← Nederland

Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Westvoorne houdende regels omtrent het beleidsplan De krachten gebundeld (Westvoorne)

Kort samengevat

Dit beleidsplan van de gemeente Westvoorne, samen met Hellevoetsluis, beschrijft hoe zij de verantwoordelijkheden voor zorg, jeugd en participatie, die van de Rijksoverheid naar de gemeenten zijn overgeheveld, gaan organiseren en uitvoeren. Het doel is om de maatschappelijke ondersteuning slimmer en beter te regelen, met een grotere nadruk op de eigen kracht van inwoners.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Besluit van de gemeenteraad van de gemeente Westvoorne houdende regels omtrent het beleidsplan De krachten gebundeld1.Inleiding Voor u ligt het beleidsplan voor de drie decentralisaties van de gemeenten Hellevoetsluis en Westvoorne met de titel ‘De krachten gebundeld’. Dit beleidsplan biedt het inhoudelijk kader voor het vormgeven aan de drie decentralisatieopgaven die voor een forse toename in verantwoordelijkheden op lokaal niveau zorgen. Dit gebeurt door middel van een uitbreiding van de Wmo en de invoering van de Jeugdwet en de Participatiewet. De decentralisatieopgaven vormen niet alleen een transitie van taken, maar geven ook de mogelijkheid tot het transformeren van het gehele sociale domein. De gemeenten Hellevoetsluis en Westvoorne zijn zich er van bewust dat samenwerking noodzakelijk is om de transitie en transformatie te laten slagen. Het samenspel tussen de aanbieders/welzijnspartijen, inwoners en de gemeente zal veranderen, waarbij samenwerking van groot belang is. Net als de gemeente zelf zullen de aanbieders en welzijnspartijen zich anders moeten gaan organiseren. Hetzelfde geldt voor inwoners. Wij verwachten meer van de eigen kracht van inwoners. De inzet van de verschillende aanbieders leidt tot een sterker geheel. Oftewel: ‘De krachten gebundeld’. 1.1.Achtergrond Drie decentralisaties De komende jaren krijgt de gemeente er een aantal grote taken bij in het sociaal domein: de volledige jeugdhulp, de extramurale begeleiding uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en de Participatiewet. Met deze overheveling van taken en bevoegdheden van de Rijksoverheid naar de gemeente (= decentralisatie of transitie) worden wij verantwoordelijk voor vrijwel de gehele maatschappelijke ondersteuning van onze inwoners, van jong tot oud. Het raakt alle leefgebieden: zorg, welzijn, opvoeding, onderwijs, werk en inkomen en veiligheid. Gemeenten krijgen de opgave om met minder middelen de maatschappelijke ondersteuning slimmer en beter te organiseren. Dit vraagt om een hervorming (= transformatie) van het sociaal domein. Als gemeente staan we voor de uitdaging om een nieuwe visie, doelen en resultaten te formuleren op de nieuwe taken. Om dit te realiseren zal het beleid (het wat), de organisatie en de middelen (het hoe) moeten worden opgesteld en georganiseerd. Uitgangspunt is om dit in samenhang op te pakken. Dit beleidsplan richt zich hoofdzakelijk op het beleid en (in mindere mate) op de middelen. De vraagstukken rondom de middelen en organisatie zullen de komende maanden (verder) worden uitgewerkt in een implementatieplan. Bij de drie decentralisaties is sprake van verschillende snelheden in het wetgevingsproces. De stand van zaken half november 2013 is dat het wetsvoorstel Jeugdwet recentelijk door de Tweede Kamer is aangenomen. Behandeling van dit voorstel door de Eerste Kamer is pas in 2014 voorzien. Het wetsvoorstel Wmo 2015 zal naar verwachting voor het eind van 2013 door het Kabinet naar de Tweede Kamer voor behandeling worden aangeboden. Het wetsvoorstel voor de Participatiewet is sinds 2 december 2013 openbaar. Naast de drie decentralisaties vinden er ook belangrijke wijzigingen plaats in het onderwijsdomein, middels de Wet passend onderwijs. Deze wet is inmiddels in het Staatsblad gepubliceerd en treedt op1 augustus 2014 in werking. Hierbij is het de verantwoordelijkheid van de samenwerkingsverbanden1Scholen werken samen in regionale samenwerkingsverbanden. Dit zijn er in totaal 76 voor het primair onderwijs en 74 voor het voortgezet onderwijs. De samenwerkingsverbanden voor Hellevoetsluis en W estvoorne zijn georganiseerd op de schaalgrootte Voorne-Putten. om de wetswijziging te implementeren, waarbij samenwerking met de gemeenten verplicht is. De wettelijke basis van elk van de drie decentralisatie is dus nog niet definitief. Dit bemoeilijkt het aanbrengen van een goede samenhang. Toch geven we met dit beleidsplan hiertoe een aanzet. Wel is de veronderstelling dat op basis van voortschrijdend inzicht dit document altijd aangepast kan worden. Gemeenten krijgen door de decentralisaties meer verantwoordelijkheden voor een groot aantal cliënten en voor het aanbieden van voorzieningen. Er vindt hierdoor een forse verschuiving plaats op het gebied van inkoop. Het zwaartepunt komt te liggen bij de “zachte” sector. Onderstaande tabel geeft dit weer. Tabel 1.1: Verdeling inkoop over gemeentelijke sectoren Jaar Ca. 1990 Nu Na 2015 Facilitair 25 % 20 % 15 % Harde sector 50 % 40 % 30 % Sociaal domein 25 % 40 % 55 % Bron: Prof. Dr. Jan Telgen, Gouda, 11 oktober 2013 Met dit beleidsplan willen wij in de periode 2014-2017 richting geven aan de veranderingen in het sociaal domein en de keuzes die we gaan maken. De gemeenten Hellevoetsluis en Westvoorne hebben voor de voorbereiding van de decentralisaties de krachten gebundeld, resulterend in dit beleidsplan. In deze samenwerking bestaat ruimte om lokale accenten te leggen. Bij de inhoudelijke voorbereiding voor dit plan is ook actief samengewerkt met gemeente Brielle en is kennis uitgewisseld op het niveau van Voorne-Putten. 1.2.Positie van dit beleidsplan in het sociale domein Dit beleidsplan bouwt voort op al bestaande beleidsplannen en de daarin verwoorde kaders en uitgangspunten. De belangrijkste plannen hierbij zijn de Wmo-beleidsplannen. In de huidige Wmo- beleidsplannen van Hellevoetsluis en Westvoorne is een paraplu-visie opgenomen die als kader dient voor het Wmo-beleid én voor de drie decentralisaties. Hier is destijds voor gekozen om te waarborgen dat het Wmo-beleid en het nieuw te vormen beleid rondom de drie decentralisaties optimaal op elkaar aansluiten. De beleidsvoornemens in dit beleidsplan passen dus in de kaders die met het Wmo- beleidsplan al zijn vastgesteld. Het is de uitdrukkelijke wens van zowel de gemeente Hellevoetsluis als de gemeente Westvoorne om de decentralisaties zoveel mogelijk in samenhang op te pakken. Daarom is ervoor gekozen om één beleidsplan voor de drie decentralisaties op te stellen. Het beleidsplan is als kader bedoeld voor de ontwikkeling en uitvoering van beleid op de domeinen Zorg, Jeugd en Participatie. De nadere invulling van de genoemde beleidsmaatregelen vindt plaats in de implementatiefase en zal grotendeels zijn beslag krijgen in het implementatieplan. Als de definitieve wettelijke kaders significant afwijken van de huidige concept kaders en dit gevolgen heeft voor de gedane beleidsvoorstellen, dan zal hier in het implementatieplan aandacht aan worden besteed. Ook is het mogelijk dat de beleidskaders uit het beleidsplan in de verdere uitwerking onwenselijk of onhaalbaar blijken. Ook dan zal een herijking van het beleid plaatsvinden welke indien mogelijk in het implementatieplan wordt meegenomen. Voor de decentralisatie jeugdzorg zal het definitieve wettelijk kader worden verwerkt in het beleidsplan jeugdzorg dat uiterlijk in november 2014 in besluitvorming zal worden gebracht. Voor de Participatiewet zal ook een aparte notitie worden gewijd aan het beleid, waarbij ook het wettelijk kader wordt behandeld. Relatie met beleidsplan jeugdzorg Voortvloeiend uit de samenwerking in de regio Rotterdam-Rijnmond wordt naast dit beleidsplan voor de decentralisatie jeugdzorg een apart beleidsplan opgesteld. Dit beleidsplan jeugdzorg sluit nauw aan bij de beleidsvoorstellen zoals verwoord in dit beleidsplan. Relatie met Startnotitie Participatiewet Een andere decentralisatie wordt gevormd door de Participatiewet. De gemeenten op Voorne-Putten werken hierbij nauw samen en daarom zal er op deze schaalgrootte een startnotitie worden opgesteld. Ook hier zal een nauwe beleidsmatige link worden gelegd met dit beleidsplan. Relatie met Passend Onderwijs De samenwerkingsverbanden van het primair en het voortgezet onderwijs hebben middels de Wet Passend Onderwijs de verplichting om ondersteuningsplannen op te stellen. Deze plannen geven aan hoe de scholen voor elk kind passend onderwijs willen realiseren. De gemeenten en samenwerkingsverbanden trekken hierbij samen op, onder andere door de link met de decentralisatie jeugdzorg. In het eerste kwartaal 2014 zullen deze plannen afgerond worden, waarbij een link zal worden gelegd met de visie uit dit beleidsplan. Geen apart beleidsplan voor decentralisatie AWBZ Voor de decentralisatie van taken uit de AWBZ naar de Wmo zal geen apart beleidsplan worden opgesteld. Hier is voor gekozen omdat de lokale component hier zeer groot is. Het onderhavige beleidsplan bevat alle benodigde beleidsvoorstellen om deze decentralisatie adequaat te kunnen implementeren. Beslispunt 1– Het beleidsplan ‘De krachten gebundeld’ wordt als kader voor de ontwikkeling en uitvoering van beleid op de domeinen Zorg, Jeugd en Participatie voor de periode van 2014-2017 vastgesteld. 1.3.Transitie en transformatie sociaal domein Het beleidsplan heeft een looptijd van vier jaar. Met dit beleidsplan schetsen de gemeenten Hellevoetsluis en Westvoorne de gezamenlijke toekomstvisie voor het sociaal domein. De eerste prioriteit is het goed vormgeven van de transitie van taken om de continuïteit van zorg en ondersteuning te borgen. Tegelijkertijd hebben wij de ambitie het sociaal domein te transformeren. Zoals in de volgende hoofdstukken duidelijk zal worden, verwachten we meer van de eigen kracht van de inwoners, willen we veel meer gaan sturen op resultaat en willen we dat aanbieders zich veel meer gaan richten op participatie en ondersteuning dichtbij huis. Dit is een proces van transformatie waar een langere tijd voor nodig is om dit te kunnen realiseren. 1.4.Procesbeschrijving Dit beleidsplan is het resultaat van diverse ambtelijke en bestuurlijke bijeenkomsten. Ook is de input van aanbieders en welzijnsinstellingen verwerkt. Spoorboekje gemeente Hellevoetsluis en workshops In april 2013 heeft gemeente Hellevoetsluis een spoorboekje opgesteld voor de implementatie van de drie decentralisaties. Het spoorboekje benoemde de benodigde processtappen. In het spoorboekje werden diverse thema’s benoemd die verder uitgediept moesten worden. In juni 2013 is hier een grote ambtelijke bijeenkomst voor georganiseerd, waar ook ambtenaren van Brielle en Westvoorne aanwezig waren. Werkgroepen Een aantal vraagstukken speelt bij elke decentralisatie. Voorbeelden hiervan zijn vragen rondom het toekomstig aanbod van hulp en ondersteuning, sturing, toegang, financiën, inkoop en automatisering. Het spoorboekje en de workshops resulteerden erin dat Brielle, Hellevoetsluis en Westvoorne in drie werkgroepen de inhoudelijke bouwstenen voor dit beleidsplan hebben ontwikkeld. Dit is gebeurd in drie werkgroepen: ‘toegang en zorgcoördinatie’, ‘aanbod en arrangementen’ en ‘financiën en inkoop’. Marktconsultatie De gemeenten op Voorne vinden het heel belangrijk om het perspectief van aanbieders van zorg en ondersteuning mee te nemen in het beleid rondom de drie decentralisaties. Om deze reden is een marktconsultatie uitgevoerd. Het doel van de marktconsultatie is het vergaren van inzichten en perspectieven van aanbieders die meegenomen kunnen worden in dit beleidsplan voor de transities binnen het sociale domein. De marktconsultatie gaf input voor zowel toegang, zorgcoördinatie, vorming van het aanbod als voor wijze van bekostiging. Deze opbrengsten zijn verwerkt in de diverse inhoudelijke hoofdstukken. Bijlage 1 geeft een samenvatting van de marktconsultatie. Bijeenkomst aanbieders Naast de uitgevoerde marktconsultatie is in november 2013 een bijeenkomst georganiseerd waar aanbieders input hebben gegeven over concrete thema’s. Hierbij kwamen onder andere het screeningsinstrument, de wijze van het inzetten van eigen kracht van inwoners en de wijze van bekostiging aan bod. De input van deze bijeenkomst is verwerkt in de inhoudelijke hoofdstukken. Hellevoetsluis - Informatiebijeenkomsten gemeenteraad en adviesraden Vanaf 2011 zijn er diverse klankbordbijeenkomsten georganiseerd voor een afvaardiging vanuit de raadscommissie ZWO, de Hellevoetse Jongerenraad en de Adviesraad Welzijn. In 2013 zijn vervolgens diverse informatiebijeenkomsten georganiseerd voor de gemeenteraad, de raadscommissies en de drie adviesraden. Naast de informerende functie van deze bijeenkomsten, werd in deze bijeenkomsten ook input voor dit plan gegeven. Westvoorne – Informatieavonden gemeenteraad Vanaf begin 2012 zijn er diverse bijeenkomsten georganiseerd, zoals informatiebijeenkomsten in het kader van de overgang AWBZ naar Wmo en op het gebied van decentralisatie jeugdzorg. De Adviesraad Wet maatschappelijke ondersteuning & sociale zaken en Jeugdraad zijn ook betrokken. Vanaf de zomer 2013 staan de decentralisaties maandelijks op de agenda in de raadscommissie Inwonerszaken. Beleidsplan Eindresultaat van de bovenstaande stappen is dit beleidsplan drie decentralisaties 2014-

