lege van burgemeester en wethouders van 22 augustus 2023, zaaknummer Z/21/146019/385474; gelet op de artikelen 147, 149 en 154 van de Gemeentewet, artikel 3.16 van de Erfgoedwet en de artikelen 8.42b
Artikel3
.13(Vervallen) §3.2.2Bouwen op verontreinigde bodem Artikel3.14(Vervallen) Artikel3.15(Vervallen) Artikel3.16(Vervallen) Artikel3.17(Vervallen) AFDELING3.3 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN §3.3.
Artikel3
.24(oogmerken) De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: het waarborgen van de veiligheid; het beschermen van de gezondheid; en het beschermen van het milieu, voor zover het gaat om: het beschermen tegen milieuverontreiniging; het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; een doelmatig beheer van afvalstoffen; het voorkomen of beperken van geluidhinder, trillinghinder, lichthinder en geurhinder; het beperken van de kans op en het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan; het beschermen van de doelmatige werking van voorzieningen voor het beheer van afvalwater; het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste; of het vervullen van maatschappelijke functies door watersystemen. §3.3.2Geluidhinder en lichthinder door festiviteiten Artikel3.25(aanwijzing activiteiten) Als activiteit als bedoeld in artikel 3.1 wordt aangewezen het vieren van festiviteiten. Artikel3.26(aanwijzing collectieve festiviteiten) 1.De geluidwaarden, bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.71 van het omgevingsplan Oegstgeest, en de verplichting om de verlichting bij een gelegenheid voor sportbeoefening in de buitenlucht uit te schakelen, bedoeld in artikel 22.239, eerste lid, van het omgevingsplan Oegstgeest, zijn niet van toepassing op de dagen of dagdelen in verband met de viering van festiviteiten die niet aan een locatie of een klein aantal locaties waarop milieubelastende activiteiten worden verricht, zijn verbonden en die door het college zijn aangewezen. 2.In de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid: kunnen delen van de gemeente worden aangewezen waarvoor de uitzondering geldt; kan het tijdstip worden vermeld tot wanneer de uitzondering geldt; kunnen de maximaal toelaatbare geluidniveaus worden opgenomen, die niet hoger zijn dan 70 dB(A) en 82 dB(C), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen; en is het equivalente geluidniveau Leq,T, veroorzaakt door de festiviteit niet meer dan 55 dB(A) in een geluidgevoelige ruimte van een woning van derden, bij gesloten ramen en deuren. 3.Wanneer een festiviteit redelijkerwijs niet was te voorzien, kan het college een festiviteit terstond aanwijzen. 4.Muziek wordt uitsluitend in een gebouw met gesloten deuren en ramen ten gehore gebracht. Een deur of raam is alleen geopend tijdens het doorlaten van personen of goederen en niet langer dan daarvoor nodig is. 5.In afwijking van het vierde lid, kan muziek buiten een gebouw ten gehore worden gebracht: op de locaties waar de verenigingen zijn gevestigd aan de Abtspoelweg, Hofbrouckerlaan, Mariahoevelaan, De Voscuyl, Van Houdringelaan en Oegstgeesterweg; en op andere locaties als het college dat heeft toegestaan. Artikel3.27(kennisgeving incidentele festiviteiten) 1.Per kalenderjaar kan tijdens ten hoogste zes festiviteiten die aan een locatie of een klein aantal locaties waarop milieubelastende activiteiten worden verricht, zijn verbonden, worden afgeweken van: de geluidwaarden, bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.71 van het omgevingsplan Oegstgeest ; en de verplichting om de verlichting bij een gelegenheid voor sportbeoefening in de buitenlucht uit te schakelen, bedoeld in artikel 22.239, eerste lid, van het omgevingsplan Oegstgeest. 2.Van een festiviteit als bedoeld in het eerste lid: wordt het college ten minste twee weken voor het begin ervan in kennis gesteld met een door het college vastgesteld formulier; en worden omwonenden binnen een straal van 50 m ten minste 48 uur voor het begin ervan in kennis gesteld volgens de wijze die is aangegeven op het formulier, bedoeld onder a. 3.Het tweede lid is niet van toepassing als het college een festiviteit die redelijkerwijs niet was te voorzien terstond heeft toegestaan 4.Het equivalente geluidsniveau Leq,T veroorzaakt door de festiviteit, is niet meer dan: 70 dB(A) en 82 dB(C), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen; en 55 dB(A) in een geluidgevoelige ruimte van een woning van derden, bij gesloten ramen en deuren. 5.Het eerste lid, onder a, is niet van toepassing: op zondag tot en met donderdag na 23.59 uur; in de nacht van vrijdag op zaterdag na 01.00 uur; en in de nacht van zaterdag op zondag na 01.00 uur. 6.Muziek wordt uitsluitend in een gebouw met gesloten deuren en ramen ten gehore gebracht. Een deur of raam is alleen geopend tijdens het doorlaten van personen of goederen en niet langer dan daarvoor nodig is. 7.Het eerste lid, onder b, is niet van toepassing na 23.59 uur. 8.Een aanwezige omroepinstallatie wordt alleen gebruikt voor het aankondigen van het starten en beëindigen van wedstrijd- of feestonderdelen. 9.In afwijking van het zesde lid, kan muziek buiten een gebouw ten gehore worden gebracht: op de locaties waar de verenigingen zijn gevestigd aan de Abtspoelweg, Hofbrouckerlaan, Mariahoevelaan, De Voscuyl, Van Houdringelaan en Oegstgeesterweg; en op andere locaties als het college dat heeft toegestaan. Artikel3.28(wijze van geluidmeten) 1.Metingen en berekeningen ter controle van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 3.26 en 3.27, worden verricht volgens de Handleiding meten en rekenen industrielawaai, van het ministerie van VROM, uitgave
- 2.In afwijking van de handleiding, bedoeld in het eerste lid: worden op het gemeten signaal in dB(A) of dB(C) geen correcties meer toegepast; en is het toegestaan metingen te verrichten met een geluidniveaumeter volgens de specificaties van IEC-publicatie 60651, type
- 3.Metingen in de buitenlucht worden verricht op een hoogte van ten minste 1,5 m en ten hoogste 2,0 mr boven het plaatselijke maaiveld. 4.Metingen in een geluidgevoelige ruimte worden verricht op een afstand van ten minste 1,5 m boven de vloer, 1,5 m van ramen en 1,0 m van muren. 5.Als het geluidniveau op de gevel van een geluidgevoelig gebouw wordt vastgesteld, wordt de gevel op de begane grond ook als gevel van het geluidgevoelig gebouw gezien als geluidgevoelige ruimten alleen op de hoger gelegen etages aanwezig zijn. §3.3.3Geluidhinder door toestellen of geluidsapparaten en laden en lossen Artikel3.29(aanwijzing activiteiten) 1.Als activiteiten als bedoeld in artikel 3.1 worden aangewezen: het gebruiken van toestellen of geluidsapparaten waardoor geluidhinder wordt veroorzaakt; en het laden en lossen. 2.Onder de aanwijzing vallen niet activiteiten op een locatie waar een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt verricht. Artikel3.30(geluidhinder door toestellen of geluidsapparaten) Het is verboden de activiteit, bedoeld in artikel 3.29, eerste lid, aanhef en onder a, te verrichten. Artikel3.31(geluidhinder door laden en lossen) 1.De activiteit, bedoeld in artikel 3.29, eerste lid, aanhef en onder b, wordt niet verricht tussen 23:00 uur en 07:00 uur. 2.Het eerste lid is niet van toepassing als de activiteit wordt verricht op een markt op een dag waarop die markt wordt gehouden. §3.3.4Afvalbeheer Artikel3.32(aanwijzing activiteiten) 1.Als activiteiten als bedoeld in artikel 3.1 worden aangewezen: het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen; het ter inzameling aanbieden, overdragen en achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen; andere activiteiten met afvalstoffen, met uitzondering van activiteiten op een locatie waar een milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt verricht ; en activiteiten waardoor zwerfafval kan ontstaan. 2.In afwijking van artikel 3.1, tweede lid, zijn de regels in deze paragraaf ook van toepassing op het inzamelen van afvalstoffen dat wordt verricht door of vanwege de gemeente Oegstgeest voor de uitoefening van een publiekrechtelijke taak. Artikel3.33(specifieke zorgplicht) De zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3, houdt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.32 in ieder geval in dat: geen hinder of verontreiniging van het milieu of een weg wordt veroorzaakt door een afvalstof: op of in de bodem of op een weg te brengen, te storten, te houden, achter te laten of anderszins daar te plaatsen; of te vervoeren of te laden of te lossen; het ontstaan van zwerfafval wordt voorkomen door: op of bij een locatie waar eet- of drinkwaren worden verkocht, die ter plaatse kunnen worden genuttigd, een voor het publiek toegankelijke afvalbak beschikbaar te hebben en door deze tijdig te legen; etenswaren, verpakkingen, afval en andere materialen, afkomstig van een locatie als bedoeld onder 1°, binnen een straal van 25 m van die locatie zo vaak als nodig te verwijderen; huishoudelijke afvalstoffen van beperkte omvang en gewicht niet achter te laten in de openbare ruimte, anders dan in daartoe bestemde afvalbakken of andere middelen ter inzameling van die afvalstoffen; drukwerk, inclusief de verpakking, dat onder het publiek wordt verspreid en in de openbare ruimte wordt achtergelaten, onverwijld op te ruimen; afvalstoffen of inzamelmiddelen met afvalstoffen die klaar staan voor inzameling niet te doorzoeken, te verspreiden, te stoten, te schoppen of omver te stoten; als verontreiniging van het milieu of een weg is ontstaan door het verrichten van een activiteit, alle maatregelen worden getroffen om die verontreiniging ongedaan te maken of zoveel mogelijk te beperken; geen afvalstoffen op een voor het publiek waarneembare plaats in de open lucht worden opgeslagen, tenzij dat opslaan in overeenstemming is met de regels in deze verordening en de daarvoor geldende rijksregels; autowrakken niet worden achtergelaten maar worden afgegeven aan: een autodemontagebedrijf als bedoeld in artikel 3.152, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving; degene die voor derden gemotoriseerde voertuigen onderhoudt, repareert of ombouwt als bedoeld in artikel 3.276, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving; of degene die in een ander land dan Nederland is gevestigd en die overeenkomstig de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen en titel 10.7 van de Wet milieubeheer het autowrak naar dat land brengt; ongeadresseerd reclamedrukwerk alleen wordt bezorgd als de ontvanger kenbaar heeft gemaakt daar prijs op te stellen; en geen huis-aan-huisblad wordt bezorgd als de ontvanger kenbaar heeft gemaakt daar geen prijs op te stellen. Artikel3.34(inzamelen huishoudelijke afvalstoffen) 1.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen. 2.Het verbod is niet van toepassing op: de inzameldienst die door het college is aangewezen voor het inzamelen; en een andere inzamelaar dan de inzameldienst: die door het college is aangewezen voor het inzamelen; die op grond van nadere regels van het college is vrijgesteld van het verbod; of die op grond van artikel 9.5.2, derde lid, aanhef en onder b, of vierde lid, van de Wet milieubeheer verplicht is tot inname van de huishoudelijke afvalstoffen. 3.Het college kan nadere regels stellen over: het aanwijzen van de inzameldienst en een inzamelaar; en de wijze van inzamelen. Artikel3.35(aanbieden, overdragen en achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen) Met het oog op het beschermen tegen milieuverontreiniging en een doelmatig beheer van afvalstoffen worden huishoudelijke afvalstoffen alleen: ter inzameling aangeboden of overgedragen aan de inzameldienst, bedoeld in artikel 3.34, tweede lid, onder a, of een andere inzamelaar als bedoeld in artikel 3.34, tweede lid, onder b; of achter gelaten op de door het college aangewezen inzamelplaats, bedoeld in artikel 2.
