieden van de nota “Van donkerrood naar transparant” aan het Regionaal College zal de Commissie van Hassel voorlopig nog een tweetal taken op zich nemen, te weten: het volgen van de actuele landelijke ontwikkelingen teneinde deze in regionaal eenduidige richtlijnen aan de gemeenten aan te kunnen bieden het fungeren als helpdesk ten behoeve van alle betrokken partijen. Er zal in deze gewerkt worden met een één-loket systeem. Hierbij zal het R.C.M.P. van de regiopolitie de loketfunctie verzorgen. 3.7.6 Bevoegd bestuursorgaan/MandaatbesluitVoor de eenduidigheid en uit praktisch oogpunt is de bevoegdheid van het college ten aanzien van het verlenen van vergunningen voor onder andere escortbedrijven bij besluit van 9 april 2002 gemandateerd aan de burgemeester. 3.7.7 Privacyreglement/Wet persoonsregistratieIn het kader van de privacy–wetgeving/Wet Bescherming Persoonsgegevens en de daarmee samenhangende problematiek betreffende uitwisseling van gegevens dienen de gemeenten (zijnde de vergunning verlenende instantie) in de doelomschrijving en het verstrekkingenregime van de persoonsregistraties deze branche betreffende uitdrukkelijk te laten blijken dat uitwisseling van gegevens met de politie (i.c. het RCMP) en de GGD toegestaan is. 3.7.8 ToezichthoudersHet toezicht op de naleving van de gestelde regels zal plaatsvinden door opsporingsambtenaren en aangewezen toezichthouders. Overeenkomstig het voorstel van de commissie van Hassel zijn de technisch hygiëne inspecteur van de GGD en de politieambtenaren van politie Limburg-Zuid aangewezen als toezichthouder. Zie bijlage XI voor besluit aanwijzen toezichthouders. 3.7.9 ModellenDoor de commissie zijn, naast de eerder genoemde model-APV (met toelichting), het handhavingsarrangement met beleidsregels en de model nadere regels, de volgende modellen opgesteld: model aanvraagformulier model vergunning seksinrichting model vergunning escortbedrijf Niet voor alle zaken is door de commissie een model aangereikt; bijvoorbeeld niet voor bedrijven die een combinatie zijn tussen sekswinkel en seksbioscoop/automatenhal/sekstheater en bijvoorbeeld seksbioscopen. Streven zal zijn om aanvullend waar nodig modellen in districtelijk verband op te stellen. Deze modelformulieren spreken in de regel voor zich. Hieronder zullen nog enkele bijzonderheden nader worden toegelicht. Model vergunning seksinrichting: Voorschrift 6: de leeftijdsgrens van 16 jaar is in deze vergunning opgenomen om over een instrument te kunnen beschikken ter bestrijding van excessen. Te denken valt aan jeugdige kinderen die zeer regelmatig in de inrichting verblijven. Voorschrift 9: De exploitant dient er voortdurend op toe te zien dat in zijn inrichting geen personen werkzaam zijn die niet in het bezit zijn van een geldige verblijfstitel op grond waarvan zijn/haar arbeid in Nederland is toegestaan. Model vergunning escortbedrijf: Voorschrift 3: de telefoonnummers maken een essentieel onderdeel uit van de bedrijfsvoering van een escortbedrijf. Om toezicht op de bedrijfsvoering te kunnen uitoefenen is het noodzakelijk op de hoogte te zijn van de actuele in gebruik zijnde telefoonnummers van het escortbedrijf. Voorschrift 7: hier wordt verwezen naar het gestelde onder voorschrift 9 van de model vergunning seksinrichtingen als boven genoemd. 4 Inspraak c.q. voorlichting Omdat het beleid dat door de gemeente is gemaakt nog niet zo lang geleden is vastgesteld wordt niet gekozen voor de uniforme openbare voorbereidingsprocedure op grond van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht omdat het beleid niet afwijkt van het beleid zoals dat in 2002 door de gemeente is vastgesteld. Het vastgestelde beleid zal bekend worden gemaakt en worden toegestuurd aan alle bedrijven die in de nota genoemd worden. In juni 2000 is er door het RCMP een voorlichtingsavond gehouden voor exploitanten. Ook dienen de prostituees voorgelicht te worden over de uitgangspunten van het beleid. Daarbij is het van belang aandacht te besteden aan de maatregelen en voorzieningen die erop gericht zijn om de positie, veiligheid en gezondheid van prostituees te verbeteren. Voorlichting aan prostituees zal plaatsvinden op regionaal niveau door het RCMP. 5. Effectuering van deel I van het beleidIn het kader van het vastgestelde deel I van het prostitutiebeleid Sittard-Geleen is hoofdstuk 3 “Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.” opgenomen in de APV van de gemeente Sittard-Geleen. Daarnaast zullen nog een aantal acties ondernomen moeten