← Nederland

Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling

Kort samengevat

Dit besluit werkt de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling uit door nadere regels vast te stellen over pensioenregelingen en de uitvoering daarvan. Het definieert belangrijke begrippen en reguleert specifieke aspecten van pensioenen.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

BWBR0020892_2025-12-20_0 Besluit van 18 december 2006, houdende vaststelling van regels ter uitwerking van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling) Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Op de voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 oktober 2006, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/PB/2006/88128; Gelet op de artikelen 21, 33, 34, 38 tot en met 46, 60, 66, 69, 71, 76, 83, 84, 105, 151, 160 en 176 van de Pensioenwet, de artikelen 42, 43, 48 tot en met 57, 72, 78, 82, 91, 110, 146, 155 en 171 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, artikel 12c, vijfde lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, artikel 13, derde lid en 23, tweede lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, artikel 65 en 67 van de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet, artikel 1a, eerste lid, onderdeel d, en tweede lid, van de Wet openbaarheid van bestuur, artikel 1a, eerste lid, onderdeel e, en tweede lid, van de Wet Nationale ombudsman, artikel 99, eerste lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, artikel 33 en 34 van de Wet op de loonbelasting 1964, artikel 1, tweede lid, van de Wet toezicht accountantsorganisaties, artikel 24, tweede lid en artikel 55, zesde lid, van de Wet op de huurtoeslag; De Raad van State gehoord (advies van 16 november 2006, no. W12.06.0459/IV); Gezien het nader rapport van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 december 2006, Directie Arbeidsverhoudingen, nr. AV/PB/2006/101170 B; Hebben goedgevonden en verstaan: Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1 Definities In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: – afkoopvoet: verhouding tussen het af te kopen pensioen en de daarvoor in de plaats uit te keren afkoopwaarde; – balanstotaal: het balanstotaal zoals dat blijkt uit de jaarrekening; – De Nederlandsche Bank: De Nederlandsche Bank N.V.; – FVP-bijdrage: bijdrage, verstrekt op grond van de Wet privatisering FVP, zoals deze wet luidde op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel IIA van de Verzamelwet pensioenen 2017, om te voorzien in aanvullende pensioenvoorzieningen ten behoeve van een werknemer of zijn nagelaten betrekkingen; – fonds: 1°. pensioenfonds als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet; 2°. beroepspensioenfonds als bedoeld in artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling; – geschilleninstantie: de geschilleninstantie, bedoeld in artikel 48c van de Pensioenwet en artikel 59c van de Wet verplichte beroepspensioenregeling; – loonaanvullingsuitkering: een uitkering als bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen; – opbouwkeuzevoet: verhouding tussen het pensioen waarvan kan worden afgezien en het pensioen dat daarvoor in de plaats kan worden opgebouwd; – overdrachtsdatum: datum waarop de deelnemer een opgave heeft gevraagd van zijn pensioenaanspraken aan de ontvangende uitvoerder; – pensioenregeling: 1°. pensioenregeling als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet; 2°. beroepspensioenregeling als bedoeld in artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling; – rechthebbende: degene die in aanmerking komt voor waardeoverdracht; – ruilvoet: verhouding tussen het in te ruilen pensioen en het daarvoor in te kopen pensioen; – scenario-analyse: een scenario-analyse waarbij gebruik wordt gemaakt van de uniforme set met 10.000 economische scenario’s, bedoeld in artikel 23b van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen; – uitbesteding door een uitvoerder: het door een uitvoerder verlenen van een opdracht aan een derde tot het ten behoeve van die uitvoerder verrichten van werkzaamheden die deel uitmaken van: 1°. of voortvloeien uit het uitoefenen van het bedrijf; of 2°. de wezenlijke bedrijfsprocessen ter ondersteuning daarvan; – uitvoerder: 1°. pensioenuitvoerder als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet; 2°. pensioenuitvoerder als bedoeld in artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling. – vervolguitkering: een uitkering als bedoeld in artikel 60, eerste lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Artikel 1a Nadere regels arbeidsongeschiktheidspensioen 1 Voor zover een aanvulling op een vervolguitkering of een loonaanvullingsuitkering geen arbeidsongeschiktheidspensioen is als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwet of artikel 1 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt deze aanvulling als arbeidsongeschiktheidspensioen in de zin van een van die artikelen aangemerkt indien: a. de aanvulling op de vervolguitkering niet varieert met inkomsten uit arbeid, tenzij de aanvulling hoger wordt vastgesteld indien de inkomsten uit arbeid toenemen; b. de aanvulling op de loonaanvullingsuitkering niet varieert met inkomsten uit arbeid, tenzij de aanvulling hoger wordt vastgesteld indien de inkomsten uit arbeid toenemen; of c. het een eenmalige aanvulling is die wordt verstrekt in verband met werkhervatting of werkuitbreiding. 2 Het eerste lid is niet van toepassing op algemeen verbindend verklaarde bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten die betrekking hebben op aanvullingen op een vervolguitkering of op een loonaanvullingsuitkering, indien het verzoek tot algemeen verbindend verklaring is ingediend voor de datum van inwerkingtreding van de Wet van 15 juli 2008 houdende enige wijzigingen van de Pensioenwet, de Wet verplichte beroepspensioenregeling en enige andere wetten. Artikel 1b Intrekken samenlevingsverklaring Indien een samenlevingsverklaring als bedoeld in artikel 2a, tweede lid, of derde lid, onderdeel b, van de Pensioenwet dan wel artikel 2a, tweede lid, of derde lid, onderdeel b, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt ingetrokken, informeert de uitvoerder de deelnemer, gewezen deelnemer, pensioengerechtigde, partner of gewezen partner die de samenlevingsverklaring heeft ondertekend hierover. Hoofdstuk 1a Pensioenregelingen Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 10a tot en met 10e en 63a van de Pensioenwet en de artikelen 28a tot en met 28e en 75a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling Artikel 1c Solidaire premieovereenkomst of solidaire premieregeling 1 De uitvoerder berekent met een scenario-analyse de kans dat met de premie de beoogde pensioendoelstelling wordt gehaald, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 28a, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling. 2 De uitvoerder legt vast of bescherming voor het renterisico in de solidaire premieovereenkomst dan wel solidaire premieregeling gebeurt door middel van beschermingsrendement gekoppeld aan: a. de rentetermijnstructuur, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen; of b. een directe beschermingsportefeuille voor renterisico. 3 Bij de keuze voor koppeling aan de rentetermijnstructuur: a. onderbouwt de uitvoerder kwantitatief op basis van een stochastische ALM-analyse de maximaal gewenste mate van afwijking tussen het feitelijke beleggingsrisico en renterisico dat alle leeftijdscohorten lopen en de toedelingsregels door: 1°. de situatie met en zonder deling renterisico te vergelijken door middel van een stochastische analyse op basis van het vastgestelde strategische beleggingsbeleid; en 2°. per leeftijdscohort een begrenzing te bepalen voor de toegestane afwijking tussen de feitelijke toedeling van rendementen op basis van de collectieve beleggingsportefeuille en de toedelingsregels; en b. maakt de uitvoerder de daadwerkelijke deling van renterisico per leeftijdscohort inzichtelijk en neemt maatregelen als deze de eigen begrenzing overschrijdt. 4 Bij de keuze voor koppeling aan een directe beschermingsportefeuille: a. onderbouwt de uitvoerder in het kader van de vaststelling van het strategische beleggingsbeleid de mate van de renteafdekking op basis van die portefeuille kwantitatief met een stochastische ALM-analyse; b. legt de uitvoerder ex ante vast wat wordt verstaan onder nominaal renterisico waarbij de gehanteerde rentemaatstaf geen kredietrisico bevat; en c. onderbouwt de uitvoerder per beleggingscategorie kwantitatief in welke mate de categorie bijdraagt aan de bescherming van het nominale renterisico per leeftijdscohort. 5 De uitvoerder kan bij zowel de koppeling aan de rentetermijnstructuur als de koppeling aan een directe beschermingsportefeuille de kosten van vermogensbeheer voor de bescherming tegen renterisico per leeftijdscohort aftrekken van het bijgeschreven beschermingsrendement. Hierbij onderbouwt de uitvoerder op basis van objectieve gegevens hoe de kosten per leeftijdscohort worden berekend. 6 Indien een uitvoerder bij koppeling aan een directe beschermingsportefeuille reële bescherming wil bieden door ook voor inflatie gerelateerde instrumenten te kiezen in de directe portefeuille, is het vierde lid van overeenkomstige toepassing. 7 De uitvoerder toetst jaarlijks of het derde of vierde lid de gewenste mate van bescherming tegen renterisico per leeftijdscohort biedt en neemt maatregelen als dat niet het geval is. Artikel 1ca Gelijke aanpassingen met spreiden in uitkeringsfase bij solidaire premieovereenkomst of solidaire premieregeling 1 Bij pensioeningang verdeelt de uitvoerder het voor pensioenuitkering bestemd vermogen, bedoeld in artikel 10a, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 28a, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, in een uitkeringsvermogen en een spreidingsvermogen, indien sprake is van toepassing van de toedelingsregels om gelijke aanpassingen als bedoeld in de artikelen 10a, vijfde lid, en 63a, achtste lid, van de Pensioenwet dan wel de artikelen 28a, vijfde lid, en 75a, achtste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, met spreiden te realiseren. 2 De hoogte van de variabele uitkering wordt vastgesteld op basis van het uitkeringsvermogen en het projectierendement. Voor het projectierendement wordt ten hoogste uitgegaan van de risicovrije rente. 3 De pensioenuitvoerder bepaalt het financiële resultaat als gevolg van het behaalde beschermingsrendement en overrendement als bedoeld in artikel 10a, vierde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 28a, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor alle pensioengerechtigden. Uit dit financiële resultaat van het collectief van pensioengerechtigden wordt het beschermingsrendement, dat volledige bescherming biedt voor het renterisico, ontwikkeling van de levensverwachting en het sterfteresultaat, toebedeeld aan het uitkeringsvermogen van iedere pensioengerechtigde. 4 Na toedeling van het beschermingsrendement, bedoeld in het derde lid, wordt het resterende financiële resultaat op het moment van vaststelling volledig en onvoorwaardelijk verwerkt in het spreidingsvermogen en op basis van de spreidingsmethodiek, bedoeld in artikel 1cb, eerste lid, onvoorwaardelijk vastgesteld en verwerkt in het uitkeringsvermogen, de pensioenuitkeringen en pensioenaanspraken van pensioengerechtigden. 5 De wijze waarop financiële resultaten, bedoeld in het vierde lid, worden verwerkt in het uitkeringsvermogen en de pensioenuitkeringen en pensioenaanspraken van pensioengerechtigden, houdt in dat over de vastgestelde duur van de spreidingsperiode de pensioenuitkeringen en pensioenaanspraken onvoorwaardelijk in gelijke stappen dan wel in afnemende mate worden aangepast. 6 Een uitvoerder kan bij het vaststellen en onvoorwaardelijk verwerken van het financiële resultaat in het uitkeringsvermogen, bedoeld in het vijfde lid, in een betreffend jaar rekening houden met de reeds eerder onvoorwaardelijk vastgestelde en verwerkte aanpassingen als gevolg van financiële resultaten. Hierbij geldt het volgende: a. de eerder vastgestelde en onvoorwaardelijk verwerkte aanpassingen en de onvoorwaardelijke aanpassing in het betreffende jaar bij elkaar opgeteld leiden tot een patroon waarbij de pensioenuitkeringen en pensioenaanspraken in gelijke stappen dan wel in afnemende mate worden aangepast; en b. de al onvoorwaardelijke vastgestelde en verwerkte aanpassingen worden niet gewijzigd. 7 Indien de uitvoerder heeft gekozen voor toepassing in afnemende mate als bedoeld in het vijfde lid, kan de uitvoerder een afwijkende verwerking doorvoeren om het financiële resultaat binnen de duur van de spreidingsperiode volledig te verwerken in de pensioenuitkeringen en pensioenaanspraken van pensioengerechtigden, mits: a. de contante waarde van de nog totaal in de uitkering te verwerken financiële resultaten voor meer dan zestig procent in de eerste helft van de spreidingsperiode ligt; en b. de onvoorwaardelijke aanpassing in het betreffende jaar er niet toe leidt dat sprake is van zowel positieve als negatieve onvoorwaardelijke aanpassingen in de hoogte van de pensioenuitkeringen. Artikel 1cb Spreidingsmethodiek bij gelijke aanpassingen met spreiden 1 Voor toepassing van de artikelen 1ca en 1cc stelt de uitvoerder een spreidingsmethodiek vast. Een spreidingsmethodiek is de wijze waarop de uitvoerder de pensioenuitkeringen bij gelijke aanpassingen met spreiden vaststelt, waarbij onder de spreidingsmethodiek wordt begrepen: a. de duur van de spreidingsperiode; b. de wijze waarop het bepaalde in artikel 1ca, tweede tot en met het zevende lid, wordt verwerkt, waarbij een positief en negatief financieel resultaat op gelijke wijze worden verwerkt; c. de grenzen aan de positieve en negatieve omvang van het spreidingsvermogen; en d. de wijze waarop artikel 1cc wordt toegepast. 2 De spreidingsmethodiek is evenwichtig, transparant en consistent. De uitvoerder maakt de uitkomsten van de spreidingsmethodiek inzichtelijk aan de hand van een stochastische ALM-analyse en onderbouwt de gemaakte keuzes en vormgeving aan de hand van deze analyse. 3 De uitvoerder legt de spreidingsmethodiek vast voor minimaal vijf jaar. Onder omstandigheden kan hiervan afgeweken worden. De uitvoerder onderbouwt waarom deze keuze is gemaakt. 4 Een wijziging van de spreidingsmethodiek heeft geen gevolgen voor de al onvoorwaardelijk verwerkte en toebedeelde financiële resultaten in het spreidingsvermogen, het uitkeringsvermogen en de pensioenuitkeringen. 5 De uitvoerder legt de spreidingsmethodiek vast in de opdrachtbevestiging, het pensioenreglement en de uitvoeringsovereenkomst dan wel het uitvoeringsreglement. Artikel 1cc Gelijke aanpassingen met spreiden bij pensioeningang van een solidaire premieregeling 1 Indien de toedelingsregels met gelijke aanpassingen met spreiden als bedoeld in artikel 1ca van toepassing zijn, geldt bij pensioeningang het volgende: a. de verdeling, bedoeld in artikel 1ca, eerste lid, wordt bepaald op basis van de op dat moment geldende verhouding tussen de uitkeringsvermogens en de spreidingsvermogens voor alle pensioengerechtigden; b. de wijze van verdeling, bedoeld in onderdeel a, kan aangepast worden op basis van een nauwkeurigere methode indien die verdeling beter aansluit bij te verwachten pensioenuitkeringen. 