WelstandsnotaVOORWOORD EN INLEIDING VOORWOORD In de nieuwe Woningwet is onderkend dat welstandszorg als middel tot sturing van de ruimtelijke kwaliteit wenselijk is. Tegelijkertijd is ook geconstateerd dat er kritiek is op de wijze waarop de welstandszorg tot nu toe wordt uitgeoefend. De werkwijze van de commissie om, in beslotenheid en zonder vooraf geformuleerde criteria, ad -viezen uit te brengen met verstrekkende gevolgen voor de burger, is achterhaald. Tegen deze achtergrond heeft de rijksoverheid in de nieuwe Woningwet voorstellen opgenomen om de welstandsadvisering te vermaatschappelijken en te baseren op vooraf geformuleerde criteria. Aan de gemeenten de taak om deze criteria voor de welstandsbeoordeling vast te stellen. Het doet mij genoegen u de welstandsnota voor de gemeente Alphen-Chaam te kunnen voorleggen. WAT BEOOGT DE GEMEENTE MET DE WELSTANDSNOTA? Iedereen die binnen onze gemeente rondkijkt zal zo zijn of haar oordeel hebben over mooi en lelijk; dat blijft een persoonlijke zaak. Toch valt op twee aspecten winst te behalen als het gaat om de gebouwde omgeving, en wel op het gebied van de kwaliteit van het woonmilieu en de verbetering van het inzicht in de beoordeling van bouwplannen. Met de nota wordt getracht om met zo min mogelijk eisen, waarmee toch de kwaliteit van de gebouwde omgeving kan worden bewaakt, zo -veel mogelijk eenduidigheid richting de burger te bieden alsmede rechtsgelijkheid. Gekozen is voor een gebiedsgerichte aanpak, waarbij gebieden die duidelijk meer aandacht nodig hebben gezien bestaande waarden (zoals historische dorpskernen en landgoederen), ook aan hogere kwaliteitseisen worden getoetst. Zonder expliciete criteria is de welstandsbeoordeling voor de burger nauwelijks voorspelbaar. In de nota wordt daarom aangegeven aan welke criteria de plannen getoetst worden en op welke accenten er in bepaalde gebieden of bij bijzondere objecten wordt gelet. Op deze manier wordt de helderheid en de openheid bij de beoordeling door de welstandscommissie vergroot. Ik ben ervan overtuigd, dat deze welstandsnota een positieve bijdrage levert aan de bevordering van het begrip tussen planindiener en welstandscommissie en daarmee aan de versoepeling van de beoordeling van bouwplannen in onze gemeente. Ik dank verder allen die aan het tot stand komen van deze nota hebben gewerkt. A.A.M. Huijben, wethouder gemeente Alphen-Chaam. Voorwoord
- INLEIDING 1.1 AanleidingVeranderingen in de bebouwde omgeving gaan vaak heel geleidelijk. Ze zijn het resultaat van een optelling van bouwinitiatieven, variërend van kleinere bouwwerken zoals een schutting, aanbouw of dakkapel, tot een compleet nieuwe woning. Deze optelling valt niet altijd positief uit. Het is immers lastig de invloed van iedere bouwaanvraag op de omgeving goed te beoordelen en naar de burger inzichtelijk te maken waarom deze beoordeling zo uitvalt. Het welstandsbeleid moet de handvatten bieden om deze beoordeling te kunnen maken. Bovendien geeft het de burgers vooraf inzicht in de criteria waaraan hun bouwaanvraag getoetst zal worden. Zij kunnen deze gebruiken als handvat bij het opstellen van hun bouwplan waardoor dit eerder aan de eisen van welstand kan voldoen zodat de vergunningprocedure soepeler kan worden doorlopen. Dé aanleiding voor het opstellen van welstandsbeleid vormen de wijzigingen van de Woningwet. Deze wijzigingen hebben tot doel de welstandsbeoordeling met kortere procedures transparanter en objectiever te maken. Het beleid moet lokaal ontwikkeld worden en bestuurlijk door de gemeenteraad worden vastgesteld. De wet eist voortaan dat gemeenten welstandsbeleid ontwikkelen om een welstandstoets te kunnen blijven uitvoeren. Met deze welstandsnota voldoet de gemeente Alphen-Chaam aan deze eis. 1.2 Het doel en de reikwijdte van deze welstandsnotaVoordat iemand mag gaan bouwen, zal hij in beginsel een vergunning moeten aanvragen bij de gemeente. De bouwaanvraag wordt, naast welstand, o.a. getoetst aan het Bouwbesluit en aan het bestemmingsplan. De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden, waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden. Het legt voor een bepaald gebied, bijvoorbeeld een dorpskern, een beoordelingskader vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er worden criteria benoemd die ertoe moeten bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. Afhankelijk van de waarde van het gebied kan het kader meer of minder streng zijn. In bijvoorbeeld een historisch dorpscentrum zal de prioriteit van welstand anders liggen dan op een regulier bedrijventerrein. Welstandstoezicht is dus niet simpelweg een vraag van mooi of niet mooi, maar een beoordeling van de kwaliteit van het bouwwerk aan de hand van duidelijk benoemde criteria. Welstand is niet zozeer een waardeoordeel over een bouwwerk op zich, maar vooral een beoordeling van de bijdrage van dat bouwwerk aan de ruimtelijke kwaliteit op die specifieke locatie. De gemeentelijke welstandsnota richt zich op de lokale karakteristieken in bestaande stedelijke gebieden en het buitengebied. De gemeentelijke welstandsnota, als onderdeel van het welstandsbeleid van de gemeente Alphen-Chaam richt zich op de relatief kleine bouwopgaven van één of enkele gebouwen, uitbreidingen van bestaande bebouwing en veel voorkomende kleine bouwwerken in bestaand stedelijk- en buitengebied (beheergebieden). Voor grootschalige ontwikkelingen of voor herontwikkelingen in bijvoorbeeld dorpscentra, vormen andere documenten, zoals beeldkwaliteitsplannen, de welstandsnota. 1.3 LeeswijzerDe 'Welstandsnota Alphen-Chaam’ bestaat uit twee delen: een toelichting op het welstandsbeleid in de gemeente Alphen-Chaam en welstandsprocedures (Deel I) en de welstandscriteria (Deel II). Het benoemen, inventariseren en analyseren van de lokale ruimtelijke karakteristieken en vervolgens het vertalen van deze karakteristieken naar deelgebieden en thema's, vormen de basis voor een gebiedsgericht welstandsbeleid. In Deel I - Het welstandsbeleid - wordt toegelicht hoe de gemeente Alphen-Chaam vorm geeft aan haar gebiedsgerichte welstandsbeleid. Op basis van een waardering van de verschillende kwaliteiten per gebied wordt een welstandsniveau toegekend. Dit welstandsniveau betekent een bepaalde manier van toetsen. Het welstandsinstrumentarium is vervat in procedures (hoofdstuk 4). Dit gedeelte gaat in op de organisatie van welstandstoezicht. Daarnaast is een gebruikshandleiding voor het toetsen van bouw-aanvragen opgenomen. Deel II - Criteria - gaat in op de bij een bouwaanvraag te hanteren criteria. In dit deel zijn de geldende 'algemene', 'gebiedsgerichte' en 'sneltoets'-criteria aangegeven. De algemene criteria van welstand bestaan uit een 'algemene richtlijn voor goede architectuur'. De gebiedsgerichte criteria zijn op basis van een gebiedsinventarisatie en een gebiedsanalyse opgesteld en gelden voor een specifiek deelgebied van de gemeente. BELEID
- WELSTANDSBELEID 2.1 InleidingIn Nederland staat de vormgeving van het collectieve beeld boven dat van het individuele object. Stedenbouw en architectuur zijn in Nederland van oudsher meer aan de orde van de dag dan bijvoorbeeld in België. Al sinds de 15de eeuw bestaan er in Nederland lokale verplichtingen ten aanzien van vormgevingsaspecten. In 1962 werd de verplichting voor gemeenten om een welstandscommissie te benoemen opgenomen in de Woningwet. De laatste jaren is er kritiek geuit op de werkwijze en geringe mate van democratische controle op de welstandscommissie. In de nieuwe Wo -ningwet, die sinds 1 januari 2003 van kracht is, worden veranderingen doorgevoerd om het welstandsbeleid toegankelijker en toetsbaarder te maken. Onderhavige welstandsnota en het hierin uitgedragen beleid geeft invulling aan het toegankelijk en toetsbaarder maken van het welstandsbeleid. In dit hoofdstuk is het nieuwe welstandsbeleid van de gemeente Alphen-Chaam uitgewerkt. Dit welstandsbeleid is in hoofdlijnen gestoeld op een gebiedsgerichte benadering. Er worden verschillende typen criteria onderscheiden. Aan welke criteria een bouwplan getoetst wordt, hangt af van het soort gebied en het type bouwwerk. In het welstandsbeleid van de gemeente Alphen-Chaam worden de volgende typen criteria onderscheiden: - algemene Criteria¹: deze liggen (haast onzichtbaar) ten grondslag aan iedere bouwplanbeoordeling. Ze fungeren daarnaast als 'vangnet' wanneer een bouwplan gemotiveerd afwijkt van de gebiedsgerichte criteria; - gebiedsgerichte criteria: specifieke aan bebouwing in verschillende deelgebieden gerelateerde criteria. Ze gelden alleen voor reguliere bouwvergunningplichtige bouwwerken; - sneltoetscriteria: algemeen geldende, met name kwantitatieve criteria voor lichtbouwvergunningplichtige bouwwerken. Gelden voor zowel solitaire aanvragenals voor onderdelen van de een totaal bouwplan; - thematische criteria: gelden aanvullend op de gebiedsgerichte criteria voor specifieke bouwwerken. Om te voorkomen, dat men achteraf geconfronteerd wordt met redelijke eisen van welstand kan een initiatiefnemer van een te bouwen vergunningsvrije bouwwerk dit vrijwillig toetsen aan redelijke eisen van welstand. De (gebiedsgerichte) sneltoetscri-teria kunnen dan dienen als adviserend toetsingskader. ¹ De teksten van de Algemene criteria zijn gebaseerd op de tekst van de heer Tj. Dijkstra, voormalig rijksbouwmeester, "Architectonische kwaliteit, een notitie over architectuurbeleid",
- In onderstaand schema is aangegeven welke criteria van toepassing zijn op welk type bouwvergunning. BOUWAANVRAAG WELSTANDSTOETS Gebiedsgerichte criteria Algemenesneltoetscriteria WELSTANDSTOETS Algemenesneltoetscriteria 2.2 Gebiedsgericht welstandsbeleid 2.2.1 InleidingGebiedsgericht welstandsbeleid is vervat in gebiedsgerichte criteria voor regulier vergunningplichtige bouwwerken. Eén van de doelen van de wetswijziging van de Woningwet is het gebiedsgericht maken van het welstandsbeleid. Met een gebiedsgericht welstandsbeleid wil de gemeente Alphen-Chaam ervoor zorgen dat nieuwe gebouwen en bouwwerken passen bij de karakteristiek en kwaliteit van een gebied. Binnen het grondgebied van de gemeente Alphen-Chaam komen verschillende soorten gebieden voor, elk met hun eigen kwaliteit en karakteristiek. Het historisch dorpsgebied van Alphen of Chaam is anders dan een boerderijenlint in het buitengebied, een bedrijventerrein of een reguliere woonwijk. Hoe mensen de verschillende karakteristieken en kenmerken waarderen, verschilt van persoon tot persoon. Ruimtelijke identiteit De identiteit van een gebied, waarmee dat gebied zich onderscheidt van andere, is een door de jaren heen gegroeid gegeven. Aandacht voor dit gegeven, gestoeld op cultuurhistorisch besef en een beleving van en waardering voor de eigen historische, stedenbouwkundige en architectonische kwaliteiten, eigen karakteristieken en ei -gen eigenaardigheden, is belangrijk. Ingrepen in de gebouwde omgeving (bouw- plannen) hebben invloed op die omgeving. Het is bij bouwopgaven van belang deze ruimtelijke identiteit van een gebied te behouden en waar mogelijk zelfs te versterken. Het is de bedoeling om geïnspireerd te worden door de bestaande omgeving en elementen en daar gebruik van te maken in het creatieve ontwerpproces. Ensembles De ruimtelijke kwaliteit van de bebouwde omgeving wordt door verschillende factoren beïnvloed. Ze kan een puur esthetische waarde bezitten, een verwijzing geven naar de geschiedkundige of oudheidkundige betekenis van een gebied, kenmerkend zijn voor een bepaalde architectonische stijl of juist een sterk geheel, een goed en -semble vormen. Bij een ensemble vormen de verschillende onderdelen zoals huizen, woongebieden, straten, pleinen, plantsoenen en parkeerterreinen een harmonisch geheel. De ruimtelijke kwaliteit is waardevol indien de mens deze factoren ook als zodanig herkent en daar waarde aan hecht. Dit waardeoordeel is sterk cultuurhistorisch en educatief bepaald. Zo werden bijvoorbeeld gotische kerken in de ‘moderne’ renaissance geassocieerd met het barbaarse, platvloerse middeleeuwse leven. In de ‘romantische’ 19e eeuw is men de gotiek opnieuw gaan waarderen en zijn de oude vervallen gotische kerken opgeknapt en vaak verder afgebouwd. Samenhang Als er sprake is van veel samenhang tussen de cultuurhistorie, stedenbouw en architectuur zal een, van de karakteristiek afwijkend, nieuwbouwplan eerder als minder passend ervaren worden dan in gebieden met weinig samenhang tussen deze kenmerken. Wordt de samenhang tussen de kenmerken ook hoog gewaardeerd, zoals in een oude dorpskern, dan zal men een afwijkend gebouw eerder als een verstoring van deze kwaliteit beleven. Andere gebieden waar de samenhang in kenmerken ontbreekt zijn minder gevoelig. Daar hoeven minder eisen te worden gesteld aan nieuwe bouwplannen. De gevoeligheid van een gebied voor nieuwe bouwplannen is dus afhankelijk van de samenhang tussen de cultuurhistorie, de stedenbouw en de architectuur. Deze samenhang wordt bepaald door een aantal kenmerken van het gebied. Deze kenmerken zijn: - Hoe de verschillende gebouwen in een gebied zijn gesitueerd ten opzichte van de straat, de verkaveling en elkaar; - welke bouwvormen voorkomen in dat gebied (grote of kleine massa's, één of meerdere verdiepingen, met of zonder kap); - of de gevels een karakteristieke opbouw hebben (staande of liggende ramen, een afzonderlijke onderpui e.d.); - of er sprake is van kenmerkend kleur- en materiaalgebruik en van specifieke details. 2.2.2 GebiedsanalyseKenmerkende gebieden Gebiedsgericht betekent maatwerk voor die specifieke situatie. De gemeente Alp-hen-Chaam ligt in het zuidelijk zandgebied in Noord-Brabant. Dit gebied heeft vanuit zijn ontstaansgeschiedenis een eenduidige ruimtelijke opbouw. Binnen de regio bestaat een duidelijke samenhangende karakteristiek en kwaliteit. Op basis van de samenhang tussen karakteristieken van (cultuur)historie, stedenbouw en architectuur zoals die in de bebouwing herkenbaar is, is voor de gemeente Alphen-Chaam een gebiedstypologiekaart met te onderscheiden deelgebieden gemaakt. Deze deelgebieden worden behandeld in Deel II, hoofdstuk
