Kavelbesluit I windenergiegebied Borssele Kavelbesluit I windenergiegebied Borssele I Besluit Gelet op de artikelen 3 tot en met 7 van de Wet windenergie op zee, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet, besluit de Minister van Economische Zaken in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu als volgt: – Kavel I wordt aangewezen als locatie voor een windpark met een totaal opgesteld vermogen van minimaal 342 MW tot maximaal 380 MW. De coördinaten van de begrenzing van kavel I zijn weergegeven in voorschrift 2, eerste lid, bij dit besluit; – Het tracé voor de aansluitverbinding tussen het windpark en TenneT Platform Borssele Alpha loopt binnen de hiervoor gereserveerde ruimte, waarvan de coördinaten van de begrenzing zijn weergegeven in voorschrift 2, tweede lid, bij dit besluit; – De natuurlijke kenmerken van de gebieden zoals bedoeld in artikel 19g, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 zullen niet door het kavelbesluit worden aangetast; – Van het bepaalde in de artikelen 9 en 11 van de Flora- en faunawet wordt vrijstelling verleend voor de soorten zoals opgenomen in de tabel in paragraaf 7.5.8 in de toelichting in deel II van dit besluit; – Aan het kavelbesluit zijn voorschriften verbonden. Deze zijn opgenomen in deel III van dit besluit. – Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst. Dit besluit zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst. ’s-Gravenhage, 24 maart 2016 De Minister van Economische Zaken, H.G.J. Kamp Rechtsbescherming Belanghebbenden die een zienswijze naar voren hebben gebracht of die redelijkerwijs niet verweten kan worden tegen het ontwerpbesluit geen zienswijze naar voren te hebben gebracht, kunnen tegen dit besluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA, Den Haag. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit ter inzage is gelegd. Op grond van artikel 8 van de Wet windenergie op zee is op dit besluit hoofdstuk 1, afdeling 2, van de Crisis- en herstelwet van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de belanghebbende in het beroepschrift moet aangeven welke beroepsgronden hij aanvoert tegen het besluit. Indien hij dit niet doet, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Na afloop van de termijn van zes weken kunnen geen nieuwe beroepsgronden meer worden aangevoerd. Het wordt aanbevolen in het beroepschrift te vermelden dat de Crisis- en herstelwet van toepassing is. II Toelichting kavelbesluit I windenergiegebied Borssele Opgesteld door Rijkswaterstaat In opdracht van Ministerie van Economische Zaken 1 Inleiding 1.1 Nut en noodzaak Op grond van richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen1PbEG 2009, L 140 (verder: richtlijn hernieuwbare energie) dient Nederland ervoor te zorgen dat zijn aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in 2020 minstens gelijk is aan 14%. De Europese doelen voor 2020 zijn: • minimaal 20% minder uitstoot van broeikasgassen dan in 1990; • 20% van de energie komt uit duurzame energiebronnen, zoals windenergie, zonne-energie, bio-energie en aardwarmte; • 20% minder energieverbruik door energiebesparing. Bij het akkoord over het Klimaat- en Energie Beleidsraamwerk voor 20302Kamerstukken II, 2014/15, 21 501-20, nr. 922 is een Europees bindend doel van 27% hernieuwbare energie afgesproken. In het Energieakkoord voor duurzame groei3SER, Energieakkoord voor duurzame groei, september 2013 (hierna: Energieakkoord) is afgesproken dat het aandeel duurzame energie stijgt naar 14% in 2020 en 16% in
- Specifiek voor windparken op zee is afgesproken dat er 4.450 MW operationeel vermogen in 2023 gerealiseerd is. Windenergie op zee levert daarmee een flinke bijdrage aan het behalen van de kabinetsdoelstelling voor duurzame energie. Daarnaast is in het Energieakkoord afgesproken dat het kabinet zorg draagt voor een robuust wettelijk kader om de opschaling van windenergie op zee mogelijk te maken. Kortere doorlooptijden en kostenreductie zijn daarbij belangrijke uitgangspunten. De Wet windenergie op zee voorziet hierin door een nieuw stelsel van uitgifte van kavels in windenergiegebieden (paragraaf 1.2). In de brief aan de Tweede Kamer van 26 september 20144Kamerstukken I/II 2014/15, 33 561, A/nr. 11 (herdruk) is de routekaart aangeboden. In de routekaart is uiteengezet hoe de doelstelling voor windenergie op zee – zoals afgesproken in het Energieakkoord – tijdig gerealiseerd wordt. Gelet op kosteneffectieve en snelle realisatie is in de brief aan de Tweede Kamer aangegeven om te beginnen met het uitgeven van kavels in windenergiegebied Borssele voor 1.400 MW operationeel vermogen. Daarnaast is in de brief aan de Tweede Kamer aangegeven dat een gecoördineerde netaansluiting leidt tot lagere maatschappelijke kosten en een kleinere impact op de leefomgeving.5DNV GL Publieksversie review ‘Netontwerp en uitrolstrategie TenneT Wind op Zee’ en ECN Publieksversie validatie DNV GL Document ‘Review – Netontwerp en uitrolstrategie TenneT Wind op Zee Het uitgangspunt van de routekaart is dat windenergie op zee het meest kosteneffectief gerealiseerd kan worden door het realiseren van een net op zee, dat aansluit op het bestaande hoogspanningsnet op land. Het net op zee bestaat uit:
- een aantal platforms waarop per platform 700 MW windenergiecapaciteit kan worden aangesloten. Per platform worden twee windparken aangesloten van 350 MW per park. De twee platforms zijn onderling verbonden met een redundantiekabel;
- vier kabelsystemen op zee voor de aanlanding op het landelijk hoogspanningsnet. Op grond van de Elektriciteitswet 19986Kamerstukken II, 2015/16, 34 401 wordt TenneT aangewezen om het net op zee voor het transport van met windenergie opgewekte elektriciteit naar het landelijke hoogspanningsnet te realiseren en te exploiteren. 1.2 Uitgiftestelsel Ter realisering van de opgaven voor duurzame energie voorziet de Wet windenergie op zee in een nieuw uitgiftestelsel. Het uitgiftestelsel omvat een aantal stappen en besluiten die genomen moeten worden voordat nieuwe windparken op zee gebouwd mogen worden. De wet bepaalt dat windparken op zee alleen gebouwd mogen worden op locaties (kavels) die zijn vastgelegd in een kavelbesluit. Kavels worden uitsluitend vastgelegd binnen een gebied dat is aangewezen in een nationaal waterplan. Het windenergiegebied Borssele is aangewezen in het eerste Nationaal Waterplan (2009–2015). Deze aanwijzing is in het huidige Nationaal Waterplan (2016–2021)7Kamerstukken II, 2015/16, 31 710, nr. 45 gehandhaafd. In het kavelbesluit wordt bepaald waar en onder welke voorwaarden een windpark gebouwd en geëxploiteerd mag worden. Eén van de voorwaarden is de bandbreedte voor de toe te passen turbines en funderingstechnieken. Het windpark moet worden aangesloten op het net op zee, dat door TenneT wordt gerealiseerd en geëxploiteerd. Het kavelbesluit bepaalt niet wie het recht heeft om op die locatie een windpark te bouwen en te exploiteren. Dat gebeurt door het verlenen van een vergunning op grond van de Wet windenergie op zee. Alleen de houder van die vergunning heeft het recht om op de locatie van de kavel een windpark te bouwen en te exploiteren. 1.3 Ontwikkelingen: voorbereidingsbesluiten Op 14 juli 2015 zijn op grond van artikel 9 van de Wet windenergie op zee de voorbereidingsbesluiten voor kavels I, II, III en IV gepubliceerd in de Staatscourant (2015, nr. 19981). De voorbereidingsbesluiten vervallen op het moment dat met betrekking tot de kavels een besluit tot instellen van de veiligheidszone op grond van artikel 6.10 van de Waterwet vastgesteld wordt. 2 Wet- en regelgeving 2.1 Wet windenergie op zee Op grond van artikel 3 van de Wet windenergie op zee kan de Minister van Economische Zaken, in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu, een kavelbesluit nemen. In het kavelbesluit wordt een kavel ten behoeve van een windpark en een tracé voor de aansluitverbinding tussen het windpark en het net op zee van TenneT aangewezen (artikel 1 van de Wet windenergie op zee). Bij de voorbereiding van het kavelbesluit moeten de belangen zoals opgenomen in artikel 3, derde lid, van de Wet windenergie op zee onderzocht en afgewogen worden. Deze belangen betreffen de vervulling van maatschappelijke functies, de gevolgen voor derden, het ecologisch belang, kosten en het belang van een doelmatige aansluiting. Met betrekking tot het ecologische belang is een belangrijk onderdeel van het kavelbesluit de toets van de natuuraspecten op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet. De geïntegreerde uitvoering van de toets van de natuuraspecten is nader uitgewerkt in de artikelen 5, 6 en 7 van de Wet windenergie op zee. Dit heeft als gevolg dat geen aparte ontheffing op grond van de Flora- en faunawet en vergunning op basis van de Natuurbeschermingswet 1998 nodig is. Op grond van artikel 4 van de Wet windenergie op zee worden aan het kavelbesluit regels en voorschriften verbonden. Daarbij gaat het met name om locatiespecifieke randvoorwaarden voor de bouw en exploitatie van een windpark, teneinde de hierboven genoemde belangen te beschermen. Naast het verbinden van regels en voorschriften moeten ook onderdelen in het kavelbesluit opgenomen worden zoals gesteld in artikel 4, tweede lid, van de Wet windenergie op zee. Dit betreft onder meer de uitkomsten van locatiespecifieke onderzoeken. In dit kavelbesluit wordt bepaald waar een windpark op zee gebouwd mag worden. In een vergunning op grond van de artikelen 12 en verder van de Wet windenergie op zee wordt vervolgens bepaald welke partij gerechtigd is op een kavel een windpark te bouwen en te exploiteren. 2.1.1 Natuurbeschermingswet 1998 Artikel 5 van de Wet windenergie op zee bepaalt dat de artikelen 19d en 19kc van de Natuurbeschermingswet 1998 niet van toepassing zijn op projecten of andere handelingen waarop het kavelbesluit van toepassing is. Dit betekent dat een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 niet vereist is voor het bouwen en exploiteren van een windpark. Daarnaast is in artikel 5 van de Wet windenergie op zee bepaald dat artikel 19j, eerste tot en met derde lid en vijfde lid en artikel 19kb van de Natuurbeschermingswet 1998 van overeenkomstige toepassing zijn. Hieruit volgt dat indien het bouwen en exploiteren van een windpark de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied als bedoeld in de Natuurbeschermingswet 1998 kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied, een Passende Beoordeling moet worden opgesteld. Gelet op de conclusies van de Passende Beoordeling over de gevolgen voor het gebied wordt slechts toestemming gegeven voor het project nadat er zekerheid is verkregen dat het windpark de natuurlijk kenmerken van de betrokken gebieden niet zal aantasten. 2.1.2 Flora- en faunawet Uit artikel 6 van de Wet windenergie op zee volgt dat de Flora- en faunawet van toepassing is op handelingen waarop het kavelbesluit betrekking heeft, maar dat de artikelen 9 en 10 van de Flora- en faunawet niet van toepassing zijn op handelingen, voor zover deze betreffen het niet-opzettelijk doden, verwonden, vangen of bemachtigen van dieren of het opzettelijk verontrusten van vogels. Daarnaast bepaalt artikel 7 van de Wet windenergie op zee dat een vrijstelling kan worden verleend voor het bepaalde in artikelen 9 tot en met 12 en 13 van de Flora- en faunawet. Een vrijstelling wordt pas verleend als geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de desbetreffende soort en, indien sprake is van een strikt beschermde soort, er geen andere bevredigende oplossing is en minstens één van de belangen wordt gediend die zijn opgenomen in de Flora- en faunawet of in de betreffende Europese richtlijnen. Een vrijstelling kan onder beperkingen worden verleend en er kunnen in het kavelbesluit voorschriften aan verbonden worden. 2.2 Waterwet Uit artikel 6.5, aanhef en onderdeel c, van de Waterwet in samenhang met artikel 6.13 van het Waterbesluit volgt dat het verboden is om zonder watervergunning werken te plaatsen of te bouwen in de Noordzee. In artikel 6.5a van de Waterwet staat dat dit verbod niet van toepassing is op windparken waarop de Wet windenergie op zee van toepassing is. Dit betekent dat er geen watervergunning vereist is. Voor het overige is de Waterwet en daarop gebaseerde regelgeving wel van toepassing. Zo kan op grond van artikel 6.10 van de Waterwet een veiligheidszone ingesteld worden rondom een werk (paragraaf 4.4.) en zijn in het Waterbesluit regels opgenomen die betrekking hebben op de bouw, de exploitatie en de verwijdering van windparken op zee (paragraaf 6a). 2.3 Beleidskader Op basis van de Waterwet is een beleidsplan (Nationaal Waterplan (2016–2021)) vastgesteld. Dit is voor wat betreft de ruimtelijke aspecten ervan een structuurvisie in de zin van de Wet ruimtelijke ordening. Het bevat de hoofdlijnen van het Noordzeebeleid en schept ruimte voor een operationeel vermogen van 4.450 MW windenergie op de Noordzee in