2 Het op de pensioendatum door verdeling ontstane spreidingsvermogen wordt op basis van de spreidingsmethodiek, genoemd in artikel 1cb, eerste lid, verwerkt in het uitkeringsvermogen, de pensioenuitkeringen en pensioenaanspraken van de pensioengerechtigde. Artikel 1d Herverdelingseffecten 1 In de artikelen 10a, vijfde lid, 10b, vierde lid, en 63a, vierde lid, van de Pensioenwet, dan wel de artikelen 28a, vijfde lid, 28b, vierde lid, en 75a, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling is bepaald dat er op voorhand geen herverdelingseffecten plaatsvinden. Hieronder wordt verstaan dat het niet is toegestaan om het risico van een belegging toe te delen aan een deelnemer, gewezen deelnemer of pensioengerechtigde en de bijbehorende risicobeloning van deze belegging toe te delen aan een andere deelnemer, gewezen deelnemer of pensioengerechtigde. De toedeling van het risico en de bijbehorende risicobeloning is consistent met prijzen, zoals geobserveerd op financiële markten. 2 Indien van toepassing onderbouwt de uitvoerder kwantitatief dat herverdelingseffecten plaatsvinden voor zover dat nodig is om gelijke aanpassingen van ingegane uitkeringen en van de opgebouwde aanspraak op nabestaandenpensioen van pensioengerechtigden te realiseren en daarbij alleen herverdelingseffecten optreden tussen pensioengerechtigden onderling als bedoeld in de artikelen 10a, vijfde lid, en 10b, vierde lid, van de Pensioenwet, dan wel de artikelen 28a, vijfde lid, en 28b, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling. 3 Bij gelijke aanpassingen met spreiden als bedoeld in artikel 1ca leidt een projectierendement lager dan een risicovrije rente op voorhand niet tot herverdelingseffecten. Artikel 1e Opheffing leenrestrictie 1 Een uitvoerder die voor bepaalde leeftijdscohorten de leenrestrictie opheft en deze daarmee effectief blootstelt aan meer dan 100% beleggingsrisico, voor zover dit passend is bij de risicohouding van deze cohorten, onderbouwt waarom dit in het belang van de deelnemers is. 2 Onder blootstelling aan meer dan 100% beleggingsrisico wordt verstaan: de effectieve blootstelling aan meer dan 100% zakelijke waardenrisico als bedoeld in artikel 13, achtste lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen. Effectieve blootstelling houdt in dat wordt getoetst aan hoeveel beleggingsrisico’s deelnemers worden blootgesteld, inclusief toepassing van toedeelregels. 3 De uitvoerder legt regels vast waarin wordt beschreven op welke wijze negatieve pensioenvermogens of kapitalen worden voorkomen waarbij verdeelregels worden vastgesteld voor de verschillende bronnen. 4 Voor de onderbouwing, bedoeld in het eerste lid, en de regels, bedoeld in het derde lid, maakt de uitvoerder gebruik van een stochastische ALM-analyse. 5 De uitvoerder draagt er zorg voor dat de pensioenvermogens of kapitalen niet negatief zijn op 31 december van ieder jaar en bij beëindiging van de verwerving door de deelnemer op een ander tijdstip dan 31 december. Artikel 1f Flexibele premieovereenkomst of flexibele premieregeling 1 De uitvoerder legt de toedelingskring vast en informeert de deelnemer, gewezen deelnemer of pensioengerechtigde hierover voorafgaand aan zijn toetreding tot de toedelingskring. 2 De uitvoerder legt de vormgeving van het toedelingsmechanisme voor het beleggingsrisico vast en onderbouwt dat daarbij op voorhand geen sprake is van herverdelingseffecten tussen leeftijdsgroepen. 3 Bij een fonds gelden voor de omzetting van het kapitaal voortvloeiend uit de premies in een vastgestelde uitkering op de pensioendatum de volgende voorwaarden: a. de omzetting vindt plaats op basis van een dekkingsgraadneutraal tarief; b. voor de vaststelling van het tarief hanteert het fonds de risicovrije rente voor fondsen; en c. er wordt rekening gehouden met tariefgrondslagen passend bij de groep deelnemers of gewezen deelnemers. Artikel 1g Premie-uitkeringsovereenkomst of premie-uitkeringsregeling De verzekeraar of premiepensioeninstelling informeert de deelnemer of gewezen deelnemer over de mogelijkheid te kiezen voor een vastgestelde uitkering in ieder geval voorafgaand aan het moment dat de deelnemer of gewezen deelnemer voor het eerst deze keuze kan maken. Artikel 1h Solidariteitsreserve en risicodelingsreserve 1 De uitvoerder heeft een solidariteitsreserve of, indien van toepassing, risicodelingsreserve voor iedere afzonderlijke pensioenregeling of kan, indien kruissubsidiëring tussen de pensioenregelingen niet kan voorkomen, een reserve hebben voor meerdere pensioenregelingen. 2 De uitvoerder berekent voor de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve in het kader van de toetsing van evenwichtigheid de baten en lasten voor alle cohorten die worden onderscheiden voor de risicohouding en onderbouwt dat deze baten en lasten in lijn zijn met de doelstellingen van de reserve. Het inzichtelijk maken van deze kwantitatieve effecten wordt toegelicht, waarbij de baten en lasten voor de cohorten met en zonder de reserve worden vergeleken. Voor de kwantitatieve onderbouwing wordt gebruik gemaakt van een scenario-analyse of een stochastische ALM-analyse. 3 De evenwichtigheid van afspraken rond de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve wordt door de uitvoerder beoordeeld en in de besluitvorming onderbouwd. Onder evenwichtigheid wordt onder meer verstaan dat bij de inrichting van de reserve op voorhand wordt voorkomen dat een bepaalde generatie binnen een pensioenregeling uitsluitend baten of lasten heeft van de reserve. Voor de kwantitatieve onderbouwing wordt gebruik gemaakt van een scenario-analyse of een stochastische ALM-analyse. 4 De uitvoerder legt de regels voor de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve in beginsel vast voor een periode van minimaal vijf jaar. Bij bijzondere omstandigheden kan van deze minimale termijn afgeweken worden. De uitvoerder onderbouwt dat deze afwijking van de minimale termijn in het belang van alle deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden is. 5 De uitvoerder past het tweede en derde lid toe bij vaststelling van de regels voor de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve, bij wijziging van de inrichting van de reserve of bij een wijziging van het beleid of het deelnemersbestand indien de wijziging relevant is voor de doelstellingen of regels voor het vullen van en uitdelen uit de reserve. 6 Indien van toepassing legt de uitvoerder van tevoren vast bij welk inflatieniveau sprake is van afdekking van onverwachte inflatie via de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve. De uitvoerder onderbouwt dit inflatieniveau op basis van objectief te verifiëren informatie. 7 De vaststelling of de omvang van de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve blijft binnen de maximale omvang van 15% van het geheel voor pensioen gereserveerde vermogen inclusief de reserve, vindt plaats op 31 december van enig jaar. 8 Als bij een risicodelingsreserve wordt ingelegd uit vermogen bij toetreding tot het collectief toedelingsmechanisme voor de collectieve uitkeringsfase, bedraagt de inleg uit vermogen niet meer dan het verschil tussen het percentage dat op grond van het pensioenreglement het voorgaande jaar uit premie is ingelegd en 10%. 9 Ter voorkoming van het verminderen van verworven pensioenaanspraken en pensioenrechten, bedoeld in artikel 134, eerste lid, van de Pensioenwet of artikel 129, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, kan een fonds het eigen vermogen aanvullen door de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve te verminderen tot het bedrag waarop het fonds beschikt over het minimaal vereist eigen vermogen, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen. Een fonds kan dit in ieder geval doen voor zover het niet beschikt over het minimaal vereist eigen vermogen als gevolg van de hoogte van de operationele kosten. Het eigen vermogen kan enkel worden aangevuld door de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. het fonds is overeenkomstig artikel 11a, derde lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen gehouden om maatregelen te nemen; of b. het fonds is overeenkomstig artikel 140, eerste lid, eerste zin, van de Pensioenwet of artikel 135, eerste lid, eerste zin, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling gehouden om maatregelen te nemen. 10 De Nederlandsche Bank kan nadere regels stellen over de wijze waarop de berekeningen, bedoeld in het tweede en derde lid, worden gemaakt en toegelicht. Hoofdstuk 2 Informatie Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 21, vierde lid, 38, tweede lid, 39, tweede lid, 40, vierde lid, 41, tweede lid, 42, derde lid, 43, tweede lid, 44, derde lid, 44a, tweede lid, 45, derde lid, 45a, tweede lid, 46, eerste lid, onderdeel c, en zesde lid, 47b, 48, zesde lid, 49, zesde lid, 51, elfde lid, 61a, vijfde lid, en 63b, vijfde lid, van de Pensioenwet en de artikelen 48, derde lid, 49, tweede lid, 50, tweede lid, 51, vierde lid, 52, tweede lid, 53, derde lid, 54, tweede lid, 55, derde lid, 55a, tweede lid, 56, derde lid, 56a, tweede lid, 57, eerste lid, onderdeel c, en zesde lid, 57a, zesde lid, 57b, 59, zesde lid, 60, zesde lid, 62, elfde lid, 73a, vijfde lid, en 75b, vijfde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling Artikel 2 Informatie over de pensioenregeling De informatie over de kenmerken van de pensioenregeling en de uitvoering van de pensioenregeling, bedoeld in artikel 21 van de Pensioenwet dan wel artikel 48 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, bevat in ieder geval het volgende: a. de pensioensoorten waarin de basispensioenregeling voorziet; b. de pensioensoorten waarin de basispensioenregeling niet voorziet; c. de wijze waarop pensioen wordt opgebouwd; d. de keuzemogelijkheden van de deelnemer of gewezen deelnemer waarin de pensioenregeling voorziet; e. de risico’s; f. de soorten uitvoeringskosten; g. de beleidsdekkingsgraad met een omschrijving van de gevolgen ervan; h. op welke wijze in het beleggingsbeleid rekening wordt gehouden met milieu en klimaat, mensenrechten en sociale verhoudingen; en i. indien van toepassing, de beleggingsmogelijkheden van de deelnemer of gewezen deelnemer waarin de pensioenregeling voorziet. Artikel 3 Mogelijkheid toezichthouder tot stellen nadere regels met betrekking tot informatieverstrekking bij premieovereenkomsten met beleggingsvrijheid De Stichting Autoriteit Financiële Markten kan nadere regels stellen met betrekking tot het informeren van de deelnemer over de risico’s, bedoeld in artikel 2, onderdeel e, voor zover het gaat om premieovereenkomsten dan wel premieregelingen met beleggingsvrijheid voor de deelnemer. Artikel 4 Informatie over toeslagverlening 1 De informatie over toeslagverlening die op grond van de artikelen 38, eerste lid, onderdeel c, 40, eerste lid, onderdeel b, en 44, eerste lid, onderdeel c, van de Pensioenwet, de artikelen 49, eerste lid, onderdeel c, 51, eerste lid, onderdeel b, en 55, eerste lid, onderdeel c, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en artikel 2, onderdeel e, wordt verstrekt heeft betrekking op de toeslagverlening over de afgelopen drie jaar waarbij wordt aangegeven in hoeverre de prijsinflatie hiermee is gecompenseerd. 2 De informatie over toeslagverlening die op grond van de artikelen 39, eerste lid, onderdeel b, 41, eerste lid, onderdeel b, 42, eerste lid, onderdeel b, 43, eerste lid, onderdeel c, en 45, eerste lid, onderdeel c, van de Pensioenwet en de artikelen 50, eerste lid, onderdeel b, 52, eerste lid, onderdeel b, 53, eerste lid, onderdeel b, 54, eerste lid, onderdeel c, en 56, eerste lid, onderdeel c, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstrekt heeft betrekking op de toeslagverlening over de afgelopen vijf jaar waarbij wordt aangegeven in hoeverre de prijsinflatie hiermee is gecompenseerd. 3 De informatie over toeslagverlening die op grond van artikel 46a, eerste lid, onderdeel b, van de Pensioenwet en artikel 57a, eerste lid, onderdeel b van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstrekt of beschikbaar gesteld heeft betrekking op de toeslagverlening over de afgelopen tien jaar waarbij wordt aangegeven in hoeverre de prijsinflatie hiermee is gecompenseerd en of dit in overeenstemming met het toeslagenbeleid is geweest. Artikel 5 Informatie over vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten 1 De informatie over vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten die op grond van de artikelen 38, eerste lid, onderdeel d, 40, eerste lid, onderdeel c, en 44, eerste lid, onderdeel d, van de Pensioenwet, de artikelen 49, eerste lid, onderdeel d, 51, eerste lid, onderdeel c, en 55, eerste lid, onderdeel d, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en artikel 2, onderdeel e, wordt verstrekt heeft betrekking op de vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten die in de laatste drie jaar is doorgevoerd. 2 De informatie over vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten die op grond van de artikelen 39, eerste lid, onderdeel e, 41, eerste lid, onderdeel d, 42, eerste lid, onderdeel c, 43, eerste lid, onderdeel d, en 45, eerste lid, onderdeel d, van de Pensioenwet en de artikelen 50, eerste lid, onderdeel e, 52, eerste lid, onderdeel d, 53, eerste lid, onderdeel c, 54, eerste lid, onderdeel d, en 56, eerste lid, onderdeel d, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstrekt heeft betrekking op de vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten die in de laatste vijf jaar is doorgevoerd. 3 De informatie over vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten die op grond van artikel 46a, eerste lid, onderdeel b, van de Pensioenwet en artikel 57a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt verstrekt of beschikbaar gesteld heeft betrekking op de vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten die in de laatste tien jaar is doorgevoerd. Artikel 5a Informatie over pensioenaanspraken op het pensioenoverzicht 1 De opgave van de verworven pensioenaanspraken die op grond van artikel 38, eerste lid, onderdeel a, van de Pensioenwet dan wel artikel 49, eerste lid, onderdeel a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstrekt betreft, voor zover het de opgebouwde aanspraak op ouderdomspensioen op grond van een premieovereenkomst dan wel premieregeling betreft, het voor pensioenuitkeringen aan te wenden vermogen of kapitaal. 