Inzoomen op de Wwb, Algemeen Verbindende Voorschriften en beleidsregels inzake de Wwb; versie 10 van 01-07-2010Inhoudsopgave Inleiding Afdeling A Algemeen Verbindende Voorschriften Paragraaf 1 Rechten van belanghebbende Artikel 1.1 Participatiepremie Paragraaf 2 Voorzieningen Artikel 2.1 Overname voorzieningen andere gemeente Artikel 2.2 Persoonsgebonden Re-integratiebudget (PRB) Artikel 2.3 Werkgeverspremie Artikel 2.4 Begeleidingspremie Afdeling B Beleidsregels 1 Beleidsregels re-integratie Paragraaf 1.1 Doelgroepen Beleidsregel 1.1.1 Bepaling van doelgroepen Beleidsregel 1.1.2 Dak- en thuislozen Beleidsregel 1.1.3 Ontheffing van de arbeidsplicht Paragraaf 1.2 Premies Beleidsregel 1.2.1 Toepassing inkomstenvrijlating Beleidsregel 1.2.2 Eenmalige toekenning inkomstenvrijlating Beleidsregel 1.2.3 Premie deeltijdarbeid Beleidsregel 1.2.4 Activeringspremie Beleidsregel 1.2.5 Vrijwilligerspremie Beleidsregel 1.2.6 Samenloop premies Beleidsregel 1.2.7 Uitstroompremie werkaanvaarding 2 Beleidsregels inkomen Paragraaf 2.1 Wijziging van norm of toeslag Beleidsregel 2.1.1 Kamerhuurder Beleidsregel 2.1.2 Co-ouderschap Beleidsregel 2.1.3 Bijstand aan kinderen van minderjarigen Paragraaf 2.2 Vorm van bijstand Beleidsregel 2.2.1 Algemene leenbijstand Beleidsregel 2.2.2 Zekerstelling Beleidsregel 2.2.3 Bijstand in natura Paragraaf 2.3 Middelen Beleidsregel 2.3.1 Schadevergoeding en giften Beleidsregel 2.3.2 Heffingskortingen 3 Beleidsregels Minimabeleid Paragraaf 3.1 Bijzondere bijstand algemeen Beleidsregel 3.1.1 Draagkracht Beleidsregel 3.1.2 Drempelbedrag Beleidsregel 3.1.3 Leenbijstand (artikel 48 Wwb) Beleidsregel 3.1.4 Aflossingshoogte en –duur bij leenbijstand Beleidsregel 3.1.5 Aanvraagdatum Paragraaf 3.2 Bijzondere bijstand kostensoorten Beleidsregel 3.2.1 Overbruggingskrediet Beleidsregel 3.2.2 Woonkostentoeslag bij huurkosten Beleidsregel 3.2.3 Woonkostentoeslag bij eigen woning Beleidsregel 3.2.4 Bijzondere woonkosten Beleidsregel 3.2.5 Detentie Beleidsregel 3.2.6 Medische kosten Beleidsregel 3.2.7 Kleding en kledingslijtage Beleidsregel 3.2.8 Bijzondere bijstand voor schulden Beleidsregel 3.2.9 Bijzondere bijstand budgetbeheer en beschermingsbewind Beleidsregel 3.2.10 Verwervingskosten Beleidsregel 3.2.11 Studiekosten Beleidsregel 3.2.12 Aanslag inkomstenbelasting Beleidsregel 3.2.13 Rechtshulp Beleidsregel 3.2.14 Huisraad/woninginrichting/duurzame gebruiksgoederen Beleidsregel 3.2.15 Verhuiskosten Beleidsregel 3.2.16 Kosten voor verzorging of verpleging Beleidsregel 3.2.17 Voorkoming opname AWBZ-instelling Beleidsregel 3.2.18 Bezoekkosten Beleidsregel 3.2.19 Begrafenis of crematie Beleidsregel 3.2.20 Ouderbijdrage Beleidsregel 3.2.21 Dieetkosten Beleidsregel 3.2.22 Uitgesloten kostensoorten Beleidsregel 3.2.23 Zelfstandig wonende jong-meerderjarigen Beleidsregel 3.2.24 Taxatiekosten eigen woning Beleidsregel 3.2.25 Noodfonds Paragraaf 3.3 Categoriale bijzondere bijstand Beleidsregel 3.3.1 Criteria categoriale bijstand 65-plussers Beleidsregel 3.3.2 Nadere bepalingen categoriale bijstand 65-plussers Beleidsregel 3.3.3 Categoriale bijstand chronisch zieken en gehandicapten Paragraaf 3.4 Overige minimaregelingen Beleidsregel 3.4.1 Bijdrage Sport en Cultuur 4 Beleidsregels Handhaving Paragraaf 4.1 Terugvordering Beleidsregel 4.1.1 Gebruikmaking van de terugvorderingsbevoegdheid Beleidsregel 4.1.2 Invordering Beleidsregel 4.1.3 Rente en kosten Beleidsregel 4.1.4 Brutering van de vordering Paragraaf 4.2 Verhaal Beleidsregel 4.2.1 Gebruikmaking van de verhaalsbevoegdheid Beleidsregel 4.2.2 Afzien van verhaal Beleidsregel 4.2.3 Verhaal inzake onderhoudsplicht Beleidsregel 4.2.4 Financieel onderzoek Beleidsregel 4.2.5 Invordering 5 Overige onderwerpen Beleidsregel 5.1.1 Aanpassing bedragen Inleiding Ter uitwerking van de verschillende verordeningen in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb) en van wetsartikelen Wwb waarbinnen aan het college beleidsruimte is gelaten, zijn algemeen verbindende voorschriften en beleidsregels opgesteld. Algemeen verbindende voorschriften geven nadere invulling aan bepalingen binnen de Participatieverordening en hebben rechtstreeks gevolgen voor belanghebbenden. Beleidsregels geven de grenzen aan waarbinnen de uitvoering kan handelen en geven nadere uitleg en invulling aan bevoegdheden van het college. Op deze wijze wordt willekeur voorkomen, maar is wel maatwerk mogelijk. In afdeling A zijn de algemeen verbindende voorschriften opgenomen. In afdeling B de beleidsregels. De beleidsregels zijn geclusterd binnen de beleidsterreinen re-integratie, inkomen, minimabeleid en handhaving. Naast de vier clusters, is een hoofdstuk toegevoegd, te weten ‘overige onderwerpen’. Hierin worden zowel inhoudelijke als procedurele onderwerpen behandeld. Voor zover het inhoudelijke afwegingen betreft, is interpretatie van wetsartikelen vastgelegd in beleidsregels. Voor zover het afwegingen over de wijze van uitvoeren betreft, worden deze neergelegd in uitvoeringsrichtlijnen. Interpretatie van wetsartikelen is geen echte beleidsvrijheid van de gemeente, maar is uiteindelijk voorbehouden aan de rechter. Wanneer er verschil van mening bestaat over de uitleg van een begrip, maakt de rechter uit in hoeverre de gemeente een wetsartikel correct heeft vertaald naar beleidsregels en uiteindelijk naar een individueel besluit. Voor vele begrippen in de Wwb, overgenomen uit de Algemene bijstandswet (Abw), is reeds interpretatie in de vorm van jurisprudentie aanwezig. Bij de invulling van beleidsregels is met deze interpretatie rekening gehouden. In de regels wordt gebruik gemaakt van de begrippen zoals genoemd in de Wet werk en bijstand en de Wwb verordeningen. De in de verordening genoemde begrippen zijn opgenomen in bijlage 1. Afdeling A Algemeen Verbindende Voorschriften In artikel 33 van de Participatieverordening 2010 is opgenomen dat het college nadere regels kan stellen over de rechten van belanghebbende als bedoeld in artikel 12 van de participatieverordening en over participatievoorzieningen als bedoeld in hoofdstuk 4 van die verordening. In dit hoofdstuk zijn de algemeen verbindende voorschriften opgenomen die hieraan uitvoering geven. Paragraaf 1 Rechten van belanghebbende Artikel 1.1 Participatiepremie De participatiepremie als bedoeld in artikel 12 derde lid van de Participatieverordening 2010 bedraagt € 200,- netto per zes maanden. Het recht op de participatiepremie ontstaat voor het eerst op de 1e dag van de zevende kalendermaand nadat belanghebbende is gestart met werken op de participatieplaats en vervolgens na afloop van elke 6 maanden, voor zolang de participatieplaats voortduurt. De uitkeringsgerechtigde ontvangt de premie indien hij naar het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan de arbeidsinschakeling. Voor de uitkeringsgerechtigde die reeds op 1 juli 2010 een participatiepremie ontving, geldt overgangsrecht, waarbij de hoogte van de participatiepremie wordt afgebouwd. Deze afbouw betekent dat telkens na zes maanden waarin er nog steeds recht bestaat, de participatiepremie met € 100,- wordt verlaagd (december 2010, € 500.-; juli 2011, € 400,-; december 2011, € 300,-). Per 1 januari 2012 is de overgangssituatie niet langer van toepassing en geldt de participatiepremie als bedoeld in het eerste lid. Motivering: Belanghebbenden die werken op een participatieplaats hebben een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Vaak is sprake van multiproblematiek waardoor bemiddeling op korte termijn niet en wellicht zelfs helemaal nooit tot de mogelijkheden behoort. De inspanningen zijn gericht op een zo groot mogelijke deelname aan de maatschappij. Vanwege de aanwezigheid van de multiproblematiek wordt het werken op de participatieplaats als een bijzondere inspanning beschouwd. Om deze reden wordt een premie toegekend. De participatieplaats dient eraan bij te dragen dat belanghebbende zijn of haar belemmeringen vermindert waardoor een stijging, van de laagste trede 4 naar de hogere trede 3, plaatsvindt op de re-integratieladder (het door Spijkenisse gehanteerde re-integratiemodel). Indien belanghebbende gedurende de deelname aan de participatieplaats zich voldoende heeft ingespannen, kan het college ieder half jaar een premie toekennen ter hoogte van € 200,-. Bij het vaststellen van de hoogte van de participatiepremie is aansluiting gezocht bij de hoogte van de activeringspremie, welke € 400,- per jaar bedraagt. In het derde lid wordt aangegeven dat de premie alleen kan worden verstrekt indien naar het oordeel van het college voldoende is meegewerkt aan de arbeidsinschakeling. De klantmanager dient dit telkens opnieuw te beoordelen en vast te stellen. Of iemand voldoende heeft meegewerkt aan de arbeidsinschakeling moet worden bepaald door tenminste in de beoordeling onderwerpen mee te nemen als: aanwezigheid, verzuim, actieve deelname aan activiteiten en voldoende ingespannen om belemmeringen te verminderen. Wanneer bijvoorbeeld belanghebbende regelmatig, zonder geldige reden, afwezig is geweest op de participatieplaats of wanneer vanwege onvoldoende medewerking een maatregel is opgelegd, kan een participatiepremie niet worden toegekend. Bij de beoordeling dient rekening te worden gehouden met de omstandigheden waarin iemand verkeert, de objectief vastgestelde beperkingen/belemmeringen en datgene wat van de deelnemer verwacht kan worden. De bevindingen van de begeleider op de participatieplaats wordt bij de beoordeling meegenomen. In het vierde lid is bepaald dat voor personen die op 1 juli 2010 reeds een participatiepremie ontvingen, overgangsrecht geldt. De participatiepremie bedraagt per 1 juli 2010 niet langer € 500,- maar € 200,- per halfjaar. Dit is aanzienlijk lager. Om uitkeringsgerechtigden die hier reeds recht op hadden, niet ineens met deze lagere premie te confronteren, wordt een overgangssituatie gehanteerd waarbij de premie geleidelijk wordt afgebouwd. Paragraaf 2 Voorzieningen Artikel 2.1 Overname voorzieningen andere gemeente Indien een persoon behorend tot de doelgroep zoals bedoeld in artikel 3, eerste lid, sub a, c, d, e, f, h en i van de participatieverordening 2010, vanuit een andere gemeente naar Spijkenisse verhuist, neemt het college een lopend traject bestaande uit één of meer participatievoorzieningen over indien het traject gericht is op de voor belanghebbende hoogst haalbare vorm van participatie. Motivering: Wanneer een persoon uit benoemde doelgroep van een andere gemeente naar Spijkenisse verhuist, maar reeds een traject is gestart in de andere gemeente, kan het zinvol zijn het traject (bestaande uit een of meer voorzieningen) over te nemen. Een traject kan overgenomen worden indien dit toeleidt naar de hoogst haalbare vorm van participatie. Bij de overname van een voorziening kan worden meegenomen in hoeverre de kosten van de over te nemen voorziening zich verhouden tot eventuele kosten die gemaakt zouden worden indien een regulier traject door de gemeente zelf ingezet wordt en in hoeverre dit te rechtvaardigen is. In het algemeen, is het voordeel van overname van een traject dat het vooronderzoek om tot een traject te komen, niet meer hoeft te worden gedaan. Bovendien werkt het vaak voor de klant demotiverend om een reeds gestart traject af te breken. Aan een over te nemen voorziening, kan het college altijd nadere voorwaarden stellen, bijvoorbeeld ten aanzien van de duur van de voorziening. Een gesubsidieerde baan (in een andere gemeente) geldt niet als een voorziening dat kan worden overgenomen. Artikel2.2Persoonsgebonden Re-integratiebudget (PRB) Het PRB-traject als bedoeld in artikel 27 tweede lid van de Participatieverordening 2010, heeft als doel het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid en duurt maximaal 18 maanden. oordeel van het college voldoen aan de onderstaande eisen/competenties: gemotiveerd zijn voor het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid; over sociale vaardigheden van een redelijk niveau bezitten. Het college kan bij de toekenning van het PRB, beperkingen verbinden ten aanzien van de inzet van bepaalde modules (voorzieningen) binnen dat individuele traject. De gemeente Spijkenisse stelt binnen 6 weken na toekenning van het PRB een trajectplan op. Belanghebbende mag ook zelf of in samenwerking met het re-integratiebureau / de werkgever een trajectplan maken. Hiertoe dient gebruik te worden gemaakt van het door het college ontwikkelde format. Het trajectplan dient binnen zes weken na toekenning van het PRB door het college te zijn ontvangen. De maximale trajectduur gaat in vanaf het moment dat het trajectplan door het college is goedgekeurd. Betaling vindt rechtstreeks plaats aan de uitvoerder van het traject, conform de betalingsvoorwaarden van de gemeente Spijkenisse. Dit na ontvangst van de factuur. Geen gebruik kan worden gemaakt van het PRB indien: en voor zolang belanghebbende een (ander) traject volgt in het kader van re-integratie; belanghebbende minder dan twaalf maanden geleden een PRB heeft beëindigd. Motivering: Doelstelling van het PRB is het vergroten van uitstroom door meer maatwerk te leveren. De cliënt kan zelf bepalen van welke voorziening gebruik wordt gemaakt en bij welk re-integratiebureau of scholingsinstituut dit wordt ingekocht. Door invloed op de re-ïntegratie voelt de cliënt zich verantwoordelijk en is daardoor meer gemotiveerd. De verwachting is dat er een grotere kans op succes is van het traject en cliënten langduriger zullen uitstromen. Uit ervaring van andere gemeentes is gebleken, dat het gebruik van het PRB veel vraagt van de cliënt. Om de kans op succesvol gebruik van het PRB te vergroten zal klant door zijn/ haar klantmanager worden begeleid. De cliënt is zelf verantwoordelijk voor zijn re-ïntegratie. Om het traject niet onnodig lang te laten duren, is een termijn van 6 weken verbonden aan het aanmaken van een trajectplan. Uiteraard zijn er regelmatig voortgangsgesprekken tussen klant en klantmanager. Op het PRB zijn de reguliere regels van de verordening handhaving en maatregelen Wwb 2009 van toepassing. De facturatie wordt zonder tussenkomst van de klant geregeld. De prijzen zijn in het trajectplan genoemd, waardoor de klant wel op de hoogte is van de kosten van het traject. Om te voorkomen dat belanghebbende moet voorschieten, of een (groot) bedrag op zijn/haar rekening voor andere doeleinden dan re-ïntegratie gaat gebruiken, is ervoor gekozen de financiële afwikkeling rechtstreeks met de uitvoerder te regelen. Het PRB kan niet worden toegekend op het moment dat de klant een ander traject in het kader van zijn re-integratie volgt. Niemand kan twee trajecten tegelijkertijd volgen.Als belanghebbende reeds eerder een PRB heeft gehad en deze minder dan twaalf maanden geleden is beëindigd, komt hij niet in aanmerking voor een nieuw PRB. Als belanghebbende langer geleden een PRB heeft gehad, kunnen de ervaringen van toen wel worden meegewogen bij het besluit tot toekenning of afwijzing op grond van het tweede lid. Artikel 2.3 Werkgeverspremie Voor de werkgever