- Artikel3.36(gescheiden inzamelen en aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen) 1.Met het oog op een doelmatig beheer van afvalstoffen worden de volgende bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk ingezameld: groente-, fruit- en tuinafval; papier en karton; glas; textiel; elektrische of elektronische apparatuur; klein chemisch afval; en andere door het college aangewezen bestanddelen. 2.De volgende bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen worden na inzameling machinaal gescheiden om nuttige toepassing mogelijk te maken: kunststof; metaal; en drankenkartons. 3.De bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in het eerste lid, worden afzonderlijk ter inzameling aangeboden of overgedragen of achtergelaten. 4.Het college stelt regels over de frequentie van inzameling van de bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen, bedoeld in het eerste lid, en over de locaties van inzameling bij of nabij elk perceel. 5.Het college kan met nadere regels bepalen dat het eerste of derde lid niet geldt voor: bepaalde bestanddelen; of bepaalde categorieën van gevallen of personen. Artikel3.37(plaats, dag en tijdstip van aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen) 1.Met het oog op het beschermen tegen milieuverontreiniging en een doelmatig beheer van afvalstoffen worden huishoudelijke afvalstoffen alleen ter inzameling aangeboden op de door het college aangewezen plaatsen, dagen en tijdstippen. 2.De plaatsen, dagen en tijdstippen kunnen voor de verschillende bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen verschillen. Artikel3.38(inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen) 1.Met het oog op het beschermen tegen milieuverontreiniging en een doelmatig beheer van afvalstoffen worden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aangeboden volgens de door het college gestelde regels over het gebruik van inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen. 2.Een inzamelmiddel wordt alleen op de dagen en tijdstippen, bedoeld in artikel 3.37, eerste lid, in de openbare ruimte geplaatst. 3.Bij de regels, bedoeld in het eerste lid, kan worden afgeweken van het tweede lid. Artikel3.39(aanbieden, overdragen en achterlaten van bedrijfsafvalstoffen) 1.Met het oog op het beschermen tegen milieuverontreiniging en een doelmatig beheer van afvalstoffen worden bedrijfsafvalstoffen alleen ter inzameling aangeboden of overgedragen aan de inzameldienst, bedoeld in artikel 3.34, tweede lid, onder a, of achter gelaten op de door het college aangewezen inzamelplaats, bedoeld in artikel 2.9, als het gaat om bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen die door het college zijn aangewezen. 2.Bedrijfsafvalstoffen worden alleen ter inzameling aangeboden op de door het college: bepaalde dagen en tijden; bepaalde wijze; en aangewezen plaatsen. 3.Het college kan nadere regels stellen over het aanbieden of overdragen van bedrijfsafvalstoffen. AFDELING3.4 ACTIVITEITEN IN DE OPENBARE RUIMTE §3.4.
Artikel3
.40(oogmerken) 1.De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: het behoeden van de staat en werking van wegen en openbare wateren voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die wegen of wateren; het behouden en bevorderen van de verkeersveiligheid; het behouden en bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte; het beperken van hinder; en het beschermen van het aanzien van de openbare ruimte. 2.De regels over uitritten in paragraaf 3.4.4 zijn ook gesteld met het oog op de bescherming van het openbaar groen. 3.De regels over standplaatsen in paragraaf 3.4.6 zijn ook gesteld met het oog op: het beschermen van het milieu, voor zover het gaat om: het beschermen tegen milieuverontreiniging; het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; een doelmatig beheer van afvalwater en afvalstoffen; en het voorkomen of beperken van geluidhinder en geurhinder; en het behoud van een goed woon- en leefklimaat. §3.4.2Gebruiken van de weg Artikel3.41(aanwijzing activiteiten) 1.Als activiteit als bedoeld in artikel 3.1 wordt aangewezen het gebruiken van de weg. 2.Onder de aanwijzing valt niet het gebruiken van de weg voor: een evenement als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene plaatselijke verordening Oegstgeest 2021; het parkeren van voertuigen op de weg, bedoeld in paragraaf 3.4.5; het innemen van een standplaats als bedoeld in paragraaf 3.4.6; of het exploiteren van een terras als bedoeld in paragraaf 3.4.
- Artikel3.42(specifieke zorgplicht) 1.De zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3, houdt voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.41, in ieder geval in dat: geen gevaar ontstaat voor de veiligheid op de weg; geen hinder of schade wordt veroorzaakt; voldoende vrije doorgang voor hulpdiensten overblijft; voldoende vrije doorgang op voetpaden overblijft; de vrije toegang tot straatkolken, rioolputten, brandkranen en andere afsluitingen voor openbare nutsvoorzieningen is gewaarborgd; als reclameborden of andere objecten worden geplaatst: die objecten voldoende zichtbaar zijn, stabiel worden geplaatst, in deugdelijke staat van onderhoud verkeren, een verzorgde aanblik bieden, geen hinder, schade, gevaar of overlast kunnen veroorzaken en de functie of zichtbaarheid van de lantaarnpaal, verkeersbord of ander object waaraan het wordt bevestigd, niet wordt beperkt of belemmerd; geen schade wordt toegebracht aan de weg; het beheer en onderhoud van de weg niet wordt belemmerd; en winkelwagentjes na gebruik niet onbeheerd worden achtergelaten in de openbare ruimte. 2.Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt: voorziet de winkelwagentjes van de naam van de winkel of een ander herkenningsteken; en verwijderd onbeheerd achtergelaten winkelwagentjes uit de omgeving van de winkel. Artikel3.43(aanwijzing vergunningplichtige gevallen) 1.Het is verboden zonder vergunning de weg anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2.Het verbod is niet van toepassing op: het gebruiken van de weg met een mobiele kraan die ten hoogste een dagdeel op de weg wordt geplaatst en waarbij geen wegafsluiting noodzakelijk is; of het plaatsen van voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. 3.Het verbod is ook niet van toepassing op het plaatsen van: uitstallingen, als wordt voldaan aan artikel 3.45; objecten voor bouwactiviteiten, als wordt voldaan aan de artikelen 3.46 en 3.47; spandoeken, als wordt voldaan aan artikel 3.48; objecten met reclame bij een rotonde, als wordt voldaan aan artikel 3.49; trotters en tekstkarren, als wordt voldaan aan artikel 3.50; of kerstbomen, als wordt voldaan aan artikel 3.
- Artikel3.44(beoordelingsregels vergunning) 1.Onverminderd artikel 3.10 kan de vergunning worden geweigerd als: het beoogde gebruik, op zichzelf of in verband met de omgeving, niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand; of dat nodig is om overlast voor gebruikers van een nabij gelegen onroerende zaak te voorkomen of te beperken. 2.Een vergunning voor het plaatsen van objecten met reclame of reclameborden kan worden geweigerd als het object of bord: wordt geplaatst op een afstand van minder dan 25 m van een ander object met reclame of reclamebord; wordt geplaatst binnen 5 m van een bocht, kruising of splitsing; boven de rijbaan wordt geplaatst; de verkeersfunctie van de berm of het trottoir wordt beperkt of belemmerd; niet wordt geplaatst bij een doorgaande hoofdroute; of een AO-bord aan een lichtmast betreft die niet is bedoeld voor de aankondiging van een lokale activiteit die ten hoogste een maand duurt. Artikel3.45(algemene regels: plaatsen uitstallingen) 1.Dit artikel is van toepassing op het plaatsen op de weg van reclameborden, uitstallingsmaterialen, uitstallingsstellages, voorwerpen en stoffen die behoren tot het reguliere assortiment van een winkel, speelattracties en andere uitstallingen voor een pand waarin een onderneming is gevestigd, waarvoor geen vergunning is vereist als bedoeld in artikel 3.43, derde lid, onder a. 2.Met het oog op het behouden en bevorderen van de verkeersveiligheid en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte is een uitstalling: binnen 1 m van de gevel van de winkel of de onderneming geplaatst; uitsluitend aanwezig tijdens de openingstijden van de onderneming; en niet op de rijbaan geplaatst. 3.Na plaatsing van een uitstalling is: de resterende vrije ruimte of stoepruimte ten minste 1,5 m; in een voetgangersgebied de resterende vrije ruimte ten minste 3,5 m voor het ongehinderd passeren van het alarmverkeer; en de blindengeleidestrook en de ruimte tot ten minste 0,5 m daarnaast, vrij van obstakels. 4.Er wordt ten hoogste één reclamebord per onderneming met een formaat van ten hoogste A0 geplaatst. 5.De afstanden, bedoeld in het tweede lid, onder a, en derde lid, onder a en b, worden haaks op de gevel van de winkel of het pand waar de uitstalling bij hoort gemeten. Artikel3.46(algemene regels: plaatsen objecten voor bouwactiviteiten) 1.Dit artikel is van toepassing op het plaatsen op de weg van containers, bouwketen, mobiele toiletcabines, steigers, mobiele liften, pompen, hekwerken, reclameborden over werk in uitvoering en andere objecten voor het verrichten van bouwactiviteiten, waarvoor geen vergunning is vereist als bedoeld in artikel 3.43, derde lid, onder b. 2.Met het oog op het behouden en bevorderen van de verkeersveiligheid en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte wordt een object alleen op de weg geplaatst als plaatsing op het perceel waar de bouwactiviteiten worden verricht redelijkerwijs niet kan worden gevergd. 3.Een object: is geplaatst binnen een afstand van 150 m van het perceel waar de bouwactiviteiten worden verricht; bevindt zich op een parkeerhaven of parkeerstrook als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of, als dit redelijkerwijs niet mogelijk is, op de stoep waarbij de vrij te laten stoepruimte ten minste 1,5 m is; neemt niet meer dan 15 m2 aan oppervlakte in beslag; wordt niet langer dan 60 dagen of, als het gaat om een object in het winkelgebied in en rondom De Kempenaerstraat, de Lange Voort, het Boerhaaveplein of het centrumgebied Nieuw-Rhijngeest, niet langer dan 30 dagen geplaatst; en wordt niet geplaatst op: een locatie die wordt gebruikt als een evenemententerrein als bedoeld in artikel 2:24, derde lid, van de Algemene plaatselijke verordening Oegstgeest 2O21; een standplaats als bedoeld in paragraaf 3.4.6; of het terrein van een jaarmarkt of gewone markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder g, van de Gemeentewet. 4.Een open container wordt niet geplaatst in de periode van 23 december tot en met 2 januari. 5.Een mobiele toiletcabine wordt niet geplaatst in het winkelgebied in en rondom De Kempenaerstraat, de Lange Voort, het Boerhaaveplein en het centrumgebied Nieuw-Rhijngeest. 