← Nederland

Beleidsplan maatschappelijke ondersteuning 2012 t/m 2015 "Samen voor elkaar!" (Wageningen)

In het kort

Dit beleidsplan beschrijft de doelstellingen voor maatschappelijke ondersteuning in Wageningen voor de periode 2012-2015, inclusief beleid op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het richt zich op het bevorderen van deelname aan de samenleving voor alle inwoners, met speciale aandacht voor kwetsbare personen.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Beleidsplan maatschappelijke ondersteuning 2012 t/m 2015 "Samen voor elkaar!"

  1. Inleiding Voor u ligt het Beleidsplan maatschappelijke ondersteuning 2012 t/m 2015 “Samen voor elkaar!”. In dit plan vindt u de doelstellingen voor het brede beleidsveld maatschappelijke ondersteuning, waaronder het beleid op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). “Samen voor elkaar!” is de opvolger van het beleidsplan “Oog voor elkaar”, in welk plan het Wmo-beleid voor de periode 2008-2011 staat weergegeven. Daarnaast wordt met dit beleidsplan richting gegeven aan verschillende beleidsterreinen, waarvoor het college in de afgelopen beleidsperiode nota’s of actieplannen heeft vastgesteld 1 Namelijk: de beleidsnotaWijkgericht werken "Anders bekeken"2008-2012, het actieplan gehandicapten "Oog voor participatie" 2010-2014, het actieplan Lokaal Gezondheidsbeleid 2007-2010 en het actieplan jeugd "En...Actie!"2009-2013.. Waar nodig worden deze nota’s en actieplannen, op grond van dit beleidsplan, in de periode 2012-2015 bijgesteld of vervangen. Dit beleidsplan is tot stand gekomen in samenwerking met de stad. Tijdens verschillende bijeenkomsten hebben de samenwerkingspartners op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, evenals inwoners, hun bijdragen geleverd in de vorm van behoeftebepaling en prioritering van de doelstellingen. Daarbij heeft men ook aangegeven welke doelstellingen door de inwoner(s) kunnen worden gerealiseerd, welke door de samenwerkende partners en welke door de gemeente. Het college heeft deze bijdragen zeer gewaardeerd en is van mening dat de inzet van de stad in belangrijke mate heeft bijgedragen aan het leggen van een stevige basis voor het beleid maatschappelijke ondersteuning voor de komende periode. In de volgende paragrafen worden de achtergronden van en randvoorwaarden voor het nieuwe beleid besproken. Samen met hoofdstuk 4, waarin de gemeentelijke visie op maatschappelijke ondersteuning wordt weergegeven, biedt dit hoofdstuk daarmee het kader voor de vormgeving van het beleid in hoofdstuk 5 tot en met
  2. 1.1 Maatschappelijke ondersteuning Meedoen van alle inwoners mogelijk maken en bevorderen, uitgevoerd in samenwerking tussen de gemeente en de stad… Dat is de uitdaging voor het brede beleidsveld maatschappelijke ondersteuning. Meedoen is ook het maatschappelijke doel waar de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zich op richt. Dat meedoen geldt voor iedereen, jong en oud, ongeacht zijn maatschappelijke of economische positie, ongeacht of iemand beperkingen ondervindt of niet. Het beleid maatschappelijke ondersteuning richt zich op inwoners van Wageningen die om wat voor redenen dan ook niet op eigen kracht kunnen meedoen. Oftewel: mensen die zich binnen de samenleving in een kwetsbare positie bevinden (of daarin dreigen te komen) en daardoor belemmeringen ervaren bij het meedoen. Het beleid maatschappelijke ondersteuning is er op gericht mensen in een (dreigende) kwetsbare positie te ondersteunen in hun bijdrage aan de samenleving, hun zelfredzaamheid te behouden of te herstellen en hen toe te rusten om maatschappelijk te participeren. Het vertrekpunt is dat mensen onderling meer kunnen betekenen voor kwetsbare inwoners. De gemeente zet hierbij in op een actieve sociale omgeving: in eerste instantie wordt ruimte geboden aan particulier initiatief om elkaar te ondersteunen. Als inwoners en hun omgeving het niet zelf kunnen, kunnen zij geholpen worden door de maatschappelijke organisaties in de stad. Waar ook deze mogelijkheid niet aanwezig of toereikend is, heeft de gemeente de verantwoordelijkheid de benodigde ondersteuning te organiseren. Dat organiseren gebeurt waar mogelijk in samenwerking met de stad: inwoners, maatschappelijke partners en private partijen. De gemeente is hierbij de regiehouder, die regelt dat de vereiste ondersteuning wordt uitgevoerd. De Wmo benoemt negen prestatievelden, waarop van de gemeente inspanningen worden verwacht (zie bijlage I). Kort samengevat moeten gemeenten op grond van de Wmo prestaties leveren die te maken hebben met: • het bevorderen van de sociale samenhang; • het ondersteunen van: jongeren met problemen met opgroeien en van ouders met problemen met opvoeden; mantelzorgers; vrijwilligers; • informatie & advies en cliëntondersteuning; • het bevorderen van de maatschappelijke participatie en zelfredzaamheid van kwetsbare doelgroepen; • het verlenen van voorzieningen (compensatieplicht, zie de toelichting in paragraaf 1.4 onder het kopje “verplichtingen”); • het bieden van maatschappelijke opvang; • het bevorderen van openbare geestelijke gezondheidszorg en verslavingsbeleid. Ten behoeve van een overzichtelijke indeling en een integrale aanpak is er voor gekozen om dit beleidsplan in te richten naar verschillende beleidsdomeinen, die zich richten op aspecten of doelgroepen van maatschappelijke ondersteuning bij participatie in de samenleving. De prestatievelden van de Wmo zijn deels herkenbaar als beleidsdomein (voorbeelden: ondersteuning bij opgroeien en opvoeden, ondersteuning vrijwilligerswerk en mantelzorg) en zijn deels opgenomen binnen verschillende beleidsdomeinen (voorbeelden: informatie&advies, verlenen van voorzieningen als middel om participatie mogelijk te maken). Om te voldoen aan de wettelijke plicht om de gemeentelijke doelstellingen per prestatieveld weer te geven, is in hoofdstuk 17 een samenvatting opgenomen van de doelstellingen per prestatieveld van de Wmo. Door het plan in te delen naar beleidsdomeinen is dit beleidsplan integraler en breder dan de Wmo voorschrijft. Zo wordt ook ingegaan op cultuur en sport als middel voor participatie. Samenvattend zijn de beleidsdomeinen van maatschappelijke ondersteuning: leefbaarheid/sociale veiligheid; opvoeden en opgroeien; ouder worden in Wageningen; minimabeleid/schuldhulpverlening; ondersteuning vrijwilligerswerk; ondersteuning mantelzorg; preventieve gezondheidszorg; participatie van gehandicapten; ondersteuning vluchtelingen; sport als middel voor participatie; cultuur als middel voor participatie. Bovengenoemde beleidsdomeinen leveren in onderlinge samenhang een bijdrage aan het doel van maatschappelijke ondersteuning: alle inwoners van Wageningen die zich in een kwetsbare positie bevinden of dreigen te komen en die zelf en/of binnen hun omgeving onvoldoende mogelijkheden vinden om mee te doen, in staat te stellen naar vermogen te participeren binnen de samenleving. 1.2Aanleiding voor herijking van het beleid maatschappelijke ondersteuning Met dit beleidsplan wordt enerzijds voldaan aan de verplichting op grond van de Wmo, om minstens één keer per vier jaar het beleid rond maatschappelijke ondersteuning vast te stellen. Anderzijds is met de ontwikkeling van het nieuwe beleid de kans gegrepen voor een herijking van het brede beleid maatschappelijke ondersteuning. Voor herijking van het beleid waren diverse redenen aanwezig. Achtereenvolgens worden hieronder toegelicht: het onderzoek van de Rekenkamer naar het Wmo-beleid, het landelijke programma Welzijn Nieuwe Stijl, het landelijke project De Kanteling, de te verwachten overheveling van de functie Begeleiding vanuit de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) naar de Wmo, de decentralisatie van de Jeugdzorg en maatschappelijke ontwikkelingen. Onderzoek Rekenkamer 2009 In 2009 heeft de Rekenkamer onderzoek uitgevoerd naar het Wmo-beleidsplan “Oog voor elkaar”. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de Rekenkamer geconstateerd dat de doelstellingen onvoldoende duidelijk en meetbaar geformuleerd zijn. In het plan ontbreken over het algemeen beoogde maatschappelijke effecten en concreet te behalen resultaten, waardoor onduidelijk is wat de gemeente precies wil bereiken met het beleid en hoe de resultaten geëvalueerd kunnen worden. Door versnippering van het beleid mist de gemeenteraad het overzicht over de uitvoering. Aan de conclusies van de Rekenkamer is bij de vormgeving van het nieuwe beleid zoveel mogelijk tegemoet gekomen. Eén van de aanpassingen is, dat dit nieuwe beleidsplan niet is opgebouwd rond de prestatievelden van de Wmo, maar rond de diverse beleidsdomeinen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning. Hiermee wordt het overzicht over het brede beleidsveld en de integraliteit tussen de verschillende beleidsdomeinen bevorderd. In hoofdstuk 5 tot en met 15 worden per beleidsdomein de doelstellingen van het beleid weergegeven, met daarbij de gewenste resultaten (beoogde maatschappelijke effecten) en de wijze waarop de resultaten worden geëvalueerd. Ook wordt duidelijk gemaakt tussen welke doelstellingen (ook van andere beleidsdomeinen) afhankelijkheidsrelaties bestaan. Dit plan vormt daarmee de basis voor de uitvoering van het brede beleidsveld maatschappelijke ondersteuning in de periode 2012-
  3. Welzijn Nieuwe Stijl De afgelopen jaren zijn de gemeenten bij de uitvoering van de Wmo nog niet volledig toegekomen aan het in de volle breedte benutten van de ruimte die deze wet biedt voor maatwerk, verbinden en integraliteit. Voorwaarden voor een succesvolle uitvoering van de Wmo zijn onder andere dat de (sturings)relatie tussen gemeenten en welzijnsorganisaties en de kwaliteit en professionaliteit van het welzijnswerk op orde zijn. Om op deze twee punten een verbeterslag te kunnen maken is het landelijke programma “Welzijn Nieuwe Stijl” gestart 2 Een project van het ministerie van VWS, Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en werkgeversorganisatie MOgroep Welzijn & Maatschappelijke Dienstverlening (W&MD). Bron: www.invoeringwmo.nl.. Welzijn Nieuwe Stijl richt zich op welzijnsaanbieders, maar ook op de gemeente als opdrachtgever. Doel is dat de aanbieders een welzijnsaanbod hebben dat is afgestemd op de visie van de gemeente en de vraag van de burger. Het gaat er om niet te sturen op producten, maar op resultaten en waar mogelijk op maatschappelijke effecten. Welzijn Nieuwe Stijl leidt er toe dat efficiënte ondersteuning geboden wordt, bijvoorbeeld door meer collectieve arrangementen aan te bieden. Het welzijnswerk is daarbij gericht op het versterken van het zelfregelend vermogen van de burger en het betrekken van de eigen sociale omgeving bij de ondersteuning. Meer efficiëntie ontstaat ook als de aanbieders van maatschappelijke ondersteuning en de aanbieders van bijvoorbeeld zorg meer samenwerken. Welzijn Nieuwe Stijl kent acht bakens (kenmerken). Deze geven richting aan de kwaliteitsontwikkeling van de welzijnssector, en zijn daarmee ook voor gemeenten in hun rol als opdrachtgever relevant. De acht bakens van Welzijn Nieuwe Stijl zijn: gericht op de vraag achter de vraag; gebaseerd op de eigen kracht van de burger; direct er op af; formeel en informeel in optimale verhouding; doordachte balans van collectief en individueel; integraal werken; niet vrijblijvend, maar resultaatgericht; gebaseerd op ruimte voor de professional. De Kanteling Welzijn Nieuwe Stijl houdt nauw verband met het project De Kanteling van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) 3 Bron: VNG-project De Kanteling, www.invoeringwmo.nl. .Doel van De Kanteling is om gemeenten te stimuleren om de compensatieplicht op grond van artikel 4, eerste lid Wmo op een nieuwe wijze vorm te geven, zodat mensen met een beperking betere kansen hebben om volwaardig mee te doen aan de samenleving. Bij de kanteling staan behoud van regie over het eigen leven en zelfredzaamheid voorop. Het eerste gesprek met de aanvrager wordt meer vraagverhelderend, minder beoordelend. Samen met de aanvrager wordt vastgesteld wat het resultaat van de ondersteuning moet zijn en welke oplossingen daaraan bijdragen. Het gaat dan lang niet altijd om individuele voorzieningen, ook met een algemeen aanbod kan het resultaat bereikt worden. Overheveling functie Begeleiding vanuit AWBZ naar Wmo In 2009 is de functie ondersteunende begeleiding op psychosociale grondslag overgeheveld van de AWBZ naar de Wmo. Nu is het plan dat ook de begeleiding voor mensen die zelfstandig in de thuissituatie wonen (extramurale begeleiding) vanuit de AWBZ overgaat naar de Wmo. Uit het regeerakkoord blijkt dat de gemeenten vanaf 2013 verantwoordelijk zijn voor nieuwe cliënten en vanaf 2014 voor alle cliënten. De begeleiding is bedoeld voor mensen met een lichamelijke-, zintuiglijke- of verstandelijke beperking, somatische aandoening, psychiatrische stoornis en psychogeriatrische problematiek (dementie). Mensen met een verblijfsindicatie vallen niet onder de overheveling. Het doel van de begeleiding is het behouden, bevorderen of compenseren van de zelfredzaamheid om opname of verwaarlozing te voorkomen. Concreet gaat het om activiteiten zoals woonbegeleiding, dagactiviteiten en -besteding, logeerhuizen, praktische pedagogische thuishulp etc.. De financiële middelen die hiervoor door het rijk worden vrijgemaakt, worden naar de gemeenten overgeheveld (met een efficiencykorting van 5%). Overheveling van de functie Begeleiding naar de Wmo heeft gevolgen voor het gehandicaptenbeleid, gezondheidsbeleid en ouderenbeleid van de gemeente Wageningen, welke beleidsdomeinen in dit beleidsplan zijn opgenomen. Uit cijfers van het zorgkantoor per 1 juli 2011 blijkt dat het voor Wageningen ongeveer 455 mensen betreft. Decentralisatie jeugdzorg In het regeerakkoord is tevens aangekondigd dat de jeugdzorg wordt gedecentraliseerd. De eerstestappen hiervoor moeten in de komende jaren worden gezet, de definitieve invoering is naar verwachting in 2018 met een overgangsfase die daaraan vooraf gaat. Het kabinet wil alle taken op het gebied van jeugdzorg overhevelen naar de gemeenten. De gemeente wordt dan verantwoordelijk voor preventief jeugdbeleid (dat ligt al grotendeels bij de gemeente), jeugd-GGZ 4 GGZ: geestelijke gezondheidszorg (zowel op grond van de AWBZ als van de Zorgverzekeringswet), provinciale jeugdzorg, gesloten jeugdzorg 5 Sommige jongeren hebben zulke ernstige gedragsproblemen dat ze een gevaar vormen voor zichzelf of voor anderen. Dan is het nodig om hen in een gesloten omgeving hulp te bieden. Die hulp krijgen ze in instellingen voor gesloten jeugdzorg. Dit is een vorm van hulp voor jongeren tot 21 jaar., jeugdreclassering, jeugd-bescherming en zorg voor jeugd met een licht verstandelijke beperking. Overheveling van de functie van de bureaus Jeugdzorg van provincie naar gemeenten betekent dat gemeenten de jeugdzorg regionaal – dus in onderlinge samenwerking – moeten gaan vormgeven. De financiële middelen die hiervoor door het rijk worden vrijgemaakt, worden naar de gemeenten overgeheveld (met een efficiencykorting). Decentralisatie van de jeugdzorg heeft gevolgen voor het jeugdbeleid en het gezondheidsbeleid van de gemeente Wageningen welke beleidsdomeinen in dit beleidsplan zijn opgenomen. Maatschappelijke ontwikkelingen Met betrekking tot het brede beleidsveld maatschappelijke ondersteuning speelt een aantal algemene ontwikkelingen, waarmee rekening moet worden gehouden bij het nieuwe beleid. Onderstaande opsomming