- Om tot kenmerkende gebieden te komen, is een bepaalde methodiek gehanteerd om tot een logische indeling van gebiedstypen te komen. In het volgende schema is de wijze van kijken nader toegelicht. Functioneel Veel ruimtelijke vraagstukken hebben een directe relatie met de functie van bepaalde gebieden. Voor welstand is met name het type bouwwerk en de typen verbouwingen van belang wanneer gebiedsgerichte criteria opgesteld worden. Zo staan op bedrijventerreinen andere gebouwen dan in een woonwijk en speelt er in de centrumgebieden en linten een andere dynamiek dan in het buitengebied. In centrumgebieden zal veelvuldig een aanvraag tot het aanbrengen van winkelpuien ingediend worden, terwijl in het buitengebied de opgave eerder ligt in het aan- en bijbouwen van of aan agrarische bedrijfsgebouwen. Een eerste hoofdindeling naar gebiedstypen is gemaakt naar de functionele verschijningsvorm van een gebied (laag 1 van schema). De volgende hoofdgebiedstypen worden onderscheiden: Centrumgebieden (H, W en A-gebieden); Gemengde gebieden (H-gebieden); Woongebieden (W en A-gebieden); Werkgebieden en grootschalige publieke voorzieningen (B-gebieden); Groengebieden en buitengebied (G-gebieden). Ontstaanswijze In de beleving van de gebouwde wereld wordt in de Nederlandse samenleving tegenwoordig veel waarde gehecht aan de cultuurhistorische betekenis, de relatie tussen de historie van de plek en zijn huidige verschijningsvorm (de ontstaanswijze). Daarom zijn bebouwde gebieden, waar de relatie met de cultuurhistorie nog in de bebouwing zichtbaar is, binnen de gemeente ingedeeld naar hun cultuurhistorische relatie: stedelijke nederzettingen en dorpslinten (H-gebieden). Ook werk- en groengebieden kennen soms nog een duidelijke relatie met de cultuurhistorie, zoals het geval is bij het groen dat deel uitmaakt van de (voormalige) landgoederen, hoeven en buitenplaatsen. Gebieden die planmatig zijn aangelegd, zoals de naoorlogse woonwijken (W-gebieden), de reguliere bedrijventerreinen (B-gebieden) en parken, begraafplaatsen, sport- en recreatiecomplexen (G2- en G3-gebieden) kennen een minder duidelijke en minder directe relatie met de cultuurhistorie. Ook de verschillende landschappen in het buitengebied kennen ieder hun eigen karakteristiek, ontstaan door een wisselwerking tussen mens en natuur. Het buitengebied van de gemeente Alphen-Chaam is ingedeeld naar landschapstype (G4-gebied). Ruimtelijke verschijningsvorm Binnen de hoofdindeling naar functionele verschijningsvorm en ontstaanswijze is een nader onderscheid gemaakt op basis van kenmerkende ruimtelijke verschijningsvormen. Bij de kernen is dit onderscheid gebaseerd op de specifieke structuur en bij de linten op de mate van verdichting. De losbijgevoegde kaart geeft de typologieën voor Alphen-Chaam weer. Ook de planmatig ontwikkelde gemengde gebieden, woon- en groengebieden, kennen een gedifferentieerde ruimtelijke verschijningsvorm. Voor de woongebieden wordt daarom in de toetsingscriteria onderscheid gemaakt naar hoofdverschijningsvorm: seriematige, individuele of bijzondere bebouwing De bedrijventerreinen kennen een afzonderlijke typologie (B-gebieden). Voor groengebieden is de volgende indeling aangehouden: - Parken en begraafplaatsen (G2-gebieden); - Sportterreinen en recreatiegebieden (G3-gebieden); - Grootschalige bebouwingscomplexen in het groen en instituten (G4-gebieden). Architectuurkenmerken Vanaf de periode 1870 – 1900 is de uitbreiding van de gebouwde omgeving vooral planmatig aangestuurd. Bij deze planmatige ontwikkelingen van woon- en werkgebieden hebben kenmerkende stijloverwegingen in meer of mindere mate hun stempel gedrukt op de kwaliteit van de omgeving. Gebieden met een herkenbare sa -menhangende bouwstijl worden daarbij hoog gewaardeerd. Op basis van specifieke sterke architectuurkenmerken kan een nadere indeling gemaakt worden. In woongebieden die in kleine stappen zijn ontwikkeld, zoals de meeste woongebieden in de kernen Alphen, Chaam en Galder, en vaak ook in de meer recente woonwijken is de ontwikkeling vooral overgelaten aan de markt. Individuele woonwensen en aversie tegen seriematig bouwen en het zoeken naar verscheidenheid, hebben geleid tot wijken met minder samenhang tussen stedenbouw en architectuur (W-gebieden). In de gemeente Alphen-Chaam zijn geen ensembles met kenmerkende architectuur onderscheiden. Behoud en ontwikkeling met respect voor de aanwezige architectuurkenmerken is voldoende gewaarborgd in de criteria voor de W-gebieden. Met name de woonwijken die ontwikkeld zijn tussen 1950 en 1980 kennen een veelheid aan seriematige bouw. 2.2.3 Drie niveaus van welstandWaardering De typologie ordent en beschrijft de kenmerken en karakteristieken van de verschillende gebieden. De waarde die hier aan wordt gehecht bepaalt het niveau van welstandstoezicht. Deze wordt gebaseerd op: de ruimtelijke karakteristiek en samenhang; de cultuurhistorische kwaliteiten; de architectonische kwaliteiten; de dynamiek van de bouwopgave; en de wijze waarop bovenstaande zaken binnen de gemeente worden beleefd en gewaardeerd. De keuze voor een bepaald niveau van welstand is een gemeentelijke. Deze is gestoeld op een afweging van bovenstaande kwaliteiten en de prioriteit die het gemeentebestuur hier aan heeft gegeven. In zijn algemeenheid geldt daarbij dat naarmate de waardering voor een bepaald gebied, gecombineerd met een bepaalde samenhang tussen cultuurhistorie, stedenbouw en architectuur, hoger is, een hoger niveau van welstand gehanteerd wordt. De gemeente Alphen-Chaam geeft daarbinnen extra prioriteit aan. Niveaus van welstand De welstandscommissie handelt bij haar toets conform de inhoud van de welstand-criteria, zoals in deze nota opgenomen. Zij houdt bij haar toets rekening met de verschillen in de niveaus van welstand. Bieden de criteria voor de welstandstoets aanknopingspunten voor het ontwerp, de niveaus van welstand geven een indicatie voor de mate van ontwerpvrijheid. De niveaus van welstand bepalen in hoofdlijnen de mate van gedetailleerdheid van de gebiedsgerichte criteria. De welstandscommissie kan in haar welstandsadvies geen zwaardere criteria hanteren dan vastgelegd in deze nota. De gemeente Alphen-Chaam onderscheidt twee niveaus van welstandstoezicht. Voor die gebieden zijn de niveaus basis en bijzonder vastgelegd. De wet biedt ook de mogelijkheid welstandsvrije gebieden te onderscheiden. In de gemeente Alphen-Chaam zijn geen welstandsvrije gebieden opgenomen, omdat deze welstandsnota is gericht op de kwaliteit van de bestaande ruimtelijke structuren, waarbij altijd sprake is van een bepaalde basiskwaliteit. De gemeente Alphen-Chaam vindt het uit oogpunt van rechtsbescherming van burgers niet verantwoord voor bestaande gebieden geen enkele welstandstoets toe te passen. Bij nieuwe ontwikkelingen zal de gemeente steeds afwegen of daarin de mogelijkheid van welstandsvrij bouwen kan worden opgenomen. Toelichting op niveaus van welstand Basis Bij het BASIS niveau van welstand wordt de toets door welstandstoezicht beperkt tot die aspecten die te maken hebben met de situering van het bouwwerk (rooilijn, zijdelingse afstand, oriëntatie), de hoofdvormen van het bouwwerk (bouwmassa, bouwhoogte, kapvorm en kaprichting), de schaal en geleding van het gebouw, het overwegende materiaalgebruik en de gebruikte kleurtoon. De toets is vooral gericht op het gebouw als geheel in relatie tot zijn omgeving. Het welstandstoezicht is in deze gebieden beperkt tot het handhaven van de basiskwaliteiten. Dit BASIS niveau van toetsen wordt toegepast in gebieden waar de be -staande ruimtelijke structuur relatief veel kan verdragen. Afwijkingen en ingrepen hebben hier minder grote gevolgen voor de ruimtelijke kwaliteit. Er zal bij de toets niet gedetailleerd op architectonische kwaliteiten worden beoordeeld. Plus In gebieden waarvoor het PLUS niveau van welstand van toepassing is, wordt naast de criteria uit de BASIS toets ook getoetst op deelaspecten die te maken hebben met de gevelaanzichten en de belangrijkste detailleringen van het bouwwerk. Het bouwwerk wordt dus uitgebreider op de architectonische kwaliteiten beoordeeld. Daarbij wordt gelet op kenmerkende massaverhoudingen, schaal en maat, plaatsing van gevelelementen in het vlak, verticaliteit / horizontaliteit, hiërarchische verhoudingen tussen gevelelementen onderling en de vormgeving van gevelelementen. Ook wordt gelet op de specifieke materiaalkeuze en de materiaal-kleur van de hoofdvlakken. Dit PLUS niveau van welstand is gericht op het handhaven van bestaande karakteristieken en kwaliteiten. Nieuwe ontwikkelingen vragen om een zorgvuldige afstemming. De kwaliteit moet bijdragen aan de bestaande karakteristiek en samenhang. Bouwopgaven mogen daaraan op eigen wijze invulling geven. Dit regime zal worden toegepast in gebieden waar de ruimtelijke kwaliteiten en samenhang van belang zijn, maar die ook enige dynamiek kunnen verdragen. Bijzonder Bij het BIJZONDER niveau van welstand wordt het bouwwerk ook op detailaspecten beoordeeld. Naast de eerder genoemde criteria wordt dan ook gelet op de materiaalverwerking, de specifieke materiaalkleuren en de verdere detaillering van de architectuur in de vorm van gevelafwerking, ornamenten, voegvormen en -kleur, aanduiding van bewegende delen in kozijnen, muurankers en muurschotels. Daarbij is afstemming, consistentie, evenwicht en samenhang in materiaal, kleur en detaillering een criterium. Dit niveau van welstandstoezicht beperkt zich tot gebieden waar de combinatie van ruimtelijke kwaliteiten en samenhang en de aanwezige of verwachte dynamiek van de bouwopgaven vragen om extra aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit. In deze gebieden zullen naast het welstandsbeleid aanvullende ruimtelijke beleidsinstrumenten moeten bijdragen aan de te bereiken ruimtelijke kwaliteiten. Aspecten van bebouwing De drie welstandsniveaus bepalen de mate van sturing van het welstandstoezicht. De concrete beoordeling van welstand van gebouwen en bouwwerken vindt op alle niveaus plaats vanuit vier soorten aspecten van bebouwing: de situering van het bouwwerk; de hoofdvormen van het bouwwerk; de gevelaanzichten van het bouwwerk; de materialisatie en detaillering van het bouwwerk. In algemene zin kan worden gesteld dat deze kenmerken op het BASIS niveau van welstand op hoofdlijnen worden beoordeeld, bij het PLUS niveau van welstand tevens op hun specifieke samenstellende delen en bij het BIJZONDER niveau van welstand hiervoor de wijze van detaillering wordt toegevoegd. Strijdigheid met de gebiedsgerichte criteria De gebiedsgerichte criteria zijn algemeen geldend voor de regulier vergunningplich-tige bouwwerken in een bepaald gebied. Er zijn echter uitzonderingssituaties denkbaar waar deze algemeen geldende gebiedsgerichte criteria ontoereikend, onbruikbaar of niet van toepassing zijn. In onderstaand kader zijn deze gevallen aangegeven en worden bepaalde toepassingsregels gehanteerd. Deze toepassingsregels zijn algemeen geldend in alle gebiedstypen. De toepassingsregels zijn dan ook onder elke set van gebiedsgerichte criteria weergegeven. In bijzondere situaties wanneer een bouwplan afwijkt van de gebiedsgerichte criteria, maar door schoonheid, bijzonderheid, architectuur of structuur wél aan redelijke eisen van welstand voldoet, zal worden getoetst aan de 'Algemene Criteria'. De initiatiefnemer, ontwerper of architect zal in dit geval gemotiveerd moeten aantonen waarom het plan op die plek wél architectonisch-stedenbouwkundig verantwoord is. Toepassingsregels voor gebiedsgerichte criteria Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijke huisnummerkaart (kadastrale kaart) , is gelegen. Licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken die onderdeel uitmaken van een totaalbouwplan (regulier vergunningplichtig) worden in één welstandstoets zowel aan de gebiedsgerichte criteria als aan de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria getoetst. Zodra aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de maatvoeringseis ten aanzien van de bouwhoogte. Zodra vrijstaande bijgebouwen en overkappingen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de sneltoetscriteria ten aanzien van bouwhoogte en oppervlakte. Zodra dakkapellen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing. Strijdigheid met de algemene criteria Als een plan zowel in strijd is met de gebiedsgerichte als de algemene criteria, maar als B&W het plan toch aanvaardbaar achten, dan geldt de inherente afwijkingsbe-voegdheid. Criteria zijn immers beleidsregels (art. 12a lid Woningwet 2003). Hiervan kan naar zijn aard in bijzondere gevallen en mits gemotiveerd afgeweken worden (zie art. 4:84 Algemene wet bestuursrecht). Motivering keuze welstandsniveaus gemeente Alphen-Chaam In Deel II – Criteria - zijn bij de gebiedscriteria per type gebied de specifieke kenmerken beschreven die voor dat gebied bij de beoordeling relevant zijn. In zijn algemeenheid geldt dat naar mate de waardering voor een bepaald gebied, samengaand met een bepaalde samenhang tussen cultuurhistorie, stedenbouw en architectuur, hoger is, een hoger niveau van welstand gehanteerd wordt. Binnen de gemeente Alphen-Chaam is enkel het BASIS en BIJZONDER niveau van welstand gehanteerd. Hierdoor wordt een heldere, transparante systematiek verkregen waarbij het in één oogopslag duidelijk is waar de ruimtelijke kwaliteiten (BIJZONDER niveau) zich bevinden en waar er dus extra aandacht dient te zijn voor welstandsaspecten. Hier tegenover staat dat de overige gebieden (BASIS niveau) een grotere mate van vrijheid kennen en de welstandstoets zodoende lichter is. Om een ruime mate van vrijheid te behouden in de verschijningsvormen van de be -bouwing, heeft de gemeente Alphen-Chaam er voor gekozen een licht BASIS niveau toe te passen. In deze gebieden wordt dus een grote mate van vrijheid geboden. Door de opgestelde criteria houdt de gemeente echter voldoende handvaten om samenhangende bebouwing te waarborgen die voldoen aan redelijke eisen van welstand. Voor de volgende gebieden is gekozen voor een BASIS-niveau van welstand: - De woongebieden (W-gebieden). In deze gebieden wordt de samenhang sterk bepaald door de situering van het bouwwerk en de hoofdvorm ervan. De criteria zijn dan ook vooral hierop gericht. De bebouwingsdynamiek is binnen woongebieden bovendien beperkt. - De bedrijventerreinen (B-gebieden). Kenmerkend voor bedrijventerreinen is de individualiteit van de bedrijfsbebou-wing. Door het respecteren van een continue rooilijn en min of meer overeenkomstige bouwmassa’s wordt een samenhangende omgeving bereikt. Daarnaast behoeft de aansluiting op de omringende gebieden de nodige aandacht. - Begraafplaatsen en sportterreinen (G2 en G3 gebieden). Deze gebieden kennen een sterke groene inrichting en een grote diversiteit in de bebouwing. Criteria voor overwegende bebouwingskarakteristieken bieden daarom voldoende kwaliteit en samenhang (uitzondering hierop vormt de begraafplaats in het centrum van Alphen). - Het buitengebied (G4-gebieden). De ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied in de gemeente Alphen en Chaam wordt mede gevormd door agrarische bebouwing en de vele (verblijfs-) recreatieve voorzieningen. Om deze elementen ruimtelijk goed in het landschap in te passen en de mogelijke kwaliteiten ervan te behouden is gekozen voor een BASIS niveau voor het gehele (agrarische) buitengebied. Het aanduiden van een gebied met een BIJZONDER niveau van welstand geeft aan dat binnen en buiten de gemeente een grote waarde wordt toegekend aan deze gebieden. Deze waardering is veelal gebaseerd op de cultuurhistorische waarde van de locaties. Aan de volgende gebieden is een BIJZONDER niveau van welstand toegekend: - De historische centrumgebieden (H-gebieden). De historische dorpsgebieden hebben hun cultuurhistorisch karakter in de ruimtelijke structuur en uitstraling in grote mate behouden. Daarbij functioneren deze dorpscentra als verblijfsgebieden en trekkers van recreatieve bezoekers en horecabezoekers. Om deze redenen dient bebouwing in de historische dorpsge-bieden zwaarder getoetst te worden om daarmee de historische karakteristieken en kwalitatief hoogwaardige uitstraling te waarborgen. Bij het historisch dorpscentrum van Alphen wordt daarbij de aangrenzende begraafplaats betrokken. - De (voormalige) landgoederen, hoeven en buitenplaatsen (G1-gebieden). Deze eveneens cultuurhistorisch waardevolle gebieden zijn nog duidelijk als ruimtelijke eenheden herkenbaar in het buitengebied. Om de specifieke be -bouwingskenmerken en cultuurhistorische waarde binnen deze gebieden te behouden zal daarom er extra aandacht moeten worden besteed aan de vormgeving van de bouwwerken tot op het detailniveau. 