die een uitkeringsgerechtigde als bedoeld in artikel 29, eerste lid van de Participatieverordening 2010 in dienst neemt, en die korter dan twaalf aaneengesloten maanden een uitkering heeft ontvangen, bedraagt de werkgeverspremie: € 3.000 indien een arbeidscontract wordt aangegaan voor zes maanden met een 27-jarige of oudere uitkeringsgerechtigde, of; € 6.500 indien een arbeidscontract wordt aangegaan voor twaalf maanden met een 27-jarige of oudere uitkeringsgerechtigde. Voor de werkgever die een uitkeringsgerechtigde als bedoeld in artikel 29, eerste lid van de Participatieverordening 2010, en die langer dan twaalf aaneengesloten maanden een uitkering heeft ontvangen, bedraagt de werkgeverspremie: € 6.000 indien een arbeidscontract wordt aangegaan voor zes maanden met een 27-jarige of oudere uitkeringsgerechtigde, of; € 13.000 indien een arbeidscontract wordt aangegaan voor twaalf maanden met een 27-jarige of oudere uitkeringsgerechtigde. De ondernemer kan de werkgeverspremie aanvragen: voorafgaand aan het aangaan van een dienstverband met een uitkeringsgerechtigde, waarbij het college binnen dertien weken dit dienstverband verifieert door middel van inzage in Suwi-net, of; na het aangaan van het arbeidscontract, waarbij geldt dat de aanvraag om werkgeverspremie binnen dertien weken na het aangaan van het dienstverband door het college moet zijn ontvangen. De premie wordt in gelijke delen uitbetaald, nadat het college heeft vastgesteld dat het dienstverband voortduurt (d.m.v. inzage in Suwi-net), voor het eerst na afloop van de derde maand na ingang van het arbeidscontract en vervolgens iedere drie maanden zolang het oorspronkelijke arbeidscontract voortduurt. Indien binnen de termijn van drie maanden het recht op premie komt te vervallen, vindt premiebetaling naar rato plaats voor geheel gewerkte maanden. Een werkgever krijgt voor het in dienst nemen of houden van dezelfde individuele (voormalig) uitkeringsgerechtigde slechts eenmaal een premie toegekend. Een contract waarvoor premie is toegekend dat met een periode wordt verlengd, komt hierdoor niet in aanmerking voor een verlengde premie. Motivering: De hoogte van de werkgeverspremie is gelieerd aan de kosten van een gemiddelde uitkering. De werkgever moet de premie zelf aanvragen. Dit kan op twee momenten, te weten voordat het contract wordt getekend, of achteraf (binnen grenzen). Dit om de drempel zo laag mogelijk te houden. Of er sprake is van een arbeidscontract wordt door de klantmanager van de afdeling WMI geverifieerd via inkijk in Suwinet. De premie wordt uitbetaald na afloop van iedere drie maanden van het dienstverband, nadat is gebleken dat de persoon nog steeds in dienst is. Als de persoon maar een deel van de driemaanden-termijn in dienst is gebleven, bestaat naar rato recht op uitbetaling. Uitbetaling vindt dan plaats voor geheel gewerkte maanden. De premie wordt aan de werkgever, ten behoeve van een bepaalde belanghebbende maar één keer toegekend. Dit betekent dat verlenging van een contract geen verlenging van de premie oplevert. De reden hiervoor is dat reguliere arbeidsplaatsen worden ingevuld en geen additionele arbeidsplaatsen worden gecreëerd. De werkgever kan wel wegens het in dienst nemen van (nog) een andere uitkeringsgerechtigde opnieuw premie ontvangen. Vermoedelijk zal dit niet tot gevolg hebben dat iedere zes maanden een andere uitkeringsgerechtigde wordt aangenomen op dezelfde arbeidsplaats, omdat het werven en inwerken van een nieuwe kracht veel investering vereist. Artikel 2.4 Begeleidingspremie Het college kan aan een organisatie die voor een uitkeringsgerechtigde een werkervaringsplaats of participatieplaats als bedoeld in artikel 23 respectievelijk artikel 24 van de Participatieverordening 2010 beschikbaar stelt, een begeleidingspremie bieden. Aan de ontvangst van de begeleidingspremie stelt het college specifieke voorwaarden, in ieder geval ten aanzien van het periodiek overleggen van voortgangsrapportages en het voeren van begeleidingsgesprekken met de deelnemer. De begeleidingspremie wordt per kwartaal verstrekt voor zover en voor zolang een uitkeringsgerechtigde gebruik maakt van de beschikbaar gestelde plaats, waarbij het college op grond van de gestelde voorwaarden de hoogte van de premie vaststelt. De begeleidingspremie bedraagt maximaal € 500,- per kwartaal. Motivering: De werkgever of organisatie waar een Wwb cliënt een werkervaringsplaats of participatieplaats invult, kan een begeleidingspremie ontvangen om te voorzien in de kosten die gemoeid gaan met het begeleiden van de Wwb-er. Dit indien dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is. Bij de inzet van een werkervaringsplaats of participatieplaats wordt door de klantmanager een trajectplan opgesteld. Indien de begeleidingspremie wordt ingezet, wordt dit opgenomen in het trajectplan. In het trajectplan neemt de klantmanager eveneens de doelstellingen van het traject op. Daarbij zal in ieder geval worden aangegeven op welke wijze de organisatie de begeleiding zal inzetten om de doelen van de deelnemer te helpen behalen. Dit is één van de voorwaarden. Ook dient tenminste één keer per kwartaal een voortgangsrapportage door de werkgever te worden opgesteld waarvoor het noodzakelijk is begeleidingsgesprekken te voeren met de deelnemer. De begeleiding moet erop gericht zijn de deelnemer te laten stijgen op de re-integratieladder. Bij de afweging of de begeleidingspremie zal worden ingezet, zal meegenomen worden in hoeverre het noodzakelijk is dat begeleiding door de werkgever wordt geboden en hoe intensief deze begeleiding dient te zijn. Zo zal een deelnemer op trede 1 van de re-integratieladder in de meeste gevallen niet veel begeleiding nodig hebben. Immers, belemmeringen van de deelnemer op trede 1 zijn relatief beperkt en makkelijk oplosbaar. Begeleiding is in mindere mate nodig waardoor de kosten van de begeleiding voor de werkgever nihil of relatief lager liggen dan in het geval van de in te zetten begeleiding voor deelnemers op trede 3 van de re-integratieladder. De hoogte van de begeleidingspremie bedraagt maximaal € 500,- per drie maanden en wordt na afloop van het kwartaal verstrekt, waarbij door de klantmanager getoetst wordt of de organisatie heeft voldaan aan de voorwaarden zoals deze zijn geformuleerd in het trajectplan. De hoogte is afhankelijk van de noodzaak tot verstrekking en de inspanningen die verwacht worden van de organisatie. Naar gelang de begeleiding intensiever ingezet zal moeten worden, zal de hoogte van de begeleidingspremie ook hoger liggen. Hoe minder begeleiding nodig is, hoe lager de premie vastgesteld zal worden. Afdeling B Beleidsregels Het college kan beleidsregels vaststellen omtrent zaken die tot zijn bevoegdheid behoren. Ook over uitleg en interpretatie van begrippen kunnen beleidsregels worden vastgesteld. In dit onderdeel zijn beleidsregels opgenomen, onderverdeeld in de onderwerpen re-integratie, inkomen, minima en handhaving. 1 Beleidsregels re-integratie Ter invulling van de opdracht aan het college ten aanzien van re-integratie en participatie (artikel 2 van de Participatieverordening 2010) kunnen beleidsregels worden opgesteld. Het betreft immers invulling van een collegebevoegdheid. Van deze bevoegdheid wordt slechts beperkt gebruik gemaakt vanwege het feit dat Algemeen Verbindende Voorschriften opgesteld worden over een groot deel van de bepalingen in de Participatieverordening 2010. Paragraaf 1.1 Doelgroepen Beleidsregel 1.1.1 Bepaling van doelgroepen Binnen de doelgroep zoals bedoeld in artikel 3 van de Participatieverordening, worden in het kader van de Wwb de volgende specifieke groepen onderscheiden: ouderen tussen 55 en 65 jaar (lage prioriteit): aan deze groep wordt slechts op individuele basis een voorziening aangeboden aan kansrijke personen binnen de doelgroep, wanneer het individu dit wenst; personen met een nabestaanden- of halfwezenuitkering op grond van de Anw (lage prioriteit); niet-uitkeringsgerechtigde werkzoekenden; in lijn met de doelstellingen van het kabinet wordt om deze groep aan het werk te helpen of maatschappelijk te laten participeren expliciet ondersteuning geboden; inburgeraars; deze groep bestaat uit personen binnen de doelgroep van de Wet inburgering, aan wie de gemeente een voorziening aanbiedt gericht op het behalen van het inburgeringsexamen en leiden tot maatschappelijke participatie; dak- en thuislozen: een dak- of thuisloze is een belanghebbende op wie artikel 40, tweede lid Wwb van toepassing is. In beleidsregel 1.1.2 is bepaald op welke wijze voor deze groep re-integratie naar de arbeidsmarkt wordt bevorderd. ex-gedetineerden: aan deze groep wordt vanwege de aanwezigheid van multiproblematiek nadrukkelijk ondersteuning geboden. potentieel bijstandsgerechtigden: aan potentieel bijstandsgerechtigden worden ter voorkoming van werkloosheid of bijstandsafhankelijkheid voorzieningen aangeboden. Motivering: Voor de wettelijke doelgroep wordt getracht zoveel mogelijk maatwerk te leveren. Binnen de groep zijn echter enkele doelgroepen aan te wijzen waarvoor groepsspecifieke aandacht wenselijk wordt geacht. In de gemeente Spijkenisse zijn dit de volgende doelgroepen: Ouderen (55 – 65 jaar): Zowel het aantal resterende uitkeringsjaren, als de kansen op de arbeidsmarkt zijn over het algemeen bij deze doelgroep beperkt. Gezien de beperkte re-integratiemiddelen is gekozen deze groep posterioriteit toe te kennen met betrekking tot toegang tot voorzieningen. Concreet gezegd zullen slechts enkele kansrijke doelgroepleden op eigen verzoek een traject aangeboden kunnen krijgen. Anw-ers: De gemeente Spijkenisse verleent deze doelgroep posterioriteit. Dit betekent dat in verhouding minder voorzieningen kunnen worden ingezet dan voor andere groepen. Reden voor de posterioriteit is dat het gezin waartoe deze persoon behoort niet afhankelijk is van een bijstandsuitkering. Afhankelijkheid van een bijstandsuitkering betekent afhankelijkheid van een regeling die als vangnet is bedoeld. Het doel is zo spoedig mogelijk weer zelf middelen van bestaan te hebben. In verhouding tot een bijstandsgerechtigde is ondersteuning aan een Anw-er derhalve minder dringend. Niet-uitkeringsgerechtigde werkzoekenden; in lijn met de doelstellingen van het kabinet (2207-2011) om 35.000 Nuggers aan het werk te helpen of maatschappelijk te laten participeren, wordt aan deze groep expliciet ondersteuning geboden door het college.- Dak- en thuislozen: Voor motivering met betrekking tot deze doelgroep wordt verwezen naar de motivering bij beleidsregel 1.1.2. Ex-gedetineerden: Bij ex-gedetineerden is sprake van multiproblematiek en een groot risico op terugval, wanneer geen ondersteuning wordt geboden. Door de gemeente wordt de werkmethode Intensief Sluitende Aanpak ingezet. Potentieel bijstandsgerechtigden: ter voorkoming van werkloosheid of uitkeringsafhankelijkheid, wordt aan potentieel bijstandsgerechtigden ondersteuning geboden. Wie onder deze doelgroep wordt verstaan, is opgenomen in artikel 1P. van de Participatieverordening 2010. Volgens jurisprudentie (onder meer in JABW 2000/43 en 2002/62) is niet elk onderscheid naar leeftijd discriminatie. Indien onderbouwd, kan onderscheid geoorloofd zijn. Reden dat ouderen posterioriteit hebben zijn bijvoorbeeld medische beperkingen. En er is vaak een grote achterstand in opleiding en/of werkervaring. Velen hebben hun (arbeidsloos) leven op een prettige wijze ingericht en vaak maakt arbeid geen deel meer uit van hun toekomstbeeld. Van de zijde van de werkgevers is er weinig animo om ouderen te willen aannemen. Deze redenen maken het onderscheid naar leeftijd gerechtvaardigd, zeker omdat mensen die niet aan dit beeld voldoen en graag willen werken, niet worden uitgesloten van een traject. Indien de toegewezen trajecten voor deze doelgroep vol zitten, komt de persoon het kalenderjaar daarop aan de beurt. Beleidsregel 1.1.2 Dak- en thuislozen Het college legt op grond van artikel 55 Wwb aan dak- en thuislozen die niet geheel zijn vrijgesteld van de arbeidsplicht (artikel 9 Wwb) de verplichting op te verblijven in een opvangvoorziening voor dak- en thuislozen. De dak- of thuisloze is in dat geval verplicht van deze voorziening gebruik te maken, tenzij de dak- of thuisloze aantoonbaar over mogelijkheden beschikt waardoor hij dagelijks gebruik kan maken van slaap- en sanitaire voorzieningen voor de duur van tenminste drie maanden. De verplichting als bedoeld in het eerste lid wordt niet opgelegd indien en voor zolang het college geen zorg kan dragen voor een plaats bij een opvangvoorziening in de regio. Motivering: Artikel 55 Wwb biedt het college de mogelijkheid verplichtingen op te leggen die strekken tot arbeidsinschakeling. Een van de belangrijkste eisen van een werkgever is dat de (toekomstige) werknemer of de sollicitant er (enigszins) representatief uitziet. Voldoende dagelijkse verzorging, zoals wassen/douchen, scheren, haarverzorging en schone kleding, alsmede voldoende nachtrust (onder andere van belang voor concentratievermogen), zijn daarom noodzakelijke voorwaarden voor het verkrijgen en behouden van werk. Dak- en thuislozen beschikken vaak niet over een plaats om dit te kunnen doen. Daarom geldt de plicht om gebruik te maken van een aangeboden voorziening voor opvang van dak- en thuislozen. Diverse dak- en thuislozen hebben andere belemmeringen dan alleen het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats. Daarom kan in het kader van een re-integratietraject ook hulpverlening of activeringsactiviteiten verplicht worden gesteld. Dit kan worden verplicht op grond van artikel 9 Wwb en hoeft daarom niet te worden opgenomen in een beleidsregel. Er zijn redenen waarom het college de plicht niet op kan of hoeft te leggen of de dak- of thuisloze geen gebruik hoeft te maken van de opvang: Indien er geen arbeidsplicht is, oftewel indien volledige ontheffing van de arbeidsplicht is gegeven, kan de dak- of thuisloze niet worden verplicht gebruik te maken van een opvangvoorziening. Het is immers niet van belang voor het recht op bijstand, maar slechts voor de arbeidsinschakeling. Indien iemand een lange afstand tot de arbeidsmarkt heeft (maar niet geheel is vrijgesteld van de arbeidsplicht), wordt de verplichting wel opgelegd. Het hebben van een vaste slaapplaats en het kunnen verzorgen van jezelf kunnen namelijk belangrijke stappen zijn in de re-integratie. Zeker in samenhang met een programma om dagritme op te doen (activeringstraject), kan dit een belangrijke stimulans naar werk vormen. Indien de dak- of thuisloze kan aantonen een vaste plaats of enkele vaste plaatsen te hebben waardoor hij dagelijks een slaapplaats heeft en een plaats heeft waar hij kan douchen/wassen, kleding kan wassen en zichzelf (uiterlijk) kan verzorgen, is het niet nodig van de opvangvoorziening als bedoeld in het eerste lid gebruik te maken. De dak- of thuisloze heeft in dat geval namelijk een belangrijke belemmering richting arbeidsmarkt, die hierboven is beschreven, opgeheven. Er zal dan wel onderzocht moeten worden in hoeverre er daadwerkelijk sprake is van een dak- of thuisloze, of dat er toch een vaste verblijfplaats is. De plaats(