6.Een reclamebord over werk in uitvoering wordt, onverminderd het tweede lid, in de onmiddellijke nabijheid van het werk geplaatst en direct na afronding van het werk verwijderd. Artikel3.47(gegevens en bescheiden: plaatsen objecten voor bouwactiviteiten) Ten minste vijf werkdagen voor het begin van de activiteit, bedoeld in artikel 3.46, worden aan het college gegevens verstrekt over de verwachte datum en het verwachte tijdstip van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan. Artikel3.48(algemene regels: plaatsen spandoeken) 1.Dit artikel is van toepassing op het plaatsen op, bij of boven de weg van spandoeken, waarvoor geen vergunning is vereist als bedoeld in artikel 3.43, derde lid, onder c. 2.Met het oog op het behouden en bevorderen van de verkeersveiligheid, de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte en het beschermen van het aanzien van de openbare ruimte vindt het plaatsen van een spandoek alleen plaats op de volgende locaties: rotonde bij de Hofdijck op de Laan van Oud Poelgeest; Rijnzichtweg ter hoogte van het Apolloplein; kruising van de Haaswijklaan met de Haarlemmerstraatweg; Nieuw-Rhijngeest ter hoogte van het Rustenburgerpad; en Poelgeest ter hoogte van de kruising Lange Voort en Hugo de Vrieslaan tegen het hek van de jachthaven. 3.Een spandoek is deugdelijk bevestigd, veroorzaakt geen gevaar voor het verkeer en de onderkant bevindt zich ten minste 4,5 m boven de rijbaan. 4.Een spandoek met een aankondiging van een evenement wordt niet eerder dan twee weken voor het evenement geplaatst en wordt uiterlijk de dag na het evenement verwijderd. 5.Een spandoek is in het belang van de inwoners van Oegstgeest en bevat geen reclame voor producten of bedrijven. Artikel3.49(algemene regels: plaatsen objecten met reclame bij een rotonde) 1.Dit artikel is van toepassing op het plaatsen op de weg van objecten met reclame bij een rotonde, waarvoor geen vergunning is vereist als bedoeld in artikel 3.43, derde lid, onder d. 2.Met het oog op het behouden en bevorderen van de verkeersveiligheid, de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte en het beschermen van het aanzien van de openbare ruimte wordt een object met reclame alleen geplaatst op de rotonde bij de Laan van Oud Poelgeest/Oegstgeesterweg/Hofdijck, de Lange Voort/Abtspoelweg en de Geversstraat/Rhijnzichtweg/Rhijngeesterstraatweg. Artikel3.50(algemene regels: plaatsen trotters en tekstkarren) 1.Dit artikel is van toepassing op het plaatsen op de weg van trotters en tekstkarren, waarvoor geen vergunning is vereist als bedoeld in artikel 3.43, derde lid, onder e. 2.Met het oog op het behouden en bevorderen van de verkeersveiligheid en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte wordt een trotter of tekstkar op een niet tot de rijbaan behorend weggedeelte geplaatst. 3.Trotters of tekstkarren met uitingen van politieke partijen die meedoen aan verkiezingen, kunnen binnen drie weken voor die verkiezingen worden geplaatst en zijn op de dag na die verkiezingen verwijderd. Artikel3.51(algemene regels: plaatsen kerstbomen) 1.Dit artikel is van toepassing op het plaatsen op de weg van kerstbomen, waarvoor geen vergunning is vereist als bedoeld in artikel 3.43, derde lid, onder f. 2.Met het oog op het behouden en bevorderen van de verkeersveiligheid en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte wordt een kerstboom geplaatst: in de periode van 1 december tot 7 januari; door of namens ondernemers; en op een afstand van meer dan 1 m vanaf de gevel van een bouwwerk. 3.Na plaatsing van een kerstboom is: de resterende vrije ruimte of stoepruimte ten minste 1,5 m; en in een voetgangersgebied de resterende vrije ruimte ten minste 3,5 m voor het ongehinderd passeren van het alarmverkeer. §3.4.3Veranderen van de weg Artikel3.52(aanwijzing activiteiten) Als activiteiten als bedoeld in artikel 3.1 worden aangewezen het aanleggen, beschadigen en veranderen van de weg of het veranderen van de omgeving van de weg. Artikel3.53(specifieke zorgplicht) De zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3, houdt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.52, in ieder geval in dat voor het wegverkeer: geen hinder of gevaar ontstaat; het vrije uitzicht niet wordt belemmerd; en de vrije doorgang niet wordt belemmerd. Artikel3.54(aanwijzing vergunningplichtige gevallen) Het is verboden zonder vergunning: een weg aan te leggen; de verharding van een weg op te breken; in een weg te graven of te spitten; de aard of breedte van een wegverharding te veranderen; of anderszins verandering te brengen in een weg. Artikel3.55(beoordelingsregel vergunning) Onverminderd artikel 3.10 kan de vergunning worden geweigerd als dat nodig is om overlast voor gebruikers van een nabij gelegen onroerende zaak te voorkomen of te beperken. §3.4.4Uitrit aanleggen of veranderen Artikel3.56(aanwijzing activiteiten) Als activiteiten als bedoeld in artikel 3.1 worden aangewezen het aanleggen en veranderen van een uitrit naar de weg. Artikel3.57(aanwijzing vergunningplichtige gevallen) Het is verboden zonder vergunning een uitrit naar de weg aan te leggen of te veranderen. Artikel3.58(beoordelingsregels vergunning) Onverminderd artikel 3.10 kan de vergunning worden geweigerd als: de aanleg of verandering van de uitrit ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; of het perceel al door een andere uitrit wordt ontsloten, en de aanleg of verandering van de tweede uitrit ten koste gaat van het openbaar groen. §3.4.5Parkeerexcessen Artikel3.59(aanwijzing activiteiten) Als activiteit als bedoeld in artikel 3.1 wordt aangewezen het parkeren van voertuigen op de weg. Artikel3.60(bedrijfsmatig parkeren) 1.Dit artikel is van toepassing op degene die bedrijfsmatig: rijlessen verzorgt; personen tegen betaling vervoert; of voertuigen stalt, verhuurt, verhandelt, sloopt, onderhoudt of herstelt. 2.Het is verboden de weg te gebruiken: als werkplaats voor voertuigen; of voor het parkeren van meer dan twee voertuigen binnen een cirkel met een straal van 25 m met als middelpunt een van deze voertuigen. 3.Het tweede lid is niet van toepassing op een voertuig: dat persoonlijk door degene als bedoeld in het eerste lid, wordt gebruikt; of waaraan onderhouds- of herstelwerkzaamheden worden verricht die niet meer dan een uur vergen. Artikel3.61(te koop aanbieden en voertuigen met reclame) 1.Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2.Het is verboden op de weg een voertuig dat is voorzien van reclame te plaatsen met als enig doel om daarmee reclame te maken. Artikel3.62(voertuigen met gebreken of verlopen APK en wrakken) 1.Een voertuig waarmee niet kan of mag worden gereden door andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken, wordt niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg geparkeerd. 2.Een voertuig wordt niet op de weg geparkeerd als: de Algemene Periodieke Keuring daarvoor ten minste een maand is verlopen; of het rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in verwaarloosde toestand verkeert. Artikel3.63(parkeren recreatieve en grote voertuigen en overig) 1.Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt, langer dan drie achtereenvolgende dagen te parkeren op een door het college aangewezen weg. 2.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, langer is dan 6 m of hoger is dan 2,40 m te parkeren op een door het college aangewezen weg. 3.Het tweede lid geldt niet: voor een voertuig dat is bedoeld voor recreatie; of op werkdagen van 08:00 tot 18:00 uur. Artikel3.64(hinderlijk parkeren) 1.Een voertuig dat, met inbegrip van de lading, langer is dan 6 m of hoger is dan 2,40 m, wordt niet op een zodanige wijze geparkeerd dat het uitzicht van bewoners of gebruikers van een gebouw onevenredig wordt belemmerd of voor hen op een andere manier hinder of overlast wordt veroorzaakt. 2.Het eerste lid is niet van toepassing als het parkeren plaatsvindt voor werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig nodig is. Artikel3.65(voertuigen parkeren buiten rijbaan) Een voertuig wordt niet geparkeerd op een door het college aangewezen weggedeelte dat niet tot de rijbaan behoort. Artikel3.66(verkeer in groenvoorzieningen) 1.Het is verboden een voertuig aanwezig te hebben in een park, plantsoen of groenstrook van de gemeente. 2.Het eerste lid is niet van toepassing op: een weg; en een locatie waar een standplaats wordt ingenomen als bedoeld in pararagraaf 3.4.
- Artikel3.67(hinderlijke plaatsing van fietsen) Met het oog op het behouden en bevorderen van de verkeersveiligheid en toegankelijkheid van de openbare buitenruimte, het beschermen van het aanzien van de openbare ruimte en het voorkomen van hinder worden fietsen, bromfietsen of scooters: niet onbeheerd achtergelaten op de weg; alleen geplaatst op een daarvoor bedoelde plaats of in een daarvoor bedoelde ruimte of rek; of die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in verwaarloosde toestand verkeren niet op de weg geplaatst. §3.4.6Standplaatsen Artikel3.68(aanwijzing activiteiten) 1.Als activiteit als bedoeld in artikel 3.1 wordt aangewezen het innemen van een standplaats in de openlucht voor het te koop aanbieden of leveren van goederen of diensten. 2.Onder de aanwijzing vallen niet: het innemen van een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet; en het innemen van een vaste plaats tijdens een evenement op een evenemententerrein als bedoeld in artikel 2.24, derde lid, van de Algemene plaatselijke verordening Oegstgeest
- Artikel3.69(aanwijzing vergunningplichtige gevallen) Het is verboden zonder vergunning een standplaats in de openlucht in te nemen voor het te koop aanbieden of leveren van goederen of diensten. Artikel3.70(bijzondere aanvraagvereisten vergunning) Bij een aanvraag om een vergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: een aanduiding van de locatie waarop de standplaats wordt ingenomen; een aanduiding van de oppervlakte van de standplaats in vierkante meters; een aanduiding, foto of tekening van de fysieke middelen waarvan gebruik wordt gemaakt op de standplaats; de afmetingen van de fysieke middelen, bedoeld onder c, in centimeters van de lengte, breedte en hoogte; een aanduiding van de goederen of diensten die te koop worden aangeboden of geleverd; de dagen en tijdstippen waarop de standplaats wordt ingenomen; een afschrift van een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht; en een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Artikel3.71(beoordelingsregels vergunning) 1.Onverminderd artikel 3.10 wordt de vergunning geweigerd: als de activiteit in strijd is met het omgevingsplan Oegstgeest; als de aanvrager een geldige vergunning voor het innemen van een standplaats heeft of een zodanige vergunning heeft aangevraagd en het college daarop nog geen besluit heeft genomen, tenzij artikel 3.72, vierde lid, van toepassing is; als de aanvrager niet is vermeld in de basisregistratie personen, bedoeld in artikel 1.2 van de Wet basisregistratie personen; of als de aanvrager niet een handelingsbekwaam natuurlijk persoon is.