worden. Het belangrijkste actiepunt is: Aanpassen van bestemmingsplannen aan het beleid. Het aspect prostitutiebeleid wordt door de afdeling Openbare Ruimte verwerkt in nieuwe bestemmingsplannen en in de actualisering van bestaande bestemmingsplannen, die fasegewijs plaatsvindt en in 2009 zal zijn afgerond. BijlageI:Nadere regels ter uitvoering van artikel 3.1.3. APV Burgemeester en Wethouders van Sittard-Geleen, Overwegende, dat het in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de verkeersvrijheid of -veiligheid, de gezondheid of zedelijkheid en de arbeidsomstandigheden van de prostitué(e), geboden is de exploitatie van seksinrichtingen en escortbedrijven aan nadere regels te binden; gelet op het bepaalde in artikel 3.1.3. van de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Sittard-Geleen; BESLUITEN:vast te stellen: “Nadere regels ter uitvoering van artikel 3.1.3 APV.” Paragraaf 1. Inleidende bepalingenArtikel 1. BegripsbepalingenIn deze nadere regels wordt verstaan onder: 1. Inrichting: een seksinrichting en een escortbedrijf; 2. Seksinrichting: de inrichting als bedoeld in artikel 3.1.1., onder c, APV, waaronder begrepen ook een prostitutiebedrijf; 3 Escortbedrijf: het bedrijf als bedoeld in artikel 3.1.1, onder d, APV; 4. Exploitant: de exploitant als bedoeld in artikel 3.1.1., onder f, APV; 5. Beheerder: de beheerder als bedoeld in artikel 3.1.1., onder g, APV; 6. Bouwwerk: een bouwwerk als bedoeld in artikel 1.1 van de in de gemeente Sittard-Geleen vigerende Bouwverordening(en); 7. Werkruimte: de verblijfsruimte waar de feitelijke seksuele dienstverlening plaatsvindt; 8. Verblijfsruimte: een besloten ruimte, bestemd voor het verblijven van mensen; 9. Bouwbesluit: het Besluit als bedoeld in artikel 2 Woningwet houdende de technische voorschriften omtrent het bouwen van bouwwerken en de staat van bestaande bouwwerken; 10. Bouwverordening: de in de gemeente Sittard-Geleen vigerende Bouwverordening(
  5. en)door de gemeentera(a)d(
  6. en)vastgesteld. Paragraaf 2 InrichtingseisenArtikel 2. Inrichtingseisen prostitutiebedrijvenTot een prostitutiebedrijf moeten tenminste behoren: een of meer werkruimten; een keuken; een kleedkamer met een afsluitbare hang-/legkast; een verblijfsruimte ingericht als dagverblijf met een oppervlakte van ten minste 3,6 m x 3,6 m. Samenvoeging van de keuken en het dagverblijf, dan wel de kleedkamer en het dagverblijf, is toegestaan als daarmee, naar het oordeel van burgemeester en wethouders, een gelij-k-waardige situatie wordt bereikt. Het dagverblijf, de keuken en de kleedkamer mogen niet voor prostitutie - doeleinden worden gebruikt. Elke werkruimte moet voorzien zijn van een wasbak (dan wel andere wasgelegenheid) met warm en koud stromend water, een afsluitbare hang/leg kast en een vloeroppervlakte hebben van ten minste 9 m2. In een prostitutiebedrijf moet uitsluitend ten behoeve van de prostitu(e)e en het overige personeel tenminste éé n toiletruimte en één badruimte aanwezig zijn. Artikel 3. Overige voorzieningen prostitutiebedrijvenDe werkruimten van een prostitutiebedrijf moeten gedurende de aanwezigheid van de prostitué(e), hetzij door daglicht, hetzij door kunstlicht, hetzij door beide, voldoende en doelmatig zijn verlicht. Artikel 4. Vei1igheidsvoorzieningen prostitué(e)Iedere werkruimte dient voorzien te zijn van een zogenaamd stil alarm. De toegangsdeur van een werkruimte mag niet van binnen uit afsluitbaar zijn. Het bepaalde in het vorige lid is niet van toepassing indien een toe-gangsdeur van een werkruimte is gelegen aan de weg. Paragraaf 3. Brandveiligheidseisen prostitutiebedrijvenArtikel 5. BrandveiligheidsvoorschriftenEen prostitutiebedrijf dient te voldoen aan de desbetreffende eisen gesteld in het Bouwbesluit en de Bouwverordening (gebruiksvergunning). Paragraaf 4. Gebruiks- gedrags- en gezondheidsvoorschriftenArtikel 6. AlgemeenDe exploitant van een seksinrichting of escortbedrijf is verplicht maatregelen te treffen in het belang van de veiligheid, de hygiëne en de bescherming van de gezondheid van de in de inrichting of het bedrijf werkzame prostitué(e), alsmede de bescherming van de volksgezond-heid Artikel 7. Technische HygiënezorgDe exploitant van een seksinrichting dient er voor zorg te dragen dat de inrichting voldoet aan de hygiëne - eisen die door de GGD worden gesteld, zoals vermeld in het hygiëne protocol GGD - en Limburg. De exploitant verleent aan de GGD toegang tot de seksinrichting en werkt mee aan het bezoek van de medewerker van de GGD