- en)moet(
- en)bekend zijn voor een periode van drie maanden, om te voorkomen dat iemand na enkele dagen of weken weer op zoek moet naar een slaapplaats hetgeen ten koste gaat van het zoeken naar werk. Belanghebbende moet de plaatsen kunnen aantonen, bijvoorbeeld door een verklaring van de hoofdbewoner van de woning te overleggen. Uiteraard kunnen zich gedurende de drie maanden wijzigingen voordoen. Op dat moment zal moeten worden bepaald of de verplichting tot gebruikmaking van een opvangvoorziening zal worden opgelegd. Tot slot kan de verplichting alleen worden opgelegd, indien het college ook een feitelijke plaats in een opvangvoorziening kan aanbieden. Dit hoeft geen opvangvoorziening in Spijkenisse zijn, maar kan ook opvang betreffen in bijvoorbeeld Rotterdam, Vlaardingen of Schiedam. Het moet echter wel officieel erkende opvang voor dak- en thuislozen zijn, zoals bijvoorbeeld door Humanitas, Centrum voor Dienstverlening of het Leger des Heils wordt geboden. Opvang bij een particulier geldt niet als een opvangvoorziening. Beleidsregel 1.1.3 Ontheffing van de arbeidsplicht In geval van ontheffing van de arbeidsplicht voor de alleenstaande ouder, in de zin van artikel 9a van de wet, vult het college de voorziening als bedoeld in artikel 9, eerste lid sub b van de wet in met scholing of opleiding, tenzij dit de krachten of bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven gaan. Dit is het geval wanneer: de intellectuele vermogens van de alleenstaande ouder onvoldoende zijn; uit een periode van twee jaar voorafgaand aan de aanvraag blijkt dat de alleenstaande ouder niet in staat is scholing of opleiding met een startkwalificatie af te ronden. De ontheffing die op grond van artikel 9a is verleend, wordt door het college opgeschort wanneer uit houding of gedragingen van de belanghebbende ondubbelzinnig blijkt dat deze de verplichtingen als bedoeld in artikel 9 eerste lid sub b van de wet, niet nakomt. Motivering: In artikel 9a van de wet is bepaald onder welke omstandigheden door de alleenstaande ouder ontheffing van de arbeidsplicht, als bedoeld in artikel 9 eerste lid van de wet, kan worden aangevraagd. De re-integratieplicht, als bedoeld in artikel 9 lid 2 van de wet blijft onveranderd gelden. Wanneer de alleenstaande ouder niet beschikt over een startkwalificatie, is door de wetgever bepaald dat de re-integratieplicht wordt ingevuld met scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert. Alleenstaande ouders hebben hierdoor de keuze tussen het verrichten van arbeid in combinatie met de zorg voor een kind of het voorbereiden op de terugkeer naar de arbeidsmarkt door het vergroten van kwalificaties met behulp van scholing, in combinatie met de zorg voor een kind. Het kabinet wil hiermee bereiken dat alleenstaande ouders die geen startkwalificatie hebben, van deze mogelijkheid gebruik maken om alsnog een startkwalificatie te behalen. Hiermee verbetert de arbeidsmarktpositie van de alleenstaande ouder. De scholing wordt ingezet, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de alleenstaande ouder te boven gaat. Om willekeur te voorkomen zijn hiervoor objectieve criteria geformuleerd. Deze zijn opgenomen onder a en b. De scholing wordt geacht de krachten of bekwaamheden te boven te gaan wanneer de scholing de intellectuele vermogens van de alleenstaande ouder te boven gaat. Dit kan worden vastgesteld aan de hand van een IQ-test. Tot slot wordt ook gekeken naar een periode van twee jaar voorafgaand aan de aanvraag. Wanneer daarin is te zien dat de alleenstaande ouder bijv. meerdere keren is gestart met een opleiding en deze voortijdig heeft afgebroken, kan dit een signaal zijn dat het niveau te hoog is. Er is gekozen voor een relatief korte periode, omdat het niet afronden van een opleiding ook kan zijn veroorzaakt door motivatieproblemen die nu niet meer aanwezig zijn. De alleenstaande ouder wordt dan alsnog een kans geboden. Wanneer uit de houding of gedragingen van de belanghebbende blijkt dat deze de re-integratieverplichting niet nakomt, vervalt de ontheffing. Dit kan bijv. zijn wanneer de belanghebbende zich niet houdt aan gemaakte afspraken of ongewenst gedrag vertoont. Wanneer dit zich de eerste keer voordoet, wordt een maatregel opgelegd. Hiermee wordt de belanghebbende een kans gegeven op verbetering van het gedrag. In geval van recidive wordt overgegaan tot opschorting van de ontheffing. Paragraaf 1.2 Premies Beleidsregel 1.2.1 Toepassing inkomstenvrijlating De inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31, tweede lid onder o van de wet, wordt in alle gevallen toegepast, omdat geacht wordt dat betaalde werkzaamheden in alle gevallen een bijdrage leveren aan de arbeidsinschakeling. Toepassing geldt zowel voor personen met een uitkering op grond van de Wwb, als op grond van de Ioaw en Ioaz (ingevolge artikel 3, tweede lid onder d van het Inkomensbesluit Ioaw -dat ook geldt voor de Ioaz). De inkomstenvrijlating als bedoeld in het eerste lid, gaat in op de eerste dag van de maand waaraan de inkomsten moeten worden toegerekend. In afwijking van het eerste lid, wordt geen inkomstenvrijlating toegepast over inkomsten die door belanghebbende zijn verzwegen en waarbij de teveel of ten onrechte verstrekte bijstand of uitkering op grond van de Ioaw/Ioaz alsnog door het college wordt teruggevorderd of verrekend. Motivering: De Wwb kent in artikel 31, lid 2 sub o Wwb een vrijlatingsbepaling, waarvan toepassing is voorgeschreven. De inhoud van de vrijlating is volledig uitgewerkt. Aan de gemeente is (slechts) de bevoegdheid gegeven te bepalen in welke gevallen/situaties zij van oordeel is, dat de vrijlating een bijdrage levert aan de arbeidsinschakeling en / of uitstroom uit de bijstand. In het eerste lid is opgenomen dat in alle gevallen de inkomstenvrijlating wordt toegepast. Door het verrichten van arbeid in dienstbetrekking wordt een band met de arbeidsmarkt tot stand gebracht, hetgeen in het algemeen bijdraagt aan de kansen op volledige uitstroom. Geen mogelijkheid wordt gezien voor een terughoudend gebruik van de vrijlating in de zin dat de toepassing van de vrijlating afhankelijk gesteld kan worden van het realiseren van volledige uitstroom. Door het verrichten van arbeid in dienstbetrekking wordt de band met de arbeidsmarkt tot stand gebracht. Dit leidt tot directe persoonlijke contacten met de werkende wereld en levert werkervaring op; beide moeten worden geacht een bijdrage te kunnen leveren aan volledige uitstroom. Hantering van een onderscheid tussen tijdelijk en vast werk is ongewenst, aangezien enerzijds het contraproductief zou kunnen blijken tijdelijk werk meer te stimuleren dan vast werk (de belanghebbende zou in de verleiding kunnen komen de voorkeur te geven aan uitzendwerk boven vast werk), terwijl anderzijds een vaste deeltijdbaan mogelijk minder snel tot een zodanige uitbreiding van de werkzaamheden zal leiden dat volledige uitstroom mogelijk is. Het hanteren van een onderscheid is bovendien onpraktisch omdat het extra onderzoek vergt en het veelal lastig zal zijn vast te stellen of werk vast of tijdelijk is en er situaties zijn waarin het in elkaar overloopt (tijdelijk werk kan omgezet worden in vast werk en vast werk kan door ontslag in proeftijd feitelijk een kortere periode blijken te betreffen). Aanleiding voor het niet toepassen van de vrijlating zou kunnen bestaan indien het deeltijdwerk van de belanghebbende het maximaal haalbare is omdat hij vooralsnog niet meer dan die uren belast kan worden. Echter, ook in die situatie kan het deeltijdwerk toch geacht worden op termijn (nadat de belastbaarheid groter geworden
- is)bij te dragen aan de volledige uitstroom. Ingangsdatum is de eerste van de maand waarin de inkomsten worden gekort op de uitkering. Indien het derde lid onverkort wordt toegepast, moet ook op inkomsten die zijn verzwegen maar die zijn ontdekt door het college, de inkomstenvrijlating worden toegepast. Belanghebbende heeft echter inkomsten verzwegen, veelal met het doel een hoger totaalinkomen te verwerven dan wettelijk mogelijk is. Belanghebbende is hiermee gericht op het vergroten van het inkomen en niet op vergroting van de kans op arbeidsinschakeling en daarmee (gedeeltelijke) uitstroom uit de bijstand. Daarmee kan worden aangenomen dat het toepassen van de inkomstenvrijlating niet bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van belanghebbende. Het toepassen van de inkomstenvrijlating is in die gevallen dan ook niet aan de orde (vierde lid). Beleidsregel 1.2.2 Eenmalige toekenning inkomstenvrijlating De inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 1.2.1 wordt één maal per bijstandperiode toegekend. Als dezelfde bijstandsperiode wordt aangemerkt: de periode waarin een uitkering aaneengesloten of na een onderbreking die korter is dan 30 dagen wordt voortgezet; de situatie waarin de uitkering wordt hersteld, na een onderbreking wegens verblijf in detentie, verblijf in het buitenland of verblijf in een inrichting (dit laatste alleen voor jongeren van 18, 19 of 20 jaar), ongeacht de duur van de onderbreking; de situatie waarin sprake is van voortzetting van een uitkering die in een andere gemeente reeds werd verstrekt; de situatie waarin na wijziging van bijvoorbeeld woon- of gezinssituatie de uitkering met een andere norm wordt voortgezet. Indien de nieuwe bijstandsperiode minder dan zes maanden na de ingangsdatum van de inkomstenvrijlating aanvangt, ontstaat geen nieuw recht op inkomstenvrijlating. In de situatie als beschreven in het tweede en derde lid, herleeft het oude recht op inkomstenvrijlating, voor zover nog aanwezig. Motivering: De formulering van de wettelijke bepaling is zodanig, dat ruimte voor interpretatie bestaat over het aantal maal dat de vrijlating kan worden toegepast: de formulering dat de vrijlating voor maximaal zes maanden aaneengesloten wordt toegepast, duidt op eenmaligheid, maar herhaling van de vrijlating is formeel niet uitgesloten. Bij eenmalig kan gedacht worden aan: per keer dat werk is aangevangen, maar ook per jaar of per uitkeringsperiode (dus zo veel maal als – na een onderbreking - een afzonderlijk recht op uitkering wordt vastgesteld) of absoluut (tijdens het leven van de belanghebbende, dan wel zolang de Wwb bestaat). De optie ‘iedere keer dat ander werk wordt aanvaard’, verdraagt zich niet goed met het uitgangspunt dat de periode van zes maanden een begin en eindpunt kent, ongeacht of de inkomsten tussentijds wegvallen. Wanneer er daarna weer inkomsten uit arbeid zijn binnen zes maanden nadat de vrijlating is ingegaan, geldt de vrijlating alleen voor de nog resterende periode (tot de datum gelegen zes maanden na de oorspronkelijke ingangsdatum). Die beperking is niet effectief indien nieuw werk opnieuw recht op zes maanden vrijlating zou geven. Deze invulling kan dus niet beoogd zijn en is derhalve geen reële optie. Een variant daarop zou zijn eenmalig per jaar; als de wetgever dit beoogde zou het voor de hand hebben gelegen dit in de wettekst op te nemen, analoog aan een dergelijke tijdsbepaling in de onderdeel j. van hetzelfde artikellid. Wij menen te moeten concluderen dat dit niet is beoogd. Absoluut eenmalig stelt ons in de praktijk voor onmogelijkheden bij de uitvoering; immers, dan zouden wij de gegevens over de inkomensvrijlating te eeuwigen dage moeten bewaren, ook al is de uitkering allang beëindigd. Het lijkt ook niet logisch in de zin, dat als na verloop van lange tijd - en onder volkomen andere omstandigheden - weer bijstand ontvangen wordt en weer uitstroom gewenst is, de vrijlating niet meer als stimulans gebruikt zou kunnen worden. Blijft over de mogelijkheid van eenmaal per uitkeringsperiode; dat lijkt ook redelijk, omdat er daarbij niet van uitgegaan kan worden, dat de omstandigheden globaal genomen hetzelfde zijn en het middel ter stimulering opnieuw op zijn plaats is. In deze situatie is de belanghebbende volledig uitgestroomd, maar - door omstandigheden die bij de toegang tot de bijstand zijn beoordeeld – teruggekeerd in de bijstand. Er bestaat dan een situatie waarin opnieuw behoefte bestaat aan stimulering van de uitstroom. Hiermee wordt voorkomen dat de calculerende burger nooit volledig uitstroomt en toch meermalen gebruikt maakt van de vrijlating; in zo’n situatie kan bovendien geconcludeerd worden dat de vrijlating in casu zijn stimulerende werking niet heeft waargemaakt. Aangezien ook na een betrekkelijk korte periode van onderbreking een nieuw recht op uitkering kan bestaan, zou toch een ongewenste snelle opeenvolging van vrijlatingsperioden kunnen ontstaan. Daarom is in het tweede lid gedefinieerd welke situaties aangemerkt kunnen worden als dezelfde bijstandsperiode. In de situaties als bedoeld onder a, c en d geldt dat tenminste één persoon binnen het (nieuwe) huishouden ononderbroken bijstand heeft ontvangen, wellicht in een andere vorm of van een andere gemeente. Het is daarom vanzelfsprekend dat deze situaties worden aangemerkt als eenzelfde uitkeringsperiode. De situatie als onder b betreft feitelijk wel een onderbreking, maar in alle gevallen een onderbreking waarin niet mag worden aangenomen dat aan re-integratie kon worden gewerkt. Er mag dan ook van worden uitgegaan dat de uitgangssituatie in de bijstand, na de onderbreking vanwege onder b genoemde redenen, over het algemeen ongewijzigd is gebleven. Dit rechtvaardigt te kunnen aannemen dat het in dit geval gaat om eenzelfde uitkeringsperiode. Een uitvloeisel uit het eerdere standpunt dat een eenmaal toegekende vrijlatingsperiode van zes maanden blijft gelden ongeacht of die in de tussentijd effectief is, kan betekenen dat bij de nieuwe vaststelling van het recht op uitkering binnen de termijn van zes maanden na de ingangsdatum van de vrijlating, de oude vrijlatingsperiode nog doorloopt. Bij inkomsten uit arbeid binnen die periode kan de vrijlating dan nog enige tijd gelden, maar in die resterende periode noch daarna wordt bij de aanvang van werk een nieuwe complete vrijlatingsperiode van toepassing Beleidsregel 1.2.3 Premie deeltijdarbeid De uitkeringsgerechtigde die betaalde arbeid in deeltijd verricht en aan alle onderstaande vereisten voldoet, ontvangt een deeltijdpremie. De vereisten zijn: de uitkeringsgerechtigde heeft tenminste zes maanden in het betreffende kalenderjaar betaalde arbeid in deeltijd verricht, waarover geen recht bestond op inkomstenvrijlating ingevolge artikel 31, tweede lid onder o Wwb, en de uitkeringsgerechtigde kan binnen 12 maanden niet worden geacht een zodanig aantal uren te werken dat hiermee uitstroom zou kunnen worden gerealiseerd vanwege bijzondere omstandigheden waarin de persoon verkeert. De premie wordt berekend overeenkomstig de berekening inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31, tweede lid onder o Wwb. De maximale premie voor deeltijdarbeid bedraagt € 1000 netto. Indien in het kalenderjaar recht bestond op inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 31, tweede lid onder o Wwb, bedraagt de premie niet meer dan het verschil tussen de maximale premie en de in dat kalenderjaar vrijgelaten inkomsten. Motivering: Deeltijdarbeid (oftewel gedeeltelijke uitstroom) kan gezien worden als buitengewone inspanning, indien er sprake is van een situatie waarbij de cliënt vooralsnog aangewezen is op deeltijdarbeid vanwege de omstandigheden waarin de persoon verkeert. De buitengewone inspanning ligt dan in het feit dat volledige uitstroom en daarmee (perspectief