2 De opgave van de opgebouwde pensioenaanspraken op grond van een premieovereenkomst dan wel premieregeling die op grond van artikel 40, eerste lid, onderdeel a, van de Pensioenwet dan wel artikel 51, eerste lid, onderdeel a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstrekt betreft onder meer het voor pensioenuitkeringen aan te wenden vermogen of kapitaal en een indicatie van de hoogte van de periodieke uitkeringen op de pensioendatum. Bij de indicatie worden de op dat moment bij de uitvoerder geldende tarieven gehanteerd. 3 De opgave van de reglementair te bereiken pensioenaanspraken die op grond van artikel 38, eerste lid, onderdeel g, van de Pensioenwet dan wel artikel 49, eerste lid, onderdeel g, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstrekt bevat onder meer een indicatie van het te bereiken voor pensioenuitkeringen aan te wenden vermogen of kapitaal op de pensioendatum en een indicatie van de hoogte van de periodieke uitkeringen op de pensioendatum. Bij de indicatie worden de op dat moment bij de uitvoerder geldende tarieven gehanteerd. 4 Bij de in het derde lid bedoelde informatie wordt ten aanzien van nabestaandenpensioen aangegeven wat de consequenties zijn van de wijze van financieren. Artikel 5b Informatie over reserves en premies op pensioenoverzicht 1 De informatie over de solidariteitsreserve of risicodelingsreserve die op grond van de artikelen 38, eerste lid, onderdeel e, en 40, eerste lid, onderdeel d, van de Pensioenwet dan wel de artikelen 49, eerste lid, onderdeel e, en 51, eerste lid, onderdeel d, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstrekt heeft betrekking op het effect van de reserve op de opgebouwde pensioenaanspraken. 2 De informatie over de werkgeverspremie en werknemerspremie die op grond van artikel 38, eerste lid, onderdeel h, van de Pensioenwet wordt verstrekt en de informatie over de premie in rekening gebracht bij de beroepsgenoot die op grond van artikel 49, eerste lid, onderdeel h, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt verstrekt heeft betrekking op de premies die over het afgelopen jaar in rekening zijn gebracht. Artikel 5c Informatie over gelijke aanpassingen met spreiden Bij gelijke aanpassingen met spreiden als bedoeld in artikel 1ca geldt vanaf vijf jaar voor pensioendatum het volgende: a. de uitvoerder vermeldt dat het voor pensioenuitkering aan te wenden vermogen, genoemd in artikel 5a, eerste, tweede en derde lid, vanaf pensioendatum bestaat uit een spreidingsvermogen en uitkeringsvermogen en geeft daarbij informatie over gelijke aanpassingen met spreiden; en b. de uitvoerder geeft bij de opgave, bedoeld in artikel 5a, een kwalitatieve toelichting over het verloop van de pensioenuitkeringen en geeft daarbij aan of het pensioen waarschijnlijk zal dalen, stijgen of gelijk zal blijven. Artikel 6 Verstrekken informatie aan deelnemers bij beëindiging deelneming De uitvoerder verstrekt de deelnemer bij beëindiging van de deelneming informatie over: a. het vervallen van een pensioenaanspraak als bedoeld in artikel 55, vijfde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 66, vijfde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor zover sprake is van een pensioenaanspraak onder de vervalgrens;. b. het gebruik van het recht van de uitvoerder tot waardeoverdracht, bedoeld in artikel 70a van de Pensioenwet dan wel artikel 81a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor zover er sprake is van een pensioenaanspraak onder de overdrachtgrens en de daarbij gevolgde procedure; c. het recht op waardeoverdracht, bedoeld in artikel 71 van de Pensioenwet dan wel artikel 82 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, of de mogelijkheid tot waardeoverdracht, bedoeld in artikel 75 van de Pensioenwet dan wel artikel 86 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling; d. het recht tot afkoop, bedoeld in de artikelen 66, tweede lid, onderdeel c, en derde lid, en 69, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel de artikelen 78, tweede lid, onderdeel c, en derde lid, en 80a, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor zover er sprake is van een pensioenaanspraak onder de afkoopgrens en de uitvoerder artikel 70a van de Pensioenwet dan wel artikel 81a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling toepast; e. de consequenties van arbeidsongeschiktheid; f. het actueel zijn van een herstelplan of geactualiseerd herstelplan; g. het voortzetten van de dekking voor het nabestaandenpensioen, bedoeld in artikel 55, vierde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 66, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en het recht op uitruil van ouderdomspensioen in partnerpensioen op risicobasis, bedoeld in artikel 61a van de Pensioenwet dan wel artikel 73a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling; h. het vervallen van de dekking tegen het risico op overlijden indien nabestaandenpensioen werd verworven op basis van risicofinanciering; en i. de website waarop het pensioenregister te raadplegen is. Artikel 7 Verstrekken informatie aan gewezen partner bij scheiding De uitvoerder verstrekt de gewezen partner bij scheiding informatie over de mogelijkheid van afkoop, bedoeld in artikel 68 van de Pensioenwet dan wel artikel 80 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor zover sprake is van een pensioenaanspraak onder de afkoopgrens. Artikel 7a Verstrekken informatie voorafgaand aan of bij pensioeningang 1 De uitvoerder verstrekt degene die pensioengerechtigde wordt voorafgaand aan of bij de pensioeningang in ieder geval informatie over: a. het recht te kiezen voor een hoger of eerder ingaand ouderdomspensioen, bedoeld in artikel 60 van de Pensioenwet dan wel artikel 72 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor zover sprake is van opbouw van ouderdomspensioen en partnerpensioen; b. de mogelijkheid van afkoop, bedoeld in artikel 66 tot en met 69 van de Pensioenwet dan wel artikel 78 tot en met 80a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor zover sprake is van een pensioenaanspraak onder de afkoopgrens of een fiscaal bovenmatige pensioenaanspraak; c. de mogelijkheid tot of het recht op waardeoverdracht, bedoeld in de artikelen 80, 81, 81a, tweede lid, en 81b, van de Pensioenwet dan wel de artikelen 88, 89, 89a, tweede lid, en 89b van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, voor zover sprake is van een aan te wenden kapitaal op de pensioendatum; d. andere keuzemogelijkheden die de pensioenregeling biedt; en e. de gehanteerde spreidingsperiode bij de uitkering waarbij de uitvoerder die een spreidingperiode hanteert van meer dan vijf jaar dan wel gelijke aanpassingen met spreiden als bedoeld in artikel 1ca toepast, de volgende tekst opneemt: De ontwikkeling van uw pensioen hangt onder meer af van economische omstandigheden. Uw pensioen kan hierdoor omhoog of omlaag gaan. Wij spreiden financiële meevallers en tegenvallers over <x> jaar om grote schokken in de hoogte van uw pensioen te voorkomen. Bij langdurige tegenvallers en bij een spreidingsperiode van meer dan vijf jaar kan uw pensioen na verloop van tijd flink lager uitvallen. 2 Bij gelijke aanpassingen met spreiden als bedoeld in artikel 1ca verstrekt de uitvoerder degene die pensioengerechtigde wordt voorafgaand aan of bij de pensioeningang informatie. Hierbij geldt het volgende: a. de uitvoerder vermeldt dat het voor pensioenuitkering bestemd vermogen vanaf pensioendatum bestaat uit een uitkeringsvermogen en een spreidingsvermogen en geeft daarbij informatie over gelijke aanpassingen met spreiden; b. de uitvoerder vermeldt de gevolgen voor de hoogte van de pensioenuitkering op moment van ingang, waarbij deze informatie persoonlijk en concreet is; c. de uitvoerder geeft concrete en persoonlijke informatie over het verloop van de pensioenuitkeringen en geeft daarbij aan of het pensioen waarschijnlijk zal dalen, stijgen of gelijk zal blijven; en d. de uitvoerder verstrekt informatie over de mogelijkheid om informatie, bedoeld in artikel 9, zevende lid, bij de uitvoerder op te vragen. Artikel 7b Jaarlijkse informatieverstrekking aan pensioengerechtigden 1 De opgave van zijn pensioenrecht, bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel a, van de Pensioenwet dan wel artikel 55, eerste lid, onderdeel a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling heeft bij een variabele uitkering betrekking op: a. de uitkering over het afgelopen jaar; en b. de uitkering voor het komende jaar. 2 Bij gelijke aanpassingen met spreiden als bedoeld in artikel 1ca geldt het volgende: a. de uitvoerder geeft informatie over gelijke aanpassingen met spreiden; b. de uitvoerder geeft concrete en persoonlijke informatie over het verloop van de pensioenuitkeringen en geeft daarbij aan of het pensioen waarschijnlijk zal dalen, stijgen of gelijk zal blijven; en c. de uitvoerder verstrekt informatie over de mogelijkheid om informatie, bedoeld in artikel 9, zevende lid, bij de uitvoerder op te vragen. Artikel 7c Informatieverstrekking over uitkeringen 1 Bij de informatie die wordt verstrekt over een variabele uitkering, bedoeld in de artikelen 44a, eerste lid, of 63b, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel de artikelen 55a, eerste lid, of 75b, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, geldt het volgende: a. een uitvoerder die één uniform beleggingsprofiel hanteert, vermeldt dit; b. een uitvoerder die meerdere beleggingsprofielen hanteert of die een uitkering aanbiedt bestaande uit een vastgesteld en een variabel gedeelte, baseert de opgave van de hoogte van de variabele uitkering of de verhouding tussen het vastgestelde en variabele gedeelte op het beleggingsprofiel dat passend is gezien het risicoprofiel van de deelnemer of gewezen deelnemer. 2 De uitvoerder die een spreidingsperiode hanteert van meer dan vijf jaar neemt in de informatie die wordt verstrekt over een variabele uitkering, bedoeld in artikel 44a, eerste lid, of artikel 63b, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 55a, eerste lid, of artikel 75b, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de volgende tekst op: De ontwikkeling van uw pensioen hangt onder meer af van economische omstandigheden. Uw pensioen kan hierdoor omhoog of omlaag gaan. Wij spreiden financiële meevallers en tegenvallers over <x> jaar om grote schokken in de hoogte van uw pensioen te voorkomen. Bij langdurige tegenvallers en bij een spreidingsperiode van meer dan vijf jaar kan uw pensioen na verloop van tijd flink lager uitvallen. 3 De uitvoerder die geen vastgestelde uitkeringen uitvoert, geeft bij de opgave van de hoogte van de vastgestelde uitkeringen, bedoeld in artikel 44a, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 55a, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, aan dat een vastgestelde uitkering naar verwachting lager is dan een variabele uitkering maar met minder of geen kans op afwijking. Artikel 7d Standaardmodellen 1 Bij de informatieverstrekking, bedoeld in de artikelen 44a en 63b van de Pensioenwet dan wel de artikelen 55a en 75b van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt gebruikt gemaakt van standaardmodellen. 2 Op voordracht van de uitvoerders en na advies van de Autoriteit Financiële Markten stelt Onze Minister de standaardmodellen vast. De modellen worden beschikbaar gesteld op de website van de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars. Artikel 7e Rekenregels 1 Voor de weergave op basis van een pessimistisch scenario, een verwacht scenario en een optimistisch scenario, bedoeld in de artikelen 10c, vierde lid, 38, eerste lid, onderdeel g, 40, eerste lid, onderdeel a, 44a, eerste lid, 45, tweede lid, 46, derde en vijfde lid, 51, eerste lid, onderdeel a, 63b, tweede lid, en 150j, tweede lid, onderdelen a en b, van de Pensioenwet, de artikelen 28c, vierde lid, 49, eerste lid, onderdeel g, 51, eerste lid, onderdeel b, 55a, eerste lid, 56, tweede lid, 57, derde en vijfde lid, 62, eerste lid, onderdeel a, 75b, tweede lid, en 145i, tweede lid, onderdelen a en b, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt gebruik gemaakt van de scenariosets, bedoeld in artikel 23b van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen en een voorgeschreven rekenmethodiek. 2 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de rekenmethodiek. Artikel 8 Verstrekken informatie aan deelnemers vrijwillige pensioenregeling 1 De uitvoerder informeert een deelnemer voorafgaand aan de deelneming in de vrijwillige pensioenregeling over de inhoud van de vrijwillige pensioenregeling, waarbij de artikelen 2 en 3 van overeenkomstige toepassing zijn. 2 De informatie over de reglementair te bereiken pensioenaanspraken wordt overeenkomstig de artikelen 5a en 9, eerste en tweede lid, vastgesteld. 3 De informatie over de beleggingsresultaten wordt verstrekt indien sprake is van een premieovereenkomst of premieregeling en heeft betrekking op de resultaten van de afgelopen vijf jaar of, indien de pensioenregeling minder dan vijf jaar is uitgevoerd, alle jaren gedurende welke de pensioenregeling is uitgevoerd door de pensioenuitvoerder. 4 De informatie over de structuur van de kosten die door deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden worden gedragen wordt verstrekt indien sprake is van een premieovereenkomst of premieregeling en heeft betrekking op de administratieve uitvoeringskosten, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, de kosten van vermogensbeheer, bedoeld in artikel 10a, tweede lid, en de transactiekosten, bedoeld in artikel 10a, derde lid, indien deze kosten van invloed zijn op de pensioenaanspraak of het pensioenrecht. Artikel 9 Informatie op verzoek 1 De uitvoerder verstrekt de deelnemer, gewezen deelnemer of gewezen partner op verzoek in geval van een flexibele premieovereenkomst of premie-uitkeringsovereenkomst dan wel een flexibele premieregeling of premie-uitkeringsregeling een indicatie van het te bereiken voor periodieke uitkeringen aan te wenden kapitaal op de pensioendatum met de daarbij gehanteerde veronderstellingen. 2 Bij de in het eerste lid bedoelde opgave wordt ten aanzien van nabestaandenpensioen aangegeven wat de consequenties zijn van de gekozen wijze van financieren. 3 Indien sprake is van een premieovereenkomst dan wel premieregeling waarbij de deelnemer of gewezen deelnemer tijdens de opbouwperiode de verantwoordelijkheid voor de beleggingen heeft overgenomen verstrekt de uitvoerder op verzoek van de deelnemer of gewezen deelnemer informatie over alle beleggingsmogelijkheden, de feitelijke beleggingsportefeuille, de risicopositie en de kosten in verband met de beleggingen. 4 De uitvoerder verstrekt de deelnemer, de gewezen deelnemer, de gewezen partner of de pensioengerechtigde op verzoek: a. informatie over het van toepassing zijn van een aanwijzing als bedoeld in artikel 171 van de Pensioenwet dan wel artikel 166 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling; en b. informatie over de aanstelling van een bewindvoerder als bedoeld in artikel 173 van de Pensioenwet dan wel artikel 168 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling. 5 De uitvoerder verstrekt de deelnemer of gewezen deelnemer op verzoek informatie over de consequenties van uitruil als bedoeld in artikel 60, 61, 61a of 62 van de Pensioenwet dan wel de artikelen 72, 73, 73a, of 74 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling voor de deelnemer of gewezen deelnemer. 