(53)in 6 clusters (Agrarische Natuurverenigingen) verspreid over Nederland (totaal 1600 hectare). Op basis van deze ervaringen én eigen ervaringen is het Koploperproject uitgewerkt in een aantal maatregelen dat sterk gericht is op het verhogen van de kuikenoverleving. Door een gezamenlijke aanpak, meer maatwerk en aanvullende maatregelen voor weidevogels (mozaïekbeheer) moet dit resulteren in een hogere reproductie (meer vliegvlugge weidevogelkuikens) en een toename van de weidevogelstand met 25% in 5 jaar bij de deelnemende bedrijven. Tevens geldt het als een voorbeeldfunctie voor andere gebieden.Deze regeling is als experiment opgezet. We streven er naar om de uitvoering van het project in de loop der jaren over te dragen aan bestaande of nog op te richten samenwerkingsverbanden van agrariërs in het gebied, waarbij de provincie meer een sturende en ondersteunende rol gaat spelen.] Artikel 4.26. Criteria 1. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor extra maatregelen ter verbetering van biotoop, broedsucces en kuikenoverleving van weidevogels (experiment koplopers weidevogelboeren) in de vorm van:44[Toelichting: De criteria waarvoor subsidie op dit onderdeel in aanmerking komt, betreffen extra activiteiten ter verhoging van het broedsucces en de kuikenoverleving van weidevogels. Het gaat hierbij om extra activiteiten die bepaalde agrariërs treffen bovenop het weidevogelbeheer en bescherming die zij uit eigen beweging reeds uitvoeren. In relatie tot lid 2, de zgn. instapcriteria, gaat het daarbij om agrariërs die (nog) relatief hoge dichtheden aan weidevogels op hun bedrijf hebben. Bij deze ‘koplopers’ in het gebied zullen de maatregelen het meeste rendement opleveren. Boeren komen alleen in aanmerking voor dit project als er in een samenhangend/aaneensluitend gebied minimaal 15 broedparen van grutto, tureluur en/of wulp aanwezig zijn met een minimale dichtheid van 15 broedparen per 100 hectare. Tevens is deelname mogelijk als het bedrijf in één van de voorgaande 3 jaren (individueel) minimaal 10 nesten gehonoreerd heeft gekregen in het kader van het project natuurproductiebetaling. Deze voorwaarden zijn opgenomen, omdat dit een hoge dichtheid van (kritische) soorten weidevogels garandeert. Bij hogere dichtheden van weidevogels zullen de maatregelen veel meer effect opleveren. Het project is gericht op versterking van de kuikenoverleving. Daarom wordt als instapeis een aanvraag van minimaal 1 hectare vluchtstroken en/of voorbeweiding .Percelen waarop een beheersovereenkomst (Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer) of een contract particulier natuurbeheer van kracht is (Subsidieregeling Natuurbeheer), komen niet in aanmerking voor subsidie. Dit geldt tevens voor percelen die in eigendom zijn van een natuurbeschermingsorganisatie. Hier worden al beheersmaatregelen gesubsidieerd. Stapeling met deze subsidies is aldus niet mogelijk.] vluchtstrokenbeheer: stroken met veel legsels en/of kuikens van minimaal 10 meter breed en 50 meter lang en met een totale oppervlakte van maximaal 1 hectare die minimaal 2 weken later worden gemaaid dan de rest van het perceel en niet eerder dan 22 mei; 45[Toelichting: De vluchtstroken worden daar neergelegd waar de meeste nesten van kritische weidevogels zijn gevonden en/of de meeste paren met kuikens aanwezig zijn. Om deze stroken goed te laten functioneren is een minimummaat van 10 m bij 50 m opgenomen. Voor de doelmatigheid voor het weidevogelbeheer (laagste kosten, meeste rendement) is gekozen voor een maximumoppervlakte van 1 hectare, zodat meerdere stroken op het bedrijf worden neergelegd. De stroken zijn specifiek gericht op het vergroten van de kuikenoverleving. Gruttokuikens, en in mindere mate kuikens van tureluur en wulp blijven in het lange gras. M.n. kuikens, die niet net uit het ei zijn, hebben bij de huidige maaiapparatuur en het tempo van maaien nauwelijks kans te overleven. De meeste nesten van grutto, tureluur en wulp komen doorgaans uit in de periode 5 tot 15 mei. Daarom is gekozen om de stroken minimaal 2 weken later te laten maaien en niet eerder dan 22 mei. Als de stroken 2 weken later gemaaid worden dan de rest van het perceel, is er doorgaans in de rest van het perceel weer voldoende gras om dekking te vinden. De vergoeding is alleen gebaseerd op het verlies aan opbrengst (m.n. de kwaliteit loopt achteruit), en dat deze stroken weer apart moeten worden gemaaid, verwerkt en ingekuild. Deze kosten kunnen nog hoger oplopen als hier een loonbedrijf voor wordt ingeschakeld.] voorbeweiding: in een periode tot uiterlijk 1 mei, met aansluitend een rustperiode tot 15 juni ofwel in een periode tot uiterlijk 24 april, met aansluitend een rustperiode tot 1 juni, waarbij in de betreffende rustperiode wordt afgezien van bemesten, rollen, slepen en maaien van het perceel. Ingeval deze activiteit wordt uitgevoerd met schapen, geldt een periode tot uiterlijk 15 april respectievelijk 8 april; uitstel van maaien: op percelen met veel kuikens, tenminste 4 paar met kuikens van grutto, wulp en/of tureluur met minimaal 2 weken en niet eerder dan 1 juni of met minimaal 3 weken en niet eerder dan 8 juni; nestbescherming waarbij: • weidevogelnesten worden gemarkeerd en beschermd; • op in te maaien percelen met kuikens, 1 tot 2 dagen voor het maaien stokken met plastic zakken worden geplaatst; • in te beweiden percelen nestbeschermers over de legsels worden geplaatst; • in de periode 15 april tot 15 juni niet ’s nachts wordt gemaaid. 