← Nederland

Beleidsplan Vergunningen Toezicht Handhaving 2022 – 2026 (Dalfsen)

In het kort

Dit beleidsplan beschrijft hoe de gemeente Dalfsen de taken rondom vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) zal uitvoeren van 2022 tot 2026, met name onder de nieuwe Omgevingswet. Het doel is een duurzame en veilige leefomgeving te waarborgen door kwalitatief goede producten te leveren.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Beleidsplan Vergunningen Toezicht Handhaving 2022 – 20264.Veelgebruikte afkortingen en begrippen AMvB: Algemene Maatregel van Bestuur APV: Algemeen Plaatselijke Verordening gemeente Dalfsen Bal: Besluit Activiteiten Leefomgeving. Een van de Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Omgevingswet (ter vergelijking met het voormalige Activiteitenbesluit) Bbl: Besluit Bouwwerken Leefomgeving. Een van de Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Omgevingswet (ter vergelijking met het voormalige Bouwbesluit 2012) Bkl: Besluit Kwaliteit Leefomgeving. Een van de Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Omgevingswet. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring ‘Big-8’: Dit model maakt vanuit een strategisch kader de vertaling naar operationeel beleid ten behoeve van kwaliteitsborging samen met een sluitende planning- en controlcyclus Bouwactiviteit (omgevingsplan): De toets van het bouwen van een bouwwerk voor het ruimtelijk bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk aan het omgevingsplan Bouwactiviteit (technisch): de technische toets van een aanvraag aan de regels voor de technische bouwkwaliteit uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) KC 2.2/Kwaliteitscriteria 2.2. Laatste versie van de landelijk opgestelde kwaliteitscriteria die gelden voor overheden die vergunningen verlenen, toezicht houden en handhaven krachtens de Wabo Fysieke leefomgeving: Het begrip fysieke leefomgeving bepaalt tot waar de Omgevingswet geldt. Wanneer er geen sprake is van fysieke leefomgeving, dan is de Omgevingswet niet van toepassing. Een afgebakende definitie van de fysieke leefomgeving is er niet. KCC: Klant Contact Centrum IPO: Inter Provincaal Overleg ITP: Integraal Toezicht Protocol: Een landelijk ontwikkelde methode om de intensiteit van het toezicht op de bouw en andere activiteiten in de fysieke leefomgeving te normeren en beheersbaar te maken LHS: Landelijke Handhavings Strategie: Op 4 juni 2014 omarmden de bevoegde overheden en handhavinginstanties in Nederland de Landelijke Handhavingstrategie (LHS). Daarbij grijpen zij passend en uniform in bij bevindingen die gedaan zijn tijdens toezicht. Zo zorgt de Landelijke Handhavingstrategie voor een gelijk speelveld. Verder verbindt de LHS het bestuurs- en strafrecht met elkaar LTP: Landelijk Toets Protocol, methode om de intensiteit van de toets aan het Bouwbesluit 2012 te kunnen normeren en beheersen OD IJsselland: Omgevingsdienst IJsselland, samenwerkingsverband waarin de gemeente Dalfsen participeert voor het uitvoeren van milieutaken Omgevingsplan: Het omgevingsplan bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die de gemeente stelt binnen haar grondgebied. Per gemeente is er één omgevingsplan ROEB-lijst: lijst met eenheidsprijzen voor bouwkosten van Regionaal Overleg Eindhoven Bouwtoezicht die landelijk door meerdere gemeente wordt toegepast VNG: Vereniging Nederlandse Gemeenten VTH: Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Wet Bibob: Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur Wm: Wet milieubeheer Samenvatting en leeswijzer 5.Inleiding / strategisch kader (hoofdstuk 3-4) De gemeente is verplicht om voor vergunningverlening, toezicht en handhaving op het gebied van de Omgevingswet beleid vast te stellen en uit te voeren. Op grond van afdeling 18.3 Omgevingswet stelt het bestuursorgaan uitvoerings- (=vergunningen) en handhavingsbeleid vast, met daarin aan zichzelf gestelde doelen. Wetswijzigingen volgen elkaar snel op. De Wet verbetering Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving, de Wet private kwaliteitsborging voor het bouwen en de Omgevingswet vragen opnieuw om invulling te geven aan de veranderende maatschappij. Met het vorige VTH-beleidsplan 2017-2021 heeft het college met de raad de basis voor de programmatische en integrale uitvoering van de wettelijke taken gelegd. Door de aanstaande komst van de Omgevingswet en door het einde van de planperiode, moet het beleidsplan worden geactualiseerd en “Omgevingswetproof” worden gemaakt. Deze geactualiseerde versie ligt nu voor. De inwerkingtreding van dit beleidsplan loopt gelijk op met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Met het vaststellen van dit beleid wordt de uitvoering van de VTH-taken geactualiseerd en afgestemd op de nieuwe uitvoeringssituatie. Het beleid heeft merendeels een sterk operationeel karakter. Het is gericht op uitvoeringsbeleid en maakt keuzes hoe de gemeente de aspecten -in het kader van wet- en regelgeving- laat uitvoeren (de “hoe-vraag”). Het beleid is niet zozeer bedoeld om uitspraken te doen over de “wat-vraag”. Er moet in relatie hiermee bestuurlijke keuzes worden gemaakt voor een nadere prioritering van taken. Deze prioritering en keuzes worden gemaakt in het jaarlijkse Programma uitvoering VTH-taken. Jaarlijks wordt dit afzonderlijk vastgesteld door het college. Het VTH-beleid is gebaseerd op verschillende uitgangspunten zoals: Voldoen aan de geldende regelgeving, met name de Omgevingswet en de uitwerking in vier Algemene Maatregelen van Bestuur, het Omgevingsbesluit (OB), het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (BKL), het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (BBL) en het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL); De Kwaliteitscriteria 2.2 (op hoofdlijnen). Deze set met kwaliteitscriteria wordt na de komst van de Omgevingswet geactualiseerd; Risico gestuurde aanpak en toepassen cyclisch systeem van de ‘Big-8’ (dit model maakt vanuit een strategisch kader de vertaling naar operationeel beleid ten behoeve van kwaliteitsborging samen met een sluitende planning- en controlcyclus). Voldoen aan de Landelijke Handhavingsstrategie. Visie hierbij is: De gemeente Dalfsen staat voor een duurzame en veilige leefomgeving waarin burgers en bedrijven goed kunnen leven, wonen, werken en recreëren. De gemeente doet dit door kwalitatief goede producten te leveren. Dalfsen werkt risico gestuurd, klantgericht, zakelijk en efficiënt. Van belang voor het strategische beleidskader zijn externe ontwikkelingen. Te denken valt aan wetten die in voorbereiding zijn, samenwerkingsverbanden etc. Eén van de belangrijkste is hierbij de Omgevingswet. Onderdeel daarvan is bijvoorbeeld dat bestuursorganen een verordening moeten vaststellen over het voldoen aan wettelijke kwaliteitscriteria. In mei 2022 wordt deze verordening aan de gemeenteraad voorgelegd. Dienstverlening en serviceformules (hoofdstuk 5) Een van de belangrijke pijlers van de Omgevingswet is inwoners en ondernemers met een initiatief sneller en beter van dienst zijn. Dat vraagt om innovatie van de dienstverlening: sneller, transparanter en altijd aansluitend op de leefwereld van burgers. Door innovatie van de dienstverlening gaan inwoners en ondernemers na de inwerkingtreding van de wet deze veranderingen écht merken. In samenwerking met de VNG is dit voor gemeenten uitgewerkt in de Serviceformules Omgevingswet. Deze formules zijn gebaseerd op een groot klantreisonderzoek dat gehouden is onder burgers en ondernemers en de ervaringen van een initiatiefnemer als hij bij de gemeente komt. Vergunningverlening (hoofdstuk 6) Onder vergunningverlening wordt verstaan het beoordelen en toetsen van aanvragen aan geldende, relevante, wet- en regelgeving om op die manier te komen tot een kwalitatief goed besluit (zo nodig onder voorwaarden en voorschriften) binnen de gestelde proceduretijd. Ook het beoordelen van de kwaliteit van meldingen, en het beoordelen of met een melding kan worden volstaan en de activiteit niet vergunningplichtig is, kan worden gezien als onderdeel van vergunningverlening. De juridische grondslag rondom vergunningverlening verandert met de komst van de Omgevingswet. Vergunningverlening is vanaf de inwerkingtreding van de wet meer gecombineerd met algemene regels van rijk, provincie, waterschap en gemeente. Daarnaast is voor het grootste deel de termijn voor vergunningverlening teruggebracht naar de reguliere procedure van acht weken. De dienstverlening rondom vergunningverlening is gebaseerd op de serviceformules Omgevingswet. In dit hoofdstuk worden de serviceformules nader toegelicht. Daarbij is het vergunningenproces afhankelijk van de manier waarop het omgevingsplan is opgebouwd. Het omgevingsplan geeft namelijk aan welke algemene regels er gelden en welke activiteiten vallen onder een vergunningplicht of meldingsplicht. Ook kan het zijn dat voor sommige activiteiten een informatieplicht geldt. Participatie geldt hierbij als een belangrijke indieningsvereiste. Daarnaast heeft de Wet kwaliteitsborging een belangrijk aandeel in hoe we in Dalfsen de dienstverlening rondom vergunningverlening hebben geregeld. Toezicht (hoofdstuk 7) Onder toezicht wordt verstaan het uitvoeren van controles en het naar aanleiding van een klacht of melding beoordelen of een handeling of zaak voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Toezicht is bedoeld om te zorgen dat regels worden nageleefd zonder inzet van verdere handhavingsmiddelen. Het toezicht houden omvat een breed scala aan activiteiten, vaak in een voorlichtende, meedenkende en adviserende rol. Als dit niet tot het gewenste effect leidt, wordt voor de naleving van de wettelijke voorschriften overgegaan tot (juridische) handhaving. De gemeente heeft toezicht en handhaving afgestemd op de bedoelingen en eisen van de Omgevingswet, in samenwerking met uitvoeringsorganisaties en andere bevoegde gezagen, zoals de provincie en het waterschap. De Omgevingswet heeft op uiteenlopende manieren consequenties voor toezicht en handhaving. Zo is er vaker sprake van algemene regels en zorgplichten. Zorgplichten kunnen zowel bestuursrechtelijk als strafrechtelijk worden gehandhaafd. Een overtreding van een gedoogplicht is onder de Omgevingswet strafbaar te stellen. De mogelijkheden voor de bestuurlijke boete zijn uitgebreid. Tenslotte kunnen bevoegdheden worden overgedragen aan een ander bestuursorgaan. Deze veranderingen zullen deels effect hebben vanaf inwerkingtreding van de Omgevingswet als gevolg van deze wet, AMVB's en Regelingen – en deels in de jaren daarna door nieuwe (typen van) regels in het omgevingsplan. Nalevingsstrategie (handhaving, sancties, gedogen) (hoofdstuk 8) De gemeente moet een nalevingstrategie vaststellen, bestaande uit een handhavings-, sanctie- en gedoogstrategie. Als controles en toezichtactiviteiten tot constatering van illegale situaties leiden, dan ligt de vraag voor of en in hoeverre de gemeente zich zal inspannen om deze situaties op te heffen. In dit hoofdstuk worden de landelijke ontwikkelingen rondom de Landelijke Handhavingsstrategie nader belicht en als uitgangspunt gekozen voor sanctie en handhaving. Onder handhaving wordt verstaan: het ongedaan maken of opheffen van een situatie, die in strijd is met wettelijke voorschriften. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van bestuursrechtelijke handhaving met als handhavingsmiddelen het opleggen van een last onder dwangsom of bestuursdwang, het geheel of gedeeltelijk intrekken van een vergunning/ ontheffing, maar bijvoorbeeld ook het opleggen van een bestuurlijke boete. Bestuursrechtelijke handhaving is, met uitzondering van de bestuurlijke boete, niet gericht op straffen maar op het zo spoedig mogelijk beëindigen, herstellen en eventueel voorkomen van een strijdige situatie. Daarnaast bestaat de mogelijkheid tot strafrechtelijke handhaving die wel is gericht op bestraffen. Bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving kunnen naast elkaar worden toegepast en sluiten elkaar niet uit. Naast een handhavingsstrategie met stappenplan en ondersteunende matrixen op basis van de Landelijke Handhavingsstrategie, wordt ook de gedoogstrategie beschreven. Er kunnen namelijk omstandigheden zijn om bij een bevinding van een overtreding van handhaven af te zien. Borging van kwaliteit (hoofdstuk 9) Vergunningverlening, toezicht en handhaving draait om het beheersen van risico's voor de samenleving. De inwoners van Dalfsen moeten gerust kunnen leven in de wetenschap dat de gemeente de belangrijkste risico's goed onder controle heeft. Om dit vertrouwen waar te kunnen maken is het belangrijk dat de gemeentelijke organisatie de kwaliteit van de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving kan garanderen. Dit is niet alleen van belang voor de gemeente en haar inwoners zelf. Ook externe instanties zoals de provincie als toezichthouder op de gemeente en diverse rijksinspecties eisen een vorm van kwaliteitsbewaking waarmee de beheersing van de risico's kan worden geborgd. Het beleidsplan geeft daarvoor een beschrijving van hoe de gemeente denkt de risico’s van niet-naleving van regels in de fysieke leefomgeving te kunnen beheersen en welke risico’s voor de leefomgeving daarbij nog aanvaardbaar worden geacht. Dit hoofdstuk beschrijft hoe de gemeente zelf zorgt dat ze dit voorgenomen beleid kan uitvoeren en hoe ze daar verantwoording over aflegt, ofwel hoe de gemeente haar eigen uitvoeringskwaliteit denkt te borgen. Actiepunten (hoofdstuk 10) Het VTH-beleidsplan is een stap in de continue doorontwikkeling van beleid en uitvoering op het terrein van de VTH-taken. Met deze versie wordt daarin een basis gelegd voor de verdere ontwikkeling onder de Omgevingswet en het verder invulling geven aan de kwaliteitscriteria. Deze stappen zijn in een tabel geplaatst met daarbij de geplande uitvoeringstermijn. Ook bevat dit actieplan de zogenaamde open eindjes die nog uit dit VTH-beleidsplan voortvloeien. 