← Nederland

Welstandsnota 2012 (Geertruidenberg)

In het kort

Deze wet regelt het welstandsbeleid van de gemeente Geertruidenberg, met als doel een aantrekkelijke gebouwde omgeving te behouden en te bevorderen. Het beschrijft de criteria waaraan bouwplannen moeten voldoen en hoe het welstandstoezicht is georganiseerd.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Welstandsnota 2012Gemeente Geertruidenberg Welstandsnota 2012 Gemeente Geertruidenberg Datum: juni 2012 Projectgegevens: WSN01-GEE00031-01E Vastgesteld: 28 juni 2012 Inhoud Leeswijzer 1 1 Inleiding 5 1.1 Naar een nieuw welstandsbeleid 5 1.2 Uitgangspunten welstandstoezicht in Geertruidenberg 6 1.3 Relatie met andere beleidsterreinen 6 1.3.1 Bestemmingsplan 7 1.3.2 Beeldkwaliteitplannen 7 1.3.3 Monumenten en het beschermd stadsgezicht 7 2 Juridisch en organisatorisch kader 9 2.1 Vaststelling en aanpassing van het welstandsbeleid 9 2.1.1 Vaststelling 9 2.1.2 Aanpassing van de welstandsnota 9 2.2 De adviescommissies 10 2.2.1 Welstandscommissie 10 2.2.2 Monumentencommissie 13 2.3 Het welstandsoordeel 14 2.3.1 Burgemeester en wethouders voeren het welstandstoezicht uit 14 2.3.2 Het welstandsadvies 14 2.3.3 Afwijking van het advies; afwijken van de criteria 15 2.3.4 Openbaarheid 16 2.3.5 Bezwarenprocedure 17 2.4 Handhaving en excessenregeling 17 3 Beoordelingskader 19 3.1 Beoordelingskader in een ander daglicht sinds 1 oktober 2010 19 3.2 Opzet van het beoordelingskader bij een vergunningaanvraag 21 3.3 Algemene welstandscriteria 22 3.4 Gebiedscriteria 23 3.5 Criteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken 24 3.6 De toets bij ontwikkelingen 29 3.6.1 Beeldkwaliteitplannen 29 3.6.2 Nieuwe ontwikkelingen 29 3.7 Reclamecriteria 30 3.8 Monumenten en beschermd stadsgezicht 32 4 Algemene welstandscriteria 35 4.1 Relatie tussen vorm, gebruik en constructie 35 4.2 Relatie tussen bouwwerk en omgeving 36 4.3 Betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context 36 4.4 Evenwicht tussen helderheid en complexiteit 37 4.5 Schaal en maatverhoudingen 37 4.6 Materiaal, textuur, kleur en licht 38 5 Historische beschrijvingen 39 5.1 Algemene beschrijving gemeente Geertruidenberg 39 5.1.1 Situering 39 5.1.2 Globale ruimtelijke ontwikkeling 39 5.2 Beschrijving kern Raamsdonksveer 40 5.2.1 Ontstaansgeschiedenis 40 5.2.2 Karakteristieke deelgebieden 40 5.2.3 (Historische) bebouwingslinten 41 5.3 Beschrijving kern Geertruidenberg 42 5.3.1 Ontstaansgeschiedenis 42 5.3.2 Historische stadsgebieden 43 5.3.3 Historische bebouwing rondom het centrum 43 5.3.4 Voormalige vestingwerken 44 5.4 Beschrijving kern Raamsdonk 44 5.4.1 Ontstaansgeschiedenis 44 5.4.2 Historische (dorpsgebieden

  1. en)bebouwingslinten 44 5.5 Buitengebied 45 6 Gebiedscriteria 47 6.1 Gebieden met een uitgebreide toets 48 6.1.1 Historische dorpsgebieden (H1) 48 Gebiedscriteria 50 6.1.2 Historische bebouwingslinten (H2) 53 Gebiedscriteria 55 6.1.3 Bebouwingslinten (H3) 59 Gebiedscriteria 60 6.2 Gebieden met een reguliere toets 64 6.2.1 Tuindorp/wijk (W1) 64 Gebiedscriteria 66 6.2.2 Traditionele blokverkaveling (W2) 67 Gebiedscriteria 70 6.2.3 Het Nieuwe Bouwen (W3) 74 Gebiedscriteria 75 6.2.4 Woonerven (W4) 78 Gebiedscriteria 80 6.2.5 Thematische bebouwing (W5) 83 Gebiedscriteria 85 6.2.6 Individuele woningbouw (W6) 88 Gebiedscriteria 89 6.2.7 Industrieterrein (B1) 92 Gebiedscriteria 93 6.2.8 Bedrijventerrein (B2) (zichtlocaties) 94 Gebiedscriteria 96 6.2.9 Bijzondere bebouwing (T1) 98 Gebiedscriteria 100 6.2.10 Centrumvoorzieningen (T2) 101 Gebiedscriteria 103 6.2.11 Buitengebied (G2) 105 Gebiedscriteria 106 6.3 Welstandsvrije gebieden 107 6.3.1 Individuele woningbouw (W6) 107 6.3.2 Bedrijventerrein (B2) 108 6.3.3 Groen/Parken/Sport (G1) 108 6.3.4 Buitengebied (G2) 109 6.3.5 Jachthaven (T3) 109 6.3.6 Industrieterrein (B1) 109 7 Woonschepen en boten/pontons met vastgestelde ligplaatsen 111 7.1 Welstandscriteria voor woonschepen: 112 7.2 Welstandscriteria voor boten/pontons, niet zijnde woonschepen, met vastgestelde ligplaatsen (waaronder de objecten zoals genoemd onder 7 en 8): 112 8 Gebieden waarvoor een beeldkwaliteitplan geldt 113 8.1 Beeldkwaliteitplan Overdiepse Polder 113 8.2 Overige beeldkwaliteitplannen 114 Leeswijzer Twee delen, één beleidskader Op 1 januari 2003 is de huidige Woningwet in werking getreden. Als gevolg van deze wetswijziging is de systematiek van het bouwvergunningstelsel ingrijpend veranderd. Eén van de wijzigingen betreft het gemeentelijk welstandstoezicht. Met het van kracht worden van de Woningwet is elke gemeente verplicht welstandsbeleid vast te stellen. Dit beleid dient te worden vastgelegd in een welstandsnota. Zonder een welstandsnota is het niet langer mogelijk om welstandstoezicht uit te oefenen. De gemeente Geertruidenberg heeft in 2004 haar welstandsnota vastgesteld. Na enkele jaren met deze nota te hebben gewerkt heeft de gemeente Geertruidenberg besloten haar welstandsnota uit 2004 te herzien. Voorliggende nota betreft deze herziene welstandsnota. De nota bestaat uit twee delen die samen het welstandsbeleid van de gemeente Geertruidenberg beschrijven; Deel A: Algemeen Deel. Deel B: Beoordelingscriteria. Bij deze nota horen kaarten waarop de bebouwingstypen en de welstandsbeleid verduidelijkt worden. Per deelgebied worden deze aspecten inzichtelijk gemaakt. Zowel voor de bebouwingstypen als het welstandsbeleid zijn 6 deelgebiedkaarten bijgevoegd (Geertruidenberg Noord, Geertruidenberg Zuid, Raamsdonksveer Noord, Raamsdonksveer Zuid , Raamsdonk en buitengebied) Deel A: Algemeen Deel In dit deel van de welstandsnota is beschreven hoe het welstandstoezicht in de gemeente Geertruidenberg momenteel is georganiseerd en wordt uitgevoerd. Daarnaast is er in dit deel aandacht voor de achtergronden van het welstandsbeleid en de relatie met andere beleidsterreinen. Het Algemeen Deel bevat dus achtergrondinformatie die nodig is om de gemaakte keuzes te kunnen herleiden. In hoofdstuk 1 wordt aandacht besteed aan de aanleiding voor de herziening van de nota uit 2004, de relatie met andere beleidsterreinen en enkele belangrijke beleidskeuzes die zijn gemaakt bij het opstellen van de welstandsnota. Hoofdstuk 2 gaat meer in op de wijze waarop het welstandstoezicht is georganiseerd. In hoofdstuk 3 wordt tot slot het beoordelingskader uitgelegd, waarbij een link wordt gelegd naar deel B van deze welstandsnota. Deel B: Beoordelingscriteria Het tweede deel van deze welstandsnota beschrijft de beoordelingscriteria die door de welstandscommissie/monumentencommissie worden gebruikt bij de beoordeling. In dit deel worden in hoofdstuk 4 de algemene welstandscriteria besproken. Hoofdstuk 5 geeft vervolgens een historische beschrijving van de verschillende kernen. In hoofdstuk 6 komen de gebiedscriteria en de objectcriteria aan de orde. De reclamecriteria komen tot slot aan de orde in hoofdstuk 7. DEEL A ‘ALGEMEEN DEEL’ 1 Inleiding In de voorliggende nota wordt het welstandsbeleid van de gemeente Geertruidenberg uiteengezet. Het welstandsbeleid heeft tot doel om het belang te behartigen van een aantrekkelijke gebouwde omgeving. Elk bouwwerk maakt deel uit van de beleving van de openbare ruimte. Een aantrekkelijke goed verzorgde omgeving verhoogt de belevingswaarde en economische waarde van het onroerend goed. De welstand moet hieraan in alle openheid een bijdrage leveren. 1.1 Naar een nieuw welstandsbeleid De jaren voor 2003 is er kritiek geuit op het welstandstoezicht. Dit vormde aanleiding tot de ontwikkeling van een nieuwe systematiek, die is vastgelegd in de wijziging van de Woningwet per 1 januari 2003. Hierbij dient het welstandstoezicht aan de volgende kwaliteitseisen te voldoen: het moet transparant toetsbaar en openbaar zijn; de burger dient bij het opstellen van een bouwplan vooraf zoveel mogelijk zekerheid te krijgen over de specifieke eisen waaraan dat bouwplan moet voldoen; het dient op democratische wijze tot stand te komen; de burger dient niet meer beperkingen te ondervinden, waaronder ook worden begrepen de administratieve en financiële lasten, dan gegeven het doel van het welstandstoezicht strikt noodzakelijk is. Hierop aansluitend heeft de gemeenteraad van Geertruidenberg in 2004 een wettelijk vereiste welstandsnota vastgesteld. De opgedane ervaringen met de welstandstoets en de gevolgen van de inwerkingtreding van de Wabo per 1 oktober 2010 maken een aanpassing van de welstandsnota uit 2004 wenselijk. Door de Wabo zijn meer bouwactiviteiten vergunningvrij geworden. De verantwoordelijkheid om aan normen te voldoen en om het uiterlijk van bouwwerken af te stemmen op de omgeving wordt hierdoor meer dan voorheen bij burger en bedrijf neergelegd. De landelijke deregulering dwingt tot een herbezinning over de gevallen waarin de gemeente nog een welstandstoets wil eisen. Tegen die achtergrond is er aanleiding om meer welstandsvrij te maken. Dit heeft geleid tot de keuze voor het vaststellen van welstandsvrije gebieden en van gebieden waarvoor een reguliere welstandstoets geldt. Een uitgebreide welstandstoets zal alleen gelden voor die zaken en delen van de gemeente die bijzondere waarden hebben. Deze nota geeft ook een richtlijn wat betreft de welstandstoets bij nieuwe ontwikkelingen. Dit alles met de bedoeling om waar nodig voldoende grip op de kwaliteit van de bebouwde omgeving te behouden. Verwacht wordt dat deze insteek aansluit op de landelijke ontwikkeling en klantvriendelijker is voor burgers (minder vaak is een oordeel of een vergunning van de gemeente nodig). Verder voorziet deze nota in toetscriteria voor reclame-uitingen. In de praktijk is gebleken dat hieraan behoefte bestaat. 1.2 Uitgangspunten welstandstoezicht in Geertruidenberg Het welstandsbeleid van de gemeente Geertruidenberg is opgesteld vanuit de overtuiging dat het belang van een aantrekkelijke gebouwde omgeving behartigd dient te blijven in de gemeente. De gevels van gebouwen en andere bouwwerken vormen samen de dagelijkse leefomgeving van de inwoners en bezoekers. Het welstandsbeleid is geformuleerd vanuit de overtuiging dat de lokale overheid het publieke belang van een aantrekkelijke gebouwde omgeving dient te behartigen. De overheid grijpt met welstandstoezicht in, in de individuele vrijheid van burgers en ondernemers, omdat de verschijningsvorm van een bouwwerk geen zaak is van het individu alleen. Een bouwwerk maakt deel uit van de publieke ruimte. De voorbijganger wordt ermee geconfronteerd, of hij wil of niet. Een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving is van belang voor het welbevinden van de gebruikers, maar verhoogt ook de waarde van het onroerend goed en versterkt het vestigingsklimaat. Het welstandstoezicht moet daaraan, in alle openheid, een bijdrage leveren. De welstandscriteria in deze nota dienen om bouwplannen zoveel mogelijk te laten voldoen aan de beoogde kwaliteit. Goede opdrachtgevers en ontwerpers gebruiken ze echter als opstapje naar betere plannen en om een discussie te voeren over de schoonheid en de uitstraling van het gebouw in zijn context. Deze welstandsnota dient een inspiratiebron te zijn voor bewoners en overheid om plannen te maken en de omgeving te beheren. Laat de criteria, die in het algemeen behoudend van aard zijn, vooral een bron van inspiratie zijn voor een fascinerend ontwerp. 1.3 Relatie met andere beleidsterreinen Welstand is onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid, dat gericht is op het tot stand brengen van een betekenisvolle fysieke omgeving. Dit beleid betreft de esthetische en de functionele kwaliteit, de duurzaamheid en de cultuurhistorische betekenis. Weliswaar is welstand een belangrijk onderdeel, omdat het een wettelijke basis heeft, maar het kan niet de andere inspanningen op het gebied van ruimtelijke kwaliteit vervangen. Voldoen aan redelijke eisen van welstand wil immers zeggen dat een zeker minimum aan zorg en zorgvuldigheid bij de totstandkoming van een bouwwerk is besteed aan de visuele kwaliteit. Niet meer, maar ook niet minder. Voor een effectief en praktisch hanteerbaar kwaliteitsbeleid is het zaak zorg te dragen voor een goede aansluiting tussen de verschillende instrumenten. In het kader van deze welstandsnota is vooral de relatie met het bestemmingsplan, het beeldkwaliteitplan en de aanwezige monumenten en het beschermd stadsgezicht van belang. De welstandscriteria worden weliswaar in belangrijke mate ontleend aan de stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke context, maar zijn zelf bouwkundig en situatief van aard; het gaat om het bouwwerk en de plaatsing ervan. Daarbij mag de welstandstoets niet in het vaarwater van het bestemmingsplan terechtkomen. 1.3.1 Bestemmingsplan Het bestemmingsplan regelt, voor zover nodig voor een goede ruimtelijke ordening, de functie, de plaatsing en de afmetingen van bouwwerken. De architectonische vormgeving van bouwwerken valt buiten de reikwijdte van het bestemmingsplan en wordt exclusief door de welstandsnota geregeld. Welstandscriteria mogen de geboden ruimte in het bestemmingsplan niet wezenlijk beperken. Als het bestemmingsplan alternatieve mogelijkheden biedt, bijvoorbeeld in de plaatsing van een bouwwerk of een zekere afwisseling in de goothoogte, dan kan een negatief welstandsadvies worden gegeven als de gekozen stedenbouwkundige of architectonische oplossing afbreuk doet aan de ruimtelijke beleving, uiteraard op basis van de welstandscriteria. Bij tegenstrijdigheden tussen welstandscriteria en het bestemmingsplan, geldt het bestemmingsplan. 1.3.2 Beeldkwaliteitplannen Voor grootschalige (woningbouw)ontwikkelingen kan het gemeentebestuur eisen dat een beeldkwaliteitplan wordt opgesteld. Dit onderwerp komt verder aan bod in paragraaf 3.6. 1.3.3 Monumenten en het beschermd stadsgezicht De monumentencommissie wordt om advies (qua monumentenzorg en welstandseisen) gevraagd indien een bouwplan betrekking heeft op een monument of een beeldbepalende zaak of is gesitueerd in het beschermd stadsgezicht. 2 Juridisch en organisatorisch kader Evenals het welstandsbeleid moet de uitvoering van dat beleid, de welstandsadvisering, klantgericht zijn. Transparante procedures en vooraf geformuleerde beoordelingscriteria zijn belangrijke middelen hierbij. De bij de advisering toe te passen criteria moeten uit te leggen zijn en de uitvoering van het welstandsbeleid moet openbaar en controleerbaar zijn. De aanvrager en zijn architect hebben, voor de behandeling van het plan waaraan zij intensief hebben gewerkt, recht op een inzichtelijke, vlotte procedure; een procedure die evenwel rekening houdt met zowel het privé- als het gemeenschapsbelang. De in de welstandsnota neergelegde criteria zijn geen algemeen verbindende voorschriften, maar beleidsregels als bedoeld in Hoofdstuk 4 titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Beleidsregels leggen een door het bestuursorgaan zelf te voeren beleid vast en binden daarmee ‘in beginsel’ het bestuur. Afwijking van deze beleidsregels is mogelijk, mits deugdelijk gemotiveerd. Burgemeester en wethouders en de welstandscommissie/monumentencommissie mogen hun welstandsoordeel alleen nog maar baseren op criteria genoemd in de welstandsnota. Deze worden in deel B van deze nota genoemd. Aanvullingen en/of wijzigingen van de welstandsnota dienen door de gemeenteraad te worden vastgesteld. Buiten de welstandsnota om mogen geen andere welstandscriteria worden gehanteerd. Bestaande (architectonische) beleidsnota’s over ruimtelijke kwaliteit, zoals bijvoorbeeld beeldkwaliteitplannen, dienen te worden geïncorporeerd in de welstandsnota, dit met toepassing van de juridische vormvereisten. De welstandsnota bevat dus het toetsingskader voor bouwaanvragen voor wat betreft de preventieve beoordeling aan redelijke eisen van welstand. Daarnaast kunnen de in de welstandsnota opgenomen criteria grond vormen voor repressief toezicht, dat wil zeggen voor handhaving via aanschrijving, indien een bestaand bouwwerk in ernstige mate in strijd is met de redelijke eisen van welstand. 