die jaarlijks een technische - hygiëne inspectie uitvoert. Van deze hygiëne - inspectie wordt door de GGD een rapport gemaakt hetgeen wordt toegezonden aan de exploitant. Een afschrift van dit rapport wordt aan de gemeente gezonden. Artikel 8. Preventie De exploitant van een inrichting verleent de GGD toegang tot de inrichting en verleent medewerking aan preventieactiviteiten van de GGD gericht op verbetering van de gezondheidssituatie van de bij hem werkzame prostitué(e)s. De exploitant van een inrichting voert een “veilig seks beleid”. Hij ziet erop toe dat er geen onveilige seks wordt aangeboden en dat veilige seks wordt bewerkstelligd. De exploitant van een inrichting draagt zorg voor verspreiding onder de bij hem werkzame prostitué(e)s van voor hen toegankelijk en in begrijpelijke taal geschreven voorlichtings- en informatiemateriaal, over gezondheidsrisico’s van hun werk, m.n. seksueel overdraagbare aandoeningen, en over de aanwezigheid en bereikbaarheid van gezondheidszorg- en hulpverleningsinstellingen. De exploitant van een prostitutiebedrijf of escortbedrijf dient zorg te dragen voor een lijst van hulpverleningsinstanties en belangenverenigingen voor prostitué(e)s die voor de werkzame prostitué(e)s steeds toegankelijk is. De exploitant van een prostitutiebedrijf stelt huisregels op om de klant te informeren over de toepassing van “veilig sekstechnieken” en het in de huisregels beschreven zelfbeschik-kingsrecht van de prostitué(e)s. De huisregels dienen op een voor de klant duidelijk zichtbare plaats opgehangen te worden. In de onder lid 5 bedoelde huisregels wordt in ieder geval opgenomen: de prostitué(
  7. e)mag klanten weigeren; de prostitué(
  8. e)is niet verplicht als daarom wordt verzocht met de klant alcoholhoudende dranken te drinken en andere verdovende middelen te gebruikten; de prostitué(
  9. e)is niet verplicht om, als daarom wordt verzocht, zonder gebruik van een condoom te werken; De huisregels genoemd in het vorige lid gelden ten minste ook voor ieder escortbedrijf. De exploitant van een seksinrichting draagt er zorg voor dat op een voor de klant duidelijk zichtbare plaats actueel foldermateriaal ten aanzien van veilige seks en seksueel overdraag-bare aandoeningen (SOA) ter inzage lig-gen. De exploitant van een seksinrichting draagt er zorg voor dat in de inrichting te allen tijde voldoende wettelijk goedgekeurde condooms voor gebruik beschikbaar zijn. Artikel 9. Geneeskundig onderzoekDe exploitant van een prostitutiebedrijf en escortbedrijf stelt de bij hem werkzame prostitué(
  10. e)in de gelegenheid zich vier keer per jaar op seksueel overdraagbare aandoe-ningen en overige aan het beroep gerelateerde klachten bij de GGD of bij een bij de GGD bekende arts geneeskundig te laten onderzoeken. Indien het in het vorige lid bedoelde onderzoek door een andere arts wordt verricht meldt de -exploitant de GGD schriftelijk naam en adres van die arts. Paragraaf 5. Overige verplichtingen van exploitant en beheerder Artikel 10. Leeftijdsgrens bezoekersDe exploitant mag gedurende de uren dat de inrichting geopend is geen personen jonger dan 16 jaar in zijn inrichting toelaten. Artikel 11. Bewoningsverbod prostitutiebedrijfHet is verboden om het gedeelte van een gebouw dat door de exploitant bestemd is als prostitutiebedrijf als woonruimte in gebruik te nemen dan wel daarin te overnachten. - De exploitant is verplicht op het bepaalde in het vorige lid toezicht uit te oefenen. Artikel 12. Verboden reclameHet is verboden voor een prostitutiebedrijf of escortbedrijf reclame te maken waarbij de garantie wordt gegeven of op andere wijze wordt aangegeven dat de in het prostitutiebedrijf of escortbedrijf werkzame prostitué(e)s vrij zijn van seksueel overdraagba-re aandoeningen. Artikel 13. EscortbedrijfDe exploitant van een escortbedrijf is verplicht aan de gemeente door te geven onder welke telefoonnummers het bedrijf haar diensten aanbiedt. Paragraaf 6. SlotbepalingArtikel 14. SlotbepalingDeze nadere regels treden in werking met ingang van de eerste dag na die waarop dit besluit bekend is gemaakt- Burgemeester en Wethouders van Sittard-Geleen, BijlageII:APV Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.Paragraaf 1 BegripsomschrijvingenArtikel 3.1.1 BegripsomschrijvingenIn dit hoofdstuk wordt verstaan onder: prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; inrichting: een seksinrichting en een escortbedrijf; seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een prostitutiebedrijf – waaronder