2. Een aanvraag om subsidie als bedoeld in het eerste lid moet voldoen aan de volgende criteria: de aanvraag is afkomstig van een landbouwonderneming of een andere onderneming, dan wel een samenwerkingsverband daarvan; er is sprake van onderling samenhangend gebied van minimaal 100 hectare, waar minimaal de soorten grutto, tureluur en/of wulp voorkomen, met een minimale dichtheid van 15 broedparen per 100 hectare ofwel de aanvraag is afkomstig van een landbouwbedrijf, een onderneming of een samenwerkingsverband daarvan, die in één van de voorgaande 3 jaren minimaal 10 nesten gehonoreerd hebben gekregen in het kader van het project natuurproductiebetaling; zij minimaal betrekking heeft op 1 hectare van de maatregelen genoemd in artikel 4.28 van dit besluit; op de betreffende gronden rust geen beheersovereenkomst op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer of Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer, noch is er een contract Particulier Natuurbeheer afgesloten; de betreffende gronden zijn niet in beheer bij of eigendom van een particuliere natuurbeschermingsorganisatie. 3. Een grondgebruiker kan subsidie aanvragen voor een succesvol uitgekomen nest van één of meerdere van de soorten: grutto, tureluur, wulp, slobeend, zomertaling, watersnip en kemphaan (natuurproductiebetaling weidevogels). De subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria: op de gronden rust geen beheersovereenkomst op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer of Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer en ook geen contract Particulier Natuurbeheer; de gronden moeten liggen binnen beheersgebieden nieuwe natuur of gebieden met een weidevogeldoelstelling; het nest is gemarkeerd. Artikel 4.27. Grondslag subsidie 1. De subsidie als bedoeld in artikel 4.26, eerste lid, bedraagt: 46[Toelichting: In dit artikel zijn de grondslagen voor de subsidie neergelegd. Het betreft maximum subsidiebedragen per activiteit per hectare en is eveneens gekoppeld aan een maximum per bedrijf. De maatregelen zijn sterk gericht op het verbeteren van de kuikenoverleving (van uitkomen van legsel tot vliegvlugge kuikens).] voor vluchtstrokenbeheer € 442,-- per hectare; voor voorbeweiding: € 273,-- per hectare voor de periode tot uiterlijk 1 mei of ingeval voorbeweiding wordt uitgevoerd met schapen tot uiterlijk 15 april, met een rustperiode tot 15 juni; € 200,-- per hectare voor de periode tot uiterlijk 24 april of ingeval voorbeweiding wordt uitgevoerd met schapen tot uiterlijk 8 april, met een rustperiode tot 1 juni; 47 [Toelichting: De voorbeweidingspakketten zijn er eveneens op gericht op, dat in de periode van 5 mei tot 15 juni er percelen aanwezig zijn met langer gras, waarin kuikens van grutto, wulp en tureluur kunnen overleven. Daarnaast worden deze percelen zo ook geschikt gemaakt voor (her)vestiging van kritische soorten. Voorbeweiding met schapen leidt tot een kort afgevreten grasmat zonder structuur, vandaar dat hier een extra beperking (2 weken eerder de schapen er uit) is opgenomen. De beperkingen leiden tot een afname in opbrengst en beperkingen in de bedrijfsvoering. De vergoedingen zijn rechtstreeks gerelateerd aan de onderdelen voorbeweiding uit de collectieve weidevogelpakketten van de SAN.] voor uitstel van maaien: • € 155,-- per hectare ingeval van uitstel van minimaal 2 weken en niet eerder dan 1 juni; • € 205,-- per hectare ingeval van uitstel van minimaal 3 weken en niet eerder dan 8 juni; voor nestbescherming: € 150,-- per aanvrager, vermeerderd met € 4,-- per hectare gebied waarbij dit bedrag per hectare is gekoppeld aan de oppervlakte waarmee het landbouwbedrijf of de onderneming deelneemt in de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd. 48[Toelichting: Dit is, naast de deelname aan 1 hectare vluchtstroken en/of voorbeweiding, een verplicht onderdeel voor deelname aan het project. Deelnemers dienen zoveel mogelijk alle nesten op het bedrijf te markeren en te beschermen bij werkzaamheden. Bij maaien en andere landbouwwerkzaamheden ontzien ze de legsels en laten een pol staan, zodat het nest gespaard blijft. Bij beweiding dienen ze een nestbeschermer over de nesten te plaatsen, zodat geen vertrapping plaatsvindt. Eén tot 2 dagen voor het maaien plaatsen ze in percelen, waar geen vluchtstroken blijven staan, stokken met plastic zakken, zodat de paren met kuikens de percelen verlaten en een veilige plek vinden in vluchtstroken, voorbeweiden of nog niet gemaaide percelen. Daarnaast wordt verwacht dat ze de resultaten in kaart brengen en deelnemen aan een start- en evalutiebijeenkomst van het project. Om hieraan te kunnen voldoen, vraagt veel tijd. Met name het zoeken van legsels kost erg veel tijd, waarbij de agrariërs vaak ook derden (vrijwillige weidevogelbescherming) inschakelen. Bij de vergoeding is een vast deel genomen, omdat iedere deelnemer extra maatregelen en tijd moet vrijmaken voor de uitvoering. Aangezien een groot bedrijf meer inspanningen moet doen, is dit verwerkt in een variabel deel (€ 4,-- per hectare). Met name de tijd die het zoeken van legsels vraagt, is deze vergoeding dan ook niet meer als een tegemoetkoming in de kosten.] 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid bedraagt de subsidie per onderneming, landbouwbedrijf of een samenwerkingsverband daarvan maximaal € 3.000,-- per jaar. 49[Toelichting: Uit doelmatigheidsoverwegingen is de subsidie op bedrijfsniveau aan een maximum gesteld. Dit bedrag is gedifferentieerd naar dichtheid van kwetsbare weidevogelsoorten, met als criterium de deelname aan natuurproductiebetaling in de voorgaande 3 jaar. Deze dichtheid is aantoonbaar omdat deelname aan natuurproductiebetaling is geregistreerd en relatief eenvoudig te betrekken bij dit project.] 