3Inleiding 3.1Kaders voor vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) Wetswijzigingen volgen elkaar snel op. De Wet private kwaliteitsborging voor het bouwen en de Omgevingswet vragen opnieuw om invulling te geven aan de veranderende maatschappij, waarbij we de inwoner centraal stellen en de gemeente faciliteert. Met dit VTH-beleidsplan 2022-2026 legt het college de basis voor de programmatische en integrale uitvoering van de wettelijke taken. Deze nota gaat niet over regels waaraan gebruikers van de leefomgeving zich moeten houden, maar over hoe de gemeente wenst te sturen op de naleving van de vastgestelde regels. Het geeft de kaders waarbinnen de gemeente voorlichting geeft over de na te leven normen, vergunningen verleent, toezicht houdt en corrigerend optreedt bij geconstateerde overtredingen van deze voor de leefomgeving geldende regels en normen. Het beleidsplan bevat een risicoanalyse met prioriteiten van de wettelijke taken op het gebied van de fysieke leefomgeving. Deze prioritering bepaalt de mate van toetsing, toezicht en handhaving. Met dit beleidsplan stelt de gemeente uitgangspunten voor onze werkzaamheden vast zoals op welk niveau de vergunningen worden getoetst, welke punten gecontroleerd worden bij verschillende projecten en welke handhavingsmiddelen ingezet worden. 3.2VTH en de Omgevingswet De Omgevingswet biedt aan gemeenten een ruim en integraal juridisch instrumentarium om voor de fysieke leefomgeving beleidsontwikkeling, beleidsdoorwerking, beleidsuitvoering en terugkoppeling te kunnen vormgeven. VTH speelt een belangrijke rol om de doelstellingen van de wet te kunnen bereiken. De Omgevingswet kent de volgende 4 hoofddoelstellingen: Inzichtelijk omgevingsrecht; Leefomgeving centraal; Ruimte voor maatwerk; Sneller en beter. De Omgevingswet maakt het mogelijk om te regelen wat op die locatie nodig is. Op deze manier wordt onze leefomgeving beter beschermd en beter benut. De Omgevingswet legt daarbij veel verantwoordelijkheid neer bij de initiatiefnemer en vertrouwen bij de gemeentelijke overheid. De VTH’er helpt om die verantwoordelijkheid waar te maken. Enerzijds door een belangrijke verbinding te zijn tussen het concrete initiatief en het beleid. Anderzijds door een belangrijke oog- en oorfunctie te vervullen die een belangrijke bijdrage levert voor het maken en het bijstellen van een visie en een omgevingsplan. Onder de Omgevingswet moeten VTH’ers in staat zijn om volgens de nieuwe wet en het daarbij behorende juridische instrumentarium naar initiatieven en lopende zaken te kijken. Hiervoor moet bekend zijn hoe het nieuwe recht en het overgangsrecht werkt en zijn vastgesteld hoe de organisatie haar vergunningverleningsproces erop inricht. De formele juridische stappen in het proces van initiatief tot en met vergunningverlening veranderen in de basis niet. Maar ze moeten wel opnieuw in het licht worden bekeken van de uitgangspunten en doelen van de wet. Hiervoor onderscheiden we vijf blokken, die van belang zijn om naar de geest van de wet te implementeren: Dienstverlening Expertise Samenwerking regio Digitalisering en processen Samenhang kerninstrumenten en besluitvorming van de raad/college. Deze blokken zijn weergegeven in de afbeelding, de zogenoemde ‘schijf van vijf’ voor het VTH-proces. In de afbeelding staan twee schijven in lichtblauw weergegeven. Dit zijn de schijven waarmee een gemeente richting geeft aan haar ambities en doelstellingen op het gebied van vergunningverlening. De onderste drie donkerblauwe schijven beschrijven de thema’s op basis waarvan de gemeente haar vergunningverleningsproces kan inrichten. Inrichten? Voordat de gemeente haar vergunningverleningsproces kan inrichten, moet bekend zijn welke ambities en doelstellingen zij heeft op het gebied van vergunningsverlening. Voor het inrichten moet de gemeente keuzes maken op het gebied van dienstverlening. Dit moet zowel richting het moment van inwerkingtreding, als het groeipad voor de langere termijn. In hoofdstuk 5 en 6 wordt dit verder uitgewerkt. Daarbij wordt ook inzichtelijk gemaakt hoe we met vergunningverlening omgaan en welke kaders worden gebruikt. Instrumenten Om de Omgevingswet in de praktijk uit te voeren, kunnen gemeenten wettelijke instrumenten inzetten om de fysieke leefomgeving te beheren en te benutten. Dit zijn de zogenoemde kerninstrumenten: de omgevingsvisie, het programma, algemene rijksregels, decentrale regels, de omgevingsvergunning en het projectbesluit. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de gemeente Dalfsen een tijdelijk omgevingsplan. Dit tijdelijke omgevingsplan bestaat uit de bruidsschat en de huidige bestemmingsplannen (die vanaf inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege overgaan in het omgevingsplan). Daarbij komen ook een aantal verordeningen (erfgoedverordening, geurverordening, verordening afvoer regenwater en grondwater). De regels over de fysieke leefomgeving van de andere verordeningen van de gemeente worden geïntegreerd, niet de verordeningen in hun geheel. In de transitiefase moet de gemeente Dalfsen deze onderdelen verwerken tot het omgevingsplan nieuwe stijl. Leges De Omgevingswet heeft invloed op de legesinkomsten. Er kunnen op dit onderwerp verschillende afwegingen worden gemaakt. De mogelijkheid om milieuleges te heffen wordt geherintroduceerd: Hoe wil de gemeente daarmee omgaan? Er vinden bovendien verschuivingen plaats die invloed hebben op de inkomsten: verschuivingen van vergunning naar melding, de bodemtaken die van de verantwoordelijkheid van de provincie naar de verantwoordelijkheid van de gemeente verschuiven, de private technische toets die door de Wet Kwaliteitsborging voor het Bouwen (Wkb) privaatrechtelijk wordt toegepast. Los van dit VTH-beleidsplan wordt nagedacht over de inrichting van de nieuwe legesverordening die zal gelden voor de Omgevingswet. Rol van de raad en participatie De gemeenteraad moet richting inwerkingtreding van de Omgevingswet een aantal besluiten nemen. Zij moeten aangeven of zij een adviesrol wil hebben bij aanvragen rondom buitenplanse omgevingsplan activiteiten (hiervoor is in 2022 het beleidsplan Adviesrecht voor de raad door de gemeenteraad vastgesteld). Dit moet bij de organisatie bekend zijn voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet in verband met het inrichten van het proces. Een adviesrol heeft namelijk consequenties voor het inrichten en de manier van digitaal ondersteunen van het behandelproces en de af te spreken procedure met de raad. Ook moet de raad besluiten in welke gevallen participatie door de initiatiefnemer bij buitenplanse omgevingsplan activiteiten verplicht wordt gesteld. Hiervoor is in 2022 het beleidsplan inwonerbetrokkenheid ‘Met Elkaar Samen Dalfsen mooier maken’ door de gemeenteraad vastgesteld. Dalfsen vindt het belangrijk dat ideeën en plannen voor de fysieke leefomgeving zorgvuldig worden ontwikkeld. Het betrekken van belanghebbenden, waaronder omwonenden, is daar een belangrijk onderdeel van. In de Omgevingswet is participatie een belangrijke pijler. Ter voorbereiding daarop is participatie en de manier waarop dat kan plaatsvinden door de gemeente in stappen uiteengezet en verwerkt in een leidraad. Eén voor initiatiefnemers en één voor omwonenden. Een goed participatieproces, een traject waaraan belanghebbenden deelnemen, ondersteunt bij het tot stand komen van een beter plan. Dat komt ook doordat vragen en eventuele zorgen van omwonenden kunnen worden omgezet in creatieve oplossingen. Vaak worden initiatieven breder gesteund als belanghebbenden al vroeg zijn betrokken. Een initiatief met draagvlak, wat trouwens niet hoeft te betekenen dat iedereen het er mee eens is, draagt bij aan minder bezwaren achteraf. In 2018 heeft de gemeente een eerste leidraad participatie voor initiatiefnemers opgesteld. Hiermee heeft Dalfsen geëxperimenteerd en geoefend. Op basis daarvan is de leidraad participatie voor initiatiefnemers aangepast en ook een leidraad participatie voor omwonenden opgesteld. Voor meer informatie over participatie onder de Omgevingswet verwijzen wij u naar onze website: https://www.dalfsen.nl/home/participatie-omgevingswet_42872/. Inrichten Nadat de gemeente richting heeft gegeven aan vergunningverlening onder de Omgevingswet, kan zij aan de slag met het inrichten van de processen voor de vergunningverlening. Het is belangrijk om het initiatiefproces, het behandelproces en het toezicht- en handhavingsproces goed in te richten. Daarbij horen samenwerkingsafspraken met partners en ook het goed op orde brengen van de benodigde expertise. 3.3Private kwaliteitsborging bouw De wet Kwaliteitsborging voor het bouwen is een nieuw stelsel van kwaliteitsborging voor het bouwen van nieuwe gebouwen en vergunningplichtige bouwwerken. Met deze wetgeving wil het Rijk de preventieve bouwtechnische toets (bouwbesluit) door de overheid, bij de vergunningverlening en het bouwtoezicht, gefaseerd bij de private sector neerleggen. De verantwoordelijkheid voor de bouwkwaliteit wordt hiermee volledig bij de marktpartijen gelegd. De ruimtelijke beoordeling (welstand, bestemmingsplan) en de omgevingsveiligheid blijven wel bij de gemeente en ook de technische kwaliteit van bestaande bouw blijft een gemeentelijke verantwoordelijkheid. Bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor nieuwbouw wordt onder dit stelsel door de gemeente, in het kader van de ontvankelijkheid, gekeken of het juiste borgingsinstrument wordt toegepast. Hierop moeten de gemeenten zich voorbereiden onder andere via de weg van de strategische personele planning. Omdat de voortgang van de wet nog onzeker is en de vaststelling de nodige hobbels kent, blijft het lastig om hierop te acteren met het oog op impact voor de organisatie. Vanzelfsprekend worden alle ontwikkelingen nauwkeurig gevolgd. De nadere uitwerking hiervan is verder verwerkt in paragraaf 6.2.4 en paragraaf 7.2.1. 3.4Bevorderen van de naleving is keuzes maken De gemeente heeft de taak om de fysieke leefomgeving veilig, gezond, aantrekkelijk en duurzaam te houden. Om dit te realiseren zijn wetten opgesteld waaraan gebruikers van de leefomgeving (burgers, bedrijven, overheden, passanten) zich moeten houden. De belangrijkste daarvan zijn de Omgevingswet (Ow), de Wet Kwaliteitsborging (Wkb) de Alcoholwet (Aw) en de op deze wetten gebaseerde Algemene Maatregelen van Bestuur zoals het Omgevingsbesluit, het Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal), Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl). Daarnaast heeft de gemeente eigen beleidskaders die regels geven over hoe de leefomgeving wel en niet mag worden gebruikt. Het beleid van de gemeente is onder andere vastgelegd in de Omgevingsvisie, verordeningen, en het omgevingsplan. De regels die in deze wetten en beleidsdocumenten zijn vastgelegd richten zich op de gebruikers van de fysieke leefomgeving. Van hen wordt verwacht al deze regels na te leven. Dit gaat niet altijd vanzelf. Regels zijn onbekend, te complex om direct te begrijpen of vragen investeringen van betrokkenen om na te volgen. Van de gemeente wordt daarom verwacht dat zij als (mede)uitvoerder van de wetten en makers van het beleid een inspanning leveren om de naleving van de regels te stimuleren. De gemeente kan echter nooit alles vooraf toetsen of controleren en zo alle risico's van niet-naleving neutraliseren. Dat kost te veel tijd en geld. Ook de overlast die toezicht en handhaving voor de gebruikers oplevert stelt grenzen aan de manier waarop en de mate waarin we naleving kunnen stimuleren. De gemeente moet dus keuzes maken over hoe men de beperkt beschikbare mensen en middelen het beste denkt te kunnen inzetten. Keuzes maken houdt in dat men risico's van niet-naleving tegen elkaar afweegt en vervolgens bepaalt welke risico's meer en minder aanvaardbaar zijn. Op basis hiervan kunnen prioriteiten worden gesteld die bij de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving door de gemeentelijke organisatie worden gehanteerd. Welke mate van risico's aanvaardbaar zijn en daarmee welke prioriteiten worden gesteld is per definitie een bestuurlijke keuze. De voorliggende nota bevat de bestuurlijke keuzen die de gemeente op dit vlak maakt voor de periode 2022-2026. 3.5Het VTH-beleidsplan als formeel document De komst van de Omgevingswet betekent dat er veel verandert. De wet bundelt 26 bestaande wetten voor onder meer bouwen, milieu, water, ruimtelijke ordening en natuur. Daarnaast is er de aanstaande invoering van de Wet kwaliteitsborging bouw waarbij de preventieve bouwtechnische toets (bouwbesluit) door de overheid, bij de vergunningverlening en het bouwtoezicht, gefaseerd bij de private sector wordt neergelegd. Het gaat stuk voor stuk om ontwikkelingen die gezamenlijk het VTH-werkveld ingrijpend veranderen en het stellen van prioriteiten extra noodzakelijk maken. De vergunningverleners, toezichthouders en handhavers van de gemeente maken dagelijks keuzes die voor een steeds groter deel niet meer worden gedekt door de oorspronkelijke bestuurlijk vastgestelde kaders. Het VTH-beleidsplan 2022-2026 zet de ingezette verandering voort en vervangt daarmee het beleidsplan VTH 2017-2021. Daarnaast wordt in dit beleidsplan invulling gegeven aan de kwaliteitscriteria die gelden voor VTH. Een van de doelstellingen voor het bundelen van omgevingsrechtregels in de Omgevingswet is om de dienstverlening door overheden te verbeteren. Het realiseren van de verbeter- en maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de overheden. Het vraagt om een goede en uniforme borging van de uitvoeringskwaliteit. Afdeling 18.3 van de Omgevingswet biedt de grondslag voor de kwaliteitsbevordering van de uitvoering en handhaving. Deze afdeling vindt zijn oorsprong in paragraaf 5.2 van de Wabo. Er zijn regels over de kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken: Artikel 18.20 Ow beschrijft een zorgplicht voor in principe alle VTH-taken van het bevoegd gezag. Het artikel laat open hoe bevoegd gezagen dit invullen. Een optie is om dit via een verordening te doen. Artikel 18.23 Ow gaat over de milieutaken die onder het basistakenpakket vallen en aan de Omgevingsdienst zijn opgedragen. Hiervoor geldt dat het kwaliteitsniveau via een verordening moet vastliggen. Omdat deze taken verplicht zijn ondergebracht bij omgevingsdiensten moeten ook zij afspraken maken over de formulering van de kwaliteitscriteria. De regels over kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken zijn vastgelegd in de verordening kwaliteit voor de uitvoering van VTH-taken in gemeente Dalfsen. Deze is in 2017 al vastgesteld door de gemeenteraad en zal met het oog op de Omgevingswet in mei 2022 nog technisch worden aangepast i.v.m. een veranderende grondslag. Inhoudelijk zal er nog geen wijziging komen. De eisen zijn breder uitgewerkt in de Kwaliteitscriteria versie 2.2 (KC 2.2). De KC 2.2 draagt de gemeente expliciet op om een aantal beleidsinstrumenten te hanteren binnen een dubbele cyclus van beleidsvorming en van uitvoering, de zogenaamde “BIG-8 cyclus”. De BIG-8 is een dubbele plan-do-check-act cyclus waarbij beleid en uitvoering met elkaar worden verbonden. Door het volgen van de BIG-8 worden werkzaamheden doelmatig en planmatig uitgevoerd. Daarnaast zorgt het evaluatieonderdeel van deze cyclus ervoor dat het beleid steeds blijft aansluiten op de uitvoeringspraktijk. Deze aanpak is een verplichting op grond van Afdeling 18.3 van de Omgevingswet. Dit beleidsplan gaat in op de onderdelen ‘prioriteiten & doelen’ en ‘strategie’. Die worden vervolgens in andere documenten verder uitgewerkt, zoals het jaarlijkse Programma uitvoering VTH-taken en het jaarverslag VTH-taken. De KC 2.2 stellen hier ook eisen aan. Van alle gemeenten wordt verwacht dat ze aan de Kwaliteitscriteria 2.2 voldoen. Hoe Dalfsen hiermee omgaat is te lezen in § 4.2. Naast de genoemde BIG-8 cyclus is er onder de Omgevingswet een nieuwe beleidscyclus gekomen, niet meer in de vorm van een 8, maar van een cirkel. Deze cyclus is echter niet specifiek op de VTH-processen gericht, maar biedt een structuur om de instrumenten van de Omgevingswet te ordenen. Het VTH-proces is hier slechts een onderdeel van (linkerhelft van de cirkel). 