begrepen een erotische-massagesalon - , een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; escortbedrijf: is een bedrijf gevoerd door een natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt, die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht dan wel verhuurd; exploitant: de natuurlijke persoon of, indien de aanvraag is gedaan door een rechtspersoon of rechtspersonen, de in het aanvraagformulier aangewezen tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert; beheerder: de natuurlijke persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een seksinrichting of escortbedrijf; bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: de exploitant; de beheerder; de prostituee; het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; toezichthouders als bedoeld in artikel 6.2, tweede lid; andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel 3.1.2 Bevoegd bestuursorgaanIn dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college van burgemeester en wethouders of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. Artikel 3.1.3 Nadere regelsBurgemeester en wethouders kunnen ter bescherming van de in artikel 3.3.2 genoemde belangen nadere regels vaststellen. Paragraaf 2 Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijkeArtikel 3.2.1 VergunningplichtHet is verboden een inrichting te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan. De aanvraag daartoe dient te geschieden door middel van een door het bevoegd bestuursorgaan vastgesteld formulier. In de aanvraag om een vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: de persoonsgegevens van de exploitant; de persoonsgegevens van de beheerder; de aard van de inrichting; de locatie van de inrichting. De vergunning wordt uitsluitend verleend aan de exploitant. Zij is persoonsgebonden en kan niet worden overgedragen. Artikel 3.2.2 Gedragseisen exploitant en beheerderDe exploitant en de beheerder: staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en heeft de leeftijd van éénentwintig jaar bereikt. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de beheerder niet: met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 250a, 252, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426 of 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; beveiligingsorganisaties en recherchebureaus; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt; een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste één maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt treft. Artikel 3.2.3 SluitingstijdenHet is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven: op maandag tot en met donderdag tussen 02.00 en 07.00 uur; op vrijdag, zaterdag en zondag tussen 03.00 en 07.00 uur. In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd bestuursorgaan door middel van een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel 1.4 voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3.2.4, gesloten dient te zijn. Het in het eerste, tweede en derde lid bepaalde geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. Artikel 3.2.4 Tijdelijke afwijking sluitingsuur; sluitingMet het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen of in geval van handelen of nalaten in strijd met de bepalingen in dit hoofdstuk, de aan de vergunning verbonden voorschriften, of de nadere regels als bedoeld in artikel 3.1.3, kan het bevoegd bestuursorgaan: tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.2.3, eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen; van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet voor een bepaalde termijn de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht. Artikel 3.2.4a Intrekking van de vergunningOnverminderd het bepaalde in artikel 1.6 kan het bevoegde bestuursorgaan met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen of in geval van handelen of nalaten in strijd met de bepalingen in dit hoofdstuk, de aan de vergunning verbonden voorschriften, of de nadere regels als bedoeld in artikel 3.1.3, de vergunning intrekken. Artikel 3.2.5 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerderHet is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. De exploitant en de beheerder zijn verplicht er voortdurend op toe te zien dat in de inrichting: geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. Artikel 3.2.6 StraatprostitutieHet is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, op en/of aan de openbare weg te trachten als prostituee de aandacht van passanten op zich te vestigen. Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. Artikel 3.2.7 SekswinkelsHet is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door burgemeester en wethouders in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente. Artikel 3.2.8 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijkeHet is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving op ontoelaatbare wijze aantast; anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. Paragraaf 3 Beslissingstermijn; weigeringsgronden; nadere regelsArtikel 3.3.1 BeslissingstermijnIn afwijking van het bepaalde in artikel 1.2 neemt het bevoegd bestuursorgaan een beslissing op de aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste twaalf weken verdagen. Artikel 3.3.2 WeigeringsgrondenDe vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, wordt geweigerd indien: de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3.2.2 gestelde eisen; de vestiging of de exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; er aanwijzingen zijn dat in de inrichting personen werkzaam (zullen) zijn in strijd met artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht, of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3.2.6, eerste lid, kan worden geweigerd: in het belang van de openbare orde; in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; in het belang van de veiligheid van personen of goederen; in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid; in het belang van de gezondheid of zedelijkheid; in het belang van de arbeidsomstandigheden van de prostituee; niet voldaan is aan het gestelde in de nadere regels als bedoeld in artikel 3.1.3. Paragraaf 4 Beëindiging exploitatie; wijziging beheer; vervallen vergunningArtikel 3.4.1 Beëindiging exploitatieBinnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. Artikel 3.4.2 Wijziging beheerIndien de beheerder het beheer in de inrichting feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3.3.2, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing. Artikel 3.4.3 Vervallen vergunningDe vergunning vervalt: zodra de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de inrichting feitelijk heeft beëindigd; er een wijziging heeft plaatsgevonden in de persoon van de exploitant; indien er een wijziging van bouwkundige aard in de inrichting heeft plaatsgevonden; indien de inrichting naar een andere locatie wordt verplaatst. Paragraaf 5 OvergangsbepalingArtikel 3.5.1 OvergangsbepalingOp het exploiteren van een bestaande inrichting is het gestelde in artikel 3.2.1, eerste lid, niet van toepassing: gedurende 12 weken na het in werking treden daarvan; na afloop van de onder a gestelde termijn, indien de exploitant binnen deze termijn een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, heeft ingediend, totdat op die aanvraag door het bevoegd bestuursorgaan een besluit is genomen. Gedurende de periode bedoeld in het eerste lid, kan het bevoegd bestuursorgaan met het oog op de in artikel 3.3.2, tweede lid, genoemde belangen de exploitant aanschrijven tot het treffen van in die aanschrijving vermelde voorzieningen. In afwijking van het bepaalde in artikel 3.3.2, eerste lid onder a is, voor zover het betreft de eerste vergunningaanvraag van een op het moment van inwerkingtreding van deze verordening feitelijk in exploitatie zijnde inrichting, het gestelde in artikel 3.2.2 tweede lid, onder c, met betrekking tot de Wet arbeid vreemdelingen niet van toepassing tenzij ten aanzien van de vergunningsaanvrager binnen twee jaar voor inwerkingtreding van deze verordening een proces-verbaal ter zake een overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen is opgemaakt. BijlageIII:Toelichting APV Algemene toelichting hoofdstuk 3, Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.1. Verordenende bevoegdheid van gemeentenVolgens artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht is het exploiteren van prostitutie niet langer in algemene zin, maar nog slechts in bepaalde omstandigheden strafbaar. Over de vormen van exploitatie van prostitutie die niet langer strafbaar zijn, is geen nadere formele wetgeving vastgesteld. De gemeentelijke bevoegdheid om daarover bij verordening voorschriften vast te stellen, heeft daardoor een autonoom karakter: bij gebrek aan nadere formele regelgeving, zijn gemeenten immers niet verplicht om ter uitvoering daarvan bij (medebewinds-)verordening regels vast te stellen. Hoewel autonoom, mag de verordenende bevoegdheid echter uitsluitend worden