Uitvoeringsbesluit subsidies Overijssel 2005 (Overijssel)
Waar gaat deze regeling over?
Dit besluit regelt de procedures en voorwaarden voor subsidies die door Gedeputeerde Staten van Overijssel worden verstrekt, met uitzondering van subsidies voor openbaar vervoer. Het onderscheidt twee hoofdvormen van subsidie: prestatiesubsidie en stimuleringssubsidie.
Voor wie: Aanvragers van subsidies bij de provincie Overijssel; Subsidieontvangers van de provincie Overijssel.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Belastingrecht
- Artikelen
- 224
- Bron
- cvdr.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- De definities van belangrijke begrippen zoals cofinanciering, prestatiesubsidie en stimuleringssubsidie.
- De toepasselijkheid van het besluit op subsidies verstrekt door Gedeputeerde Staten.
- De soorten subsidies die kunnen worden verstrekt (prestatiesubsidie en stimuleringssubsidie).
- Welke kosten niet subsidiabel zijn, zoals terugvorderbare BTW.
Voor wie geldt deze regeling?
- Aanvragers van subsidies bij de provincie Overijssel.
- Subsidieontvangers van de provincie Overijssel.
Wat zijn de kernpunten?
- Subsidies kunnen worden verstrekt als prestatiesubsidie (gericht op resultaten) of als stimuleringssubsidie (ter ondersteuning van een organisatie of activiteiten).
- Kosten die door de aanvrager kunnen worden teruggevorderd, bijvoorbeeld via het BTW-compensatiefonds, zijn niet subsidiabel.
- Gedeputeerde Staten kunnen verplichtingen opleggen over hoe de provinciale subsidie kenbaar moet worden gemaakt.
- Een stimuleringssubsidie bedraagt ten hoogste € 30.000,-- en de aanvraag hiervoor kan gedurende het hele jaar worden ingediend.
Belastingrecht
Wettekst
Wettekst
Inhoudsopgave (224)
- Artikel 1.1 Begripsbepalingen
- Artikel 1.2 Toepassingsbereik
- Artikel 1.3 Subsidievormen
- Artikel 1.4 Subsidiabele kosten
- Artikel 1.5 Subsidieverplichtingen
- Artikel 1.6 Hoogte stimuleringssubsidie
- Artikel 1.7 Indieningstermijn aanvraag om stimuleringssubsidie
- Artikel 1.8 Gegevens en bescheiden bij aanvraag stimuleringssubsidie
- Artikel 1.9 Beslistermijn vaststelling stimuleringssubsidie
- Artikel 1.10 Indieningstermijn aanvraag tot verlening prestatiesubsidie
- Artikel 1.11 Gegevens en bescheiden bij aanvraag tot verlening prestatiesubsidie
- Artikel 1.12 Subsidieverplichtingen
- Artikel 1.13 Beslistermijn verlening prestatiesubsidie
- Artikel 1.14 Voorschotverlening
- Artikel 1.15 Indieningstermijn aanvraag tot vaststelling prestatiesubsidie
- Artikel 1.16 Gegevens en bescheiden bij aanvraag tot vaststelling prestatiesubsidie
- Artikel 1.17 Accountantsverklaring
- Artikel 1.18 Lagere vaststelling
- Artikel 4:46
- Artikel 1.19 Beslistermijn vaststelling prestatiesubsidie
- Artikel 1.20 Toepasselijkheid andere bepalingen
- Artikel 1.21 Egalisatiereserve
- Artikel 1.22 Uitbreiding accountantscontrole
- Artikel 1.23 Voorschotverlening
- Artikel 2.1 Criterium
- Artikel 2.2 Prestatiesubsidie
- Artikel 2.3 Subsidieplafond
- Artikel 2.4 Grondslag subsidie
- Artikel 2.5 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 2.6 Wijze van behandeling van aanvragen
- Artikel 2.7 Verplichting subsidieontvanger
- Artikel 2.8 Criterium
- Artikel 2.9 Prestatiesubsidie
- Artikel 2.10 Subsidieplafond
- Artikel 2.11 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 2.12 Wijze van behandeling van aanvragen
- Artikel 2.13 Voorschotverlening
- Artikel 2.14 Verplichting subsidieontvanger
- Artikel 2.15 Criterium
- Artikel 2.16 Prestatiesubsidie
- Artikel 2.17 Subsidieplafond
- Artikel 2.18 Grondslag subsidie
- Artikel 2.19 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 2.20 Voorschotverlening
- Artikel 4.1 Staatssteun en landbouwbedrijven
- Artikel 4.2 Subsidievorm
- Artikel 4.3 Criteria
- Artikel 4.4 Grondslag subsidie
- Artikel 4.5 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 4.6 Aanvullende stukken bij aanvraag
- Artikel 4.7 Subsidieplafond
- Artikel 4.8 Criteria
- Artikel 4.9 Grondslag subsidie
- Artikel 4.10 Grondslag voor subsidie aan landbouwbedrijven
- Artikel 4.11 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 4.12 Aanvullende stukken bij aanvraag
- Artikel 4.13 Subsidieplafond
- Artikel 4.14 Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 4.15 Voorschotverlening
- Artikel 4.16 Vervreemding
- Artikel 4.17 Criteria
- Artikel 4.18 Grondslag subsidie
- Artikel 4.19 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 4.20 Aanvullende stukken bij aanvraag
- Artikel 4.21 Subsidieplafond
- Artikel 4.22 Toestemming vervreemding
- Artikel 4.23 Voorschotverlening
- Artikel 4.24 Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling
- Artikel 4.25 Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling
- Artikel 4.26 Criteria
- Artikel 4.27 Grondslag subsidie
- Artikel 4.28 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 4.29 Subsidieplafond
- Artikel 4.30 Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 4.31 Vaststelling subsidie
- Artikel 4.32 Verplichting subsidie-ontvanger
- Artikel 4.33 Voorschotverlening
- Artikel 4.34 Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling
- Artikel 4.35 Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling
- Artikel 4.36 Beslistermijn subsidievaststelling
- Artikel 4.37 Criteria
- Artikel 4.38 Grondslag voor de subsidie
- Artikel 4.39 Indieningstermijn
- Artikel 4.40 Aanvullende stukken
- Artikel 4.41 Subsidieplafond
- Artikel 4.43 Wijze van behandeling van aanvragen
- Artikel 4.44 Voorschotverlening
- Artikel 4.45 Accountantsverklaring
- Artikel 4.46 Criteria
- Artikel 4.47 Grondslag subsidie
- Artikel 4.48 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 4.49 Subsidieplafond
- Artikel 4.50 Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 4.51 Verplichting van de subsidieontvanger
- Artikel 5.1 Criteria
- Artikel 5.2 Prestatiesubsidie
- Artikel 5.3 Grondslag subsidie
- Artikel 5.4 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 5.5 Subsidieplafond
- Artikel 5.6 Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 5.7 Begripsbepalingen
- Artikel 5.8 Criteria
- Artikel 5.9 Reserve ISV
- Artikel 5.10 Prestatiesubsidie
- Artikel 5.11 Grondslag subsidie en subsidieplafond
- Artikel 5.12 Beslistermijn subsidieverlening projectgemeente
- Artikel 5.13 Begripsbepaling
- Artikel 5.14 Criteria
- Artikel 5.15 Prestatiesubsidie
- Artikel 5.16 Grondslag subsidie
- Artikel 5.17 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 5.18 Aanvullende stukken
- Artikel 5.19 Subsidieplafond
- Artikel 5.20 Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 5.21 Adviescommissie
- Artikel 5.22 Verplichtingen subsidieontvanger
- Artikel 5.23 Voorschotverlening
- Artikel 5.24 Indieningstermijn aanvraag om subsidievaststelling
- Artikel 5.25 Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling
- Artikel 5.26 Criteria
- Artikel 5.27 Prestatiesubsidie
- Artikel 5.28 Indieningstermijn aanvraag subsidieverlening
- Artikel 5.29 Subsidie voor landbouwbedrijven
- Artikel 5.30 Subsidieplafond
- Artikel 5.31 Wijze van behandeling van aanvragen
- Artikel 5.32 Voorschotverlening
- Artikel 5.33 Verplichting subsidieontvanger
- Artikel 5.34 Criteria
- Artikel 5.35 Prestatiesubsidie
- Artikel 5.36 Grondslag subsidie
- Artikel 5.37 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 5.38 Subsidieplafond
- Artikel 5.39 Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 5.40 Voorschotverlening
- Artikel 5.41 Accountantsverklaring
- Artikel 6.1 Criteria
- Artikel 6.2 Prestatiesubsidie
- Artikel 6.3 Grondslag subsidie
- Artikel 6.4 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 6.5 Aanvullende stukken bij aanvraag
- Artikel 6.6 Subsidieplafond
- Artikel 6.7 Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 6.8 Verplichtingen subsidieontvanger
- Artikel 6.9 Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling
- Artikel 6.10 Criteria
- Artikel 6.11 Prestatiesubsidie
- Artikel 6.12 Grondslag subsidie
- Artikel 6.13 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 6.14 Subsidieplafond
- Artikel 6.15 Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 6.16 Weigeringsgronden
- Artikel 6.17 Begripsbepalingen
- Artikel 6.18 Criteria
- Artikel 6.19 Prestatiesubsidie
- Artikel 6.20 Grondslag subsidie
- Artikel 6.21 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 6.22 Subsidieplafond
- Artikel 6.23 Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 7.1 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 7.2 Subsidievorm
- Artikel 7.3 Niet-subsidiabele kosten
- Artikel 7.4 Indieningstermijn
- Artikel 7.5 Subsidieplafond
- Artikel 7.6 Wijze van behandeling van de aanvragen
- Artikel 7.7 Beslistermijn verlening prestatiesubsidies
- Artikel 7.8 Verplichting subsidieontvanger
- Artikel 7.9 Voorschotverlening
- Artikel 7.10 Per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies
- Artikel 7.11 Begripsbepaling
- Artikel 7.12 Criteria
- Artikel 7.13 Subsidiabele kosten
- Artikel 7.14 Adviescommissie
- Artikel 7.15 Criteria
- Artikel 7.16 Adviescommissie
- Artikel 7.17 Begripsbepalingen
- Artikel 7.18 Criteria
- Artikel 7.19 Grondslag subsidie
- Artikel 7.20 Aanvullende stukken bij aanvragen
- Artikel 7.21 Adviescommissie
- Artikel 7.22 Verplichting subsidieontvanger
- Artikel 7.23 Criteria
- Artikel 7.24 Grondslag subsidie
- Artikel 7.25 Vaststelling subsidie
- Artikel 7.26 Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling
- Artikel 7.27 Begripsbepalingen
- Artikel 7.28 Subsidiabele activiteiten
- Artikel 7.29 Criteria
- Artikel 7.30 Grondslag subsidie
- Artikel 7.31 Bijzondere begripsbepalingen
- Artikel 7.32 Criteria
- Artikel 7.33 Grondslag subsidie
- Artikel 7.34 Verplichting subsidieontvanger
- Artikel 7.35 Criteria
- Artikel 7.36 Grondslag subsidie
- Artikel 7.37 Begripsbepalingen
- Artikel 7.38 Criteria
- Artikel 7.39 Grondslag subsidie
- Artikel 7.40 Aanvullende stukken bij de aanvraag
- Artikel 7.41 Verplichting subsidieontvanger
- Artikel 7.42 Begripsbepalingen
- Artikel 7.43 Subsidievorm
- Artikel 7.44 Criteria
- Artikel 7.45 Grondslag subsidie
- Artikel 7.46 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 7.47 Aanvullende stukken bij de aanvraag
- Artikel 7.48 Beslistermijn
- Artikel 7.49 Begripsbepaling
- Artikel 7.50 Criteria voor subsidiëring
- Artikel 7.51 Grondslag subsidie
- Artikel 7.52 Begripsbepalingen
- Artikel 7.53 Beleidsnota Sociale Actie 2005-2008 niet van toepassing
- Artikel 7.54 Criteria
- Artikel 7.55 Grondslag subsidie
- Artikel 7.56 Indieningstermijn aanvraag
- Artikel 7.57 Aanvullende stukken bij de aanvraag
- Artikel 7.58 Verzekeringen en administratie
- Artikel 7.59 Verslag van de prestaties
- Artikel 7.60 Verslag van de kosten
- Artikel 7.61 Reserveringen en vermogensvorming
- Artikel 7.62 Lagere vaststelling
- Artikel 7.63 Overgangsregeling
- Artikel 8.1 Onvoorziene omstandigheden
- Artikel 8.2 Inwerkingtreding
- Artikel 8.3 Citeertitel
Hoofdstuk 1. Algemeen
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1Begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder: a. de verordening: de Algemene subsidieverordening Overijssel 2005; b. Awb: de Algemene wet bestuursrecht; c. cofinanciering: ten minste één andere partij dan de aanvrager en de provincie draagt bij in de kosten van de gesubsidieerde activiteit; d. prestatiesubsidie: de subsidie, waarbij de subsidieontvanger ten aanzien van de te subsidiëren activiteiten óf wordt gestuurd op prestaties, óf op een combinatie van prestaties, bedrijfsvoering of middelen; e. stimuleringssubsidie: de subsidie die aan het bestaan van een organisatie bijdraagt of bepaalde activiteiten aanmoedigt of ondersteunt; f. subsidietijdvak: een aaneengesloten periode waarvoor een subsidieplafond of deelplafond is vastgesteld; g. bovengemeentelijk: de activiteiten vinden plaats in ten minste twee gemeenten; h. regionaal: de activiteiten vinden plaats in ten minste drie gemeenten; i. provinciaal: de activiteiten vinden plaats in ten minste zestien gemeenten.