6 De uitvoerder verstrekt op verzoek van de deelnemer, gewezen deelnemer of pensioengerechtigde informatie over de resultaten die de beleggingen van de pensioenregeling ten minste de afgelopen vijf jaar hebben behaald of, indien de pensioenregeling minder dan vijf jaar is uitgevoerd, alle jaren gedurende welke de pensioenregeling is uitgevoerd door de pensioenuitvoerder. 7 Voor zover sprake is van gelijke aanpassingen met spreiden als bedoeld in artikel 1ca verstrekt de uitvoerder op verzoek van de pensioengerechtigde in ieder geval informatie over: a. de reeds verwerkte en toebedeelde financiële resultaten in het voor pensioenuitkering bestemd vermogen in de afgelopen vijf jaar tenzij de spreidingsperiode langer is dan geldt die periode; b. hoe de pensioenuitkeringen als gevolg van het verwerkte en toebedeelde financiële resultaten zijn aangepast in de afgelopen vijf jaar tenzij de spreidingsperiode langer is, dan geldt die periode; c. de hoogte van het uitkeringsvermogen en spreidingsvermogen in het jaar van het verzoek; en d. het verloop van de toekomstige pensioenuitkeringen gedurende de spreidingsperiode. Artikel 9a Algemene eisen uniform pensioenoverzicht 1 De titel van het uniform pensioenoverzicht bevat het woord «pensioenoverzicht». 2 Het uniform pensioenoverzicht bevat naast de informatie, bedoeld in de artikelen 38, eerste lid, 40, eerste lid, 42, eerste lid, 44, eerste lid, en 48, vijfde lid, tweede zin, van de Pensioenwet dan wel de artikelen 49, eerste lid, 51, eerste lid, 53, eerste lid, 55, eerste lid, en 59, vijfde lid, tweede zin, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling in ieder geval het volgende: a. de persoonsgegevens van de deelnemer, gewezen deelnemer, gewezen partner of pensioengerechtigde; b. de naam en het contactadres van de pensioenuitvoerder; c. het soort pensioenregeling; en d. de datum waarop de informatie betrekking heeft. 3 Op het uniform pensioenoverzicht wordt elke wezenlijke wijziging ten opzichte van het uniform pensioenoverzicht van het voorgaande jaar duidelijk aangegeven. Artikel 9b Beschikbare informatie 1 De verdere informatie over de pensioenregeling, bedoeld in artikel 46a, eerste lid, onderdeel b, van de Pensioenwet dan wel artikel 57a, eerste lid, onderdeel b, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, betreft in ieder geval informatie over: a. het vervallen van een pensioenaanspraak als bedoeld in artikel 55, vijfde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 66, vijfde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling; b. het beleid van de uitvoerder ten aanzien van waardeoverdracht als bedoeld in artikel 70a van de Pensioenwet dan wel artikel 81a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, en de daarbij toe te passen procedure; en c. de geldende spreidingsmethodiek, bedoeld in artikel 1cb, indien sprake is van gelijke aanpassingen met spreiden als bedoeld in artikel 1ca. 2 De informatie over uitvoeringskosten, bedoeld in artikel 46a, eerste lid, onderdeel c, van de Pensioenwet dan wel artikel 57a, eerste lid, onderdeel c, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, betreft: a. de administratieve uitvoeringskosten, bedoeld in artikel 10a, eerste lid; b. de kosten van vermogensbeheer, bedoeld in artikel 10a, tweede lid; en c. de transactiekosten, bedoeld in artikel 10a, derde lid. 3 De informatie over uitvoeringskosten die op de website wordt geplaatst betreft: a. voor fondsen en premiepensioeninstellingen: de administratieve uitvoeringskosten als bedrag per deelnemer of pensioengerechtigde en de kosten van vermogensbeheer en de transactiekosten als percentage van het gemiddeld belegd vermogen; b. voor verzekeraars: de administratieve uitvoeringskosten als bedrag per deelnemer of pensioengerechtigde en de kosten van vermogensbeheer en de transactiekosten: 1°. indien de kosten van invloed zijn op de pensioenaanspraak of het pensioenrecht als percentage van het gemiddeld belegd vermogen; en 2°. indien de kosten niet van invloed zijn op de pensioenaanspraak of het pensioenrecht met vermelding dat deze kosten niet zijn opgenomen omdat zij niet van invloed zijn op de pensioenaanspraak of het pensioenrecht. 4 De informatie over de beleggingen en het beleggingsbeleid, bedoeld in artikel 46a, tweede lid, onderdeel d, van de Pensioenwet dan wel artikel 57a, tweede lid, onderdeel d, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, betreft: a. beleggingsresultaten van het collectieve vermogen, met onderscheid tussen de verschillende beleggingscategorieën; en b. de verhouding van deze resultaten tot het strategisch beleggingsbeleid. 5 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel. Artikel 9c Het uniform pensioenoverzicht 1 Op voordracht van de uitvoerders en na advies van de Autoriteit Financiële Markten stelt Onze Minister de modellen voor het uniform pensioenoverzicht vast. 2 De modellen voor het uniform pensioenoverzicht worden beschikbaar gesteld op de website van de Pensioenfederatie en het Verbond van Verzekeraars. 3 Een uitvoerder verstrekt een uniform pensioenoverzicht voor deelnemers aan een ieder die in de gehele of in een deel van de voor het uniform pensioenoverzicht relevante periode deelnemer bij die pensioenuitvoerder was. 4 In afwijking van het derde lid kan de pensioenuitvoerder afzien van verstrekking van een uniform pensioenoverzicht voor deelnemers aan degene die op het eind van de, voor dit pensioenoverzicht, relevante periode geen deelnemer bij de pensioenuitvoerder meer is, indien: a. in de informatie die wordt verstrekt bij beëindiging van de deelneming of bij de pensioeningang een opgave van de aan het lopende kalenderjaar toe te rekenen waardeaangroei van pensioenaanspraken overeenkomstig artikel 3.127 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de daarop berustende bepalingen is opgenomen, alsmede informatie over de werkgeverspremie en werknemerspremie die in het lopende kalenderjaar in rekening is gebracht dan wel de premie die in het lopende kalenderjaar in rekening is gebracht bij de beroepsgenoot; of b. in het uniform pensioenoverzicht voor gewezen deelnemers verstrekt in het kalenderjaar na het jaar waarin de deelneming is beëindigd een opgave van de aan het voorafgaande kalenderjaar toe te rekenen waardeaangroei van pensioenaanspraken overeenkomstig artikel 3.127 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en de daarop berustende bepalingen is opgenomen, alsmede informatie over de werkgeverspremie en werknemerspremie die in het voorgaande kalenderjaar in rekening is gebracht dan wel de premie die in het voorgaande kalenderjaar in rekening is gebracht bij de beroepsgenoot. Artikel 9d Elektronische informatieverstrekking 1 Voor de elektronische verstrekking van informatie door middel van een externe berichtenbox wordt MijnOverheid.nl gebruikt. 2 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de elektronische informatieverstrekking. Artikel 9e Pensioenregister 1 Een vermindering van de pensioenaanspraken en pensioenrechten wordt door de uitvoerders binnen vier maanden verwerkt in de gegevens die door middel van het pensioenregister worden verstrekt. 2 Een andere wijziging van de pensioenaanspraken en pensioenrechten dan bedoeld in het eerste lid wordt door de uitvoerders binnen vier maanden nadat de wijziging in de administratie van de uitvoerders is doorgevoerd verwerkt in de gegevens die door middel van het pensioenregister worden verstrekt. 3 Het pensioenregister geeft in ieder geval inzicht in de hoogte van het te bereiken pensioen door: a. weergave in netto bedragen per maand en in bruto bedragen per jaar; b. de mogelijkheid om ter vergelijking het huidige netto inkomen per maand in te voeren. 4 Met betrekking tot de keuzes ten aanzien van ouderdomspensioen worden in ieder geval de indicatieve gevolgen op het pensioeninkomen getoond van het vervroegen of uitstellen van de pensioeningangsdatum. 5 Met betrekking tot belangrijke gebeurtenissen worden in ieder geval bij nabestaandenpensioen de gevolgen getoond van overlijden op het moment van de uitvraag, na beëindiging van de deelneming en na pensionering. 6 Voor weergave van ouderdomspensioen in scenario’s wordt gebruik gemaakt van een navigatiemetafoor die op een herkenbare plek in het pensioenregister is weergegeven. Een navigatiemetafoor bevat ten minste drie pijlen en de volgende bedragen en teksten: a. de op te bouwen pensioenaanspraken en de pensioenrechten bij een pessimistisch scenario, met gebruik van de tekst «Als het tegenzit, ontvangt u minder: € <bedrag>»; b. de op te bouwen pensioenaanspraken en de pensioenrechten bij een verwacht scenario, met gebruik van de tekst «Verwacht eindresultaat: € <bedrag>»; en c. de op te bouwen pensioenaanspraken en de pensioenrechten bij een optimistisch scenario, met gebruik van de tekst «Als het meezit, ontvangt u meer <bedrag>». Artikel 9f Gegevensverstrekking voor keuzebegeleiding 1 Bij toepassing van artikel 51, tweede lid, onderdeel b, van de Pensioenwet dan wel artikel 62, tweede lid, onderdeel b, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling verstrekt het pensioenregister ten behoeve van de keuzebegeleiding aan de aangewezen uitvoerder: a. gegevens over pensioenaanspraken en pensioenrechten, inclusief de verwachte hoogte van het te bereiken pensioen; b. voor zover het ouderdomspensioen betreft, de gegevens over een pessimistisch scenario, een verwacht scenario en een optimistisch scenario; c. gegevens over uitvoerders waarbij pensioen wordt opgebouwd of is opgebouwd; d. gegevens over aanspraken op ouderdomspensioen en rechten op ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet. 2 De gegevens, bedoeld in het eerste lid, kunnen tevens gegevens over een derde zijn, indien dat voor een adequate keuzebegeleiding nodig is en indien die derde daar toestemming voor heeft verleend. Artikel 9g Verwerkingsverantwoordelijken bij keuzebegeleiding Voor de gegevensverwerking in het kader van keuzebegeleiding: a. zijn de Sociale verzekeringsbank en de uitvoerders die via het pensioenregister gegevens verstrekken, gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken voor de verwerking van de door hen verstrekte gegevens via het pensioenregister; b. is de aangewezen uitvoerder, bedoeld in artikel 51, tweede lid, van de Pensioenwet, verwerkingsverantwoordelijke voor: 1°. de verwerking van gegevens die plaatsvindt na verstrekking van de gegevens uit het pensioenregister; 2°. de verwerking van gegevens voor zover het gegevens betreft over pensioenaanspraken en pensioenrechten bij die uitvoerder. Artikel 9h Taakverdeling bij gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid keuzebegeleiding Bij de toepassing van artikel 9g, onderdeel a, dragen de volgende organisaties zorg voor de toepassing van de artikelen 12 tot en met 22, 33 en 34 van de Algemene verordening gegevensbescherming: a. de Sociale verzekeringsbank voor zover het gegevens betreft over aanspraken op ouderdomspensioen en rechten op ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet; b. de uitvoerder voor zover het gegevens betreft met betrekking tot pensioenaanspraken en pensioenrechten die zijn opgebouwd bij die uitvoerder. Artikel 10 Kosten informatieverstrekking De informatie op grond van de artikelen 10c, vierde lid, 21, 38 tot en met 44, 45, 46, eerste en tweede lid, 46a, eerste en tweede lid, 52, 52a, 61a, derde lid, 63b, 134, tweede lid, en 220e, tweede lid, en hoofdstuk 6b, van de Pensioenwet dan wel de artikelen 28c, vierde lid, 48 tot en met 55, 56, 57, eerste en tweede lid, 57a, eerste en tweede lid, 63, 63a, 73a, derde lid, 75b, 129, tweede lid en 214d, tweede lid, en hoofdstuk 5a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt kosteloos verstrekt. Artikel 10.0a Taal informatie De informatie die de pensioenuitvoerder verstrekt of beschikbaar stelt is beschikbaar in de Nederlandse taal. Artikel 10a Informatie over uitvoeringskosten in bestuursverslag 1 De administratieve uitvoeringskosten, bedoeld in artikel 45a, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 56a, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zijn de kosten voor het pensioenbeheer. Hieronder wordt onder meer begrepen de kosten voor: a. het vaststellen en innen van de premie; b. registratie van pensioenaanspraken en pensioenrechten; c. informatieverstrekking aan en communicatie met deelnemers, andere aanspraakgerechtigden, pensioengerechtigden en de werkgever; d. het bestuur; en e. het toezicht door de toezichthouders. 2 De kosten van vermogensbeheer, bedoeld in artikel 45a, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 56a, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zijn de kosten voor het beheer van het belegde vermogen, met uitzondering van de transactiekosten. Onder de kosten van vermogensbeheer wordt onder meer begrepen de kosten voor: a. fiduciair vermogensbeheer; b. bewaarloon; en c. advieskosten. 3 De transactiekosten, bedoeld in artikel 45a, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 56a, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zijn de kosten voor de transacties in vermogenstitels. Hieronder wordt onder meer begrepen de kosten voor: a. aankoop en verkoop van vermogensbestanddelen; b. acquisitie van beleggingen; en c. deelname aan beleggingsfondsen. 4 Kosten die niet kunnen worden toebedeeld aan een van de drie categorieën, bedoeld in het eerste tot en met derde lid, worden over de categorieën, bedoeld in het eerste en tweede lid, verdeeld. Artikel 10b Weergave uitvoeringskosten in bestuursverslag 1 De administratieve uitvoeringskosten, bedoeld in artikel 10a, eerste lid, worden in het bestuursverslag opgenomen als totaalbedrag en als bedrag per deelnemer of pensioengerechtigde. 2 De kosten van vermogensbeheer, bedoeld in artikel 10a, tweede lid, en de transactiekosten, bedoeld in artikel 10a, derde lid, worden in het bestuursverslag opgenomen als totaal bedrag en als percentage van het in het verslagjaar gemiddeld belegde vermogen. Artikel 10ba Informatieverstrekking voorafgaand aan waardeoverdracht pensioendatum 1 De verzekeraar die bereid is op te treden als ontvangend uitvoerder verstrekt een betrokkene die het uit een flexibele premieovereenkomst dan wel flexibele premieregeling of een premie-uitkeringsovereenkomst dan wel premie-uitkeringsregeling voortvloeiende kapitaal op de pensioendatum wenst aan te wenden voor een pensioenuitkering, voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst inzake een pensioenuitkering ten minste de volgende informatie: a. haar statutaire naam, handelsnaam en adres; b. het feit dat zij een verzekeraar is; c. of zij advies verstrekt over pensioenuitkeringen; d. haar interne klachtenprocedure en de erkende geschilleninstantie waarbij zij is aangesloten; en e. de aard van de vergoeding die haar werknemers ontvangen voor het sluiten van de overeenkomst. 