2.3 Welstandsbeleid voor kleine bouwplannenVoor het beoordelen van vergunningsvrije of licht-vergunningplichtige bouwwerken is het belangrijk om duidelijkheid te hebben in de zogenaamde voor- en achterkant situaties. Voor- en achterkant benadering (BBlb) Eén van de uitgangspunten bij het bepalen of een bouwwerk vergunningsvrij dan wel licht-vergunningplichtig is, is de zogenaamde voor- en achterkant benadering. (zie toelichting op het Besluit Bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunning-plichtige bouwwerken (BBlb)). Deze benadering houdt in dat er met het oog op stedenbouw en welstand in een aantal gevallen verschil moet worden gemaakt tussen het bouwen aan de voorkant of aan de achterkant van een bouwwerk. Vanuit welstandsoptiek is het bouwen aan de voorkant in het algemeen kwetsbaarder dan het bouwen aan de achterkant. Onder voorkant wordt in dit verband verstaan de voorgevel, het voorerf en het dak-vlak aan de voorzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voorzover die zijde (zijdelings) gekeerd is naar de weg of het openbaar groen. Onder achterkant wordt in dit verband verstaan de achtergevel, het achtererf en het dakvlak aan de achterzijde van een gebouw; de zijgevel, het zijerf en het dakvlak aan de zijkant van een gebouw voorzover die zijde (zijdelings) niet gekeerd is naar de weg of het openbaar groen. Het begrip ‘weg’ wordt nader verklaard in de Wegenverkeerswet. Bij het begrip ‘openbaar groen’ moet worden uitgegaan van hetgeen daaronder in het normale spraakgebruik wordt verstaan, zoals parken, plantsoenen en speelveldjes, die het gehele jaar (of een groot deel van het jaar) voor het publiek toegankelijk zijn. ’Gekeerd naar de weg of het openbaar groen’ impliceert dat er tussen het gebouw of het erf en de weg of het openbaar groen een directe feitelijke relatie is. Die relatie is er niet wanneer zich tussen het gebouw of het erf en de weg of het openbaar groen andere begrenzende elementen aanwezig zijn, zoals het erf van de buren, bos, (bij)gebouwen of water. Dit betekent dat bijvoorbeeld bij een sloot als scheidend element, de zijkant gekeerd naar de weg of het openbaar groen een achterkant wordt in plaats van een voorkant. Met het oog op behoud van kwaliteit worden bouwwerken aan de voorkant altijd kritischer beoordeeld. In de sneltoetscriteria is daarom voor een aantal bouwwerken onderscheid gemaakt tussen bouwwerken aan de voorkant en aan de achterkant. Voor dakkapellen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen is in de wel-standscriteria onderscheid gemaakt in criteria voor de voor- en achterkant, zoals deze begrippen in het BBlb zijn vastgelegd. Met de hiervoor opgenomen definities wordt overigens nog niet de vraag beantwoord welke gevels nu als voor-, achter- en/of zijgevel moeten worden aangemerkt. Voor het antwoord op die vraag is bepalend welke gevel in het concrete geval als voorgevel moet worden beschouwd. Wanneer is vastgesteld welke gevel de voorgevel is, kan vervolgens eenvoudig worden bepaald welke gevel de achtergevel is en dus ook welke gevels zijgevels zijn. Er zijn gevallen denkbaar waarin discussie kan ontstaan. In dergelijke gevallen wordt voor het bepalen welke gevel de voorgevel is, primair afgegaan op de ligging van de voorgevelrooilijn, zoals die in het bestemmingsplan of in de bouwverordening is aangegeven. Als ook dan nog twijfel be -staat, zal de feitelijke situatie doorslaggevend zijn voor de vraag waar zich de voorgevel bevindt. Mede aan de hand van de jurisprudentie kunnen daarvoor de systematiek van huisnummering (waar zich het huisnummer bevindt), de zijde van het gebouw waar zich de voordeur of hoofdingang bevindt, de plaats waar de brievenbus is aangebracht en de plaats waar zich de hoofdontsluiting van het perceel bevindt als aanknopingspunten worden gehanteerd. Voor de goede orde wordt erop gewezen dat voor de toepassing van dit besluit een gebouw slechts één voorgevel heeft. Onder verwijzing naar de jurisprudentie inzake het bouwvergunningsvrij bouwen bij hoekwoningen kan dus niet gesteld worden dat een hoekwoning, waarbij sprake is van twee voorgevelrooilijnen, ook twee voorgevels heeft. Precedentwerking In vele gevallen wordt door de aanvrager verwezen naar eerder uitgevoerde en dus vaak goedgekeurde bouwwerken. Een dergelijk bouwwerk kan als precedent werken voor overige bouwplannen. Dit levert voornamelijk bij uitgevoerde bouwwerken, die achteraf niet voldoen aan redelijk eisen van welstand, problemen op. Hierdoor wordt de ongewenste willekeur van de welstandscommissie alleen maar versterkt. Door een gebiedsgericht beleid te voeren kan de gemeente voor een groot deel beargumenteerd afwijken van de verwijzingen naar eerder uitgevoerde bouwwerken. Bouwaanvragers kunnen dan alleen nog verwijzen naar eerder uitgevoerde bouwwerken in de omgeving. Dit sluit niet alle precedentwerking uit. Ook in de directe omgeving zijn vaak voorbeelden aan te dragen die niet voldoen aan redelijk eisen van welstand. Het op deze manier uitsluiten van precedentwerking van ‘slechte’ voorbeelden is dan ook een illusie. Nieuw beleid is maatgevend (uitsterf-regeling) De gemeente Alphen-Chaam heeft gekozen om het nieuwe welstandsbeleid als richtinggevend vast te stellen. Eerder toegestane bouwwerken kunnen niet verwijderd worden maar zullen langzamerhand verdwijnen (uitsterven) doordat het nieuwe welstandsbeleid bepalend is. Het door bouwaanvragers verwijzen naar deze eerder toegestane exemplaren gaat niet meer op, de gemeente heeft namelijk een duidelijk standpunt ingenomen. Het nieuwe beleid ten aanzien van bouwplannen is daarom wel duidelijk vertaald in criteria waaraan consequent getoetst zal worden. Als er alsnog wordt afgeweken van de opgenomen criteria dient dat goed beargumenteerd te worden. Deze afwijkingen zullen bovendien beschouwd worden als nieuwe uitzonderingen of mogelijkheden. 2.4 Thematisch welstandsbeleidVoor specifieke bouwwerken of bouwwerken op specifieke locaties zijn aanvullende criteria opgesteld. Per thema is aansluiting gezocht bij het ruimtelijke kwaliteitsbeleid en de gewenste ontwikkelingen. Naast het benoemen en onderscheiden van verschillende deelgebieden kent elke gemeente ook haar specifieke gebouwen, gebouwtypen en bouwwerken op specifieke locaties. De gemeente Alphen-Chaam benoemt gebouwtypen en bouwwerken die zo gebiedseigen zijn, een specifieke functie hebben of als object op zich beeldbepalend zijn, dat daarvoor afzonderlijke criteria kunnen worden opgesteld. Deze thematische bebouwingstypen zijn uitgewerkt in Deel II - Hoofdstuk 3 van deze nota. Voor specifieke gebouwtypen en bouwwerken geldt dat de criteria altijd in samenhang gezien moeten worden met de gebiedsgerichte welstandscriteria waarin het bouwwerk wordt geplaatst.
- INKADERING VAN HET WELSTANDSBELEID 3.1 InleidingDe essentie van het nieuwe welstandsbeleid is de gebiedsgerichte benadering. Op elk beleidsniveau zijn gebiedsspecifieke kenmerken te benoemen. Deze benadering stelt de gemeente in staat om de samenhang tussen verschillende beleidsvelden inzichtelijk te maken en daarmee de samenhang tussen het welstandsbeleid en an -der beleid en andersom. De kwalitatieve kenmerken van een gebied zijn in het kader van het welstandsbe-leid bepalend voor de samenstelling van gebiedsgerichte criteria. De gebiedsgerichte benadering levert een heldere beschrijving en beeld op van de specifieke karakteristieken van een deelgebied. Voor het welstandsbeleid richt deze benadering zich met name op de specifieke kenmerken van een gebied voor de bebouwing, maar in breder verband zijn uit deze benadering eveneens die kenmerken te distilleren die belangrijk zijn voor an -der gemeentelijk ruimtelijk beleid. Deze benadering biedt kansen voor een brede basis voor gebiedsgericht beleid op alle ruimtelijke beleidsvelden. DEELGEBIED BESCHRIJVEN KARAKTERISTIEK DEELGEBIED Benoemen van het gewenste beleid Functie Bebouwing Ruimtelijkekwaliteit Verkeer enparkeren Openbare ruimte Groen Criteria wel-standstoets Regelgeving bestemmingsplan Maatregelen verkeersnota Inrichtingskaders openbare ruimte In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de relatie van welstand met een aantal andere ruimtelijke beleidsvelden. 3.2 Welstand en ruimtelijke kwaliteit in groter verbandHet handhaven en liefst versterken van de ruimtelijke kwaliteit is een belangrijk uitgangspunt in het ruimtelijk beleid. Ruimtelijk kwaliteitsbeleid betekent: aandacht schenken aan cultuurhistorie en ruimtelijke identiteit, het creëren van een aantrekkelijke omgeving met ruimtelijke diversiteit in landschap, stedenbouw en architectuur en het verantwoord omgaan met natuur en ecologische waarden. Welstand is slechts één van de beleidstakken die zich bezighoudt met het ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Het welstandsbeleid staat niet op zich. Het is deels verankerd in en deels gebaseerd op beleidslijnen uit andere beleidsvelden. Vanuit de stedenbouw en architectuur zijn geen concrete beleidskaders opgesteld waarop het welstandsbeleid is gebaseerd; wel bestaat er een duidelijke visie op de benutting van de ruimte (o.a. de in ontwikkeling zijnde Nota Ruimte (of Vijfde Nota Ruimtelijke Ordening) en zijn er algemene architectonische aandachtspunten zoals vervat in de 'Architectuurnota'. Er bestaan nauwelijks beleidsstukken waar de relatie tussen natuurbeleid en welstand wordt uitgewerkt en geoperationaliseerd. Wel wordt met name in bestemmingsplannen, in zekere zin de kwetsbaarheid van met name het buitengebied voor bouwen in het algemeen aangegeven. De landschapstypologie zoals te destilleren uit de geomorfologische kaart vormt de basis voor de indeling naar gebiedsspecifieke (historische) structuren. 3.3 Welstand en het bestemmingsplanHet op te stellen welstandsbeleid moet een kader bieden voor de toetsing van een bouwaanvraag aan redelijke eisen van welstand. In deze nota worden criteria benoemd die er aan bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. De criteria worden onder andere geformuleerd vanuit een visie op het gebied en vanuit een beeld van de aanwezige waarden. Aspecten die aan de orde komen betreffen zowel niet-ruimtelijk relevante aspecten zoals kleur en materiaalgebruik, als ruimtelijk relevante aspecten zoals hoogte, omvang en situering van de gebouwen. Er is dus een nauwe relatie met het bestemmingsplan. De ruimtelijk relevante aspecten kunnen –wanneer wenselijk en noodzakelijk- vertaald worden in het bestemmingsplan. Voor niet-ruimtelijk relevante aspecten is een vertaling in het bestemmingsplan niet mogelijk. Welstand kan kwalitatieve eisen, bijvoorbeeld het materiaalgebruik ten opzichte van de naastgelegen woning, aan een gebouw stellen terwijl het bestemmingsplan alleen kwantitatieve (ruimtelijk relevante) eisen stelt, bijvoorbeeld maximale nok- en goothoogte. Het welstandsbeleid en bestemmingsplan liggen dus in elkaars verlengde en vullen elkaar aan. Een bouwaanvraag wordt zowel getoetst aan redelijke eisen van welstand als aan de bouwvoorschriften zoals opgenomen in het bestemmingsplan. Wanneer er sprake is van een verschil tussen de inhoud van een bestemmingsplan en een welstandsnota blijven bij toetsing van een bouwaanvraag de criteria buiten toepassing. Het bestemmingsplan heeft hier formeel juridisch ‘het laatste woord’. Het is dus van belang om de inhoud van een bestemmingsplan en de inhoud van een welstandsnota op elkaar af te stemmen. Vanuit een visie op het gebied en de aanwezige waarden, moet bepaald worden welke criteria in welk document opgenomen worden en op welke wijze. Veel vigerende bestemmingsplannen zijn opgesteld vanuit een samenhangend ruimtelijk kwaliteitsbeleid voor de gehele gemeente. Vooralsnog heeft de gemeente Alphen-Chaam er daarom voor gekozen eerst een samenhangend welstandsbeleid te formuleren. Vanuit dit beleid kunnen kaders worden geformuleerd voor de toekomstige herzieningen van bestemmingsplannen, zodat met de tijd een consistent samenhangend ruimtelijk beleid zal worden gevoerd. Bij het opstellen van de criteria is dus geen rekening gehouden met de vigerende bestemmingsplannen. Gekozen is om op basis van een kwalitatieve beschrijving van de gemeente, gebiedsgerichte criteria op te stellen. In veel gevallen is het niet zinvol bestaande voorschriften uit het bestemmingsplan als uitgangspunt te nemen voor het welstandsbeleid, omdat deze meestal niet geformuleerd zijn met het oog op ‘redelijke eisen van welstand’. Bovendien gelden er binnen de gemeente vele bestemmingsplannen, waardoor het zeer lastig wordt om met al deze verschillende bestemmingsplannen rekening te houden. De consequentie van deze aanpak is, dat er strijdigheid kan ontstaan tussen het vigerende bestemmingsplan en de welstandsnota. Zo kan een bestemmingsplan ruimere bebouwingsmogelijkheden bieden dan de criteria uit de welstandsnota. Indien zich dit voordoet zullen de (ruimtelijk relevante) criteria uit de welstandsnota buiten toepassing blijven totdat het bestemmingsplan is herzien. 