Artikel 1.2Toepassingsbereik
1[Toelichting: Zie de toelichting bij artikel 2 van de verordening. De bijdragen die OV-ondernemingen ontvangen voor het verrichten van personenvervoer zijn in de wet personenvervoer 2000 aangewezen als subsidie. Het is echter niet wenselijk dat daarop de regels uit dit Usb van toepassing zijn. De relatie tussen de provincie en de vervoersbedrijven is ‘tailor made’ en wordt beheerst door het bestek waarop door de concessiehouder en diens concurrenten is ingeschreven in een openbare aanbestedingsprocedure. Daarin liggen ook de regels vast voor de hoogte van de subsidie, bevoorschotting, de vaststelling etcetera. ] Dit besluit is van toepassing op alle door Gedeputeerde Staten te verstrekken subsidies met uitzondering van de subsidies voor de exploitatie van het openbaar vervoer.
Artikel 1.3Subsidievormen
2[Toelichting: In het project Stroomlijning en sturing subsidierelaties is gedachtegoed ontwikkeld over de wijze waarop de provincie om wil gaan met organisaties waaraan zij subsidie verstrekt. Dit heeft geresulteerd in verschillende sturingsmodellen; te weten het stimuleringsmodel aan de ene kant en het (vergelijkend) prestatiemodel en het directief model aan de andere kant. Het directief model is een opschaling van het prestatiemodel. Dit betekent dat bij dat sturingsmodel niet alleen gestuurd wordt op prestaties maar ook op bedrijfsvoering en/of middelen. Prestatiesubsidie kan worden verstrekt voor de looptijd van activiteiten of voor één of meer boekjaren, waarbij een boekjaar gelijk staat aan een kalenderjaar.
Deze bepaling is een uitwerking van de artikelen 4:32 en 4:67 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Hieruit volgt dat meerjarige subsidies kunnen worden verstrekt. Wordt een meerjarige subsidie verstrekt dan moet gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid die artikel 4:34 Awb biedt om bij de subsidieverlening een begrotingsvoorbehoud te maken. Dit is de oplossing voor het probleem dat het bij meerjarige subsidies onvermijdelijk is om subsidies te verlenen ten laste van een nog niet vastgestelde of goedgekeurde begroting. Door een begrotingsvoorbehoud te maken, kunnen Gedeputeerde Staten op de subsidieverlening terugkomen. Een begrotingsvoorbehoud is een aan de beschikking tot subsidieverlening verbonden opschortende of ontbindende voorwaarde.
De keuze voor de soort voorwaarde is afhankelijk van de vraag of al voor de vaststelling of goedkeuring van de begroting voorschotten moeten worden uitbetaald. Is dat het geval dan moet gekozen worden voor de vorm van de ontbindende voorwaarde. Willen Gedeputeerde Staten het begrotingsvoorbehoud inroepen en daadwerkelijk terugkomen op de subsidieverlening dan moet dat binnen de in de Awb genoemde termijn expliciet gebeuren. De leden 4 en 5 van artikel 4:34 Awb geven aan op welke wijze dat moet gebeuren. Als een subsidie wordt verstrekt voor een periode van drie jaar of langer voor steeds min of meer dezelfde activiteiten is het van belang te weten dat de subsidie dan niet zonder meer kan worden beëindigd (artikel 4:51 Awb).] 1. Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken als prestatiesubsidie of als stimuleringssubsidie.
Artikel 1.4Subsidiabele kosten
3 [Toelichting: De Wet op het BTW-compensatiefonds stelt overheden in staat om in rekening gebrachte BTW voor een groot deel te compenseren. In relatie daarmee is op de algemene uitkeringen gekort. De bedoeling is dat deze korting door de ontvangsten uit het BTW-compensatiefonds gecompenseerd worden. De vraag of overheden taken in eigen beheer uitvoeren of uitbesteden wordt dan niet meer beïnvloed door de kosten van BTW. Ook gemeenten die van de provincie subsidie ontvangen kunnen een beroep doen op het BTW-compensatiefonds, maar ook andere organisaties, indien zij op gelijke voet als de overheid opereren. Het is uiteraard niet de bedoeling dat terugvorderbare bedragen ook nog eens gesubsidieerd worden. Om dat duidelijk te markeren is deze bepaling opgenomen, waarin dat gedeelte niet-subsidiabel verklaard wordt. De bepaling is algemeen geredigeerd, zodat alle potentiële terugvorderbare BTW eronder valt. Met de bepaling wordt de verantwoordelijkheid voor het daadwerkelijk terugvorderen bij de subsidieontvanger gelegd. Er is geen sprake van een (verkapte) vermindering van subsidies. Ook onder werking van de Algemene subsidieverordening Overijssel 1997 was verrekenbare BTW niet subsidiabel. ] De kosten van activiteiten zijn niet subsidiabel voorzover deze door de aanvrager van een subsidie kunnen worden teruggevorderd op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds, de Wet op de omzetbelasting 1968, of op grond van enige andere voorziening.
Artikel 1.5Subsidieverplichtingen
4[Toelichting: In afdeling 4.2.4 Awb staan bepalingen over verplichtingen van de subsidieontvanger. De categorieën van verplichtingen genoemd in artikel 4:37, eerste lid Awb, kunnen Gedeputeerde Staten in ieder geval verbinden aan de subsidieverlening. Deze standaardverplichtingen behoeven in verband met het voorkomen van herhaalde normstelling geen herhaling in dit uitvoeringsbesluit. Daarnaast kunnen ook andere verplichtingen aan subsidieontvangers worden opgelegd. Het betreft andere doelgebonden verplichtingen (artikel 4:38 Awb) en oneigenlijke verplichtingen (artikel 4:39 Awb). Voor beide geldt dat als de subsidie berust op een wettelijke grondslag die verplichtingen ook op een wettelijke grondslag moeten berusten. De in artikel 1.5 opgenomen verplichting is aan te merken als een oneigenlijke verplichting. Vanuit Europese regelgeving geldt voor subsidieontvangers eveneens de soortgelijke verplichting om bij projecten die met subsidie vanuit Europa mogelijk worden gemaakt hiervan ter plaatse van het project melding te maken. ] Gedeputeerde Staten kunnen de subsidieontvanger verplichtingen opleggen met betrekking tot de wijze waarop bij de uitvoering van gesubsidieerde activiteiten bekend wordt gemaakt dat de provincie Overijssel daarvoor subsidie heeft verstrekt.
Paragraaf 2. Stimuleringssubsidie
Artikel 1.6Hoogte stimuleringssubsidie
5[Toelichting: Met het verstrekken van een stimuleringssubsidie wordt tot uitdrukking gebracht dat Gedeputeerde Staten wensen bij te dragen aan het bestaan van een organisatie (de aanwezigheid). De (statutair bepaalde) doelstelling van een organisatie wordt van belang geacht. Er worden geen prestaties gevraagd en vooraf geen criteria gesteld. Ook wordt geen verantwoording achteraf gevraagd. Het is de meest elementaire vorm van subsidieverstrekking. De administratieve lasten zijn beperkt. De subsidiebeschikking stelt het bedrag van de subsidie vast en geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde subsidiebedrag. De termijn waarbinnen op een aanvraag moet worden beslist, sluit aan bij de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:13 Awb. Omdat het om publieke middelen gaat, hebben Gedeputeerde Staten vastgesteld dat het niet gewenst is grote bedragen via stimuleringssubsidie en daarmee zonder verantwoording achteraf weg te zetten. Gedeputeerde Staten achten een bedrag van € 30.000,-- alleszins redelijk als bovengrens voor stimuleringssubsidie. Dit is vastgelegd in artikel 1.6. Van belang is artikel 4:43 Awb dat een aantal artikelen van die Awb van toepassing verklaart op de beschikking tot subsidievaststelling in de situatie dat daaraan voorafgaand geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven (het betreft de artikelen 4:32, 4:35, tweede lid, 4:38 en 4:39 Awb).] De subsidie bedraagt ten hoogste € 30.000,--.
Artikel 1.7Indieningstermijn aanvraag om stimuleringssubsidie
6[Toelichting: Met het verstrekken van een stimuleringssubsidie wordt tot uitdrukking gebracht dat Gedeputeerde Staten wensen bij te dragen aan het bestaan van een organisatie (de aanwezigheid). De (statutair bepaalde) doelstelling van een organisatie wordt van belang geacht. Er worden geen prestaties gevraagd en vooraf geen criteria gesteld. Ook wordt geen verantwoording achteraf gevraagd. Het is de meest elementaire vorm van subsidieverstrekking. De administratieve lasten zijn beperkt. De subsidiebeschikking stelt het bedrag van de subsidie vast en geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde subsidiebedrag. De termijn waarbinnen op een aanvraag moet worden beslist, sluit aan bij de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:13 Awb. Omdat het om publieke middelen gaat, hebben Gedeputeerde Staten vastgesteld dat het niet gewenst is grote bedragen via stimuleringssubsidie en daarmee zonder verantwoording achteraf weg te zetten. Gedeputeerde Staten achten een bedrag van € 30.000,-- alleszins redelijk als bovengrens voor stimuleringssubsidie. Dit is vastgelegd in artikel 1.6. Van belang is artikel 4:43 Awb dat een aantal artikelen van die Awb van toepassing verklaart op de beschikking tot subsidievaststelling in de situatie dat daaraan voorafgaand geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven (het betreft de artikelen 4:32, 4:35, tweede lid, 4:38 en 4:39 Awb).] Een aanvraag om stimuleringssubsidie kan gedurende het gehele jaar worden ingediend.
Artikel 1.8Gegevens en bescheiden bij aanvraag stimuleringssubsidie
7[Toelichting: Met het verstrekken van een stimuleringssubsidie wordt tot uitdrukking gebracht dat Gedeputeerde Staten wensen bij te dragen aan het bestaan van een organisatie (de aanwezigheid). De (statutair bepaalde) doelstelling van een organisatie wordt van belang geacht. Er worden geen prestaties gevraagd en vooraf geen criteria gesteld. Ook wordt geen verantwoording achteraf gevraagd. Het is de meest elementaire vorm van subsidieverstrekking. De administratieve lasten zijn beperkt. De subsidiebeschikking stelt het bedrag van de subsidie vast en geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde subsidiebedrag. De termijn waarbinnen op een aanvraag moet worden beslist, sluit aan bij de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:13 Awb. Omdat het om publieke middelen gaat, hebben Gedeputeerde Staten vastgesteld dat het niet gewenst is grote bedragen via stimuleringssubsidie en daarmee zonder verantwoording achteraf weg te zetten. Gedeputeerde Staten achten een bedrag van € 30.000,-- alleszins redelijk als bovengrens voor stimuleringssubsidie. Dit is vastgelegd in artikel 1.6. Van belang is artikel 4:43 Awb dat een aantal artikelen van die Awb van toepassing verklaart op de beschikking tot subsidievaststelling in de situatie dat daaraan voorafgaand geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven (het betreft de artikelen 4:32, 4:35, tweede lid, 4:38 en 4:39 Awb).] De aanvrager van een stimuleringssubsidie overlegt bij de aanvraag in ieder geval: a. de statuten in het geval de aanvrager een rechtspersoon is, voorzover deze niet al eerder zijn overgelegd; b. een werkplan met of een verslag van de activiteiten die de aanvrager gebruikelijk uitvoert om haar doel te bereiken.