- Bij de vaststelling van het Nationaal Waterplan 2009–2015 zijn de windenergiegebieden Borssele (344 km2) en IJmuiden (1.170 km2) aangewezen. Bij een partiële herziening van het Nationaal Waterplan (2009–2015) vanwege de aanwijzing van de gebieden Hollandse Kust en Ten Noorden van de Waddeneilanden voor het onderdeel windenergie op zee8Kamerstukken I/II 2014/15, 33 561, A/nr. 11 (herdruk) zijn in 2014 de gebieden voor de Hollandse Kust (1.210 km2) en Ten Noorden van de Waddeneilanden (200 km2) aangewezen. Deze herziening wordt de Rijksstructuurvisie Windenergie op Zee genoemd. Deze aanwijzingen zijn in het huidige Nationaal Waterplan (2016–2021) gehandhaafd. Uit het Nationaal Waterplan (2016–2021) volgt dat het kabinet in de ruimtelijke afweging prioriteit geeft aan activiteiten van nationaal belang, zijnde scheepvaart, olie- en gaswinning, CO2-opslag, windenergie, zandwinning en -suppletie en defensie boven andere activiteiten. In de gebieden die zijn aangemerkt voor activiteiten van nationaal belang mogen andere activiteiten dit gebruik niet belemmeren. Wanneer activiteiten van nationaal belang stapelen in hetzelfde gebied, is het uitgangspunt dat gestreefd wordt naar gecombineerd en ruimte-efficiënt gebruik, mits de eerste vergunninghouder daarbij geen onevenredige schade of hinder ondervindt. Het Noordzeebeleid is uitgewerkt in de Beleidsnota Noordzee. De Beleidsnota Noordzee is onderdeel van het Nationaal Waterplan (2016–2021) en vormt het kader voor activiteiten op de Noordzee, waaronder dat van windparken. Bij de aanwijzing van een kavel wordt dit kader betrokken. Bij de aanwijzing van een kavel zullen tevens de uitgangspunten en doelen uit relevante internationale verdragen ter bescherming van het (mariene) milieu worden betrokken. 3 Procedure 3.1 Voorbereidingsprocedure Op grond van artikel 3, vierde lid, van de Wet windenergie op zee komt het kavelbesluit tot stand via de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit artikellid bepaalt voorts dat zienswijzen kunnen worden ingediend door een ieder. Op 7 augustus 2015 is het ontwerp van het kavelbesluit ter inzage gelegd. Gedurende zes weken konden zienswijzen worden ingediend. 3.1.1 Zienswijzen Naar aanleiding van de publicatie van de kennisgeving en de terinzagelegging van de ontwerp-kavelbesluiten I/II windenergiegebied Borssele zijn in totaal 20 zienswijzen en 1 reactie over de ontwerpbesluiten naar voren gebracht. Aan het eind van deze toelichting is de ‘Nota van beantwoording zienswijzen en reactie’ opgenomen. Hierin is een overzicht van de behandeling van de zienswijzen opgenomen. In de antwoordnota vindt u ook de reacties op de inhoudelijke punten uit de zienswijzen die niet specifiek zijn, respectievelijk over alle ontwerpbesluiten gaan. De nota van beantwoording maakt, voor zover de zienswijzen zich richten tegen het ontwerp van dit besluit, onderdeel uit van het besluit. In de nota van beantwoording is aangegeven of de zienswijzen aanleiding gaven om het ontwerpbesluit aan te passen. 3.2 Milieueffectrapportage (m.e.r.) Artikel 7.2 van de Wet milieubeheer (Wm), bepaalt, dat activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, bij algemene maatregel van bestuur, het Besluit milieueffectrapportage, worden aangewezen. Bij de voorbereiding van de aangewezen categorieën van plannen en/of besluiten moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt of moet het bevoegd gezag beoordelen of bij de voorbereiding van de aangewezen categorieën van besluiten een milieueffectrapport moet worden gemaakt. In onderdeel D, categorie D22.2, kolom 4, van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is het kavelbesluit opgenomen. Dit betekent dat windparken met een gezamenlijk vermogen van 15 MW of meer, of bestaande uit 10 windturbines of meer, m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Dit houdt in dat het bevoegd gezag moet beoordelen of het doorlopen van een project-m.e.r. noodzakelijk is. Deze beoordeling kan echter achterwege blijven nu het Rijk, gezien de aard en schaal van het initiatief, ervoor heeft gekozen om een project-m.e.r. uit te voeren. Het MER ten behoeve van kavelbesluiten in het windenergiegebied Borssele is opgesteld in opdracht van de Minister van Economische Zaken, in overeenstemming met de Minister van Infrastructuur en Milieu. Op grond van artikel 7.24, lid 4, aanhef en onder a, van de Wm wordt de uitgebreide m.e.r.-procedure gevolgd. Omdat significante effecten op Natura 2000-gebieden bij het realiseren van dit windpark in windenergiegebied Borssele niet op voorhand is uit te sluiten is ook een Passende Beoordeling opgesteld. Tijdens de m.e.r.-procedure kon gedurende de terinzagelegging van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau van 24 oktober 2014 tot en met 4 december 2014 een zienswijze worden ingediend. In die zelfde periode is de Belgische overheid betrokken in het kader van het ESPOO verdrag9Verdrag inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband en zijn de betrokken bestuursorganen en wettelijk adviseurs geraadpleegd. Ook is de Commissie voor de m.e.r. om advies gevraagd. Binnen de inspraaktermijn zijn in totaal elf unieke zienswijzen en één reactie ontvangen. Het advies van de Commissie van de m.e.r. is integraal overgenomen. De reikwijdte en detailniveau van het MER zijn in april 2015 vastgesteld. Op 13 oktober 2015 is het advies van de Commissie voor de m.e.r.10Commissie voor de m.e.r. project
- http://www.commissiemer.nl/advisering/afgerondeadviezen/2965 ontvangen over het MER van de kavels I en II. De Commissie is van oordeel dat alle informatie in beide MER’en aanwezig is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over de kavelbesluiten. In het advies is wel aangegeven dat de toelichting in het kavelbesluit over de effecten op de grote meeuwensoorten verduidelijkt moet worden. De tekst in het kavelbesluit is hierop aangepast. Daarnaast zijn er enkele aanbevelingen geformuleerd die in acht zullen worden genomen bij de nog op te stellen milieueffectrapporten voor windparken op de Noordzee. 3.3 Afstemming en draagvlak Bij het vaststellen van een kavelbesluit spelen diverse belangen een rol. Voorbeelden hiervan zijn scheepvaart, recreatie en visserij. Om deze belangen zo goed mogelijk mee te nemen zijn diverse bijeenkomsten georganiseerd om belanghebbenden over de voorbereidingen van het kavelbesluit te informeren en om van hen inhoudelijke suggesties te vernemen. De windsector is in kennisateliers verschillende keren geïnformeerd over de te maken keuzes in het kavelbesluit ten aanzien van de verkaveling, kavelgrootte, bandbreedtes en funderingstechnieken. Tijdens deze bijeenkomsten zijn tevens de belangen van de windsector geïnventariseerd. Daarnaast zijn de milieu- en natuurorganisaties tijdens twee door hen georganiseerde bijeenkomsten geïnformeerd over de te maken keuzes ten aanzien van de effecten van windparken op natuurdoelstellingen. Ook van hen zijn inhoudelijke suggesties meegenomen bij de opstelling van dit besluit. Op grond van internationale verdragen heeft er ook afstemming plaatsgevonden met België. 4 Kavel I 4.1 Kenmerken windenergiegebied Borssele In de routekaart is uiteengezet hoe de doelstelling voor windenergie op zee – zoals afgesproken in het Energieakkoord – tijdig gerealiseerd kan worden. Hierbij is het tempo waarmee de doelstelling gehaald kan worden de belangrijkste bepalende factor. Omdat zo snel mogelijk moet worden begonnen met de uitrol, kan dat logischerwijs alleen in een gebied dat al was aangewezen in het nationaal waterplan. Windenergiegebied Borssele is aangewezen in het Nationaal Waterplan (2009–2015), daarom wordt hier gestart.11Kamerstukken I/II, 2014/15, 33 561, A/nr. 11 (herdruk), p.
- Met de ontwikkeling van het windenergiegebied IJmuiden Ver zijn vanwege de verdere ligging hogere kosten gemoeid. 4.1.1 Ligging Het windenergiegebied is gelegen in de exclusieve economische zone (EEZ). De zuidoostgrens van het gebied ligt op 12 nautische mijl (ongeveer 22 kilometer) van de kust. Figuur 1 Ligging van windenergiegebied Borssele Het windenergiegebied wordt aan de zuidzijde begrensd door windparken die in de Belgische exclusieve economische zone liggen. Van deze Belgische parken is een aantal al operationeel. Daarnaast zijn enkele parken in voorbereiding. Tussen de Belgische (geplande) windparken en de windparken in windenergiegebied Borssele liggen te zijner tijd twee op elkaar aansluitende veiligheidszones van 500 meter (totaal 1.000 meter). 4.1.2 Windopbrengst en kostenefficiëntie Er is onderzoek12Quick scan wind farm efficiencies of the Borssele location, , ECN-E-14-050, ECN 2014 gedaan naar de geschiktheid van het gebied voor de aanleg van windparken vanuit windopbrengst en kostenefficiëntie. Om een beeld te verkrijgen van de kosten per eenheid opgewekte energie (euro/megawattuur) binnen het windenergiegebied Borssele, is dit aan de hand van de meest bepalende factoren nagegaan. Deze factoren zijn waterdiepte, windsnelheid, afstand tot de kust, windafvang door de Belgische parken en door de op te stellen windturbines binnen het gebied Borssele zelf. Uit dit onderzoek komt het beeld naar voren dat het opwekken van windenergie op een kostenefficiënte wijze gerealiseerd kan worden. Daarbij is ook gebleken dat de waterdiepte in het noorden van het windenergiegebied groter is, maar de windafvang kleiner. Dat heeft tot gevolg dat de meerkosten als gevolg van de waterdiepte gecompenseerd worden door hogere opbrengst vanwege de hogere windsnelheid en de beperkte windafvang, waardoor ook in dit deel van het gebied een kostenefficiënte realisatie van windenergie mogelijk is. 4.1.3 Gebruik Tot op heden heeft het gebied meerdere gebruiksfuncties. Er lopen geen scheepvaartroutes door het gebied die onderdeel uitmaken van het verkeersscheidingsstelsel. Het gebied wordt echter wel gebruikt door diverse vormen van scheepvaart, zoals recreatievaart en visserij. Het gebied grenst aan de noordoostkant aan het beloodsingsgebied Steenbank en direct ten oosten van het gebied ligt een zandwingebied. Er liggen kabels en leidingen in het gebied. Er vindt geen olie- en gaswinning plaats. Zie ook onderstaande figuur. De nummers in de figuur verwijzen naar de kabels en leidingen in het gebied. Figuur 2 Windenergiegebied Borssele met gebruiksfuncties in de directe omgeving 4.1.4 Bodemsamenstelling Uit onderzoek volgt dat de bodemsamenstelling er globaal als volgt uitziet13Geophysical survey wind farm site I, Deep, April
- De waterdieptes in kavel I variëren van -18 tot -40 meter (Lowest Astronomical Tide). De aanwezigheid van grote zandduinen en kleinere zandgolven laten een dynamische zeebodem zien. Binnen kavel I behoort bijna alle sediment in de naburige klassen ‘zand’ en ‘ziltig zand’. De beschutte gebieden tussen de zandgolven tonen fijnere sedimenten, terwijl grovere sedimenten zijn aangetroffen op de toppen van de zandbanken. Op grotere schaal is er weinig verschil in sediment tussen de toppen en dalen van de grote zandduinen. Gebieden met grover zand en grind zijn sporadisch aangetroffen. De diepere lagen tot 100 meter diep bestaan uit twee hoofdunits: • Horizontaal gelaagde marine en kust gerelateerde Tertiaire afzettingen; • Ondiepe marine en fluviatiele Quartaire afzettingen. In de Tertiaire afzettingen zijn vijf seismische units aangetroffen. De grens tussen de Tertiaire en Quartaire afzettingen wordt gevormd door een erosievlak. De Quartaire unit worden gevormd door rivier en ondiepe marine afzettingen. Ze bestaan voornamelijk uit zand, met verdeelde voorkomens van grind of klei. In het zuidwestelijke deel van het windenergiegebied Borssele is de bodemdynamiek groot. In het noordoostelijke en zuidoostelijke deel is de bodemdynamiek minder groot.14Morphodynamics of Borssele Wind Farm Zone, Deltares, 2015 4.1.5 Explosieven Aangezien er zowel tijdens de Eerste als de Tweede Wereldoorlog is gevochten in en boven het gebied is het waarschijnlijk dat er niet-gesprongen explosieven op de bodem van het gebied liggen. Uit onderzoek15Unexploded Ordnance (UXO) – Desk Study; REASeuro, 2014 blijkt dat het kan gaan om verschillende typen explosieven, zoals zeemijnen, vliegtuigbommen, dieptebommen, mijnvernietigingsladingen, torpedo’s en granaten. Bij de aanleg van het windpark zal door de vergunninghouder vastgesteld moeten worden of er inderdaad explosieven aanwezig zijn op de plaats waar de funderingen worden geplaatst. Indien er uit nader onderzoek volgt dat er op de plek van de te plaatsen fundering of in het gebied waar kabels worden ingegraven een niet-gesprongen explosief wordt ontdekt, dan wordt dit gemeld aan de Kustwacht. Zij schakelt de Koninklijke Marine in die zorg draagt voor het veilig opruimen van het betreffende object. Voor de vergunninghouder zijn hieraan geen kosten verbonden. De mogelijke aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven in het gebied vormt echter geen belemmering voor de realisatie van het windpark. Met goed risicomanagement kan het risiconiveau tot een aanvaardbaar niveau worden teruggebracht. 4.1.6 Natuurwaarden In het windenergiegebied Borssele vinden veel dynamische bodemprocessen plaats (‘wandelende onderwaterduinen’). Toch onderscheidt het gebied zich voor wat betreft bodemleven, vissen en vislarven niet van andere delen van de Noordzee. Het gebied ligt dermate ver weg van de kust dat de meeste kustbroedende soorten zoals grote stern of verblijvende soorten van de kustzone zoals roodkeelduikers, niet of in kleine aantallen voorkomen. Kleine mantelmeeuwen, grote mantelmeeuwen en zeekoeten zijn numeriek de talrijkste soorten in het gebied. Over de Nederlandse Noordzee migreren jaarlijks miljoenen vogels (zeevogels, landvogels en kustvogels) waarvan een deel over het windenergiegebied Borssele vliegt. Het windenergiegebied Borssele heeft een foerageer- en migratiefunctie voor zeehonden, bruinvissen en andere soorten mariene zoogdieren. In het gebied zelf zijn geen rust-, verhaar- en reproductieplaten van zeehonden aanwezig. Deze liggen in Natura 2000-gebieden, waarvan de Voordelta en de Vlakte van de Raan de dichtstbijzijnde zijn. Ze bevinden zich tussen het windenergiegebied Borssele en het vasteland. De afstand van windenergiegebied Borssele tot de Voordelta is circa 11 kilometer en tot de Vlakte van de Raan circa 9 kilometer. Het gebied Zeeuwse Banken grenst direct aan het windenergiegebied Borssele, maar is geen Natura 2000-gebied dan wel beschermd gebied onder de Kaderrichtlijn mariene strategie respectievelijk het OSPAR-verdrag. 4.2 Verkaveling 4.2.1 Aantal megawatt Op grond van de Elektriciteitswet 1998 wordt TenneT aangewezen als de netbeheerder van het net op zee. In de routekaart windenergie op zee is aangegeven dat TenneT deze aansluiting zal realiseren door gestandaardiseerde platforms van 700 MW, die elk met twee 220 kV-kabels verbonden worden op het landelijke hoogspanningsnet. De windturbines van de windparken worden rechtstreeks op een platform aangesloten, waarbij TenneT twee windparken op een platform combineert. Op deze manier kunnen in een windpark windturbines opgesteld worden met een gezamenlijk vermogen van minimaal 342 en maximaal 380 MW. Bij de verkaveling wordt rekening gehouden met de technische kenmerken van het net op zee van TenneT zoals naar verwachting wordt vastgelegd in het ontwikkelkader op basis van de Elektriciteitswet 1998, de benodigde ruimte daarvoor en de totaal beschikbare oppervlakte van het windenergiegebied Borssele (344 km2). In zijn brief van d.d. 19 mei 2015 heeft de minister van Economische Zaken16Kamerstukken II 2014/15, 33 561, nr.