2.1 Vaststelling en aanpassing van het welstandsbeleid 2.1.1 Vaststelling In de Woningwet is bepaald dat de gemeenteraad de plicht heeft om een welstandsnota vast te stellen (art. 12a). De wet bepaalt ook dat jaarlijks verslagen aan de raad dienen te worden gemaakt (art. 12b en 12c van de Woningwet). 2.1.2 Aanpassing van de welstandsnota Na vaststelling van de welstandsnota kan de gemeenteraad ook tussentijds aanvullingen op de welstandsnota vaststellen. Dit is vooral het geval bij de grotere nieuwe projecten waarvoor de welstandscriteria in het kader van de stedenbouwkundige planvoorbereiding worden opgesteld (vaak in beeldkwaliteitplannen). Voor dergelijke aanvullingen geldt dat de inspraak wordt gekoppeld aan de reguliere inspraakregeling bij de stedenbouwkundige planvoorbereiding. De raad heeft bij de vaststelling van de nota besloten om het college van b&w te mandateren tot het wijzigen van de nota: om, na inspraak, de welstandscriteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken aan te passen, waardoor sneller aanpassingen kunnen worden doorgevoerd als in de praktijk blijkt dat dit gewenst is en om, na inspraak, criteria van een ander bebouwingstype te verklaren voor een ontwikkeling van ondergeschikte betekenis zoals bedoeld in paragraaf 3.6.2. 2.2 De adviescommissies De gemeente heeft de welstandszorg aan twee commissies toegedeeld, te weten: de welstandscommissie; de monumentencommissie. De welstandscommissie en de monumentencommissie hebben tot taak zorg te dragen voor de in de Woningwet genoemde taken. De monumentencommissie heeft daarnaast nog taken die voortvloeien uit de Monumentenwet, de Monumentenverordening en de lokale subsidieverordening ten behoeve van restauraties. De taken van de monumentencommissie zijn nader vermeld in de Verordening op de monumentencommissie. In de volgende paragrafen wordt ingegaan op beide adviescommissies. 2.2.1 Welstandscommissie Reglement op de welstandscommissie A Taken De welstandscommissie draagt zorg voor de welstandsadvisering met inachtneming van de wet en van deze welstandsnota. De monumentencommissie draagt zorg voor de welstandsadvisering van plannen, die gelegen zijn binnen het beschermd stadsgezicht, historische dorpsgebieden en historische bebouwingslinten van Geertruidenberg en plannen waarbij sprake is van een rijksmonument, gemeentelijk monument of een beeldbepalend(
  2. e)zaak/pand. De welstandscommissie zorgt voor de welstandsadvisering in de andere gevallen. De welstandsadvisering vindt echter plaats door de welstandscommissie, aangevuld met een gemandateerd stemgerechtigd lid van de monumentencommissie, indien: de welstandscommissie het bevoegde adviesorgaan is èn; het bouwplan is gesitueerd in een gebied waarvoor een uitgebreide welstandstoets geldt èn; de plannen naar het oordeel van burgemeester en wethouders van invloed zijn op de stedenbouwkundige structuur, de historische structuur, de beeldkwaliteit en/of de overige belangrijke waarden (en de werkzaamheden geen betrekking hebben op een monument, beeldbepalende zaak of plannen in beschermd stadsgezicht). Op het gebied van welstand is de commissie belast met de volgende wettelijke taken: het uitbrengen van advies omtrent omgevingsvergunningplichtige aanvragen qua activiteit bouwen; het verzorgen van de verslaglegging aan de gemeenteraad van de door de commissie verrichtte werkzaamheden. Daarbij dient ten minste aangegeven te worden op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria van de welstandsnota. De commissie is ook belast met de volgende, aanvullende, niet-wettelijke taken: beoordeling van aanvragen voor reclames; onder regie van de gemeente, en op verzoek van de gemeente of aanvrager overleg voeren over de voorbereiding van bouwplannen; desgevraagd uitbrengen van adviezen aan het college van burgemeester en wethouders over de welstandsaspecten van in voorbereiding zijnde structuurplannen, bestemmingsplannen, stedenbouwkundige plannen, beeldkwaliteitplannen en andere belangrijke beleidsstukken; desgevraagd adviseren over stedenbouwkundige en architectonische ontwikkelingen die van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente; desgevraagd adviseren in het geval van excessen: buitensporigheden in het uiterlijk van bouwwerken die ook voor niet-deskundigen evident zijn; voorlichting inzake ruimtelijke kwaliteit aan de gemeenteraad, het college en burgers; advisering in alle aangelegenheden, waarover burgemeester en wethouders haar oordeel vragen. De commissie adviseert en motiveert haar advies schriftelijk. Impactvolle plannen (vooral die in strijd zijn met het bestemmingsplan) worden standaard in een vroeg stadium (fase van eerste schets/opzet) door het behandelende cluster voor advies voorgelegd aan de commissie. Het is beter om zoveel mogelijk duidelijkheid te hebben in een vroeg stadium, dan in een later stadium een compleet uitgewerkt plan nog in grote mate te moeten aanpassen vanwege het advies van de commissie. In dat kader kan de commissie ook advies worden gevraagd over een geval waarbij de aanwezige welstandscriteria niet toereikend zijn voor een welstandstoets. B Samenstelling De welstandscommissie bestaat minimaal uit drie stemgerechtigde leden, waaronder een secretaris en voorzitter. De leden zijn onafhankelijk en deskundig op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie. De functie van secretaris en voorzitter kan niet verenigd zijn in één persoon. De secretaris stelt de adviezen en verslagen op, die vervolgens door de commissie worden vastgesteld en door de voorzitter en de secretaris worden ondertekend. De secretaris brengt het verslag en de adviezen zo snel mogelijk binnen een week ter kennis aan het cluster Vergunningverlening en Toezicht. De voorzitter, een deskundige met bestuurlijke ervaring, is verantwoordelijk voor het functioneren van de commissie en de kwaliteit van de advisering. Tijdens de vergadering treedt de voorzitter op als gastheer/gastvrouw voor alle aanwezigen. De welstandscommissie is bevoegd om ambtenaren, adviseurs en/of deskundigen te horen en/of in te schakelen, echter met dien verstande, dat toestemming van burgemeester en wethouders nodig is, indien aan het horen of inschakelen van adviseurs en/of deskundigen kosten voor de gemeente verbonden zijn. Van de welstandscommissie maken geen deel uit: leden van het college van burgemeester en wethouders, leden van de gemeenteraad, ambtenaren van de gemeente Geertruidenberg. Ook mogen geen personen deel uitmaken van de commissie, die andere werkzaamheden voor de gemeente verrichten, evenals werkzaamheden voor instanties en particulieren, waarvan zaken in de commissie worden behandeld. C Benoeming en ontslag van de commissieleden De gemeenteraad mandateert burgemeester en wethouders om de leden van de welstandscommissie en plaatsvervangende leden te benoemen en te ontslaan. De leden kunnen ten hoogste voor drie jaar worden benoemd. Eenmaal kan herbenoeming plaatsvinden voor ten hoogste drie jaar. Een lid kan ontslag nemen door schriftelijke kennisgeving aan burgemeester en wethouders. Hij/zij blijft zijn/haar functie uitoefenen totdat in de opvolging is voorzien. Wanneer blijkt dat een lid zijn of haar taak niet of niet behoorlijk vervult, kunnen burgemeester en wethouders dit lid ontslaan. De benoeming gebeurt onder de voorwaarde dat het college de benoeming van de (vaste en plaatsvervangende) leden van de welstandscommissie voortijdig kan beëindigen als het college dit wenselijk acht in relatie tot een andere invulling van de welstandsadvisering of bij het geheel of gedeeltelijk afschaffen van de welstandsadvisering. De kennisgeving van zo’n beëindiging zal tenminste drie maanden voor de feitelijke beëindiging kenbaar worden gemaakt aan de leden van de commissie. De leden van de welstandscommissie ontvangen voor hun werkzaamheden een door het college te bepalen vergoeding en indien van toepassing een reiskostenvergoeding. D Vergaderingen, ambtelijke rol, onvoorziene gevallen De commissie vergadert als uitgangspunt één keer per twee weken, of zo vaak als het college nodig acht. De vergaderingen van de welstandscommissie zijn in principe openbaar, zoals bedoeld in de wet. Indien de aanvrager van een omgevingsvergunning hierom heeft verzocht en de aanvraag wordt behandeld door de commissie, wordt die aanvrager in staat gesteld om aan de commissie een toelichting te geven op zijn aanvraag. Belanghebbenden hebben geen spreekrecht, tenzij het college dit recht in een concreet geval wel toekent. De commissie komt tot een onafhankelijk advies. Een commissielid dat ten aanzien van enig onderwerp tijdens de vergadering direct of indirect zo betrokken is dat er sprake is van strijdige belangen, waardoor de objectiviteit van de commissie kan worden geschaad, doet hiervan mededeling aan het andere lid en aan het cluster Vergunningverlening en Toezicht van de gemeente Geertruidenberg. Als het andere lid, dan wel de verantwoordelijke wethouder, zulke strijdige belangen aanwezig acht, is het aan het desbetreffende lid niet toegestaan om zo tijdens de behandeling van het desbetreffende onderwerp deel te nemen aan de vergadering. Het cluster Vergunningverlening en Toezicht bereidt de behandeling in de commissie voor. Dit cluster stelt ook de agenda op. Voor zaken waarin het reglement niet voorziet, of bij gerezen geschillen, beslist het college, na de commissie hierover te hebben gehoord. 2.2.2 Monumentencommissie A Taken van de commissie De monumentencommissie draagt zorg voor de welstandsadvisering alsook advisering omtrent de gevolgen voor de (cultuur)historische waarden van plannen, die gelegen zijn binnen het beschermd stadsgezicht, historische dorpsgebieden en historische bebouwingslinten van Geertruidenberg en plannen waarbij sprake is van een rijksmonument, gemeentelijk monument of een beeldbepalend(
  3. e)zaak/pand. De monumentencommissie adviseert het gemeentebestuur op verzoek of uit eigen beweging. Over planologische maatregelen, waarbij gemeentelijke monumenten en/of rijksmonumenten, beschermde stads- of dorpsgezichten of beeldbepalende zaken aan de orde zijn, dient de monumentencommissie om advies te worden gevraagd. Daarnaast brengt de monumentencommissie advies uit in alle aangelegenheden, waarover burgemeester en wethouders haar oordeel vragen. De taken zijn vermeld in de Verordening op de monumentencommissie. Impactvolle plannen (vooral die in strijd zijn met het bestemmingsplan) worden standaard in een vroeg stadium (fase van eerste schets/opzet) door het behandelende cluster voor advies voorgelegd aan de commissie. Het is beter om zoveel mogelijk duidelijkheid te hebben in een vroeg stadium, dan in een later stadium een compleet uitgewerkt plan nog in grote mate te moeten aanpassen vanwege het advies van de commissie. In dat kader kan de commissie ook advies worden gevraagd over het geval dat de aanwezige welstandscriteria niet toereikend zijn voor een welstandstoets. B Samenstelling, benoeming en ontslag, vergaderingen, ambtelijke rol, verslaglegging Deze zaken zijn geregeld in de Verordening op de monumentencommissie. 2.3 Het welstandsoordeel 2.3.1 Burgemeester en wethouders voeren het welstandstoezicht uit De bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de afgifte van de omgevingsvergunning ligt in de meeste gevallen bij burgemeester en wethouders. Zij hebben een eigen verantwoordelijkheid voor het welstandsoordeel dat tot stand komt aan de hand van de in de welstandsnota opgenomen criteria. Het advies van de onafhankelijke en deskundige welstandscommissie/monumentencommissie speelt daarbij een belangrijke rol. 2.3.2 Het welstandsadvies Het advies van de welstandscommissie/monumentencommissie aan burgemeester en wethouders van de gemeente Geertruidenberg wordt schriftelijk uitgebracht. Het advies geeft aan of 'het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of een standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan' niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Ingeval het advies betrekking heeft op een object waarop ook de Monumentenwet en de Monumentenverordening van toepassing is, zal de monumentencommissie in het welstandsadvies ook aangeven of de voorgenomen plannen de monumentale waarden, beeldbepalende waarden dan wel de waarden van het beschermd stadsgezicht al dan niet aantasten. Deze beoordeling vindt plaats aan de hand van de in de welstandsnota opgenomen criteria. Ingeval het advies betrekking heeft op een object waarop ook de Monumentenwet en de Monumentenverordening van toepassing is, dan wordt ook getoetst aan de waarden van het monument, van de beeldbepalende zaak of van het beschermd stadsgezicht. Bij die laatstgenoemde toets worden de ‘Redengevende Omschrijving’ van het monument / de beeldbepalende zaak betrokken en de in het bestemmingsplan voor de historische kom van Geertruidenberg omschreven waarden van het beschermd stadsgezicht. Alle adviezen worden in voldoende mate schriftelijk gemotiveerd. Op verzoek van burgemeester en wethouders wordt een advies uitgebreider gemotiveerd.. Een behandeling van een plan in de welstands- of monumentencommissie heeft slechts een beperkt aantal uitkomsten. Deze worden hierna vermeld. Deze uitkomsten gelden naar analogie ook bij een toets aan de hierboven vermelde waarden op het gebied van monumentenzorg. Voldoet De welstandscommissie/monumentencommissie is van oordeel dat het plan volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Voldoet mits (voldoet niet tenzij) De welstandscommissie/monumentencommissie is van oordeel dat het plan op onderdelen niet voldoet aan de toetsingscriteria, tenzij tegemoet gekomen wordt aan de geformuleerde bezwaren op die punten. De commissie omschrijft nauwkeurig welke onderdelen van het plan bezwaarlijk zijn. In het geval het college het advies overneemt, krijgt de aanvrager, voor zover dit nog past binnen de beschikbare vergunningstermijn, de gelegenheid om de plannen te wijzigen en aan de bezwaarpunten tegemoet te komen. Burgemeester en wethouders kunnen ook besluiten om de voorwaarden van het welstandsadvies op te nemen in de omgevingsvergunning. Voldoet in principe De hoofdopzet van het plan (de bouwmassavorm) voldoet aan redelijke eisen van welstand. De geveluitwerkingen alsook de materialisering en detailleringen worden nog ter advisering opgevraagd. Voldoet niet De welstandscommissie/monumentencommissie is van oordeel dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Een negatief standpunt houdt in dat, indien het college het advies overneemt, het bouwplan ingrijpend zal moeten worden gewijzigd. Adviseert de commissie negatief dan geeft ze een nauwkeurige schriftelijke motivering. Deze omvat een korte omschrijving van het ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde welstandscriteria en een samenvatting van de beoordeling van het plan op die punten. Aanhouden De welstandscommissie/monumentencommissie kan het advies aanhouden - waarbij het cluster Vergunningverlening en Toezicht van de afdeling Ruimte aangeeft of en hoe lang dit mogelijk is binnen de resterende vergunningstermijn - wanneer meer informatie of een nadere toelichting van de opdrachtgever/ontwerper noodzakelijk is. 2.3.3 Afwijking van het advies; afwijken van de criteria Burgemeester en wethouders volgen in hun oordeel in principe het advies van de welstandscommissie/monumentencommissie. Daarop zijn de volgende uitzonderingen mogelijk. A Afwijken van het advies Afwijken van het advies op inhoudelijke grond/second-opinion Burgemeester en wethouders kunnen op inhoudelijke grond afwijken van het advies van de welstandscommissie/monumentencommissie, indien zij van mening zijn dat het welstandsadvies uit oogpunt van zorgvuldigheid, redelijkheid of motivering - waaronder strijdigheid met de (interpretatie van