3.6Waar praten we over in Dalfsen? Een goed VTH-beleid begint met een goed besef van het probleem dat we met het beleid willen oplossen. De risico's die de veiligheid, leefbaarheid, aantrekkelijkheid en duurzaamheid van de Dalfsense leefomgeving bedreigen, vormen de kern van de uitdaging waarvoor de gemeente als uitvoerder van het VTH-beleid staat. De probleemanalyse bestaat uit een omgevingsanalyse en een risicoanalyse en geeft richting aan het strategisch en operationeel kader. 3.6.1 Beheersing van risico's als basis voor prioritering nalevingsbevordering Bij de keuzes die we maken en de prioriteiten die we stellen staat de inschatting van het risico voor de leefomgeving centraal. Risico daarbij is dat de kans op niet-naleving tot ongewenste effecten leidt en de schade die dit voor de leefomgeving oplevert. Hoe groter de kans op niet-naleving en hoe groter de schade voor de leefomgeving hoe meer de gemeente zal sturen op naleving. De gemeente bepaalt haar toets-, toezicht- en handhavingsprioriteiten daarom zoveel mogelijk op basis van een inschatting van de volgende twee belangrijke factoren: het naleefgedrag van de gebruikers van de leefomgeving, de schade die kan ontstaan in geval van niet-naleving. Schade wordt hierbij niet alleen uitgedrukt in kosten voor de samenleving, maar ook in termen van bijvoorbeeld leefgenot/overlast, herstelbaarheid, gezondheid en imago van de overheid. 3.6.2Omgevingsanalyse Het areaal De gemeente heeft de volgende illustrerende kenmerken die bepalend zijn voor zowel de aantrekkelijkheid van haar fysieke leefomgeving alsook de risico's inhouden die naleving van regels zo belangrijk maken: Ca. 28.900 inwoners; en 11.000 huishoudens. In vijf kernen (Dalfsen, Nieuwleusen, Lemelerveld, Oudleusen en Hoonhorst). Daarnaast heeft de gemeente meerdere buurtschappen. Het grondgebied van de gemeente beslaat 166,52 km2; waarvan ca 1,44 km² water. 12.000 woningen, waarvan 75% eigendom en 25% huur Ca. 10.000 arbeidsplaatsen. Ca. 510 landbouwbedrijven met ca. 850.000 kippen, 75.000 varkens, 44.000 rundvee, 2.350 schapen, 4.500 geiten, 740 paarden. In totaal ca. 2800 bedrijven verdeeld over: Vestigingen Landbouw 510 Vestigingen Industrie 400 Vestigingen Handel 480 Vestigingen Zakelijke dienstverlening 800 Vestigingen Collectieve dienstverlening 530 Vestigingen Overige dienstverlening 170 Totaal 2890 Vestigingen Dalfsen in 2020, bron CBS De gemeente moet er op toezien dat alle gebruikers van de fysieke leefomgeving zich houden aan een groot aantal regels. De belangrijkste hiervan zijn: de Omgevingswet (Ow) inclusief uitwerking in een viertal Algemene Maatregelen van Bestuur: het Omgevingsbesluit (Ob), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), APV en de Alcoholwet. Opgavenanalyse De probleemanalyse bestaat uit o.a. een omgevingsanalyse. Voor deze omgevingsanalyse haken we aan bij wat in de Omgevingsvisie is opgenomen. Daarin wordt gesproken over opgaven. Welke opgaven komen er op onze gemeente af? De ambitie is om met een integrale opgavenanalyse gerichter sturing te geven aan de uitvoering van onze taken. De opgaven die op ons afkomen zijn grofweg op te delen in opgaven die gelden voor de gehele gemeente, misschien zelfs regionaal of landelijk, en opgaven die in bepaalde deelgebieden spelen. Voor deze laatste is gekozen om aansluiting te zoeken bij de deelgebieden die worden gehanteerd in de Omgevingsvisie en de opgaven die door inwoners, ondernemers en andere belanghebbenden zijn benoemd in het participatietraject. Gemeentebrede opgaven Druk op de woningvoorraad, zowel kwantitatief (aantallen) als kwalitatief (aansluiten bij woonbehoefte); Vergrijzing en ontgroening. Meer ouderen inclusief bijbehorende (woon-)behoefte en minder jongeren; Grote transitie in het buitengebied. Denk aan de landbouwtransitie, energietransitie en vraag naar ruimte voor andere sectoren (wonen, recreëren, etc.) Klimaatverandering, waarbij we moeten inzetten op klimaatmitigatie en klimaatadaptatie; De energietransitie; Het thema gezondheid wat aan terrein wint in het fysieke domein; Steeds meer maatschappelijke initiatieven. Ondermijning: voor een effectieve bestrijding hiervan is een meer integrale aanpak noodzakelijk waarbij alle mogelijke ketenpartners in stelling kunnen worden gebracht. Gebiedsgerichte opgaven: Weids platteland (Nieuwleusen, Oudleusen e.o.): Verkeersveiligheid op de doorgaande wegen in Oudleusen en Nieuwleusen; Behouden van sportvelden in het midden van Nieuwleusen; Woningbouw gericht op lokale behoefte in Oudleusen en op groei in Nieuwleusen. Behoeft van Agnietencollege in Nieuwleusen; Kwaliteitsimpuls dorpsrand Oudleusen langs de N340; Versterken overgang kern naar landelijk gebied Versterken biodiversiteit; Herstellen en versterken verkavelingsstructuur; Verbeteren bereikbaarheid bedrijventerreinen; Faciliteren agrarische ondernemers in ontwikkelingswensen op het vlak van modernisering, verduurzaming en innovatie; Ruimte voor nieuwe (agrarische) bedrijven op vrijkomende agrarische erven; Zoektocht naar een nieuw bedrijventerrein voor Nieuwleusen; Toekomst van het bedrijventerrein van Oudleusen onderzoeken. Variatie rond de Vecht (Dalfsen, Ankum e.o.): Behouden en versterken van gezondheids- en sportvoorzieningen in kern Dalfsen; Dorpse karakter van Dalfsen behouden; Meer ruimte voor fietsers en voetgangers in het centrum van Dalfsen; Aandacht voor de leegbaarheid en verkeersveiligheid van de Rondweg/Koesteeg; Voldoende woningaanbod voor alle doelgroepen voor de Dalfser behoefte; Winkelaanbod en weekmarkt behouden, inclusief gratis parkeren nabij de winkels; Recreatieve ontwikkelingen zijn ondergeschikt aan landschappelijke en ecologische kwaliteiten. Alleen kleinschalige vormen van recreatie zijn toegestaan, passend binnen de ecologische en landschappelijke kwaliteiten. Beschermen van landschappelijke en ecologische waarden en versterken waar mogelijk. Beschermen van cultuurhistorisch waardevolle elementen. Versterken van de beleving en beleefbaarheid van de Vecht, passend binnen de aanwezige waarden. Koesteren van de donkerte in de sterrenzone (het gebied vanaf uitkijkplaats de Stokte tot aan de gemeentegrens Ommen) en deze actief in stand houden. Faciliteren van ondernemerschap door middel van flexibiliteit in ontwikkel- en regelruimte. Ondersteunen van initiatieven van agrarische bedrijven die gericht zijn op verbreding, vergroening en verduurzaming, geen grootschalige landbouw. Bieden van mogelijkheden om de economische functie van de bestaande buitenplaatsen te verbeteren. Meer scheiden van bedrijven en woningen rondom het bedrijventerrein in Dalfsen. Het zoeken van een nieuwe plek voor een bedrijventerrein voor Dalfsen. Parels in het landschap (Hoonhorst, Hessum e.o.): Ondersteunen van Hoonhorst in het verder vormgeven aan de ecologische, economische en sociale verduurzaming. Versterken van het centrum van Hoonhorst als plek voor ontmoeting. Bouwen van woningen voor de woonvraag van Hoonhorst, met focus op starterswoningen. Behouden van de aanwezige voorzieningen. De overgang van Hoonhorst naar het omliggende landelijk herstellen en versterken. Beschermen van de rust, stilte en duisternis. Respecteren van de kleinschalige reuring passend bij de kenmerken van het gebied. Bieden van mogelijkheden voor versterking van de economische basis onder de bestaande landgoederen. Binnen de landschappelijke kaders, faciliteren van ontwikkelingen van (bestaande) kleinschalige bedrijvigheid. Het gebied ten westen van de bos- en landgoederenzone is grotendeels in landbouwkundig gebruik. Ondersteunen van de ontwikkeling van agrarische bedrijven in dit gebied Landelijke Lemelerveld (Lemelerveld e.o.): Creëren van ontmoetingsplekken in Lemelerveld, zowel voor jongeren als ouderen. Verbeteren van wandelroutes in Lemelerveld. Odersteunen van initiatieven gericht op het behouden en versterken van de onderlinge saamhorigheid. Aandacht voor de gezondheid en uitstraling van de N348 door de dorpskern. Gebruiken van het Kanaal om de openbare ruimte in Lemelerveld te verbeteren. Woningbouw in dit deelgebied is gericht op groei met als doel daardoor bij te dragen aan het behoud en zo mogelijk versterking van de leefbaarheid. Bouwen van woningen met name voor jongeren en ouderen. Sterk maken voor het verbeteren van de OV-verbinding en de bereikbaarheid met omliggende grotere kernen. Beschermen van de cultuurhistorisch waardevolle Kerkenhoek. Streven naar het versterken van de centrumfunctie in Lemelerveld. Actief in gesprek gaan over de verkeersstromen in en rond het dorp. De ontwikkelingen in de landbouw moeten samengaan met het ontwikkelen van een stevig landschappelijk raamwerk. Beschermen van de afwisseling tussen landbouw en natuur in dit deelgebied. Kijken naar de mogelijkheid om flexibel om te gaan met de sloop-voor-kansen-regeling om zo verschillende woonvormen in het landelijk gebied mogelijk te maken Faciliteren van ondernemers in hun uitbreidingswensen. Faciliteren van de recreatieve sector. Bieden van ruimte voor de groei van agrarische bedrijven. De uitbreiding van bedrijventerrein ’t Febriek in Lemelerveld (’t Febriek Zuid II) is in voorbereiding. Voor de lange termijn ontwikkeling van dit terrein wordt gekeken naar het gebied ten westen daarvan. 3.6.3Risicoanalyse Een methodiek voor het bepalen van de inzet van de financiële en personele middelen voor de VTH-taken is de risicoanalyse. Deze methodiek, ontwikkeld door de werkgroep Handhaving Op Niveau van het Ministerie van Justitie, wordt landelijk breed toegepast bij het bepalen en prioriteren van handhavingstaken. Kernvraag van de risicoanalyse is: op welke beleidsterreinenkenmerken de handhavingstaken zich door grote (afbreuk)risico’s als regels niet worden nageleefd? Op beleidsterreinen met een groot (afbreuk)risico ligt vervolgens - als het gaat om controle, toezicht en opsporing - structureel een zwaarder accent. In de risicoanalyse is per branche geïnventariseerd hoe groot de risico’s zijn en hieruit volgt de intensiteit van de vergunningverlening en het toezicht. In IJsselland gebruiken alle gemeenten, de provincie en de omgevingsdienst dezelfde risicoanalyse voor toezicht en handhaving. Het model werkt op basis van de formule: Risico = Kans x Effect. De elementen 'kans' (hoe groot is de kans op een bepaalde ongewenste situatie) en 'effecten' (wat is de impact van een misstand) worden door experts ingevuld met allerlei thema's met variabelen. Aan de variabelen zijn door experts, op basis van data uit ervaring, scores en weegfactoren toegekend. De totaalscore bepaalt het risico op een 5-puntenschaal. Van 'zeer groot risico' tot ‘zeer klein risico'. Om tot een juiste weging van de risico's te komen, is het nodig om ook bestuurlijke prioriteiten mee te wegen. Dit leidt tot een ambitiebepaling met totaaloverzicht van prioriteiten. De resultaten worden doorvertaald naar strategieën en de jaarlijkse uitvoeringsprogramma's. Het stellen van prioriteiten betekent dat er handhavingstaken zijn met een hoge prioriteit waar veel instrumenten op worden ingezet. Anderzijds zijn er ook taken met en lage prioriteit, waarop weinig of geen instrumenten worden ingezet. De uitkomst van de risicoanalyse legt het minimale uitvoeringsniveau vast. In 2021 is na een aanbestedingstraject een besturingsmodel met risicoanalyse aangeschaft van de Antea Groep. Het model betreft een uniform sjabloon. Elk bevoegd gezag gebruikt dit model om de taken die door de OD’s worden uitgevoerd onder te brengen, dit zal ook in het uniforme beleid voor de OD-taken worden opgenomen. Dit uniforme model voor de OD-taken (ingevuld door elk bevoegd gezag) wordt één op één overgenomen en aan alle individuele colleges aangeboden in het eerste kwartaal van 2022. Voor de thuistaken heeft de gemeente de keuze om al dan niet gebruik te maken van deze risicoanalyse. Het college heeft in december 2021 hierop positief besloten. Nadat vervolgens de tool is geleverd, wordt een proces doorlopen om de tool te vullen en te implementeren. Dit wordt in de eerste helft van 2022 uitgevoerd. Helaas was het niet mogelijk om de uitkomsten van de risicoanalyse al in dit VTH-beleid op te nemen. De uitkomsten worden meegenomen bij het eerstkomende nieuwe uitvoeringsprogramma 2023. Dit geldt voor zowel de OD-taken als de thuistaken. 