- bekend gemaakt binnen het windenergiegebied Borssele ruimte te geven voor een innovatiekavel bestaande uit twee windturbineposities, met een maximum vermogen van in totaal 20 MW. Dit innovatiekavel (kavel V) is gesitueerd aan de noordzijde van kavel III. De twee windturbines sluiten via een aparte kabel aan op platform Beta. Op basis hiervan wordt het gebied verkaveld in vijf kavels. De vijf deelgebieden samen bieden op deze wijze ruimte voor circa 1.400 MW. De verkaveling is schematisch weergegeven in onderstaande figuur. Figuur
- Schematische verkaveling van windenergiegebied Borssele¹ ¹ De feitelijke ligging van de elektriciteitskabels nabij platform Alpha en Beta is gewijzigd maar hier nog niet weergegeven. Uit onderzoek17Quick scan of energy production and wake losses of the Borssele Wind Farm Zone including losses for nearby Belgian Wind Farms’, ECN, april 2015 is vast komen te staan dat een opgesteld vermogen van 2.100 MW in het gebied ten opzichte van 1.400 MW relatief ten opzichte van het toegenomen aantal windturbines 6% minder energieopbrengst oplevert. De keuze voor een opgesteld vermogen van 1.400 MW voor het windenergiegebied Borssele voorziet derhalve naar verwachting in een efficiënte benutting van de beschikbare ruimte voor de opwekking van windenergie en is gezien vanuit de opzet om te werken met veelvouden van 700 MW en de uitruil tussen economisch en ecologisch perspectief optimaal. Daarnaast wordt met de keus voor 1.400 MW ook het zog-effect op de Belgische windparken beperkt. In paragraaf 4.1 van het MER is hier een nadere toelichting op gegeven. 4.2.2 Kavelbegrenzing De grenzen van de vijf kavels worden bepaald aan de hand van de in het windenergiegebied aanwezige kabels en leidingen inclusief onderhoudszones, de benodigde ruimte voor het net op zee, de benodigde kavelgrootte voor het opstellen van windturbines met een gezamenlijk vermogen van 342–380 MW, de benodigde grootte voor een innovatiekavel en de begrenzing van het windenergiegebied. Voor de onderhoudszones van de kabels en leidingen is op grond van het beleidsmatige uitgangspunt van efficiënt ruimtegebruik een afstand van 500 meter gehanteerd. De nadere motivering hiervan is opgenomen in paragraaf 6.8 (kabels en leidingen). Voor de begrenzing van de kavels als gevolg van de aanwezige kabels is verkend of verleggen van deze kabels mogelijk is, teneinde de kavels groter te kunnen maken. Uit deze verkenning is gebleken dat het verleggen van kabels vanuit kosteneffectiviteit en vanuit procedureel oogpunt niet haalbaar is. Figuur 4 Schematische kavelbegrenzing¹ ¹ De feitelijke ligging van de elektriciteitskabels nabij platform Alpha is gewijzigd maar hier nog niet weergegeven en het innovatiekavel is niet apart weergegeven (zie figuur 3). 4.2.3 Gevolgen van de verkaveling Oost-westcorridor Door de gekozen verkaveling en het net op zee van TenneT ontstaat er ruimte tussen de kavels I en II en ten noorden van kavel III. De breedte van deze ruimte is hier maximaal (inclusief veiligheidszones) 2.100 meter. Om een oost-westgerichte corridor ten behoeve van scheepvaart mogelijk te maken is naast de onderhoudszones van de Farland North-kabel die door kavel IV loopt aan weerszijden 250 meter ruimte van kavel IV beschikbaar gesteld. Daarmee komt de voor scheepvaart beschikbare ruimte voor dit gedeelte op 500 meter. Aan de oostkant is deze ruimte voor de scheepvaart 1.100 meter. De gevolgen van deze corridor worden afgewogen in paragraaf 6.9 (scheepvaartveiligheid). Noord-zuidcorridors Het hanteren van een afstand van 500 meter voor de onderhoudszones voor kabels en leidingen betekent dat er geen noord-zuidcorridors ontstaan, omdat de veiligheidszones van de windparken direct op elkaar aansluiten. Vanwege het feit dat de uitgevoerde en nog geplande Belgische windparken voor scheepvaartverkeer gesloten zullen zijn, is doorvaart in noord-zuidrichting op termijn ook geen mogelijkheid meer. Afstand tot Belgische windparken en windafvang Een gevolg van de ligging van het windenergiegebied Borssele is het ontstaan van een afstand tot de Belgische windparken van minimaal 1.000 meter. Door het aansluiten van de veiligheidszones rond zowel de Nederlandse als de Belgische windparken is hier geen scheepvaart mogelijk. Door de ligging van de Belgische windparken kunnen zogeffecten (windafvang en turbulentie) ontstaan. Uit onderzoek18Quick scan wind farm efficiencies of the Borssele location, ECN-E--14-050, ECN 2014 is gebleken dat de energieopbrengst als gevolg van de Belgische windparken voor het gehele windenergiegebied Borssele ongeveer 4% lager zal zijn. Uit onderzoek19Quick scan of the influence of the Borssele Wind Farms on the (planned) off-shore wind farms in Belgium including losses for nearby Belgian Wind Farms, ECN-E--15-015, ECN 2015 blijkt dat bij realisatie van een 1.400 MW windpark in het windenergiegebied Borssele de energieopbrengst voor de Belgische windparken met gemiddeld 2,7% zal afnemen. 4.3 Het windpark 4.3.1 Beschrijving windpark Een windpark wordt in artikel 1 van de Wet windenergie op zee gedefinieerd als een samenstel van voorzieningen waarmee elektriciteit met behulp van wind wordt geproduceerd. Met een samenstel van voorzieningen wordt bedoeld: alle aanwezige middelen die onderling met elkaar zijn verbonden voor de productie van elektriciteit met behulp van wind. Het betreft: • Windturbines opgebouwd uit een fundering, een eventueel transitiestuk, een mast, een gondel en rotorbladen. • Bekabeling die de individuele turbines verbindt en aansluit op een platform. Door de wind draaien de bladen van de windturbine rond. Een as drijft een generator aan waarmee de elektriciteit wordt opgewekt. De elektriciteit wordt via de interne bekabeling naar het platform geleid, waar het op de juiste spanning voor transport naar land wordt gebracht. Een windpark bestaat uit:
- Turbines Er zijn momenteel veel verschillende typen turbines op de markt. De tendens is om turbines te ontwikkelen met grotere rotoren en grotere vermogens. Hierbij zijn de volgende ontwerpvariabelen onderscheiden: • Tiphoogte: bovenste stand van een individueel blad; • Tiplaagte: laagste stand van een individueel blad; • Rotordiameter; • Aantal bladen per turbine.
- Funderingen Turbines worden aangelegd met behulp van de volgende gangbare funderingstypen: • Monopile: een stalen buis met een verschillende doorsnede afhankelijk van het gewicht van de turbine en de grondsoort, waarop de turbine geplaatst wordt; • Jacket: een open constructie die met vier monopiles in de bodem is verankerd; • Tripod: een open constructie die met drie monopiles in de bodem is verankerd; • Gravity based: een betonnen voet bestaande uit een holle kegel die ter plaatse wordt afgezonken en op de bodem wordt geplaatst en gevuld wordt met zand; • Suction bucket20Een suction bucket wordt geïnstalleerd door het op de zeebodem te plaatsen en vervolgens een pomp te activeren die water uit de bucket verwijdert, waardoor de bucket zich vastzuigt en in de bodem dringt. Bovenop de suction bucket wordt de turbinepaal gemonteerd.:een cilindrische constructie geplaatst onder een jacket waarvan de bovenkant is afgesloten. 4.3.2 Situering en oppervlakte kavel I Kavel I is gelegen in de noordoosthoek van windenergiegebied Borssele en heeft een oppervlakte van 64,8 km
- De veiligheidszone van kavel I grenst in de noordoost hoek aan het beloodsingsgebied, aan de westzijde aan de onderhoudszone van de Franpipe pijpleiding en aan de zuidzijde aan de onderhoudszone van de Farland North-kabel. Verder wordt de kavel doorkruist door de Zeepipe pijpleiding en de SeaMeWe kabel. Op deze wijze wordt kavel I verdeeld in vier delen. De coördinaten van de begrenzing van kavel I zijn weergegeven in voorschrift 2, eerste lid bij dit besluit. Tevens zijn de coördinaten van de vier delen in dit voorschrift weergegeven. Dit windpark moet worden aangesloten op TenneT platform Borssele Alpha. Hiertoe wordt in dit kavelbesluit eveneens een tracé voor de aansluitverbinding aangewezen. De kabels die de turbines met het platform verbinden, moeten binnen het gebied blijven, waarvan de coördinaten zijn weergegeven in voorschrift 2, eerste en tweede lid, bij dit besluit. 4.4 Bouw en exploitatie 4.4.1 Vergunning Op grond van artikel 12 van de Wet windenergie op zee kan door de minister van Economische Zaken een vergunning verleend worden voor de bouw en exploitatie van een windpark. In deze vergunning wordt bepaald voor welk tijdvak de vergunning geldt. Het tijdvak dient passend te zijn bij de te verwachte economische levensduur van het windpark. In de vergunning wordt voorts aangegeven binnen welke termijn na het onherroepelijk worden van de vergunning, de in de vergunning aangegeven activiteiten moeten worden verricht. Voor kavel I wordt uitgegaan van een termijn van maximaal 5 jaar voor de realisatie van het windpark vanaf het moment van onherroepelijk worden van de vergunning. De exploitatietermijn kan starten vanaf jaar 3 en kan duren tot en met jaar
- De verwijderingstermijn kan starten vanaf jaar 25 en kan duren tot en met jaar
- De windvergunning wordt derhalve voor 30 jaar verleend. Dit is in voorschrift 3 bij dit kavelbesluit vastgelegd. 4.4.2 Algemene regels In paragraaf 6a van het Waterbesluit zijn algemene niet-locatiegebonden regels opgenomen voor windparken op zee ter voorkoming van schade aan het mariene milieu en ter voorkoming en beperking van hinder voor scheepvaart en luchtvaart. Deze regels hebben betrekking op het verrichten van werkzaamheden in het kader van de bouw, de exploitatie en het onderhoud of het verwijderen van een windpark. Op grond van artikel 6.16d van het Waterbesluit dient de vergunninghouder ten minste acht weken voor aanvang van de bouwactiviteiten een melding in bij de minister van Infrastructuur en Milieu, waarin plannen en gegevens zijn opgenomen die inzicht geven in de daadwerkelijke uitvoering van het windpark en de voorzieningen die worden getroffen om schadelijke effecten voor het mariene milieu en gevaar voor de omgeving te voorkomen. Hierbij gaat het onder andere over het maken van afspraken tussen de vergunninghouder, de Kustwacht en de waterbeheerder over de te treffen veiligheidsvoorzieningen, zoals de vermelding van het werkgebied – het gebied binnen kavel I waarbinnen de constructie van het windpark plaatsvindt – op zeekaarten, berichtgeving aan zeevarenden en de bebakening van het werkgebied met boeien. Daarnaast moeten de turbines in het windpark voorzien worden van herkenningstekens en bakens ter waarborging van de veiligheid van het lucht- en scheepvaartverkeer. Het uiteindelijke ontwerp van het windpark wordt ook getoetst aan de voorschriften van dit kavelbesluit. 4.4.3 Bouw Het bouwproces van een windpark is in grote mate afhankelijk van het gekozen type fundering en verloopt in grote lijnen als volgt. In geval er gebruik gemaakt wordt van monopiles, start de bouw veelal met het aanbrengen van erosiebescherming in de vorm van steenbestorting. Vervolgens wordt de fundering geplaatst. Hierna wordt de bekabeling die de individuele turbines verbindt met het platform Borssele Alpha gelegd. Daarbij wordt eerst een aantal turbines met elkaar verbonden door een kabel, waarna de kabels worden verbonden met het platform Borssele Alpha. De volgende fase in het bouwproces bestaat uit het plaatsen van de mast, de gondel en de bladen. Als sluitstuk wordt de bekabeling verbonden met de generator en wordt de besturingsapparatuur geïnstalleerd. De turbines kunnen nu elektriciteit gaan leveren. 4.4.4 Veiligheidszone Op grond van artikel 6.10 van de Waterwet wordt rondom de installatie een veiligheidszone ingesteld op het moment dat met de realisatie van de installatie wordt begonnen. Onder installatie wordt in dit geval verstaan: het geheel van windturbines van het windpark dat in kavel I gebouwd wordt. De kabels tussen de turbines worden geacht geen onderdeel uit te maken van de installatie. De buitenste grens van de installatie wordt gevormd door een (denkbeeldige) lijn tussen de uiterste punten van de wieken in horizontale stand van de buitenste rij windturbines van het windpark. Elk punt van de buitenste grens van de veiligheidszone is ten hoogste 500 meter verwijderd van een overeenkomstig punt op de buitengrens van de installatie. In het besluit tot instelling van de veiligheidszone wordt geregeld wie toegang tot het gebied heeft. Het betreft in ieder geval schepen in opdracht van de overheid dan wel de vergunninghouder (artikel 8, tweede lid, Beleidsregels inzake de toepassing van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken op installaties in de exclusieve economische zone). Ook kan in dit besluit geregeld worden dat andere schepen, zoals recreatie-, visserij-, onderzoeks- en onderhoudsschepen van kabeleigenaren toegang tot het park kunnen krijgen. Het besluitvormingsproces op dit punt wordt nader toegelicht in paragraaf 6.
- Zowel tijdens de aanbouwfase als tijdens de verwijdering van het windpark is de veiligheidszone gesloten voor alle verkeer, behalve schepen in opdracht van de overheid of de vergunninghouder. 4.4.5 Monitoring Omdat er generieke kennisleemtes bestaan met betrekking tot de ecologische effecten tijdens de bouw, exploitatie en verwijdering van het windpark zal op grond van dit kavelbesluit monitoring en evaluatie plaatsvinden. In paragraaf 7.4 wordt verder ingegaan op de geconstateerde kennisleemtes. De kennisleemtes worden ingevuld via het door de overheid op te zetten monitorings- en evaluatieprogramma dat verder is beschreven in paragraaf 7.8.
