← Nederland

Verzamelbesluit Beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz (Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers)

In het kort

Dit besluit van Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers stelt beleidsregels vast voor de uitvoering van wetten die inkomensondersteuning en re-integratie regelen, zoals de Participatiewet. Het definieert belangrijke begrippen en beschrijft de beschikbare voorzieningen voor mensen die hulp nodig hebben bij het vinden van werk.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Verzamelbesluit Beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en BbzHet dagelijks bestuur van ‘Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers’ gevestigd te Waalwijk, gelet op het bepaalde in : Artikel 108 en 147 Gemeentewet; De artikelen 8a, 8b en 8c, artikel 18a, art. 31, lid 2, art. 36 van de Participatiewet; De artikelen 25, 34, 35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; De artikelen 25, 34, 35 en 36 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; Het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004; Beleidsaanbeveling subsidiëring arbeidsplaatsen in het kader van re-integratie werkzoekenden; De Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving; besluit: het Verzamelbesluit Beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004, gewijzigd vast te stellen. HOOFDSTUK1.- BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN ARTIKEL1.BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN 1.Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht of de overige in deze beleidsregels aangehaalde wetten. 2.In deze beleidsregels wordt verstaan onder: Algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel b, van de Participatiewet; Bbz: het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004; Belanghebbende: de alleenstaande, alleenstaande ouder of het gezin dat recht heeft op een uitkering dan wel een voorziening in het kader van de wet; Benadelingsbedrag: het bedrag dat netto (Participatiewet) of bruto (IOAW/IOAZ) ten onrechte of teveel is of wordt verleend als uitkering; Beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, deel van het inkomen waarop geen beslag mag worden gelegd; Bestuurlijke boete: een boete die door een daartoe bevoegde overheidsdienst zonder tussenkomst van het Openbaar Ministerie of een rechter kan worden opgelegd. Deze boete heeft een straffend karakter; Bezit: waarde van de bezittingen waarover belanghebbende of diens gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, met uitzondering van het in de bewoonde woning met bijbehorend erf gebonden vermogen, bedoeld in artikel 50, eerste lid, van de Participatiewet; Bijstandsnorm: 1° toepasselijke norm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet, of 2° grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de IOAW of artikel 5 van de IOAZ voor zover sprake is van een uitkering op grond van de IOAW of IOAZ; Bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel d, van de Participatiewet; De wet: de Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz tezamen; Diagnose: wanneer de screening duidt op het mogelijk bestaan van een arbeidsbeperking of een andere belemmering richting arbeidsmarkt, wordt dit vervolgonderzoek ingesteld teneinde een plan van aanpak vast te stellen; Doelgroep re-integratie: personen aan wie op grond van artikel 7 eerste lid onder a van de Participatiewet of op grond van artikel 36 van de IOAW, of op grond van artikel 36 van de IOAZ door de gemeente ondersteuning bij re-integratie kan worden geboden; Duurzame arbeidsinschakeling: algemeen geaccepteerde arbeid die over een periode van ten minste zes maanden wordt verricht en waar geen voorziening aan verbonden is in de vorm van loonkostensubsidie; Flankerende voorziening: de inzet van deze voorziening is een randvoorwaarde voor de belanghebbende voor deelname aan re-integratievoorzieningen en nakoming van arbeidsverplichtingen (waaronder schuldhulpverlening en kinderopvang); Grondslag: de uitkeringsnorm zoals bedoeld in artikel 5 IOAW en artikel 5 IOAZ; Het dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van ‘Uitvoeringsorganisatie Baanbrekers’; Inlichtingenplicht: de verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk is dat deze van invloed kunnen zijn op de arbeidsinschakeling of het recht op bijstand; Inspanningsperiode (27+): de eerste periode van vier weken waarin de belanghebbende verplicht is zelf op zoek te gaan naar werk. Pas na vier weken wordt het recht op inkomensondersteuning en ondersteuning naar participatie onderzocht; IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers ; IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; Loonkostensubsidie: de subsidie op de loonsom die het dagelijks bestuur kan verstrekken aan een werkgever om een werknemer met een verminderde loonwaarde vanwege een beperking al dan niet tijdelijk in dienst te nemen; Mantelzorg: langdurige zorg, gedurende 10 uur of meer per week, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt; Medewerkingsverplichting: de verplichting om mee te werken aan de noodzakelijk geachte voorziening, aan een onderzoek naar het recht op uitkering, eventueel via een huisbezoek als ook naar de voortgang van het re-integratietraject; No-riskpolis: een verzekering die de financiële gevolgen van ziekte van de in dienst genomen uitkeringsgerechtigde voor een werkgever afdekt; Participatie: het naar vermogen meedoen in de samenleving door o.a. het verrichten van betaald regulier of gesubsidieerd werk, het volgen van scholing, het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten of een tegenprestatie; Participatiepartner: re-integratiebedrijf, werkgever of maatschappelijke partner, waarmee de gemeente samenwerkt in het kader van de Participatiewet; Plan van aanpak: een plan van aanpak zoals bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet of een trajectplan; Re-integratieverplichting: de verplichting om gebruik te maken van een voorziening gericht op inschakeling in of het verkleinen van de afstand tot de arbeid waaronder begrepen begeleiding naar maatschappelijke participatie en het meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en/ of de geschiktheid voor scholing/ opleiding; Recidive: hiervan is sprake wanneer een belanghebbende zich binnen 12 maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde categorie dan wel hetzelfde artikel zoals genoemd in deze verordening dan wel de wet. Alleen bij de boete is de recidiveperiode vastgesteld op 5 jaar; Recidiveboete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a, vijfde lid, van de Participatiewet; Screening: een onderzoek naar de mogelijkheden op de arbeidsmarkt van een uitkeringsaanvrager of uitkeringsgerechtigde dat wordt verwerkt in een plan van aanpak; Tegenprestatie: onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten die worden verricht, eventueel naast of in aanvulling op beloonde arbeid, en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. De werkzaamheden hoeven niet te leiden tot het versterken van het arbeidsperspectief en dienen als wederdienst voor de ontvangen uitkering; Uitkering: in de context van deze beleidsregels wordt onder uitkering verstaan de bijstandsuitkering of de grondslag IOAW / IOAZ; Uitkeringsgerechtigde: een persoon die een uitkering ontvangt ingevolgde de Participatiewet, IOAW of IOAZ; Verlaging/maatregel: het verlagen van de bijstand of grondslag op grond van artikel 18 tweede lid van de Participatiewet resp. 20 lid 2 IOAW/ IOAZ; Verminderde loonwaarde: hiervan is sprake wanneer een persoon vanwege een beperking niet in staat is het wettelijk minimum uurloon te verdienen; Verrekenen: de verrekening als bedoeld in artikel 60, vierde lid, van Participatiewet; Voorziening: een door het dagelijks bestuur noodzakelijk geachte voorziening gericht op inschakeling in de arbeid of zelfstandige maatschappelijke participatie, waaronder begrepen een onderzoek naar de belastbaarheid en de noodzaak tot inzet van loonkostensubsidie; Waarschuwing: het besluit waarin afgezien wordt van het opleggen van een maatregel of boete, maar waarin wel wordt bevestigd dat er sprake is van het verwijtbaar niet nakomen van verplichtingen; Wachttijd (27-): wettelijk bepaalde periode van vier weken waarin de belanghebbende verplicht is zelf op zoek te gaan naar werk en om de mogelijkheden van regulier onderwijs te onderzoeken. Pas hierna wordt de aanvraag ingediend en het recht op inkomensondersteuning en ondersteuning naar participatie onderzocht; WIJ: Wet investeren in jongeren. Deze wet is per 1 januari 2012 ingetrokken. In verband met een mogelijke vordering op grond van de WIJ blijft deze vernoemd in de beleidsregels; WML: het Wettelijk minimumloon zoals omschreven in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. HOOFDSTUK2.- RE-INTEGRATIE §2.Aanvullende definities ARTIKEL2:1.AANVULLENDE BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN In deze paragraaf wordt verstaan onder: a.Algemeen geaccepteerde arbeid: alle werkzaamheden die algemeen maatschappelijk aanvaard zijn, inclusief werkzaamheden als zelfstandige in een rechtmatig, levensvatbaar beroep of bedrijf, evenals alle vormen van gesubsidieerde arbeid; b.Anw-er: persoon met een nabestaandenuitkering op grond van de Anw als bedoeld in artikel 10, eerste lid, Participatiewet; c.Doelgroepen: het geheel van groepen personen aan wie op grond van artikel 7, eerste lid onder a Participatiewet, of op grond van artikel 36 IOAW, of op grond van artikel 36 IOAZ, door het dagelijks bestuur ondersteuning kan worden geboden; d.Contractant: de publieke dan wel private partij die in opdracht van het dagelijks bestuur belast is met de uitvoering van de voorziening gericht op arbeidsinschakeling; e.Gesubsidieerde arbeid: een voorziening gericht op de arbeidsinschakeling, als bedoeld in artikel 10, eerste lid Participatiewet, waaronder tevens is begrepen iedere vorm van arbeid, waarbij de arbeidsverhouding op basis van een arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer geheel of gedeeltelijk door het dagelijks bestuur wordt bekostigd; f.Inlener: de werkgever in zowel de collectieve als de marktsector, die in staat en bereid is om de belanghebbende de noodzakelijke begeleiding te bieden en die de intentie heeft om de arbeidsovereenkomst met belanghebbende voort te zetten na de periode van detachering; g.Korte afstand tot de arbeidsmarkt: belanghebbende wordt in staat geacht binnen één jaar uit te stromen naar reguliere dan wel gesubsidieerde maatschappelijk geaccepteerde arbeid; h.Participatie: het deelnemen aan de samenleving door middel van betaald werk (in dienstverband of als zelfstandige) of, indien dit nog niet mogelijk is, door middel van vrijwilligerswerk, mantelzorg of andere maatschappelijk nuttige activiteiten; i.Plan van aanpak: een door het dagelijks bestuur opgesteld plan voor de invulling van de door het dagelijks bestuur aangeboden voorziening en waarin in ieder geval is opgenomen de uitwerking van de ondersteuning, de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling en de gevolgen van het niet naleven van die verplichtingen; j.Nugger: niet-uitkeringsgerechtigde persoon als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a Participatiewet; k.Reguliere arbeid: algemeen geaccepteerde arbeid, met uitzondering van arbeid waarbij gebruik wordt gemaakt van een voorziening in de vorm van een subsidie; l.Re-integratie-instrument: het instrument dat het dagelijks bestuur ter beschikking heeft voor het bieden van ondersteuning als bedoeld in artikel 7 Participatiewet, artikel 36 IOAW en artikel 36 IOAZ; m.Re-integratietraject: traject gericht op arbeidsinschakeling; n.Sociale activering: het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie; o.Startkwalificatie: een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs als bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs; p.Trajectactiviteiten: de door het dagelijks bestuur noodzakelijk geachte activiteiten, die de belanghebbende in het kader van de arbeidsinschakeling dient te verrichten. §2.1.Voorzieningen ARTIKEL2:1:1.AANBOD VOORZIENINGEN 1.Ondersteuning op het gebied van re-integratie is het geheel van activiteiten dat leidt tot arbeidsinschakeling. Deze ondersteuning kan worden gegeven door het aanbieden van een traject, waarbij zo nodig re-integratie-instrumenten kunnen worden ingezet of door het bieden van praktische hulp, advies of doorverwijzing naar andere instanties. Deze ondersteuning kan bestaan uit: de voorziening Talent2Work bemiddeling naar werk; scholing; participatieplaats art. 10a, Participatiewet; beschut werk art. 10b, Participatiewet; werkervaringsplaats; proefplaatsing regulier; Meesterbeurs; detacheringsbaan; loonkostensubsidie art. 10d, Participatiewet; persoonlijke ondersteuning / jobcoach art. 10da, Participatiewet; werkplekaanpassingen; onkostenvergoeding; sociale activering; bemiddeling naar maatschappelijke participatie; nazorg; stimuleringspremie. 2.Bij de inzet van re-integratie-instrumenten wordt gekozen voor dat instrument dat adequaat en toereikend is voor arbeidsinschakeling. 3.Voor jongeren onder de 27 jaar geldt op grond van artikel 13 lid 2 Participatiewet een scholingsplicht: Het dagelijks bestuur legt jongeren tot 27 jaar de verplichting op om zich maximaal in te spannen om een startkwalificatie te bemachtigen. Indien deze verplichting niet wordt nagekomen, heeft dit uitsluiting van de Participatiewet en de re-integratievoorzieningen tot gevolg op basis van art. 13 lid 2 Participatiewet. Een jongere tot 27 jaar kan voor de duur van maximaal 12 maanden ontheven worden van de verplichting zoals genoemd in sub a als er sprake is van in de persoon gelegen omstandigheden die conflicterend werken met de mogelijkheid tot het volgen van uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs. Het dagelijks bestuur kan voor (kwetsbare) jongeren onder de 27 jaar tijdens de wettelijk bepaalde wachttijd van vier weken een voorziening inzetten op voorwaarde dat deze voorziening leidt tot een arbeidsovereenkomst die zonder de inzet van deze voorziening niet tot stand gekomen zou zijn. 4.Voor nuggers zijn onverkort de bepalingen van artikel 3, lid 6 van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz van kracht. ARTIKEL2:1:2.TALENT2WORK 1.Definitie Onder Talent2Work wordt de methodiek verstaan waarbij door middel van georganiseerde bedrijfsbezoeken, events en speeddates kandidaten in contact worden gebracht met werkgevers. 2.Doel Het bevorderen van de plaatsingsmogelijkheden in algemeen geaccepteerde arbeid of op een werkervaringsplaats. 