Artikel 1.9Beslistermijn vaststelling stimuleringssubsidie
8[Toelichting: Met het verstrekken van een stimuleringssubsidie wordt tot uitdrukking gebracht dat Gedeputeerde Staten wensen bij te dragen aan het bestaan van een organisatie (de aanwezigheid). De (statutair bepaalde) doelstelling van een organisatie wordt van belang geacht. Er worden geen prestaties gevraagd en vooraf geen criteria gesteld. Ook wordt geen verantwoording achteraf gevraagd. Het is de meest elementaire vorm van subsidieverstrekking. De administratieve lasten zijn beperkt. De subsidiebeschikking stelt het bedrag van de subsidie vast en geeft aanspraak op betaling van het vastgestelde subsidiebedrag. De termijn waarbinnen op een aanvraag moet worden beslist, sluit aan bij de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:13 Awb. Omdat het om publieke middelen gaat, hebben Gedeputeerde Staten vastgesteld dat het niet gewenst is grote bedragen via stimuleringssubsidie en daarmee zonder verantwoording achteraf weg te zetten. Gedeputeerde Staten achten een bedrag van € 30.000,-- alleszins redelijk als bovengrens voor stimuleringssubsidie. Dit is vastgelegd in artikel 1.6. Van belang is artikel 4:43 Awb dat een aantal artikelen van die Awb van toepassing verklaart op de beschikking tot subsidievaststelling in de situatie dat daaraan voorafgaand geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven (het betreft de artikelen 4:32, 4:35, tweede lid, 4:38 en 4:39 Awb). ] Gedeputeerde Staten beslissen omtrent subsidievaststelling binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.
Paragraaf 3. Prestatiesubsidie
Subparagraaf 3.1. Niet per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies
Artikel 1.10Indieningstermijn aanvraag tot verlening prestatiesubsidie
9 [Toelichting: Met het verstrekken van subsidie via het prestatiemodel wordt de gedachtegang uit het Onderhandelingsakkoord en de statenmotie van juni 2004 (ingediend bij de Perspectievennota 2005) tot uitdrukking gebracht. “Met maatschappelijke organisaties en instellingen willen wij outputgerichte prestatieafspraken maken, die volstrekt recht doen aan ieders verantwoordelijkheid en het maatschappelijke resultaat dat wij willen bereiken.” Subsidieverstrekking wordt gestuurd op rendement. Daarbij hoort per definitie verantwoording achteraf. Uitgangspunt daarbij is dat de verantwoording zich richt op de geleverde prestaties en activiteiten en de manier waarop die aansluiten bij het provinciaal beleid. Dat kan ook, omdat vooraf (bij subsidieverlening) afspraken tussen subsidieontvanger en provincie zijn gemaakt over wat en waaraan de subsidieontvanger bij gaat dragen en wat zij daarvoor gaat doen. Daarbij wordt tevens bepaald waarover en hoe en wat de mate van verantwoording nadien moet zijn. De uitwerking van het prestatiemodel biedt ruimte om flexibel en naar instelling gedifferentieerd om te kunnen gaan met het concretiseren van prestaties en daarmee met de verantwoording achteraf. ] Een aanvraag om prestatiesubsidie wordt ingediend dertien weken voorafgaande aan het subsidietijdvak of het boekjaar waarop de aanvraag betrekking heeft.
Artikel 1.11Gegevens en bescheiden bij aanvraag tot verlening prestatiesubsidie
In artikel 5, tweede lid van de verordening is geregeld dat onze provinciale regels wijken voor de kaderregelingen of richtsnoeren van de commissie, zodat wordt voorkomen dat een situatie ontstaat waarin de samenloop van EG-regels en provinciale regels ertoe leidt dat helemaal geen subsidie kan worden verleend. Aangezien het ‘de minimis’-bedrag per onderneming geldt, kan zonder medewerking van de aanvrager niet worden vastgesteld of sprake is van ‘de minimis’-steun. In het tweede lid is daarom bepaald dat op de aanvrager de verplichting rust melding te maken van eerdere subsidies of andere steunmaatregelen. Gedeputeerde Staten zullen de aanvragers hierbij hulp bieden in de vorm van een modelverklaring bij het aanvraagformulier.
Met deze verklaring wordt ook zeker gesteld dat de subsidie achteraf kan worden gewijzigd, indien na de subsidieverlening blijkt dat de vrijstelling voor ‘de minimis’-steun (toch) niet van toepassing was. Zie de artikelen 4:48, eerste lid, onder c en 4:49, eerste lid, onder b Awb].
Artikel 1.12Subsidieverplichtingen
12 [Toelichting: De situatie kan zich voordoen dat wij subsidie willen verlenen, waarbij wij alleen op prestaties willen sturen en de subsidieontvanger die prestaties naar genoegen realiseert. In dit artikel wordt geregeld dat wij de subsidieontvanger kunnen verplichten een positief exploitatieresultaat uit te geven binnen dezelfde doelstelling als waarvoor subsidie wordt verstrekt.] Indien het bedrag van de subsidie niet afhankelijk is van de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd, kunnen Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening bepalen dat de subsidieontvanger een eventueel positief exploitatieresultaat besteedt in het verlengde van het doel waarvoor de subsidie wordt verleend.
Artikel 1.13Beslistermijn verlening prestatiesubsidie
13 [Toelichting: In dit artikel staat het uitgangspunt vermeld dat de beslistermijn van dertien weken begint op het moment van ontvangst van een aanvraag. Voor een niet-volledige aanvraag geldt artikel 4:5 Awb. Op grond van dat artikel kunnen Gedeputeerde Staten de aanvrager een termijn geven waarbinnen hij zijn aanvraag alsnog kan aanvullen. Doet hij dat niet, dan kan de aanvraag na die termijn buiten behandeling worden gelaten. Worden de ontbrekende gegevens wel tijdig ingezonden, dan volgt behandeling van de aanvraag volgens de normale procedure. Gedurende de termijn dat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen, wordt de beslistermijn opgeschort (artikel 4:15 Awb).] Gedeputeerde Staten beslissen omtrent subsidieverlening binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag om prestatiesubsidie, tenzij een uiterste termijn voor de indiening van de aanvraag geldt. De termijn van dertien weken begint in dat geval op de dag, nadat die uiterste termijn is verstreken.
Artikel 1.14Voorschotverlening
14 [Toelichting: De betaling van het subsidiebedrag en de verleende voorschotten en de terugvordering daarvan zijn geregeld in afdeling 4.2.7 Awb. De bevoegdheid tot voorschotverlening, waarmee vooruit wordt gelopen op de betaling van het subsidiebedrag zelf, moet een wettelijke grondslag hebben. Hiertoe strekt artikel 1.14. ] Gedeputeerde Staten kunnen de subsidieontvanger voorschotten verlenen tot maximaal 80% van het verleende subsidiebedrag.
Artikel 1.15Indieningstermijn aanvraag tot vaststelling prestatiesubsidie
De subsidieontvanger dient binnen vier maanden na afloop van de activiteiten of het subsidietijdvak waarvoor subsidie is verleend een aanvraag tot subsidievaststelling in.
Artikel 1.16Gegevens en bescheiden bij aanvraag tot vaststelling prestatiesubsidie
15 [Toelichting: De in dit artikel genoemde documenten zijn de verantwoordingsvarianten van de documenten genoemd in artikel 1.11, eerste lid. Als onderbouwing van het financiële verslag kunnen deugdelijke kopieën van facturen, bankafschriften, kwitanties en overige betalingsbewijzen gelden] 1. De aanvrager van een prestatiesubsidie overlegt bij de aanvraag een verslag van de geleverde (deel)prestaties en de kosten daarvan.
Artikel 1.17Accountantsverklaring
Artikel 1.18Lagere vaststelling
19 [Toelichting: In een situatie dat binnen een prestatiesubsidie de kosten een rol spelen bij de hoogte van de subsidie, is het niet gewenst dat de subsidieontvanger ‘winst’ maakt op een activiteit.
Artikel 4:46
Awb bepaalt daarom onder meer dat subsidie lager kan worden vastgesteld als de activiteiten niet of niet geheel hebben plaatsgevonden. In aanvulling daarop bepaalt artikel 1.18 dat subsidie ten opzichte van de subsidieverlening lager vastgesteld wordt als de gesubsidieerde activiteiten meer opbrengen of minder kosten dan van te voren begroot. De subsidieontvanger zou anders immers gemeenschapsgeld overhouden (‘ongerechtvaardigde verrijking’). Aan de andere kant is het niet zo dat wij het subsidiebedrag verhogen als de gesubsidieerde activiteiten minder opbrengen of meer kosten dan van te voren begroot. Dit risico is voor rekening van de subsidieontvanger.Als de werkelijke kosten van activiteiten bepalend zijn voor de hoogte van de subsidie, dan worden op grond van artikel 4:46, derde lid Awb, overigens ook kosten die redelijkerwijze als niet noodzakelijk kunnen worden beschouwd, niet in aanmerking genomen Dat betekent dat ook bij verlening de aanvraag moet worden ‘gecorrigeerd’ voor kosten die bij vaststelling als redelijkerwijs niet noodzakelijk zullen worden beschouwd. De oude subsidieregelingen kenden een aantal bepalingen waarin situaties werden geschetst waarin sprake is van redelijkerwijs niet noodzakelijke kosten (artikelen 18 en 19 van de Algemene subsidieverordening 1997). Die situaties zullen wij in ieder geval blijven hanteren bij het beoordelen van de aanvraag tot vaststelling. Het gaat dan om: · lasten die ten laste van de exploitatierekening zijn gebracht waarvoor op de begroting van de subsidieontvanger voor dat jaar geen post is opgenomen, of· lasten zonder noodzaak tot een onevenredig hoog bedrag die ten laste van de exploitatierekening zijn gebracht, of· lasten die in de exploitatierekening zijn opgenomen met het kennelijke doel van kapitaal- of reservevorming. ] Voorzover het exploitatieresultaat bepalend is voor het bedrag van de subsidie en de activiteiten meer opbrengsten genereren danwel de kosten daarvan lager zijn dan begroot, wordt de subsidie naar rato lager vastgesteld.
Artikel 1.19Beslistermijn vaststelling prestatiesubsidie
Gedeputeerde Staten beslissen omtrent vaststelling van de prestatiesubsidie binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag.
Subparagraaf 3.2. Per boekjaar te verstrekken prestatiesubsidies aan rechtspersonen
Artikel 1.20Toepasselijkheid andere bepalingen
Enkele bepalingen gelden echter pas als dat uitdrukkelijk in een wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald. Het betreft de artikelen: · 4:64, derde lid (vrijstelling/ontheffing accountantsverklaring bij aanvraag); · 4:68 (definitie boekjaar); · 4:71 (rechtshandelingen waarvoor voorafgaande toestemming van Gedeputeerde Staten · 4:72 (egalisatiereserve); · 4:77 (inhoud financieel verslag als subsidieontvanger in overwegende mate zijn inkomsten ontleent aan de subsidie); · 4:78, vijfde lid (vrijstelling/ontheffing accountantscontrole); · 4:79, eerste en tweede lid (uitbreiding accountantscontrole tot naleving subsidieverplichtingen) Awb. In de volgende twee artikelen worden de artikelen 4:72 en 4:79, eerste en tweede lid Awb, uitgewerkt.
De overige onderwerpen kunnen indien gewenst in de hoofdstukken 2 t/m 7 of in een beschikking tot subsidieverlening worden uitgewerkt.] 2. De artikelen 1.13 en 1.19 van dit besluit zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 1.21Egalisatiereserve
21[Toelichting: Een egalisatiereserve werkt als buffer, waarmee tekorten in het ene jaar kunnen worden opgevangen met overschotten in het andere jaar, zodat een doelmatige besteding en beheer van subsidiegelden kan worden bereikt. Gelet op artikel 4:72, tweede lid van de wet, komt het verschil tussen de vastgestelde subsidie en de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend ten gunste onderscheidenlijk ten laste van de egalisatiereserve. Tot de werkelijke kosten worden niet gerekend niet-toegestane reserveringen en dotaties aan voorzieningen. Bij de vaststelling van de egalisatiereserve worden, naast de subsidie-inkomsten, ook alle inkomsten betrokken die mede ten doel hebben bij te dragen aan het realiseren van de prestatieafspraken met Gedeputeerde Staten.