- Vanwege het ontbreken van locatiespecifieke kennisleemtes worden er in dit kavelbesluit geen voorschriften opgenomen die de vergunninghouder verplichten tot het uitvoeren van locatiespecifiek onderzoek. 4.5 Verwijdering en financiële zekerheid Nadat de exploitatietermijn van het windpark is verlopen moet het op grond van artikel 6.3 van de Waterwet verwijderd worden. Aan het verwijderen van een windpark zijn kosten verbonden. In artikel 28 van de Wet windenergie op zee is de mogelijkheid van het opleggen van een financiële zekerheid opgenomen in het geval een vergunninghouder na afloop van de exploitatietermijn of lopende deze termijn – vanwege faillissement – niet aan zijn verplichting tot verwijdering van het windpark kan voldoen. De hoogte van het bedrag moet voldoende zijn om het windpark inclusief kabels en eventuele erosiebescherming volledig te kunnen verwijderen. De verwijderingskosten bestaan onder andere uit de inzet van personeel, materieel en diverse risico-opslagen. Dit bedrag wordt geïndexeerd zodat de verwijderingskosten tegen de tijd van verwijdering bepaald kunnen worden. Gelet op deze berekeningssystematiek, de huidige praktijk van financiële zekerheidsstelling bij andere windparken op zee en de te verwachten prijsstijging moet de vergunninghouder 120.000 euro per te realiseren MW als financiële zekerheid stellen. Uitgaande van een park met een geïnstalleerd vermogen van 380 MW betreft dit een bedrag van 45,6 miljoen euro. De financiële zekerheid moet gesteld zijn voordat RVO bewijs heeft ontvangen dat er Garanties van Oorsprong (GvO) zijn afgegeven over de geleverde stroom. Gedurende een periode van 12 jaar vanaf het moment dat het park elektriciteit levert wordt het bedrag geïndexeerd met 2% ten laste van de vergunninghouder. Na een periode van 12 jaar exploitatie, 17 jaar exploitatie en 1 jaar voor de start van de verwijdering van het windpark wordt de 120.000 euro per te realiseren MW en de indexatie opnieuw vastgesteld. De bankgarantie wordt afgesloten met een Nederlandse systeembank of een bank die opgenomen is in de lijst van ‘Global Systematically Important Banks’ die gepubliceerd wordt door de Financial Stability Board (FSB). De bankgarantie wordt contractueel geregeld tussen de Staat en de vergunninghouder. Dit contract zal onder meer een voorwaarde bevatten die regelt dat iedere 5 jaar een nieuwe bankgarantie wordt afgegeven. Mocht de vergunninghouder deze bankgarantie niet tijdig vervangen dan vervalt het bedrag aan de Staat. Op grond van artikel 4, eerste lid 1, aanhef en onder onderdeel g, van de Wet windenergie op zee is in dit kavelbesluit een voorschrift opgenomen dat regelt dat gedurende de exploitatie van het windpark de vergunninghouder zich garant stelt voor de kosten van verwijdering van het windpark met een financiële zekerheidstelling. In het Waterbesluit is geregeld dat het gedeeltelijk in stand houden van het windpark afgewogen kan worden in een vergunningprocedure op grond van artikel 6.3 Waterwet. Dit geldt bijvoorbeeld voor het deels laten staan van de funderingen. 5 Milieueffectrapport (MER) 5.1 Inleiding In het MER wordt geconcludeerd dat windenergiegebied Borssele aangemerkt kan worden als een gemiddeld geschikt gebied in vergelijking met de andere aangewezen windenergiegebieden. 5.2 Voorkeursalternatief kavel I In het MER is een bandbreedte onderzocht waarbinnen verschillende windturbineopstellingen en – types gerealiseerd kunnen worden. Hierdoor hebben ontwikkelaars de vrijheid om een optimaal ontwerp te maken voor het windpark in termen van kosteneffectiviteit en energieopbrengst. Bij de in het MER onderzochte bandbreedte is uitgegaan van een ondergrens met een turbine van 3 MW en een bovengrens met een turbine van 10 MW. In het MER is onderzocht wat de worst case effecten zijn van mogelijke inrichtingsvarianten die binnen de bandbreedte mogelijk zijn. Aan de hand van deze effecten is geconcludeerd dat de onderzochte ondergrens leidt tot onaanvaardbare effecten. Om die reden is de ondergrens van de bandbreedte aangepast naar 4 MW, de zogenoemde voorkeursbandbreedte. Daarnaast zijn in het MER de effecten van de aanleg van verschillende funderingstypen op zeezoogdieren onderzocht. Uit dit onderzoek is gebleken dat het funderen met monopiles kan leiden tot onaanvaardbare effecten. Om die reden worden mitigerende maatregelen opgenomen ten behoeve van het beperken van onderwatergeluid ter bescherming van bruinvissen, zeehonden en vissen. Uit het MER blijkt voorts dat de effecten op vogels en vleermuizen beperkt moeten worden. Om die reden worden mitigerende maatregelen opgenomen, waaronder de maatregel dat de rotoromwentelingen van de windturbines tot een minimum moeten worden teruggebracht bij specifieke weersomstandigheden met vogeltrek en vleermuizentrek op rotorhoogte. De voorkeursbandbreedte en de mitigerende maatregelen vormen gezamenlijk het voorkeursalternatief. Die voorkeursbandbreedte en mitigerende maatregelen worden vastgelegd in de voorschriften bij het kavelbesluit. Binnen het voorkeursalternatief zijn de effecten voor twee inrichtingsalternatieven inzichtelijk gemaakt, namelijk een alternatief uitgaande van de ondergrens van de bandbreedte (95 4 MW turbines) en een alternatief uitgaande van de bovengrens van de bandbreedte (38 10 MW turbines). In het concept MER voor kavel II, dat voor tussentijds advies is voorgelegd aan de Commissie m.e.r., zijn de effecten beoordeeld van een windpark met 350 MW aan opgesteld vermogen. Deze 350 MW is gebaseerd op aansluiting op een platform met een capaciteit van 700 MW, zodat dus twee kavels van 350 MW aangesloten kunnen worden. Inmiddels is duidelijk dat het plaatsen van meer dan 350 MW is toegestaan, met een maximum van 380 MW aan opgesteld vermogen. Meer dan 350 MW per kavel kan leiden tot schaalvoordelen en een optimaal gebruik van het net op zee, wat leidt tot lagere kosten per kWh.21‘Er zal echter standaard maximaal 350 MW aansluit- en transportcapaciteit worden aangeboden per kavel. TenneT heeft wel de intentie om de elektriciteit van meer dan 350 MW af te nemen, maar kan dit niet garanderen.’ (TK 2014–2015 33 561, nr. 19) In een addendum bij het MER is onderzocht wat de effecten zijn als de bovengrens van het opgesteld vermogen van kavel I 380 MW bedraagt. 6 Belangenafweging gebruiksfuncties 6.1 Inleiding In artikel 3, derde lid, aanhef en onder a en b, van de Wet windenergie op zee is bepaald dat de gevolgen voor de maatschappelijke functievervulling en de gevolgen voor derden meegenomen moeten worden in de belangenafweging. Daarnaast moeten op grond van artikel 3, derde lid, aanhef en onder d en e, van de Wet windenergie op zee het belang van de kosten voor het realiseren van een windpark en het belang van een doelmatige aansluiting van een windpark op een net worden afgewogen. In dit hoofdstuk worden deze belangen afgewogen. Op grond van artikel 3, derde lid, aanhef en onder c, van de Wet windenergie op zee moet milieubelang waaronder het ecologisch belang afgewogen worden. Dit komt in het volgende hoofdstuk aan de orde. Doelmatige aansluiting Op grond van de Elektriciteitswet 1998 wordt TenneT aangewezen als de netbeheerder van het net op zee. Het kavelbesluit reguleert de aansluiting op het net op zee. Uit de voorbereidende handelingen in het kader van de Rijkscoördinatie regeling volgt dat er twee platforms in windenergiegebied Borssele gerealiseerd worden waar windparken op aangesloten kunnen worden. Gelet hierop is de aansluiting van de windparken op deze platforms het meest doelmatig in vergelijking met een radiale aansluiting. 6.2 Landschappelijke inpassing 6.2.1 Beleid Windparken mogen alleen gebouwd worden in gebieden die daarvoor zijn aangewezen in een nationaal waterplan. In het Nationaal Waterplan (2009–2015) is het windenergiegebied Borssele aangewezen. Daarmee heeft de belangenafweging van het windenergiegebied en daarmee indirect ook dat van kavel I in relatie tot landschappelijke inpassing al plaatsgevonden. 6.2.2 Gevolgen Uit het MER volgt dat het windpark maximaal 14,7% van de tijd gedurende de zomermaanden (1 mei – 30 september) in de dag periode (07.00 uur – 21.00 uur), vanaf het dichtstbijzijnde punt op land (Westkapelle) zichtbaar is. De zichtbaarheid wordt voornamelijk bepaald door de weersomstandigheden en vrijwel niet door de grootte van de turbine. Buiten deze periode is het zichtbaarheidspercentage lager. Ook is dit percentage lager op andere zichtlocaties, die verder van het windpark af liggen, zoals Domburg (13,2%) en Knokke-Heist (2,6%). 6.2.3 Afweging Hierboven is beschreven dat een windpark een beperkt gedeelte van het jaar zichtbaar is. Ondanks deze beperkte zichtbaarheid kan dit als hinderlijk worden ervaren vanaf de kust voor locaties die het dichtst bij zijn gelegen zoals Westkapelle (op 27 km afstand van het windpark). Voor andere locaties langs de kust neemt de zichtbaarheid sterk af. Gelet op het grote belang van windenergie, de afstand tot de kust en de beperkte zichtbaarheid van het windpark gedurende het jaar is de mogelijke hinder aanvaardbaar. Naast de windparken zijn ook schepen zichtbaar aan de horizon. 6.2.4 Voorschriften De minimale afstand van de windturbines tot aan de kust volgt uit voorschrift 2, eerste lid, waarin wordt bepaald binnen welke contour de windturbines geplaatst mogen worden. De tiphoogte van de turbines is vastgelegd in voorschrift 2, tiende lid. Gelet hierop en gelet op de uitkomst van de belangenafweging is het niet nodig om nadere voorschriften op te nemen. 6.3 Zandwinning 6.3.1 Beleid In het Nationaal Waterplan (2016–2021) is vastgelegd dat zandwinning een activiteit van nationaal belang is. Buiten de 12-mijlszone hebben andere activiteiten van nationaal belang voorrang boven zandwinning. Binnen de 12-mijlszone heeft zandwinning prioriteit boven ander gebruik, waaronder activiteiten van nationaal belang. Zandwinning vindt plaats ten behoeve van enerzijds zand dat gebruikt wordt voor suppleties van het kustfundament en anderzijds zand voor bouwtoepassingen. 6.3.2 Gevolgen Uit het MER volgt dat het kavel geen invloed heeft op de mogelijkheden voor zandwinning omdat de afstand tussen de 12-mijlsgrens – waar zandwinning doorgaans plaatsvindt – en het kavel minimaal enkele kilometers is. Om die reden worden aan het kavelbesluit geen nadere voorschriften verbonden ten aanzien van het beschermen van de belangen inzake zandwinning. 6.4 Olie- en gaswinning Olie- en gaswinning is een activiteit van nationaal belang. Daarom worden de gevolgen van de realisatie van een windpark in kavel I op deze functie, waaronder het belang van een doelmatig ruimtegebruik, in ogenschouw genomen. TNO-AGE is de beheerder van gegevens over de olie- en gasvoorraden in de ondergrond van het Nederlands grondgebied. Deze organisatie heeft aangegeven dat het kavel niet in de nabijheid van bestaande olie- en gasplatforms ligt. Ook zijn er in het gebied geen winnings- of opsporingsvergunningen afgegeven. Er is ook geen sprake van mogelijke olie- en of gasvoorraden in het gebied. Het te realiseren windpark in het kavel heeft daarom geen invloed op de belangen van olie- en gaswinning. Om die reden worden aan het kavelbesluit geen nadere voorschriften verbonden ten aanzien van het beschermen van de belangen inzake olie- en gaswinning. 6.5 Luchtvaart Het luchtruim boven kavel I kan worden gebruikt door luchtvaartuigen. De gevolgen van de realisatie van een windpark voor de luchtvaart wordt daarom in dit besluit afgewogen. 6.5.1 Regelgeving en beleid Ter plaatse van windenergiegebied Borssele is het luchtruim aangeduid als ‘North Sea Area Amsterdam’ (luchtruimklasse G). Dit houdt in dat zowel vluchten onder zichtvliegvoorschriften (hierna: VFR) als onder instrumentvliegvoorschriften (hierna: IFR) mogen worden uitgevoerd, waaraan op verzoek vluchtinformatie wordt verschaft. De bovengrens van North Sea Area Amsterdam ligt op 5500 voet (circa 1.676 meter) en de ondergrens ligt op het niveau van de zeespiegel. Ten aanzien van de verticale en horizontale separatie ten opzichte van obstakels gelden de in het Besluit luchtverkeer 2014 en Verordening EU nr. 923/2012 gestelde eisen. Concreet betekent dit dat bij een VFR-vlucht het luchtvaartuig een minimale afstand van 500 voet (circa 150 meter) moet aanhouden boven de hoogste hindernis in een straal van 500 voet (circa 150 meter) rond het luchtvaartuig. Voor IFR-vluchten geldt een separatie van minstens 1.000 voet (circa 300 meter) boven de hoogste hindernis binnen 8 kilometer van de geschatte positie van het luchtvaartuig. Dit houdt in dat een vliegtuig of helikopter op een minimale hoogte van 400 meter boven het wateroppervlak moet vliegen uitgaande van een maximale tiphoogte van 250 meter. Om de veiligheid voor het vliegverkeer te waarborgen worden op grond van artikel 6.16h van het Waterbesluit eisen gesteld aan de bebakening en verlichting van de windturbines in het windpark. 6.5.2 Gevolgen Windturbines zijn hindernissen als hierboven beschreven en gezagvoerders zullen daarmee rekening moeten houden als ze zich in de nabijheid daarvan bevinden. In het gebied vinden nauwelijks vliegbewegingen van helikopters plaats omdat olie- en gasplatforms ontbreken. Ook ontbreken zogenoemde ‘Helicopter Main Routes’. Dit zijn luchtverkeersroutes waar civiele helikopters opereren op een geregelde en herhaalde basis, voornamelijk van en naar olie- en gasplatforms. Wanneer een windpark zich binnen de beschermingscontour van de communicatie-, navigatie- of surveillanceapparatuur (CNS) van Luchtverkeersleiding Nederland (LVNL) bevindt, kan mogelijk verstoring van communicatie optreden. In het windenergiegebied Borssele ontbreekt CNS-apparatuur evenwel. 6.5.3 Afweging De eisen om voldoende separatie aan te houden vloeien voort uit de hierboven genoemde wet- en regelgeving. In het kavelbesluit hoeven dan ook geen nadere voorzieningen te worden getroffen. Aangezien olie- en gasplatforms alsmede HMR’s in het windenergiegebied ontbreken, hoeven er geen nadere voorzieningen te worden getroffen. Vanwege de afwezigheid van CNS-apparatuur zal ook geen verstoring daarvan optreden. Het windpark in kavel I vormt dus geen onaanvaardbaar obstakel voor de luchtvaart. 6.5.4 Voorschriften Het uitgevoerde vooronderzoek geeft geen aanleiding om nadere voorschriften op te nemen in dit kavelbesluit ten aanzien van het beschermen van de belangen inzake luchtvaart. 6.6 Cultuurhistorie en archeologie 6.6.1 Beleid De Noordzee heeft een belangrijke sociaal-culturele en historische betekenis voor Nederland en is een bron van kennis. In de Visie Erfgoed en Ruimte22Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Kiezen voor karakter, Visie Erfgoed en Ruimte, 15 juni