3.Doelgroep De belanghebbende die, eventueel met inzet van in de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz wel met de in deze beleidsregels genoemde voorzieningen, bemiddelbaar is naar algemeen geaccepteerde arbeid dan wel plaatsbaar is op een werkervaringsplaats. 4.Nadere voorwaarden en duur van de voorziening De bepaling zoals opgenomen in de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz onder artikel 3 lid 61 is niet van toepassing op deze voorziening. [Een persoon die behoort tot de doelgroep re-integratie maar geen bijstandsuitkering ontvangt van wie het dagelijks bestuur heeft vastgesteld dat hij met voltijdse arbeid niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimum loon, maar wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, kan wel in aanmerking komen voor de voorzieningen zoals bedoeld in artikelen 4 lid 1 sub a, b, c en d en 8 van de verordening, tegen dezelfde criteria.] Het dagelijks bestuur kan, indien nodig, individueel aanvullende verplichtingen opleggen die verband houden met de voorziening Talent2Work. Om het doel zoals beschreven in lid 2 te bewerkstelligen kunnen andere voorzieningen zoals genoemd in deze beleidsregels worden ingezet. De duur van de voorziening is niet tijdsgebonden mits er geen sprake is van omstandigheden zoals beschreven in artikel vijf van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz. 5.Gronden voor beëindiging Het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz is onverkort van toepassing. ARTIKEL2:1:3.BEMIDDELING 1.Definitie Onder bemiddeling wordt verstaan het bij elkaar brengen van werkgever en uitkeringsgerechtigde, waarvan verwacht wordt dat de uitkeringsgerechtigde binnen een jaar kan uitstromen naar reguliere arbeid. Ook wordt het zelf-zoekgedrag van de uitkeringsgerechtigde gestimuleerd. 2.Doel Het op een zo kort mogelijke termijn laten uitstromen van de uitkeringsgerechtigde naar algemeen geaccepteerde arbeid. 3.Doelgroep De belanghebbende die, eventueel met inzet van in de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz dan wel met de in deze beleidsregels genoemde voorzieningen, bemiddelbaar is naar algemeen geaccepteerde arbeid. 4.Nadere voorwaarden en duur van de voorziening De bepaling zoals opgenomen in de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz onder artikel 3 lid 62 is niet van toepassing op deze voorziening. [Een persoon die behoort tot de doelgroep re-integratie maar geen bijstandsuitkering ontvangt van wie het dagelijks bestuur heeft vastgesteld dat hij met voltijdse arbeid niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimum loon, maar wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, kan wel in aanmerking komen voor de voorzieningen zoals bedoeld in artikelen 4 lid 1 sub a, b, c en d en 8 van de verordening, tegen dezelfde criteria.] Het dagelijks bestuur kan, indien nodig, individueel aanvullende verplichtingen opleggen die verband houden met de bemiddeling. Om het doel zoals beschreven in lid 2 te bewerkstelligen kunnen andere voorzieningen zoals genoemd in deze beleidsregels worden ingezet. De duur van de voorziening is 6 maanden en kan steeds met 6 maanden verlengd worden, mits er geen sprake is van omstandigheden zoals beschreven in artikel vijf van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz. 5.Gronden voor beëindiging Het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz is onverkort van toepassing. ARTIKEL2:1:4.SCHOLING 1.Definitie Onder scholing wordt elke activiteit verstaan in het kader van een gestructureerde leersituatie die is gericht op het ontwikkelen of vergroten van kennis en/of vaardigheden van de belanghebbende. 2.Doel Het bijbrengen van kennis, vaardigheden of het behalen van een startkwalificatie die de arbeidsinschakeling van belanghebbende mogelijk maakt. 3.Doelgroep Dit instrument wordt ingezet voor de belanghebbende bij wie het dagelijks bestuur heeft vastgesteld dat scholing noodzakelijk is, omdat arbeidsinschakeling vanwege ontbrekende kennis of vaardigheden niet direct mogelijk is. 4.Nadere voorwaarden en duur van de voorziening de scholing wordt slechts aangeboden indien deze verband houdt met een baangarantie; of de scholing gezien de arbeidsmarktsituatie een significante vergroting vormt van de kans op een baan; of scholing deel uitmaakt van een arrangement dat wordt gesloten met de werkgever; of indien het dagelijks bestuur daartoe op grond van de wet gehouden is. de bepaling zoals opgenomen in de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz onder artikel 3, lid 6 is niet van toepassing op deze voorziening. de scholing is beroepsgericht en duurt maximaal één jaar. Het betreft het meest goedkope en adequate alternatief. de kosten staan in verhouding met de ‘opbrengsten’ die gepaard gaan met de beoogde uitkeringsafhankelijkheid van de belanghebbende. 5.Gronden voor beëindiging Het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz is onverkort van toepassing. ARTIKEL2:1:5.PARTICIPATIEPLAATS ART. 10A PARTICIPATIEWET 1.Definitie Participatieplaatsen betreffen tijdelijke, onbeloonde en additionele werkzaamheden in de zin van artikel 10a Participatiewet, die met behoud van uitkering kunnen worden verricht door uitkeringsgerechtigden die vooralsnog niet bemiddelbaar zijn op de arbeidsmarkt. 2.Doel Het activeren van de uitkeringsgerechtigde staat bij een participatieplaats centraal. De participatieplaats heeft geen directe arbeidstoeleiding tot doel. 3.Doelgroep De participatieplaats wordt ingezet voor de uitkeringsgerechtigden met geringe kans op de arbeidsmarkt die (vooralsnog) niet direct bemiddelbaar zijn naar regulier werk. 4.Nadere voorwaarden en duur van de voorziening In artikel 10a van de Participatiewet en in artikel 6 van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz zijn de voorwaarden van de participatieplaats opgenomen. Voor aanvang van de participatieplaats tekent zowel de uitkeringsgerechtigde, de werkgever als het dagelijks bestuur een overeenkomst waarin tenminste de duur van de participatieplaats en de aard van de werkzaamheden staat beschreven. Na 6 maanden beziet het dagelijks bestuur of voortzetting van de participatieplaats zinvol is. De participatieplaats kent de mogelijkheid tot inzet/toekenning van: begeleidingskosten ten behoeve van de uitkeringsgerechtigde aan de werkgever; scholing ten behoeve van de uitkeringsgerechtigde zoals opgenomen in artikel 10a lid 5 van de Participatiewet, waarbij getoetst wordt aan de criteria zoals die in dat lid zijn opgenomen; een premie voor de belanghebbende als bedoeld in artikel 10a lid 6 Participatiewet. De premie bedraagt per jaar 25% van het bedrag genoemd in art. 31, lid 2 onder j. van de Participatiewet. 5.Gronden voor beëindiging Onverlet het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz, eindigt de voorziening op het moment dat de overeengekomen periode eindigt. ARTIKEL2:1:6.BESCHUT WERK ART. 10B PARTICIPATIEWET [Artikel 2:1:6 is uitsluitend van kracht voor zover het dagelijks bestuur van Baanbrekers besloten heeft invulling te geven aan de participatievoorziening beschut werk als bedoeld in artikel 7 van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz en de omvang van het beschut werk heeft bepaald.] 1.Definitie Een werkplek die wordt georganiseerd voor mensen die door lichamelijke, verstandelijke en/of psychische beperking een zodanige mate van ondersteuning nodig hebben dat van reguliere werkgevers niet (zonder meer) kan worden verwacht dat zij deze mensen in dienst nemen. 2.Doel Het optimaal benutten van de aanwezige loonwaarde van mensen en deze doelgroep arbeidsfit houden door in te zetten op arbeidsontwikkeling. Het streven is om mensen met beperkingen en een economische verdiencapaciteit naar werk bij een reguliere werkgever uit te laten stromen. 3.Doelgroep Werkzoekenden voor wie een indicatie beschut werk is afgegeven. 4.Nadere voorwaarden de maximale mogelijkheden die de flexwet biedt worden benut; van toepassing is de CAO van de branche waar het beschut werk wordt verricht voor zover aanwezig. Is dat niet het geval dan geldt in ieder geval het WML; voor de doelgroep kan loonkostensubsidie worden ingezet; er dient een balans te zijn tussen de opbrengsten (netto toegevoegde waarde en rijksbijdrage) en de kosten (bijv. begeleiding en werkgeverschap); de ontwikkeling van de loonwaarde wordt gemonitord en in overleg met de werkgever en werknemer herbeoordeeld, waarbij in beginsel wordt uitgegaan van de ontwikkelingsmogelijkheden van de werknemer. 5.Gronden voor beëindiging Het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz is onverkort van toepassing. Onverlet het gestelde in artikel 5 (beëindiging van een voorziening) van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz eindigt de voorziening op het moment dat de overeengekomen periode eindigt. Onverlet het gestelde in artikel 5 (beëindiging van een voorziening) van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz eindigt de voorziening op het moment dat rijksfinanciering wijzigt. ARTIKEL2:1:7.WERKERVARINGSPLAATS 1.Definitie Een werkplek bij een werkgever dan wel op een door het dagelijks bestuur aangewezen plek, waar een uitkeringsgerechtigde met behoud van uitkering werkt om een vak te leren en vaardigheden op te doen dan wel op te halen. 2.Doel Een uitkeringsgerechtigde de kans bieden om met behoud van uitkering op een onbetaalde werkplek zijn of haar arbeidsmarktpositie te versterken teneinde arbeidsinschakeling mogelijk te maken. 3.Doelgroep Een werkervaringsplaats wordt ingezet voor de uitkeringsgerechtigde die vanwege tekort schietende werkervaring en/of vaardigheden de stap richting de arbeidsmarkt niet kan maken. 4.Nadere voorwaarden en duur van de voorziening een BBL- of BOL-opleiding is voorliggend op de werkervaringsplaats; de werkervaringsplaats heeft een maximale duur van 3 maanden met de mogelijkheid tot eenmalige verlenging van 3 maanden , indien dat - naar alle waarschijnlijkheid - arbeidsinschakeling tot gevolg heeft; de werkzaamheden zijn primair gericht op ontwikkeling en in mindere mate of geheel niet op productieve arbeid; de nadruk ligt op lerend werken in een bovenformatieve functie; de concurrentieverhoudingen mogen door inzet van de werkzoekende niet onverantwoord worden beïnvloed; de werkgever dient in staat en bereid te zijn aan uitkeringsgerechtigde de noodzakelijke begeleiding te bieden; de belanghebbende beschikt over voldoende kennis en werk- en denkniveau om zich het vak of de vaardigheden op korte termijn eigen te maken; er hoeft geen intentie te bestaan om de uitkeringsgerechtigde in dienst te nemen maar wel om hem het vak te leren; voor aanvang van de werkervaringsplaats tekent zowel de uitkeringsgerechtigde, de werkgever als het dagelijks bestuur een overeenkomst waarin tenminste de duur van de werkervaringsplaats en de aard van de werkzaamheden staan beschreven; de werkgever heeft ten behoeve van de uitkeringsgerechtigde een aansprakelijkheidsverzekering- en ongevallenverzekering afgesloten. 5.Gronden voor beëindiging Onverlet het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz, eindigt de voorziening op het moment dat de overeengekomen periode eindigt. ARTIKEL2:1:8.PROEFPLAATSING 1.Definitie Een werkplek bij een werkgever, waar een uitkeringsgerechtigde met behoud van uitkering werkt gedurende een vooraf vastgestelde periode, voorafgaand aan het starten van arbeid in dienstbetrekking bij dezelfde werkgever. 2.Doel Een uitkeringsgerechtigde de kans te bieden om met behoud van uitkering op een onbetaalde werkplek zijn of haar arbeidsbekwaamheid te tonen, zodat bij diezelfde werkgever vervolgens instroom in regulier betaald werk plaats kan vinden. 3.Doelgroep De proefplaatsing kan worden ingezet bij een werkgever die voornemens is de uitkeringsgerechtigde een dienstverband aan te bieden, maar twijfels heeft over de geschiktheid van de uitkeringsgerechtigde voor wat betreft de specifieke functie. 4.Nadere voorwaarden en duur van de voorziening de duur van de proefplaatsing is maximaal drie maanden en kan eenmalig met drie maanden worden verlengd tot een maximale totale duur van zes maanden; de werkzaamheden hoeven niet additioneel van aard te zijn te zijn; in aanmerking komen werkgevers in zowel de collectieve sector als in de marktsector; de werkgever heeft naar het oordeel van het dagelijks bestuur de serieuze intentie de uitkeringsgerechtigde bij goed functioneren na afloop van de proefplaatsing een regulier arbeidscontract zonder proeftijd of uitzendbeding aan te bieden van minimaal zes maanden, met een minimale omvang van hetzelfde aantal uren als gedurende de proefplaatsing van toepassing was; voor aanvang van de proefplaatsing tekent zowel de uitkeringsgerechtigde, de werkgever als het dagelijks bestuur een overeenkomst waarin tenminste de duur van de proefplaatsing en de aard van de werkzaamheden staan beschreven; de werkgever heeft ten behoeve van de uitkeringsgerechtigde een aansprakelijkheidsverzekering en ongevallenverzekering afgesloten. 5.Gronden voor beëindiging Onverlet het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz, eindigt de voorziening op het moment dat de overeengekomen periode eindigt. ARTIKEL2:1:9.MEESTERBEURS 1.Definitie Personen van 50 jaar en ouder werken tijdelijk met behoud van uitkering bij een reguliere werkgever en ontvangen voor deze werkzaamheden een premie. 2.Doel Het stimuleren en ondersteunen van personen van 50 jaar en ouder om te gaan werken met behoud van uitkering, als opstap naar reguliere arbeid. 3.Doelgroep De werkzoekende persoon van 50 jaar en ouder die moeite heeft om een baan te vinden. 4.Nadere voorwaarden en duur van de voorziening de bepalingen zoals opgenomen in de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz onder artikel 3 lid 6 zijn niet van toepassing op de Meesterbeurs; de werkzaamheden in het kader van de Meesterbeurs duren maximaal 6 maanden; voor aanvang van de Meesterbeurs wordt een leerwerkovereenkomst getekend door de werkzoekende en de werkgever; de leerwerkovereenkomst wordt afgesloten voor minimaal 20 uur tot maximaal 32 uur per week; de werkzaamheden zijn additioneel en leiden niet tot verdringing; indien het een uitkeringsgerechtigde betreft, dient het dagelijks bestuur toestemming te geven voor het starten met werkzaamheden in het kader van de Meesterbeurs. de concurrentieverhoudingen mogen door inzet van de werkzoekende niet onverantwoord worden beïnvloed; het verrichten van werkzaamheden in het kader van de Meesterbeurs ontslaat de uitkeringsgerechtigde niet van de arbeidsverplichtingen die zijn verbonden aan de Participatiewet; de werkzoekende ontvangt een premie ter hoogte van € 150,00 voor iedere maand dat hij met behoud van uitkering heeft gewerkt; deze premie wordt, indien het een uitkeringsgerechtigde werkzoekende betreft, op grond van artikel 31 lid 2 onderdeel j van de Participatiewet verstrekt; de premie wordt in een keer uitbetaald bij het einde van de werkzaamheden in het kader van de Meesterbeurs; de belanghebbende dient een zelfgekozen werkgever te benaderen waar hij de werkzaamheden kan gaan verrichten; de werkgever hoeft niet de intentie te hebben om de belanghebbende na afloop van de Meesterbeurs in dienst te nemen; de werkgever betaalt aan het dagelijks bestuur een premie ter hoogte van € 150,00, voor iedere maand dat de werkzoekende de werkzaamheden in het kader van de Meesterbeurs binnen het bedrijf verricht. 