3.4 Welstand en beeldkwaliteitsparagrafenDe welstandsnota richt zich primair op de min of meer reguliere en/of incidentele bouwopgave in bestaande stedelijke gebieden en het buitengebied. Voor gebieden met een planmatige functieverandering, zoals nieuwe woon- en werkgebieden en herontwikkelingsgebieden (stads- en dorpscentra, wijkontwikkelingsgebieden) kan voor de sturing van welstand ook een beeldkwaliteitsparagraaf worden opgesteld. Deze beeldkwaliteitsparagrafen kennen in de meeste gevallen niet alleen criteria van welstand waaraan bouwwerken dienen te voldoen, maar gaan bijvoorbeeld ook in op de vormgeving van het openbare gebied. Dat deel van het beeldkwaliteitsparagraaf, dat betrekking heeft op het bouwen, kan als basis dienen voor welstandstoetsing bij bouwaanvragen. Indien er reeds een beeldkwalteitsparagraaf voor een in ontwikkeling zijnd gebied bestaat voordat de welstandsnota wordt vastgesteld door de gemeenteraad dient deze paragraaf tot onderdeel te worden gemaakt van de welstandsnota door in de welstandsnota hier expliciet naar te verwijzen. Wel dient het beeldkwaliteitsparagraaf tot stand te zijn gekomen volgens de voorschriften, die de nieuwe Woningwet ten aanzien van de vaststelling en wijziging van de welstandsnota stelt (vaststelling door de gemeenteraad en inspraak conform de gemeentelijke inspraakverordening). Door in de welstandsnota naar het beeldkwaliteitsparagraaf te verwijzen vormt deze paragraaf juridisch een onderdeel van de welstandsnota. Beeldkwaliteitsparagrafen zijn in principe bedoeld om specifieke ontwikkelingen te kunnen begeleiden. Als de ontwikkeling is afgerond ligt het dan ook in de rede om de criteria die gelden voor het betreffende gebied bij een wijziging van de welstandsnota op te nemen in de welstandsnota zelf. De verwijzing naar het beeldkwaliteitsparagraaf kan dan vervallen. De mogelijkheid bestaat om een beeldkwaliteitsparagraaf vast te stellen in aanvulling op een vastgestelde welstandsnota; bijvoorbeeld als het betreffende beeldkwaliteitsparagraaf een verdere concretisering van het beleid inhoudt dat reeds in de welstandsnota is verankerd. In dat geval is er sprake van een wijziging van de welstandsnota, bijvoorbeeld om ontwikkelingen in een straatwand te sturen en te stimuleren of aanvullende eisen voor een karakteristiek stukje centrumgebied op te stellen. Deze wijziging van de welstandsnota dient weer door de gemeenteraad te worden vastgesteld en de inspraakprocedure conform de gemeentelijke inspraakverordening dient te zijn gevolgd. Behalve de toetsingscriteria omvat een beeldkwaliteitsparagraaf bij voorkeur ook een toelichting waarin het onderliggende beleid kan worden verklaard. In deze toelichting wordt het gemeentebeleid voor het betreffende (ontwikkelings)gebied met betrekking tot beeldkwaliteit op hoofdlijnen samengevat. De toelichting vervult verder een belangrijke rol bij uitvoering van projecten, omdat initiatiefnemers bij het realiseringstraject kunnen refereren aan de voorbeelden en beleidslijnen. Maar net als bij een bestemmingsplan heeft de toelichting ook bij een beeldkwaliteitsparagraaf slechts een beperkte status. 3.5 Welstand en openbare ruimte en groenbeleidDe openbare ruimten en groengebieden worden binnen een gemeente over het algemeen begrensd door bebouwing. Bebouwing waarover welstand in het geval van aanpassingen en veranderingen een woordje meepraat om de kwaliteit van die bebouwing en vooral ook de samenhang tussen bebouwing binnen een gebied zo -veel mogelijk te waarborgen. De kwaliteit van die bebouwing heeft effect op de omgeving waarin dat gebouw staat. Een straat met kwalitatief hoogwaardige bebouwing draagt positief bij aan de beleving van die ruimte. Andersom draagt een straat met een kwalitatief hoogwaardige inrichting positief bij aan de beleving van de bebouwing langs die straat. Omdat in het welstandsbeleid slechts in geringe mate kan worden ingegaan op de kwaliteiten van de openbare ruimte en groen, namelijk slechts op die aspecten waarvoor een bouwvergunning vereist is, is het dan ook de kunst dat bij de wens tot een integraal kwaliteitsbeleid er voldoende afstemming plaatsvindt tussen de welstandsnota met daarin vastgelegd de kwaliteiten voor de bebouwing en daarnaast beleidsnota's waarin de kwaliteiten vastgelegd zijn van de openbare ruimte en groen. Deze afstemming vindt plaats door vanuit de gebiedsgerichte benadering, die gevolgd wordt in het kader van het opstellen van de welstandsnota, beleidskeuzen voor andere beleidsvelden vast te leggen. Dit vereist reeds van het begin af aan een integrale aanpak op gebiedsniveau. 3.6 Welstand en monumentenbeleidRijksmonumenten De bescherming van het monument zelf is geregeld in de Monumentenwet
(1988)of in de gemeentelijke Monumentenverordening. Bouwen en verbouwen aan rijksmonumenten is vastgelegd in de Monumentenwet. Deze wet geeft het Rijk de mogelijkheid om objecten met een leeftijd van 50 jaar of hoger als rijksmonument aan te wijzen. Rijksmonumenten worden wettelijk beschermd via het vergunningenstelsel en bij restauratie zijn financiële middelen beschikbaar. Rijksmonumenten zijn in het Monumentenregister ingeschreven door de Rijksdienst voor de Monumentenzorg (RDMZ). Het hele object, of het nu een gebouw of een object in de openbare ruimte betreft, is beschermd. Veranderingen aan rijksmonumenten doorvoeren is niet verboden, maar er moet altijd een vergunning aangevraagd te worden. Het is verboden rijksmonumenten te beschadigen of vernielen. Het is bovendien niet toegestaan een monument zo te herstellen, te gebruiken of laten gebruiken dat het monument in gevaar wordt gebracht of ontsierd wordt. Een vergunning wordt pas verleend na afweging van alle belangen van zowel de belanghebbende(
- n)als van het object zelf. Deze afweging wordt gemaakt door de RDMZ en de gemeente. De Monumentenwet geeft daarnaast de mogelijkheid tot aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten. Beschermd stads- en dorpsgezicht Aangezien het beschermen van stads- en dorpsgezichten een zaak is van monumentenzorg en van ruimtelijke ordening, heeft zowel de staatssecretaris van OC&W als de Minister van VROM de bevoegdheid tot aanwijzing. Bouwen in beschermde stads- en dorpsgezichten is aan bepaalde regels gebonden. Deze zijn vervat in een aangepast bestemmingsplan en hebben primair betrekking op het respecteren van de lokale karakteristiek. Het opstellen van het aangepaste bestemmingsplan voor een beschermd stads- en dorpsgezicht gebeurt in nauwe samenspraak met de monumentencommissie en de RDMZ. Gemeentelijke en provinciale monumenten Net als bij rijksmonumenten dient bij bouwen en verbouwen aan een gemeentelijk of provinciaal monument uitgegaan worden van een afweging tussen de belangen van de belanghebbende(
- n)en het object zelf. Bij een bouwvergunning moet de gemeentelijke of provinciale monumentencommissie verplicht om advies gevraagd worden. Een beslissing wordt genomen door Burgemeester en Wethouders of door Gedeputeerde Staten. Een belangrijk verschil tussen rijksmonumenten enerzijds en gemeentelijke en provinciale monumenten anderzijds is dat alleen rijksmonumenten vallen onder het regime van de Monumentenwet en dat de ouderdomsnorm van 50 jaar alleen op rijksmonumenten van toepassing is. 3.7 Welstand en reclamebeleid Reclame-uitingen aan of op gevels alsmede reclameobjecten zijn bedoeld om op te vallen. Daarom kunnen ze, indien harmonieuze inpassing achterwege blijft, al snel als visueel storend worden ervaren. Derhalve is voor plaatsing in beginsel altijd een vergunning van de gemeente nodig. Bij de beoordeling van reclame-uitingen door gemeenten in het kader van welstand wordt onder meer gelet op de visuele afstemming van de reclame op of bij het gebouw en de omgeving. Hiervoor wordt advies gevraagd aan de plaatselijke of provinciale welstandscommissie. Concreet wordt gekeken naar de volgende aspecten: - Er moet worden gelet op de vormgeving van de reclame. - De reclame moet een functionele relatie hebben met het gebouw waarop of waarbij deze wordt aangebracht. PROCEDURE 4. ORGANISATIE VAN WELSTAND 4.1 De welstandscommissieDe Woningwet 2003 (artikel 8 lid 2) verplicht gemeenten er toe de regels met betrekking tot de samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie in de bouwverordening op te nemen. Voor informatie hierover wordt u verwezen naar de bouwverordening en de toelichting hierop. 4.2 De gemeentelijke organisatie 4.2.1 Burgemeester en Wethouders voeren het welstandstoezicht uitDe bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de afgifte van de bouwvergunning ligt bij Burgemeester en Wethouders. Zij hebben een eigen verantwoordelijkheid voor het welstandsoordeel dat tot stand komt aan de hand van de in de welstandsnota op -genomen criteria. Het advies van de onafhankelijke en deskundige welstandscommissie speelt daarbij een belangrijke rol. 4.2.2 Afwijking van het advies, afwijken van de criteriaBurgemeester en Wethouders volgen in hun oordeel in principe het advies van de welstandscommissie. Daarop zijn de volgende uitzonderingsmogelijkheden: Afwijken van het advies op welstandsmotieven/ second-opinion Burgemeester en Wethouders kunnen op inhoudelijke grond afwijken van het ad -vies van de welstandscommissie indien zij tot het oordeel komen dat de welstandscommissie de van toepassing zijnde criteria niet juist heeft geïnterpreteerd, of de commissie naar hun oordeel niet de juiste criteria heeft toegepast. Indien Burgemeester en Wethouders bij een reguliere bouwvergunningsaanvraag op inhoudelijke grond tot een ander oordeel komen dan de welstandscommissie staan 2 mogelijkheden ter beschikking: Enerzijds kunnen Burgemeester en Wethouders de commissie vragen om een heroverweging. Dit gebeurt in incidentele gevallen waarbij aanvullende planinformatie beschikbaar komt. Anderzijds kunnen zij voordat het besluit op de vergunningsaanvraag wordt genomen, binnen de daarvoor geldige afhandelingstermijn, een second-opinion aanvragen bij een andere onafhankelijke adviescommissie. Het advies van deze tweede commissie speelt een zware rol bij de verdere oordeelsvorming van Burgemeester en Wethouders. Indien het advies van de reguliere commissie en de second-opinion tegengesteld zijn en Burgemeester en Wethouders op inhoudelijke grond afwijken van het advies van de reguliere welstandscommissie, wordt dit in de beslissing op de aanvraag van de bouwvergunning gemotiveerd. De reguliere welstandscommissie wordt hiervan op de hoogte gesteld. Afwijken van het advies om andere redenen Burgemeester en Wethouders krijgen volgens artikel 44 lid 1d Ww 2002 de mogelijkheid om bij het in strijd zijn van een bouwplan met redelijke eisen van welstand, toch de bouwvergunning te verlenen indien zij van mening zijn dat daarvoor andere redenen zijn, bijvoorbeeld van economische of maatschappelijke aard. Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de bouwvergunning gemotiveerd. De welstandscommissie wordt hiervan op de hoogte gesteld. 4.2.3 BezwarenprocedureHet indienen van bezwaar Belanghebbenden kunnen binnen zes weken bezwaar indienen tegen de beslissing van Burgemeester en Wethouders op de aanvraag voor een bouwvergunning. Belanghebbenden zijn in de regel de planindiener en de direct omwonenden. In de bezwaarschriftprocedure heroverwegen Burgemeester en Wethouders het besluit, na advies van de ‘Commissie Bezwaar- en Beroepschriften’. Belanghebbenden worden in dat geval uitgenodigd om tijdens een hoorzitting hun standpunten nader toe te lichten. Binnen tien weken nemen Burgemeester en Wethouders daarna een beslissing op het bezwaar. De belanghebbenden die het met de heroverweging niet eens zijn, kunnen hiertegen in beroep gaan. De afdeling ROB kan informatie over de procedure geven. Als een bezwaar te maken heeft met het welstandsoordeel, richt de belanghebbende zich dus nadrukkelijk op het oordeel van Burgemeester en Wethouders en niet op het advies van de welstandscommissie. Dat is immers alleen een advies aan Burgemeester en Wethouders. De welstandscommissie zelf kent daarom geen bezwaarprocedure voor belanghebbenden. Natuurlijk kunnen de ontwerper en eventueel de planindiener de welstandscommissie wel een toelichting op een uitgebracht advies vragen. Na hoor en wederhoor kan de welstandscommissie, als zij daartoe aanleiding ziet, het advies herzien. Deze herziening wordt in het advies gemotiveerd. De Federatie Welstand beschikt over een beroepscommissie voor procedurele en juridische zaken. Hiervan wordt nauwelijks gebruik gemaakt. Van veel meer belang voor bouwaanvragers zou een landelijke beroepscommissie (een soort ombudsman) voor inhoudelijk beroep wenselijk zijn. Momenteel wordt binnen de Federatie Welstand gezocht naar een dergelijke formule. 4.2.4 VooroverlegDe gemeente biedt ontwerpers en planindieners de mogelijkheid om, voorafgaand aan de formele bouwvergunningsaanvraag, vooroverleg te plegen met de welstandscommissie over de interpretatie van de welstandscriteria in het concrete geval van hun bouwplan. Hiertoe kan een schetsplan worden ingediend bij de afdeling ROB. Het vooroverleg met de welstandscommissie kan pas starten nadat duidelijkheid bestaat over de planologische aanvaardbaarheid van het plan. Omdat het vooroverleg diep kan ingrijpen in de planontwikkeling moet het met de nodige waarborgen worden omgeven. Ook tijdens het vooroverleg moet de kwaliteit van het aangeleverde materiaal een goed beeld geven van het plan en de relatie met de omgeving. De welstandscommissie kan zich een goed oordeel vormen als de volgende zaken worden aangeleverd: situatieschets inclusief aansluitende terreinen (minimaal schaal 1:1000), foto’s van de bestaande situatie en de omgeving, bij verbouwingsplannen tevens schetsen van bestaande plattegronden, doorsneden en gevelaanzichten (minimaal schaal 1:100). Bij grote projecten kan de welstandscommissie een werkmaquette van het bouwwerk en zijn omgeving vragen om de schaal en massa te kunnen beoordelen. Het schetsplan wordt geregistreerd, gedateerd en krijgt een dossiernummer. In af -wachting van de verdere ontwikkelingen van het plan wordt met een pread-vies/welstandsvolgformulier verslag uitgebracht van het vooroverleg aan Burgemeester en Wethouders. Op deze wijze wordt zorggedragen voor een goede verslaglegging en een consistente advisering in alle planfasen. Op verzoek van de op -drachtgever kan dit overleg achter gesloten deuren plaatsvinden. De opdrachtgever dient deze wens bij het college van Burgemeester en Wethouders kenbaar te ma -ken. 5. WELSTANDS- EN BOUWVERGUNNINGSPROCEDURE Status Deze beleidsnota geeft voor het gehele grondgebied van de gemeente Alphen-Chaam richting aan de beoordeling van bouwwerken door welstand. De nota geeft op lokaal niveau inhoud aan de nieuwe wijze van weIstandstoezicht zoals deze is vastgelegd in de vernieuwde Woningwet. De Welstandsnota Alphen-Chaam is, na vaststelling in de gemeenteraad, het instrument waarmee de welstandstoets van bouwwerken uitgevoerd wordt. De wet heeft daarbij vastgelegd dat deze toets gebaseerd moet zijn op zowel algemene als ge -biedseigen kwaliteiten