- is als doelstelling voor de Noordzee opgenomen om het cultureel erfgoed goed te positioneren bij ruimtelijke ontwikkelingen op de Noordzee. Het rijksbeleid, zoals verwoord in de Beleidsnota Noordzee (2016–2021), is gebaseerd op de uitgangspunten van het Verdrag van Valetta (ook wel verdrag van Malta genoemd), dat strekt tot bescherming van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. In het bijzonder gaat het om het streven naar het zoveel mogelijk behouden van archeologische waarden in de bodem (in situ), een meldplicht voor archeologische vondsten, het meewegen van het archeologisch belang in de ruimtelijke ordening en het waarborgen dat milieueffectrapportages en de daaruit voortvloeiende beslissingen rekening houden met archeologische vindplaatsen en hun context. Tenslotte is het uitgangspunt dat de kosten voor het eventueel benodigde archeologisch onderzoek door de verstoorder moeten worden gedragen (het ‘verstoorder betaalt’-principe). Indien bij de oprichting van een windpark of bij andere werkzaamheden met betrekking tot windturbines in de Nederlandse EEZ een monument dan wel een vermoedelijk monument in de zin van de Monumentenwet 1988 wordt gevonden, zijn op grond van artikel 6.16f van het Waterbesluit de artikelen 53, 56, 58, eerste lid, en 59 van die wet van overeenkomstige toepassing. Deze artikelen voorzien in bescherming van (vermoedelijke) monumenten in de zin van de Monumentenwet. 6.6.2 Gevolgen Uit de in het kader van het MER uitgevoerde bureaustudie23Borssele Wind Farm Zone, North Sea, The Netherlands, Archeological desk study, risk assessment and recommendations, Vestigia 2014 blijkt dat de archeologische verwachting met betrekking tot vroeg-prehistorische vindplaatsen laag is en met betrekking tot historische vindplaatsen (waaronder wrakken) middelhoog is. Tot dusver zijn er slechts drie scheepswrakken bekend uit het windenergiegebied Borssele. Hiervan is er slechts één nader geïdentificeerd. Het wrak dateert uit de 20e eeuw en heeft geen archeologische waarde. Binnen kavel I liggen twee bekende wraklocaties en andere gedocumenteerde objecten. Tijdens het geofysisch onderzoek van DEEP24Geophysical site investigation survey Borssele windfarm development zone, wind farm site 1, Deep bv, 2015, te vinden via http://offshorewind.rvo.nl/studiesborsseleI is er één van die wrakken gedetecteerd. Bij dit onderzoek zijn geen voorheen onbekende wrakken aangetroffen. In het geofysisch onderzoek zijn verder 111 objecten aangetroffen die niet geassocieerd kunnen worden met kabels, pijpleidingen of bekende wraklocaties en andere gedocumenteerde objecten. Het onderzoek geeft geen uitsluitsel over de eventuele archeologische waarde van deze objecten. Gezien de grootte van het onderzoeksgebied is gekozen voor een resolutie van de opnames, die niet optimaal is voor archeologische doeleinden. Daardoor kan niet uitgesloten worden dat objecten met een archeologische betekenis zijn gemist. Van twintig willekeurig gekozen objecten kon in nader onderzoek niettemin worden geconcludeerd dat het haalbaar is om de objecten in meer detail te beschrijven en uit te sluiten dat het hier om archeologische waarden ging. Dit geldt ook voor het enige scheepswrak dat is aangetroffen. De kwaliteit en de resolutie van de geofysische data is voldoende voor een eerste archeologische beoordeling van de waargenomen contacten en beschreven doelen. Het geofysisch onderzoek kan worden gebruikt als basis voor een eerste beoordeling. Voorafgaand aan de subsidietender zal dit voor de 111 objecten worden uitgevoerd. 6.6.3 Afweging Op basis van het vooronderzoek wordt de kans zeer klein geacht dat er negatieve effecten optreden voor prehistorische waarden. Daarnaast worden tijdens de bouw wrakken en andere objecten vermoedelijk vermeden. Om die reden bestaat geen aanleiding om delen van de kavel op voorhand uit te sluiten voor het plaatsen van windturbines. De kans dat er negatieve effecten ten aanzien van historische waarden (scheeps- en vliegtuigwrakken) optreden kan nog onvoldoende worden ingeschat omdat de gegevens hiervoor ontbreken. Derhalve wordt, een voorschrift opgenomen dat nader onderzoek voorschrijft om de archeologische waarde te bepalen. Afhankelijk van de conclusies uit het (vervolg)onderzoek kunnen de werkzaamheden ongewijzigd doorgang vinden, worden de werkzaamheden archeologisch begeleid, worden er fysieke maatregelen getroffen ter bescherming van archeologische vindplaatsen of worden vindplaatsen uitgesloten van ingrepen met inachtneming van een bufferzone. Mochten tijdens de bouw van het windpark archeologische of cultuurhistorische vondsten worden aangetroffen, dan moet door de vergunninghouder uitwerking gegeven worden aan de archeologische monumentenzorg zoals opgenomen in artikel 6.16f van het Waterbesluit. Gelet op het voorstaande heeft het realiseren van een windpark op dit kavel geen onaanvaardbare gevolgen voor cultuurhistorie en archeologie. 6.6.4 Voorschriften Er wordt een onderzoeksplicht in voorschrift 4, lid 5, opgenomen om te voorkomen dat tijdens de bouw thans bekende en onbekende wrakken of objecten met mogelijke archeologische of historische waarde worden beschadigd. Het doel hiervan is om nader te onderzoeken of sprake is van een wrak of object met archeologische of historische waarde. Als dit het geval is worden de werkzaamheden archeologisch begeleid, worden er fysieke maatregelen getroffen ter bescherming van archeologische vindplaatsen of worden vindplaatsen uitgesloten van ingrepen met inachtneming van een bufferzone. 6.7 Defensie. Uit het MER volgt dat het kavel niet in of in de directe omgeving ligt van gebieden die zijn gereserveerd voor militair gebruik of als munitiestortlocatie. Het te realiseren windpark in het kavel heeft derhalve geen invloed op de belangen van defensie. Om die reden worden aan het kavelbesluit geen nadere voorschriften verbonden ten aanzien van het beschermen van de belangen inzake defensie. 6.8 Kabels en leidingen 6.8.1 Beleid In het Nationaal Waterplan (2016–2021) is bepaald dat zandwinning, defensie, olie- en gaswinning, scheepvaart en windenergie activiteiten van nationaal belang zijn. Deze activiteiten hebben voorrang ten opzichte van activiteiten die niet van nationaal belang zijn. Dit betekent dat deze activiteiten – zoals kabels en leidingen – activiteiten van nationaal belang waaronder windenergie zo min mogelijk mogen hinderen. In de Beleidsnota Noordzee is vastgelegd dat een onderhoudszone van 500 meter wordt aangehouden rondom in gebruik zijnde leidingen en elektriciteitskabels en een onderhoudszone van 750 meter voor in gebruik zijnde telecomkabels. Daarnaast is in de Beleidsnota Noordzee bepaald dat met het oog op efficiënt ruimtegebruik de onderhoudszones waar mogelijk worden verkleind. 6.8.2 Gevolgen Uit het MER volgt dat kavel I aan de westzijde wordt begrensd door een pijpleiding (Franpipe) en aan de zuidzijde door een telecomkabel (Farland). Het kavel wordt doorkruist door een telecomkabel (SeaMeWe) en pijpleiding (Zeepipe), die van noord naar zuid lopen. Hierdoor bestaat het kavel uit vier delen. De interne bekabeling van het windpark naar het platform Borssele Alpha doorkruist de kabels van het TenneT platform Alpha naar land en de redundantiekabel tussen de platforms Alpha en Beta en de Farlandkabel. Ook zullen naar verwachting binnen de kavel de SeaMeWe kabel en de Zeepipe worden gekruist door de interne bekabeling van kavel I. 6.8.3 Afweging In hoofdstuk 4 is beschreven dat bij de verkaveling van windenergiegebied Borssele rekening is gehouden met de aanwezige kabels en leidingen in het windenergiegebied. Daarbij is uitgegaan van onderhoudszones van 500 meter aan weerszijden van de kabels en leidingen. Bij kavel I betreft het hier leidingen (Zeepipe en Franpipe) en telecomkabels (Farland en SeaMeWe). De afweging om een onderhoudszone van 500 meter aan te houden is gebaseerd op de feiten, dat:
- de effectieve ruimte om onderhoud uit te voeren groter is dan 500 meter, omdat in voorschrift 2, derde lid, is bepaald dat overdraai van wieken over de onderhoudszone van kabels en leidingen niet is toegestaan. Bij een configuratie waarbij windturbines van maximaal 10 MW worden geplaatst is de effectieve ruimte om onderhoud uit te voeren daardoor circa 600 meter;
- er ruimte tussen de windturbines moet worden aangehouden, waardoor de ruimte om onderhoud uit te voeren effectief groter is;
- uit de praktijk blijkt dat breuken of lekkages bij elektriciteitskabels en leidingen niet regelmatig voorkomen en er daarom weinig reparaties en/of onderhoud noodzakelijk is. Voor telecomkabels blijkt uit gegevens van de afgelopen tien jaar dat er in het windenergiegebied Borssele nauwelijks reparaties zijn uitgevoerd en er bovendien geen (onderhoudsgevoelige) repeaters in het windenergiegebied aanwezig zijn. Na het instellen van de veiligheidszone worden bodemberoerende visserij en schepen groter dan 24 meter anders dan onderhoudsschepen niet meer toegestaan. De kans dat reparaties nodig zijn daalt hiermee nog verder.
- Specifiek voor het onderhoud aan de Farland North-kabel geldt dat de effectieve onderhoudszone als gevolg van de corridor 2.100 meter bedraagt aan de oostkant van de corridor en aan de westkant 1.500 meter. Door deze omstandigheden is er voor onderhoud aan de Farland North-kabel ruim voldoende ruimte beschikbaar voor het uitvoeren van onderhoud en/of reparaties. De kabel- respectievelijk leidingenexploitanten ondervinden om bovengenoemde redenen geen onaanvaardbare hinder van het windpark doordat voldoende ruimte voor onderhoud en/of reparatie aanwezig is. Het is bekend dat bij het proces naar het zoeken van een telecomkabel ten behoeve van een reparatie in sommige gevallen meer ruimte nodig is als hierboven aangegeven. Daarom wordt als waarborg om dit proces te faciliteren een voorschrift in dit kavelbesluit opgenomen, dat bepaalt, dat in een straal van 1.000 meter rondom de reparatie/onderhoudsplaats aan een telecomkabel het aantal rotaties van de windturbines tot minder dan 1 per minuut terug gebracht moet worden. Voor het kruisen van kabels en leidingen geldt dat daarover in het kader van een zogeheten nabijheids- en kruisingsovereenkomst in de praktijk afspraken met de exploitanten worden gemaakt. Dit wordt niet gereguleerd in het kavelbesluit. 6.8.4 Voorschriften In voorschrift 2, vierde lid, wordt bepaald dat de rotorbladen van de windturbines volledig binnen de contour zoals aangegeven in voorschrift 2, eerste lid, moeten blijven. Uit voorschrift 2, zevende en achtste lid, volgt dat er ruimte tussen de windturbines moet worden aangehouden. Voorts is als waarborg voorschrift 2, zeventiende lid, opgenomen waarin wordt bepaald dat bij windturbines in een straal van 1.000 meter rondom de reparatie/onderhoudsplaats het aantal rotaties van de windturbines tot minder dan 1 per minuut teruggebracht moet worden gedurende het onderhoud en/of reparatie aan een telecomkabel. 6.9 Scheepvaartveiligheid 6.9.1 Beleid Scheepvaart is een maatschappelijke functievervulling van de zee. De gevolgen van de bouw en exploitatie van een windpark in kavel I voor de scheepvaart moeten daarom afgewogen worden mede in het licht van doelmatig ruimtegebruik. In verband hiermee moeten zichtbelemmeringen, radarverstoringen, aanvaringen en aandrijvingen met turbines in de afweging worden meegenomen ten einde een vlot en veilig scheepvaartverkeer te waarborgen. In het Nationaal Waterplan (2016–2021) is vastgelegd dat meervoudig ruimtegebruik – waaronder recreatievaart en kleine vissersschepen – binnen windparken een vertrekpunt is. 6.9.2 Gevolgen MARIN-veiligheidsstudie kavel I en addendum De MARIN-veiligheidsstudie voor kavel I beschrijft gevolgen voor het scheepvaartverkeer en is een bijlage bij het MER. De cumulatieve gevolgen voor de scheepvaartveiligheid zijn inzichtelijk gemaakt aan de hand van twee alternatieven. Alternatief 1 bestaat uit 117 turbines van 3 MW en alternatief 2 bestaat uit 35 turbines van 10 MW. Daarnaast is onderzocht wat de effecten zijn van doorvaart met schepen tot 24 meter in het windpark, waaronder recreatievaart en kleine vissersschepen. Als gevolg van de opschaling van 350 MW per windpark naar maximaal 380 MW per windpark en de verhoging van de ondergrens van de bandbreedte naar 4 MW is een addendum opgesteld voor de effecten hiervan op de scheepvaartveiligheid. Door deze aanpassing bestaat alternatief 1 uit 95 turbines van 4 MW en alternatief 2 uit 38 turbines van 10 MW. MARIN-veiligheidsstudie corridor In de MARIN-veiligheidsstudie voor de corridor worden de cumulatieve gevolgen voor de scheepvaartveiligheid als gevolg van de in hoofdstuk 4 beschreven corridor onderzocht. De gevolgen voor de scheepvaartveiligheid zijn in de MARIN-veiligheidsstudie voor de corridor inzichtelijk gemaakt aan de hand van twee alternatieven. Hierbij wordt uitgegaan van het ontwikkelen van kavel I t/m IV in het windenergiegebied Borssele voor een totaal van 1.400 MW opgesteld vermogen. Alternatief 1 bestaat zodoende uit 468 turbines met 3 MW en alternatief 2 bestaat uit 140 turbines van 10 MW. In de MARIN-veiligheidsstudie voor de corridor is uitgegaan van een aantal scenario’s die gebaseerd zijn op de lengte van schepen. Het gaat om alle type schepen tot 24 meter, schepen tot 45 meter en schepen tot 80 meter. Daarnaast is het scenario van schepen tot 80 meter met uitzondering van het type Chemical, LPG, LNG en Oil onderzocht. Voor deze scenario’s (24, 45 en 80 meter) zijn de aanvarings- en aandrijvingskansen met turbines en platforms kwantitatief doorgerekend. Met deze systematiek wordt inzichtelijk gemaakt wat het verschil in effecten is tussen verschillende scheepslengten. Hieruit blijkt dat als gevolg van grotere scheepslengtes de aanvarings- en aandrijvingskansen toenemen. Beide MARIN-veiligheidsstudies inclusief het addendum gaan in op de risico’s voor aanvaringen en aandrijvingen tegen turbines, indirecte risico’s zoals olie-uitstroom en persoonlijke ongevallen, en de risico’s van kruisende scheepvaart. Daarnaast is in de MARIN-veiligheidsstudie voor de corridor kwalitatief onderzocht wat de gevolgen zijn van kruisende scheepvaart bij de in- en uitgangen van de corridor (zie kaart). Figuur 5 Scheepsbewegingen in en rond het windenergiegebied Borssele Cumulatieve effecten Meerdere (toekomstige) windparken kunnen extra veiligheidsrisico’s met zich brengen. Dit wordt het cumulatieve effect genoemd. In de MARIN-studies is het cumulatieve effect wat veroorzaakt wordt door deze parken in deze studie opgenomen als basissituatie. Dit betekent dat de cumulatieve effecten niet apart berekend zijn. Aanvaringen- en aandrijfkansen In de MARIN-veiligheidsstudie voor kavel I zijn de aanvaar- en aandrijfkansen (rammings en driftings) berekend en de gevolgen hiervan, waaronder bezwijken van de turbine, olie-uitstroom en persoonlijk letsel. Om dit te kunnen berekenen is de afwikkeling van het scheepvaartverkeer in SAMSON gemodelleerd (Safety Assessment Model for Shipping and Offshore on the North Sea). Uit deze berekening blijkt dat de aanvaar- en aandrijfkansen voor kavel I van alternatief 1 hoger zijn dan die van alternatief