5.Gronden voor beëindiging Onverlet het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz eindigt de voorziening na uiterlijk na 6 maanden. ARTIKEL2:1:10.DETACHERINGSBAAN 1.Definitie Onder een detacheringsbaan wordt verstaan algemeen geaccepteerde arbeid die wordt aangeboden aan een belanghebbende waarbij gedurende een bepaalde periode, door tussenkomst van een contractant, gebruik wordt gemaakt van detachering. 2.Doel Het doel van een detacheringsbaan is de belanghebbende in staat te stellen om in een verloond dienstverband diens arbeidsvaardigheden en werkervaring door middel van begeleiding zodanig te bevorderen dat deze bij de inlener direct kan instromen in reguliere arbeid. 3.Doelgroep Tot de doelgroep behoort de belanghebbende die valt onder de categorie benadeelde werknemers en van wie het dagelijks bestuur heeft vastgesteld dat deze vanwege een tekortschietende werkervaring, kennis en/of vaardigheden en eventuele andere belemmeringen, een traject nodig heeft om instroom in een reguliere arbeidsplaats te kunnen bewerkstelligen. Het traject houdt in een periode van begeleiding op een werkplek. 4.Nadere voorwaarden, duur en hoogte van de vergoeding In aanmerking voor het werkgeverschap komen contractanten die in staat en bereid zijn om, tegen een vergoeding van begeleidings- en loonkosten, de belanghebbende de noodzakelijke begeleiding te bieden; in aanmerking voor de detachering komen werkgevers in zowel de collectieve als de marktsector, die in staat en bereid zijn om de belanghebbende de noodzakelijke begeleiding te bieden en die de intentie hebben om de arbeidsovereenkomst met belanghebbende voort te zetten na de periode van detachering; de contractant gaat met de door het dagelijks bestuur voorgedragen kandidaat een arbeidsovereenkomst aan voor minimaal het WML; de detachering wordt ingezet voor een periode van maximaal één jaar; indien in verband met nog verder te ontwikkelen arbeidsbekwaamheid verlenging noodzakelijk en zinvol wordt geacht, kan verlenging van de detachering met maximaal één jaar plaatsvinden onder de voorwaarde dat belanghebbende na de detacheringsperiode een aanstelling voor onbepaalde tijd krijgt, tenzij de in de betreffende bedrijfstak geldende CAO zich daartegen verzet, in welk geval de maximale aanstellingsduur dient te worden toegepast. Verdere verlenging is alleen mogelijk indien de detachering kostendekkend kan worden toegepast. tenzij in de persoon gelegen factoren dit belemmeren dient de arbeidsovereenkomst een zodanige omvang te hebben dat belanghebbende uitkeringsonafhankelijk wordt; als het maximaal aantal werkuren geldt eveneens het aantal uren dat voor belanghebbende noodzakelijk is om uitkeringsonafhankelijk te worden; bij convenant of contract worden met de contractant afspraken gemaakt over de hoogte van de vergoeding voor begeleiding en loonkosten; het dagelijks bestuur verleent de vergoeding voor begeleiding en loonkosten niet eerder dan nadat het heeft ingestemd met het door de contractant opgestelde plan van aanpak voor de duur van het traject; het dagelijks bestuur verleent de vergoeding voor begeleiding en loonkosten niet eerder dan nadat het heeft ingestemd met de door de werkgever opgestelde overeenkomst voor een bepaalde werkplek. 5.Verplichtingen belanghebbende, werkgever en het dagelijks bestuur de belanghebbende, contractant en het dagelijks bestuur ondertekenen het plan van aanpak dat de contractant aan de hand van een door het dagelijks bestuur verstrekt model heeft opgesteld; de contractant voert de in het plan van aanpak genoemde activiteiten zodanig uit dat dit ertoe bijdraagt dat de belanghebbende aan het eind van de detacheringsperiode bij de inlener door kan stromen naar een reguliere arbeidsplaats; indien de werkgever daartoe scholing voor de belanghebbende wenselijk acht komen de kosten daarvan voor rekening van deze werkgever, tenzij anders met de werkgever is overeengekomen. 6.Gronden voor beëindiging Onverlet het gestelde in artikel zes, derde of vierde lid, van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz, eindigt de voorziening; na afloop van de vastgestelde detacheringsperiode inclusief de nazorgperiode; zodra de arbeidsovereenkomst van de belanghebbende met de betreffende contractant voortijdig eindigt; indien door het dagelijks bestuur wordt vastgesteld dat voortzetting van de subsidie voor begeleiding en loonkosten niet wenselijk is omdat de contractant, de werkgever of belanghebbende niet of in onvoldoende mate aan de op hem rustende verplichtingen krachtens het Burgerlijk Wetboek en/of de geldende subsidievoorwaarden voldoet; indien door het dagelijks bestuur wordt vastgesteld dat voortzetting ervan om andere redenen niet wenselijk is. ARTIKEL2:1:11.LOONKOSTENSUBSIDIE ART. 10D PARTICIPATIEWET 1.Definitie Een financiële compensatie ten behoeve van de werkgever die een persoon behorend tot de doelgroep loonkostensubsidie in dienst neemt. In geval van detachering van een persoon uit de doelgroep treedt het dagelijks bestuur dan wel de gecontracteerde uitvoerder als werkgever op. 2.Doel Het doel is om duurzame arbeidsinschakeling te bewerkstelligen voor personen die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie. 3.Doelgroep Een persoon van wie het dagelijks bestuur heeft vastgesteld dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie die - met de inzet van loonkostensubsidie - in dienst kan treden bij een werkgever dan wel een werkende persoon die in de periode van zes maanden voorafgaand aan de dienstbetrekking deelnam aan VSP/Pro-onderwijs of MBO-entree-onderwijs. 4.Nadere voorwaarden en duur de bepaling zoals opgenomen in de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz onder artikel 3 lid 6 is niet van toepassing op deze voorziening; de loonwaarde wordt vastgesteld aan de hand van de regionaal overeengekomen gevalideerde en objectieve methodiek Dariuz. De definitieve bepaling van de loonwaarde vindt plaats op de werkplek; het dagelijks bestuur kan de werknemer onbeloonde werkzaamheden bij de werkgever laten verrichten - in de vorm van een proefplaatsing - met het oog op een reële vaststelling van de loonwaarde. De werknemer verricht werkzaamheden die behoren tot de functie die hij gaat uitoefenen; de maximale duur van de proefplaatsing is drie maanden, te verlengen met maximaal drie maanden [Per 1-1-2017 is een wetswijziging van art. 10d ingevoerd. De proefplaatsing is als zodanig uit het artikel verdwenen maar blijft toepasbaar. Verder is een forfaitaire loonkostensubsidie en loonkostensubsidie voor al werkende schoolverlaters VSO/PrO en Entree-opleidingen geïntroduceerd. Zie toelichting.]; na afloop van de proefplaatsing krijgt de werknemer, indien tijdens de proefplaatsing geen onregelmatigheden zijn opgetreden, een dienstverband aangeboden; in overleg met de werkgever kan worden vastgesteld dat de vaststelling van de loonwaarde van de werknemer achterwege kan blijven en de dienstbetrekking tot stand komt met de toepassing van en forfaitaire loonwaarde van 50%. Over het tijdvak na die forfaitaire periode stelt het dagelijks bestuur de loonwaarde vast en verleent het dagelijks bestuur loonkostensubsidie met in achtneming van het vierde lid van artikel 10d van de Participatiewet; de vastgestelde loonwaarde legt het dagelijks bestuur vast in een beschikking waartegen zowel de betrokken persoon als diens (potentiële) werkgever bezwaar en beroep kunnen instellen. De werkgever is verplicht alle wijzigingen die relevant kunnen zijn voor de subsidie ( waaronder wijzigingen in naam, adres of rekeningnummer) te melden aan het dagelijks bestuur binnen twee weken nadat deze wijziging zich heeft voorgedaan; de ontwikkeling van de loonwaarde wordt gemonitord en in overleg met de werkgever en werknemer herbeoordeeld, waarbij in beginsel wordt uitgegaan van de ontwikkelingsmogelijkheden van de werknemer. 5.Gronden voor beëindiging Onverlet het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz, eindigt de voorziening op het moment dat de persoon niet meer behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. ARTIKEL2:1:12.PERSOONLIJKE ONDERSTEUNING/JOBCOACH 1.Definitie In het kader van een traject of dienstbetrekking in een werksetting, wordt een belanghebbende op de werkplek systematisch ondersteund door een coach. 2.Doel De activiteiten en handelingen die de jobcoach verricht, zijn er op gericht om de belanghebbende zelfstandig zijn werkzaamheden uit te kunnen laten voeren, dan wel de werkgever de begeleiding van de belanghebbende op zich te kunnen laten nemen. 3.Doelgroep Een persoon zoals bedoeld in artikel 10 lid 1 dan wel artikel 10da van de Participatiewet, die algemeen geaccepteerde arbeid - waaronder begrepen gesubsidieerde arbeid - verricht of gaat verrichten, dan wel met behoud van uitkering arbeid bij een werkgever verricht of gaat verrichten, die naar het oordeel van het dagelijks bestuur zodanige structurele functionele beperkingen heeft richting werk waardoor deze werkzaamheden zonder deze ondersteuning niet kunnen worden verricht. 4.Nadere voorwaarden en duur van de voorziening de voorziening wordt in beginsel voor maximaal 3 jaar in hetzelfde dienstverband ingezet; het dagelijks bestuur beoordeelt minimaal één keer per 12 maanden of de inzet van de jobcoach nog noodzakelijk is en of er gronden voor beëindiging aanwezig zijn; de duur van de dienstbetrekking is ten minste 6 maanden; de belanghebbende werkt in de dienstbetrekking of in het traject voor ten minste 12 uur per week; deze voorziening is ook inzetbaar voor personen zoals bedoeld in artikel 10f van de Participatiewet die een leerwerktraject volgen; deze voorziening is ook inzetbaar indien de ondersteuning wordt gegeven door een interne jobcoach die in dienst is bij de werkgever waar de belanghebbende een dienstbetrekking heeft, onder dezelfde voorwaarden als de inzet van een jobcoach van Baanbrekers en de maximale bedragen die worden gehanteerd door UWV en de G4-arbeidsmarktregio’s; de bepaling zoals opgenomen in de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz onder artikel 3 lid 6 is van toepassing op deze voorziening. 5.Gronden voor beëindiging Onverlet het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz, eindigt de voorziening op het moment dat de overeengekomen periode eindigt. ARTIKEL2:1:13.WERKPLEKAANPASSINGEN 1.Definitie Aanpassingen op of rond de werkplek, zoals een rolstoeltoegankelijke werkruimte. De aanpassing zorgt ervoor dat de werknemer met een structurele functionele beperking zijn werk kan uitvoeren. 2.Doel Het door middel van inzet van een werkplekaanpassing wegnemen van belemmeringen die een werknemer met een structurele functionele beperking heeft om op de werkplek te kunnen functioneren. 3.Doelgroep De werkgever die een persoon met een structurele functionele beperking in dienst heeft dan wel in dienst neemt, voor wie inzet van een werkplekaanpassing noodzakelijk is om de betreffende functie uit te kunnen voeren, alsook de werknemer die voor het uitvoeren van zijn werk afhankelijk is van een meeneembare voorziening. 4.Nadere voorwaarden indien er recht bestaat op een voorliggende voorziening, zoals verstrekking door het UVW dan wel vergoeding door de zorgverzekeraar, dan dient daarop een beroep gedaan te worden; de structurele functionele beperking waarvoor de voorziening wordt aangevraagd heeft naar verwachting een duur van tenminste een jaar; indien tot toekenning wordt overgegaan, dan wordt er gekozen voor de goedkoopst adequate voorziening; om de noodzaak van een bepaalde werkplekaanpassing vast te stellen, kan het dagelijks bestuur een medisch- dan wel arbeidsdeskundig advies inwinnen; er vindt in beginsel geen vergoeding plaats wanneer de voorziening reeds is aangeschaft op het moment dat een aanvraag voor de voorziening door het dagelijks bestuur wordt ontvangen; er dient sprake te zijn er dient sprake te zijn van een contractduur van minimaal zes maanden; zaken die algemeen gebruikelijk zijn of die tot de standaarduitrusting van het bedrijf behoren, worden niet vergoed. het dagelijks bestuur hanteert een drempelbedrag van € 130,00. indien de waarde van het bedrijfspand stijgt door de aanpassing van het pand, dan kan het dagelijks bestuur een bedrijfseconomische toets laten uitvoeren en als gevolg daarvan de vergoeding lager vaststellen. de kosten staan in verhouding met de ‘opbrengsten’ die gepaard gaan met de beoogde uitkeringsafhankelijkheid van de belanghebbende. 5.Gronden voor beëindiging Het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz is onverkort van toepassing. ARTIKEL2:1:14.ONKOSTENVERGOEDING 1.Definitie Een vergoeding voor noodzakelijke kosten, die gemaakt worden in het kader van een re-integratietraject dan wel inburgeringstraject, of in verband met arbeidsinschakeling. 2.Doel Het wegnemen van financiële belemmeringen met betrekking tot het aanvaarden van arbeid, dan wel het deelnemen aan een re-integratievoorziening. 3.Doelgroep De belanghebbende die in verband met de arbeidsinschakeling of een re-integratievoorziening noodzakelijke kosten moet maken, welke niet anderszins worden vergoed. 4.Nadere voorwaarden de kosten dienen verband te houden met de arbeidsinschakeling dan wel het deelnemen aan een re-integratievoorziening; het dagelijks bestuur beoordeelt de noodzakelijkheid van de te maken kosten; er is geen voorliggende voorziening voor de kosten, zoals een vergoeding door de werkgever; indien het reiskosten betreffen, zijn deze pas noodzakelijk indien de kortste reisafstand volgens de routeplanner ANWB 10 kilometer of meer is; indien met eigen vervoer wordt gereisd, dan is een vergoeding van € 0,19 per kilometer van toepassing; de onkosten waarvoor een vergoeding gevraagd wordt, dienen aantoonbaar en verifieerbaar te zijn; indien noodzakelijk kunnen de kosten vooraf, na overleg van een pro-forma nota, worden vergoed. 5.Gronden voor beëindiging Het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz is onverkort van toepassing. ARTIKEL2:1:15.SOCIALE ACTIVERING 1.Definitie Onder sociale activering wordt verstaan, de ondersteuning van een belanghebbende gericht op het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten als onderdeel van een traject in het kader van de arbeidsinschakeling. 