en kenmerken en voor de burger transparant en navolgbaar moet zijn. In essentie komt het erop neer dat: • de gemeenteraad bepaalt welk welstandsniveau en welke criteria in welk gebied van belang zijn bij de toetsing; • de burger in staat moet zijn daarvan kennis te nemen en zodoende vooraf weet waarop zijn bouwplan zal worden getoetst; • welstandstoezicht daar vervolgens naar te handelen heeft en welstandstoezicht haar beoordeling van het bouwwerk op die criteria goed naar de burger dient te communiceren. Deze beleidsnota is zodanig opgesteld dat deze aan de eisen van de nieuwe Wo -ningwet voldoet. Nieuwe Woningwet Met de nieuwe Woningwet wordt een nieuwe vormgeving van welstandsadvisering beoogd. Deze dient gebaseerd te zijn op vooraf geformuleerde criteria, die zijn vastgesteld door de gemeenteraad. Daarnaast is een nieuwe categorie-indeling van bouwwerken in het kader van de bouwvergunningsprocedure gemaakt: • regulier bouwvergunningplichtige bouwwerken • licht bouwvergunningplichtige bouwwerken • bouwvergunningsvrije bouwwerken De categorie-indeling is uitgewerkt in de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken. Hierin staat aangegeven welke bouwwerken bouwvergunningsvrij dan wel licht-bouw-vergunningplichtig zijn. De AMvB bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergun-ningplichtige bouwwerken is als bijlage bij deze welstandsnota gevoegd (Bijlage 3). Als u wilt bouwen moet u daar meestal een bouwvergunning van de gemeente voor hebben. Voor een aantal bouwwerken is geen bouwvergunning nodig, mits aan bepaalde voorwaarden voldaan wordt. Alle (ver)bouwplannen moeten worden voorgelegd aan de gemeente. Deze toetst ze dan vooraf op een aantal door de wet voorgeschreven punten. Sommige (kleinere) bouwwerken doorlopen een 'lichte' bouwvergunningsprocedure en ondergaan daarbij een minder uitgebreide toets dan bouwwerken die aan een 'reguliere' bouwvergunningsprocedure worden onderworpen. De regels verschillen per bouwwerk en per situatie. Ze schrijven bepaalde voorwaarden voor waaraan moet worden voldaan om bouwvergunningsvrij te mogen bouwen. Als uw bouwwerk aan één van deze voorwaarden niet voldoet, dan geldt de vergunningsvrijheid niet meer. Als gevolg van deze nieuwe indeling veranderen ook de te volgen procedures. De verschillende soorten categorieën bouwwerken doorlopen een bepaalde procedure met hierin verschillende toetselementen. Hieronder is per categorie bouwwerk aangegeven hoe de procedure verloopt en aan welke elementen een bouwaanvraag wordt getoetst. Bouwvergunningsprocedure : regulier bouwvergunningplichtige bouwwerken Complete nieuwbouw en verbouwwerkzaamheden met een forsere omvang zijn regulier bouwvergunningplichtig. Voor regulier bouwvergunningplichtige bouwwerken geldt dat Burgemeester en Wethouders binnen 12 weken na indienen van het plan beslissen omtrent de aanvraag. Deze termijn kan éénmalig met 6 weken worden verlengd. De aanvraag wordt in deze periode zowel op zijn kwalitatieve als op bouwtechnische aspecten getoetst. Allereerst vindt een ruimtelijke (Bestemmingsplan en voorschriften van stedenbouwkundige aard uit de bouwverordening) en welstandstoetsing plaats. Indien het bouwplan in de kwalitatieve toets positief is beoordeeld volgt nog een bouwtechnische toets (bouwbesluit en bouwverordening voorzover geen voorschriften van stedenbouwkundige aard). Bij het gefaseerd in -dienen van een bouwaanvraag vindt in de eerste 6 weken de ruimtelijke en wel-standstoets plaats. In de tweede 6 weken wordt het plan getoetst aan het bouwbesluit en de bouwverordening voorzover geen voorschriften van stedenbouwkundige aard, de bodemrapportage. Bij gefaseerd indienen kan de procedure maximaal met twee keer 6 weken worden verlengd (één keer 6 weken verlenging voor de ruimtelijke en welstandstoets en één keer 6 weken verlenging voor de bouwtechnische toets). BflO 42 Deel I - Beleid en procedure Indienen aanvraag Stedenbouwkundige en welstandstoets 6 weken Bouwtechnische toets 6 weken Inboeken Indienen aanvraag Toetsen aan compleetheid Aanvullen Niet-compleet Compleet RUIMTELIJKE TOETS Niet akkoord Akkoord Aanvullende stedenbouwkundige onderbouwing V WELSTANDSTOETS Ambtelijk voorbereiden Behandelen in commissie Ambtelijk verslag 1 POSITIEF ADVIES ADVIES AANHOUDEN NEGATIEF ADVIES AFWIJZEN BOUWTECHNISCHE TOETS VERLENEN VERGUNNING Bouwvergunningsprocedure : licht bouwvergunningplichtige bouwwerken Kleinere bouwwerken, zoals een dakkapel of bijgebouw aan de voorkant van een gebouw zijn meestal licht-vergunningplichtig. Voor licht bouwvergunningplichtige bouwwerken geldt dat Burgemeester en Wethouders binnen 6 weken na indienen van het plan beslissen omtrent de aanvraag. De aanvraag wordt in deze periode getoetst aan: • het bouwbesluit: voor zover betrekking op de constructieve veiligheid; het bestemmingsplan; • de sneltoetscriteria van welstand: afhankelijk van type/aard van het bouwwerk (conform welstandsnota); • de bouwverordening: voorzover het betreft voorschriften van stedenbouwkundige aard. Monumentenvergunning Welke bouwwerken slechts een lichte bouwvergunningsprocedure doorlopen staat vermeld in het 'Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken'. Dat is een officieel, wettelijk document dat bij de Woningwet hoort. Bouwvergunningsvrije bouwwerken Meestal zijn kleine bouwwerken, zoals een afscheiding tussen balkons of dakterrassen, zonweringen of rolluiken, maar ook dakkapellen en bijgebouwen aan de achterkant van een woning, bouwvergunningsvrij. Deze bouwactiviteiten kunnen uitgevoerd worden zonder dat hiervoor toestemming van de gemeente benodigd is. Uitzondering hierop vormen bouwvergunningsvrije bouwwerken in beschermde stads- en dorpsgezichten en bouwvergunningsvrije bouwwerken aan of bij monumenten. Deze zijn 'licht bouwvergunningplichtig' en dienen derhalve bovengenoemde procedure te doorlopen. Bij bouwvergunningsvrij bouwen gelden een aantal regels met betrekking tot het volbouwen van erf en dak, het voldoen aan het bouwbesluit, voorschriften ten aanzien van gebruik, burenrecht en ook aan redelijke eisen van welstand. Een bouw-vergunningsvrij bouwwerk wordt vooraf niet aan welstandseisen getoetst. Toch zijn er grenzen gesteld aan wat u mag bouwen. Als u een bouwwerk maakt dat 'in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand', kan de gemeente ingrijpen. Hiervoor is de zogenaamde 'repressieve welstandstoets' ingesteld; een excessenre-geling op grond waarvan u gedwongen kunt worden uw 'al te lelijke bouwwerk dat ernstig uit de toon valt' aan te passen. Wat de repressieve welstandstoets inhoudt is te vinden in Deel II - Hoofdstuk 5 'Repressieve criteria voor welstandsvrije bouwwerken'. De Welstandstoets De welstandstoets is dus één toetselement in de bouwvergunningsprocedure en wordt, al naar gelang het type bouwwerk, uitgevoerd door de welstandscommissie dan wel ambtelijk afgehandeld. De welstandstoets wordt door de welstandscommissie uitgevoerd in geval van regulier bouwvergunningplichtige bouwwerken en lichte bouwvergunningplichtige bouwwerken voorzover niet af te handelen aan het loket. Welstand kan een positief besluit nemen over een bouwplan, maar de opdrachtgever ook vragen om binnen twee weken een aantal onderdelen nader uit te werken of aan te passen. Indien het plan (ook na eventuele aanpassingen) in onvoldoende mate voldoet aan de toetsingscriteria, zal welstand het plan afwijzen. Bij afwijzing (en uiteraard goedkeuring) sluit de beoordelingsprocedure. Een plan dat na afwijzing in aangepaste vorm opnieuw wordt ingediend doorloopt weer de volledige procedure, inclusief de daarbij behorende legeskosten. De categorie licht bouwvergunningplichtige bouwwerken die onder de 'sneltoetscri-teria' valt, wordt ambtelijk op welstand getoetst. Hiervoor zijn zogenaamde 'snel-toetscriteria' opgesteld. Deze zijn in Deel II - Hoofdstuk 4 'Sneltoetscriteria' opgenomen. Niveau van welstand Per zwaarte van de welstandstoets (het niveau van welstand) worden concrete soorten toetsingscriteria benoemd. Voor de gemeente Alphen-Chaam zijn, om een heldere transparante systematiek te verkrijgen, in deze welstandsnota twee niveaus van welstandstoezicht onderscheiden: • BASIS niveau van welstand; • BIJZONDER niveau van welstand. De niveaus geven het belang van de bestaande ruimtelijke en architectonische kwaliteiten aan en de politieke wens hoe daar met de welstandstoetsing bij nieuwe bouwplannen rekening mee te houden. De soorten toetsingscriteria worden be -noemd in het welstandsniveauschema in zoals opgenomen in hoofdstuk 2. Criteria Regulier bouwvergunningplichtige bouwwerken worden in de hierboven vernoemde welstandstoets op vier soorten criteria getoetst: • Algemene criteria; • Gebiedsgerichte criteria; • Sneltoetscriteria ; • Thematische criteria. Algemene criteria Bij de toets op de algemene criteria wordt gekeken naar de architectonische kwaliteit en passendheid van het bouwwerk op zich. De algemene criteria zijn universele kwaliteitsprincipes, gericht op het vakmanschap van het architectonisch ontwerp en de zeggingskracht van het bouwwerk. Zij zijn gericht op de relatie, tussen vorm en sociaal-culturele context, goede schaal en maatverhoudingen en het evenwicht tussen helderheid en complexiteit. Gebiedsgerichte criteria De gebiedsgerichte criteria beoordelen een bouwwerk op de relatie van dat bouwwerk met zijn omgeving. De gebiedsgerichte toets hanteert vier hoofdcategorieën criteria: • de situering van het bouwwerk; • de hoofdvormen van het bouwwerk; • de gevelaanzichten van het bouwwerk; • de materialisatie en detaillering van het bouwwerk. Sneltoetscriteria De sneltoetscriteria zijn criteria voor kleine, veelvoorkomende bouwwerken, die licht-bouwvergunningplichtig zijn. Het gaat hier om: aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, kozijn- en gevelwijzigingen, dakkapellen, erfafscheidingen, dakramen, zonnepanelen en -collectoren, spriet-, staaf- en schotelantennes, rolhek- ken, luiken en rolluiken. Bouwaanvragen voor deze licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken worden in de meeste gevallen ambtelijk getoetst. Bouwplannen, die betrekking hebben op licht-vergunningplichtige bouwwerken, waarvoor geen sneltoetscriteria zijn opgenomen, worden door de welstandscommissie getoetst. Kleine veelvoorkomende bouwwerken, waarvoor sneltoetscriteria zijn geformuleerd, kunnen deel uitmaken van een totaal bouwplan, dat reguliervergunningplich-tig is en ter advisering bij de welstandscommissie ligt. De welstandscommissie be -trekt bij de toets van dit totale bouwplan ook de relevante sneltoetscriteria. Om te voorkomen, dat men achteraf geconfronteerd wordt met redelijke eisen van welstand kan een initiatiefnemer van een te bouwen vergunningsvrije bouwwerk dit vrijwillig toetsen aan redelijke eisen van welstand. De sneltoetscriteria dienen als adviserend toetsingskader. Thematische criteria Voor specifieke bouwwerken of bouwwerken op specifieke locaties zijn aanvullende criteria opgesteld. Per thema is een onderscheid gemaakt in ambitieniveau en een aansluiting gezocht bij het ruimtelijke kwaliteitsbeleid en de gewenste ontwikkelingen. Deze thematische bebouwingstypen zijn uitgewerkt in Deel II - Hoofdstuk 3 van deze nota. Voor specifieke gebouwtypen en bouwwerken geldt dat de criteria altijd in samenhang gezien moeten worden met de gebiedsgerichte criteria waarin het bouwwerk wordt geplaatst. Benodigde bescheiden bij welstandstoets Om een plan goed te kunnen beoordelen dient de aanvrager voldoende informatie over het plan te verstrekken. De kwaliteit van het aangeleverde materiaal (plattegronden, tekeningen, foto's etc.) moet een goed beeld geven van het bouwplan en de relatie met de omgeving. De commissie kan zich een goed oordeel vormen als tenminste de volgende zaken worden aangeleverd: een situatietekening inclusief aansluitende terreinen (minimaal schaal1 :1000); foto's van de bestaande situatie en de omgeving; bij verbouwingsplannen tevens tekeningen van bestaande plattegronden; doorsneden en gevelaanzichten (minimaal schaal1 :100); tekeningen van de principedetails die verband houden met het uiterlijk van het bouwwerk; kleurenschema's en een materiaallijst; kopieën van de relevante criteria uit de welstandsnota. Wanneer het plan een monument betreft, dient de redengevende beschrijving van het monument bij de behandeling van het plan beschikbaar te zijn. Bij grote projecten kan de welstandscommissie een werkmaquette van het bouwwerk en zijn omgeving vragen om de schaal en massa te kunnen beoordelen. nummer 148x00102.09395 Welstandsnota datum mei 2004 Deel II - Criteria Documentatiepagina Opdrachtgever: gemeente Alphen-Chaam Titel rapport: Welstandsnota Rapporttype: Deel I - Beleid en procedure Deel II - Criteria Rapportnummer: 148x00102.09395 Datum: mei 2004 Contactpersoon dhr. J. Roelands opdrachtgever: Projectteam BRO: Marc Oosting Jochem Rietbergen Sander Boon Trefwoorden: Welstandsnota, Alphen-Chaam Beknopte inhoud: Welstandsnota met gebiedsbeschrijving, welstandsbeleid en welstandsprocedures Inhoudsopgave Deel II - Criteriapagina GEBRUIKSHANDLEIDING 3 1. ALGEMENE CRITERIA 7 2. GEBIEDSGERICHTE CRITERIA 11 Ruimtelijke hoofdstructuur van Alphen-Chaam 13 Historische centrumgebieden (H-gebieden) 15 Woongebieden (W-gebieden) 20 Werkgebieden en grootschalige publieke voorzieningen (B-gebieden) 29 Groengebieden (G-gebieden) 32 G1 (Voormalige) landgoederen, hoeven en buitenplaatsen 33 G2 Parken en begraafplaatsen 36 G3 Sportterreinen 38 G4 Buitengebied 40 3. THEMATISCHE UITWERKINGEN 49 Inleiding 49 Reclame-uitingen 50 Antenne-installaties voor mobiele telecommunicatie (GSM) 52 Ontwikkelingsgebieden 55 4. SNELTOETSCRITERIA 63 4.1 Inleiding 63 4.2 Toepassing 63 4.3 Beoordelingsaspecten 64 4.4 Aan- en uitbouwen 66 4.5 Bijgebouwen en overkappingen 71 4.6 Kozijn- en gevelwijzigingen 75 4.7 Dakkapellen 78 4.8 Erfafscheidingen 85 4.9 Overige licht-vergunningplichtige bouwwerken 87 4.10 Dakramen 88 4.11 Zonnepanelen en –collectoren 90 4.12 Spriet-, staaf- en schotelantennes 92 4.13 Rolhekken, luiken en rolluiken 94 Inhoudsopgave Deel II - Criteria 1 BflO Inhoudsopgave (vervolg) pagina 5. (REPRESSIEVE) CRITERIA VOOR VERGUNNINGSVRIJE BOUWWERKEN 5.1 Inleiding 5.2 Repressieve toetsing van vergunningsvrije bouwplannen 5.3 Vrijwillige toetsing van vergunningsvrije bouwplannen 97 97 97 98 BIJLAGEN Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5: Bebouwingskenmerken Begrippenlijst Bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken Monumentenlijst Landschapsverordening GEBRUIKSHANDLEIDING Gebruik In dit hoofdstuk zijn de criteria ten behoeve van de welstandstoets van de gemeente Alphen-Chaam uitgewerkt. Deze criteria zijn in belangrijke mate gestoeld op een