- De totale aanvaarkans bedragen voor alternatief 1 eens in de 427 jaar voor routegebonden verkeer en eens in de 57 jaar voor niet-routegebonden verkeer. Voor alternatief 2 bedragen de aanvaringskansen eens in de 1754 jaar voor routegebonden verkeer en eens in de 156 jaar voor niet-routegebonden verkeer. De totale aandrijfkansen bedragen voor alternatief 1 eens in de 20 jaar voor routegebonden verkeer en eens in de 185 jaar voor niet-routegebonden verkeer. Voor alternatief 2 bedragen de kansen eens in de 70 jaar voor routegebonden verkeer en eens in de 739 jaar voor niet-routegebonden verkeer. Uit het addendum blijkt dat deze kans voor alternatief 1 afneemt met minimaal 12,66% en voor alternatief 2 neemt de kans toe met maximaal 14,46%. De reden hiervan is dat vooral het aantal turbines een belangrijke rol speelt bij het bepalen van het effect. Nu het aantal turbines van alternatief 1 zijn afgenomen als gevolg van het aanpassen van de ondergrens van de bandbreedte naar 4 MW turbines, nemen de effecten af. Voor alternatief 2 neemt de kans toe omdat het aantal turbines als gevolg van de opschaling naar 380 MW toeneemt. Indien scheepvaartverkeer tot 45 meter in de corridor wordt toegestaan dan zijn de aanvaar- en aandrijfkansen voor het gehele windenergiegebied als gevolg van de corridor voor alternatief 1 (3 MW) eens in de 4 jaar en voor alternatief 2 (10 MW) eens in de 13 jaar. Dit volgt uit de MARIN-veiligheidsstudie voor de corridor. Als gevolg van de opschaling van de windparken van 350 MW naar 380 MW, wordt het totaal in windenergiegebied Borssele 1520 MW. Uit het Addendum op de corridorstudie25MARIN 2015 kenmerk: 27894.603_1 blijkt dat de totale kans toeneemt met een percentage van 19%. De kans op aanvaringen en aandrijvingen als gevolg van het openstellen van een windpark voor schepen tot 24 meter (inclusief de op zeil varende schepen) is verwaarloosbaar klein. De reden hiervan is dat in het algemeen deze schepen door de relatieve beperkte massa een grote wendbaarheid hebben. Daarnaast is er voldoende ruimte tussen de windturbines beschikbaar om te manoeuvreren als gevolg van de onderlinge minimale afstand van 450 meter van windturbines ten opzichte van elkaar. Indirecte gevolgen: olie-uitstroom en persoonlijk letsel Door aanvaringen en aandrijvingen kunnen indirecte gevolgen optreden, zoals olie-uitstroom en persoonlijk letsel. De kans op olie-uitstroom is veel kleiner dan de kans op aanvaringen en aandrijvingen omdat niet elke botsing resulteert in olie-uitstroom. Voor kavel I geldt dat voor alternatief 1 eens per 298 jaar een uitstroom van olie wordt verwacht. Voor alternatief 2 is dat eens in de 1011 jaar. De kans op persoonlijk letsel is bijzonder klein. De kans op ongevallen waarbij personen zijn betrokken is voor alternatief 1 eens in de 165.153 jaar en voor alternatief 2 eens in de 384.615 jaar. Deze kansen volgen uit de MARIN-veiligheidsstudie voor kavel I en II. Uit het addendum volgt dat deze kansen voor alternatief 1 afnemen en voor alternatief 2 toenemen als gevolg van de relatie tussen aanvaringen- en aandrijvingen en de indirecte gevolgen. Indien scheepvaartverkeer tot 45 meter in de corridor wordt toegestaan dan wordt voor het gehele windenergiegebied als gevolg van de corridor een olie-uitstroom van eens in de 80 jaar verwacht voor alternatief 1 en voor alternatief 2 eens in de 269 jaar. De kans op ongevallen waarbij personen zijn betrokken is voor alternatief 1 eens in de 21.222 jaar en voor alternatief 2 eens in de 52.480 jaar. Deze kansen volgen uit de MARIN-veiligheidsstudie voor de corridor. Kruisende scheepvaart Schepen in het windpark kunnen elkaar kruisen, bijvoorbeeld verkeer in de corridor en recreatievaart of kleine vissersschepen binnen het windpark dat de corridor oversteekt. Om aanvaringen te voorkomen moeten schepen voldoende ruimte hebben om veilig uit te wijken. In het uiterste geval moet er hiervoor een rondtorn gemaakt worden. Uit de praktijk blijkt dat een rondtorn veilig uitgevoerd kan worden indien ongeveer zes maal de lengte van het schip aan manoeuvreerruimte beschikbaar is. In de corridor is de minimale breedte exclusief veiligheidszone 500 meter. Dit betekent dat aan weerszijden van het midden van de corridor minimaal 250 meter beschikbaar is voor het uitvoeren van een uitwijkmanoeuvre. Schepen met een lengte van 45 meter hebben dan voldoende ruimte om te navigeren in de corridor. Gelet op het beperkte verkeer dat verwacht wordt in de corridor, de aanwezige ruimte om een veilige uitwijkmanoeuvre uit te voeren, de wendbaarheid van deze schepen en de beleidsuitgangspunten om meervoudig ruimtegebruik mogelijk te maken, waaronder het faciliteren van visserijscheepvaart tot 45 meter, is het toestaan van schepen tot 45 meter aanvaardbaar vanuit scheepvaartveiligheid. Daarnaast kan een windpark effect hebben op elkaar kruisende scheepvaart in de scheepvaartroutes en bij de in- en uitgangen van het park. Door zichtbelemmeringen kan de situatie ontstaan dat er te weinig tijd is om uit te wijken. Daarnaast kunnen windturbines de benodigde ruimte voor het uitvoeren van uitwijkmanoeuvres beperken. Hierdoor kunnen onveilige situaties ontstaan. De MARIN-veiligheidsstudie voor kavel I wijst echter uit dat er weinig effecten zullen optreden als gevolg van zichtbelemmeringen als gevolg van de relatief grote afstand (minimaal 2,0 NM = 3,7 km) tussen het windpark en de scheepvaartroutes. Ook voor kruisend verkeer bij de in- en uitgangen van de corridor is er voldoende ruimte beschikbaar om veilig uit te wijken. Daarbij komt dat fysieke zichtbelemmeringen nauwelijks een rol spelen omdat schepen vanaf 24 meter veelal uitgerust zullen en moeten zijn met Automatic Identification System (AIS). Dat betekent dat kruisende scheepvaart bij de in- en uitgangen van de corridor elkaar al in een vroeg stadium kan waarnemen en daar vroegtijdig op kan anticiperen. Recreatievaart Het windpark kan een aantrekkende werking op recreatievaart hebben. Recreatievaart in of nabij het windpark kan hierdoor toenemen. Dit kan een gevaar opleveren voor recreanten in verband met mogelijke aanvaringen met windturbines. Gelet op de beperkte omvang, de lagere massa en de grotere wendbaarheid van deze schepen is dit risico beperkt. Beloodsingsgebied Het beloodsingsgebied Steenbank ligt aan de oostkant van kavel I en grenst aan de veiligheidszone daarvan. Bij de verkaveling van het windenergiegebied Borssele is de ligging van het beloodsingsgebied het uitgangspunt geweest. Het beloodsingsgebied is onderverdeeld in deelgebied A en deelgebied B (zie figuur 6). Voor het beloodsen van schepen is voldoende ruimte nodig. De benodigde ruimte is afhankelijk van weersinvloeden, verkeersdrukte, lengte en diepgang van het schip en het aantal te beloodsen schepen en het type beloodsingsproces. Uit de praktijk blijkt dat 80% van de beloodsingsprocessen uitgevoerd kunnen worden in deelgebied A. Voor de overige 20% geldt dat gebruik gemaakt moet worden van deelgebied B, bijvoorbeeld indien sprake is van slechte weersomstandigheden. In die omstandigheden is er voldoende ruimte beschikbaar voor het beloodsingsproces. Ook indien beloodsing in eerste instantie niet lukt vanwege de weersomstandigheden of de verkeersdrukte is er voldoende ruimte beschikbaar om veilig een rondtorn uit te kunnen voeren voor het op nieuw starten van het beloodsingsproces. Bij de vaststelling van de gebieden A en B is uitgegaan van schepen met een lengte van 420 meter. De omvang van het beloodsingsgebied voorziet daarom ook in slechte weersomstandigheden of andere situaties in een veilige afhandeling van de scheepvaart. Figuur 6 Ligging beloodsingsgebieden A en B 6.9.3 Afweging De effecten uit de MARIN-veiligheidsstudies zijn berekend op basis van een theoretisch model. Deze theoretische kans is een vertrekpunt voor de beoordeling van de scheepvaartveiligheid maar moet worden aangevuld met argumenten op basis van de kennis van en ervaring met de vaarpraktijk. Zo geldt voor het risico van kruisende schepen in de praktijk dat de kruisende schepen contact met elkaar zoeken en communiceren over te treffen veiligheidsmaatregelen, zoals het wijzigen van koers en het veranderen van de snelheid. Met deze vaarpraktijk en veiligheidsmaatregelen houdt het model van MARIN geen rekening. Door in de kwalitatieve beoordeling met deze factoren wel rekening te houden kan het effect op de scheepvaartveiligheid zorgvuldiger worden ingeschat. Mede gelet op het voorgaande en de directe en indirecte gevolgen van aanvaringen en aandrijvingen met turbines, de beperkte effecten van recreatievaart en kleine vissersschepen tot 24 meter binnen een windpark, het toestaan van schepen tot 45 meter in de corridor en het huidige en toekomstige beleid voor meervoudig ruimtegebruik zijn de gevolgen op de scheepvaartveiligheid aanvaardbaar. Daarnaast neemt de verkeersdrukte in de scheepvaartroutes af omdat kleinere schepen gebruik zullen maken van de corridor. Hierdoor neemt de kans op ontmoetingen tussen schepen en kruisingssituaties af. Dit bevordert de scheepvaartveiligheid. Voorts wordt er een drietal maatregelen getroffen om de scheepvaartveiligheid te beschermen. Ten eerste moet op grond van artikel 6.16h van het Waterbesluit het windpark ter waarborging van het scheepvaartverkeer voorzien zijn van herkenningstekens en -bakens, waaronder AIS, waardoor de effecten kleiner zullen zijn dan onderzocht. Ten tweede worden routeringsmaatregelen genomen en wordt een zogeheten area to be avoided ingesteld. Dit gebeurt in een IMO-procedure waar het opstellen van een formal safety assessment (FSA) deel van uitmaakt. Zodra deze area to be avoided is ingesteld, is het voor schepen vanaf 45 meter verboden om gebruik te maken van de corridor Ten derde wordt op grond van de Waterwet een veiligheidszone ingesteld rondom de installatie waarin alleen bouw- en/of onderhoudsschepen voor de windparken, telecom- en elektriciteitskabels en pijpleidingen binnen het windenergiegebied Borssele zijn toegestaan en schepen tot 24 meter. 6.9.4 Voorschriften De belangenafweging geeft geen aanleiding om nadere voorschriften aan het kavelbesluit te verbinden anders dan al in het Waterbesluit zijn gesteld. 6.10 Morfologie en hydrologie 6.10.1 Beleid De gevolgen van de bouw, exploitatie en verwijdering van het windpark op de morfologie en de hydrologie van het kavel is een van de aspecten die in het MER zijn beschreven. Hier is geen specifiek beleid voor opgenomen in de Nederlandse wet- en regelgeving. Gestreefd wordt naar het zo min mogelijk verstoren van de bodem en de hydrologische processen in het gebied. 6.10.2 Gevolgen In het MER zijn de morfologische en hydrologische processen beschreven. Hiermee wordt bedoeld de wisselwerking tussen de beweging van water, het transport van zand/slib en erosie en sedimentatie. Onderzocht is welke effecten een windpark in kavel I op deze processen heeft. Meer specifiek zijn de effecten op golven, waterbeweging, waterdiepte en bodemvormen, de bodemsamenstelling, troebelheid en waterkwaliteit, sedimenttransport en op kustveiligheid bepaald. 6.10.3 Afweging Alle morfologische en hydrologische veranderingen die het gevolg zijn van de aanleg, exploitatie, verwijdering en onderhoud van het windpark zijn lokaal, beperkt van omvang en tijdelijk van aard. De veranderingen, voor zover die optreden, zijn zeer gering in vergelijking met de natuurlijke dynamiek van het gebied. Gelet op het bovenstaande heeft het realiseren van een windpark op dit kavel geen onaanvaardbare gevolgen voor morfologie en hydrologie. 6.10.4 Voorschriften Er is geen aanleiding om voor dit onderwerp voorschriften op te nemen in dit kavelbesluit. 6.11 Visserij 6.11.1 Beleid Het visserijbeleid wordt vooral op Europees niveau bepaald en is vastgelegd in de Verordening 9361/02 van de Raad inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visserijhulpbronnen in het kader van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid. In de Beleidsnota Noordzee (2016–2021) is als vertrekpunt opgenomen dat meervoudig ruimtegebruik, zoals niet-bodemberoerende visserij, in windparken zoveel mogelijk kan worden toegestaan. 6.11.2 Gevolgen Uit het MER blijkt dat de effecten van het windpark op de visserij als beperkt negatief worden beoordeeld. Het belangrijkste gevolg van het windpark op de visserij is dat binnen het windpark en de bijbehorende veiligheidszone van 500 m rondom het windpark niet mag worden gevist. Dit vanwege gevaar voor zowel de vissersschepen als de in het windpark aanwezige interne bekabeling. Doordat windenergiegebied Borssele aansluit op de territoriale zee (tot 12 zeemijl uit de kust) en daarbinnen niet gevist mag worden met een motorvermogen van meer dan 300 PK, vormt het een blokkade voor de doorvisbaarheid van de exclusieve economische zone (buiten de 12 zeemijl) van België en Nederland buitenlangs de territoriale zee. 6.11.3 Afweging Het ruimtebeslag van kavel I ten opzichte van het beschikbare visareaal is beperkt. Het gebied dat verloren gaat, is een gebied met een relatief hoge opbrengst. Het verlies aan visgronden zal een geringe toename van de visserijdruk op de resterende visgronden laten zien. Hierdoor zal de vangstefficiëntie van een schip kleiner worden. Hoewel het effect moeilijk is te kwantificeren, zal het effect naar verwachting gering zijn. De aanwezigheid van het windpark kan er ook toe leiden dat de vaartijd van vissersschepen van de haven naar de visgronden toeneemt. De voorgenomen openstelling van het windpark voor niet- bodemberoerende visserij leidt er toe dat deze vorm van visserij minder hinder ondervindt van het windpark. Voor de reguliere sleepnetvisserij biedt deze mogelijkheid geen ruimte c.q. oplossing. Het openhouden van een oost/westgerichte corridor door windenergiegebied Borssele leidt er toe dat vissersschepen (ook groter dan 24 meter) minder hoeven om te varen. Ten aanzien van de doorvisbaarheid buitenlangs de territoriale zee geldt dat aan de Belgische zijde van de grens ook windparken gerealiseerd gaan worden. Doordat het windpark Norther direct ten zuidwesten van het windenergiegebied Borssele wordt gebouwd is een doorvaart net buitenlangs de territoriale zee in de nabije toekomst hoe dan ook niet meer mogelijk. 6.11.4 Voorschriften De belangenafweging geeft geen aanleiding om nadere voorschriften aan het kavelbesluit te verbinden. Er wordt opgemerkt dat in het besluit tot instellen van veiligheidszone op grond van de Waterwet kan worden bepaald of vissersschepen tot 24 meter in het windpark worden toegestaan. In dit besluit tot instellen van de veiligheidszone zal die keuze nader worden gemotiveerd. Het toestaan van medegebruik/doorvaart voor de visserij kan mogelijk leiden tot aanvullende voorwaarden met betrekking tot de regulering van de toegang tot het windpark en op het gebied van SAR, toezicht en handhaving26Uitwerking besluit doorvaart en medegebruik van windparken op zee in het kader van Nationaal Waterplan 2016 – 2021, december 2015, https://www.noordzeeloket.nl/functies-en-gebruik/windenergie/belangenafweging/. 6.12 Medegebruik In het Nationaal Waterplan (2016–2021) staat dat in het kader van effectief ruimtegebruik in de Noordzee nagegaan moet worden of medegebruik binnen de windparken mogelijk is. Dit betreft bijvoorbeeld het opwekken van andere vormen van duurzame energie zoals bijvoorbeeld getijde-energie en het toepassen van duurzame mari- of aquacultuur. Voor dergelijke initiatieven zal op grond van de Waterwet een vergunning moeten worden aangevraagd. In die vergunning zullen de effecten op het mariene milieu en de andere gebruikers van de Noordzee worden afgewogen. 6.13 Waterkwaliteit 6.13.1 Beleid De Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) verplicht elke Europese lidstaat tot het vaststellen van een mariene strategie, welke is gericht op bescherming, behoud en herstel van het mariene milieu (een goede milieutoestand (GMT) van de Noordzee) waarbij tevens een duurzaam gebruik van de Noordzee wordt gegarandeerd. De KRM is geïmplementeerd in het Waterbesluit. Verder is de grondslag van het emissiebeleid het toepassen van de Best Beschikbare Technieken (BBT) ter bescherming van het milieu. 