2.Doel Het dagelijks bestuur kan sociale activering inzetten met als uiteindelijk doel de arbeidsinschakeling of als tussendoel het bevorderen van maatschappelijke deelname van een belanghebbende. 3.Doelgroep Belanghebbenden die vanwege hun lange afstand tot de arbeidsmarkt niet direct bemiddelbaar zijn naar werk. 4.Nadere voorwaarden en duur van de voorziening de voorziening wordt in beginsel enkel ingezet wanneer het uiteindelijke doel, zijnde arbeidsinschakeling, door het dagelijks bestuur als haalbaar wordt beoordeeld. voor aanvang van het traject tekent zowel de belanghebbende, de partij waarbij de sociale activering wordt uitgevoerd als het dagelijks bestuur een overeenkomst waarin tenminste de duur het traject en de aard van de werkzaamheden staat beschreven. de duur van het traject is maximaal 1 jaar en kan met maximaal 1 jaar verlengd worden. een traject sociale activering mag geen belemmering vormen voor het verkrijgen en behouden van arbeid in loondienst. 5.Gronden voor beëindiging Onverlet het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz, eindigt de voorziening op het moment dat de overeengekomen periode eindigt. ARTIKEL2:1:16.BEMIDDELING NAAR MAATSCHAPPELIJKE PARTICIPATIE 1.Definitie Het bemiddelen/verwijzen van een belanghebbende naar een plaats waarmee de maatschappelijke deelname wordt bevorderd. Vaak betreft het vrijwilligerswerk. 2.Doel Deze vorm van bemiddeling/verwijzing wordt ingezet om de maatschappelijke participatie van een belanghebbende te bevorderen. 3.Doelgroep Belanghebbenden die vanwege hun individuele situatie (vooralsnog) geen uitzicht hebben op regulier werk. 4.Nadere voorwaarden en duur van de voorziening voor aanvang van het traject tekent de belanghebbende een overeenkomst met de partij waar de activiteiten worden uitgevoerd, waarin tenminste de duur en de aard van de werkzaamheden staan beschreven; het dagelijks bestuur geeft voorafgaand aan het starten van de activiteiten toestemming voor het verrichten van de activiteiten; een plek in het kader van maatschappelijke participatie mag geen belemmering vormen voor het verkrijgen en behouden van arbeid in loondienst; een eventuele kostenvergoeding kan worden vrijgelaten op grond van artikel 31 lid 2 onderdeel k van de Participatiewet. 5.Gronden voor beëindiging Het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz is onverkort van toepassing. ARTIKEL2:1:17.NAZORG 1.Definitie Ondersteuning die in het individuele geval bijdraagt aan duurzame arbeidsinschakeling. De mate van intensiviteit van de nazorg wordt afgestemd op de individuele situatie van de werknemer. Vaak bestaat nazorg uit het contact opnemen met zowel de werkgever als de werknemer nadat de werknemer is gestart met de werkzaamheden om de voortgang te bespreken. 2.Doel Duurzame arbeidsinschaling van een persoon die met behulp van een in deze beleidsregels genoemde voorziening is gestart met werkzaamheden bij een werkgever. 3.Doelgroep Zowel de persoon die door/met de inzet van een andere voorziening zoals genoemd in deze beleidsregels is gestart op een werkplek, als de werkgever van deze persoon. 4.Nadere voorwaarden en duur van voorziening de duur van nazorg is in beginsel maximaal 6 maanden; deze voorziening wordt niet expliciet aan een belanghebbende toegekend maar geldt, indien noodzakelijk, als vervolg op een eerder ingezette voorziening die tot werkaanvaarding geleid heeft. de bepaling zoals opgenomen in de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz onder artikel 3 lid 6 is niet van toepassing op deze voorziening. 5.Gronden voor beëindiging Het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz is onverkort van toepassing. §2.2.Studietoeslag ARTIKEL2:2:1.RECHT OP INDIVIDUELE STUDIETOESLAG 1.In aanmerking voor de studietoeslag komen personen met een arbeidsbeperking, die naar verwachting in staat zijn om loonvormende arbeid te verrichten waarmee niet zelfstandig het wettelijk minimumloon verdiend kan worden. 2.Het dagelijks bestuur beoordeelt of een persoon voldoet aan de voorwaarde zoals gesteld onder lid 1. 3.De belanghebbende wordt bij de aanvraag gevraagd om bewijsstukken te overleggen waarmee de voorwaarde zoals beschreven in lid 1 kan worden aangetoond. 4.Indien belanghebbende de gegevens zoals bedoeld in lid 3 niet kan aanleveren, dan wel de ingediende bewijsstukken niet toereikend zijn om een beoordeling te kunnen maken, zal het dagelijks bestuur een arbeidsdeskundig advies inwinnen. §2.3.Tegenprestatie ARTIKEL2:3:1.AFZIEN VAN HET OPDRAGEN VAN EEN TEGENPRESTATIE 1.Het dagelijks bestuur ziet af van het opdragen van een tegenprestatie als belanghebbende voldoende maatschappelijk nuttige activiteiten verricht. 2.Onder 'voldoende maatschappelijk nuttige activiteiten', zoals bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval verstaan: Het naar vermogen vrijwilligerswerk verrichten; Het deelnemen aan activiteiten in het kader van een re-integratietraject; Het voldoende solliciteren en anderszins voldoen aan de arbeidsverplichtingen voor kansrijke klanten; Het deelnemen aan een traject in het kader van hulpverlening; Het verrichten van arbeid in dienstbetrekking voor ten minste tien uur per week. 3.Het dagelijks bestuur ziet ook af van het opdragen van een tegenprestatie indien een belanghebbende zorgtaken verricht als mantelzorger, zoals bedoeld in artikel 19 van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz. ARTIKEL2:3:2.OPDRAGEN TEGENPRESTATIE 1.Het dagelijks bestuur voorziet belanghebbende van informatie over de voorwaarden waaraan de tegenprestatie moet voldoen. 2.Het dagelijks bestuur laat de belanghebbende eerst maximaal drie maanden zelf zoeken naar activiteiten die kunnen worden verricht in het kader van de tegenprestatie. 3.Het dagelijks bestuur kan, indien de belanghebbende dat wenst, ondersteuning bieden bij het zoeken van geschikte activiteiten. 4.De ondersteuning zoals bedoeld in lid 3 wordt gericht ingezet op basis van de diagnose van de belanghebbende naar zijn of haar mogelijkheden, wensen en perspectief op sociale stijging. 5.Indien belanghebbende geschikte activiteiten heeft gevonden, wordt de tegenprestatie opgedragen met als invulling de gekozen activiteiten. 6.Het dagelijks bestuur beoordeelt of de tegenprestatie voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in de wet, de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz en deze beleidsregels. 7.Indien de belanghebbende na het verstrijken van de termijn, bedoeld in het eerste lid, verwijtbaar zelf geen onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten heeft gevonden, draagt het dagelijks bestuur een tegenprestatie op, bestaande uit op de op dat moment voorhanden zijnde activiteiten. 8.Het dagelijks bestuur legt de tegenprestatie vast in een beschikking, waarin tenminste de duur, de omvang en de aard van de activiteiten staan beschreven. 9.De belanghebbende kan, indien gewenst, na afloop van de tegenprestatie de activiteiten voortzetten, waarna deze niet meer worden beschouwd als activiteit in het kader van de tegenprestatie. ARTIKEL2:3:3.INVULLING TEGENPRESTATIE 1.De invulling van de tegenprestatie dient te voldoen aan de voorwaarden en criteria zoals die zijn benoemd in paragraaf 2.5 van de Verzamelverordening. 2.De activiteiten in het kader van de tegenprestatie kunnen onder andere vallen onder de volgende categorieën. Onderstaande lijst is geen uitputtende opsomming: activiteiten in de zorg; sociaal-culturele activiteiten; activiteiten in de sport; activiteiten op straat, in de wijk; activiteiten bij scholen; activiteiten onder gemeentelijke zorg; activiteiten in het kader van inburgering. 3.Bij (de beoordeling van) de invulling van de tegenprestatie wordt -behoudens de harde criteria- maatwerk toegepast, in die zin dat het zwaartepunt van de beoordeling wordt gelegd op het vermogen en de wensen van de belanghebbende. 4.Als voor het verrichten van de activiteiten een verklaring omtrent het gedrag nodig is, vergoedt het dagelijks bestuur de kosten die aan de verkrijging van een dergelijke verklaring verbonden zijn. §2.4.Premies ARTIKEL2:4:1.STIMULERINGSPREMIE 1.Definitie De stimuleringspremie is een bedrag dat eenmalig kan worden toegekend aan de werkgever, wanneer deze een persoon behorende tot de doelgroep van de Participatiewet met belemmeringen richting werk een dienstverband aanbiedt. 2.Doel Het stimuleren van werkgevers om een persoon behorende tot de doelgroep van de Participatiewet met belemmeringen richting werk een regulier dienstverband aan te bieden. 3.Doelgroep De werkgever die een persoon behorende tot de doelgroep van de Participatiewet met belemmeringen richting werk een dienstbetrekking aanbiedt. 4.Nadere voorwaarden en duur voorziening deze stimuleringspremie kan gestapeld worden met het scholings-/ begeleidingsbudget; het dagelijks bestuur beoordeelt de noodzaak tot het toekennen van de premie nadat de werving heeft plaatsgevonden; de noodzaak tot het verstrekken van de premie vervalt indien de proeftijd niet succesvol doorlopen wordt; de premie wordt niet eerder verstrekt dan de dag dat de proeftijd doorlopen is, na indiening van de eerste loonstrook en het arbeidscontract; de werkgever heeft de intentie om het contract bij goed functioneren te verlengen; de arbeidsovereenkomst heeft een omvang van minimaal 12 uur per week; de premie bedraagt voor mensen van 27 jaar en ouder maximaal € 5.000 bij een periode van 1 jaar op basis van een dienstverband van minimaal 32 uur. In geval van een halfjaarcontract bedraagt de premie maximaal € 2.500; de premie bedraagt voor mensen tot 27 jaar maximaal € 2.700 bij een periode van 1 jaar op basis van een dienstverband van minimaal 32 uur. In geval van een halfjaarcontract bedraagt de premie maximaal € 1.350; de premie wordt maandelijks uitgekeerd na ontvangst van het declaratieformulier; de premie wordt naar rato verlaagd bij een dienstverband van een lager aantal uren; de werkgever ontvangt of ontving geen tegemoetkoming in de loonkosten voor de betreffende werknemer; bij het beoordelen van de noodzaak wordt meegewogen de eventuele andere voorzieningen die reeds zijn ingezet, om een stapeling van voorzieningen te voorkomen; een werkgever kan slechts eenmaal in aanmerking komen voor een stimuleringspremie voor dezelfde werknemer, 5.Gronden voor beëindiging Niet van toepassing. Wanneer stimuleringspremie is uitbetaald kan deze niet meer worden ingetrokken door het dagelijks bestuur. §2.5.Verplichtingen gericht op re-integratie en arbeidsinschakeling ARTIKEL2:5:1.VERPLICHTINGEN TIJDENS DE INSPANNINGSPERIODE 1.Een persoon die een aanvraag voor een bijstandsuitkering heeft ingediend of zich heeft gemeld voor een bijstandsuitkering, dient de eerste vier weken de volgende acties te ondernemen: 20 sollicitaties op realistische vacatures; sollicitaties noteren op het sollicitatieformulier; volledig inschrijven op werk.nl; aanmaken van de Werkmap op werk.nl en het plaatsen van het CV; meedoen aan het aanbod van Talent2Work-activiteiten en andere vanuit Het dagelijks bestuur voorgestelde re-integratie-inspanningen; zorgen voor vervoer om tijdig op de werkplek te kunnen komen; regelen van kinderopvang; gebruik maken van voorzieningen die persoonlijke belemmeringen met betrekking tot arbeidsinschakeling wegnemen dan wel beperken; het verstrekken van alle informatie die van belang is met het oog op de arbeidsinschakeling. 2.Voor een jongere tot 27 jaar gelden in beginsel de volgende aanvullende verplichtingen: De jongere dient zijn of haar mogelijkheden tot het terugkeren naar school te onderzoeken. De jongere dient gebruik te maken van de gespecialiseerde (regionale) dienstverlening voor jongeren op grond waarvan een advies richting het dagelijks bestuur wordt uitgebracht voor wat betreft de scholingsmogelijkheden van de jongere. 3.De inspanningsverplichting is niet van toepassing indien: er zwaarwegende redenen bestaan in de individuele situatie van de belanghebbende, die ertoe leiden dat een persoon niet in staat kan worden geacht aan de in lid 1 en lid 2 genoemde verplichtingen te voldoen. het een belanghebbende betreft van 27 jaar of ouder die direct voor de melding verbleef in een AZC. ARTIKEL2:5:2.SOLLICITATIES TIJDENS INSPANNINGSPERIODE De vereisten rondom het verrichten van sollicitaties tijdens de inspanningsperiode, zoals opgenomen in het vorige artikel, zijn tenminste de volgende: a.het betreffen serieuze sollicitaties. Het dagelijks bestuur beoordeelt tijdens - en eventueel na - een gesprek de kwaliteit en kwantiteit van de sollicitaties. Wanneer de sollicitatie(brief) niet voldoet aan de eisen, telt de sollicitatie niet mee. Het dagelijks bestuur kan contact opnemen met de werkgever bij wie belanghebbende heeft gesolliciteerd; b.al het werk is passend: indien een belanghebbende ergens een kans heeft op werk, moet hij solliciteren, ongeacht het soort werk; c.de belanghebbende begint direct nadat de inspanningsverplichting wordt opgelegd met solliciteren. Belanghebbende verstuurt wekelijks een aantal sollicitaties en wacht niet tot het laatste moment; d.belanghebbende bewaart bewijsstukken met betrekking tot zijn sollicitaties zoals sollicitatiebrieven, inschrijfbewijzen, uitnodigingen en eventuele afwijzingen van werkgevers. ARTIKEL2:5:3.PLAN VAN AANPAK 1.In beginsel wordt voor iedere belanghebbende een plan van aanpak opgesteld. 2.Het plan van aanpak wordt bij toekenning van de uitkering meegestuurd met de toekenningsbeschikking. 3.Het plan van aanpak wordt opgesteld op basis van een intake- en diagnoseproces van de belanghebbende. 4.In het plan van aanpak wordt, zoals opgenomen in artikel 44a van de Participatiewet, in ieder geval het volgende opgenomen: Indien van toepassing de uitwerking van de ondersteuning; de verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling en de gevolgen van het niet naleven van die verplichtingen. ARTIKEL2:5:4.WAARSCHUWING IN PLAATS VAN VERLAGING 1.Voor de gedraging "het zich niet (tijdig) laten registeren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet (tijdig) laten verlengen van de registratie", zoals opgenomen in artikel 30 sub b en 32 sub b van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz, wordt in plaats van het opleggen van een maatregel eerst een waarschuwing gegeven, tenzij: de belanghebbende zich in de 12 maanden voor de gedraging reeds eerder schuldig heeft gemaakt aan een als verwijtbaar aangemerkte gedraging uit dezelfde categorie; duidelijk is dat de belanghebbende ondubbelzinnig niet aan deze verplichting wil voldoen. ARTIKEL2:5:5.ARTIKEL 17 LID 2 VAN DE PARTICIPATIEWET Bij de toepassing van artikel 17 lid 2 Participatiewet wordt onder "het verlenen van medewerking aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met zijn arbeidsinschakeling" ook begrepen een dergelijke oproep door een begeleider bij de begeleidingspartijen. §2.6.Scholingsverplichting ARTIKEL2:6:1.UITGANGSPUNTEN SCHOLINGSVERPLICHTING 1.Alle jongeren onder de 27 jaar kunnen terug naar school, tenzij terugkeer naar school redelijkerwijs niet van hen kan worden verwacht. 