3. In afwijking van het tweede lid bedraagt de subsidie maximaal: 50[Toelichting: Voor een uitgekomen nest van een aantal kritische weidevogelsoorten wordt een subsidie van € 68,-- per succesvol uitgekomen nest betaald en € 100,-- indien op de aangrenzende gronden een beheersovereenkomst op grond van de SAN danwel een contract Particulier Natuurbeheer is afgesloten.] € 4.500,-- indien een onderneming, een landbouwbedrijf of een samenwerkingsverband daarvan in één van de voorgaande 3 jaren minimaal 10 nesten als natuurproductiebetaling gehonoreerd heeft gekregen; € 6.000,-- indien een onderneming, een landbouwbedrijf of een samenwerkingsverband daarvan in één van de voorgaande 3 jaren minimaal 15 nesten als natuurproductiebetaling gehonoreerd heeft gekregen. 4. De subsidie als bedoeld in artikel 4.26, derde lid, bedraagt € 68,-- per succesvol uitgekomen nest. 5. In afwijking van het vierde lid bedraagt de subsidie € 100,-- per succesvol uitgekomen nest indien op de aangrenzende gronden een beheersovereenkomst van toepassing is op grond van de Subsidieregeling natuurbeheer of Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer, dan wel indien een contract Particulier Natuurbeheer is afgesloten. Artikel 4.28. Indieningstermijn aanvraag 51 [Toelichting: Het uitvoeringsbesluit schrijft in artikel 1.10 voor dat aanvragen voor prestatiesubsidies worden ingediend dertien weken voorafgaande aan het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft. Juist het specifieke onderwerp waarop deze regeling betrekking heeft, noodzaakt tot een andere indieningstermijn. Vanaf circa 1 april start het broedseizoen van de kwetsbare soorten weidevogels. Met inachtneming van een korte behandeltermijn zullen de aanvragen dan ook voor 1 april moeten zijn ingediend. Voor natuurproductiebetaling geldt een termijn van 6 dagen na uitkomen van het legsel.] In afwijking van artikel 1.10 wordt een subsidieaanvraag: a. voor subsidie als bedoeld in artikel 4.26, eerste lid, ingediend voor 1 april van het betreffende kalenderjaar; b. voor subsidie als bedoeld in artikel 4.26, derde lid, ingediend binnen 6 dagen na het uitkomen van het legsel. Artikel 4.29. Subsidieplafond 52 [Toelichting: Jaarlijks stellen Gedeputeerde Staten een subsidieplafond vast. Het overschrijden van dit plafonds levert een weigeringsgrond op. Het plafond wordt jaarlijks voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft bekendgemaakt.] Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Daarbij kan het plafond worden verdeeld in deelplafonds voor subsidies als bedoeld in artikel 4.26, eerste, respectievelijk derde lid, alsmede in deelplafonds per gebied. Artikel 4.30. Wijze van behandeling van de aanvragen 53 [Toelichting: Wie het eerst komt wie het eerst maalt. Indien de aanvraag onvolledig is, moet de aanvrager deze aanvullen alvorens de subsidieaanvraag kan worden beoordeeld. In dit artikel is bepaald dat de behandeltermijn niet eerder start dan nadat de aanvraag volledig is ontvangen.] Subsidieaanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst, met dien verstande dat wanneer de aanvrager op grond van artikel 4:5 Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de gevraagde aanvulling is ontvangen, met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt. Artikel 4.31. Vaststelling subsidie 1. In afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 paragraaf 3 gaat aan de beslissing op een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 4.26, derde lid, niet een besluit tot subsidieverlening vooraf. 2. In afwijking van artikel 1.13 beslissen Gedeputeerde Staten uiterlijk 1 oktober op een aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 4.26, derde lid. Artikel 4.32. Verplichting subsidie-ontvanger De ontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 4.26, eerste lid, beschrijft de voortgang van de activiteiten op een zogenaamde bedrijfskaart. Artikel 4.33. Voorschotverlening 54 [Toelichting: In afwijking van hoofdstuk 1 wordt geen voorschot uitgekeerd.] In afwijking van artikel 1.14 verlenen Gedeputeerde Staten geen voorschot op een subsidie als bedoeld in artikel 4.26, derde lid. Artikel 4.34. Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling In afwijking van artikel 1.15 wordt voor subsidies als bedoeld in artikel 4.26, eerste lid, een aanvraag voor vaststelling ingediend uiterlijk 15 juli van het kalenderjaar ingediend. Artikel 4.35 Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling 55[Toelichting: Monitoring van de resultaten van de activiteiten vindt o.m. plaats door intekening van de legsels op een bedrijfskaart. Gedeputeerde Staten zorgen in beginsel voor verstrekking van de kaarten.Ook zullen Gedeputeerde Staten tussentijds willen weten hoe bepaalde activiteiten zich ontwikkelen, welke resultaten zijn geboekt etc. Om deze controle mogelijk te maken dienen de kaarten op het bedrijf zelf aanwezig te zijn.] De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.16 bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie als bedoeld in artikel 4.26, eerste lid, tevens een afschrift van de bedrijfskaart. Artikel 4.36. Beslistermijn subsidievaststelling In afwijking van artikel 1.19 beslissen Gedeputeerde Staten binnen 4 weken op een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 4.26, eerste lid. Subparagraaf 4.3. Soortenbescherming 56[Toelichting: Het soortenbeleid is een zelfstandig onderdeel binnen het algemene natuurbeleid. Naast de instrumenten van de gebieds- ofwel