Te denken valt onder meer aan eigen bijdragen van afnemers van producten, incidentele en structurele subsidies van derden en sponsorbijdragen. Inkomsten van derden ten behoeve van niet-gesubsidieerde activiteiten worden buiten beschouwing gelaten. In de Algemene subsidieverordening Overijssel 1997 was gelet op artikel 4:71, eerste lid, onder g Awb, opgenomen dat de subsidieontvanger toestemming nodig heeft van Gedeputeerde Staten voor het vormen van andere reserves en voorzieningen dan een egalisatiereserve. In de subsidiepraktijk werd zo’n verzoek om toestemming echter vrijwel nooit gedaan, terwijl er wel reserves en voorzieningen werden aangelegd. Omdat het Burgerlijk Wetboek en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving regels geven voor het hanteren van reserves en voorzieningen, waaraan subsidieontvangers toch al moeten voldoen, is de toestemmingsverplichting niet in dit uitvoeringsbesluit opgenomen. ] 1. Tenzij Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening anders bepalen, vormt de subsidieontvanger een egalisatiereserve overeenkomstig artikel 4:72 Awb.
Artikel 1.22Uitbreiding accountantscontrole
22 [Toelichting: zie toelichting op artikel 1.17, derde lid.] Bij subsidieverlening kunnen Gedeputeerde Staten bepalen dat de aanvrager, die geen publiekrechtelijke rechtspersoon is, bij de aanvraag tot subsidievaststelling tevens een accountantsverklaring overlegt over de naleving van aan de subsidie verbonden verplichtingen. Artikel 4:79 Awb is van toepassing.
Artikel 1.23Voorschotverlening
Hoofdstuk 2. Bijzondere bepalingen Bestuurlijke Aangelegenheden
Paragraaf 1. Integrale veiligheid
Artikel 2.1Criterium
Een aanvraag voor veiligheidssubsidie moet voldoen aan het volgende criterium: het project of de activiteit moet concrete meetbare resultaten opleveren met betrekking tot de doelstelling van het provinciale veiligheidsbeleid.
Artikel 2.2Prestatiesubsidie
Gedeputeerde Staten verstrekken veiligheidssubsidie in de vorm van een prestatiesubsidie.
Artikel 2.3Subsidieplafond
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
Artikel 2.4Grondslag subsidie
De subsidie bedraagt tot minste € 10.000,-- en ten hoogste 50% van de project- of activiteitkosten met een maximum van € 40.000,-- per project of activiteit.
Artikel 2.5Indieningstermijn aanvraag
In afwijking van artikel 1.10 wordt een subsidieaanvraag ingediend voor 1 april respectievelijk 1 oktober van het kalenderjaar.
Artikel 2.6Wijze van behandeling van aanvragen
Artikel 2.7Verplichting subsidieontvanger
De uitvoering van het project of de activiteit start uiterlijk binnen zes maanden na verlening van de subsidie.
Paragraaf 2. Jeugd en veiligheid; dit onderdeel is vervallen per 1 januari 2008!
Artikel 2.8Criterium
Een subsidieaanvraag voor jeugd en veiligheid moet voldoen aan de volgende criteria: a. het project draagt aantoonbaar bij aan de realisatie van het provinciale veiligheidsbeleid in het algemeen en aan het provinciale jeugd en veiligheidsbeleid in het bijzonder; b. de aanvraag is afkomstig van een gemeente of privaatrechtelijke rechtspersoon in de provincie Overijssel, die vanuit een non-profittaak betrokken is bij de uitvoering van het jeugd en veiligheidsbeleid.
Artikel 2.9Prestatiesubsidie
Gedeputeerde Staten verstrekken veiligheidssubsidie in de vorm van een prestatiesubsidie.
Artikel 2.10Subsidieplafond
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
Artikel 2.11Indieningstermijn aanvraag
In afwijking van artikel 1.10 kan de subsidieaanvraag gedurende het gehele kalenderjaar worden ingediend.
Artikel 2.12Wijze van behandeling van aanvragen
Subsidieaanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst, met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.
Artikel 2.13Voorschotverlening
In afwijking van artikel 1.14 verstrekken Gedeputeerde Staten bij subsidieverlening een voorschot van 80% van de verleende subsidie.
Artikel 2.14Verplichting subsidieontvanger
De uitvoering van het project of de activiteit start uiterlijk binnen zes maanden na verlening van de subsidie.
Paragraaf 3. Samenwerking Overijssel – Kurzeme (Letland)
Artikel 2.15Criterium
Een aanvraag voor een subsidie in het kader van de samenwerking Overijssel – Kurzeme (Letland) moet voldoen aan het volgende criterium: het project of de activiteit moet concreet bijdragen aan de uitwisseling van kennis en ervaring of onderdeel zijn van bredere activiteiten op het gebied van humanitaire hulpverlening.
Artikel 2.16Prestatiesubsidie
Gedeputeerde Staten verstrekken een subsidie in het kader van de samenwerking Overijssel – Kurzeme (Letland) in de vorm van een prestatiesubsidie.
Artikel 2.17Subsidieplafond
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
Artikel 2.18Grondslag subsidie
De subsidie bedraagt maximaal € 400,-- per persoon die deelneemt aan een kennisuitwisselingsproject of op jaarbasis € 700,-- voor activiteiten op het gebied van humanitaire hulpverlening.
Artikel 2.19Indieningstermijn aanvraag
In afwijking van artikel 1.10 kan een subsidieaanvraag gedurende het gehele kalenderjaar worden ingediend.
Artikel 2.20Voorschotverlening
Gedeputeerde Staten verstrekken de aanvrager bij hun besluit tot subsidieverlening in afwijking van artikel 1.14 ambtshalve een voorschot van 90% van de verleende subsidie.
Hoofdstuk 3. Bijzondere bepalingen Economie, Milieu en Toerisme
(De tekst van dit hoofdstuk wordt in een later stadium vastgesteld en gepubliceerd.)
Hoofdstuk 4. Bijzondere bepalingen Landbouw, Natuur en Landschap
23 [Toelichting: Bij de vormgeving van dit hoofdstuk is nadrukkelijk geanticipeerd op invoering van het ILG en het nieuwe Europese verordening voor plattelandontwikkeling in 2007. Dat blijkt onder meer uit de indeling in paragrafen waarmee wordt aangesloten bij de ‘priority axes’ uit het Europese beleid. Daarmee beogen we het inzetten van provinciale middelen als cofinanciering te vereenvoudigen en daarmee de beschikbare Europese middelen optimaal te benutten. Bovendien hoeft in het geval sprake is van staatssteun in een aantal gevallen geen bijzondere goedkeuring in Brussel te worden verkregen en waar wel goedkeuring dient te worden gevraagd zal deze vermoedelijk eenvoudiger worden verkregen.]
Paragraaf 1. Algemeen
Artikel 4.1Staatssteun en landbouwbedrijven
24[Toelichting: Voor subsidie aan ondernemingen geldt het EG-verbod op staatssteun. In het algemeen maakt Overijssel daarbij gebruik van de vrijstelling voor de minimissteun. Zie artikel 6 lid 2 van de Algemene subsidieverordening en de toelichting daarop. Die vrijstelling geldt evenwel niet voor Landbouwbedrijven, kort gezegd ondernemingen die landbouwproducten produceren, verwerken of afzetten. Voor kleine en middelgrote landbouwbedrijven geldt wel de hier genoemde vrijstellingsregeling. In de regeling zijn in het bijzonder de artikelen 1 tot en met 5, artikel 7 en de artikelen 17, 18 en 19 van belang. Uit de genoemde artikelen vloeit onder meer voort dat bij een aanvraag voor subsidie voor investeringen de economische levensvatbaarheid van het bedrijf moet worden aangetoond en/of dat er in de toekomst voor betrokken producten op de markt normale afzetmogelijkheden bestaan. Daarvoor moet allerlei informatie worden overlegd. Zie artikel 5. Verder moet de aanvrager beschikken over voldoende agrarische vakbekwaamheid. Ook dat moet door schriftelijke informatie worden gestaafd.Uitzondering hierop vormen de subsidies genoemd in § 4.2 van dit uitvoeringsbesluit. Voor de subsidies die in dit kader worden verleend wordt hiertoe een aparte melding richting de Europese Commissie voorbereid.] Subsidie aan landbouwbedrijven, bedoeld in paragraaf 2 en 3 wordt uitsluitend verstrekt indien voldaan is aan het bepaalde in de verordening (EG) nr. 1/2004 van de Europese Commissie van 23 december 2003 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, verwerken en afzetten, Publ. 2004, L 1/1.
Artikel 4.2Subsidievorm
Gedeputeerde Staten verstrekken de onderstaande subsidies in de vorm van een prestatiesubsidie.
Paragraaf 2. Ontwikkeling van perspectiefvolle landbouw
25[Toelichting: Een perspectiefvol landbouwbedrijfsleven is belangrijk voor Overijssel. Onder perspectiefvolle landbouwerstaat de provincie een toekomstgericht en marktconform landbouwbedrijfsleven, die bijdraagt aan de regionale economie, het beheer van het landelijk gebied en de leefbaarheid van het platteland. Daarom zien wij het als onze taak om, binnen de mogelijkheden, te zorgen voor goede randvoorwaarden voor de ontwikkeling van duurzame landbouw.De doelen in dit verband zijn:• verbetering van de ruimtelijke structuur van de intensieve landbouw Intensieve veehouderij en glastuinbouw);• verbetering van de ruimtelijke structuur van de grondgebonden landbouw;• verbreding en versterking van de economische basis van de landbouw door het stimuleren van ondernemerschap en innovatie.De rol van de provincie in het bereiken van deze doelen betreffen met name een goede afstemming met andere overheden, strategische plannen en vooral een passend instrumentarium.
Het belangrijkste provinciale instrument is het stimuleringsbeleid. Subsidieverstrekking is hiervan het belangrijkste onderdeel.Ten behoeve van de landbouw in het algemeen worden gelden beschikbaar gesteld door de Europese Unie, het Rijk, de provincie en het landbouwbedrijfsleven zelf. Deze regeling heeft alleen betrekking op de subsidieverlening vanuit provinciale middelen. Voor situaties waar voor een activiteit een bijdrage kan worden verkregen uit een subsidieregeling van een andere overheid of een Europees Programma, is deze subsidieregeling niet bedoeld. Deze subsidieregeling is uitdrukkelijk bedoeld als aanvulling op bestaande subsidieregelingen van andere overheden en Europese Programma’s.In deze context zullen subsidieaanvragen ook worden beoordeeld.]
Artikel 4.3Criteria
26[Toelichting: Centraal criterium om voor subsidie in aanmerking te komen is dat de activiteit past binnen de genoemde speerpunten voor de ontwikkeling van een perspectiefvolle landbouw. Zowel individuele ondernemers als intermediaire organisaties moeten van de regeling gebruik kunnen maken.In dit artikel is nog aantal andere subsidiecriteria geformuleerd, waaronder in sub c dat het project waaruit de uitvoering van de activiteit voortvloeit een uitstraling heeft naar een groter gebied of naar (delen van) de landbouwsector. Achtergrond hiervan is dat het activiteiten moet betreffen die op enigerlei wijze het niveau van de individuele ondernemer overstijgen of door een relatie met een meeromvattend project dat een uitstraling heeft naar de landbouwsector als totaal of delen daarvan of een uitstraling heeft naar een gebied.In sub d is geregeld dat de activiteit uitvoeringsgereed moet zijn. Dit betekent onder andere dat de benodigde vergunningen c.q. ontheffingen of anderszins toestemmingen moeten zijn verleend en dat de financiering van de activiteit geregeld moet zijn. Hiermee wordt bedoeld dat de cofinanciering van de activiteit geregeld dient te zijn en de begroting sluitend dient te zijn.] 1. Een aanvraag voor subsidie ten behoeve van de ontwikkeling van perspectiefvolle landbouw moet voldoen aan de volgende criteria: de activiteiten moet bijdragen aan één van de volgende speerpunten:
Artikel 4.4Grondslag subsidie
27[Toelichting: Voor subsidie aan landbouwbedrijven is de hoogte mede bepaald door de maxima genoemd in de EG-verordening voor steun aan kleine en middelgrote landbouwbedrijven. Om het geheel overzichtelijk te houden hebben wij gekozen voor twee hoofdregels: 40% voor investeringen en 80% voor technische ondersteuning. Bovendien is de bijdrage gemaximeerd.De EG-verordening geeft in sommige gevallen overigens meer ruimte, bijvoorbeeld voor subsidie aan jonge landbouwers of voor de bescherming of verbetering van het milieu, van de hygiënische omstandigheden op dierenbedrijven of het welzijn van landbouwhuisdieren, steun voor vervroegde uittreding, bijdragen voor producentengroeperingen, bijdragen aan verzekeringspremies, steun voor ‘kwaliteitslandbouwproducten’ en tenslotte bepaalde steun aan de sector dierlijke productie.Op grond van artikel 4 respectievelijk artikel 7 van de EG-verordening moeten investeringen gericht zijn op een of meerdere van de volgende doelstellingen:a. verlaging van de productiekosten;b. verbetering en omschakeling van de productie;c. verhoging van de kwaliteit;d. instandhouding en verbetering van het natuurlijke milieu, de hygiënische omstandigheden en de normen inzake dierenwelzijn;e. bevordering van de diversificatie van landbouwactiviteiten;f. verwerking en afzet van landbouwproducten.Een belangrijke aandachtspunt is dat de genoemde steunintensiteiten gelden voor alle overheden gezamenlijk.