  4. de)toetsingscriteria krachtens de nota - niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen. In dat geval kunnen burgemeester en wethouders de commissie verzoeken om het uitgebrachte advies in heroverweging te nemen met inachtname van de veronderstelde gebreken. Indien het advies (ook na een eventuele heroverweging van de commissie) naar de mening van burgemeester en wethouders niet voldoet aan de eisen van zorgvuldigheid, redelijkheid of motivering - waaronder strijdigheid met de (interpretatie van
  5. de)toetsingscriteria krachtens de nota - leggen burgemeester en wethouders als uitgangspunt het desbetreffende plan voor een second opinion voor – in eerste instantie aan de eigen welstandscommissie (bij een oorspronkelijk advies van de monumentencommissie) en aan de eigen monumentencommissie (bij een oorspronkelijk advies van de welstandscommissie) en zo nodig daarna bij nog steeds niet voldoen aan de genoemde eisen aan een vergelijkbare andere welstandscommissie/monumentencommissie. Indien het advies van de commissie en de second opinion tegengesteld zijn en burgemeester en wethouders op inhoudelijke grond afwijken van het advies van de ‘eigen’ commissie wordt dit in de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning gemotiveerd. De ‘eigen’ commissie wordt hiervan op de hoogte gesteld. Afwijken van het advies om andere redenen Burgemeester en wethouders hebben de mogelijkheid om bij het in strijd zijn van een bouwplan met redelijke eisen van welstand, toch de vergunning te verlenen indien zij van oordeel zijn dat daarvoor andere zwaarder wegende redenen zijn, bijvoorbeeld van economische of maatschappelijke aard. Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de vergunning gemotiveerd. De welstandscommissie/monumentencommissie van de gemeente Geertruidenberg wordt hiervan op de hoogte gesteld. Burgemeester en wethouders van de gemeente zullen terughoudend zijn met het gebruik van deze mogelijkheid, omdat de ruimtelijke kwaliteit niet snel ondergeschikt wordt geacht aan economische of maatschappelijke belangen. B Afwijken van de criteria De welstandscommissie/monumentencommissie kan bij haar advisering afwijken van het welstandsbeleid. Dit kan gebeuren op basis van een gemotiveerd positief welstandsadvies bij plannen die weliswaar niet voldoen aan de specifieke welstandscriteria, maar wel aan redelijke eisen van welstand (de algemene welstandscriteria). Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de vergunning ook gemotiveerd. Afwijkingen van het beleid vragen om een bestuurlijk draagvlak. Wanneer de commissie voor een bepaald plan aanleiding ziet tot afwijken van het beleid, zal zij het college in haar advies daarover informeren. 2.3.4 Openbaarheid De commissievergadering (beraadslagingen en beoordeling) vindt in openbaarheid plaats, tenzij op verzoek van de aanvrager en de gemeente hiervan om zwaarwegende redenen die in de Wet Openbaarheid van Bestuur, artikel 10, vermeld staan, hiervan moet worden afgeweken. Indien de openbare behandeling van een plan niet gewenst is, dan wordt dit gelijktijdig met de aanbieding van de overige plangegevens en tekeningen schriftelijk bekend gemaakt aan de (secretaris van
  6. de)commissie. Belanghebbenden (aanvrager en architect) kunnen op verzoek in de gelegenheid worden gesteld om een toelichting te geven op hun plan of een toelichting te verkrijgen op het advies. Belangstellenden kunnen de vergadering van de commissie bijwonen op de publieke tribune. Zij hoeven daarvoor geen afspraak te maken. Belangstellenden hebben geen spreekrecht. De welstandscommissie/monumentencommissie wordt immers gevraagd om een onafhankelijk en deskundig advies aan burgemeester en wethouders, binnen het democratisch vastgestelde kader van de welstandsnota. In zeer bijzondere situaties kunnen burgemeester en wethouders de commissie vragen om belangstellenden te horen, voorafgaand aan de planbeoordeling. 2.3.5 Bezwarenprocedure Indien een opdrachtgever of architect nadere toelichting op het welstandsadvies behoeft of het niet eens is met het advies, is de eerste stap contact opnemen met de behandelend ambtenaar van het cluster Vergunningverlening en Toezicht. Deze kan zelf een nadere toelichting geven over het advies of een afspraak met de commissie maken. Een negatief welstandsadvies is een weigeringgrond voor de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Indien burgemeester en wethouders op basis van het welstandsadvies de omgevingsvergunning hebben geweigerd staat voor de aanvrager beroep open volgens de Algemene wet bestuursrecht. Als een bezwaar te maken heeft met het welstandsoordeel richt de belanghebbende zich dus nadrukkelijk op het oordeel van burgemeester en wethouders en niet op het advies van de welstandscommissie/monumentencommissie. Dat is immers alleen een advies aan burgemeester en wethouders. Na een ontvangen bezwaarschrift wordt als uitgangspunt de procedure opgestart voor een advies daarover door de ‘vaste commissie van advies voor bezwaarschriften’. 2.4 Handhaving en excessenregeling De gemeente geeft met deze welstandsnota regels voor het welstandstoezicht en zal zich ook inspannen voor de naleving daarvan. Hierbij zijn het gemeenteljike handhavingsbeleid en de daarin opgenomen prioritering van belang. Als voor een vergunningplichtig bouwwerk geen omgevingsvergunning is aangevraagd, dan wel het bouwwerk na realisering afwijkt van de omgevingsvergunning en legalisatie niet mogelijk is, kan het college degene die tot het opheffen van de situatie bevoegd is, aanschrijven om binnen een door hen te bepalen termijn de strijdigheid op te heffen. Ook ten aanzien van bouwwerken waarvoor geen omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen hoeft te worden aangevraagd, kan indien sprake is van ernstige mate van strijdigheid met redelijk eisen van welstand tot aanschrijving worden besloten, in het kader van de excessenregeling (repressief welstandstoezicht). In de Woningwet is een excessenregeling opgenomen (art. 12, 12a en 13). Repressief welstandstoezicht kan alleen maar worden uitgeoefend wanneer het uiterlijk van een bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand. Het gaat hierbij om heel evidente, ook voor niet-deskundigen, kenbare buitensporigheden van het uiterlijk van een bouwwerk. Met deze regeling hebben burgemeester en wethouders de mogelijkheid om achteraf ongewenste excessen ongedaan te maken. De excessenregeling geldt niet voor gebieden die welstandsvrij zijn in de zin van deze nota. De excessenregeling geldt wel voor het gehele rijksbeschermde stadsgezicht en voor de percelen waarop een monument of beeldbepalende zaak staat. De excessenregeling geldt ook voor gebieden waarvoor een beeldkwaliteitplan is/wordt vastgesteld of waarvoor criteria van een ander bebouwingstype worden vastgesteld. Net zoals bij preventief welstandstoezicht is de uitoefening van repressief welstandstoezicht strikt gekoppeld aan vooraf door de gemeenteraad vastgestelde en in de nota opgenomen welstandscriteria. Beoordeling kan plaatsvinden op grond van de algemene welstandscriteria, maar ook op grond van de specifieke welstandscriteria bij excessen, zoals hieronder is geformuleerd: Het visueel of fysiek afsluiten van een bouwwerk voor zijn omgeving. Het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een bouwwerk. Armoedig materiaalgebruik. Toepassing van felle of contrasterende kleuren. Veranderingen welke een te grove inbreuk zijn op hetgeen in de omgeving gebruikelijk is en daardoor in strijd zijn met de voor het gebied of object geldende welstandscriteria. Te opdringerige of niet belangrijke reclame-uiting, of een reclame-uiting welke ontsierend en/of hinderlijk is. Door leegstand en/of wijze van dichtzetting negatieve invloed op de ruimtelijke kwaliteit. Achterstallig onderhoud. Gehele of gedeeltelijke vernietiging van een bouwwerk. 3 Beoordelingskader De welstandscriteria die in het volgende deel van de welstandsnota geformuleerd zijn, zijn maatgevend voor de gemeentelijke welstandbeoordeling in het kader van de Woningwet. Deze criteria bieden een objectief en beleidsmatig kader voor de besluitvorming door het gemeentebestuur en een richtinggevend kader voor opdrachtgevers en vormgevers. Naast het bestemmingsplan en de gemeentelijke bouwverordening is de welstandsnota een gemeentelijk instrument om bouwplannen te toetsen. In deze welstandsnota worden voor verschillende schaalniveaus en lagen beschrijvingen gegeven waaruit welstandscriteria worden geformuleerd. Deze vormen het kader waarbinnen concrete bouwinitiatieven getoetst worden. Om uiteindelijk op het niveau van het bouwperceel een set criteria te kunnen maken, is het belangrijk om de verbanden en samenhang tussen de verschillende schaalniveaus in beeld te brengen. Dit hoofdstuk is dan ook te beschouwen als uitgebreide leeswijzer voor hetgeen in het volgende deel van de welstandsnota wordt beschreven. 3.1 Beoordelingskader in een ander daglicht sinds 1 oktober 2010 Op 1 oktober 2010 is de Wabo in werking getreden. Tegelijkertijd is het Besluit omgevingsrecht (Bor) in werking getreden. Artikel 2 in bijlage II bij het Bor geeft feitelijk voortzetting aan de categorie bouwvergunningvrije bouwwerken uit het vervallen Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb). Met dien - belangrijke - verstande, dat nu ook bij andere gebouwen dan woningen en woongebouwen vergunningvrijheid geldt en dat omgevingsvergunningvrije bouwwerken direct bij nieuwbouw van het hoofdgebouw mogen worden gerealiseerd. De categorie licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken is verdwenen. Er bestaan alleen nog omgevingsvergunningplichtige activiteiten en categorieën van activiteiten die omgevingsvergunningvrij zijn. Artikel 2 geeft zo een opsomming van bouwwerken en enkele werkzaamheden aan bouwwerken die omgevingsvergunningvrij zijn, ongeacht de bepalingen in het bestemmingsplan. Artikel 3 in bijlage II bij het Bor introduceert een ‘nieuw’ type vergunningvrije bouwwerken, die alleen omgevingsvergunningvrij zijn voor de activiteit bouwen. Dit betekent dat deze bouwwerken wel moeten voldoen aan / moeten passen binnen de bepalingen in het bestemmingsplan. Ook deze vergunningvrijheid geldt bij alle soorten hoofdgebouwen en vanaf nieuwbouw. Artikel 5 in bijlage II Bor somt een aantal omstandigheden op, waaronder artikel 2 en/of artikel 3 (gedeeltelijk) niet van toepassing zijn. Daaronder valt onder andere de omstandigheid van monumentale status of beschermd stads-/dorpsgezicht. Op 1-1-2012 is een wijziging van het Bor in werking getreden, waardoor er meer vergunningvrij is geworden wat betreft onderhoud en wijzigingen aan rijksmonumenten, bouwen in, aan, op of bij monumenten en bouwen in het beschermd stadsgezicht. 4 categorieën van gevallen In zowel artikel 2 als artikel 3 in bijlage II bij het Bor wordt een nieuwe en bijzondere soort van omgevingsvergunningvrijheid beschreven. Voor vier categorieën van gevallen is het al dan niet omgevingsvergunningvrij zijn afhankelijk van het gemeentelijk welstandsbeleid. Indien in de welstandsnota criteria zijn opgenomen voor de categorieën van gevallen zijn deze niet omgevingsvergunningvrij en dienen deze dus ook te worden getoetst op onder andere het bestemmingsplan en het Bouwbesluit. Een gemeente kan echter besluiten om één of meerdere van deze categorieën van gevallen als welstandsvrij aan te merken en daarmee dus ook omgevingsvergunningvrij verklaren. Het gaat om de volgende categorieën van gevallen: bepaalde bijbehorende bouwwerken in het achtererfgebied op een afstand van minder dan 1,00 meter van het openbaar toegankelijk gebied; dakramen, daklichten, lichtstraten of gelijksoortige daglichtvoorzieningen in het voordakvlak of naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, waarbij de constructie maximaal 0,60 meter buiten het dakvlak uitsteekt; erf- of perceelsafscheidingen met een hoogte tussen 1,00 en 2,00 meter, achter de voorgevelrooilijn, op een afstand van minder dan 1,00 meter van het openbaar toegankelijk gebied; dakkapellen aan de voorzijde of naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak. De gemeente Geertruidenberg onderschrijft het belang van sturing op de uiterlijke kwaliteit van deze categorieën van gevallen. Voor deze categorieën van gevallen is dan ook een welstandstoets benodigd en daardoor een omgevingsvergunning vereist, tenzij sprake is van welstandsvrij zijn bij welstandsvrije bebouwingstypen (zie par. 6.3) of in de gevallen dat achtererfgebieden welstandsvrij zijn (zie par. 3.4 en hoofdstuk 6). Verder is het niet gewenst een uitzondering te maken door het welstandsvrij verklaren van bepaalde bouwwerken. Toepassingsbereik van de welstandsnota De omgevingsvergunning voor het bouwen is geregeld in artikel 2.1 lid 1 onder a Wabo. De toetsingscriteria voor de reguliere omgevingsvergunning betreffen op grond van artikel 2.10 Wabo de voorschriften van: 1 het Bouwbesluit; 2 de bouwverordening; 3 het (geldende) bestemmingsplan, beheersverordening of exploitatieplan; 4 de redelijke eisen van welstand. Dit houdt in dat omgevingsvergunningplichtige bouwwerken getoetst worden aan de criteria zoals opgenomen in voorliggende welstandsnota. Voor de activiteit omgevingsvergunningvrije bouwwerken wordt niet getoetst aan redelijke eisen van welstand. Voor deze bouwwerken is uitsluitend repressief welstandstoezicht mogelijk. De verruiming van het vergunningvrij bouwen heeft dus grote gevolgen voor het welstandstoezicht. Veel bouwwerken zullen niet meer worden onderworpen aan een welstandstoets ‘vooraf’, maar kunnen uitsluitend repressief worden getoetst. 