ecosysteembenadering zijn specifieke soortgerichte maatregelen noodzakelijk. Voor het onderdeel soortenbescherming hebben de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, de provincies en de soortenbeschermende organisaties in het Meerjarenprogramma Uitvoering Soortenbeleid (MJP) 2000-2004 aangegeven hoe zij gezamenlijk uitvoering zullen geven aan het soortenbeleid in de periode 2000-2004. Inmiddels is deze periode verlengd tot en met 2006. Door de gezamenlijke aanpak wordt beoogd te komen tot een goed evenwicht en goede afstemming van landelijke en provinciale activiteiten. Daarnaast is het doel die maatregelen te treffen voor de soorten waarvoor de situatie op het moment het meest urgent is. Op basis van het DI-akkoord 1996 en de Bestuursovereenkomst IPO/LNV/VROM worden de bij het uitvoeringsprogramma behorende financiële middelen door het Rijk aan de provincie overgemaakt. Daarbij schenkt de provincie in haar beleid ook zelf aandacht aan provinciaal bedreigde soorten en stelt zij hiertoe financiële middelen beschikbaar.Op grond van haar eigen begroting zet de provincie ook zelf provinciale middelen in.Voornoemde geldstromen worden via de provinciale begroting als subsidie naar de betrokken partijen weggezet.] Artikel 4.37. Criteria 57[Toelichting: Er wordt enkel subsidie verleend voor activiteiten die staan opgenomen in het Meerjarenprogramma soortenbeleid. Op deze wijze wordt de gebundelde bijdrage van de bij het soortenbeleid betrokken partijen gewaarborgd en wordt versnippering van inspanningen voorkomen.In dit artikel is aangegeven aan welke eisen een aanvraag moet voldoen wil deze in behandeling (kunnen) worden genomen. De regeling staat open voor aanvragen van ondernemers en overheden. In veel gevallen betreffen zijn laatstgenoemde organisaties natuur- en terreinbeherende organisaties die onder het overheidsbegrip kunnen vallen.De (Europese) ‘de minimis’-regeling van de Verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op ‘de minimis’-steun wordt op deze regeling van toepassing verklaard. Subsidie kan dus slechts worden verleend ten behoeve van een onderneming of binnen de groep waartoe de onderneming behoort waarvoor op grond van andere niet door de Europese Commissie goedgekeurde steunmaatregelen in de voorafgaande drie jaar tot minder dan € 100.000,-- aan geldelijke bijdragen is verleend of zal worden verleend. Voorzover door verlening van de gevraagde subsidie het bedrag van € 100.000,-- zou worden overschreden, wordt het maximale subsidiebedrag dienovereenkomstig lager vastgesteld. Voor de beoordeling hiervan wordt gekeken naar de eindbegunstigde van de subsidie. Subsidies die op dit besluit zijn gebaseerd voldoen daarmee aan de Europese regels betreffende staatssteun.Aanvragen beneden de € 500,-- worden niet behandeld: de kosten die met de behandeling zijn gemoeid staan niet in verhouding tot het bedrag waarvoor subsidie wordt verleend. Met het hanteren van deze ondergrens wordt afgezien van het heffen van leges.Het is van groot belang dat de juiste informatie wordt meegestuurd bij de aanvraag. Hiermee wordt voorkomen dat de aanvraag niet in behandeling kan worden genomen omdat niet alle benodigde informatie hiertoe beschikbaar is. In principe heeft het bestuursorgaan de plicht om de aanvraag aan te (laten) vullen. Dit geeft echter een vertraging in de behandeltermijn, met overigens als consequentie dat de aanvraag buiten behandeling blijft indien niet tijdig de gevraagde informatie wordt overlegd. Dit in dit artikel gevraagde informatie is overigens de basisinformatie om te kunnen beoordelen of de subsidie kan worden verleend.Een aantal kostencategorieën is uitgesloten van subsidiëring; deze staat opgenomen in het tweede lid van dit artikel. Voorzover deze kosten onderdeel uitmaken van de aanvraag worden ze bij de eventuele subsidieverlening buiten beschouwing gelaten.] Overheden of ondernemingen, niet zijnde landbouwbedrijven, kunnen subsidie aanvragen ten behoeve van: a. activiteiten die staan opgenomen in het Meerjarenprogramma Uitvoering Soortenbescherming; b. overige activiteiten gericht op bescherming van in het wild voor komende plant- en diersoorten in de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur waarbij deze activiteiten een eenmalig karakter hebben. Artikel 4.38. Grondslag voor de subsidie 58[Toelichting: De bijdrage(
- n)die worden verleend zijn gebonden aan een maximumpercentage. In dit geval geldt het percentage van 100%. Hierbij is inbegrepen een redelijke vergoeding voor de door de onderneming zelf of diens werknemers verrichte werkzaamheden. Aldus wordt afgeweken van de meer algemene regel dat 50% van de werkelijke kosten van de activiteit subsidiabel is. Dit heeft als achterliggende reden dat de betrokken activiteiten vanuit economisch perspectief weinig (geen) terugverdieneffect hebben. Daarbij worden deze activiteiten worden veelal uitgevoerd door vrijwilligers(organisaties) die niet over een dusdanige liquiditeitspositie beschikken dat zij voor al is het maar een klein deel zelf zorg kunnen dragen. Andere financieringsbronnen zijn veelal niet aan te wenden zodat zij dan ook vaak enkel terug zullen moeten vallen op de onderhavige regeling.De hoogte van de bijdrage (in absolute) kunnen in veel gevallen een dergelijke percentage rechtvaardigen.] 1. De subsidie bedraagt ten minste € 500,--. 