2.Terugkeer naar school kan niet redelijkerwijs worden verwacht wanneer: het een jongere betreft met een toereikende startkwalificatie (MBO2-niveau of hoger en Havo/VWO), mits de afgeronde opleiding voldoende arbeidsmarktperspectief biedt; het studieadvies uitwijst dat het voor de jongere niet haalbaar is om terug naar school te gaan; er in de individuele situatie van de jongere zeer bijzondere omstandigheden bestaan die een reële belemmering vormen om terug naar school te gaan. 3.Een jongere kan pas terug naar school vanaf het moment dat de opleidingen ook daadwerkelijk starten. ARTIKEL2:6:2.INFORMATIEPLICHT JONGERE M.B.T. SCHOLINGSVERPLICHTING 1.De jongere die aangeeft niet terug naar school te kunnen, dient met bewijsstukken aan te tonen dat het volgen van een uit ’s Rijks kas bekostigde opleiding niet mogelijk is. 2.Indien de jongere de benodigde bewijsstukken zoals bedoeld in lid 1 niet kan overleggen en dit niet verwijtbaar is, kan indien nodig een medisch- dan wel arbeidsdeskundig advies worden ingewonnen naar de belemmeringen van de jongere. §2.7.Ontheffingen ARTIKEL2:7:1.VERLENEN ONTHEFFINGEN WEGENS DRINGENDE REDENEN 1.Een uitkeringsgerechtigde wordt slechts ontheven van een of meer verplichtingen zoals genoemd in artikel 9 lid 1 sub a of c Participatiewet wanneer er hiervoor dringende redenen aanwezig zijn. 2.Een uitkeringsgerechtigde wordt ontheven van de verplichtingen over de periode waarover de belemmering zich voordoet, doch maximaal voor de periode van 1 jaar. 3.Na de periode van maximaal 1 jaar vindt een herbeoordeling plaats, die in het geval van ongewijzigde dan wel voortdurende omstandigheden administratief kan worden afgehandeld. 4.Dringende redenen zoals bedoeld in lid 1 kunnen voortkomen uit zorgtaken, psychische en medische belemmeringen. 5.Een ontheffing gaat in beginsel vergezeld van een verplichting om de omstandigheden, die maken dat een ontheffing noodzakelijk is, teniet te doen, indien dit binnen het vermogen van de belanghebbende ligt. ARTIKEL2:7:2.ONTHEFFING WEGENS LICHAMELIJKE OF PSYCHISCHE BELEMMERING 1.Indien een belanghebbende vanwege lichamelijke of psychische belemmering niet aan de verplichtingen kan voldoen, kan (gedeeltelijke) ontheffing worden verleend. 2.Een belanghebbende wordt enkel ontheven van die verplichtingen waaraan hij vanwege zijn belemmeringen niet kan voldoen; lichamelijke of psychische belemmering sluiten deelname aan het arbeidsproces vaak niet volledig uit. 3.Bij het afstemmen van de plicht tot arbeidsinschakeling op de individuele omstandigheden van de belanghebbende, kan een advies van een arbeids- dan wel medisch deskundige worden ingewonnen. 4.Indien uit reeds beschikbare (recente) medische gegevens objectief kan worden vastgesteld dat een ontheffing al dan niet dient te worden verleend, dan is een medisch onderzoek overbodig. ARTIKEL2:7:3.ONTHEFFING WEGENS INTENSIEVE ZORGTAKEN 1.Zorgtaken zoals bedoeld in artikel 9 lid 2 van de Participatiewet kunnen in bepaalde gevallen als dringende redenen worden aangemerkt op grond waarvan een ontheffing kan worden verleend. 2.De zorgtaak die wordt aangemerkt als dringende reden moet voldoen aan bepaalde voorwaarden: de betreffende zorgtaak is niet te combineren met de verplichting tot arbeidsinschakeling; er kan voor de zorgtaak geen of slechts een gedeeltelijk beroep gedaan worden op een voorliggende voorziening; het betreft bijzondere zorg voor een zieke / anderszins hulpbehoevende bloed-of aanverwant, en dus niet de reguliere opvoeding of zorg; de duur van de ontheffing is conform hetgeen gesteld in dit artikellid, dan wel zoveel korter als dat de zorgtaak wordt uitgevoerd. 3.Wanneer er bij het aanbieden van een voorziening rekening gehouden kan worden met de betreffende zorgtaken, worden de zorgtaken voor dat gedeelte niet als dringend beoordeeld. ARTIKEL2:7:4.REKENING HOUDEN MET BEPAALDE ZORGTAKEN 1.Bij de invulling van de arbeidsverplichtingen houdt het dagelijks bestuur rekening met een verantwoorde invulling van de combinatie werk en zorg. 2.Het dagelijks bestuur houdt bij het aanbieden van voorzieningen rekening met volgende zorgtaken: de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. 3.Wanneer rekening wordt gehouden met de zorgtaak, dan wordt een voorziening, met name qua tijdsindeling, zo ingericht dat deze naast de zorgtaak kan worden uitgevoerd. 4.Enkel voor zorgtaken die voldoen aan de voorwaarden zoals beschreven in artikel 2:7:3, kan ontheffing worden verleend. §2.8.Verzoek tot herziening maatregel ARTIKEL2:8:1.VERZOEK TOT HET HERZIEN VAN EEN MAATREGEL 1.Indien een maatregel van 100% van de bijstandsnorm is opgelegd wegens schending van één van de verplichtingen genoemd in artikel 18, lid 4 van de Participatiewet, met een duur van twee maanden of langer, kan de belanghebbende een schriftelijk en gemotiveerd verzoek doen aan het dagelijks bestuur om deze maatregel te herzien. 2.In dit verzoek dient in ieder geval opgenomen te zijn: een beschrijving van de geschonden verplichting; en een verklaring, eventueel met ondersteunende bewijsstukken, waarin de belanghebbende aantoont dat hij op het moment van indienen van het verzoek wél ondubbelzinnig aan de verplichting voldoet, dan wel de wijze waarop hij dit aan het dagelijks bestuur kan aantonen. 3.Het dagelijks bestuur beoordeelt op basis van het verzoek of de maatregel herzien dient te worden. 4.Een verzoek kan niet eerder worden ingediend dan de dag waarop de effectuering van de maatregel start. 5.Indien belanghebbende aantoont ondubbelzinnig te voldoen aan de verplichting waarvoor een maatregel is opgelegd, dan gaat de herziening in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin belanghebbende het verzoek tot herziening heeft ingediend. 6.Een verzoek tot herziening van de maatregel heeft geen opschortende werking voor wat betreft het effectueren van de maatregel. 7.Een belanghebbende kan voor ieder besluit dat heeft geleid tot oplegging van een maatregel slechts eenmaal een verzoek tot herziening indienen. 8.Een belanghebbende kan per jaar niet meer dan twee maal een verzoek tot herziening indienen . 9.Indien daartoe aanleiding bestaat, kan het dagelijks bestuur ambtshalve besluiten over te gaan tot herziening van de maatregel. 10.Het dagelijks bestuur geeft belanghebbende schriftelijke terugkoppeling op het verzoek van belanghebbende. Er wordt aangegeven of het verzoek aanleiding is geweest om de maatregel te herzien. §2.9.Bijzondere bepalingen ARTIKEL2:9:1.SUBSIDIE- EN BUDGETPLAFONDS 1.De omvang van de voorzieningen wordt jaarlijks door het dagelijks bestuur vastgesteld. 2.Het budget voor de in deze beleidsregels genoemde voorzieningen wordt jaarlijks door het dagelijks bestuur vastgesteld op grond van de door het Ministerie en/of de gemeenten beschikbaar gestelde middelen. HOOFDSTUK 3. - COMMERCIËLE KOSTENDELING §3.1.Algemene bepalingen ARTIKEL3:1:1.AANVULLENDE BEGRIPSBEPALINGEN 1.commerciële kamerbewoner: de persoon die een kamer huurt op commerciële basis, niet is een bloedverwant in de eerste of tweede graad van de hoofdbewoner en wiens woonsituatie voldoet aan het volgende: er is sprake van huur op contractbasis én er is sprake van een commerciële relatie wat blijkt uit de aanwezigheid van een overeenkomst en betaling van een commerciële prijs, zoals bedoeld in het vierde lid én het onder te huren deel van de woning is geschikt voor bewoning én de kamerbewoner staat ingeschreven in de basisadministratie van de gemeente op het onderhuuradres; 2.commerciële kostganger: de persoon die op commerciële basis inwoont, niet is een bloedverwant in de eerste en tweede graad van de hoofdbewoner en tevens bij de verhuurder de maaltijden gebruikt. De woonsituatie moet voldoen aan het volgende: er is sprake van een vergoeding op contractbasis én er is sprake van een commerciële relatie wat blijkt uit de aanwezigheid van een overeenkomst en betaling van een commerciële prijs én de woning is geschikt voor inwoning en er is toestemming verleend door de eigenaar van het pand én de kostganger staat ingeschreven in de basisadministratie van de gemeente op het onderhuuradres; 3.commerciële gebruiker andere woonvormen: de persoon die op commerciële basis de woonvorm gebruikt en niet is een bloedverwant in de eerste en tweede graad van de hoofdbewoner. De woonsituatie moet voldoen aan het volgende: er is sprake een gebruikersvergoeding op contractbasis én er is sprake van een commerciële relatie wat blijkt uit de aanwezigheid van een gebruikersovereenkomst en betaling van een commerciële prijs én de woning is geschikt voor bewoning en er is toestemming verleend door de eigenaar van het pand én de gebruiker staat ingeschreven in de basisadministratie van de gemeente op het woonadres; 4.commerciële prijs: bij kamerbewoning: een bedrag voor de huur (excl. o.a. servicekosten) en het gebruik van gas, elektra en water van tenminste de basishuur zoals gebruikt bij de huurtoeslag op basis van de Wet op de huurtoeslag; bij kostgangerschap: het bedrag onder 4a. vermeerderd met de voedingskosten; bij andere woonvormen: een bedrag aan gebruikerskosten (incl. servicekosten) zoals die in de gebruikersovereenkomst zijn opgenomen en het gebruik van gas, elektra en water van tenminste de basishuur zoals gebruikt bij de huurtoeslag op basis van de Wet op de huurtoeslag; 5.hoofdbewoner: een belanghebbende die eigenaar of hoofdhuurder is van woonruimte en die in dezelfde woonruimte hoofdverblijf heeft; 6.woonkosten: indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende huurprijs zoals gebruikt voor de huurtoeslag; indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor groot onderhoud; 7.woonlasten: hetgeen in geld verschuldigd is voor het (mede)gebruik van voorzieningen, aanwezig in de woonruimte, waarin wordt gewoond zoals energiekosten etc. conform constante jurisprudentie op grond van de wet 8.woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip, als bedoeld in artikel 3, zesde lid van de wet. ARTIKEL3:1:2.TOEPASSELIJKHEID De bepalingen van deze beleidsregels gelden alleen voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder. §3.2.Criteria voor het verlagen van de norm ARTIKEL3:2:1.VERLAGING IN VERBAND MET WOONSITUATIE 1.De verlaging van de uitkering in verband met de woonsituatie, zoals bedoeld in artikel 27 van de wet bedraagt: 10% van de gehuwdennorm als een woning wordt bewoond waarvoor de belanghebbende geen woonkosten of woonlasten verschuldigd is; 20% van de gehuwdennorm als een woning wordt bewoond waarvoor de belanghebbende geen woonkosten en geen woonlasten verschuldigd is; 2.Lid 1 van dit artikel is niet van toepassing op belanghebbenden waarop de kostendelersnorm van toepassing is; 3.De uitkering wordt niet verlaagd als er sprake is van commerciële kamerbewoning, commercieel kostgangerschap of commercieel gebruik van andere woonvormen; 4.Als er sprake is van een niet-commerciële kamerbewoner, niet-commerciële kostganger of niet-commercieel gebruik van andere woonvormen telt deze persoon mee voor de kostendelersnorm zoals bedoeld in artikel 22a van de wet. ARTIKEL3:2:2.INKOMSTEN UIT COMMERCIËLE VERHUUR 1.Als de hoofdbewoner de woning deelt met inwonende commerciële kamerbewoner(

  1. s)of commerciële kostganger(
  2. s)dan wordt de ontvangen huur minus de gemiste huurtoeslag als inkomen in mindering gebracht op de uitkering. 2.Belanghebbende toont het in lid 1 van dit artikel genoemde aan door navolgende gegevens in te leveren: een huur- of kostgangersovereenkomst(
  3. en)én; bankafschriften waaruit duidelijk blijkt dat de gevraagde prijs werkelijk wordt betaald én; een beschikking huurtoeslag. HOOFDSTUK4.- INDIVIDUELE INKOMENSTOESLAG §4.1.Algemene bepalingen ARTIKEL4:1:1.AANVULLENDE BEGRIPSBEPALINGEN 1.Peildatum: datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt; 2.Referteperiode: periode van vijf jaar voorafgaand aan de peildatum; 3.Verordening: Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz. §4.2.Criteria voor het recht op inkomenstoeslag ARTIKEL4:2:1.RECHTHEBBENDE INDIVIDUELE INKOMENSTOESLAG 1.Een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, heeft recht op de individuele inkomenstoeslag als: hij een langdurig een laag inkomen heeft en geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 Participatiewet; geen uitzicht heeft op inkomensverbetering en; de persoonlijke omstandigheden hiertoe aanleiding geven. 2.Tot de omstandigheden, bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval gerekend: de krachten en bekwaamheden van de persoon. Als de persoon met zijn krachten en bekwaamheden geen zicht heeft op inkomensverbetering, is er recht op een individuele inkomenstoeslag. de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen. Een persoon met algemene bijstand op grond van de Participatiewet of een IOAW- of IOAZ-uitkering, wordt geacht voldoende inspanningen te hebben verricht om tot inkomensverbetering te komen, als jegens hem gedurende de laatste 12 maanden voor de peildatum geen maatregel is opgelegd wegens schending van de arbeids- en/of re-integratieverplichtingen. 3.Wanneer de belanghebbende gedurende 60 maanden voor de peildatum een inkomen heeft ontvangen dat lager is dan 105% van de bijstandsnorm gemiddeld per jaar en geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de wet, dan wordt de belanghebbende geacht met zijn krachten en bekwaamheden geen zicht op inkomensverbetering te hebben. ARTIKEL4:2:2.ONDERZOEK NAAR INSPANNINGEN IN ANDERE GEVALLEN 1.In de volgende gevallen hoeft geen onderzoek naar de inspanningen te worden verricht: Bij personen die aantoonbare medische en/of sociale beperkingen hebben, of die om andere redenen geen arbeidsperspectief hebben. Dit geldt zowel voor personen die algemene bijstand of een IOAW- of IOAZ-uitkering ontvangen, als voor niet-uitkeringsgerechtigden. Personen met een WIA-, WAZ- of Wajong-uitkering berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80 – 100% worden in beginsel geacht voldoende getracht te hebben algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. Personen die in de referteperiode zakgeld van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) hebben ontvangen, kunnen in aanmerking komen voor een individuele inkomenstoeslag. Ten aanzien van deze personen wordt over de periode waarin de belanghebbende in het AZC verbleef geen onderzoek ingesteld naar de inspanningen om tot inkomensverbetering te komen. 2.In alle andere gevallen moet de aanvrager gegevens aanleveren waaruit blijkt dat hij zich voldoende heeft ingespannen om tot inkomensverbetering te komen. 