- op)een hoger inkomen dan de bijstandsnorm vooralsnog niet bereikbaar is, maar toch getracht wordt zoveel mogelijk zelfstandig in het levensonderhoud te voorzien. Er kan slechts sprake zijn van een buitengewone inspanning wanneer geen perspectief op uitstroom bestaat. Indien slechts arbeid in deeltijd nodig is, naast andere inkomsten bijvoorbeeld, om uit te stromen, is wel perspectief op uitstroom en kan geen premie worden verstrekt. Mogelijke situaties waarin een dergelijke premie kan worden verstrekt is wanneer belanghebbende (minimaal een jaar) een beperkte belastbaarheid heeft, waardoor onvoldoende uren arbeid per week kan worden verricht om te kunnen uitstromen. De beperkte belastbaarheid kan ontstaan zijn door medische beperkingen, combinatie van zorg en arbeid, maar ook andere omstandigheden. Een premie kan worden toegekend indien een sociaal/medisch advies van een onafhankelijk deskundige aanwezig is. Ook als naar het oordeel van het college andere feiten/omstandigheden of ervaringen uit het verleden aanleiding geven om te verwachten dat belanghebbende komende twaalf maanden vanwege bijzondere omstandigheden niet in staat zal zijn een inkomen op bijstandsniveau te verwerven, kan de premie worden toegekend. De hoogte van de premie is zodanig gekozen dat enerzijds wordt aangesloten bij de systematiek van de inkomstenvrijlating. Anderzijds is een maximum gesteld op € 1000 per kalenderjaar. Dit is ruim onder het maximaal toelaatbare bedrag. Gekozen is rekening te houden met de norm voor minima in de gemeente Spijkenisse. Een persoon die tot de minima behoort, mag maximaal 110% van de bijstandsnorm ontvangen. Voor een alleenstaande is dit ongeveer € 80 netto in de maand bovenop de bijstandsnorm, oftewel € 960 per jaar (voor een alleenstaande ouder ongeveer € 103, oftewel € 1236). Wanneer de premie op een duidelijk hoger bedrag wordt vastgesteld, is de ontvanger in feite geen echte minima meer, terwijl nog wel een beroep kan worden gedaan op alle minimavoorzieningen (de premie telt immers voor de draagkrachtbepaling niet mee, zie onder ‘draagkracht bijzondere bijstand’). Er ontstaat dan een ernstige ongelijkheid ten opzichte van andere (werkende) minima. Met name omdat deze premie meerdere jaren zou kunnen worden verstrekt, is dit niet wenselijk. Om die reden is eveneens het derde lid ingevoerd, zodat ook de som van de vrijgelaten inkomsten en de premie niet meer kan zijn dan € 1000 per kalenderjaar (tenzij alleen de inkomstenvrijlating meer is dan € 1000). Berekening van de premie vindt plaats over de maanden dat geen inkomstenvrijlating van toepassing was. Indien belanghebbende 12 maanden heeft gewerkt en over 6 maanden de inkomstenvrijlating kreeg, worden over de overige 6 maanden de premie berekend. Indien iemand 8 maanden heeft gewerkt en geen recht had op inkomstenvrijlating, wordt over 8 maanden de premie berekend. Beleidsregel 1.2.4 Activeringspremie Het college verstrekt aan de uitkeringsgerechtigde een activeringspremie indien: door het verrichten van activiteiten in het kader van activering en/of door het meewerken aan een (hulpverlenings)traject, de belemmeringen van belanghebbende zijn vermindert waardoor hij stijgt op de re-integratieladder, of; het (hulpverlenings)traject door belanghebbende naar beste vermogen is gevolgd (volgens vooraf gestelde doelstellingen) en de voor hem geldende hoogst haalbare vorm van participatie is bereikt, of; gelet op de persoonlijke omstandigheden van belanghebbende in relatie tot de aard van de verrichtte activiteiten, een buitengewone inspanning is geleverd, De premie als bedoeld in het eerste lid wordt toegerekend aan het kalenderjaar waarin is vastgesteld dat belanghebbende heeft voldaan aan het gestelde in het eerste lid. De hoogte van de activeringspremie bedraagt € 400,- netto en kan slechts eenmaal per jaar worden toegekend. Uitgesloten van deze premie is: de uitkeringsgerechtigde die geen andere activiteiten heeft verricht dan het ondergaan van een schuldhulpverleningstraject; de uitkeringsgerechtigde die in de laatste zes maanden een participatiepremie heeft ontvangen. Toepassing van de premie als bedoeld in het eerste lid, geldt zowel voor personen met een uitkering op grond van de Wwb, als op grond van de Ioaw en Ioaz. Motivering: Iedere belanghebbende wordt geacht naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. Het voldoen aan deze verplichting levert geen reden op tot het verstrekken van een premie. Voorzieningen die worden aangeboden in het kader van participatie en ertoe bijdragen dat op korte of middellange termijn uitzicht is op werk, worden in de gemeente Spijkenisse gezien als beloning in zichzelf. Een voorbeeld van een dergelijke voorziening is scholing. Hiervoor wordt dan ook in beginsel geen premie verstrekt. Alleen indien een cliënt naar het oordeel van het college een buitengewone inspanning heeft verricht die een bijdrage levert aan de inschakeling in de arbeid, zou de mogelijkheid moeten bestaan hiervoor een premie te verstrekken. De uitkeringsgerechtigde wordt bij aanvang van de uitkering ingedeeld op de re-integratieladder. Daarbij wordt bezien welke belemmeringen iemand heeft, op basis waarvan de afstand tot de arbeidsmarkt wordt vastgesteld. Indien belanghebbende door het verrichten activiteiten of het volgen van een traject zijn belemmeringen zodanig heeft verminderd waardoor de afstand tot de arbeidsmarkt is verkleind, wordt dit een buitengewone inspanning geacht. Het is hierbij niet van belang of de activiteiten op initiatief van de gemeente of van belanghebbende zijn uitgevoerd. Het in het vooruitzicht stellen van een premie bij het stijgen op de re-integratieladder werkt motiverend om de ingezette activiteiten dan wel het ingezette traject met goed gevolg te doorlopen. Indien een stijging op de ladder aan de orde is, rapporteert de klantmanager over de toekenning van de premie, waarbij tenminste meegenomen wordt op welke wijze belemmeringen zijn vermindert en welke activiteiten hieraan hebben bijgedragen. Wanneer belanghebbende, ondanks zijn inspanningen, niet in staat blijkt te zijn te stijgen op de re-integratieladder omdat hetgeen hij doet het maximaal haalbare is waardoor belanghebbende op dezelfde trede ingedeeld blijft staan, wordt dit eveneens als buitengewone inspanning gezien en wordt hiervoor de activeringspremie verstrekt. Indien geoordeeld wordt dat belanghebbende buitengewone inspanningen heeft geleverd door het verrichten van activiteiten, dit afgezet t.o.v. zijn persoonlijke omstandigheden, kan aan belanghebbende een activeringspremie worden verstrekt. Dit wordt individueel bepaald. In het vierde lid is vastgelegd welke personen geen aanspraak kunnen maken op de activeringspremie. Wanneer een schuldsituatie de enige belemmering vormde tot de arbeidsmarkt en deze is opgeheven door een schuldhulpverleningstraject, wordt geen premie verstrekt. Het schuldenvrij zijn wordt in dat geval als voldoende beloning gezien. Hierbij past niet het verstrekken van een extra premie. Indien belanghebbende ook andere activiteiten heeft verricht, om andere belemmeringen (niet zijnde schulden) op te heffen, zou wel een premie kunnen worden verstrekt indien voldaan wordt aan de eerder genoemde vereisten. Uitgesloten voor de activeringspremie is de uitkeringsgerechtigde die in de laatste zes maanden een participatiepremie heeft ontvangen, zoals bedoeld in artikel 1.1, afdeling A. De participatiepremie wordt verstrekt omdat belanghebbende voldoende heeft meegewerkt aan zijn arbeidsinschakeling. Beleidsregel 1.2.5 Vrijwilligerspremie De uitkeringsgerechtigde ontvangt voor het verrichten van vrijwilligerswerk een premie van € 300 netto, indien aan de volgende vereisten wordt voldaan: het vrijwilligerswerk maakt geen onderdeel uit van de re-integratieverplichting van belanghebbende; de uitkeringsgerechtigde verricht structureel vrijwilligerswerk van gemiddeld tenminste 4 uren per week, gedurende tenminste 26 weken binnen een kalenderjaar; het vrijwilligerswerk wordt verricht bij of onder verband van een (non-profit) organisatie; er is toestemming verleend voor het verrichten van dit vrijwilligerswerk met behoud van uitkering; het vrijwilligerswerk is niet als verplichting in het kader van re-integratie (op grond van artikel 9 of 55 van de wet, artikel 37 van de Ioaw of artikel 37 van de Ioaz) aan de uitkeringsgerechtigde opgelegd. Motivering: Wanneer belanghebbende vrijwilligerswerk verricht en toestemming is verleend dit met behoud van uitkering te doen, levert hij een bijdrage aan de maatschappij. Wanneer dit is opgelegd als re-integratieverplichting, behoort het tot de arbeidsplicht en hiermee tot de noodzakelijke activiteiten die belanghebbende in het kader van zijn uitkering moet verrichten. Indien het vrijwilligerswerk bijvoorbeeld onderdeel uitmaakt van een werk, of – activeringstraject of onderdeel uitmaakt van de participatieplaats, dient een vrijwilligerspremie achterwege te blijven. Wanneer er geen verplichting aan ten grondslag ligt, is het de keuze van belanghebbende. Hiermee dient hij een tweeledig doel, ten eerste maatschappelijke participatie en mogelijk zelfs op termijn uitstroombevordering, ten tweede de instandhouding van een niveau van dienstverlening in de maatschappij. Dit kan gezien worden als een buitengewone inspanning (is niet verplicht of noodzakelijk) en daarmee premiewaardig. Er is wel een minimale tijdsperiode aan de inspanning gesteld, omdat slechts structureel vrijwilligerswerk gezien kan worden als buitengewone inspanning. Een incidentele of kortdurende vrijwillige inspanning voor een maatschappelijk doel mag van een ieder worden verwacht. Het betreft hier een premie voor het verrichten van de maatschappelijk nuttige activiteiten. Dit kan niet worden vergeleken met een onkostenvergoeding, die wellicht door de organisatie aan belanghebbende wordt verstrekt. De vrijwilligersvergoeding moet dus nadrukkelijk worden gezien als stimulans van het gedrag en niet als vergoeding voor gemaakte kosten. Wanneer uit andere bron een onkostenvergoeding wordt verstrekt, wordt deze op grond van artikel 31, tweede lid onder k Wwb vrijgelaten, tot het in dat artikel genoemde maximumbedrag. Beleidsregel 1.2.6 Samenloop premies Over een periode dat inkomstenvrijlating als bedoeld in artikel 1.2.1 (of artikel 3, tweede lid onder d van het Inkomensbesluit Ioaw) wordt toegepast, kan geen andere premie worden berekend. Bij mogelijke samenloop tussen een premie en de inkomstenvrijlating, prevaleert de inkomstenvrijlating. Bij samenloop van verschillende onderdelen van het premiebeleid in een kalenderjaar, bedragen de onderdelen bij elkaar niet meer dan het in artikel 31, tweede lid onder j van de Wwb genoemde bedrag. Motivering: Het eerste lid geeft aan dat de zes maanden waarover inkomstenvrijlating wordt toegepast, niet in aanmerking genomen kunnen worden bij de berekening van een andere premie. De reden hiervoor is dat beide regelingen tot doel hebben de arbeidsinschakeling te bevorderen. Samenloop zou leiden tot onevenredige toename van het inkomen in verhouding tot bijstandsniveau, zonder dat de arbeidsinschakeling daarmee veel meer wordt bevorderd. Aangezien de inkomstenvrijlating in meerdere gevallen wordt toegepast dan de premie, prevaleert de inkomstenvrijlating. Het is mogelijk dat mensen meerdere activiteiten verrichten die in aanmerking komen voor verschillende premies. Alle toegekende onderdelen van de premie mogen samen niet meer bedragen dan het in de wet genoemde maximumbedrag. De onderdelen mogen wel apart van elkaar uitbetaald worden. Beleidsregel 1.2.7 Uitstroompremie werkaanvaarding De voormalig uitkeringsgerechtigde die zes maanden aaneengesloten reguliere arbeid heeft verricht zonder hierbij een beroep te doen op een werkloosheids- of bijstandsuitkering, ontvangt een uitstroompremie werkaanvaarding ter hoogte van € 1.000,-. Het recht op uitstroompremie ontstaat op de 1e dag van de zevende kalendermaand nadat vanwege inkomsten uit arbeid, geen recht meer bestaat op (aanvullende) algemene bijstand. De aanvraag voor een uitstroompremie dient te worden ingediend binnen 13 weken nadat het recht is ontstaan, waarna het bestaan van het dienstverband door het college middels inzage Suwi-net wordt vastgesteld. Een niet binnen deze termijn ingediende aanvraag wordt afgewezen. In afwijking van het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel, wordt geen uitstroompremie verstrekt indien: met betrekking tot de werkaanvaarding niet is voldaan aan de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 Wwb of als bedoeld in artikel 13 Ioaw of Ioaz, en/of; er binnen een periode van 24 maanden, voorafgaand aan het moment dat vanwege werkaanvaarding geen recht meer bestond op (aanvullende) algemene bijstand, al eerder een uitstroompremie is verstrekt. Motivering: Het bedrag van de premie is gelijkgesteld aan de maximale premie voor deeltijdarbeid. Aangezien het hier om volledige bijstandonafhankelijkheid gaat, is de premie van € 1000 in relatie tot de premie deeltijdarbeid gerechtvaardigd. De uitstroompremie kan worden verstrekt bij aanvaarding van regulier werk. De eerste voorwaarde voor de uitstroompremie is dat meer dan zes maanden aaneengesloten arbeid in dienstbetrekking moet zijn verricht of een inkomen moet zijn genoten uit zelfstandig bedrijf of beroep. Dit om alleen duurzame arbeid te belonen. De klantmanager checkt middels inzage in het digitaal klantdossier het bestaan van het dienstverband. De eindverantwoordelijkheid voor het aantonen van het dienstverband ligt bij degene die de premie aanvraagt. Het recht bestaat altijd vanaf de eerste dag van de zevende maand. Dit betekent dat indien iemand op 15 mei bijstandonafhankelijk wordt, hij op 15 november zes maanden heeft gewerkt, en per 1 december het recht op uitstroompremie ontstaat. Hij zal dan inkomsten uit arbeid moeten aantonen over de maand december. De tweede voorwaarde is dat geen gebruik gemaakt mag zijn van een werkloosheids- of bijstandsuitkering. Dit dient te worden gecheckt via bestandskoppeling (eenmalige gegevensuitvraag). In bovenstaand voorbeeld betekent dit dat moet worden bekeken of belanghebbende in de periode 15 mei tot en met 14 november geen beroep heeft gedaan op een dergelijke uitkering. Indien de bijstandsuitkering pas op 1 juni is gestopt en de periode 15 mei tot en met 31 mei is/wordt herzien en teruggevorderd, telt deze periode uiteraard niet mee als zijnde een periode waarin beroep op bijstand wordt gedaan. Een ruime aanvraagperiode (13 weken) is genomen omdat binnen deze periode dienstverbanden in het algemeen verwerkt zijn in het digitaal klantendossier dan wel de klant dit kan aantonen middels een arbeidsovereenkomst en loonstroken. Er bestaat geen recht op uitstroompremie indien belanghebbende ten aanzien van de werkaanvaarding de inlichtingenplicht heeft geschonden. Het schenden van de inlichtingenplicht zou namelijk geleid hebben tot het langer of tot een hoger bedrag verlenen van bijstand. Dit is in strijd met het doel van de uitstroompremie, namelijk het bevorderen van duurzame uitstroom. Een tweede uitsluitingsgrond is indien 24 maanden voorafgaand aan de datum waarop wegens werkaanvaarding geen recht meer bestond op bijstand, al eerder een uitstroompremie is verstrekt. In bovengenoemd voorbeeld moet worden bekeken of in de 24 maanden voorafgaand aan 15 mei geen uitstroompremie is verstrekt. 