Er moet derhalve nadrukkelijk worden geverifieerd of andere overheden – met inbegrip van de EG – een bijdrage leveren. Is dat het geval dan moet daarmee bij de verstrekking rekening worden gehouden. Zie artikel 18 van de EG-verordening.] 1. De subsidie aan landbouwbedrijven ten behoeve van investeringen bedraagt maximaal 40% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 100.000,-- per investering.
Artikel 4.5Indieningstermijn aanvraag
In afwijking van het bepaalde in artikel 1.10 kan een subsidieaanvraag gedurende het gehele jaar worden ingediend.
Artikel 4.6Aanvullende stukken bij aanvraag
29 [Toelichting: Deze informatie is nodig in verband met het voldoen aan de eisen uit EG-regelgeving. Zie ook de toelichting bij artikel 4.1, lid 2.] Indien de aanvraag betrekking heeft op een subsidie ten behoeve van investeringen overlegt de aanvrager in aanvulling op artikel 1.11 bij de aanvraag tevens de volgende documenten of informatie: a. een beschrijving van de huidige situatie van de betrokken bedrijven; b. een beschrijving van de beoogde structuurverbetering van de betrokken bedrijven na voltooiing van het plan; c. een overzicht van de eventuele gevolgen van de structuurverbetering voor de personele bezetting; d. een verklaring van een financierende derde, niet zijnde bloed- of aanverwant, in het geval de investering waarvoor subsidie wordt aangevraagd door deze derde geheel of ten dele zal worden gefinancierd. Hieruit dient de haalbaarheid van de gewenste investeringen ook in relatie tot de levensvatbaarheid van het landbouwbedrijf te blijken; e. indien geen financieringsverklaring, zoals onder sub d wordt bedoeld, kan worden overgelegd, dient bij de aanvraag tot subsidieverlening een exploitatiebegroting te worden overgelegd over het boekjaar volgend op het jaar waarin de subsidieaanvraag plaatsvindt, alsmede een meerjarenbegroting over een periode van 5 jaar. Uit de exploitatiebegroting dient te blijken dat het eigen vermogen nadat de investering waarvoor de aanvraag tot subsidieverlening wordt ingediend, heeft plaatsgevonden, niet minder dan 15% van het totale vermogen uitmaakt. Gegevens waaruit blijkt dat het bedrijf waarvoor subsidie wordt aangevraagd gedurende de drie jaar voorafgaand aan de subsidieaanvraag, niet meer dan gedurende één jaar verlies heeft geleden; f. gegevens waarmee kan worden aangetoond dat er in de toekomst voor de betrokken producten op de markt normale afzetmogelijkheden bestaan. Uitgangspunt bij de beoordeling hiervan is de monitoring van het Landbouw Economisch Instituut met betrekking tot capaciteitsontwikkeling van markten voor agrarische producten; g. een getuigschrift waaruit blijkt dat de aanvrager een erkende landbouwkundige opleiding heeft afgerond dan wel een opleiding van gelijkwaardig niveau of dat hij kan aantonen ten minste drie jaren op een agrarisch bedrijf werkzaam te zijn geweest.
Artikel 4.7Subsidieplafond
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast.
Paragraaf 3. Uitvoering van het reconstructieplan Salland Twente
Artikel 4.8Criteria
Artikel 4.9Grondslag subsidie
Indien de hervestiginglocatie een bestaande agrarische bedrijfslocatie is én er geen sprake is van samenvoeging: een vergoeding voor de sloopkosten van € 25,-- per m2 voor de sloop van op de hervestiginglocatie niet bruikbare bedrijfsgebouwen.
Artikel 4.10Grondslag voor subsidie aan landbouwbedrijven
36 [Toelichting: zie de toelichting bij artikel 4.9] 1. In afwijking van artikel 4.9 bedraagt de subsidie aan landbouwbedrijven ten behoeve van investeringen, overeenkomstig artikel 4 van Verordening van de Commissie (EG) 1/2004. PbEU 2004, L 1/1 maximaal 40% van de subsidiabele kosten.
Artikel 4.11Indieningstermijn aanvraag
In afwijking van het bepaalde in artikel 1.10 kan een subsidieaanvraag gedurende het gehele jaar worden ingediend.
Artikel 4.12Aanvullende stukken bij aanvraag
37 [Toelichting: Deze informatie is nodig in verband met het voldoen aan de eisen uit EG-regelgeving. Zie artikel 4.1.] 1. Indien de aanvraag betrekking heeft op een subsidie voor een investering in een landbouwbedrijf, zoals bedoeld in artikel 4 van Verordening van de Commissie (EG) 1/2004. PbEU 2004, L 1/1, overlegt de aanvrager in aanvulling op artikel 1.11 tevens de documenten of informatie genoemd in artikel 4.6 voornoemd.
Artikel 4.13Subsidieplafond
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast voor uitvoering van het reconstructieplan of onderdelen daarvan.
Artikel 4.14Wijze van behandeling van de aanvragen
Subsidieaanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst, met dien verstande dat wanneer de aanvrager op grond van artikel 4:5 Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de gevraagde aanvulling is ontvangen, met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.
Artikel 4.15Voorschotverlening
Artikel 4.16Vervreemding
Paragraaf 4. Verbeteren van het milieu in het landelijk gebied
Subparagraaf 4.1. Provinciale Ecologische Hoofdstructuur 38[Toelichting: Het Beleidsplan Natuur en Landschap Overijssel (BNLO) is het beleidskader voor het subsidiëren van grondaankopen voor de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur. Dit beleidsplan is op 21 oktober 1992 door provinciale staten vastgesteld. In dit BNLO geeft de provincie aan hoe de natuur- en landschapswaarden in onderlinge samenhang behouden en verder ontwikkeld kunnen worden. Voor de periode tot 2021 geeft het BNLO een streefbeeld van de realisering van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur (PEHS).De doelstellingen van het provinciale natuur- en landschapsbeleid zijn:• duurzaam behoud, herstel en ontwikkeling van de karakteristieke natuur- en landschapswaarden;• het bevorderen van de mogelijkheden om de natuur en het landschap op een verantwoorde wijze te beleven.Voor de toekomst van belangrijke ecosystemen is de ontwikkeling vereist van een samenhangend stelsel van grote natuurgebieden die met elkaar verbonden zijn door verbindingszones.
Het provinciale natuur- en landschapsbeleid richt zich in de eerste plaats op de totstandkoming van dit stelsel: de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur (PEHS). De concrete begrenzing van de PEHS tot op perceelsniveau vindt plaats in de natuurgebiedplannen, die in het kader van de Subsidieregeling Natuurbeheer (Programma Beheer) zijn vastgesteld.Aankoop, inrichting en particulier) beheer zijn belangrijke middelen om het natuur- en landschapsbeleid te verwezenlijken. Voor aankopen van natuurterreinen, bossen en landgoederen kan – als voldaan is aan een aantal specifieke criteria - provinciale subsidie worden verleend. Een belangrijk aspect is dat de aankopen plaatsvinden op vrijwillige basis.De provincie heeft in het proces van grondaankopen een regisserende rol, zij heeft namelijk het beleidskader geformuleerd.
Deze regisserende rol is eveneens afgesproken in het IPO/LNV convenant waarin afspraken zijn gemaakt tussen het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en het IPO over de realisering van het natuurbeleid. Daarnaast heeft de provincie een duidelijk stimulerende rol door het subsidiëren. Het subsidiëren van grondaankopen binnen de PEHS moet gezien worden als een van de krachtigste stimuleringsinstrumenten om de PEHS te realiseren. De provincie subsidieert maximaal 50% van de verwervingskosten, terwijl het Rijk de resterende 50% subsidieert.Voor het behoud en ontwikkelen van natuurwaarden van natuurterreinen, bossen en landgoederen kan het gewenst zijn dat deze worden verworven door een van de terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties.
Het gaat hier om door de minister van LNV als particulier terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties erkende organisaties. In Overijssel hebben op dit moment Landschap Overijssel en de Vereniging Natuurmonumenten deze erkenning. Zij kunnen een subsidie aanvragen voor aankopen van natuurterreinen, bossen en landgoederen. Staatsbosbeheer wordt bij voorkomende aankopen door de rijksoverheid gesubsidieerd.Het aantal subsidieontvangers voor dit doel is bewust beperkt gebleven tot de genoemde organisaties, omdat zij in hun doelstelling primair hebben opgenomen behoud en ontwikkeling van natuur voor een al dan niet beperkt grondgebied. Ook beschikken deze organisaties over deskundig personeel voor het beheer en bovendien over een zodanige vermogenspositie dat verwacht mag worden dat zij deze doelstellingen ook voor de langere termijn kunnen blijven uitvoeren.
Hiermee is de duurzaamheid van de subsidie goed gewaarborgd en mag verwacht worden dat op deze manier de realisatie van de PEHS via aankopen door deze organisaties een structureel karakter krijgt.]
Artikel 4.17Criteria
39[Toelichting: De algemene lijn is dat er subsidie beschikbaar is voor de aankoop van nieuwe natuur. Via het Programma Beheer is in samenspraak met rijk en provincies, een subsidiemogelijkheid gecreëerd voor particulieren die via de Subsidieregeling Natuurbeheer 2000 grond willen verwerven en beheren indien deze gronden in de provinciale natuurgebiedsplannen ijn begrensd als nieuwe natuur.De onderhavige regeling ziet op de verwerving van grond van door het rijk als particulier terreinbeherende natuurbeschermingsorganisatie zijn erkend. De grond moet gelegen zijn in de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur en de grond moet zijn begrensd als nieuwe natuur in de natuurgebiedsplannen op grond van de Subsidieregeling Natuurbeheer 2000. In bijzondere gevallen kan worden afgeweken van het criterium, dat gronden buiten de PEHS voor subsidie in aanmerking kan komen. De subsidieaanvrager moet bij de subsidieaanvraag aantonen dat de aankoop van de betreffende grond rechtstreeks bijdraagt aan de realisatie van de PEHS.(bijvoorbeeld ruilgrond).In bijzondere gevallen moet de mogelijkheid bestaan van de algemene lijn af te wijken. In dit artikel is geregeld in welke situaties van deze algemene lijn mag worden afgeweken. Indien dit aan de orde is zal de subsidieaanvrager gemotiveerd bij het subsidieverzoek moeten aangeven, waarom er sprake is van deze uitzonderingssituatie.] 1. De door de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit als particulier terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties erkende organisaties kunnen subsidie aanvragen voor de verwerving van gronden voor de realisatie van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria: de te verwerven grond ligt in de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur; de te verwerven grond ligt niet in de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur en de aanvrager kan aantonen dat de aankoop van de betreffende grond rechtstreeks bijdraagt aan de realisatie van de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur; de te verwerven grond is begrensd als nieuwe natuur als bedoeld in het natuurgebiedsplan; de subsidieaanvrager komt, gelet op de door Gedeputeerde Staten vast te stellen eerstgegadigdenkaart, als eerste in aanmerking voor aankoop van de betreffende grond. 40[Toelichting: Bij de vaststelling van het BNLO is door de provincie in overleg met jet rijk (LNV) een kaart vastgesteld, die de invloedsferen van de natuurbeschermingsorganisaties Vereniging Natuurmonumenten en Landschap Overijssel in Overijssel weergeeft, de zgn. Eerstgegadigdenkaart. Deze kaart is bepalend voor welke natuurbeschermingsorganisatie een perceel grond, dat op de markt wordt aangeboden, aan zal gaan kopen.De Eerstgegadigdenkaart is van belang bij de beoordeling of de subsidieaanvrager als eerste in aanmerking komt voor aankoop van de betreffende grond. Als gevolg van belangrijke wijzigingen die ten behoeve van ruimere mogelijkheden voor particulier beheer worden doorgevoerd, kunnen Gedeputeerde Staten wijzigingen op deze kaart aanbrengen.]
Artikel 4.18Grondslag subsidie
Artikel 4.19Indieningstermijn aanvraag
In afwijking van artikel 1.10 kunnen subsidieaanvragen gedurende het gehele jaar worden ingediend.
Artikel 4.20Aanvullende stukken bij aanvraag
Artikel 4.21Subsidieplafond
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast voor de subsidie als bedoeld in artikel 4.17, vierde lid.