3.2 Opzet van het beoordelingskader bij een vergunningaanvraag In deze welstandsnota wordt onderscheid gemaakt tussen: welstandsvrij; een reguliere welstandstoets; een uitgebreide welstandstoets. Bepaalde bebouwingstypen worden in deze nota welstandsvrij verklaard. Voor een welstandsvrij bebouwingstype geldt geen welstandstoets, tenzij het gaat om een omgevingsvergunningplichtig plan met betrekking tot een monument of beeldbepalende zaak of een plan in het beschermd stadsgezicht. Bij bepaalde bebouwingstypen en in bepaalde gevallen is het achtererfgebied welstandsvrij. Zie hiervoor paragraaf 3.4 en de gebiedscriteria in hoofdstuk 6. Als er wel een welstandstoets geldt, is het onderscheid van belang tussen: algemene welstandscriteria; gebiedscriteria; criteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken; de toets bij ontwikkelingen; reclamecriteria. Deze criteria worden in deel B van deze welstandsnota (hoofdstuk 4 en verder) beschreven. Hierna wordt kort vermeld hoe deze zaken zich tot elkaar verhouden. In de volgende paragrafen komen deze zaken uitgebreider aan bod. De algemene welstandscriteria zijn het vangnet voor gevallen waarin de overige criteria (vooral de gebiedscriteria en de criteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken) niet toereikend zijn (zie paragraaf 3.3). Gebiedscriteria zijn specifieke per bebouwingstype/gebied opgestelde welstandscriteria. Bij bepaalde bebouwingstypen is een reguliere welstandstoets aan de orde, in andere gevallen een uitgebreide toets. Er zijn specifieke criteria opgesteld voor enkele categorieën van veel voorkomende kleine bouwwerken (vooral aan de voorkant en/of grenzend aan het openbaar gebied). Die criteria, die ook variëren per bebouwingstype, gelden voor nader bepaalde gebieden waarvoor een reguliere welstandstoets geldt. Omdat die criteria meer zijn uitgewerkt, is in het algemeen een snellere toets mogelijk wat betreft de hier bedoelde bouwplannen. Als zo’n plan niet voldoet aan deze criteria, wordt vervolgens getoetst aan de gebiedscriteria en/of algemene criteria. Voor gebieden met een uitgebreide toets worden de bedoelde plannen voor veel voorkomende kleine bouwwerken getoetst aan de uitgebreide gebiedscriteria. Het kan voorkomen dat de geldende (gebiedsgerichte) welstandscriteria ontoereikend zijn voor een goede welstandstoets. In dat geval kan het gemeentebestuur ervoor kiezen om criteria van een bebouwingstype in de directe omgeving van toepassing te verklaren bij een ondergeschikte ontwikkeling of om een beeldkwaliteitplan te eisen bij een niet-ondergeschikte ontwikkeling. De reclamecriteria gelden voor de toets van reclame-uitingen. Verder bevat deze nota welstandscriteria voor woonschepen en voor boten/pontons, niet zijnde woonschepen, met vastgestelde ligplaatsen (zie hiervoor hoofdstuk 7). 3.3 Algemene welstandscriteria Als uitgangspunt gelden voor iedere welstandsbeoordeling algemene welstandscriteria. De algemene welstandscriteria richten zich op de zeggingskracht en het vakmanschap van het architectonisch ontwerp en zijn terug te voeren op vrij universele kwaliteitsprincipes. Ze bestaan uit een uiteenzetting van algemene architectonische begrippen en aspecten waarmee kwaliteit, of gebrek aan kwaliteit, kan worden omschreven. De algemene welstandscriteria dienen ook als inspiratiebron voor de ontwerpers en opdrachtgevers. In sommige gevallen zal ook teruggegrepen moeten worden op algemene criteria. Dat is bijvoorbeeld het geval als een ingediend bouwplan een dermate hoge kwaliteit heeft dat burgemeester en wethouders daaraan willen meewerken, ook al past het niet binnen het bebouwingstype dat ingevolge de welstandsnota van kracht is. Ook kan het zijn dat een bouwplan aan de meeste, maar niet aan alle gebiedsgerichte criteria voldoet, maar wel goed vanuit de algemene welstandscriteria te motiveren is. De algemene criteria vormen dan als het ware een vangnet voor die gevallen waarin de overige criteria niet toereikend zijn. Voorts wordt er aan algemene welstandscriteria getoetst wanneer er sprake is van een omgevingsvergunningplichtig plan in een welstandsvrij gebied met betrekking tot een monument of beeldbepalende zaak of in een beschermd stadsgezicht. Voorzover de gebiedscriteria niet specifiek zijn gericht op bepaalde vergunningplichtige bouwactiviteiten, gelden aanvullend de algemene welstandscriteria voor die activiteiten, als deze plaatsvinden in beschermd stadsgezicht of op een perceel waarop een monument of beeldbepalende zaak staat. De algemene criteria zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van deze welstandsnota. Voor andere gevallen waarin gebiedscriteria niet toereikend zijn, kan de raad c.q. het college van B&W vooraf besluiten om gebruik te maken van de regeling die beschreven is onder paragraaf 3.6. 3.4 Gebiedscriteria De gemeente Geertruidenberg bestaat uit verschillende woon- en werkgebieden die ieder eigen stedenbouwkundige en architectonische eigenschappen bezitten. Een historisch centrum vraagt namelijk om een andere benadering dan een bedrijventerrein. In Deel B van deze welstandsnota worden de gebieden, die in Geertruidenberg worden onderscheiden, beschreven. Het gemeentebestuur wil in aansluiting op de landelijke deregulering (zoals vermeld in de inleiding (paragraaf. 1.1) in minder gebieden een uitgebreide welstandstoets, dan het geval was op basis van de welstandsnota uit 2004. Belangrijke vragen bij het al dan niet aanwijzen van waardevolle gebieden zijn:
  7. a)Is er sprake van overeenkomsten in architectuur?
  8. b)Is er sprake van cultuurhistorische waarde?
  9. c)Is er sprake van een stedenbouwkundige samenhang? Elk bebouwingstype is op basis van bovenstaande vragen gewaardeerd. Uiteindelijk wordt aangegeven of een welstandstoets wenselijk is of niet en zo ja, op welke manier. Hierbij is gebruik gemaakt van de volgende indeling: Uitgebreide welstandstoets; dit zijn de gebieden waar de cultuurhistorische, architectonische en stedenbouwkundige waarden het duidelijkst afleesbaar zijn. In deze gebieden wordt uitgebreid getoetst op welstand. In bepaalde gevallen is het achtererfgebied welstandsvrij (zie hierna). Reguliere welstandstoets; dit zijn de gebieden die nog wel op welstand worden getoetst, maar waar de gemeente kiest voor een grotere vrijheid voor de burger. De welstandstoets richt zich in deze gebieden vooral op de voorkant. Welstandsvrij; dit zijn de gebieden waar individuele ingrepen nauwelijks invloed hebben op het straatbeeld of waar functionaliteit voorop staat. In deze gebieden wordt dan ook niet meer getoetst op welstand. De indeling naar ‘uitgebreid’ en ‘licht’ heeft uitsluitend een signaleringsfunctie. Uiteindelijk wordt voor elk bebouwingstype met een welstandstoets een beschrijving opgenomen en worden criteria geformuleerd waaraan voldaan moet worden. In gebieden met een ‘uitgebreide’ toets moet getoetst worden aan meer en/of gedetailleerdere criteria dan in gebieden met een ‘reguliere’ toets. Hierna is een overzicht gegeven van de indeling van de bebouwingstypen. Bebouwingstypen met een uitgebreide toets Historische dorpsgebieden (H1) Historische bebouwingslinten (H2) Bebouwingslinten (H3) Bebouwingstypen met een reguliere toets Tuindorp/wijk (W1) Traditionele blokverkaveling (W2) Het Nieuwe Bouwen (W3) Woonerven (W4) Thematische bebouwing (W5) Individuele woningbouw (W6) (individuele woningbouw aan de Heemraadsingel in Raamsdonk) Industrieterrein (B1) (zichtlocaties) Bedrijventerrein (B2) (zichtlocaties) Bijzondere bebouwing (T1) Centrumvoorzieningen (T2) Buitengebied (G2) Welstandsvrije bebouwingstypen Individuele woningbouw (W6) Industrieterrein (B1) (niet-zichtlocaties) Bedrijventerrein (B2) (niet-zichtlocaties) Jachthaven (T3) Groen/Parken/Sport (G1) Buitengebied (G2) (voorzover dit grenst aan de Bergse Maas) Achtererfgebied in veel gevallen welstandsvrij Er geldt altijd een welstandstoets, ook voor het achtererfgebied, als sprake is van situering in beschermd stadsgezicht en/of op een perceel waarop een monument of beeldbepalende zaak staat. Is niet sprake van zo’n situering, dan is het achtererfgebied welstandsvrij in de volgende gevallen: Bij bebouwingstypen W1 t/m 6, T1 t/m 3, G1, H1, H3; Bij bebouwingstype H2, mits het bouwperceel niet grenst aan bebouwingstype G2; Bij bebouwingstypen B1 en B2, mits het bouwperceel niet grenst aan bebouwingstype G2 en evenmin aan de Donge en aan de Bersche Maas. In de andere gevallen bij welstandsplichtige bebouwingstypen H1, H2, B2 en G2 geldt wel (ook) een welstandstoets voor het achtererfgebied. 3.5 Criteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken Onder de wetgeving tot 1 oktober 2010 was het verplicht om in de welstandsnota sneltoetscriteria op te nemen voor licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken. Het betrof criteria voor kleine, veel voor komende bouwwerken, zoals aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, kozijn- en gevelwijzigingen, dakkappellen en erfafscheidingen. Met het vervallen van deze categorie bouwwerken en het vervallen van de mogelijkheid van ambtelijke afhandeling van de welstandstoets, vervalt ook de verplichting om in een welstandsnota sneltoetscriteria op te nemen. Wat betreft de mogelijkheid van een ambtelijke toets: zie onderaan deze paragraaf. Voor- achterkantbenadering De voor-achterkantbenadering (geïntroduceerd in het Bblb) houdt in dat er met het oog op stedenbouw en welstand in een aantal gevallen verschil moet worden gemaakt tussen het bouwen aan de voorkant en aan de achterkant van een bouwwerk. Vanuit welstandsoptiek ligt het bouwen aan de voorkant in het algemeen gevoeliger dan het bouwen aan de achterkant. De voor-achterkantbenadering is onder de Wabo / in het Bor gehandhaafd. Dit is vertaald in de begrippen ‘voorerfgebied’ en ‘achtererfgebied’; begrippen die in de praktijk al vaak gebruikt zijn, maar die nu gedefinieerd zijn in artikel 1 van het Bor. Het achtererfgebied omvat het erf aan de achterkant en de niet naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1,00 meter van de voorkant van het hoofdgebouw. Het voorerfgebied is al het erf dat geen onderdeel uitmaakt van het achtererfgebied. Onder erf wordt verstaan het al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden. Het Bor verstaat onder openbaar toegankelijk gebied: ‘weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsook pleinen, parkeren, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer’. Uiteraard bestaat de mogelijkheid om onder de Wabo voor bepaalde categorieën kleine, veel voor komende, voor de activiteit bouwen omgevingsvergunningplichtige bouwwerken, de welstandscriteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken te hanteren. Belangrijk daarbij is, dat dergelijke sets van criteria niet langer verplichte sets zijn, die uitputtend voorwaarden moesten stellen, waarmee in 99% van gevallen welstandshalve aanvaardbare oplossingen tot stand zouden komen. De sets krijgen nu veel meer het karakter van heldere richtlijnen voor ontwerp en beoordeling. Om verwarring met de sneltoetscriteria onder de Woningwet te voorkomen wordt deze term niet meer gebruikt in deze nota, maar deze criteria worden ‘Criteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken’ genoemd. Per categorie omgevingsvergunningplichtig bouwwerk kan worden gekozen of objectcriteria een aanvulling kunnen zijn voor de gebiedscriteria en dus worden opgenomen. De gemeente Geertruidenberg kiest ervoor om onder de Wabo voor bepaalde categorieën kleine, veel voorkomende, voor de activiteit bouwen omgevingsvergunningplichtige bouwwerken de ‘sneltoetscriteria’ te behouden. Dit vergroot enerzijds de duidelijkheid richting de burger en vergroot de uitstraling van een objectieve toetsing. Anderzijds helpt het de welstandscommissie/monumentencommissie om adviesaanvragen voor deze veel voorkomende kleine bouwwerken snel en consequent af te handelen. Daarnaast maakt het ambtelijke voorbereiding van deze afhandeling mogelijk. In deze nota wordt het achtererfgebied in bepaalde gevallen welstandsvrij verklaard (zie par. 3.4 en hoofdstuk 6). Het achtererfgebied is in die gevallen voor de algemene beleving minder belangrijk en door de verruiming van het vergunningvrij bouwen zullen er in de praktijk veel minder vergunningplichtige aanvragen voor bouwwerken in het achtererfgebied voorkomen. Veel voorkomende kleine bouwwerken in het voorerfgebied wenst de gemeente te toetsen aan welstand. De wijze waarop dit gebeurt, verschilt per gebied. In de gebieden waarvoor een reguliere welstandstoets geldt, bieden enkele specifieke criteria uitkomst, afhankelijk van de bouwwerken die in dat gebied als veel voorkomend zijn aan te merken. Deze zijn te vinden na de gebiedscriteria. Indien een bouwwerk voldoet aan deze criteria kan worden geconcludeerd dat het plan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Als het plan niet voldoet aan de criteria kan een toets aan de gebiedscriteria uitkomst bieden. De motivering over welke criteria gelden in welke gebieden is te vinden in hoofdstuk 5 onder de betreffende bebouwingstypen. In de gebieden waarvoor een uitgebreide welstandstoets geldt of als er sprake is van een monument/beeldbepalende zaak, worden ook aanvragen voor deze relatief veel voorkomende kleine bouwwerken aan de voorzijde getoetst aan de ‘uitgebreide’ gebiedscriteria. In deze gebieden is een integrale benadering nodig en zijn detailaspecten juist bepalend voor het beeld. Voor de volgende bouwwerken zijn in de woongebieden (met uitzondering van de bebouwingslinten en tuinwijken, omdat hier de karakteristiek zo specifiek is dat aanpassingen aan deze bouwwerken grote gevolgen kunnen hebben voor het totaalbeeld) en in het buitengebied specifieke criteria geformuleerd: bijbehorende bouwwerken in het voorerfgebied voor zover niet vrijstaand uitgevoerd (met uitzondering van erkers); erkers in het voorerfgebied; dakkapellen in het voordakvlak of een naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak; erf- of perceelsafscheidingen op minder dan 1,00 meter afstand van het openbaar toegankelijke gebied; kozijn- en gevelwijzigingen aan de voorzijde; dakramen en andere daklichtvoorzieningen in het voordakvlak of een naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak. In de bedrijvengebieden zijn daarentegen uitsluitend voor erf- en perceelsafscheidingen specifieke criteria opgenomen. Andere kleine bouwwerken zijn niet als veel voorkomend aan te merken en dergelijke bouwaanvragen kunnen eenvoudig worden getoetst aan de toch al