2 Beleidsregels inkomen De beleidsregels inzake inkomen geven nadere invulling aan begrippen uit de Toeslagen en verlagingenverordening 2007. De opgenomen beleidsregels betreffen de wijzigingen van norm of toeslag (paragraaf 2.1), de vorm van bijstand (paragraaf 2.2) en middelen (paragraaf 2.3). Paragraaf 2.1 Wijziging van norm of toeslag Beleidsregel 2.1.1 Kamerhuurder In deze beleidsregel staan de vereisten opgenomen waaraan de overeenkomst voor kamerhuur moet voldoen, wil de kamerhuurder in aanmerking komen voor een toeslag op de norm, zoals is genoemd in artikel 1 aanhef en onder D en E van de Toeslagen en verlagingenverordening 2007. Om te kunnen worden aangemerkt als kamerhuurder, moet belanghebbende aan alle volgende eisen voldoen: de woning waarin de kamerhuurder zijn kamer huurt, is officieel en feitelijk een woning met tenminste drie kamers; een volledig ingevulde en ondertekende kamerhuurovereenkomst naar het model van de afdeling Werk Meedoen en Inkomen is overgelegd; een bewijsstuk is overgelegd dat de onderhuur rechtmatig plaatsvindt; het kamerhuurbedrag bedraagt minimaal het bedrag dat hiervoor door het college is vastgesteld, overeenkomstig de systematiek als genoemd in het derde tot en met vierde lid; het kamerhuurbedrag wordt maandelijks door de kamerhuurder aan de kamerverhuurder overgemaakt door overschrijving van de (post)bankrekening op naam van de kamerhuurder naar een (post)bankrekening op naam van de kamerverhuurder. De commerciële bedragen voor kostgangerschap en onderhuur zijn als minimale kosten voor kamerhuur vastgesteld en worden jaarlijks geïndexeerd. Er bestaat onderscheid tussen de bedragen voor kamerhuur voor de alleenstaande versus de alleenstaande ouders/echtparen. Motivering: De woning waarin de kamerhuurder een kamer huurt moet minimaal bestaan uit 3 kamers. Dit omdat er voor zowel de hoofdbewoner als de kamerhuurder voldoende privacy moet bestaan. In een driekamerwoning is er een ‘extra’ slaapkamer die verhuurd kan worden. Het moet hier wel een officiële en feitelijke driekamerwoning zijn. Dit betekent dat een officieel als driekamerwoning verhuurde woning, maar waarvan een muur is doorgebroken, niet geldt als driekamerwoning. Hier is wederom te weinig privacy om kamerhuur te kunnen ondersteunen. Ook een officiële tweekamerwoning met een inzetwand geldt niet als een driekamerwoning. Om te kunnen worden aangemerkt als kamerhuurder, moet de overeenkomst tussen de kamerhuurder en de kamerverhuurder aan bepaalde eisen voldoen. De huurovereenkomst moet zijn opgemaakt overeenkomstig het model van de gemeente Spijkenisse (opgenomen in bijlage 2). Deze overeenkomst moet volledig zijn ingevuld en door de kamerhuurder en de kamerverhuurder zijn ondertekend. Reden om een modelovereenkomst voor te schrijven is dat hierin alle benodigde gegevens staan die nodig zijn om te bepalen of belanghebbende kamerhuurder is. Ook staat hierin de eis genoemd dat het kamerhuurbedrag maandelijks via de bankrekening wordt overgemaakt. Hiermee is controle op betaling van het bedrag mogelijk. Ook moet een bewijsstuk worden bijgevoegd waaruit blijkt dat de onder(ver)huur rechtmatig is. Het college wil niet meewerken aan illegale onder(ver)huur van een huurwoning. Door vooraf een bewijs te vragen aan belanghebbende dat toestemming bestaat voor de kamerhuur, kan met redelijke zekerheid worden aangenomen dat de situatie legaal is. Legale onder(ver)huur kan worden aangetoond door bijvoorbeeld een verklaring van het kadaster, waaruit blijkt dat de kamerverhuurder de eigenaar is van de woning (kadaster is openbaar). Bij een huurwoning moet een verklaring van de woningbouwcorporatie of andere verhuurder van de totale woning worden overgelegd. De belanghebbende die woont bij het Leger des Heils, wordt geacht zodanige woonkosten te hebben dat dit overeenkomstig een alleenwonende moet worden vastgesteld (maximale toeslag). Beleidsregel 2.1.2 Co-ouderschap Wanneer een ouder, die geen gehuwde is, de zorg voor een of meer kinderen gedurende tenminste 4,5 dag per week op zich neemt, wordt deze geacht een alleenstaande ouder te zijn als bedoeld in artikel 4 aanhef en onder b Wwb. Wanneer een ouder, die geen gehuwde is, gedurende minder dan 4,5 dag per week de zorg heeft voor een kind, wordt de bijstand berekend naar de basisnorm alleenstaande. In aanvulling op het tweede lid, wordt voor de periodes dat de zorg voor tenminste een kind plaatsvindt, de norm verhoogd, overeenkomstig het verschil tussen de norm alleenstaande ouder en alleenstaande. De verhoging is naar rato van het deel van de maand dat het kind gemiddeld door deze ouder wordt verzorgd. De omvang van de zorg zoals bedoeld in deze beleidsregel, wordt zo mogelijk bepaald op jaarbasis. De van toepassing zijnde vermogensgrens is het bedrag dat behoort bij de oorspronkelijk geldende bijstandsnorm die wordt verstrekt. Motivering: Als co-ouder beschouwen wij de ouder, die niet de volledige zorg heeft, maar die toch een substantieel deel van de zorg op zich neemt. Op basis hiervan zal de uitvoering van een ‘eenvoudige’ bezoekregeling niet tot het oordeel leiden, dat geen sprake is van volledige zorg door de andere ouder. Wanneer de mate waarin een ouder de zorg op zich neemt zodanig is, dat de situatie van deze ouder weinig verschilt van die van de ouder, die de volledige zorg voor een kind heeft, wordt de belanghebbende geacht de volledige zorg te hebben en alleenstaande ouder te zijn en vindt de bijstandsverlening dus volgens de basisnorm alleenstaande ouder plaats. De grens tussen de beide vormen van bijstandsverlening - op basis van het verschil in omvang van de zorg - ligt bij 4,5 dag per week. Hierbij wordt niet gekeken naar de kosten die een ouder maakt voor de zorg, omdat niet van de ouder mag worden verwacht dat deze alle gemaakte kosten aantoont. Wanneer meer zorgtaken worden geboden dan van een reguliere omgangsregeling wordt verwacht, maar minder dan 4,5 dag per week, moet de norm aan de situatie worden aangepast. Er ontstaat dan een situatie die varieert tussen de norm alleenstaande en de norm alleenstaande ouder. De mate van variatie hangt af van de tijd die belanghebbende aan zorgtaken besteedt. De omvang van de zorg wordt in beginsel op jaarbasis bepaald. Hierbij wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met de (geplande) feitelijke situatie; rekening wordt gehouden met structurele zorg en incidentele zorg (bijv. invulling zorgtaken tijdens de vakantieperiodes). In de praktijk zal het vrijwel onvermijdelijk zijn dat wekelijks zorgtaken worden uitgevoerd. In verband met een eenduidige uitvoering is gekozen de van toepassing zijnde vermogensgrens te koppelen aan de verstrekte basisnorm. Dit betekent dat voor een ouder die als alleenstaande ouder wordt gezien (minimaal 2/3 van de tijd zorgtaken uitvoert), de vermogensgrens voor een alleenstaande ouder van toepassing is. In gevallen van minder dan 2/3 tijd zorgtaken is de vermogensgrens van een alleenstaande aan de orde. Hierbij is niet van belang of de norm is aangepast op grond van het derde lid van deze beleidsregel. Beleidsregel 2.1.3 Bijstand aan kinderen van minderjarigen Aan een kind van een minderjarige ouder die bij diens ouders inwoont, wordt bijstand verstrekt ter hoogte van het verschil tussen de norm voor een alleenstaande ouder van 18 jaar en een alleenstaande van 18 jaar. Motivering: Een alleenstaande ouder, jonger dan 18 jaar, die bij zijn/haar ouders inwoont, heeft geen zelfstandig recht op bijstand. De ouders zijn immers nog onderhoudsplichtig ten opzichte van hun kind. De ouders zijn echter niet onderhoudsplichtig ten opzichte van hun kleinkind. Als de minderjarige alleenstaande ouder niet zelf over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het kind te voorzien en ook de andere ouder kan niet bijdragen aan de onderhoudskosten van het kind, wordt voor dit kind algemene bijstand verleend. De hoogte van de bijstand is de norm alleenstaande ouder van 18 jaar, minus de norm alleenstaande van 18 jaar. Dit bedrag is namelijk gebaseerd op de kosten van een kind. De kosten van een kind zijn voor een 17-jarige ouder niet anders dan voor een 18-jarige ouder, wanneer de ouder bij diens ouders inwoont. Daarom is aansluiting gezocht bij het landelijk vastgestelde bedrag. Er is geen recht op aanvullende bijzondere bijstand. Zodra de ouder 18 jaar wordt en zelfstandig recht heeft op bijstand (naar de norm van alleenstaande ouder van 18 jaar), vervalt de bijstand voor het kind. Deze situatie behelst niet de bijstand aan een zelfstandig wonende (minderjarige) alleenstaande ouder. In dat geval wordt de bijstand (indien het zelfstandig wonen noodzakelijk
- is)afgestemd op de individuele situatie (CRvB 20-05-2003 –JABW 2003/194). Paragraaf 2.2 Vorm van bijstand Beleidsregel 2.2.1 Algemene leenbijstand De bijstand in de algemene bestaanskosten wordt in alle gevallen dat de situaties bedoeld in artikel 48, tweede lid sub a en b van de Wwb van toepassing zijn, als leenbijstand verstrekt. Indien leenbijstand in de weg staat aan een schuldsanerings- of bemiddelingstraject door een erkende schuldhulpverleningsorganisatie, wordt leenbijstand verstrekt met de volgende aanvullende bepalingen: de aflossingsverplichting wordt opgeschort voor de duur van het schuldhulpverleningstraject; indien het schuldhulpverleningstraject succesvol is afgesloten, wordt afgezien van terug- en invordering van de verstrekte leenbijstand. Aflossing van de leenbijstand vindt plaats conform beleidsregel 4.1.2, eerste, tweede en derde lid. (invordering) De ingangsdatum van de aflossing wordt bij beschikking vastgesteld. Verstrekte leenbijstand wordt volledig afgelost, tenzij dringende redenen zich hiertegen verzetten. Indien bijstand in de vorm van een lening wordt verstrekt op grond van artikel 50, tweede lid Wwb en geen sprake is van tekortschietend betoond besef van verantwoordelijkheid, wordt aflossing van het verstrekte bedrag aan algemene leenbijstand als volgt geregeld: Zolang belanghebbende algemene bijstand ontvangt van de gemeente Spijkenisse wordt niet afgelost, tenzij de woning/woonwagen of het woonschip wordt verkocht. Bij verkoop, vererving of wanneer belanghebbende niet langer zijn hoofdverblijf heeft in de woning/woonwagen of het woonschip, wordt het gehele bedrag aan verstrekte leenbijstand direct en ineens afgelost. Indien de algemene bijstand in de gemeente Spijkenisse wordt beëindigd, zonder dat sprake is van verkoop of vererving, wordt de leenbijstand afgelost conform de richtlijn in beleidsregel 4.1.2. (invordering) Motivering: Het komt alleszins redelijk voor van de wettelijke mogelijkheden maximaal gebruik te maken. In het geval van artikel 48, tweede lid sub a van de Wwb is het volstrekt redelijk dat de bijstand wordt terugbetaald, als de reden voor bijstandsverlening over de betreffende periode slechts tijdelijk is (binnenkort worden middelen ontvangen). De verlening van bijstand zou niet eens plaatsvinden als al eerder over de middelen zou kunnen worden beschikt. In artikel 48, tweede lid sub b van de Wwb vindt geen verlening van bijstand plaats als de belanghebbende niet tekortgeschoten was in zijn besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Het wordt (in zijn algemeenheid) redelijk geacht dat belanghebbende zelf de nadelige gevolgen van dergelijk handelen draagt. Met betrekking tot onderdeel artikel 48, tweede lid sub a van de Wwb kan worden opgemerkt, dat hetzelfde weliswaar kan worden bereikt via terugvordering van de verstrekte bijstand na het vrijkomen van de middelen, maar dat is procedureel omslachtiger, biedt vooraf minder duidelijkheid en heeft het nadeel dat over de bijstand loonheffing (loonbelasting en sociale premie) en ziekenfondspremie afgedragen moet worden, hetgeen alleen binnen zekere grenzen ongedaan gemaakt kan worden. Dit laatste leidt tot complicaties voor de belanghebbende en voor de gemeente, die door de verlening als lening voorkomen worden. Met betrekking tot onderdeel artikel 48, tweede lid sub b van de Wwb kan worden opgemerkt, dat in de vaststelling dat sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid al ligt besloten, dat belanghebbende in staat is zijn verantwoordelijkheid te dragen en de gedraging hem verweten kan worden. Derde lid: Verwezen wordt naar de motivering bij beleidsregel 4.1.2. De beleidsregel inzake afzien van terugvordering is van overeenkomstige toepassing. Dat wil zeggen dat wanneer afgezien kan worden van terugvordering, ook afgezien kan worden van verdere aflossing van leenbijstand. Dit is bijvoorbeeld het geval bij deelname aan een schuldbemiddelingstraject. In situaties waarin belanghebbende niet voldoet aan de overeengekomen aflossing, wordt conform artikel 58, eerste lid sub b van de Wwb de openstaande leenbijstand teruggevorderd en is paragraaf 4.1 volledig van toepassing. Indien door de klantmanager WMI overwogen wordt om leenbijstand te verstrekken, dient ten aanzien van de mogelijke consequenties overleg te worden gepleegd met de afdeling BIS, team Schuldhulpverlening. Indien leenbijstand wordt verstrekt op grond van artikel 50 Wwb, is reeds duidelijk dat de woning, de woonwagen of het woonschip niet verkocht kan worden. Indien aflossing van de verstrekte leenbijstand direct gestart zou worden, zou belanghebbende wellicht voor een zeer lange duur slechts 90% van de bijstandsnorm ontvangen. Omdat hier in de regel geen sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, wordt dit niet aanvaardbaar geacht. Derhalve vindt geen aflossing plaats zolang belanghebbende bijstand ontvangt. Dit beleid is overeenkomstig de vroegere bepalingen in het rijksbeleid. Indien sprake is van tekortschietend betoond besef van verantwoordelijkheid, geldt deze bepaling niet. Dan vindt aflossing op reguliere wijze plaats, namelijk direct na verstrekking van de lening. Als bij verkoop blijkt dat de woning alsnog te gelde gemaakt wordt, is het verstrekte bedrag aan leenbijstand direct opeisbaar. Van belanghebbende wordt verwacht de opbrengst van de verkoop te reserveren voor de volledige aflossing