aangewend ‘ter regeling en bestuur inzake de huishouding van de gemeente’: blijkens artikel 108, eerste lid, van de Gemeentewet moeten gemeenten zich daarbij namelijk beperken tot de behartiging van belangen die zijn aan te merken als gemeentelijke belangen. Dit hoofdstuk van de APV is echter niet uitsluitend gebaseerd op artikel 149 Gemeentewet, maar – voorzover het betrekking heeft op prostitutie – tevens op artikel 151a Gemeentewet. Bij artikel 19, derde lid, van de Grondwet kan de vrije keuze van arbeid worden onderscheiden van de uitoefening daarvan. Ter waarborging van een maatschappelijk verantwoorde arbeidsuitoefening leggen tal van vergunningsvoorschriften daaraan beperkingen op (in het belang van kwaliteitsbewaking, de bescherming van de cliënt, de bescherming van de werknemer tegen gevaar en exploitatie, de bescherming van de omgeving tegen gevaar en overlast en dergelijke). Deze voorschriften hebben niet als motief het beperken van de vrijheid van arbeidskeuze en dienen dan ook niet te worden beschouwd als beperking daarvan. Desalniettemin mogen deze voorschriften – ook al liggen daaraan andere motieven ten grondslag – niet zo ver strekken dat de vrije arbeidskeuze daardoor impliciet illusoir wordt. De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat gemeenten, bijvoorbeeld aan het beroep van bordeelhoud(st)er of van prostituee, beperkingen mogen opleggen ter ‘regeling en bestuur van de gemeentelijke huishouding’: in het belang van de openbare orde, de voorkoming of beperking van overlast, de bescherming van de woon- en leefomgeving en dergelijke. Gebod of verbod; vergunning of ontheffingGemeenten die (exploitatie van) prostitutie willen reguleren en daartoe bij verordening vergunningsvoorschriften willen vaststellen, kunnen dat doen in de vorm van geboden of verboden. De keuze voor gebodsbepalingen ligt in de rede, indien de gemeente wenst te volstaan met repressief toezicht en niet de behoefte heeft op (exploitatie van) prostitutie preventief toezicht uit te oefenen. In dat geval moeten bij (exploitatie van) prostitutie de voorschriften in acht worden genomen die de gemeente daarover heeft vastgesteld, maar is daarvoor geen nadere voorafgaande toestemming van gemeentewege vereist. Gebodsbepalingen hebben onder meer als voordeel dat de bestuurslasten relatief beperkt zijn: nadat de gemeente de regels ‘eenmalig’ heeft vastgesteld, beperkt zij zich tot het uitoefenen van toezicht op de naleving daarvan. De keuze voor verbodsbepalingen ligt in de rede, indien de gemeente wel de behoefte voelt om niet alleen repressief maar ook preventief toezicht uit te oefenen. In dat geval moeten vanzelfsprekend eveneens de voorschriften worden nageleefd die de gemeente over (exploitatie van) prostitutie heeft vastgesteld, maar is daarvoor bovendien de voorafgaande toestemming van de gemeente vereist. Dit toestemmingsvereiste kan gestalte worden gegeven door (in de verbodsbepaling) een vergunning- of een ontheffingplicht op te nemen. Een vergunningplicht is op zijn plaats, indien de te reguleren activiteit op zichzelf niet als ontoelaatbaar wordt beschouwd maar het wenselijk wordt geacht dat daarop voorafgaand toezicht kan worden uitgeoefend. Verboden is in dat geval niet de activiteit zelf, maar het verrichten daarvan zonder toestemming (vergunning). Een ontheffingsplicht is op zijn plaats, indien de te reguleren activiteit op zichzelf als ontoelaatbaar wordt beschouwd maar het wenselijk wordt geacht de mogelijkheid te behouden om die, indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen, toch te laten plaatsvinden. Verboden is in dat geval de activiteit zelf, zij het dat daarvoor bij wijze van uitzondering toestemming (ontheffing) kan worden verleend. Aan de opheffing van het algemeen bordeelverbod ligt de gedachte ten grondslag, dat (exploitatie van) prostitutie voortaan op zichzelf als een toelaatbare activiteit moet worden beschouwd en slechts strafbaar is indien er sprake is van onvrijwilligheid of van betrokkenheid van minderjarige dan wel illegale prostituees. Omdat de bepalingen van hoofdstuk 3 zich richten op het reguleren van eerstgenoemde, niet langer strafbare vormen van (exploitatie van) prostitutie, is daarin gekozen voor de vergunningfiguur. 