3.Men moet de afgelopen 12 maanden ingeschreven hebben gestaan bij het UWV en over de laatste 6 maanden sollicitatieactiviteiten kunnen aantonen. ARTIKEL4:2:3.PEILDATUM VERMOGENSTOETS 1.In aanmerking wordt genomen het vermogen waarover de belanghebbende op de peildatum beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. 2.Wanneer uit voorhanden zijnde gegevens blijkt dat in de referteperiode over een aanzienlijk vermogen is beschikt, wat uit het oogpunt van bijstandsverlening niet te rechtvaardigen is, wordt de toeslag geweigerd. HOOFDSTUK5.- INKOMSTENVRIJLATING ARTIKEL5:1.INKOMSTENVRIJLATING ALLEENSTAANDE OUDERS MET KINDEREN ONDER DE 12 JAAR 1.Definitie Het gedeeltelijk vrijlaten van inkomsten uit deeltijdarbeid voor alleenstaande ouders met kinderen onder de 12 jaar die als gevolg van de combinatie zorg-arbeid een urenbeperking hebben voor de arbeidsinschakeling en waarbij die arbeid bijdraagt aan het behoud van perspectief op inkomsten uit huidige en toekomstige arbeid. 2.Doel Een belanghebbende met een urenbeperking in verband met de zorg voor kinderen tot 12 jaar stimuleren deeltijdarbeid te aanvaarden, waardoor de arbeid bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van belanghebbende. 3.Doelgroep De belanghebbende van 27 jaar en ouder en jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd met een urenbeperking in verband met de zorg voor kinderen tot 12 jaar. 4.Nadere voorwaarden de vrijlating wordt bepaald overeenkomstig het bepaalde in artikel 31, lid 2 onder n en r van de Participatiewet, artikel 8, lid 2 van de IOAW en artikel 8, lid 3 van de IOAZ; de inkomsten worden conform de bepalingen in artikel 31, lid 2 onder n en gedurende ten hoogste zes maanden en daarna op grond van artikel 31, lid 2 onder r van de Participatiewet, artikel 8, lid 2 IOAW en artikel 8, lid 3 IOAZ gedurende nog eens maximaal 30 aaneengesloten maanden, niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend; de inkomstenvrijlating wordt toegekend met ingang van de eerste werkdag in die maand waarover de betreffende inkomsten zijn verworven. geen inkomstenvrijlating wordt toegepast over inkomsten die door belanghebbende zijn verzwegen en waarbij de teveel of ten onrechte verstrekte bijstand of uitkering op grond van de IOAW/IOAZ alsnog door het dagelijks bestuur wordt teruggevorderd of verrekend. 5.Gronden voor beëindiging Het gestelde in artikel 5 van de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz is onverkort van toepassing. HOOFDSTUK 6. - BESTUURLIJKE BOETE §6.1.Algemene bepalingen ARTIKEL6:1:1.SPONTANE INLICHTINGENVERPLICHTING De spontane inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid, van de IOAW, artikel 13, eerste lid van de IOAZ en artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen moet onverwijld worden nagekomen. Onder ‘onverwijld’ wordt verstaan het melden op het eerstvolgende rechtmatigheidsonderzoeksformulier dan wel het melden binnen vijf werkdagen op het mutatieformulier nadat het feit of de omstandigheid zich heeft voorgedaan, dan wel het feit kenbaar werd of redelijkerwijs kenbaar had kunnen zijn voor belanghebbende. ARTIKEL6:1:2.WAARSCHUWING 1.Het dagelijks bestuur ziet af van het opleggen van een boete en er wordt volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing indien: het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag; het benadelingsbedrag niet hoger is dan € 150,00; de belanghebbende een wijziging van omstandigheden niet onverwijld doorgeeft, maar binnen 60 dagen alsnog de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd en deze inlichtingen niet zijn verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van de inlichtingenplicht. 2.In afwijking van het eerste lid legt het dagelijks bestuur wel een boete op indien: de schending van de inlichtingenplicht plaatsvindt binnen twee jaar nadat in verband met een eerdere schending van de inlichtingenplicht een bestuurlijke boete of waarschuwing is opgelegd; het dagelijks bestuur het gegronde vermoeden heeft dat de inlichtingenplicht opzettelijk is geschonden [Opzet moet dan ook echt bewezen zijn, wat niet snel het geval zal zijn]. 3.Indien er sprake is van een situatie zoals bedoeld in lid 2 van dit artikel geldt dat: de boete wordt vastgesteld op € 150,00 indien de inlichtingenplicht opzettelijk is geschonden; de boete wordt vastgesteld op € 40,00 indien sprake is van grove schuld of normale, gemiddelde verwijtbaarheid ten aanzien van de schending van de inlichtingenplicht; (opnieuw) een waarschuwing wordt opgelegd als sprake is van verminderde verwijtbaarheid ten aanzien van de schending van de inlichtingenplicht. 4.In afwijking van het derde lid van dit artikel wordt de hoogte van de boete verlaagd indien dit vanwege bijzondere omstandigheden noodzakelijk is voor de vaststelling van een evenredige bestuurlijke boete. ARTIKEL6:1:3.AFZIEN VAN BESTUURLIJKE BOETE 1.Het dagelijks bestuur kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien het niet nakomen van een verplichting niet aan de belanghebbende kan worden verweten omdat hij/zij op het moment dat hij/zij aan de verplichting moest voldoen in onvoorziene en ongewenste omstandigheden verkeerde die niet tot het normale levenspatroon behoren en die het de belanghebbende feitelijk onmogelijk maakten om aan zijn/haar verplichtingen te voldoen waardoor het hem niet valt toe te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig of volledig zijn verstrekt; 2.Het dagelijks bestuur kan afzien van een boete bij dringende reden. Van een dringende reden kan sprake zijn, als het opleggen van een boete, in de individuele situatie, vanwege zeer uitzonderlijke en bijzondere omstandigheden onaanvaardbare consequenties zou hebben voor belanghebbende of zijn gezin. ARTIKEL6:1:4.MAXIMALE BOETE EN AFRONDING 1.De boete wordt nooit hoger vastgesteld dan de maximumboete, zoals die kan worden opgelegd op grond van het Wetboek van Strafrecht, artikel 23, vierde lid. 2.Het dagelijks bestuur geeft uitvoering aan artikel 2, tweede lid van het Boetebesluit socialezekerheidswetten aangaande de afronding van de boete, wanneer de boete lager is vastgesteld dan het benadelingsbedrag. Wanneer de boete wordt opgelegd, dan wordt deze naar beneden afgerond op een veelvoud van € 10,00. ARTIKEL6:1:5.VERWIJTBAARHEID 1.Het dagelijks bestuur stelt de boete vast op een verlaagd percentage van het benadelingsbedrag indien er sprake is van: verminderde verwijtbaarheid zoals bedoeld in artikel 2a, tweede lid van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten; een samenstel van omstandigheden, die elk op zich niet, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd, wel leiden tot het oordeel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid; gedeelde verwijtbaarheid. Van gedeelde verwijtbaarheid is sprake wanneer het verzuim dat verband houdt met de schending, deels valt toe te rekenen aan het handelen of het verzuim van het dagelijks bestuur. 2.In alle andere situaties stelt het dagelijks bestuur de hoogte van de boete vast zoals opgenomen in artikel 6:1:6 van deze beleidsregels. ARTIKEL6:1:6.VASTSTELLEN HOOGTE BOETE 1.De hoogte van de boete wordt vastgesteld op: 100% van het benadelingsbedrag indien de inlichtingenplicht opzettelijk is geschonden; 75% van het benadelingsbedrag indien sprake is van grove schuld ten aanzien van de schending van de inlichtingenplicht; 50% van het benadelingsbedrag indien geen sprake is van opzet of grove schuld ten aanzien van de schending van de inlichtingenplicht; 10% van het benadelingsbedrag indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid ten aanzien van de schending van de inlichtingenplicht. 1.Bij recidive worden de percentages, genoemd in lid 1 van dit artikel, toegepast op het benadelingsbedrag vermenigvuldigd met 150% van dit bedrag. 2.Bij toepassing van het eerste en tweede lid is de boete in ieder geval niet hoger dan: 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm en 100% van het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm vermenigvuldigd met 24 maanden indien de inlichtingenplicht opzettelijk is geschonden; 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm en 100% van het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm vermenigvuldigd met 18 maanden indien sprake is van grove schuld ten aanzien van de schending van de inlichtingenplicht; 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm en 100% van het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm vermenigvuldigd met 12 maanden indien geen sprake is van opzet of grove schuld ten aanzien van de schending van de inlichtingenplicht; 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm en 100% van het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm vermenigvuldigd met 6 maanden indien sprake is van verminderde verwijtbaarheid ten aanzien van de schending van de inlichtingenplicht. 3.Indien de hoogte van de op te leggen boete lager is dan € 40,00 wordt afgezien van het opleggen van een bestuurlijke boete en wordt volstaan met het opleggen van een schriftelijke waarschuwing. 4.De hoogte van de boete wordt verlaagd indien dit vanwege bijzondere omstandigheden noodzakelijk is voor de vaststelling van een evenredige bestuurlijke boete. 5.Bij cumulatie van boetes wordt de hoogste boete opgelegd. Het gaat dan om meerdere schendingen van de inlichtingenplicht over dezelfde periode. §6.2.Algemene bepalingen ARTIKEL6:2:1.PROCEDURE EN ZIENSWIJZE 1.Indien sprake is van een benadelingsbedrag hoger dan het bedrag vermeld in artikel 5.53 Awb, wordt de belanghebbende uitgenodigd om zijn zienswijze mondeling dan wel schriftelijk naar voren te brengen binnen een door het dagelijks bestuur gestelde termijn. 2.Als belanghebbende niet reageert op de uitnodiging om diens zienswijze naar voren te brengen, wordt de boete afgehandeld vanuit de gegevens zoals bekend bij het dagelijks bestuur. 3.In afwijking van lid 1 kan een belanghebbende bij een benadelingsbedrag lager dan het bedrag vermeld in artikel 5.53 Awb ook zijn zienswijze geven, indien hiertoe door de belanghebbende wordt verzocht of indien de situatie daartoe aanleiding geeft. ARTIKEL6:2:2.VERREKENEN VOOR ANDERE GEMEENTE Het dagelijks bestuur verrekent de recidiveboete die is opgelegd door een andere gemeente, met inachtneming van de beslagvrije voet indien belanghebbende hierom verzoekt, tenzij er sprake is van dringende redenen die leiden tot een situatie van kennelijk onredelijke en onbillijke aard. HOOFDSTUK7.- TERUGVORDERING, VERHAAL EN INVORDERING §7.1.Herziening en intrekking ARTIKEL7:1:1.GEBRUIK MAKEN VAN DE WETTELIJKE BEVOEGDHEID Het dagelijks bestuur maakt gebruik van de bevoegdheid tot: a.het herzien of intrekken van het recht op bijstand ingevolge artikel 54 lid 3 en 4 van de Participatiewet; b.het herzien of intrekken van het recht op IOAW ingevolge artikel 17 lid 3 en 4 van de IOAW; c.het herzien of intrekken van het recht op IOAZ ingevolge artikel 17 lid 3 en 4 van de IOAZ. ARTIKEL7:1:2.HERZIENING OF INTREKKING VAN HET TOEKENNINGSBESLUIT Een besluit tot toekenning van bijstand wordt herzien of ingetrokken indien: a.het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting als bedoeld in artikel 17 lid 1 Participatiewet, artikel 13 lid 1 IOAW, artikel 13 lid 1 IOAZ of artikel 30c lid 2 en 3 van de Wet Suwi, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een hoog bedrag verlenen van bijstand; b.anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. ARTIKEL7:1:3.AFZIEN VAN HERZIENING OF INTREKKING VAN HET TOEKENNINGSBESLUIT Het dagelijks bestuur kan op grond van dringende redenen besluiten af te zien van het nemen van een herzienings- of intrekkingsbesluit, tenzij sprake is van schending van de inlichtingenplicht. §7.2.Terugvordering ARTIKEL7:2:1.HET GEBRUIKMAKEN VAN DE WETTELIJKE BEVOEGDHEID Het dagelijks bestuur maakt gebruik van de bevoegdheid tot: a.het terugvorderen van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand zoals neergelegd in de artikelen 58 tot en met 60 van de Participatiewet; b.het terugvorderen van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende IOAW, zoals neergelegd in artikel 25 van de IOAW; c.het terugvorderen van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende IOAZ, zoals neergelegd in artikel 25 IOAZ. ARTIKEL7:2:2.TERUGVORDERING Bijstand wordt teruggevorderd in de gevallen zoals vermeld in deze artikelen. ARTIKEL7:2:3.TEN ONRECHTE VERLEENDE BIJSTAND Het dagelijks bestuur vordert bijstand terug van de belanghebbende voor zover deze bijstand: a.ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend; b.in de vorm van een geldlening is verleend en de uit de geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen; c.voortvloeit uit gestelde borgtocht; d.ingevolge artikel 52 Participatiewet, bij wijze van voorschot is verleend en nadien is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat; e.anderszins onverschuldigd is betaald en voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs kon begrijpen of; f.anderszins onverschuldigd is betaald, waaronder begrepen dat: de belanghebbende naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in artikel 31 Participatiewet, artikel 7, artikel 8 IOAW of artikel 8 IOAZ beschikt of kan beschikken; bijstand is verleend met een bepaalde bestemming en naderhand door de belanghebbende vergoedingen of tegemoetkomingen worden ontvangen met het oog op die bestemming; g.terugvordering als bedoeld onder e. vindt niet plaats, indien de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum van het besluit tot terugvordering. ARTIKEL7:2:4.TERUGVORDERING VAN GEZINSLEDEN Onverminderd het bepaalde onder artikel 7:2:1 worden kosten van bijstand, indien de bijstand aan een gezin, of alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen wordt verleend, van alle gezinsleden teruggevorderd indien: a.de bijstand als gezinsbijstand aan gehuwden had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 17, of artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet Suwi, niet of niet behoorlijk is nagekomen, worden de kosten van bijstand mede teruggevorderd van personen met wiens middelen als bedoeld in paragraaf 3.4. van de Participatiewet, artikel 7 WIJ, artikel 8 IOAW of artikel 8 IOAZ bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden; b.de onder a genoemde personen zijn hoofdelijk aansprakelijk voor terugbetaling van de kosten van bijstand die worden teruggevorderd. ARTIKEL7:2:5.TERUGVORDERINGSBESLUIT In het terugvorderingsbesluit deelt het dagelijks bestuur aan de belanghebbende mede: a.tot welk bedrag en over welke periode de ten onrechte ontvangen bijstand wordt teruggevorderd; b.de reden van de terugvordering; c.het wetsartikel dan wel artikel, dat ten grondslag ligt aan de terugvordering; d.de termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden, welke termijn wordt vastgesteld op betaling binnen zes weken, te rekenen vanaf de dag volgend op de dag van verzenddatum van de beschikking; e.op welke wijze het besluit, bij gebrekkige betaling, ten uitvoer zal worden gelegd; f.de mogelijkheid voor de belanghebbende om binnen zes weken na verzenddatum van de beschikking een betalingsregeling te treffen. g.de mogelijkheid dat indien het netto teveel betaalde bedrag aan bijstand niet is terugbetaald op 31 december, het restant alsnog bruto moet worden terugbetaald; h.de bezwaarmogelijkheid. ARTIKEL7:2:6.AFZIEN VAN HET NEMEN VAN EEN BESLUIT TOT TERUGVORDERING a.Het dagelijks bestuur neemt om pragmatische reden bij niet-fraudevorderingen lager dan € 50,00 op netto basis geen terugvorderingsbesluit. b.Het dagelijks bestuur besluit geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor een dringende reden aanwezig is. c.Indien op een later tijdstip blijkt dat belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid, treedt de wettelijke verplichting tot terugvordering in werking. §7.3.Kwijtschelding en tijdelijke opschorting wegens schuldenproblematiek ARTIKEL7:3:1.KWIJTSCHELDING WEGENS SCHULDENPROBLEMATIEK 1.In afwijking van artikel 7:2:3 kan het dagelijks bestuur besluiten tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de teruggevorderde bijstand indien: de terugvordering van bijstand niet het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de belanghebbende; redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met de betaling van zijn schulden, en; redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen, en de vordering van Het dagelijks bestuur wegens teruggevorderde bijstand ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de schuldeisers van gelijke rang; het bestaan van deze schulden de uitstroom van belanghebbende in belangrijke mate in de weg staat; sub a t/m d kunnen alleen tot afzien van terugvordering leiden indien de vordering niet wordt gedekt door pand of hypotheek of een goed of goederen. 