2 De verzekeraar verstrekt de informatie in de Nederlandse taal of in elke andere taal die door partijen is overeengekomen. 3 De verzekeraar verstrekt de informatie schriftelijk en kosteloos. De verzekeraar kan na toestemming van de betrokkene, de informatie elektronisch verstrekken, indien dat past in de context waarin zij met de betrokkene zaken doet. De elektronische verstrekking van informatie door de verzekeraar past in de context waarin de verzekeraar met de betrokkene zaken doet, indien is bewezen dat de betrokkene regelmatig toegang heeft tot internet. Het gegeven dat de betrokkene een e-mailadres opgeeft geldt in ieder geval als bewijs hiervan. 4 Indien de informatie elektronisch wordt verstrekt, krijgt de betrokkene op zijn verzoek kosteloos een papieren afschrift. Artikel 10bb Informatieverstrekking over voortzetting dekking partnerpensioen 1 De uitvoerder verstrekt de gewezen deelnemer van wie de dekking voor nabestaandenpensioen is voortgezet op grond van artikel 55, vierde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 66, vierde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling informatie over het keuzerecht om in plaats van ouderdomspensioen te kiezen voor het voortzetten van het partnerpensioen op risicobasis als bedoeld in artikel 61a, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 73a, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling. 2 De informatie, bedoeld in het eerste lid, betreft in ieder geval: a. indien van toepassing: dat de gewezen deelnemer geen gebruik kan maken van het keuzerecht omdat zijn aanspraak op ouderdomspensioen na de uitruil voor het eerste jaar minder zou bedragen dan het op basis van artikel 66 van de Pensioenwet dan wel artikel 78 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling bepaalde bedrag; of b. hoeveel pensioenvermogen of kapitaal wordt uitgeruild bij voortzetting in het eerste jaar en hoeveel pensioenvermogen of kapitaal resteert; c. in voorkomend geval, dat de dekking van het wezenpensioen niet kan worden voortgezet; d. wat de gevolgen zijn als de gewezen deelnemer wel of niet kiest voor voortzetting; en e. de gronden voor beëindiging van de voortzetting, bedoeld in artikel 61a, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 73a, tweede lid, Wet verplichte beroepspensioenregeling. 3 De uitvoerder verstrekt de gewezen deelnemer die gebruik maakt van de mogelijkheid tot voortzetting jaarlijks de volgende informatie: a. indien van toepassing: dat sprake is van beëindiging van de voortzetting op grond van artikel 61a, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 73a, tweede lid, Wet verplichte beroepspensioenregeling; of b. hoeveel pensioenvermogen of kapitaal wordt uitgeruild bij voortzetting in het volgende jaar en hoeveel pensioenvermogen of kapitaal resteert; c. dat de voortzetting wordt gecontinueerd tenzij de gewezen deelnemer meldt de voortzetting te willen beëindigen; en d. wat de gevolgen zijn van voortzetten respectievelijk beëindigen van de voortzetting. 4 Bij de informatie die wordt verstrekt wordt uitgegaan van de situatie op de dag van aanvang van de voortzetting van de dekking dan wel de dag waarop de voortzetting zou worden gecontinueerd. Hoofdstuk 2a Uitvoeringsovereenkomst algemeen pensioenfonds Bepalingen ter uitvoering van artikel 25, derde lid, Pensioenwet en artikel 4a, negende lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling Artikel 10c Kostenregeling in uitvoeringsovereenkomst of uitvoeringsreglement 1 Bij de regeling over de kosten die verband houden met de uitvoering van de pensioenregeling die volgens de uitvoeringsovereenkomst of het uitvoeringsreglement in mindering kunnen worden gebracht of kunnen worden verhaald op een afgescheiden vermogen van een algemeen pensioenfonds of ten laste kunnen worden gebracht van de premie, wordt onderscheid gemaakt tussen: a. administratieve uitvoeringskosten als bedoeld in artikel 10a, eerste lid; b. vermogensbeheerskosten als bedoeld in artikel 10a, tweede lid; c. transactiekosten als bedoeld in artikel 10a, derde lid; en d. kosten, met inbegrip van schulden aan derden, die voortvloeien uit het beheer van het vermogen van de desbetreffende collectiviteitkring. 2 Overige kosten die verband houden met de uitvoering van de pensioenregeling en niet als kosten in de zin van een van de categorieën, bedoeld in het eerste lid, kunnen worden toebedeeld worden volgens een vaste verdeelsleutel over de categorieën, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en b verdeeld. Daarbij worden deze kosten nader gespecificeerd. 3 De wijze waarop de kosten, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden bepaald is volledig en duidelijk gespecificeerd. Artikel 10d Kwaliteit van de dienstverlening In de uitvoeringsovereenkomst met een algemeen pensioenfonds wordt een regeling opgenomen waaruit blijkt welke diensten worden uitgevoerd, onder welke voorwaarden dat gebeurt en waarbij in ieder geval afspraken worden opgenomen over indicatoren met betrekking tot de kwaliteit van dienstverlening. Hoofdstuk 3 Fondsbestuur Bepaling ter uitvoering van artikel 33, tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 42, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling Artikel 11 Waarborging goed bestuur 1 Als principes voor goed pensioenfondsbestuur als bedoeld in artikel 33, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 42, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling worden aangewezen voor fondsen de Code Pensioenfondsen, zoals geformuleerd door de Stichting van de Arbeid en de Pensioenfederatie en voor verzekeraars de Code Rechtstreeks verzekerde regelingen, zoals geformuleerd door de Stichting van de Arbeid en het Verbond van Verzekeraars. Deze laatste code is van overeenkomstige toepassing op premiepensioeninstellingen. De codes, en iedere wijziging daarvan, behoeven de goedkeuring van Onze Minister 2 Een uitvoerder doet in het bestuursverslag mededeling over de naleving van de principes, bedoeld in het eerste lid. Indien een uitvoerder de principes niet heeft nageleefd of niet voornemens is deze in het lopende en daarop volgende boekjaar na te leven, doet hij daarvan in het bestuursverslag gemotiveerd opgave. Hoofdstuk 4 Uitbesteding Bepalingen ter uitvoering van artikel 34, derde lid, van de Pensioenwet en artikel 43, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling Artikel 12 Werkzaamheden die niet mogen worden uitbesteed In aanvulling op artikel 34, tweede lid, van de Pensioenwet en artikel 43, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling besteedt een uitvoerder niet uit, indien: a. door de uitbesteding het operationele risico onnodig toeneemt; b. door de uitbesteding de continuïteit en de toereikendheid van de dienstverlening aan deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden wordt ondermijnd. Artikel 13 Overeenkomst tot uitbesteding 1 Een fonds legt de overeenkomst met de derde waaraan de werkzaamheden worden uitbesteed schriftelijk vast. 2 In de overeenkomst wordt in ieder geval het volgende geregeld: a. welke werkzaamheden worden uitbesteed onder verwijzing, indien mogelijk, naar de administratieve organisatiebeschrijving van het fonds, alsmede de voorwaarden waaronder de uitbesteding plaatsvindt; b. sluitende afspraken in beleggingsmandaten bij uitbesteding van vermogensbeheer; c. de informatie-uitwisseling tussen het fonds en de derde; d. de verplichting voor de derde om informatie waar de toezichthouder ter uitvoering van zijn wettelijke taak om vraagt rechtstreeks aan de toezichthouder ter beschikking te stellen; e. de mogelijkheid voor het fonds om te allen tijde wijzigingen aan te brengen in de wijze waarop de uitvoering van de werkzaamheden door de derde geschiedt; f. de verplichting voor de derde om het fonds in staat te stellen blijvend te voldoen aan het bij of krachtens de Pensioenwet dan wel de Wet verplichte beroepspensioenregeling bepaalde; g. de mogelijkheid voor de toezichthouder om onderzoek ter plaatse te doen of te laten doen bij de derde; h. de wijze waarop de overeenkomst wordt beëindigd, en de wijze waarop wordt gewaarborgd dat het fonds de werkzaamheden na beëindiging van de overeenkomst weer zelf kan uitvoeren of door een andere derde kan laten uitvoeren; en i. de toepasselijkheid van de algemene beginselen van het beloningsbeleid van het fonds op de derde. Artikel 14 Beheersing van de risico’s 1 Een fonds draagt zorg voor een systematische analyse van de risico’s die samenhangen met de uitbesteding van werkzaamheden en legt deze vast. Het fonds maakt de analyse op het niveau van zijn eigen organisatie in zijn geheel en op het niveau van de onderscheiden bedrijfsonderdelen. 2 Een fonds voert een adequaat beleid en beschikt over procedures en maatregelen met betrekking tot de uitbesteding van werkzaamheden, als onderdeel van een beheerste en integere bedrijfsvoering als bedoeld in artikel 143 van de Pensioenwet dan wel artikel 138 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling. 3 Een fonds legt het beleid met betrekking tot de uitbesteding van werkzaamheden schriftelijk vast en draagt zorg voor de uitvoering van dat beleid. Het fonds evalueert het beleid ten minste driejaarlijks en past het beleid na een belangrijke wijziging zo spoedig mogelijk aan. 4 Een fonds hanteert een adequate selectieprocedure voor derden aan wie werkzaamheden worden uitbesteed. Het fonds legt vast op grond van welke afwegingen zij tot de keuze voor een bepaalde derde is gekomen. 5 Een fonds beschikt over toereikende procedures, maatregelen, deskundigheid en informatie om de uitvoering van de uitbestede werkzaamheden te kunnen beoordelen. 6 Een fonds draagt er zorg voor dat de algemene beginselen van het beloningsbeleid van het fonds worden toegepast bij derden waaraan werkzaamheden van het fonds zijn uitbesteed, tenzij de derde valt onder een richtlijn, genoemd in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, van richtlijn 2016/2341/EU. Indien de derde valt onder een richtlijn, genoemd in artikel 2, tweede lid, onderdeel b, van richtlijn 2016/2341/EU heeft het fonds zicht op het beloningsbeleid van de derde aan wie werkzaamheden worden besteed, betrekt het fonds het beloningsbeleid bij de keuze voor de derde waaraan de werkzaamheden worden uitbesteed en maakt zijn beleid dienaangaande openbaar. Artikel 14.0a Kennisgeving uitbesteding 1 Een fonds stelt De Nederlandsche Bank tijdig in kennis van het uitbesteden van werkzaamheden aan een derde. Indien de uitbesteding de risicobeheerfunctie, interne auditfunctie, actuariële functie of het beheer van het pensioenfonds betreft, wordt De Nederlandsche Bank daarvan in kennis gesteld voordat de overeenkomst met de derde waaraan de werkzaamheden worden uitbesteed in werking treedt. 2 Een fonds stelt de Nederlandsche Bank in kennis van belangrijke ontwikkelingen met betrekking tot de uitbestede werkzaamheden. Hoofdstuk 4a Beleggingen en zorgplicht Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 52, zevende lid, en 52a, zesde lid, van de Pensioenwet en de artikelen 63, zevende lid, en 63a, zesde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling Artikel 14a Eisen ten aanzien van beleggingen 1 Bij uitvoering van een premieovereenkomst of premieregeling in de opbouwfase of een variabele uitkering is artikel 13, eerste lid, en derde tot en met achtste lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen van overeenkomstige toepassing voor verzekeraars en premiepensioeninstellingen. 2 De waarden worden door de uitvoerder belegd op een wijze die past bij de aard en duur van de verwachte toekomstige pensioenuitkeringen. 3 Indien de deelnemer of gewezen deelnemer de verantwoordelijkheid voor de beleggingen heeft overgenomen, neemt de uitvoerder het eerste en tweede lid in acht bij het advies, bedoeld in artikel 52, derde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 63, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Artikel 14b Beleggingsbeleid 1 Fondsen stellen voor de langere termijn een strategisch beleggingsbeleid vast dat aansluit op de doelstellingen en beleidsuitgangspunten, waaronder de risicohouding, van het fonds. Verzekeraars en premiepensioeninstellingen stellen voor de langere termijn een strategisch beleggingsbeleid vast dat past bij de doelstellingen van de pensioenregeling of beroepspensioenregeling en de voor de toedelingskring vastgelegde risicohouding. Het strategisch beleggingsbeleid is gebaseerd op gedegen onderzoek. 2 Artikel 13a, tweede tot en met vijfde lid, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen is van overeenkomstige toepassing voor verzekeraars en premiepensioeninstellingen. 3 De uitvoerder die werkt met beleggingsprofielen geeft binnen het strategisch beleggingsbeleid en het beleggingsplan invulling aan die beleggingsprofielen en onderbouwt voor ieder profiel dat het past binnen de prudent person regel. Artikel 14ba Keuze overnemen verantwoordelijkheid beleggingen deelnemer Bij het op grond van artikel 52, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 63, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling aan een deelnemer of gewezen deelnemer bieden van de mogelijkheid om de verantwoordelijkheid voor de beleggingen over te nemen informeert de pensioenuitvoerder de deelnemer of gewezen deelnemer dat, indien de deelnemer of gewezen deelnemer hier niet voor kiest of geen keuze kenbaar maakt, de pensioenuitvoerder verantwoordelijk blijft voor de beleggingen en daarbij handelt overeenkomstig artikel 135 van de Pensioenwet dan wel artikel 130 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Artikel 14c Verantwoordelijkheid beleggingen deelnemer 1 Indien de deelnemer of gewezen deelnemer de verantwoordelijkheid voor de beleggingen heeft overgenomen stelt de uitvoerder op basis van de informatie, bedoeld in artikel 52, zesde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 63, zesde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, het risicoprofiel van de deelnemer of gewezen deelnemer vast en baseert het advies, bedoeld in artikel 52, derde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 63, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, op dit risicoprofiel. 2 Het risicoprofiel van de deelnemer of gewezen deelnemer geeft de mate weer waarin hij beleggingsrisico kan en wil nemen. De uitvoerder toetst het risicoprofiel tenminste iedere vijf jaar, indien een belangrijke gebeurtenis daartoe aanleiding geeft en als de deelnemer of gewezen deelnemer om toetsing vraagt. Indien het nieuwe risicoprofiel daartoe aanleiding geeft adviseert de uitvoerder de deelnemer of gewezen deelnemer over een ander passend beleggingsprofiel. 