beperkte gebiedscriteria. In winkelcentra zijn specifieke criteria opgenomen voor kozijn- en gevelwijzigingen aan de voorzijde. Andere kleine bouwwerken zijn hier niet als veel voorkomend aan te merken en dergelijke bouwaanvragen kunnen eenvoudig worden getoetst aan de toch al beperkte gebiedscriteria. De overige bouwwerken worden getoetst aan de gebiedscriteria. Omdat de vergunningvrijheid zo is verruimd, zijn de andere voorheen licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, die nu vergunningplichtig zijn, vaak niet aan te merken als “veel voorkomend” of ze hebben, zoals vrijstaande bijgebouwen en overkappingen aan de voorzijde, een te grote impact op het straatbeeld. Omdat de vergunningvrijheid dusdanig is verruimd zijn de overgebleven bouwwerken die vergunningplichtig zijn vaak niet aan te merken als ‘veel voorkomend’ of hebben ze, zoals vrijstaande bijgebouwen en overkappingen aan de voorzijde, een te grote impact op het straatbeeld. Het opnemen van specifieke criteria is dus niet wenselijk. Bovendien bieden de gebiedscriteria vaak voldoende houvast voor de beoordeling van dergelijke aanvragen en biedt een integrale beoordeling, zoals bij de gebiedscriteria gebeurt, meer handvatten voor een goede beoordeling. Bij nieuwbouw wordt getoetst aan de hand van de welstandscriteria, behorende bij het bebouwingstype dat van toepassing is, tenzij er sprake is van een welstandsvrij gebied of wanneer een beeldkwaliteitplan van toepassing is. De objectcriteria, behorende bij het desbetreffende bebouwingstype, kunnen gebruikt worden als hulpmiddel bij de toetsing van de veel voorkomende kleine bouwwerken die op de nieuwbouw van toepassing zijn. Zij zijn echter niet leidend. Aangezien het gaat om een totaalplan, moet voldaan worden aan de welstandscriteria behorende bij het bebouwingstype. De raad heeft bij de vaststelling van de nota besloten om het college van b&w te mandateren tot het wijzigen van de nota om, na inspraak, de welstandscriteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken aan te passen, waardoor sneller aanpassingen kunnen worden doorgevoerd als in de praktijk blijkt dat dit gewenst is. Er wordt een wijziging van het omgevingsrecht verwacht, waardoor burgemeester en wethouders zelf kunnen bepalen in welke gevallen zij een advies inwinnen omtrent redelijke eisen van welstand bij een welstandscommissie. In dat geval wordt de huidige verplichting om in de omgevingsvergunningprocedure altijd advies bij de welstandscommissie over een bouwplan in te winnen, vervangen door een ‘kanbepaling’. Indien zo’n wijziging van regelgeving heeft plaatsgevonden, zal de toets aan de welstandscriteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken niet meer plaatsvinden door de welstandscommissie, maar door de behandelend ambtenaar. Als een plan dan niet voldoet aan die criteria, zal het plan voor advies worden voorgelegd aan de welstandscommissie. 3.6 De toets bij ontwikkelingen 3.6.1 Beeldkwaliteitplannen In de welstandsnota kan worden verwezen naar welstandscriteria die zijn opgenomen in andere beleidsdocumenten, zoals de beeldkwaliteitplannen. Dergelijke documenten worden daardoor geacht deel uit te maken van de welstandsnota. Uiteraard gelden voor deze documenten dezelfde eisen als voor de welstandsnota. De aanwezige beeldkwaliteitplannen zullen daarmee onderdeel gaan vormen van het welstandsbeleid in de gemeente en worden gebruikt in het kader van de welstandstoets. Voor grootschalige (woningbouw)ontwikkelingen kan het gemeentebestuur eisen dat een beeldkwaliteitplan wordt opgesteld. In sommige gevallen betreft dit een apart beeldkwaliteitplan, in andere gevallen worden de uitgangspunten ten aanzien van de beeldkwaliteit beschreven in de bij het bestemmingsplan behorende toelichting. De meeste beeldkwaliteitplannen zijn ontwikkelingsgericht. De ervaring leert dan ook dat beeldkwaliteitplannen niet altijd bruikbaar zijn voor de beheersituatie (wanneer de ontwikkeling is gerealiseerd). Een ontwikkelingsgericht beeldkwaliteitplan zou dan ook in veel situaties ingetrokken kunnen worden na realisatie van de ontwikkeling. Een andere optie kan zijn om de ‘ontwikkelingsgerichte’ criteria om te vormen tot meer ‘beheergerichte’ criteria. Voor wat betreft beheergerichte beeldkwaliteitplannen kan voor de welstandsbeoordeling worden verwezen naar de beschrijving of de criteria die genoemd zijn in het betreffende beeldkwaliteitplan. Op dit moment geldt in Geertruidenberg een beeldkwaliteitplan Overdiepse Polder. In hoofdstuk 8 wordt hier nader op in gegaan. Verder zijn er binnen de gemeente enkele beeldkwaliteitplannen in voorbereiding. Deze beeldkwaliteitplannen worden later aan de welstandsnota toegevoegd. 3.6.2 Nieuwe ontwikkelingen De Wabo is ontwikkelingsgericht en in het verlengde daarvan is ook het welstandsbeleid van Geertruidenberg ontwikkelingsgericht ingestoken. De welstandsnota van Geertruidenberg was voorheen voornamelijk bedoeld voor de beheersituatie. De nota hield onvoldoende rekening met nieuwe ontwikkelingen. Hierna wordt weergegeven hoe deze ‘nieuwe’ nota meer flexibiliteit biedt bij nieuwe ontwikkelingen. Het komt regelmatig voor dat een bouwplan voor een nieuwe ontwikkeling door een afwijkende functie niet past binnen de welstandscriteria die voor het desbetreffende gebied gelden. Het gevolg daarvan is dat het bouwplan niet adequaat kan worden beoordeeld op welstand. De welstandscommissie/monumentencommissie heeft immers geen ‘passende’ welstandscriteria die zij kan gebruiken bij de beoordeling. Van toepassing verklaren van welstandscriteria van een ander bebouwingstype De raad heeft bij de vaststelling van de nota besloten om het college van b&w te mandateren tot het wijzigen van de nota om, na inspraak, criteria van een ander bebouwingstype te verklaren voor een ontwikkeling van ondergeschikte betekenis. Bij zo’n mandaat is het volgende van toepassing. Indien sprake is van een ontwikkeling van ondergeschikte betekenis kunnen burgemeester en wethouders (na raadpleging van de commissie) in hun besluit tot medewerking aan de functionele afwijking ook toestemming verlenen om bij de wel-standstoetsing gebruik te maken van de welstandscriteria die vastgesteld zijn voor een bebouwingstype in de directe omgeving van de ontwikkeling, dat qua beschrijving overeenkomt met de beoogde ontwikkeling. Dit kan ook betekenen dat een bebouwingstype dat welstandsvrij is, wordt omgezet in een bebouwingstype waar wel een welstandstoetsing van toepassing is. Het van toepassing verklaren van welstandscriteria van een ander bebouwingstype is uitsluitend mogelijk als het gaat om een bouwplan van ondergeschikte betekenis, dat niet past binnen het geldend bestemmingsplan en wanneer er dus een procedure noodzakelijk is om de ontwikkeling mogelijk te maken. Er is dan immers sprake van een besluitmoment van burgemeester en wethouders. Een voorbeeld: er vindt een verdichting plaats binnen een historisch bebouwingslint (H2) op een locatie met het bebouwingstype ‘bedrijventerrein’ (B2). Op de locatie komen 3 woningen. In dat geval kan het college besluiten om bij de welstandstoetsing gebruik te maken van de welstandscriteria die vastgesteld zijn voor het bebouwingstype ‘Historische bebouwingslinten’, in plaats van de welstandscriteria die gelden voor ‘bedrijventerrein’. Beeldkwaliteitplan Indien sprake is van een ontwikkeling, die niet als ondergeschikt is aan te merken, kan het gemeentebestuur in hun besluit tot medewerking aan de functionele afwijking ook de eis formuleren dat voor het desbetreffende gebied een beeldkwaliteitplan wordt opgesteld. Het beeldkwaliteitplan dient door de raad te worden vastgesteld als onderdeel van de welstandsnota. Een voorbeeld: een groot bedrijf aan de rand van een woongebied wordt verplaatst en op de vrijkomende locatie wordt een woongebied van 30 woningen gerealiseerd. In dat geval kunnen burgemeester en wethouders besluiten dat voor de locatie een beeldkwaliteitplan opgesteld moet worden. 3.7 Reclamecriteria Reclame is niet meer weg te denken uit onze samenleving. De invloed van reclame op ons dagelijks leven is de afgelopen decennia steeds groter geworden. Bijna elke (al dan niet virtuele) omgeving zal vroeg of laat met reclame-uitingen worden geconfronteerd. Om balans te krijgen tussen enerzijds een verzorgd straatbeeld en anderzijds het economisch belang heeft de gemeente Geertruidenberg reclamerichtlijnen opgesteld. Deze richtlijnen voor reclame-uitingen moeten aantasting van het straatbeeld voorkomen en bijdragen aan de kwaliteit van de gemeente, en moeten gelijktijdig ruimte bieden voor economische levendigheid, zodat ondernemers zich kunnen ontwikkelen. Deze paragraaf verschaft duidelijkheid over de criteria waaraan aanvragen voor het aanbrengen van handelsreclame getoetst worden. Deze criteria zijn specifiek en betreffen de situering, afmetingen, uitvoering en vormgeving. Definitie handelsreclame Onder handelsreclame dient te worden verstaan: Iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. Vaste reclames op of achter ramen of glazen puien, die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte, worden ook als handelsreclame aangemerkt. Juridische aspecten De invloed van de gemeente op reclame-uitingen gaat zover als juridische sturing en handhaving mogelijk is. Onderstaand een uitleg over de juridische aspecten: De Algemene Plaatselijke Verordening omvat meerdere regelingen die belangrijk zijn voor het plaatsen van reclameobjecten, de regeling voor gebruik van de uitstallingen en de regeling voor exploitatie-/terrasvergunningen. Alle kennen een (al dan niet eenduidig verwoorde) welstandtoets. In de huidige APV staat in artikel 4:15 (verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame): Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door een opschrift, aankondiging of afbeelding, waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving of niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Als een reclameconstructie is aan te merken als een vergunningplichtig bouwwerk in de zin van de Wabo dan is een omgevingvergunning voor het bouwen nodig. Het niet voldoen aan redelijke eisen van welstand kan hierbij een weigeringsgrond zijn voor een omgevingsvergunning. Verder speelt welstand een belangrijke rol bij het beoordelen van handelsreclame welke zonder de benodigde vergunning is gerealiseerd. Een handhavingstraject begint met de vraag of het object gelegaliseerd kan worden en vergunbaar is. Zoals hiervoor beschreven, zijn de redelijke eisen van welstand verankerd in de toetsgronden van de reclamevergunning en omgevingsvergunning. In het buitengebied is voor omgevingsvergunningvrije reclame-uitingen de Provinciale verordening van toepassing. In deze verordening worden al eisen gesteld aan allerlei vormen van reclame, zoals borden, vlaggen en dergelijke. Voor de omgevingsvergunningplichtige reclame-uitingen zal de aanvraag beoordeeld worden aan de hand van onderstaande richtlijnen. Als deze welstandsnota geldt, zullen reclame-uitingen die omgevingsvergunningplichtig zijn vanwege de activiteit bouwen getoetst worden aan de reclamecriteria in de nota. Verder wordt eraan gedacht om de eis van een reclamevergunning in het leven te roepen voor reclame-uitingen die niet omgevingsvergunningplichtig zijn vanwege de activiteit bouwen, indien deze in het beschermd stadsgezicht plaatsvinden. Dit is met het oog op het voorkomen van een ongewenste aantasting van een goede ruimtelijke kwaliteit van dit historisch waardevolle gebied. Als de APV zo is aangepast dat zo’n reclamevergunning mogelijk is, zal een vergunningaanvraag getoetst worden aan de reclamecriteria in deze nota. 3.8 Monumenten en beschermd stadsgezicht De gemeente Geertruidenberg beschikt over 122 rijksmonumenten, 57 gemeentelijke monumenten en 81 beeldbepalende zaken/panden. De historische kern van Geertruidenberg is een door het rijk beschermd stadsgezicht. De monumenten en beeldbepalende panden zijn/worden specifiek aangeduid op de welstandskaart. De monumentencommissie wordt om advies gevraagd indien een bouwplan betrekking heeft op één van deze objecten/gebieden. Deze commissie toetst zowel aan waarden op het gebied van monumentenzorg als aan welstandseisen. Verder zijn er 61 potentiële gemeentelijke monumenten/beeldbepalende panden (peildatum augustus 2011). Voor de monumentenzorg is ook de monumentenverordening van belang. In het rijksbeschermde stadsgezicht, alsook op percelen waarop een monument/beeldbepalende zaak is gesitueerd, geldt altijd een welstandstoets voor vergunningplichtige bouwactiviteiten. Indien een omgevingsvergunningplichtig (bouw)plan met betrekking tot een monument, beeldbepalende zaak of in beschermd stadsgezicht een niet-welstandsvrij bebouwingstype betreft, zijn hiervoor de gebiedscriteria van toepassing. Voor zover de gebiedscriteria niet specifiek zijn gericht op bepaalde vergunningplichtige bouwactiviteiten, gelden aanvullend de algemene welstandscriteria voor die activiteiten, als deze plaatsvinden in beschermd stadsgezicht of op een perceel waarop een monument of beeldbepalende zaak staat. Voor een welstandsvrij bebouwingstype geldt geen welstandstoets, tenzij het gaat om een omgevingsvergunningplichtig plan met betrekking tot een monument of beeldbepalende zaak of in een beschermd stadsgezicht. Zo’n plan over een verder welstandsvrij bebouwingstype wordt getoetst aan de algemene welstandscriteria. Bij de aanwijzing van een object tot rijksmonument, gemeentelijk monument of beeldbepalende zaak is een redengevende omschrijving gemaakt waarom het object deze status heeft gekregen. De commissie toets plannen ook aan deze omschrijving. Plannen in beschermd stadsgezicht worden verder getoetst aan de waarden van het beschermd stadsgezicht. Het beschermd stadsgezicht wordt beschermd via het bestemmingsplan. DEEL B ‘BEOORDELINGSCRITERIA’ 4 Algemene welstandscriteria In dit hoofdstuk worden de algemene welstandscriteria benoemd en toegelicht, die bij iedere welstandsbeoordeling worden gehanteerd. Deze criteria zijn gebaseerd op de notitie ‘Architectonische kwaliteit, een notitie over architectuurbeleid’, van Prof. ir. Tj. Dijkstra