Artikel 4.22Toestemming vervreemding
Artikel 4.23Voorschotverlening
Artikel 4.24Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling
In afwijking van artikel 1.15 wordt een aanvraag tot vaststelling van de subsidie als bedoeld in artikel 4.17, eerste en tweede lid, ingediend binnen zes maanden na het verlijden van de akte van transport van de betreffende grond.
Artikel 4.25Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling
De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.16 bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie als bedoeld in artikel 4.17, eerste en tweede lid, tevens de volgende gegevens: a. een kopie van de akte van transport; b. de nota van de aktekosten; c. een overzicht van de gemaakte kosten gespecificeerd naar de in artikel 4.18, eerste lid, onderscheiden verwervingskosten; d. deugdelijke (kopieën van) betalingsbewijzen van de gemaakte kosten.
Subparagraaf 4.2. Bescherming van weidevogels 43[Toelichting: Het gaat niet goed met de weidevogelstand. Met name de grutto gaat sterk achteruit. Vooral in de kuikenfase is deze soort erg kwetsbaar voor maaien. Daarnaast worden vaak grote oppervlaktes in één keer gemaaid, waardoor gruttokuikens geen dekking tegen predatoren (lang gras) en voedsel (insecten zitten in het lange gras) meer kunnen vinden. Hierdoor worden veel te weinig grutto’s vliegvlug. Plaatselijk speelt daarbij ook predatie een belangrijke rol. Voor de grutto heeft Nederland een internationale verantwoordelijkheid. In het Actieplan ‘Boeren met weidevogels’ heeft de provincie Overijssel in 2003 aangegeven in te willen zetten op extra maatregelen om de weidevogelstand te verbeteren, met name voor kwetsbare soorten als grutto en tureluur.Het weidevogelbeheer kent diverse pijlers.
Een daarvan is de Natuurproductiebetaling. Dat is een vergoeding voor daadwerkelijk uitgekomen legsels van bedreigde weidevogels. Het gaat om de grutto, tureluur, wulp, solobeen, zomertaling, watersnip en kemphaan. De vergoeding van € 70,-- wordt uitgekeerd voor de extra inspanning die de ondernemer moet verrichten voor het beschermen van het legsel.Uit onderzoek komt naar voren dat actieve bescherming van de weidevogelnesten leidt tot een beter broedresultaat. Het blijkt dat bij bescherming 30% meer legsels succesvol uitkomen. Steun aan de weidevogels is zeer urgent vanwege afname van aantallen in het agrarisch gebied en ook in de natuurgebieden.Eén andere maatregel is het project Koplopers weidevogelboeren.
In dit project worden extra maatregelen voor weidevogels mogelijk gemaakt. Grondgebruikers kunnen subsidie aanvragen indien zij extra maatregelen treffen ter verbetering van biotoop, broedsucces en kuikenoverleving van weidevogels. Deze maatregelen zijn vooral gericht op het verhogen van de kuikenoverleving. Dit project wordt in 2005 opgestart en gefinancierd door de provincie (€ 100.000,--) en vanuit een fonds (€ 430.000,-- voor 10 jaar), dat door Rijkswaterstaat beschikbaar is gesteld voor extra maatregelen voor weidevogels ter compensatie van de aanleg van de N 50.In Overijssel zijn de gebieden, waar nog relatief veel kritische soorten weidevogels (o.a. grutto, tureluur) voorkomen, op grond van het Programma Beheer begrensd als beheersgebied of nieuwe natuur voor weidevogels.
Het accent ligt hier op het IJsseldeltagebied en Noordwest-Overijssel. Daarnaast liggen er verspreid in Salland en Twente een aantal beheersgebieden voor weidevogels. Dit betekent dat hier subsidies mogelijk zijn voor weidevogels volgens de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer (SAN) of de Subsidieregeling Natuurbeheer (SN). Dit levert tot nog toe onvoldoende resultaat op. De weidevogelstand gaat nog steeds hard achteruit.Daarom willen we komen tot meer maatwerk en extra maatregelen voor behoud van de weidevogelstand. Deze maatregelen voor weidevogels willen we uitvoeren bij die boeren die nu door veel inzet nog hoge dichtheden aan weidevogels, en m.n. grutto’s, op hun bedrijf hebben (“de koplopers in het gebied”).
Hier zullen aanvullende maatregelen het meeste rendement opleveren. De aanvullende maatregelen zullen m.n. gericht zijn op het verhogen van het broedsucces en de kuikenoverleving (o.a. strokenbeheer, mozaïekbeheer).We maken daarbij gebruik van de ervaringen van het landelijk project ‘Nederland, Gruttoland’. In het project ‘Nederland, Gruttoland’ is ervaring opgedaan met aanvullende maatregelen voor weidevogels (m.n. de grutto) bij een aantal boeren (53) in 6 clusters (Agrarische Natuurverenigingen) verspreid over Nederland (totaal 1600 hectare). Op basis van deze ervaringen én eigen ervaringen is het Koploperproject uitgewerkt in een aantal maatregelen dat sterk gericht is op het verhogen van de kuikenoverleving.
Door een gezamenlijke aanpak, meer maatwerk en aanvullende maatregelen voor weidevogels (mozaïekbeheer) moet dit resulteren in een hogere reproductie (meer vliegvlugge weidevogelkuikens) en een toename van de weidevogelstand met 25% in 5 jaar bij de deelnemende bedrijven. Tevens geldt het als een voorbeeldfunctie voor andere gebieden.Deze regeling is als experiment opgezet. We streven er naar om de uitvoering van het project in de loop der jaren over te dragen aan bestaande of nog op te richten samenwerkingsverbanden van agrariërs in het gebied, waarbij de provincie meer een sturende en ondersteunende rol gaat spelen.]
Artikel 4.26Criteria
Boeren komen alleen in aanmerking voor dit project als er in een samenhangend/aaneensluitend gebied minimaal 15 broedparen van grutto, tureluur en/of wulp aanwezig zijn met een minimale dichtheid van 15 broedparen per 100 hectare. Tevens is deelname mogelijk als het bedrijf in één van de voorgaande 3 jaren (individueel) minimaal 10 nesten gehonoreerd heeft gekregen in het kader van het project natuurproductiebetaling. Deze voorwaarden zijn opgenomen, omdat dit een hoge dichtheid van (kritische) soorten weidevogels garandeert. Bij hogere dichtheden van weidevogels zullen de maatregelen veel meer effect opleveren. Het project is gericht op versterking van de kuikenoverleving. Daarom wordt als instapeis een aanvraag van minimaal 1 hectare vluchtstroken en/of voorbeweiding .Percelen waarop een beheersovereenkomst (Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer) of een contract particulier natuurbeheer van kracht is (Subsidieregeling Natuurbeheer), komen niet in aanmerking voor subsidie.
Dit geldt tevens voor percelen die in eigendom zijn van een natuurbeschermingsorganisatie. Hier worden al beheersmaatregelen gesubsidieerd. Stapeling met deze subsidies is aldus niet mogelijk.] vluchtstrokenbeheer: stroken met veel legsels en/of kuikens van minimaal 10 meter breed en 50 meter lang en met een totale oppervlakte van maximaal 1 hectare die minimaal 2 weken later worden gemaaid dan de rest van het perceel en niet eerder dan 22 mei; 45[Toelichting: De vluchtstroken worden daar neergelegd waar de meeste nesten van kritische weidevogels zijn gevonden en/of de meeste paren met kuikens aanwezig zijn. Om deze stroken goed te laten functioneren is een minimummaat van 10 m bij 50 m opgenomen. Voor de doelmatigheid voor het weidevogelbeheer (laagste kosten, meeste rendement) is gekozen voor een maximumoppervlakte van 1 hectare, zodat meerdere stroken op het bedrijf worden neergelegd.
De stroken zijn specifiek gericht op het vergroten van de kuikenoverleving. Gruttokuikens, en in mindere mate kuikens van tureluur en wulp blijven in het lange gras. M.n. kuikens, die niet net uit het ei zijn, hebben bij de huidige maaiapparatuur en het tempo van maaien nauwelijks kans te overleven. De meeste nesten van grutto, tureluur en wulp komen doorgaans uit in de periode 5 tot 15 mei. Daarom is gekozen om de stroken minimaal 2 weken later te laten maaien en niet eerder dan 22 mei. Als de stroken 2 weken later gemaaid worden dan de rest van het perceel, is er doorgaans in de rest van het perceel weer voldoende gras om dekking te vinden. De vergoeding is alleen gebaseerd op het verlies aan opbrengst (m.n. de kwaliteit loopt achteruit), en dat deze stroken weer apart moeten worden gemaaid, verwerkt en ingekuild.
Deze kosten kunnen nog hoger oplopen als hier een loonbedrijf voor wordt ingeschakeld.] voorbeweiding: in een periode tot uiterlijk 1 mei, met aansluitend een rustperiode tot 15 juni ofwel in een periode tot uiterlijk 24 april, met aansluitend een rustperiode tot 1 juni, waarbij in de betreffende rustperiode wordt afgezien van bemesten, rollen, slepen en maaien van het perceel. Ingeval deze activiteit wordt uitgevoerd met schapen, geldt een periode tot uiterlijk 15 april respectievelijk 8 april; uitstel van maaien: op percelen met veel kuikens, tenminste 4 paar met kuikens van grutto, wulp en/of tureluur met minimaal 2 weken en niet eerder dan 1 juni of met minimaal 3 weken en niet eerder dan 8 juni; nestbescherming waarbij:
Artikel 4.27Grondslag subsidie
47 [Toelichting: De voorbeweidingspakketten zijn er eveneens op gericht op, dat in de periode van 5 mei tot 15 juni er percelen aanwezig zijn met langer gras, waarin kuikens van grutto, wulp en tureluur kunnen overleven. Daarnaast worden deze percelen zo ook geschikt gemaakt voor (her)vestiging van kritische soorten. Voorbeweiding met schapen leidt tot een kort afgevreten grasmat zonder structuur, vandaar dat hier een extra beperking (2 weken eerder de schapen er uit) is opgenomen. De beperkingen leiden tot een afname in opbrengst en beperkingen in de bedrijfsvoering. De vergoedingen zijn rechtstreeks gerelateerd aan de onderdelen voorbeweiding uit de collectieve weidevogelpakketten van de SAN.] voor uitstel van maaien:
Eén tot 2 dagen voor het maaien plaatsen ze in percelen, waar geen vluchtstroken blijven staan, stokken met plastic zakken, zodat de paren met kuikens de percelen verlaten en een veilige plek vinden in vluchtstroken, voorbeweiden of nog niet gemaaide percelen. Daarnaast wordt verwacht dat ze de resultaten in kaart brengen en deelnemen aan een start- en evalutiebijeenkomst van het project. Om hieraan te kunnen voldoen, vraagt veel tijd. Met name het zoeken van legsels kost erg veel tijd, waarbij de agrariërs vaak ook derden (vrijwillige weidevogelbescherming) inschakelen. Bij de vergoeding is een vast deel genomen, omdat iedere deelnemer extra maatregelen en tijd moet vrijmaken voor de uitvoering.
Aangezien een groot bedrijf meer inspanningen moet doen, is dit verwerkt in een variabel deel (€ 4,-- per hectare). Met name de tijd die het zoeken van legsels vraagt, is deze vergoeding dan ook niet meer als een tegemoetkoming in de kosten.] 2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid bedraagt de subsidie per onderneming, landbouwbedrijf of een samenwerkingsverband daarvan maximaal € 3.000,-- per jaar. 49[Toelichting: Uit doelmatigheidsoverwegingen is de subsidie op bedrijfsniveau aan een maximum gesteld. Dit bedrag is gedifferentieerd naar dichtheid van kwetsbare weidevogelsoorten, met als criterium de deelname aan natuurproductiebetaling in de voorgaande 3 jaar. Deze dichtheid is aantoonbaar omdat deelname aan natuurproductiebetaling is geregistreerd en relatief eenvoudig te betrekken bij dit project.] 3. In afwijking van het tweede lid bedraagt de subsidie maximaal: 50[Toelichting: Voor een uitgekomen nest van een aantal kritische weidevogelsoorten wordt een subsidie van € 68,-- per succesvol uitgekomen nest betaald en € 100,-- indien op de aangrenzende gronden een beheersovereenkomst op grond van de SAN danwel een contract Particulier Natuurbeheer is afgesloten.] € 4.500,-- indien een onderneming, een landbouwbedrijf of een samenwerkingsverband daarvan in één van de voorgaande 3 jaren minimaal 10 nesten als natuurproductiebetaling gehonoreerd heeft gekregen; € 6.000,-- indien een onderneming, een landbouwbedrijf of een samenwerkingsverband daarvan in één van de voorgaande 3 jaren minimaal 15 nesten als natuurproductiebetaling gehonoreerd heeft gekregen.