- De vergunning kan in ieder geval worden geweigerd als: de fysieke middelen op de standplaats niet voldoen aan redelijke eisen van welstand, tenzij de standplaats wordt ingenomen met een bouwwerk; een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang; of als een eerder aan de aanvrager verleende vergunning binnen vijf jaar voor de aanvraag is ingetrokken. 3.Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing als voor de activiteit een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is verleend. 4.Als een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het derde lid is ingediend, houdt het college de aanvraag om de vergunning voor het innemen van de standplaats aan totdat op de aanvraag om de omgevingsvergunning een besluit is genomen. 5.Als niet binnen acht weken nadat de aanvrager door het college in kennis is gesteld van de mogelijkheid van het derde lid, een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend, wordt de vergunning voor het innemen van de standplaats geweigerd. Artikel3.72(wachtlijst voor vaste standplaatsen) 1.De aanvrager om een vergunning voor het innemen van een standplaats op een locatie voor vaste standplaatsen als bedoeld in artikel 2.10 wordt op een wachtlijst geplaatst. 2.De plaatsing op de wachtlijst vervalt: op verzoek van de aanvrager; als het college een besluit op de aanvraag heeft genomen; als de aanvrager overlijdt of onder curatele is gesteld; als de aanvrager niet voor 1 januari een verzoek om verlenging van plaatsing op de wachtlijst heeft ingediend; of als een eerder aan de aanvrager verleende vergunning is ingetrokken. 3.Aanvragen om vergunningen worden behandeld in volgorde van ontvangst van de aanvraag. Artikel 3.5, tweede lid, is niet van toepassing. 4.Ten hoogste een jaar voor het verstrijken van de periode waarvoor de vergunning is verleend, kan voor de daarop volgende periode een vergunning worden aangevraagd. Op de aanvraag zijn het eerste tot en met het derde lid van overeenkomstige toepassing. Artikel3.73(voorschriften en beperkingen) 1.Een vergunning voor het innemen van een standplaats op een locatie voor vaste standplaatsen als bedoeld in artikel 2.10, wordt verleend: voor een periode van vijf jaar; voor een vaste dag per week; en aan een natuurlijk persoon. 2.Een vergunning voor het innemen van een standplaats op een locatie voor tijdelijke standplaatsen als bedoeld in artikel 2.11, wordt verleend aan een natuurlijk persoon voor ten hoogste dertig aaneengesloten dagen. 3.Aan een vergunning kunnen in ieder geval voorschriften worden verbonden over: de afmeting van de standplaats en de openingstijden; de afstanden tot gebouwen, plaatsen en objecten die in acht moeten worden genomen; het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van de openbare ruimte, geurhinder, geluidhinder, trillinghinder en brandgevaar; het laden en lossen en het opbouwen van kramen; het waarborgen van de veiligheid van omwonenden, bezoekers en andere standplaatshouders; het voorkomen, ongedaan maken of vergoeden van schade aan derden, het openbaar groen, fiets- en voetpaden en de weg; het doelmatig beheer van afvalstoffen en het lozen van afvalwater; en het gebruik van toestellen en apparaten. 4.Het college kan afwijken van het eerste lid, aanhef en onder b, en het tweede lid, als er sprake is van een bijzondere omstandigheid. 5.Bij het verlenen van een vergunning kan het college rekening houden met het belang van een gevarieerd aanbod van goederen en diensten. Artikel3.74(wijziging vergunninghouder) 1.Op aanvraag kan de vergunning, in afwijking van artikel 3.7, op naam worden gesteld van een ander dan degene aan wie zij is verleend. 2.Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid kan worden ingediend door: de vergunninghouder; de erfgenaam van de vergunninghouder als de vergunninghouder is overleden; of de curator van de vergunninghouder als de vergunninghouder onder curatele is gesteld. 3.De vergunning kan alleen op naam worden gesteld van: de echtgenoot of geregistreerde partner van de vergunninghouder; een kind van de vergunninghouder; een werknemer van de vergunninghouder die ten minste drie jaren in loondienst is geweest bij de vergunninghouder; of degene die ten minste drie jaren mede-eigenaar is van het bedrijf van de vergunninghouder. Artikel3.75(persoonsgebonden en tijdelijke vervanging) 1.Een standplaats wordt door de vergunninghouder persoonlijk ingenomen. 2.Op verzoek van de vergunninghouder kan het college toestemming verlenen dat een ander dan de vergunninghouder de standplaats tijdelijk inneemt. 3.Er wordt alleen toestemming verleent als de vergunninghouder door vakantie, ziekte of andere persoonlijke omstandigheden niet in staat is de standplaats in te nemen. 4.Bij ziekte of andere persoonlijke omstandigheden van de vergunninghouder wordt voor ten hoogste zes maanden toestemming verleend. 5.Bij vakantie van de vergunninghouder wordt voor ten hoogste zes weken toestemming verleend. Artikel3.76(intrekking of wijziging van vergunning) Onverminderd artikel 3.8 kan de vergunning worden ingetrokken of gewijzigd als: door infrastructurele-, herinrichtings- of reconstructiewerkzaamheden aan de weg of in de openbare ruimte geen gebruik meer kan worden gemaakt van de vergunning; de vergunninghouder gedurende drie aaneengesloten maanden geen gebruik maakt van de vergunning, zonder toestemming van de gemeente; de vergunninghouder de leges, precario of vergoeding voor stroomgebruik niet binnen de gestelde termijn heeft voldaan; zich een geval als bedoeld in artikel 3.71, eerste of tweede lid, onder a of b, voordoet; of de onderneming van de vergunninghouder niet meer is ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. §3.4.7Exploiteren van een terras Artikel3.77(aanwijzing activiteiten) Als activiteit als bedoeld in artikel 3.1 wordt aangewezen het exploiteren van een terras waar tegen vergoeding eten of drinken kan worden genuttigd. Artikel3.78(aanwijzing vergunningplichtige gevallen) Het is verboden zonder vergunning een terras te exploiteren waar tegen vergoeding eten of drinken kan worden genuttigd. Artikel3.78a(bijzondere aanvraagvereisten vergunning) Bij een aanvraag om een vergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: een aanduiding van de locatie waarop het terras wordt geëxploiteerd; een aanduiding van de oppervlakte van het terras in vierkante meters; een foto of tekening met een aanduiding van de afmetingen en situering van het terras ten opzichte van: de omgeving; en als het gaat om een terras bij een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27 van de Algemene plaatselijke verordening Oegstgeest 2021: die openbare inrichting; een uittreksel van de Kamer van Koophandel; en een aanduiding en beschrijving van de overkappingen, afscheidingen, parasols, zonneschermen, windschermen, meubelen en andere voorzieningen en objecten die aanwezig zijn op of bij het terras. Artikel3.79(beoordelingsregel vergunning) 1.Onverminderd artikel 3.10 wordt de vergunning geweigerd als de activiteit: in strijd is met het omgevingsplan Oegstgeest; of niet in de onmiddellijke nabijheid van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27 van de Algemene plaatselijke verordening Oegstgeest 2021 wordt verricht. 2.Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing als voor de activiteit een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is verleend. 3.Als een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid is ingediend, houdt het college de aanvraag om de vergunning voor het exploiteren van het terras aan totdat op de aanvraag om de omgevingsvergunning een besluit is genomen. 4.Als niet binnen acht weken nadat de aanvrager door het college in kennis is gesteld van de mogelijkheid van het tweede lid, een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend, wordt de vergunning voor het exploiteren van het terras geweigerd. 5.Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als het gaat om het exploiteren van een terras voor een beperkte tijdsduur. Artikel3.80(vergunningvoorschriften) Aan een vergunning kunnen in ieder geval voorschriften worden verbonden over: de afmetingen en situering van het terras; en de voorzieningen en objecten die aanwezig mogen zijn op of bij het terras. §3.4.8Reclame plaatsen Artikel3.81(aanwijzing activiteiten) Als activiteit als bedoeld in artikel 3.1 wordt aangewezen het op of aan een onroerende zaak reclame maken of voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding. Artikel3.82(verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame) 1.Het is verboden op of aan een onroerende zaak reclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 2.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het omgevingsplan Oegstgeest. Artikel3.82a(reclame bij sportvelden en evenementen) 1.Reclame rondom sportvelden is er niet op gericht om gezien te worden vanaf de openbare weg door situering of afmetingen. 2.Reclame voor een evenement kan binnen twee weken voordat het evenement plaatsvindt worden geplaatst op het terrein waar het evenement wordt gehouden en wordt direct na afloop van het evenement verwijderd. §3.4.9Gebruiken en veranderen van openbaar water en waterstaatswerken Artikel3.83(aanwijzing activiteiten) Als activiteit als bedoeld in artikel 3.1 wordt aangewezen het gebruiken of veranderen van openbaar water en waterstaatswerken. Artikel3.84(specifieke zorgplicht) De zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3, houdt voor de activiteit, bedoeld in artikel 3.83, in ieder geval in dat: geen gevaar ontstaat voor de veiligheid op het water; geen schade wordt toegebracht of verandering wordt aangebracht aan het openbaar water of waterstaatswerk; het beheer en onderhoud van het openbaar water of waterstaatswerk niet wordt belemmerd; geen hinder of gevaar wordt veroorzaakt voor het scheepvaartverkeer; de vrije doorgang niet wordt belemmerd; en als objecten worden geplaatst: die objecten voldoende zichtbaar en stabiel zijn. Artikel3.85(melding plaatsen voorwerpen) 1.Het is verboden een steiger, meerpaal of ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water aan te leggen of in stand te houden zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden. 2.Een melding bevat: naam, adres en contactgegevens van degene die de activiteit verricht; en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. Artikel3.86(aanwijzing vergunningplichtige gevallen) 1.Het is verboden zonder vergunning met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben of een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op de door het college aangewezen gedeelten van het openbaar water. 2.Het eerste lid is niet van toepassing: buiten de periode vanaf Goede Vrijdag tot en met de herfstvakantie voor de regio Midden zoals geadviseerd door de rijksoverheid; als de eigenaar van het vaartuig de eigenaar of huurder is van het perceel waaraan de ligplaats grenst en het gaat om ten hoogste twee vaartuigen; of de eigenaar van het vaartuig de eigenaar of huurder van de ligplaats is. Artikel3.87(ligplaatsen vaartuigen) 1.Met het oog op het behoeden van de staat en werking van openbare wateren voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die wateren en het behouden en bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte wordt met een vaartuig geen ligplaats ingenomen of ter beschikking gesteld, tenzij het gaat om een ligplaats in een door het college aangewezen gedeelte van het openbaar water. 2.Artikel 3.86, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. 3.Het college kan over het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats: nadere regels stellen in het belang van de volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente; beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen. 4.Het eerste lid is niet van toepassing op locaties waar ligplaatsen zijn toegestaan op grond van het Omgevingsplan Oegstgeest. Artikel3.88(nakoming aanwijzingen) De rechthebbende op een vaartuig volgt de aanwijzingen op die door of namens het college worden gegeven: bij het innemen van een ligplaats; of bij het uitvoeren van werkzaamheden door de gemeente aan of nabij de ligplaats. AFDELING3.5 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT CULTUREEL ERFGOED §3.5.
Artikel3
.89(oogmerken) De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het beheer en behoud van cultureel erfgoed dat van bijzonder belang is voor de gemeente Oegstgeest vanwege de esthetische, cultuurhistorische of wetenschappelijke betekenis. §3.5.2Beschermde gemeentelijke monumenten en voorbeschermde monumenten Artikel3.90(aanwijzing activiteiten) Als activiteiten als bedoeld in artikel 3.1 worden aangewezen: het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een beschermd gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument; het herstellen of gebruiken van een beschermd gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht; en andere activiteiten die een beschermd gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument betreffen. Artikel3.91(specifieke zorgplicht) De zorgplicht, bedoeld in artikel 3.3, houdt voor de activiteiten, bedoeld in artikel 3.90, in ieder geval in dat: alle maatregelen worden getroffen om beschadiging of vernieling van een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument te voorkomen of te herstellen; en onderhoud wordt verricht voor de instandhouding van een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument. Artikel3.92(aanwijzing vergunningplichtige gevallen) 1.Het is verboden zonder vergunning een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument: te slopen, te verstoren, te verplaatsen of te wijzigen; of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2.Het verbod is niet van toepassing voor zover het gaat om: noodzakelijke reguliere werkzaamheden die zijn gericht op het behoud van de monumentale waarden, als detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur niet worden gewijzigd; alleen inpandige wijzigingen van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft; of het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden: plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift; doen van begravingen of asbijzettingen; of ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument. 3.Het college kan nadere regels stellen over het verrichten van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument. Die regels kunnen inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een verplichting om voorafgaand aan de werkzaamheden, bedoeld in het tweede lid, een melding te doen aan het college. Artikel3.93(overeenstemming over kerkelijke monumenten) Een vergunning voor een kerkelijk monument wordt alleen verleend in overeenstemming met de eigenaar. §3.5.3Beschermde gemeentelijke dorpsgezichten Artikel3.94(aanwijzing activiteiten) Als activiteit als bedoeld in artikel 3.1 wordt aangewezen het slopen van bouwwerken of delen van bouwwerken in een beschermd gemeentelijk dorpsgezicht. Artikel3.95(aanwijzing vergunningplichtige gevallen) 1.Het is verboden zonder vergunning een bouwwerk in een beschermd gemeentelijk dorpsgezicht te slopen. 2.Het verbod is niet van toepassing op het slopen van bouwwerken waarvoor op grond van het omgevingsplan Oegstgeest geen vergunning voor het bouwen daarvan is vereist. Artikel3.96(beoordelingsregels) Onverminderd artikel 3.10 kan de vergunning worden geweigerd als niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. §3.5.4Vangnet archeologie Artikel3.97(vangnet archeologie) 1.Dit artikel is alleen van toepassing op het verrichten van activiteiten op een locatie waarvoor geen regels ter bescherming van archeologische monumenten of archeologische vondsten zijn gesteld in het omgevingsplan Oegstgeest. 2.Het is verboden de bodem dieper dan 50 cm onder het maaiveld te verstoren in een archeologisch monument of op een locatie waar archeologische vondsten worden verwacht, tenzij: voor de activiteit een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is verleend; het gaat om een verstoring: in een gebied met een gematigde archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 250 m2; in een gebied met hoge archeologische verwachtingswaarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 100 m2; in een gebied met archeologische waarde en het te verstoren gebied kleiner is dan 25m2; door een bouwactiviteit; of van een archeologisch monument of verwachtingsgebied dat is aangegeven op de provinciale archeologische monumentenkaart of de landelijke indicatieve kaart van archeologische waarden en het verrichten van de activiteit geen strijd oplevert met door het college vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring; de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische vondsten wordt voorkomen; of met een vooronderzoek is aangetoond dat: het behoud van de archeologische vondsten in voldoende mate kan worden gewaarborgd; de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad; of er geen archeologische waarden aanwezig zijn. 3.Het college kan nadere regels stellen over het verrichten van archeologisch onderzoek. AFDELING3.6 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT FLORA EN FAUNA §3.6.