(1985), die ook aanleiding is geweest voor de huidige Woningwet. In sommige gevallen zal bij de welstandstoetsing teruggegrepen moeten worden op de algemene welstandscriteria. Dat is bijvoorbeeld het geval als een ingediend bouwplan een dermate hoge kwaliteit heeft dat burgemeester en wethouders daaraan willen meewerken, ook al past het niet binnen het bebouwingstype dat ingevolge de welstandsnota van kracht is. Ook kan het zijn dat een bouwplan aan de meeste, maar niet aan alle gebiedsgerichte criteria voldoet, maar wel goed vanuit de algemene welstandscriteria te motiveren is. De algemene criteria vormen dan als het ware een vangnet voor die gevallen waarin de overige criteria niet toereikend zijn. Voorts wordt er aan algemene welstandscriteria getoetst wanneer er sprake is van een omgevingsvergunningplichtig plan in een welstandsvrij gebied met betrekking tot een monument of beeldbepalende zaak of in een beschermd stadsgezicht. Voorzover de gebiedscriteria niet specifiek zijn gericht op bepaalde vergunningplichtige bouwactiviteiten, gelden aanvullend de algemene welstandscriteria voor die activiteiten, als deze plaatsvinden in beschermd stadsgezicht of op een perceel waarop een monument of beeldbepalende zaak staat. 4.1 Relatie tussen vorm, gebruik en constructie Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat de verschijningsvorm een relatie heeft met het gebruik ervan en de wijze waarop het gemaakt is, terwijl de vormgeving daarnaast ook zijn eigen samenhang en logica heeft. Een bouwwerk wordt primair gemaakt om te worden gebruikt. Hoewel het welstandstoezicht slechts is gericht op de uiterlijke verschijningsvorm, kan de vorm van het bouwwerk niet los worden gedacht van de eisen vanuit het gebruik en de mogelijkheden die materialen en technieken bieden om een doelmatige constructie te maken. Gebruik en constructie staan aan de wieg van iedere vorm. Daarmee is nog niet gezegd dat de vorm altijd ondergeschikt is aan het gebruik of de constructie. Ook wanneer andere aspecten dan gebruik en constructie de vorm tijdens het ontwerpproces gaan domineren, mag worden verwacht dat de uiteindelijke verschijningsvorm een begrijpelijke relatie houdt met zijn oorsprong. Daarmee is tegelijk gezegd dat de verschijningsvorm méér is dan een rechtstreekse optelsom van gebruik en constructie. Er zijn daarnaast andere factoren die hun invloed kunnen hebben, zoals de omgeving en de associatieve betekenis van de vorm in de sociaal-culturele context. Maar als de vorm in tegenspraak is met het gebruik en de constructie, dan verliest zij daarmee aan begrijpelijkheid en integriteit. 4.2 Relatie tussen bouwwerk en omgeving Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de openbare (stedelijke of landschappelijke) ruimte. Daarbij worden hogere eisen gesteld naarmate de openbare betekenis van het bouwwerk of van de omgeving groter is. Bij het oprichten van een gebouw is sprake van het afzonderen en in bezit nemen van een deel van de algemene ruimte voor particulier gebruik. Gevels en volumes vormen zowel de externe begrenzing van de gebouwen als ook de wanden van de openbare ruimte die zij gezamenlijk bepalen. Het gebouw is een particulier object in een openbare context. Het bestaansrecht van het gebouw ligt niet in het eigen functioneren alleen, maar ook in de betekenis die het gebouw heeft in zijn stedelijke of landschappelijke omgeving. Ook van een gebouw dat contrasteert met zijn omgeving mag worden verwacht dat het zorgvuldig is ontworpen en de omgeving niet ontkent. Waar het om gaat is dat het gebouw een positieve bijdrage levert aan de kwaliteit van de omgeving en de te verwachten ontwikkeling daarvan. Over de wijze waarop dat bij voorkeur zou moeten gebeuren, kunnen de gebiedsgerichte welstandscriteria duidelijkheid verschaffen. 4.3 Betekenissen van vormen in de sociaal-culturele context Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat verwijzingen en associaties zorgvuldig worden gebruikt en uitgewerkt, zodat er concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Voor vormgeving gelden in iedere cultuur bepaalde regels, net zoals een taal zijn eigen grammaticale regels heeft om zinnen en teksten te maken. Die regels zijn geen wetten en moeten ter discussie kunnen staan. Maar als ze worden verhaspeld of ongeïnspireerd gebruikt, wordt een tekst verwarrend of saai. Precies zo wordt een bouwwerk verwarrend of saai als de regels van de architectonische vormgeving niet bewust worden gehanteerd. Als vormen regelmatig in een bepaald verband zijn waargenomen krijgen zij een zelfstandige betekenis en roepen zij, los van gebruik en constructie, bepaalde associaties op. Pilasters in classicistische gevels verwijzen naar zuilenstructuren van tempels, transparante gevels van glas en metaal roepen associaties op met techniek en vooruitgang. In iedere bouwstijl wordt gebruik gemaakt van verwijzingen en associaties naar wat eerder of elders al aanwezig was of naar wat in de toekomst wordt verwacht. De kracht of de kwaliteit van een bouwwerk ligt echter vooral in de wijze waarop die verwijzingen en associaties worden verwerkt en geïnterpreteerd binnen het kader van de actuele culturele ontwikkelingen, zodat concepten en vormen ontstaan die bruikbaar zijn in de bestaande maatschappelijke realiteit. Zorgvuldig gebruik van verwijzingen en associaties betekent onder meer dat er een bouwwerk ontstaat dat integer is naar zijn tijd doordat het op grond van zijn uiterlijk in de tijd kan worden geplaatst waarin het werd gebouwd of verbouwd. Bij restauraties is sprake van herstel van elementen uit het verleden, maar bij nieuw- of verbouw in bestaande (monumentale) omgeving betekent dit dat duidelijk moet zijn wat authentiek is en wat nieuw is toegevoegd. Een ontwerp kan worden geïnspireerd door een bepaalde tijdsperiode, maar dat is iets anders dan het imiteren van stijlen, vormen en detailleringen uit het verleden. Associatieve betekenissen zijn van groot belang om een omgeving te 'begrijpen' als beeld van de tijd waarin zij is ontstaan, als verhaal van de geschiedenis, als representant van een stijl. Daarom is het zo belangrijk om ook bij nieuwe bouwplannen zorgvuldig met stijlvormen om te gaan; zij vormen immers de geschiedenis van de toekomst. 4.4 Evenwicht tussen helderheid en complexiteit Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat er structuur is aangebracht in het beeld, zonder dat de aantrekkingskracht door simpelheid verloren gaat. Een belangrijke eis die aan een ontwerp voor een gebouw mag worden gesteld is dat er structuur wordt aangebracht in het beeld. Een heldere structuur biedt houvast voor de waarneming en is bepalend voor het beeld dat men vasthoudt van een gebouw. Symmetrie, ritme, herkenbare maatreeksen en materialen maken het voor de gemiddelde waarnemer mogelijk de grote hoeveelheid visuele informatie die de gebouwde omgeving geeft, te reduceren tot een bevattelijk beeld. Het streven naar helderheid mag echter niet ontaarden in simpelheid. Een bouwwerk moet de waarnemer blijven prikkelen en intrigeren en zijn geheimen niet direct prijsgeven. Er mag best een beheerst beroep op de creativiteit van de voorbijganger worden gedaan. Van oudsher worden daarom helderheid en complexiteit als complementaire begrippen ingebracht bij het ontwerpen van bouwwerken. Complexiteit in de architectonische compositie ontstaat vanuit de stedenbouwkundige eisen en het programma van eisen voor het bouwwerk. Bij een gebouwde omgeving met een hoge belevingswaarde zijn helderheid en complexiteit tegelijk aanwezig in evenwichtige en spanningsvolle relatie. 4.5 Schaal en maatverhoudingen Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat het een samenhangend stelsel van maatverhoudingen heeft dat beheerst wordt toegepast in ruimtes, volumes en vlakverdelingen. leder bouwwerk heeft een schaal die voortkomt uit de grootte of de betekenis van de betreffende bouwopgave. Grote bouwwerken kunnen uiteraard binnen hun eigen grenzen geleed zijn, maar worden onherkenbaar en ongeloofwaardig als ze er uit zien alsof ze bestaan uit een verzameling losstaande, kleine bouwwerken. De maatverhoudingen van een bouwwerk zijn van groot belang voor de belevingswaarde ervan, maar vormen tegelijk één van de meest ongrijpbare aspecten bij het beoordelen van ontwerpen. De waarnemer ervaart bewust of onbewust de maatverhoudingen van een bouwwerk, maar wáárom de maatverhoudingen van een bepaalde ruimte aangenamer, evenwichtiger of spannender zijn dan die van een andere, valt nauwelijks vast te stellen. Duidelijk is dat de kracht van een compositie groter is naarmate de maatverhoudingen een sterkere samenhang en hiërarchie vertonen. Mits bewust toegepast kunnen ook spanning en contrast daarin hun werking hebben. De afmetingen en verhoudingen van gevelelementen vormen tezamen de compositie van het gevelvlak. Hellende daken vormen een belangrijk element in de totale compositie. Als toegevoegde elementen (zoals een dakkapel, een aanbouw of een zonnecollector) te dominant zijn ten opzichte van de hoofdmassa en/of de vlakverdeling, verstoren zij het beeld niet alleen van het object zelf maar ook van de omgeving waarin dat is geplaatst. 4.6 Materiaal, textuur, kleur en licht Van een bouwwerk dat voldoet aan redelijke eisen van welstand mag worden verwacht dat materiaal, textuur, kleur en licht het karakter van het bouwwerk zelf ondersteunen en de ruimtelijke samenhang met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan duidelijk maken. Door materialen, kleuren en lichttoetreding krijgt een bouwwerk uiteindelijk zijn visuele en tactiele kracht: het wordt zichtbaar en voelbaar. De keuze van materialen en kleuren is tegenwoordig niet meer beperkt tot wat lokaal aan materiaal en ambachtelijke kennis voorhanden is. Die keuzevrijheid maakt de keuze moeilijker en het risico van een onsamenhangend beeld groot. Als materialen en kleuren teveel los staan van het ontwerp en daarin geen ondersteunende functie hebben, maar slechts worden gekozen op grond van decoratieve werking, wordt de betekenis ervan toevallig en kan de materiaal- en kleurkeuze afbreuk doen aan de zeggingskracht van het bouwwerk. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer het gebruik van materialen en kleuren geen ondersteuning geeft aan de architectonische vormgeving of wanneer het gebruik van materialen en kleuren een juiste interpretatie van de aard en de ontstaansperiode van het bouwwerk in de weg staat. 5 Historische beschrijvingen 5.1 Algemene beschrijving gemeente Geertruidenberg 5.1.1 Situering De gemeente Geertruidenberg ligt in de noordwesthoek van Noord-Brabant aan de monding van de Donge en de Bergsche Maas, in de regio die bekend staat als het Brabants kleigebied. In het westen en noorden grenst de gemeente Geertruidenberg aan de gemeenten Drimmelen en Werkendam, in het oosten en zuiden aan de gemeenten Oosterhout, Dongen en Waalwijk. De grenzen hebben deels een kunstmatig, deels een natuurlijk verloop. In het noorden volgt de gemeentegrens de Bergsche Maas, in het zuiden gedeeltelijk de rivier de Donge en het Kromgat. Aan de westzijde ligt de grens langs het Kanaal naar de Amer, aan de oostgrens loopt de grens als een rechte lijn door de Groot Waspiksche en Raamsdonksche Polder. De westpunt van de Overdiepsche Polder valt ook binnen de gemeentegrens. 5.1.2 Globale ruimtelijke ontwikkeling Bewoning vond vanouds plaats op de hoger gelegen oeverwallen langs de Maas en Donge. De kern Geertruidenberg ligt op een donk: een zandopduiking die boven het plaatselijke veen- en kleipakket uitsteekt. Vanaf de 12de eeuw werd het gebied van de huidige gemeente Geertruidenberg in cultuur gebracht. Vanaf de oeverwallen werd het veengebied zuidwaarts ontgonnen, waarbij een landschap tot stand kwam van lange smalle kavels die haaks op de bewoningsas aansloten. Het veengebied werd ontwaterd, waardoor inklinking optrad. Doordat de gronden ongeschikt werden voor akkerbouw, verschoof de bewoning omstreeks het midden van de dertiende eeuw van de oeverwallen richting de nieuw ontgonnen bouwlanden op enige afstand van de rivier. In Raamsdonk ontwikkelde de nieuwe nederzetting zich langs de Achterste Dijk. Later verplaatste het bebouwingslint zich nogmaals, waardoor de middeleeuwse Lambertuskerk eenzaam achterbleef. Lambertuskerk Na de St. Elisabethsvloed in 1421 vond inpoldering in noordelijke richting plaats. Door de overstromingen was in het gebied ten noorden van de Achterste Dijk een kleilaag afgezet. De ontginning van dit overspoelde gebied ging tot in de 17de eeuw door en bracht een sterk lineaire verkavelingpatroon voort. In tegenstelling tot de zuidelijke zone van de middeleeuwse veenontginningen rond de kernen Raamsdonk en Raamsdonksveer, kenmerkt de noordelijke zone van de kleipolders zich tegenwoordig nog door een grote landschappelijke openheid. 5.2 Beschrijving kern Raamsdonksveer 5.2.1 Ontstaansgeschiedenis De grenzen van Raamsdonksveer gaan terug naar die van een middeleeuwse parochie, waarvan de naam voor het eerst in 1273 als 'Dunc' in akten voorkomt. In de loop van de eeuwen tekenden zich de kernen af. Het 'Veer' werd een oord van schippers, vissers, polder- en griendwerkers vanwege de ligging aan de Donge. Rond de oude Haven en het Heereplein ligt het centrum. Een tweede belangrijke structuur is de weg van Geertruidenberg naar Oosterhout. Deze vormt de hoofdas van Raamsdonksveer. Daarnaast is er nog een aantal secundaire historische bebouwingslinten, zoals de Grote Kerkstraat en Sandoel. In de 20ste eeuw zijn rond het oude centrum diverse woonbuurten ontwikkeld. De grootste is de wijk Hooipolder aan de noordzijde van de kern. De meest recente wijk is Achter de Hoeven. Raamsdonksveer beschikt over het grote bedrijventerrein Dombosch. Dit ligt gunstig aan de A