2. Als niet-subsidiabele kosten worden aangemerkt: kosten die verband houden met de bouw, verwerving of verbetering van onroerende goederen behoudens kosten voor specifieke soortgerichte maatregelen; kosten van controles door de ondernemer zelf; accountantskosten. Artikel 4.39. Indieningstermijn In afwijking van artikel 1.10 worden aanvragen gedurende het hele kalenderjaar voorafgaand aan de uitvoering van de activiteiten ingediend. Artikel 4.40. Aanvullende stukken In aanvulling op artikel 1.11 bevat de inhoudelijke verantwoording een topografische overzichtskaart schaal 1 : 25.000. Artikel 4.41. Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Daarbij kan het plafond worden verdeeld in deelplafonds voor de subsidies als bedoeld in artikel 4.37, onder a en b. Artikel 4.43. Wijze van behandeling van aanvragen 59[Toelichting: De volgorde van subsidieverlening is op basis van binnenkomst van de aanvraag. Wie het eerst komt wie het eerst maalt. Dit principe is van belang voor wanneer het (jaarlijks vast te stellen) subsidieplafond wordt overschreden. Overschrijding van het subsidieplafond geeft een grondslag om de subsidie te weigeren.Om tijdig subsidie te verlenen verbinden Gedeputeerde Staten zich aan een beslistermijn van drie maanden na indienen van de aanvraag. Hiertoe is bepaald dat drie maanden voordat de activiteiten starten de aanvraag moet zijn ingediend. Slechts in uitzonderingsgevallen kunnen Gedeputeerde Staten de beslistermijn verdagen.] Subsidieaanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst, met dien verstande dat wanneer de aanvrager op grond van artikel 4:5 Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de gevraagde aanvulling is ontvangen, met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt. Artikel 4.44. Voorschotverlening 60 [Toelichting: De regels met betrekking tot de betaling van de subsidie staan in dit artikel genoemd. Bij verlening wordt 90% bij wijze van voorschot uitbetaald. Hiermee heeft de subsidieontvanger de eerste kosten die veelal met de uitvoering van activiteiten is gemoeid, gedekt. Eerst na vaststelling vindt de rest van de betaling ofwel de verrekening plaats.] Gedeputeerde Staten verstrekken de aanvrager bij subsidieverlening een voorschot van maximaal 90% van het verleende subsidiebedrag. Artikel 4.45. Accountantsverklaring 61 [Toelichting: Nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn afgerond, moet verantwoording worden afgelegd. Dit artikel schrijft voor dat dit moet gebeuren binnen vier maanden na afloop van de activiteiten door middel van financiële en inhoudelijk verslag. Deze mogen onderdeel zijn van de jaarrekening van de subsidieontvanger, mits hierin voldoende informatie staat om tot beoordeling van de geleverde prestaties te kunnen overgaan. Voorzover de provinciale subsidie meer bedraagt dan € 40.000,-- wordt in ieder geval een goedkeurende accountantsverklaring overlegd.] Artikel 1.17 geldt indien de verleende subsidie € 40.000,-- of meer bedraagt en is van overeenkomstige toepassing op de aanvrager die een publiekrechtelijk rechtspersoon is. Paragraaf 5. Verbeteren van de leefkwaliteit en diversificatie van de plattelandseconomie 62[Toelichting: Per 1 april 2000 is het onderdeel landschap binnen de subsidieregelingen van het Programma Beheer van het Ministerie van LNV van kracht. Op deze regelingen is per 2001 de provinciale Regeling Onderhoud Landschapselementen Overijssel (ROLO) van kracht. Het provinciale beleid is erop gericht om de regelingen uit het Programma Beheer en de provinciale regeling zoveel mogelijk complementair te laten werken. De strategie achter de herziening is dat een zo compleet mogelijk systeem voor landschapszorg in Overijssel ontstaat. In dit systeem worden de mogelijkheden voor aanleg, herstel en regulier onderhoud uit het Programma Beheer zoveel mogelijk benut. De bedoeling is dat voor zoveel mogelijk elementen het vervolgbeheer wordt geregeld via een meerjarige beheerssubsidie. Dit betekent dat zoveel mogelijk elementen geselecteerd moeten worden die in principe voor een SAN-beheerssubsidie (of daarmee vergelijkbare meerjarige beheerssubsidie) in aanmerking kunnen komen. Achterstallige onderhoud wordt zoveel mogelijk op basis van landschapsbeleidsplannen in gemeentelijke projectenopgepakt. Met deze paragraaf wordt deze voormalige ROLO-praktijk in beperkt gewijzigde vorm gecontinueerd.] Artikel 4.46. Criteria 63[Toelichting: Gedeputeerde Staten stelt een meerjarenprogramma en daarvan afgeleide jaarprogramma’s vast waarin de prioriteiten voor de inzet van de beschikbare middelen nader worden uitgewerkt. Dit biedt de mogelijkheid om onder andere nadere toetsingscriteria te formuleren, voorkeursgebieden of thema’s te benoemen en globale verdeelsleutels voor het beschikbare budget vast te leggen. Voordeel hiervan is dat meer sturing aan de inzet van de middelen kan worden gegeven en dat relatief snel op actuele ontwikkelingen kan worden ingespeeld. Het meerjarenprogramma vormt de basis voor de subsidietoekenning.Er wordt geen bijdrage verstrekt voor werkzaamheden uitgevoerd door rechtspersonen waarvoor van overheidswegen een subsidiemogelijkheid bestaat. een beheerssubsidie in het kader van de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer danwel de Subsidieregeling Natuurbeheer kan worden verkregen. Ook werkzaamheden die vallen onder de door het Rijk opgestelde voorwaarden van de Beschikking bijdragen achterstallig onderhoud historische parken, tuinen en buitenplaatsen of voor werkzaamheden die vallen onder de voorwaarden van de provinciale Regeling projectsubsidies monumenten. Subsidies voor aanleg en herstel zijn alleen mogelijk voorzover de SAN hiervoor geen mogelijkheden biedt. Dit betreft bijvoorbeeld erfbeplantingen en hoogstamboomgaarden.] 