3.7Afbakening beleidsplan Dit beleidsplan gaat in principe over alle VTH-taken met betrekking tot de fysieke leefomgeving die volgens de wet en het gemeentelijk beleid aan de gemeente zijn opgedragen. Zoals eerder gesteld gaan de uitgangspunten die met dit beleidsplan worden vastgesteld niet over aan welke regels gebruikers van de leefomgeving zich moeten houden, maar over de prioriteiten die de gemeente stelt bij het uitvoeren van de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving en hoe deze prioriteiten tot stand komen. Het VTH-beleid is daarmee alleen kaderstellend voor de gemeente zelf. De gemeente heeft ook ambities om zonder terug te vallen op dwingende regels haar inwoners te stimuleren de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. Dit VTH-beleidsplan geldt in principe voor een periode van vier jaar, van 2022-2026. Voor zover er na die periode nog geen nieuw VTH-beleidsplan is vastgesteld, blijven de in deze nota gestelde kaders richtinggevend voor de VTH-uitvoeringsorganisatie. 3.7.1 Beleid milieutaken Omgevingsdienst De zogenaamde “Basistaken (BTP) + IJssellandse variant”, worden voor de gemeenten uitgevoerd door de Omgevingsdienst IJsselland. Dit is een zelfstandige organisatie, die de 11 IJssellandse gemeenten en de Provincie Overijssel samen besturen. Het beleid voor de taken van de OD is uitgewerkt in het “Uniform beleid voor de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving 2019 – 2021”. Dit beleidsplan ziet op de taken zoals deze zijn ingebracht in de OD. Volgens wettelijke voorschriften is dit beleid uniform voor alle deelnemers in de OD. In dit beleidskader zijn de prioriteiten, doelstellingen en werkwijze opgenomen voor vergunningverlening, toezicht, handhaving van milieubeheer. Hoewel de taken worden uitgevoerd door de OD blijven de gemeentes en de provincie het bevoegd gezag. Daarom wordt op zowel bestuurlijk als ambtelijk niveau intensief samengewerkt en vindt afstemming van werkzaamheden plaats. Het genoemde beleidsplan wordt in 2022 geactualiseerd. 4Strategisch beleidskader In dit hoofdstuk is de visie van de gemeente op haar VTH-taken beschreven en zijn de belangrijkste prioriteiten op hoofdlijnen weergegeven. Daarmee wordt invulling gegeven aan het door de Kwaliteitscriteria 2.2 geëiste strategische beleidskader. 4.1Visie op het VTH-beleid De gemeente beseft dat vergunningverlening, toezicht en handhaving iets is dat door betrokkenen als onprettig kan worden ervaren. Vergunningen vraagt men niet voor het plezier aan, controles zorgen soms voor overlast en handhaving is meestal helemaal niet leuk als het op iemand wordt toegepast. De gemeente doet het omdat met elkaar is afgesproken dat er een veilige, gezonde, aantrekkelijke en duurzame omgeving moet zijn om te wonen, werken en leven voor iedereen. Soms kan het gedrag van individuele burgers of bedrijven dit streven bedreigen en een risico opleveren voor de leefomgeving. Het is dan aan de gemeente om te zorgen dat de risico's beheersbaar blijven. Er is echter altijd een grens aan de middelen die de gemeente daarvoor kan en wil inzetten. Deze grens bepaalt daarmee ook de mate van risico die de gemeente acceptabel vindt om door de gemeentelijke samenleving te worden gedragen. De prioritering van de taken wordt o.a. bepaald door politieke voorkeur. Deze politieke voorkeur vloeit voort uit de toekomstvisie van de gemeente Dalfsen voor 2030: “Voor Elkaar”. De gemeente Dalfsen staat voor sociale samenhang, is een buitengewone plek om te wonen en heeft duurzaamheid centraal staan in alles wat ze doet. We trekken als gemeente samen op met inwoners en ondernemers en hechten grote waarde aan de participatiesamenleving. Het credo is beleid van dichtbij, initiatieven en voorzieningen in eigen wijken stimuleren en ontplooien. Deze Toekomstvisie ‘Voor Elkaar’ bevat een groot aantal opgaven waarmee de gemeente en de inwoners aan de slag gaan. De Omgevingsvisie borduurt voort op de essentie van ‘Voor Elkaar’ en legt de nadruk op keuzes voor de fysieke leefomgeving in de deelgebieden en kernen. Daarbij wordt ingezet op: Een toekomstbestendige, sociale en gezonde woon- en leefomgeving Aantrekkelijke, leefbare kernen voor iedereen Een eigentijds, aantrekkelijk en onderscheidend landelijk gebied Een lokaal geworteld, vitaal en innovatief ondernemerschap dat goed aangehaakt is op de regio In aansluiting op de toekomstvisie luidt de kern van het gemeentelijke VTH-beleid daarom: De gemeente Dalfsen staat voor een duurzame en veilige leefomgeving waarin burgers en bedrijven goed kunnen leven, wonen, werken en recreëren. De gemeente doet dit door kwalitatief goede producten te leveren. Dalfsen werkt risico gestuurd, klantgericht, zakelijk en efficiënt. De rode draad in het VTH-beleid is dat de inschatting van de risico’s voor de leefomgeving doorslaggevend is voor de prioriteiten die worden gesteld bij het stimuleren en/of afdwingen van het naleefgedrag. Omdat er beperkte capaciteit is die niet op alles ingezet kan worden, wordt prioriteit gegeven aan de thema’s en gevallen waarin de risico’s van niet-naleving (kans maal effect) het grootst zijn. De gemeente kiest nadrukkelijk voor deze pragmatische aanpak en niet voor een meer principiële aanpak waarbij ‘regel is regel’ als uitgangspunt dient. De pragmatische benadering van onze VTH-taken heeft echter ook nadelen die met het vaststellen van dit VTH-beleidsplan ook benoemd worden: Niet alles wordt getoetst en/of gecontroleerd. Incidenten zullen zich kunnen gaan voordoen, mogelijk juist op de terreinen en onderdelen die minder prioriteit hebben gekregen op basis van het VTH-beleid. De gemeente neemt met andere woorden bepaalde risico’s op de koop toe. Dit betekent wel dat, daar waar achteraf gecorrigeerd moet worden, er mogelijk meer tijdsinvestering nodig is. Het kan gebeuren dat niet iedereen meer op dezelfde manier door de gemeente wordt behandeld. Partijen die zich uit zichzelf goed aan de regels houden zullen minder aandacht/last van de gemeente krijgen dan partijen die regelmatig de regels niet (volledig) naleven. Dit is een vorm van positief belonen. Als er een overtreding geconstateerd wordt, zal Dalfsen niet (meer) in alle gevallen naleving afdwingen, ook al heeft de gemeente in beginsel een handhavingsplicht. Dit kan misbruik in de hand werken. Structurele evaluatie zal hier inzicht in geven en kan aanleiding geven om dit bij te stellen. 4.2Verordening kwaliteitscriteria In 2015 kwamen de VNG en het IPO met een uniforme modelverordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht. Deze uniforme modelverordening werd opgesteld omdat gemeenten, provincies en de gemeenschappelijke diensten die in hun opdracht werken, zich voor een gezamenlijke opgave gesteld zagen. De opgave was om in landelijk verband de kwaliteit van de uitvoering en handhaving te bevorderen, te borgen en te beoordelen bij de gedeelde zorg voor een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. De grondslag van deze verordening werd destijds opgenomen in de artikelen 5.4 en 5.5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Sindsdien zijn de kwaliteitscriteria 2.1, en later per 1 juli 2019, kwaliteitscriteria 2.2, voor de uitvoering van de Wabo ontwikkeld en beschikbaar gesteld in brede samenwerking tussen bevoegde gezagen. Het uitgangspunt voor de kwaliteitsbevordering is de in landelijke samenwerking opgestelde kwaliteitscriteria 2.2, die op basis van technische en maatschappelijke ontwikkelingen met betrokken partijen in landelijke afstemming zullen worden aangepast. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt de Wabo als grondslag voor de verordening. De Verordening uitvoering en handhaving (omgevingsrecht) heeft de artikelen 18.20 en 18.23 van de Ow als grondslag en is om die reden opnieuw vastgesteld. De hierbij door raad vast te stellen verordening volgt de Model Verordening uitvoering en handhaving (omgevingsrecht), die voor gemeenten en provincies gelijkluidend door de VNG en het IPO is opgesteld. De gemeenteraad heeft met dit model een handvat bij het opstellen van een gemeentelijke verordening over de kwaliteit van de uitvoering van taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving. In de kwaliteitscriteria is vastgelegd waaraan de organisatie op het gebied van VTH-taken voor het personeel (kritieke massa), het proces en de inhoud (deskundigheid) moet voldoen. Daaraan toegevoegd zijn zogenaamde ‘outputcriteria’, waarmee concreet omschreven moet worden wat de te behalen doelen van het beleid zijn. Het pakket bepaalt de minimaal vereiste kwaliteit, waaraan elke overheidsorganisatie die met vergunningen, toezicht en handhaving is belast, moet voldoen. Voor de daarbij betrokken organisaties (gemeenten, provincies, omgevingsdiensten) betekent dit het toepassen van de kwaliteitscriteria voor deskundigheid en beschikbaarheid, volgens de regel comply or explain: het uitgangspunt is ‘voldoen’, tenzij gemotiveerd wordt afgeweken, bijvoorbeeld vanwege hogere ambities, of om het eigen kwaliteitssysteem niet te doorkruisen. Het college van burgemeester en wethouders beoordeelt de kwaliteit in het licht van de beleidsdoelen, overeenkomstig de in het Besluit omgevingsrecht geregelde Big-8. De gemeenteraad houdt horizontaal toezicht op de hoofdlijnen, in het licht van het voor de fysieke leefomgeving gevoerde beleid. De verordening is in 2017 al vastgesteld door de gemeenteraad en zal met het oog op de Omgevingswet in mei 2022 nog technisch worden aangepast i.v.m. een veranderende grondslag. Inhoudelijk zal er nog geen wijziging komen. Het college moet er zorg voor dragen dat de regels voor de taken uniform zijn op het niveau van de omgevingsdienst. In de verordening zijn thema’s voor de kwaliteitsdoelen benoemd: de dienstverlening, de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten, de financiën. De verordening die aan de raad is voorgelegd voldoet hieraan. De thema’s voor de kwaliteitsdoelen zullen in het VTH-beleid nader moeten worden uitgewerkt. Hieraan is invulling gegeven in de volgende paragraaf. 4.3Doelen en activiteiten Met dit beleid voldoen we aan de Kwaliteitscriteria en werken we de doelen van de Verordening kwaliteit VTH uit. Het is onze ambitie om dienstverlenend en deskundig te zijn richting inwoners en bedrijven. We zijn duidelijk over wat wel en niet kan, treden op waar dat nodig is en werken proactief aan een duurzame ontwikkeling. Het verlenen van vergunningen, het houden van toezicht op de naleving en het handhaven van regels doen we ook om bij te dragen aan een “hoger doel”. De Omgevingswet geeft in artikel 1.3 als maatschappelijk doel: “Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, gericht op het in onderlinge samenhang:

  1. a)bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en
  2. b)het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke functies.” Jaarlijks beschrijven wij in het VTH-uitvoeringsprogramma welke activiteiten worden uitgevoerd om doelen en prioriteiten te realiseren en worden de benodigde inzet en resultaten beschreven. De beperkte capaciteit wordt daarbij zo efficiënt en effectief mogelijk ingezet. Gedurende het jaar vindt monitoring plaats van de uitvoering van het jaarlijkse programma en het bereiken van de doelen. Wij beseffen hierbij dat 100% naleving een utopie is, maar wij streven ernaar de risico’s zo laag mogelijk te houden. In het VTH-jaarverslag evalueren wij en rapporteren wij over de voortgang en kwaliteit van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten en over het bereiken van de doelen en prioriteiten. Er wordt o.a. gerapporteerd over risico’s en naleefgedrag. Ook wordt gerapporteerd over de aantallen van de verschillende resultaten (bijvoorbeeld aantal verleende vergunningen, uitgevoerde controles, aantal overtredingen en overtreding soorten, uitvoering van handhaving, klachten en meldingen en afhandeling daarvan). De strategische doelstellingen zoals hierboven verwoord, zijn hieronder uitgewerkt per taakveld. Deze doelstellingen worden overgenomen in het jaarlijkse uitvoeringsprogramma. Op basis van de jaarlijkse resultaten, zoals gemonitord in het uitvoeringsprogramma en het jaarverslag worden de doelstellingen en beleidskeuzes jaarlijks tegen het licht gehouden. Op basis daarvan kunnen de doelstellingen en beleidskeuzes worden aangescherpt of aangepast in de planning voor het volgende jaar zoals opgenomen in het Uitvoeringsprogramma. 4.3.1Doelen kwaliteitsverordening Op basis van de vastgestelde kwaliteitsverordening moeten de navolgende doelen worden uitgewerkt: Uitvoeringskwaliteit: De mate waarin een product voldoet aan de juridische en organisatorische doelen (zoals geformuleerd in de relevante wet- en regelgeving en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur) en bijdraagt aan de omgevingsdoelen. M.a.w. de inhoudelijke kwaliteit. Dienstverlening: De manier waarop (in communicatie, snelheid, service) de organisatie met belanghebbenden (aanvragers, omgeving klagers, etc.) omgaat. Financiën: De inzet van middelen in relatie tot de kwaliteit van de geleverde diensten/producten. Hierna zijn bovenstaande doelen verder uitgewerkt. Per beleidsdoel zijn indicatoren opgesteld waarmee kan worden bepaald of aan de gestelde doelen kan worden voldaan. Ook zijn er, indien mogelijk, streefwaarden opgenomen per beleidsdoel. Daarbij wordt opgemerkt dat de doelen die gesteld zijn streefwaarden zijn. Dit omdat gebleken is dat een aantal van de gevraagde aspecten tot dusver niet of slechts ten dele worden geregistreerd of dat er geen nulmeting beschikbaar is. Daarom zijn er het eerstkomende jaar nog geen cijfers beschikbaar. De intentie is om zoveel mogelijk via geautomatiseerde systemen de doelen te kunnen monitoren, hier moet echter nog wel een slag in gemaakt worden. Dit is daarom ook als actiepunt in hoofdstuk 10 opgenomen. Doel is om na een aantal jaren gewerkt te hebben met deze doelen, de streefwaarden om te zetten naar grenswaarden. Als nog niet voldaan kan worden aan de onderstaande doelen en/of richtwaarden, dan wordt dat in het uitvoeringsprogramma opgenomen. Algemeen doel Beleidsdoel Indicatoren Streefwaarde Uitvoeringskwaliteit In geval van instellen bezwaar is het bezwaar / beroep ongegrond of niet ontvankelijk % procedures waarbij bezwaar-/beroepsschriften ongegrond dan wel niet ontvankelijk zijn of worden ingetrokken 95% % procedures van handhavingszaken / verzoeken om handhaving waarbij bezwaar-/beroepsschriften ongegrond dan wel niet ontvankelijk zijn 85% Klachten worden geregistreerd en geanalyseerd (trendanalyse) Aantal klachten uitgevoerde klachtenanalyse Jaarlijkse klachtenanalyse De landelijk vastgestelde handhavingsstrategie (LHS) wordt gehanteerd Aantal keren dat er is afgeweken van de LHS Jaarlijkse analyse op de afwijkingen van de LHS Dienstverlening (gedrag) De organisatie is goed bereikbaar 24 uurs bereikbaarheid Milieumeldpunt bij OD. Gemeente ook bij calamiteiten. Digitale informatieverstrekking via website 100% Informeel verzoek (informatie) aantal dagen na ontvangst verzenden van reactie (kan ook procesvoorstel zijn) 5 werkdagen Formeel verzoek (via brief of mail, met uitzondering van vooroverleg, principe- of handhavingsverzoek) aantal dagen na ontvangst verzenden van inhoudelijke reactie 28 dagen Dienstverlening (proces) Beschikkingen en meldingen worden tijdig en correct (juridische en collegiale toets) afgehandeld % buiten de termijn behandelde meldingen en beschikking 0% Max. % gevallen waarin de beslistermijn wordt verlengd. 