2.Het besluit tot gedeeltelijk afzien van terugvordering wegens schuldenproblematiek treedt niet in werking voordat een schuldregeling tot stand is gekomen. ARTIKEL7:3:2.INTREKKING KWIJTSCHELDINGSBESLUIT SCHULDENPROBLEMATIEK Het besluit tot het gedeeltelijk afzien van terugvordering of tot het gedeeltelijk afzien van verdere invordering wordt ingetrokken of ten nadele van betrokkene gewijzigd indien: a.niet binnen 12 maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen; b.de belanghebbende zijn schuld aan het dagelijks bestuur niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of c.onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. ARTIKEL7:3:3.TIJDELIJKE OPSCHORTING VAN DE INVORDERING VAN FRAUDEVORDERINGEN WEGENS SCHULDENPROBLEMATIEK 1.In afwijking van artikel 7:2:3 kan het dagelijks bestuur besluiten tot tijdelijke opschorting van de invordering, welke het gevolg is van verwijtbaar gedrag, als: redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen, het bestaan van deze schulden de uitstroom van belanghebbende in belangrijke mate in de weg staat. 2.Het besluit tot gedeeltelijk afzien van terugvordering wegens schuldenproblematiek treedt niet in werking voordat een schuldregeling tot stand is gekomen. §7.4.Kwijtschelding ARTIKEL7:4:1.KWIJTSCHELDING NIET-VERWIJTBARE VORDERINGEN 1.In afwijking van artikel 7:2:3, en wanneer er geen sprake is van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand als bedoeld in artikel 58 eerste lid Participatiewet, of uitkering als bedoeld in artikel 25 eerste lid IOAW/IOAZ, kan het bestuur besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, indien de belanghebbende: gedurende vijf jaar volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan; gedurende vijf jaar niet volledig aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag over die periode, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, alsnog heeft betaald; gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht of niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten; een bedrag, overeenkomend met tenminste 50% van de restsom in één keer aflost. ARTIKEL7:4:2.KWIJTSCHELDING VERWIJTBARE VORDERINGEN 1.In afwijking van artikel 7:2:3 van deze beleidsregels en artikel 58 eerste lid Participatiewet, en artikel 25 eerste lid IOAW/IOAZ, kan het bestuur besluiten bij fraudevorderingen van terugvordering of van verdere terugvordering van bijstand als bedoeld in het eerste lid van artikel 58 Participatiewet of uitkering als bedoeld in het eerste lid van artikel 25 IOAW/IOAZ, af te zien indien de persoon van wie de kosten van bijstand of uitkering worden teruggevorderd voldoet aan de criteria zoals genoemd in artikel 58 zevende lid Participatiewet, of in artikel 25 zesde lid IOAW/IOAZ. 2.Ten aanzien van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand, als bedoeld in artikel 58 eerste lid Participatiewet, of uitkering als bedoeld in artikel 25 eerste lid IOAW/IOAZ, kan het bestuur, wanneer het terugvorderingsbesluit genomen is voor 1 januari 2013, besluiten van terugvordering of van verdere terugvordering af te zien, wanneer de persoon van wie de kosten van bijstand of uitkering worden teruggevorderd voldoet aan de criteria zoals genoemd in lid 1 van dit artikel. ARTIKEL7:4:3.GEEN KWIJTSCHELDING Kwijtschelding als bedoeld in artikelen 7:4:1, 7:4:2, vindt niet plaats indien: a.de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen, behoudens voor zover de vordering niet op de goederen verhaald kan worden; b.de terugvordering van bijstand zijn grondslag heeft in artikel 58 lid 2 sub f onder 1 en 2 Participatiewet, artikel 54 lid 1 sub c WIJ, artikel 25 lid 3 IOAW, of artikel 25 lid 3 IOAZ. ARTIKEL7:4:4.KWIJTSCHELDING WEGENS DRINGENDE REDENEN In afwijking van de artikelen 7:4:1, 7:4:2en 7:4:3 kan het dagelijks bestuur besluiten de vordering kwijt te schelden indien daarvoor een dringende reden aanwezig is. §7.5.Invordering van teruggevorderde bijstand ARTIKEL7:5:1.INVORDERINGSBESLUIT INDIEN VAN TOEPASSING In het invorderingsbesluit deelt het dagelijks bestuur aan de belanghebbende mede: a.op welk terugvorderingsbesluit de invordering betrekking heeft; b.de termijn of termijnen waarbinnen de belanghebbende de ten onrechte ontvangen bijstand dient terug te betalen; c.op welke wijze het besluit, bij gebrekkige betaling, ten uitvoer zal worden gelegd; d.de rente en kosten welke in rekening worden gebracht bij gebrekkige betaling; e.de bezwaarmogelijkheid. ARTIKEL7:5:2.DE HOOGTE VAN HET VAST TE STELLEN AFLOSSINGSBEDRAG 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 60, vierde lid van de Participatiewet en artikel 28, tweede lid van de IOAW en IOAZ en ongeacht de in artikel 4:87 van de Awb genoemde betalingstermijn, gaat het dagelijks bestuur bij een debiteur met Participatiewet-, IOAW-, IOAZ- of Bbz-uitkering, meteen na afgifte van het besluit tot terugvordering over tot verrekening van de vordering met een eventueel recht op bijstand of een uitkering in het kader van de IOAW of IOAZ. 2.De minimale aflossing van de in het eerste lid genoemde vordering wordt bepaald op 6% per maand van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, inclusief vakantiegeld. 3.De debiteur zonder Participatiewet-, IOAW-, IOAZ- of Bbz-uitkering dient de teveel betaalde bijstand dan wel uitkering ineens terug te betalen. Indien dit niet mogelijk is, kan deze debiteur verzoeken om een aflossingsregeling te treffen. 4.In navolging op het derde lid dient, bij het treffen van een regeling, de hoofdsom in maximaal 36 maanden te zijn voldaan met een minimale aflossing van 6% per maand van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, inclusief vakantiegeld. 5.In afwijking van het vierde lid kan een draagkrachtonderzoek worden verricht. Dit gebeurt alleen op gemotiveerd verzoek van de debiteur én indien een aflossing binnen 36 maanden leidt tot overschrijding van de beslagvrije voet. Bij het draagkrachtonderzoek geldt als draagkrachtruimte 6% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm vermeerderd met 50% van het bedrag boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm, inclusief vakantiegeld. ARTIKEL7:5:3.UITSTEL VAN BETALING 1.Een betalende debiteur kan voor een periode van maximaal 3 maanden, gemotiveerd verzoeken om uitstel van terugbetaling. 2.Na afloop van de het eerste lid genoemde periode wordt de incasso automatisch hervat. 3.In geval van dringende aantoonbare reden kan worden afgeweken van de periode genoemd in eerste lid. ARTIKEL7:5:4.DE HOOGTE VAN HET VAST TE STELLEN AFLOSSINGSBEDRAG BIJ GELDLENINGEN De aflossing van de geldlening wordt bepaald op 6% van deze van toepassing zijnde bijstandsnorm vermeerderd met 50% van het bedrag boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm. ARTIKEL7:5:5.VERREKENING, AFLOSSING EN BESLAGLEGGING Indien de belanghebbende niet bereid is tot het treffen van een minnelijke betalingsregeling of een eerder opgelegd betalingsverplichting niet meer nakomt, dan wordt het terugvorderingsbesluit ten uitvoer gelegd door middel van: a.verrekening met de maandelijks verleende bijstand ingevolge de Participatiewet, IOAW of IOAZ, of op grond van artikel 5:127 van het Burgerlijk Wetboek of bij het ontbreken van deze mogelijkheid; b.een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 478b tot en met 479g behoudens artikel 479e lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; c.een executoriaal beslag op onroerende zaken of onder derden overeenkomstig het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering door middel van inschakeling van een deurwaarder; d.indien het een terugvordering van bijstand betreft en de belanghebbende een uitkering of algemene bijstand of IOAW, IOAZ ontvangt van een andere gemeente, dan wel een uitkering ontvangt op grond van de Werkloosheidwet, de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, de Wet arbeid en zorg, de Toeslagenwet, de Algemene Ouderdomswet of de Algemene Nabestaandenwet, betaalt het dagelijks bestuur, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onderscheidenlijk de Sociale verzekeringsbank het bedrag van de terugvordering, zonder dat daar een machtiging voor nodig is van de belanghebbende, op verzoek aan het dagelijks bestuur, dat besluit tot terugvordering. e.tenzij de debiteur anders aangeeft gaat de aflossing van boete voor op de terugvordering. ARTIKEL7:5:6.AFZIEN VAN VERDERE INVORDERING Het dagelijks bestuur kan bij een restschuld van € 75,00 of minder om pragmatische reden afzien van verdere invordering. De voorwaarden zijn: a.de schuld kan niet worden verrekend met een uitkering levensonderhoud; b.de debiteur betaalt niet uit eigen beweging; c.bij een (rest)schuld welke het gevolg is van schending inlichtingenplicht, dateert de terugvorderingsbeschikking van voor 01-01-2013. §7.6.Verhaal ARTIKEL7:6:1.GEBRUIKMAKING VAN DE WETTELIJKE BEVOEGDHEID 1.Het dagelijks bestuur kan de kosten van bijstand verhalen tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek I van het Burgerlijk Wetboek tot maximaal de totale kosten van bijstand: op degene die bij het ontbreken van gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn echtgenoot, of minderjarig kind niet of niet behoorlijk nakomt [Waar hier gesproken wordt over echtgeno(o)t(
  4. e)wordt mede bedoeld de geregistreerd partner]; op het minderjarige kind dat zijn onderhoudsplicht jegens zijn ouders niet of niet behoorlijk nakomt; op degene die zijn onderhoudsplicht na echtscheiding of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed niet of niet behoorlijk nakomt; op degene die zijn onderhoudsplicht op grond van artikel 395a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek niet of niet behoorlijk nakomt jegens zijn meerderjarig kind aan wie bijzondere bijstand is verleend; op een derde waaraan door een bijstandsgerechtigde een schenking is gedaan, tenzij aannemelijk is dat de schenker ten tijde van de schenking de noodzaak van de bijstandsverlening redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien; ingeval er een vordering is die valt in een nalatenschap; bij het ontstaan van een vordering wegens toepassing van de Wet op de Lijkbezorging. 2.Buiten de gevallen aangegeven in deze beleidsregels vindt geen verhaal plaats. 3.Indexering: het dagelijks bestuur volgt de bij rechterlijke beschikking ingevolge artikel 1: 402a Burgerlijk Wetboek vastgestelde jaarlijkse indexering van de in rechte opgelegde onderhoudsbijdragen. 4.Verhaal in rechte: het dagelijks bestuur gaat bij uitblijven van (tijdige) betaling van de opgelegde onderhoudsbijdrage direct over tot het indienen van een verzoekschrift tot vaststelling van de verhaalsbijdrage bij de rechtbank (VIR-procedure). 5.Anders dan in lid 4 is bepaald, ziet het dagelijks bestuur af van verhaal in rechte indien er sprake is van een afgesloten vordering en de vordering minder dan € 600,00 bedraagt. ARTIKEL7:6:2.AFZIEN VAN VERHAAL 1.Het dagelijks bestuur kan geheel of gedeeltelijk van verhaal afzien indien daarvoor verifieerbare dringende redenen aanwezig zijn, in de zin dat het opleggen van een verhaalsbijdrage leidt tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de betrokkene(
  5. n)[De betrokkene(