Artikel3
.98(oogmerken) 1.De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op de natuurbescherming. 2.De regels over het vellen van houtopstanden in paragraaf 3.6.2 zijn ook gesteld met het oog op: de instandhouding van het bosareaal in de gemeente Oegstgeest; de leefbaarheid van gebieden; en de volgende waarden van houtopstanden: de natuur- en milieuwaarde; de landschappelijke waarde; de cultuurhistorische waarde; de dendrologische waarde; de beeldbepalende waarde; de stads- en dorpsschoon waarde; en de recreatieve waarde. §3.6.2Vellen van houtopstanden Artikel3.99(aanwijzing activiteiten) Als activiteit als bedoeld in artikel 3.1 wordt aangewezen het vellen van houtopstanden. Artikel3.100(aanwijzing vergunningplichtige gevallen, monumentale of waardevolle houtopstand) 1.Het is verboden zonder vergunning een monumentale of waardevolle houtopstand te vellen. 2.Het verbod geldt niet voor: het vellen van een houtopstand dat is vereist bij of krachtens de Plantgezondheidswet of een bestuurlijke sanctie van het college; het periodiek scheren, knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij vorm- en knotbomen; dunning op basis van een door college goedgekeurd beheerplan, van houtopstanden in eigendom van de gemeente; of velling van dode of niet meer te herstellen houtopstand in eigendom van de gemeente, waarvan de toestand door een boomdeskundige is vastgesteld. Artikel3.101(aanwijzing vergunningplichtige gevallen, overige houtopstand) 1.Onverminderd artikel 3.100 is het verboden zonder vergunning een andere dan een monumentale of waardevolle houtopstand te vellen, als het gaat om: een boom met een stamdiameter van ten minste 15 cm in een boomgebied; hakhout dat deel uitmaakt van een boomgebied; houtopstand aangeplant op grond van de artikelen 3.105 en 3.106; of houtopstand aangelegd op grond van een anterieure overeenkomst die de gemeente heeft gesloten met een andere partij. 2.Het verbod geldt niet voor: gevallen als bedoeld in artikel 3.100, tweede lid; velling op basis van een goedgekeurd vervangingsplan houtopstanden die eigendom zijn van de gemeente; het vellen van houtopstanden die eigendom zijn van de Stichting ‘Het Zuid-Hollands Landschap’ of waarvan die stichting de zakelijk gerechtigde is, in opdracht van die stichting en op basis van een door het college goedgekeurd beheerplan; of het vellen van: fruitbomen, tenzij het gaat om hoogstamfruitbomen; windschermen om boomgaarden die in werking zijn; naaldbomen, niet ouder dan twintig jaar, bedoeld om te dienen als kerstbomen; kweekgoed; uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: ten minste eens per tien jaar worden geoogst; bestaan uit ten minste 10.000 stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan 2 m; en zijn aangelegd na 1 januari 2013. Artikel3.102(bijzondere aanvraagvereisten vergunning) 1.Bij de aanvraag om een vergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: de startdatum van het vellen; een toelichting waarom het vellen van de houtopstand nodig is; de oppervlakte van de te kappen houtopstand in vierkante meters; een specificatie van: het aantal te kappen bomen; de soortaanduiding van de bomen; en de leeftijd van de bomen; als sprake is van rijbeplanting: de onderlinge plantafstand in de rij in meters; een kaart, foto of tekening van de locatie waarop de te vellen houtopstand is geïdentificeerd; een aanduiding van de stamdiameter in centimeters van iedere boom; een schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de houtopstand, als dat een ander is dan de aanvrager; een overzicht van de overige vergunningen, ontheffingen of andere toestemmingen die nodig zijn voor de realisatie van het project; en een plan voor herbeplanting met ten minste de volgende gegevens: de locatie en de oppervlakte in vierkante meters van de herbeplante houtopstand; een specificatie van: het aantal herbeplante bomen; de soortaanduiding van de herbeplante bomen; en de maat en kwaliteit van de herbeplante bomen; en een toelichting op geplande uitvoering van de herplanting. 2.Aanvullend op het eerste lid, kan het college de aanvrager verzoeken om de volgende gegevens en bescheiden te verstrekken: de resultaten van een bomeneffectanalyse; een compensatieplan; of een rapportage van een boomdeskundige met de resultaten van een nader onderzoek naar de houtopstand. Artikel3.103(beoordelingsregels) 1.De vergunning kan worden verleend als: het vellen is vereist vanwege een vordering tot verwijdering van de houtopstand op grond van artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek; of de houtopstand direct gevaar oplevert die noodkap noodzakelijk maakt. 2.Als de alternatieven tot behoud van de houtopstand voldoende zijn onderzocht en niet uitvoerbaar zijn kan een vergunning voor het vellen van een monumentale of waardevolle houtopstand, onverminderd het eerste lid, worden verleend: als het gaat om het vellen van een monumentale houtopstand: als een zwaarwegend algemeen maatschappelijk belang opweegt tegen het belang van behoud van de houtopstand; als het gaat om het vellen van een waardevolle houtopstand: als een algemeen maatschappelijk belang of een zwaarwegend individueel belang van niet tijdelijke aard opweegt tegen het belang van behoud van de houtopstand; of als volgens een boomdeskundige: de verwachte levensduur van de houtopstand minder is dan 5 jaar; instandhouding niet langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of ernstige schade; of er sprake is van noodzakelijke maatregelen tot behoud van de houtopstand, die niet vallen onder regulier periodiek onderhoud. 3.Een vergunning voor het vellen van een andere dan een monumentale of waardevolle houtopstand kan, onverminderd het eerste lid, worden verleend als het belang dat is gediend bij het vellen opweegt tegen een waarde als bedoeld in artikel 3.98, tweede lid, onder c. Artikel3.104(termijn vergunning) 1.In afwijking van artikel 3.9 geldt een vergunning voor het vellen van een houtopstand voor een periode van drie jaar. 2.Na het verstrijken van die periode is het verboden de activiteit voort te zetten als het vellen nog niet is afgerond, tenzij voor het vellen een nieuwe vergunning is verstrekt. Artikel3.105(vergunningvoorschriften) 1.Aan een vergunning wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat binnen een bij dat voorschrift gestelde termijn en volgens de door het college gegeven aanwijzingen wordt overgegaan tot het herplanten van houtopstand, tenzij daarvan met redenen omkleed wordt afgeweken. 2.Als herplanten niet mogelijk is op of in de nabijheid van de locatie waarop de houtopstand wordt geveld, kan aan de vergunning een voorschrift worden verbonden die inhoudt dat een geldelijke bijdrage moet worden geleverd aan een fonds, waarvan de hoogte is gebaseerd op de maximale boomwaarde van de gevelde houtopstand. 3.Als herplanten slechts gedeeltelijk mogelijk is kan aan de vergunning een voorschrift worden verbonden die inhoudt dat een geldelijke bijdrage moet worden geleverd aan een fonds, waarvan de hoogte is gebaseerd op de maximale boomwaarde van de gevelde houtopstand minus de kosten van het materiaal voor het herplanten. 4.Als aan de vergunning het voorschrift, bedoeld in het eerste lid, is verbonden wordt ook bepaald binnen welke termijn houtopstand die is herplant en niet is aangeslagen moet worden vervangen. 5.In de vergunning kan worden bepaald dat pas met het vellen van de houtopstand mag worden begonnen als: alle vergunningen, ontheffingen en andere toestemmingen die nodig zijn om het project te realiseren, onherroepelijk zijn; of de voortgang van het project waar het vellen van de houtopstand onderdeel van uitmaakt, voldoende is gewaarborgd. Artikel3.106(herplantplicht) 1.Als het vellen van houtopstand is vereist op grond van de Plantgezondheidswet of een bestuurlijke sanctie van het college, kan het college aan de rechthebbende op de houtopstand met een maatwerkvoorschrift de verplichting opleggen tot herbeplanting binnen een bepaalde termijn. 2.In het maatwerkvoorschrift kan het college aanwijzingen geven over de wijze waarop de herbeplanting moet worden verricht. Artikel 3.105, tweede tot en met vierde lid, is van overeenkomstige toepassing. 3.Als de verplichting is opgelegd geldt die ook voor de rechtsopvolger van de rechthebbende. Artikel3.107(instandhoudingsplicht) 1.Als een houtopstand waarvoor de verboden gelden van de artikelen 3.100 en 3.101 ernstig in het voortbestaan wordt bedreigd, kan het college aan de rechthebbende met een maatwerkvoorschrift de verplichting opleggen om binnen een daarbij gestelde termijn en volgens de daarbij gegeven aanwijzingen: maatregelen te treffen om die dreiging weg te nemen; de resultaten van een bomeneffectanalyse te verstrekken. 2.Als de verplichting is opgelegd geldt die ook voor de rechtsopvolger van de rechthebbende. Artikel3.108(bestrijding van ziekten) Als een houtopstand gevaar oplevert voor verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van ziekteverspreiders, kan het college de rechthebbende met een maatwerkvoorschrift de verplichting opleggen om binnen een daarbij gestelde termijn en volgens de daarbij gegeven aanwijzingen: de houtopstand te vellen; de gevelde houtopstand: te behandelen om verspreiding van de boomziekte te voorkomen; op te slaan en te vervoeren. Artikel3.109(noodkap) Als een houtopstand door instabiliteit ernstig gevaar oplevert voor personen of zaken, kan het college de rechthebbende met een maatwerkvoorschrift de verplichting opleggen om binnen een daarbij gestelde termijn en volgens de daarbij gegeven aanwijzingen noodkap te verrichten. Artikel3.110(bescherming gemeentelijke houtopstanden) Het is verboden houtopstand die eigendom is van de gemeente te bekladden, te beplakken of te snoeien of aan die houtopstand voorwerpen aan te brengen, als daardoor schade kan ontstaan aan de houtopstand. Artikel3.111(afstand tot erfgrenslijn) 1.De afstand, bedoeld in artikel 5:42, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek is: voor bomen: 0,5 m; voor heesters en heggen: nihil; en voor houtopstanden die voor 20 juni 2020 zijn aangeplant en: die staan vermeld op de groene kaart of de bomenlijst; of waarvoor het verbod geldt van artikel 3.101: 0,0 m. 2.Onder de bomen, bedoeld in het eerste lid, onder a, vallen ook bomen met een stamdiameter van minder dan 15 cm. Artikel3.112(wijze van meten) 1.De stamdiameter van een boom worden gemeten op een hoogte van 130 cm boven het maaiveld. Bij meerstammigheid wordt de stamdiameter van de dikste stam gemeten. 2.De afstand van een boom tot de erfgrens wordt gemeten vanaf het hart van de stam. HOOFDSTUK4BEHEER EN ONDERHOUD AFDELING4.1 ONDERHOUD- EN INSTANDHOUDINGSVERPLICHTINGEN §4.1.