1. Subsidie kan worden aangevraagd voor aanleg, herstel en achterstallig onderhoud van particuliere landschapselementen, voor jaarlijks onderhoud van particuliere landschapselementen en voor herstel en achterstallig onderhoud van cultuurhistorische objecten. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria: de activiteiten passen in het door Gedeputeerde Staten vastgestelde meerjarenprogramma Onderhoud Landschapselementen Overijssel en de daarvan afgeleide jaarprogramma’s waarin de prioriteiten voor de inzet van het beschikbare budget wordt aangegeven; voor de activiteiten onvoldoende andere subsidiemogelijkheden kunnen worden aangewend. 2. Subsidie voor aanleg, herstel en achterstallig onderhoud van particuliere landschapselementen wordt alleen verstrekt als het landschapselement is gesitueerd buiten de bebouwde kom. 3. Naast de criteria genoemd in het eerste lid moet een aanvraag voor subsidie voor herstel en achterstallig onderhoud van cultuurhistorische objecten eveneens voldoen aan de volgende criteria: het cultuurhistorische object is een bouwwerk, niet zijnde een gebouw; het cultuurhistorische object is openbaar toegankelijk dan wel zichtbaar vanaf de openbare weg; het cultuurhistorische object dateert van voor 1940; 4. Subsidie voor jaarlijks onderhoud van particuliere landschapselementen wordt alleen verstrekt indien er sprake is van: een aflopend onderhoudscontract op basis van de Regeling Onderhoud Landschapselementen Overijssel 1995; een element met bijzondere kwaliteit waarvoor in de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer nog geen passend landschapspakket beschikbaar is; Artikel 4.47. Grondslag subsidie 1. De subsidie als bedoeld in artikel 4.46, leden 2 en 3, bedraagt ten hoogste 50% van de projectkosten. Eventuele opbrengsten uit het project zoals hout of zand zullen in mindering worden gebracht op het subsidiebedrag, indien deze meer dan 10% van de projectbegroting bedragen. 2. De subsidie als bedoeld in artikel 4.46, lid 4, geldt voor een periode van maximaal 6 jaar en bestaat uit een vast bedrag per kalenderjaar en per lengte of oppervlakte landschapselement waarop de aanvraag betrekking heeft en is gebaseerd op de hiervoor geldende normbedragen uit de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer. Indien Gedeputeerde Staten aan de subsidie voorwaarden verbinden die voor de aanvrager extra kosten met zich meebrengen kunnen Gedeputeerde Staten de subsidie ophogen met een vergoeding voor die extra kosten. Artikel 4.48. Indieningstermijn aanvraag 64 [Toelichting: Aanvragen dienen voor 1 juni ingediend te worden. Dit heeft te maken met de indieningstermijn van de aanvragen voor de SAN-regeling van het rijk. Na 1 juni worden de aanvragen beoordeeld. Hierbij zal voorrang word en gegeven aan projecten binnen de landschapsgebieden en aan elementen welke zullen doorstromen in de SAN. Aanvragen welke na 1 juni binnenkomen zullen op volgorde van binnenkomst worden behandeld.] In afwijking van artikel 1.10 moeten subsidieaanvragen als bedoeld in artikel 4.46 voor 1 juni van het betreffende jaar worden ingediend. Artikel 4.49. Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond voor de subsidies als bedoeld in artikel 4.46 vast. Dit subsidieplafond kan worden gedifferentieerd naar landschaps- en cultuurhistorisch project. Artikel 4.50. Wijze van behandeling van de aanvragen Gedeputeerde Staten plaatsen de subsidieaanvragen, die voldoen aan de in artikel 4.46, het eerste en tweede lid, genoemde criteria, in een prioriteitsvolgorde, waarbij voorrang wordt gegeven aan subsidieaanvragen die kunnen doorstromen in de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer. Artikel 4.51. Verplichting van de subsidieontvanger 1. De ontvanger van een subsidie voor aanleg, herstel en achterstallig onderhoud van particuliere landschapselementen moet het landschapselement gedurende 10 jaar na afronding van het project in stand houden en op verantwoorde wijze beheren. 2. De ontvanger van een subsidie voor herstel en achterstallig onderhoud moet het cultuurhistorische object gedurende 25 jaar na afronding van het project in stand houden. Hoofdstuk 5. Bijzondere bepalingen Ruimte, Wonen en Bereikbaarheid Paragraaf 1. Effectuering ruimtelijk beleid 65 [Toelichting: De provincie Overijssel kent een subsidiemogelijkheid voor projecten die bijdragen aan de hoofdpunten van het provinciaal ruimtelijk beleid zoals dit is vastgelegd in de vigerende beleidsdocumenten op het terrein van de ruimtelijke ordening, zoals o.m. het streekplan. Subsidie kan worden verleend in de kosten van uitbesteding van voorbereidend onderzoek en/of planontwikkeling met betrekking tot een concreet ruimtelijk project of ruimtelijke voorziening. Uitvoeringskosten zoals bouw- en sloopkosten, evenals investeringen, exploitatiekosten en overhead zijn uitdrukkelijk uitgesloten van subsidie.] Artikel 5.1. Criteria 1. Een aanvraag voor subsidie uit het budget voor effectuering ruimtelijk beleid: 66[Toelichting: De doelstelling van deze regeling laat geen ruimte voor particuliere initiatieven, omdat alleen projecten met een algemeen en publiek belang kunnen worden nagestreefd, zoals genoemd in sub b van dit lid.] is afkomstig van een gemeente of een rechtspersoon, die zich krachtens hun statuten inzetten voor de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit in Overijssel; wordt beoordeeld naar de mate waarin het project bijdraagt aan de realisering van de hoofdpunten van het provinciaal ruimtelijk beleid. 