40% Klanten hebben inzicht in VV of HH proces % brieven inzake procedures waarin proces en voortgang zijn opgenomen 100% Klachten worden behandeld (met uitzondering van anonieme klachten) % klachten in behandeling 95% aantal dagen na indiening in behandeling 5 werkdagen Na aanzegging wordt een HH besluit genomen % aanzeggingen waarop een HH besluit wordt genomen of schriftelijke reactie wordt gegeven 100% Er is een optimale dienstverlening Aantal gegronde klachten over dienstverlening Vergelijkbaar met soortgelijke organisatie (benchmark) Financiën Wij heffen kostendekkende leges Vastgestelde legesverordening 100% 4.3.2Doelen per taakveld Naast de beleidsdoelen op basis van de kwaliteitsverordening zijn beleidsdoelen mogelijk per taakveld, met daarbij ook indicatoren. Dit maakt het mogelijk om de kwaliteit van uitvoering gericht af te stemmen op het betreffende taakveld. Er zijn nu in het beleidsplan alleen doelen opgenomen volgens de kwaliteitscriteria, die ten opzichte van het vorige beleidsplan al een hele verbetering zijn. De doelen per taakveld moeten echter nog ontwikkeld worden, we zien dat veel gemeenten hiermee worstelen. Het stellen van doelen is een eerste stap, maar het vinden van goed bruikbare indicatoren en streefwaarden/grenswaarden is lastig. Voorkomen moet worden dat er allerlei lijstjes bijgehouden moeten worden om zaken te monitoren. De ontwikkeling van doelen per taakveld is daarom gepland om bij een mogelijke eerste actualisatie van dit beleidsplan in 2023 op te nemen en is daarom in hoofdstuk 10 als actiepunt opgenomen. Hierbij zal de in 2022 te implementeren risicoanalyse (§ 3.6.3) belangrijke input leveren. Een voorbeeld ter indicatie hoe doelen zouden kunnen luiden: Taakveld bouwen: Waarborgen constructieve veiligheid en bouwkundige brandveiligheid. We waarborgen constructieve veiligheid en bouwkundige brandveiligheid. De focus ligt op bouwwerken met veel gebruikers, dan wel minder zelfredzame gebruikers. Taakveld ruimtelijke ordening: Behoud kwaliteit leefomgeving. Bouw- en gebruiksvoorschriften uit het bestemmingsplan worden nageleefd. Het gaat hierbij vooral om grote strijdigheden met het bestemmingsplan en de bewoning van niet-woningen. Kleine strijdigheden op woonpercelen zijn vanaf buitenaf moeilijk waar te nemen en hebben minder prioriteit. Taakveld monumenten: Behoud kwaliteit leefomgeving. Het belangrijkste effect van niet-naleving van voorschriften is dat monumentale waarden kunnen worden vernietigd of blijvend worden aangetast. Monumenten vragen om actieve bescherming. Taakveld slopen: Waarborgen gezondheid en omgevingsveiligheid. Risico’s bij sloop doen zich voor bij verwijdering van asbesthoudende toepassingen (risico voor de gezondheid) en bij grootschalige sloop (veiligheid voor de omgeving). We willen de gezondheidsrisico’s van asbest en risico’s voor de omgeving voorkomen. Samen met de Omgevingsdienst geven we hier invulling aan. Taakveld brandveiligheid: Bevorderen van een efficiënte en effectieve naleving op het gebied van brandveiligheid. Dit doen we om de brandveiligheid in onze gemeente te vergroten. 4.4Regionale samenwerking / ketenpartners De gemeente moet, mede door wetgeving, stijgende kwaliteitseisen en strakkere financiële kaders gedwongen, steeds meer regionaal samenwerken bij de uitvoering van de toezichttaken. Dit betekent ook dat de autonomie van de gemeente om zelf het VTH-beleid te bepalen de komende jaren naar verwachting verder zal afnemen. De gemeente Dalfsen werkt niet alléén aan een veilige en gezonde omgeving. Een deel van de werkzaamheden wordt uitgevoerd door de Omgevingsdienst IJsselland, de GGD IJsselland, de Veiligheidsregio IJsselland en het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Deze samenwerkingen zijn veelal gebaseerd op een opdrachtgever-opdrachtnemer-relatie. Uitvoeringspartners hebben ook eigen wettelijke bevoegdheden en taken. Samenwerking bestaat bij die taken vooral uit het voor elkaar uitvoeren van ‘signaaltoezicht’. Door regelmatig overleg en afstemming, zowel op bestuurlijk als op ambtelijk niveau, bouwt Dalfsen voortdurend aan de relatie en de onderlinge verbanden met haar uitvoeringspartners. Afspraken over procedures en verantwoordelijkheden worden zo nodig vastgelegd in Dienstverleningsovereenkomsten. In overleg met de uitvoeringspartners worden dan jaarlijkse werkprogramma’s opgesteld, zodat de gemeente kan sturen op de prioriteiten. 4.4.1Omgevingsdienst IJsselland De gemeente participeert voor het zogenaamde basistakenpakket-plus in de Omgevingsdienst IJsselland. Minimaal alle taken voor vergunningverlening, toezicht en handhaving die tot dit basistakenpakket behoren zijn met ingang van 1 januari 2018 ingebracht bij deze dienst. Concreet gaat het daarbij om de bij wet aangewezen milieutaken en de milieutaken rondom verwijdering van asbest. Vanuit de omgevingsdienst wordt tevens invulling gegeven aan: Een piketregeling die voldoet aan de wettelijke eisen, zoals een 24-uur bereikbaarheid. Het ketentoezicht gericht op onder meer grondstromen, afval, asbest en vuurwerk. De IJssellandse keuze van het “basistakenpakket plus” omvat alle VTH-taken milieu, de juridische expertise en de specialistische (advies)taken bodem, geluid, externe veiligheid, lucht, geur en (afval)water. Besloten is de specialistische taken Wabo-breed bij de Omgevingsdienst onder te brengen (Convenant basistaken OD IJsselland). Dit betekent dat deze dienst zorg draagt voor de advisering op genoemde specialistische expertisevelden inzake milieu, bouw, ruimte en infrastructuur. Ook de niet inrichtinggebonden milieutaken inzake ketentoezicht, asbestsanering, bodembescherming, en dergelijke maken onderdeel uit van het takenpakket dat bij de Omgevingsdienst IJsselland wordt ondergebracht. De gemeente blijft voor al deze taken wel het bevoegd gezag en verantwoordelijk voor adequaat VTH-beleid (ook al moet dat uniform zijn voor alle OD-deelnemers, zie 3.6.1). 4.4.2Veiligheidsregio IJsselland De Veiligheidsregio IJsselland is op 1 januari 2009 ingesteld door de Gemeenschappelijke Regeling Veiligheidsregio IJsselland. Het doel van deze GR is het behartigen van de belangen van de elf aan de regeling deelnemende gemeenten op het terrein van de brandweer, Geneeskundige Hulpverleningsorganisatie en de rampenbestrijding, met daarnaast het realiseren van een gecoördineerde inzet van organisaties, instellingen en diensten die bij zware ongevallen en rampen zijn betrokken. Onderdeel van de Veiligheidsregio is de brandweer. Dit betekent dat voor een deel van het proces voor de vergunningaanvragen en voor toezichtcontroles een beroep moet worden gedaan op dit samenwerkingsverband. Het gaat hier dan om advies in het voortraject of om toezicht in het toezicht- en handhavingstraject. De gemeente doet zelf het casemanagement op alle vergunningaanvragen, meldingen, klachten en handhavingszaken die voortkomen uit haar VTH-beleid voor de fysieke leefomgeving, ongeacht wie de verschillende toetsen uitvoert en vanuit welk samenwerkingsverband. Via de casemanagers worden verschillende zaken vervolgens uitgezet naar adviesorganen zoals de Veiligheidsregio. 4.4.3GGD IJsselland Gemeenten kunnen veel doen om de gezondheid van hun inwoners te verbeteren. GGD IJsselland helpt gemeenten hierbij. Het team Beleidsadvies en Onderzoek doet onderzoek naar de gezondheid en leefstijl van inwoners in de regio IJsselland. Met deze onderzoeksgegevens adviseren zij onder andere gemeenten over hun lokale gezondheidsbeleid. Met de komst van de Omgevingswet moeten gemeenten gezondheid opnemen in zowel hun omgevingsvisie als hun omgevingsplan. De GGD is daarbij een belangrijke partner. 4.4.4Het Oversticht Het Oversticht is een stichting met als missie: Het behoud en verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving. Zij streven niet naar winst. Resultaat wordt in het zogenaamde 'innovatiefonds' gestopt. Daaruit wordt de ontwikkeling van nieuwe diensten bekostigd. Deze diensten komen voort uit investeringen in kennisverdieping en -verbreding op gebied van ruimtelijke kwaliteit. Sinds de komst van de eerste welstandsnota’s in 2004 is Het Oversticht betrokken bij het opstellen van ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Vanuit de praktijkervaring weten zij als geen ander welke effecten beleidskeuzes hebben op de kwaliteit van de omgeving. Het Oversticht vervult voor de gemeente vanouds de rol als adviseur op bijv. landschappelijke inpassing, monumenten en welstand. Onder de Omgevingswet zal het Oversticht de rol invullen voor de gemeentelijke adviescommissie. Zie verder bij § 6.2.6. 4.4.5 Provincie Overijssel Samen met gemeenten en het Rijk zorgen provincies voor een goede ruimtelijke ordening in Nederland. De provincie bepaalt bijvoorbeeld of steden en dorpen kunnen uitbreiden en waar bedrijventerreinen mogen worden aangelegd. Ook wijst de provincie locaties aan voor wegen, spoorwegen, industriegebieden, agrarische gebieden, natuurgebieden en recreatieve voorzieningen. Dit doen de provincies onder meer in verordeningen en structuurvisies. De manier van werken van de provincie verandert door de Omgevingswet. Onder de Omgevingswet werkt de provincie niet langer aan een goede ruimtelijke ordening, maar aan het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit voor inwoners en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. 4.4.6 Waterschap Drents-Overijsselse Delta De waterschappen zijn actief op het grondgebied van gemeenten en provincie met vergunningen en toezicht. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen waterschappen binnen de fysieke leefomgeving de functionele zorg hebben voor water. Een bestuursorgaan, en dus ook die van een waterschap, wordt geacht zijn taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet uit te oefenen met het oog op de doelen van die wet. Het bestuursorgaan houdt daarbij rekening met de samenhang van relevante onderdelen en aspecten van de fysieke leefomgeving en van de rechtstreeks daarbij betrokken belangen, alsmede met de taken en bevoegdheden van andere bestuursorganen, aldus de wet. Deze taakomschrijving heeft voor het waterschap tot gevolg dat het element ‘water’ nog sterker dan voorheen gezien moet worden als onderdeel van het geheel van de fysieke omgeving . Samenwerking met andere overheden – Rijk, provincies en gemeenten – wordt daarmee nog belangrijker. 5Kaders (VTH-)dienstverlening en serviceformules Als klanten weten waaraan zij moeten voldoen en ook weten wat de gemeente van hen verwacht, dan kunnen veel misverstanden bij voorbaat worden vermeden. Kortom, een goede dienstverlening is zeer belangrijk. Voor de invulling van onze dienstverlening is geprobeerd de uitgangspunten van onze visie op dienstverlening onder de Omgevingswet zoveel mogelijk na te streven waarbij de klantreizen en serviceformules de belangrijke bouwstenen zijn. Voor onze visie op dienstverlening verwijzen wij u naar bijlage A: Visie op (VTH-)dienstverlening onder de Omgevingswet. 5.1Voorlichting Door op het gebied van de gemeentelijke VTH-taken algemene informatie te vermelden op de website(
  3. s)van de gemeente en naar behoefte aanvullende informatie te geven, bijvoorbeeld telefonisch, per mail, op afspraak of met een conceptaanvraag (vooroverleg) voorafgaand aan de vergunningverleningsfase, probeert de gemeente het naleefgedrag te stimuleren en aan haar klanten een passende (digitale) dienstverlening te bieden. Deze dienstverlening maakt het mogelijk voor klanten van de Dalfsense leefomgeving om bijvoorbeeld te controleren of een vergunning/melding nodig is en er zijn verschillende checklists beschikbaar om te kunnen controleren of de aanvraag voor omgevingsvergunning compleet en dus ontvankelijk is. Ook alle beschikbare formulieren en voorlichtingsmateriaal worden op de website van de gemeente aangeboden en het is zelfs mogelijk om vanaf de website een digitale aanvraag of melding in te dienen, eventueel als dat vereist is met gebruikmaking van het landelijke Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO). De gemeente stimuleert initiatiefnemers in eerste instantie zelf het beschikbare voorlichtingsmateriaal op de website(
  4. s)te raadplegen. Als de klant er op basis van het beschikbare voorlichtingsmateriaal op de website of met de hulp van het KlantContactCentrum (KCC) niet uit kan komen, wordt deze verzocht om de specifieke vraag per email te stellen aan gemeente@dalfsen.nl of kan de klant kiezen voor een gesprek op afspraak. De gemeente werkt zoveel mogelijk op afspraak om zo zelf goed voorbereid te zijn als ook de klant de gelegenheid te geven zich goed voor te bereiden. Dit werken op afspraak kan door de klant zelf worden geïnitieerd via de online afsprakenmodule (https://afspraken.dalfsen.