Artikel4
.1(toepassingsbereik) Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen, beheren, onderhouden, vervangen en in stand houden van onderdelen van de fysieke leefomgeving die zijn aangewezen in deze afdeling. Artikel4.2.(oogmerken) De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: het waarborgen van de veiligheid; het beschermen van de gezondheid; en het beschermen van het milieu, voor zover het gaat om: het beschermen tegen milieuverontreiniging; en het voorkomen of beperken van hinder. Artikel4.3(normadressaat) Aan deze afdeling wordt voldaan door de rechthebbende op een onderdeel van de fysieke leefomgeving. Artikel4.4(specifieke zorgplicht) De rechthebbende op een onderdeel van de fysieke leefomgeving die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dat onderdeel nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 4.2, is verplicht: alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; en voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. §4.1.2Sloten, andere wateren en niet-openbaar vuilwaterriool Artikel4.5(toepassingsbereik) Deze paragraaf is van toepassing op het onderhouden en in stand houden van sloten, andere wateren, niet-openbare vuilwaterriolen en putten. Artikel4.6(specifieke zorgplicht voor toestand sloten en andere wateren) De zorgplicht, bedoeld in artikel 4.4, houdt voor de rechthebbende op een perceel met een sloot of ander water in ieder geval in dat daarvoor voldoende zorg wordt gedragen zodat die sloot of ander water geen gevaar voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor derden oplevert. Artikel4.7(specifieke zorgplicht voor toestand van niet-openbaar vuilwaterriool en putten) De zorgplicht, bedoeld in artikel 4.4, houdt voor de rechthebbende op een gebouw in ieder geval in dat voldoende zorg wordt gedragen voor het niet-openbaar vuilwaterriool en de putten buiten het gebouw zodat die geen gevaar voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor derden opleveren. AFDELING4.2 GEDOOGPLICHTEN Artikel4.14(voorzieningen voor verkeer en verlichting) De rechthebbende op een bouwwerk gedoogt het op of aan dat bouwwerk aanbrengen, onderhouden, wijzigen of verwijderen van voorwerpen, borden of voorzieningen voor het verkeer of de openbare verlichting. HOOFDSTUK5FINANCIËLE BEPALINGEN (gereserveerd) HOOFDSTUK6PROCESREGELS AFDELING 6.1 ADVIES §6.1.1Advisering over cultureel erfgoed Artikel6.1(gemeentelijke monumenten) 1.Het college stelt de commissie, bedoeld in de Verordening op de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit, in de gelegenheid advies uit te brengen: over het voornemen, bedoeld in artikel 2.2, derde lid, om een monument of een archeologisch monument aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument; bij toepassing van artikel 2.2, vijfde lid, over het besluit tot aanwijzing; en over een ontvangen aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 3.92. 2.De commissie brengt binnen twee weken schriftelijk en deugdelijk gemotiveerd advies uit. 3.Het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing als advies is uitgebracht op grond van het eerste lid, aanhef en onder b. Artikel6.2(rijksmonumenten) 1.Het college stelt de commissie , bedoeld in de Verordening op de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit, in de gelegenheid advies uit te brengen over een ontvangen aanvraag om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit, met betrekking tot een monument. 2.De commissie brengt het advies binnen twee weken uit. Artikel6.3(gemeentelijke dorpsgezichten) 1.Het college stelt de commissie, bedoeld in de Verordening op de gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit, in de gelegenheid advies uit te brengen over: het voornemen om een dorpsgezicht aan te wijzen als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht op grond van artikel 2.5; en een ontvangen aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 3.95. 2.De commissie brengt het advies binnen twee weken uit. §6.1.2Advisering over welstand Artikel6.4(Vervallen) Artikel6.5(Vervallen) Artikel6.6(Vervallen) Artikel6.7(Vervallen) Artikel6.8(Vervallen) Artikel6.9(Vervallen) Artikel6.10(Vervallen) Artikel6.11(Vervallen) Artikel6.12(Vervallen) AFDELING6.2 MAATSCHAPPELIJK DRAAGVLAK Artikel6.13(participatie bij vervangingsplan houtopstanden) Een vervangingsplan houtopstanden komt tot stand met inzet van burgerparticipatie. AFDELING6.3 MELDINGEN EN MAATWERKVOORSCHRIFTEN Artikel6.14(kennisgeving melding en maatwerkvoorschrift) Het college geeft in het Gemeenteblad kennis van meldingen en maatwerkvoorschriften als bedoeld in hoofdstuk 3. HOOFDSTUK7HANDHAVING Artikel7.1(toezichthouders) Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de personen die daartoe bij besluit van het college zijn aangewezen. Artikel7.2(strafbepaling) Overtreding van artikel 3.3, 3.6, derde lid, of 3.12 of een bij of krachtens een artikel in de paragrafen 3.3.2 en 3.3.3 of de afdelingen 3.4 tot en met 3.6 en 4.1 gestelde regel, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of met hechtenis van ten hoogste drie maanden. Artikel7.3(economisch delict) Overtreding van een bij of krachtens een artikel in paragraaf 3.3.4 gestelde regel is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 1a, onder 3°, van de Wet op de economische delicten HOOFDSTUK8OVERGANGSRECHT Artikel8.1(overgangsrecht) 1.Besluiten genomen krachtens een verordening als bedoeld in artikel 9.1, de Algemene plaatselijke verordening 2020 of de Erfgoedverordening 2017, of een voorganger van een van die verordeningen, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening. 2.Een aanvraag om een besluit krachtens een verordening als bedoeld in artikel 9.1, de Algemene plaatselijke verordening 2020 of de Erfgoedverordening 2017, die voor de inwerkingtreding van deze verordening is ingediend en waarop nog geen besluit is genomen, wordt behandeld volgens deze verordening, voor zover deze verordening een overeenkomstig besluit kent. 3.Een bestuurlijke sanctie die voor de inwerkingtreding van deze verordening is opgelegd voor een overtreding of dreigende overtreding van een bij of krachtens een verordening als bedoeld in artikel 9.1, de Algemene plaatselijke verordening 2020 of de Erfgoedverordening 2017, of een voorganger van een van die verordeningen, geldende bepaling, geldt als een bestuurlijke sanctie die is opgelegd voor een overtreding of dreigende overtreding van een bij of krachtens deze verordening geldende bepaling, voor zover deze verordening een overeenkomstige bepaling kent. HOOFDSTUK9INTREKKING VAN VERORDENINGEN EN NIEUWE GRONDSLAG NADERE REGELS Artikel9.1(intrekking van verordeningen) De volgende verordeningen worden ingetrokken: Afvalstoffenverordening 2021 gemeente Oegstgeest; Bomenverordening Oegstgeest 2019; Bouwverordening; Bouwverordening 2010; en Verordening fysieke leefomgeving Oegstgeest. Artikel9.2(nieuwe grondslag nadere regels en aanwijzingsbesluiten) De volgende besluiten berusten op de daarbij aangegeven bepalingen van deze verordening: Aanwijzingsbesluit ligplaatsen vaartuigen van 2 maart 2021 (Gemeenteblad 2021, 76489): de artikelen 3.86 en 3.87; Aanwijzingsbesluit parkeerverbod grote voertuigen van 5 december 2017 (Gemeenteblad 2018, 55340): artikel 3.63, tweede lid; Aanwijzingsbesluit parkeerverbod kampeermiddelen e.a. van 5 december 2017 (Gemeenteblad 2018, 55338): artikel 3.63, eerste lid; Aanwijzingsbesluit te koop aanbieden van voertuigen van 5 december 2017 (Gemeenteblad 2018, 55337): artikel 3.61, eerste lid; Aanwijzingsbesluit verbod parkeren anders dan op de rijbaan van 2 maart 2021 (Gemeenteblad 2021, 76431): artikel 3.65; en Verzameluitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening 2021 gemeente Oegstgeest: artikelen 2.9, 3.34, derde lid, 3.35, onder b, 3.36, eerste lid, onder g, vierde en vijfde lid, 3.37, 3.38 en 3.39. HOOFDSTUK10SLOTBEPALINGEN Artikel10.1(citeertitel) Deze verordening wordt aangehaald als Verordening fysieke leefomgeving Oegstgeest 2024. Artikel10.2(inwerkingtreding) Deze verordening treedt tegelijk met de Omgevingswet in werking. Aldus besloten in de vergadering van de raad van de gemeente Oegstgeest van 28 september 2023.De griffier,De voorzitter, BIJLAGEIBEGRIPSBEPALINGEN In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: achtererfgebied: achtererfgebied als bedoeld in bijlage I, onder A, bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; archeologisch monument: archeologisch monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; beheerplan: beschrijving van inrichting en uit te voeren werkzaamheden om tot een optimale ontwikkeling te komen van houtopstanden en boomgebieden; beschermd gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument dat is aangewezen op grond van artikel 2.2; beschermd gemeentelijk dorpsgezicht: dorpsgezicht dat is aangewezen op grond van artikel 2.5; bijbehorend bouwwerk: bijbehorend bouwwerk als bedoeld in bijlage I, onder A, bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; bomeneffectanalyse: standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouwactiviteiten of aanlegactiviteiten voor een boom volgens het Handboek Bomen van het Norminstituut Bomen, verricht door een boomdeskundige; bomenlijst: bomenlijst als bedoeld in artikel 2.12, eerste en derde lid; boom: levend of afgestorven houtig en opgaand gewas met een stamdiameter van ten minste 15 cm, waarbij artikel 3.112 van toepassing is; boomdeskundige: natuurlijk persoon met een geldig European Tree Worker certificaat van een erkend instituut; boomgebied: op de groene kaart aangewezen boomgebied; boomkroon: bovenste gedeelte van een houtopstand, dat de takken met bladeren omvat en wordt gedragen door de stam van de houtopstand; boomwaarde: monetaire of vervangingswaarde van een houtopstand, getaxeerd volgens de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen; bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oegstgeest; dorpsgezichten: groepen van onroerende zaken die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich één of meer monumenten bevinden; dunning: velling uitsluitend bedoeld als verzorgingsmaatregel ter bevordering van groei van overblijvende bomen; gebouw: gebouw als bedoeld in bijlage I, onder A, bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; geluidgevoelig gebouw: geluidgevoelig gebouw als bedoeld in bijlage I, onder A, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; geluidgevoelige ruimte: geluidgevoelige ruimte als bedoeld in bijlage I, onder A, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving; groene kaart: groene kaart als bedoeld in artikel 2.12, eerste en tweede lid; hakhout: vanuit landschappelijk of cultuurhistorisch oogpunt als hakhout aangelegde beplanting van meerdere stobben loofhoutopstand die dicht bij de grond periodiek wordt teruggezet of gesnoeid, zodanig dat de stobben opnieuw kunnen uitlopen; hoofdgebouw: hoofdgebouw als bedoeld in bijlage I, onder A, bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; hoofdgroenstructuur: als boomgebied op de groene kaart vermelde lijnvormige structuur van houtopstanden; houtopstand: een of meer bomen, boomvormers of andere houtachtige gewassen; huis-aan-huisblad: ongeadresseerd blad dat met een vaste frequentie gratis huis aan huis wordt verspreid in een geografisch beperkt gebied, waarvan ten minste 10% van de inhoud bestaat uit informatie over en nieuws uit het eigen verspreidingsgebied, niet zijnde reclame; kandelaberen: tot op de hoofdtakken snoeien van een houtopstand; knotten: afzagen van de kroon van een houtopstand; kweekgoed: houtopstanden die bedrijfsmatig worden gekweekt en zijn bedoeld voor verkoop; monument: monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; monumentale houtopstand: houtopstand die als monumentaal is opgenomen op de bomenlijst; NEN: norm die door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut is uitgegeven; noodkap: met het oog op de veiligheid met spoed vellen van een houtopstand; omgevingsvergunning: omgevingsvergunning als bedoeld in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; ongeadresseerd reclamedrukwerk: reclamedrukwerk dat gratis huis aan huis wordt verspreid zonder vermelding van naam, adres of postbus en woonplaats van de ontvanger, niet zijnde: een huis-aan-huisblad of informatieblad over werkzaamheden of activiteiten in de buurt die voor de bewoners of gebruikers van een woning, bedrijf of woonschip in die buurt van belang zijn om te weten; of drukwerk van vrijwilligers of niet-commerciële organisaties; ongewoon voorval: ongewoon voorval als bedoeld in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; openbaar water: water dat voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk is; openbare ruimte: ruimte die openstaat voor het publiek, met uitzondering van een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet; parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; reclame: openbare aanprijzing of werving van goederen, diensten of denkbeelden; vellen: vellen als bedoeld in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; vervangingsplan houtopstanden: door het college of de raad voor een locatie voor een periode van drie jaar vastgesteld plan voor het vervangen van houtopstanden die eigendom zijn van de gemeente; voorbeschermd gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument waarvoor het college de zakelijk gerechtigden in kennis heeft gesteld van het voornemen, bedoeld in artikel 2.2, derde lid, om het aan te wijzen als beschermd gemeentelijk monument; waardevollehoutopstand: houtopstand die als waardevol is opgenomen op de bomenlijst; wegen: voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden die in beheer zijn bij de gemeente Oegstgeest, met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten; zelfstandige eenheid houtopstanden: houtopstanden die in ruimtelijke zin een aaneengesloten geheel vormen. TOELICHTING VERORDENING FYSIEKE LEEFOMGEVING OEGSTGEEST 2024 ALGEMEEN Op 1 januari 2024 treedt de Omgevingswet in werking. De Omgevingswet bundelt de wetgeving voor de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving omvat volgens de Omgevingswet in ieder geval bouwwerken, infrastructuur, water, watersystemen, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. De Omgevingswet heeft als doel het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en het gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving worden na invoering van de Omgevingswet samengebracht in één omgevingsplan. Het omgevingsplan Oegstgeest bundelt bestemmingsplannen, beheersverordeningen en regels uit (andere) lokale verordeningen die gaan over activiteiten die de fysieke leefomgeving wijzigen of direct beïnvloeden. Daarmee wordt de regelgeving voor inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties overzichtelijker en zijn de regels makkelijker te vinden. Deze verordening brengt de regels over de fysieke leefomgeving uit de verschillende verordeningen, nadere regels, aanwijzingsbesluiten en beleidsregels samen. Het is een logische tussenstap naar opname van die regels in het omgevingsplan Oegstgeest. Het gaat om regels die eerder al zijn vastgesteld door de raad. Bij het omzetten zijn de regels geüniformeerd, verduidelijkt en in een structuur geplaatst, die aansluit bij de Omgevingswet. Het gaat vooral om redactionele en technische wijzigingen. Regels uit de volgende verordeningen zijn omgezet in deze verordening: Afvalstoffenverordening Algemene Plaatselijke Verordening Oegstgeest 2020; Bomenverordening Oegstgeest 2019; Bouwverordening; en Erfgoedverordening Oegstgeest 2017. De Afvalstoffenverordening, Bomenverordening, Bouwverordening en Bouwverordening 2010 1 Deze verordening is per abuis niet ingetrokken met de inwerkingtreding van de (nieuwe) Bouwverordening in 2012. worden ingetrokken. De Algemene Plaatselijke Verordening en de Erfgoedverordening blijven wel bestaan maar in afgeslankte vorm. Het intrekken en wijzigen van die verordeningen is geregeld in hoofdstuk 9 van de Verordening fysieke leefomgeving. In dat hoofdstuk zijn ook artikelen opgenomen die nadere regels, aanwijzingsbesluiten en beleidsregels van het college intrekken of daaraan een nieuwe grondslag geven. De regels in de Rioolverordening en de Leidingverordening gemeente Oegstgeest 2017 zijn niet opgenomen in deze verordening. Die verordeningen bevatten ook regels over activiteiten die de fysieke leefomgeving wijzigen en zullen dan ook moeten worden opgenomen in het omgevingsplan Oegstgeest. Die verordeningen zijn echter in regionale afstemming tot stand gebracht en de inhoud van die verordeningen sluit nauw aan bij de riool- en leidingverordeningen van de andere gemeenten in de regio. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen die regels na regionale afstemming worden toegevoegd aan het omgevingsplan Oegstgeest. De volgende regelingen krijgen een grondslag in deze verordening en blijven dan ook bestaan: Aanwijzingsbesluit ligplaatsen vaartuigen; Aanwijzingsbesluit parkeerverbod grote voertuigen; Aanwijzingsbesluit parkeerverbod kampeermiddelen e.a.; Aanwijzingsbesluit te koop aanbieden van voertuigen; en Aanwijzingsbesluit verbod parkeren anders dan op de rijbaan. De inhoud van de volgende regelingen die worden ingetrokken met een apart besluit van het college van burgemeester en wethouders, is in zijn geheel beleidsneutraal opgenomen in deze verordening: Nadere regels artikel 2:10 APV Oegstgeest 2020 van 2 maart 2021 (Gemeenteblad 2021, Z6393); Standplaatsenbeleid gemeente Oegstgeests (versie juni 2021); Terrassenbeleid Gemeente Oegstgeest van 19 maart 2007; en Reclamenota (versie oktober 2021) Aan het slot van deze toelichting zijn transponeringstabellen opgenomen voor de verordeningen waarvan de inhoud is opgenomen in deze Verordening fysieke leefomgeving. De structuur van deze verordening biedt enerzijds een goede wettelijke basis, zodat de (professionele) gebruikers er bij inwerkingtreding goed mee kunnen werken en sluit anderzijds aan op het stelsel van de Omgevingswet en het toekomstige omgevingsplan. De bouwstenen zijn zichtbaar gehouden, zodat later de regels per onderdeel verwerkt kunnen worden in het omgevingsplan Oegstgeest. Met deze verordening wordt een belangrijke stap gezet richting de Omgevingswet. Om dit te onderstrepen zijn bepalingen over de specifieke zorgplicht van de Omgevingswet opgenomen in deze verordening. ARTIKELSGEWIJS HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.1 (begripsbepalingen) Artikel 1.1 gaat over de begrippen die in deze verordening worden gebruikt. Deze bepaling vormt de grondslag voor een bijlage die bij deze verordening wordt opgenomen. Die bijlage bevat definities van belangrijke begrippen die op meerdere plaatsen in deze verordening worden gebruikt. De definities gelden ook voor zover die begrippen in op deze verordening gebaseerde regelgeving worden gebruikt. Om redenen van toegankelijkheid en leesbaarheid is ervoor gekozen om de begripsbepalingen gebundeld op te nemen in een bijlage in plaats van deze in hoofdstuk 1 zelf te verwerken zoals veelal gebruikelijk is. Omdat deze verordening niet is gebaseerd op de Omgevingswet zijn de begripsbepalingen van die wet, de daarop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur en de Omgevingsregeling niet van toepassing op deze verordening. Omdat een aantal van die begripsbepalingen in deze verordening wordt gebruikt zijn die omschreven in bijlage I bij deze verordening. Daarnaast zijn in bijlage I de begripsbepalingen opgenomen van de verordeningen die deze verordening vervangt, met uitzondering van de begripsbepalingen die niet meer relevant zijn. Artikel 1.2 (toepassingsbereik) Het toepassingsbereik van deze verordening wordt bepaald door artikel 1.2 en is geïnspireerd door artikel 1.2 van de Omgevingswet. In de memorie van toelichting bij die wet is aangegeven dat dit artikel spoort met de benaderingswijze die wordt gehanteerd in het verdrag van Aarhus. Dit verdrag maakt systematisch gezien onderscheid tussen, voor zover hier van belang: de toestand van elementen van het milieu, zoals lucht, water, bodem, landschappen en natuurgebieden; activiteiten die de elementen van het milieu aantasten of kunnen aantasten; en de toestand van de menselijke gezondheid en veiligheid en de menselijke levensomstandigheden, voor zover deze worden of kunnen worden aangetast door de toestand van de elementen van het milieu of, via die elementen, door activiteiten als bedoeld onder b. Deze driedeling uit het verdrag is ook terug te vinden in de opzet van artikel 1.2. Eerste lid In het eerste lid is vastgelegd dat deze verordening betrekking heeft op enerzijds de fysieke leefomgeving (onderdeel
- a)en anderzijds activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving (onderdeel b). Het begrip ‘fysieke leefomgeving’ zelf wordt niet gedefinieerd in de Omgevingswet en ook niet in deze verordening. Dit begrip geeft de buitenste randen van het toepassingsgebied van de verordening aan. In latere artikelen van deze verordening wordt dit begrip verder ingekleurd en afgebakend. Ook van het begrip ‘activiteit’ (onderdeel
- b)is geen definitie opgenomen. Wat hieronder wordt verstaan blijkt uit de context van de artikelen in deze verordening waarin het begrip activiteit wordt gebruikt. Doorgaans zal het gaan om een feitelijke handeling. Tweede lid Het tweede lid bevat in beginsel alle fysieke onderdelen van de fysieke leefomgeving. Ter voorkoming van mogelijke rechtsvragen is er voor gekozen in het tweede lid een niet-uitputtende opsomming van de onderdelen van de fysieke leefomgeving op te nemen. Een limitatieve opsomming zou de vraag kunnen oproepen of een regel in wel verbindend is omdat het fysieke voorwerp dat de regels beogen te beschermen naar het oordeel van een belanghebbende niet tot één van de benoemde onderdelen van de fysieke leefomgeving zou behoren. Zo zou bijvoorbeeld een belanghebbende kunnen stellen dat een dode boom geen natuur is en derhalve voor het kappen geen vergunning nodig is. Met de gekozen open formulering hoeft in een dergelijk geval alleen de vraag beantwoord te worden of het gemeentebestuur redelijkerwijs tot het standpunt heeft kunnen komen dat dit voorwerp een onderdeel is van de fysieke leefomgeving. Derde lid Het derde lid van artikel 1.2 kleurt het toepassingsgebied van deze verordening nader in. Deze bepaling is opgenomen om te verhelderen welke aspecten, verband houdend met activiteiten in de fysieke leefomgeving, in ieder geval door de verordening kunnen worden gereguleerd. Het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving (onderdeel
- a)is de grootste, meest directe invloed die de mens kan uitoefenen op de fysieke leefomgeving. Te denken valt aan de gevolgen van activiteiten als de aanleg van een weg, het bouwen van woningen, ontgrondingen en het kappen van bomen. Gebruik van natuurlijke hulpbronnen (onderdeel
- b)wordt genoemd omdat hulpbronnen vaak beperkt voorhanden zijn, door bijvoorbeeld schaarste. Gebruik van een natuurlijke hulpbron, zoals een delfstof, plant of dier uit de natuur, water of wind, sluit vaak ander gebruik van die hulpbron uit en heeft daarmee gevolgen voor andere gebruikers van de fysieke leefomgeving. Onderdeel b heeft geen betrekking op gevolgen ter plaatse van de winning, oogst, vangst of benutting van een natuurlijke hulpbron, zoals het wijzigen van onderdelen van de leefomgeving, emissies, hinder of risico’s. Die gevolgen worden gedekt door de onderdelen a en c van dit lid. Gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen eveneens voortvloeien uit activiteiten waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt, zoals de uitstoot van verontreinigende stoffen, het veroorzaken van geluid of stank en het werken met gevaarlijke stoffen waardoor risico’s voor mens en milieu ontstaan (onderdeel c). Gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen voortvloeien uit een ‘doen’ maar ook uit een ‘niet doen’, zoals het achterwege laten van (voldoende) beschermende maatregelen bij het verrichten van een activiteit of door het nalaten van een activiteit (onderdeel d). Bij het nalaten van een activiteit kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het niet onderhouden van bouwwerken of installaties waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt. Vierde lid Gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen ook betrekking hebben op gevolgen voor de mens. Beschermende regels van deze verordening hebben betrekking op de fysieke leefomgeving, maar zijn uiteindelijk grotendeels gericht op het beschermen van de veiligheid en gezondheid van de mens en de omgevingskwaliteit voor de mens. Slechts een beperkt deel de regels is exclusief gericht op bescherming van de fysieke leefomgeving door de intrinsieke waarde die de mensheid daaraan toekent. De mens wordt hier eenmalig genoemd naast de gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Deze opzet betekent dat overal waar deze verordening regels stelt over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen voor de fysieke leefomgeving of onderdelen daarvan, dit ook de bevoegdheid impliceert om ook gevolgen voor de mens erbij te betrekken, voor zover de mens wordt of kan worden beïnvloed door of via de fysieke leefomgeving. Artikel 1.3 (doelen van de verordening) De doelen van artikel 1.3 zijn overgenomen uit de Omgevingswet. Het doel ‘het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit’ (onderdeel