  1. De in dit plan genoemde ambities en doelstellingen bouwen voort op de eerder vastgestelde Wmo- beleidsplannen ‘Eigen kracht, samen sterk’ (Hellevoetsluis) en ‘Iedereen telt‘ (Westvoorne). 1.5.Vervolg Dit beleidsplan geeft de kaders weer voor de aanpak van de drie decentralisaties. In 2014 dienen nog heel veel zaken verder te worden uitgewerkt. Dit beleidsplan geeft voor een aantal onderwerpen hiervoor een eerste aanzet, maar de meeste onderwerpen blijven in dit plan logischerwijs nog onderbelicht. Na de besluitvorming over dit beleidsplan zal de implementatiefase starten. Hiervoor zal een implementatieplan worden opgesteld. In het implementatieplan zal aandacht bestaan voor de gevolgen van dit beleidsplan voor onder andere ambtelijke capaciteit, de ICT, het inkoopproces en de communicatie. Ook zal in het implementatieplan uitgebreid aandacht worden besteed aan kwaliteitsborging- en bewaking, de invulling van het klachtrecht en de vormgeving van cliëntparticipatie, een vertrouwenspersoon en een medezeggenschapsraad. In de implementatiefase zal ook worden ingegaan op de wijze waarop de raad de monitorende rol kan vervullen en over hoe de aanbieders aan de gemeenten verantwoording dienen af te leggen over hun resultaten. 1.6.Leeswijzer Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de drie decentralisaties, inclusief de wijze waarop gemeenten Hellevoetsluis en Westvoorne hierbij met andere gemeenten samenwerken. Hierbij wordt ook ingegaan op de verschillende doelgroepen per decentralisatie, de bijbehorende budgetten en het huidige zorggebruik. Hoofdstuk 3 benoemt de uitgangspunten die gehanteerd worden voor de transitie en transformatie van het sociale domein. Hierbij is specifieke aandacht voor de nieuwe verhoudingen tussen de gemeenten, de aanbieders en de inwoners. Hoofdstuk 4 betreft de voorgestelde transformatie van het aanbod. Hoofdstuk 5 gaat in op hoe we de toegang willen organiseren. Hoofdstuk 6 gaat in op de nu beschikbare informatie rondom financiën Hoofdstuk 7 benoemt de diverse opties voor wat betreft bekostiging en inkoop en doet hierbij een voorstel. Hoofdstuk 8 geeft ten slotte een samenvatting, een overzicht van de diverse beslispunten en blikt vooruit. Er zijn negen bijlagen. Bijlage 1 bevat een samenvatting van de uitgevoerde marktconsultatie. Bijlage2 geeft een schematisch overzicht van de huidige verdeling van verantwoordelijkheden in het sociaal domein en de toekomstige. Bijlage 3 gaat in op de nieuwe doelgroepen vanuit de AWBZ, inclusief een beschrijving van de grondslagen. Bijlage 4 geeft een overzicht van de nieuwe gemeentelijke doelgroepen voortkomend uit de decentralisatie jeugdzorg. Bijlage 5 geeft de wijze van samenwerking weer. Bijlage 6 geeft een overzicht van de huidige en nieuwe producten. Bijlage 7 bevat een overzicht van de voor- en nadelen van de verschillende bekostigingsvormen. Bijlage 8 geeft een overzicht van het besluitvormingstraject. Bijlage 9 bevat een afkortingenlijst. 1.7.Samenvatting en beslispunten De komende jaren krijgt de gemeente er een aantal grote taken bij in het sociaal domein: de volledige jeugdhulp, de extramurale begeleiding uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en de taken voortvloeiend uit de Participatiewet. Met deze overheveling van taken en bevoegdheden van de Rijksoverheid naar de gemeente worden wij als gemeenten verantwoordelijk voor vrijwel de gehele maatschappelijke ondersteuning van onze inwoners, van jong tot oud. Dit beleidsplan schetst de toekomstvisie van gemeenten Hellevoetsluis en Westvoorne op het sociaal domein. Hierbij wordt in eerste instantie ingezet op transitie en vervolgens op transformatie. Dit beleidsplan vormt de komende jaren de kapstok voor het gehele sociale domein. Momenteel is de wettelijke basis van elk van de drie decentralisaties nog niet definitief. Het is daarom mogelijk dat het nodig blijkt het beleidsplan tussentijds bij te stellen. Na vaststelling van dit beleidsplan zal een implementatieplan worden opgesteld met daarin specifieke aandacht voor de gevolgen van de decentralisaties op de ambtelijke organisatie. Beslispunt
  2. Het beleidsplan ‘De krachten gebundeld’ wordt als kader voor de ontwikkeling en uitvoering van beleid op de domeinen Zorg, Jeugd en Participatie voor de periode van 2014-2017 vastgesteld. 2.Beschrijving decentralisaties Voordat de inhoudelijke beleidslijnen uiteen worden gezet, geeft dit hoofdstuk een typering per decentralisatie en er wordt ingezoomd op de intergemeentelijke samenwerking. Bijlage 2 geeft een schematische weergave van de huidige en nieuwe taken van de gemeente op het gebied van AWBZ/Wmo en jeugd. 2.1.Decentralisatie AWBZ naar de Wmo 2.1.1 Invoering Wet Langdurige Intensieve Zorg (‘kern-AWBZ’) In het toekomstige stelsel van langdurige zorg is sprake van een zogenaamde ‘kern-AWBZ’, gevormd door de wet Langdurige Intensieve Zorg (LIZ). De wet LIZ dient op 1 januari 2015 in werking te treden. De wet is bestemd voor kwetsbare mensen (volwassenen en kinderen) die vanwege de zwaarte en ernst van hun beperkingen niet (meer) in staat zijn in de thuisomgeving te wonen. De wet maakt het mogelijk om gebruik te maken van een combinatie van zorg, bescherming en veiligheid aan kwetsbare mensen waarbij sprake is van (soms volledig) regieverlies. Doelstelling van de wet is zorgdragen voor een goede kwaliteit, toegankelijkheid en beschikbaarheid van deze 24-uurs intramurale zorg voor de meest kwetsbaren. De wet belegt de verantwoordelijkheid voor dit type zorg op rijksniveau. De wet LIZ kent een strikte afbakening ten opzichte van voorliggende wetten als de Wmo en de Zorgverzekeringswet (Zvw). De indicatiestelling blijft in handen van het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ). Dit orgaan bepaalt of een recht op zorg bestaat en welke zorgzwaarte een cliënt heeft. Mensen die aanspraak kunnen maken op de wet LIZ zijn volwassenen en kinderen onder de 18 jaar2Een deel van de intramurale zorg aan kinderen wordt ondergebracht in de Jeugdwet. Een uitzondering wordt gemaakt voor intensieve verblijfszorg die in de kern-AW BZ beschikbaar blijft voor kinderen onder de 18 jaar.Het gaat hierbij om ZZP LG 2 en 4-7; ZZP VG 4-8; ZZP ZG auditief en/of visueel (ZZP 2 en hoger); ZZP SGLVG. met ofwel cognitieve beperkingen en/of gedragsproblemen (met niet of nauwelijks eigen regie en overzicht) ofwel dusdanige fysieke beperkingen hebben waardoor zij niet in staat zijn (tijdig) om hulp te vragen en dagelijks meerdere keren ongeplande zorg nodig hebben. De mogelijkheden om de zorg in de eigen omgeving vorm te geven met hulp van het sociale netwerk, de Wmo, Zvw of de Jeugdwet zijn niet (meer) voldoende, verantwoord en doelmatig. Deze cliënten zijn daarom aangewezen op een veilige, beschermende woonomgeving waar een samenhangend pakket van zorg wordt geleverd en permanent toezicht gehouden wordt, omdat de cliënt een gevaar voor zichzelf en anderen vormt en niet (meer) in staat is hulp in te roepen. Gevolgen voor gemeenten van het inzetten op langer zelfstandig thuis wonen Het aantal cliënten dat aanspraak maakt op de wet LIZ zal veel kleiner zijn dan het aantal cliënten dat nu vanuit de AWBZ aanspraak maakt op intramurale zorg. Dit is het gevolg van het inzetten op langer zelfstandig thuis wonen. Dit betekent dat bepaalde groepen mensen die voorheen aanspraak konden maken op intramuraal wonen, straks langer thuis blijven wonen en daar gebruik maken van zorg uit de (nieuwe) Wmo, de Zorgverzekeringswet en de Jeugdwet. Deze beweging is al ingezet per 1 januari 2013 omdat sinds die datum cliënten die voor het eerst een indicatie aanvragen voor één van de lichtste zorgzwaartepakketten (1 en 2), al geen recht meer hebben op het ontvangen van deze zorg in een intramurale setting. Naar verwachting gaat het in heel Nederland uiteindelijk om minder dan 200.000 mensen die gebruik maken van de wet LIZ. Dit aantal is in het begin (veel) hoger, omdat bestaande cliënten hun recht op verblijf in een instelling behouden. Dit betekent ook dat de effecten voor gemeenten in het begin nog niet zo groot zijn; alleen nieuwe cliënten die voor het eerst een indicatie aanvragen voor intramurale zorg moeten – als zij volgens het CIZ niet aan de nieuwe criteria voldoen – bij de gemeente aankloppen voor hulp. Op termijn zullen meer en meer mensen zich richten tot de gemeente, omdat zij een beroep doen op de Wmo in plaats van de LIZ. 2.1.2 Overheveling extramurale begeleiding van AWBZ naar Wmo Per 2015 worden de functies extramurale begeleiding (dagbesteding en individuele begeleiding) en kortdurend verblijf (incl. het bijbehorende vervoer) geschrapt uit de AWBZ en overgeheveld naar het gemeentelijke domein3Bijlage 3 geeft een overzicht van de huidige doelgroepen (grondslagen) en activiteiten.. Gemeenten krijgen circa 75% van het budget hiervoor. Dagbesteding betreft activiteiten die zowel residentieel als ambulant kunnen zijn en een recreatief of therapeutisch karakter hebben. Individuele begeleiding is bedoeld om de zelfredzaamheid te versterken of te behouden en kan gericht zijn op diverse leefgebieden. Zoals de maatregel nu is uitgewerkt gaan bestaande en nieuwe cliënten op hetzelfde moment over naar de (aangepaste) Wmo. Wel is er mogelijk sprake van een overgangsrecht voor bestaande cliënten. Bij kortdurend verblijf logeert iemand kort in een instelling, bijvoorbeeld een verpleeghuis of verzorgingshuis omdat een cliënt behoefte heeft aan zorg met permanent toezicht. Dit kan ook dienen ter ontlasting van de mantelzorger. Vervoer betreft het bijbehorende vervoer/de vervoerskosten bij de gedecentraliseerde extramurale functies begeleiding en kortdurend verblijf. 2.1.3 Begeleiding bij dagelijkse levensverrichtingen van AWBZ naarWmo Per 2015 kunnen mensen geen aanspraak meer maken op de extramurale functie persoonlijke verzorging vanuit de AWBZ4Bijlage 3 geeft een overzicht van de huidige doelgroepen (grondslagen) en activiteiten.. Oorspronkelijk was het voornemen van de Rijksoverheid om gemeenten verantwoordelijk te maken voor het organiseren van deze vorm van zorg voor mensen die dit nodig hebben. Op basis van een kamerbrief van staatssecretaris Van Rijn en een aanvullend akkoord tussen het Kabinet en de Vereniging Nederlandse Gemeenten is dit inmiddels teruggedraaid. In de nieuwe Wmo komt geen verantwoordelijkheid voor Persoonlijke Verzorging met verwijzing naar specifieke doelgroepen of grondslagen. In plaats daarvan wordt de huidige functie Persoonlijke Verzorging overgeheveld naar de Zorgverzekeringswet en vormgegeven middels een aanspraak ‘Wijkverpleging’. Het gaat om de Persoonlijke Verzorging welke verband houdt met fysieke beperkingen en vaak in samenhang met verpleging geboden wordt. Gemeenten worden wel verantwoordelijk voor begeleiding bij dagelijkse levensverrichtingen. Deze vorm van begeleiding sluit inhoudelijk aan bij de over te hevelen functie Begeleiding. Gemeenten ontvangen hiervoor een bedrag ter hoogte van 5% van het landelijke budget voor Persoonlijke Verzorging. 2.1.4 Samenwerking tussen gemeenten en zorgverzekeraars:wijkverpleegkundigen in wijkteams De samenwerking tussen gemeenten en zorgverzekeraars wordt vastgelegd in de toelichting op het Besluit Zorgverzekeringwet (Zvw). In de toelichting op de aanspraak ‘Wijkverpleging’ (zie ook 2.1.3.) wordt vastgelegd dat elk gemeentelijk wijkteam kan beschikken over de functie wijkverpleegkundige. In de aanspraak en toelichting worden de preventieve, signalerende, coördinerende en overlegfuncties van de wijkverpleegkundige beschreven. Het beschikbare budget voor de deelname van wijkverpleegkundigen aan wijkteams en de bijbehorende werkzaamheden wordt geoormerkt in de bekostigingssystematiek tussen Rijk en zorgverzekeraars. Dit betekent dat zorgverzekeraars en gemeenten afspraken moeten maken over de gewenste inzet van de wijkverpleegkundige en de afstemming tussen zorg en maatschappelijke ondersteuning in de wijk. Aanvullend hierop heeft het ministerie van VWS toegezegd om middelen beschikbaar te stellen voor de implementatie van sociale wijkteams5Dit is een bedrag van € 7 miljoen in 2014 dat oploopt tot structureel € 50 miljoen in 2017.. 2.1.5 Overheveling (middelen voor) cliëntondersteuning De middelen voor cliëntondersteuning worden op dit moment vanuit de AWBZ jaarlijks aan MEE verstrekt, die deze taak landelijk uitvoert. Per 2015 zullen de middelen voor cliëntondersteuning echter overgeheveld worden naar gemeenten. Vanaf dat moment zullen gemeenten, wanneer de situatie daar om vraagt en/of een inwoner dit wenst, een integraal vraagverhelderend gesprek aan moeten gaan met mensen die maatschappelijke ondersteuning nodig hebben. De inzet van mantelzorg en het sociale netwerk moet hierbij meegenomen worden. Gemeenten hebben dan de taak om van tevoren uit te zoeken of een cliënt in staat is om zelfstandig een dergelijk gesprek te kunnen voeren. Wanneer dit niet het geval blijkt, voorziet de gemeente zelf in cliëntondersteuning. 2.1.6 Overheveling niet op behandeling gericht verblijf voor mensen met psychiatrische problemen Gemeenten worden in 2015 waarschijnlijk verantwoordelijk voor de ondersteuning/begeleiding van mensen met psychiatrische problemen in een beschermende woonomgeving, wanneer de zorg primair op begeleiding is gericht (en er niet of nauwelijks behandeling geboden wordt). Ook het bieden van de woonomgeving aan deze doelgroep wordt een taak van gemeenten. De bijbehorende budgetten worden volledig overgeheveld. Vooralsnog is de bedoeling om de verantwoordelijkheid bij de centrumgemeenten te beleggen, zodat zij de mogelijkheid hebben om een integraal OGGZ+ beleid te voeren. Dit betekent dat regiogemeenten zoals Hellevoetsluis en Westvoorne geen formele zeggenschap hebben in de vormgeving van deze zorg. 2.1.7 Overheveling inloopfunctie GGZ Gemeenten worden verantwoordelijk voor het creëren van de voormalige inloopfunctie GGZ als laagdrempelige voorziening. De huidige inloop GGZ is een laagdrempelige voorziening waar mensen met een psychisch of psychiatrisch probleem zonder indicatie terecht kunnen voor activiteiten, sociale contacten, informatie en advies. 2.1.8 Inperking van huishoudelijke hulp Met ingang van 2015 worden de aanspraken op huishoudelijke hulp vervangen door een maatwerkvoorziening voor mensen die het echt nodig hebben en er zelf (financieel) niet in kunnen voorzien. Gemeenten houden 60% van het budget om breed in te zetten voor ondersteuning van inwoners. Het is nog onduidelijk in hoeverre gemeenten zelf de (inkomens)criteria kunnen bepalen waaraan een inwoner moet voldoen om nog voor huishoudelijke hulp in aanmerking te komen. De aanspraak op huishoudelijke hulp in 2014 blijft bestaan, maar hiervoor zal ook een bijdrage van gemeenten gevraagd worden in de dekking van de kosten. 2.2.Decentralisatie jeugdzorg Het stelsel van jeugdhulp is erop gericht dat ieder kind gezond en veilig opgroeit en zo zelfstandig mogelijk kan deelnemen aan het maatschappelijk leven, rekening houdend met zijn of haar ontwikkelingsniveau. Ouders zijn hiervoor het eerste verantwoordelijk. Als dit niet vanzelf gaat, komt de overheid in beeld. Dan moet het jeugdstelsel snel, goed en op maat functioneren. Deze inzet vloeit ook voort uit het VN-Verdrag over de rechten van het kind. Omdat het huidige jeugdstelsel verschillende tekortkomingen laat zien, is een omslag (transformatie) nodig die leidt tot: Preventie en uitgaan van eigen kracht van jeugdigen, ouders en het sociale netwerk; Minder snel medicaliseren, meer ontzorgen en normaliseren; Eerder (jeugd)hulp op maat voor kwetsbare kinderen; Integrale hulp met betere samenwerking rond gezinnen: één gezin, één plan, één regisseur; Meer ruimte voor jeugdprofessionals en vermindering van regeldruk. In het nieuwe jeugdstelsel worden gemeenten verantwoordelijk voor alle vormen van jeugdhulp (dus inclusief specialistische hulp zoals jeugd-ggz, jeugd-vb en gesloten jeugdhulp in het kader van ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen), de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Door de decentralisatie zijn gemeenten beter in staat om - afgestemd op de lokale situatie – maatwerk te leveren en verbinding te leggen met zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen, sport en veiligheid. Door ontschotting van budgetten wordt betere samenwerking rond gezinnen mogelijk. Als gemeente staan we voor de volgende opgaven: Het voorzien in een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod; Het opstellen van een beleidsplan voor preventie, ondersteuning, hulp en zorg bij opgroei- en opvoedingsproblemen en psychische problemen en stoornissen; Het treffen van een voorziening op het gebied van jeugdhulp (jeugdhulpplicht, vergelijkbaar met de compensatieplicht Wmo) als jeugdigen en hun ouders het niet op eigen kracht redden; De uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering; Het voorzien in maatregelen ter voorkoming van kindermishandeling; De regie over de gehele jeugdketen en de afstemming met overige diensten op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen, sport en veiligheid. Om de doelstellingen voor het nieuwe jeugdstelsel te halen, is het belangrijk dat de toegang tot de jeugdhulp door gemeenten goed vormgegeven wordt. Bij het organiseren van de toegang gaat elke gemeente uit van de volgende uitgangspunten: Organiseren van herkenbare en laagdrempelige toegang tot jeugdhulp; Waarborgen dat passende hulp tijdig wordt ingezet en dat de juiste expertise beschikbaar is; Voorzien in een consultatiefunctie voor professionals die werken met jeugdigen; Mogelijk maken van directe interventie in crisissituaties; Bij complexe hulpvragen of wanneer de veiligheid van het kind in het geding is, zo snel mogelijk specialistische hulp inschakelen of een verzoek tot onderzoek door de raad voor de kinderbescherming overwegen; Kosteloos en anoniem advies beschikbaar stellen voor jeugdigen met vragen over opgroeien en opvoeden (kindertelefoon). Ondersteuning wordt zoveel mogelijk in de eigen omgeving van het kind en het gezin geboden. De uitgangspunten van eigen kracht en één gezin, één plan, één regisseur staan hierbij centraal. Door middel van een gesprek met de jongere, de ouders en het sociale netwerk zal in beeld gebracht worden wat de hulpvraag is en of en op welke manier de eigen kracht van de jeugdige, het gezin en het sociale netwerk kan worden ingezet. Als zij het probleem niet zelf kunnen oplossen, wordt bekeken welke jeugdhulp het meest passend is. Het kind en zijn ouders zijn daarbij het uitgangspunt. De professional dient de afweging te kunnen maken of de hulpvraag van het gezin voldoende is om de veiligheid van het kind te garanderen.6Bron: Hoofdlijnen wetsvoorstel Jeugdwet, Ministerie VW S, september