2. Vormen van (exploitatie van) prostitutieProstitutie wordt in tal van vormen uitgeoefend en geëxploiteerd. Een aantal van die vormen kan worden onderscheiden, naar gelang de mate waarin de prostituee daarbij zelfstandig werkzaam is. Bij prostitutie die wordt uitgeoefend in een daarvoor ingerichte ruimte en in dienstverband (seksclubs, bordelen, privéhuizen en dergelijke), is de invloed van de exploitant naar verhouding het grootst. In de inrichting bepalen zij de ‘huisregels’ voor de prostituee, die bijvoorbeeld kunnen uiteenlopen van verplicht condoomgebruik tot de onmogelijkheid voor de prostituee om onveilig seksueel contact te weigeren. Bij deze vorm van prostitutie wordt de hoogte van de inkomsten van de exploitant rechtstreeks beïnvloed door het aantal klanten. Bij prostitutie die wordt uitgeoefend in een daarvoor ingerichte ruimte maar niet in dienstverband (kamerverhuurbedrijven, raamprostitutiebedrijven, prostitutiehotels en dergelijke), is sprake van een geringere invloed van de exploitant en van een minder direct verband tussen het aantal klanten en de inkomsten van de exploitant. Meestal beperkt de rol van de exploitant zich tot het verhuren van ‘ramen’, en bestaat tussen exploitant en prostituee alleen een huurovereenkomst. De prostituee werkt in hoge mate zelfstandig (en voor zichzelf), al kan die zelfstandigheid worden beperkt door andere omstandigheden zoals een afhankelijkheid van de exploitant of een (slechte) eigen financiële situatie. Bij prostitutie die wordt uitgeoefend buiten een daarvoor ingerichte ruimte maar wel in dienstverband (escortbedrijven en dergelijke), geldt weer wel dat het aantal klanten rechtstreeks van invloed is op de inkomsten van de exploitant. De prostituee werkt daarbij echter niet in het bedrijf van de exploitant, maar in een hotel of bij klanten thuis. De bemoeienis van de exploitant met de werkwijze van de prostituee is daardoor relatief gering. Bij prostitutie die wordt uitgeoefend buiten een daarvoor ingerichte ruimte en niet in dienstverband (straatprostitutie, thuiswerk en dergelijke) is de zelfstandigheid van de prostituee doorgaans het grootst. Straatprostituees werven hun klanten op de openbare weg. Thuiswerk(st)ers adverteren soms in bladen, maar beschikken vaak ook over een vaste klantenkring die zich uitbreidt langs informele weg. Op zichzelf zijn zij in staat zelf ‘de regels te bepalen’. Maar doordat de onderhandelingen tussen klant en prostituee in korte tijd moeten worden afgerond en de werksituatie vaak onveilig is, is de machtspositie van klanten relatief sterk. Die wordt nog versterkt doordat straatprostituees veelal drugs gebruiken; de noodzaak om hun verslaving te bekostigen, kan verder afbreuk doen aan hun onderhandelingspositie. Genoemde vormen van (exploitatie van) prostitutie onderscheiden zich niet alleen voor wat betreft de zelfstandigheid van de prostituee, maar ook voor wat betreft de invloed op de openbare ruimte van elk van die vormen. Zo behoeft bijvoorbeeld geen betoog, dat van ‘zichtbare’ vormen (straat- en raamprostitutie) een veel sterkere uitstraling op de woon- en leefomgeving uitgaat dan van club- of escortprostitutie. Wel kan worden opgemerkt dat omdat raamprostitutie meer zichtbaar is, wel betere controlemogelijkheden voorhanden zijn. Het ligt dan ook in de rede dat dit onderscheid in het gemeentelijk prostitutiebeleid tot uitdrukking zal komen. Bevoegdheden opsporingsambtenaren en toezichthoudersDit hoofdstuk bevat geen bepalingen over opsporingsambtenaren en toezichthouders. Hun bevoegdheden zijn geregeld in hoofdstuk 6 van de APV en in de artikelen 5:11 tot en met 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gemeenten die in de vergunning nadere voorschriften opnemen met daarin eisen ten aanzien van (volks)gezondheid en hygiëne waarvan de controle het best kan geschieden door GGD-artsen, kunnen desgewenst deze functionarissen als toezichthouder aanwijzen. Hierbij kan wel worden opgemerkt dat er spanning kan ontstaan tussen de functie van vertrouwenspersoon en de taak als toezichthouder. Op die manier kunnen zij de bevoegdheden verkrijgen die voor adequate controle noodzakelijk zijn. Jurisprudentie Doelstellingen van (gemeentelijk) prostitutiebeleid Nulbeleid. "Bescherming openbare zeden" in bestemmingsplan is geen motief.LJN-nr. AE2838, JG 02.0108 m.nt. A.L. Esveld. Planologische voorwaarden voor de vestiging van bordelen toegestaan, ook al zouden deze de vestiging van een prostitutiebedrijf op een bepaalde plaats feitelijk onmogelijk maken. LJN-nr. AN9215, JG 04.0077 m.nt. A.L. Esveld. De omstandigheid dat de prostituees in afwachting van een beslissing op de aanvraag rechtmatig in Nederland verblijven maakt niet dat zij in dat stadium aan de zogenoemde Associatieovereenkomsten