heeft overigens niet de intentie volledig te zijn. Extramuralisering: ouderen en mensen met een beperking blijven zo lang mogelijk zelfstandig wonen. In de AWBZ wordt overgegaan op het 'scheiden van wonen en zorg'. Dit houdt in dat cliënten zelf de betaling van hun woonlasten (laten) regelen. Bewoners krijgen daardoor meer keuzevrijheid. Zij kunnen kiezen tussen kleiner wonen (en minder woonlasten), of groter wonen (met hogere lasten). Zorginstellingen kunnen daardoor meer rekening houden met de woonwensen van cliënten, bijvoorbeeld door de traditionele verzorgingstehuizen om te bouwen naar appartementen. Bij deze ontwikkeling speelt mee dat in Wageningen relatief veel alleenstaanden wonen. In relatie tot de extramuralisering kan dit leiden tot een grotere druk op de woonmarkt. Vergrijzing en ontgroening: het aantal ouderen en daarmee ook het aantal kwetsbare ouderen stijgt. Tegelijkertijd is sprake van een “onzichtbare ontgroening”: de geboortecijfers in Wageningen liggen al jaren lager dan de sterftecijfers. Deze ontwikkelingen leiden tot een grotere zorgvraag, met aan de andere kant in potentie minder verzorgenden. Het aandeel vitale, hoogopgeleide en rijkere ouderen neemt eveneens toe. Deze groep heeft in potentie meer mogelijkheden om voor zichzelf en anderen te zorgen. Individualisering: sociale contacten vinden sinds enige tijd niet meer vanzelfsprekend plaats binnen vaststaande verbanden, zoals de buurt. Er is meer keuzevrijheid om te kiezen met wie je om gaat, waardoor netwerken veelvormiger zijn en vaker wisselen van samenstelling. Dit betekent niet dat er geen sprake meer is van solidariteit tussen mensen, wel dat deze vooral tot uiting komt tussen familie, lotgenoten, vrienden en kennissen. Digitalisering en internet is niet meer weg te denken uit onze samenleving en biedt tal van kansen op het gebied van zorg, dienstverlening en sociaal verkeer. Er zijn ook bedreigingen, zoals kinderen en jongeren die veel achter de computer zitten en te weinig bewegen. Grotere arbeidsparticipatie: hoewel ook veel werkende mensen vrijwilligerswerk doen, is er een spanningsveld tussen de grotere arbeidsparticipatie (langer doorwerken, meer werkende vrouwen) en het doen van vrijwilligerswerk of het geven van mantelzorg. Grote diversiteit: de diversiteit aan culturen is in Wageningen zeer hoog en is van sterk wisselende samenstelling als gevolg van (tijdelijke) migranten, zoals buitenlandse studenten. Opvoedingsondersteuning: de huidige snelle en veeleisende maatschappij vraagt veel van kinderen en opvoeders. Veel ouders worstelen met de opvoeding en vallen hiervoor minder gemakkelijk terug op sociale verbanden (“opvoedingsverlegenheid”), waardoor er meer behoefte is aan opvoedingsondersteuning. Grotere verantwoordelijkheid van burgers: er komen meer taken op de gemeente af en tegelijkertijd is er minder financiële armslag. Deze ontwikkeling vraagt om nieuwe verhoudingen en afspraken tussen overheid, burgers en maatschappelijk veld. Burgers worden meer aangesproken als eigenaar van problemen en oplossingen en niet vanzelfsprekend als klant of cliënt. De hiervoor genoemde ontwikkelingen zijn onderdeel van het maatschappelijk kader waarbinnen het beleid maatschappelijke ondersteuning is vormgegeven. 1.3Randvoorwaarden: het Coalitieakkoord 2010-2014 “Samen anders de toekomst in” Het college van B&W van Wageningen heeft in zijn Coalitieakkoord 2010-2014 de volgende afspraken opgenomen die verband houden met het beleidsveld maatschappelijke ondersteuning. Er dient voor gezorgd te worden dat bezuinigingen op maatschappelijk gebied voor de minst draagkrachtigen worden opgevangen. Het college wil voorkomen dat deze bevolkingsgroep wordt uitgesloten van maatschappelijke participatie doordat zij niet meer kan deelnemen aan voorzieningen. Het college verruimt het minimabeleid naar 130% van de bijstandsnorm. De gemeente geeft actief invulling aan haar rol als kansenmakelaar en werkt daarbij samen met alle maatschappelijke partners. Het dienstverleningsniveau van Wmo en uitgaven aan armoedebeleid gaan in de komende coalitieperiode niet omlaag. Gewerkt wordt aan de vaststelling van een armoedepact waarin maatschappelijke organisaties een actieprogramma en samenwerkingsstructuur realiseren om armoede te signaleren en te doorbreken onder de regie van de gemeente. De gemeente gaat wijkgericht werken verder uitbouwen. Burgers krijgen meer invloed op en verantwoordelijkheid voor de eigen leefomgeving. De gemeente ondersteunt buurtinitiatieven die het welzijn, de cohesie en de leefomgeving in de wijk ten goede komen en stelt daartoe budget beschikbaar. Het college kiest ervoor om in Wageningen geen asielzoekers in de kou te laten staan zolang de landelijke overheid niet zorgt voor een sluitende aanpak waardoor opvang gerealiseerd wordt. In de volgende programmabegroting wordt daarvoor structureel geld geregeld. Sport en beweging ziet het college als een belangrijke investering in de sociale samenhang van de stad. Cultuur heeft een belangrijke waarde in zichzelf en speelt bovendien een grote rol bij participatie en emancipatie van burgers. Bovengenoemde uitgangspunten vormen in principe de randvoorwaarden voor het nieuwe beleid maatschappelijke ondersteuning. 1.4 Financiering van het beleid maatschappelijke ondersteuning Dit beleidsplan wordt uitgevoerd per (uiterlijk) 1 januari
  4. Het jaar 2012 wordt gebruikt om samen met de partners in de stad de uitvoering voor te bereiden. Voor de uitvoering van de Wmo is een niet-geoormerkt bedrag toegevoegd aan het gemeentefonds. De gemeente ontvangt dit bedrag als onderdeel van de algemene uitkering. Het rijk heeft voor deze systematiek gekozen om de gemeenten maximale beleidsvrijheid te geven bij inrichting en uitvoering van de Wmo. In deze paragraaf wordt achtereenvolgens ingegaan op de bezuinigingen op het brede beleidsveld maatschappelijke ondersteuning, de bezuiningsopdracht op het gebied van de Wmo-voorzieningen, de verplichtingen waar de gemeente mee te maken heeft en tot slot op de consequenties voor de realisatie van de doelstellingen. Bezuinigingen brede beleidsveld maatschappelijke ondersteuning Zoals voor de gehele gemeentelijke begroting geldt, is het budget voor uitvoering van het beleid maatschappelijke ondersteuning onderwerp van bezuinigingen. De gemeente Wageningen wordt – als alle gemeenten – geconfronteerd met een daling van rijksbijdragen, wat noodzaakt tot een forse inperking van de uitgaven. Op grond van de Kadernota 2011, zoals op 21 juni 2011 vastgesteld door de gemeenteraad, worden over het brede beleidsveld maatschappelijke ondersteuning (in de Kadernota: programma sociale cohesie en voor wat betreft het minimabeleid programma werk en inkomen) in de periode 2012-2015 de volgende bezuinigingen en begrotingswijzigingen doorgevoerd. 2012 2013 2014 2015 verhoging budget Regiotaxi (verlaging Provinciale bijdrage) - € 100.000 € 100.000 € 100.000 structurele voortzetting tijdelijk gefinancierde Wmo-projecten € 500.500 € 500.500 € 500.500 € 500.500 begrotingsafwijking schuldhulpverlening € 90.000 € 90.000 € 90.000 € 90.000 begrotingsafwijking hulp bij het huishouden € 300.000 € 300.000 € 300.000 € 300.000 begrotingsafwijking minimabeleid -€ 40.000 -€ 40.000 -€ 40.000 -€ 40.000 begrotingsafwijking ondersteunende begeleiding -€ 175.000 -€ 175.000 -€ 175.000 -€ 175.000 efficiencyvoordeel fusie Solidez en Vilente Welzijn - -€ 150.000 -€ 150.000 -€ 150.000 aanbesteding hulpmiddelen -€ 75.000 -€ 120.000 -€ 150.000 -€ 150.000 toegankelijkheid Wmo-voorzieningen verminderen en invoeren eigen bijdrage Wmo-voorzieningen (prestatieveld 6) -€ 150.000 -€ 350.000 -€ 350.000 -€ 350.000 bezuiniging Regiotaxi - -€ 100.000 -€ 100.000 -€ 100.000 beëindigen maatwerk logopedie - -€ 12.500 -€ 25.000 -€ 37.500 Verlaging budget maatschappelijke stages -€ 20.438 -€ 20.387 -€ 20.362 -€ 20.362 Bezuinigingen sociale cohesie algemeen -€ 100.000 -€ 350.000 -€ 350.000 -€ 350.000 Totaal bezuinigingen maatschappelijke ondersteuning € 330.062 - € 327.387 - € 369.862 - € 382.362 In het totale budget voor maatschappelijke ondersteuning voor het jaar 2011 ad € 9.717.146,= is een bedrag ad € 613.000,= opgenomen voor eenmalig gefinancierde Wmo-projecten. Deze projecten lopen af, waardoor het totaalbudget per jaar ten opzichte van 2011 met € 613.000,= afneemt. Gecombineerd met de bedragen zoals in bovenstaande tabel opgenomen, betekent dit dat het budget voor maatschappelijke ondersteuning ten opzichte van 2011 afneemt met de volgende bedragen: 2012: € 282.938,=; 2013: € 940.387,=; 2014: € 982.862,=; 2015: € 995.362,=. Rekening houdende met de genoemde bezuinigingsopdrachten en het feit dat de uitvoering van dit beleidsplan (uiterlijk) per 1 januari 2013 plaatsvindt, is per uitvoeringsjaar beschikbaar voor het brede beleidsveld maatschappelijke ondersteuning, inclusief de Wmo-voorzieningen (prestatieveld 6): 2013: € 8.776.759,=; 2014: € 8.734.284,=; 2015: € 8.721.784,=. Toelichting bezuinigingsopdracht Wmo-voorzieningen (prestatieveld 6) In het kader van de opdracht aan het college om een bezuiniging te realiseren op het brede beleidsveld maatschappelijke ondersteuning, worden de mogelijkheden onderzocht om in totaal € 450.000,= te bezuinigen op de uitvoering van prestatieveld 6 van de Wmo, namelijk op toegankelijkheid van de Wmo-voorzieningen en op het georganiseerd vervoer (Regiotaxi). Ter vergelijking: de begroting voor prestatieveld 6 bedroeg in 2011 ruim 4 miljoen euro per jaar. De Wmo-voorzieningen worden beschouwd als een onderdeel van het instrumentarium voor de diverse beleidsdomeinen op het terrein van maatschappelijke ondersteuning. Deze voorzieningen zijn om die reden niet als apart beleidsdomein in deze notitie opgenomen. Het onderzoek naar de bezuinigingsmogelijkheden wordt uitgevoerd in de tweede helft van
  5. Het onderzoek zal uiteindelijk leiden tot een voorstel aan de gemeenteraad om de Wmo-verordening aan te passen en een voorstel aan het college van B&W om het verstrekkingenbeleid aan te passen. Verplichtingen De beleidsvrijheid van de gemeente wordt voor een deel ingeperkt door de compensatieplicht op grond van artikel 4, eerste lid Wmo: ter compensatie van de beperkingen die een persoon ondervindt op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie met betrekking tot prestatievelden 4, 5 en 6, moet het college van B&W voorzieningen treffen die de persoon in staat stellen: • een huishouden te voeren; • zich te verplaatsen in en om de woning; • zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel; • medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale contacten aan te gaan. Momenteel is een wetsvoorstel in voorbereiding om de compensatieplicht uit te breiden met het bieden van ondersteuning, zodat een burger dagelijkse levensverrichtingen kan uitvoeren en het persoonlijke leven kan structureren en daarover regie kan voeren 6 Zie ook paragraaf 1.2 “overheveling functie begeleiding vanuit AWBZ naar Wmo”.. Naast de wettelijke compensatieplicht, te betalen uit de algemene uitkering, is (nog) geen sprake van geoormerkte Wmo-gelden. Er liggen echter wel andersoortige verplichtingen: budgettaire verplichtingen, zoals de verplichtingen die samenhangen met KSB-projecten 7 De huidige KSB-projecten lopen tot en met
  6. De provincie blijft investeren in het KSB-beleid voor de periode 2012-2015 door middel van KSB III. Zie ook paragraaf 5.1 onder het kopje “voorziene ontwikkelingen”.; contractuele verplichtingen, bijvoorbeeld op basis van regiocontracten of de contracten met leveranciers voor Wmo-voorzieningen; verplichtingen ten aanzien van gesubsidieerde instellingen op grond van de subsidieverordening; verplichtingen op grond van de gemeenschappelijke regeling Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (uitvoering van taken brandweer, rampenbestrijding en (publieke) gezondheidszorg. Prioritering doelstelling in relatie tot financiële mogelijkheden Zoals in hoofdstuk 16 wordt toegelicht, is na aftrek van de wettelijk verplichte uitgaven (waaronder de Wmo-voorzieningen op grond van prestatieveld 6) jaarlijks het volgende budget beschikbaar voor uitvoering van de doelstellingen op het brede beleidsveld maatschappelijke ondersteuning: 2013: € 3.747.124,= 2014: € 3.704.649,=; 2015: € 3.692.149,=. Bij de vormgeving van het beleid maatschappelijke ondersteuning is rekening gehouden met afname van de financiële mogelijkheden van de gemeente. Dit betekent dat kritisch is overwogen welke doelen de gemeente zich wil en kan stellen en wat de rolverdeling is tussen gemeente en de stad als het gaat om de uitvoering. Bij deze overweging is de stad betrokken: in twee verdiepingsbijeenkomsten hebben samenwerkingspartners en inwoners gezamenlijk alle doelstellingen voor de nieuwe beleidsperiode besproken en geprioriteerd in het licht van de beperking van de financiële mogelijkheden. Daarbij hebben zij ook aangegeven waar naar hun mening de verantwoordelijkheid ligt voor de uitvoering: de gemeente, de samenwerkingspartners in de stad, of de individuele inwoner c.q. collectief van bewoners. De resultaten van deze bijeenkomsten zijn per beleidsdomein verwerkt in hoofdstuk 5 tot en met
  7. In hoofdstuk 16 wordt het totale overzicht van de door de stad geprioriteerde doelstellingen gepresenteerd, met de benodigde budgetten voor de uitvoering, afgezet tegen het totale beschikbare budget per jaar. Voor de keuze welke doelstellingen worden uitgevoerd en welke niet, is uitgegaan van de prioritering. Uit het overzicht blijkt welke doelstellingen met het totale beschikbare budget kunnen worden gerealiseerd en welke doelstellingen (vooralsnog) niet. 1.5 Integraal beleid Het beleid maatschappelijke ondersteuning richt zich uitdrukkelijk op ondersteuning van inwoners in een (dreigende) kwetsbare positie én op het bevorderen van de sociale samenhang binnen de gemeente. Binnen het beleidsveld maatschappelijke ondersteuning worden diverse beleidsdomeinen onderscheiden, die in hoofdstuk 5 tot en met 15 aan bod komen. De beleidsdomeinen staan niet los van elkaar, maar houden onderling verband en vullen elkaar aan in het omvattende kader van maatschappelijke ondersteuning. Deze integrale denkwijze heeft zijn weerslag gevonden in de doelstellingen en in de wijze van uitvoering. Naast de integrale werkwijze bínnen het beleidsveld maatschappelijke ondersteuning, is sprake van een integrale aanpak van de vier overkoepelende beleidsvelden op het gebied van de lokale samenleving: maatschappelijke ondersteuning, arbeidsparticipatie, sport en cultuur. Voor elk van deze beleidsvelden is of wordt nieuw beleid ontwikkeld 8 De Kadernotitie Arbeidsparticipatie is vastgesteld door de gemeenteraad op 27 juni 2011; de beleidsnotitie sport wordt begin 2012 voorgelegd aan de gemeenteraad, de beleidsnotitie cultuur staat gepland voor 2013., met zorg voor de onderlinge samenhang. Basis voor het integrale beleid is de gemeenschappelijke visie op mens en maatschappij. Het uitgangspunt is dat we iedereen mee willen laten doen. Autonomie en verantwoordelijkheid zijn daarbij kernbegrippen. De visie op mens en maatschappelijk, met daaronder de visie op maatschappelijke ondersteuning, komt aan bod in hoofdstuk
  8. Daarin wordt ook ingegaan op de relatie tussen maatschappelijke ondersteuning en de beleidsvelden arbeidsparticipatie, sport en cultuur. Met dit Beleidsplan maatschappelijke ondersteuning “Samen voor elkaar!” willen we voldoen aan onze ambitie: samen maken we de stad, samen zijn we de stad!