  3. De huisarts behoudt met de decentralisatie jeugdzorg zijn rol als doorverwijzer naar jeugd-ggz. Gemeenten maken op landelijk en lokaal niveau afspraken met huisartsen over inzet van deze artsen en doorverwijzing naar jeugdhulp. 2.3.Participatiewet De regering heeft de ambitie om iedereen in staat te stellen als volwaardig inwoner mee te doen en bij te dragen aan de samenleving. Voor de meeste mensen is meedoen vanzelfsprekend; zij hebben een baan, kunnen voorzien in hun eigen levensonderhoud en zijn ook op andere manieren maatschappelijk actief. Voor andere mensen is volwaardig meedoen een grotere opgave. De regering gaat zo veel mogelijk uit van de eigen kracht van mensen en biedt ondersteuning waar dit nodig is. Het wetsvoorstel voor de Participatiewet is op deze uitgangspunten gebaseerd. Participatie, bij voorkeur via werk, zorgt voor sociale, economische en financiële zelfstandigheid, draagt bij aan het gevoel van eigenwaarde en levert een bijdrage aan de sociale cohesie en de economie. De regering streeft ernaar om te komen tot een inclusieve arbeidsmarkt. Een arbeidsmarkt die plaats biedt voor jongeren en ouderen en voor mensen met en zonder beperking. De doelstelling van de Participatiewet is om iedereen met arbeidsvermogen naar werk toe te leiden, bij voorkeur naar regulier werk. De Participatiewet draagt zo bij aan de ambitie van het kabinet om zoveel mogelijk mensen mee te laten doen aan de maatschappij. De doelgroep van de wet zijn mensen met arbeidsvermogen die zijn aangewezen op, al dan niet tijdelijke, ondersteuning om in hun bestaan te voorzien en/of op ondersteuning om aan het werk te komen. In de huidige situatie bestaan er voor mensen met arbeidsvermogen verschillende regelingen: de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong), de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) en de Wet werk en bijstand (WWB). Deze regelingen kennen verschillende rechten en plichten ten opzichte van elkaar wat verwarring schept. Bovendien zijn de regelingen te weinig activerend. De regering vindt deze situatie ongewenst. Met de Participatiewet7De beschrijving van de Participatiewet is gebaseerd op de vierde nota van wijziging op het wetsvoorstel Invoeringswet W et werken naar vermogen. voert de regering het principe van één regeling consequent door voor iedereen die in staat is om te werken, ook de mensen met een arbeidsbeperking, die daarvoor aangewezen zijn op ondersteuning. Voor iedereen uit deze doelgroep gaan dezelfde rechten en plichten gelden. Jongeren met een arbeidsbeperking maar met arbeidsmogelijkheden komen niet langer in de Wajong terecht, maar horen tot de doelgroep van de Participatiewet. Mensen die nu al een Wajonguitkering hebben, worden beoordeeld op arbeidsvermogen. Als zij arbeidsvermogen hebben en zijn aangewezen op ondersteuning, behoren zij tot de doelgroep van de Participatiewet. De Wajong blijft bestaan voor mensen die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben. UWV blijft de Wajong uitvoeren. De regering heeft ervoor gekozen om het zittend bestand te beoordelen op arbeidsvermogen en de mensen met arbeidsvermogen zo veel mogelijk te laten werken. De mensen met arbeidsvermogen zullen gefaseerd onder de Participatiewet komen te vallen. De Wsw wordt met ingang van 1 januari 2015 afgesloten voor nieuwe instroom. Voor sommige mensen zal het ook vanaf die datum nodig blijven om in een beschutte werkomgeving te werken. Mensen die (nog) niet in een reguliere baan kunnen werken, kunnen op basis van de Participatiewet in een beschutte werkomgeving aan de slag. De Wsw blijft bestaan voor de mensen die nu al in de Wsw werkzaam zijn. Mensen die op 31 december 2014 in een Wsw-dienstbetrekking werken, houden hun wettelijke rechten en plichten. De regering geeft gehoor aan de bezwaren van gemeenten en de sociale-werkvoorzieningsector tegen het tempo waarin de efficiencyverbetering zou worden doorgevoerd in het wetsvoorstel WWNV. De Participatiewet verdubbelt de termijn die gemeenten en de sector daarvoor hebben van drie naar zes jaar. Daarmee krijgen gemeenten de tijd om de noodzakelijke transitie van de uitvoering van de Wsw op een verantwoorde manier door te voeren. De beoogde invoeringsdatum van de Participatiewet is 1 januari
  4. Vanaf deze datum bestaat de WWB niet meer onder deze naam, maar wordt deze opgenomen in de Participatiewet. Gemeenten krijgen een centrale rol in de uitvoering van de wet. Zij kunnen voor de doelgroep een scala aan instrumenten en voorzieningen inzetten. Gemeenten krijgen daarmee meer mogelijkheden om ondersteuning op maat te leveren. 2.4.Passend Onderwijs Op 1 augustus 2014 treedt de Wet Passend Onderwijs in werking. De samenwerkingsverbanden8Scholen werken samen in regionale samenwerkingsverbanden. Dit zijn er in totaal 76 voor het primair onderwijs en 74 voor het voortgezet onderwijs. De samenwerkingsverbanden voor Hellevoetsluis en W estvoorne zijn georganiseerd op de schaalgrootte Voorne-Putten. krijgen dan een zorgplicht. Dat betekent dat zij ervoor verantwoordelijk zijn om elk kind een goede onderwijsplek te bieden. Om dit te bewerkstelligen hebben de samenwerkingsverbanden de wettelijke taak gekregen een ondersteuningsplan op te stellen. In het ondersteuningsplan leggen zij vast hoe het passend onderwijs voor elk kind wil realiseren. Over deze ondersteuningsplannen dienen de samenwerkingsverbanden en gemeenten te overleggen (een op overeenstemming gericht overleg). Hoewel het maken van een ondersteuningsplan een verantwoordelijkheid is van het onderwijs, heeft het plan gevolgen voor de gemeenten, bijvoorbeeld rondom onderwijshuisvesting, leerlingenvervoer en leerplicht. Er zijn ook inhoudelijke verbanden met de decentralisatie jeugdzorg en de koppeling onderwijs en zorg. De gemeenten en de schoolbesturen hebben immers een zorgplicht voor dezelfde kinderen. Afstemming en gezamenlijke afspraken zijn van groot belang. De gemeenten en samenwerkingsverbanden op Voorne-Putten trekken daarom samen op in het opstellen van de ondersteuningsplannen. Deze ondersteuningsplannen zullen voor twee jaar worden vastgesteld. In het eerste half jaar 2014 zal hierover een collegeadvies worden opgesteld. Er is een directe link met Passend Onderwijs en de decentralisatie jeugdzorg. Toch wordt Passend Onderwijs in dit stuk verder buiten beschouwing gelaten omdat de gemeente bij Passend Onderwijs niet de regievoerende aanbieder is. De koppeling zal plaatsvinden in de ondersteuningsplannen. 2.5.Beschrijving nieuwe doelgroepen Deze paragraaf geeft een beschrijving van de nieuwe doelgroepen, benoemt de bijbehorende macrokosten en gaat in op het zorggebruik. De cijfers worden hierbij gepresenteerd volgens de nieuwe wettelijke indeling met een splitsing tussen de vernieuwde Wmo en de Jeugdwet. De AWBZ-cijfers voor jongeren zijn dus meegenomen in de tabellen rondom de jeugdzorg, aangezien deze doelgroep per 1 januari 2015 onder de Jeudgwet zullen vallen. De cijfers die worden gepresenteerd rondom de decentralisatie AWBZ hebben alleen betrekking op volwassenen. 2.5.1 AWBZ/Wmo Met de decentralisatie van een deel van de AWBZ naar de Wmo krijgen de gemeenten Hellevoetsluis en Westvoorne te maken met een nieuwe doelgroep die deels onbekend is voor gemeenten. Deze paragraaf geeft op hoofdlijnen inzicht in de omvang van deze doelgroep. Afgegeven indicaties In de tabel hieronder is het totale aantal unieke indicaties weergegeven voor de functies Begeleiding en Kortdurend Verblijf gezamenlijk
  5. Bij het product begeleiding gaat het in een groot deel van de gevallen om mensen met een psychiatrische aandoening. Het aantal cliënten met een indicatie voor Persoonlijke Verzorging die feitelijk betrekking heeft op begeleiding bij dagelijkse levensverrichtingen is niet bekend, dus is niet in de tabel opgenomen. Tabel 2.1: Unieke indicaties volwassenen op 1-1-2013 per productgroep voor de decentralisatieAWBZ Product Unieke indicaties Hellevoetsluis Unieke indicaties Westvoorne Begeleiding (BGG+BGI+KVB) 285 85 Kosten Voor de gemeente Hellevoetsluis gaat er in de Begeleiding van volwassenen om totale kosten vanruim € 3,3 miljoen. Voor de gemeente Westvoorne gaat het om ruim € 1,1 miljoen. Voor begeleiding bij dagelijkse levensverrichtingen zullen gemeenten 5% van de huidige kosten voor Persoonlijke Verzorging ontvangen. Om die reden is in tabel 2.1 uitgegaan van 5% van de totale kosten. Tabel 2.2: Kosten 2011/2012 volwassenen per product voor de decentralisatie AWBZ Product Kosten Hellevoetsluis Kosten Westvoorne Begeleiding groep (inclusief vervoer) (BGG) € 1.458.561 € 598.526 Begeleiding individueel (BGI) € 1.826.252 € 527.929 Kortdurend verblijf (KVB) € 63.171 € 38.665 Totaal Begeleiding € 3.347.984 € 1.165.120 Persoonlijke verzorging (PV) 5% € 244.759 € 175.815 Totaal € 3.592.743 € 1.340.935 Bron: Vektis databestanden Hellevoetsluis, totale kosten (kosten PGB 2011 en ZIN 2012) 2.5.2 Jeugdzorg De gemeenten op Voorne-Putten hebben gezamenlijk gezorgd voor een analyse van de nieuwe doelgroepen en financiering met betrekking tot de decentralisatie jeugdzorg. Deze ‘financiële jeugdstaat’ is voor Hellevoetsluis en Westvoorne als aparte bijlage aan dit beleidsplan toegevoegd (bijlage 4). Deze paragraaf geeft op hoofdlijnen inzicht in de nieuwe doelgroepen, het aantal cliënten en de huidige kosten. Nieuwe doelgroepen De nieuwe doelgroepen van de gemeente door de decentralisatie jeugdzorg zijn te onderscheiden in drie zorgdomeinen. Ten eerste wordt het begrip geïndiceerde jeugdzorg gebruikt waarin zowel de huidige taken van Bureau Jeugdzorg als de Jeugd- en Opvoedhulp wordt verstaan. Bureau Jeugdzorg heeft in de huidige organisatie diverse taken: toegang, taken rondom jeugdbescherming en jeugdreclassering, voogdij en het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling. De indicaties die Bureau Jeugdzorg afgeven aan aanbieders zijn te ordenen naar ambulant, dagbehandeling, residentieel, pleegzorg en crisisopvang. Het tweede zorgdomein betreft de Jeugd-GGZ, waarbij een splitsing wordt gemaakt in eerstelijns psychologische zorg en tweedelijns gespecialiseerde GGZ. Het derde en laatste zorgdomein betreft de Jeugd-AWBZ. Het grootste gedeelte van de cliënten onder de 18 jaar dat nu gebruikmaakt van de AWBZ gaat vanaf 2015 onder de Jeugdwet vallen. Alleen de kinderen en jongeren met een zware intramurale indicatie blijven in de kern-AWBZ. Kosten en zorggebruik Onderstaande tabellen geven een globaal overzicht van de kosten en het aantal cliënten behorende bij de nieuwe gemeentelijke taken op het gebied van jeugdzorg. In bijlage 4 is een specificatie van tabel 2.3 opgenomen. Tabel 2.3: Kosten 2011 per zorgdomein voor de decentralisatie jeugdzorg* Zorgdomein Kosten 2011 Hellevoetsluis Kosten 2011 Westvoorne Geïndiceerde jeugdzorg (Bureau Jeugdzorg en Jeugd- en opvoedhulp) € 3.204.199 € 2.770.761 Geïndiceerde jeugdzorg (Bureau € 1.973.305 € 775.848 Jeugd-AWBZ9In de berekening van de huidige kosten voor Jeugd-AW BZ is uitgegaan van het voornemen van de regering om 5% van de persoonlijke verzorging over te hevelen naar gemeenten. € 1.685.381 € 333.629 Totaal € 6.862.885 € 3.880.238 * De kosten voor geïndiceerde jeugdzorg zijn voor Westvoorne relatief hoog. Dit is te verklaren door de locatie van jeugdzorgaanbieder Horizon waar residentiële jeugdzorg wordt aangeboden. Tabel 2.4: Aantal cliënten 2011 per zorgdomein voor de decentralisatie jeugdzorg Zorgdomein Aantal cliënten 2011 Hellevoetsluis Aantal cliënten 2011 Westvoorne Geïndiceerde jeugdzorg (Bureau Jeugdzorg en Jeugd-en opvoedhulp) 145 87 Jeugd-GGZ 1e lijns 81 35 Jeugd-GGZ 2e lijns 562 143 Jeugd-AWBZ extramuraal 42 7 Jeugd-AWBZ intramuraal 6 0 2.5.3 Participatiewet Beschrijving nieuwe doelgroepen Zoals eerder aangegeven zorgt de Participatiewet ervoor dat er één regeling komt voor iedereen die in staat is om te werken. Het huidige stelsel wordt zo minder complex en transparanter. Als gevolg hiervan zal het totaal aantal bijstandsgerechtigden worden aangevuld met een tweetal ‘nieuwe’ doelgroepen die gezamenlijk wettelijk verankerd worden in de Participatiewet. Ten eerste de Wsw. Gemeenten zijn reeds verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wsw. Deze groep is derhalve reeds bekend. Dit wordt mede veroorzaakt doordat een aantal Wsw’ers reeds een (aanvullende) bijstandsuitkering ontvangen. Met het sluiten van de Wsw zullen alle personen met een sw-indicatie die momenteel op de wachtlijst staan onder de verantwoordelijkheid van gemeenten komen te vallen door middel van de Participatiewet. Hetzelfde geldt voor de eventuele nieuwe aanwas. Er zal dus geen nieuwe instroom plaatsvinden. De Wsw’ers die reeds werkzaam zijn binnen het sw-bedrijf blijven hier werken. Voor deze bestaande groep wordt de Wsw afgebouwd middels natuurlijk verloop. De Wajongers vormen de tweede doelgroep. Aangezien de personen tot op heden volledig onder de verantwoordelijkheid van het UWV vallen, vormen zij wel echt een nieuwe doelgroep. Wajongers met een verdiencapaciteit zullen vanaf 2015 stapsgewijs over worden geheveld naar gemeenten. De verwachting is dat uiteindelijk 27% van de huidige Wajongers over zal gaan naar de gemeenten. Dit zal worden aangevuld met de jaarlijkse aanwas. De onderstaande tabel geeft de verschillen weer tussen de huidige en nieuwe situatie. Tabel 2.5: Overzicht nieuwe doelgroepen Participatiewet Huidige doelgroep en verantwoordelijkheid Nieuwe situatie Bijstandsgerechtigden. Verantwoordelijkheid gemeente door middel van de WWB. De wet vervalt per1 januari 2015 en gaat over in de Participatiewet. Geen wijziging in doelgroep voor het gemeentelijk beleid. Mensen met behoefte aan een beschutte werkomgeving. Verantwoordelijkheid gemeente door middel van de Wsw. Instroom voor de Wsw stopt per 1 januari