2. Een aanvraag wordt tevens beoordeeld naar de mate waarin voldaan wordt aan één of meer van de volgende criteria:67[Toelichting: Met de in het tweede lid genoemde criteria wordt het volgende bedoeld:] uitvoeringsgerichtheid; 68[Toelichting: uitvoeringsgerichtheid: de projecten vormen veelal de schakel tussen geformuleerd beleid en de concrete uitvoering, en zijn uitvoeringsgericht van aard, zoals bijvoorbeeld een plan van aanpak, Masterplan of een haalbaarheidsstudie, gekoppeld aan een afgebakend beleidsonderwerp, probleemstelling of ruimtelijke voorziening. Voor algemeen onderzoek is deze regeling niet bedoeld.] bovengemeentelijke of regionale betekenis; 69[Toelichting: bovengemeentelijke c.q. regionale betekenis: de projecten zijn strategisch van aard en hebben daardoor veelal een regionaal schaalniveau en/of uitstralingseffect.] voorbeeldwerking; 70[Toelichting: voorbeeldwerking: de projecten moeten min of meer ‘model kunnen staan’ voor vergelijkbare projecten en vormen zelfs vaak een pilotproject.] katalysatorwerking; 71[Toelichting: katalysatorwerking: meerdere partners trekken gezamenlijk op, ook financieel, en kunnen een impuls geven aan eventuele vervolgprojecten.] integraliteit; 72[Toelichting: integraliteit: de projecten dragen bij aan beleidsdoelstellingen vanuit meerdere sectoren en worden veelal ook uit deze sectoren gecofinancierd.] structureel effect. 73[Toelichting: structureel effect: de projecten zijn ook op de langere termijn van belang voor de (duurzame) ruimtelijke ontwikkeling.] Artikel 5.2. Prestatiesubsidie Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie voor effectuering ruimtelijk beleid in de vorm van een prestatiesubsidie. Artikel 5.3. Grondslag subsidie 74[Toelichting: In de kostenverdeling komt de verhouding van de belangen, evenals het draagvlak, van partijen tot uitdrukking. Het is dan ook niet logisch om als provincie méér dan de helft van de kosten van een project van derden voor haar rekening te nemen. Daarom is daar een maximum aan gesteld van 50%. Dit maximum wordt uitsluitend verleend in gevallen dat de aanvrager geen medefinancier(
- s)voor het project heeft. Is er wél sprake van medefinancier(s), dan kunnen de kosten dus over meer partijen worden verdeeld. Dit komt tot uitdrukking in de begroting van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd. Zo’n begroting is uitgangspunt voor de bepaling van de hoogte van de subsidie. Daarnaast wordt de hoogte van de bijdrage gerelateerd aan de mate waarin aan de criteria uit artikel 5.1 wordt voldaan.] 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de begrote externe kosten van het project. De hoogte van de subsidie hangt af van het aantal financierende partners en van de mate waarin het beoogde resultaat voldoet aan de in artikel 5.1 genoemde criteria. 2. Niet subsidiabele kosten zijn investeringskosten, exploitatielasten en overheadkosten van de aanvrager. Artikel 5.4. Indieningstermijn aanvraag In afwijking van artikel 1.10 kan een subsidieaanvraag voor effectuering ruimtelijk beleid gedurende het gehele jaar worden ingediend. Artikel 5.5. Subsidieplafond Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks het subsidieplafond voor effectuering ruimtelijk beleid vast. Artikel 5.6. Wijze van behandeling van de aanvragen Subsidieaanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst, met dien verstande dat wanneer de aanvrager op grond van artikel 4:5 Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de gevraagde aanvulling is ontvangen, met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt. Paragraaf 2. Stedelijke vernieuwing Overijssel 75 [Toelichting: Bij de aanvraag om subsidie (verlening en vaststelling) zijn behalve dit Uitvoeringsbesluit ook de Wet stedelijke vernieuwing, de Algemene wet bestuursrecht en de Algemene Subsidieverordening Overijssel 2005 van toepassing.] Artikel 5.7. Begripsbepalingen a. Wsv: Wet stedelijke vernieuwing; b. programmagemeente: gemeente als bedoeld in artikel 6, derde lid, onder a, Wsv; c. projectgemeente: gemeente als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, Wsv; d. commissie: de Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving; e. ISV: ‘investeringsbudget stedelijke vernieuwing’; f. Beleidskader: Beleidskader ISV 2 Provincie Overijssel; g. reserve ISV: de bestemmingsreserve ‘investeringsbudget stedelijke vernieuwing’. Artikel 5.8. Criteria 1. Een aanvraag van een programmagemeente voor subsidie ten behoeve van investering in stedelijke vernieuwing moet voldoen aan het criterium als genoemd in artikel 7, tweede lid, Wsv en het daarop gebaseerde Beleidskader. 2. Een aanvraag van een projectgemeente voor subsidie ten behoeve van investering in stedelijke vernieuwing moet voldoen aan het criterium als genoemd in artikel 7, vierde lid, Wsv. Artikel 5.9. Reserve ISV 1. Gedeputeerde Staten zijn belast met het beheer van de reserve ISV. 2. Aan de reserve ISV worden in ieder geval toegevoegd de bijdragen van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer als bedoeld in artikel 5, derde lid, Wsv. 3. Gedeputeerde Staten kunnen overige voor stedelijke vernieuwing aangemerkte middelen aan de reserve ISV toevoegen. 4. Niet bestede middelen blijven in de reserve ISV. Over de niet bestede middelen wordt jaarlijks per 31 december rente berekend en aan de reserve ISV toegevoegd. Artikel 5.10. Prestatiesubsidie Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie ten behoeve van investering in stedelijke vernieuwing aan programma- of projectgemeenten in de vorm van een prestatiesubsidie. Artikel 5.11. Grondslag subsidie en subsidieplafond 1. De hoogte van de subsidie ten behoeve van investering in stedelijke vernieuwing bestaat uit: een door Gedeputeerde Staten te bepalen deel van de in het vierde lid van artikel 5.9 bedoelde middelen en voor programmagemeenten het gedeelte van de krachtens artikel 5, derde lid, Wsv ontvangen middelen; voor projectgemeenten het gedeelte van de krachtens artikel 5, derde lid, Wsv ontvangen middelen. 