3 De pensioenuitvoerder informeert de deelnemer of gewezen deelnemer over de voorwaarden die aan de beschikbare beleggingsmogelijkheden zijn verbonden. Artikel 14d Verantwoordelijkheid beleggingen uitvoerder 1 De uitvoerder die verantwoordelijk is voor de beleggingen baseert het strategisch beleggingsbeleid op de risicohouding en toetst jaarlijks op basis van een scenarioanalyse of het beleggingsbeleid of de toedelingsregels passend zijn bij de vastgestelde risicohouding en past het beleggingsbeleid aan indien dat niet het geval is. 2 Het beleggingsbeleid in de opbouwfase van een flexibele premieovereenkomst of premie-uitkeringsovereenkomst dan wel een flexibele premieregeling of premie-uitkeringsregeling wordt door de uitvoerder gebaseerd op een vastgestelde of een variabele uitkering, naar gelang welke uitkeringsvorm in de pensioenovereenkomst of beroepspensioenregeling als standaard is opgenomen. Indien geen standaard uitkeringsvorm is opgenomen wordt het beleggingsbeleid gebaseerd op een vastgestelde uitkering. 3 Zo nodig in afwijking van het tweede lid wordt de uitvoering van het beleggingsbeleid afgestemd op de uitkeringsvorm waarvan is gebleken dat de deelnemer of gewezen deelnemer daarvoor een voorkeur heeft. De uitvoerder vraagt de deelnemer of gewezen deelnemer naar diens voorkeur voor een vastgestelde of variabele uitkering, zodra dit voor de beleggingen relevant is. De uitvoerder verstrekt daarbij de voor de deelnemer of gewezen deelnemer relevante informatie over de gevolgen en risico’s. 4 Bij de uitvoering van het beleggingsbeleid in de uitkeringsfase vergroot de uitvoerder het beleggingsrisico niet tenzij sprake is van een wijziging van de risicohouding of een gewijzigd risicoprofiel dat aanleiding is voor een wijziging van het beleggingsprofiel. 5 Het risicoprofiel van de deelnemer, gewezen deelnemer of pensioengerechtigde geeft de mate weer waarin hij beleggingsrisico kan en wil nemen. De uitvoerder toetst het risicoprofiel tenminste iedere vijf jaar en indien een belangrijke gebeurtenis daartoe aanleiding geeft. 6 Indien een fonds overgaat tot een collectieve waardeoverdracht als bedoeld in artikel 150m van de Pensioenwet dan wel artikel 145l van de Wet verplichte beroepspensioenregeling is het, in afwijking van het eerste lid en artikel 14b, eerste lid, toegestaan dat het fonds het beleggingsbeleid in de periode van 12 maanden na het moment van deze collectieve waardeoverdracht geleidelijk passend maakt bij de vastgestelde risicohouding per leeftijdscohort, mits het fonds vooraf onderbouwt dat deze tijdelijke afwijking in het belang is van de aanspraak- en pensioengerechtigden en noodzakelijk is om het beleggingsbeleid in overeenstemming te brengen met het strategisch beleggingsbeleid. Deze afwijking duurt niet langer dan noodzakelijk. 7 Bij toepassing van het zesde lid kan een fonds gedurende deze periode de vastgestelde toedelingsregels voor het beschermingsrendement voor het renterisico als bedoeld in artikel 10a, vijfde lid, eerste zin, van de Pensioenwet dan wel artikel 28a, vijfde lid, eerste zin, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling zodanig aanpassen dat deze niet op voorhand leiden tot herverdelingseffecten. Het fonds onderbouwt dat de wijze waarop het beschermingsrendement voor het renterisico wordt toebedeeld gedurende deze periode in het belang is van de aanspraak- en pensioengerechtigden en niet op voorhand leidt tot herverdelingseffecten. Artikel 14da Uitzondering op verplichting tot uitvraag voorkeur 1 De verplichting om de voorkeur van een gewezen deelnemer voor een vaste of variabele uitkering uit te vragen, bedoeld in artikel 14d, derde lid, geldt niet indien op basis van de opgebouwde aanspraak op ouderdomspensioen de uitkering van het ouderdomspensioen op jaarbasis op de reguliere ingangsdatum minder zal bedragen dan het op basis van artikel 66 van de Pensioenwet dan wel artikel 78 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling bepaalde bedrag, en voldaan is aan het tweede, derde, vierde of vijfde lid. 2 Indien de deelneming is geëindigd vanaf 1 januari 2018 geldt de verplichting niet, indien de uitvoerder op grond van artikel 70a van de Pensioenwet dan wel artikel 81a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling probeert over te gaan tot waardeoverdracht van de aanspraken van de gewezen deelnemer of dit tenminste vijf maal jaarlijks tevergeefs heeft geprobeerd. 3 Indien de deelneming is geëindigd voor 1 januari 2018 geldt de verplichting niet tot de start van de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 17f, tweede lid, indien de uitvoerder voornemens is voor de aanspraken van de gewezen deelnemer een opgave te vragen als bedoeld in artikel 17f, eerste lid, onderdeel a. 4 Indien de deelneming is geëindigd voor 1 januari 2018 geldt de verplichting niet vanaf de start van de uitvoering van het plan, indien waardeoverdracht van de aanspraken van de gewezen deelnemer is opgenomen in het plan. 5 Het tweede, derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing indien de verwerving van pensioen is geëindigd om andere redenen dan beëindiging van de deelneming. Artikel 14e Inwinnen van informatie door pensioenuitvoerder 1 De informatie, bedoeld in de artikelen 52, zesde lid, en 52a, vijfde lid, van de Pensioenwet dan wel de artikelen 63, zesde lid, en 63a, vijfde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling stelt de uitvoerder in staat om vast te kunnen stellen dat het advies of het beleggingsprofiel: a. voldoet aan de doelstellingen van de deelnemer, gewezen deelnemer of pensioengerechtigde ten aanzien van het pensioen; en b. inhoudt dat de deelnemer, gewezen deelnemer of pensioengerechtigde de met deze doelstellingen samenhangende beleggingsrisico’s financieel kan en wil dragen. 2 De uitvoerder legt vast op welke wijze wordt vastgesteld of het advies of het beleggingsprofiel past bij het risicoprofiel van de deelnemer, gewezen deelnemer of pensioengerechtigde. Hoofdstuk 4b Interne klachtenprocedure Bepalingen ter uitvoering van artikel 48b van de Pensioenwet en artikel 59b van de Wet verplichte beroepspensioenregeling Artikel 14f Definitie klacht en geschil In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: – geschil: een geschil ontstaan na de gehele of gedeeltelijke afwijzing van een klacht over de uitvoering van het pensioenreglement door de uitvoerder of een klacht als bedoeld in artikel 14j, derde lid; – klacht: iedere uiting van ontevredenheid die door een deelnemer, gewezen deelnemer, andere aanspraakgerechtigde of pensioengerechtigde wordt gericht aan een uitvoerder. Artikel 14g Beschrijving klachtenprocedure 1 De uitvoerder stelt een algemene beschrijving van de klachtenprocedure beschikbaar aan de deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden en pensioengerechtigden. 2 De uitvoerder stelt aan alle personen die binnen de organisatie betrokken zijn bij de afhandeling van klachten een beschrijving beschikbaar van de te volgen procedure voor de afhandeling van die klachten. Artikel 14h Klachtenadministratie 1 De uitvoerder beschikt met het oog op een adequate behandeling van klachten over een behoorlijke administratie van klachten, waarin ten minste wordt vastgelegd: a. de naam en het adres van de klager; b. de klacht, met daarbij behorende dagtekening van ontvangst; c. een omschrijving van de klacht; d. een beschrijving van de wijze waarop zij de klacht heeft behandeld; en e. de datum waarop de klacht is afgesloten. 2 De uitvoerder bewaart de gegevens, bedoeld in het eerste lid, gedurende een periode van ten minste zeven jaren na het boekjaar waarin de klacht door haar is afgehandeld. Artikel 14i Doorverwijzing geschilleninstantie De uitvoerder informeert de klager bij een gehele of een gedeeltelijke afwijzing van diens klacht over de uitvoering van het pensioenreglement over de mogelijkheid om dit geschil voor te leggen aan de op grond van artikel 48c van de Pensioenwet dan wel artikel 59c van de Wet verplichte beroepspensioenregeling aangewezen geschilleninstantie waarbij zij is aangesloten, onder vermelding van de adresgegevens en de geldende termijnen. Daarbij wordt tevens vermeld dat een geschil ook direct bij een burgerlijke rechter aanhangig kan worden gemaakt. Artikel 14j Redelijke termijn 1 De uitvoerder draagt er zorg voor dat klachten binnen een redelijke termijn worden afgehandeld. 2 De uitvoerder bevestigt de ontvangst van de klacht en bericht de klager binnen twee weken na ontvangst van de klacht binnen welke termijn de klacht zal worden afgehandeld. 3 De klager kan vanaf tien weken na ontvangst van de ontvangstbevestiging, bedoeld in het tweede lid, of twaalf weken na het indienen van de klacht, de klacht die betrekking heeft op de uitvoering van het pensioenreglement rechtstreeks voorleggen aan de geschilleninstantie waarbij de uitvoerder is aangesloten. 4 Indien de uitvoerder voor de afwikkeling van de klacht nadere informatie nodig heeft van de klager, verzoekt zij deze informatie van de klager en geeft een termijn voor de beantwoording. De termijnen, bedoeld in het derde lid, worden verlengd met de termijn voor beantwoording, of met de termijn waarin de verzochte informatie is ontvangen door de uitvoerder. Artikel 14k Waarborg De uitvoerder voorziet in procedures en maatregelen die waarborgen dat klachten zorgvuldig, verifieerbaar, consistent en binnen de gestelde termijnen worden afgehandeld. Hoofdstuk 4c Geschilleninstantie Bepalingen ter uitvoering van artikel 48c van de Pensioenwet en artikel 59c van de Wet verplichte beroepspensioenregeling Artikel 14l Vereisten geschillenbeslechting 1 De geschilleninstantie voldoet, in aanvulling op de uit de Implementatiewet buitengerechtelijke geschillenbeslechting consumenten voortvloeiende vereisten, aan de volgende vereisten: a. de bij die geschilleninstantie aangesloten uitvoerders vormen een groep van voldoende betekenis en veelsoortigheid of er kan aannemelijk gemaakt worden dat dit op korte termijn na erkenning het geval zal zijn; b. de geschilleninstantie draagt in voldoende mate bij tot het oplossen van geschillen die hun oorsprong vinden in klachten over uitvoering van pensioenregelingen; en c. de geschilleninstantie beschikt over een adequate financieringssystematiek en realiseert een adequate bezettingsgraad. 2 Aan de aanwijzing van een geschilleninstantie kunnen door Onze Minister voorschriften worden verbonden. Artikel 14m Onafhankelijkheid bestuursleden 1 De geschilleninstantie heeft een onafhankelijk en naar behoren samengesteld bestuur. 2 De onafhankelijkheid van het bestuur vereist ten minste dat de leden vanaf de aanvaarding van hun functie en gedurende een jaar voorafgaande aan de aanvaarding van hun functie niet werkzaam zijn of zijn geweest voor of enige functie bekleden of bekleed hebben bij een uitvoerder of een belangenvereniging voor uitvoerders. 3 De bij de benoeming van bestuursleden te volgen procedure is schriftelijk vastgelegd. De procedure wordt ter goedkeuring aan Onze Minister voorgelegd. Artikel 14n Onafhankelijkheid geschilbeslechters 1 De geschilleninstantie draagt er zorg voor dat de met buitengerechtelijke geschillenbeslechting belaste personen vanaf de aanvaarding van hun functie en gedurende een jaar voorafgaande aan de aanvaarding van hun functie niet werkzaam zijn of zijn geweest voor of enige functie bekleden of bekleed hebben bij een uitvoerder of belangenvereniging voor uitvoerders. 2 De bij de benoeming van een persoon, bedoeld in het eerste lid, te volgen procedure is schriftelijk vastgelegd. De procedure behoeft de goedkeuring van Onze Minister. Artikel 14o Reglement 1 De geschilleninstantie beschikt over en handelt in overeenstemming met een reglement voor de behandeling van geschillen dat ten minste omvat: a. een duidelijke omschrijving van de geschillen die ter behandeling aan de geschilleninstantie kunnen worden voorgelegd; b. regels met betrekking tot het aanhangig maken van een geschil en een duidelijke omschrijving van de partijen die een geschil aanhangig kunnen maken; c. regels met betrekking tot wraking van een met buitengerechtelijke geschillenbeslechting belaste persoon, op grond van feiten of omstandigheden die een onpartijdig of onafhankelijk oordeel van die persoon zouden bemoeilijken; d. regels met betrekking tot de behandeling van een geschil door de geschilleninstantie waaronder de toepasselijke behandeltermijnen; e. regels met betrekking tot het op voet van gelijkheid bieden van gelegenheid aan partijen om mondeling en schriftelijk, desgewenst met bijstand van derden, hun mening aan de geschilleninstantie kenbaar te maken; f. regels met betrekking tot de voorwaarden waaronder een deskundige kan worden verzocht een advies uit te brengen; g. regels met betrekking tot de voorwaarden waaronder getuigen en deskundigen kunnen worden gehoord, dan wel inlichtingen van hen kunnen worden ingewonnen; h. regels met betrekking tot de mogelijkheid voor partijen om van alle door hen naar voren gebrachte feiten en stellingen, alsmede van verklaringen van getuigen en deskundigen, over en weer kennis te nemen en daarop te reageren; i. regels met betrekking tot de voorwaarden waaronder een geschil door middel van een verkorte schriftelijke procedure of een voorlopig oordeel kan worden afgedaan; j. regels op grond waarvan de geschilleninstantie haar beslissingen baseert; k. regels met betrekking tot de mogelijkheid dat de beslechting van een geschil resulteert in een niet-bindend advies; l. regels met betrekking tot een bindend advies, waarbij een uitvoerder bij de aansluiting bij de geschilleninstantie instemt met bindend advies en waarbij de beslechting van een geschil resulteert in een bindend advies, tenzij de deelnemer, gewezen deelnemer, andere aanspraakgerechtigde of pensioengerechtigde bij het aanhangig maken van het geschil daar uitdrukkelijk niet mee instemt; m. regels met betrekking tot de vaststelling van de hoogte van het bedrag dat, zo dit verschuldigd is, bij het aanhangig maken van het geschil dient te worden voldaan; n. regels met betrekking tot de mogelijkheid om partijen in de kosten van de behandeling van een geschil te veroordelen en vaststelling van een hierbij geldend maximumbedrag; o. regels met betrekking tot de vorm, inhoud en bekendmaking van de uitkomst van het advies, bedoeld in de onderdelen k en l, waarbij in ieder geval is bepaald dat deze uitkomst, met redenen omkleed, ondertekend en schriftelijk of elektronisch aan partijen wordt medegedeeld; en p. indien beroep tegen een uitspraak mogelijk is: regels met betrekking tot het mededelen van de mogelijkheid van beroep, de wijze en termijn van het instellen, alsmede de behandeling van dit beroep. 