  6. Mensen die in een beschutte werkomgeving dienen te werken,vallen onder de Participatiewet. De personen die op 31 december 2014 middels een Wsw-dienstbetrekking werken, houden hun wettelijke rechten en plichten. Personen die voor hun achttiende levensjaar duurzaam beperkt/geen arbeidsvermogen hebben. Uitvoering door de UWV op basis van de Wajong. De Wajong blijft bestaan voor mensen die geen duurzaam arbeidsvermogen hebben (uitvoering door UWV). De mensen met arbeidsvermogen zullen onder de Participatiewet gaanvallen. Onduidelijkheid over middelen vanuit het Rijk en het aantal cliënten De concept wettekst van de Participatiewet is nog niet officieel openbaar gesteld en daardoor is er nog veel onduidelijk. Zo is nog onduidelijk welke effect de Participatiewet exact zal hebben op de gemeentelijke bestanden en het aantal cliënten. Om toch een beeld te geven van de financiële omvang van de Participatiewet wordt in hoofdstuk 6 een inschatting gemaakt van de verwachte budgetten die Hellevoetsluis en Westvoorne vanuit het Rijk zullen ontvangen voor (nieuwe) taken op het gebied van re-integratie en de Wsw. 2.6.Stapelingsmonitor Hellevoetsluis en Westvoorne Er is landelijk een stapelingsmonitor uitgevoerd waarvan de gegevens voor individuele gemeenten beschikbaar zijn10Stapelingsmonitor gemeente Hellevoetsluis en gemeente W estvoorne, via www.waarstaatjegemeente.nl. Hieruit wordt duidelijk hoeveel huishoudens van één of meerdere regelingen gebruik maken en welke regelingen dit zijn. De belangrijkste gegevens zijn hier weergegeven. Het betreft gegevens uit peiljaar
  7. Het gaat om het gebruik van regelingen over de termijn van het gehele jaar. De stapeling hoeft dus niet precies tegelijkertijd te zijn geweest maar kan ook volgtijdelijk zijn geweest binnen hetzelfde jaar. De cijfers hebben geen betrekking op de jeugdzorg. Gebruik regelingen In totaal maken in Hellevoetsluis 8815 huishoudens (50%) gebruik van één of meerdere regelingen op het Sociaal Domein. In Westvoorne zijn dit 2975 huishoudens (47%). Hieronder is voor de belangrijkste regelingen weergegeven hoeveel huishoudens hiervan gebruik hebben gemaakt in
  8. Hierin is nog niet de samenloop weergegeven. Tabel 2.6: Gebruik regelingen op huishoudenniveau Regeling Aantal Hellevoetsluis Aantal Westvoorne WSW indicatie 80 15 WWB 795 90 WW 1210 275 Wajong 355 85 WAO 950 270 WMO huishoudelijke verzorging 910 395 AWBZ groepsbege-leiding 100 40 AWBZ individuele begeleiding 185 70 Jeugd-GGZ (AWBZ)11Bron: KW IZ, peiljaar 2012 (niet openbaar). 44 11 Jeugdzorg12Bron: KW IZ, peiljaar 2012 (niet openbaar) 94 15 Jeugd-GGZ (Zvw)13Bron: KW IZ, peiljaar 2012 (niet openbaar) 19 1 Samenloop in gebruik van regelingen In het onderzoek zijn uiteenlopende regelingen meegenomen
  9. Hieronder is weergegeven hoe het gebruik van de huishoudens die van één of meer regelingen gebruik maken, is opgebouwd. Tabel 2.7.: Aantal regelingen per huishouden Aantal regelingen % Hellevoetsluis % Westvoorne Huishoudens met 1 regeling 42% 47% Huishoudens met2 regelingen 28% 27% Huishoudens met 3 regelingen 16% 13% Huishoudens met4 regelingen 8% 8% Huishoudens met 5 of meer regelingen 6% 5% De in het onderzoek betrokken regelingen zijn ingedeeld in vier overkoepelende clusters. Hieronder is het percentage huishoudens weergegeven dat van één of meer regelingen binnen een bepaald cluster gebruik maakt (gepercenteerd naar het totaal aantal huishoudens dat gebruik maakt van één of meerdere regelingen). Voorbeeld: van alle Hellevoetse huishoudens die gebruik maken van één of meer regelingen, maakt 39% gebruik van één of meer regelingen in het cluster Arbeidsparticipatie. Tabel 2.8: Gebruik regelingen per cluster Cluster % Hellevoetsluis % Westvoorne Welzijn & Zorg 15% 20% Arbeidsparticipatie 39% 25% Inkomensondersteuning 84% 85% Onderwijs 4% 4% Jeugd14Het cluster ‘Jeugd’ bestaat uit gegevens over gebruik van Jeugdzorg en Schoolmaatschappelijk W erk. Deze gegevens zijn niet in de Stapelingsmonitor meegenomen, maar zijn wel betrokken in een ander onderzoek dat de gemeenten hebben laten uitvoeren naar de samenloop in voorzieningengebruik. Dit is uitgevoerd door KW IZ. Deze cijfers zijn niet geheel vergelijkbaar met de cijfers van de Stapelingsmonitor. 8% 3% Vervolgens is nog een analyse gemaakt van de omvang van de samenloop per cluster. Met andere woorden: hoeveel procent van de huishoudens die gebruik maken van een bepaald cluster, maakt daarnaast gebruik van één of meer andere clusters? De resultaten zijn in de tabel hieronder weergegeven. Tabel 2.9: Omvang samenloop per cluster Cluster % Hellevoetsluis % Westvoorne Welzijn & Zorg 90% 93% Arbeidsparticipatie 60% 67% Inkomensondersteuning 40% 71% Onderwijs 38% 44% Jeugd15Het cluster ‘Jeugd’ bestaat uit gegevens over gebruik van Jeugdzorg en Schoolmaatschappelijk W erk. Deze gegevens zijn niet in de Stapelingsmonitor meegenomen, maar zijn wel betrokken in een ander onderzoek dat de gemeenten hebben laten uitvoeren naar de samenloop in voorzieningengebruik. Dit is uitgevoerd door KW IZ. Deze cijfers zijn niet geheel vergelijkbaar met de cijfers van de Stapelingsmonitor. 47% N.B. Uit de tabel blijkt dat de samenloop het grootste is bij Zorg & Welzijn: 90% respectievelijk 93% van de huishoudens die regelingen in dit cluster gebruiken, maken daarnaast gebruik van regelingen in één of meer andere clusters. De samenloop is het kleinst bij onderwijs. 2.7.Intergemeentelijke samenwerking Samenwerking met andere gemeenten om de decentralisaties voor te bereiden en te implementeren is wenselijk en noodzakelijk. De gemeenten Hellevoetsluis en Westvoorne hebben diverse afspraken gemaakt met andere gemeenten rondom de samenwerking. Deze paragraaf gaat achtereenvolgend in op de samenwerkingsafspraken rondom de voorbereiding (paragraaf 2.4.1) en de toekomstige samenwerking (paragraaf 2.4.2). Samenwerking Hellevoetsluis en Westvoorne De gemeenten Hellevoetsluis en Westvoorne zijn zich ten volle bewust van de grote omvang van de drie decentralisaties. Waar mogelijk is daarom in de voorbereiding de samenwerking gezocht met andere gemeenten. Het belangrijkste schaalniveau wordt, naast de samenwerking Hellevoetsluis- Westvoorne, gevormd door Voorne-Putten. Voor een aantal onderwerpen wordt samengewerkt op het niveau van Stadsregio Rotterdam-Rijnmond. Gewenst is om de samenwerking tussen Hellevoetsluis en Westvoorne door te zetten in de uitvoering. Momenteel is het nog niet mogelijk om hier een uitgewerkt voorstel voor op te stellen. In het eerste kwartaal 2014 zal dit worden opgepakt. Uitbreiding van de samenwerking in het verdere traject wordt niet uitgesloten. Beslispunt 2 – De intentie is te komen tot een gezamenlijke uitvoeringsorganisatie voor de drie decentralisaties voor Hellevoetsluis en Westvoorne. Het is mogelijk dat op langere termijn tot uitbreiding van deze samenwerking wordt overgegaan. Voorne-Putten Alle gemeenten op Voorne-Putten hebben aangegeven belang te hechten aan samenwerking op Voorne-Putten rondom de drie decentralisaties. Tegelijkertijd vindt elke gemeente het belangrijk om in de implementatie van de drie decentralisaties de verbinding te zoeken met de taken die nu al lokaal zijn belegd. Ook wil men de ‘couleur locale’ behouden. Met deze zaken in het achterhoofd hebben de portefeuillehouders op Voorne-Putten besluiten genomen over hoe de voorbereiding voor de decentralisaties plaatsvindt. Besloten is om in de voorbereiding de samenwerking te richten op een aantal overkoepelende onderwerpen en een aantal decentralisatie-specifieke onderwerpen. Bijlage 5 geeft een totaaloverzicht van de samenwerking. Voor een aantal overkoepelende onderwerpen wordt aangestuurd op gezamenlijke implementatie op Voorne-Putten. Dit geldt bijvoorbeeld voor het diagnostisch team, dat onder andere voor de jeugdzorg van belang is (zie hoofdstuk 4). Voor andere onderwerpen wordt gezamenlijk voorbereid, maar elke gemeente maakt eigen keuzes. Een voorbeeld hierbij betreft de regierol. Elke gemeente moet een lokale visie ontwikkelen op de gemeentelijke regierol (zie hoofdstuk 3). Andere onderwerpen waren zo verbonden met lokale taken, dat gekozen is voor lokale voorbereiding. Een voorbeeld hierbij is het organiseren van de toegang tot zorg (zie hoofdstuk 5). Wmo-AWBZ In de decentralisatie Wmo-AWBZ zit een forse lokale component. Nieuwe taken moeten immers worden opgenomen in de huidige lokale werkwijze en werkprocessen van de Wmo die bij uitstek lokaal is vormgegeven. Bij dit dossier is wel een aantal thema’s waarop gezamenlijk optrekken een meerwaarde kan opleveren. Op de volgende thema’s wordt op Voorne-Putten gezamenlijk opgetrokken: logeerhuizen, spoedzorg, 24-uurszorg en vervoer (ingaande september 2015). Decentralisatie jeugdzorg Voor de voorbereiding van de decentralisatie jeugdzorg vindt de samenwerking met name plaats op het niveau van Rotterdam-Rijnmond. Met deze gemeenten wordt gezamenlijk ontwikkeld en geïmplementeerd voor een aantal onderwerpen: de exclusieve individuele jeugdhulp en toeleiding naar en uitvoering van jeugdbescherming en jeugdreclassering. Ook vindt op dit niveau de inkoop en toeleiding plaats van buitenwijkse voorzieningen. Dit zijn regionale (specialistische) jeugdhulpvoorzieningen. Hier zal een gemeenschappelijke regeling voor worden opgesteld. Het beleidsplan jeugdzorg gaat hier verder op in. Participatiewet Er vindt nauwe samenwerking plaats rondom de Participatiewet op het niveau van Voorne-Putten, onder andere door de GR die op dit niveau reeds bestaat rondom de WSW. In december 2013 is de vernieuwde startnotitie aangeboden aan alle vijf colleges. Deze startnotitie sluit aan op de beleidslijnen die in dit beleidsplan zijn opgenomen. Congruente samenwerkingsverbanden In februari 2013 ontving elke gemeente een brief van het minister Plasterk van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties inzake samenwerking op de decentralisaties. Elke gemeente werd gevraagd om de samenwerkingsverbanden inzichtelijk te maken. De minister streeft congruente samenwerkingsverbanden na en geeft aan dat hij de samenwerkingsverbanden rondom de drie decentralisaties zal toetsen aan diverse criteria, waaronder schaalgrootte en congruentie. Als reactie op de brief van minister Plasterk is vanuit Voorne-Putten een reactie gestuurd, waarin bijlage 5 ook was opgenomen. Toekomstige samenwerking bij de drie decentralisaties De gemeenten op Voorne-Putten hebben de afspraak gemaakt om elkaar tijdens de voorbereiding van de drie decentralisaties continue te informeren over de lokale ontwikkelingen. Waar mogelijk vindt kennisuitwisseling plaats. Verdergaande samenwerking op de drie decentralisaties op Voorne-Putten was wel gewenst, maar bleek in de praktijk door de vereiste snelheid in de voorbereidingen niet altijd mogelijk. Een concreet voorbeeld hierbij betreft de inkoop. De wens bestond om te bekijken of gezamenlijk inkopen voordelen kan opleveren, bijvoorbeeld doordat inkoopmacht wordt georganiseerd. Het bleek echter niet mogelijk om in de korte tijd het lokale inkoopbeleid op elkaar af te stemmen. 2.8.Samenvatting en beslispunten Per 2015 wordt de aanspraak op extramurale begeleiding (dagbesteding en individuele begeleiding), kortdurend verblijf en vervoer geschrapt uit de AWBZ en overgeheveld naar het gemeentelijke domein. Hetzelfde geldt voor 5% van de persoonlijke verzorging, voor cliëntondersteuning en voor de inloopfunctie GGZ. Per 2015 worden gemeenten ook verantwoordelijk voor alle vormen van jeugdhulp (inclusief specialistische hulp zoals jeugd-ggz, jeugd-vb en gesloten jeugdhulp in het kader van ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen), de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. Tot slot zal per 1 januari 2015 de Participatiewet van kracht zijn. Met de Participatiewet komt er één regeling voor iedereen die in staat is om te werken, ook de mensen met een arbeidsbeperking, die daarvoor aangewezen zijn op ondersteuning. De nieuwe doelgroepen zijn divers. Voor de decentralisatie AWBZ/Wmo betreft het respectievelijk 285 en 85 unieke indicaties voor begeleiding (Hellevoetsluis en Westvoorne). Bij de jeugdzorg vinden we de meeste cliënten bij de Jeugd- en opvoedhulp (respectievelijk 145 en 87) en de Jeugd-GGZ 2e lijns (562 en 143). Rondom de Participatiewet zijn nog geen precieze lokale cijfers bekend. De gemeenten Hellevoetsluis en Westvoorne werken met diverse andere gemeenten samen in de voorbereiding van de drie decentralisaties. Beslispunt