  1. Ook langs de Donge is de nodige bedrijvigheid te vinden. Een deel van deze bedrijvigheid heeft al plaats gemaakt voor woningbouw en een deel zal in de nabije toekomst nog plaats maken voor woningbouw in het kader van het plan ‘Dongeburgh’. 5.2.2 Karakteristieke deelgebieden Historische dorpsgebieden In Raamsdonksveer behoren de volgende gebieden tot de historische dorpsgebieden: het gebied rond Heereplein, Haven, Hoofdstraat, Poststraat Keizersdijk/Prins Bernhardstraat. Haven/Heereplein Het Heereplein en de in de jaren zeventig gedempte haven vormen samen een langgerekte open ruimte, die in het midden met bomen is begroeid. Ook de Hoofdstraat en de Poststraat, die de verbinding vormen met de Prins Bernhardstraat, maken deel uit van het historisch dorpsgebied. Het historische bebouwingsbeeld wordt gekenmerkt door een diversiteit aan stijlen, kleuren en materialen en een ontwikkeling over een lange periode. Kenmerkend is de dicht op elkaar geplaatste bebouwing doorgaans in één tot twee bouwlagen met kap. De bebouwing is in de regel direct met een rabatstrook aan de weg geplaatst, met naar de weg gekeerde gevels. Deze hebben een representatieve vormgeving, terwijl de zij- en achtergevels minder bewerkt zijn. Er is een aantal kleinschalige voormalige agrarische en ambachtswoningen te vinden met een eenvoudige architectuur. Deze panden van één laag hebben meestal een dwarskap en een bescheiden breedte. Enkele van deze panden beschikken over klokgevels. Daarnaast zijn er ook forse, meer grootschalige panden, die bestaan uit twee hoge bouwlagen met schilddak. Deze panden zijn breed en rijk gedecoreerd met daklijsten, plinten en versierde vensters. Bijzondere bebouwingselementen zijn: de kiosk op het Heereplein; de forsere bebouwing aan de zuidoostkant van dit plein; een aantal monumenten; het gemeentehuis met achterliggend groene ruimte. Haven in Raamsdonksveer incl. kiosk Heereplein De openbare ruimte is historiserend van karakter met volgroeide bomen, historische bestrating en passend straatmeubilair. Keizersdijk / Prins Bernhardstraat De Keizersdijk en de Prins Bernhardstraat maken deel uit van de historische doorgaande route ‘Geertruidenberg-Oosterhout’. De straat is dicht bebouwd met aaneengesloten bebouwing van één en twee bouwlagen met een kap. Het bebouwingsbeeld wordt gekenmerkt door een diversiteit aan stijlen, kleuren en materialen en een ontwikkeling over een lange periode. De bebouwing staat direct aan de weg. Er komen veel winkels en horeca voor. 5.2.3 (Historische) bebouwingslinten In Raamsdonksveer vormen de Grote Kerkstraat / Sandoel / Kadepad, de Koningstraat, Julianalaan / Prins-Hendrikstraat, Oranjestraat en Wilhelminalaan (historische) bebouwingslinten. Deze straten vormen van oudsher de verbinding naar omliggende plaatsen. Het profiel is overwegend smal, met uitzondering van de Wilhelminalaan. De bebouwing is overwegend historisch en divers qua stijl, kleur en materiaal. Grote Kerkstraat / Sandoel / Kadepad is de voormalige dijk en kent een slingerend profiel. Het hoogteverschil met de omgeving is opvallend. De bebouwing is veelal agrarisch van oorsprong en staat direct aan de straat. De hoogte bedraagt één laag met langs- of dwarskappen. Aan de Sandoel staat de bebouwing wat verder uit elkaar dan aan de Grote Kerkstraat. Een bijzonder gedeelte is de ‘Slaperdijk’ met bebouwing in een waaiervorm. Dit historische gebied zet zich voort in het open buitengebied bij de Karthuizerstraat en de Kloosterweg. De Koningstraat, Julianalaan / Prins Hendrikstraat en de Oranjestraat zijn lange, rechte lijnen met kleinschalige bebouwing dicht op elkaar en dicht op de rand van het openbaar gebied geplaatst. Deze straten hebben een meer stedelijk karakter. De Grote Kerkstraat en de Sandoel hebben een meer landelijk karakter. De bebouwing staat op smalle percelen en telt over het algemeen één laag met een kap. Langs de Koningstraat heeft een deel van de bebouwing het karakter van een ‘tuindorp’. De bebouwing is hier dan ook van recentere datum. De Wilhelminalaan heeft een meer open bebouwingspatroon met grotere panden op ruimere percelen. Een groot aantal panden aan deze laan en de Prins Bernhardstraat betreft monumenten. Grote Kerkstraat Keizersdijk 5.3 Beschrijving kern Geertruidenberg 5.3.1 Ontstaansgeschiedenis In 1213 verleende Graaf Willem I van Holland 'Sint Geertruidenberg' stadsrechten. In de late middeleeuwen was de stad een belangrijk handelscentrum, waar graven en edelen bijeen kwamen om hun belangen te behartigen. De Hoekse en Kabeljauwse Twisten in 1420 en de Sint Elisabethsvloed van 1421 maakten een einde aan die welvarende handelsfunctie, maar de stad kreeg er de rol van grensvesting voor terug. Pas in 1813 wordt Geertruidenberg definitief bij Brabant gevoegd. Hollands oudste stad Geertruidenberg heeft een historische kern met vestingwallen, bolwerken en ravelijnen. Het eeuwenoude marktplein wordt omzoomd door schaduwrijke leilinden. De statige toren van de Geertruidskerk kijkt al eeuwenlang uit over stad en inwoners. Nadat in eerste instantie de uitbreidingen binnen de vestingwallen werden gerealiseerd, zijn na de Tweede Wereldoorlog uitbreidingswijken ten westen en ten noorden van de stad gebouwd. Aan de zuidzijde was bedrijvigheid aanwezig. Van grote invloed op Geertruidenberg is de Amercentrale die direct ten noorden van het stadje ligt aan de rivier de Amer. Vooral de koeltoren is tot in de verre omtrek zichtbaar. In de jaren negentig zijn er woningen gebouwd langs de Donge aan de oostkant van de stad. Dit heeft in het project Dongeburgh ook aan de zuidkant een vervolg gekregen. 5.3.2 Historische stadsgebieden Geertruidenberg beschikt over een fraai historisch centrum. Het gehele centrum is aangewezen als beschermd stadsgezicht en er is een groot aantal monumenten en beeldbepalende panden aanwezig. Vooral de Markt, die wordt omzoomd met leilinden, is de blikvanger. De Venestraat gaat over in het langgerekte Marktplein dat zich verbreedt en afgesloten wordt door de statige kerk. Ook de Vismarktstraat, Havendijkstraat, Brandestraat, Kerkstraat, Dordtsestraat, Gasthuisstraat en de Haven behoren tot het historische stadsgebied. De Venestraat vormt de westelijke toegang van de Markt, terwijl de Koestraat de entree vanuit het zuiden is. Het historische stedelijke bebouwingsbeeld wordt gekenmerkt door: een diversiteit aan stijlen, kleuren en materialen; een ontwikkeling over een lange periode. Vestingwerken Markt Er is een aantal belangrijke gebouwen aanwezig die een beeldbepalende functie hebben. Naast de kerk zijn dit het voormalige raadhuis, de Markt- en de Havenkazerne, het Arsenaal en het cultureel centrum De Schattelijn. De openbare ruimte is historiserend van karakter met volgroeide leilinden, historische bestrating en passend straatmeubilair. 5.3.3 Historische bebouwing rondom het centrum In en rondom de historische kern is de bebouwing verdicht. Aangezien deze verdichting heeft plaatsgevonden over een lange periode zijn uiteenlopende stedenbouwkundige en architectonische principes naast elkaar te vinden. Dit proces heeft geresulteerd in een gevarieerd bebouwingsbeeld met een rafelige stedenbouwkundige structuur. Deze gemengde bebouwing is in Geertruidenberg terug te vinden aan de zuidzijde van het historisch centrumgebied rondom de Zuidwal en de Stationsweg. De bebouwing stamt uit diverse perioden en kent diverse stijlen, kleuren en materialen. Er is een aantal historische panden aanwezig. Een deel van de bebouwing bestaat uit vrijstaande woningen of twee-onder-één kappers. Er zijn ook rijenwoningen aanwezig, alsook seniorenwoningen aan het Pijpershof. Over het algemeen staan de gebouwen direct aan de weg. 5.3.4 Voormalige vestingwerken Het historische stadshart wordt omgeven door de voormalige vestingwerken. Deze zijn nog goed herkenbaar door de aarden wallen en de grachten. Het gebied maakt deel uit van het beschermd stadsgezicht. Een gedeelte van de vestingwerken is ingericht als wandelpark, maar aan de buitenzijde zijn er ook sportvelden in gelegen. Een ander groengebied is het introverte gebied rondom zwembad de Schans. 5.4 Beschrijving kern Raamsdonk 5.4.1 Ontstaansgeschiedenis De grenzen van Raamsdonk gaan terug naar die van een middeleeuwse parochie. De naam komt voor het eerst in 1273 als 'Dunc' in akten voor. Raamsdonk ontwikkelde zich tot een voornamelijk op landbouw gericht dorp. Kenmerkend voor Raamsdonk zijn de bebouwingslinten langs de Lange Broekstraat, Bergenstraat, Kerklaan, Molenstraat en Schansstraat. De voormalige spoorlijn en de snelweg A59 hebben een grote stempel gedrukt op de ruimtelijke structuur van het dorp. 5.4.2 Historische (dorpsgebieden en) bebouwingslinten In Raamsdonk komen twee locaties voor die als historisch dorpsgebied zijn aan te merken. Omdat het gebieden betreft die beperkt zijn in omvang, die feitelijk deel uitmaken van oude bebouwinglinten, zijn zij in deze welstandsnota aangemerkt als historisch bebouwingslint. In Raamsdonk bestaat het historische dorpsgebied uit twee delen. Aan het Kerkplein is een open ruimte aanwezig waaraan een aantal grootschalige, historische gebouwen staat. Het meest opvallend is de grote kerk. Daarnaast zijn er het ontmoetingscentrum en het wooncomplex voor senioren. Aan de zuidzijde ligt de basisschool met een moderne architectuur. Het samenspel van de bebouwing en de open, groene ruimte biedt een aantrekkelijk beeld. Aan de Kerkstraat en de Stationstraat is een meer kleinschalig, aaneengesloten bebouwingsbeeld aanwezig. Het historische bebouwingsbeeld wordt hier gekenmerkt door een diversiteit aan stijlen, kleuren en materialen door een ontwikkeling over een lange periode. Kenmerkend is de afwisselende, dicht op elkaar geplaatste bebouwing met een grote variatie aan bouwvormen en stijlen, doorgaans in één tot twee bouwlagen met kap. De bebouwing is in de regel direct met een rabatstrook aan de weg geplaatst, met naar de weg gekeerde gevels. Deze hebben een representatieve vormgeving, terwijl de zij- en achtergevels minder bewerkt zijn. In Raamsdonk behoren de Lange Broekstraat, Bergenstraat, Kerklaan, Molenstraat en Schansstraat tot de historische bebouwingslinten. Deze straten vormen van oudsher de verbinding naar de omliggende plaatsen. De historische bebouwingslinten bestaan uit (voormalige) agrarische bebouwing in een gestaffelde verkaveling. Er is nog een groot aantal historische (voormalige) boerderijen aanwezig. Naast de gestaffelde verkaveling, waarbij de bebouwing onder een hoek met de weg geplaatst is, valt de dicht op de weg gepositioneerde bebouwing op. Er is zo een bijna doorlopend bebouwingslint aanwezig. Tussen de bebouwing zijn open ruimtes aanwezig, die zicht bieden op het achterliggende, open agrarisch gebied. De bebouwing is agrarisch van karakter. Aan de straat staan de woongedeelten van de boerderijen. Deze bestaan over het algemeen uit één bouwlaag met een kap dwars op de weg. De voorgevels bepalen sterk het beeld. De schuren zijn achter op het erf geplaatst. Bij het gedeelte van de Kerklaan richting Raamsdonksveer en het westelijke gedeelte van de Lange Broekstraat is het bijzondere ruimtelijke beeld minder sterk aanwezig. Stationstraat Kerklaan 5.5 Buitengebied Opvallend aan het buitengebied van de gemeente Geertruidenberg is het onbebouwd karakter. Bebouwing komt slechts incidenteel voor. Aan de oostzijde van de A27 is ten noorden en ten zuiden van het dorp Raamsdonk sprake van een open slagenontginningslandschap. Dit landschap bestaat uit lange rechte kavels met ook rechte wegen en kavels. Enkel de oudere bebouwingslinten hebben een meer slingerend verloop. Ten zuiden van Raamsdonk loopt het riviertje de Donge waarlangs dijken en beplanting aanwezig is. De voornamelijk agrarische gronden vinden hun ruimtelijke, cultuurhistorische en ecologische waarden in de openheid en de samenhang, die er bestaat tussen de riviergronden, de polders, de dijken, de verkavelingspatronen, de beperkte landschappelijke elementen en de kernranden. Rond de kern Raamsdonk bevindt zich een geleidelijk dichter wordend landschap. In het bebouwingslint van dit dorp bevindt zich feitelijk een belangrijk deel van de agrarische bedrijfsbebouwing van het landelijk gebied. Ten westen van de A27 ligt ten zuiden van de kern Raamsdonksveer een half open zeeklei polderlandschap. Ook hier is nauwelijks bebouwing aanwezig. De Donge loopt door het gebied heen en langs de A59 is een zandput aanwezig met dichte beplanting en een recreatieve, parkachtige inrichting. De Oosterhoutseweg loopt door dit gedeelte en vormt de verbinding met Oosterhout. Langs deze weg is enige verspreide bebouwing aanwezig met een matige ruimtelijke kwaliteit. Opvallend element is de watertoren. Het gebied ten westen van de kern Geertruidenberg is aan te merken als een half open landschap. Het gebied wordt echter gedomineerd door diverse hoogspanningsleidingen, het Wilhelminakanaal en de Kanaalweg-Oost. 6 Gebiedscriteria De gebiedsgerichte uitwerkingen dienen gezien te worden als een beoordelingskader gerelateerd aan de bestaande ruimtelijke context. Een beoordelingskader omvat het beeld dat een beoordelaar nodig heeft voor de toetsing van bouwplannen: geen absolute meetbare criteria, maar een argumentatiegrond voor planbeoordeling. De genoemde criteria zijn het kader waarbinnen de discussie tussen de welstandscommissie/monumentencommissie en de indiener zich af speelt. De discussie richt zich uitsluitend op deze punten, niet meer en niet minder. Zo krijgen planindieners vooraf duidelijkheid over de beoordelingskaders die de gemeente hanteert. In het vervolg van dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan de verschillende gebieden die voorkomen in Geertruidenberg. Per gebied worden de karakteristieken beschreven en worden criteria opgesomd. 6.1 Gebieden met een uitgebreide toets 6.1.1 Historische dorpsgebieden (H1) Prins Bernhardstraat Raamsdonksveer Markt Geertruidenberg Waar is dit bebouwingstype van toepassing? Dit bebouwingstype is van toepassing voor de historische kernen van Geertruidenberg en van Raamsdonksveer Hoofdaspecten: Bebouwing en omgeving Historische dorpsgebieden kenmerken zich door relatief gesloten en kleinschalige bebouwing met daarbinnen een diversiteit aan stijlen, kleuren en materialen. Ook kenmerkend is dat een (historische) ontwikkeling over een lange periode waarneembaar is. Er komen uiteenlopende functies voor zoals wonen, detailhandel en verschillende ambachten. Kenmerkend is de afwisselende bebouwing, doorgaans in twee tot drie bouwlagen met kap. De panden zijn overwegend aan elkaar gebouwd. Desondanks is elk pand als individueel gebouw herkenbaar, ook doordat het meestal voorzien is van een eigen kap. De gevellengte van de gebouwen varieert sterk. Kenmerkend is de grote mate aan detaillering, vooral bij de historische panden. De meeste panden hebben een zadeldak, een mansardekap of een schilddak. De bebouwing is in de regel direct aan de weg geplaatst, met naar de weg gekeerde gevels. Deze hebben een representatieve vormgeving, terwijl de zij- en achtergevels minder bewerkt zijn. Deelaspecten: massaopbouw, gevel en onderdelen De panden zijn over het algemeen rijk gedecoreerd met daklijsten, plinten en versierde vensters. Er komen veel lijstgevels voor, maar ook top-, trap- en klokgevels. Belangrijk voor het karakteristieke beeld van het historisch centrumgebied is de grote harmonie in gevelcomposities. Deze is vooral te danken aan het overheersende ritme van de muuropeningen, dat zowel over grote als kleine panden doorgaat (primaire architectonische geleding). Vooral in Geertruidenberg vormt het historisch stadsgebied een waardevol element in het huidige beeld met een hoge belevingswaarde. Het vormt de context van veel objecten Een aantal belangrijke gebouwen in Geertruidenberg heeft een beeldbepalende functie. Naast de kerk zijn dit het voormalige raadhuis, de Markt- en de Havenkazerne, het Arsenaal en het cultureel centrum De Schattelijn. In Geertruidenberg is de openbare ruimte historiserend van karakter met volgroeide leilinden, historische bestrating en passend straatmeubilair. In Raamsdonksveer is de openbare ruimte meer op praktisch gebruik ingericht, met een gecombineerd gebruik van asfalt gebakken materiaal en betonverharding. Detailaspecten: Materiaal, detaillering en kleur De gevels zijn in de meeste gevallen opgetrokken in baksteen, de meeste daken zijn gedekt met pannen. De detaillering van de bebouwing is zeer divers, ornamenten (aparte rollagen, metseltechnieken, luiken en dergelijke) komen voor. Er is overwegend gebruik gemaakt van sobere, rustige en donkere kleuren. Het gebruik van natuurlijke materialen staat voorop. Waardering en dynamiek; achtererfgebied soms welstandsvrij Behalve in geval van situering in beschermd stadgezicht en/of op een perceel waarop een moment of beeldbepalende zaak staat, is het achtererfgebied bij dit bebouwingstype welstandsvrij. Bij bouwactiviteiten op een perceel waarop een monument/beeldbepalende zaak staat, gelden de algemene welstandscriteria aanvullend op de gebiedscriteria in de zin zoals vermeld in paragraaf 3.8 en hoofdstuk