2 De geschilleninstantie houdt het reglement, bedoeld in het eerste lid, beschikbaar en verstrekt het kosteloos op verzoek aan iedere belanghebbende. Artikel 14p Instemming Minister Het reglement, de samenstelling van het bestuur en de voorzitters van organen belast met buitengerechtelijke geschillenbeslechting behoeven de goedkeuring van Onze Minister. Een geschilleninstantie kan voorgenomen wijzigingen in de samenstelling van het bestuur, de voorzitters van organen belast met buitengerechtelijke geschillenbeslechting of het reglement, bedoeld in artikel 14o, niet doorvoeren dan na instemming van Onze Minister. Artikel 14q Aansluiting uitvoerders Een erkende geschilleninstantie stelt aan een uitvoerder die zich bij haar wil aansluiten niet als voorwaarde voor aansluiting dat de uitvoerder andere regels naleeft dan die welke betrekking hebben op het aanhangig maken van een geschil bij de geschilleninstantie of de verdere behandeling van een geschil door de geschilleninstantie. Artikel 14r Publicatie bindende adviezen Een geschilleninstantie publiceert de bindende adviezen, bedoeld in artikel 14o, eerste lid, onderdeel l, en houdt deze elektronisch beschikbaar en algemeen toegankelijk. Artikel 14s Rapportage 1 Een geschilleninstantie verstrekt aan Onze Minister jaarlijks voor 1 juli een opgave van de in het afgelopen kalenderjaar bij de geschilleninstantie aangesloten uitvoerders. 2 Een geschilleninstantie verstrekt aan Onze Minister op diens verzoek de gegevens en inlichtingen die Onze Minister nodig heeft voor de uitoefening van diens in dit hoofdstuk omschreven taken. 3 Een geschilleninstantie verstrekt de toezichthouders de gegevens en inlichtingen die zij nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. 4 Een geschilleninstantie stelt jaarlijks een begroting op en zendt deze voor 1 december van het aan het begrotingsjaar voorafgaande jaar ter instemming aan Onze Minister. 5 Een geschilleninstantie stelt jaarlijks een bestuursverslag en een jaarrekening op. De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring omtrent de getrouwheid, afgegeven door een door de geschilleninstantie aangewezen accountant. 6 Een geschilleninstantie zendt de jaarrekening voor 1 mei van het op het boekjaar volgende jaar ter instemming aan Onze Minister. Hoofdstuk 4d Risicohouding Bepalingen ter uitvoering van artikel 52b van de Pensioenwet en artikel 63b van de Wet verplichte beroepspensioenregeling Artikel 14t Risicohouding 1 De uitvoerder die verantwoordelijk is voor de beleggingen legt de risicohouding vast waarop het beleggingsbeleid of de toedelingsregels zijn gebaseerd. De risicohouding wordt per leeftijdscohort vastgelegd. 2 Een fonds stelt de risicohouding vast na overleg met de organen van het fonds. Een verzekeraar of premiepensioeninstelling streeft ernaar van de deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden of hun vertegenwoordigers zo veel mogelijk duidelijkheid te krijgen over hun doelstellingen en risicohouding. 3 Het vaststellen van de risicohouding wordt gebaseerd op in ieder geval de uitkomsten van het risicopreferentie-onderzoek, deelnemerskenmerken en wetenschappelijke inzichten. De uitvoerder onderbouwt hoe en in welke mate deze elementen hebben bijgedragen aan de risicohouding. 4 Bij het vaststellen van de risicohouding en het beleggingsbeleid voor deelnemers of gewezen deelnemers wordt voor ieder leeftijdscohort rekening gehouden met de duur van de periode tot aan de pensioendatum, waarbij het beleggingsrisico kleiner wordt naarmate de pensioendatum nadert. 5 Een leeftijdscohort heeft een maximale omvang van vijf geboortejaren. In afwijking hiervan kan een leeftijdscohort betrekking hebben op een groter aantal geboortejaren indien de uitvoerder op basis van het risicopreferentie-onderzoek, de deelnemerskenmerken en wetenschappelijke inzichten onderbouwt dat dit in het belang is van de deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden of pensioengerechtigden. 6 De vaststelling en toetsing van de risicohouding vindt plaats in vier fasen: a. het risicopreferentie-onderzoek; b. de weging van de informatie uit de bronnen risicopreferentie-onderzoek, deelnemerskenmerken en wetenschappelijke inzichten om tot vaststelling van de risicohouding te komen; c. de vormgeving van het beleggingsbeleid of toedelingsregels op basis van de vastgestelde risicohouding door een ALM analyse; en d. jaarlijkse toetsing op basis van een scenario-analyse of het beleggingsbeleid of de toedelingsregels passend zijn bij de vastgestelde risicohouding en aanpassing van het beleggingsbeleid of de toedelingsregels indien dat niet het geval is. Artikel 14u Maatstaven risicohouding 1 De vastgestelde risicohouding per leeftijdscohort wordt vertaald naar de volgende maatstaven waarvoor gebruik wordt gemaakt van een scenario-analyse: a. de risicomaatstaf: de maximaal aanvaardbare afwijking van de, naar overlevingskans gewogen, gemiddelde over de uitkeringsjaren reële pensioenuitkeringen in een pessimistisch scenario ten opzichte van de, naar overlevingskans gewogen, gemiddelde reële pensioenuitkeringen in een mediaan scenario waarbij het in de opbouwfase gaat om een gewogen gemiddelde van alle ouderdomspensioenuitkeringen in de uitkeringsfase en in de uitkeringsfase om de afwijking van ouderdomspensioenuitkeringen van jaar op jaar; b. de verwachtingsmaatstaf: de minimale verwachting voor de, naar overlevingskans gewogen, gemiddelde over de uitkeringsjaren reële pensioenuitkeringen in een mediaan scenario ten opzichte van de, naar overlevingskans gewogen, gemiddelde reële pensioenuitkeringen in een mediaan scenario op basis van een hypothetisch geheel risicomijdend beleggingsbeleid waarbij de verwachte uitkeringsstroom het inflatierisico door middel van reële obligaties afdekt binnen de uniforme scenariosets, bedoeld in artikel 23b van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen; en c. de lange termijn risicomaatstaf in de uitkeringsfase: bij mechanismen die risico naar de toekomst verplaatsen, zoals een aangepast projectierendement of spreiding van schokken, de maximaal aanvaardbare afwijking van de, naar overlevingskans gewogen, gemiddelde over de uitkeringsjaren reële pensioenuitkeringen in een pessimistisch scenario ten opzichte van de, naar overlevingskans gewogen, gemiddelde reële pensioenuitkeringen in een mediaan scenario, waarbij het in de teller en de noemer van de maatstaf gaat om een gewogen gemiddelde van alle resterende reële ouderdomspensioenuitkeringen in de uitkeringsfase. 2 Voor zover fondsen een beëindigde uitkeringsovereenkomst, zoals gedefinieerd in artikel 1 van de Pensioenwet dan wel een beëindigde uitkeringsregeling, zoals gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, zoals die artikelen luidden op de dag voor de datum van inwerkingtreding van de Wet toekomst pensioenen, of vastgestelde uitkeringen uitvoeren voldoet de risicohouding aan de prudent person regel en komt deze voor de lange termijn tot uitdrukking in de door het fonds gekozen ondergrenzen in het kader van de haalbaarheidstoets en voor de korte termijn in de hoogte van het vereist eigen vermogen of een bandbreedte hiervoor. 3 Onze Minister stelt regels voor de vaststelling van de maatstaven. Artikel 14v Risicopreferentie-onderzoek 1 Het risicopreferentie-onderzoek onderzoekt de mate waarin een groep deelnemers, gewezen deelnemers of pensioengerechtigden bereid is beleggingsrisico’s te lopen met het oog op hun doelstellingen. Hierbij zal tenminste de mate van relatieve risicoaversie van deze groep worden afgeleid uit het onderzoek. Bij de vaststelling van de uitvraag voor het risicopreferentie-onderzoek wordt rekening gehouden met de mate waarin deze groep beleggingsrisico’s kan dragen gegeven de kenmerken van de groep, op basis van onder meer deelnemerskenmerken en wetenschappelijke inzichten. De uitkomsten van het onderzoek zijn bruikbaar voor het vaststellen van de risicohouding op cohortniveau. 2 Het risicopreferentie-onderzoek sluit aan bij de pensioencontext en de persoonlijke situatie van deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden en geeft in de uitvraag een realistisch beeld van de hoogte van de te verwachte pensioenuitkering en de te verwachten zekerheid van de pensioenuitkering. Hiervoor wordt een realistische inschatting van de hoogte van de pensioenpremie gebruikt. 3 De inrichting van het risicopreferentie-onderzoek is zodanig dat naar verwachting voor ieder cohort voldoende representatieve individuele uitkomsten opgehaald worden. De grootte van ieder cohort moet onderbouwd worden op grond van de uitkomsten van het onderzoek. 4 De uitvoerder streeft ernaar dat de respons per cohort een adequate weerspiegeling is van de cohortpopulatie. De cohortpopulaties samen zijn een weerspiegeling van de deelnemerspopulatie. De uitvoerder onderbouwt dat sprake is van een adequate weerspiegeling en dat de vertaling van individuele uitkomsten naar cohortniveau zo representatief als mogelijk zijn. 5 Het risicopreferentie-onderzoek levert een zo objectief mogelijk, controleerbaar, systematisch, reproduceerbaar en kwantitatief interpreteerbare uitkomst op. Hoofdstuk 5 Uitruil, afkoop en gelijke behandeling Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 60, tiende lid, 61, vijfde lid, 61a, vijfde lid, 62, vierde lid, 66, negende lid, en 69, zesde lid, van de Pensioenwet, de artikelen 72, tiende lid, 73, vijfde lid, 73a, vijfde lid, 74, vierde lid, 78, negende lid, en 80a, zesde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling en artikel 12c, derde lid, van de Wet gelijke behandeling mannen en vrouwen Artikel 15 Ruilvoet en opbouwkeuzevoet 1 Per geboden keuzemogelijkheid als bedoeld in artikel 60, 61, 61a of 62 van de Pensioenwet dan wel artikel 72, 73, 73a, of 74 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt door de pensioenuitvoerder voor een door hem te bepalen periode voor alle deelnemers en gewezen deelnemers dezelfde ruilvoet of opbouwkeuzevoet vastgesteld. 2 De ruilvoet en opbouwkeuzevoet worden zodanig vastgesteld dat sprake is van collectieve actuariële gelijkwaardigheid als bedoeld in de artikelen 60, vijfde lid, 61, vierde lid, en 62, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 72, vijfde lid, 73, vierde lid en 74, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling. 3 In afwijking van het eerste lid kan aan een gewezen deelnemer de ruilvoet worden toegekend, die geldt op de dag van beëindiging van de deelneming. Artikel 16 Afkoop kleine pensioenen en afkoop bovenmatig pensioen 1 De afkoopwaarde, bedoeld in de artikelen 66 en 69 van de Pensioenwet dan wel bedoeld in de artikelen 78 en 80a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt door de pensioenuitvoerder vastgesteld door middel van een afkoopvoet. 2 Er wordt dezelfde afkoopvoet vastgesteld voor een door de pensioenuitvoerder vast te stellen periode voor alle deelnemers en gewezen deelnemers. 3 De afkoopvoet wordt zodanig vastgesteld dat er sprake is van collectieve actuariële gelijkwaardigheid. Artikel 17 Gelijke behandeling bij pensioenovereenkomsten met onbepaalde verhouding tussen pensioensoorten Indien met de werkgever niet uitdrukkelijk een bepaalde verhouding tussen verschillende pensioensoorten is overeengekomen wordt de beschikbaar gestelde premie of de aanspraak op kapitaal, bedoeld in artikel 12c, tweede lid, van de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen zodanig vastgesteld dat, ervan uitgaande dat slechts ouderdomspensioen is toegezegd, het in te kopen pensioen naar het inzicht op het tijdstip van vaststelling van die bijdrage voor mannen en vrouwen gelijk is. Hoofdstuk 5a Variabele uitkeringen Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 63a, negende lid, van de Pensioenwet en 75a, negende lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling Artikel 17a Vaste daling of toepassing projectierendement 1 Bij toepassing van een periodieke vaste daling van de uitkering als bedoeld in artikel 63a, tweede lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 75a, tweede lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling wordt de uitkeringshoogte vastgesteld door te rekenen met een periodieke vaste daling van de uitkering die niet meer bedraagt dan 35% van het verschil tussen de risicovrije rente en de parameter voor aandelenrendement en niet meer dan consistent is met de risicohouding en het beleggingsbeleid. De waarde van de met de risicovrije rente contant gemaakte kasstromen is gelijk aan het pensioenkapitaal op pensioendatum. 2 Voor het vaststellen van de maximale hoogte van de periodieke vaste daling als bedoeld in het eerste lid kan de risicovrije rentecurve worden omgerekend tot één rentepercentage door middel van een duratie benadering. 3 De uitvoerder legt vast of en zo ja op welke wijze een periodieke vaste daling wordt toegepast. 4 Het projectierendement, bedoeld in artikel 63a, derde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 75a, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling kan na de ingangsdatum van het pensioen wijzigen indien dit het gevolg is van wijziging van de parameter voor aandelenrendement, de risicovrije rente, de prijsinflatie of de risicohouding. Artikel 17b Risicovrije rente, parameter aandelenrendement en prijsinflatie 1 De risicovrije rente, bedoeld in artikel 63a, tweede, derde, zesde en zevende lid, van de Pensioenwet, artikel 75a, tweede, derde, zesde en zevende lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, en de artikelen 1ca, 1d en 17a, eerste en vierde lid, is de risicovrije rente voor fondsen. 2 De parameter voor aandelenrendement, bedoeld in artikel 63a, tweede en derde lid, van de Pensioenwet, artikel 75a, tweede en derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, en artikel 17a, eerste en vierde lid, is gelijk aan de parameter, bedoeld in artikel 23a, eerste lid, onderdeel b, van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen. 3 De prijsinflatie, bedoeld in artikel 17a, vierde lid, is gebaseerd op zoveel mogelijk objectieve marktinformatie. Artikel 17c Collectief toedelingsmechanisme Vervallen Artikel 17d Parameter aandelenrendement Vervallen Hoofdstuk 6 Waardeoverdracht Paragraaf 6.1 Waardeoverdracht klein pensioen Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 70a, zevende lid, en 220b, vierde lid, onderdeel a, van de Pensioenwet en de artikelen 81a, zevende lid, en 214a, vierde lid, onderdeel a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling Artikel 17e Waardeoverdracht nieuw klein pensioen 1 De overdragende uitvoerder die gebruikmaakt van het recht op waardeoverdracht van een kleine pensioenaanspraak, bedoeld in artikel 70a van de Pensioenwet dan wel artikel 81a van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, vraagt binnen een jaar nadat de deelneming van de deelnemer is beëindigd bij het pensioenregister een opgave van de uitvoerder bij wie de aanspraakgerechtigde pensioenaanspraken verwerft, tenzij de uitvoerder aantoont dat aan uitvraag binnen deze termijn redelijkerwijs niet kan worden voldaan. 2 De overdragende uitvoerder herhaalt het verzoek om een opgave ten minste jaarlijks zolang de waardeoverdracht van de kleine pensioenaanspraak niet heeft plaatsgevonden. De uitvoerder registreert de verzoeken en registreert of deze tot een waardeoverdracht hebben geleid. 