  10. De intentie is te komen tot een gezamenlijke uitvoeringsorganisatie voor de drie decentralisaties voor Hellevoetsluis en Westvoorne. Het is mogelijk dat op langere termijn tot uitbreiding van deze samenwerking wordt overgegaan. 3.Uitgangspunten en sturingsvisie Dit hoofdstuk benoemt de uitgangspunten die gemeenten Hellevoetsluis en Westvoorne hanteren bij de transitie en transformatie van het sociale domein. Gestart wordt met een beschrijving van de opdracht vanuit het Rijk (paragraaf 3.1), gevolgd door de lokale missie, kaders en uitgangspunten (paragraaf 3.2). Paragraaf 3.3 gaat in op de vernieuwde verhoudingen tussen gemeenten, professionele partners en inwoners. Dit wordt in paragraaf 3.4 uitgediept door verschillende mogelijke sturingsmodellen te benoemen en hierin een keuze te maken (paragraaf 3.5). 3.1.Drie decentralisaties: opdracht vanuit het Rijk De decentralisaties van de jeugdzorg, AWBZ en de Participatiewet naar de gemeenten vinden plaats vanuit de visie dat de gemeente als overheid die het dichtst bij de inwoners staat kan zorgen voor het meest passende arrangement, waarbij de eigen kracht van inwoners en de civil society een rol speelt. Vanaf de invoering van de Wmo in 2007 zijn gemeenten bezig met het inrichten van een systeem van maatschappelijke ondersteuning dat gericht is op “zorgen dat” in plaats van “zorgen voor”. De omvang van de overdracht van taken van het Rijk naar de gemeenten getuigt van een veranderde visie van de Rijksoverheid op sturing. Het Rijk gaat ervan uit dat de gemeente als bestuurslaag die het dichtst bij de inwoner staat het beste zorgt voor maatwerk in de maatschappelijke ondersteuning aan inwoners. De overdracht van taken naar de gemeenten moet tevens voor een stelselverandering zorgen, waarbij inwoners weer meer verantwoordelijkheid voor zichzelf en voor elkaar gaan nemen en minder zaken in handen van professionals worden gelegd. Er moet een beweging van zware naar lichte zorg op gang gebracht worden, van de tweede naar de eerste lijn en van de eerste naar de nulde lijn. Er wordt een verdere verschuiving verwacht naar de civil society, naar inwoners en hun sociale netwerken. Met de decentralisaties wordt derhalve een verandering in werken en denken nagestreefd, zowel bij inwoners die ondersteuning nodig hebben als bij professionals die ondersteuning leveren. De opgaven voor de transformatie van het sociaal domein zijn als volgt samen te vatten: van zorgen voor naar zorgen dat; van aanbod- en systeemgericht naar vraag- en mensgericht; van curatief naar preventief; van zware zorg naar lichte ondersteuning; van formeel naar informeel; van exclusief naar inclusief; van duur en bureaucratisch naar efficiënt en effectief; van sectoraal naar integraal. Deze transformatie kost tijd en is niet op 1 januari 2015 gereed. Het is een proces van jaren dat na de transitie op 1 januari 2015 doorloopt. Naast de inhoudelijke doelen die het Rijk nastreeft met de decentralisaties, gaat elke decentralisatie gepaard met forse bezuinigingen (zie verder hoofdstuk 7). 3.2.Lokale missie, kaders en uitgangspunten 3.2.1 Missie en kaders De missie voor het sociale domein, ook al benoemd in de Wmo-beleidsplannen van Hellevoetsluis en Westvoorne, is: Alle inwoners, ongeacht hun beperking, doen zoveel mogelijk mee aan de samenleving en zijn zelfredzaam. De kaders van de twee gemeenten en de stadsregionale visie op jeugdzorg hebben veel met elkaar gemeen en voor de realisatie van de opgave worden vergelijkbare uitgangspunten gehanteerd. Dit zijn toetsstenen voor beleid. Het zijn kerncriteria waaraan het gevoerde beleid op de domeinen zorg, welzijn, participatie en jeugd moet voldoen. De uitgangspunten hebben gevolgen voor de cliënt, de werkwijze van de aanbieders en voor de gemeente. Zij vormen de basis voor alle beslispunten die in dit plan worden genoemd. De onderstaande tabel geeft deze uitgangspunten. Een aantal van deze uitgangspunten was al verwoord in de Wmo-beleidsplannen van Hellevoetsluis en Westvoorne (aangegeven met *). Uitgangspunten 6 en 7 vloeien direct voort uit de hiervoor omschreven missie. Uitgangspunt 8 komt voort uit de wens om de kosten voor de 2e lijns zorg op de langere termijn te verlagen. Uitgangspunt 9 is opgenomen om richting te geven aan de verhouding tussen gemeenten en de professionele partners. Tot slot is het van belang om de middelen in het sociaal domein integraal te kunnen aanwenden (uitgangspunt 10). Tabel 3.1 Uitgangspunten transitie/transformatie sociaal domein Uitgangspunt 1.* Preventie en signalering in de wijk 2.* Sluitende aanpakvoor de meest kwetsbaren met als uitgangspunt één gezin, één plan 3.* Bevorderen van zelfredzaamheid = vergroten van draagkracht 4.* Individueel maatwerk 5.* Resultaatgericht en integraal
  11. Een groter beroep op eigen verantwoordelijkheid en eigenkracht
  12. Participatie en ondersteuning vinden zoveel als mogelijk dichtbij huis plaats
  13. Op langere termijn terugdringen van 2e lijns zorg door meer inzet op 0e en 1e lijn
  14. Meer ruimte bieden aan de professionals en minder regels
  15. Ontschot werken en financieren 3.3.Verhouding gemeenten, professionele partners en inwoners In het nieuwe sociale domein veranderen de verhoudingen tussen inwoners, professionals en gemeenten. De visie van de gemeenten Hellevoetsluis en Westvoorne op deze verhoudingen bouwt voort op de missie en kaders uit paragraaf 3.
  16. In het Wmo-beleidsplan van gemeente Hellevoetsluis zijn over twee van deze drie verhoudingen al uitspraken gedaan. Inwoners Gemeente De primaire sturingsopgave van de gemeente is om vanuit de veranderde visie van het Rijk de transformatiebeweging (“de Kanteling”) op gang te brengen en een groter beroep te doen op de eigen kracht van inwoners en zijn sociale netwerk. Professionals Inwoners Hulp en ondersteuning vanuit professionals dienen primair gericht te zijn op het stimuleren van zelfredzaamheid. Dit betekent een omslag in de wijze van dienstverlening door professionele organisaties aan inwoners. De inzet moet er zoveel mogelijk op worden gericht om mensen dusdanig te activeren dat zij zo snel mogelijk weer zoveel mogelijk zelfstandig zijn. Gemeente Professionals Voor de relatie gemeente en professionals is een nadere verdieping plaats van hoe de gemeenten op het sociale domein willen sturen. Dit wordt verder uitgewerkt in paragraaf 3.
  17. 3.4Strategische sturing De visie van de gemeente op de relatie gemeente en professionele organisaties bepaalt de invulling van de opdrachtgeversrol. Hier bestaat een nauwe samenhang met de inkoop- en subsidierelaties die de gemeente aangaat in het sociaal domein. De gemeente moet hierbij een beeld hebben van de mate waarin zij wil richting geven, zelf initiatief wil nemen en wel/niet zelf wil meedoen in de uitvoering. Neemt de gemeente een afstandelijke houding aan of niet? Er zijn talrijke sturingsmodellen die hier de opties in laten zien. Er kunnen vier basismodellen worden onderscheiden16Terminologie ontleend aan BMC: Eigen beheer: zelf uitvoeren. In dit model neemt de gemeente de uitvoering van de begeleiding en zorg geheel zelf voor haar rekening. Alle benodigde deskundigheid wordt in dienst genomen en taken worden door de gemeente of een verbonden aanbieder uitgevoerd. Inkoop of aanbesteding is niet of nauwelijks aan de orde. Inkoopmodel (marktmeester): aanbesteden, inkopen of subsidiëren op producten of resultaten. In dit model stelt de gemeente de kaders en zoekt aanbieders die de zorg en begeleiding binnen die kaders kunnen leveren. De uitvoering wordt dus aan derden overgelaten. De wijze waarop de gemeente het “markmeesterschap” invult kan op diverse punten verschillen; hoe kiest de gemeente zijn partners, wordt gestuurd op producten of op resultaten, worden er vaste prijsafspraken gemaakt of niet, welke keuzevrijheid heeft de cliënt, welke verantwoordingseisen worden gehanteerd etc. Samenwerking: gezamenlijk bepalen van kaders en spelregels voor de uitvoering. In dit model werkt de gemeente samen met vaste aanbieders en neemt zelf ook een deel van de uitvoering op zich. De aanbieders bepalen samen hoe een taak wordt uitgevoerd. Bij de keuze van de aanbieders waarmee samengewerkt wordt kan de gemeente ook gebruik maken van “bestuurlijk aanbesteden”. Er wordt gebruik gemaakt van de deskundigheid van de aanbieders en er is meer sprake van dialoog tussen de aanbieders dan bij het inkoopmodel. Samenleving: invulling overlaten aan inwoners en organisaties. In dit model is de samenleving de primaire initiatiefnemer en trekt de overheid zich terug waar het kan. De overheid faciliteert deze initiatieven, voor zover deze binnen de algemene uitgangspunten (hoofdlijnen beleid) van de gemeente passen. Veel gesubsidieerde activiteiten van vrijwilligersorganisaties passen in dit model. Ook de volledige ondersteuning zou op deze manier geregeld kunnen worden. In dit model houdt de overheid ook vaak nog een vinger in de pap, door de voorwaarden die aan de subsidies worden verbonden of door het toezicht dat wordt uitgeoefend. Vanuit haar systeemverantwoordelijkheid (kwaliteit, toegankelijkheid en rechtvaardigheid) is dat ook begrijpelijk. Er zijn echter ook taken die de gemeente volledig aan de civil society over kan laten. 3.5Keuze van sturingsmodel – geclausuleerde samenwerking Voorgesteld wordt de principiële keuze te maken om in de periode 2014-2017 het model samenwerking leidend te laten zijn in de sturing van gemeenten op professionele organisaties. Samenwerking met partners is niet alleen wenselijk, maar ook noodzakelijk gelet op de kennis van de partners. De kennis van de professionele organisaties is immers essentieel voor het bepalen van kaders en spelregels voor de uitvoering. Voor de uitvoering van de professionele ondersteuning moet worden vertrouwd op de partners en het maatschappelijk middenveld en moet ruimte aan hen worden geboden. Dit is vooral in lijn met het model ‘samenwerking’ en dit model vormt daarom de basis voor de vormgeving van de relatie tussen de gemeente en de professionele organisaties. Uit de marktconsultatie blijkt dat dit model draagvlak kent bij de professionele organisaties. Om wel goed te kunnen sturen op de forse politieke en financiële risico’s die zich bij alle drie decentralisaties voordoen is het noodzakelijk om clausules aan de samenwerking te verbinden. Dit zijn meer elementen vanuit het model ‘inkoop’. Dit model kan worden benoemd als een “geclausuleerd samenwerkingsmodel”, waarbij de gemeente kaders geeft voor de samenwerking. De wijze van vormgeving aan de relatie tussen gemeente en professionele organisaties is gebonden aan de kaders die het Rijk oplegt. Verwacht wordt dat met name bij de Participatiewet er weinig vrijheid zal zijn. Uitzonderingen op geclausuleerde samenwerking: toegang in smalle zin Voor het organiseren van de toegang in smalle zin (vraagverheldering en indicatiestelling) ligt de voorkeur bij het sturingsmodel van eigen beheer. Verwacht wordt dat we op deze wijze de financiële risico’s het beste kunnen beheersen. In paragraaf 5.3.1 wordt dit verder uitgewerkt. Tabel 3.2 Voorgesteld sturingsmodel Onderdeel Voorgesteld sturingsmodel Overkoepelende visie sturing op professionele organisaties Geclausuleerde samenwerking Toegang in smalle zin (vraagverheldering en indicatiestelling) Eigen beheer Beslispunt 3 – De relatie tussen de gemeente en professionele organisaties kenmerkt zich door samenwerking. Dit gebeurt wel onder voorwaarden en condities die ontleend zijn aan het inkoopmodel. Dit kan worden benoemd als een ‘geclausuleerd samenwerkingsmodel’. 3.6Samenvatting en beslispunten Het hoofddoel van de decentralisaties en transformatie van het sociaal domein is dat alle inwoners, ongeacht hun beperking, zoveel mogelijk mee doen aan de samenleving en dat zij zelfredzaam zijn. De hieraan gekoppelde sturingsopgave is om een groter beroep te doen op de eigen kracht van inwoners. Ook professionele organisaties moeten hier veel meer op gaan sturen. Er zijn vier basismodellen om de relatie vorm te geven tussen gemeenten en professionele organisaties: eigen beheer, inkoopmodel, samenwerking en samenleving. De algemene voorkeur gaat hierbij uit naar het model samenwerking, maar wel onder bepaalde voorwaarden en condities die ontleend zijn aan het inkoopmodel. Dit kan worden benoemd als een ‘geclausuleerd samenwerkingsmodel’. Voor de toegang in smalle zin (vraagverheldering en indicatiestelling) wordt gekozen voor het sturingsmodel eigen beheer. Beslispunt
  18. De relatie tussen de gemeente en professionele organisaties kenmerkt zich door samenwerking. Dit gebeurt wel onder voorwaarden en condities die ontleend zijn aan het inkoopmodel. Dit kan worden benoemd als een ‘geclausuleerd samenwerkingsmodel’. 4.Vormgeving zorg en ondersteuning 4.1.Inleiding Nadat een inwoner zijn probleem of ondersteuningsvraag in een gesprek met een medewerker van de gemeentelijke backoffice in beeld heeft gebracht, is het de taak van de gemeente om hier een passende oplossing voor te bieden. Die oplossing kan bestaan uit: Inzet vanuit eigen kracht Inzet vanuit het sociale netwerk Inzet vanuit een algemene voorziening Inzet vanuit een maatwerkvoorziening. De hulpvraag van een inwoner wordt daarbij als het ware afgepeld, waarbij een pakket met meerdere typen oplossingen kan worden samengesteld: het arrangement. De laatste stap is te bepalen welke hulpvraag uitsluitend met een maatwerkvoorziening kan worden opgelost. Omdat de gemeente verantwoordelijk wordt voor de ondersteuning van inwoners met problemen op heel diverse leefgebieden en tegelijkertijd minder middelen krijgt om deze ondersteuning te organiseren, is het belangrijk om goede beleidskeuzes te maken over de vormgeving van deze ondersteuning. Begrippenkader Arrangement Het woord ‘arrangement’ is door VNG in het leven geroepen binnen het project De Kanteling. Dit project was erop gericht op gemeenten en inwoners anders aan te laten kijken tegen de compensatieplicht, met als doel om individueel maatwerk te stimuleren en de druk op individuele voorzieningen te verminderen. Op basis van de publicatie ‘Het arrangement in de Wmo, maatwerk voor de inwoner met een beperking’ van De Kanteling luidt de definitie van arrangement als volgt: Een arrangement is een pakket bestaande uit één of meerdere typen van oplossingen die de inwoner samen passende ondersteuning bieden voor de beperkingen die hij ervaart in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Dit hoofdstuk gaat over de wijze waarop de gemeente de arrangementen voor haar inwoners wil vormgeven, wat zij daarbij tot haar taakopvatting rekent en wat niet. Algemene voorziening Een algemene voorziening is een voorziening die vrij toegankelijk is voor in principe alle inwoners. Dit betekent dat geen toestemming of indicatie van de gemeente nodig is en dat er geen recht bestaat op het gebruik van deze voorziening. Er kunnen bepaalde lichte voorwaarden gesteld worden aan deelname of gebruik van de voorziening (zoals bijvoorbeeld een leeftijdsgrens). Een algemene voorziening wordt niet per definitie (geheel) door de gemeente bekostigd. Op grond van de Wmo 2015 kan de gemeente ervoor kiezen om de algemene voorziening tegen een kostendekkende eigen bijdrage aan te bieden aan inwoners, of uitsluitend de beschikbaarheid van de algemene voorziening te financieren (met een bijdrage van inwoners naar gebruik). Het lijkt er vooralsnog op dat deze tarieven buiten de eigen bijdrage systematiek blijven en dat derhalve inning door het CAK niet aan de orde is. Na verloop van tijd kan een als algemene voorziening begonnen dienst of activiteit door de samenleving en/of de particuliere markt worden overgenomen. Maatwerkvoorziening Een maatwerkvoorziening is een voorziening die naar haar aard is afgestemd op de kenmerken van de individuele aanvrager, en die niet vrij toegankelijk is. De specifieke (persoons-)kenmerken van de individuele aanvrager bepalen of hij/zij gebruik mag maken van de voorziening. Aanvragen worden veelal door een indicatiesteller beoordeeld waarna een beschikking wordt afgegeven. Voor het gebruik van de voorziening kan een eigen bijdrage worden gevraagd waarvan de hoogte gerelateerd is aan het inkomen. De gemeente biedt een maatwerkvoorziening aan als voorliggende oplossingen ontoereikend zijn om de zelfredzaamheid van de inwoner voldoende te stabiliseren of te vergroten. 0e lijn In eerste instantie zorgen inwoners voor zichzelf en voor elkaar. De gemeente laat het initiatief zoveel mogelijk aan individuele bewoners, bewonersgroepen, verenigingen en actieve ondernemers en vertrouwt op de eigen kracht van inwoners. De rol van de gemeente is om daar waar nodig de bereidheid tot inzet voor anderen te stimuleren en de eigen kracht en sociale netwerken te versterken. Waar professionals actief zijn, is dit doorgaans in de rol van kwartiermaker of aanjager. 1e lijn De doelgroep bestaat uit inwoners die op één of meerdere gebieden praktische, verstandelijke of psychische belemmeringen ervaren in het ‘meedoen’ en hierbij geholpen willen worden. De ondersteuning bestaat uit een breed scala aan lichte en/of kortdurende vormen van ondersteuning en hulpverlening. De voorzieningen in de 1e lijn zijn meer toegespitst op individuele vraagstukken. 2e lijn De tweedelijnsondersteuning betreft intensieve en/of langdurige zorg waarvoor een grote mate van specialisatie nodig is bij de uitvoerende professional. Het gaat om de begeleiding van en hulpverlening aan kwetsbare inwoners die er zelf niet uit kunnen komen, ook niet met de hulp van de omgeving of door kortdurende/lichte hulp. Leeswijzer Paragraaf 4.2 gaat in op de huidige organisatie van het aanbod, inclusief de huidige vormgeving van het PGB. Paragraaf 4.3 benoemt de beleidsvoorstellen omtrent de toekomstige organisatie van het aanbod. Paragraaf 4.4 geeft een samenvatting van dit hoofdstuk inclusief een overzicht van de diverse beslispunten. 4.2.Hoe is het nu? 4.2.1 Huidige aanbod De huidige zorg- en ondersteuningsvormen in de drie domeinen die straks onder de verantwoordelijkheid van gemeenten gaan vallen bestaan uit een groot aantal producten die onderling als een lappendeken samenhangen. Soms is er overlap tussen de producten, soms zijn er lacunes. De producten zijn vaak historisch gegroeid, ontstaan vanuit onder meer verschillende wettelijke en financieringskaders, (veranderende) taakopvattingen van het veld en ideeën over effectiviteit, en vanuit de vragen/wensen van de verschillende doelgroepen. Het huidige aanbod is in te delen naar niveau van ondersteuning. Dit is hieronder visueel weergegeven in een piramidevorm. De nummers en kleuren corresponderen met huidige producten. Deze zijn opgenomen in de tabel in bijlage