  6. n)kan ook betreffen degene op wie verhaal wordt gezocht]. 2.Indien wordt ingeschat dat de dringende redenen slechts van tijdelijke aard zijn kan gedurende een afkoelingsperiode van drie maanden worden afgezien van verhaal, waarna middels een heronderzoek bezien wordt of er kan worden overgegaan tot verhaal. 3.Wanneer er sprake is van opname in een blijf-van-mijn-lijfhuis onder geheimhouding, kunnen dringende redenen worden aangenomen. 4.Indien de onderhoudsplichtige een buitenlandse nationaliteit heeft en buiten Nederland woont, dan kan van verhaal worden afgezien. 5.Indien het te verhalen bedrag lager is dan € 50,00 per maand kan worden besloten om af te zien van verhaal. Er wordt dan een heronderzoek ingepland voor over 2 jaar. ARTIKEL7:6:3.VASTSTELLING VERHAALSBIJDRAGE 1.Het dagelijks bestuur kan de kosten van de bijstand verhalen overeenkomstig de rechterlijke uitspraak in de zin van artikel 62b Participatiewet, indien de onderhoudsplichtige niet aan zijn verplichtingen van de uitvoerbare rechterlijke uitspraak voldoet. 2.Bij het ontbreken van een uitvoerbare rechterlijke uitspraak wordt de verhaalsbijdrage vastgesteld aan de hand van de draagkracht van de onderhoudsplichtige en de behoefte van de onderhoudsgerechtigde, waarbij de laagste van deze twee bedragen leidend is. 3.De draagkracht van de onderhoudsplichtige wordt vastgesteld conform de zogeheten TREMA-normen, zoals gepubliceerd in het Tijdschrift voor Rechtelijke Macht. 4.De draagkracht wordt vastgesteld op basis van door de onderhoudsplichtige ingediende bewijsstukken aangaande de financiële situatie. Wanneer geen gegevens worden ingeleverd is Suwinet leidend. 5.Wanneer in het geheel géén inkomsten (ook niet in Suwinet) van onderhoudsplichtige bekend zijn, wordt ambtshalve de bruto maandelijks aan onderhoudsgerechtigde verstrekte bijstand als onderhoudsverplichting opgelegd. 6.Eerdere afspraken die zijn gemaakt tussen de onderhoudsgerechtigde en de onderhoudsplichtigen - zoals een convenant - hoeven door het dagelijks bestuur niet te worden meegewogen in het besluit. 7.Een opgelegde onderhoudsverplichting gaat in per eerste van de maand, volgende op de maand van het eerste aanschrijven. ARTIKEL7:6:4.DEBITEUREN- HERONDERZOEK VERHAAL 1.De volgende termijnen gelden voor het starten van een heronderzoek verhaal: als zonder nader onderzoek / bewijsstukken is vastgesteld dat de onderhoudsplichtige geen draagkracht heeft, dan wordt er na 1 jaar een heronderzoek opgestart. als de onderhoudsplichtige gegevens heeft ingeleverd en uit berekening blijkt dat er geen draagkracht is, dan wordt er na 2 jaar een heronderzoek opgestart. als de onderhoudsplichtige gegevens heeft ingeleverd en er wordt een bijdrage opgelegd, dan wordt er na 4 jaar een heronderzoek opgestart. wanneer kan worden aangenomen dat de omstandigheden van de onderhoudsplichtige op korte termijn wijzigen of reeds gewijzigd zijn, wordt er een heronderzoek opgestart. 2.Indien de onderhoudsplichtige daartoe aanleiding ziet vanwege gewijzigde omstandigheden, dan kan deze verzoeken om een heronderzoek aangaande zijn of haar financiële draagkracht. Het dagelijks bestuur onderzoekt of de omstandigheden aanleiding geven tot gewijzigde vaststelling van het verhaalsbedrag en kan besluiten tot gewijzigde vaststelling van het verhaalsbedrag. 3.Deze omstandigheden zoals bedoeld in lid 1 sub d en lid 2 dienen van wezenlijke invloed te zijn op de reeds opgelegde verhaalsbijdrage, in de zin dat er een aanwijzing moet zijn dat de onderhoudsbijdrage per maand omhoog of omlaag zou moeten worden bijgesteld. 4.Is er een rechtelijke uitspraak, waarin de onderhoudsverplichting is opgenomen, dan wordt in geval van: het aantoonbaar ontbreken van draagkracht de bijdrage herzien; een aantoonbare draagkracht een herbeoordeling van de rechter gevraagd. De onderhoudsplichtige zelf dient de rechter te verzoeken het vonnis te wijzigen. 5.Wanneer uit de landelijke Basisregistratie persoonsgegevens (BRP) blijkt dat de onderhoudsplichtige vertrokken is, onbekend waarheen (VOW), voert het dagelijks bestuur tot maximaal 12 maanden na datum uitschrijving BRP de opgelegde onderhoudsverplichtingen op in de debiteurenadministratie. 6.Het dagelijks bestuur stelt in de onder lid 5 omschreven omstandigheden, tenminste 1x per 3 maanden gedurende een maximale periode van 60 maanden, een onderzoek in naar de woon- en verblijfplaats van onderhoudsplichtige. 7.Indien de woon- en verblijfplaats van onderhoudsplichtige weer wordt vastgesteld, wordt de opgelegde onderhoudsverplichting per datum inschrijving BRP weer geactiveerd, waarbij door het dagelijks bestuur per omgaande tot (dwang-) invordering wordt overgegaan. 8.Wanneer na het verloop van 60 maanden na de start van het in lid 2 bedoelde regelmatig onderzoek nog steeds géén woon- en verblijfplaats van onderhoudsplichtige bekend is, wordt door het dagelijks bestuur definitief afgezien van het opleggen van een onderhoudsverplichting en wordt de reeds opgevoerde vordering uit de debiteurenadministratie verwijderd. §7.7.Overige bepalingen ARTIKEL7:7:1.NIET NAKOMEN BETALINGSVERPLICHTING 1.De klant voldoet tijdig aan zijn betalingsverplichting als hij zijn verplichting nakomt binnen 6 weken na ontvangst van de terugvorderingsbeschikking. 2.Als de debiteur niet tijdig aan zijn betalingsverplichting voldoet, wordt een aanmaning verzonden met een betalingstermijn van 14 kalenderdagen. 3.Indien de debiteur na deze aanmaning nog steeds niet aan zijn betalingsverplichting voldoet, wordt, gelet op het gestelde in art. 4.119 en 4.120 Awb, een dwangbevel verzonden en wordt het executietraject opgestart. ARTIKEL7:7:2.TENUITVOERLEGGING BESLUIT Indien de belanghebbende niet bereid is tot het treffen van een minnelijke betalingsregeling, of een eerder opgelegde betalingsverplichting niet meer nakomt wordt het terugvorderingsbesluit tenuitvoergelegd door middel van: a.verrekening met de maandelijks verleende bijstand ingevolge de Participatiewet, de Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), op grond van artikel 5:127 van het Burgerlijk Wetboek, of bij het ontbreken van deze mogelijkheid, b.een executoriaal beslag overeenkomstig de artikelen 479b tot en met 479g, behoudens artikel 479e lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. c.overdracht aan de gerechtsdeurwaarder waarbij de invordering wordt verhoogd met de deurwaarderskosten. De invordering wordt verminderd met door het dagelijks bestuur in rekening gebrachte kosten van invordering. ARTIKEL7:7:3.RENTE EN KOSTEN 1.Als de belanghebbende in gebreke blijft met zijn betaling en conform artikel 29 een aanmaning wordt verzonden, wordt aan de belanghebbende op grond van artikel 4.113 Awb een vergoeding voor de aanmaning in rekening gebracht. 2.Als de belanghebbende na de aanmaning nog in gebreke blijft met zijn betaling wordt de vordering verhoogd met de kosten van de betekening en de tenuitvoerlegging van het conform artikel 7:7:1 verzonden dwangbevel, zijnde de gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten. 3.De gerechtelijke kosten worden berekend met toepassing van de op grond van artikel 434a van het Wetboek van Burgelijke Rechtsvordering vastgestelde tarieven die zijn neergelegd in het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders. 4.De buitengerechtelijke kosten worden bepaald op grond van het Besluit Vergoeding voor Buitengerechtelijke incassokosten (meestal vermeld als Wet op de Incasso / W.I.K.) en bedragen 15% van de verschuldigde hoofdsom met een minimum van € 40,00 en een maximum van € 680,00. 5.Zodra de vordering is overgedragen aan de gerechtsdeurwaarder, treedt artikel 7:7:1, lid 3, in werking. ARTIKEL7:7:4.WETTELIJKE RENTE 1.Ingevolge artikel 4:98 Awb is het dagelijks bestuur gerechtigd tot het innen van wettelijke rente indien de debiteur in verzuim is getreden. Om pragmatische redenen wordt de wettelijke rente, indien het dagelijks bestuur zelf overgaat tot invordering, niet berekend en niet in rekening gebracht. 2.In tegenstelling tot het eerste lid wordt van de bevoegdheid om wettelijke rente (art. 4:98 Awb) in rekening te brengen, gebruik gemaakt als de invordering van de bestuursrechtelijke geldschuld wordt uitbesteed aan derden (gerechtsdeurwaarder of incassobureau). 3.Indien periodieke bijstand als lening is verstrekt onder verband van krediethypotheek wordt, te rekenen vanaf de beëindigingsdatum van de periodieke bijstand, gedurende 10 jaar geen rente berekend. Na afloop van deze termijn wordt wel rente in rekening gebracht. 4.Het eerste lid is niet van toepassing wanneer sprake is van een in het kader van de Bbz opgezegde lening. Nadat de lening is opgezegd, wordt deze een vordering op grond van de Participatiewet. Het dagelijks bestuur gaat in deze over tot het innen van rente waarbij de rente gelijk is aan het bedrag en de berekening zoals deze gold binnen de Bbz-lening. ARTIKEL7:7:5.BRUTERING BIJSTAND Terugvordering geschiedt bruto, echter in een aantal situaties kan de terugvordering beperkt worden tot het bedrag van de netto verleende bijstand, IOAW en IOAZ, te weten: a.wanneer het een onbelaste verstrekking betreft, bijvoorbeeld in het kader van de bijzondere bijstandsverlening en voorschotten; b.als er sprake is van een onverschuldigde betaling aan derden; c.wanneer de belanghebbende achteraf na afsluiting van het boekjaar inkomsten ontvangt die betrekking hebben op een periode in het vorige jaar, bijvoorbeeld invallers in het onderwijs; d.als de terugvordering het gevolg is van aantoonbare nalatigheid van het dagelijks bestuur; e.als de vordering niet aan de klant is te wijten; f.als het dagelijks bestuur te lang wacht met het nemen van een terugvorderingsbesluit; g.als terugvordering in het lopende boekjaar plaatsvindt. ARTIKEL7:7:6.FREQUENTIE HERONDERZOEK 1.Er vindt geen heronderzoek plaats op vorderingen en verhaal waarbij betalingen consequent en conform afspraak plaatsvinden. 2.Indien er sprake is van WSNP wordt gedurende de periode van WSNP geen heronderzoek uitgevoerd. Zes maanden nadat de WSNP is verstreken wordt aangevangen met een heronderzoek. 3.Een heronderzoek vindt eveneens niet plaats bij een onderhoudsplichtige aan wie, vanwege het ontbreken van enige draagkracht, geen onderhoudsbijdrage is opgelegd en bij wie aantoonbaar nimmer enige draagkracht aanwezig zal zijn. 4.Verhaalsonderzoeken zijn intensief en leiden slechts in beperkte mate tot gewijzigde vaststelling van een verhaalsbijdrage. Om die reden vinden (her)onderzoeken eens in de 36 maanden plaats. De termijn wordt verkort naar 12 maanden als te verwachten is dat er eerder wijzigingen in de inkomenssituatie van de onderhoudsplichtige kunnen plaatsvinden. Hierbij valt te denken aan het aflopen van aflossingsverplichtingen, zelfstandigen met wisselende inkomens, etc. HOOFDSTUK8.- SLOTBEPALINGEN ARTIKEL8:1.HARDHEIDSCLAUSULE Indien de toepassing van deze beleidsregels tot onbillijkheden leidt, kan het dagelijks bestuur ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen. Van deze mogelijkheid dient terughoudend gebruik gemaakt te worden om het scheppen van precedenten tegen te gaan. Overigens laat dit artikel de werking van artikel 4: 84 Awb onverlet. ARTIKEL8:2.ONVOORZIENE OMSTANDIGHEDEN In alle gevallen waarin dit besluit niet voorziet, beslist het dagelijks bestuur. Het dagelijks bestuur kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in dit besluit, als toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. ARTIKEL8:3.CITEERTITEL EN INWERKINGTREDING 1.Dit besluit kan worden aangehaald als: ‘Verzamelbesluit beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz’. 2.Het besluit treedt in werking op de dag na publicatie in de daarvoor bestemde periodieken. Aldus vastgesteld door het dagelijks bestuur in zijn vergadering van 23 februari 2018.de secretaris,mevrouw A.E.W. van Limpt M.C.M.de voorzitter,W.J.J. LigtenbergTOELICHTING VERZAMELBESLUIT Algemeen De verplichte verordeningen op re-integratie en tegenprestatie, afstemming en bestuurlijke boete, en individuele inkomenstoeslag zijn samengevoegd in één Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz, omdat de onderwerpen zeer nauw samenhangen en hiermee ook bijdragen aan het vereenvoudigen en terugdringen van regels. Om dezelfde reden worden de beleidsregels ook geclusterd. In dit Verzamelbesluit worden de beleidsregels voor re-integratie, tegenprestatie, commerciële kostendeling, individuele inkomenstoeslag, bestuurlijke boete en terugvordering, verhaal, invordering samengevoegd. De Beleidsregels Bijzondere Bijstand en de Wet taaleis blijven vooralsnog apart. Het Verzamelbesluit is als volgt opgebouwd: algemene bepalingen; re-integratie; commerciële kostendeling; individuele inkomenstoeslag inkomensvrijlating bestuurlijke boete; terugvordering, verhaal en invordering; slotbepalingen. Inleiding Meer mensen aan het werk is een belangrijke opdracht van deze regering. Mensen mogen niet afhankelijk worden gemaakt van een uitkering. Voorkomen moet worden dat mensen te snel worden afgeschreven en permanent aan de kant staan. Werk biedt mensen perspectief, zelfrespect, sociale contacten en sociale betrokkenheid. De Participatiewet is er nog alleen voor degenen die het echt nodig hebben. In de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), wordt de plicht tot arbeidsinschakeling die is verbonden aan het recht op bijstand of uitkering, expliciet genoemd. Hierbij wordt uitgegaan van de volgende criteria: het zelf kunnen voorzien in de algemeen noodzakelijk kosten van het bestaan door middel van het verkrijgen en behouden van algemeen geaccepteerde arbeid is het leidende criterium; er kunnen door de onder de doelgroepen vallende belanghebbenden geen eisen worden gesteld aan de aansluiting van de arbeid op het opleidingsniveau, eerder opgedane werkervaring en beloningsniveau; arbeid van tijdelijke aard dient geaccepteerd te worden; alle vormen van gesubsidieerd werk worden beschouwd als algemeen geaccepteerde arbeid. Kaders realisatie arbeidsinschakeling Resultaatgericht handelen in het kader van de arbeidsinschakeling begint met een preventief optreden. Dit betekent dat, daar waar dat mogelijk is, gestreefd dient te worden naar het voorkomen van de noodzaak tot het verstrekken van bijstand of een uitkering door een effectieve bemiddeling naar betaald werk. In die gevallen waarin toch tijdelijk bijstand of een uitkering noodzakelijk is, worden concrete acties ondernomen richting arbeidsinschakeling. Vanaf het eerste contact met de belanghebbende die algemene bijstand of een uitkering aanvraagt, dient daarom de boodschap te zijn: u hebt recht op bijstand of een uitkering, omdat u (tijdelijk) niet in de noodzakelijke kosten van het bestaan kunt voorzien door het ontbreken van betaald werk; u hebt de plicht om mee te werken aan een zo spoedig mogelijke arbeidsinschakeling; de inzet is “werk boven uitkering”. Daarom gaat u actief aan de slag en gaan wij u begeleiden en voor zover nodig bieden wij u voorzieningen aan die de arbeidsinschakeling mogelijk maken; u kunt, binnen vooraf vastgestelde grenzen, kiezen, maar als u niet kiest, kiezen wij voor u. Dit laatste uiteraard binnen de binnen de grenzen van de van toepassing zijnde wet- en regelgeving. Het recht op ondersteuning en voorzieningen in de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ die de arbeidsinschakeling mogelijk dienen te maken, wordt expliciet genoemd. Uitgaande van de opdracht van het algemeen bestuur heeft het dagelijks bestuur in deze beleidsregels neergelegd op welke wijze het dagelijks bestuur uitvoering geeft aan deze taken. Daarbij is uitgegaan van het standpunt dat het werkveld re-integratie dynamisch is. De beleidsregels dienen dan ook niet te worden gezien als een eenmalige statische opsomming van re-integratieactiviteiten en voorzieningen. Gaandeweg ontstaan nieuwe voorzieningen, projecten, inzichten en contacten met re-integratiepartners. Beleidsplannen en beleidsregels dienen daarom periodiek beoordeeld te worden op actualiteit en indien dit noodzakelijk is, te worden aangepast. Daar waar noodzakelijk wordt per artikel een toelichting gegeven. TOELICHTING PER ARTIKEL Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Artikel 1 - Begripsomschrijvingen Lid 1: In aanwijzing 20 voor d

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.