3 Het pensioenregister meldt de overdragende uitvoerder zo spoedig mogelijk of, en zo ja bij welke uitvoerder, de aanspraakgerechtigde pensioenaanspraken verwerft en wat zijn klantherkenningsnummer bij deze uitvoerder is. 4 De overdragende uitvoerder betaalt binnen tien werkdagen na de melding dat de aanspraakgerechtigde bij een uitvoerder pensioenaanspraken verwerft, de overdrachtswaarde aan de ontvangende uitvoerder. De overdragende uitvoerder verstrekt daarbij het klantherkenningsnummer en de geboortedatum van de aanspraakgerechtigde en andere relevante gegevens aan de ontvangende uitvoerder. 5 De ontvangende uitvoerder wendt de overdrachtswaarde binnen een maand aan voor pensioenaanspraken en informeert de deelnemer daarna binnen tien werkdagen over de waardeoverdracht en de verworven pensioenaanspraken. 6 De artikelen 25 tot en met 28 zijn van overeenkomstige toepassing op de waardeoverdracht van een kleine pensioenaanspraak met dien verstande dat als overdrachtsdatum wordt aangemerkt de datum waarop de overdragende uitvoerder de overdrachtswaarde aan de ontvangende uitvoerder betaalt. 7 De overdragende uitvoerder verstrekt de aanspraakgerechtigde op verzoek binnen twee weken een opgave van de berekening van de overdrachtswaarde. Artikel 17f Waardeoverdracht bestaand klein pensioen 1 De voorwaarden, bedoeld in artikel 220b, vierde lid, onderdeel a, van de Pensioenwet dan wel artikel 214a, vierde lid, onderdeel a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling zijn als volgt: a. de uitvoerder die gebruik wil maken van het recht op waardeoverdracht vraagt binnen zes maanden na 1 januari 2020 bij het pensioenregister een opgave van de uitvoerders bij wie de aanspraakgerechtigden, waarvoor de uitvoerder gebruik wil maken van het recht op waardeoverdracht, pensioenaanspraken verwerven; b. de uitvoerder handelt bij de waardeoverdracht conform het plan, bedoeld in het tweede lid; en c. de uitvoerder informeert de betreffende aanspraakgerechtigden over de voorgenomen waardeoverdracht. 2 De uitvoerders maken, in overleg met de Stichting Pensioenregister, een plan voor een gefaseerde uitvoering van de waardeoverdracht voor de in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde gevallen, waarbij rekening wordt gehouden met de capaciteit van het pensioenregister en de belangen van de overdragende en ontvangende uitvoerders. Op voordracht van de uitvoerders en de Stichting Pensioenregister, en na advies van de toezichthouders, stelt Onze Minister het plan vast. Het plan wordt bekend gemaakt in de Staatscourant. 3 De overdragende uitvoerder die de opgave, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, heeft gevraagd, vraagt op het moment dat dit is opgenomen in het plan, bedoeld in het tweede lid, bij het pensioenregister een opgave van de uitvoerder bij wie de aanspraakgerechtigde pensioenaanspraken verwerft. Artikel 17e, derde tot en met zevende lid, is van toepassing. Paragraaf 6.2 Individuele waardeoverdracht Bepalingen ter uitvoering van de artikelen 71, zevende lid, 72a, eerste lid, en 76, zevende lid, van de Pensioenwet en de artikelen 82, zevende lid, en 83a, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling Artikel 17g Overgangsrecht termijn verzoek opgave pensioenaanspraken 1 De deelnemer wiens verwerving van pensioenaanspraken in de door de ontvangende uitvoerder uitgevoerde pensioenregeling voor 1 januari 2015 een aanvang heeft genomen, vraagt een opgave als bedoeld in artikel 71, derde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 82, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling binnen zes maanden na aanvang van de verwerving. 2 Indien op grond van artikel 74, eerste lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 85, eerste lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, de plichten van de overdragende en de ontvangende uitvoerder, bedoeld in artikel 71 van de Pensioenwet dan wel artikel 82 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, herleven, wordt de in het eerste lid omschreven verplichting van de deelnemer om binnen zes maanden een opgave te vragen verlengd tot zes maanden na die herleving. Artikel 18 Verzoek opgave informatie aan overdragende uitvoerder 1 De ontvangende uitvoerder vraagt binnen één maand nadat de deelnemer een opgave heeft gevraagd als bedoeld in artikel 71, derde lid, van de Pensioenwet dan wel artikel 82, derde lid, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling van zijn pensioenaanspraken, aan de overdragende uitvoerder een opgave per de overdrachtsdatum van de overdrachtswaarde en de daaraan ten grondslag liggende gegevens, waaronder: a. de pensioenaanspraken waarop de overdrachtswaarde is gebaseerd; b. de toeslagverlening; c. geslacht, geboortedatum en pensioendatum; en d. alle overige informatie die van belang is voor de uitvoering van de waardeoverdracht. Bij de informatie over toeslagverlening is artikel 4, tweede lid van overeenkomstige toepassing. 2 Indien de overdragende uitvoerder een premieovereenkomst of premieregeling uitvoert waarbij de premie wordt belegd, geldt de opgave als een voorlopige opgave en is het eerste lid, onderdelen a en b, niet van toepassing. Artikel 19 Opgave informatie aan de uitvoerder De overdragende uitvoerder verstrekt de opgave of de voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, binnen twee maanden na ontvangst van het daartoe strekkende verzoek aan de ontvangende uitvoerder. Indien toepassing is gegeven aan artikel 19a of artikel 19b wordt de termijn, bedoeld in dit artikel, met twee maanden verlengd. Artikel 19a Tijdelijke regeling aanvullende bijdragen bij aanvang verwerving voor 2015 1 De in artikel 71 van de Pensioenwet dan wel artikel 82 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling genoemde plicht tot waardeoverdracht geldt niet indien een aanvullende bijdrage van de oude of nieuwe werkgever noodzakelijk is en voldaan is aan de volgende voorwaarden: a. de aanvullende bijdrage bedraagt meer dan € 15.000,– en meer dan 10% van de overdrachtswaarde; en b. de betreffende werkgever is een kleine werkgever. 2 Een kleine werkgever als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is een werkgever te wiens laste, in het tweede kalenderjaar dat aan het kalenderjaar waarin de in het derde lid bedoelde situatie wordt vastgesteld vooraf is gegaan, een premieplichtig loon als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit Wfsv, is gekomen dat gelijk is aan of minder bedraagt dan 25 maal het door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vastgestelde gemiddelde premieplichtige loon per werknemer in dat kalenderjaar. 3 Indien de overdragende pensioenuitvoerder bij vaststelling van de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18 of de ontvangende pensioenuitvoerder na ontvangst van de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, vaststelt dat een aanvullende bijdrage van de oude of nieuwe werkgever noodzakelijk is die meer bedraagt dan € 15.000,– en meer dan 10% van de overdrachtswaarde, stelt hij de betreffende werkgever in de gelegenheid om binnen een maand na ontvangst van het daartoe strekkende verzoek aan te tonen dat de werkgever een kleine werkgever is als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b. Tevens wordt de betreffende werkgever gevraagd of hij, indien hij een kleine werkgever is, bereid is de aanvullende bijdrage te betalen. De overdragende pensioenuitvoerder informeert de ontvangende pensioenuitvoerder terstond na afloop van de gegeven termijn over hetgeen van de oude werkgever is vernomen. 4 Indien de werkgever niet binnen de gegeven termijn aantoont een kleine werkgever te zijn als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt aangenomen dat hij geen kleine werkgever is. 5 Indien op grond van de voorgaande leden de plicht tot waardeoverdracht niet geldt en de werkgever niet bereid is de aanvullende bijdragen te betalen, informeert de ontvangende pensioenuitvoerder de deelnemer hierover schriftelijk. 6 Dit artikel is uitsluitend van toepassing indien de verwerving van pensioenaanspraken door de deelnemer in de door de ontvangende uitvoerder uitgevoerde pensioenregeling voor 1 januari 2015 een aanvang heeft genomen. Artikel 19b Tijdelijke regeling aanvullende bijdragen bij aanvang verwerving vanaf 2015 1 De in artikel 71 van de Pensioenwet dan wel artikel 82 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling genoemde plicht tot waardeoverdracht geldt niet indien een aanvullende bijdrage van de oude of nieuwe werkgever noodzakelijk is en de aanvullende bijdrage meer bedraagt dan € 15.000,– en meer dan 10% van de overdrachtswaarde. 2 Indien de overdragende uitvoerder bij vaststelling van de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, of de ontvangende uitvoerder na ontvangst van de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, vaststelt dat een aanvullende bijdrage van de oude of nieuwe werkgever noodzakelijk is die meer bedraagt dan € 15.000,– en meer dan 10% van de overdrachtswaarde, wordt de betreffende werkgever gevraagd binnen een maand na ontvangst van het verzoek aan te geven of hij bereid is de aanvullende bijdrage te betalen. De overdragende uitvoerder informeert de ontvangende uitvoerder terstond na afloop van de gegeven termijn over hetgeen van de oude werkgever is vernomen. 3 Indien de werkgever niet binnen de gegeven termijn aangeeft bereid te zijn de aanvullende bijdragen te betalen, wordt aangenomen dat hij hiertoe niet bereid is. 4 Indien op grond van de voorgaande leden de plicht tot waardeoverdracht niet geldt en de werkgever niet bereid is de aanvullende bijdragen te betalen, informeert de ontvangende uitvoerder de deelnemer hierover schriftelijk. 5 Dit artikel is uitsluitend van toepassing indien de verwerving van pensioenaanspraken door de deelnemer in de door de ontvangende uitvoerder uitgevoerde pensioenregeling vanaf 1 januari 2015 een aanvang heeft genomen. Artikel 20 Opgave informatie aan de rechthebbende De ontvangende uitvoerder verstrekt de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, binnen twee maanden na ontvangst aan de deelnemer onder vermelding van de aanspraken die zullen voortvloeien uit de waardeoverdracht en de wijze waarop de aanspraken in de pensioenregeling, ondergebracht bij de ontvangende uitvoerder, zullen worden behandeld. Bij de informatie over toeslagverlening is artikel 4, tweede lid van overeenkomstige toepassing. Indien toepassing is gegeven aan artikel 19a of artikel 19b wordt de termijn, bedoeld in dit artikel, met twee maanden verlengd. Artikel 21 Verzoek tot waardeoverdracht 1 Indien de deelnemer gebruik wil maken van zijn recht op waardeoverdracht, dient hij binnen twee maanden na ontvangst van de opgave of voorlopige opgave, bedoeld in artikel 18, en, indien van toepassing, artikel 22, een verzoek tot waardeoverdracht in bij de ontvangende uitvoerder. 2 Pensioenaanspraken die door de rechthebbende zijn verkregen op grond van de FVP-bijdrage worden geacht inbegrepen te zijn in het verzoek, bedoeld in het eerste lid. 3 Indien de partner die begunstigde is voor het partnerpensioen niet instemt met het verzoek tot waardeoverdracht met betrekking tot het partnerpensioen, is artikel 58 van de Pensioenwet dan wel artikel 69 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling van overeenkomstige toepassing. Artikel 22 Verzoek opgave informatie aan ontvangende uitvoerder De deelnemer kan voor het einde van de termijn genoemd in artikel 21, eerste lid, verzoeken om een aanvullende opgave voor het geval de waarde van het partnerpensioen niet wordt overgedragen. De termijnen, genoemd in de artikelen 18 tot en met 21, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 23 Afhandeling waardeoverdracht 1 De ontvangende uitvoerder stelt de overdragende uitvoerder terstond in kennis van de ontvangst van het verzoek tot waardeoverdracht. 2 Het risico dat betrekking heeft op de over te dragen aanspraken, komt met ingang van de datum van het verzoek van de rechthebbende, bedoeld in artikel 21, eerste lid, voor rekening van de ontvangende uitvoerder. 3 De overdrachtswaarde wordt binnen vijftien werkdagen na ontvangst van het verzoek tot waardeoverdracht door de overdragende uitvoerder aan de ontvangende uitvoerder betaald. 4 De overdragende uitvoerder is rente verschuldigd aan de ontvangende uitvoerder over de overdrachtswaarde over de periode tussen de overdrachtsdatum en de datum waarop de overdrachtswaarde wordt betaald, tenzij het de waardeoverdracht betreft van een premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt belegd naar een andere premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt belegd. Bij overdracht van een premieovereenkomst of premieregeling waarbij de premie wordt belegd naar een kapitaal- of uitkeringsovereenkomst of een kapitaal- of uitkeringsregeling wordt de rente geacht in de overdrachtswaarde begrepen te zijn. Onze Minister stelt regels over de berekening van de rente. Artikel 23a Opschorting plicht tot waardeoverdracht 1 De vaststelling door fondsen of de plicht tot waardeoverdracht, bedoeld in de artikelen 71 en 76 van de Pensioenwet of artikel 82 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling, wordt opgeschort vanwege de in artikel 72, onderdeel a, van de Pensioenwet of artikel 83, onderdeel a, van de Wet verplichte beroepspensioenregeling omschreven situatie, vindt plaats per de eerste dag van iedere kalendermaand aan de hand van de beleidsdekkingsgraad op de laatste dag van de voorafgaande kalendermaand. 2 Indien de plicht tot waardeoverdracht is opgeschort vanwege de in artikel 72 van de Pensioenwet of artikel 83 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling omschreven situatie na de datum waarop de ontvangende uitvoerder de gegevens, bedoeld in artikel 20, aan de deelnemer heeft verstrekt, verhindert de opschorting de verdere afhandeling van deze waardeoverdracht niet. 3 Indien de plicht tot waardeoverdracht is opgeschort vanwege de in artikel 72 van de Pensioenwet of artikel 83 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling omschreven situatie informeert de ontvangende uitvoerder de deelnemer die een opgave heeft gevraagd van zijn pensioenaanspraken als bedoeld in artikel 18 schriftelijk over de opschorting van de plicht tot waardeoverdracht en de gevolgen daarvan. 4 De plicht tot waardeoverdracht herleeft zodra de ontvangende en de overdragende uitvoerder niet langer in de in artikel 72 van de Pensioenwet of artikel 83 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling omschreven situatie verkeren. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing. 5 Als de plicht tot waardeoverdracht na een periode van opschorting vanwege de in artikel 72 van de Pensioenwet of artikel 83 van de Wet verplichte beroepspensioenregeling omschreven situatie herleeft, geldt het volgende: a. indien de datum waarop de deel

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.