van de lening. Bij vererving gaat de woning over op een derde. In dat geval wordt, ongeacht of de woning verkocht wordt, de lening direct en volledig opeisbaar. Indien belanghebbende geen bijstand meer ontvangt van de gemeente Spijkenisse, moet wel worden gestart met de aflossing. De aflossing is gelijk aan de afbetaling van een vordering, die in beleidsregel 4.1.2. is opgenomen. Uiteraard geldt, indien belanghebbende de woning verkoopt of hier niet meer woont, de bepaling onder b van deze beleidsregel. Conform de algemene bepaling dat een vordering of leenbijstand volledig moet worden terugbetaald, geldt geen maximale aflossingstermijn. Beleidsregel 2.2.2 Zekerstelling Wanneer de maximale hoogte voor leenbijstand in het kader van artikel 50 Wwb meer bedraagt dan € 10.000 vestigt het college een krediethypotheek. Voor een krediethypotheek zijn de bepalingen van kracht zoals opgenomen in het Besluit Krediethypotheek bijstand, KB van 26 september 2000. Motivering: De gemeente heeft daarnaast civielrechtelijk de mogelijkheid deze lening te zekeren door middel van hypotheek of pandrecht. Zekerstelling biedt een extra waarborg dat de lening wordt afgelost, op het moment dat de belanghebbende diens betalingsverplichtingen niet nakomt. Zekerstelling als algemeen beleid is alleen dan nodig, indien de baten de kosten voor de gemeente overtreffen. Voor de cliënt is er geen voordeel verbonden aan zekerstelling. De kosten hiervan worden uiteindelijk door de cliënt gedragen, omdat vergoeding van kosten plaatsvindt via leenbijstand. Pas bij een aanzienlijk bedrag zijn de baten voor de gemeente hoger dan de kosten. Het voordeel van een krediethypotheek is dat er financiële zekerheid is en een automatisch signaal van de notaris komt als de woning wordt verkocht, zodat er weinig uitvoeringskosten zijn wanneer de krediethypotheek eenmaal is gevestigd. Aangezien het vestigen van de krediethypotheek tijd en geld kost, wordt het niet voor geringe bedragen gedaan. Beleidsregel 2.2.3 Bijstand in natura Het college maakt geen gebruik van de mogelijkheid tot het verlenen van bijstand in natura als bedoeld in artikel 57 aanhef en onder b van de Wwb. Motivering: Bijstand in natura kan worden verstrekt indien belanghebbende niet in staat kan worden geacht tot verantwoorde bestedingen. Het college ziet voldoende mogelijkheden in dat geval de meest elementaire uitgaven door middel van doorbetaling via de uitkering te verrichten. Het is daarom niet noodzakelijk bijstand in natura te verstrekken. Paragraaf 2.3 Middelen Beleidsregel 2.3.1 Schadevergoeding en giften Indien aan de bijstandsgerechtigde een schadevergoeding wordt toegekend voor materiële schade, wordt dit niet als vermogen aangemerkt indien: de vergoeding is bedoeld voor geleden schade aan goederen die vanuit bijstandsoogpunt noodzakelijk zijn, en de schadevergoeding daadwerkelijk wordt aangewend voor de geleden schade of de geleden schade eerder uit eigen middelen is voldaan. Indien aan de bijstandsgerechtigde een schadevergoeding wordt toegekend voor immateriële schade, wordt deze schadevergoeding niet als vermogen aangemerkt voor zover de vergoeding minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens. Indien aan de bijstandsgerechtigde een schadevergoeding wordt toegekend voor gederfde inkomsten of andere middelen bedoeld voor levensonderhoud, wordt deze schadevergoeding volledig aangemerkt als inkomen waarop artikel 32 Wwb van toepassing is. Een gift aan een bijstandsgerechtigde kan worden vrijgelaten indien: de gift een bestemming heeft, en; de bestemming ten behoeve van een goed is dat naar aard en waarde algemeen gebruikelijk is, dan wel gezien de persoonlijke omstandigheden noodzakelijk is, en; de gift incidenteel is. Motivering: Artikel 31, tweede lid onder m Wwb geeft aan dat het college bepaalt in hoeverre ontvangen schadevergoeding en giften tot de middelen gerekend moeten worden. Het betreft hier ontvangen schadevergoeding of giften tijdens de bijstandsperiode. Schadevergoeding of giften ontvangen vóór de bijstandsperiode wordt in het geheel meegenomen bij de vermogensvaststelling. Schadevergoeding voor materiële schade kan in beginsel worden vrijgelaten. Hier staat immers schade tegenover die belanghebbende moet corrigeren. Voorwaarde is wel dat de schade is geleden aan zaken die uit bijstandsoogpunt verantwoord zijn, zoals de reguliere inboedel en andere reguliere bezittingen in natura (aansluiting bij artikel 34, lid 2 sub a Wwb). Is het goed niet algemeen gebruikelijk, mag uit bijstandsoogpunt niet worden verwacht dat de vergoeding wordt gebruikt om de schade te herstellen en daarmee te worden vrijgelaten, maar dient de vergoeding volledig als vermogensaanwas te worden gezien. Belanghebbende mag uiteraard wel het vrij te laten vermogen gebruiken voor het herstellen van de schade. Indien schadevergoeding wordt ontvangen, maar dit wordt niet gebruikt voor herstel van de schade, dan is het herstel kennelijk niet noodzakelijk en dient de schadevergoeding geheel te worden gezien als vermogensaanwas. Enige uitzondering hierop is indien belanghebbende reeds uit eigen middelen de schade heeft hersteld en achteraf de schadevergoeding ontvangt. Belanghebbende moet wel aantonen dat de schade is hersteld. Indien het herstel minder kost dan het bedrag van de vergoeding, moet het meerdere gezien worden als vermogensaanwas. Indien reeds bijzondere bijstand is verstrekt voor het herstel van de schade, moet de verstrekte bijzondere bijstand uiteraard worden teruggevorderd (artikel 58, lid 1 sub e onder 1. Verder wordt dezelfde werkwijze gehanteerd als hiervoor beschreven. Voor immateriële schade is geen goed aan te wijzen dat moet worden hersteld. Het gaat om een tegemoetkoming in geleden pijn en toegebracht leed. Het college heeft nauwelijks aanknopingspunten om hierbij te bepalen wat vanuit oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Enige aansluiting kan worden gevonden bij het bescheiden vermogen. De toelichting op artikel 34 Wwb vermeldt dat een bescheiden vermogen niet in de weg staat aan bijstandsverlening. Dit bescheiden vermogen is vastgelegd in een vermogensgrens per huishoudtype (artikel 34, lid 3 Wwb). Er is dan ook gekozen om een schadevergoeding voor immateriële schade die minder bedraagt dan de vermogensgrens (het bescheiden vermogen dat niet in de weg staat aan bijstandsverlening) niet in aanmerking te nemen. Het meerdere wordt gezien als vermogensaanwas waarvoor het resterend vrij te laten vermogen in aanmerking genomen moet worden. Hieromtrent is de reguliere werkwijze inzake vermogensaanwas van toepassing. Toegekende schadevergoeding dat het karakter heeft van vergoeding van gederfde inkomsten of andere middelen die bedoeld zijn voor het levensonderhoud van belanghebbende, wordt gezien als inkomen en als zodanig in aanmerking genomen. Algemene bijstand is bedoeld voor levensonderhoud, wanneer er geen andere middelen zijn die voor het levensonderhoud kunnen worden aangewend. Wanneer een vergoeding wordt verstrekt wegens verlies van middelen ten behoeve van levensonderhoud, zijn dan ook middelen aanwezig en hoeft geen (of minder) bijstandverlening plaats te vinden. Op de schadevergoeding kan geen vrijlating worden toegepast. Een gift kan in specifieke gevallen buiten beschouwing worden gelaten. Voorwaarden hiervoor zijn dat de gift een doel moet hebben en dat dit doel ook moet blijken uit de gift (bijvoorbeeld uit de toelichting op het bankafschrift of in een brief). Een gift zonder bestemming kan gebruikt worden voor levensonderhoud en moet daarom in aanmerking worden genomen. Het doel moet vanuit oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn, oftewel het doel moet ten behoeve van een goed zijn dat algemeen gebruikelijk is of voor belanghebbende noodzakelijk. Indien een gift een structureel karakter heeft (meer dan eenmalig, bijvoorbeeld jaarlijks of zelf maandelijks), krijgt de gift het karakter van inkomen(s)(ondersteuning). In dat geval dient de gift eveneens in aanmerking te worden genomen. Of de gift moet worden gezien als inkomen of vermogen, kan slechts blijken uit de aard van de gift. Beleidsregel 2.3.2 Heffingskortingen Bij aanspraak op heffingskortingen wordt deze, zolang de heffingskortingen niet worden ontvangen, maximaal drie maanden niet beschouwd als middelen waarover belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken. Na deze periode wordt de volledige aanspraak op heffingskortingen beschouwd als in aanmerking te nemen middelen. Motivering: Als redelijke termijn waarbinnen niet-ontvangen heffingskortingen buiten beschouwing worden gelaten, geldt een periode van drie maanden. Ervaring leert dat die termijn voldoende is om de aanvraag heffingskortingen in te dienen en te laten behandelen door de belastingdienst. Indien na drie maanden nog geen heffingskortingen worden ontvangen, worden deze wel ingehouden op de uitkering als zijnde middelen waarover belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken (artikel 31, eerste lid Wwb). Indien de vertraging in ontvangst van deze middelen geheel buiten schuld van belanghebbende valt, dan kan wegens dringende redenen (tijdelijk) van de inkomstenkorting worden afgezien. De heffingskortingen waarvan de betaling later start dan het moment waarop de aanspraak ontstaat, worden door de belastingdienst ingedikt uitbetaald. Dat wil zeggen dat de belastingdienst het nog niet uitbetaalde bedrag over de overgaande periode, over de resterende maanden verdeelt en gespreid uitbetaalt. Bijvoorbeeld: belanghebbende ontvangt vanaf maand 4 heffingskorting. De heffingskorting over de maanden 1 tot en met 3 wordt bij elkaar opgeteld en verdeeld over de maanden 4 tot en met 12 uitbetaald. Deze zelfde regel wordt gehanteerd bij het korten van de in aanmerking te nemen middelen. In sommige gevallen wordt de heffingskorting over voorliggende maanden ineens uitbetaald. In dat geval zal verrekening dan wel terugvordering plaatsvinden van de teveel ontvangen bijstand. Mocht belanghebbende geen heffingskorting aanvragen, dan wordt ook vanaf maand drie rekening gehouden met deze middelen. Het zijn namelijk middelen waarover redelijkerwijs kan worden beschikt. Over de periode waarin hiermee nog geen rekening is gehouden, zal terugvordering plaatsvinden op grond van artikel 58, eerste lid, sub f onder 1 Wwb. Uiteraard worden de heffingskortingen slechts in aanmerking genomen voor zover ze betrekking hebben op een periode waarover bijstand is/wordt verstrekt. 3 Beleidsregels Minimabeleid Met betrekking tot minimabeleid is geen verordening opgesteld. Minimabeleid, althans het verstrekken van bijzondere bijstand en andere op de Wwb gebaseerde minimaregelingen, is een bevoegdheid van het college. De beleidsregels zoals hier besproken, vloeien rechtstreeks voort uit de wet. De meeste beleidsregels hebben betrekking op de bijzondere bijstand. In paragraaf 3.1 zijn algemene beleidsregels opgenomen voor bijzondere bijstandverlening. Paragraaf 3.2 bespreekt inhoudelijke aspecten van bijzondere bijstand, met name de kostensoorten. Paragraaf 3.3 geeft regels met betrekking tot de categoriale bijzondere bijstand. Tot slot wordt in paragraaf 3.4 de overige minimaregelingen behandeld. Paragraaf 3.1 Bijzondere bijstand algemeen Beleidsregel 3.1.1 Draagkracht Om te bepalen welke middelen in aanmerking moeten worden genomen bij het bepalen van draagkracht bij toepassing van artikel 35 Wwb, wordt aangesloten bij artikel 31 tot en met 34 van de wet. De middelen, als bedoeld in artikel 31, tweede lid Wwb worden voor de bijzondere bijstand buiten beschouwing gelaten. Van de inkomsten boven 110% van de netto bijstandsnorm, wordt de helft in aanmerking genomen als draagkracht. Van het vermogen wordt 100% in aanmerking genomen als draagkracht, voor zover het vermogen hoger is dan het in artikel 34, derde lid Wwb bedoelde bedrag. In afwijking van het tweede lid, wordt 100% van het inkomen boven de bijstandsnorm in aanmerking genomen, in de volgende gevallen: bij de verstrekking van woonkostentoeslag; bij de verstrekking van bijzondere bijstand voor levensonderhoud; indien redenen van rechtsgelijkheid, redelijkheid en billijkheid zich tegen het hanteren van een andere dan in dit lid genoemde draagkrachtgrens verzetten. De langdurigheidstoeslag (artikel 36 Wwb) wordt niet beschouwd als in aanmerking te nemen inkomsten als bedoeld in artikel 35 Wwb. Motivering: Draagkracht is dat deel van het inkomen en vermogen van belanghebbende dat hij geacht wordt te gebruiken voor de voorziening in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. In deze beleidsregel wordt bepaald welk deel van het inkomen en vermogen als draagkracht wordt aangemerkt. Voor mensen met een beperkt hoger inkomen dan de bijstandsnorm, kunnen bijzondere bestaanskosten van grote invloed zijn op de mogelijkheid om rond te komen. De gemeente Spijkenisse wil de bijzondere bijstand dan ook toegankelijk houden voor mensen met de beperkt hoger inkomen dan de bijstandsnorm. Tegelijkertijd is het streven een overzichtelijk draagkrachtsysteem te hanteren, dat zowel voor de cliënt als voor de organisatie begrijpelijk en werkbaar is. Dit heeft geleid tot het bovenstaande draagkrachtsysteem. Vanwege bovengenoemde redenen is ook gekozen artikel 31, tweede lid Wwb van toepassing te laten zijn op de draagkrachtbepaling, ondanks dat artikel 35 Wwb bepaalt dat dit niet hoeft. Hierbij geldt dat voor mensen die geen gemeentelijke uitkering hebben de bepalingen onder j en o niet van toepassing zijn. De premie en de inkomstenvrijlating zijn namelijk gekoppeld aan de algemene bijstand en aan een Ioaw- of Ioaz-uitkering. Aangezien hier bij andere inkomstenbronnen geen sprake van is, worden deze bepalingen bij de draagkrachtvaststelling buiten beschouwing gelaten. In beginsel wordt uitgegaan van een draagkrachtperiode (periode waarover totale draagkracht wordt berekend) van een jaar. Indien periodieke vergoedingen worden aangevraagd, wordt een draagkrachtbedrag per maand gehanteerd. Dringende redenen voor aanpassing van de draagkracht gedurende de draagkrachtperiode kunnen zijn, het wijzigen van de omstandigheden, waardoor er voor belanghebbende feitelijk een lagere draagkracht aanwezig is, of indien belanghebbende onvoldoende of onjuiste inlichtingen heeft verstrekt op basis waarvan de draagkracht is bepaald. Wijziging van de norm is geen dringende reden om de draagkracht te herzien. De draagkrachtberekening vindt plaats op basis van netto bedragen per maand. Alle inkomensbestanddelen die ingevolge de Wwb in aanmerking moeten worden genomen, worden als inkomen meegeteld. Door de bijstandsnorm en de toeslag/verlaging op grond van de Toeslagen en verlagingenverordening 2007 te bepalen en het geheel te vermenigvuldigen met 1,1 (maandbedrag), wordt de grens van 110% van de bijstandsnorm bepaald. Mensen die méér inkomen hebben dan deze grens van 110%, zullen te maken hebben of krijgen met verlies aan inkomensvoorzieningen zoals huursubsidie of kwijtschelding van belastingen. Door