6.13.2 Gevolgen De bouw, exploitatie en verwijdering van een windpark heeft geen lozingen van gevaarlijke en/of milieugevaarlijke stoffen tot gevolg. Hooguit zal er enige diffuse verontreiniging ontstaan door het uitlogen van gebruikte materialen. In het Waterbesluit zijn regels gesteld aan de technische integriteit van de gehele installatie. Daaruit volgt dat de monopalen zullen worden voorzien van kathodische bescherming zodat corrosie wordt voorkomen. Als er opofferingsanodes worden toegepast komen er jaarlijks kleine hoeveelheden aluminium (Al) of zink (Zn) in het zeewater. In het MER is aangegeven dat deze hoeveelheden geen negatieve effecten hebben op het zeemilieu. Verder zullen de masten en turbines zodanig gecoat worden dat er ook geen corrosie zal optreden. De oliën die in de gondel worden gebruikt, zijn opgeslagen in gesloten systemen. 6.13.3 Afweging De bouw, exploitatie en verwijdering van een windpark heeft geen negatieve invloed op de waterkwaliteit van de Noordzee. In het Waterbesluit zijn er ook geen aanvullende voorschriften met betrekking tot dit aspect opgenomen. Echter voorkomen moet worden dat als er milieuvriendelijke alternatieven beschikbaar zijn, er kathodische bescherming wordt toegepast waarbij zware metalen in het zeewater worden gebracht. 6.13.4 Voorschriften In voorschrift 2, dertiende lid is geregeld dat indien er opofferingsanodes als kathodische bescherming worden toegepast ter voorkoming van corrosie van funderingen van windturbines, deze uitsluitend uit legeringen van magnesium of aluminium mogen bestaan. Deze legeringen mogen maximaal 5 gewicht % aan andere metalen bevatten. Het is ook mogelijk om een systeem dat gebruik maakt van opgedrukte stroom toe te passen. Deze technieken worden beschouwd als de Best Beschikbare Technieken voor corrosiebescherming van stalen constructies in zeewater. 6.14 Lokale en regionale economie Het aanleggen en in gebruik nemen van windparken kan risico’s van negatieve effecten met zich meebrengen voor de lokale en regionale economie. Om daar op verantwoorde wijze mee om te gaan, kent dit besluit onder meer voorschriften voor de locatie van de windparken en het aantal turbines. Daarnaast kunnen windparken in potentie ook voordelen met zich meebrengen voor de lokale en regionale economie. Door voor bepaalde activiteiten of producten gebruik te maken van lokale of regionale ondernemingen kan ook direct of indirect worden bijgedragen aan de lokale en regionale economie, bijvoorbeeld doordat bepaalde havens worden gebruikt, leveranciers worden gekozen, financiële deelname in of stroomlevering vanuit het windpark naar lokale bewoners of bedrijven mogelijk wordt gemaakt of samenwerkingen worden aangegaan met lokale of regionale bedrijven in bijvoorbeeld de recreatiesector. In het besluit is daarom een voorschrift opgenomen (Voorschrift 2, zestiende lid) dat de vergunninghouder de verplichting oplegt zich in te spannen het park zodanig te ontwerpen, te bouwen en te exploiteren dat het park, binnen de geldende regelgeving, actief bijdraagt aan versterking van de lokale en regionale economie. Het vereiste van een plan van aanpak maakt daarnaast inzichtelijk wat de bijdrage is van het windpark aan de lokale en regionale economie. 7 Ecologie 7.1 Opbouw van dit hoofdstuk In paragraaf 7.2 zijn de rapporten toegelicht die zijn opgesteld ten behoeve van besluitvorming. In paragraaf 7.3 zijn de gevolgen van de ontwikkeling en exploitatie van een windpark in kavel I van windenergiegebied Borssele per soortgroep beschreven. Achtereenvolgens worden voor iedere soortgroep de gevolgen van het eigenstandige project en de gevolgen van het project tezamen met andere plannen en projecten beschreven. Dit is gedaan op basis van de uiterste bandbreedtes. Wanneer de uiterste bandbreedte tot onacceptabel grote effecten leidt, is deze ingeperkt tot het voorkeursalternatief. Hierbij zijn onacceptabel grote effecten gedefinieerd als significant negatieve gevolgen op Natura 2000-gebieden en/of aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Het voorkeursalternatief wordt door middel van voorschriften dwingend opgelegd aan de vergunninghouder. De uiterste bandbreedte en het voorkeursalternatief zijn gebruikt voor de afweging in het kader van de Flora- en faunawet. Voor soorten met een instandhoudingsdoelstelling in Natura 2000-gebieden zijn ook nog de gevolgen opgenomen zoals deze in de Passende Beoordeling zijn geanalyseerd. Dit is alleen gedaan voor het voorkeursalternatief. Deze beschrijving zal gebruikt worden voor de afweging in het kader van de Natuurbeschermingswet
- In paragraaf 7.4 is een overzicht opgenomen van de geconstateerde kennisleemtes. In paragraaf 7.5 is de afweging opgenomen met betrekking tot de artikelen 6 en 7 van de Wet windenergie op zee, die betrekking hebben op de Flora- en faunawet. In paragraaf 7.6 is de afweging opgenomen met betrekking tot artikel 5 van de Wet windenergie op zee, die betrekking heeft op de Natuurbeschermingswet
- In paragraaf 7.7 is de afweging opgenomen met betrekking tot overige relevante wetgeving. In paragraaf 7.8 worden de voorschriften beschreven die betrekking hebben op de aanleg, exploitatie en verwijdering van een windpark in kavel I. Tevens wordt ingegaan op het door de overheid op te zetten monitorings- en evaluatieprogramma. 7.2 Rapporten ten behoeve van besluitvorming Kader Ecologie en Cumulatie (KEC) In navolging van het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie voor de m.e.r.) op het MER en de Passende Beoordeling die voor de partiële herziening van het Nationaal Waterplan (2009-2015) is opgesteld27http://www.commissiemer.nl/ advisering/afgerondeadviezen/2775, heeft het Rijk een zelfstandig kader ontwikkeld voor de afweging van cumulatie van effecten op beschermde natuurwaarden voor het realiseren van de doelstellingen voor windenergie op zee uit het Energieakkoord. Uitgangspunt is dat, ook in cumulatie, voorkomen moet worden dat significant negatieve effecten kunnen optreden of de gunstige staat van instandhouding aangetast kan worden. In de partiële herziening van het nationaal waterplan is aangegeven dat het KEC moet worden toegepast bij besluitvorming over de benutting en begrenzing van toekomstige windparken binnen de aangewezen gebieden. Cumulatieve effecten zijn in het MER conform dit kader onderzocht en beoordeeld. Uitgangspunten van het KEC:
- De cumulatieve effecten op de relevante soorten worden primair getoetst aan de Zuidelijke Noordzee populaties28Bij het in beeld brengen van effecten op het niveau van biogeografische regio’s is om pragmatische redenen een studiegebied gedefinieerd voor vogels en vleermuizen; de Zuidelijke Noordzee. Bij deze keuze hebben vooral de karakteristieken van dit gebied en de functies die het heeft voor de relevante soorten een rol gespeeld. Het omvat nu de Zuidelijke Noordzee tussen 51°N (ongeveer Calais) tot aan 56°N (net ten noorden van het drielandenpunt aan de noordzijde van het NCP, en van de Britse oostkust tot aan de Europese continentale kustlijn (exclusief de Waddenzee en Zeeuwse stromen). Zie figuur 2, kader ecologie en cumulatie, deelrapport A., zodat een beeld wordt verkregen van het effect op de staat van instandhouding van de betreffende soorten. In overeenstemming met deze aanpak is daarom een analyse opgesteld met inbegrip van windparken in de gehele Zuidelijke Noordzee (ten behoeve van internationale cumulatie). Voor mariene diersoorten wordt deze toetsing op populatieniveau tevens gebruikt om de mogelijke effecten op de aanwezige aantallen van de relevante soorten in Natura 2000-gebieden te bepalen en te beoordelen. Dit vanwege het feit dat mariene soorten een diffuse verspreiding kennen en hun migratiepatronen zich door de gehele Zuidelijke Noordzee uitstrekken. Hun aanwezigheid in Natura 2000-gebieden is daarom in grote mate afhankelijk van de totale aantallen in de populatie29Deze aanpak is onderschreven in de uitwerking van het bruinvisbeschermingsplan waarin is aangegeven dat bescherming van deze migrerende soort in alleen Natura 2000-gebieden onvoldoende is om de gunstige staat van instandhouding van deze soort te bereiken en te behouden. Daarom is een Noordzee-brede bescherming voor deze soort meer gepast.. De realisatie van windenergie op zee zoals verwoord in het Energieakkoord is als uitgangspunt meegenomen voor de cumulatieve effectbeoordeling (t/m 2023). Hiermee wordt uitwerking gegeven aan het advies van de Commissie voor de m.e.r. op het MER/PB die voor de partiële herziening van het Nationaal Waterplan (2009–2015) is opgesteld. Door deze werkwijze wordt de kans verhoogd om de routekaart te voltooien zonder belemmeringen als gevolg van het mogelijk optreden van cumulatieve effecten. In de doorrekening van het Energieakkoord zijn dus ook alle toekomstige en nog niet vergunde windparken meegenomen. Hiermee is de gehanteerde werkwijze breder ingestoken dan op basis van de Natuurbeschermingswet 1998 is vereist. Omdat de laatste kavelbesluiten in ieder geval met de voorafgaande kavelbesluiten rekening moeten houden in de cumulatieve effectbeoordeling, is ervoor gekozen om de gevolgen van het gehele Energieakkoord nu al in beeld te brengen om zodoende strategische keuzen tijdig te kunnen maken.
- In het KEC is er voor vogelsoorten en vleermuizen voor gekozen om de effecten te toetsen aan de ‘Potential Biological Removal’30Het effect wordt weergegeven als % van de PBR. Indien het effect groter is dan 100% PBR is er sprake van aantasting van de gunstige staat van instandhouding/significant negatieve effecten. (PBR). De PBR is een maat voor het aantal exemplaren van een soort die jaarlijks (bovenop de jaarlijkse sterfte en emigratie) aan de populatie onttrokken kunnen worden, zonder dat die populatie daardoor structureel achteruit zal gaan. Populatiekenmerken als groei- en herstelcapaciteit, omvang en trend van de betreffende populatie zijn in deze maat verdisconteerd. Zolang de PBR niet overschreden wordt, zal er geen sprake zijn van significant negatieve effecten of een aantasting van de gunstige staat van instandhouding. Voor bruinvissen zijn de berekende effecten uit het Interim PCoD model in eerste instantie vergeleken met de populatiedoelstelling zoals geformuleerd onder het ASCOBANS verdrag31Agreement on the Conservation of Small Cetaceans of the Baltic and the North Seas. De overeenkomst vloeit voort uit de Bonn-conventie. Het doel is samenwerken om een gunstige staat van instandhouding van tandwalvissen te bereiken en te behouden in de Noordzee en de Baltische zeeën. Het interimdoel is geformuleerd als `to restore and/or maintain stocks/populations to 80% or more of the carrying capacity´. Naar aanleiding van het advies van de Commissie voor de m.e.r. is bij de besluitvorming ook rekening gehouden met het feit dat de soort zich in een matig ongunstige staat van instandhouding bevindt. Het maximale toegestane effect is daarmee kleiner dan waar in het KEC vanuit is gegaan.
- In het KEC is uitgegaan van een worst case scenario van 3 MW turbines voor alle windparken in de Zuidelijke Noordzee. Kleinere rotors, en dus meer turbines, zijn schadelijker voor zowel vogels, vleermuizen en zeezoogdieren. Naar verwachting zullen windturbines in de toekomst steeds groter worden. Wanneer er met dit worst case scenario geen negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden of gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten is geconstateerd, zullen de effecten bij grotere turbines alleen maar afnemen, wat gunstig is voor alle onderzochte soorten. Het KEC zal periodiek herzien worden en als basis dienen voor nieuwe ruimtelijke besluiten voor windenergie op zee waaronder de kavelbesluiten. De reeds genomen kavelbesluiten blijven in principe ongewijzigd. Alleen in zeer uitzonderlijke situaties wanneer er wijzigingen worden geconstateerd die de eerdere conclusies uit de reeds genomen kavelbesluiten onhoudbaar maken, zal het Rijk overwegen om een procedure tot wijziging van een kavelbesluit in gang te zetten. Hiervoor zal volgens de Wet windenergie op zee de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure zoals beschreven in de Algemene wet bestuursrecht worden gevolgd, zoals die ook geldt voor de nieuwe kavelbesluiten. MER In het MER zijn de locatieonderbouwing en de verkaveling beschreven. Het MER geeft tevens inzicht in de milieueffecten van de opstellingsvarianten van windturbines in kavel I. Hiervoor is een uiterste bandbreedte gedefinieerd op relevante aspecten zoals aantal turbines, ashoogte, rotordiameter en fundatie (zie ook hoofdstuk 5). In het MER wordt voor vogels naast de PBR-methode uit het KEC ook de ORNIS-norm32Volgens dit criterium, opgesteld door het ORNIS comité, moet iedere additionele sterfte van minder dan één procent van de totale jaarlijkse sterfte aan de betrokken populatie (gemiddelde waarde) als niet significant worden beschouwd. Het Hof van Justitie gebruikt dit criterium als maatstaf om te beoordelen of sprake is van significantie (o.a. zaak C-79/03 (Commissie/Spanje)). toegepast. Om te bepalen of de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soorten in het geding komt, is eerst het ORNIS- criterium van 1% additionele sterfte als ‘grove zeef’ toegepast. Wanneer de sterfte onder deze 1%- mortaliteitsnorm blijft, kan een effect op de gunstige staat van instandhouding van de betreffende populatie met zekerheid uitgesloten worden. Wanneer de voorspelde sterfte de 1%- mortaliteitsnorm overschrijdt, is door middel van de PBR-methode in meer detail bekeken wat de effecten op de populatie zijn. In het MER is 350 MW aan opgesteld vermogen per kavel op effecten beoordeeld. Deze 350 MW was gebaseerd op aansluiting op een platform met een capaciteit van 700 MW, zodat dus twee kavels van 350 MW aangesloten kunnen worden. Inmiddels is duidelijk dat soms meer vermogen afgenomen kan worden en is het maximaal op te stellen vermogen verhoogd tot maximaal 380 MW per kavel. Om besluitvorming over de wijziging van 350 naar 380 MW per kavel mogelijk te maken, is in een addendum inzichtelijk gemaakt wat dit betekent voor de effecten op het milieu, zoals deze in het MER zijn beschreven. In dit addendum is dit voor alle milieuaspecten nagegaan. Die aspecten waarvan in het MER bleek dat de effecten aanmerkelijk kunnen zijn (zoals voor vogels en zeezoogdieren) kregen daarbij bijzondere aandacht. Passende beoordeling Negatieve gevolgen op soorten en habitats met een instandhoudingsdoelstelling in beschermde Natura 2000-gebieden zijn in de Passende Beoordeling onderzocht. In de Passende Beoordeling is geconcludeerd dat effecten ten aanzien van fytoplankton, bodemfauna, vissen, vislarven en doorwerkende effecten daarvan op visetende broedvogels, alsmede effecten ten aanzien van vleermuizen niet leiden tot significante effecten op Natura 2000-gebieden. Voor effecten op vogels en zeezoogdieren heeft een nadere analyse op significante effecten plaatsgevonden in de Passende Beoordeling. De resultaten staan in paragraaf 7.3 beschreven. Voorkeursalternatief Op basis van de uitkomsten van het KEC en het MER is de uiterste bandbreedte ingeperkt tot het voorkeursalternatief zodat ook in cumulatie significant negatieve effecten vermeden kunnen worden en de gunstige staat van instandhouding niet wordt