  9. Leeswijzer In hoofdstuk 3 volgt een weergave van de wijze waarop de stad is betrokken bij de verdere ontwikkeling van het nieuwe beleid. In hoofdstuk 4 wordt de basis voor het beleid maatschappelijke ondersteuning gelegd, namelijk: de gemeentelijke visie op mens en maatschappij. Hieruit is de visie op maatschappelijke ondersteuning afgeleid. In dit hoofdstuk worden ook de kaders geschetst waarbinnen het beleid is vormgegeven. Hoofdstuk 5 tot en met 15 gaan in op de diverse domeinen van het beleid maatschappelijke ondersteuning. Achtereenvolgens: hoofdstuk 5: leefbaarheid/sociale veiligheid hoofdstuk 6: opvoeden en opgroeien hoofdstuk 7: ouder worden in Wageningen hoofdstuk 8: minimabeleid/schuldhulpverlening hoofdstuk 9: ondersteuning vrijwilligerswerk hoofdstuk 10: ondersteuning mantelzorg hoofdstuk 11: gezondheidsbeleid hoofdstuk 12: participatie van gehandicapten hoofdstuk 13: ondersteuning vluchtelingen hoofdstuk 14: sport als middel voor participatie hoofdstuk 15: cultuur als middel voor participatie Per hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de stand van zaken in de gemeente Wageningen op het betreffende beleidsdomein, de (geprioriteerde) doelstellingen, de gewenste resultaten, de uitvoering, de benodigde budgetten en de wijze waarop de resultaten worden geëvalueerd. Ook wordt inzichtelijk gemaakt tussen welke doelstellingen afhankelijkheidsrelaties bestaan. Aan het begin van elk hoofdstuk vindt u een korte inleiding, waarin de relatie tussen het betreffende beleidsdomein met de visie op maatschappelijke ondersteuning wordt gelegd. Met het voor het beleid maatschappelijke ondersteuning beschikbare budget, waarover u in hoofdstuk 16 een nadere toelichting vindt, kunnen (vooralsnog) niet alle doelstellingen worden gerealiseerd. Om deze reden zijn alle doelstellingen, samen met de stad 9 Tijdens de verdiepingsbijeenkomsten beleid maatschappelijke ondersteuning, zie hoofdstuk 3., geprioriteerd. In hoofdstuk 5 tot en met 15 zijn de doelstellingen per beleidsdomein op volgorde van prioritering weergegeven. Doelstellingen die (vooralsnog) met het totale voor het beleid maatschappelijke ondersteuning beschikbare budget niet kunnen worden gerealiseerd, zijn grijs gearceerd. Er is voor gekozen om ook deze doelstellingen in dit plan weer te geven, omdat gedurende de beleidsperiode budget vrij kan komen (bijvoorbeeld doordat de uitvoering van andere doelstellingen minder budget vraagt dan vooraf ingeschat) om nieuwe doelstellingen te realiseren. Hierbij zal de totale prioritering van alle doelstellingen, zoals weergegeven in de tabel in hoofdstuk 16, worden gevolgd. Hoofdstuk 16 biedt een samenvattend overzicht van alle doelstellingen in dit beleidsplan, op volgorde van prioritering en met de benodigde budgetten voor uitvoering. Tevens wordt in dit hoofdstuk een toelichting gegeven op het totale beschikbare budget voor uitvoering van dit beleidsplan. Uit dit hoofdstuk blijkt welke doelstellingen met het totale voor maatschappelijke ondersteuning beschikbare budget gerealiseerd kunnen worden en welke niet. Ook in dit hoofdstuk zijn de doelstellingen die (vooralsnog) niet kunnen worden gerealiseerd, grijs gearceerd. In hoofdstuk 17 worden de doelstellingen verdeeld over de prestatievelden van de Wmo. Hiermee wordt voldaan aan de wettelijke verplichting om in het beleidsplan aan te geven wat de gemeentelijke doelstellingen zijn op de negen prestatievelden. Tot slot wordt in hoofdstuk 18 kort ingegaan op de wijze waarop de gemeentelijke begroting wordt aangepast aan de nieuwe opzet van het beleid maatschappelijke ondersteuning. Bij dit plan zijn 3 bijlagen gevoegd. In bijlage I staan de prestatievelden van de Wmo uitgeschreven. In bijlage II vindt u per beleidsdomein een opsomming van behoeften. Deze opsomming is gebaseerd op verschillende onderzoeken en op de inbreng van de deelnemers aan de Startbijeenkomst beleid maatschappelijke ondersteuning, welke bijeenkomst op 17 maart jl. heeft plaatsgevonden. Tot slot staat in bijlage III een lijst met gebruikte afkortingen. Wellicht ten overvloede zij nog vermeld dat overal waar “hij” of “zijn” staat ook “zij” of “haar” dient te worden gelezen.
  10. Samen met de stad: draagvlak voor beleid Bij de ontwikkeling van het nieuwe beleid maatschappelijke ondersteuning heeft het college van B&W maatschappelijke instellingen, inwoners en gemeenteraadsleden betrokken. Zo is op 17 maart 2011 een Startbijeenkomst beleid maatschappelijke ondersteuning georganiseerd. Deze avond is druk bezocht, er waren meer dan 90 deelnemers. Tijdens de Startbijeenkomst is informatie verstrekt uit onderzoek en is een toelichting gegeven op het voorbereidingsproces voor het nieuwe beleid. Vervolgens is aan de deelnemers gevraagd wat zij voor behoeften zagen in de stad als het gaat om het brede veld van maatschappelijke ondersteuning. Deze avond leverde veel bruikbare informatie op voor het bepalen van de doelstellingen voor de komende periode. De resultaten van de Startbijeenkomst zijn verwerkt in bijlage 2 bij de Basisnotitie beleid maatschappelijke ondersteuning, welke notitie in mei is verstuurd naar de leden van de gemeenteraad, de leden van de Adviesraad Wmo en WI en naar de deelnemers aan de Startbijeenkomst. Op 26 mei en 1 juni 2011 zijn vervolgens Verdiepingsbijeenkomsten maatschappelijke ondersteuning georganiseerd, waarvoor wederom maatschappelijke instellingen, inwoners en raadsleden (de laatsten als toehoorder) waren uitgenodigd. Tijdens deze bijeenkomsten zijn aan de deelnemers meer dan 60 concept-doelstellingen voorgelegd. Deze concept-doelstellingen waren voorbereid door het team Beleid Samenleving van de gemeente, aan de hand van de behoeften zoals opgenomen in de Basisnotitie (zie ook bijlage II bij dit beleidsplan). De deelnemers aan de verdiepingsbijeenkomsten hebben in zeven groepen alle concept-doelstellingen besproken en geprioriteerd en tevens per doelstelling aangegeven waar naar hun mening de verantwoordelijkheid ligt voor de uitvoering: bij de gemeente, bij de samenwerkings-partners in de stad of bij de individuele inwoner c.q. collectief van inwoners. De resultaten van deze bijeenkomsten zijn verwerkt in hoofdstuk 5 tot en met 15 (per beleidsdomein) en in hoofdstuk 16 (totaal overzicht) van dit beleidsplan. Bij de verwerking van de resultaten van de verdiepingsbijeenkomsten is in aanmerking genomen dat de deelnemers weliswaar het overgrote deel van de beleidsdomeinen vertegenwoordigden, maar niet alle. Waar sprake was van doelstellingen die verband houden met samenwerkingspartners die niet aanwezig waren, zijn de uitkomsten van de prioritering gecorrigeerd. Dit was slechts bij enkele doelstellingen nodig. Tijdens de voorbereiding voor het nieuwe beleid maatschappelijke ondersteuning heeft de StichtingKlankbord GGZ een bijdrage geleverd door een mondelinge en schriftelijke reactie te geven op de uitgangspunten zoals opgenomen in de Basisnotitie. De aandachtspunten van de Stichting Klankbord GGZ zijn zoveel mogelijk verwerkt in het beleidsplan. De Adviesraad Wmo en WI geeft gevraagd en ongevraagd advies aan het college van B&W over zaken die de voorbereiding en uitvoering van het gemeentelijk beleid betreffen op – onder andere – het gebied van maatschappelijke ondersteuning. Gezien de belangrijke functie van de Adviesraad Wmo en WI voor het nieuwe beleid is zij gedurende de voorbereiding op verschillende momenten geïnformeerd over de voortgang en de voorlopige resultaten. Aan de Adviesraad Wmo en WI is verzocht om een advies te geven over het uiteindelijke plan. Ook aan de Cliëntenraad Werk en Bijstand is verzocht om een advies te geven, vooral gericht op hoofdstuk 8 (minimabeleid en schuldhulpverlening). De adviezen van beide adviesraden zijn voorgelegd aan het college van B&W. De adviezen welke het college heeft overgenomen zijn waar mogelijk verwerkt in het plan, dan wel worden betrokken bij de uitvoering van het plan. Op grond van de gemeentelijke Inspraakverordening is een inspraakprocedure gevolgd. Tijdens een Informatiebijeenkomst op 5 oktober 2011 zijn samenwerkingspartners en inwoners geïnformeerd over het plan en de inspraakprocedure. Op dezelfde dag is het concept-beleidsplan, met een toelichting op de inspraakprocedure, op de gemeentelijke website geplaatst. Inwoners zijn op de inspraakprocedure attent gemaakt door een aankondiging in de Stad Wageningen. De inspraakperiode is geëindigd op 1 november
  11. Drie instellingen hebben een zienswijze ingediend. De ontvangen zienswijzen en de reacties van het college op deze zienswijzen zijn opgenomen in het Verslag inspraakprocedure Beleidsplan maatschappelijke ondersteuning. Dit verslag is gepubliceerd via de gemeentelijke website. Het college is de deelnemers aan de Startbijeenkomst en de Verdiepingsbijeenkomsten maatschappelijke ondersteuning, de Stichting Klankbord GGZ, de Adviesraad Wmo en WI, de Cliëntenraad Werk en Bijstand en de inbrengers van zienswijzen op het plan zeer dankbaar voor hun bijdragen aan het nieuwe beleid. De inbreng uit de stad heeft ertoe geleid dat met dit beleidsplan een stevige basis is gelegd voor de komende beleidsperiode.
  12. Visie op maatschappelijke ondersteuning Dit hoofdstuk gaat in op de basis voor het beleid maatschappelijke ondersteuning: de gemeentelijke visie op mens en maatschappij. Hieruit is de visie op maatschappelijke ondersteuning afgeleid. In dit hoofdstuk wordt tevens de relatie gelegd met de overige “grote” beleidsvelden op maatschappelijk gebied: arbeidsparticipatie, sport en cultuur. 4.1 Visie op mens en maatschappij Het nieuwe beleid maatschappelijke ondersteuning past binnen de visie op mens en maatschappij van de gemeente Wageningen. Op dinsdag 8 maart 2011 heeft het college van Wageningen de visie op mens en maatschappij vastgesteld. Onze visie op mens en maatschappij is: elk mens kan zichzelf zijn in Wageningen; elke inwoner van Wageningen kan zoveel mogelijk haar of zijn eigen leven inrichten; elke Wageninger moet zelf de kansen kunnen pakken; de inwoners zijn zelf het beste in staat oplossingen te bedenken voor de eventuele problemen in hun directe leefomgeving die zich voordoen; alle inwoners samen vormen de unieke stad Wageningen, we herkennen en erkennen de unieke en internationale identiteit van Wageningen. Sociale duurzaamheid staat voorop. Sociale duurzaamheid gaat over het maken en onderhouden van de sociale verhoudingen die de gemeenschap toekomstbestendig maken. Een samenleving waarbij alle mensen nu en in de toekomst kunnen meedoen en niemand buitengesloten wordt. Een veerkrachtige samenleving met saamhorigheid en solidariteit. De zelfredzaamheid en het naar vermogen zelf regie voeren vinden wij een belangrijke waarde. Wij gaan uit van de eigen kracht van de Wageningers, alleen en samen. De gemeente respecteert de persoonlijke ruimte van de inwoners. Vanzelfsprekend zijn er grenzen aan de persoonlijke ruimte, want we leven samen in de stad Wageningen. De centrale missie in de gemeentelijke visie ziet er als volgt uit: Samen maken we de stad De gemeente Wageningen wil dat we een samenleving zijn waar: alle inwoners uniek en mondig zijn en meedoen met de samenleving; kwetsbare inwoners ondersteund worden in het ontwikkelen van hun talenten en daarmee in het meedoen; inwoners zich verantwoordelijk voelen voor zichzelf, de mensen die zij kennen en de overige inwoners van de stad. We zijn samen verantwoordelijk. Samen zijn we de stad! 4.2Visie op maatschappelijke ondersteuning Binnen de gemeentelijke visie en missie ten aanzien van mens en maatschappij, onderscheiden wij de volgende visie op maatschappelijke ondersteuning: De inwoners van Wageningen die zich in een kwetsbare positie bevinden of in een kwetsbare positie dreigen te komen en zelf en/of binnen hun omgeving onvoldoende mogelijkheden vinden om mee te doen, in staat te stellen naar vermogen te participeren binnen de samenleving Benadrukt moet worden dat bij de uitvoering van het beleid niet wordt uitgegaan van doelgroepen. Met een groot deel van de Wageningse burgers, ongeacht leeftijd of lichamelijke beperkingen, gaat het in sociaal opzicht goed. Zij hebben geen ondersteuning nodig bij hun participatie in de samenleving. Het beleid richt zich op individuele burgers die zich in een kwetsbare positie bevinden of in een kwetsbare positie dreigen te komen en daar op eigen kracht niet uit kunnen komen. 4.3 Kader voor het beleid maatschappelijke ondersteuning De visie op maatschappelijke ondersteuning, zoals beschreven in paragraaf 4.2, vormt de basis voor dit beleidsplan. Daarnaast is sprake van een kader waarbinnen het beleid is vormgegeven. Dit kader bestaat uit een aantal uitgangspunten, die in deze paragraaf worden toegelicht. 4.3.1 Iedereen doet mee Samen zijn wij de stad. Daarom willen wij dat de inwoners van Wageningen een bijdrage leveren aan de Wageningse samenleving door mee te doen. Meedoen is goed voor de eigenwaarde van een persoon, maar ook voor het welzijn van de stad. Meedoen kan op verschillende manieren. Het kan door betaald werk te verrichten. Deze vorm van participatie noemen we arbeidsparticipatie. Het beleid arbeidsparticipatie is vastgelegd in de Kadernotitie Arbeidsparticipatie 2011, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 27 juni
  13. Meedoen kan ook de vorm hebben van maatschappelijke participatie: meedoen in de maatschappij. Dan gaat het over vrijwilligerswerk en mantelzorg en samen met anderen activiteiten ondernemen, zoals sporten of muziek maken. Waar inwoners bij hun maatschappelijke participatie ondersteuning nodig hebben, vormen zij de doelgroep van dit beleidsplan maatschappelijke ondersteuning. Uitgangspunt I: In Wageningen doet iedereen naar vermogen mee 4.3.2Iedereen is uniek De inwoners van Wageningen zijn uniek en mondig. Wij vinden het belangrijk dat inwoners de ruimte hebben om hun eigen ambities, ideeën en initiatieven tot uiting te brengen. Wij gaan uit van de eigen kracht en zelfredzaamheid van onze inwoners en stimuleren en ondersteunen inwoners om de regie over het eigen leven te behouden of te hervinden. Waar inwoners ondersteuning nodig hebben bij het meedoen, gebeurt dit in samenspraak: gezamenlijk wordt vastgesteld wat het resultaat van de ondersteuning moet zijn en welke oplossingen daaraan bijdragen. Uitgangspunt II: Behoud van regie over het eigen leven en zelfredzaamheid staan voorop 4.3.3 Samen voor elkaar Uitgangspunt voor het beleid maatschappelijke ondersteuning is dat Wageningers onderling meer kunnen betekenen voor kwetsbare inwoners. Samen zijn we verantwoordelijk. De gemeente zet in op een actieve sociale omgeving: in eerste instantie wordt ruimte geboden aan particulier initiatief om elkaar te ondersteunen. Als inwoners en hun omgeving het niet zelf kunnen, kunnen zij geholpen worden door de maatschappelijke organisaties in de stad. Waar ook deze mogelijkheid niet aanwezig of toereikend is, heeft de gemeente de verantwoordelijkheid de benodigde ondersteuning te organiseren. Dat organiseren gebeurt waar mogelijk in samenwerking met de stad: inwoners, maatschappelijke partners en private partijen. De gemeente is hierbij de regiehouder, die regelt dat de vereiste ondersteuning wordt uitgevoerd. Alle inzet is gericht op het versterken van het zelfregelend vermogen van de inwoner en het betrekken van de eigen sociale omgeving bij de ondersteuning. Uitgangspunt III: Iedereen neemt naar vermogen verantwoordelijkheid voor de ander 4.3.4 Gericht op resultaat Wij weten wat we willen bereiken. Met het nieuwe beleid maatschappelijke ondersteuning zijn we resultaatgericht. We stellen van te voren vast wat de gewenste resultaten van het beleid zijn en hoe we deze gaan evalueren. Aan de hand hiervan maken we met onze samenwerkingspartners in de stad heldere afspraken. De samenwerkingspartners weten wat van hen wordt verwacht en stemmen hun aanbod hier naar eigen inzicht op af. Zij leggen verantwoording af over de mate waarin de gewenste resultaten worden bereikt, zodat de gemeente als opdrachtgever zonodig tijdig kan bijsturen. Uitgangspunt IV: De gemeente stuurt op resultaat 4.3.5 Maatwerk en autonomie Bij de behandeling van het raadsvoorstel tot vaststelling van dit beleidsplan heeft de gemeenteraad d.d. 10 januari 2012 bij amendement besloten om een vijfde uitgangspunt aan het kader toe te voegen, met de volgende toelichting: maatwerk en autonomie zijn bestaande kaders in de Kadernotitie Arbeidsparticipatie