  2. Het totaalbeeld van de bebouwing in relatie tot de omgeving, maar ook de bebouwing op zich is uit cultuurhistorisch oogpunt van grote waarde. Hierin is de ontstaansgeschiedenis van Geertruidenberg en Raamsdonksveer afleesbaar. Naast het algehele beeld zijn ook de individuele panden cultuurhistorisch van waarde en dient er dus ook op detailniveau zorgvuldig met nieuwe ontwikkelingen te worden omgesprongen. Weliswaar is de bebouwing vaak zeer divers van aard, maar doordat het beeld organisch is gegroeid, vallen dissonanten onmiddellijk op als storend element. De historische binnenstad van Geertruidenberg en het centrum van Raamsdonksveer zijn uit cultuurhistorisch, architectonisch en stedenbouwkundig oogpunt van belang. Vergelijkenderwijs verdient de bebouwing een relatief hoog welstandsniveau, waarvoor ook de openbare ruimte in aanmerking komt. Vandaar dat dit bebouwingstype valt onder gebieden met een uitgebreide toets. In historische dorpsgebieden is meestal sprake van een matige dynamiek. Het gaat daarbij om overwegend om functieverandering van panden (gebruik als winkel, horecapand, dienstverlening etc.) om schaalvergroting en verdichting van de bebouwing. Ook de behoefte aan presentatie van bedrijven en faciliteiten voor bezoekers en bedienend verkeer zijn aanleiding om veranderingen aan gebouwen, op erven of op de openbare weg aan te brengen. Deze veranderingen doen zich geleidelijk en incidenteel voor, maar kunnen op den duur tot ingrijpende en onbedoelde verandering van het bebouwingsbeeld leiden. Voor dit bebouwingstype zijn navolgende gebiedsgerichte criteria van toepassing. Gebiedscriteria Op plekken waar in het verleden panden gerealiseerd zijn met de kenmerken van een andere architectuurperiode, zijn de kenmerken van deze architectuurperiode bij verbouw en/of renovatie uitgangspunt bij de beoordeling van plannen, zodat hierdoor de essentie van de bestaande architectuur gehandhaafd blijft. Hoofdaspecten: Bebouwing en omgeving De karakteristiek van de bebouwing dient aan te sluiten op de karakteristiek van de omliggende historische bebouwing. De karakteristiek van de bebouwing uit zich onder andere in de bouwmassa, de kapvorm, de mate van detaillering, het kleur- en materiaalgebruik en de variatie daartussen. De huidige mate van geslotenheid is leidend voor veranderingen. De situering of wijziging van de bouwmassa en/of de oriëntatie mag het historische straatbeeld niet verstoren. De diversiteit in gevelwanden staat in relatie met de karakteristiek en de ontstaansperiode (van de bebouwing) van de omgeving. Deze diversiteit moet behouden blijven. Het wisselende bebouwingsbeeld van herkenbare individuele panden is uitgangspunt. Bebouwing, die qua schaal sterk afwijkt van de bebouwing in de omgeving, is niet gewenst. De bestaande samenhang, afwisseling en vormgeving van de kappen in de omgeving dient gehandhaafd te blijven. Nieuwe, herkenbaar eigentijdse invullingen of toevoegingen dienen te passen bij het bestaande karakter en geïnspireerd te zijn op de bestaande historische bebouwing. Deelaspecten: Massaopbouw, gevel en onderdelen Bij een aanpassing of wijziging van de bebouwing dient zorgvuldig omgegaan te worden met de historische en cultuurhistorische waarde van de bebouwing. De bestaande hoofdvorm en bouwmassa zijn leidend bij veranderingen. Samenvoeging van bouwmassa’s is ongewenst. De oorspronkelijke parcellering moet herkenbaar blijven. Kortom: De bebouwingseenheden dienen individueel herkenbaar te blijven. De positionering en uitstraling van bijbehorende bouwwerken dient overeenkomstig de gebiedskarakteristiek te worden weergeven en dient ondergeschikt te zijn aan de hoofdvorm. Traditionele kapvormen zijn uitgangspunt. Bij panden, die een stedenbouwkundig geheel vormen, dienen toevoegingen per pand ondergeschikt te zijn aan de hoofdstructuur en de ritmiek van het geheel. Ingrepen op begane-grondniveau mogen de harmonie van de individuele gevel als geheel niet verstoren. De oorspronkelijke kapsituatie en de oorspronkelijke bouwvorm moeten leesbaar blijven bij verandering aan de bouwmassa. De oorspronkelijke gevelopbouw en traditionele indeling van de gevels dienen gerespecteerd te worden. De voorgevel van de hoofdmassa dient gericht te zijn op de openbare ruimte, waarbij de hoofdgebouwen met een representatieve gevel gericht dienen te zijn op deze openbare ruimte. Detailaspecten: Detaillering, kleur en materiaal De oorspronkelijke ornamenten en detailleringen in de gevel dienen herkenbaar en zinvol te blijven. Bij verbouwing en renovatie dient zorgvuldig omgaan te worden (herstel, interpretatie of reactie) met de ornamentiek zoals: overstekken, daklijsten, siermetselwerk, lijsten en speklagen en de specifieke detaillering van gevelopeningen, balkonhekken, deurluifels en dergelijke. De hoofdkleurtoon en het overwegend materiaalgebruik dienen afgestemd te zijn op de karakteristiek van het individuele pand en de omgeving, waarbij het gebruik van gedekte kleuren en natuurlijke materialen voorop staat. Het bestaande materiaal- en kleurgebruik is het uitgangspunt. Afwijkingen hiervan zijn mogelijk, mits passend binnen de karakteristiek van het individuele pand en de omgeving. Kunststof en plaatmaterialen zijn niet toegestaan, tenzij in verschijningsvorm vergelijkbaar met traditionele materialen. Bij monumentale en beeldbepalende panden is de toepassing van kunststof beplating voor boeiborden en dergelijke ongewenst. Het gebruik van heldere, felle en contrasterende kleuren is niet toegestaan. Veranderingen in materiaal- en kleurgebruik van de individuele bebouwing dient in relatie te staan met de gevelwand als geheel. De materialisering, detaillering en het kleurgebruik van bijbehorende bouwwerken dient in relatie te staan tot die van het hoofdgebouw. Reclamerichtlijnen: Algemeen Gelet op de karakteristiek van de betreffende gebieden (het min of meer dorpse karakter) dienen reclamevoeringen qua hoeveelheid, afmetingen, kleurstellingen en vormgeving terughoudend te zijn en het karakter van deze gebieden te respecteren. Bij de beoordeling van reclame wordt ervan uitgegaan dat deze technisch, reclametechnisch en visueel optimaal wordt aangepast aan het gebouw en ingepast in de omgeving. De attentiewaarde dient meer op het stedenbouwkundig-architectonische ensemble te liggen dan op alleen de commerciële reclamekant. Bij reclame moet sprake zijn van integratie in de architectuur van het pand. Aan de kwaliteit van het pand mag geen afbreuk worden gedaan. Bij nieuwbouw en/of verbouw moet in het ontwerp worden aangegeven waar de ontwerper reclames mogelijk acht, rekening houdend met de criteria Reclame moet een functionele relatie met het betreffende pand hebben. Verwijzen naar een elders gelegen bedrijf of winkel is niet toegestaan. Een reclame moet zich als een bescheiden en terughoudend vormgegeven toevoeging aan een pand presenteren, hetgeen geldt voor de grootte, vorm en materialisering. Productenwerving of presentatie op doeken die gespannen zijn tussen metalen frames op gevels van gebouwen zijn niet toegestaan. Per pand mogen in beginsel slechts twee reclame-uitingen worden aangebracht; één vlak tegen de gevel en één als uithangbord, banier of lichtreclame die loodrecht op de gevel staat. Hoekpercelen kunnen aan beide gevels reclame voeren. Reclames bovenop luifels, daken, gebouwen, dakgoten of dienovereenkomstige bouwdelen zijn niet toegestaan. Een huisstijl van een onderneming of gestandaardiseerde reclame is alleen toegestaan, indien deze voldoet aan de in deze nota gestelde eisen. Enkelzijdige lichtbakken zijn niet toegestaan, tenzij deze zijn geïntegreerd in het pui-ontwerp. Verticaal gerichte, bewegende of knipperende reclames zijn niet toegestaan. Als uitgangspunt is het onderstrepen van teksten en benadrukken van de winkellengte door een licht- of neonlijn niet toegestaan. In gebieden met een overwegende woonbestemming dienen reclames achterwege te blijven, omdat zij de visuele rust van de omgeving verstoren. Een uitzondering hierop vormen woningen met een praktijkruimte. In deze gevallen is een beperkte naams- of beroepsaanduiding mogelijk. Reclamerichtlijnen: Reclame tegen de gevel Handelsreclame tegen de gevel moet passen binnen de zone tussen de onderpui en verdiepingramen en moet in een goede verhouding tot de gevel en de omgeving staan. Reclames mogen niet boven de onderkant van de raamdorpels van de verdiepingskozijnen uitkomen. Bij reclames bestaande uit losse belettering zijn twee- of meerregelige teksten niet toegestaan. Reclames mogen niet in of nabij de perceelsgrenzen worden aangebracht, maar dienen bij voorkeur nabij de hoofdingang van een gebouw te worden aangebracht. Reclamerichtlijnen: Uitstekende reclame Handelsreclame welke haaks op de gevel is geplaatst mag niet meer dan 0,8 m uit de gevel steken, met een maximale breedte van 0.6 m, een maximale hoogte van 0,6 m en een maximale dikte van 0,3 m. Reclames mogen niet boven de onderkant van de raamdorpels van de verdiepingskozijnen uitkomen en mogen niet bevestigd worden aan erkers of balkons. De minimale doorgangshoogte onder uitstekende reclames dient 2.3 meter te bedragen. Reclamerichtlijnen: Vlaggen Het gebruik van vlaggen, vaandels, wimpels of banieren is beperkt tot één per 4 m gevelbreedte van het pand met een maximale vlagomvang van 150 x 75 cm, en een maximale banieromvang van 180 x 60 cm. Vlaggenstokken moeten bevestigd worden onder de vloer van de eerste verdieping, banieren onder de bovendorpel van de kozijnen op de eerste verdieping. Banieren mogen maximaal 0,8 m uit de gevel steken. Reclamerichtlijnen: Andere aspecten Kokers uitsluitend bestemd voor het opbergen van elektrische leidingen en andere hulpconstructies die voor het bevestigen van reclames zijn bedoeld dienen geschilderd te worden in de kleur van het gevelvlak, waartegen de reclame wordt aangebracht. Bij nieuwbouw aan en verbouwing van bestaande panden dienen de elektrische leidingen ten behoeve van de reclame onzichtbaar te worden aangebracht. Reclame op zonweringen is slechts beperkt toegestaan, op de volant of op het onderste segment van de markies, met een maximale hoogte van 0,15 m, bij voorkeur nabij de toegangsdeur. 6.1.2 Historische bebouwingslinten (H2) Waar is dit bebouwingstype van toepassing? Dit bebouwingstype is van toepassing voor de bebouwing langs de oude radiaalwegen naar het dorpscentrum van Raamsdonksveer (Keizersdijk, Maasdijk, Prins Hendrikstraat, Wilhelminalaan, Grote Kerkstraat) en voor de bebouwing langs alle historische wegen in Raamsdonk. In Geertruidenberg is dit bebouwingstype niet van toepassing. Hoofdaspecten: bebouwing en omgeving Historische bebouwingslinten zijn vaak ontstaan als bebouwingsconcentraties langs historische verbindingswegen. Door een langdurig proces van verdichting zijn ze langzaam aaneengegroeid. De bebouwing is perceelsgewijs tot stand gekomen waardoor een wisselend straatbeeld is ontstaan. Slechts incidenteel is een beperkte herhaling van een woningtype aanwezig, waarbij kleinschalige en grootschalige bebouwing elkaar afwisselen. De kavels zijn veelal smal en diep. De hoofdbebouwing is direct aan de ontsluitingsweg gelegen en richt zich hierop. De rooilijn is dikwijls individueel bepaald en hierdoor verspringend. De bebouwingsstructuur is overwegend open, met veel doorzichten naar het achterliggende gebied. Vaak zijn nog onbebouwde percelen in gebruik als weiland of moestuin. Bergenstraat Schansstraat De openbare ruimte, de straat en de begeleidende bomen enerzijds en anderzijds de voortuinen of de aanstrating en stoep zijn bepalend in het straatbeeld en zorgen voor de samenhang. Hierdoor vormen de perceelsgewijze, individuele invullingen één straatwand, terwijl ze onderling van elkaar verschillen in hoogte, afmetingen, materialen, details en kleuren. De kavels hebben vaak diepe achtertuinen en voortuinen die in diepte variëren. Het straatbeeld wordt bepaald door hoofdgebouwen. Aanbouwen en bijgebouwen staan op het erf en zijn meestal niet of nauwelijks zichtbaar vanaf de openbare ruimte. De aanbouwen en bijgebouwen onderscheiden zich duidelijk van de hoofdgebouwen. Ze zijn veelal kleiner en lager dan de hoofdgebouwen. Woningen, kleine ambachtelijke werkplaatsen, winkels, horeca en boerderijen zijn de diverse functies die je aantreft in de historische gebieden en de lintbebouwing. Soms heeft een functieverandering plaatsgevonden. Als dit heeft plaatsgevonden met behoud van de oorspronkelijke bebouwingsmassa wordt dit niet als storend ervaren. In de bebouwingslinten is er een grote diversiteit aan bouwstijlen. Dit wordt onder meer veroorzaakt doordat in de loop der tijden de open ruimten tussen de bebouwing zijn bebouwd. Nieuwe ontwikkelingen komen dan ook vaak voor in de linten en hebben geen historische waarde. Gezien het individuele karakter van de bebouwing voegen deze nieuwe ontwikkelingen zich echter eenvoudig in het straatbeeld. Bij de toetsing is de relatie met de historische context van belang en dit belang weegt zwaarder dan de detaillering van het individuele pand. Deelaspecten: massaopbouw, gevel en onderdelen De bebouwing in de historische bebouwingslinten is divers van karakter, ook door de geleidelijke verdichting van de linten. Er is sprake van eenheid binnen de verscheidenheid. De gebouwen zijn individueel ontworpen en dateren uit verschillende tijdsperioden. De bebouwing bestaat overwegend uit één tot twee lagen met een kap. Kenmerkend is dat er niet één goothoogte voorkomt, maar de goothoogte verschilt per pand. Daarnaast komen diverse kapvormen voor zoals een zadeldak (met wolfseind) en mansardekap. Soms is er sprake van intensievere bebouwing richting het centrum. De percelen zijn hier smaller en de bebouwing hoger. Molenstraat Grote Kerkstraat Detailaspecten: detaillering, kleur en materiaal De gevels zijn in de meeste gevallen opgetrokken uit baksteen, soms gestuukt, het dak is bedekt met riet of pannen. De kleur van de gevels is in hoofdzaak rood, maar ook zandkleurige stenen komen voor. De daken zijn vaak voorzien van rode of gesmoord blauwe dakpannen. De detaillering van de bebouwing is divers en afhankelijk van de ontstaansperiode. Veelal zijn bij recent gebouwde woningen wel details opgenomen, zoals die bij (oudere) woningen aan het lint voorkomen. Men treft diverse ornamenten, detailleringen in het metselwerk (strek- en rollagen) en diverse gevelbeëindigingen aan. Kenmerkend is het contrast tussen de kleur van het metselwerk en die van de kozijnen. Het kleur- en materiaalgebruik van kozijnen en draaiende delen is ingetogen en traditioneel. Vaak zijn deze in hout uitgevoerd en (wit) geschilderd. Waardering en dynamiek; achtererfgebied soms welstandsvrij Behalve in geval van situering op een perceel waarop een monument of beeldbepalende zaak staat en mits het bouwperceel niet g

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.