aangetast. Het voorkeursalternatief wordt door middel van voorschriften dwingend opgelegd aan de vergunninghouder. Het voorkeursalternatief bestaat uit: – Een ondergrens van de toe te passen turbines met een vermogen van 4 MW per turbine. Dit voorkeursalternatief is nader uitgewerkt in een voorschrift voor het minimum en maximum nominaal vermogen per turbine. – Een voorziening voor het verminderen van aanvaringsslachtoffers onder vogels bij het constateren van massale vogeltrek in combinatie met bepaalde weersomstandigheden. – Een voorziening voor het verminderen van aanvaringsslachtoffers onder vleermuizen in perioden en omstandigheden waarin vleermuizen migreren. – Een voorziening waarbij de geluidsproductie tijdens het heien wordt begrensd tot een maximale waarde tussen 159 en 172 dB re µPa2s op 750 meter, afhankelijk van het seizoen en het totaal aantal op te richten windturbines per park. 7.3 Gevolgen 7.3.1 Vogels In het plangebied komen veel verschillende vogelsoorten voor. Voor effectbepaling zijn de vogels conform het MER onder te verdelen in drie categorieën: • Vogels tijdens het trekseizoen; • Lokaal verblijvende niet -broedvogels; • Broedende kolonievogels vanuit beschermde Natura 2000-gebieden die het plangebied kunnen bereiken. De laatste categorie is in de Passende Beoordeling onderzocht. Trekvogels – effecten op vogels windpark kavel I De energetische gevolgen door barrièrewerking zijn voor alle trekvogelsoorten verwaarloosbaar klein. Voor aanvaringen met windturbines wordt onder de groep van zangvogels het grootste aantal slachtoffers verwacht. De additionele jaarlijkse sterfte als gevolg van aanvaringen blijft echter voor alle soorten ruim beneden de 1% mortaliteitsnorm (ORNIS-criterium) welke gehanteerd wordt om te bepalen of er sprake is van negatieve effecten op populatieniveau. Aantasting van de gunstige staat van instandhouding ten gevolge van aanvaringen kan daarom worden uitgesloten. Trekvogels – cumulatieve effecten In het KEC zijn de cumulatieve effecten ten gevolge van aanvaringen onderzocht. Het maximale effect wordt berekend voor de kleine zwaan waar het cumulatieve effect 44% van de PBR bedraagt. Aantasting van de gunstige staat van instandhouding ten gevolge van aanvaringen kan daarom worden uitgesloten. Verblijvende vogels – effecten op vogels windpark kavel I Als gevolg van een windpark in kavel I kunnen vogels het gebied vermijden of in aanvaring komen met de windturbines. Met name jan van genten, zeekoeten en alken kunnen mogelijk het gebied vermijden, waarbij het vermeden gebied zo groot is als kavel I. Het gaat daarbij maximaal om een gebied van 68,8 km
- In relatie tot het totale beschikbare areaal aan leefgebied is het leefgebiedsverlies als gevolg van kavel I dusdanig klein dat dit verwaarloosbaar is. Onder kleine mantelmeeuwen worden de hoogste aantallen aanvaringsslachtoffers verwacht. Afgezet tegen het maximaal toelaatbare effect op populatieniveau (PBR), treedt het grootste effect op bij de grote mantelmeeuw. Voor deze soort is het effect ten gevolge van aanvaringsslachtoffers door een windpark in kavel I maximaal 4,6% van de PBR. Aantasting van de gunstige staat van instandhouding ten gevolge van aanvaringen kan daarom voor alle verblijvende vogelsoorten worden uitgesloten. Verblijvende vogels – cumulatieve effecten op vogels Voor verblijvende vogels zijn de cumulatieve gevolgen in het KEC onderzocht via leefgebiedsverlies (vermijding) en aanvaringsslachtoffers. De vermijdingseffecten onder zeevogels zijn het grootst voor zeekoet en alk. Hoewel de effecten van vermijding voor een enkel windpark verwaarloosbaar zijn, is dit niet het geval wanneer bestaande en geplande windparken samen worden beschouwd. Worst case wordt aangenomen dat ten gevolge van het verlies aan leefgebied 10% van de dieren die vermijding vertonen sterven. Voor de zeekoet, de meest gevoelige soort voor dit type effect, wordt berekend dat het aantal slachtoffers dat sterft als gevolg van verlies aan leefgebied in cumulatie neerkomt op ongeveer 13% van de PBR. De gunstige staat van instandhouding komt hiermee niet in het geding. Als gevolg van aanvaringen zijn de hoogste aantallen slachtoffers te verwachten onder de kleine mantelmeeuw, grote mantelmeeuw en zilvermeeuw. Het aantal slachtoffers onder deze vogelsoorten overschrijdt in het onderzochte internationale worst case scenario in het KEC de PBR. Om verder te onderzoeken waardoor deze overschrijding veroorzaakt wordt, is een nieuwe berekening uitgevoerd met een realistischere inschatting van de te bouwen windparken tot en met
- Voor zover deze gegevens bekend zijn, zijn hierbij de gegevens van de daadwerkelijke gebouwde of te bouwen turbines gebruikt. Voor windparken waarbij dit nog niet bekend is (waaronder het Energieakkoord), is gezien de huidige trend uitgegaan van 5 MW turbines. Uitgaande van dit meer realistische scenario voor de te bouwen windparken, blijft het aantal slachtoffers voor de grote mantelmeeuw en zilvermeeuw wel onder de PBR. Voor de kleine mantelmeeuw wordt echter wel nog steeds een overschrijding van de PBR geconstateerd. Bij het bestuderen van de onderliggende data is gebleken dat de PBR al wordt overschreden wanneer alleen de geplande buitenlandse parken worden meegenomen. Dit betekent dat ook wanneer de geplande parken van het Energieakkoord niet worden gerealiseerd, de PBR nog steeds wordt overschreden. Voor het NCP is meer betrouwbare en gedetailleerde verspreidingsdata van vogels beschikbaar dan voor de gehele Zuidelijke Noordzee. Bovendien is voor het NCP ook meer zekerheid over de tot en met 2023 op te richten windparken. Daarom is ervoor gekozen om een nieuwe analyse te doen waarin het aantal door Nederlandse parken veroorzaakte slachtoffers wordt vergeleken met een op Nederlandse populaties gebaseerde PBR. Hieruit blijkt dat deze Nederlandse PBR niet wordt overschreden wanneer het Energieakkoord gerealiseerd wordt met maximaal 76 turbines per park, dus turbines van minimaal 5 MW. Voor de kavels I en II van windenergiegebied Borssele wordt ervoor gekozen om de bovengrens voor het aantal turbines vast te stellen op 95, dus turbines van minimaal 4 MW. Dat betekent dat in de overige kavels gelegen in de windenergiegebieden Borssele en Hollandse Kust van het Energieakkoord grotere turbines zullen moeten worden voorgeschreven om gemiddeld uit te komen op maximaal 76 turbines per park om de gunstige staat van instandhouding te kunnen waarborgen. Passende Beoordeling – vogels Negatieve effecten op soorten met een instandhoudingsdoel in Natura 2000-gebieden kunnen enkel optreden via zogenaamde externe werking. Vanwege de afstand tot Natura 2000-gebieden kunnen visuele effecten worden uitgesloten en gaat het enkel om aanvaringslachtoffers die vanuit beschermde Natura 2000-gebieden foerageertochten op zee ondernemen. Van de kolonievogels zijn de kleine mantelmeeuw en de grote stern de enige soorten die het windpark in kavel I kunnen bereiken vanuit beschermde broedkolonies in Natura 2000-gebieden. Voor kleine mantelmeeuw gaat het om individuen uit de kolonies Veerse Meer (NL) en Alde, Ore and Butley Estuaries (VK). Het maximale effect is 0,43% van de natuurlijke sterfte. In alle gevallen blijft het effect onder de 1% additionele sterfte en kunnen significante effecten worden uitgesloten. Uit veldonderzoek is gebleken dat kleine mantelmeeuwen uit het Natura 2000-gebied Krammer-Volkerak (NL) vrijwel uitsluitend in het binnenland foerageren. Significant negatieve effecten ten gevolge van een windpark in kavel I Borssele kunnen daarom uitgesloten worden. Voor de grote stern gaat het om individuen uit de kolonies van de Hooge Platen in het Natura 2000-gebied Westerschelde (NL) en Zeebrugge (BE). In beide gevallen blijft het effect onder de 1% additionele sterfte en kunnen significante effecten worden uitgesloten. Passende Beoordeling – vogels cumulatief Met het aanpassen van de ondergrens voor de turbinegrootte wordt het duurzame voortbestaan van de populatie van vogels niet aangetast als gevolg van de exploitatie van een windpark in kavel I. Omdat de gunstige staat van instandhouding van vogelpopulaties in de EEZ niet in gevaar wordt gebracht, zijn significant negatieve effecten op doelaantallen in Natura 2000-gebieden uit te sluiten. 7.3.2 Vleermuizen Effecten op vleermuizen windpark kavel I Over de aanwezigheid, het gedrag en daarmee ook de gevoeligheid van vleermuizen op zee voor (o.a.) operationele windparken bestaan nog grote kennisleemtes. Op basis van de beschikbare kennis is duidelijk dat in ieder geval ruige dwergvleermuis boven de Zuidelijke Noordzee voorkomt, maar ook tweekleurige vleermuis en rosse vleermuis komen voor. De schaarse gegevens die er wel zijn, suggereren dat vrijwel alle activiteit van vleermuizen op zee plaatsvindt in het voorjaar en vooral in de nazomer in de nacht bij windkrachten onder de 8 m/s. Het merendeel van de vleermuisactiviteit wordt echter gemeten in nachten met windkrachten tot 5 m/s. Worst case wordt de aanname gedaan van één dode vleermuis per turbine per jaar. Mogelijke negatieve effecten van het windpark op vleermuizen hebben vooral betrekking op aanvaringen met windturbines. Het gaat daarbij in worst case (117 turbines van 3 MW) om totaal maximaal 117 slachtoffers ten gevolge van een windpark in kavel I. Hiervan zijn verreweg de meeste slachtoffers ruige dwergvleermuizen. Aantasting van de gunstige staat van instandhouding door het eigenstandige project kavel I kan voor alle vleermuissoorten worden uitgesloten, omdat de aantallen ruim onder de PBR liggen. Cumulatieve effecten op vleermuizen Onder de in het KEC gedane aanname van één dode vleermuis per turbine per jaar en 8.000 turbines over de gehele Zuidelijke Noordzee, kunnen mogelijk 8.000 extra dode vleermuizen per jaar als slachtoffer vallen. Dit betreft voornamelijk (95%) ruige dwergvleermuizen. Bij een conservatieve schatting van de populatiegroottes, wordt voor de ruige dwergvleermuis het niveau van PBR voor die soort overschreden. De meest voorzichtige schattingen van PBR voor de ruige dwergvleermuis, gebaseerd op populatieschattingen uit slechts een deel van zijn verspreidingsgebied, komen uit op getallen tussen 1.000 en 5.
- Voor zowel de tweekleurige als de rosse vleermuis wordt de PBR niet overschreden en daarmee de staat van instandhouding niet aangetast. Om het aantal slachtoffers te verminderen wordt een voorschrift opgenomen. De hierin vastgelegde maatregel is hierbij afgestemd op perioden en omstandigheden met de hoogste activiteit van ruige dwergvleermuizen boven de Noordzee. De gunstige staat van instandhouding van de ruige dwergvleermuis blijft in dat geval gewaarborgd. De onderbouwing en uitwerking van dit voorschrift worden nader toegelicht in paragraaf 7.8.
- Zowel in het MER als in het KEC zijn grote kennisleemtes ten opzichte van de aanwezigheid en het gedrag van vleermuizen op de Noordzee aangegeven. In het door de overheid op te stellen generieke monitorings- en evaluatieprogramma zal daarom ook specifiek aandacht worden besteed aan het vergroten van de kennis over dit onderwerp. 7.3.3 Bruinvissen Effecten op bruinvissen windpark kavel I Voor de bruinvis, de meest gevoelige zeezoogdiersoort ten aanzien van onderwatergeluid, zijn de effecten op de populatie in de Zuidelijke Noordzee onderzocht als gevolg van onderwatergeluid door hei-activiteiten. Bij de andere funderingstechnieken die in het MER zijn beschouwd zal minder geluid worden geproduceerd en zullen er dus minder effecten zijn. In worst case (117 turbines van 3 MW, geen geluidsmitigatie) kunnen in het voorjaar, wanneer dichtheden bruinvissen in de EEZ het hoogst zijn, maximaal 26 bruinvissen als gevolg van heiwerkzaamheden in kavel I permanente gehoorschade oplopen. Daarnaast kunnen bruinvissen over een oppervlak van maximaal 3.661 km2 kilometer een vermijdingsreactie vertonen als gevolg van onderwatergeluid. De gevolgen van deze vermijdingsreactie voor de bruinvispopulatie zijn bepaald door middel van het Interim PCoD33Interim Population Consequences of Disturbance, Sea Mammal Research Unit
(2015). Het interim PCoD model is een methode om te bepalen in welke mate verstoring van individuele dieren doorwerkt op de gehele populatie.model. Bij het toepassen van het Interim PCoD model is gebruik gemaakt van de meest recente inzichten van de ‘Werkgroep Onderwatergeluid34De Werkgroep Onderwatergeluid is op initiatief van Rijkswaterstaat Zee en Delta (toenmalig Dienst Noordzee) begin 2013 opgericht. Deelnemende experts zijn afkomstig van Rijkswaterstaat, DGRW, TNO, SEAMARCO, IMARES, Arcadis, Deltares, RHDHV en HWE. De werkgroep stelt zich tot doel op grond van de meest recente inzichten uit onderzoek te komen tot een breed gedragen redeneerlijn voor het inschatten van (cumulatieve) effecten van impulsief onderwatergeluid op (populaties van) zeezoogdieren. Hierbij is gebruik gemaakt van het Interim PCoD model.. Uit het model volgt dat het aantal bruinvisverstoringsdagen bepalend is voor de mogelijke populatie-effecten. Hierbij is het aantal bruinvisverstoringsdagen berekend door het aantal mogelijk verstoorde dieren per dag te vermenigvuldigen met het aantal verstoringsdagen. Het aantal mogelijk verstoorde bruinvissen per dag wordt hierbij berekend door het berekende verstoringsoppervlak te vermenigvuldigen met een schatting van de dichtheid van bruinvissen binnen dat oppervlak. Het aantal verstoringsdagen staat voor monopalen gelijk aan het aantal windturbines, waarbij de aanname is dat er één paal per dag wordt geheid en de verstoring als gevolg daarvan ook een dag duurt. Voor tripods en jackets wordt aangenomen dat de voor de fundering van één windturbine benodigde palen ook binnen één dag worden geheid, waardoor de verstoring gelijk of minder is dan die van monopalen. De in worst case berekende maximale populatiereductie35De vertaling tussen de verstoring en gevolgen voor de populatie is gebaseerd op expert judgement. Het resultaat uit het model, een mogelijke populatiereductie, is een gevolg van een kans op verminderde reproductie en een kans op sterfte van kalveren en juveniele dieren. Het is dus géén gevolg van enkel directe sterfte als gevolg van heien. (6,7% van de populatie in de EEZ) is groter dan de maximale toelaatbare reductie. Negatieve effecten op de gunstige staat van instandhouding zijn dan ook niet uit te sluiten. Er wordt een voorschrift opgenomen dat de geluidsproductie limiteert. Onderwatergeluidsniveaus als gevolg van operationele windturbines zijn lager dan de geluidsniveaus waarboven de gevoeligste soort, de bruinvis, vermijding vertoont. Negatieve effecten van operationele windturbines op de populatie zijn dan ook uit te sluiten. Cumulatieve effecten op bruinvissen Uit het KEC blijkt dat enkel in de variant waarbij de mate van onderwatergeluid wordt beperkt tijdens de aanlegactiviteiten, negatieve effecten op de populatie bruinvissen in de EEZ uitgesloten kunnen worden. In het KEC wordt geconcludeerd dat de verstoring niet leidt tot negatieve effecten op het behoud van de gunstige staat van instandhouding, indien bij de aanlegactiviteiten de geluidsbelasting wordt beperkt tot 160dB re 1 µPa2s op 750 m van de heilocatie. Daarom wordt een voorschrift opgenomen dat de geluidsproductie limiteert. Om recht te doen aan verschillende factoren die van invloed