  19. Onderin de piramide bevinden zich die vormen van ondersteuning die relatief eenvoudig zijn te verlenen, algemeen toegankelijk zijn en vooral worden ingezet voor inwoners met lichte en/of tijdelijke problematiek. Dit noemen we de 0e lijn. Daarboven bevindt zich de 1e lijn: ondersteuning die nog steeds relatief eenvoudig toegankelijk is maar waar doorgaans wel sprake is van een (lichte) toetsing om te bepalen of men tot de doelgroep behoort en baat heeft bij de ondersteuning. Ook zijn deze zorgvormen doorgaans iets moeilijker te verlenen (er is een zekere mate van specialisatie of scholing nodig om deze ondersteuning te kunnen verlenen). Bovenin de piramide is de complexe en zware hulpverlening geplaatst. Hiervoor is een grote mate van specialisatie benodigd, de kosten per cliënt zijn doorgaans hoog en toegang is alleen mogelijk na een zware toets en/of verwijzing. Op dit moment worden alle zorg- en ondersteuningsvormen (de gekleurde bolletjes) als afzonderlijke interventies ingezet. Soms vindt er op de werkvloer afstemming plaats tussen de organisaties die de verschillende vormen leveren en de verschillende professionals die in contact staan met hun cliënten, maar vaak ook niet. Uitzondering hierop is de complexe en zware zorg; daar is in de huidige situatie meestal sprake van procescoördinatie en casusregie waarbij een op elkaar afgestemd pakket aan zorg- en hulpverlening wordt ingezet om de meervoudige problematiek van een cliënt of systeem aan te pakken. Onder de piramide bevindt zich de samenleving. Hierbinnen vinden ook veel activiteiten plaats die ondersteunend zijn voor inwoners, echter deze worden niet gefinancierd middels inkoop of subsidie. Zij maken geen onderdeel uit van de ‘formele’ zorg- en ondersteuningsvormen en worden puur als ‘aanvullend’ gezien. Er vindt niet of nauwelijks sturing op plaats vanuit de overheid. 4.2.2 Verstrekkingsvormen In de huidige situatie kunnen cliënten bij de meeste voorzieningen kiezen voor enerzijds verstrekking in natura en anderzijds een persoonsgebonden budget (PGB). Zorg in natura (ZIN) – Dit betekent dat een cliënt de indicatie verzilvert in de vorm van door de aanbieder geleverde zorg of ondersteuning. De gemeente koopt deze zorg in bij de aanbieder en de cliënt ontvangt de zorg of ondersteuning rechtstreeks van de aanbieder, in natura. Persoonsgebonden Budget (PGB) - Een persoonsgebonden budget betekent dat een cliënt de indicatie verzilvert door een budget bij de gemeente aan te vragen waarmee hij of zij zelf de ondersteuning inkoopt. Dat kan zijn bij een grote zorginstelling, bij een kleine particuliere zorgverlener of bij iemand uit het eigen netwerk. In veel gevallen is het PGB een bepaald percentage van de kosten van zorg in natura. De regels rondom het PGB zijn de afgelopen jaren verscherpt. Zo krijgen mensen het geld niet meer op de eigen rekening maar door middel van een trekkingsrecht. Een trekkingsrecht houdt in dat na levering van de dienst het bestede geld direct wordt overgemaakt naar de zorgverlener. 4.3.Wat stellen we voor en waarom? De kern van het beoogde beleid is het zodanig inrichten van het aanbod dat de gemeente hiermee voldoet aan haar wettelijke verplichting en eigen taakopvatting. Ook moet het de juiste prikkels geven aan inwoners om waar mogelijk zelf initiatief te nemen en zelfredzaam te zijn, en aan professionals om tijdig in te grijpen waar nodig en inwoners zo snel mogelijk en zo veel mogelijk (weer) zelfredzaam te maken. Gezien de bezuinigingsopgave van de gemeente die gepaard gaat met de decentralisaties is het zaak om de kosten in de komende jaren te verlagen. De voornaamste kosten zitten in de bovenkant van de piramide in paragraaf 4.2.
  20. Echter hier is de zorg zwaar en/of complex en daardoor zijn er in de zorg zelf relatief weinig besparingsmogelijkheden te vinden. De besparing zit in het verkleinen van de instroom door preventie, één van de centrale uitgangspunten van dit beleidsplan. De focus ligt daarom op het hervormen van de zorg en ondersteuning in het brede deel van de piramide (de huidige 0e en 1e lijn). Dit sluit aan bij de opgaven van de transformatie zoals die in hoofdstuk 3 zijn benoemd en bij de doelstellingen van het beleid rondom toegang, die erop gericht zijn om problemen tijdig te signaleren en adequaat op te lossen. De gemeenten doen hiertoe drie beleidsvoorstellen: Terugleggen in de samenleving Investeren in preventie en tijdige inzet Hervormen van het aanbod Elk voorstel wordt in een aparte paragraaf toegelicht. Als leidraad bij de toelichting van de beleidsvoorstellen, maken we gebruik van een figuur welke hieronder is weergegeven. De leidende figuur is nog steeds een piramide. Het belangrijkste verschil met de huidige vormgeving is dat de piramide is omgedraaid. Hierin komt de visie (en tevens veranderopgave) tot uiting dat alle zorg en ondersteuning tot doel heeft om mensen weer terug te brengen op het basisniveau, namelijk het niveau van volledige zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Tevens symboliseert het de visie dat er altijd een vangnet is voor de meest kwetsbaren. In de piramide zijn de toekomstige producten (voorzieningen) weergegeven door middel van genummerde cirkels. De producten worden toegelicht in bijlage
  21. 4.3.1 Uitgaan van de kracht van de samenleving Bepaalde voorzieningen en diensten uit de 0e en 1e lijn die de gemeente nu aanbiedt aan haar inwoners, zullen in de toekomst niet langer worden aangeboden. De verantwoordelijkheid hiervan leggen we terug in de samenleving, waar we vinden dat deze thuishoort. We gaan hierbij uit van de kracht van de samenleving. NIVEAU ‘SAMENLEVING’ A. Verantwoordelijkheden voor alle leefgebieden terugleggen bij inwoners De bovenlaag van de piramide, dat zijn inwoners zelf. Zij zorgen voor zichzelf en voor de mensen binnen hun ‘systeem’ (meestal het gezin). Inwoners zijn zelf verantwoordelijk voor zelfzorg en zorg voor anderen binnen het (gezins-)systeem, huisvesting, inkomen, opvoeding, huishouden, werk/dagbesteding, gezinsrelaties, sociaal netwerk, maatschappelijke participatie, het naleven van de wet en een gezonde leefstijl. De gemeente biedt op deze terreinen geen ondersteuning, tenzij inwoners beperkingen ervaren in het zelf uitvoeren van deze activiteiten. Wanneer die beperkingen dusdanig zijn dat het zelf uitvoeren niet goed (meer) mogelijk is dan ziet de gemeente het als haar taak om hiervoor samen met de inwoner een oplossing te vinden. De oplossing is te allen tijde gericht op het vergroten van de draagkracht van de inwoner zodat de inwoner deze activiteit(en) zo snel mogelijk weer zo veel mogelijk zelf kan uitvoeren. Alleen als het echt niet anders kan, wordt de uitvoering zelf (tijdelijk) overgenomen. B. Vrijwillige inzet als maatschappelijke verantwoordelijkheid Van inwoners wordt verwacht dat zij zich af en toe inzetten voor anderen in hun omgeving. De gemeente vertrouwt erop dat inwoners deze verantwoordelijkheid nemen. De gemeente neemt deze verantwoordelijkheden daarom niet over, maar laat het initiatief aan individuele bewoners, bewonersgroepen, verenigingen en actieve ondernemers. Zo kunnen inwoners zich in vrijwillig verband inzetten voor het stimuleren van participatie en het voorkómen van eenzaamheid van mensen. Ook in de ondersteuning bij lichte administratieve taken kunnen vrijwilligers een rol spelen. Maar het kan ook gaan om collectieve activiteiten zoals het organiseren van een buurtfeest, laagdrempelige inloop/dagbesteding of een cursus. De rol van de gemeente is uitsluitend om daar waar nodig de bereidheid tot inzet voor anderen strategisch te stimuleren en sociale netwerken te versterken. Het doel is om de drempel voor (potentiële) vrijwilligers en mantelzorgers om de handen uit de mouwen te steken zo laag mogelijk te maken. Daarvoor investeert de gemeente onder andere in de werving van nieuwe vrijwilligers en in het stimuleren van maatschappelijk verantwoord ondernemen. Dit wordt verder uitgewerkt in het implementatieplan. De veranderende rol van de gemeenten doet niets af aan de blijvende gemeente taak in de signalering van problematiek. Deze taak ligt ook bij aanbieders, scholen, inwoners etc. Beslispunt 4 – De gemeenten gaan uit van de kracht en zelfredzaamheid van de samenleving. Als logisch gevolg hiervan legt de gemeente bepaalde voorzieningen uit de huidige 0e en 1e lijn terug bij de samenleving. De gemeenten hebben blijvend een taak in signalering, gezamenlijk met aanbieders en inwoners. 4.3.2 Investeren in preventie en tijdige inzet Met een investering in vrij toegankelijke ondersteuning worden instroom in en duur van trajecten in de 1e en 2e lijn verlaagd. De doelstelling is om problematiek eerder te signaleren en door middel van lichte ondersteuning beheersbaar te houden of op te lossen. Zo wordt voorkomen dat in een latere fase zware, langdurige en complexe zorg nodig is. Het betreft feitelijk een ‘substitutie in tijd’17Het thema signalering en de beleidsvoorstellen hieromtrent worden behandeld in hoofdstuk
  22. NIVEAU ‘ALGEMENE VOORZIENINGEN’ De scheidslijn tussen samenleving en eenvoudige ondersteuning is geen ononderbroken streep, maar een stippellijn. Dit betekent dat alle inwoners gebruik kunnen maken van de producten in deze laag. Ook komt hierin de visie (en tevens veranderopgave) tot uiting dat deze eenvoudige ondersteuning zoveel mogelijk voor én door inwoners worden vormgegeven, uitgevoerd en/of bekostigd. De Wmo 2015 biedt de mogelijkheid om algemene voorzieningen aan te bieden. Ook de VNG heeft deze mogelijkheid benoemd in haar ledenbrief van oktober
  23. Door het organiseren als algemene voorziening komt er meer zeggenschap en regie bij de inwoners te liggen. Ook is de verwachting dat hiermee op termijn een kostenbesparing gerealiseerd kan worden. De term algemene voorziening zegt niks over de manier waarop deze aangeboden wordt: dit kan zowel individueel als collectief zijn. De gemeenten willen er samen met aanbieders naar streven dat algemene voorzieningen primair collectief aangeboden worden. A. Schoonmaakservice als algemene voorziening De gemeenten willen een deel van de Huishoudelijke Hulp per 2015 vormgeven als algemene voorziening. Bij ‘Schoonmaakservice’ gaat het om huishoudelijke werkzaamheden18Het is nadrukkelijk niet de bedoeling om alle vormen van huishoudelijke hulp als algemene voorziening vorm te geven. Een deel van de huishoudelijke hulp zal worden vormgegeven als maatwerkvoorziening, behorend bij het basisproduct ‘Zelfstandig wonen’.. Daarmee wordt dit deel een voorziening die voor iedereen beschikbaar is. Inwoners die zich vanwege een beperking bij het Wmo loket melden, en die geholpen zijn met de schoonmaakservice, krijgen geen beschikking voor een maatwerkvoorziening meer en worden doorverwezen naar de organisatie die de schoonmaakservice aanbiedt. Er kan een simpele toegangstoets worden gedaan door de aanbieder om te bepalen of iemand tot de vooraf bepaalde doelgroep behoort. Er zijn grofweg twee modellen voor het organiseren van een deel van huishoudelijke hulp als algemene voorziening: De gemeente geeft een organisatie een vast bedrag per jaar om een voorziening in stand te houden waar inwoners huishoudelijke hulp kunnen betrekken. Inwoners betalen een marktconform tarief direct aan de organisatie. De gemeente koopt zelf de hulp bij het huishouden in bij een organisatie, en betaalt per cliënt of per uur een bepaald bedrag aan de organisatie. Indien de gemeente dit wenst kan zij de kosten doorbelasten aan inwoners door een kostendekkende eigen bijdrage te vragen voor de geboden hulp. De gemeente zal in de implementatiefase een keuze maken voor één van beide modellen. B. Laagdrempelige dagbesteding als algemene voorziening Op dit moment zijn er diverse vormen van dagbesteding voor diverse doelgroepen, op diverse locaties en vanuit diverse financieringskaders. Zowel aanbieders als de gemeenten signaleren dat hierin teveel versnippering is opgetreden en dat dit de financiële houdbaarheid van deze voorzieningen onder druk zet. Daarnaast is de wens van de gemeenten om laagdrempelige ontmoetingsfuncties te realiseren waar alle inwoners van gebruik kunnen maken. We willen inwoners de mogelijkheid bieden om met elkaar in contact te komen en zo de eigen kracht en sociale netwerkvorming stimuleren. Daarom is het voorstel om de functies van dagbesteding, inloop en ontmoetingsruimtes te combineren tot één algemene voorziening19Het gaat hierbij uitsluitend om dagbesteding voor die doelgroepen welke enige mate van zelfredzaamheid hebben. Complexe dagbestedingsvormen voor mensen met een meervoudige beperking, voor zwaar verstandelijk gehandicapten, zwaar dementerenden en mensen met zware psychiatrische problematiek vallen binnen de maatwerkvoorzieningen.. Het resultaat