niet al het meerinkomen als draagkracht voor bijzondere kosten te beschouwen, blijft bij de persoon ruimte over om het verlies aan voorzieningen op te vangen. Mocht belanghebbende aangeven dat de geboden ruimte onvoldoende is om alle noodzakelijke kosten te voldoen en daardoor onder het bestaansminimum zakken (100% van de bijstandsnorm), is het aan belanghebbende dit met bewijsstukken aan te tonen. Indien dit is aangetoond kan op grond van dringende redenen van de algemene draagkrachtsystematiek worden afgeweken. In bepaalde situaties kan bovenstaand algemeen beleid tot onrechtvaardigheid leiden. Dit kan het geval zijn als bijzondere bijstand wordt verstrekt aan een persoon die niet in aanmerking komt voor een voorliggende voorziening of bij verstrekking van bijstand voor algemene bestaanskosten (voorliggende voorziening is dan de algemene bijstandsnorm). Wanneer de regels voor de voorliggende voorziening strenger zijn dan voor de bijzondere bijstand, leidt dit tot bevoordeling van de persoon die bijstand ontvangt ten opzichte van anderen. Ook kan dit beleid het geldende rijksbeleid doorkruisen. Een dergelijke situatie is niet in overeenstemming met de bijstand als sluitstuk van de sociale voorzieningen. Derhalve wordt in die situaties gekozen voor 100% draagkracht voor zover het inkomen boven de bijstandsnorm ligt. De situaties waarin hiervan sprake is, staan in de beleidsregel genoemd. De gemeente Spijkenisse kiest voor een eenduidig beleid op het gebied van draagkracht uit vermogen. Dit wordt tot uitdrukking gebracht in het hanteren van dezelfde vermogensbepalingen als gelden voor de algemene bijstand. Hetgeen bepaald is in artikel 34 Wwb (inzake vermogen) blijft dan ook van kracht voor bijzondere bijstand (zowel bij de draagkrachtbepaling in het tweede, als het derde lid). De langdurigheidstoeslag is bedoeld als tegemoetkoming in extra kosten van mensen die langdurig op het minimum verkeren. De gemeente Spijkenisse acht het daarom niet gerechtvaardigd deze te gebruiken voor specifieke bijzondere kosten. Daarom wordt de langdurigheidstoeslag bij de draagkrachtbepaling buiten beschouwing gelaten. Beleidsregel 3.1.2 Drempelbedrag Het college maakt geen gebruik van de mogelijkheid als bedoeld in artikel 35, tweede lid Wwb. Motivering: De gemeente Spijkenisse stelt zich op het standpunt dat noodzakelijke kosten die voortvloeien uit bijzondere omstandigheden en die de draagkracht te boven gaan, vergoed dienen te worden. Het opwerpen van een extra financiële drempel is niet gewenst. De gemeente Spijkenisse hanteert dan ook geen drempelbedrag. Beleidsregel 3.1.3 Leenbijstand (artikel 48 Wwb) De bijzondere bijstand wordt, indien de situaties als bedoeld in artikel 48 tweede lid sub b, c en d en artikel 51 Wwb van toepassing zijn, als leenbijstand verstrekt. Indien leenbijstand in de weg staat aan een schuldsanerings- of bemiddelingstraject door een erkende schuldhulpverleningsorganisatie, wordt leenbijstand verstrekt met de volgende aanvullende bepalingen: de aflossingsverplichting wordt opgeschort voor de duur van het schuldhulpverleningstraject; indien het schuldhulpverleningstraject succesvol is afgesloten, wordt de leenbijstand alsnog omgezet in bijstand om niet. Toegekende leenbijstand dient volledig te worden terugbetaald, tenzij in verordening of beleidsregels anders is bepaald. Er wordt geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid met een borgtocht te werken. Motivering: Artikel 48 en 51 Wwb bieden gemeenten de mogelijkheid bijstand in de vorm van een lening te verstrekken voor de waarborgsom, aflossing van een schuldenlast en duurzame gebruiksgoederen. Ook tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan is hier genoemd. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer bijstand vanwege bijzondere omstandigheden wordt verleend voor algemene bestaanskosten die uit de norm zouden moeten worden voldaan. Deze beleidsregel vult deze ruimte in door aan te geven dat bijstand hiervoor een lening betreft. De waarborgsom is een geldbedrag dat wordt teruggekregen en een schuldenlast betreft kosten die in een eerder stadium hadden moeten worden voldaan, veelal uit de algemene norm. Ook duurzame gebruiksgoederen moeten worden voldaan uit de algemene norm. Indien bijstand om niet wordt verstrekt, ontvangt belanghebbende dubbel geld (naast de norm, of terugontvangst van de waarborgsom, ook nog bijzondere bijstand om niet). Aangezien dit niet past binnen het karakter van de Wwb (vangnet), wordt een lening verstrekt. In sommige situaties is een lening echter niet mogelijk, waardoor de mogelijkheid voor om niet-verstrekking wordt geschapen. Dit speelt in het bijzonder in situaties waarin geen lening aangegaan kan worden vanwege een lopend schuldhulpverleningstraject. Indien door de klantmanager WMI overwogen wordt om leenbijstand te verstrekken, dient ten aanzien van de mogelijke consequenties overleg te worden gepleegd met de afdeling BIS, team Schuldhulpverlening. Ingeval van een schuldhulpverleningstraject kan de aflossing van de lening worden opgeschort. Er is immers geen betalingsruimte. Indien het schuldhulpverleningstraject met succes wordt afgerond, dan wordt de leenbijstand alsnog omgezet naar bijstand om niet. Dan is belanghebbende schuldenvrij na afronding van het traject. Hiermee wordt voorkomen dat mensen die uit het schuldhulpverleningstraject stappen, worden beloond omdat de bijstand reeds om niet is verstrekt. De afdeling BIS, team schuldhulpverlening staat achter deze werkwijze en ziet ook juridisch geen bezwaren voor een dergelijk beleid (is niet strijdig met de bepaling dat tijdens een schuldhulpverleningstraject geen nieuwe schulden gemaakt mogen worden). De lening dient volledig te worden afgelost. Hiermee wordt degene die leenbijstand wordt toegekend niet bevoordeeld boven iemand die de algemene bestaanskosten zelf heeft bekostigd. Uitzondering op volledige terugbetaling vormen de regels omtrent afzien van terugvordering (zie paragraaf 4.1: terugvordering). Beleidsregel 3.1.4 Aflossingshoogte en –duur bij leenbijstand Aflossing van de leenbijstand vindt plaats conform beleidsregel 4.1.2, eerste, tweede en derde lid. (invordering) De ingangsdatum van de aflossing wordt bij beschikking vastgesteld. Verstrekte leenbijstand wordt volledig afgelost, tenzij dringende redenen zich hiertegen verzetten. Beleidsregel 4.1.1 (gebruikmaking van de terugvorderingsbevoegdheid) is van overeenkomstige toepassing op deze beleidsregel. Motivering: Zie voor motivering beleidsregels 2.2.1 en 4.1.2.(algemene bijstand en invordering) Beleidsregel 3.1.5 Aanvraagdatum Een aanvraag voor kosten die maximaal zes maanden vóór het indienen van een aanvraag om bijzondere bijstand zijn gemaakt, wordt geacht te zijn ingediend op het moment dat de kosten zijn gemaakt. Kosten gemaakt langer dan zes maanden vóór indiening van de aanvraag, die nog niet zijn betaald, worden gezien als een schuld. Kosten gemaakt langer dan zes maanden vóór indiening van de aanvraag, die reeds door belanghebbende zijn betaald, worden gezien als niet noodzakelijk. Indien door indiening van de aanvraag achteraf, de noodzaak voor bijstandverlening niet meer kan worden aangetoond, wordt geen bijstand toegekend. Motivering: Gelet op de onbekendheid van de mogelijkheid bijzondere bijstand te verkrijgen, bestaat een reële kans dat belanghebbende zich pas na enige tijd realiseert dat de kosten een probleem vormen en bijzondere bijstand nodig en mogelijk is. Een termijn van zes maanden wordt hierin redelijk geacht, mede omdat facturen vaak eerst bij een voorliggende voorziening moeten worden ingediend en verwerkt. De in het eerste lid genoemde formulering heeft tot gevolg dat de draagkrachtberekening wordt gemaakt op basis van gegevens die golden ten tijde dat de kosten zijn gemaakt. De draagkrachtperiode sluit hierop aan. Het moment waarop de kosten worden gemaakt is het moment dat de betalingsverplichting tot stand komt. Dit is meestal de datum van de nota. Ongeacht of de nota eerst moet worden ingediend bij bijvoorbeeld een ziektekostenverzekeraar, blijft de factuurdatum gelden voor de zes-maandentermijn. Het kan zijn dat bij achteraf ingediende aanvragen de noodzaak niet meer kan worden vastgesteld. Dit is het risico van de aanvrager. De bijstand kan dan niet worden toegekend. Indien belanghebbende een aanvraag indient voor kosten die langer dan zes maanden geleden zijn gemaakt, wordt deze afgewezen (artikel 44, eerste lid Wwb). Bij een periode langer dan zes maanden geleden kan bij reeds betaalde kosten er van worden uitgegaan dat belanghebbende over voldoende middelen beschikte om deze kosten te kunnen voldoen. Niet betaalde kosten kunnen na een periode van zes maanden worden beschouwd als een schuld, waarop beleidsregel 3.2.8 (bijzondere bijstand voor schulden) van toepassing is. Paragraaf 3.2 Bijzondere bijstand kostensoorten Beleidsregel 3.2.1 Overbruggingskrediet Indien belanghebbende geen of onvoldoende middelen ter beschikking staan om de periode van (vermoedelijke) ingang uitkering tot de eerste betaaldatum te overbruggen, wordt bijstand verleend, indien belanghebbende voldoet aan alle volgende criteria: belanghebbende heeft in de maand voorafgaand aan de uitkeringsaanvraag geen inkomen gehad dat een betalingsritme kende van betalingen aan het einde van de maand of van betalingen per week; belanghebbende bewoont zelfstandig een woning of is kamerhuurder; de ter beschikking staande middelen, waarbij artikel 31, tweede lid en artikel 34, tweede lid onder b Wwb niet van toepassing zijn, bedragen minder dan de bijstandsnorm over de periode die moet worden overbrugd. De bijstand wordt verstrekt in de vorm van een lening. De hoogte van de bijstand bedraagt de bijstandsnorm over de periode van de 1e van de maand volgend op de aanvraagdatum tot en met de betaaldag van die kalendermaand. Hierop worden alle ter beschikking van belanghebbende staande middelen in mindering gebracht. Geen bijstand ter overbrugging wordt verleend indien: de hoogte van de berekende bijstand ter overbrugging minder bedraagt dan 10% van de bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag; over de periode waarbinnen de overbrugging valt een maatregel is/wordt opgelegd. Motivering: Betaling van de uitkering vindt maandelijks plaats, aan het einde van de kalendermaand. Feitelijk betekent dit dat de uitkering van de huidige maand, wordt gebruikt om de volgende maand van te kunnen leven. Dit is niet anders dan in de meeste situaties van loonbetaling of uitkeringen van het UWV Werkbedrijf. In sommige situaties kan dit echter tot onoverkomelijke problemen leiden, namelijk wanneer belanghebbende geen middelen heeft om de periode tot de eerste betaling door te komen. In dergelijke gevallen kan leenbijstand worden verstrekt ter overbrugging. De overbrugging is bedoeld om te voorzien in kosten van voedsel, huur en energie. Iemand die niet zelfstandig een woning bewoont, maar inwonend is, wordt geacht deze kosten te kunnen uitstellen. De hoofdbewoner wordt geacht de kosten te kunnen voorschieten of te wachten met innen van een eventuele bijdrage totdat belanghebbende wel over middelen beschikt. Iemand die een erkend contract heeft op basis waarvan hij huur verschuldigd is en zelf moet zorgen voor voedsel, wordt geacht deze coulance niet te kunnen ondervinden. In afwijking van de draagkrachtregel, worden alle middelen in aanmerking genomen. Indien belanghebbende dus geld heeft op een spaarrekening die hij kan aanspreken, of minderjarige kinderen hebben geld op de rekening staan, moet dat door belanghebbende worden gebruikt voor het levensonderhoud. Belanghebbende komt dan niet in aanmerking voor een overbrugging. Reden hiervoor is dat de overbrugging extra geld is, bovenop de norm die gewoon wordt uitbetaald. Hier moet een zeer zware toets aan ten grondslag liggen. De hoogte van de bijstand wordt berekend vanaf de 1e dag van de kalendermaand volgend op de aanvraagdatum tot de betaaldatum van die maand. Iemand die op de 18e een aanvraag indient en per die datum een uitkering wil, komt over de periode 1e van de volgende maand tot de betaaldatum van die maand in aanmerking voor overbrugging. De voorliggende periode kan worden opgevangen met voorschotten. Op deze wijze wordt uitdrukking gegeven aan het doel, namelijk tot de volgende betaaldatum overbrugging bieden, zonder dat de uitvoering zeer ingewikkeld wordt. Geen overbrugging wordt verleend als de overbruggingsbijstand minder bedraagt dan 10% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (ongeveer het voor beslag vatbare bedrag). Het gaat namelijk om een beperkt aantal kosten die met spoed moeten worden voldaan, zoals voedsel en huur. Kleding valt hier niet onder, noch kosten waarvoor normaal gesproken moet worden gereserveerd. De volledige bijstandsnorm is derhalve vrij ruim voor het doel waarvoor het wordt verstrekt. Wanneer belanghebbende dan ook slechts 10% van de bijstandsnorm tekort komt op de uitkeringsnorm tot de volgende betaaldatum, beschikt belanghebbende over voldoende middelen om zelf in de meest noodzakelijke kosten te voorzien. Ook indien een maatregel is opgelegd, wordt geen overbrugging geboden. Een maatregel wordt opgelegd omdat belanghebbende zich verwijtbaar heeft gedragen. Het effect van deze maatregel moet niet teniet kunnen worden gedaan door een overbruggingsuitkering. Indien belanghebbende serieuze problemen krijgt door het opleggen van de maatregel, kan op grond van artikel 18 Wwb zodanige afstemming plaatsvinden dat zich geen levensbedreigende situaties voordoen. Beleidsregel 3.2.2 Woonkostentoeslag bij huurkosten Huurtoeslag wordt geacht een voorliggende voorziening te zijn die in het algemeen passend en toereikend is als tegemoetkoming in de huurkosten. Indien de huurtoeslag is vastgesteld op basis van een inkomen dat hoger ligt dan het huidige structurele inkomen van belanghebbende, wordt woonkostentoeslag verstrekt. Indien door redenen die belanghebbende niet te verwijten zijn, over een bepaalde periode geen huurtoeslag (meer) kan worden aangevraagd, wordt woonkostentoeslag verstrekt. Bij berekening van de woonkostentoeslag wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de berekeningssystematiek van huurtoeslag, met dien verstande dat het huidige structurele inkomen in de berekening wordt gebruikt en vermogen boven de vermogensgrens als genoemd in artikel 34 Wwb als middelen in aanmerking wordt genomen. Woonkostentoeslag voor een huur boven de maximale huurgrens wordt voor maximaal 12 maanden verstrekt, tenzij dringende redenen zich hiertegen verzetten. De hoogte van de woonkostentoeslag als bedoeld in het vijfde lid, wordt bepaald op het bedrag aan huurtoeslag bij een huur ter hoogte van de maximale huurgrens, plus het verschil tussen de maximale huurgrens en de kale huur volgens de overeenkomst. Indien belanghebbende een huurcontract aangaat voor een huur boven de maximale huurgrens en hij ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst een inkomen heeft dat recht