- a)benadrukt de opdracht tot het waarborgen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Het doel in onderdeel b – ‘het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’ – ziet op het benutten van de fysieke leefomgeving door de mens. De aanhef van het artikel bevat algemene eisen die fungeren als verbindende schakels tussen beide doelen. De eerste algemene eis is dat de toepassing van deze verordening moet plaatsvinden met het oog op duurzame ontwikkeling. Duurzame ontwikkeling is een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. De tweede algemene eis houdt in dat de twee doelen van deze verordening in onderlinge samenhang moeten worden nagestreefd. Dit betekent dat bij de toepassing van de verordening acht moet worden geslagen op de onderlinge verhoudingen tussen onderdelen van de fysieke leefomgeving of de gevolgen van activiteiten op de leefomgeving. Het artikel sluit aan op het motto van de Omgevingswet: ‘ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit’. De ‘ruimte voor ontwikkeling’ komt tot uitdrukking in het uitgangspunt van duurzaamheid en ligt daarnaast besloten in ‘ter vervulling van maatschappelijke behoeften in onderdeel b; de ‘waarborgen voor kwaliteit’ zijn vooral terug te vinden in onderdeel a. De in deze bepaling neergelegde maatschappelijke doelen geven richting aan de uitvoering en toepassing van deze verordening. Dit geldt zowel voor bedrijven en burgers (denk aan de specifieke zorgplichten) als voor het college. Een belangrijke beperking, voor wat betreft het college, is dat als elders in deze verordening specifieke kaders voor de uitoefening van taken en bevoegdheden zijn gegeven, die kaders voorgaan. Deze meer specifieke kaders zijn dan leidend bij de uitvoering van dat onderdeel van deze verordening. Die kaders worden geacht een invulling te zijn van de algemene doelbepaling van artikel 1.3. Opmerking verdient dat noch uit artikel 1.3 noch uit meer specifieke kaders voor het uitoefenen van bevoegdheden conclusies kunnen worden getrokken over het onderlinge gewicht van de betrokken belangen. Doel a staat niet in de weg aan activiteiten die vooral doel b dienen, zoals de ontwikkeling van een weg ter vervulling van de maatschappelijke functie ‘mobiliteit’. Doel b staat niet in de weg aan overheidsmaatregelen die vooral doel a dienen, zoals het vaststellen van algemene regels over activiteiten die het milieu belasten. Toepassing van de verordening vereist het zoeken naar oplossingen die zoveel mogelijk tegemoet komen aan beide doelen en de belangen daarachter. En waar dat niet kan, het maken van een belangenafweging. De uitkomst van de door het college te verrichten belangenafweging zal per geval verschillen. Het college moet op grond van artikel 3:4, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtstreeks bij een besluit betrokken belangen afwegen, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. De uitkomst van die belangenafweging moet worden gemotiveerd (zie afdeling 3.7 Awb). Dit is primair een bestuurlijke afweging en daarbij past een terughoudende toets door de rechter. Artikel 3:4 Awb is in beginsel ook van toepassing op het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften (de schakelbepaling van artikel 3:1, eerste lid, Awb), zoals nadere regels die het college kan vaststellen op basis van en ter uitwerking van deze verordening. HOOFDSTUK 2 AANWIJZINGEN IN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING AFDELING 2.1 CULTUREEL ERFGOED § 2.1.1 Gemeentelijk erfgoedregister Artikel 2.1 (gemeentelijk erfgoedregister) [artikelen 2, 10, tweede lid, 12, eerste en derde lid, 18, vierde lid, Erfgoedverordening] Het gemeentelijk erfgoedregister bevat de door het college aangewezen monumenten en dorpsgezichten. Daarnaast is ook informatie over rijksmonumenten die in de gemeente zijn gelegen in het gemeentelijk erfgoedregister opgenomen. Op grond van de Erfgoedwet ontvangt het college deze informatie in afschrift van de Minister van OCW bij de inschrijving in het rijksmonumentenregister. De kans op dubbeling, fouten of regelmatige aanpassing is niet erg groot, aangezien op grond van artikel 3 van de ‘Beleidsregel aanwijzing rijksmonumenten en wijziging rijksmonumentenregister Erfgoedwet’ een terughoudend aanwijzingsbeleid wordt gevoerd. De laatste aanwijzing dateert van 30 september 2002. Artikel 2.1 geeft uitvoering aan artikel 3.16, derde lid, van de Erfgoedwet en is daarmee van toepassing op al het cultureel erfgoed, ongeacht of het om onroerende of roerende zaken gaat, dat is aangewezen op grond van deze verordening of de Erfgoedverordening. In deze verordening is alleen het cultureel erfgoed geregeld dat volgens de Omgevingswet onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving. Het beschermen van het overige culturele erfgoed (cultuurgoederen en verzamelingen) blijven geregeld in de Erfgoedverordening. Het woord “onherroepelijk” in artikel 2.1, vijfde lid, betekent dat tegen de aanwijzing geen beroep (of bezwaar) is ingesteld of dat het is afgewezen. De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is een louter administratieve verrichting en niet een besluit. Overigens zal van de aanwijzing ook inschrijving in het gemeentelijke beperkingenregister en in het kadaster plaatsvinden op grond van artikel 1, onder c en e, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. § 2.1.2 Beschermde gemeentelijke monumenten Artikel 2.2. (aanwijzing beschermde gemeentelijke monumenten) [artikelen 5, 6 en 11, eerste en tweede lid, Erfgoedverordening] Eerste en tweede lid Dit artikel regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument aan een monument of archeologisch monument. Een tuin en een park vallen binnen het begrip ‘monument’, natuurlandschap niet. De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische of economische belangen of het gebruik van het monument of archeologisch monument. De formulering van het artikel is ontleend aan de artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet. Het college heeft beleidsvrijheid bij de aanwijzing. Er geldt bovendien niet zoiets als de voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voor monumenten. Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen. Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen derhalve in concreto worden onderzocht. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het bij een besluit over de aanwijzing als beschermd monument om de afweging van het algemeen belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed tegen de belangen die de eigenaar heeft bij al dan niet aanwijzing. Het gebruik van het monument wordt beschouwd als een aspect van de belangen van de eigenaar en behoeft daarom niet afzonderlijk te worden benoemd. Derde en vierde lid Ieder monument is gezien de definitie een onroerende zaak (het gebouw). Ieder archeologisch monument omvat ten minste één onroerende zaak (het terrein, dat vanwege en samen met de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen, gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt aangemerkt als archeologisch monument). Voor alle zakelijk gerechtigden op de betreffende onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door het college van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers ten aanzien van de onroerende zaak. Vanaf het moment dat het college de zakelijk gerechtigden in kennis heeft gesteld van het voornemen om het monument of archeologisch monument aan te wijzen, is er sprake van een voorbeschermd gemeentelijk monument (zie de definitie daarvan in bijlage I). Vanaf dat moment geldt de bescherming van paragraaf 3.5.2. In de artikelen in die paragraaf zijn de voorbeschermde gemeentelijke monumenten namelijk gelijk gesteld met de beschermde gemeentelijke monumenten. Vijfde lid Dit lid biedt het college de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen een monument of archeologisch monument als gemeentelijk monument aan te wijzen zonder eerst de zakelijk gerechtigden in kennis te stellen van het voornemen. In dat geval wordt de adviescommissie pas ingeschakeld voor het (definitieve) besluit tot aanwijzing (zie artikel 6.1). De bescherming van paragraaf 3.5.2 geldt vanaf het moment van aanwijzing. Een bezwaarschrift heeft geen opschortende werking en daarmee kan deze spoedeisende aanwijzing niet eenvoudig worden omzeild. Als de aanwijzing definitief wordt door de opname in het erfgoedregister loopt deze bescherming door. Als er uiteindelijk geen opname in het erfgoedregister plaatsvindt vervalt de bescherming na 26 weken. Zevende lid De aanwijzing van kerkelijke monumenten vereist voorafgaand overleg met de eigenaar. Het gaat dan per definitie om een monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging (artikel 1.1 van de Erfgoedwet). Dit lid stemt overeen met de vergelijkbare eis in artikel 3.1 van de Erfgoedwet en artikel 16.58 van de Omgevingswet en doet recht aan de bijzondere positie van het kerkelijk monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging. Dit geldt naast de algemene regel van artikel 4:8 van de Awb op grond waarvan belanghebbenden zoals eigenaren moeten worden gehoord. Artikel 2.3 (beslistermijn, inhoud en bekendmaking) [artikelen 9 en 10 Erfgoedverordening] Voor de termijn waarbinnen het college een besluit neemt over de aanwijzing van een monument en een archeologisch monument als beschermd gemeentelijk monument is aangesloten bij de termijn in de Erfgoedwet (artikel 3.2, derde lid). Dit artikel geldt naast de algemene verplichting tot bekendmaking van besluiten op basis van de Awb. De ontvangst van de aanwijzing is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Op een aanwijzingsbesluit is deze wet ook van toepassing. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers. Artikel 2.4 (wijzigen en vervallen van een aanwijzing) [artikel 12, tweede en derde lid, Erfgoedverordening] Dit artikel bepaalt dat op het vervallen of wijzigen van een aanwijzing dezelfde procedure geldt als voor de aanwijzing zelf. Voorts is in dit artikel bepaald dat de aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument vervalt zodra een monument is opgenomen in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal erfgoedregister. § 2.1.3 Beschermde gemeentelijke dorpsgezichten Artikelen 2.5 tot en met 2.7 [artikel 18 Erfgoedverordening] Deze artikelen regelen de aanwijzing van dorpsgezichten door de gemeenteraad. Die aangewezen dorpsgezichten moeten vervolgens met het omgevingsplan Oegstgeest worden beschermd. Dit is vergelijkbaar met de voorheen geldende artikelen 35 en 36 van de Monumentenwet 1988; echter zonder de plicht de minister te horen. Artikel 36 van de Monumentenwet 1988 vervalt met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarna zal het aanwijzen van gemeentelijke dorpsgezichten mogelijk worden via het omgevingsplan Oegstgeest. Artikel 2.8 (wijzigen en vervallen van een aanwijzing) [artikel 19 Erfgoedverordening] Dit artikel bepaalt dat op het vervallen of wijzigen van de status als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht dezelfde procedure geldt als voor de aanwijzing daarvan. Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft, door de minister of de provincie wordt aangewezen als beschermd dorpsgezicht. AFDELING 2.2 AFVALBEHEER Artikel 2.9 (aanwijzing inzamelplaats huishoudelijke afvalstoffen) [artikel 5 Afvalstoffenverordening 2021] In dit artikel wordt geregeld dat op ten minste een plaats, ook buiten kantooruren of in het weekend, gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen achter te laten. Hiertoe is het gemeentebestuur op grond van artikel 10.27 Wet milieubeheer verplicht in verband met de in artikel 3.36 geboden mogelijkheid om niet telkens per week en bij elk perceel in te zamelen. Op de inzamelplaats kunnen alle bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen worden achtergelaten. AFDELING 2.3 INFRASTRUCTUUR EN OPENBARE RUIMTE Artikel 2.10 (vaste standplaatsen) [hoofdstuk 3 Standplaatsenbeleid 2019] In Oegstgeest zijn zeven locaties voor vaste standplaatsen beschikbaar. In de tabel hieronder zijn deze locaties weergegeven met de bezetting in januari 2023, de dagen waarop de standplaatsen worden ingenomen, de oppervlakte van de standplaatsen en de aanwezige voorzieningen. Locatie Product Dagen Oppervlakte Voorzieningen De Kempenaerstraat, hoek Koninginnelaan (K1) Groente en fruit Vrijdag 25 m2 Elektra Kaas Zaterdag 24 m2 Elektra Noten, tapenade en olijven Donderdag 25 m2 Elektra Vlees en vleeswaren Dinsdag 25 m2 Elektra Marktterrein Lijtweg bij winkelcentrum Lange Voort 1 Vis Vrijdag en zaterdag 37 m2 Elektra Brood en gebak Donderdag 32 m2 Elektra Groente en fruit Woensdag 12 m2 Electra Marktterrein Lijtweg bij winkelcentrum Lange Voort 2 Kaas Donderdag 24 m2 Elektra Loempia’s Vrijdag en zaterdag 10 m2 Elektra Kip en Rib Woensdag 18 m2 Elektra Irislaan (winkelcentrum Lange Voort 3) Bloemen Donderdag 10 m2 Geen Olijven en tapenades Zaterdag 32 m2 Geen - Woensdag 10 m2 Geen - Vrijdag 10 m2 Geen Boerhaaveplein Snacks Woensdag tot en met zondag 25 m2 Elektra Klinkenbergerplas Snacks Elke dag (ntb) Geen Nieuw-Rhijngeest* Snacks Woensdag 20 m2 Geen Belegde broodjes Donderdag 20 m2 Geen Delicatessen, noten en olijven Vrijdag 20 m2 Geen Kaas Zaterdag 20 m2 Geen * Voor Nieuw-Rhijngeest geldt dat standplaatsen niet concurrerend mogen zijn met het aanbod van het winkelcentrum. Gezien de kleinschaligheid van het winkelcentrum Nieuw-Rhijngeest en het belang van het behoud van een gevarieerd voorzieningenaanbod, is het wenselijk dat de branchering van de standplaats complementair is aan het aanbod van het winkelcentrum. Artikel 2.11 (tijdelijke standplaatsen) [hoofdstuk 3 Standplaatsenbeleid 2019] In Oegstgeest zijn drie locaties voor tijdelijke standplaatsen beschikbaar. In de tabel hieronder zijn deze locaties weergegeven met de bezetting in juni 2023, de periode waarin deze standplaatsen kunnen worden ingenomen, de oppervlakte van de standplaatsen en de aanwezige voorzieningen. Locatie Product Periode Oppervlakte Voorzieningen Parkeerplaats naast Lijtweg 4 (apotheek) Poffertjeskraam Meerdere keren per jaar voor ten hoogste zes weken aaneengesloten 160 m2 Kerstbomenverkoop Ten hoogste zes weken 60 m2 Parkeerplaats Lijtweg (het markt en evenemententerrein) Onderzoekswagen (bijvoorbeeld voor borstkankeronderzoek Vanwege het maatschappelijke en medische belang kan toestemming worden verleend om een standplaats voor langere tijd in te nemen 90 m2 Elektra Op de dagen dat een vaste standplaats niet wordt ingenomen door een standplaatshouder is het een tijdelijke standplaatshouder toegestaan deze in te ne