Artikel 4.28Indieningstermijn aanvraag
51 [Toelichting: Het uitvoeringsbesluit schrijft in artikel 1.10 voor dat aanvragen voor prestatiesubsidies worden ingediend dertien weken voorafgaande aan het subsidietijdvak waarop de aanvraag betrekking heeft. Juist het specifieke onderwerp waarop deze regeling betrekking heeft, noodzaakt tot een andere indieningstermijn. Vanaf circa 1 april start het broedseizoen van de kwetsbare soorten weidevogels. Met inachtneming van een korte behandeltermijn zullen de aanvragen dan ook voor 1 april moeten zijn ingediend. Voor natuurproductiebetaling geldt een termijn van 6 dagen na uitkomen van het legsel.] In afwijking van artikel 1.10 wordt een subsidieaanvraag: a. voor subsidie als bedoeld in artikel 4.26, eerste lid, ingediend voor 1 april van het betreffende kalenderjaar; b. voor subsidie als bedoeld in artikel 4.26, derde lid, ingediend binnen 6 dagen na het uitkomen van het legsel.
Artikel 4.29Subsidieplafond
52 [Toelichting: Jaarlijks stellen Gedeputeerde Staten een subsidieplafond vast. Het overschrijden van dit plafonds levert een weigeringsgrond op. Het plafond wordt jaarlijks voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft bekendgemaakt.] Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Daarbij kan het plafond worden verdeeld in deelplafonds voor subsidies als bedoeld in artikel 4.26, eerste, respectievelijk derde lid, alsmede in deelplafonds per gebied.
Artikel 4.30Wijze van behandeling van de aanvragen
53 [Toelichting: Wie het eerst komt wie het eerst maalt. Indien de aanvraag onvolledig is, moet de aanvrager deze aanvullen alvorens de subsidieaanvraag kan worden beoordeeld. In dit artikel is bepaald dat de behandeltermijn niet eerder start dan nadat de aanvraag volledig is ontvangen.] Subsidieaanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst, met dien verstande dat wanneer de aanvrager op grond van artikel 4:5 Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de gevraagde aanvulling is ontvangen, met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.
Artikel 4.31Vaststelling subsidie
Artikel 4.32Verplichting subsidie-ontvanger
De ontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 4.26, eerste lid, beschrijft de voortgang van de activiteiten op een zogenaamde bedrijfskaart.
Artikel 4.33Voorschotverlening
54 [Toelichting: In afwijking van hoofdstuk 1 wordt geen voorschot uitgekeerd.] In afwijking van artikel 1.14 verlenen Gedeputeerde Staten geen voorschot op een subsidie als bedoeld in artikel 4.26, derde lid.
Artikel 4.34Indieningstermijn aanvraag tot subsidievaststelling
In afwijking van artikel 1.15 wordt voor subsidies als bedoeld in artikel 4.26, eerste lid, een aanvraag voor vaststelling ingediend uiterlijk 15 juli van het kalenderjaar ingediend.
Artikel 4.35Aanvullende stukken bij aanvraag tot subsidievaststelling
55[Toelichting: Monitoring van de resultaten van de activiteiten vindt o.m. plaats door intekening van de legsels op een bedrijfskaart. Gedeputeerde Staten zorgen in beginsel voor verstrekking van de kaarten.Ook zullen Gedeputeerde Staten tussentijds willen weten hoe bepaalde activiteiten zich ontwikkelen, welke resultaten zijn geboekt etc. Om deze controle mogelijk te maken dienen de kaarten op het bedrijf zelf aanwezig te zijn.] De aanvrager overlegt in aanvulling op artikel 1.16 bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie als bedoeld in artikel 4.26, eerste lid, tevens een afschrift van de bedrijfskaart.
Artikel 4.36Beslistermijn subsidievaststelling
In afwijking van artikel 1.19 beslissen Gedeputeerde Staten binnen 4 weken op een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 4.26, eerste lid.
Subparagraaf 4.3. Soortenbescherming 56[Toelichting: Het soortenbeleid is een zelfstandig onderdeel binnen het algemene natuurbeleid. Naast de instrumenten van de gebieds- ofwel ecosysteembenadering zijn specifieke soortgerichte maatregelen noodzakelijk. Voor het onderdeel soortenbescherming hebben de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, de provincies en de soortenbeschermende organisaties in het Meerjarenprogramma Uitvoering Soortenbeleid (MJP) 2000-2004 aangegeven hoe zij gezamenlijk uitvoering zullen geven aan het soortenbeleid in de periode 2000-2004. Inmiddels is deze periode verlengd tot en met 2006. Door de gezamenlijke aanpak wordt beoogd te komen tot een goed evenwicht en goede afstemming van landelijke en provinciale activiteiten. Daarnaast is het doel die maatregelen te treffen voor de soorten waarvoor de situatie op het moment het meest urgent is. Op basis van het DI-akkoord 1996 en de Bestuursovereenkomst IPO/LNV/VROM worden de bij het uitvoeringsprogramma behorende financiële middelen door het Rijk aan de provincie overgemaakt. Daarbij schenkt de provincie in haar beleid ook zelf aandacht aan provinciaal bedreigde soorten en stelt zij hiertoe financiële middelen beschikbaar.Op grond van haar eigen begroting zet de provincie ook zelf provinciale middelen in.Voornoemde geldstromen worden via de provinciale begroting als subsidie naar de betrokken partijen weggezet.]
Artikel 4.37Criteria
57[Toelichting: Er wordt enkel subsidie verleend voor activiteiten die staan opgenomen in het Meerjarenprogramma soortenbeleid. Op deze wijze wordt de gebundelde bijdrage van de bij het soortenbeleid betrokken partijen gewaarborgd en wordt versnippering van inspanningen voorkomen.In dit artikel is aangegeven aan welke eisen een aanvraag moet voldoen wil deze in behandeling (kunnen) worden genomen. De regeling staat open voor aanvragen van ondernemers en overheden. In veel gevallen betreffen zijn laatstgenoemde organisaties natuur- en terreinbeherende organisaties die onder het overheidsbegrip kunnen vallen.De (Europese) ‘de minimis’-regeling van de Verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op ‘de minimis’-steun wordt op deze regeling van toepassing verklaard.
Subsidie kan dus slechts worden verleend ten behoeve van een onderneming of binnen de groep waartoe de onderneming behoort waarvoor op grond van andere niet door de Europese Commissie goedgekeurde steunmaatregelen in de voorafgaande drie jaar tot minder dan € 100.000,-- aan geldelijke bijdragen is verleend of zal worden verleend. Voorzover door verlening van de gevraagde subsidie het bedrag van € 100.000,-- zou worden overschreden, wordt het maximale subsidiebedrag dienovereenkomstig lager vastgesteld. Voor de beoordeling hiervan wordt gekeken naar de eindbegunstigde van de subsidie. Subsidies die op dit besluit zijn gebaseerd voldoen daarmee aan de Europese regels betreffende staatssteun.Aanvragen beneden de € 500,-- worden niet behandeld: de kosten die met de behandeling zijn gemoeid staan niet in verhouding tot het bedrag waarvoor subsidie wordt verleend.
Met het hanteren van deze ondergrens wordt afgezien van het heffen van leges.Het is van groot belang dat de juiste informatie wordt meegestuurd bij de aanvraag. Hiermee wordt voorkomen dat de aanvraag niet in behandeling kan worden genomen omdat niet alle benodigde informatie hiertoe beschikbaar is. In principe heeft het bestuursorgaan de plicht om de aanvraag aan te (laten) vullen. Dit geeft echter een vertraging in de behandeltermijn, met overigens als consequentie dat de aanvraag buiten behandeling blijft indien niet tijdig de gevraagde informatie wordt overlegd. Dit in dit artikel gevraagde informatie is overigens de basisinformatie om te kunnen beoordelen of de subsidie kan worden verleend.Een aantal kostencategorieën is uitgesloten van subsidiëring; deze staat opgenomen in het tweede lid van dit artikel.
Voorzover deze kosten onderdeel uitmaken van de aanvraag worden ze bij de eventuele subsidieverlening buiten beschouwing gelaten.] Overheden of ondernemingen, niet zijnde landbouwbedrijven, kunnen subsidie aanvragen ten behoeve van: a. activiteiten die staan opgenomen in het Meerjarenprogramma Uitvoering Soortenbescherming; b. overige activiteiten gericht op bescherming van in het wild voor komende plant- en diersoorten in de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur waarbij deze activiteiten een eenmalig karakter hebben.
Artikel 4.38Grondslag voor de subsidie
58[Toelichting: De bijdrage(n) die worden verleend zijn gebonden aan een maximumpercentage. In dit geval geldt het percentage van 100%. Hierbij is inbegrepen een redelijke vergoeding voor de door de onderneming zelf of diens werknemers verrichte werkzaamheden. Aldus wordt afgeweken van de meer algemene regel dat 50% van de werkelijke kosten van de activiteit subsidiabel is. Dit heeft als achterliggende reden dat de betrokken activiteiten vanuit economisch perspectief weinig (geen) terugverdieneffect hebben. Daarbij worden deze activiteiten worden veelal uitgevoerd door vrijwilligers(organisaties) die niet over een dusdanige liquiditeitspositie beschikken dat zij voor al is het maar een klein deel zelf zorg kunnen dragen. Andere financieringsbronnen zijn veelal niet aan te wenden zodat zij dan ook vaak enkel terug zullen moeten vallen op de onderhavige regeling.De hoogte van de bijdrage (in absolute) kunnen in veel gevallen een dergelijke percentage rechtvaardigen.] 1. De subsidie bedraagt ten minste € 500,--.
Artikel 4.39Indieningstermijn
In afwijking van artikel 1.10 worden aanvragen gedurende het hele kalenderjaar voorafgaand aan de uitvoering van de activiteiten ingediend.
Artikel 4.40Aanvullende stukken
In aanvulling op artikel 1.11 bevat de inhoudelijke verantwoording een topografische overzichtskaart schaal 1 : 25.000.
Artikel 4.41Subsidieplafond
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Daarbij kan het plafond worden verdeeld in deelplafonds voor de subsidies als bedoeld in artikel 4.37, onder a en b.
Artikel 4.43Wijze van behandeling van aanvragen
59[Toelichting: De volgorde van subsidieverlening is op basis van binnenkomst van de aanvraag. Wie het eerst komt wie het eerst maalt. Dit principe is van belang voor wanneer het (jaarlijks vast te stellen) subsidieplafond wordt overschreden. Overschrijding van het subsidieplafond geeft een grondslag om de subsidie te weigeren.Om tijdig subsidie te verlenen verbinden Gedeputeerde Staten zich aan een beslistermijn van drie maanden na indienen van de aanvraag. Hiertoe is bepaald dat drie maanden voordat de activiteiten starten de aanvraag moet zijn ingediend. Slechts in uitzonderingsgevallen kunnen Gedeputeerde Staten de beslistermijn verdagen.] Subsidieaanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst, met dien verstande dat wanneer de aanvrager op grond van artikel 4:5 Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de gevraagde aanvulling is ontvangen, met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.
Artikel 4.44Voorschotverlening
60 [Toelichting: De regels met betrekking tot de betaling van de subsidie staan in dit artikel genoemd. Bij verlening wordt 90% bij wijze van voorschot uitbetaald. Hiermee heeft de subsidieontvanger de eerste kosten die veelal met de uitvoering van activiteiten is gemoeid, gedekt. Eerst na vaststelling vindt de rest van de betaling ofwel de verrekening plaats.] Gedeputeerde Staten verstrekken de aanvrager bij subsidieverlening een voorschot van maximaal 90% van het verleende subsidiebedrag.
Artikel 4.45Accountantsverklaring
61 [Toelichting: Nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn afgerond, moet verantwoording worden afgelegd. Dit artikel schrijft voor dat dit moet gebeuren binnen vier maanden na afloop van de activiteiten door middel van financiële en inhoudelijk verslag. Deze mogen onderdeel zijn van de jaarrekening van de subsidieontvanger, mits hierin voldoende informatie staat om tot beoordeling van de geleverde prestaties te kunnen overgaan. Voorzover de provinciale subsidie meer bedraagt dan € 40.000,-- wordt in ieder geval een goedkeurende accountantsverklaring overlegd.] Artikel 1.17 geldt indien de verleende subsidie € 40.000,-- of meer bedraagt en is van overeenkomstige toepassing op de aanvrager die een publiekrechtelijk rechtspersoon is.