gebiedsgerichte benadering. Er worden verschillende typen criteria onderscheiden. Aan welke criteria een bouwplan getoetst wordt, hangt af van het soort gebied en het type bouwwerk. Met behulp van de AmvB 'Bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken' kan worden bepaald of een bouwaanvraag vergunningsvrij, licht- danwel regulier vergunningplichtig is (zie AmvB, bijlage 3). De welstandstoets vormt een onderdeel van de bouwvergunningsprocedure. De complete bouwvergunningsprocedure is uitgewerkt in Deel I, hoofdstuk 5. In de gemeente Alphen-Chaam worden de volgende typen criteria onderscheiden: Algemene criteria: deze liggen ten grondslag aan iedere bouwplanbeoordeling. Fungeren daarnaast als 'vangnet' wanneer een bouwplan gemotiveerd afwijkt van de gebiedsgerichte criteria. Gebiedsgerichte criteria: specifieke aan bebouwing in verschillende deelgebieden gerelateerde criteria. Gelden alleen voor regulier bouwvergunningplichtige bouwwerken. Thematische uitwerkingen: gelden aanvullend op de gebiedsgerichte criteria voor specifieke bouwwerken. Sneltoetscriteria: algemeen geldende met name kwantitatieve criteria voor lichtbouwvergunningplichtige bouwwerken. Deze sneltoetscriteria gelden eveneens voor een vrijwillige toetsing van vergunningsvrije bouwwerken. In onderstaand schema staat de onderlinge relaties tussen de verschillende typen criteria weergegeven. Afhankelijk van de te doorlopen bouwvergunningsprocedure zijn de typen criteria uit het schema wel of niet van toepassing. In het kader van een welstandstoets is er altijd sprake van één toets. Deze toets kan overigens bestaan uit meerdere toetselementen, de verschillende typen criteria. BOUWAANVRAAG WELSTANDSTOETS Algemene sneltoetscriteria Niveau van welstand De welstandscommissie handelt bij haar toets conform de inhoud van de welstands-criteria, zoals in deze nota opgenomen. Zij houdt bij haar toets rekening met de verschillen in de niveaus van welstand. Bieden de criteria voor de welstandstoets aanknopingspunten voor het ontwerp, de niveaus van welstand geven een indicatie voor de mate van ontwerpvrijheid. De niveaus van welstand bepalen in hoofdlijnen de mate van gedetailleerdheid van de gebiedsgerichte criteria. De welstandscommissie kan in haar welstandsadvies geen zwaardere criteria hanteren dan vastgelegd in deze nota. De gemeente Alphen-Chaam onderscheidt twee niveaus van welstandstoezicht: • BASIS niveau van welstand; • BIJZONDER niveau van welstand. In Deel I, hoofdstuk 2, §2.2.3 wordt de invulling van deze niveaus van welstand na -der toegelicht. In dit deel in hoofdstuk 3 wordt per gebiedstype het geldende niveau van welstand en de bijbehorende set van criteria per gebiedstype uitgewerkt. 1. ALGEMENE CRITERIA Naast de specifieke gebiedsgerichte criteria zijn bij de beoordeling van een bouwwerk ook algemene criteria van kracht. Deze richten zich op de zeggingskracht en het vakmanschap van het architectonisch ontwerp en zijn terug te voeren op universele kwaliteitsprincipes. De algemene criteria liggen ten grondslag aan elke planbe-oordeling en bestaan uit een uiteenzetting van algemene architectonische begrippen en aspecten. De algemene architectonische begrippen komen voort uit de notitie die de toenmalige rijksbouwmeester, dhr. Tj. Dijkstra, in 1985 heeft uitgebracht onder de titel 'Architectonische kwaliteit, een notitie over architectuurbeleid'. Ze vormen het begrippenkader en zijn als het ware het gereedschap van de welstandscommissie bij de argumentatie van het welstandsadvies. Toepassing algemene criteria In bijzondere situaties, wanneer de gebiedsgerichte en de objectgerichte criteria (sneltoetscriteria) ontoereikend zijn, kan het nodig zijn expliciet terug te grijpen op de algemene criteria. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een bouwplan afwijkt van de bestaande of toekomstige omgeving maar door bijzondere schoonheid wél aan redelijke eisen van welstand voldoet. De welstandscommissie kan Burgemeester en Wethouders in zo'n geval gemotiveerd en schriftelijk adviseren af te wijken van de gebiedsgerichte en sneltoetscriteria. In praktijk betekent dit dat het betreffende plan alleen op grond van de algemene criteria wordt beoordeeld en dat de bijzondere schoonheid van het plan met deze criteria overtuigend kan worden aangetoond. Het niveau van 'redelijke eisen van welstand' ligt dan uiteraard hoog, het is immers redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonisch vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt. Relatie tussen vorm, gebruik en constructie Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft. Een bouwwerk wordt primair gemaakt om te worden gebruikt. Hoewel het welstandstoezicht slechts is gericht op de uiterlijke verschijningsvorm, kan de vorm van het bouwwerk niet los worden gedacht van de eisen vanuit het gebruik en de mo -gelijkheden die materialen en technieken bieden om een doelmatige constructie te maken. Gebruik en constructie staan aan de wieg van iedere vorm. Daarmee is nog niet gezegd dat de vorm altijd ondergeschikt is aan het gebruik of de constructie. Ook wanneer andere aspecten dan gebruik en constructie de vorm tijdens het ont- werpproces gaan domineren, mag worden verwacht dat de uiteindelijke verschijningsvorm een begrijpelijke relatie houdt met zijn oorsprong. Daarmee is tegelijk gezegd dat de verschijningsvorm méér is dan een rechtstreekse optelsom van ge -bruik en constructie. Er zijn daarnaast andere factoren die hun invloed kunnen hebben, zoals de omgeving en de associatieve betekenis van de vorm in de sociaal-culturele context. Maar als de vorm in tegenspraak is met het gebruik en de constructie dan verliest zij daarmee aan begrijpelijkheid en integriteit. Relatie tussen bouwwerk en omgeving Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is. Bij het oprichten van een gebouw is sprake van het afzonderen en in bezit nemen van een deel van de algemene ruimte voor particulier gebruik. Gevels en volumes vormen zowel de externe begrenzing van de gebouwen als ook de wanden van de openbare ruimte die zij gezamenlijk bepalen. Het gebouw is een particulier object in een openbare context, het bestaansrecht van het gebouw ligt niet in het eigen functioneren alleen, maar ook in de betekenis die het gebouw heeft in zijn stedelijke of landschappelijke omgeving. Ook van een gebouw dat contrasteert met zijn omgeving mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen en de omgeving niet ontkent. Waar het om gaat is dat het gebouw een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Over de wijze waarop dat bij voorkeur zou moeten gebeuren, kunnen de gebiedsgerichte criteria duidelijkheid verschaffen. Betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels, net zoals een taal zijn eigen grammaticale regels heeft om zinnen en teksten te maken. Die regels zijn geen wetten en moeten ter discussie kunnen staan. Maar als ze worden verhaspeld of ongeïnspireerd worden gebruikt, wordt een tekst verwarrend of saai. Precies zo wordt een bouwwerk verwarrend of saai als de regels van de architectonische vormgeving niet bewust worden gehanteerd. Als vormen regelmatig in een bepaald verband zijn waargenomen krijgen zij een zelfstandige betekenis en roepen zij, los van gebruik en constructie, bepaalde associaties op. Pilasters in classicistische gevels verwijzen bijvoorbeeld naar zuilenstructu-ren, zuilen en/of pilasters van tempels. Transparante gevels van glas en metaal roepen associaties op met techniek en vooruitgang. In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders reeds aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt verwacht. De kracht of de kwaliteit van een bouwwerk ligt echter vooral in de wijze waarop die verwijzingen en associaties worden verwerkt en geïnterpreteerd binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen. Er kunnen dan concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Zorgvuldig ge -bruik van verwijzingen en associaties betekent onder meer dat er een bouwwerk ontstaat dat integer is naar zijn tijd doordat het op grond van zijn uiterlijk in de tijd kan worden geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd. Bij restauraties is sprake van herstel van elementen uit het verleden, maar bij nieuw- of verbouw in bestaande (monumentale) omgevingen betekent dit dat duidelijk moet zijn wat authentiek is en wat nieuw is toegevoegd. Een ontwerp kan worden geïnspireerd door een bepaalde tijdsperiode, maar dat is iets anders dan het imiteren van stijlen, vormen en detailleringen uit het verleden. Associatieve betekenissen zijn van groot belang om een omgeving te 'begrijpen' als beeld van de tijd waarin zij is ontstaan, als verhaal van de geschiedenis, als representant van een stijl. Daarom is het zo belangrijk om ook bij nieuwe bouwplannen zorgvuldig met stijlvormen om te gaan, zij vormen immers de geschiedenis van de toekomst. Evenwicht tussen helderheid en complexiteit Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door eenvoud verloren gaat. Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een gebouw mag worden gesteld is dat er structuur wordt aangebracht in het beeld. Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming en is bepalend voor het beeld dat men vasthoudt van een gebouw. Symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en materialen maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de gebouwde omgeving geeft, te reduceren tot een bevattelijk beeld. Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid. Een bouwwerk moet de waarnemer blijven prikkelen en intrigeren en zijn geheimen niet di -rect prijsgeven. Er mag best een beheerst beroep op de creativiteit van de voorbijganger worden gedaan. Van oudsher worden helderheid en complexiteit daarom als complementaire begrippen ingebracht bij het ontwerpen van bouwwerken. Complexiteit in de architectonische compositie ontstaat vanuit de stedenbouwkundige eisen en het programma van eisen voor het bouwwerk. Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in een evenwichtige en spanningsvolle relatie. Schaal en maatverhoudingen Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. leder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun ei -gen grenzen geleed zijn maar worden onherkenbaar en ongeloofwaardig als ze er uitzien alsof ze bestaan uit een verzameling losstaande kleine bouwwerken. De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan, maar vormen tegelijk één van de meest ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen. De waarnemer ervaart bewust of onbewust de maatverhoudingen van een bouwwerk, maar wáárom de maatverhoudingen van een bepaalde ruimte aangenamer, evenwichtiger of spannender zijn dan die van een andere, valt nauwelijks vast te stellen. Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. Mits bewust toegepast kunnen ook spanning en contrast daarin hun werking hebben. De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen tezamen de compositie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie. Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel, een aanbouw of een zonnecollector) te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld niet alleen van het object zelf maar ook van de omgeving waarin dat is geplaatst. Materiaal, textuur, kleur en licht Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken. Door middel van materialen, kleuren en lichttoetreding krijgt een bouwwerk uiteindelijk zijn visuele en tactiele kracht: het wordt zichtbaar en voelbaar. De keuze van materialen en kleuren is tegenwoordig niet meer beperkt tot wat lokaal aan materiaal en ambachtelijke kennis voorhanden is. Die keuzevrijheid maakt de keuze moeilijker en het risico van een onsamenhangend beeld groot. Als materialen en kleuren teveel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben, maar slechts worden gekozen op grond van decoratieve werking, wordt de betekenis ervan toevallig en kan de materiaal- en kleurkeuze afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren geen ondersteuning geeft aan de architectonische vormgeving of wanneer het gebruik van materialen en kleuren een juiste interpretatie van de aard en de ontstaansperiode van het bouwwerk in de weg staat. 2. GEBIEDSGERICHTE CRITERIA Gebiedsgerichte criteria Naast de algemene welstandscriteria, welke een gebouw op zich beoordelen, be -staan er criteria die eisen stellen aan bouwwerken in relatie tot de omgeving van dat bouwwerk: de gebiedsgerichte welstandscriteria. In dit hoofdstuk zijn per deelgebied gebiedsgerichte welstandscriteria geformuleerd. Vertrekpunt voor het be -palen van gebiedsgerichte criteria is de ruimtelijke hoofdstructuur; verfijnd in een gebiedstypologiekaart en gebiedsbeschrijving. Op de typologiekaart worden de verschillende gebiedstypen in landelijke en stedelijke gebieden onderscheiden. De gebiedsbeschrijving gaat in op het voorkomen, de oorsprong en de karakteristieken van de verschillende gebieden en gebiedsdelen. Op basis van inventarisatie en analyse kunnen de belangrijkste karakteristieken bepaald worden. Deze vormen de aandachtspunten voor de gebiedsgerichte welstandsnota. Binnen één type gebied kunnen meerdere welstandseenheden voorkomen. De keuze voor een bepaald welstandsniveau (BASIS, PLUS of BIJZONDER) in een bepaald (gedeelte) van een gebiedstype wordt bepaald vanuit de volgende invalshoeken: 1) de ruimtelijke karakteristiek en samenhang tussen cultuurhistorie, stedenbouw en architectuur, 2) de cultuurhistorische kwaliteiten en 3) de dynamiek van de bouw-opgave¹. Door de benoeming van een bepaald welstandsniveau ontstaan verschillende welstandseenheden. Voor elke welstandseenheid is een set met gebiedsgerichte criteria opgesteld (zie hieronder). Voor grenssituaties en ingrepen van grote invloed zijn algemene beleidsregels opgenomen. Een begrippenlijst en een uitleg van bouwkundige termen is als bijlage bij deze welstandsnota gevoegd. Binnen de gemeente Alphen-Chaam is enkel het BASIS en BIJZONDER niveau van welstand gehanteerd. Hierdoor wordt een heldere, transparante systematiek verkregen waarbij het in één oogopslag duidelijk is waar de ruimtelijke kwaliteiten (BIJZONDER niveau) zich bevinden en waar er dus extra aandacht dient te zijn voor welstandsaspecten. Hier tegenover staat dat de overige gebieden (BASIS niveau) een grotere mate van vrijheid kennen en de welstandstoets zodoende lichter is. In de navolgende paragrafen is achtereenvolgens ingegaan op: • de ruimtelijke hoofdstructuur van de gemeente; • de historisch gebieden (H-gebieden); • de woongebieden (W-gebieden); • de bedrijventerreinen (B-gebieden); • de groengebieden en het buitengebied (G-gebieden). ¹ Zie voor uitgebreide toelichting deel A - paragraaf 