  5. nl)op de website op de daarvoor beschikbare tijdstippen. Gesprekken op afspraak vinden plaats door vakspecialisten die ook de formele aanvragen en handhavingszaken behandelen. Mocht de klant er met de beschikbare voorlichting niet uitkomen dan ziet de gemeente een digitaal overleg (via een Teams- of Zoommeeting) als een kans: een kort gesprek heeft voorkeur boven geschreven correspondentie als dit veel misverstanden in het vervolgtraject kan voorkomen. De gemeente streeft er naar om bij een afspraak de initiatiefnemer een zo goed mogelijke inschatting te geven van de haalbaarheid van het plan. Het proces van verkenning en begeleiding van initiatieven onder de Omgevingswet is afgeleid van het procesmodel van de VNG: “Verkennen en begeleiden initiatief” volgens bijlage B. Dit proces verkent het initiatief, onderzoekt de mogelijkheden, begeleidt het initiatief en maakt keuzes resulterend in een interactief en gedragen ontwerp door initiatiefnemers, overheid en belanghebbenden. Het proces kan eventueel resulteren in een conceptaanvraag. 5.2Nieuwe rollen Omgevingswet 5.2.1Gebiedsverbinders Begin 2021 zijn drie kwartiermakers gestart met het verder verkennen en uitwerken van de rol van gebiedsmanager, of zoals we ze nu noemen: gebiedsverbinders. De kwartiermakers hebben o.a. met veel mensen gesproken en goede inbreng gehad. De kwartiermakers hebben hun bevindingen van het afgelopen jaar onlangs met de Stuurgroep Omgevingswet besproken. Deze gaf ‘groen licht’ om de rol verder uit te diepen. De gebiedsverbinders worden ‘collega’s met voelsprieten en netwerken in het veld’. Zij weten zowel wat er leeft en speelt in de verschillende deelgebieden in de gemeente als in het gemeentehuis. Ook weten ze de juiste onderwerpen en mensen aan elkaar te verbinden. Met als doel: samen Dalfsen nóg mooier maken. De gebiedsverbinders gaan ook een rol spelen bij (onrijpe) initiatieven of ideeën uit de samenleving. Zij denken mee en helpen initiatiefnemers, waar nodig, een stapje verder en dragen het initiatief over aan een collega wanneer de tijd daar rijp voor is. Ze spelen een rol in het meer integraal gebiedsgericht werken via concrete opgaven. Dit past ook bij de nieuwe Omgevingswet. Voor initiatiefnemers die ideeën hebben en daar de gemeente bij nodig hebben kan de gebiedsverbinder een goede eerste ingang zijn. Maar ook voor collega’s die bijvoorbeeld een project initiëren kunnen bij de gebiedsverbinder terecht met vragen over wat er speelt en leeft in een buurt en om mee te denken over bijvoorbeeld de inzet van participatie. Maar ook functioneren de gebiedsverbinders als sparringpartner voor het gemeentebestuur. Op dit moment werken de kwartiermakers een aantal vervolgstappen uit. Ook zijn ze betrokken bij een aantal initiatieven uit de samenleving. Zo doen ze ervaring op in deze nieuwe rol en leren ze welke aandachtpunten er zijn en waar nog verbeteringen mogelijk zijn. Het huidige jaar 2022 wordt ook gebruikt om binnen de gemeentelijke organisatie deze rol goed in te bedden en goede afspraken te maken. Bijvoorbeeld over het samenspel tussen gebiedsverbinders, ruimtecoaches en casemanagers, wijkuitvoerders, beleidsmedewerkers, management, gemeenteraad en bestuur. Uiterlijk 1 juli 2022 worden de gebiedsverbinders aangesteld en daarvoor worden (parttime) vacatures opengesteld. 5.2.2Ruimtecoach De ruimtecoach heeft als taak het begeleiden van complexe initiatieven (die meerdere disciplines raken) in het proces van idee, naar indiening en besluitvorming. 5.2.3Casemanager De casemanager behandelt en beoordeelt de eenvoudige vergunningaanvragen. Daarnaast ondersteunt hij de ruimtecoach bij het behandelen en beoordelen van de complexe vergunningaanvragen. Het betreft hier vooral de technische ondersteuning van het vergunningverleningsproces. 5.3Conceptaanvraag (vooroverleg) Er wordt geadviseerd om een conceptaanvraag (vooroverleg) in te dienen als de kansen van een initiatief vooraf niet goed inschat kunnen worden. Initiatiefnemers of monumenteigenaren die plannen hebben met of bij een beschermd monument wordt altijd geadviseerd om eerst een conceptaanvraag in te dienen. We willen faciliteren dat initiatiefnemers nog meer gebruik gaan maken van een conceptaanvraag (vooroverleg), helemaal in de wetenschap dat over buitenplanse omgevingsplanactiviteiten ook binnen 8 weken een besluit moet worden genomen (in plaats van binnen 26 weken onder de Wabo). Initiatiefnemers die een omgevingsvergunning willen aanvragen voor een bouwwerk waarvan de haalbaarheid met redelijke zekerheid al in het eerste gesprek kunnen worden ingeschat, hoeven niet eerst een conceptaanvraag in te dienen. De gemeente stimuleert initiatiefnemers om een conceptaanvraag en de uiteindelijke aanvraag omgevingsvergunning of melding altijd digitaal via het landelijke Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO) in te dienen. Hierop zijn namelijk de digitale werkprocessen optimaal afgestemd wat ook tijd bespaart voor de klant. 5.4Intaketafel / Omgevingstafel Bij planontwikkeling of een complexe aanvraag biedt de Omgevingswet de mogelijkheid voor een integrale intake en behandeling via de gemeentelijke intaketafel of regionale Omgevingstafel. Dit gebeurt in de huidige praktijk al, maar wordt door de Omgevingswet verder uitgebreid, omdat er samenwerking nodig is over de grenzen heen van gemeenten, provincie, waterschap en Rijk. In dit stadium kan al snel duidelijk worden wat de haalbaarheid is van het plan. Er is sprake van een uniforme en integrale kwaliteit in het gehele proces ook al werken er verschillende afdelingen en organisaties samen. In de regio IJsselland doen 11 gemeenten en 6 ketenpartners mee aan de omgevingstafel. Daar bespreken ze complexe initiatieven vanuit alle relevante invalshoeken. De bevoegde gezagen – meestal een gemeente – kunnen een initiatief op tafel leggen om te bespreken met de ketenpartners (GGD, veiligheidsregio, omgevingsdienst, provincie, Rijkswaterstaat, waterschap). De ketenpartners hebben 2 tot 3 weken de tijd om het voor te bereiden. Dit wordt momenteel gedaan aan de hand van gedeelde Excel documenten in Sharepoint. De omgevingstafel komt elke twee weken bijeen. De gemeente licht het initiatief toe en de ketenpartners kunnen vragen stellen en reageren. Zo krijgt de gemeente een integraal en afgestemd advies voordat ze een besluit neemt over het initiatief. De grootte van het gezelschap kan wisselen. De secretaris van de omgevingstafel stuurt de uitnodigingen. Het bevoegd gezag met het initiatief is in de lead wie er aanwezig moeten zijn. De ervaring is dat de meeste partijen steeds aanwezig zijn, niet per se omdat ze moeten adviseren, maar om te ervaren hoe het eraan toe gaat en om aangehaakt te zijn. 5.5Voorbeeld: informatie- en netwerkbijeenkomst bouwen In 2015 is de gemeente Dalfsen gestart met een informatie- en netwerkbijeenkomst over bouw gerelateerde lokale en landelijke ontwikkelingen. In april 2022 vindt een netwerkbijeenkomst plaats geïnitieerd door lokale bedrijven in samenwerking met de gemeente om de lokale aannemers te informeren over de Wet kwaliteitsborging (Wkb). De bedoeling is dat de gemeente jaarlijks, afhankelijk van de lokale en landelijke ontwikkelingen op het gebied van bouwen, een informatie- en netwerkbijeenkomst gaat organiseren. Tijdens deze bijeenkomst informeert de gemeente over actuele en ruimtelijke ontwikkelingen waar de gemeente mee bezig is of gaat. Ook andere thema’s die op dat moment aan de orde zijn in de bouwwereld worden besproken. Na afloop is er een mogelijkheid om te netwerken en per thema met de gemeente in gesprek te gaan. 6Kaders vergunningverlening 6.1Inleiding De afspraken die Dalfsen hanteert bij het toetsen van vergunningaanvragen en meldingen, over prioritering en diepgang van de te toetsen onderdelen van iedere aanvraag/melding staan in dit hoofdstuk. De Omgevingswet biedt de mogelijkheid om procedures inzichtelijker te maken en de doorlooptijd te verkorten. Voor de meeste complexere vergunningen gaat de doorlooptijd van 26 naar 8 weken. De Omgevingswet vraagt een andere manier van werken: integraal, in samenhang en met afstemming; van: nee, tenzij, naar: ja, mits. Participatie is een belangrijk onderdeel in het vergunningenproces. Het vergunningenproces onder de Omgevingswet hebben wij voornamelijk gebaseerd op de serviceformules: de snelserviceformule en de ontwerpformule. 1. De snelserviceformule. De snelserviceformule zorgt ervoor dat inwoners bij eenvoudige verbouwingen in en om het huis binnen een kwartier weten of er gebouwd mag worden met of zonder vergunning. Als er een vergunning nodig is, gaat de aanvraag simpel en snel en wordt de vergunning binnen maximaal vijf werkdagen afgehandeld. De snelserviceformule en de achterliggende processtappen hebben wij nader uitgewerkt in een swimlanediagram, zie bijlage C - Swimlanediagram Snelserviceformule (versie 9 oktober 2020). 2. De ontwerpformule. Dankzij de ontwerpformule kunnen initiatiefnemers terecht bij de gemeente als één loket voor alle services. De overheid denkt mee in een nieuw integraal voortraject met participatie. Daarna ontvangt de initiatiefnemer binnen acht weken een omgevingsvergunning. De ontwerpformule en de achterliggende processtappen hebben wij nader uitgewerkt in een swimlanediagram, zie bijlage D - Swimlanediagram Ontwerpformule (versie 24 september 2020). Uitgangspunten Het vergunningenproces onder de Omgevingswet sluit zoveel mogelijk aan bij de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en is afgeleid van het procesmodel van de VNG: “Behandelen vergunningaanvraag” volgens bijlage E. Afwijkende bepalingen uit de oude wetgeving heeft de wetgever zoveel mogelijk geschrapt. De Omgevingswet laat bestuursorganen zoveel mogelijk vrij om het proces van vergunningverlening, participatie en inspraak zelf in te richten. Als indieningsvereiste van een aanvraag omgevingsvergunning moet ook aangegeven worden of er geparticipeerd is of niet. De onlosmakelijkheid van andere vergunningen of meldingen vervalt (wel geldt er een verplichte attendering) en er wordt niet meer van rechtswege vergund. Vergunningplichtige- of meldingplichtige activiteiten zijn aangewezen in het omgevingsplan. Reguliere en uitgebreide voorbereidingsprocedure De Algemene wet bestuursrecht (Awb) kent 2 voorbereidingsprocedures: de reguliere voorbereidingsprocedure (titel 4.1, Awb) de uitgebreide voorbereidingsprocedure (uniforme openbare voorbereidingsprocedure, afdeling 3.4, Awb) Reguliere procedure is uitgangspunt De reguliere procedure is het uitgangspunt in de Omgevingswet. De beslistermijn voor de reguliere procedure is 8 weken. Daarna is er nog bezwaar en beroep mogelijk. Gemeenten kunnen gemotiveerd de beslistermijn nog eenmalig verlengen met 6 weken (artikel 16.64, lid 2, Omgevingswet). Uitgebreide procedure is uitzondering Uitzonderingen op het toepassen van de reguliere procedure staan op diverse plaatsen in de Omgevingswet en in artikel 10.24 van het Omgevingsbesluit (Ob). In die gevallen wordt de uitgebreide procedure toegepast. Binnen 6 maanden moet dan beslist worden op een aanvraag. Tijdens de uitgebreide procedure wordt in eerste instantie naar een ontwerpbesluit toegewerkt waarover zienswijzen openstaan. Nadat het definitieve besluit is genomen, is er nog beroep bij de rechtbank mogelijk. Er zijn 2 gevallen waarin de Omgevingswet bepaalt dat de uitgebreide procedure van toepassing is: In bepaalde gevallen bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (artikel 16.65, lid 4, Omgevingswet); en De aanvrager heeft verzocht om of ingestemd met het toepassen van de uitgebreide procedure (artikel 16.65, lid 1, onder a, Omgevingswet). 6.2Kaders beoordeling aanvragen en meldingen 6.2.1Omgevingsplanactiviteit (OPA) Bij binnenkomst van een aanvraag (inclusief een conceptaanvraag) of melding toetst onze medewerker (casemanager of ruimtecoach) deze aan ons omgevingsplan. De vergunningplichtige- en meldingsplichtige activiteiten zijn vastgelegd in het omgevingsplan. Er zijn twee soorten omgevingsplanactiviteiten namelijk een binnenplanse- en buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Een binnenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit die voldoet aan de regels in het omgevingsplan (bijlage onderdeel A, Omgevingswet) en waar een vergunning voor nodig is. Dit met uitzondering van de activiteiten die staan in artikel 2.15f van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl) en zo vergunningvrij zijn. Er zijn ook buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Dat is het geval als een activiteit in strijd is met het omgevingsplan. Wij kunnen een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit alleen verlenen, als wordt voldaan aan de beoordelingsregels zoals opgenomen in het omgevingsplan en zoals genoemd in artikel 8.0a van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In de bruidsschat voor het omgevingsplan staan al beoordelingsregels voor diverse activiteiten. Als de aanvraag niet voldoet aan de decentrale beoordelingsregels, wordt het vanzelf een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 6.2.2Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan en niet vergunningvrij voor het bouwen is. Er zijn twee varianten: een activiteit waarvoor het omgevingsplan bepaalt dat een vergunning nodig is, maar het volgens de beoordelingsregels niet mogelijk is de vergunning te verlenen; een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan. Als een aanvraag niet past binnen de beoordelingsregels van het omgevingsplan, dan wordt deze aanvraag door de casemanager ingepland voor een integraal intern Omgevingsoverleg (het voormalige Wabo-overleg) waarvoor een vaste overlegstructuur en format van toepassing is. Tijdens dit Omgevingsoverleg, waarbij naast de behandelende casemanager ook een juridisch adviseur en ruimtecoach (beleidsmedewerker Ruimtelijke Ordening) aanwezig zijn, worden de geconstateerde afwijkingen besproken en beoordeeld of procedureel (juridisch) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet (Ow)). De conclusie wordt digitaal vastgelegd en toegevoegd aan het dossier van de aanvraag. Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de beoordelingsregels uit het Bkl. Zo mogen wij een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 2, Bkl). Daarnaast gelden de volgende beoordelingsregels uit de artikelen 8.0b en 8.0e van het Bkl: de instructieregels voor het omgevingsplan uit hoofdstuk 5 van het Bkl; de instructieregels van de provincie voor het omgevingsplan; eventuele instructiebesluiten van Rijk en provincie; de regels die gelden voor het stellen van maatwerkregels, als het gaat om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een maatwerkregel. Een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit moeten wij weigeren in de volgende gevallen: Er is strijd met de hierboven genoemde beoordelingsregels. Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning niet verlenen, met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit strijd met de omgevingsvisie, programma’s of ander relevant gemeentelijk beleid. De omgevingsplanactiviteit heeft betrekking op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan. De omgevingsplanactiviteit belemmert het uitvoeren van een project, waarvoor een projectbesluit is vastgesteld. Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit moet worden geweigerd als dit door een projectbesluit van provincie of rijk is bepaald. Voor het toelaten van de gewenste ontwikkeling moet de gemeente algemene regels voor andere locaties in het omgevingsplan wijzigen. Denk bijvoorbeeld aan het herverdelen van gebruiksruimte of het schrappen van bestaande gebruiksmogelijkheden. Dit kan alleen met een wijziging van het omgevingsplan. De vergunning is dan technisch niet vergunbaar. Voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten van provinciaal of nationaal belang gelden speciale beoordelingsregels (artikelen 9.0c en 9.0d, Bkl). 6.2.3Advies bestuursorganen bij een omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit Er zijn diverse gevallen waarin wij advies van een ander bestuursorgaan moeten vragen voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Soms is ook instemming nodig. Ook kan de gemeenteraad zichzelf als adviseur aanwijzen voor omgevingsvergunningen voor bepaalde gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Hiervoor is in 2022 het beleidsplan Adviesrecht voor de raad door de gemeenteraad vastgesteld. Het college is (als zij niet zelf bevoegd gezag