2. Het subsidieplafond voor programmagemeenten bestaat uit het bedrag dat op basis van artikel 5.11, eerste lid, sub a en b, voor deze gemeente beschikbaar is. 3. Het jaarlijkse subsidieplafond voor projectgemeenten bestaat uit één vijfde deel van het in overeenstemming met het in artikel 5.11, eerste lid, sub a en c, berekende beschikbare bedrag. 4. Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks het subsidieplafond voor programma- en projectgemeenten vast. Artikel 5.12. Beslistermijn subsidieverlening projectgemeente Gedeputeerde Staten beslissen in afwijking van artikel 1.13 binnen zesentwintig weken na 1 april van het jaar, voorafgaande aan het jaar waarop het investeringsbudget betrekking heeft. Paragraaf 3. Stimulering re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed 76[Toelichting: Deze subsidieregelgeving is onderdeel van het stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel’. Met dit stimuleringsprogramma wil de provincie Overijssel het vernieuwend hergebruik van vrijkomend industrieel en agrarisch erfgoed bevorderen. Initiëren, uitdagen en faciliteren is de kern van het stimuleringsprogramma. Voorkantsturing en samenwerking met gemeenten, eigenaren van erfgoed, ondernemers, agrariërs en andere marktpartijen staan centraal. Het programmateam re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed geeft informatie over de mogelijke aanpak, organiseert workshops en studiereizen en voert studies uit over transformatiemogelijkheden van specifieke typen agrarisch en industrieel erfgoed. Ook adviseert het programmateam over de opzet en subsidiering van transformatieplannen voor industrieel en agrarisch erfgoed. ] Artikel 5.13. Begripsbepaling 77[Toelichting: Hoe komt u te weten of u te maken heeft met agrarisch of industrieel erfgoed, wat waardevol is en wat niet en welke mogelijkheden er zijn voor vernieuwend hergebruik van de fabriek of de boerderij? In het op te stellen transformatieplan worden al deze vragen beantwoord. Het transformatieplan bestaat uit een viertal onderdelen: • inzicht in de bestaande situatie en de cultuurhistorische waarde vormt de basis; • het onderdeel ‘architectuurverkenning en verkenning van de mogelijkheden van functieverandering’ is het creatieve deel van het transformatieplan. Het kan zijn dat er nog geen duidelijk beeld bestaat over de toekomstige functie. Het ligt dan voor de hand diverse alternatieve functies te bestuderen. Is de toekomstige functie van de gebouwen wel bekend dan beperkt de opgave zich tot de vraag of de beoogde functie op een zodanige wijze kan worden gerealiseerd, dat er sprake zal zijn van cultuurhistorische en ruimtelijke kwaliteit; • een goede inrichting van de omgeving van de fabrieken of boerderijen draagt ook bij aan de ruimtelijke kwaliteit. Een terreinontwerp of erfplan is daarom een wezenlijk onderdeel van het transformatieplan; • tenslotte gaat het transformatieplan ook in op belangrijke uitvoeringsaspecten, bijvoorbeeld op planologisch en financieel gebied. De mate van detaillering van deze ontwerpopgaven uit het transformatieplan kan worden omschreven als schetsplan of schetsontwerp. In een speciale brochure vindt u informatie over de aspecten die van belang zijn bij beschrijving van de cultuurhistorische waarde. Ook is een checklist opgenomen van de inhoud van transformatieplannen voor agrarisch en industrieel erfgoed.] Industrieel erfgoed: fabrieken of fabriekscomplexen bestaande uit gebouwen, installaties en infrastructuur die van cultuurhistorische en architectonische waarde zijn; Agrarisch erfgoed: boerenerven, bestaande uit gebouwen en beplanting, die van cultuurhistorische en landschappelijke waarde zijn; Transformatieplan: verkenning en beschrijving van mogelijkheden van functieverandering in vrijkomend of vrijgekomen industrieel of agrarisch erfgoed, die bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit. Artikel 5.14. Criteria Een aanvraag voor subsidie in de kosten voor het opstellen van (een onderdeel van) een transformatieplan in het kader van het stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel’ moet voldoen aan de volgende criteria: a. de activiteit draagt bij aan één of meer doelstellingen van het provinciale stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel 2004-2007’; 78[Toelichting: De doelstellingen van het stimuleringsprogramma als bedoeld in sub a zijn: • een bijdrage leveren aan de identiteit c.q. uitstraling van de specifieke (ruimtelijke) kwaliteiten van Overijsselse regio’s, steden, landschappen en dorpen door vernieuwing van het industrieel en agrarisch erfgoed; • het economisch belang van stad en land versterken doordat deze eigen identiteit een grotere herkenbaarheid betekent en wervingskracht bezit; • innovatieve ontwikkelingen stimuleren. Vernieuwing van industrieel en agrarisch erfgoed vergt namelijk een grote mate van creativiteit. De specifieke opgaven verbinden diverse werkvelden/specialismen met elkaar; • bevorderen van duurzaamheid door hergebruik van gebouwen, terreinen en grondstoffen; • het vergroten van het inzicht in cultuurhistorische en ruimtelijke kwaliteiten bij zowel een breed publiek als ook bij bestuurders en (agrarische) ondernemers; • cultuurtoerisme versterken door vernieuwing van het industri