aanspraak kunnen ontlenen om arbeid als zelfstandige te mogen verrichten. LJN-nr. AO3839, JG 04.0112 m.nt. A.L. Esveld. In een nota opgenomen ruimtelijke relevante criteria zijn voldoende voor de onderbouwing van gebruiksbepalingen behorend bij een bestemmingsplan die het gebruik als bordeel beperken. Een erotische massagesalon is een seksinrichting en kan worden aangemerkt als een prostitutiebedrijf. LJN-nr. AQ8750, JG oktober 2004 m.nt. A.L. Esveld. Artikel 3.1.1 BegripsomschrijvingenProstitutie en prostituee(onder a en b)Deze omschrijving van het begrip ‘prostitutie’ is afgeleid van de definitie in artikel 250a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Om taalkundige redenen zijn de termen ‘derde’ en ‘betaling’ uit de definitie in het Wetboek van Strafrecht in deze definitie vervangen door respectievelijk ‘ander’ en ‘vergoeding’. Inrichting (onder c)Daar waar in deze verordening het woord inrichting staat vermeld worden alle in dit hoofdstuk genoemde vergunningplichtige inrichtingen bedoeld en dit zijn de seksinrichtingen en de escortbedrijven. Seksinrichting (onder d)Het begrip seksinrichting is het centrale begrip voor deze verordening. Seksinrichtingen zijn er in verschillende varianten. Daarom is in deze definitie bewust gekozen voor een algemene omschrijving. Die omschrijving sluit aan bij het spraakgebruik en in diverse rechterlijke uitspraken gehanteerde definities (zie onder andere: Pres. Rb Amsterdam 24 januari 1997; Awb 96/12338 GEMWT; niet gepubliceerd). ‘Seksinrichting’ als hier omschreven (en vergunningplichtig uit hoofde van artikel 3.2.1, eerste lid) zijn inrichtingen waarin op bedrijfsmatige wijze seksuele diensten worden verleend, dan wel waarin deze diensten in een zodanige omvang en met een zodanige frequentie worden aangeboden dat die als bedrijfsmatig kunnen worden aangemerkt. Deze constructie (alsof het bedrijfsmatig was) komt ook voor in de Wet milieubeheer. In de definitie is gekozen voor de term ‘besloten ruimte’, omdat dit meer omvat dan het begrip ‘gebouw’. Onder besloten ruimte worden ook begrepen een vaar- of een voertuig. Het bijvoeglijk naamwoord ‘besloten’ duidt erop dat de ruimte zich niet in de open lucht bevindt. Het moet dus gaan om een overdekt en geheel of gedeeltelijk door wanden omsloten ruimte, die al dan niet met enige beperking voor het publiek toegankelijk is. Veel voorkomende vormen van seksinrichtingen zijn in deze omschrijving uitdrukkelijk genoemd. Dit om iedere discussie over de vraag of dit type inrichting als seksinrichting dient te worden aangemerkt, te voorkomen. Dit zijn: (raam)prostitutiebedrijven, erotische-massagesalons, seksbioscopen, seksautomatenhallen, sekstheaters of parenclubs. Sommige van deze begrippen behoeven wellicht nadere toelichting. Onder een prostitutiebedrijf worden niet alleen bordelen en clubs begrepen, maar ook andere ruimten waarin prostitutie plaatsvindt, zoals zogenaamde prostitutiehotels die speciaal aan prostituees voor korte tijd kamers verhuren. Onder raamprostitutiebedrijf dient te worden verstaan een inrichting met één of meer ramen van waarachter de prostituee tracht de aandacht van passanten op zich te vestigen. Een seksbioscoop is een inrichting waarin hoofdzakelijk vertoningen van erotisch-pornografische aard worden gegeven door middel van audiovisuele apparatuur. Dit is in afwijking van een seksautomatenhal, waarin dergelijke vertoningen van erotisch-pornografische aard worden gegeven door middel van automaten en van een sekstheater, waarin deze vertoningen anders dan door middel van audiovisuele apparatuur of automaten – met andere woorden ‘live’ – worden gepresenteerd. Voor zowel de seksbioscoop, de seksautomatenhal als het sekstheater geldt dat daarin hoofdzakelijk voorstellingen van erotisch-pornografische aard worden gegeven. Een café bijvoorbeeld, waarin incidenteel een striptease-optreden plaatsvindt, dient derhalve niet als ‘sekstheater’ te worden aangemerkt. Zo’n optreden moet echter worden beschouwd als een evenement (een ‘voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak’), waarvoor volgens artikel 2.2.2 vergunning van de burgemeester vereist is. Escortbedrijf (onder e)Een escortbedrijf is een bedrijf dat – meestal telefonisch – bemiddelt tussen klanten en prostituees. De prostituee bezoekt de klant, of gaat met de klant naar een andere plaats. Een escortbedrijf is geen inrichting. Het kan een kantoortje zijn, maar ook een telefoon

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.