is een laagdrempelige voorziening die vrij toegankelijk is voor alle inwoners die hiervan gebruik willen maken. In de laagdrempelige dagbesteding worden diverse activiteiten aangeboden waaraan men kan deelnemen. Gestreefd wordt naar activiteiten die een maatschappelijke bijdrage leveren en naar de vervaardiging van producten die verkocht kunnen worden aan particulieren of bedrijven, zodat de eigen bijdrage die gebruikers betalen zo laag mogelijk gehouden kan worden (symbolische eigen bijdrage). De voorziening zal met name gericht zijn op mensen die hun sociale netwerk willen uitbreiden, die contacten willen leggen in de buurt, behoefte hebben aan een zinvolle dagbesteding, onvoldoende dagritme hebben en/of dreigen te vereenzamen. De gemeenten vinden het belangrijk dat deze algemene voorziening voor het merendeel door vrijwilligers gedraaid wordt met ondersteuning van een beperkt aantal professionals. Dit draagt bij aan het laagdrempelige imago en helpt de kosten te beheersen. Het is wenselijk dat de algemene voorziening op meerdere locaties binnen de gemeenten geboden wordt, met elk een eigen karakter en activiteitenaanbod. Zo hebben inwoners enerzijds altijd een laagdrempelige dagbesteding in de buurt waar zij naartoe kunnen en anderzijds hebben zij keuzevrijheid in het type dagbesteding waar ze naartoe willen. C. Eén vervoersvoorziening voor alle doelgroepen Momenteel organiseert de gemeente vervoer op de volgende terreinen: leerlingenvervoer, Wmo- vervoer (inclusief 65+ en doelgroep overig), schoolvervoer (zwemmen en gymnastiek). Vervoer op deze terreinen is nu al een gemeentelijke taak om uit te voeren, dit is wettelijk geborgd. Onderdelen van leerlingenvervoer komen mogelijk te vervallen bij de invoering van Passend onderwijs. Een verantwoordelijkheid die gemeenten erbij krijgen is de organisatie van het vervoer van en naar dagbestedingsactiviteiten en dagopvang20Bij de aanbesteding van het vervoer voor de W mo (regiotaxi) en het leerlingenvervoer is er op Voorne-Putten niveau voor gekozen om het AW BZ-vervoer, in de vorm van een optie, niet mee te nemen in het bestek. Zodoende is het niet mogelijk om binnen de huidige contracten (lopend vanaf 2015) het AW BZ-vervoer zonder meer op te nemen. De contracten voor het W mo- en het leerlingenvervoer lopen in beginsel drie jaren met een optie tot verlenging van 2 keer 1 jaar. Pas bij een volgende inkoop kan het AW BZ-vervoer dus contractueel worden samengevoegd met de beide andere vervoersproducten.. Momenteel wordt het leerlingenvervoer en Wmo-vervoer uitgevoerd bij één aannemer via verschillende contracten. Schoolvervoer is georganiseerd bij lokale aanbieders. Het vervoer van en naar dagbestedingsactiviteiten en dagopvang is divers georganiseerd, aangezien dit nu een verantwoordelijkheid van de verschillende aanbieders is. Er zijn verschillende mogelijkheden om het vervoer goedkoper/efficiënter organiseren, zoals het verhogen van de kilometerstraal voor het leerlingenvervoer, werken met vaste opstappunten voor onderdelen van het vervoer, richtlijnen opstellen voor vervoerstijden (spreiden van de verschillende pieken), bij de inkoop rekening houden met de geografische spreiding van voorzieningen, combineren van doelgroepen. Op dit moment wordt onderzocht in hoeverre het (juridisch) mogelijk is om de nieuwe doelgroepen vanuit de AWBZ al vanaf 2015 met het bestaande Wmo-vervoer mee te laten reizen. Dit kan omdat de beperking van de voorliggende vervoersvoorziening vanuit de AWBZ dan niet meer van toepassing is. Praktisch gezien kan deze toevoeging tot problemen leiden, afhankelijk van de omvang van het AWBZ-vervoer en de vervoerstijden. De vormgeving wordt nader uitgewerkt in de implementatiefase. D. Opzetten gebiedsgerichte sociale teams als algemene voorziening Om problematiek op het niveau van individuele bewoners op te lossen of beheersbaar te maken, is het van belang dat lokaal ondersteuning in de eigen leefomgeving (de straat/buurt) geboden kan worden. De gemeenten hechten dan ook grote waarde aan het verbreden en versterken van het wijkgericht werken. Voorstel gemeente Hellevoetsluis Daarom is de gemeente voornemens om per 2015 één of meerdere sociale wijkteams te realiseren onder de naam ‘empowerment in de wijk’. In het Wmo-beleidsplan is benoemd dat het wijkteam zich met name zal richten op de groep mensen die (beginnende) problemen heeft, maar door de hulpverlening niet (goed) wordt bereikt of die (nog) niet bekend is bij de hulpverlening. Het sociale wijkteam vervult drie functies: Sociaal makelaar. De leden van het wijkteam hebben een laagdrempelige opbouwfunctie waarin zij vragen van inwoners zoveel mogelijk koppelen aan het lokale aanbod van vrijwillige inzet. Het kan hier zowel gaan om individuele vragen als om collectieve vragen Snelle en korte ondersteuning. De leden van het wijkteam zijn bevoegd om, elk vanuit hun expertise en waar nodig in onderlinge samenwerking, zeer kortdurende en snelle ondersteuning te bieden. Belangrijkste criterium is dat deze ondersteuning duidelijk is afgebakend in tijdsduur van maatwerkvoorzieningen (die in principe hetzelfde resultaat voor ogen hebben) en dat de professionele inschatting is dat een inwoner aan deze korte hulp voldoende heeft om de volledige vraag te kunnen oplossen. Screening en warme overdracht. De leden van het wijkteam zijn bevoegd om een screening uit te voeren om problematiek breed in kaart te brengen wanneer de hulpvraag of gesignaleerde problematiek van de inwoner niet opgelost is of lijkt te kunnen worden met de expertise binnen het wijkteam. Het is op dit moment nog niet duidelijk op welke wijze de wijkteams het beste kunnen worden bemenst, en hoe het werkgebied van elk wijkteam eruit ziet. Hierbij zullen ook gegevens over zorggebruik per wijk worden betrokken. Ook de inzet per type professional en per wijk dient nog te worden uitgewerkt in de implementatiefase. Voorstel gemeente Westvoorne Gemeente Westvoorne wil zo dicht mogelijk bij de mensen zelf en zoveel mogelijk onder eigen verantwoordelijkheid werken. Vanwege de schaalgrootte is het ook mogelijk om dit te realiseren. Westvoorne bestaat namelijk uit drie kernen (Tinte, Rockanje en Oostvoorne) met elk een eigen postcodegebied. Aangezien de gemeente, met totaal zo’n 13.910 inwoners, formeel geen wijken heeft, spreekt zij liever over sociale gebiedsteams in plaats van wijkteams. Voor de toekomst is het wenselijk dat een integraal team voor alle leeftijden opgezet wordt. Het team zal dezelfde drie functies vervullen als het team van Hellevoetsluis. Daarnaast zal de gemeentelijke zorgregisseur, die fungeert als oren en ogen van de wijk, hier deel vanuit maken en is het denkbaar dat ook de wijkverpleging hier onderdeel van wordt. Hoe dit gebiedsteam er precies uit gaat zien wordt in de komende maanden verder uitgewerkt. Beslispunt 5 - Alle inwoners kunnen gebruik maken van de algemene voorzieningen. Deze voorzieningen worden zoveel mogelijk voor én door inwoners vormgegeven, uitgevoerd en/of bekostigd. Als algemene voorzieningen worden in elk geval vormgegeven: Schoonmaakdienst Laagdrempelige dagbesteding Eén vervoersvoorziening voor alle doelgroepen Gebiedsgerichte sociale teams NIVEAU ‘MAATWERKVOORZIENINGEN’ De scheidslijn tussen algemene ondersteuning en ondersteuning op maat geeft aan dat zich hier een toegangsfunctie bevindt. Dit betekent dat inwoners niet zonder meer gebruik kunnen maken van deze voorzieningen. Er is in alle gevallen een indicatie of inhoudelijke toets nodig. De term maatwerkvoorziening zegt niets over de manier waarop deze aangeboden wordt: dit kan zowel individueel als collectief zijn. De gemeenten willen er samen met aanbieders naar streven dat maatwerkvoorzieningen, meer dan nu het geval is, collectief aangeboden worden. De maatwerkvoorzieningen bestaan uit een verschillende vormen van zorg en ondersteuning. Ook bevindt zich hier de professionele expertise die nodig is om te bepalen of mensen hun probleem zélf kunnen oplossen, hun omgeving het probleem kan oplossen of dat ze daarbij professionele ondersteuning nodig hebben. De lichtere vormen van hulpverlening zijn bovenin gepositioneerd en de zwaardere vormen (intensief, langdurig en/of complex) onderin. Bewoners die zich onderin de piramide bevinden zijn geheel niet in staat om de ondervonden problemen nog zelf op te lossen. Er is sprake van acute problematiek en/of een ernstig gebrek aan zelfredzaamheid op meerdere levensgebieden. De onderin de piramide geboden ondersteuning heeft tot doel om de draagkracht zodanig te versterken dat de acute problematiek is opgelost en de zelfredzaamheid zodanig is vergroot dat mensen kunnen ‘doorstromen’ naar hogere niveaus in de piramide. De producten worden door de gemeente bekostigd en door professionele organisaties uitgevoerd, eventueel met ondersteuning van vrijwilligers en/of mantelzorgers. ‘Versterken eigen kracht’ als maatwerkvoorziening Voor veel inwoners kan het versterken van eigen kracht op een niet-gerichte, laagdrempelige manier gebeuren door bijvoorbeeld gebiedsgerichte teams. Het gaat dan vooral om het activeren en aanjagen van latent aanwezige kwaliteiten, talenten en wensen. Er zijn echter ook inwoners die gericht ondersteuning nodig hebben om bepaalde vaardigheden te ontwikkelen of te versterken. Het gaat dan om vaardigheden die zij nodig hebben om aanwezige problemen zelf op te kunnen lossen, maar waarover zij niet of onvoldoende beschikken. Het voorstel is een maatwerkvoorziening in te richten die specifiek tot doel heeft om eigen kracht te versterken. Het product bestaat uit verschillende kortdurende interventies die zijn gericht op het specifiek versterken van bepaalde vaardigheden (persoonlijke effectiviteit). Gedacht kan worden aan een cursus, coaching, training of praktijkbegeleiding op het gebied van bijvoorbeeld budgetteren, opvoeden, zelfzorg, stressreductie of assertiviteit21Het palet aan mogelijke interventies is breed, maar kent wel een duidelijke afbakening met 1e lijns psychologische zorg en cursussen met een educatieve achtergrond (onderwijs gerelateerde activiteiten). Hiervoor zijn namelijk al voorzieningen beschikbaar. Omdat eigen kracht centraal staat, is het essentieel dat de inwoner zelf zijn interventie kan kiezen, daarbij ondersteund door een cliëntondersteuner of vraagverhelderaar. Tegelijkertijd kan dit product voor sommige inwoners dusdanig aantrekkelijk zijn dat het mogelijk een aanzuigende werking heeft als men totale vrijheid krijgt bij de interventie die men kiest. Daarom is het voorstel om te werken met een systeem met vouchers, ofwel waardebonnen, die aan de cliënt verstrekt worden en waarmee hij of zij zelf een interventie kan kiezen. Hulpverleners dienen zich bij de gemeente te registreren om te kunnen worden uitbetaald. Dit biedt de gemeente de mogelijkheid tot een vorm van controle op de organisaties. Vouchers worden beschouwd als een voorziening in natura en kunnen daarom naast het systeem met een persoonsvolgend budget worden gehanteerd (zie paragraaf 4.3.3). Beslispunt 6 - Inwoners kunnen uitsluitend van maatwerkvoorzieningen gebruik maken wanneer zij hiervoor een indicatie hebben. De producten worden door de gemeente bekostigd en door professionele organisaties uitgevoerd, waar mogelijk met ondersteuning van vrijwilligers en/of mantelzorgers. 4.3.3 Hervormen van het aanbod Het huidige veld wordt gekenmerkt door een lappendeken van diverse producten, veelal met functiegerichte en technische benamingen zoals ‘algemeen maatschappelijk werk’, ‘intensieve pedagogische thuisbegeleiding’ of ‘ambulante begeleiding’. Cliënten ervaren het huidige veld hierdoor vaak als zeer onoverzichtelijk en verwarrend. Het onderscheid of de overeenkomst tussen producten is niet duidelijk en de terminologie te abstract. In de marktconsultatie hebben de meeste aanbieders aangegeven actief bezig te zijn met de ontwikkeling en vernieuwing van diensten en producten. Aanbieders geven aan dat het belangrijk is dat de gemeenten sturen op de (gezamenlijke) vernieuwing van producten. Door de focus op preventie en signalering te leggen wordt ook van aanbieders een transformatie gevraagd: De omvang van specialistische zorg zal afnemen. Daar tegenover staat dat de rol van deze professionals in preventie en signalering zal toenemen. Hierbij valt te denken aan de expertrol, diagnostische inzet, coaching/training van 1elijns professionals, en een rol in de monitoring na afschaling van de zorg (nazorg). De rol van professionals die laagdrempelige ondersteuning bieden wordt belangrijker. Zij krijgen expliciet de opdracht mee om tijdig, licht en kort te ondersteunen waar nodig en inwoners gericht te coachen op duurzame zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Daarnaast vervullen zij een complementaire rol tijdens de uitvoering van complexe zorgtrajecten: dichtbij de cliënt met de focus op het versterken van de eigen kracht, het vergroten van het sociale netwerk en het matchen van vraag en aanbod in informele ondersteuning. A. Cliënt- en resultaatgerichte basisproducten De gemeenten streven naar een andere vormgeving van het veld waarin cliënt- en resultaatgerichtheid het uitgangspunt zijn en die aanbieders optimale ruimte biedt tot vernieuwing van hun aanbod en samenwerking hierin. We willen dit bereiken door: Terugbrengen van het aantal producten; Hanteren van eenvoudige, heldere terminologie; Duidelijk afbakenen van wel en niet vrij toegankelijke producten; Open definiëren van producten zodat overlap en overeenkomsten in zorgvormen, gebruikers, deskundigheden en locatie benut kunnen worden; Koppelen van elk product aan het gewenste resultaat. Het resultaat is een hervormd palet van zorg en ondersteuning dat bestaat uit basisproducten en modules. De basisproducten zijn globaal beschreven zodat aanbieders veel ruimte krijgen om hierbinnen zelf praktisch vorm te geven aan de in te zetten zorg of ondersteuning. De gemeente als opdrachtgever definieert het gewenste resultaat (het ‘wat’) en stuurt hier op in de financiering en verantwoording. De modules zijn bedoeld als aanvulling op de basisproducten en kunnen niet zelfstandig worden ingezet. Ze worden ingezet als ze nodig zijn om de benodigde randvoorwaarden te creëren voor een effectieve inzet van één of meerdere basisproducten. Ze worden wel afzonderlijk ingekocht. De basisproducten en modules dienen als stip op de horizon. Over een aantal jaren moeten deze producten duidelijk en herkenbaar aanwezig zijn voor inwoners en zorgbehoevenden. Ze dienen dan als het primaire kader voor de verordening, vraagverheldering, indicatiestelling, inkoop en verantwoording bij aanbieders. Dit beleidsplan geeft geen antwoord op de vraag hoe we tot deze basisproducten en modules komen. Dit wordt nader uitgewerkt in het implementatieplan. Er is gekozen voor een indeling in drie productclusters: algemene voorzieningen, maatwerkvoorzieningen en modules. Deze zijn terug te vinden in de figuur aan het begin van paragraaf 4.