  6. is)adviseur voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Daarnaast is instemming van het college nodig, behalve als het gaat om omgevingsplanactiviteiten van provinciaal of nationaal belang of die verband houden met een vergunningvoorschrift voor een milieubelastende activiteit van een complex bedrijf (artikelen 4.20 en 4.23 van het Omgevingsbesluit). 6.2.4Aanpassen omgevingsplan Normaal gesproken moet de gemeente uiterlijk 5 jaar na een onherroepelijke omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit het omgevingsplan aanpassen (artikel 4.17, Omgevingswet). Maar dit is nog niet direct na in werking treden van de Omgevingswet zo. De verwachting is dat dit pas vanaf eind 2029 van toepassing is (artikel 22.5, lid 2, Omgevingswet). Deze verplichting geldt (straks) alleen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit die: bestaat uit het in stand houden van een bouwwerk; niet overeenstemt met een functie van een locatie. Verder moet de activiteit een blijvend karakter hebben. Het geldt dus niet voor tijdelijke activiteiten, zoals het kappen van een boom. Als blijkt dat het aanpassen van het omgevingsplan uiteindelijk niet mogelijk is, moet de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit gewijzigd of ingetrokken worden. Bijvoorbeeld omdat een instructieregeling dit niet mogelijk maakt. Deze regeling staat in artikel 8.97a van het Bkl. 6.2.5Omgevingsplanactiviteit (bouwen) en redelijke eisen van welstand Bestaande en nieuwe bouwwerken moeten voldoen aan redelijke eisen van welstand. In het tijdelijke deel van het omgevingsplan (omgevingsplan van rechtswege) blijven de huidige welstandsregels uit de welstandsnota van toepassing. Specifiek voor de welstandsnota geldt overgangsrecht. Dit staat in artikel 4.114, lid 1 van de Invoeringswet Omgevingswet. Nadat de Omgevingswet in werking is getreden, is de welstandsnota een beleidsregel, als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. In het nieuwe deel van het omgevingsplan moet opnieuw een afweging worden gemaakt welke regels wenselijk zijn en opgenomen moeten worden in het omgevingsplan. In de welstandsnota van de gemeente Dalfsen is bepaald hoe de bebouwing er uit moet zien en hoe deze passend is in haar omgeving. Alle aanvragen met een omgevingsplanactiviteit (bouwen) worden ambtelijk of een door de gemeente benoemde stadsbouwmeester van Het Oversticht in Zwolle aan het geldende welstandsbeleid van de welstandnota getoetst. De welstandnota bestaat uit 5 landelijke deelgebieden en de kernen zijn opgedeeld in 7 deelgebieden. Ieder gebied heeft een eigen karakter d.m.v. welstandscriteria gekoppeld aan beschrijvingen en waarderingen (ambitieniveaus). Er gelden twee ambitieniveaus, basis en hoog. Een basis ambitieniveau geldt voor die gebieden waar meer (ontwikkelings)mogelijkheden zijn. Daar waar die mogelijkheden beperkter zijn vanwege hoge ruimtelijke kwaliteit, geldt het ambitieniveau ‘hoog’. De ambitieniveaus zijn vertaald in de criteria, waarbij telkens naar de kenmerken van het specifieke gebied wordt gekeken. De stadsbouwmeester van Het Oversticht Zwolle heeft, elke twee weken, een digitaal spreekuur (Teams-meeting) om bouwinitiatieven in relatie tot het welstandsbeleid te bespreken met klanten en de gemeente. Op verzoek van de initiatiefnemer kan ook fysiek worden overlegd. Vooroverleg in een vroeg stadium van planontwikkeling werkt beter dan toetsing achteraf. Daarom wordt een vooroverleg door de gemeente gestimuleerd en is er een mogelijkheid om een conceptaanvraag (vooroverleg) in te dienen. De door de gemeenteraad op 3 maart 2014 vastgestelde welstandsnota gemeente Dalfsen 2014 voorziet in ‘sneltoetscriteria’ die ambtelijk door de casemanagers of ruimtecoaches afgehandeld kunnen worden. Het betreffen hier criteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken. Door de manier waarop deze criteria zijn geformuleerd en de (geringe) omvang van de bouwwerken waarvoor ze gelden, is het mogelijk dat aanvragen omgevingsvergunning voor deze bouwwerken niet ter beoordeling voorgelegd hoeven worden aan de welstandscommissie of de stadsbouwmeester of zelfs vergunningvrij zijn. Dit leidt tot minder kosten voor de klant en snellere afhandeling van vergunningaanvragen. Daarnaast voorzien de ‘Algemene criteria’ in gebouwen of bouwwerken die niet passen in de criteria behorend bij de verschillende deelgebieden, maar die desondanks niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Op deze manier kan altijd ‘meebewogen’ worden met nieuwe ontwikkelingen. Onder de Omgevingswet loopt het welstandstoezicht via het omgevingsplan. In het omgevingsplan kunnen regels worden opgenomen over het uiterlijk van bouwwerken. Beleidsregels voor welstand zijn bijvoorbeeld de welstandsnota en/of een beeldkwaliteitsplan. Als deze regels uitleg nodig hebben, moet de gemeenteraad beleidsregels vaststellen voor de beoordeling of een bouwwerk aan de regels voldoet. Dit staat in artikel 4.19 van de Omgevingswet. In het nieuwe deel van het omgevingsplan moet worden bepaald voor welke gebieden en welke bouwactiviteiten deze beleidsregels van toepassing zijn. Zo kunnen bepaalde gebieden en bouwwerken welstandsvrij zijn. Ook kunnen voor nieuwe ontwikkelingen bijvoorbeeld specifieke welstandsregels gelden die zijn opgenomen in een beeldkwaliteitsplan. 6.2.6Advisering omgevingskwaliteit en gemeentelijke adviescommissie Het instellen van een gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit is verplicht onder de Omgevingswet (artikel 16.15a en 17.9 Omgevingswet). Deze adviescommissie heeft in ieder geval de taak te adviseren bij aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit (artikel 16.15 a onder c1 Omgevingswet) en moet daarbij minimaal voorzien in de disciplines cultuurhistorie, bouw- en architectuurhistorie, restauratie, landschap en stedenbouw. De invulling van de gemeentelijke adviescommissie is vormvrij. Gemeenten zijn zelf aan zet om de gemeentelijke adviescommissie in te stellen en de leden hiervan te benoemen. In Dalfsen zijn medewerkers en bestuur positief over het huidige adviesstelsel en de uitvoering daarvan door Het Oversticht. Door de gemeenteraad is in 2022 besloten om het huidige adviesstelsel zoveel mogelijk te continueren onder de Omgevingswet en daarbij te voldoen aan de wettelijke plicht tot instelling van de gemeentelijke adviescommissie. Het Oversticht blijft daarbij onze partner voor omgevingsadvisering en huidige leden van de monumentencommissie kunnen benoemd worden tot leden van de gemeentelijke adviescommissie. De gemeentelijke adviescommissie adviseert ons op het gebied van zowel de rijks- als de gemeentelijke monumenten. Daarnaast wordt apart een ervenconsulent en een stadsbouwmeester benoemd voor zelfstandige advisering op omgevingskwaliteit voor eenvoudige initiatieven die zonodig aan kunnen schuiven bij de gemeentelijke adviescommissie voor beleidsontwikkelingen of complexe initiatieven waarbij integrale advisering gewenst is. Het is goed om op termijn de discussie te voeren over een brede adviserende rol van de gemeentelijke adviescommissie door te kiezen voor een variant waarbij alle huidige adviesdisciplines worden geïntegreerd in de gemeentelijke adviescommissie om afstemming te waarborgen en tot een integrale advisering te komen. Dit betekent dat er geen aparte stadsbouwmeester of ervenconsulent meer wordt aangesteld, maar dat deze adviseurs onderdeel uitmaken van de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit. De vraag wie de verantwoordelijkheid draagt voor de omgevingskwaliteit (initiatiefnemer of maatschappij of blijft de gemeente toch meer de regie bepalen) kan hier aan bijdragen. 6.2.7Bouwactiviteit (technisch), Wet kwaliteitsborging en Bbl De Wet kwaliteitsborging voor het bouwen verplaatst de toetsing aan de bouwtechnische eisen van een bouwwerk van de gemeente naar een onafhankelijke partij, de zogenoemde kwaliteitsborger. Dit geldt niet direct voor alle bouwwerken, maar gaat in fases. Het processchema bouwen onder de Omgevingswet en Wet kwaliteitsborging is aangeduid volgens bijlage F – Schema Bouwen onder de Omgevingswet en Kwaliteitsborging. De Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) heeft als doel de bouwkwaliteit te verbeteren. De toets vooraf op bouwplannen wordt vervangen door de toets in de praktijk. Dit gebeurt op de bouwplaats zelf, tijdens het bouwproces. Deze toets in de praktijk wordt (in eerste instantie voor bouwwerken in gevolgklasse 1) door onafhankelijke kwaliteitsborgers uitgevoerd. Daarnaast wordt de aansprakelijkheid van de bouwer vergroot voor bouwfouten. DISCLAIMER: De regelgeving rond het stelsel van kwaliteitsborging staat op besluit- en regelingniveau nog niet vast. De informatie die hier staat is dan ook voorbereidend bedoeld en kan nog wijzigen. Vanaf het moment van invoering van de Wkb gelden de nieuwe regels voor kwaliteitsborging voor vergunningen die vanaf dat moment worden aangevraagd. Voor vergunningen die al zijn aangevraagd, blijft het huidige stelsel gelden. Ook voor lopende bezwaar- en beroepsprocedures geldt de Wkb niet. Voor eventuele proefprojecten voor invoering kan al wel gewerkt worden volgens het systeem van de Wkb. In het nieuwe stelsel ontstaan er 3 categorieën van bouwactiviteiten: Vergunningplichtige bouwwerken; Meldingsplichtige bouwwerken; en Vergunning- en meldingsvrije bouwwerken. In alle gevallen moet aan de (technische) regels uit het Bbl voldaan worden. Vergunningplichtige bouwwerken Vooral grote of ingewikkelde technische bouwactiviteiten (gevolgklasse 2 en 3) zijn vergunningplichtig. In dat geval gelden beoordelingsregels, aanvraagvereisten en informatieplichten. Artikel 5.1 lid 2 van de Omgevingswet legt de basis voor de vergunningplicht voor de technische bouwactiviteit. In het Ontwerpbesluit kwaliteitsborging voor het bouwen staan 2 categorieën vergunningplichtige bouwactiviteiten, namelijk een bouwwerk zonder een dak (artikel 2.15da, Bbl) en een gebouw of ander bouwwerk met een dak (artikel 2.15d, Bbl). In afdeling 8.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan de beoordelingsregels voor de omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit. Die gaan alleen over de technische en niet over de ruimtelijke aspecten van het bouwen van een bouwwerk. De technische bouwactiviteit moet voldoen aan: de regels voor bestaande bouw die in hoofdstuk 3 van het Bbl staan; de regels voor nieuwbouw die in hoofdstuk 4 van het Bbl staan; de regels over verbouw, verplaatsing en wijziging van een gebruiksfunctie van een bouwwerk die in hoofdstuk 5 van het Bbl staan; de regels over bouw- en sloopwerkzaamheden die in afdeling 7.1 van het Bbl staan; maatwerkregels over de bouwtechnische aspecten die in het omgevingsplan staan. Bij de beoordeling wordt uitgegaan van de regels uit het Bbl zoals die gelden op het moment dat de aanvraag wordt ingediend (artikel 7a.3 Bbl). In paragraaf 7.2.2 van de Omgevingsregeling (Or) staan de aanvraagvereisten voor technische bouwactiviteiten. Deze informatie staat ook in het landelijke Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO). Dit zijn bijvoorbeeld een bouwtekening en een sterkteberekening. Alleen in uitzonderlijke gevallen mogen gemeenten meer gegevens vragen. Dit moet dan gemotiveerd worden. Voor het uitvoeren van een vergunningplichtige technische bouwactiviteit gelden informatieplichten (artikel 7.7 en 7.8 Bbl). Deze informatieplichten bestaan uit het tijdig melden van het begin en de beëindiging van de bouwwerkzaamheden en het aanwezig zijn van bepaalde informatie zoals de bij de bouw geconstateerde afwijkingen van de voorschriften en het vooraf goedgekeurde borgingsplan. De wijze waarop deze informatie vorm krijgt moet in de verschillende instrumenten voor kwaliteitsborging worden vastgelegd. Deze informatieplicht is gericht op afwijkingen die het uiteindelijke gebruik in de weg staan (omdat de kwaliteitsborger geen verklaring kan afgeven indien de afwijkingen niet worden hersteld). Deze informatie geeft de genoemde partijen de mogelijkheid om in onderling overleg de onvolkomenheden tijdig op te lossen en zo nodig herstelwerkzaamheden uit te voeren. De gemeente krijgt hiermee informatie die zij kan gebruiken bij de afweging of tot handhaving moet worden overgaan. De huidige Bouwbesluit-toetsingslijsten moeten nog worden omgezet naar Bbl-toetsingslijsten. Momenteel wordt er vanuit Vereniging Bouw- en Woningtoezicht (BWT) nog gewerkt aan het geheel actualiseren van de toetsingslijsten die daarbij ook geheel aangepast worden aan het Bbl en de Omgevingswet. Deze toetsingslijsten kunnen vervolgens een op een worden gebruikt door de gemeenten, tot die tijd maken we gebruik van onze huidige toetsingslijsten. Volgens de algemene speerpunten van de raad, met aanvullende ervaringen van de casemanagers en toezichthouders, zijn de onderdelen; “veiligheid” (trap, vloerafscheiding en hellingbaan), “energiezuinigheid” (thermische isolatie en energieprestatie) en “bruikbaarheid” (verblijfsgebied en verblijfsruimte) de afgelopen jaren intensiever gewaardeerd. Op enkele onderdelen van de hoofdstukken: “gezondheid” (o.a. wering van vocht, toe- en afvoer verbrandingslucht en het weren van ratten & muizen) en “bruikbaarheid” (opstelplaats stooktoestel) is een marginale toetsing afgesproken aan de hand van de positieve praktijkervaring van de toezichthouders op deze onderdelen. Tevens zijn de kolommen “toezicht” en “controle” toegevoegd aan de huidige-toetsingslijsten die, na de vergunningverlening, als controlelijsten door de toezichthouders gebruikt worden. Daarbij worden de kolommen, opmerkingen, voorwaarden en bij bestaande bouw de benodigde ontheffingen door de vergunningverlener vastgelegd, zodat deze bijzonderheden ook na de besluitvorming voor de toezichthouder inzichtelijk zijn en expliciet gecontroleerd kunnen worden. De toetsing van de constructiegegevens, die uiterlijk drie weken voor aanvang van de bouwwerkzaamheden ingediend moeten worden, wordt op hoofdlijnen uitgevoerd. Dit wordt steekproefsgewijs en bij complexe bouwwerken volledig nagerekend door externe constructeurs voordat de gemeente deze goedkeurt. Meldingsplichtige bouwwerken Bij meldingsplichtige bouwactiviteiten (in gevolgklasse 1) is er geen preventieve toets meer met een vergunning. Ze worden onder het stelsel kwaliteitsborging gecontroleerd door een kwaliteitsborger. Via de bouw- en gereedmelding is geregeld wanneer en hoe wij als bevoegd gezag zijn betrokken. Voordat een melding kan worden ingediend moet eerst een omgevingsplanactiviteit (bouwen) zijn verleend, tenzij deze op basis van het omgevingsplan vergunningvrij blijkt te zijn. Deze melding kan worden ingediend via het landelijk Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Bij binnenkomst van de melding uiterlijk 4 weken voor de start van de bouw beoordelen wij of deze compleet is en of er sprake is van omgevingsrisico’s en/of specifieke lokale risico's. In de bouwmelding moet staan wie de kwaliteitsborger is en welk instrument wordt toegepast. Ook moet een borgingsplan worden aangeleverd. Daarom zal het in de praktijk noodzakelijk zijn om ruim voor die tijd een kwaliteitsborger in te schakelen. Deze kan dan het bouwplan beoordelen en een risicobeoordeling en borgingsplan vaststellen. Is de melding onvolledig, dan moet de bouwmelding worden aangevuld. Er geldt dan een nieuwe termijn van 4 weken voordat de bouw kan starten. Een bouwmelding wordt niet gepubliceerd. Tijdens de bouw voert de kwaliteitsborger het borgingsplan uit en ziet hij toe op het bouwplan. Bij strijdigheden informeert de kwaliteitsborger de aannemer en de opdrachtgever. Ontstaan problemen die niet meer kunnen worden opgelost, dan moet de kwaliteitsborger ook ons als gemeente informeren. Wij kunnen dan besluiten om de bouw stil te leggen totdat het probleem alsnog is opgelost, overgaan tot herstelsancties of de ingebruikname van het bouwwerk verbieden. Na oplevering van de bouw (en voor ingebruikname van het bouwwerk) moet een gereedmelding samen met een dossier bevoegd gezag bij ons worden ingediend. Dit moet ten minste 2 weken voor het in gebruik nemen van het bouwwerk. Dit is om te kunnen controleren dat de kwaliteitsborging is uitgevoerd volgens de regels. En dat het bouwwerk naar het oordeel van de kwaliteitsborger voldoet aan de bouwtechnische regels van het Bbl. Bij een onvolledige gereedmelding wordt de indiener hierover geïnformeerd. Het bouwwerk kan dan nog niet in gebruik worden genomen. Dat kan pas 2 weken nadat alle informatie die hoort bij de gereedmelding bij ons is ingediend. Is voldaan aan de voorschriften die zijn gesteld aan de verklaring van de kwaliteitsborger en aan de overige gegevens en stukken, dan mag het bouwwerk 10 werkdagen na indiening van de gereedmelding in gebruik worden genomen. Vergunning- en meldingsvrije bouwwerken In artikel 2.15db van het Bbl zijn de vergunningvrije en meldingsvrije gevallen voor de bouwactiviteit opgenomen. 