2.2.3 Voorbeeld tabel gebiedsgerichte criteria: Gebiedsgerichte welstandscriteria voor gebied X Algemene karakteristiek • Algemeen geldend: criteria voor rooilijn, plaatsing, oriëntatie. • Algemeen geldend: criteria voor relatie vorm bouwwerk tot hoofdvormen in gebied. • Algemeen geldend: criteria in relatie tot gevelaanzichten in gebied. • Algemeen geldend: criteria in relatie tot materialisatie en detaillering van bouwwerken in gebied. Hoofdvormen bouwwerk Gevelaanzichten Materialisatie en detaillering bouwwerk • Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huisnummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijke huisnummerkaart (kadastralekaart), is gelegen. • Licht-bouwvergunningplichtige bouwplannen die onderdeel uitmaken van een totaal bouwplan (regulier vergunningplichtig) worden in één welstandstoets zowel aan de gebiedsgerichte criteria als een de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria getoetst. • Zodra aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de maatvoeringseis ten aanzien van de bouwhoogte. • Zodra vrijstaande bijgebouwen en overkappingen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de sneltoetscriteria ten aanzien van hoogte en oppervlakte. • Zodra dakkapellen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing. Ruimtelijke hoofdstructuur van Alphen-Chaam² De gemeente Alphen-Chaam in het zuidelijk dekzandgebied in het zuidwestelijk deel van de provincie Noord-Brabant. Er zijn in de loop der tijd verschillende landschappen met elk hun eigen landschappelijke kenmerken, wegen- en occupatiepatroon ontstaan. Om inzicht te krijgen in het type bebouwingspatronen wordt deze paragraaf begonnen met een landschapsanalyse. Vervolgens wordt op kernniveau gekeken naar de belangrijkste structuurdragers. Landschap De gemeente Alphen-Chaam ligt op het Brabants Massief: een zwak hellend dek-zandgebied met in de ondergrond oude rivierafzettingen. Het landschap in Alphen-Chaam bestaat uit dekzandruggen en dekzandvlaktes, met glooiend verlopende hoogteverschillen daartussen, veroorzaakt door de beken (zoals de Chaamse Beek en de Strijbeeksebeek). Door de jaren heen is het gebied ontgonnen. Bepaalde gedeelten van Alphen-Chaam kennen een lange occupatiegeschiedenis. De parochie en later de Baronie van Breda heeft voor een belangrijk deel bijgedragen aan de ontwikkeling en ontginning van het landschap. Hierdoor waren Alphen en Chaam van oudsher ieder afzonderlijk gericht op Breda. Het riviertje de Mark vormde een natuurlijke barrière voor de verbinding tussen Galder en Chaam. De belangrijkste structuurlijnen lopen zodoende evenwijdig aan de beekdalen. Alphen is van oudsher gericht op Tilburg en de structuurlijnen lopen dan ook in noordoostelijke richting. In de gemeente zijn verschillende landschapseenheden die elk hun eigen occupatiegeschiedenis hebben te onderscheiden: oude ontginningslandschap; hoeven en landgoederenlandschap; jonge ontginningslandschap. Beeldbepalend is het verschil tussen de openheid van de jonge ontginningen en het besloten karakter van het oude cultuurlandschap: de oude ontginningen en de hoeven en landgoederen. Naast de oude, historisch gegroeide structuurdragers zijn er in het landschap in de met name in de 20ste eeuw (grootschalige) infrastructurele toevoegingen gedaan zoals de A58 en A16. In het landschap staan enkele markante objecten die een herkennings- of oriëntatiepunt vormen. De kerktorens, (markante) boerderijen in het buitengebied en een aantal dorpsranden zijn zulke herkenningspunten. ² Deze analyse is gebaseerd op de StructuurvisiePlus van de gemeente Alphen-Chaam (december 2001). Kernen en nederzettingen De gemeente Alphen-Chaam heeft een heldere ruimtelijke structuur opgebouwd uit een netwerk van linten die de nederzettingen met elkaar verbinden. De kern Alphen is ontstaan op een knooppunt van deze oud wegen. In het centrum ervan ligt de kerk op een bult. Rondom deze kerk is de kern gegroeid. Vanwege de aanwezigheid van esgronden is de kern niet gelijkmatig naar alle richtingen gegroeid. Door de komst van de spoorlijn (Bels lijntje) heeft Alphen zich vooral in zuidoostelijke richting ontwikkeld. Zo is het patroon van radiale wegen ontstaan, waartussen min of meer lobvormig de bebouwing is geconcentreerd. Door deze lobvormige structuur reikt het landschap op enkele plaatsen diep in de kern. Alphen heeft zodoende een directe relatie met het buitengebied, de lintbebouwing gaat bovendien over van een dorpskarakter binnen de kern naar een agrarisch karakter in het buitengebied. Chaam is ontstaan op een dekzandrug tussen twee beekdalen. Waarschijnlijk was Chaam een tiendakkerdorp. Op een centraal punt werd een NH-Kerk gesticht, rondom deze kerk (het gebied dat nu bekend staat als De Driehoek) en dwars op het lint groeide later de kern. In Chaam had deze ontwikkeling een planmatig karakter waardoor boerderijen in de dorpskern ontbreken. Chaam is uiteindelijk een langgerekt dorp aan een centrale ontsluitingsweg geworden, ingeklemd tussen twee beken. Chaam heeft een duidelijk centrumgebied , met een concentratie van voorzieningen en een beeldbepalende RK-kerk. De kern gaat zowel in oost als westrichting over in lintbebouwing met een meer agrarisch karakter. Vanaf de hoofdweg gaan steeds haaks wegen het landschap in. Dit zijn de oude routes die Chaam verbinden met oude linten en clusters van agrarische bedrijven in de omgeving. Galder is tevens ontstaan op een hogere dekzandrug langs een beekdal, in dit geval de Boven Mark. De hoofdwegen van Galder lopen dan ook in noord-zuidrichting evenwijdig aan de Mark. De vorm van Galder wordt verder mede bepaald door de oost-west lopende dwarsdalen van de Galdersche Beek en de Kerselsche Beek ten noorden en zuiden van de kern. Galder is veel kleiner van omvang gebleven dan Chaam, en kent nog een sterke binding met het agrarische landschap er omheen. In dit landschap onderscheidt het buurtschap Strijbeek zich door een verdichting van de lintbebouwing en het eigen karakter. Dit buurtschap is ontstaan langs de doorgaande weg van België naar Breda daar waar de Mark kan worden overgestoken. Ook het buurtschap Kerzel maakt onderdeel uit van de gemeenschap van Galder. Historische centrumgebieden (H-gebieden) Historisch gegroeide centrum gebieden zijn op verschillende manieren ontstaan. De landschappelijke en historische ontwikkeling van de gebieden zijn bepalend ge -weest voor de historische identiteit. Binnen de gemeente Alphen-Chaam zijn de historische dorpsgebieden als eslinten op de hoger gelegen gronden ontstaan. Deze grenzen aan beekdalen die reeds in de middeleeuwen als bouwland in gebruik wa -ren. De es is van oorsprong een open gebied zonder bebouwing of beplanting. Rondom de es liggen de boerderijen en de houtwallen die oorspronkelijk als veekering werd gebruikt. De ruimtelijke hoofdstructuur werd hier gevormd door ruimten, afgescheiden door dichte randen. Welstandseenheden Dorpen en steden kunnen op verschillende wijzen ontstaan en gegroeid zijn. De landschappelijk ontwikkeling, situering langs oude hoofdwegen en knooppunten maar ook strategische plekken zijn hierin bepalend geweest. In de gemeente Alphen-Chaam zijn de kernen ontstaan door vestiging op de hogere dekzandruggen langs de natte beekdalen. De dekzandruggen zijn mede bepalend voor de ligging van de oude linten die de nederzettingen met elkaar verbinden. In Alphen heeft de bebouwing zich van oorsprong rond het knooppunt van deze linten ontwikkeld. In Chaam en Galder heeft de bebouwing zich uitgestreken langs de linten. Tussen deze historische linten bestaat verschil in dichtheid en in beleving van open- of beslotenheid. Op sommige plekken zijn authentieke nederzettingen en buurtschappen ontstaan en op andere is het lint juist landelijk gebleven. Deze ruimtelijke verschillen in de historische dorpsgebieden resulteert in een verschillende beleving en waardering van samenhangende gebieden. De waardering en beleving van de historische centra van Alphen en van Chaam is zodanig dat deze als aparte gebiedstypologieën onderscheidden zijn waarvoor specifieke gebiedsgerichte criteria opgesteld zijn. De historisch centrumgebieden worden op de typologiekaart met de code H aangegeven. Alphen Historische centrumgebieden worden gevormd door een fysieke verdichting in bebouwing en in het straatbeeld. In Alphen is de verdichting ontstaan rond het knooppunt van de vijf linten. De ligging van het centrum wordt vanuit het buitengebied zichtbaar gemaakt door de kerktoren die op een verhoging in het landschap staat. Ter plaatse wordt het centrum verbijzonderd door de afwijkende bestrating van smalle rood-bruine klinkers. Ook het straatmeubilair wijkt af van het meubilair in de rest van de kern. De bebouwing bestaat voor een groot deel uit lintbebouwing, deze vormt overwegend het beeld in het centrum. De lintbebouwing is voornamelijk met de langsgevels op de straat gesitueerd. Deze bebouwing is opgebouwd uit donkere bakstenen, donkere of oranje dakpannen of leistenen en pleisterwerk. De detaillering is op beperkte schaal terug te vinden in de rollen en strekken boven ramen en deuren, muurankers en streklagen. De bebouwing aan de Heuvelstraat is in tegenstelling tot de lintbebouwing vooral met de kopgevels op het plein gericht. Hier staan enkele monumentale panden die de sfeer op de plein bepalen, waaronder de kerk die er met de entree op georiënteerd is. Tussen deze historische, karakteristieke panden staan in de noordelijke bebouwingswand echter halfvrijstaande woningen die d.m.v. de toegepaste architectonische stijl afbreuk doen aan de historische beeldkwaliteit van het plein. De materialisering komt overeen met die van de lintbebouwing. In het zuiden van dit deelgebied, langs de Hoogt zijn de grootschaligere dorpsvoorzieningen gelegen, waaronder een bejaardentehuis, een basisschool en een supermarkt. Deze vertonen geen relatie met de lintstructuren en het kleinschalige, historische karakter van de lintbebouwing. Chaam Het historische centrum van Chaam is ruimtelijk minder duidelijk dan in Alphen te onderscheiden. Met name de aanwezigheid van de twee kerken en de zeer recente bouw aan het plein van drie lagen plus kap verduidelijken dat dit deel van het oude lint Baarleseweg-Dorpsstraat-Bredaseweg het centrum van Chaam vormt. Naast deze beeldbepalende gebouwen bestaat het historische centrumgebied voornamelijk uit lintbebouwing. Buiten de overeenkomst in kapvorm (zadeldaken) en kaprichting (parallel aan de weg) verschilt de lintbebouwing sterk van elkaar. Diverse architectuurstijlen en bouwhoogtes komen naast elkaar voor. Ook het materiaalgebruik en kleurgebruik varieert: oranje en donkere dakpannen worden afwisselend toegepast en naast bakstenen gevels is ook regelmatig (lichtgekleurd) pleisterwerk aangebracht. De detaillering is zeer beperkt en bestaat uit speklagen, metselpatronen boven ramen en deuren en fraai vormgegeven dakkapellen. De lintbebouwing verschilt van de bebouwing in de dorpse bebouwingslinten door de hogere dichtheid en het feit dat er aaneengesloten bebouwings-wanden zijn ontstaan. Criteria Voor deze centrumgebieden geldt een BIJZONDER niveau van welstand. Het wel-standsbeleid is gericht op het handhaven van de ruimtelijke kwaliteit van het historische dorpsgebied en het bewaren van de authentieke ruimtelijke karakteristieken en kenmerkend kleur- en materiaalgebruik. In onderstaand schema zijn deze ge -biedsgerichte criteria aangegeven. Gebiedsgerichte criteria voor Historische centrumgebieden Een centrum is ontstaan vanuit een verdichting in het lint. De bebouwing bestaat uit een mix van staaf-vormige bouwmassa's en kleinere bouwmassa's. De bebouwing in het historische centrum staat dicht op de weg en de rooilijn van de gebouwen volgt de loop van het lint. In het historische centrum bepalen de gesloten tot half-open rooilijnen de structuur van het occupatiepatroon. Er zijn twee typen hoofdbouwmassa’s in het gebied te onderscheiden: • Type A: staafvormige boerderijachtige bouwmassa’s. • Type B: kleinere staaf- en blokvormige bouwmassa’s. Bij vervanging en nieuwbouw van een hoofdbouwmassa kan één van de hiervoor genoemde typen teruggebouwd worden. Onderstaand schema geeft de criteria per type aan. Type B Bouwhoogte: • Streven naar afwisselende bouwhoogtes van 1 tot 2 bouwlaag met kap • Passend in de gevelwand. • Rooilijn: • Rechte of gebogen rooilijn, volgt de weg. Zijdelingse afstand: • Los van elkaar. Oriëntatie: • Evenwijdig aan de straat (langsrichting). • Hoofdbebouwing is gesitueerd op de kop van de kavel. Bouwmassa: • Per erf of kavel is er één hoofdbouwmas- sa. • Staafvormig, liggend. Kapvorm: Forse kappen. Schilddak, zadeldak, met of zonder wolfs-eind, of een direct afgeleide van dit daktype met een heldere hoofdvorm. Daken mogen met overstek worden toegepast. Kaprichting: • Evenwijdig aan de straat (langsrichting). Zijdelingse afstand: • Los van elkaar en aaneengesloten. Oriëntatie: • Zowel evenwijdig (langsrichting) als haaks op de straat (dwarsrichting). • Hoofdbebouwing is gesitueerd op de kop van de kavel. Bouwmassa: • Per erf of kavel is er één hoofdbouwmassa. • Staafvormig, liggend en blokvormig. Kapvorm: • Mansardekap, zadeldak met of zonder wolfseind, of een direct afgeleide van dit daktype met een heldere hoofdvorm. Kaprichting: • Haaks op de straat (dwarsrichting) of evenwijdig aan de straat (langsrichting). BflO 18 Deel II - Criteria Type A Type B • • • • • • Voorgevel van het hoofdgebouw bestaat uit één geheel maar is te onderscheiden in boven-en onderstuk. Onderstuk is overwegend niet symmetrisch, bovenstuk overwegend symmetrisch. Gevelgeleding: • Voorgevel van het hoofdgebouw heeft een verticale geleding. • Gebruik van staande ramen is zeer gewenst. Plasticiteit: • In de voorgevel mogen geen balkons, erkers en andere uitbouwen worden toegepast. In sommige gevallen is het mogelijk een erker toe te passen mits passend in de gevelwand en wanneer d eze voldoet aan specifieke sneltoetscriteria. Materiaalkeuze: • Kozijnen: bij voorkeur hout of goedgelijkende andere materialen. • Dakbedekking: gebakken pannen. • Gevel: bakstenen en pleisterwerk. Materiaalkleur: • Baksteenkleur: donkere aardtinten. • Pleisterwerk: lichte tinten aansluitend bij gebruikte kleuren in de omgeving. • Kozijnkleur: Oudhollandse kleuren. Detaillering: • Toegevoegde elementen zelfstandig vormgeven in de lijn van de architectuur van het geheel. Voor percelen gelegen binnen meerdere gebiedstypen geldt het gebiedstype waarbinnen de huis-nummering van die percelen, zoals vastgelegd op de gemeentelijke huisnummerkaart (kadastrale kaart), is gelegen. Licht-bouwvergunningplichtige bouwplannen die onderdeel uitmaken van een totaal bouwplan (regulier vergunningplichtig) worden in één welstandstoets zowel aan de gebiedsgerichte criteria als een de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria getoetst. Zodra aan-, uitbouwen en niet-vrijstaande bijgebouwen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de maatvoeringseis ten aanzien van de bouwhoogte. Zodra vrijstaande bijgebouwen en overkappingen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de sneltoetscriteria van toepassing met uitzondering van de sneltoetscriteria ten aanzien van hoogte en oppervlakte. Zodra dakkapellen regulier bouwvergunningplichtig zijn, zijn de (gebiedsgerichte) sneltoetscriteria van toepassing. Woongebieden (W-gebieden) Rondom de historische centra zijn planmatig ontworpen woongebieden gebouwd en hebben de kernen zich ontwikkeld langs de historische linten. Deze vormden telkens weer nieuwe randen van kernen. Binnen de bouwblokken en soms binnen straten en buurten bestaat een zekere mate van uniformiteit. Welstandseenheden Vanaf de periode 1870 – 1900 is de uitbreiding van de gebouwde omgeving vooral planmatig aangestuurd. Bij deze planmatige ontwikkelingen van woon- en gemengde gebieden hebben kenmerkende stijloverwegingen in meer of mindere mate hun stempel gedrukt op de kwaliteit van de omgeving. Vanaf de tweede helft van de vorige eeuw zijn woonwijken in stroken- en blokverkaveling ontwikkeld met een in vorm en uitstraling eenzijdige woonbebouwing. Veel uitleggebieden zijn vanaf de jaren ’50 gerealiseerd in een eenvoudig patroon van rechte straten met een symmetrisch straatprofiel. Langs deze straten zijn verschillende typen woningen gebouwd, veelal in rijen, afgewisseld met dubbele woningen. In Alphen en Chaam zijn deze planmatige woongebieden dan ook vanaf eind jaren '50 direct achter de linten ontstaan. Deze woongebieden in stroken- en blokverkaveling worden ge -kenmerkt door een eenvoudige stedenbouwkundig patroon en eenduidige hoofdbouwvormen. De stedenbouwkundige structuur van de wijken kenmerkt zich door een traditionele blokverkaveling met traditioneel vormgegeven rijen- en dubbele woningen. Overwegend uitgevoerd in twee lagen met zadeldak. Veel zijstraten komen op de historische lintstructuren uit. Naast rijen- en dubbele woningen komen ook gebieden met individueel ontworpen, vooral vrijstaande gebouwen voor. Deze hebben een beperkt samenhangende karakteristiek tussen cultuurhistorie en architectuurstijl. Deze gebieden zijn met name ontstaan langs de historische linten en aan de randen van wijken en kernen. De gebouwen zijn individueel ontworpen en geven de wijken en straten daardoor een gevarieerd gezicht. De architectuur en de toegepaste materialen en bouwvormen stralen anti-stedelijkheid uit. Doorgaans worden natuurlijke materialen toegepast; bij voorkeur baksteen en gebakken pannen, plaatselijk wordt ook op beperkte schaal hout in de gevels verwerkt. De gevels zijn van een gedekte materiaalkleur en voorzien van een eenvoudige ‘dorpse‘ detaillering. De meer recente uitbreidingen laten echter een meer uitgesproken vorm-, kleur-, en materiaalgebruik zien. Binnen de woongebieden zijn drie typen bebouwingselementen in de wijken te onderscheiden: • Seriële objecten, zoals rijenwoningen, twee-onder-één-kappers e.d. • Individuele objecten, zoals vrijstaande individueel vormgegeven woningen. • Bijzondere bebouwingselementen, zoals sporthallen, wijkgebouwen e.d. Op de typologiekaart worden deze met de code W aangeduid. Linten De historische linten zijn van oorsprong agrarische bebouwingsstructuren direct aan de oude kern. De continuïteit van de oude linten maken dat deze als structuurdragers bepalend zijn. Door deze aspecten zijn de linten bij uitstek geschikt als vervoersassen waardoor de linten een hoge dynamiek hebben. Dit heeft in de loop der tijd veel verschillende activiteiten aan de linten gekoppeld. De grote diversiteit in bouwstijlen, dakvormen, kaprichtin-gen, goot- en nokhoogtes, situering en functies is dan ook het meest kenmerkend voor de bebouwing die de linten flankeert. Dit beeld is ontstaan doordat de gaten in het lint in verschillende periodes opgevuld zijn en op locaties van eerdere bebouwing herontwikkeling heeft plaatsgevonden. Zodoende is er een onregelmatig bebouwingsritme ontstaan waarin de dichtheden sterk kunnen verschillen. Naarmate men de dorpskern dichter nadert kan echter wel een toename in de dichtheid worden waargenomen. De bebouwing staat hier tevens dichter op de straat waardoor het stratenprofiel versmalt. Dit beeld verduidelijkt het contrast tussen de landschappelijke sfeer en die in het dorpscentrum. De bebouwing in de uitloper verschilt van dat in het historische dorpsgebied door de lagere dichtheid en het minder strak hanteren van de rooilijn. De overwegend vrijstaande kleinschalige bebouwing varieert van 1 tot 2 bouwlagen met kap. In het lint komt naast woonbebouwing enkele bedrijven voor. De architectuur van de bebouwing varieert sterk van zeer sobere jaren zestig architectuur tot meer modernistische stijlen en architectuur uit het begin van de 20e eeuw met meer detaillering. De toegepaste materialen en kleuren zijn natuurlijk. De dorpse bebouwingslinten zijn de Goedentijd, Chaamseweg, Baarleseweg, Zandstraat, Stationsstraat en een deel van de St. Janstraat in Alphen, de Bredaseweg, Baarleseweg, Dorpsstraat, Gilzeweg en Ulicotenseweg in Chaam en de Galderseweg en St. Jacobsstraat in Galder. Woonwijken Alphen Molenwijk Dit in het westen gelegen deelgebied is één van de oudere planmatige uitbreidingen en is ontstaan in de jaren zestig. Het is opgebouwd uit aaneengesloten bebouwing in stroken van maximaal zes woningen. Door de beperkte kavelgrootte worden zo compacte bouwblokken verkregen en heeft het woongebied een hoge dichtheid. De bouwblokken zijn echter opgebouwd uit stroken waarvan de kopgevels (zijgevels) aan de openbare ruimte grenzen. Deze dienen dan ook op de zelfde wijze behandeld te worden als voorgevels. De woningen tellen twee lagen plus een zadeldak en vertonen per bouwblok ondanks het overeenkomende bebouwingstype een afwisseling in architectuur. Uitbouwtjes, garages en balkons aan de voorgevel verhogen de plasticiteit van de straatwand. In de wijk komen tevens enkele halfvrij-staande en vrijstaande woningen voor die met name langs de grens met het buitengebied gesitueerd zijn om zo een dorpse rand te creëren met een lage dichtheid. Tussen de Baarleseweg en de Stationsstraat Dit beperkte woongebied bestaat uit drie parallel aan elkaar gelegen woonstraten die de verbinding vormen tussen de Baarleseweg en de Stationsstraat. Ondanks de overeenkomst in de structuur hebben met name de Engelbertstraat en de Nieuwstraat geen enkele relatie met elkaar en vertonen de drie straten een eigen karakter. De Nieuwstraat heeft een zeer stenig karakter waar sobere architectuur uit het begin van de tweede helft van de vorige eeuw het beeld bepaald. Langs de Engelbertstraat staat meer gevarieerde bebouwing in de vorm van vrijstaande en half vrijstaande woningen, een brede groenstrook verhoogt de beeldkwaliteit in deze straat. Het meest noordelijke Remijsenhof is van de meest recente datum, de aaneengesloten bebouwing is alleen aan de zuidkant van de straat gesitueerd en heeft zicht op de diepe achtertuinen van de bebouwing langs het lint. De Wouwers Dit gebied is direct achter de lintbebouwing aan de Stationsstraat gelegen en typeert zich door de losse ruimtelijke opzet. De openbare ruimtes zijn er fors en de bouwblokken daarin zijn met vele verdraaiingen ten opzichte van elkaar gesitueerd. Hierdoor grenzen vele zijgevels aan de openbare ruimte, dit vraagt extra aandacht voor de kwaliteit van deze gevels. De bebouwingstypen lopen binnen dit gebied sterk uiteen, zowel aaneengesloten als geschakelde en half vrijstaande en vrijstaande woningen komen hier voor. De ordening van deze woningen volgt een duidelijke logica, van een lage dichtheid langs de randen met de vrijstaande bebouwing in één tot anderhalve bouwlaag met kap naar een hogere dichtheid in het midden met de aaneengesloten bebouwing in twee bouwlagen met kap. Door de groene invulling van de forse openbare ruimtes heeft deze wijk zeker in het middengebied een sterk groen karakter. De individuele woningbouw is met name langs de dorpsranden gesitueerd om een goede overgang naar het buitengebied te bereiken. In deze strook langs de dorpsrand komen de individuele woningen wel in hoofdbouwvorm overeen maar verschilt het onderlinge materiaal-en kleurgebruik en gevelcompositie sterk. De Ligt In Alphen is aan de noordoostzijde van de kern de meest recente wijk gesitueerd, De Ligt. Dit gebied onderscheidt zich van het aangrenzende woongebied De Wouwers door het meer heldere stratenpatroon. Hierdoor worden duidelijkere straatwanden verkregen langs continue rooilijnen. Typisch voor dit gebied zijn de grote openbare ruimtes waar de omringende bebouwing op is georiënteerd. De centrale open ruimte bepaald daarbij in grote mate het karakter van de buurt. Het bebouwingstype dat hier overheerst zijn de vrijstaande en halfvrijstaande woningen, deze worden afgewisseld met geschakelde en plaatselijk ook korte aaneengesloten bebouwingsstroken. BflO De architectuurstijlen waarin deze bebouwing is opgetrokken verschilt sterk, van zeer modernistisch tot meer behoudendere sobere architectuur. ‘t Zand Buiten de kern Alphen is het villapark ’t Zand duidelijk als een woongebied met individuele woningbouw te typeren. Dit ruim opgezette villapark ligt in de bossen en bestaat uit woningen met een vrij forse bouwmassa in zeer diverse vormen, kleur- en materiaalgebruik en architectuur. Chaam Voor de drie woongebieden die zich achter de linten hebben ontwikkeld geldt dat zij een zelfde ruimtelijke opzet hebben. Deze bestaat uit een rechtlijnig stratenpatroon evenwijdig en haaks op de linten. Aan de zijde van deze linten bevindt zich de oudste planmatige bebouwing, in de centraal gelegen bouwblokken de halfvrijstaande woningen en langs de randen naar het buitengebied vrijstaande, individuele woningen met een beperkte bouwhoogte tot anderhalve bouwlaag met kap. Tussen het beperkt aantal woningtype is echter voldoende architectonische afwisseling per cluster woningen, waardoor een te monotoon straatbeeld voorkomen wordt. In het noordwestelijk woongebied komt naast de hierboven beschreven woningtypen tevens een appartementencomplex voor bestemd voor seniorenwoningen. Dit gebied onderscheidt zich bovendien door de groene inrichting van de openbare ruimte met bomen en hagen en afwisseling tussen bebouwing uit één laag met zadeldak en die in twee lagen met zadeldak. In deze ruimte zijn tevens speelvoorzieningen opgenomen. Centraal in de zuidwestelijke woonwijk is de grootschaligere bebouwing van de gemeentewerf gelegen. Ten noorden hiervan ligt een groene ruimte ingesloten tussen de achterkanten van de omringende bebouwing. Samen met de voormalige woonwagenlocatie vormt dit een kwalitatief zwak gebied met een onduidelijke relatie met de omgeving. Het oostelijke woongebied kent de meeste variatie in de bebouwingstypologie. Hier zijn naast de veel voorkomende halfvrijstaande en de vrijstaande woningen aan de rand ook enkele stroken aaneengesloten woningen aanwezig. Daarnaast is ook grootschalige bebouwing aanwezig aan de Wolfsdonk. Een bijzondere openbare ruimte bevindt zich aan de Wouwerdries. Deze grote driehoek biedt zicht op de karakteristieke bebouwing van het oude raadhuis. Hiermee wordt de meest duidelijke relatie gelegd tussen een woongebied en het dorpslint. Galder De recente uitbreiding tussen de twee linten in Galder bevat naast de individuele bebouwing ook seriematige bebouwing met variërende modernistische architectuurkenmerken. Daarbij zit de vrije vormgeving voornamelijk in de detaillering en toegevoegde bebouwingelementen. De hoofdbouwmassa’s hebben een traditionele vorm met twee bouwlagen en een zadeldak. Welstandsniveau De waarde van deze woongebieden schuilt vooral in de stedenbouwkundige opzet: de ruime groene aanleg en de (eenvoudige) compositie van de bouwmassa’s. De architectonische waarde van de verschillende gebouwen verschilt onderling sterk. Gekozen is voor een BASIS-niveau van welstand. Criteria Voor de woongebieden gelden aparte criteria. In onderstaand schema zijn deze gebiedsgerichte criteria aangegeven. Gebiedsgerichte criteria voor woongebieden (W-gebieden) Algemene uitgangspunten: • Voor bebouwing in de woongebieden is het van belang heldere bouwvormen en (gevel)composities toe te passen. • In de historische linten dienen de waardevolle cultuurhistorische bebouwingskarakteristieken ge - respecteerden behouden te worden. Seriematige bouw Individuele bouw bijzondere bebouwing Rooilijn: • Aansluiten bij toegepaste rooilijn in gebied. Zijdelingse afstand: Zijdelingse afstand: Zijdelingse afstand: • Aansluitenbij de toege- • De zijdelingse afstand is • Vrijstaand. paste zijdelingse afstand wisselend. Afhankelijk van van aaneengesloten of de structuur van het lint of clusters twee-onder-één- het bouwblok dient de zij- kap woningen en vrij- delingse afstand gehand- staande seriematige wo- haafd te worden. ningbouw. • In het lint dienen de door- • In het lint dienen de zichten naar het achterge- doorzichten naar het bied in acht genomen te achtergebied in acht ge -nomen te worden. worden. Oriëntatie: Oriëntatie: Oriëntatie: • Op de straat of hof geo- • Aansluiting zoeken bij de • Situatie afhankelijk: riënteerd. overwegend oriëntatie in het gebied. • In het lint hebben de lang- wisselend. gevel boerderijen een lig- ging evenwijdig aan de straat. • Voor de overige bebouwing in het lint geldt een wisselende oriëntatie. Bouwmassa: Bouwmassa: Bouwmassa: • Perkavel is er één • Per kavel is er één hoofd- • Per kavel is er één hoofdbouwmassa. bouwmassa. hoofdbouwmassa. • Aansluiten bij bouwmas- • De individuele panden • Toepassen passende sa van cluster seriematige hebben een eigen gezicht bouwvorm bij omgeving. vrijstaande, aaneengeslo- en kenneneen eigen ten of twee-onder-één- hoofdbouwvorm. Aan de kap woningen. randen van gebieden met • Accenten ophoeken ter individuele bouw: dient de versterking van de ste- vorm van de bouwmassa denbouwkundige struc- ervoor te zorgen dat de tuur toegestaan. gebouwen worden opgenomen in het (dorps)landschap. Deel II - Criteria Seriematige bouw Individuele bouw bijzondere bebouwing Bouwhoogte: • Passend in de bebouwingswand. Bouwhoogte: • Afhankelijk van functie van het gebouw en schaal van de omliggende bebouwing. Kapvorm en kaprichting: • Toepassen van heldere éénduidige kapvormen. • Aansluiten bij kapvorm en -richting van bouwblok/ bebouwingswand. • Diverse kapvormen mogelijk (afhankelijk van bouwblok). • Dakopbouw en dakkapellen toegestaan mits aansluitend bij architectuur van de h