(2011); maatwerk en autonomie zijn ook belangrijk in het veld van maatschappelijke ondersteuning; binnen de doelstellingen van het beleid maatschappelijke ondersteuning moeten maatwerk en autonomie daarom het uitgangspunt zijn, waarbij de overige kwaliteitseisen (voorgaande uitgangspunten) overeind blijven. Uitgangspunt V: Bij het beleid maatschappelijke ondersteuning zijn het maatwerkprincipe en de autonomie van de burger het uitgangspunt 4.4Relatie tot beleid arbeidsparticipatie, sport en cultuur Het beleid maatschappelijke ondersteuning, zoals vastgelegd in dit beleidsplan, past binnen de visie op mens en maatschappij. Dit geldt ook voor de Kadernotitie Arbeidsparticipatie
(2011), voor de beleidsnotitie sport
(2012)en voor de beleidsnotitie cultuur
(2013). In de betreffende beleidsnotities wordt waar nodig naar elkaar verwezen. De relatie tussen het beleidsplan maatschappelijke ondersteuning en de kadernotitie arbeidsparticipatie ligt in het feit dat het beleid maatschappelijke ondersteuning is gericht op het (ondersteunen in het) meedoen in de samenleving. In de kadernotitie arbeidsparticipatie gaat het over participatie door middel van (betaalde) arbeid. Het verrichten van arbeid is één van de manieren om mee te doen binnen de samenleving. De relatie tussen het beleidsplan maatschappelijke ondersteuning, de beleidsnotitie sport en de beleidsnotitie cultuur ligt in het feit dat sport en cultuur belangrijke middelen kunnen zijn om mee te doen in de samenleving. Mee gaan doen in de samenleving kan uiteindelijk weer leiden tot arbeidsparticipatie. De steen in de vijver 10 Figuur ontleend aan de notitie “Van alleen naar samen!” van de Stichting Klankbord GGZ Wageningen.. Participatie in één sector van de samenleving is vaak een aanzet tot deelname in meerdere sectoren, de steen in de vijver. Een voorbeeld: iemand die zich door een beperking belemmerd voelt om deel te nemen aan allerlei activiteiten buiten de deur, kan zich steeds meer van de samenleving gaan afzonderen. Door deze persoon uit te nodigen om naar een koffie-ochtend in het buurthuis te komen, ontstaat contact met andere mensen. Hieruit kunnen afspraken voortkomen om samen iets te gaan ondernemen, zoals een wandeling of het volgen van een cursus. Er kan interesse worden gewekt voor vrijwilligerswerk. Afhankelijk van de beperking, behoort op termijn betaald werk misschien weer tot de mogelijkheden. Om de integraliteit tussen de vier beleidsvelden zo goed mogelijk te waarborgen wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van hetzelfde instrumentarium: de participatieladder. 4.5 Participatieladder Als middel om de integraliteit tussen de beleidsvelden maatschappelijke ondersteuning, arbeidsparticipatie, sport en cultuur te waarborgen, gebruiken wij de participatieladder. Door middel van de participatieladder kan de groei van een persoon in relatie tot sociale- en arbeidsparticipatie inzichtelijk worden gemaakt. De trede-indeling van de ladder geeft de afstand tot sociale- en arbeidsparticipatie aan en geeft daarmee antwoord op de vraag welke ondersteunende voorzieningen wij aanbieden. Het principe van de participatieladder is simpel. Zes treden geven het participatieniveau aan. De onderste vier treden zijn voor mensen zonder een arbeidscontract. De bovenste twee voor mensen met regulier werk: met ondersteuning (trede 5) of zonder (trede 6). De inzet van voorzieningen in het kader van maatschappelijke ondersteuning, arbeidsparticipatie of sport en cultuur als middel voor participatie is er op gericht om mensen in staat te stellen een trede hoger te bereiken op de participatieladder. Het doel van de inzet is dat iedereen de voor zichzelf hoogst haalbare trede bereikt, afhankelijk van de eigen mogelijkheden en omstandigheden. De participatieladder als verbindend instrument voor de beleidsvelden maatschappelijke ondersteuning, arbeidsparticipatie, sport en cultuur: het beleid maatschappelijke ondersteuning is gericht op mensen die zich op de eerste vier treden bevinden; sport en cultuur als middel om deel te nemen aan de samenleving concentreert zich eveneens vooral op de onderste vier treden van de participatieladder; bij arbeidsparticipatie gaat het vooral om de bovenste drie treden van de participatieladder. 5. Samen leven in Wageningen: leefbaarheid/sociale veiligheid Om te participeren in de Wageningse samenleving, is een belangrijke voorwaarde dat die samenleving als voldoende uitnodigend en veilig wordt ervaren. Dit geldt zeker voor inwoners die zich in een kwetsbare positie bevinden en daardoor minder weerbaar zijn, of moeite hebben om sociale contacten te leggen. De fysieke en sociale omstandigheden in de straat of de wijk waarin men woont, spelen een belangrijke rol bij de mate waarin iemand zijn directe omgeving als “leefbaar” ervaart. Hierbij kan worden gedacht aan fysieke zaken als een bankje of goede verlichting, maar ook aan een goede sfeer, het verlenen van onderlinge hulp, sociaal culturele activiteiten e.d.. Leefbaarheid kan worden gedefinieerd als de mate waarin de leefomgeving aansluit bij de voorwaarden en behoeften die er door de mens aan worden gesteld. Die aansluiting kan worden beïnvloed door fysieke en sociale maatregelen op het gebied van woonomgeving, voorzieningenniveau, (sociale) veiligheid en sociale samenhang. In Wageningen worden leefbaarheid en sociale veiligheid onder andere nagestreefd door een gebiedsgerichte aanpak op het terrein van wonen, welzijn en zorg. Juist op gebiedsniveau kan contact gelegd worden met kwetsbare burgers en gebruik gemaakt worden van de eigen omgeving en (ondersteunende) lokale netwerken en voorzieningen. Wageningen is hiertoe onderverdeeld in vier gebieden: Zuid, Midden, Oost en Noord-West. Per gebied wordt vraaggericht gewerkt. De institutionele en sectorale indelingen en het aanbod vormen minder het uitgangspunt. De behoefte aan ondersteuning wordt inzichtelijk gemaakt, zowel op individueel als op collectief niveau. In deze gebiedsgerichte aanpak werkt de gemeente samen met de maatschappelijke partners in de stad en met de inwoners. De eigen kracht en eigen netwerken van bewoners worden daarbij in eerste instantie aangesproken. Gebiedsgericht werken vormt de komende jaren het uitgangspunt voor de gecoördineerde inzet van en uitvoering door professionals op het gebied van wonen, welzijn en zorg. Het wijkgericht werken gaat deel uitmaken maken van het gebiedsgericht werken. Met wijkgericht werken wordt beoogd om de leefbaarheid in de vier gebieden te verbeteren en de betrokkenheid van bewoners bij – en verantwoordelijkheid voor – de leefomgeving te vergroten. Met het oog op gebiedsgericht werken worden de huidige wijkteams versterkt met partners die het terrein van wonen, welzijn en zorg bestrijken. Deze nieuwe werkwijze vraagt om een sterke coördinatie op gebiedsniveau, uitgevoerd door het lokaal welzijnswerk. Onder leefbaarheid en sociale veiligheid valt ook onderlinge tolerantie en respect voor andere leefwijzen. Hierbij kan gedacht worden aan een samenleving die open staat ten opzichte van bijvoorbeeld inwoners uit een andere cultuur, en/of met een homoseksuele geaardheid, en/of met een psychische beperking. Kortom: iedereen in Wageningen, ongeacht achtergronden, religie, seksuele geaardheid of eventuele beperking, moet zich veilig voelen en mogelijkheden zien om in de straat, wijk of stad sociale verbanden aan te gaan en zich medeverantwoordelijk voelen om hier een bijdrage aan te leveren. Dit maakt Wageningen tot een veerkrachtige samenleving, met saamhorigheid en solidariteit. 5.1Huidige situatie In deze paragraaf wordt weergegeven wat de uitgangssituatie is voor het beleid op het gebied van leefbaarheid en sociale veiligheid 11 De gegevens in deze paragraaf zijn ontleend aan het Leefbaarheidsonderzoek 2010, het rapport Satdsfoto Wageningen 2010 (Atlas voor gemeenten), het onderzoeksrapport "Kracht en kwetsbaarheid in Wageningen" uit 2011, de inbreng van inwoners tijdens wijkbezoeken en aan de inbreng van maatschappelijke instellingen, burgers en raadsleden tijdens de Startbijeenkomst beleid maatschappelijke ondersteuning d.d. 17 maart 2011.. Stand van zaken Wageningen kent sinds 2003 een forse afname van problemen op het gebied van overlast, onveiligheid en verloedering. De gemeente scoort beter dan gemiddeld op het gebied van leefbaarheid en heeft een relatief hoog voorzieningenniveau voor dagelijkse behoeften in de directe woonomgeving. Ten opzichte van vergelijkbare steden heeft Wageningen minder problemen op het gebied van geweldsmisdrijven, overlast door drugsgebruik en jongeren, verloedering en fietsendiefstal. In afwijking van vergelijkbare steden kent de gemeente een afnemend aantal geweldsmisdrijven. Daarentegen komt overlast van dronken mensen en omwonenden en inbraak in woningen in Wageningen relatief vaak voor. Ook op het gebied van sociale veiligheid is sprake van verbetering. Zo voelde in 2000 ongeveer 35% van de inwoners zich wel eens onveilig; in 2008 was dit percentage afgenomen naar 29%. De door inwoners ervaren overlast van groepen jongeren is afgenomen van 38% in 2000 naar een kleine 33% in 2008. De sociale samenhang in Wageningen is over het algemeen goed: 70% van de Wageningers geeft aan zich helemaal thuis te voelen in hun buurt. Inwoners van Wageningen vinden vaker dan gemiddeld dat de mensen op een prettige manier met elkaar omgaan en hebben meer contact dan gemiddeld met hun directe buren. Er zijn wel wat verschillen per gebied en leeftijdscategorie: inwoners in gebied Midden zijn minder positief over de buurt waarin ze wonen dan inwoners van de andere gebieden. Inwoners van 61 jaar en ouder zijn positiever over hun buurt dan inwoners tot en met 40 jaar. Overigens vinden inwoners in Wageningen vaker dan gemiddeld dat ze elkaar in de buurt nauwelijks kennen. De betrokkenheid van Wageningse inwoners bij hun buurt is relatief hoog. Inwoners van Wageningen doen voor praktische hulp vaak een beroep op buren (55% doet 1x per week of vaker een beroep op buren of buurtgenoten). Tweederde van de inwoners in Wageningen doet wel eens iets voor de buurt of wijk, zoals een stoepje vegen of zwerfvuil opruimen. Iets minder dan de helft van de inwoners ziet de eigen buurt als voorbeeld voor andere buurten. Wageningen heeft over het algemeen een tolerant klimaat, ook jegens personen met een lesbische, homoseksuele of biseksuele geaardheid en transgenders (LHBT-burgers). Landelijk wordt het percentage LHBT-burgers ingeschat op 5 tot 6 procent van de bevolking. Wageningen is met een vastgesteld homobeleid een voorloper geweest op dit beleidsveld. Het beleid komt de laatste jaren vooral tot uiting in een waarderingssubsidie voor de activiteiten van Shout Wageningen (voorheen Homogroep Wageningen). Inwoners van Wageningen die te maken krijgen met discriminatie of ongelijke behandeling kunnen dit melden bij Het Knooppunt of bij het Regionaal Meldpunt, artikel 1 Gelderland Midden. Het onafhankelijke regionale meldpunt registreert de klacht en behandelt de klacht in overleg met de burger. Mate van burgerparticipatie/burgerinitiatief Op dit moment zijn ongeveer 40 inwoners actief in een wijkpanel of buurtplatform. In diverse werkgroepen gericht op leefbaarheid en veiligheid participeren zo’n 80 inwoners. Aan wijkbezoeken doen per jaar ongeveer 150 bewoners mee. In het kader van wijkgericht werken beschikken wijkpanels (bewoners) over wijkbudgetten. Per jaar worden ongeveer 50 aanvragen gedaan voor een bijdrage uit het wijkbudget om bewonerswensen financieel te ondersteunen. De bewoners zijn vervolgens betrokken bij de uitvoering. Bij de uitvoering wordt veelvuldig een beroep gedaan op procesbegeleiding en vakinhoudelijke ondersteuning van onze samenwerkingspartners en van de verschillende gemeentelijke vakafdelingen. Burgerparticipatie vanuit LHBT-burgers vindt vooral plaats door Shout Wageningen, welke organisatie meedenkt over ontwikkelingen op het gebied van homobeleid in Wageningen. Burgerinitiatief vindt plaats vanuit dezelfde organisatie. Zo is Shout de laatste jaren zeer actief met het organiseren van activiteiten die gericht zijn op ontmoeting, maar ook voorlichting en acceptatie. Tot slot adviseert de Adviesraad Wmo en WI gevraagd en ongevraagd over beleid en uitvoering met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. Voorziene ontwikkelingen (financieel/wettelijk) Op basis van het Kleine Stedenbeleid (KSB II, periode 2008-2011) ontvangt de gemeente extra financiële middelen van de provincie ad 2 miljoen euro. Dit budget is bestemd voor uitvoering van de KSB-programma’s Leefbare wijk en Jeugd. De provincie blijft investeren in het KSB-beleid voor de periode 2012-2015 door middel van KSB III. Uitgangspunt voor de nieuwe KSB III-periode is investeren in een aantrekkelijk leefklimaat voor de inwoners van de stad. Daarbij willen wij de kansen in de samenwerking met onze partners en andere gemeenten in regionaal verband benutten. Naar verwachting wordt een nieuw contract met de Provincie uiterlijk 1 april 2012 afgesloten. 