geeft op huurtoeslag, bestaat geen recht op woonkostentoeslag. Woonkostentoeslag wordt verstrekt tot de eerstvolgende datum waarop een beroep op huurtoeslag mogelijk zou kunnen worden. Werkt belanghebbende niet mee aan beperking van de woonkosten, of betoont belanghebbende onvoldoende besef van verantwoordelijkheid op het gebied van woonkosten, wordt de woonkostentoeslag geweigerd of beëindigd. Motivering: Volgens jurisprudentie (o.a. JABW 2003/224 d.d. 07-10-2003) moeten de Huursubsidiewet en de Vangnetregeling als passende en toereikende voorliggende voorzieningen worden beschouwd, mede omdat de Huursubsidiewet (en daarmee ook de huurtoeslag) een hardheidsclausule kent. In beginsel bestaat er dan ook geen reden woonkostentoeslag te verstrekken als een beroep kan worden gedaan op de Huursubsidiewet en aanverwante wet- en regelgeving. Indien belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid tot aanvragen van huurtoeslag, heeft belanghebbende onvoldoende verantwoordelijkheid voor de voorziening in de kosten van het bestaan betoond. Op die grond moet een eventuele aanvraag woonkostentoeslag alsnog worden afgewezen. Uitzondering is de situatie waarin dat belanghebbende niet te verwijten valt. Uitzonderingen op de algemene regel worden in de volgende leden genoemd, zoals: opname van de partner in een AWBZ-inrichting, waardoor inkomen en huurtoeslag niet op elkaar aansluiten; de ingangsdatum van de huur is niet per de eerste van de kalendermaand en het huren van de woning vanaf die datum is wel noodzakelijk; de huur ligt boven de maximale huurgrens, zonder dat dit belanghebbende te verwijten is. De in het vijfde lid genoemde dringende redenen kunnen bijvoorbeeld bestaan ingeval van een aangepaste woning op grond van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo). De berekening van de woonkostentoeslag hoort aan te sluiten bij de in de voorliggende voorziening gehanteerde berekeningssystematiek, om zoveel mogelijk gelijkheid te verkrijgen tussen personen die huurtoeslag ontvangen en personen met (aanvullende) woonkostentoeslag. Om deze reden wordt bijvoorbeeld aan belanghebbenden met een huur boven de maximale huur woonkostentoeslag verstrekt ter hoogte van de huurtoeslag bij de maximaal toelaatbare huur, plus de kosten boven de maximale huurgrens. Hierdoor is de netto huur van belanghebbende met woonkostentoeslag nooit lager dan de netto huur van iemand die nog net binnen de grenzen van de huurtoeslag valt. Geen recht op woonkostentoeslag bestaat wanneer de huur waarvoor geen voorliggende voorziening mogelijk is, het resultaat is van tekortschietend betoond besef van verantwoordelijkheid als bedoeld in het negende lid. Dit moet worden gezien als afstemming als bedoeld in artikel 18 van de Wwb. Woonkostentoeslag is slechts mogelijk tot het moment dat recht kan bestaan op een voorliggende voorziening. Daarom moet altijd eerst gekeken worden of huurtoeslag kan worden aangevraagd of gewijzigd. Beleidsregel 3.2.3 Woonkostentoeslag bij eigen woning Indien belanghebbende eigenaar is van een door hemzelf bewoonde woning en hij deze redelijkerwijs niet kan verkopen of (verder) kan bezwaren met geldleningen, maar het inkomen niet toereikend is om de woonkosten te voldoen, wordt woonkostentoeslag verleend. Als in aanmerking te nemen woonkosten worden gezien de hypotheekrente, eigenaarsdeel onroerende-zaakbelasting, waterschapslasten, premie opstalverzekering, erfpachtcanon en een forfaitair bedrag aan onderhoudskosten, onder aftrek van in aanmerking te nemen rijkssubsidies aan de woningeigenaar of voorlopige teruggave hypotheekrenteaftrek. Bij berekening van de woonkostentoeslag wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de berekeningssystematiek van huurtoeslag, met dien verstande dat het huidige structurele inkomen in de berekening wordt gebruikt en vermogen boven de vermogensgrens als genoemd in artikel 34 Wwb als middelen in aanmerking wordt genomen. De eigenaar komt niet in aanmerking voor woonkostentoeslag indien qua kosten en draagkracht ten tijde van de aankoop van de woning al behoefte bestond aan woonkostentoeslag. Woonkostentoeslag als bedoeld in het eerste lid wordt maximaal 24 maanden verstrekt, tenzij dringende redenen zich hiertegen verzetten. Werkt belanghebbende niet mee aan beperking van de woonkosten, of betoont belanghebbende onvoldoende besef van verantwoordelijkheid op het gebied van woonkosten, wordt de woonkostentoeslag geweigerd of beëindigd. Motivering: Wanneer belanghebbende redelijkerwijs op korte termijn in een koopwoning moet blijven wonen, kan woonkostentoeslag worden verstrekt voor de kosten als genoemd in het tweede lid, onder dezelfde financiële situatie als ware het een huurwoning waarvoor huurtoeslag mogelijk was. Wederom wordt aangesloten bij de systematiek van huurtoeslag om de rechtsgelijkheid te bevorderen. Woonkostentoeslag bij een koopwoning is maximaal 24 maanden mogelijk, aangezien belanghebbende door langer in de koopwoning te blijven wonen, onredelijke aanspraken zou blijven maken op publieke middelen die hiervoor in beginsel niet zijn bedoeld. De situatie (woonkostentoeslag voor een koopwoning) zou dan uitgroeien tot een structurele situatie en derhalve niet meer aan te merken zijn als een situatie die voortvloeit uit bijzondere omstandigheden. In dat geval is geen bijzondere bijstand mogelijk. Structurele verstrekking van woonkostentoeslag is slechts mogelijk indien sprake is van dringende redenen, zoals het feit dat de woning voor belanghebbende is aangepast (bijvoorbeeld op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten). Ook kan de duur van de woonkostentoeslag voor bepaalde tijd worden verlengd, indien belanghebbende alles in het werk heeft gesteld om een huurwoning te krijgen, maar dit door omstandigheden die belanghebbende niet te verwijten zijn is mislukt. Geen recht op woonkostentoeslag bestaat wanneer de kosten waarvoor geen voorliggende voorziening mogelijk is, resultaat zijn van tekortschietend betoond besef van verantwoordelijkheid als bedoeld in het vierde of zesde lid. Dit moet worden gezien als afstemming als bedoeld in artikel 18 van de Wwb. Indien belasting wordt terugontvangen over de betaalde hypotheekrente, moet worden bekeken of deze teruggaaf betrekking heeft op de periode waarover woonkostentoeslag is verstrekt. Indien dit het geval is, moet de teruggaaf worden teruggevorderd (voor zover het betrekking heeft op door ons verstrekte woonkostentoeslag). Beleidsregel 3.2.4 Bijzondere woonkosten Aan personen die gebruik maken van reguliere opvang van het Leger des Heils, wordt woonkostentoeslag verstrekt voor zover de kosten voor verblijf aldaar per maand tenminste de minimale huur bedragen waarvoor huursubsidie mogelijk is. De hoogte van de woonkostentoeslag wordt berekend conform de berekening voor huurtoeslag. In de niet subsidiabele woonkosten die betrekking hebben op het langer zelfstandig laten wonen van ouderen en mensen met een handicap, wordt bijstand verleend: voor zover deze kosten voor belanghebbende noodzakelijk worden geacht, waarbij de noodzaak in ieder geval aanwezig wordt geacht bij personen van 70 jaar en ouder, en; voor zover de totale woonkosten tenminste de minimale huurgrens bedragen waarvoor huurtoeslag mogelijk is. Indien vanwege opname in een AWBZ-instelling de bijstandsnorm wordt verlaagd naar een norm bij verblijf in een inrichting, wordt bijzondere bijstand verleend in de kosten van het aanhouden van de woning, onder de volgende voorwaarden: in de woning van belanghebbende blijven geen bewoners van 18 jaar of ouder achter, en; de opname duurt naar verwachting niet langer dan 12 maanden, en; belanghebbende is voornemens en naar verwachting in staat om na de opname terug te keren in de woning. Motivering: De gemeente Spijkenisse acht het wenselijk dat ouderen en mensen met een handicap zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen. Indien extra woonvoorzieningen hierin een bijdrage kunnen leveren, komen de daarbij horende niet-subsidiabele woonkosten voor bijstand in aanmerking. Het benoemen van de 70-plussers als vaste doelgroep is gebaseerd op statistische gegevens. Indien niet reeds een beroep moet worden gedaan op de extra voorzieningen, is het statistisch gezien aannemelijk dat dit binnen enkele jaren gebeurt. Daarom is voor deze doelgroep de noodzaak categoraal vastgesteld. Het categoraal vaststellen van de noodzaak betekent niet dat categoriale bijstand wordt verstrekt. De kosten moeten individueel worden aangetoond en de onder b genoemde bepaling blijft eveneens van kracht. Geen bijstand kan worden verleend wanneer de totale woonkosten (inclusief de niet-subsidiabele) minder bedragen dan de minimale huurgrens waarvoor huurtoeslag mogelijk is. Dit bedrag wordt namelijk geacht in de norm te zijn inbegrepen. Slechts voor zover de kosten hoger zijn dan de minimale huurgrens, kan bijstand worden verleend. In de situatie als bedoeld in het derde lid, voorziet de bijstandsnorm niet in de woonkosten. Om te voorkomen dat belanghebbende na beëindiging van de opnameperiode niet langer over huisvesting beschikt, hetgeen in de regel zal leiden tot hoge kosten voor herhuisvesting en ernstige gevolgen voor het verder functioneren van belanghebbende, kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor het aanhouden van de woning. Bijstand is mogelijk wanneer het verblijf in de inrichting naar verwachting niet langer duurt dan 12 maanden. Bij een langere periode is de verhouding tussen de herhuisvestingkosten en de kosten van aanhouden van een woning zodanig, dat bijstand voor het aanhouden van een woning als niet noodzakelijk kan worden aangemerkt. Beleidsregel 3.2.5 Detentie [vervallen] Beleidsregel 3.2.6 Medische kosten Voor het vaststellen van de noodzaak bij aanvragen bijzondere bijstand voor medische kosten, wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van reeds in de gemeente aanwezige objectieve bronnen. Bij afwezigheid van objectieve bronnen wordt de noodzaak voor medische kosten als volgt bepaald: bij kosten onder € 500 (bij periodieke kosten onder € 500 per 12 maanden) is een door belanghebbende aangedragen bewijsstuk voldoende; bij kosten boven € 500 wordt een onafhankelijk medisch advies aangevraagd. Indien afwijzing dreigt en een afwijzingsgrond blijkt onvoldoende uit de door belanghebbende aangedragen bewijslast of aanwezige objectieve gegevens, wordt alsnog een onafhankelijk medisch advies opgevraagd. Voor de bijstand in de kosten van brillen en contactlenzen geldt: voor zover de kosten binnen een periode van 24 maanden niet méér bedragen dan de maximumvergoeding voor deze kosten binnen het collectieve ziektekostenverzekering (COZV), worden zij als noodzakelijk aangemerkt; hogere kosten kunnen alleen als noodzakelijk worden aangemerkt op basis van een medisch advies, tenzij er een niet-medische grondslag aan de hogere kosten verbonden is; in de noodzakelijke kosten wordt bijstand verleend, rekening houdend met ontvangen vergoedingen en de overige bepalingen welke op bijzondere bijstand betrekking hebben; geen bijstand wordt verleend voorzover de belanghebbende een vergoeding van de COZV is misgelopen, omdat deze zonder gegronde reden geen gebruik maakt van het COZV. In de kosten van alternatieve geneeswijze wordt bijstand verleend, indien: belanghebbende uitbehandeld is in de reguliere geneeskunde, en; zonder behandeling een terugslag in de gezondheidstoestand optreedt of wordt verwacht, die met reguliere middelen niet is te voorkomen, en; de alternatieve behandeling verricht wordt door of onder begeleiding van een in Nederland gevestigde en erkende arts. In de kosten van nieuwe medicijnen wordt bijstand verstrekt als: daarvoor toelating is gevraagd tot de lijst van landelijk vergoede geneesmiddelen, en; de medische noodzaak tot het gebruik van het middel vaststaat, en; het verzoek om vergoeding bij de ziektekostenverzekeraar is ingediend en voor zolang de verzekeraar nog niet heeft beslist. Voor orthodontie en tandartskosten, met uitzondering van periodieke controle, trekken, vullen, röntgenfoto’s en de eigen bijdrage voor een volledig uitneembare prothese, geldt dat een aanvraag om bijstand voorafgaand aan de behandeling moet worden ingediend, zodat het college in de gelegenheid wordt gesteld om de medische noodzaak te kunnen laten vaststellen. Aanvragen om bijstand die na aanvang van de behandeling zijn ingediend, en waarbij de medische noodzaak hierdoor niet meer kan worden vastgesteld, worden afgewezen. Motivering: Aangezien het vaststellen van de noodzaak bij medische kosten speciale kennis vereist, wordt veelal een advies opgevraagd bij een onafhankelijke medische instantie (veelal de GGD). Deze werkwijze levert een zorgvuldig besluit op, maar kent ook nadelen. Zo moet de cliënt langer wachten op het besluit, moet de cliënt naar de adviseur komen voor een adviesgesprek (of volgt een huisbezoek) en kost het advies de gemeenschap geld. Derhalve wordt in deze beleidsregel gekozen voor een meer pragmatische benadering, waarbij wel zoveel mogelijk de zorgvuldige totstandkoming van een besluit in acht wordt genomen. Een eerste winstpunt is te behalen indien objectieve gegevens reeds aanwezig zijn, waarop het besluit kan worden genomen. Een objectieve bron als bedoeld in het eerste lid is bijvoorbeeld een Wmo-advies, reeds eerder voor die klant opgevraagde medische adviezen, medische informatie van derden in het dossier, en dergelijke. Bij aanvragen tot € 500 (ongeveer de hoogte van de kosten voor medisch advies) kan de klantmanager zonder advies aan te vragen beslissen op een aanvraag, mits andere bewijzen aanwezig zijn (vroegere medische adviezen, gegevens in Wmo-dossiers of eigen dossier, ingeroepen expertise van Wmo-consulenten, verklaring van arts/therapeut/specialist, gedeeltelijke vergoeding door de verzekeraar, gemaakte standaardlijsten binnen WMI van kosten die vrijwel altijd noodzakelijk zijn, etc.). Is er onvoldoende bewijs, kan wel een medisch advies worden opgevraagd. Wanneer een afwijzing dreigt, is wel de noodzaak aanwezig het meest zorgvuldige besluit te nemen. In dat geval zal vaak wel een medisch advies gewenst zijn (tenzij al wel objectieve medische gegevens aanwezig zijn, of de bewijslast van de cliënt een afwijzing voldoende ondersteunt). Ook voor kosten boven de € 500 wordt, indien geen objectieve medische gegevens aanwezig zijn, een advies opgevraagd. Het vierde tot en met zevende lid betreffen inhoudelijke regels omtrent medische voorzieningen. In de regel geldt voor medische voorzieningen dat een vergoeding kan worden verstrekt wanneer: de kosten voor belanghebbende noodzakelijk zijn (alleen het deel van de kosten dat noodzakelijk is, niet eventuele ‘luxer’ oplossingen), en; deze niet geheel kunnen worden bekostigd uit een voorliggende voorziening, en; er geen adequaat alternatief aanwezig is dat wordt vergoed via een voorliggende voorziening, en; de kosten niet expliciet buiten de voorliggende voorziening zijn gehouden, omdat de voorliggende voorz