6.2.8Meldingen sloop en asbestverwijdering De gemeente heeft de taak risico's die kunnen ontstaan bij de sloop van bouwwerken en asbestverwijdering beheersbaar te houden. Bij meldingsplichtige sloopactiviteiten moet wij uiterlijk 2 dagen voor aanvang en 1 dag na afronding van de werkzaamheden worden geïnformeerd. Tijdens de sloop moet bepaalde informatie aanwezig zijn. De beoordeling en afhandeling van sloopmeldingen (met asbest) wordt sinds 2018 door de Omgevingsdienst gedaan. 6.2.9Bouwleges Wij brengen leges in rekening voor de behandeling van aanvragen voor omgevingsvergunningen waarin sprake is van vergunningsplichtige activiteiten zoals binnenplanse- of buitenplanse omgevingsplanactiviteiten, technische bouwactiviteiten met gevolgklasse 2 of 3 en activiteiten die ook volgens onze Algemene Plaatselijke Verordening, bijzondere wetten en Alcoholwet legesplichtig zijn. De hoogte van de leges en de berekening ervan is geregeld in de legesverordening van de gemeente. Deze wordt jaarlijks opnieuw vastgesteld. Tegen de hoogte en manier van totstandkoming van de opgelegde leges kan bezwaar gemaakt worden. De beoogde datum van inwerkingtreding van de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) is 1 oktober 2022 of 1 januari 2023. Dit betekent dat mogelijk tijdens het jaar, en niet zoals gebruikelijk op 1 januari, het legesregime zal veranderen. Dit is mogelijk met een (gewijzigde) legesverordening die op een willekeurige datum in het jaar in werking kan treden. De gemeente neemt in principe de door de aanvrager opgegeven bouwsom voor het (ver)bouwen van een bouwwerk als basis voor de legesberekening als deze opgave van de bouwkosten niet meer dan 10% afwijkt t.o.v. de kengetallen op basis van de marktprijzen zoals opgenomen in de ROEB-lijst. Zie bijlage G voor het processchema die door de gemeente wordt toegepast voor de berekening van de bouwleges. De ROEB-lijst wordt doorgaans jaarlijks bijgewerkt en opnieuw vastgesteld samen met de legesverordening. Alleen bij afwijkingen van meer dan 10 %, zal de gemeente aan de hand van de marktconforme prijzen zoals opgenomen in de ROEB-lijst zelf de bouwkosten berekenen/vaststellen en de aanvrager hiervan op de hoogte brengen. De legesheffing zal dan ambtshalve op deze berekening worden gebaseerd. Impact van de Omgevingswet enWkb De impact op de bedrijfsvoering en op de financiën van de gemeente door de stelselwijziging Omgevingswet en door de Wkb is ontstaan door een aantal operationele wijzigingen van rechtswege, en een aantal gemeentelijke beleids- en inrichtingskeuzes. Daardoor wordt het opstellen van de gemeentelijke legesverordening veel meer beïnvloed door de lokale situatie en de lokale uitwerking, bijvoorbeeld over welke activiteiten in het omgevingsplan als vergunningplichtig worden aangemerkt. De financiële effecten voor de organisatie kunnen dan ook niet precies vanuit een (model) legesverordening worden beredeneerd. Momenteel wordt samen met een extern adviesbureau bekeken wat de impact van de Omgevingswet en Wkb is op onze legesverordening. Als vergunningen op de nominatie staan om te worden geweigerd, dan neemt de gemeente contact op met de aanvrager. De aanvrager wordt in dat geval geadviseerd de aanvraag in te trekken. Hierdoor bespaart de aanvrager op de leges, maar ziet hij ook af van de mogelijkheid bezwaar in te dienen tegen het eventuele weigeringsbesluit. 6.2.10Brandveiligheid en gebruik Alle aanvragen met een omgevingsplanactiviteit (bouwen) of een technische bouwactiviteit bouwactiviteit die niet binnen het overeengekomen basistakenpakket van de Veiligheidsregio IJsselland vallen, worden door de gemeente zelf getoetst op eventuele brandveiligheidsaspecten. Onder de Omgevingswet is er voor de activiteit brandveilig gebruik van een bouwwerk alleen nog een meldingsplicht. In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) komt het brandveilig gebruik van een bouwwerk alleen voor als meldingsplichtige activiteit. De bestaande vergunningplichtige activiteit (Wabo, artikel 2.1, lid 1, onder
  7. d)vervalt hiermee. Daarbij vervalt ook de mogelijkheid af te wijken van het aantal personen waarbij een vergunningplicht voor brandveilig gebruik geldt. Hier is geen overgangsrecht voor. In plaats daarvan kan met een maatwerkregel afgeweken worden van het aantal personen vanaf wanneer gemeld moet worden. Een nog niet afgehandelde melding 'brandveilig gebruik' onder het oude regime (Bouwbesluit 2012) wordt beschouwd als een melding op grond van het Bbl en wordt dus ook zo afgehandeld. Het overgangsrecht uit artikel 8.1.1 van het Invoeringsbesluit bepaalt dat. Alleen de complexe aanvragen voor omgevingsvergunning met een technische bouwactiviteit, die deel uit maken van het basistakenpakket, worden altijd ter advies aan de Veiligheidsregio IJsselland voorgelegd. Het advies van de Veiligheidsregio wordt over het algemeen in zijn geheel overgenomen. De Veiligheidsregio blijft een oproepbare adviesfunctie houden en voor de gemeente een vraagbaak, met name voor de complexe initiatieven. Daarbij wordt er vanuit de gemeente, voor een dag in de week, een flexwerkplek beschikbaar gesteld vanuit de eenheid Publiekdienstverlening aan de Veiligheidsregio IJsselland. De interne aanwezigheid van de Veiligheidsregio IJsselland komt de samenwerking met betrekking tot de brandveiligheid ten goede en maakt de afstemming toegankelijker. 6.3Kaders toetsing milieuactiviteiten Een milieubelastende activiteit is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wijst de milieubelastende activiteiten aan, waarvoor rijksregels gelden. Onder de Omgevingswet verdwijnt het begrip 'inrichting' uit de Wet milieubeheer (Wm). Het wordt vervangen door een regulering per milieubelastende activiteit. De veranderingen in de regels voor milieubelastende activiteiten zijn met name veranderingen in de systematiek. Inhoudelijk gezien zijn er weinig veranderingen. In verreweg de meeste gevallen zal een bedrijf door invoering van de Omgevingswet geen andere voorschriften krijgen. Niet elke milieubelastende activiteit uit het Activiteitenbesluit komt terug in het Besluit activiteiten leefomgeving. Een deel van de milieubelastende activiteiten uit het Activiteitenbesluit komen in het omgevingsplan van de gemeente te staan. De bruidsschat bevat regels die automatisch deel gaan uitmaken van het omgevingsplan. Het gaat om milieubelastende activiteiten die niet terugkeren in het Bal en milieuaspecten die beter lokaal kunnen worden geregeld. Andere veranderingen: De eventuele vergunningplicht geldt in de meeste gevallen alleen voor een deel van de milieubelastende activiteit. De beoordelingsregels zijn grotendeels gelijk aan de uit de Wabo bekende regels. De omgevingsvergunning beperkte milieutoets uit de Wabo (OBM) keert niet terug in de Omgevingswet, maar kan terugkomen als een 'gewone' omgevingsvergunning. Bedrijven hoeven minder gegevens aan te leveren bij een melding. 6.4Kaders toetsing vergunningaanvragen APV en bijzondere wetten In de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) staan de gemeentelijke regels op het gebied van openbare orde en veiligheid. Die gelden ook voor horecabedrijven. Regels over openbare orde en veiligheid staan niet in het omgevingsplan. In artikel 2.1 van de Omgevingswet staat de begrenzing van regels over de fysieke leefomgeving. Openbare orde maakt daar geen onderdeel van uit. Indirect kunnen regels voor de fysieke leefomgeving wel een effect hebben op de openbare orde. Maar ze zijn niet met dit doel opgesteld. Een voorbeeld is een rookverbod rond een horecazaak. Doel is gezondheidsschade en overlast voor omwonenden te voorkomen, maar ook bijvoorbeeld samenscholingen. De resterende regels die over de fysieke leefomgeving gaan horen thuis in het omgevingsplan. Zo horen bijvoorbeeld regels over standplaatsvergunningen thuis in het omgevingsplan. Gedurende de overgangsfase (tot 2030) kunnen gemeenten regels uit de APV die gaan over de fysieke leefomgeving, overbrengen naar het omgevingsplan. Gemeenten kunnen daarbij andere keuzes maken dan nu in de APV zijn vastgelegd (bijvoorbeeld een vergunningplicht vervangen door een algemene regel). De overige activiteiten die vergunningplichtig zijn onder de APV inclusief de bijzondere wetten en dat blijven na invoering van de Omgevingswet, worden hieronder beschreven. 6.4.1Evenementenvergunning De gemeente onderscheidt drie categorieën evenementen namelijk A, B en C-evenementen. De A-evenementen zijn alleen meldingsplichting: deze meldingen worden door de gemeente getoetst op eventuele vergunningplichtige elementen daarin. De melder ontvangt altijd bericht van de acceptatie van de melding met daarbij eventuele aanvullende voorschriften/aandachtspunten bij het organiseren van het evenement. De B-evenementen zijn vergunningplichtig en worden standaard getoetst op compleetheid, overlastbeperkende maatregelen en veiligheid. Worden er constructies zoals tribunes of tenten bij het evenement gebruikt, dan wordt standaard een advies gevraagd aan de toezichthouders en/of buitendienst van de gemeente en wordt de aanvraag indien nodig afgestemd met de veiligheidsregio en de politie. Bij nieuwe evenementen en wanneer een organisator nog niet bekend is bij de gemeente als evenementenorganisator, wordt altijd een afspraak voor een vooroverleg gemaakt. Als het mogelijk is wordt een vooroverleg geïnitieerd nog voordat de vergunningaanvraag formeel is ingediend. Op het moment dat er een jaarlijks terugkerend evenement is en er zijn geen wijzigingen, dan kan in overleg met de organisator besloten worden om geen vooroverleg te organiseren. Bij categorie C-evenementen wordt altijd een vooroverleg georganiseerd met de organisator om alle aspecten van het evenement met elkaar door te nemen. Deze categorie aanvragen wordt ook standaard besproken in een overleg met de politie, brandweer en de gemeente. Worden er constructies zoals tribunes of tenten bij het evenement gebruikt, dan wordt standaard een advies gevraagd aan de toezichthouders en/of de buitendienst van de gemeente. Veruit de meeste evenementen in Dalfsen zijn B of B+ evenementen. In Dalfsen komen zelden grootschalige categorie C-evenementen voor. Liveevents In 2021 is een werkbezoek aan de Veiligheidsregio IJsselland georganiseerd voor het systeem ‘LIVEEVENTS’. LIVEEVENTS is een online platform dat het proces van risicoclassificatie tot en met de operationele voorbereiding op een evenement ondersteunt, waardoor het proces voor iedere betrokkene inzichtelijker en eenvoudiger verloopt. Naast een handig hulpmiddel voor het invullen van de risicoscan en het aanvragen van advies, is het ook een digitaal platform met informatie over de geplande evenementen voor zowel de gemeenten als voor de hulpdiensten. Voor 2022 is het besluit genomen om te starten met LIVEEVENTS. 6.4.2Alcoholvergunning De Alcoholwet vereist dat ieder bedrijf of organisatie die alcoholhoudende dranken schenkt en/of verkoopt daarvoor een geldige vergunning heeft. De aanvragers van een alcoholvergunning kunnen op afspraak of digitaal (via een Teams-meeting) hun aanvraag mondeling toelichten. Als de aanvraag niet compleet is of er zijn andere belemmeringen, dan wordt er altijd contact opgenomen met de aanvrager om deze belanghebbende zorgvuldig te horen en voldoende uitleg te geven. Bij het beoordelen van de aanvraag voor een alcoholvergunning wordt ook gekeken of de aanvrager nog verwante vergunningen of ontheffingen nodig heeft zoals bijvoorbeeld een vergunning op basis van de Wet op de kansspelen. Bij een wijziging van bestaande vergunning, bijvoorbeeld als de bedrijfsvoerder wijzigt of er is sprake van een capaciteitsuitbreiding, wordt de aanvraag alleen getoetst aan het onderdeel dat wordt gewijzigd. 6.4.3Exploitatievergunning In sommige gevallen hebben horecabedrijven een exploitatievergunning nodig. De toetsingsgronden voor een exploitatievergunning zijn in de APV opgenomen. Die maken over het algemeen geen deel uit van de fysieke leefomgeving. Ze gaan namelijk over openbare orde, veiligheid en zedelijkheid in de omgeving. Uitzondering is dat na inwerkingtreding van de Omgevingswet bij het verlenen van exploitatievergunning ook wordt getoetst of aan het omgevingsplan wordt voldaan. Maar de exploitatievergunning blijft bestaan. Op dit gebied brengt de Omgevingswet dan ook geen wijzigingen met zich mee. Indirect kunnen regels in een exploitatievergunning wel een effect hebben op de fysieke leefomgeving. Maar ze zijn niet met dat doel opgesteld. Bijvoorbeeld de openingstijden. Doel is de openbare orde te reguleren. Dit heeft indirect ook een effect op de fysieke leefomgeving. 6.4.4Wet Bibob De Wet Bibob, Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, geeft de gemeente de mogelijkheid de achtergrond van een bedrijf of persoon laten onderzoeken. Als er ernstig gevaar dreigt dat de vergunning of de subsidie wordt misbruikt, kan de gemeente de aanvraag weigeren of de afgegeven vergunning of subsidie intrekken. De gemeente Dalfsen heeft een beleidslijn opgesteld. Volgens dit toetsingskader vindt standaard een Bibob-onderzoek plaats bij aanvragen voor: - Een vergunning voor het uitoefenen van het horecabedrijf. - Een vergunning voor het realiseren van een zonnepark. - Een vergunning voor het exploiteren van een seksinrichting. - Een vergunning van voor het exploiteren van een openbare inrichting. - Een omgevingsvergunning (beperkte milieutoets) waarbij sprake is van bedrijfsmatig inzamelen van afvalstoffen. De beleidslijn Bibob wordt in de loop van 2022 geactualiseerd. 6.5Mediation De gemeente heeft een actief mediationbeleid over geschillen die voortkomen uit de vergunningverleningsprocedures. De gemeente benadert partijen die bezwaar willen maken tegen een vergunningbeschikking altijd telefonisch of in persoon om te verkennen of er zonder juridische procedure een oplossing kan worden gevonden voor de punten waartegen de bezwaren zich richten. Een pool van interne medewerkers is speciaal getraind om deze vorm van mediation uit te voeren. 7Kaders voor de uitvoering van toezicht 7.1Op weg naar meer integraal toezicht De gemeente zet met het VTH-beleid in op een slimmere en meer integrale aanpak van de risico's die de leefomgeving bedreigen. Dit is een ontwikkelproces waarbij de gemeente structureler en directer van haar interventies en de effecten op het naleefgedrag wil leren. Het proces van toezicht onder de Omgevingswet is afgeleid van het procesmodel van de VNG: “Toezicht en handhaving” volgens bijlage H. Eén van de manieren waarop hier invulling aan gegeven wordt is door het toezicht op de fysieke leefomgeving meer integraal aan te pakken tussen de traditionele vakgebieden RO, bouw-, milieu- en APV-toezicht. Een eerste stap om dit mogelijk te maken is de aansturing van het toezicht onder te brengen bij één centrale regisseur, van waaruit zowel de voorlichting als de vergunningverlening en het toezicht voor de drie vakgebieden wordt gecoördineerd. Daarbij kan ook gedacht worden aan (meer) planmatig uitvoeren van toezicht en handhaving. Daarnaast zullen de komende jaren pilotprojecten worden gestart om te verkennen waar de kansen en beperkingen liggen in het voor en met elkaar uitvoeren van controles. Gedacht wordt aan pilots op het vlak van: gebiedsgerichte controles (bijv. dorpskern X, buitengebied Y); branchegerichte controles (bijv. horeca, rommelige erven), en/of evenementen. Kanttekening hierbij is de samenwerking met de Omgevingsdienst IJsselland waar het milieutoezicht per 2018 is ondergebracht. Als integraal toezicht wordt opgepakt tussen bijvoorbeeld bouwen en milieu, is er veel afstemming nodig omdat het om verschillende organisaties gaat. Daarnaast zal ook onderzocht worden hoe de VTH-toezichthouders kunnen samenwerken met andere toezichthouders en controleurs die op het grondgebied van de gemeente actief zijn zoals de (milieu)politie, de Voedsel- en Warenautoriteit, de regionale brandweer (Veiligheidsregio IJsse

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.