5.2Doelstellingenen gewenste resultaten (beoogd maatschappelijk effect) Met gebruik van verschillende bronnen, waaronder de bijdragen van de deelnemers aan de Startbijeenkomst beleid maatschappelijke ondersteuning welke op 17 maart 2011 heeft plaatsgevonden, zijn de maatschappelijke behoeften op dit beleidsdomein geïnventariseerd (zie bijlage II). Op grond van deze inventarisatie zijn de doelstellingen voor deze beleidsperiode beschreven. De doelstellingen zijn nader uitgewerkt in gewenste resultaten, oftewel de beoogde maatschappelijke effecten van het beleid. In de volgende tabel worden de behoeften, doelstellingen en gewenste resultaten weergegeven. De doelstellingen zijn genummerd op basis van de prioritering van alle doelstellingen (zie hoofdstuk 16). Zoals in hoofdstuk 16 wordt toegelicht, kan een aantal doelstellingen (vooralsnog) niet worden gerealiseerd met het beschikbare budget. Deze doelstellingen zijn in de tabel grijs gekleurd. Mocht in de beleidsperiode budget vrijkomen (bijvoorbeeld omdat de uitvoering van andere doelstellingen minder budget vereist dan nu ingeschat), dan wordt bekeken of meer doelstellingen kunnen worden gerealiseerd. Het prioriteitenoverzicht in hoofdstuk 16 is hierbij leidend. Behoeften waarop de doelstelling is gebaseerd Doelstelling (op volgorde van prioritering) Gewenst resultaat (beoogd maatschappelijk effect) 5-a Samenwerken van netwerkpartners; bovenwijkse problematiek beter afstemmen (bijlage II-A) Betere afstemming tussen organisaties op het gebied van wonen, welzijn en zorg Structurele samenwerking en een gestructureerde ketenaanpak tussen organisaties op het gebied van wonen, welzijn en zorg 5-b Bewoners als contactpersoon voor organisaties; verbanden zien en versterken; de wijk als verantwoordelijke voor het budget en het groen; aandacht voor onderhoudsniveau openbare ruimte; vergroten van gevoel van veiligheid; kijken naar herinrichting; creatieve ruimte; inwoners betrekken bij beleidsvorming over leefbaarheid in buurt/wijk (bijlage II-A) Inwoners voelen zich verantwoordelijk en zijn betrokken bij de woon- en leefomstandigheden in hun buurt/wijk -Individuen, gezinnen, verenigingsleven en georganiseerde bewonersgroepen kunnen zelf vorm en inhoud geven aan de eigen wensen en doelen op het terrein van leefbaarheid -Inwoners leveren een inhoudelijke bijdrage aan de totstandkoming van beleid dat gevolgen kan hebben voor de leefbaarheid in hun buurt of wijk. 5-c Het faciliteren van ontmoetings-mogelijkheden voor LHBT 12 LHBT: lesbisch, homoseksueel, biseksueel, transgender. -burgers (bijlage II-A) Ontmoetingsplaatsen voor LHBT-inwoners van alle leeftijden (autochtoon/ allochtoon) ondersteunen Er is een ontmoetingsplaats in Wageningen voor LHBT-inwoners van alle leeftijden en alle nationaliteiten 5-d Ondersteuning van kwetsbare groepen met deskundigheids-bevordering/training gericht op maatschappelijke participatie in de wijk (bijlage II-A) Ondersteunen van kwetsbare inwoners bij het versterken van zelfred-zaamheid en het vergroten van vaardigheden op het gebied van participatie 50% van de kwetsbare bewoners in de wijk wordt bereikt en neemt deel aan één of meerdere activiteiten gericht op participatie 5-e Signalen aan de gemeente kunnen doorgeven over discriminatie en onveiligheid van LHBT-burgers (bijlage II-A) Wageningse burgers kunnen discriminatie-klachten laagdrempelig melden Er is een meldpunt voor discriminatie Een groot deel van deze doelstellingen houdt verband met andere beleidsdomeinen. Waar sprake is van afhankelijkheidsverbanden tussen de uitvoering van deze doelstellingen en de mogelijkheden voor realisatie van andere doelstellingen, worden deze relaties vermeld bij de betreffende beleidsdomeinen. 5.3Uitvoering, benodigd budget en evaluatie resultaten In de volgende tabel wordt een beeld gegeven van de beoogde inzet om de gewenste resultaten te behalen. Deze inzet wordt nader uitgewerkt in uitvoeringsplannen of in overeenkomsten met de uitvoerders. In de tabel is ook een inschatting opgenomen van het benodigde uitvoeringsbudget per jaar (exclusief personele inzet gemeente). Tot slot wordt vermeld hoe de resultaten worden geëvalueerd. Waar de tabel grijs is gekleurd, betreft het doelstellingen die met het beschikbare budget (vooralsnog) niet gerealiseerd kunnen worden. Beoogde uitvoering Inschatting budget per jaar Wijze van evalueren 5-a -De gemeente verstrekt haar opdrachten vanuit de visie dat partners vraaggericht werken en dat er sprake is van een ketenaanpak en waar nodig een gecoördineerde en/of gebiedsgerichte inzet. -Afspraken hierover worden vastgelegd in een uitvoeringsovereenkomst. -Ontwikkelen van een meetinstrument om de effectiviteit van de diverse structuren vast te stellen. - Betreft alleen personele inzet gemeente -jaarverslag 13 Overal waar in dit beleidsplan bij “wijze van evalueren” een jaarverslag wordt genoemd, wordt bedoeld een inhoudelijk verslag van de behaalde resultaten door de opdrachtnemer in relatie tot het gewenste resultaat van de betreffende doelstelling. betrokken opdrachtnemers en ketenpartners; -jaarlijkse evaluatie bestaande zorgstructuren en afstemmingsstructuren wonen, welzijn, en zorg 5-b -De gemeente stelt voor de ondersteuning van bewonersinitiatieven op het terrein van leefbaarheid per gebied een wijkbudget beschikbaar aan wijkpanels. -De gemeente faciliteert, op aanvraag van bewoners en bij complexe situaties, de inhoudelijke en procesmatige ondersteuning van bewonersinitiatieven door de inzet van gebiedsteams (vertegenwoordigers op het terrein van wonen, welzijnswerk, hulpverlening, politie en gemeente). -De gemeente faciliteert de functie van gebiedscoördinator voor aansturing gebiedsteams, en ontwikkelt afspraken tussen betrokken partijen (rollen, taken, bevoegdheden, budgetten) -De afspraken tussen betrokken partijen versterken de zelfredzaamheid zodat inwoners minder een beroep gaan doen op voorzieningen en organisaties. -Bij de totstandkoming van beleid dat gevolgen kan hebben voor de leefbaarheid in buurt of wijk geeft de gemeente van te voren aan in welke mate en op welk participatieniveau (van informeren tot volledige zeggenschap) inwoners hun bijdrage kunnen leveren. € 490.000 -3-jaarlijkse leefbaarheidsmonitor; -inzet van wijkbudgetten; -jaarverslag betrokken opdrachtnemers (verslag resultaten en uitkomsten eigen klanttevreden-heidsonderzoek); -sociale kaart-gegevens; -de mate van participatie en inbreng bewoners bij voorstellen aan B&W en gemeenteraad 5-c Door middel van het verstrekken van subsidie aan Shout Wageningen. Shout organiseert diverse activiteiten, zodat LHBT-inwoners elkaar kunnen ontmoeten. € 4.150 Via het jaarlijks verslag van de activiteiten van Shout Wageningen 5-d De gemeente faciliteert laagdrempelige voorzieningen met een breed spectrum aan activiteiten gericht op ontmoeting, activering en opvang voor alle leeftijdscategorieën. Hierdoor kunnen individuen en groepen vorm geven aan de eigen ontwikkeling met of zonder professionele begeleiding. € 695.000 N.B. Op grond van de prioritering van alle doelstellingen in relatie tot het totale voor dit beleidsplan beschikbare budget (zie hoofdstuk 16), is voor uitvoering van deze doel-stelling € € 96.181 beschikbaar. Deze doelstelling is zodoende slechts deels uitvoerbaar. -jaarverslag betrokken opdrachtnemers en ketenpartners (verslag resultaten en uitkomsten eigen klanttevreden-heidsonderzoek; -opdrachtnemers en ketenpartners geven inzicht in de daadwerkelijk gerealiseerde effecten bij de beoogde doelgroep 5-e Door middel van Het Knooppunt en door middel van het verstrekken van een subsidie aan de stichting artikel 1 Gelderland Midden. Bij de stichting Artikel 1 Gelderland Midden en Het Knooppunt Wageningen kunnen de Wageningse burgers melding maken van discriminatieklachten. - Bekostiging uit gereserveerd budget (wettelijke taak, zie hoofdstuk 16). Evaluatie van de resultaten op basis van het jaarverslag van de stichting artikel 1 Gelderland Midden 5.4 Relatie met andere doelstellingen/beleidsdomeinen De doelstellingen en de voor realisatie benodigde uitvoering op het gebied van dit beleidsdomein staan niet op zichzelf. Verschillende doelstellingen en activiteiten houden verband met andere doelstellingen, al dan niet van andere beleidsdomeinen. Voor een aantal doelstellingen geldt dat realisatie deels of zelfs volledig afhankelijk is van de uitvoering van andere doelstellingen. Deze afhankelijkheidsrelaties worden in de volgende tabel weergegeven. Relatie met andere doelstellingen/beleidsdomeinen Zie doelstelling 5-b Realisatie van deze doelstelling is deels afhankelijk van uitvoering van de volgende doelstellingen: -sociale netwerken rondom het gezin versterken; -er zijn ontmoetingsplekken voor jongeren, waarbij zo weinig mogelijk overlast wordt ervaren; -sluitende aanpak voor mensen met schulden/financiële problemen en daarmee samenhangende problematiek; -terugdringen van schadelijk alcoholgebruik, overgewicht en psychosociale problematiek met speciale aandacht voor kinderen en jongeren; -er vindt uitwisseling plaats van risicosignalen en zorgen over inwoners tussen organisaties; -kwetsbare inwoners ondersteunen om te voorkomen dat zij in een (psychosociale) achterstandspositie terechtkomen. Ook met de volgende doelstellingen bestaat een afhankelijkheidsrelatie. Echter, met het totale voor dit beleidsplan beschikbare budget kunnen de betreffende doelstellingen niet (volledig) worden gerealiseerd. Dit zal effect hebben op de mate waarin het gewenste resultaat van doelstelling 5-b kan worden gehaald. -ondersteunen van kwetsbare inwoners bij het versterken van zelfred-zaamheid en het vergroten van vaardigheden op het gebied van participatie; -verminderen van overlast door jongeren; -Wageningen heeft voldoende buitenruimte waar jong en oud elkaar kan ontmoeten en die voldoende uitdaging biedt voor bewegen en spelen; -er zijn accommodaties waar inwoners elkaar kunnen ontmoeten en waar gezamenlijke activiteiten worden gefaciliteerd of gestimuleerd. 6-a 6-i 8-a 11-c 11-g 11-h 5d 6-j 6-l 12-g 5-d Voor deze doelstelling is slechts een deel van het vereiste budget beschikbaar (zie hoofdstuk 16). Realisatie van deze doelstelling is daarnaast deels afhankelijk van uitvoering van de volgende doelstellingen: -er is een aanspreekpunt waar ouderen terecht kunnen en waar hulpvraag en hulpaanbod verbonden worden; -er vindt uitwisseling plaats van risicosignalen en zorgen over inwoners tussen organisaties. 7-b 11-g 6. Kansrijke start: opvoeden en opgroeien De jeugd heeft de toekomst. Maar hoe zit dat met kwetsbare jeugd? Hoeveel kansen hebben kinderen die opgroeien in gezinnen met sociale en/of financiële problemen? Hoe doen kinderen die gepest worden sociale vaardigheden op? Wat is de toekomst van een jongere die op zijn 18e zonder diploma de school verlaat? Met de meeste jongeren in Wageningen gaat het gelukkig gewoon goed. Met haar jeugdbeleid richt de gemeente zich op de kinderen en jongeren die extra aandacht nodig hebben, om problemen te voorkomen of op te lossen. De gemeente doet dit niet alleen. Ouders en verzorgers zijn de eerst verantwoordelijkheden voor het realiseren van een goed opvoed- en opgroeiklimaat. Het sociale netwerk en de maatschappelijke partners spelen daarbij een belangrijke rol. Op grond van de Wet publieke gezondheid (Wpg) voert de gemeente wettelijke taken op het gebied van jeugdgezondheidszorg voor 0-19 jarigen uit. Het doel van de jeugdgezondheidszorg is het bevorderen, beschermen en bewaken van de lichamelijke, psychische, sociale en cognitieve ontwikkeling van kinderen. De gemeente draagt zorg voor het voorkomen van problemen (preventie), het vroegtijdig signaleren van problemen en het voeren van regie over de uitvoering. De gemeente geeft het lokale jeugdbeleid vorm en voert dit uit in samenwerking met de partners in de stad en de regio, zoals het Centrum voor jeugd en gezin, het welzijnswerk en het algemeen maatschappelijk werk. Daarbij heeft de gemeente de taak om de verschillende organisaties bij elkaar te brengen en samen met die partners afstemming en samenwerking op het brede terrein van jeugdbeleid te realiseren. De inzet op het jeugdbeleid heeft tot doel dat Wageningse kinderen en jongeren zichzelf kunnen ontwikkelen tot gezonde, zelfredzame en gekwalificeerde inwoners die participeren in de maatschappij. Speciale aandacht gaat uit naar kinderen en jongeren die zich in een kwetsbare positie bevinden, of daarin dreigen te belanden. Zodat voor iedereen sprake is van een kansrijke start. 6.1Huidige situatie In deze paragraaf wordt weergegeven wat de uitgangssituatie is voor het jeugdbeleid van de gemeente Wageningen 14 De gegevens in deze paragraaf zijn ontleend aan de gemeente, het Actieplan Jeugd, de Kindermonitor 2009, GGD onderzoek Jongeren 2007 en Kinderen 2009, het Jaarverslag uitvoering leerplicht 2009/2010, het Jaarverslag RMC regio vallei meldpunt voortijdig schoolverlaten 2009-2010 en aan de inbreng van maatschappelijke instellingen, burgers en raadsleden tijdens de Startbijeenkomst beleid maatschappelijke ondersteuning d.d. 17 maart 2011.. Stand van zaken In de volgende tabel staat het aantal kinderen/jongeren in Wageningen per 1 januari 2011: leeftijd aantal 0 tot 4 jaar 1.300 4 tot 12 jaar 2.765 12 tot 18 jaar 2.055 18 tot 23 jaar 4.133 totaal 10.253 Opgemerkt moet worden dat tot de groep 18-23 jarigen ook de studenten behoren. Al met al is sprake van een “onzichtbare ontgroening” in Wageningen: de geboortecijfers liggen al jaren lager dan de sterftecijfers. Aantal kinderen en jongeren in Wageningen met (verhoogde kans
  1. op)risicogedrag: bij 20% van de jongeren is sprake van een risico op psychosociale problematiek 15 Psychosociale problematiek betreft psychische problemen die samenhangen met het dagelijks functioneren, zoals angst, eenzaamheid of problemen binnen het gezin.; 16% van de gezinnen met kinderen tussen de 0 en 12 jaar hebben een lage sociaal economische status (dit is relatief laag in vergelijking met de regio Oost-Nederland, bij welke regio Wageningen is ingedeeld); bij 20% van de jongeren is sprake van depressieve gevoelens, bij 5% is er sprake van ernstige mate van depressieve gevoelens; 16% van de Wageningse jongeren geeft aan gepest te worden; in het schooljaar 2009-2010 zijn er met 154 kinderen onder de 18 jaar preventieve gesprekken gevoerd wegens het spijbelen van enkele schooluren; datzelfde jaar waren er 52 meldingen van kinderen die meerdere schooldagen verzuimden, hierop zijn vervolgacties vanuit leerplicht ondernomen; in 2009-2010 zijn er 26 voortijdig schoolverlaters boven de 18 jaar in contact gekomen met het Regionaal meld- en coördinatiepunt regio vallei (RMC), meldpunt voortijdig schoolverlaten. In Wageningen nemen veel ouders deel aan preventieve programma’s om opvoed- of opgroeiproblemen te voorkomen. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van alle preventieve voorzieningen voor tieners en jongeren. Aantal kinderen/gezinnen dat in 2010 gebruik maakte van voorzieningen: opvoedingsondersteuning Homestart/Doorstart: 38 gezinnen; sociale vaardigheidstrainingen (SOVA): 32 gezinnen; jeugdpreventieteam: 21 jongeren; vroeg- en voorschoolse educatie (VVE): 54 kinderen; jongerenwerk wekelijks 75 jongeren, tienerwerk wekelijks 65 tieners; sport- en spel activiteiten voor jongeren: wekelijks worden ongeveer 185 jongeren bereikt. Ongeveer 20% van de Wageningse jeugd zit in een kwetsbare positie. Vooral voor deze jeugd en hun gezinnen is sprake van een groot preventief hulpverleningsaanbod met een hoge participatiegraad, zoals jongerenwerk, sportbuurtwerk, sociale vaardigheidstrainingen etc.. Ook jongeren die zich niet in een kwetsbare positie bevinden, maken gebruik van het aanbod van jongerenwerk en sportbuurtwerk, speelruimte en andere voorzieningen. Zowel de jeugdgezondheidszorg als het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) is gericht op de hele groep jeugd en gezin. Een derde van de Wageningse ouders krijgt (vaak) hulp bij het opvoeden van hun kind. Ruim twee derde van deze groep krijgt de hulp binnen het eigen netwerk; 12% heeft behoefte aan deskundige hulp of advies op het gebied van opvoedingsondersteuning. Deze laatste groep ouders wil hulp/advies het liefst aangeboden krijgen via een centraal punt, via internet of via persoonlijke begeleiding. Mate van burgerparticipatie/burgerinitiatief Burgerparticipatie op het gebied van jeugdbeleid vindt onder andere plaats via de Jongerenraad. Deze raad wordt door de gemeente betrokken bij de ontwikkeling van beleid. Bij de ontwikkeling van het CJG is een werkgroep van ouders betrokken. Tot slot adviseert de Adviesraad Wmo en WI gevraagd en ongevraagd over beleid en uitvoering met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. Voorziene ontwikkelingen (financieel/wettelijk) In het regeerakkoord is aangekondigd dat de jeugdzorg wordt gedecentraliseerd. De eerste stappen hiervoor moeten in de komende jaren worden gezet, de definitieve invoering is naar verwachting in 2018 met een overgangsfase die daaraan vooraf gaat. Het kabinet wil alle taken op het gebied van jeugdzorg overhevelen naar de gemeenten. De gemeente wordt dan verantwoordelijk voor preventief jeugdbeleid (dat ligt al grotendeels bij de gemeente), jeugd-GGZ (zowel op grond van de AWBZ als van de Zorgverzekeringswet), provinciale jeugdzorg, gesloten jeugdzorg 16 Instellingen voor gesloten jeugdzorg voor jongeren met dermate ernstige gedragsproblemen dat ze een gevaar vormen voor zichzelf of voor anderen., jeugdreclassering, jeugdbescherming en zorg voor jeugd met een licht verstandelijke beperking. Overheveling van de functie van de bureaus Jeugdzorg van provincie naar gemeenten betekent dat de gemeente Wageningen met partnergemeentes in de regio de jeugdzorg moet gaan vormgeven. De financiële middelen die hiervoor door het rijk worden vrijgemaakt, worden naar de gemeenten overgeheveld (met een efficiencykorting). Decentralisatie van de jeugdzorg heeft tevens gevolgen voor het gezondheidsbeleid van de gemeente (zie hoofdstuk 11). 6.2Doelstellingenen gewenste resultaten (beoogd maatschappelijk effect) Met gebruik van verschillende bronnen, waaronder de bijdragen van de deelnemers aan de Startbijeenkomst beleid maatschappelijke ondersteuning welke op 17 maart 2011 heeft plaatsgevonden, zijn de maatschappelijke behoeften op dit beleidsdomein geïnventariseerd (zie bijlage II). Op grond van deze inventarisatie zijn de doelstellingen voor deze beleidsperiode beschreven. De doelstellingen zijn nader uitgewerkt in gewenste resultaten, oftewel de beoogde maatschappelijke effecten van het beleid. In de volgende tabel worden de behoeften, doelstellingen en gewenste resultaten weergegeven. De doelstellingen zijn genummerd op basis van de prioritering van alle doelstellingen (zie hoofdstuk 16). Zoals in hoofdstuk 16 wordt toegelicht, kan een aantal doelstellingen (vooralsnog) niet worden gerealiseerd met het beschikbare budget. Deze doelstellingen zijn in de tabel grijs gekleurd. Mocht in de beleidsperiode budget vrijkomen (bijvoorbeeld omdat de uitvoering van andere doelstellingen minder budget vereist dan nu ingeschat), dan wordt bekeken of meer doelstellingen kunnen worden gerealiseerd. Het prioriteitenoverzicht in hoofdstuk 16 is hierbij leidend. Behoeften waarop de doelstelling is gebaseerd Doelstelling (op volgorde van prioritering) Gewenst resultaat (beoogd maatschappelijk effect) 6-a Een samenhangend aanbod van activiteiten, versterken van competenties, voorkomen van uitval en achterstanden (bijlage II–B) Sociale netwerken rondom het gezin versterken Meer gezinnen hebben een sociaal sterk netwerk wat zich uit in: -minder casusbesprekingen in het Zorg- en adviesteam (ZAT); -minder casusbesprekingen in de Vangnetoverleggen; -minder jongeren die voortijdig school verlaten; ten opzichte van het voorgaande jaar. 6-b Samenhangend aanbod van activiteiten, versterken van competenties, voorkomen van uitval en achterstanden; een netwerk van voorzieningen, activiteiten en maatregelen gericht op een veilige en leefbare omgeving (bijlage II-B) Samenwerking tussen organisaties op gebied van jeugd en gezin bevorderen, waardoor hulpverlening op elkaar aansluit Eén gezin = één plan. Toelichting: bij gezinnen waarbij meerdere hulpverleners zijn betrokken, bestaat de kans dat hulpverlening langs elkaar heen werkt en dus niet effectief samenwerkt. Om dit te verbeteren maken we voor elk gezin met meerdere problemen één hulpverleningsplan. 6-c Omgaan met geld en het voorkomen van schulden bij jongeren (bijlage II-B). Aandacht voor preventie, onder andere via lessen op scholen e.d. (bijlage II-D) Verminderen van problematische schulden bij jongeren -Alle jongeren op het voortgezet onderwijs in Wageningen krijgen voorlichting over omgaan met geld. -Er is een aanbod voor de aanpak van problematische schulden bij jongeren 6-d Samenhangend aanbod van activiteiten, versterken van competenties, voorkomen uitval en achterstanden (bijlage II-B) Stimuleren van de ontwikkelingsmogelijkheden van kinderen Er is een ondersteuningsaanbod voor 0-24 jarigen gericht op het vergroten van de ontwikkelingsmogelijkheden 6-e Opvoedingsondersteuning bij probleemkinderen voor ouders/ondersteuning bij opvoedingsproblemen; hulp en advies via een centraal punt; laagdrempelige hulp bij opvoeden en opgroeien (bijlage II-B) Er is een laagdrempelig aanbod voor ondersteuning bij opvoeden -Voor iedere ouder en ieder kind die behoefte heeft aan ondersteuning op gebied van opvoeden en opgroeien is er een ondersteuningsaanbod in Wageningen -Er is een laagdrempelig, fysiek en digitaal loket in Wageningen waar ouders en kinderen terecht kunnen met hun vragen over opvoeden en opgroeien. -Binnen dit loket vindt afstemming plaats van vraag en aanbod tussen organisaties die werkzaam zijn op het gebied van opvoeden en opgroeien. 6-f Meer bekendheid van het Jongeren Informatie Punt (bijlage II-B) Jongeren weten de weg naar informatie over opgroeien -Er zijn diverse manieren voor jongeren om informatie te achterhalen. -Informatie wordt verstrekt aan jongeren via bij hen passende informatiekanalen. -Het aantal mensen dat minimaal één keer per jaar de jongerenwebsite bezoekt stijgt jaarlijks. -Het aantal jongeren dat informatie haalt bij schoolarts of jongerenwerkers stijgt jaarlijks. -Jongeren maken gebruik van jongerenvoorzieningen in Wageningen. 6-g Onderwijs, opvang en werk (bijlage II-B) Voortijdig schoolverlaten wordt met 25% gereduceerd Voortijdig schoolverlaten is eind 2016 met 25% gereduceerd ten opzichte van 2011 (kabinetsplannen 2012-2016) vervolg Behoeften Doelstelling Gewenst resultaat 6-h Voortzetten van de jongerenraad (bijlage II-B) Jongeren denken mee over het gemeentelijk beleid -De jongerenraad overlegt minimaal 2x per jaar met de gemeente over toekomstige (beleids-) ontwikkelingen. -De jongerenraad geeft minimaal 2x per jaar advies over de ontwikkeling en/of uitvoering van gemeentelijk beleid. 6-i Vermindering overlast spelende/hangende oudere jeugd; vergroten gevoel van veiligheid; creatieve ruimte; jongeren ondersteunen in participatie met buurtbewoners bij gebruik openbare (speel)ruimte; jongeren ondersteunen in tegengaan sociaal isolement en vereenzaming (bijlage II-A). Speelruimte, sport- en ontmoetingsplekken voor actieve en gezonde leefstijl; ontmoetingsplekken of –centra én hangplekken aan rand wijken; hangplekken (bijlage II-B). Er zijn ontmoetingsplekken voor jongeren, waarbij zo weinig mogelijk overlast wordt ervaren -Ieder gebied (de 4 gebieden volgens gebiedsgericht werken, zie hoofdstuk 5) heeft een no-problem plek voor jongeren (een plek waar geen overlast voor omwonenden te verwachten is). Bij problemen in de buurt kunnen jongeren naar deze plekken verwezen worden. -Er worden 3 stay-around plekken voor jongeren gerealiseerd. Dit zijn plekken voor 10 tot circa 40 jongeren waar jongeren bij elkaar kunnen komen om te praten of andere activiteiten te ontplooien. -De sportvelden in Wageningen zijn openbaar en jongeren kunnen van deze velden gebruik maken om sportieve activiteiten te ontwikkelen en elkaar te ontmoeten. 6-j Vermindering overlast van spelende/hangende oudere jeugd; vergroten van gevoel van veiligheid (bijlage II-A). Verminderen van overlast door jongeren Het aantal meldingen van overlast door jongeren is gedaald met 15% ten opzichte van 2011 (53 meldingen) 6-k Ontmoetingsmogelijkheden voor jongeren; meer activiteiten voor jongeren (bijlage II-B) Jongeren organiseren activiteiten voor andere jongeren -De jongerenraad organiseert jaarlijks minimaal drie activiteiten voor jongeren in Wageningen. -Jongeren organiseren uit eigen initiatief en zelfstandig activiteiten voor andere jongeren en gaan zelf op zoek naar financieringsmogelijkheden. 6-l Kijken naar herinrichting; creatieve ruimte; jongeren en ouderen ondersteunen in tegengaan sociaal isolement en vereenzaming (bijlage II-A). Speelruimte, sport- en ontmoetingsplekken ter bevordering van actieve en gezonde leefstijl (bijlage II-B). Wageningen heeft voldoende buitenruimte waar jong en oud elkaar kan ontmoeten en die voldoende uitdaging biedt voor bewegen en spelen Wageningen heeft minstens één beweegplek voor senioren (inwoners ouder dan 55 jaar), een beweegroute, één natuurlijke speelplek, een speeltuin, een gelijkblijvend aantal zitplekken per 1.000 inwoners en er is een verbetering van de bestaande speelplekken 0-12 jaar. Een deel van deze doelstellingen houdt verband met andere beleidsdomeinen. Waar sprake is van afhankelijkheidsverbanden tussen de uitvoering van deze doelstellingen en de mogelijkheden voor realisatie van andere doelstellingen, worden deze relaties vermeld bij de betreffende beleidsdomeinen. 6.3Uitvoering, benodigd budget en evaluatie resultaten In de volgende tabel wordt een beeld gegeven van de beoogde inzet om de gewenste resultaten te behalen. Deze inzet wordt nader uitgewerkt in uitvoeringsplannen of in overeenkomsten met de uitvoerders. In de tabel is ook een inschatting opgenomen van het benodigde uitvoeringsbudget per jaar (exclusief personele inzet gemeente). Tot slot wordt vermeld hoe de resultaten worden geëvalueerd. Waar de tabel grijs is gekleurd, betreft het doelstellingen die met het beschikbare budget (vooralsnog) niet gerealiseerd kunnen worden. Beoogde uitvoering Inschatting budget per jaar Wijze van evalueren 6-a Waar nodig gecoördineerde en/of wijkgerichte inzet van gemeente en haar partners om inwoners te betrekken en te ondersteunen met gebruikmaking van de eigen lokale netwerken en ondersteunende instanties 17 De sociale omgeving kan mede-opvoeder zijn (bijvoorbeeld als kinderen buiten spelen), maar ook een signaleringsfunctie hebben en een steun zijn voor kinderen als het thuis niet helemaal goed gaat.. Organisatie van Eigen Kracht-conferenties. Daarnaast ondersteuning vanuit CJG en wijkteams. € 12.000 Jaarverslag betrokken opdrachtnemers 6-b -Uitvoering geven aan zorgcoördinatie 18 Zorgcoördinatie betekent dat altijd duidelijk moet zijn wie de coördinatie over de hulpverlening aan een bepaald gezin in handen heeft, en daarmee wie verantwoordelijk is voor de samenhangende ondersteuning., door middel van casusoverleggen (vangnetten en Zorg- en adviesteam). -Uniforme indicatie door het gebruik van de verwijsindex. -Bieden van vroegtijdige interventies en interventies op maat. -Aanbieden integrale jeugdgezondheidszorg met behulp van het digitaal dossier jeugdgezondheidszorg. € 94.000 -jaarverslag betrokken opdrachtnemers; -rapportages uit registratiesysteem Jeugdlinq (registratie van situaties waarin zorgcoördinatie is uitgevoerd); -jaarlijkse evaluatie zorgstructuren 6-c Uitvoering door een daartoe gesubsidieerde samenwerkingspartner, in samenwerking met de scholen voor voortgezet onderwijs in Wageningen. € 22.000 Jaarverslag van de uitvoerende samenwerkingspartner 6-d Door subsidie aan uitvoerende samenwerkingspartners voor activiteiten als tienerwerk, jongerenwerk, vakantie-activiteiten, jeugdlidsubsidies en brede wijkschool. € 303.207 Jaarverslag betrokken opdrachtnemers 6-e -Facilitering van het loket en van ondersteunende activiteiten door de gemeente door middel van het inzetten van financiële middelen, accommodaties en menskracht. -Uitvoering jeugdgezondheidszorg (JGZ) 0-19 jarigen door Icare en GGD, als partners in het loket. € 213.050 N.B. Wettelijke taken JGZ worden betaald uit het budget publieke gezondheidszorg (zie hoofdstuk 16) Jaarverslag betrokken opdrachtnemers 6-f Via subsidieafspraken met samenwerkingspartners en uitvoering door het CJG. € 35.000 -Jaarverslag betrokken samenwerkingspartners 6-g Inzet leerplichtambtenaren, kwalificatieplicht-ambtenaar en RMC-consulenten. € 30.000 Wordt verder betaald uit regionale middelen -jaarlijkse rapportage ministerie O,C&W 19 Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, en rapportage RMC regio Vallei 6-h Begeleiding jongerenraad door een daartoe gesubsidieerde samenwerkingspartner € 17.000 -jaarverslag jongerenraad; -jaarverslag betrokken samenwerkingspartner 6-i -In november 2011 wordt een nieuw speelruimteplan ter besluitvorming aan de gemeenteraad voorgelegd. Afhankelijk van de besluitvorming wordt het benodigde uitvoeringsbudget bepaald. Dekking van de kosten vindt plaats uit andere programma’s dan het beleid maatschappelijke ondersteuning. -Tevens wordt uitvoering gegeven aan deze doelstelling door Subsidieafspraken met de sportverenigingen in Wageningen, op basis van het gemeentelijk sportbeleid. - -fysieke controle en evaluatie uitgangs-punten en actiepunten speelruimteplan; -leefbaarheidsmonitor; -jaarverslag betrokken opdrachtnemers; -jaarverslagen van de sportverenigingen 6-j Uitvoering vindt plaats op grond van het JOS (Jongeren Op Straat)-protocol door een daartoe gesubsidieerde samenwerkingspartner. € 12.000 -jaarverslag betrokken opdrachtnemers -rapportage registratiesysteem vervolg Uitvoering Inschatting budget per jaar Wijze van evalueren 6-k Begeleiding geven aan jongeren die activiteiten voor andere jongeren willen organiseren. Uitvoering door een daartoe gesubsidieerde samenwerkingspartner € 5.000 -Jaarverslag jongerenraad -Jaarverslag betrokken samenwerkingspartner 6-l Op dit moment wordt een nieuw speelruimteplan ontwikkeld. In dit plan zal ook aandacht worden gegeven aan de wijze waarop aan deze doelstelling uitvoering kan worden gegeven. € 150.000 -evaluatie van het speelruimteplan; -inhoudelijk jaarverslag betrokken opdrachtnemers. 6.4Relatie met andere doelstellingen/beleidsdomeinen De doelstellingen en de voor realisatie benodigde uitvoering op het gebied van dit beleidsdomein staan niet op zichzelf. Verschillende doelstellingen en activiteiten houden verband met andere doelstellingen, al dan niet van andere beleidsdomeinen. Voor een aantal doelstellingen geldt dat realisatie deels of zelfs volledig afhankelijk is van de uitvoering van andere doelstellingen. Deze afhankelijkheidsrelaties worden in de volgende tabel weergegeven. Relatie met andere doelstellingen/beleidsdomeinen Zie doelstelling 6-a Realisatie van deze doelstelling is deels afhankelijk van uitvoering van de volgende doelstellingen: -stimuleren van gezonde en actieve leefstijl bij inwoners in een kwetsbare positie; -inwoners voelen zich verantwoordelijk en zijn betrokken bij de woon- en leefomstandigheden in hun buurt/wijk. Ook met de volgende doelstelling bestaat een afhankelijkheidsrelatie. Echter, met het totale voor dit beleidsplan beschikbare budget kan de betreffende doelstelling niet worden gerealiseerd. Dit zal effect hebben op de mate waarin het gewenste resultaat van doelstelling 6-a kan worden gehaald. -ondersteunen van kwetsbare inwoners bij het versterken en zelfredzaamheid en het vergroten van vaardigheden op het gebied van participatie. 11-d 5-b 5-d 6-c Realisatie van deze doelstelling is deels afhankelijk van uitvoering van de volgende doelstelling: -sluitende aanpak voor mensen met schulden/financiële problemen en daarmee samenhangende problematiek. 8-a 6-d Realisatie van deze doelstelling is deels afhankelijk van uitvoering van de volgende doelstellingen: -kinderen uit gezinnen met een minimum inkomen kunnen deelnemen aan sportieve en culturele activiteiten in brede zin. 15-b 6-f Realisatie van deze doelstelling is deels afhankelijk van uitvoering van de volgende doelstellingen: -er is een laagdrempelig aanbod voor ondersteuning bij opvoeden; -stimuleren van de ontwikkelingsmogelijkheden van kinderen. 6-e 6-d 6-h Met de volgende doelstelling bestaat een afhankelijkheidsrelatie. Echter, met het totale voor dit beleidsplan beschikbare budget kan de betreffende doelstelling niet worden gerealiseerd. Dit zal effect hebben op de mate waarin het gewenste resultaat van doelstelling 6-h kan worden gehaald. -jongeren organiseren activiteiten voor andere jongeren. 6-k 6-j Realisatie van deze doelstelling is deels afhankelijk van uitvoering van de volgende doelstellingen: -inwoners voelen zich verantwoordelijk en zijn betrokken bij de woon- en leefomstandigheden in hun buurt/wijk; -stimuleren van de ontwikkelingsmogelijkheden van kinderen. 5-b 6-d 7. Vitaal sociaal: ouder worden in Wageningen De oudere inwoners van Wageningen zijn onmisbare schakels voor het beleid maatschappelijke ondersteuning. Veel ouderen zijn actief in de buurt, doen vrijwilligerswerk, verlenen mantelzorg of maken gewoonweg eens een praatje met buren. De meeste ouderen kunnen zich prima redden in de samenleving en hebben voldoende sociale contacten. Als deze ouderen al behoefte hebben aan ondersteuning, kennen zij de weg naar Wmo-voorzieningen als huishoudelijke hulp, aanpassingen in huis of vervoer etc.. Er zijn echter ook oudere inwoners die het minder makkelijk vinden om sociaal actief te blijven en die niet voldoende op de hoogte zijn van de mogelijkheden voor ondersteuning en hulp. De gemeente wil ook deze ouderen bereiken, om te stimuleren dat ouderen in sociaal en lichamelijk opzicht in beweging blijven. De samenleving is immers gebaat bij actieve betrokkenheid van haar oudere inwoners. Daarnaast heeft de gemeente een rol in de ouderengezondheidszorg. Op grond van de Wet publieke gezondheidszorg (Wpg) moet de gemeente zorgdragen voor het monitoren, signaleren en voorkomen van gezondheidsproblemen. Belangrijke aandachtspunten zijn preventie, eenzaamheid, van vergrijzing naar verzilvering 20 Met de term “verzilvering” wil men aangeven dat oudere inwoners een belangrijke en waardevolle bijdrage (kunnen) leveren aan de maatschappij, bijvoorbeeld door langer te blijven werken (leeftijdsbewust personeelsbeleid), maar ook door vrijwilligerswerk te doen, mantelzorg te verlenen e.d.. en leefstijlverandering. 7.1Huidige situatie In deze paragraaf wordt weergegeven wat de uitgangssituatie is voor het ouderenbeleid van de gemeente Wageningen 21 De gegevens in deze paragraaf zijn ontleed aan de gemeente, Hulpverlening Gelderland Midden (HGM), het ministerie van VWS (quickscan ouderengezondheid Vilans), het onderzoeksrapport "Kracht en kwetsbaarheid in Wageningen" uit 2011 en aan de inbreng van maatschappelijke instellingen, burgers en raadsleden tijdens de Startbijeenkomst beleid maatschappelijke ondersteuning d.d. 17 maart 2011.. Stand van zaken Op 1 januari 2011 was sprake van de volgende aantallen inwoners in een leeftijd vanaf 55 jaar: leeftijdscategorieën zelfstandig wonend wonend in verzorgingshuis 55+ 8229 667 65+ 4400 667 75+ 1971 602 Ongeveer 17% van de Wageningse bevolking is ouder dan 65 jaar. Deze groep bestaat voor 45% uit mannen en voor 55% uit vrouwen. De verwachting is dat het aantal personen ouder dan 65 jaar in 2014 gestegen zal zijn naar 5238 en in 2019 naar 5746 (een stijging van 30% ten opzicht van 2011). Van de Wmo-voorzieningen (huishoudelijke hulp, vervoersvoorzieningen, woningaanpassingen) maken vooral inwoners ouder dan 55 jaar gebruik: van de Wmo-clienten is 83% ouder dan 55 jaar. Uit het onderzoeksrapport “Kracht en kwetsbaarheid in Wageningen” blijkt dat de mate van eenzaamheid van ouderen vanaf 65 jaar niet afwijkt van andere leeftijdsgroepen (gemiddeld voelt 4% van de inwoners zich eenzaam). De leeftijdscategorie tussen 46 en 60 jaar scoort op dit aspect hoger dan de 65-plussers. Uit het onderzoek blijkt tevens dat ouderen vinden dat zij over het algemeen goed mee kunnen doen in de samenleving. Mate van burgerparticipatie/burgerinitiatief Burgerparticipatie door ouderen, onder andere in de zin van beïnvloeding van het gemeentelijk ouderenbeleid, vindt onder andere plaats via ouderenbonden en kerken. Ook is er deelname vanuit de ouderenbonden aan de Adviesraad Wmo en WI, welke adviesraad gevraagd en ongevraagd adviseert over beleid en uitvoering met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. Bij de gemeente zijn geen burgerinitiatieven op het gebied van ouderenbeleid bekend. Voorziene ontwikkelingen (financieel/wettelijk) Op basis van artikel 5a van de Wet publieke gezondheid (Wpg) heeft de gemeente een aantal wettelijke taken op het gebied van vroegtijdige opsporing en preventie en het geven van informatie, advies en begeleiding. Gemeenten en zorgverzekeraars/zorgkantoren werken op dit moment al samen aan zorg en ondersteuning (het grensvlak van de Wmo en de AWBZ). De VNG en Zorgverzekeraars Nederland (ZN) geven aan dat de relevantie voor samenwerken groter is dan ooit: gemeenten moeten met minder geld meer taken uitvoeren op het gebied van zorg en ondersteuning en zorgverzekeraars gaan de AWBZ uitvoeren voor hun eigen verzekerden waardoor ze meer en meer met elkaar te maken krijgen. Ten aanzien van ouderenbeleid is de verwachting dat zorg en welzijn meer worden gecombineerd, waaronder meer integratie met de eerstelijnszorg en meer preventief werken. Ook zal er meer samenwerking komen tussen zorgkantoor en gemeente (zie ook hoofdstuk 11, doelstelling 11-i). Na overheveling van de functie ondersteunende begeleiding op psychosociale grondslag in 2009, gaat de extramurale begeleiding vanuit de AWBZ over naar de Wmo. Uit het regeerakkoord blijkt dat de gemeenten vanaf 2013 verantwoordelijk zijn voor nieuwe cliënten en vanaf 2014 voor alle cliënten. De begeleiding is bedoeld voor mensen met een lichamelijke-, zintuiglijke- of verstandelijke beperking, somatische aandoening, psychiatrische stoornis en psychogeriatrische problematiek (dementie). Het doel van de begeleiding is het behouden, bevorderen of compenseren van de zelfredzaamheid teneinde opname of verwaarlozing te voorkomen. Deze overheveling heeft tevens gevolgen voor het gezondheidsbeleid (zie hoofdstuk 11) en het gehandicaptenbeleid (zie hoofdstuk 12) van de gemeente Wageningen. 7.2Doelstellingenen gewenste resultaten (beoogd maatschappelijk effect) Met gebruik van verschillende bronnen, waaronder de bijdragen van de deelnemers aan de Startbijeenkomst beleid maatschappelijke ondersteuning welke op 17 maart 2011 heeft plaatsgevonden, zijn de maatschappelijke behoeften op dit beleidsdomein geïnventariseerd (zie bijlage II). Op grond van deze inventarisatie zijn de doelstellingen voor deze beleidsperiode beschreven. De doelstellingen zijn nader uitgewerkt in gewenste resultaten, oftewel de beoogde maatschappelijke effecten van het beleid. In de volgende tabel worden de behoeften, doelstellingen en gewenste resultaten weergegeven. De doelstellingen zijn genummerd op basis van de prioritering van alle doelstellingen (zie hoofdstuk 16). Behoeften waarop de doelstelling is gebaseerd Doelstelling (op volgorde van prioritering) Gewenst resultaat (beoogd maatschappelijk effect) 7-a Meer interventies die gericht zijn op signalering van dementie en de signalering van angst en depressieve klachten bij ouderen (bijlage II-C) Bevorderen van een vroegtijdige signalering van psychische klachten gerelateerd aan het ouder worden -Kennis en herkenning van oorzaken, risicofactoren en specifieke problematiek van geheugen- en angstklachten zijn bij professionals aanwezig -Aan mensen die te maken krijgen met dementie wordt op maat hulp en ondersteuning geboden 7-b Overzicht over het aanbod van preventieve activiteiten; behoud van het Vitaliteitscentrum en de ouderenadviseurs); centraal punt waar ouderen terecht kunnen met vragen; verbeteren samenwerking tussen instellingen (bijlage II-C) Er is een aanspreekpunt waar ouderen terecht kunnen en waar hulpvraag en hulpaanbod verbonden worden -Er is één centraal punt (fysiek, digitaal en telefonisch) waar ouderen terecht kunnen en organisaties samenwerken -De (hulp)vraag van de oudere wordt direct opgepakt en adequaat afgehandeld -Er is sprake van aansluiting tussen informele en formele zorg 7-c Meer interventies die gericht zijn op het voorkomen van eenzaamheid; het voorkomen van eenzaamheid en sociaal isolement (bijlage II-C) Minder ouderen vereenzamen Jaarlijks is er een toename van 5% van het aantal ouderen dat deelneemt aan gesubsidieerde activiteiten 7-d Algemene behoefte (niet in bijlage II opgenomen) Het behartigen van de belangen van ouderen Ouderen denken mee met nieuwe ontwikkelingen en informeren elkaar en organisaties over deze ontwikkelingen of problemen Een deel van deze doelstellingen houdt verband met andere beleidsdomeinen. Waar sprake is van afhankelijkheidsverbanden tussen de uitvoering van deze doelstellingen en de mogelijkheden voor realisatie van andere doelstellingen, worden deze relaties vermeld bij de betreffende beleidsdomeinen. 7.3Uitvoering, benodigd budget en evaluatie resultaten In de volgende tabel wordt een beeld gegeven van de beoogde inzet om de gewenste resultaten te behalen. Deze inzet wordt nader uitgewerkt in uitvoeringsplannen of in overeenkomsten met de uitvoerders. In de tabel is ook een inschatting opgenomen van het benodigde uitvoeringsbudget per jaar (exclusief personele inzet gemeente). Tot slot wordt vermeld hoe de resultaten worden geëvalueerd. Beoogde uitvoering Inschatting budget per jaar Wijze van evalueren 7-a -Uitvoering door een gesubsidieerde organisatie voor het geheugenspreekuur extra. -Het verlenen van een subsidie voor het deelnemen aan ketenzorg dementie of inzet van een Wmo-consulent. € 13.250 -jaarlijks verantwoordingsgesprek -jaarverslag van ketenzorg dementie 7-b -De gemeente organiseert en faciliteert een samenwerkingsverband tussen en uitvoering van het centrale punt door professionals die werkzaam zijn op het gebied van zorg & welzijn (inclusief huisartsen en zorgkantoor). -Participatie van organisaties in relevante overleggen met andere partners op het gebied van welzijn, zorg en wonen. € 105.000 Jaarverslag van het samenwerkingsverband 7-c Uitvoering door een gesubsidieerde organisatie of meerdere gesubsidieerde organisaties voor activiteiten voor ouderen gericht op ontplooiing, educatie, ontspanning, ontmoeting en beweging € 245.000 Jaarverslag van de gesubsidieerde organisatie(
  2. s)7-d Vier keer op jaar een netwerkoverleg, te organiseren door de stichting Coördinatieorgaan Samenwerkende Wageningse Ouderenorganisaties (CSWO) € 7.000 Jaarverslag- en rekening van het CSWO 7.4 Relatie met andere doelstellingen/beleidsdomeinen De doelstellingen en de voor realisatie benodigde uitvoering op het gebied van dit beleidsdomein staan niet op zichzelf. Verschillende doelstellingen en activiteiten houden verband met andere doelstellingen, al dan niet van andere beleidsdomeinen. Voor een aantal doelstellingen geldt dat realisatie deels of zelfs volledig afhankelijk is van de uitvoering van andere doelstellingen. Deze afhankelijkheidsrelaties worden in de volgende tabel weergegeven. Relatie met andere doelstellingen/beleidsdomeinen Zie doelstelling 7-a Realisatie van deze doelstelling is grotendeels afhankelijk van uitvoering van de volgende doelstellingen: - mantelzorgers van mensen met dementie en een psychiatrische achtergrond worden extra ondersteund. 10-c 7-b Realisatie van deze doelstelling is grotendeels afhankelijk van uitvoering van de volgende doelstellingen: -betere afstemming tussen organisaties op het gebied van wonen, welzijn en zorg; -er wordt gestimuleerd dat jongeren zich inzetten voor ouderen en inwoners met een beperking; -inwoners met gezondheidsproblemen, inclusief inwoners die betrokken zijn bij GGZ problematiek, weten waar ze terecht kunnen voor informatie en hulp/ ondersteuning om te kunnen blijven participeren; -versterken van samenwerking en afstemming tussen preventie en (formele en informele) zorg. Ook met de volgende doelstellingen bestaat een afhankelijkheidsrelatie. Echter, met het totale voor dit beleidsplan beschikbare budget kunnen de betreffende doelstellingen niet worden gerealiseerd. Dit zal effect hebben op de mate waarin het gewenste resultaat van doelstelling 7-b kan worden gehaald. -ondersteunen van kwetsbare inwoners bij het versterken van zelfred-zaamheid en het vergroten van vaardigheden op het gebied van participatie; -het aantal jongeren, studenten en ouderen dat vrijwilligerswerk doet wordt verhoogd. 5-a 9-a 11-a 11-i 5-d 9-g 7-c Realisatie van deze doelstelling is deels afhankelijk van uitvoering van de volgende doelstellingen: -er wordt gestimuleerd dat jongeren zich inzetten voor ouderen; -meer inwoners doen vrijwilligerswerk voor inwoners in een kwetsbare positie. Ook met de volgende doelstelling bestaat een afhankelijkheidsrelatie. Echter, met het totale voor dit beleidsplan beschikbare budget kan de betreffende doelstelling niet worden gerealiseerd. Dit zal effect hebben op de mate waarin het gewenste resultaat van doelstelling 7-c kan worden gehaald. -het aantal jongeren, studenten en ouderen dat vrijwilligerswerk doet wordt verhoogd. 9-a 9-c 9-g 8. Meedoen mogelijk maken: minimabeleid/schuldhulpverlening Meedoen kost geld. Inwoners met een laag inkomen hebben financieel minder mogelijkheden om te participeren. Een bijstandsuitkering of een salaris ter hoogte van het minimumloon biedt weinig ruimte voor een lidmaatschap van een sportclub of een dagje uit met vrienden. Leven in armoede kan negatieve gevolgen hebben op bijvoorbeeld het gebied van gezondheid en sociale relaties 22 Zie onder andere “Effecten van armoede: derde jaarrapportage armoede en sociale uitsluiting”, G. Engbersen, 1999.. Gezien deze relaties maakt het minimabeleid onderdeel uit van het beleid maatschappelijke ondersteuning. Inwoners die door welke oorzaak dan ook in een problematische schuldensituatie terecht zijn gekomen, zien vaak geen oplossing. In een problematische schuldensituatie is het inkomen niet toereikend om aan de aflossingsverplichtingen te voldoen en de schulden nemen eerder toe dan af. Een dergelijke situatie gaat veelal gepaard met andere problematiek, zoals gezins- en/of relatieproblemen, psychische problemen en sociaal isolement. Problematiek die participatie in de weg staat. Om een problematische schuldensituatie op te lossen is hulp vereist. Deze hulp kan bestaan uit een schuldregeling, maar ook uit beheer en begeleiding om een nieuwe schuldensituatie in de toekomst te voorkomen en meedoen weer mogelijk te maken. De gemeente richt zich met haar minimabeleid en schuldhulpverlening op de financieel kwetsbare inwoners, die zonder ondersteuning onvoldoende mogelijkheden hebben om te participeren in de Wageningse samenleving. 8.1 Huidige situatie In deze paragraaf wordt weergegeven wat de uitgangssituatie is voor het minimabeleid en beleid schuldhulpverlening van de gemeente Wageningen 23 De gegevens in deze paragraaf zijn ontleend aan de gemeente, de Armoedemonitor van KWIZ, de Miniscan kengetallen op maat (Wageningen) 2010 van Stimulansz, Vilente schuldhulpverlening en aan de inbreng van maatschappelijke instellingen, burgers en raadsleden tijdens de Startbijeenkomst beleid maatschappelijke ondersteuning d.d. 17 maart 2011.. Stand van zaken Volgens een meting van Stimulansz begin 2010 is in Wageningen sprake van ongeveer 1.600 huishoudens met een inkomen tot 120% van de toepasselijke bijstandsnorm 24 Op het moment van schrijven van dit beleidsplan is 120% van de toepasselijke bijstandsnorm de grens voor het minimabeleid.. Dit is 8% van alle huishoudens in Wageningen. Het aantal kinderen in de leeftijd tot 18 jaar dat behoort tot een huishouden met een minimuminkomen tot 120% van het bijstandsniveau bedraagt ongeveer 520 kinderen (8,5% van het totaal aantal kinderen in Wageningen). Gebruik schuldhulpverlening Volgens Vilente schuldhulpverlening was begin 2011 sprake van 191 klanten, waarvan 149 personen in de fase van schuldhulpverlening/nazorg en 42 personen op de wachtlijst. Gebruik inkomensregelingen Begin 2010 is het gebruik van de regelingen door de gemeente in kaart gebracht. Per regeling was het gebruik als weergegeven in onderstaande tabel (om vergelijking mogelijk te maken is ook voor WWB, WIJ en bijzondere bijstand uitgegaan van de stand van zaken begin 2010). Geconcludeerd kan worden, dat het aantal gebruikers in vergelijking met de totale doelgroep (1.600 huishoudens met inkomen tot 120% bijstandsnorm) niet hoog is. Regeling Aantal gebruikers (huishoudens) begin 2010 WWB-gerechtigden inkomen anders dan WWB Wet werk en bijstand (WWB) en Wet investeren in jongeren (WIJ) 545 (waarvan 10 WIJ) 545 - Bijzondere bijstand 82 niet bekend niet bekend Categoriale bijzondere bijstand 35 (over heel 2010: 208 huishoudens) 25 De uitvoering van de categoriale bijzondere bijstand voor chronisch zieken, gehandicapten en 65-plussers is pas het laatste kwartaal van 2010 echt op gang gekomen, waardoor het aantal gebruikers begin 2010 een vertekend beeld oplevert. niet bekend niet bekend Collectieve aanvullende ziektekostenverzekering (Caz) 536 266 (50%) 270 (50%) Langdurigheidstoeslag 320 285 (89%) 35 (11%) Toelichting op de regelingen Regelingen die de gemeente kán en regelingen die de gemeente moét uitvoerenEen aantal regelingen moet de gemeente op grond van de wet uitvoeren. Op grond van artikel 35 en 36 WWB is de gemeente verplicht om de bijzondere bijstand en de langdurigheidstoeslag uit te voeren. Regelingen die de gemeente kán uitvoeren zijn de categoriale bijzondere bijstand en de Caz. Bijzondere bijstand Bijzondere bijstand wordt – op basis van artikel 35 WWB – verleend voor onvermijdelijke noodzakelijke kosten die niet uit het reguliere inkomen bestreden kunnen worden (zoals extra kosten openbaar vervoer in verband met ziekenbezoek, witgoed). Verschillen met categoriale bijstand zijn: de kosten worden vergoed als sprake is van een individuele noodzaak en de gemeente heeft een wettelijke plicht om bijzondere bijstand te verlenen als aan de voorwaarden is voldaan. Categoriale bijzondere bijstand voor chronisch zieken, gehandicapten en 65-plussers Ook deze vorm van bijzondere bijstand is in artikel 35 van de WWB geregeld. Bij deze regeling wordt geen onderzoek gedaan naar de noodzaak en de individuele omstandigheden van de aanvrager. Als de aanvrager behoort tot een bepaalde categorie (chronisch ziek, gehandicapt of 65-plus), dan bestaat er recht op de categoriale bijzondere bijstand. De gemeente controleert de besteding van het bedrag niet. Collectieve aanvullende ziektekostenverzekering (Caz) Met de Caz wordt aan personen die tot de doelgroep behoren een korting op de basisverzekering en de aanvullende pakketten voor ziektekosten gegeven. Daarnaast wordt een financiële tegemoetkoming van € 10,= per maand verleend voor de aanvullende premies. De Caz is een vorm van categoriale inkomensondersteuning 26 Zie Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot wijziging van WWB en WIJ d.d. 17 juni 2011, blz. 22/23.. LangdurigheidstoeslagDeze regeling wordt op grond van de WWB verstrekt aan mensen die over een aaneengesloten periode van 36 maanden een inkomen ontvingen van 100% van de toepasselijke bijstandsnorm. Het overgrote deel van de gebruikers van de Langdurigheidstoeslag ontvangt een WWB-uitkering. Mate van burgerparticipatie/burgerinitiatief De Cliëntenraad Werk en Bijstand en de Adviesraad Wmo en WI adviseren gevraagd en ongevraagd over beleid en uitvoering met betrekking tot minimabeleid en schuldhulpverlening. Voorziene ontwikkelingen (financieel/wettelijk) Op 11 oktober 2011 is het wetsvoorstel tot wijziging van de WWB (en samenvoeging van WWB en WIJ) door de Tweede Kamer aangenomen. In dit wetsvoorstel is onder andere een wijziging van artikel 35 WWB opgenomen, inhoudende dat het gemeentelijk inkomensbeleid met betrekking tot de categoriale inkomensvoorzieningen wordt genormeerd op maximaal 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. Het is op dit moment niet bekend wanneer dit wetsvoorstel aan de Eerste Kamer wordt voorgelegd. De normering geldt alleen voor categoriale inkomensvoorzieningen, niet voor de individuele bijzondere bijstand. Het wetsvoorstel heeft gevolgen voor de categoriale bijzondere bijstand en de Caz. Er is een nieuwe wet in ontwikkeling voor de onderkant van de arbeidsmarkt: de Wet werken naar vermogen (WWNV). Naar verwachting zal deze wet per 1 januari 2013 de huidige WWB, WIJ, Wajong en Wsw vervangen. Daarnaast is een nieuwe wettelijke regeling voor schuldhulpverlening in voorbereiding. 8.2Doelstellingen en gewenste resultaten (beoogd maatschappelijk effect) Met gebruik van verschillende bronnen, waaronder de bijdragen van de deelnemers aan de Startbijeenkomst beleid maatschappelijke ondersteuning welke op 17 maart 2011 heeft plaatsgevonden, zijn de maatschappelijke behoeften op dit beleidsdomein geïnventariseerd (zie bijlage II). Op grond van deze inventarisatie zijn de doelstellingen voor deze beleidsperiode beschreven. De doelstellingen zijn nader uitgewerkt in gewenste resultaten, oftewel de beoogde maatschappelijke effecten van het beleid. In de volgende tabel worden de behoeften, doelstellingen en gewenste resultaten weergegeven. De doelstellingen zijn genummerd op basis van de prioritering van alle doelstellingen (zie hoofdstuk 16). Zoals in hoofdstuk 16 wordt toegelicht, kan een aantal doelstellingen (vooralsnog) niet worden gerealiseerd met het beschikbare budget. Deze doelstellingen zijn in de tabel grijs gekleurd. Mocht in de beleidsperiode budget vrijkomen (bijvoorbeeld omdat de uitvoering van andere doelstellingen minder budget vereist dan nu ingeschat), dan wordt bekeken of meer doelstellingen kunnen worden gerealiseerd. Het prioriteitenoverzicht in hoofdstuk 16 is hierbij leidend. Toelichting op het in de tabel gebruikte begrip “minimuminkomen” Met minimum inkomen wordt bedoeld: een inkomen tot de grens van het gemeentelijk minimabeleid. Op het moment van schrijven van dit beleidsplan is deze grens 120% van de bijstandsnorm. Bij inwerkingtreding van het wetsvoorstel tot wijziging van de WWB (zie paragraaf 8.1 onder “voorziene ontwikkelingen”) wordt deze grens wettelijk verlaagd naar 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. Behoeften waarop de doelstelling is gebaseerd Doelstelling (op volgorde van prioritering) Gewenst resultaat (beoogd maatschappelijk effect) 8-a Schuldhulpbegeleiding in stand houden; laagdrempeligheid bij aanvragen om schuldhulp-verlening (bijlage II-D) Sluitende aanpak voor mensen met schulden/ financiële problemen en daarmee samenhangende problematiek -Een aanbod van schuldhulpverlening in volle breedte (preventie, integrale en curatieve schuldhulpverlening) dat toegankelijk is voor alle burgers in Wageningen, waardoor schuldproblematiek wordt voorkomen, beheerst of opgelost. -De klanttevredenheid wordt gemeten en over 2015 in een cijfer van 7 of hoger gewaardeerd. 8-b Behoefte voortkomend uit Coalitieakkoord (zie paragraaf 1.3), niet in bijlage II opgenomen De maatschappelijke organisaties in Wageningen werken samen om armoede te signaleren en te doorbreken (armoedepact) Er is een samenwerkingsstructuur tussen maatschappelijke organisaties om armoede te signaleren en gezamenlijk interventies in te zetten om armoede te doorbreken 8-c Behoefte voortkomend uit Coalitieakkoord (zie paragraaf 1.3), niet in bijlage II opgenomen Inwoners de mogelijkheid bieden verzekerd te zijn voor medische kosten die niet uit de basisverzekering vergoed worden. Er is een regeling voor aanvullende ziektekosten voor inwoners vanaf 18 jaar met een minimum inkomen 8-d Voor personen uit kwetsbare groepen is voldoende inzicht in de mogelijkheden tot ondersteuning vereist (bijlage II-D) Kwetsbare inwoners hulp en advies geven bij vragen over uitkeringen en sociaal-juridische problemen, om te voorkomen dat zij in een achterstandspositie terecht komen Alle inwoners kunnen bij vragen over sociaal juridische problemen terecht bij een centraal punt. De laagdrempeligheid en benadering vanuit dit centrale punt zijn vooral gericht op inwoners uit de kwetsbare doelgroepen. Een deel van deze doelstellingen houdt verband met andere beleidsdomeinen. Waar sprake is van afhankelijkheidsverbanden tussen de uitvoering van deze doelstellingen en de mogelijkheden voor realisatie van andere doelstellingen, worden deze relaties vermeld bij de betreffende beleidsdomeinen. 8.3Uitvoering, benodigd budget en evaluatie resultaten In de volgende tabel wordt een beeld gegeven van de beoogde inzet om de gewenste resultaten te behalen. Deze inzet wordt nader uitgewerkt in uitvoeringsplannen of in overeenkomsten met de uitvoerders. In de tabel is ook een inschatting opgenomen van het benodigde uitvoeringsbudget per jaar (exclusief personele inzet gemeente). Tot slot wordt vermeld hoe de resultaten worden geëvalueerd. Waar de tabel grijs is gekleurd, betreft het doelstellingen die met het beschikbare budget (vooralsnog) niet gerealiseerd kunnen worden. Beoogde uitvoering Inschatting budget per jaar Wijze van evalueren 8-a Uitvoering vindt plaats op grond van een uitvoerings-overeenkomst met een externe partij (aanbesteding of subsidieverlening). € 390.000 Jaarverslagen uitvoerder 8-b Uitvoering door het organiseren van een overleg tussen maatschappelijke organisaties in Wageningen die bekend zijn met de doelgroep - Jaarlijkse evaluatie resultaten overlegstructuur 8-c Uitvoering in samenwerking met zorgverzekeraars € 125.000 Gebruiksgegevens 8-d Uitvoering door Sociaal Raadslieden van Solidez op basis van subsidieafspraken. € 135.464 Jaarverslag Solidez N.B. De individuele bijzondere bijstand en de langdurigheidstoeslag zijn niet in de vorm van een doelstelling opgenomen in de voorgaande tabel en de tabel in paragraaf 8.2. De uitvoering van deze taken is namelijk voorgeschreven door de Wet werk en bijstand. Voor de uitvoering van deze taken wordt rekening gehouden met een bedrag ad € 444.481,= (zie hoofdstuk 16). 8.4 Relatie met andere doelstellingen/beleidsdomeinen De doelstellingen en de voor realisatie benodigde uitvoering op het gebied van dit beleidsdomein staan niet op zichzelf. Verschillende doelstellingen en activiteiten houden verband met andere doelstellingen, al dan niet van andere beleidsdomeinen. Voor een aantal doelstellingen geldt dat realisatie deels of zelfs volledig afhankelijk is van de uitvoering van andere doelstellingen. Deze afhankelijkheidsrelaties worden in de volgende tabel weergegeven. Relatie met andere doelstellingen/beleidsdomeinen Zie doelstelling 8-a Realisatie van deze doelstelling is deels afhankelijk van uitvoering van de volgende doelstelling: -Verminderen van problematische schulden bij jongeren 6-c 9. Voor elkaar: ondersteunen van vrijwilligerswerk Vrijwilligerswerk is de inzet die iemand verricht voor een ander, of voor een maatschappelijk doel, onbetaald en onverplicht. Vrijwilligerswerk sluit dan ook volledig aan bij de gemeentelijke visie op mens en maatschappij. Inwoners die zich vrijwillig inzetten voor een ander voelen zich verantwoordelijk voor die ander, of voor de samenleving (inzet voor sportverenigingen, cultuur, milieu e.d.). Zij zijn van grote waarde voor de solidariteit en saamhorigheid in de stad. Niet alleen voor de stad, maar ook voor de vrijwilliger zelf biedt de vrijwillige inzet veel voordelen. Het vergroot de eigenwaarde door de ervaring iets te kunnen betekenen voor een ander. Het levert sociale contacten op. Het kan een andere invulling geven aan het dagelijkse leven, door met nieuwe mensen in contact te komen. Deze aspecten van vrijwilligerswerk maken het tot een effectief instrument in het kader van maatschappelijke ondersteuning. Door zich in te zetten als vrijwilliger kan iemand zijn mogelijkheden om te participeren onderzoeken, ontwikkelen en tegelijkertijd ervaren. Inwoners van Wageningen die zich i

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.