  24. Vooralsnog zijn er 12 basisproducten benoemd en 4 modules. Een uitgebreide toelichting op de producten en modules is opgenomen in bijlage
  25. Tabel 4.1: Indeling productclusters en basisproducten Productcluster Basisproducten Algemene voorzieningen (1 t/m 6) Schoonmaakservice, collectief vraagafhankelijk vervoer, laagdrempelige dagbesteding, empowerment in de wijk, vrijwilligerssupport, mantelzorgsupport Maatwerkvoorzieningen (7 t/m 12) Versterken eigen kracht, zelfstandig wonen, leren participeren, ondersteuning bij arbeidsinschakeling, zware en acute problematiek beheersbaar maken, hulp in gedwongen kader Modules (13 t/m 16) Activeren sociale netwerk, diagnose, casusregie, begeleiding bij vervoer De toelichting op de vormgeving van bepaalde voorzieningen en beslispunten hieromtrent komen in de paragrafen hierna aan bod. B. Vrijwilligerswerk als onderdeel van een maatwerkvoorziening Eén van de doelstellingen is het vergroten van het aandeel vrijwillige (informele) ondersteuning ten opzichte van de professionele (formele) ondersteuning. Dit betekent concreet dat een deel van de activiteiten die nu door professionals worden uitgevoerd, straks door vrijwilligers en mantelzorgers worden uitgevoerd. Zo is er minder professionele inzet nodig waardoor er kosten bespaard kunnen worden. Voor vrijwilligers geldt dat zij met name die activiteiten overnemen die nu door een professional worden uitgevoerd als onderdeel van een breder pakket maar die geen specifieke, professionele deskundigheid vereisen. Het gaat dus niet om het overnemen van de kerntaken van de professional maar meer de faciliterende, voorwaardenscheppende activiteiten die de effectiviteit van de kerntaken verhogen of de uitvoering hiervan vergemakkelijken. Voorbeelden hiervan zijn een praatje maken, een wandeling maken, een maaltijd bereiden, helpen met eten, boodschappen doen, structuur aanbrengen in de dag, signalering/monitoring (oogje in het zeil). Het bespaart de professional tijd wanneer deze zich kan richten op de kerntaken. Voor mantelzorgers ligt dit mogelijk anders, afhankelijk van de relatie die zij met de zorgvrager hebben en hun draagkracht, kunnen zij eventueel wel zorggerelateerde taken op zich nemen. Hierbij moet wel aandacht zijn voor overbelasting. In de marktconsultatie hebben de meeste aanbieders aangegeven dat zij serieus kijken naar een gedifferentieerde inzet van deskundigheidsniveaus, waarbij ook informele zorg betrokken wordt. Het werken met vrijwilligers binnen professionele zorg kan een duidelijke meerwaarde hebben, bijvoorbeeld: Aanvullend werken - Een professional is een ‘officiële’ bezoeker met macht, en een vrijwilliger is een behulpzame vriend of vriendin voor wie het huis niet aan kant hoeft. Juist het informelere karakter van vrijwilligerswerk biedt kansen. Kwaliteit ‘van onderop’ - Vrijwilligerswerk biedt een aanvullende vorm van kwaliteit bovenop de professionaliteit van beroepskrachten door extra tijd, aandacht en flexibiliteit. Daarnaast kunnen vrijwilligers een bijdrage leveren aan de kwaliteit van de organisatie door deze vanuit hun relatieve buitenstaanderspositie kritisch te ‘bevragen’. Als gemeenten willen we de inzet van vrijwilligers en mantelzorgers als complementair onderdeel van professionele zorg stimuleren. De taak van de gemeente is om algemene kaders te stellen en richtlijnen te formuleren voor de inzet van professionals en vrijwilligers. We zullen de grenzen tussen professionele en vrijwillige inzet zorgvuldig trekken en hier ook de professionele opinie en verantwoordelijkheid van aanbieders in betrekken. De gemeente wil ervoor waken om hierin te specifiek te zijn: in de praktische afstemming met de vrijwilliger over de taakverdeling is de professional primair aan zet. Daarnaast zal de gemeente in haar inkoop sturen op een groter aandeel vrijwillige inzet. Ook kan de gemeente waar nodig ondersteunen bij werving en deskundigheidsbevordering van vrijwilligers. Al deze zaken worden verder uitgewerkt in het implementatieplan. C. Instellen van een persoonlijk budget als verstrekkingsvorm Volwassenen en jeugdigen die een aanspraak kunnen maken op een maatwerkvoorziening, krijgen vanuit de nieuwe Jeugdwet en de Wmo de keuze tussen een voorziening in natura en een budget. Hieraan is wel een aantal voorwaarden verbonden welke ook in de wet zijn opgenomen. De eerste is dat de aanvrager in staat moet zijn om de aan het budget verbonden taken en verplichtingen op een verantwoorde wijze uit te voeren. De tweede is dat de aanvrager moet beargumenteren waarom hij de maatwerkvoorziening niet geleverd wenst te krijgen door een aanbieder. De laatste voorwaarde is dat de met het budget ingekochte diensten, hulpmiddelen of activiteiten van voldoende kwaliteit zijn. Dit alles dient door het College te worden getoetst. Daarnaast acht de regering het wenselijk dat beloning van niet-professionals (zoals mantelzorgers) door middel van het budget beperkt blijft tot de gevallen waarin dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt. Ten slotte kan de gemeente om redenen van doelmatigheid in haar verordening bepalen dat bepaalde diensten, hulpmiddelen of activiteiten die tot een maatwerkvoorziening behoren, zijn uitgesloten van verstrekking in de vorm van een persoonlijk budget. Redenen kunnen bijvoorbeeld zijn het wegvallen van inkoopvoordelen of de (collectieve) aard van de ondersteuning. De vorm van het persoonlijk budget is anders dan voorheen: het geldbedrag wordt wel toegekend aan een cliënt maar wordt niet aan de cliënt uitgekeerd. De cliënt kan kiezen bij welke aanbieder hij zijn budget besteedt. De aanbieder waar hij voor kiest wordt uitbetaald door de gemeente. Dit heet ‘trekkingsrecht’. De Sociale Verzekeringsbank is bij wet aangewezen als verplichte beheerder van het budget, en deze betaalt dan ook de aanbieder. Het brede beleid rondom het persoonlijk budget wordt in 2014 nader uitgewerkt als onderdeel van de implementatie. Beslispunt 7 - De gemeenten zetten in op het vernieuwen en ontwikkelen van diensten en producten door: Te kiezen voor een hervormd palet van zorg en ondersteuning dat bestaat uit basisproducten en modules. Te stimuleren dat aanbieders vrijwilligers en mantelzorgers inzetten als complementair onderdeel van professionele zorg. Inwoners de mogelijkheid te bieden om hun indicatie voor een maatwerkvoorziening te verzilveren in de vorm van een persoonlijk budget. 4.3.4 ‘Maatwerkvoorziening inkomenssteun’ voor gebruikers van voorzieningen Een groot gedeelte van de inwoners maakt gebruik van meerdere voorzieningen uit de huidige AWBZ en/of Wmo. Het kan zijn dat zij voor diverse voorzieningen een eigen bijdrage moeten betalen. In de huidige situatie wordt rekening gehouden met cumulatie-effecten door een maximum te stellen voor de totale eigen bijdrage voor al deze voorzieningen. Op het moment dat een deel van deze voorzieningen algemeen wordt vormgegeven en hiervoor een bijdrage wordt gevraagd, kan het zijn dat iemand meer dan de huidige maximale eigen bijdrage gaat betalen. Dit kan ongewenste effecten hebben, bijvoorbeeld dat inwoners niet meer van een bepaalde voorziening gebruik kunnen maken omdat zij de kosten hiervoor niet kunnen dragen. Zo is bekend is dat bijna 80 procent van de klanten die nu hulp bij het huishouden ontvangt via de gemeentelijke Wmo, hiervoor de minimale eigen bijdrage betaalt. Dit betekent dat zij een inkomen hebben van minder dan 120% van het wettelijk minimumloon. Bij een omzetting van individuele voorzieningen (zoals HH1) naar een algemene voorziening dient daarom in het bijzonder aandacht besteed te worden aan de financiële effecten voor individuele gebruikers. Dat geldt ook voor gebruikers die niet onder de doelgroep ‘minima’ vallen maar bij wie door hoge zorgkosten het besteedbaar inkomen per saldo te laag is. De gemeenten ontvangen in de decentralisatie vanuit de Rijksoverheid middelen voor het inrichten van een ‘maatwerkvoorziening inkomenssteun’ voor gebruikers van voorzieningen. Het kabinet decentraliseert hiertoe de regelingen voor inkomensondersteuning van chronisch zieken en gehandicapten met meerkosten. Gemeenten krijgen waarschijnlijk een grote mate van beleidsvrijheid in het inrichten van deze voorziening22Het wettelijk kader voor het uitvoeren van deze taak door gemeenten kan de W mo of de W et bijzondere bijstand zijn, maar ook een nieuw op te stellen wettelijk kader behoort tot de mogelijkheden.. De gemeenten zullen in elk geval dit budget inzetten voor de nieuw te realiseren voorziening. Beslispunt 8 – De gemeenten zullen inwoners financieel compenseren als zij niet in staat zijn om de eigen bijdrage voor algemene voorzieningen en/of maatwerkvoorzieningen te betalen. 4.4Samenvatting en beslispunten Nadat een inwoner zijn probleem of ondersteuningsvraag in een gesprek met een medewerker van de gemeentelijke backoffice in beeld heeft gebracht, is het de taak van de gemeente om hier een passende oplossing voor te bieden. De focus ligt op het hervormen van de zorg en ondersteuning in het brede deel van de piramide (de huidige 0e en 1e lijn). De gemeenten doen hiertoe drie beleidsvoorstellen: Uitgaan van de kracht van de samenleving Inwoners zijn zelf verantwoordelijk voor alle leefgebieden. De gemeente biedt alleen ondersteuning wanneer inwoners onvoldoende zelfredzaam zijn om hier zelf vorm aan te geven. De gemeenten gaan uit van de kracht van de samenleving. De gemeente ziet vrijwillige inzet als gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van inwoners en stimuleert vrijwillige inzet strategisch. Investeren in preventie en tijdige inzet Meer voorzieningen zullen worden aangeboden als algemene voorziening. Iedereen kan hier vrij gebruik van maken. De gemeente kan ervoor kiezen om de algemene voorzieningen aan te bieden tegen een (al dan niet kostendekkende) eigen bijdrage. Als inwoners ondersteuning nodig hebben, zal eerst worden bekeken of dit kan door de inzet van algemene voorzieningen. Hervormen van het aanbod Er wordt niet langer gebruik gemaakt van de huidige lappendeken van het aanbod, maar zal worden toegewerkt naar arrangementen. Een arrangement is een pakket bestaande uit één of meerdere typen van oplossingen die de inwoner samen passende ondersteuning bieden voor de beperkingen die hij ervaart in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Om hiertoe te komen is een indeling gemaakt van productclusters op drie niveaus: algemene voorzieningen (vrij toegankelijk), maatwerkvoorzieningen (niet vrij toegankelijk) en modules (niet vrij toegankelijk). Als maatwerkvoorziening zal in elk geval worden vormgegeven het versterken van eigen kracht in de vorm van ondersteuning die specifiek is gericht op het versterken of aanleren van vaardigheden die de zelfredzaamheid versterken. Tevens stimuleren de gemeenten aanbieders om een deel van de zorg en ondersteuning te laten uitvoeren door vrijwilligers en/of mantelzorgers, en bieden zij inwoners de mogelijkheid om maatwerkvoorzieningen van individuele aard te verzilveren in de vorm van een persoonsvolgend budget. Visueel beeld van zorg/ondersteuning in combinatie met toegang De vormgeving van zorg en ondersteuning houdt direct verband met de organisatie van de toegang tot deze zorg en ondersteuning. Hoofdstuk 5 gaat in op de manier waarop de toegang zal worden georganiseerd. In de samenvatting is in paragraaf 8.1.3 een visueel totaalbeeld opgenomen. Beslispunt
  26. De gemeenten gaan uit van de kracht en zelfredzaamheid van de samenleving. Als logisch gevolg hiervan legt de gemeente bepaalde voorzieningen uit de huidige 0e en 1e lijn terug bij de samenleving. De gemeenten hebben blijvend een taak in signalering, gezamenlijk met aanbieders en inwoners.
  27. Alle inwoners kunnen gebruik maken van de algemene voorzieningen. Deze voorzieningen worden zoveel mogelijk voor én door inwoners vormgegeven, uitgevoerd en/of bekostigd. Als algemene voorzieningen worden in elk geval vormgegeven: A. Schoonmaakdienst B. Laagdrempelige dagbesteding C. Eén vervoersvoorziening voor alle doelgroepen D. Gebiedsgerichte sociale teams
  28. Inwoners kunnen uitsluitend van maatwerkvoorzieningen gebruik maken wanneer zij hiervoor een indicatie hebben. De producten worden door de gemeente bekostigd en door professionele organisaties uitgevoerd,waar mogelijk met ondersteuning van vrijwilligers en/of mantelzorgers.
  29. De gemeenten zetten in op het vernieuwen en ontwikkelen van diensten en producten, door: A. Te kiezen voor een hervormd palet van zorg en ondersteuning dat bestaat uit basisproducten en modules. B. Te stimuleren dat aanbieders vrijwilligers en mantelzorgers inzetten als complementair onderdeel van professionele zorg. C. Inwoners de mogelijkheid te bieden om hun indicatie voor een maatwerkvoorziening te verzilveren in de vorm van een persoonlijk budget.
  30. De gemeenten zullen inwoners financieel compenseren als zij niet in staat zijn om de eigen bijdrage voor algemene voorzieningen en/of maatwerkvoorzieningen te betalen. 5Toegang 5.1Inleiding In de drie decentralisaties speelt de vormgeving van de toegang een belangrijke rol. De toegang biedt namelijk de basis voor sturing op drie centrale doelstellingen: de over te hevelen taken worden met minder middelen uitgevoerd, er wordt een groter beroep gedaan op de eigen kracht en ondersteuning moet in samenhang geboden worden vanuit het principe één huishouden, één plan (zorgcoördinatie). Begrippenkader In dit hoofdstuk wordt toegang op twee manieren gedefinieerd: Toegang in smalle zin omvat de beoordeling of iemand in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, aangezien deze niet vrij toegankelijk zijn (zie ook het onderstaande figuur). Het betreft hier de functies vraagverheldering, indicatiestelling en het inzetten van het diagnostisch team voor specialistisch advies. De toegang in smalle zin wordt georganiseerd in de gemeentelijke backoffice en is dus in eigen beheer. Toegang in brede zinomvat alle taken die vooraf gaan aan het indienen van een aanvraag voor ondersteuning. Dit zijn in elk geval signalering, informatie en advies, onafhankelijke cliëntondersteuning en screening. Hierin spelen zowel gemeenten als partners een belangrijke rol. Loket Fysieke locatie in de gemeente waar inwoners met en zonder afspraak terecht kunnen voor informatie, advies, aanvragen, bemiddeling en verwijzing. Het loket is verbonden aan de backoffice waar vraagverheldering en indicatiestelling wordt uitgevoerd. Vraagverheldering Vraagverheldering is een hulpmiddel dat wordt ingezet door de gemeente om duidelijk te krijgen wat de (werkelijke) zorg- of hulpvraag van een inwoner is. Het doel is helder te krijgen waar een inwoner beperkingen ervaart en wat hij/zij nodig heeft om deze beperkingen zoveel mogelijk weg te nemen. Indicatiestelling Vaststelling door een ambtenaar in de gemeentelijke backoffice van de noodzakelijke (hoeveelheid) zorg en daarmee het recht van de zorgvrager op vergoeding van die zorg. Dit gebeurt door toetsing aan vastgestelde beleidsregels, op basis van de informatie die is verkregen uit de vraagverheldering. Zorgcoördinatie Zorgcoördinatie is het op elkaar afstemmen van de ondersteuning die vanuit verschillende organisaties aan een gezin/systeem geboden wordt, indien het systeem25 dat niet zelf kan, of als de veiligheid van één of meer van de betrokkenen in het geding is. De gemaakte afspraken zijn niet vrijblijvend. Leeswijzer In paragraaf 5.2 wordt de huidige vormgeving van de toegang kort benoemd voor de huidige en te decentraliseren taken. In paragraaf 5.3 zijn de beleidsvoorstellen rondom toegang beschreven. 5.3.2 beschrijft de keuze voor twee loketten, 5.3.3 gaat in op de eerste screening in het loket, 5.3.4 beschrijft de vormgeving van de toegang in smalle zin, 5.3.5 benoemt de samenwerking met partners, 5.3.6 behandelt de onafhankelijke cliëntondersteuning en 5.3.7 geeft een schets van de zorgcoördinatie. Ten slotte bevat paragraaf 5.4 een samenvatting en een overzicht van de beslispunten. 5.2Hoe is het nu? In de huidige situatie bestaan er diverse organisaties die

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.