Paragraaf 5. Verbeteren van de leefkwaliteit en diversificatie van de plattelandseconomie
62[Toelichting: Per 1 april 2000 is het onderdeel landschap binnen de subsidieregelingen van het Programma Beheer van het Ministerie van LNV van kracht. Op deze regelingen is per 2001 de provinciale Regeling Onderhoud Landschapselementen Overijssel (ROLO) van kracht. Het provinciale beleid is erop gericht om de regelingen uit het Programma Beheer en de provinciale regeling zoveel mogelijk complementair te laten werken. De strategie achter de herziening is dat een zo compleet mogelijk systeem voor landschapszorg in Overijssel ontstaat. In dit systeem worden de mogelijkheden voor aanleg, herstel en regulier onderhoud uit het Programma Beheer zoveel mogelijk benut. De bedoeling is dat voor zoveel mogelijk elementen het vervolgbeheer wordt geregeld via een meerjarige beheerssubsidie. Dit betekent dat zoveel mogelijk elementen geselecteerd moeten worden die in principe voor een SAN-beheerssubsidie (of daarmee vergelijkbare meerjarige beheerssubsidie) in aanmerking kunnen komen. Achterstallige onderhoud wordt zoveel mogelijk op basis van landschapsbeleidsplannen in gemeentelijke projectenopgepakt. Met deze paragraaf wordt deze voormalige ROLO-praktijk in beperkt gewijzigde vorm gecontinueerd.]
Artikel 4.46Criteria
63[Toelichting: Gedeputeerde Staten stelt een meerjarenprogramma en daarvan afgeleide jaarprogramma’s vast waarin de prioriteiten voor de inzet van de beschikbare middelen nader worden uitgewerkt. Dit biedt de mogelijkheid om onder andere nadere toetsingscriteria te formuleren, voorkeursgebieden of thema’s te benoemen en globale verdeelsleutels voor het beschikbare budget vast te leggen. Voordeel hiervan is dat meer sturing aan de inzet van de middelen kan worden gegeven en dat relatief snel op actuele ontwikkelingen kan worden ingespeeld. Het meerjarenprogramma vormt de basis voor de subsidietoekenning.Er wordt geen bijdrage verstrekt voor werkzaamheden uitgevoerd door rechtspersonen waarvoor van overheidswegen een subsidiemogelijkheid bestaat. een beheerssubsidie in het kader van de Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer danwel de Subsidieregeling Natuurbeheer kan worden verkregen. Ook werkzaamheden die vallen onder de door het Rijk opgestelde voorwaarden van de Beschikking bijdragen achterstallig onderhoud historische parken, tuinen en buitenplaatsen of voor werkzaamheden die vallen onder de voorwaarden van de provinciale Regeling projectsubsidies monumenten. Subsidies voor aanleg en herstel zijn alleen mogelijk voorzover de SAN hiervoor geen mogelijkheden biedt. Dit betreft bijvoorbeeld erfbeplantingen en hoogstamboomgaarden.] 1. Subsidie kan worden aangevraagd voor aanleg, herstel en achterstallig onderhoud van particuliere landschapselementen, voor jaarlijks onderhoud van particuliere landschapselementen en voor herstel en achterstallig onderhoud van cultuurhistorische objecten. Een subsidieaanvraag moet voldoen aan de volgende criteria: de activiteiten passen in het door Gedeputeerde Staten vastgestelde meerjarenprogramma Onderhoud Landschapselementen Overijssel en de daarvan afgeleide jaarprogramma’s waarin de prioriteiten voor de inzet van het beschikbare budget wordt aangegeven; voor de activiteiten onvoldoende andere subsidiemogelijkheden kunnen worden aangewend.
Artikel 4.47Grondslag subsidie
Artikel 4.48Indieningstermijn aanvraag
64 [Toelichting: Aanvragen dienen voor 1 juni ingediend te worden. Dit heeft te maken met de indieningstermijn van de aanvragen voor de SAN-regeling van het rijk. Na 1 juni worden de aanvragen beoordeeld. Hierbij zal voorrang word en gegeven aan projecten binnen de landschapsgebieden en aan elementen welke zullen doorstromen in de SAN. Aanvragen welke na 1 juni binnenkomen zullen op volgorde van binnenkomst worden behandeld.] In afwijking van artikel 1.10 moeten subsidieaanvragen als bedoeld in artikel 4.46 voor 1 juni van het betreffende jaar worden ingediend.
Artikel 4.49Subsidieplafond
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond voor de subsidies als bedoeld in artikel 4.46 vast. Dit subsidieplafond kan worden gedifferentieerd naar landschaps- en cultuurhistorisch project.
Artikel 4.50Wijze van behandeling van de aanvragen
Gedeputeerde Staten plaatsen de subsidieaanvragen, die voldoen aan de in artikel 4.46, het eerste en tweede lid, genoemde criteria, in een prioriteitsvolgorde, waarbij voorrang wordt gegeven aan subsidieaanvragen die kunnen doorstromen in de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer.
Artikel 4.51Verplichting van de subsidieontvanger
Hoofdstuk 5. Bijzondere bepalingen Ruimte, Wonen en Bereikbaarheid
Paragraaf 1. Effectuering ruimtelijk beleid
65 [Toelichting: De provincie Overijssel kent een subsidiemogelijkheid voor projecten die bijdragen aan de hoofdpunten van het provinciaal ruimtelijk beleid zoals dit is vastgelegd in de vigerende beleidsdocumenten op het terrein van de ruimtelijke ordening, zoals o.m. het streekplan. Subsidie kan worden verleend in de kosten van uitbesteding van voorbereidend onderzoek en/of planontwikkeling met betrekking tot een concreet ruimtelijk project of ruimtelijke voorziening. Uitvoeringskosten zoals bouw- en sloopkosten, evenals investeringen, exploitatiekosten en overhead zijn uitdrukkelijk uitgesloten van subsidie.]
Artikel 5.1Criteria
Artikel 5.2Prestatiesubsidie
Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie voor effectuering ruimtelijk beleid in de vorm van een prestatiesubsidie.
Artikel 5.3Grondslag subsidie
74[Toelichting: In de kostenverdeling komt de verhouding van de belangen, evenals het draagvlak, van partijen tot uitdrukking. Het is dan ook niet logisch om als provincie méér dan de helft van de kosten van een project van derden voor haar rekening te nemen. Daarom is daar een maximum aan gesteld van 50%. Dit maximum wordt uitsluitend verleend in gevallen dat de aanvrager geen medefinancier(s) voor het project heeft. Is er wél sprake van medefinancier(s), dan kunnen de kosten dus over meer partijen worden verdeeld. Dit komt tot uitdrukking in de begroting van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd. Zo’n begroting is uitgangspunt voor de bepaling van de hoogte van de subsidie. Daarnaast wordt de hoogte van de bijdrage gerelateerd aan de mate waarin aan de criteria uit artikel 5.1 wordt voldaan.] 1. De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de begrote externe kosten van het project. De hoogte van de subsidie hangt af van het aantal financierende partners en van de mate waarin het beoogde resultaat voldoet aan de in artikel 5.1 genoemde criteria.
Artikel 5.4Indieningstermijn aanvraag
In afwijking van artikel 1.10 kan een subsidieaanvraag voor effectuering ruimtelijk beleid gedurende het gehele jaar worden ingediend.
Artikel 5.5Subsidieplafond
Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks het subsidieplafond voor effectuering ruimtelijk beleid vast.
Artikel 5.6Wijze van behandeling van de aanvragen
Subsidieaanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst, met dien verstande dat wanneer de aanvrager op grond van artikel 4:5 Awb de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de gevraagde aanvulling is ontvangen, met betrekking tot de verdeling als datum van ontvangst geldt.
Paragraaf 2. Stedelijke vernieuwing Overijssel
75 [Toelichting: Bij de aanvraag om subsidie (verlening en vaststelling) zijn behalve dit Uitvoeringsbesluit ook de Wet stedelijke vernieuwing, de Algemene wet bestuursrecht en de Algemene Subsidieverordening Overijssel 2005 van toepassing.]
Artikel 5.7Begripsbepalingen
a. Wsv: Wet stedelijke vernieuwing; b. programmagemeente: gemeente als bedoeld in artikel 6, derde lid, onder a, Wsv; c. projectgemeente: gemeente als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, Wsv; d. commissie: de Provinciale Commissie voor de Fysieke Leefomgeving; e. ISV: ‘investeringsbudget stedelijke vernieuwing’; f. Beleidskader: Beleidskader ISV 2 Provincie Overijssel; g. reserve ISV: de bestemmingsreserve ‘investeringsbudget stedelijke vernieuwing’.
Artikel 5.8Criteria
Artikel 5.9Reserve ISV
Artikel 5.10Prestatiesubsidie
Gedeputeerde Staten verstrekken subsidie ten behoeve van investering in stedelijke vernieuwing aan programma- of projectgemeenten in de vorm van een prestatiesubsidie.
Artikel 5.11Grondslag subsidie en subsidieplafond
Artikel 5.12Beslistermijn subsidieverlening projectgemeente
Gedeputeerde Staten beslissen in afwijking van artikel 1.13 binnen zesentwintig weken na 1 april van het jaar, voorafgaande aan het jaar waarop het investeringsbudget betrekking heeft.
Paragraaf 3. Stimulering re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed
76[Toelichting: Deze subsidieregelgeving is onderdeel van het stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel’. Met dit stimuleringsprogramma wil de provincie Overijssel het vernieuwend hergebruik van vrijkomend industrieel en agrarisch erfgoed bevorderen. Initiëren, uitdagen en faciliteren is de kern van het stimuleringsprogramma. Voorkantsturing en samenwerking met gemeenten, eigenaren van erfgoed, ondernemers, agrariërs en andere marktpartijen staan centraal. Het programmateam re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed geeft informatie over de mogelijke aanpak, organiseert workshops en studiereizen en voert studies uit over transformatiemogelijkheden van specifieke typen agrarisch en industrieel erfgoed. Ook adviseert het programmateam over de opzet en subsidiering van transformatieplannen voor industrieel en agrarisch erfgoed. ]
Artikel 5.13Begripsbepaling
77[Toelichting: Hoe komt u te weten of u te maken heeft met agrarisch of industrieel erfgoed, wat waardevol is en wat niet en welke mogelijkheden er zijn voor vernieuwend hergebruik van de fabriek of de boerderij? In het op te stellen transformatieplan worden al deze vragen beantwoord. Het transformatieplan bestaat uit een viertal onderdelen: • inzicht in de bestaande situatie en de cultuurhistorische waarde vormt de basis; • het onderdeel ‘architectuurverkenning en verkenning van de mogelijkheden van functieverandering’ is het creatieve deel van het transformatieplan. Het kan zijn dat er nog geen duidelijk beeld bestaat over de toekomstige functie. Het ligt dan voor de hand diverse alternatieve functies te bestuderen.
Is de toekomstige functie van de gebouwen wel bekend dan beperkt de opgave zich tot de vraag of de beoogde functie op een zodanige wijze kan worden gerealiseerd, dat er sprake zal zijn van cultuurhistorische en ruimtelijke kwaliteit; • een goede inrichting van de omgeving van de fabrieken of boerderijen draagt ook bij aan de ruimtelijke kwaliteit. Een terreinontwerp of erfplan is daarom een wezenlijk onderdeel van het transformatieplan; • tenslotte gaat het transformatieplan ook in op belangrijke uitvoeringsaspecten, bijvoorbeeld op planologisch en financieel gebied. De mate van detaillering van deze ontwerpopgaven uit het transformatieplan kan worden omschreven als schetsplan of schetsontwerp.
In een speciale brochure vindt u informatie over de aspecten die van belang zijn bij beschrijving van de cultuurhistorische waarde. Ook is een checklist opgenomen van de inhoud van transformatieplannen voor agrarisch en industrieel erfgoed.] Industrieel erfgoed: fabrieken of fabriekscomplexen bestaande uit gebouwen, installaties en infrastructuur die van cultuurhistorische en architectonische waarde zijn;
Agrarisch erfgoed: boerenerven, bestaande uit gebouwen en beplanting, die van cultuurhistorische en landschappelijke waarde zijn;
Transformatieplan: verkenning en beschrijving van mogelijkheden van functieverandering in vrijkomend of vrijgekomen industrieel of agrarisch erfgoed, die bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit.
Artikel 5.14Criteria
Een aanvraag voor subsidie in de kosten voor het opstellen van (een onderdeel van) een transformatieplan in het kader van het stimuleringsprogramma ‘Re-animatie industrieel en agrarisch erfgoed Overijssel’ moet voldoen aan de volgende criteria: