← Nederland

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Montferland 2023 (Montferland)

In het kort

Deze beleidsregels beschrijven hoe de gemeente Montferland maatwerkvoorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning beoordeelt en uitvoert, om inwoners te helpen zelfredzaam te zijn en deel te nemen aan de samenleving.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Montferland 2023Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Montferland; Overwegende dat: Het wenselijk is om Beleidsregels op te stellen voor het beleid over en de uitvoering van te verstrekken maatwerkvoorzieningen op het terrein van de maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; Gelet op: De wet, het Verbindend Kader Sociaal Domein 2020-2024, de Verordening maatschappelijke ondersteuning Montferland 2022 en het Herziene Besluit maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Montferland 2023 Besluit vast te stellen de: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Montferland 2023 1Inleiding 1.1 Inleiding Beleidsregels ontlenen hun status aan artikel 4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht: "Een bestuursorgaan kan Beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid." Geen algemeen verbindend voorschrift Bij Beleidsregels gaat het om een bij besluit vastgestelde algemene regel niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift. Feitelijk gaat het om een geschreven geldende gedragslijn met betrekking tot een bepaald beleid. Het gaat over de vaststelling van feiten, wet interpreterend beleid of over de toepassing van de bepalingen in de Verordening. Concreet betekent dit voor de uitvoeringspraktijk dat alle (min of meer) gelijke gevallen op een gelijke manier worden afgehandeld volgens door het college vastgestelde beleid dat als zodanig ook is bekendgemaakt middels publicatie. De Beleidsregels strekken ertoe tot een goed samenhangend stelsel over de beoordeling van maatwerkvoorzieningen te komen voor inwoners van de gemeente Montferland die niet of nog niet zelf of met hulp van anderen in staat zijn tot zelfredzaamheid en participatie. De Beleidsregels volgen in principe zoveel mogelijk de opbouw van de Verordening. Er zijn dus hoofdstukken in deze Beleidsregels over de verschillende soorten maatwerkvoorzieningen die kunnen worden verstrekt en hoe het college de aanspraak daarop beoordeeld. Kernbegrippen zijn: • eigen verantwoordelijkheid; • uitgaan van te bereiken resultaten; en • het leveren van maatwerk. In artikel 1.1 van de Verordening wordt een aantal begripsbepalingen opgesomd. Het spreekt voor zich dat deze begrippen van toepassing zijn op deze Beleidsregels. Ook de bijlagen maken integraal onderdeel uit van deze Beleidsregels. De volgende bijlagen zijn opgenomen: • Bijlage 1 Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen • Bijlage 2 Onderzoek naar overbelasting • Bijlage 3 Uitgangspunten zorg ouder(

  1. s)voor kinderen • Bijlage 4 Normering hulp bij het huishouden 1.2 Opdracht Wmo 2015 aan de gemeente Gemeenten hebben op grond van de Wmo 2015 de brede verantwoordelijkheid voor de deelname van al hun burgers aan het maatschappelijke verkeer, waaronder in het bijzonder diegenen met een beperking, chronisch psychische of psychosociale problematiek. Door de decentralisatie van de (langdurige) zorg is de personenkring die aanspraak maakt op maatschappelijke ondersteuning verruimd. De melding van een behoefte aan beschermd wonen en het eventueel afhandelen van de aanvraag in verband met beschermd wonen worden door centrumgemeente Doetinchem uitgevoerd en in verband met maatschappelijke opvang gebeurt dit door centrumgemeente Doetinchem of Arnhem. Maatschappelijke opvang blijft in deze Beleidsregels onbesproken. 1.3 Wat wordt van burgers verwacht Met de Wmo 2015 wordt aangesloten bij de wil van mensen om zo lang mogelijk en zoveel mogelijk regie te nemen en te houden over hun eigen situatie door zich in te spannen om deel te nemen aan het maatschappelijk leven en elkaar, waar nodig en mogelijk, meer te helpen. Als uitgangspunt geldt dat zelfredzaamheid en meedoen in de samenleving een verantwoordelijkheid is van mensen zelf. Een beroep doen op de sociale omgeving Tot die eigen verantwoordelijkheid van de burger behoort ook dat hij een beroep doet op zijn eigen sociale netwerk alvorens hij bij de gemeente aanklopt voor hulp. Het is immers heel normaal dat mensen iets doen voor hun partner, familielid of goede vriend als die niet geheel op eigen kracht kan deelnemen aan de samenleving. Uitgangspunt is derhalve dat iedere burger eerst kijkt wat hij zelf kan doen, wat zijn sociale omgeving voor hem kan doen of wat hij zelf voor een ander kan doen. Eigen verantwoordelijkheid Wat nog meer onder de eigen verantwoordelijkheid kan worden gerekend laat zich niet makkelijk in beleidsregels vertalen. Het is namelijk (ook) afhankelijk van het individuele geval. In de Verordening zijn een aantal beperkende voorwaarden dan wel criteria opgenomen waarin de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt zit besloten. Ook in deze Beleidsregels zijn bepalingen en/of voorbeelden opgenomen die daar betrekking op hebben. Zie bijvoorbeeld hoofdstuk 6 Ondersteuning bij het schoonmaken en leefbaar houden van het huis. 1.4 Wat mogen burgers van de gemeente verwachten Geen enkele cliënt wordt op voorhand uitgezonderd van de toegang tot ondersteuning. Een ieder kan zich melden met een ondersteuningsvraag. In het onderzoek dat het college na de melding zal uitvoeren, zullen alle mogelijke voorliggende oplossingen worden betrokken en meegewogen om uiteindelijk tot een besluit te komen over het al dan niet verstrekken van een maatwerkvoorziening. In artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet staat nauwkeurig omschreven welke onderwerpen bij het onderzoek aan bod moeten komen. Het college beslist op de aanvraag of en zo ja welke maatwerkvoorziening een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin een cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. 1.5 Positie in het zorgstelsel Aanspraken op zorg zijn neergelegd in de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz). Beide wetten kunnen een belangrijke rol spelen bij de uitvoering van de Wmo 2015. Zorgverzekeringswet De persoonlijke verzorging en verpleging op grond van de Zvw zijn sinds 1 januari 2015 als aanspraak ondergebracht in het Besluit zorgverzekering (Bzv). Verzorging en verpleging omvat zorg zoals verpleegkundigen die plegen te bieden. Geneeskundige zorg omvat zorg zoals huisartsen, medisch-specialisten, klinisch-psychologen en verloskundigen die bieden, zintuiglijk gehandicaptenzorg, zorg bij stoppen-met-rokenprogramma, geriatrische revalidatie en paramedische zorg (zie met name art. 2.10 Bzv). Hoog risico op een behoefte aan geneeskundige zorg Als er sprake is van een hoog risico op een aandoening, ziekte of verergering hiervan dan valt de geneeskundige zorg die nodig is om dit te voorkomen, onder de Zvw. Er is dan sprake van geïndiceerde preventie. Dit betekent overigens dat verblijf ook aan de orde kan zijn als er nog geen sprake is van een acute aandoening, maar wel van een hoog risico op een aandoening. Het gaat in het algemeen vooral om mensen bij wie de gezondheidssituatie snel kan veranderen en verslechteren en die dikwijls al (intensief) te maken hebben met huisartsenzorg of ziekenhuiszorg. Afbakening Wmo 2015 De behoefte aan (alleen) verzorging kan echter ook meer in het verlengde van de behoefte aan integrale ondersteuning liggen. Het gaat bij deze verzorging om mensen die behoefte hebben aan ondersteuning bij Algemeen Dagelijkse Levensverrichtingen (ADL). Deze verzorging houdt geen verband met de behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. Deze behoefte aan ondersteuning bij ADL komt vooral voor bij mensen met een verstandelijke of zintuiglijke beperking of psychiatrische problematiek. Deze verzorging in de vorm van ondersteuning bij ADL is niet naar de Zvw overgeheveld, maar valt onder de Wmo 2015, net als de voorheen onder de AWBZ-aanspraken vallende begeleiding. Indien deze mensen een lichamelijke aandoening krijgen waardoor een geneeskundige hulpvraag ontstaat, zullen zij zowel verpleging als hun bij de geneeskundige hulpvraag behorende verzorging vanuit de Zvw ontvangen. Wet langdurige zorg De Wet langdurige zorg (Wlz) is het sluitstuk van ons zorgstelsel. Uitgangspunt van de Wmo 2015 is dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de maatschappelijke ondersteuning van hun ingezetene tot aan het moment dat deze een indicatie heeft voor zorg op grond van de Wlz of kan krijgen maar daarvoor geen aanvraag wil indienen. Sinds 1 januari 2021 hebben mensen die vanwege een psychische stoornis blijvend behoefte hebben aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg nodig hebben toegang tot de Wlz. Mensen met een psychische stoornis worden dan niet anders behandeld dan mensen met een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap, of mensen met een somatische of psychogeriatrische beperking of aandoening. Maatwerkvoorzieningen voor cliënten met een Wlz-indicatie of zij die zo’n indicatie kunnen krijgen kan worden geweigerd, tenzij er sprake is van een uitzondering (art. 8.6a Wmo 2015). Het college is in andere gevallen niet verplicht om een maatwerkvoorziening te verstrekken maar de Wlz en Wmo 2015 verbieden het ook niet. Het gaat om situaties waarin sprake is van een behoefte aan ondersteuning die niet door de Wlz wordt gedekt (art. 2.3.5, zesde lid, van de wet). 1.7 Kwaliteit De Wmo 2015 biedt een kader voor gemeentelijk kwaliteitsbeleid (art. 3.1 van de wet). Dit kader vereist dat een voorziening in ieder geval: • veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verstrekt; • is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en andere zorg of hulp die hij ontvangt; • wordt verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard; en • wordt verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de cliënt. 1.8 Afwegingskader Het college neemt bij de beoordeling van de aanvraag het ondersteuningsplan en indien aanwezig het persoonlijk plan als uitgangspunt. • Heeft de cliënt geobjectiveerde beperkingen in zijn zelfredzaamheid en participatie? • Wat zijn de resultaten die de cliënt wil bereiken om zijn zelfredzaamheid en participatie te bevorderen, verbeteren of te behouden? • Welke mogelijkheden heeft de cliënt zelf (al dan niet met hulp met anderen, algemene en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen) om zijn zelfredzaamheid en participatie te bevorderen, te verbeteren of te behouden? Pas als er sprake is van geobjectiveerde beperkingen én als bovenstaande bedoelde mogelijkheden naar oordeel van het college niet leiden tot een passende oplossing, komt de beoordeling van een maatwerkvoorziening aan de orde. Hierbij wordt gekozen voor de goedkoopst passende bijdrage. Dat moet blijken uit het ondersteuningsplan en indien aanwezig het persoonlijk plan van de cliënt. Ook dienen daarbij de navolgende vragen beantwoord te worden. • Zijn er weigeringsgronden en/of beperkende voorwaarden van toepassing volgens de Verordening of Besluit? • Leidt toepassing van deze Beleidsregels tot het niet verstrekken van een maatwerkvoorziening? Zie verder hoofdstuk 2 ‘Procedure van de Beleidsregels’. 2De procedure 2.1 Inleiding In de hoofdstukken 2 en 3 van de Verordening staan de procedureregels beschreven. Het gaat om de manier waarop het college omgaat met de melding van een ondersteuningsvraag van cliënten en hoe het onderzoek (het gesprek) wordt gedaan en afgerond. Daarnaast zijn regels bepaald over de aanvraag. De wettelijke termijn waarbinnen de procedure van de melding en het onderzoek moet zijn afgerond is zes weken. Voor de aanvraag geldt dat het college in beginsel binnen twee weken een besluit neemt. Om voldoende rechtsbescherming te bieden kan de cliënt, die een melding heeft gedaan, in ieder geval na zes weken altijd een aanvraag indienen. 2.2 Algemeen Bij het onderzoek zal het college in de eerste plaats nagaan wie de cliënt is, waarbij onder meer zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning en persoonskenmerken in kaart worden gebracht. Bij het vaststellen van die behoefte gaat het college na wat diens beperkingen en problemen zijn en wat de ondersteuningsvraag precies is. Het feit dat iemand een aandoening heeft hoeft niet zonder meer te leiden tot beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie. Bij het onderzoek wordt gekeken in hoeverre aan de behoefte in maatschappelijke ondersteuning binnen de grenzen van de Wmo 2015 en de Verordening kan worden tegemoetgekomen. Zie ook hoofdstuk 3 ‘Beoordelen van de aanspraak’ in deze Beleidsregels. 2.3 Melding van de ondersteuningsvraag Een ieder kan zich bij het college melden. Om te spreken van een melding wordt wel onderscheid gemaakt tussen een verzoek om informatie en advies en een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Dit is van belang omdat een melding van een ondersteuningsvraag leidt tot een onderzoek (art. 2.5 van de Verordening). Daarvan kan alleen worden afgezien, in overeenstemming met de cliënt (art. 2.5, vijfde lid, van de Verordening). Het college dient in het onderzoek na melding ook de belastbaarheid van de mantelzorgers mee te wegen. Persoonlijk plan Nadat de cliënt zich heeft gemeld wijst het college op de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen (zie begripsbepaling Verordening). De wet bepaalt dat een persoonlijk plan zeven dagen na de melding bij het college kan worden ingediend. Met het indienen van een persoonlijk plan is overigens niet gezegd dat het college gehouden is, indien een aanvraag wordt ingediend, (volledig) tegemoet te komen aan de wensen zoals die in dat plan zijn beschreven. Dat zal het college in voorkomende gevallen wel nader moeten motiveren bij de besluitvorming. Verplichte voorlichting Op het college rust de wettelijke voorlichtplicht over de bijdrage in de kosten die de cliënt verschuldigd zal zijn voor de maatwerkvoorziening of Pgb. Door de cliënt vroegtijdig en goed te informeren over de hoogte van de verschuldigde bijdrage voor zijn ondersteuning kan de cliënt een goede afweging maken of hij daadwerkelijk een aanvraag wil doen of de ondersteuning juist zelf organiseert. Ook moet het college aan de cliënt informatie over de mogelijkheden verstrekken waaronder begrepen de gevolgen van een keuze voor een pgb, zoals het blijven voldoen aan de voorwaarden. De manier waarop het college de cliënt voorlichting biedt is vormvrij. Wel moet het college er redelijkerwijs zeker van zijn dat de cliënt weet welke bijdrage in de kosten hij kan verwachten en dat hij zich bewust is van alle rechten en plichten die de keuze voor een Pgb met zich brengt. Zie verder hoofdstuk 12 ‘Persoonsgebonden budget’ van deze Beleidsregels. Cliëntondersteuning Ook rust op het college de plicht om de cliënt te wijzen om gebruikmaking van onafhankelijke cliëntondersteuning. Het college is overigens verplicht te zorgen voor de beschikbaarheid daarvan (art. 2.2.4 eerste lid en onder a van de wet). Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning van de cliënt met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). Cliëntondersteuning heeft dus niet alleen betrekking op de Wmo 2015. Preventief Cliëntondersteuning heeft een preventieve functie en kan een beroep op (zwaardere vormen van) ondersteuning voorkomen. Veel cliënten zullen zeer goed in staat zijn om zelf informatie te vergaren en eventueel zelf in staat zijn te beoordelen of de inhoud van het verslag van het college aansluit bij wat ze nodig hebben. Sommige cliënten zullen een familielid of iemand uit hun netwerk vragen om mee te denken. Deze personen kunnen ook aanwezig zijn, dan wel door het college worden uitgenodigd aanwezig te zijn bij het onderzoek. In die gevallen zal cliëntondersteuning niet nodig zijn. Verwijzen Het college kan de cliënt bijvoorbeeld verwijzen naar MEE, indien en zolang cliëntondersteuning bij deze organisatie is ingekocht. Verder is het zo dat patiëntenverenigingen of andere belangenorganisaties beschikken over vrijwilligers of beroepskrachten die als cliëntondersteuner kunnen optreden. Een cliëntondersteuner kan ook een professional zijn in dienst van een welzijnsinstelling, bijvoorbeeld een ouderenadviseur of een maatschappelijk werker. Ondersteuning bij keuzes maken Een cliëntondersteuner kan de cliënt in het gesprek helpen zijn ondersteuningsvraag te verwoorden en keuzes te maken. Het college moet ervoor zorgen dat deze cliëntondersteuning beschikbaar is voor hen die maatschappelijke ondersteuning nodig hebben of problemen hebben op andere terreinen binnen het sociale domein. Bij de melding van de ondersteuningsvraag wijst het college erop dat gebruik kan worden gemaakt van cliëntondersteuning. Onafhankelijkheid gewaarborgd Verder moet het college er zorg voor dragen dat cliëntondersteuning en het beslissen op een aanvraag niet in één hand kunnen liggen. De cliëntondersteuner moet immers onpartijdig zijn en alleen in het belang van de cliënt handelen. Spoedeisende situatie Er kunnen zich situaties voordoen waarin de cliënt die zich meldt, gelet op een spoedeisend karakter, niet kan wachten tot het college onderzoek doet naar de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Het gaat om doorgaans onvoorziene situaties die geen uitstel dulden qua het ondernemen van actie. Het ligt op de weg van de cliënt om het spoedeisende karakter aannemelijk te maken en zonodig nader te onderbouwen. Vervolgens ligt het op de weg van het college om zo nodig onverwijld een maatwerkvoorziening in zetten alvorens dus het onderzoek te doen. Welke termijn onder onverwijld wordt verstaan kan niet nader worden gedefinieerd. Het kan terstond zijn maar ook binnen bijvoorbeeld twee weken na de melding. 2.4 De aanvraag Vanaf het moment dat de cliënt een aanvraag indient, is er sprake van juridisering. Dit heeft tot doel om de rechtszekerheid van de cliënt te waarborgen. Het college beslist in principe binnen twee weken op de aanvraag. Daarop wordt een uitzondering gemaakt als het college niet in staat is dat binnen twee weken te doen omdat het aan de cliënt te wijten is dat het onderzoek niet volledig of tijdig is afgerond of het college andere informatie nodig heeft om een beslissing te kunnen nemen op de aanvraag. Denk dan vooral situaties waar een (extern) advies nodig is. Zie hoofdstuk 14 ‘Advisering’ van deze Beleidsregels. Indienen aanvraag Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek (het gesprek) is uitgevoerd, tenzij dat niet binnen zes weken is uitgevoerd (art. 2.3.2, negende lid, van de wet). Schriftelijke aanvraag Een aanvraag kan ingediend worden middels ondertekening van het ondersteuningsplan dan wel door een door het college beschikbaar gesteld aanvraagformulier. Mondelinge aanvraag Het college kan bepalen dat een aanvraag mondeling kan worden gedaan (art. 3.1, vierde lid, van de Verordening). Het gaat alleen om situaties waarin na het onderzoek en het nog op te stellen ondersteuningsplan: • volstrekt duidelijk is dat de cliënt is aangewezen op een maatwerkvoorziening, en • het college in de beschikking volledig tegemoet komt aan de wens van de cliënt, of • het eerst opsturen van een ondersteuningsplan bij de cliënt tot verwarring over de procedure kan leiden. Inhoud beschikking De cliënt moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de inhoud van de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. Mede met het oog op het te leveren maatwerk zijn in artikel 3.2 van de Verordening de onderwerpen opgenomen die in ieder geval in de beschikking worden opgenomen. 2.5 Advisering Voor de uitvoering van de wet kan het zijn dat het college advies moet vragen omdat het zelf niet ter zake kundig is. Artikel 2.7 van de Verordening bepaalt wanneer het college van deze bevoegdheid gebruik kan maken. Vereist is in ieder geval dat de beperkingen van de cliënt, of zijn huisgenoot ingeval van gebruikelijke hulp, objectiveerbaar zijn. Dit wordt vastgesteld aan de hand van reguliere onderzoeksmethoden (vergelijk CRVB:2009:BK4567 en CRVB:2012: BY0324). Zie verder hoofdstuk 14 ‘Advisering van deze beleidsregels’. 2.6 Therapeutisch karakter Blijkt uit het onderzoek dat er met de maatwerkvoorziening primair een medisch of therapeutisch doel is gediend, dan heeft de gevraagde voorziening een therapeutisch karakter. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij een aanvraag om integrale ondersteuning. In RBOBR:2019:478 legt de medisch adviseur van het college in kwestie uit dat een behandeling kan aangrijpen op verschillende aspecten van een ziekte en de daaruit voortkomende problemen en dat de behandeling verschillende doelen kan hebben. Daarbij zijn vier manieren van behandeling beschreven, te weten het aangrijpen op: 1. de aandoening zelf; 2. de stoornissen; 3. op de beperkingen die door de stoornissen ontstaan; en 4. op de handicap die de cliënt ervaart als gevolg van de beperkingen. Beoogde doelen maatwerkvoorziening De met de inzet van bijvoorbeeld integrale ondersteuning beoogde resultaten kunnen allen betrekking op aangrijpingspunt 2.: behandeling van de stoornissen, te weten het verminderen van de angst- en paniekklachten en/of zorgen voor stabilisatie. Deze therapeutische doelen hebben (bij positief effect) weliswaar mede tot gevolg dat het de zelfredzaamheid en met name de participatie van cliënt zal bevorderen, maar dit betreft slechts een secundair gevolg. In het algemeen is het zo dat (vrijwel) elke behandeling die positief aanslaat tot gevolg zal hebben dat de zelfredzaamheid en/of participatie van degene die de behandeling ondergaat wordt bevorderd. De beoogde doelen zijn dan primair gericht op de behandeling van de stoornissen van cliënt en hebben daarmee een therapeutische functie. Weigeren maatwerkvoorziening Omdat de behandeling van stoornissen niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt, zal het college de aanvraag om een maatwerkvoorziening met een primair therapeutisch karakter weigeren. Een uitzondering kan aan de orde zijn bij cliënten die, blijkens een verklaring van een deskundige, zijn uitbehandeld. Bevorderen zelfredzaamheid en participatie Het kan echter ook voorkomen dat een mogelijk therapeutisch werkende maatwerkvoorziening wordt aangevraagd met als primair doel de bevordering van de zelfredzaamheid of participatie. Denk bijvoorbeeld aan een niet algemeen gebruikelijke elektrische fiets met (zware) trapondersteuning (CRVB:2021:1595). Het feit dat de cliënt met deze fiets ook zijn gezondheid verbetert, omdat zijn conditie verbetert, vormt ook geen afwijzingsgrond. Inzetten behandeling Artikel 4.3, tweede lid aanhef en onder a, van de Verordening Het college kan bij het toekennen van een maatwerkvoorziening rekening houden met de mogelijkheid tot het inzetten van een succesvolle behandeling. Onder de Wmo 2007 is daarentegen door de CRvB geoordeeld dat als er reële behandelmogelijkheden zijn, van cliënt verwacht mag worden dat hij gebruik maakt van de behandelmogelijkheden en zich inspant om de behandeling optimaal te laten verlopen. En mocht cliënt geen gebruik willen maken van de behandeling of zich niet willen inspannen om de behandeling goed te laten verlopen, een maatwerkvoorziening geweigerd kon worden. Een dergelijke uitspraak is onder de Wmo 2015 nog niet gedaan. In het kader van de eigen kracht, mag van de cliënt gevraagd worden dat hij zich inzet om een zo goed mogelijk resultaat te behalen met behandeling. Het college kan dan rekening houden met de mogelijkheid tot het inzetten van een succesvolle behandeling. Bijvoorbeeld door een maatwerkvoorziening te verstrekken voor een beperkte duur, zodat op tijd bijgestuurd kan worden als blijkt dat minder ondersteuning nodig is vanwege een succesvolle behandeling. Training Het opnemen van een toets op zelfredzaamheid en vitaliteit en als nodig het inzetten van een training, kan een oplossing zijn om (de oudere) burgers in onze samenleving zo veel mogelijk in goede gezondheid te houden en oud te laten worden. Zowel mentaal als fysiek. Dit zal bijdrage aan een gezondere populatie en minder zorgkosten over het algemeen. Denk bijvoorbeeld aan ergotraining die bekostigd wordt op grond van de Zvw. 2.7 Weigeren aanvraag maatwerkvoorziening De wet kent slechts één weigeringsgrond. Het college is bevoegd om een aanvraag om een maatwerkvoorziening te weigeren als de cliënt een indicatie heeft of kan krijgen tot de Wet langdurige zorg (Wlz) maar daaraan geen medewerking wenst te verlenen (art. 2.3.5, zesde lid, van de wet). Dat wil zeggen dat het college bij de melding van de ondersteuningsvraag altijd onderzoekt of de cliënt een Wlz-indicatie heeft of daarvoor in aanmerking kan komen, tenzij er geen enkele aanleiding is om dat aan te nemen. Er zijn geen redenen waarom een cliënt geen aanvraag op grond van de Wlz in zou moeten dienen als aannemelijk is dat daar aanspraak op bestaat. Denk bijvoorbeeld aan een hogere eigen bijdrage. Uitzondering Er geldt één uitzondering op het mogen weigeren van een aanvraag: voor de cliënt die thuis woont mag een aanvraag om een hulpmiddel of woningaanpassing (nog) niet worden geweigerd (art. 8.6a, onder a, van de wet). Scheiden wonen en zorg (bijzondere woonvormen) Deze term duidt de financiële scheiding aan tussen de bekostiging van enerzijds de zorgverlening en anderzijds het wonen. Dit om de (eenvoudig gezegd) de langdurige zorg betaalbaar te houden en mensen langer “thuis” te kunnen laten wonen. Door de invoering van Scheiden van Wonen en Zorg gaat de cliënt zelf een bedrag betalen voor het verblijf (wonen). Dat wil zeggen: er is een huurovereenkomst voor het wonen en de cliënt geniet daardoor huurbescherming. Thuis wonen of niet? In geval van cliënten bij wie koppelbedingen in huur- en zorgovereenkomsten zijn opgenomen is de vraag of dat is toegestaan. Is er geen sprake is van huur van woonruimte als bedoeld in art. 7:232 e.v. BW dan zou dat aanleiding kunnen zijn om te bedenken dat er geen sprake is van het scheiden van wonen en zorg. Dat wil zeggen: geen sprake van thuis wonen als bedoeld in de Wmo 2015 op grond waarvan de maatwerkvoorziening kan worden geweigerd. Van belang is dat niet de verblijfs- of wooncomponent het meest kenmerkende onderdeel vormt van de huur- en zorgovereenkomst in hun onderlinge samenhang bezien, maar het verlenen van zorg op die locatie. Het kan ook voorkomen dat iemand in een onzelfstandige woonruimte woont, waarbij zorg en wonen onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en de benodigde zorg niet bepalend is voor de vraag of iemand er mag blijven wonen. Is dat wel het geval, dan is geen sprake van thuis wonen (zie ook RBOBR:2022:448). Maatschappelijke participatie en Wlz Volgens de CRvB kunnen de Wmo 2015 en de Wlz naast elkaar bestaan (CRVB:2018:3933). Dat wil zeggen dat het college verantwoordelijk kan zijn voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening als de beperkingen van de verzekerde betrekking heeft op maatschappelijke participatie. Dat valt namelijk niet binnen de reikwijdte van de Wlz. Denk bijvoorbeeld aan de Regiotaxi voor verzekerden die in een Wlz-instelling verblijven. Toepassingsvoorwaarden Het college beoordeelt eerst of aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 2.3.5, zesde lid, van de wet is voldaan. Dat wil zeggen: heeft de cliënt een Wlz-indicatie of kan hij daarvoor in aanmerking komen. Is dat het geval, dan wordt beoordeeld of er sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 8.6a van de wet. Dat wil zeggen: is er sprake van thuis wonen. Is dat het geval, dan mag een aanvraag om een woningaanpassing of een hulpmiddel niet worden geweigerd. Er wordt niet voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van art. 2.3.5, zesde lid, van de Wmo 2015. Wordt wel voldaan aan de toepassingsvoorwaarden, dan voert het college het onderzoek naar de ondersteuningsvraag uit (zie hierna). Onderzoek De procedure van artikel 2.3.2 van de wet moet in zo’n situatie volledig worden doorlopen. Uit het onderzoek zal moeten blijken wat het doel, inhoud en omvang van de ondersteuningsvraag is en de noodzaak van ondersteuning op grond van de Wmo 2015. Daaruit dat onderzoek kan blijken dat de cliënt een ondersteuningsbehoefte heeft die niet door de Wlz wordt gedekt. Het is in zo’n geval nodig dat de cliënt zijn Wlz-indicatie aan het college verstrekt. Denk bijvoorbeeld aan verzekerden die in een Wlz-instelling wonen en voor hun sociaal vervoer in aanmerking willen komen voor een gebruikerspas voor de Regiotaxi. Toepassing wettelijke kan-bepaling Opgemerkt wordt dat de grondslag voor de beslissing op de aanvraag gebaseerd moet worden op artikel 2.3.5, zesde lid, van de wet. Het gaat om de kan-bepaling van dat lid. Het college kan een maatwerkvoorzieningen weigeren maar is niet verplicht dat te doen (CRVB:2019:3171). Verder is het zo dat het college bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening niet hoeft te beoordelen of deze een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven (art. 2.3.5, derde lid tweede volzin, van de wet). Het gaat er om of het college in redelijkheid tot het besluit (afwijzen of toekennen) heeft kunnen komen (CRVB:2018:3933 en CRVB:2019:3171). 3Beoordelen van de aanspraak Artikel 2.3.5 van de wet Hoofdstuk 4 van de Verordening 3.1 Inleiding De cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Montferland kan aanspraak maken op ondersteuning van de gemeente Montferland. Door de toevoeging ‘zal hebben’ wordt cliënten niet de mogelijkheid ontnomen naar de gemeente Montferland te verhuizen. Verwezen wordt naar de begripsbepaling van hoofdverblijf in de Verordening. Wel zal de cliënt bij de keuze van een woning nadrukkelijk rekening moeten houden met de aanwezige of redelijkerwijs te verwachten beperkingen. Het gaat om situaties waarin het voor de hand ligt dat de cliënt op relatief korte termijn problemen in de woning van zijn keuze zal gaan ondervinden. Daaronder wordt in ieder geval een periode van een jaar verstaan. 3.2 Algemene criteria Bereiken van een resultaat De Wmo 2015 bestaat uit een voorzieningenstelsel waarbij op het college de verplichting rust om met dat stelsel een resultaat te bereiken waarbij de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid, participatie of het zich op eigen kracht kunnen handhaven in de samenleving. Een maatwerkoplossing kan heel divers van aard zijn. Er bestaat dus niet één oplossing; er kunnen meerdere wegen naar Rome leiden. Het is aan het college, waar mogelijk rekening houdend met de redelijke wensen van de aanvrager, om te besluiten hoe zij de aanvrager ondersteunt (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149). Wettelijk beoordelingskader Een cliënt die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Montferland komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in verband met de door hem ondervonden beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet: a. op eigen kracht; b. met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen c. met gebruikelijke hulp; d. met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel e. met gebruikmaking van algemene voorzieningen, kan verminderen of wegnemen. In de Wmo 2015 is de eigen verantwoordelijkheid van burgers nog meer verankerd en wordt daarom betrokken bij het onderzoek na de melding van de ondersteuningsvraag en de beslissing op aanvraag. Zelf of met anderen Als het college van oordeel is dat de cliënt zijn eigen verantwoordelijkheid kan nemen (lees: de beperkingen zelf kan oplossen), dan wordt de aanvraag om een maatwerkvoorziening afgewezen. Het spreekt voor zich dat het college dat telkens in het individuele geval moet beoordelen. In hoeverre medewerking kan worden gevergd van de cliënt, diens huisgenoten, zijn mantelzorger of hulpverlener of van anderen in diens omgeving, zoals familieleden, is dan ook afhankelijk van de individuele situatie. Voorbeelden Tijdens het onderzoek (meestal een gesprek met de cliënt) kunnen allerlei aan een maatwerkvoorziening voorliggende oplossingen aan de orde komen die kunnen leiden tot het oplossen dan wel verminderen van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie. Hierna staan voorbeelden genoemd wanneer de cliënt in staat kan worden geacht zijn zelfredzaamheid en/of participatie te verbeteren of op te lossen. 3.2.1 Eigen kracht Een belangrijk onderdeel van het onderzoek is de eigen kracht van de cliënt. Daaronder wordt in het algemeen dat verstaan wat binnen het vermogen van de cliënt ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie te komen. Hij zal zich in hoge mate moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien. Zo zou iemand bijvoorbeeld maatschappelijk nuttige activiteiten kunnen verrichten om zijn participatieprobleem aan te pakken. Het verrichten van dergelijke activiteiten is onder de Wmo 2015 echter niet verplicht. Tijdens het onderzoek wordt dit onderwerp wel met de cliënt besproken. Letterlijk eigen kracht Onder eigen kracht kan ook letterlijk de eigen kracht worden verstaan. Denk bijvoorbeeld aan het in staat zijn om bepaalde huishoudelijke taken (deels) zelf uit te voeren. Daarbij zal het college bijvoorbeeld rekening kunnen houden met een (rustiger) tempo waarbinnen dat gebeurt maar ook met redelijkerwijs in acht te nemen leefregels waardoor de huishoudelijke taken verspreid over de week kunnen worden uitgevoerd (CRVB:2022:308). 3.2.2 Algemeen gebruikelijke voorziening Artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat als de cliënt de beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie, naar oordeel van het college, met gebruikmaking van een algemeen gebruikelijke voorziening kan verminderen of wegnemen, er geen maatwerkvoorziening verstrekt hoeft te worden. De CRvB heeft in november 2019 een uitspraak gedaan over het begrip algemeen gebruikelijke voorziening (CRVB:2019:3535). De CRvB geeft in die uitspraak aan dat deze uitleg van dit begrip voortbouwt op en een nadere precisering is van de uitspaak CRVB:2018:2182 (zie verder hierna). De CRvB geeft aan dat een voorziening algemeen gebruikelijk is als deze: 1. niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; 2. daadwerkelijk beschikbaar is; 3. een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie en; 4. financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. De beoordeling Het college beoordeelt aan de hand van de vier genoemde punten of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de weg staat. 1.Niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking Bij het eerste criterium wordt bepaald of een voorziening specifiek bedoeld is voor de doelgroep van de Wmo 2015. Dat betekent (eenvoudig gezegd) dat iemand hierover beschikt of zou kunnen beschikken ongeacht het hebben van beperkingen (CRVB:2016:614). Of een beoogde algemeen gebruikelijke voorziening niet specifiek bestemd is voor personen met een beperking is ook afhankelijk van technische ontwikkelingen en nieuwe maatschappelijke normen. In het algemeen zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen in de reguliere handel verkrijgbaar. Bijvoorbeeld een eenhendelmengkraan, toiletverhoger of wandbeugel in een bouwmarkt of een boodschappendienst bij de supermarkt. In Bijlage 2 van deze Beleidsregels is een niet-limitatief aantal algemeen gebruikelijke voorzieningen opgenomen. 2.Daadwerkelijk beschikbaar Bij het tweede criterium geldt dat als de voorziening niet daadwerkelijk beschikbaar is voor de aanvrager, deze niet als algemeen gebruikelijke voorziening kan worden aangemerkt. Een boodschappenservice moet bijvoorbeeld wel door de supermarkt worden geboden. 3.Levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënttot zelfredzaamheid of participatie in staat is Bij het derde criterium gaat het om maatwerk. Dat wil zeggen: er wordt bekeken of de beoogde algemeen gebruikelijk voorziening een passende bijdrage levert aan de situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid en participatie in staat is. Een elektrische fiets kan bijvoorbeeld een passende bijdrage zijn. Of een voorziening passend is, hangt af van de concrete situatie van de cliënt. De boodschappendienst moet bijvoorbeeld wel gebruikt kunnen worden door de cliënt gelet op diens beperkingen. 4.Kan financieel worden gedragen met een inkomen op minimumniveau Onder een minimum inkomen wordt een inkomen op bijstandsniveau verstaan. Het vierde en laatste criterium gaat over de hoogte van de kosten van de beoogde algemeen gebruikelijke voorziening. Het gaat bij de hoogte om de ondergrens van een inkomen op minimumniveau: Er wordt dus niet gekeken of de persoon van de aanvrager het kan betalen. Voor de “eenmalige” aanschaf van een algemeen gebruikelijke voorziening hanteert het college het volgende beleidsuitgangspunt. Hoogte van de kosten Het bedrag voor eenmalige kosten dat kan worden gedragen met een minimum inkomen is gebaseerd op: 1. de aflossingsduur van 36 maanden die in Montferland geldt (of kan gelden) voor leenbijstand in de vorm van bijzondere bijstand (gebruiksgoederen); 2. een aflossing van 5% van de norm voor een alleenstaande, alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd of gehuwden jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd (art. 21 van de Participatiewet). Het percentage sluit aan op dat wat buiten de beslagvrije voet valt. Aansluiting op deze systematiek is in de rechtspraak redelijk bevonden (RBDHA:2021:2084). Rekenvoorbeelden bedragen diverse leefvormen 1. Alleenstaande en alleenstaande ouder. 5% van de bijstandsnorm € 1.101,82 [bedrag per 1 juli 2022] = € 55,09 x 36 maanden = € 1.983,28. Dit bedrag geldt voor een periode van 36 maanden. 2. Gehuwden of daarmee gelijkgestelden. 5% van de bijstandsnorm € 1.574,03 [bedrag per 1 juli 2022] = € 78,70 x 36 maanden = € 2.833,26. Dit bedrag geldt voor hen gezamenlijk voor een periode van 36 maanden. Voor de berekening wordt de hoogte van de bijstandsnorm gebruikt die geldt op het moment van de aanvraag. De bijstandsnormen worden twee per jaar aangepast; op 1 januari en op 1 juli. Kosten elektrische fiets Onderzoek op internet wijst uit dat een elektrische fiets met een voorwielmotor ongeveer € 1.200 kost en met een middenmotor ongeveer € 1.700. Bedenk daarbij overigens dat er regelmatig interessante aanbiedingen zijn waarbij een hoge inruilwaarde kan gelden voor de ‘oude’ fiets. Meerkosten Het kan ook voorkomen dat het college alleen de noodzakelijke meerkosten bij een algemeen gebruikelijke voorziening verstrekt. Het gaat dan om (een deel van) de voorziening die specifiek voor personen met een beperking bestemd is. Voorbeelden hiervan zijn: • De aanpassingen aan een bakfiets die nodig zijn voor bijvoorbeeld zuurstoffles. • Geveerde zijwielen aan een fiets. Dit is geen limitatief overzicht, er zijn meer voorbeelden denkbaar. Kosten boodschappendienst Een boodschappendienst kan worden aangemerkt als een algemeen gebruikelijke voorziening die aan het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de weg staat (CRVB:2019:397). Bezorgkosten van een boodschappendienst die € 4,95 per keer bedragen waarbij een minimum bestelbedrag van € 70 geldt kunnen in ieder geval worden gedragen uit een inkomen op minimumniveau (CRVB:2017:1302). Bedenk ook dat bepaalde boodschappen opgespaard kunnen worden. Dat wil ook zeggen dat de kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt als algemeen gebruikelijke voorziening worden aangemerkt. Het feit dat de kosten van zo’n maaltijd hoger zijn dan het Nibud berekent maakt dat niet anders. Zie verder hoofdstuk 6 hulp bij het huishouden. Besteding pgb Het spreekt voor zich dat de cliënt het pgb niet mag besteden aan een algemeen gebruikelijke voorziening (zie art. 10.2, eerste lid onder a, van de Verordening). 3.2.3 Gebruikelijke hulp Artikel 1.1.1, eerste lid, van de wet en artikel 4.5 van de Verordening In Wmo 2015 staat voorop dat allereerst wordt bezien of en zo ja in hoeverre iemand zelf dan wel met gebruikelijke hulp in staat is zijn problemen op te vangen. In onze samenleving wordt het normaal geacht dat de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk hun rol nemen in het huishouden, zeker daar waar er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Gebruikelijke hulp vloeit rechtstreeks voort uit de sociale relatie, waarin het voeren van een gemeenschappelijk huishouden een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van dat huishouden met zich meebrengt. In de Verordening is bepaald wat in ieder geval onder gebruikelijke hulp wordt verstaan. Het college bespreekt samen met de cliënt die zijn ondersteuningsvraag meldt wat redelijk is ook in het kader van deze Beleidsregels. Zie verder hoofdstuk 4 ‘Gebruikelijke hulp’ van deze Beleidsregels. 3.2.4 Mantelzorg en hulp van personen uit het sociale netwerk Een mantelzorger kan een huisgenoot zijn, maar dat hoeft niet. Mantelzorg gaat verder dan gebruikelijke hulp. Mantelzorg is de hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zvw, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep. Het verlenen van mantelzorg is vrijwillig en dus niet afdwingbaar, maar voelt vaak als een vanzelfsprekendheid. Zie verder hoofdstuk 5 ‘Mantelzorg’ van deze Beleidsregels. Sociaal netwerk Bij het sociaal netwerk gaat het om personen uit de huiselijke kring (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). Daaronder kunnen een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot, geregistreerd partner of andere personen vallen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. Net als mantelzorg is het bieden van ondersteuning door personen uit het sociale netwerk niet afdwingbaar. Wel is het zo dat het in principe aan cliënt is om zijn sociale netwerk te vragen of zij hem kunnen en willen ondersteunen opdat zijn beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie worden verminderd of weggenomen. Deze personen kunnen ook worden uitgenodigd bij het onderzoek. 3.2.5 Gebruik maken van algemene voorzieningen Het college is gehouden algemene voorzieningen te treffen ter bevordering van de zelfredzaamheid en participatie die noodzakelijk zijn ter uitvoering van het Beleidsplan over het te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. Daarbij wordt ook benadrukt dat een algemene voorziening in de daarvoor geschikte situaties een voorliggend en volwaardig alternatief is voor een maatwerkvoorziening. Of dit in een individueel geval ook zo is, onderzoekt het college indien door of namens een cliënt een melding is gedaan met de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Algemene voorzieningen kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het meer inclusief maken van de samenleving, zodat mensen met beperkingen zoveel mogelijk in staat worden gesteld om op gelijke voet te participeren. Wat is een algemene voorziening Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). Algemene voorzieningen worden getroffen door het college en zijn, zoals ook blijkt uit de definitie, laagdrempelig toegankelijk. Dit neemt niet overigens niet weg dat het college algemene voorzieningen kan treffen die bestemd zijn voor burgers met specifieke persoonskenmerken, bijvoorbeeld ouderen. Voorbeelden van algemene voorzieningen voor een zinvolle daginvulling zijn: de stadskamer ‘s-Heerenberg en de dorpskamer Didam. 3.2.6 Overige voorliggende oplossingen Ook andere voorliggende oplossingen kunnen in aanmerking worden genomen tijdens het onderzoek en opgenomen worden in het ondersteuningsplan. Daar wordt de beslissing op de aanvraag om een maatwerkvoorziening op gebaseerd. Het zal namelijk niet altijd zo zijn dat het college deze voorliggende oplossingen heeft gecontracteerd als algemene voorziening. Denk bijvoorbeeld aan vrijwilligers die als boodschappenmaatje kunnen fungeren. Het kan ook gaan om vrijwilligers bij een manege. Denk in dat kader ook aan een rijinstructeur die een cliënt kan helpen (CRVB:2018:3348). Het kan zo zijn dat deze voorliggende oplossingen passend zijn gelet op de beperkingen die de cliënt ondervindt in zijn zelfredzaamheid of participatie. Het college zal moeten vaststellen waaruit de activiteiten bestaan en of de activiteiten een passende oplossing zijn voor de problemen die de cliënt heeft. Wanneer het gaat om vrijwilligers zal het college moeten vaststellen dat zij beschikbaar en geschikt zijn. 3.2.7 Geheel aan maatregelen en afstemmen Onder omstandigheden kan een maatwerkvoorziening ook een op maat van de persoon gesneden afgestemd geheel van maatregelen zijn. Daarbij kan het gaan om vormen van hulp die beschikbaar zijn ter ondersteuning van verschillende cliënten, maar ook om op maat voor iemand bedachte oplossingen. Denk bijvoorbeeld aan het concreet tot stand brengen van contact (afspraak) tussen de vrijwilligersorganisatie en de cliënt (vergelijk CRVB:2011:BR7013). Het geheel van maatregelen kan ook betrekking hebben op de afstemming van de maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 2.3.5, vijfde lid, van de wet. Afstemmen Bij het onderzoek moet het college bij de cliënt informeren of hij op andere terreinen binnen het sociale domein zorg, ondersteuning of diensten ontvangt. De eventueel toe te kennen maatwerkvoorziening wordt daar, als daartoe aanleiding is, op afgestemd (art. 2.3.5, vijfde lid, van de wet). Doel is te komen tot een zo goed mogelijk op elkaar afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan ondersteuning van zelfredzaamheid en participatie. 3.3 Specifieke criteria Artikel 4.3, eerste lid onder a, van de Verordening Niveau van maatschappelijke ondersteuning De verplichting van het college om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat niet zo ver dat de cliënt in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 149). Het behoeft geen toelichting dat dit in bepaalde gevallen ook helemaal niet mogelijk is. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de cliënt was voor hij ondersteuning nodig had. Wat redelijk is laat zich niet vertalen in beleidsregels; het gaat immers om maatwerk. Het gaat erom dat de cliënt in redelijke mate in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie (CRVB:2022:224). Daarbij wordt ook de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt niet uit het oog verloren. Voorliggende voorziening Artikel 4.3 tweede lid onder a en 1.1, eerste lid onder v van de Verordening(begripsbepaling) Zoals gezegd speelt de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt in de Wmo 2015 een belangrijke rol. Dat betekent dat het in principe onder de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt valt om een beroep te doen op een ‘andere wettelijke regeling’ die een aanspraak meebrengt met het oog op de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Denk aan het gebruik maken van een aanvullende zorgverzekering waarover de cliënt beschikt of gebruik te maken van bijvoorbeeld ergotherapie (vergelijk CRVB:2011:BT7241 en CRVB:2013:CA1427), ook al is die niet in alle gevallen dekkend. Onder de eigen verantwoordelijkheid valt ook de inzet van gelden uit een dergelijke aanspraak met het oog op een specifieke bestemming. Denk bijvoorbeeld aan een vervoerskostenvergoeding op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (vergelijk CRVB:2012:BV9433). In redelijkheid te verwachten Artikel 4.3 tweede lid onder c van de Verordening De toepassing van de wet dan wel de bepaling in de Verordening heeft betrekking op de eigen verantwoordelijkheid van cliënt. Daaronder kan eigen kracht worden verstaan. Herinrichting woning Van de cliënt mag worden verwacht dat de woning zodanig wordt ingericht of heringericht dat wordt voorkomen dat een woningaanpassing moet worden verstrekt (vergelijk CRVB:2011:BQ8290 en CRVB:2016:429). Aanspreken woningeigenaar Van de cliënt mag worden verwacht dat hij de woningeigenaar regelmatig met goede pogingen aanspreekt om gebreken in de woning te doen wegnemen. Denk bijvoorbeeld aan het oplossen van vocht en schimmelplekken. Is de aanvrager de eigenaar van de woning, dan zal hij dat zelf moeten realiseren. Privaatrechtelijke verbintenis Het college mag verwachten dat de cliënt een aanspraak op grond van een privaatrechtelijke verbintenis (waaronder een verbintenis uit overeenkomst) naar volle vermogen te gelde probeert te maken. Dat is gebruikelijk om te doen (vergelijk CRVB:2011:BQ4115). Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarin de cliënt mag verwachten dat de woning in overeenstemming is of wordt gebracht met de contractuele bepalingen. Risicosfeer Artikel 4.3, tweede lid onder d, van de Verordening Het is niet mogelijk limitatief te bepalen wanneer sprake is van omstandigheden die als ‘risicosfeer’ worden aangemerkt en daarmee voor rekening moeten blijven van de cliënt. In voorkomende gevallen betekent dit concreet dat de aanvraag om een maatwerkvoorziening kan worden geweigerd. Het gaat in ieder geval over keuzes die de cliënt maakt of heeft gemaakt die hem door het college kunnen worden tegengeworpen. Denk bijvoorbeeld aan de aankoop van een woning die niet geschikt is in verband met de iemands beperkingen of verhuizen naar een woning waarvan te voorzien is dat daarin beperkingen zullen worden ondervonden (CRVB:2022:515, CRVB:2021:3070, CRVB:2020:944, CRVB:2019:2951). Dat is bijvoorbeeld het geval als de cliënt rolstoelgebruiker is en verhuist naar een woning met een trap maar zonder traplift. In de Verordening is verder nader invulling gegeven aan de bedoelde omstandigheden die betrekking hebben op de risicosfeer van de cliënt in geval van aanvragen om woningaanpassingen of een traplift. In artikel 8.3 van de Verordening is nader invulling gegeven aan omstandigheden die betrekking hebben op de risicosfeer van de cliënt. 3.4 Uitgangspunten maatwerkvoorziening en persoonsgebonden budget Artikel 4.4 van de Verordening 3.4.1 Maatwerkvoorziening gerealiseerd vóór de melding Het kan voorkomen dat de cliënt zijn ondersteuningsvraag pas meldt nadat de maatwerkvoorziening is gerealiseerd. Bijvoorbeeld de badkamer is aangepast en pas daarna wendt de cliënt zich met de ondersteuningsvraag tot het college. Of een cliënt die eerst verhuist van een ongeschikte naar een geschikte woning en daarna een vergoeding van de kosten wenst. Voor die situaties bepaalt de Verordening dat de maatwerkvoorziening wordt geweigerd omdat deze grondslag niet in de wet zelf is opgenomen (CRVB:2017:433, CRVB:2020:1099). In de praktijk zal het gaan om een verzoek de gemaakte kosten te vergoeden want een (gerealiseerde) maatwerkvoorziening in natura kan niet terugwerkende kracht worden verstrekt. Onbekendheid van cliënten met de geldende regelingen komen in principe voor eigen rekening en risico (vergelijk CRVB:1993:ZB2748). 3.4.2 Maatwerkvoorziening gerealiseerd vóór besluitname Het kan ook voorkomen dat de cliënt een maatwerkvoorziening realiseert hangende de procedure van de melding en de beslissing op de aanvraag. Dat wil zeggen: de cliënt heeft de beslissing op de aanvraag niet afgewacht. In zo’n situatie wordt de maatwerkvoorziening (al dan niet in de vorm van een pgb) alleen verstrekt als de cliënt het college om toestemming heeft gevraagd en die toestemming schriftelijk heeft verkregen. Denk bijvoorbeeld aan een situatie waarin de cliënt een woning kan verkrijgen waar nog aanpassingen voor nodig zijn en de normale procedure niet kan afwachten omdat de woning dan aan iemand wordt toegewezen of verkocht. Het kan ook voorkomen dat de cliënt tijdens de procedure een elektrische fiets of scootmobiel aanschaft zonder daarvoor toestemming te vragen. Het college kan ook dan de aanvraag afwijzen omdat de maatwerkvoorziening is gerealiseerd voordat is besloten. 3.4.3 Nog niet gerealiseerd, noodzaak achteraf vaststellen Er kan ook sprake zijn van een nog niet gerealiseerde maatwerkvoorziening voordat de cliënt zijn ondersteuningsvraag heeft gemeld of het college heeft beslist op de aanvraag. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin de cliënt al is begonnen met het aanpassen van de badkamer maar deze nog niet klaar is (gerealiseerd). Echter door zich niet eerder te melden kan het zijn dat het college de mogelijkheid is ontnomen om nog te kunnen beoordelen of er een noodzaak is voor een maatwerkvoorziening. En zo ja, welke. Kan het college de noodzaak nog wel vaststellen, dan kan worden overgegaan tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening dan wel in de vorm van een pgb die als goedkoopst passende bijdrage wordt aangemerkt (vergelijk CRVB:2012:BV5418). De vraag is of het college op dat moment nog, aan de hand van bijvoorbeeld bouwtekeningen of foto’s, kan vaststellen dat de al in gang gezette aanpassing noodzakelijk was, en zo ja wat de goedkoopst passende bijdrage is. 3.4.4 Nieuwe pgb-aanvraag binnen budgetperiode Aan de cliënt kan een pgb worden verstrekt als wordt voldaan aan de verschillende voorwaarden. Dat wil feitelijk zeggen dat het college heeft vastgesteld dat de budgethouder, al dan niet met hulp van diens vertegenwoordiger, verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gebruik (besteding) van het pgb binnen de geldende budgetperiode. Een cliënt kan zich echter binnen de budgetperiode opnieuw melden. Het pgb hoeft niet uitsluitend aan de geïndiceerde maatwerkvoorziening te worden besteed, maar wel voor het doel (resultaat) waarvoor het pgb is verstrekt (bijv. CRVB:2018:3102). Heeft de cliënt het pgb binnen de budgetperiode volledig besteed en is de maatwerkvoorziening verloren gegaan, dan verstrekt het college niet opnieuw een pgb (CRVB:2018:818). Onder verloren gaan wordt bijvoorbeeld verstaan het niet meer functioneren van een tweedehands voorziening die met het volledige toegekende pgb is aangeschaft. De gevolgen van de door de budgethouder gemaakte keuze in de besteding van het pgb komen namelijk voor diens rekening en risico. Dat is alleen anders als de maatwerkvoorziening weliswaar verloren is gegaan maar dat niet aan de budgethouder is te wijten. Ook bij gewijzigde omstandigheden in de ondersteuningsbehoefte zal er geen aanleiding zijn om een pgb op voorhand te weigeren. 3.4.5 Ingangsdatum diensten Wordt een aanvraag gedaan voor een dienst, zoals huishoudelijke ondersteuning, die al door de cliënt is gerealiseerd, kan er wel een indicatie voor een maatwerkvoorziening worden verstrekt. Er wordt in principe niet met terugwerkende kracht geïndiceerd (zie hiervoor en vergelijk CRVB:2019:772). Dit laat overigens onverlet dat de inzet van een maatwerkvoorziening in natura bij spoedeisende gevallen onverkort van toepassing blijft. 3.4.6 Technisch geschikte maatwerkvoorziening De ondersteuningsvraag kan gericht zijn op het vervangen van een eerder met een pgb aangeschaft hulpmiddel, zoals een scootmobiel of een tillift. Is de budgetperiode verstreken, dan geldt het volgende uitgangspunt. Voldoet de eerder met het pgb aangeschafte maatwerkvoorziening nog aan de daaraan te stellen kwaliteitseisen, dan beoordeelt het college of het verstrekken van een pgb voor reële instandhoudingskosten als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. In de praktijk gaat het om (zelf aangeschafte) maatwerkvoorzieningen die technisch gezien nog niet zijn afgeschreven. Dat wil zeggen dat ze nog voldoen in de zin van kwaliteit én het resultaat dat bereikt moet worden. De strekking van deze bepaling heeft ook betrekking op de maatwerkvoorziening in natura. Het ligt op de weg van de cliënt om zijn ondersteuningsvraag te onderbouwen. Dat wil zeggen dat vervanging van het hulpmiddel noodzakelijk is. Het kan zijn dat het college een onderzoek doet of laat doen naar de technische geschiktheid van maatwerkvoorziening waarvoor vervanging wordt gevraagd. 3.4.7 Afdoende verzekeren Neemt de cliënt een maatwerkvoorziening (al dan niet aangeschaft met een pgb) mee naar het buitenland, dan is hij/zij verantwoordelijk een afdoende verzekering af te sluiten tegen verlies, schade of diefstal. In de praktijk zal het meestal gaan om een hulpmiddel zoals een rolstoel. 3.4.8 Afsluiten opstalverzekering Het is van belang dat de te verzekeren waarde van de woning dan wel de waarde van de verstrekte woningaanpassing, waaronder een woonunit, is gedekt voor het risico van schade. Daarom zal de cliënt aan wie een woningaanpassing voor de eigen woning is verstrekt, al dan niet in de vorm van een pgb, moeten zorgen voor een (aangepaste) opstalverzekering. 3.5 Primaat en kortdurende maatwerkvoorziening Primaat collectieve maatwerkvoorziening Het hanteren van primaten is een verbijzondering van het uitgangspunt dat het college de goedkoopst passende bijdrage verstrekt (art. 5.2, eerste lid, van de Verordening). De hoofdregel is dat het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening geldt. Denk bijvoorbeeld aan het collectief vervoer (zoals de Regiotaxi) in plaats van een individuele vervoersvoorziening. Zie verder hoofdstuk 10 van deze beleidsregels. Kortdurend en ontwikkelingsgericht De maatwerkvoorziening kan ook voor een kortdurende periode worden verleend. De maatwerkvoorziening wordt dan ontwikkelingsgericht ingezet hetgeen aansluit bij de bedoeling van de wetgever. Met ontwikkelingsgerichte ondersteuning wordt beoogd de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt te versterken of verbeteren. Daaronder kan ook toeleiding naar algemene voorzieningen of zorg op grond van de Zvw worden verstaan. Verder kan een kortdurende maatwerkvoorziening aan de orde zijn als degene van wie gebruikelijke hulp mag worden verwacht dat (nog) niet kan maar dat wel kan leren. 3.6 Bijdrage in de kosten Hoofdstuk 11 van de Verordening Cliënten aan wie één of meerdere maatwerkvoorzieningen is verstrekt zijn daarvoor een bijdrage in de kosten verschuldigd: het abonnementstarief. Het gaat om een vast bedrag per maand, ongeacht het aantal maatwerkvoorzieningen. Het abonnementstarief wordt door het CAK altijd volledig in rekening gebracht bij degene die een bijdrage verschuldigd zijn. Dit volgens de Verordening en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Het kan voorkomen dat een cliënt tijdelijk geen gebruik maakt van de maatvoorziening(
  2. en)of het pgb. Het valt binnen de beleidsvrijheid van het college om te bepalen of het abonnementstarief wordt opgeschort bij tijdelijk niet-gebruik (TK 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 155-157). 3.6.1 Beleidsuitgangspunten tijdelijk niet gebruik Abonnementstarief Als uitgangspunt geldt dat het verschuldigd zijn van het abonnementstarief wordt opgeschort bij het niet-gebruik van de maatwerkvoorziening van drie maanden of meer waarvoor het abonnementstarief verschuldigd is. Het gaat dus niet om situaties waarin meerdere maatwerkvoorzieningen zijn verstrekt en slechts één daarvan tijdelijk niet wordt gebruikt. Beschermd wonen Indien een cliënt met een indicatie voor beschermd wonen tijdelijk elders verblijft maar de plek wel voor de cliënt beschikbaar (bezet) blijft, dan blijft de bijdrage in de kosten verschuldigd. Onder tijdelijk wordt een periode van drie maanden verstaan. 3.6.2 Bijdrage niet verschuldigd Het college is bevoegd om te bepalen dat de cliënt (tijdelijk) geen bijdrage verschuldigd is (art. 3.8, derde lid onder g en h, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015). Tijdelijk geen betalingscapaciteit Het gaat om cliënten die tijdelijk door (abrupte) veranderingen in de betalingscapaciteit door bijvoorbeeld bijzondere omstandigheden geen mogelijkheid hebben de bijdrage (tijdelijk) te voldoen. De bevoegdheid is nadrukkelijk bedoeld voor het ontbreken van betalingscapaciteit en niet het ontbreken van inkomen en vermogen. Dat betekent dat iemand geen beschikking heeft over voldoende vrij besteedbaar inkomen om aan de betalingsverplichtingen te voldoen. Het college berekent de betalingscapaciteit op basis van de individuele situatie. Zorgmijders Het gaat bij zorgmijders specifiek om cliënten die de stap naar ondersteuning niet kunnen of willen maken. Meestal is er sprake van een vorm van verwaarlozing. Het kan voorkomen dat het vragen van een eigen bijdrage maakt dat de stap naar ondersteuning niet wordt gezet. Dat wil zeggen: het opleggen van een eigen bijdrage heeft nadelige gevolgen voor de doelstellingen van een integrale dienstverlening of persoonsgerichte aanpak van een cliënt die gericht is op het zich kunnen handhaven in de samenleving, het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving blijven of de veiligheid en leefbaarheid in Montferland. In die gevallen kan het college besluiten om tijdelijk geen eigen bijdrage op te leggen. 3.7 Regresrecht Artikel 2.4.3 van de wet Een onrechtmatige daad is in het burgerlijk recht de term voor een fout die een ander schade berokkent. In het algemeen betekent dit dat degene die een onrechtmatige daad heeft begaan, ervoor verantwoordelijk is de hieruit voortkomende schade te vergoeden. Door een onrechtmatige daad kan een cliënt aangewezen zijn op een maatwerkvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan de gevolgen van een ongeval. Regres plegen Het college heeft de bevoegdheid regres te plegen en de schade te verhalen op degene die de een onrechtmatige daad heeft begaan. Gemeenten kunnen besluiten om de Wmo-kosten zelf te verhalen, maar kunnen ook opdracht geven aan een in het aansprakelijkheidsrecht gespecialiseerd advocatenbureau. De datum van de onrechtmatige daad is bepalend: plaatsgevonden op of ná 1 januari 2019. Daarvoor waren convenanten van toepassing op grond waarvan deelnemende gemeenten geen zelfstandig regres hoefden te plegen. Erkenning van de onrechtmatige daad kan overigens een langdurige kwestie zijn, maar dat hoeft niet per se. Het college kan vanzelfsprekend niet meer verhalen dan wat daadwerkelijk aan de cliënt is verstrekt. Het ligt verder voor de hand dat de cliënt zelf ook een procedure voert om overige geleden schade te verhalen op de aansprakelijke partij of diens verzekeraar. Erkenning onrechtmatige daad Op het moment dat de onrechtmatige daad wordt erkend, kan de aansprakelijke partij of diens verzekeraar voorschotten verstrekken. Op dat moment hoeft het college geen maatwerkvoorziening (meer) te verstrekken. Gebruik formulier Het college kan ook gebruik maken van het model-schadeformulier voor de declaratie van regreskosten. Het formulier is beschikbaar via de website van de VNG. 4Gebruikelijke hulp Artikel 1.1.1, eerste lid, van de wet (begripsbepaling) en 4.5 van de Verordening 4.1 Inleiding Gebruikelijke hulp is in de wet gedefinieerd als hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). Gebruikelijke hulp strekt zich daarom alleen uit tot personen die met de cliënt woonachtig zijn in een woning (leefeenheid). Onder een huisgenoot wordt iedere andere persoon verstaan die tot de leefeenheid van de cliënt kan worden gerekend. In dit hoofdstuk wordt verder de term partner gebruikt omdat er een verschil kan zijn wat van een partner of een andere huisgenoot wordt verwacht. Met een partner wordt bedoeld: echtgenoot, geregistreerde partner of zij die een gezamenlijke huishouding voeren als bedoeld in artikel 1.1.2 van de wet. 4.2 Algemene uitgangspunten Naar oordeel van het college Het is ter beoordeling aan het college of gebruikelijke hulp kan worden verlangd van huisgenoten. Daarbij geldt als uitgangspunt dat in onze samenleving het normaal wordt geacht dat de partner, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten waar nodig en mogelijk hun rol nemen in het huishouden, zeker daar waar er sprake is van een huisgenoot met een beperkte zelfredzaamheid. Een huishouden heeft in dit kader niet alleen betrekking op de huishoudelijke taken maar moet in een breder verband worden opgevat. Ondervindt een huisgenoot beperkingen in zijn zelfredzaamheid of participatie, dan heeft dat betrekking op het (functioneren van het) huishouden binnen de leefeenheid. Gezamenlijke verantwoordelijkheid Gebruikelijke hulp vloeit rechtstreeks voort uit de ‘sociale relatie’ tussen huisgenoten, waarin het gemeenschappelijk voeren van een huishouden een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van dat huishouden met zich meebrengt. Gebruikelijke hulp is dan ook de normale, dagelijkse hulp die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden. Wet modernisering regelingen voor verlof en arbeidstijden (Stb. 2014, 565) Met dit op 1 april 2016 van kracht geworden wetsvoorstel zijn de regels voor verlof in de Wet arbeid en zorg en de Wet aanpassing arbeidsduur vereenvoudigd. Denk aan het gebruik van verlofrechten en de mogelijkheid van aanpassing van de arbeidsduur. Ook is het opnemen van ouderschapsverlof, adoptie- en pleegzorgverlof en langdurend zorgverlof eenvoudiger geworden. De reikwijdte van het kort- en langdurend zorgverlof is uitgebreid naar werknemers die zorgen voor andere huisgenoten dan partner, ouder of kind. De personenkring voor het kort- en langdurend zorgverlof is uitgebreid met familieleden in de tweede graad en anderen met wie de werknemer een sociale relatie heeft. De werkingssfeer van het langdurend zorgverlof is verbreed met de zorg voor zieken en hulpbehoevenden. Deze regels kunnen betrokken worden bij de vraag of gebruikelijke hulp kan worden verlangd van de huisgenoot. Indien aanspraak gemaakt kan worden op deze wet wordt deze aangemerkt als een voorliggende voorziening. Het college moet bij de beoordeling wel rekening houden met het verlies aan inkomsten bij gebruikmaking van dergelijk verlof. Ouderschapsverlof Vanaf 2 augustus 2022 hebben ouders recht op negen weken betaald ouderschapsverlof. Per genoemde datum geldt 70% (in plaatst van 50%) van het dagloon. Ouders kunnen dat verlof aanvragen als de negen weken worden opgenomen in het eerste levensjaar van het kind. In totaal hebben ouders recht op 26 weken ouderschapsverlof in de eerste zeven jaar van een kind. Als niet alle negen weken betaald verlof worden opgenomen in het eerste jaar kunnen deze worden toegevoegd aan de resterende 17 weken ouderschapsverlof. Deze weken zijn onbetaald. Het blijft voor werkgevers en werknemers wel mogelijk om daar aanvullende afspraken over te maken, bijvoorbeeld in de CAO. Het college moet bij de beoordeling wel rekening houden met het verlies aan inkomsten bij gebruikmaking van dergelijk verlof. 4.3 Afwegingskader Onderzoek Uitgaande van de ondersteuningsvraag worden tijdens het onderzoek de problemen geïnventariseerd die de cliënt heeft in zijn zelfredzaamheid of participatie. Op basis daarvan stelt het college vast welke resultaten bereikt moet worden (zie 7.7 van deze beleidsregels). Pas dan kan op juiste wijze worden vastgesteld of gebruikelijke hulp mag worden verwacht van huisgenoten (bijv. CRVB:2018:3243 en CRVB:2018:3108). Het college baseert zich bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp op de volgende feiten en omstandigheden: 1. De aard, de omvang en de duur van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. 2. De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de cliënt. 3. De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen. 4. De leerbaarheid van de cliënt en/of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd. 4.4 Algemeen aanvaardbare opvattingen Onder hulp of ondersteuning die op grond van algemeen aanvaardbare opvattingen geacht wordt geboden te kunnen worden valt in ieder geval: a. het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van huishoudelijke taken; b. het overnemen van of ondersteunen bij het uitvoeren van de (financiële) administratie; c. het bieden van ondersteuning bij activiteiten of bezigheden die volgens algemene aanvaardbare opvattingen tot de levenssfeer van personen van de leefeenheid behoren. Voorbeelden van activiteiten die onder gebruikelijke hulp kunnen vallen zijn: • Overname van huishoudelijke taken, • Overname van of ondersteuning bij de thuisadministratie, • Ondersteuning gericht op zelfzorg, • Ondersteuning bij het doen van aankopen, • Ondersteuning bij structureren van de dag/week, • Ondersteuning bij participatie, • Legen en reinigen van de toiletemmer, • Zorg voor minderjarige inwonende kinderen. Het gaat bij gebruikelijke hulp om niet-professionele ondersteuning die dus niet per se door een professional geboden hoeft te worden (bijv. CRVB:2021:1114, CRVB:2021:823). Verder is geen limitatieve opsomming beoogd. Andere hulp van huisgenoten kan naar oordeel van het college ook onder algemene aanvaardbare opvattingen vallen. 4.5 In redelijkheid te verwachten van huisgenoten In redelijkheid Of in redelijkheid mag worden verwacht dat huisgenoten gebruikelijke hulp bieden is afhankelijk van de individuele situatie. Als het onderzoek daartoe aanleiding geeft, zal het college moeten (laten) vaststellen of de huisgenoot in staat is de gebruikelijke hulp te bieden. De individuele situatie heeft in ieder geval betrekking op: • De beschikbaarheid van de huisgenoot voor de uitstelbare maar vooral ook de niet-uitstelbare taken, • Mogelijke overbelasting van de huisgenoot, • De (totale) omvang van de ondersteuningsbehoefte van de cliënt. Voor de vaststelling of de huisgenoot in staat is tot het bieden van gebruikelijke hulp kan het college om (medisch) advies vragen (zie Hoofdstuk 14 van deze beleidsregels). 4.5.1 Aard en omvang van de ondersteuningsbehoefte Het college houdt rekening met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de cliënt, tenzij het hulp bij het huishouden betreft. Dat betekent dat er onderscheid kan bestaan tussen wat van partners ten opzichte van elkaar als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt, tussen kinderen ten opzichte van hun ouders en andere huisgenoten die bijvoorbeeld geen bloedverwantschap hebben met de cliënt. De cliënt kan bijvoorbeeld aangewezen zijn op ondersteuning bij het vervoer of de administratie of aansporing nodig hebben bij de zelfzorg. De omvang van de ondersteuning kan onder de normale routine van de leefeenheid vallen. Denk bijvoorbeeld aan het uitzoeken en klaarleggen van kleding, het gezamenlijk eten, samen er op uit gaan, etc. De totale omvang van de ondersteuningsbehoefte kan met zich meebrengen dat een deel van de taken of activiteiten niet als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt. Dat deel wordt als boven-gebruikelijke hulp aangemerkt. Zijn er geen andere (voorliggende) oplossingen beschikbaar en geschikt, dan moet het college een maatwerkvoorziening verstrekken. 4.5.2 Leerbaarheid cliënt of huisgenoot Het kan voorkomen dat er (tijdelijk) nog geen gebruikelijke hulp kan worden verwacht van de huisgenoot. Een reden kan zijn dat de huisgenoot niet weet hoe de gebruikelijke hulp geboden kan worden, maar dat wel kan aanleren. Het college kan dan tijdelijk een maatwerkvoorziening verstrekken om de gebruikelijke hulp aan te leren. Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen verrichten' leiden niet tot een indicatie voor hulp bij het huishouden. 4.5.3 Overname van huishoudelijke taken Voor hulp bij het huishouden geldt dat het binnen de algemeen aanvaarde opvattingen valt dat huisgenoten de huishoudelijke taken overnemen als een andere huisgenoot deze niet kan uitvoeren. Dit uitgangspunt is in lijn met de vaste rechtspraak van de CRvB (bijv. CRVB:2019:2616, CRVB:2018:2721 en CRVB:2017:4476). Dat wil zeggen dat geen rekening wordt gehouden met de aard van de relatie die de cliënt heeft met de huisgenoot. Dat de huisgenoot weigert om huishoudelijke taken te verrichten, maakt niet dat het college, met toepassing van de hardheidsclausule, gehouden is om hulp bij het huishouden toe te kennen (CRVB:2016:3665). Leefeenheid Het gaat bij gebruikelijke hulp om personen die binnen de leefeenheid van de cliënt vallen. Dat wil zeggen dat huisgenoten met een commerciële huurders- of kostgangersrelatie daar geen deel van uitmaken. Het gaat om personen die een (pension)kamer huren via een (huur)overeenkomst. In zo’n overeenkomst kan overigens wel staan dat ruimten voor gemeenschappelijk gebruik door de huurder of kostganger moeten worden schoongehouden. Dat wil overigens niet zeggen dat als er geen contractuele bepalingen zijn opgenomen over het schoonmaken, dat het college meer hulp bij het huishouden moet verstrekken. Voor zover er sprake is van meer vervuiling vanwege intensiever gebruik door de huurder of kostganger, dan valt dat buiten de omvang van de indicatie. 4.5.4 Overname van of hulp bij de thuisadministratie Voor overname van de thuisadministratie geldt dat het binnen de algemeen aanvaarde opvattingen valt dat huisgenoten deze taak van elkaar overnemen als een van hen dat niet (meer) kan (bijv. CRVB:2021:1114, RBDHA:2018:10620 en RBZWB:2017:6072). Onder het doen van de thuisadministratie valt in ieder geval: de postverzorging, zorgdragen voor de betaling van rekeningen en dergelijke. Van een inwonend meerderjarig kleinkind mag bijvoorbeeld worden verwacht dat hij, naast de huishoudelijke taken ook de thuisadministratie van zijn oma overneemt (CRVB:2021:1114). Daaronder zou ook de aansporing kunnen vallen in de zin van het helpen herinneren of dat de huisgenoot en de cliënt dat gezamenlijk doen. Bewindvoering Het bieden van gebruikelijke hulp moet overigens niet verward worden met cliënten die niet (meer) in staat zijn om financiële beslissingen te nemen en daardoor in de problemen komen. Op die grond kan de Kantonrechter bewindvoering uitspreken omdat ‘derden’ misbruik zouden kunnen maken van de situatie van de cliënt. 4.5.5 Hulp gericht op zelfzorg Onder zelfzorg worden algemene dagelijkse levensverrichtingen (adl) verstaan zoals: lichaamsreiniging, zich kleden, eten en drinken, medicijnen innemen, etc. Van partners mag worden verwacht dat de een de ander aanspoort tot het uitvoeren van deze adl-activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp. Onder aansporen wordt het aanmoedigen verstaan om een activiteit uit te voeren. Dat wil zeggen: het helpen herinneren opdat de cliënt zich bijvoorbeeld gaat douchen of aankleden. Onder aansporen in het kader van gebruikelijke hulp valt niet het structureel moeten activeren van de cliënt; dat valt onder professionele ondersteuning. Een aantal adl-activiteiten gaat partners beiden aan en valt alleen al om die reden onder de gebruikelijke hulp die zij elkaar geacht worden te bieden, zoals het eten en drinken. Van inwonende meerderjarige kinderen wordt in principe niet verwacht dat zij hun ouder(
  3. s)aansporen tot zelfzorg. 4.5.6 Hulp bij het doen van aankopen Van partners wordt in ieder geval verwacht dat zij elkaar ondersteuning bieden bij het doen van aankopen. Onder gebruikelijke hulp valt dan ook het overnemen van deze activiteiten voor zover een van hen daartoe niet meer in staat is of daar begeleiding bij nodig heeft. Denk bijvoorbeeld aan: kleding kopen, vakantie boeken of andere normale aankopen anders dan de reguliere boodschappen. Daarmee is nadrukkelijk niet uitgesloten dat van meerderjarige inwonende kinderen niet ook mag worden verwacht dat zij hun ouder(
  4. s)hier incidenteel begeleiding bieden. 4.5.7 Hulp bij structureren van de dag/week Van partners wordt verwacht dat zij elkaar ondersteuning bieden bij activiteiten die hen ook gezamenlijk kunnen aangaan. Dat kan door het maken van en bespreken van een dag-of weekplanning (vergelijk CRVB:2021:823). Daarin staat bijvoorbeeld de volgorde waarin activiteiten plaats vinden en de dag of het dagdeel waarin de activiteit zal worden gedaan. Denk bijvoorbeeld aan: • Bezoek aan de huisarts, tandarts, specialist, e.d., • Regelen van dagelijkse zaken zoals: de hond uitlaten, postverwerking, uitvoeren van huishoudelijke taken, e.d., • Bezoek aan familie, • Deelname aan een zinvolle daginvulling (brengen en/of opgehaald worden). Er is geen limitatieve opsomming beoogd. Het gaat om activiteiten die betrekking hebben op het sociaal functioneren van de cliënt en het aanbrengen van structuur in de thuissituatie. De ondersteuning heeft een niet-professioneel karakter. 4.5.8 Hulp bij participatie Onder gebruikelijke hulp bij participatie wordt in ieder geval verstaan: bezoek aan de familie, vrienden, kerk of moskee, huisarts/ziekenhuis, winkelen, deelname maatschappelijke activiteiten, etc. Daaronder valt ook het vervoer, het gaat immers om (incidentele) verplaatsingen die in het algemeen gepland (kunnen) worden. Daar kunnen huisgenoten onderling afspraken over maken. Onder vervoer kan ook begeleiding bij gebruikmaking van het Openbaar Vervoer worden verstaan. In het algemeen geldt dat van partners ten opzichte van elkaar meer wordt verwacht dan van inwonende kinderen voor hun ouders. Dat wil ook zeggen dat van een inwonend meerderjarig kind mag worden verwacht dat hij incidenteel vervoer of begeleiding bij vervoer aan de cliënt biedt. Denk bijvoorbeeld aan een bezoek aan de huisarts of vrienden/familie. Het is dan ook niet ongebruikelijk als daarvoor een vrije dag van het werk moet worden genomen. Vervoer en ondersteuning bij vervoer Of vervoer of ondersteuning bij vervoer als gebruikelijke hulp geboden kan worden is mede afhankelijk van de ondersteuningsvraag van de cliënt en dan met name de frequentie. Verder wordt rekening gehouden met een zelfstandige vervoersbehoefte van de cliënt. Zelfstandige vervoersbehoefte De cliënt kan een zelfstandige lokale vervoersbehoefte hebben waar met het verstrekken van een vervoersvoorziening in wordt voorzien. In die gevallen kan (mag) de cliënt niet voor alle ondersteuning bij vervoer afhankelijk zijn van diens partner of huisgenoten in het kader van gebruikelijke hulp. In die gevallen kan het verstrekken van een vervoersvoorziening zijn aangewezen. 4.5.9 Legen en reinigen van de toiletemmer Is er geen noodzaak voor het verstrekken van een tweede toilet op de eerste verdieping, dan kan worden volstaan met losse toiletstoel. Van partners en inwonende meerderjarige kinderen mag worden verwacht dat zij het legen en reinigen van de toiletemmer als gebruikelijke hulp verrichtten (CRVB:2019:1334). Dat is natuurlijk anders als wordt vastgesteld dat zij niet in staat zijn om dat te doen. 4.5.10 Zorg voor minderjarige inwonende kinderen Ouders hebben een plicht en het recht om hun minderjarig kind te verzorgen, op te voeden en te onderhouden (art. 1:247 en 1:395a van het Burgerlijk Wetboek). Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. De zorgplicht van ouder(
  5. s)strekt zich in ieder geval uit over: verzorging, begeleiding en opvoeding die de ouder(
  6. s)normaal gesproken geeft aan het kind, waaronder ook de ‘zorg’ bij kortdurende ziekte met uitzicht op herstel. Onder de gebruikelijke hulp valt (vanzelfsprekend) ook het bieden van toezicht, bij activiteiten zoals zwemmen of andere activiteiten die kinderen normaal gesproken doen en waar zij door hun ouders bij begeleid worden. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de kinderen over. Zie bijlage 3 bij deze beleidsregels. 4.6 Overbelasting of dreigende overbelasting Steeds moet duidelijk zijn hoe de (dreigende) overbelasting zich uit en wat deze feitelijk inhoudt. Dat wil zeggen de stelling overbelast te zijn of te geraken aannemelijk moet worden gemaakt en zo nodig nader moet worden onderbouwd. Is dat het geval, dan zal het college een (nader) onderzoek (laten) uitvoeren. Bijvoorbeeld door een medisch advies te vragen. De huisgenoot is verplicht daaraan zijn medewerking te verlenen. Zie bijlage 2 van deze beleidsregels. Omvang planbare en onplanbare ondersteuning Soms is het duidelijk dat de huisgenoot overbelast is, maar soms ook niet. Niet alleen de omvang van de planbare ondersteuning, maar ook de mate van de noodzaak tot het telkens aanwezig zijn om onplanbare ondersteuning te bieden is van invloed op de belastbaarheid van degene die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Met andere woorden: het uitvoeren van enkele taken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde taken waarbij telkens aanwezigheid en alertheid wordt gevraagd van degene die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Denk bijvoorbeeld aan de beschikbare huisgenoot die geacht wordt om niet-uitstelbare taken in het kader van gebruikelijke hulp te bieden. Aard van de beperkingen Het kan voorkomen dat de huisgenoot weliswaar psychische beperkingen heeft maar geen aantoonbare fysieke beperkingen om de huishoudelijke taken uit te voeren (bijv. CRVB:2018:3101). In geval van psychische beperkingen kan het nodig zijn om vast te stellen dat de cliënt de betreffende huisgenoot kan aansturen bij de uitvoering van de huishoudelijke activiteiten (schoonmaakwerkzaamheden). Geen overbelasting Uit het medisch advies kan ook blijken dat de huisgenoot medisch gezien in staat is om huishoudelijke taken verdeeld over de week en in eigen tempo uit te voeren (bijv. CRVB:2018:2721). 4.7 Boven-gebruikelijke hulp Het kan zijn dat de naar algemene aanvaardbare opvattingen geachte gebruikelijk hulp (substantieel) wordt overschreden. Dat kan te maken hebben met een combinatie van factoren. Denk bijvoorbeeld aan de aard en omvang van de totale ondersteuningsbehoefte van de cliënt of het combineren van het bieden van gebruikelijke hulp met de persoonlijke verzorging in het kader van de Zorgverzekeringswet. Dat wil zeggen dat een optelling van (beoogde) gebruikelijke hulp kan leiden tot het vaststellen van boven-gebruikelijke hulp. Voor boven-gebruikelijke hulp kan een indicatie worden afgegeven (bijv. CRVB:2015:3576). 4.8 Geen gebruikelijk hulp Toezicht Het bieden van permanent toezicht of 24 uurs ondersteuning in de nabijheid valt niet onder gebruikelijke hulp. In dit soort situaties kan de cliënt mogelijk aangewezen zijn op een indicatie op grond van de Wlz (zie 2.7 van deze beleidsregels). Overige situaties In de volgende situaties gaat het college er in principe van uit dat de huisgenoot (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp biedt of kan bieden: • de cliënt heeft een zeer korte levensverwachting; • de huisgenoot is overbelast of dreigt dat te geraken; • de huisgenoot is voor aaneengesloten periode(
  7. n)niet aanwezig vanwege activiteiten elders met een verplichtend karakter. Denk met name aan niet-uitstelbare taken; • de huisgenoot is (nog) niet leerbaar; • er is naar het oordeel van het college sprake van bijzondere omstandigheden. Hieronder kan bijvoorbeeld een stapeling van ondersteunings- en/of zorgtaken worden verstaan. Tijdelijke maatwerkvoorziening Het college kan ook tijdelijk een maatwerkvoorziening verstrekken. Bijvoorbeeld tot het moment dat de huisgenoot niet meer is overbelast. Dat geldt ook als van de cliënt wordt verwacht dat een oplossing wordt gezocht in verband met de zorg voor minderjarige kinderen. Denk bijvoorbeeld aan kinderopvang. 5Mantelzorg 5.1 Inleiding Gebruikelijke hulp en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen. Bij mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) hulp in zwaarte, duur en/of intensiteit overschreden. Mantelzorg kan worden verleend door een huisgenoot maar ook door uitwonende kinderen of een andere persoon uit het sociale netwerk van de cliënt. Dat wil zeggen dat in die gevallen geen sprake is van gebruikelijke hulp dan wel boven-gebruikelijke hulp. Wettelijke begrip In de wet wordt mantelzorg als volgt beschreven: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zvw, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep (art. 1.1.1, eerste lid van de wet). In de beleidsregels houden we dit begrip aan. Niet verzilveren van een aanspraak De hulp of zorg, die door de mantelzorger wordt geboden, vertegenwoordigt een wettelijke aanspraak. Die aanspraak kan betrekking hebben op de Wmo 2015, verpleging en/of verzorging zoals bedoeld in de Zvw of hulp aan een jeugdige op grond van de Jeugdwet. Bij mantelzorg is het dus zo dat die aanspraak niet wordt verzilverd. Beleidsuitgangspunt mantelzorg Het college mag bij het bepalen van de ondersteuning die iemand nodig heeft, rekening houden met de mantelzorg die hij ontvangt (CRVB:2017:17 en CRVB:2017:3209). Dit neemt overigens niet weg dat het bieden van mantelzorg (onbetaald) vrijwillig is. Ook zal het college oog moeten hebben voor de ondersteuning die nodig is om de inzet van mantelzorg structureel mogelijk te laten zijn dan wel voor wat nodig is om de mantelzorger (af en toe) te kunnen ontlasten. Dat gebeurt in ieder geval tijdens het onderzoek na de melding. Wet langdurige zorg Ook kan mantelzorg worden verleend aan een thuiswonende verzekerde met een indicatie op grond van de Wlz. In die gevallen heeft het college geen ondersteuningsplicht. Mogelijk kan voor deze verzekerden aanspraak bestaan op logeeropvang in een instelling op grond van de Wlz (art. 3.1.1, eerste lid onder g, van de Wlz). Wel kunnen deze verzekerden gebruik maken van algemene voorzieningen op grond van de Wmo 2015. Dergelijke voorzieningen zijn immers ‘vrij’ toegankelijk. 5.2 Respijtzorg Een maatwerkvoorziening beoogt in eerste instantie de cliënt zelf adequaat te ondersteunen. Het college houdt daarbij rekening met wat de cliënt aan mantelzorg heeft of mogelijk zou kunnen krijgen. Dat betekent dat de cliënt (tijdelijk) aangewezen kan zijn op een maatwerkvoorziening op de momenten dat de mantelzorger niet in de gelegenheid is hem deze ondersteuning te bieden. Dat is respijtzorg. De maatwerkvoorziening als respijtzorg wordt altijd aan de cliënt toegekend. Daarvoor is overigens een bijdrage in de kosten verschuldigd, tenzij de Verordening anders bepaalt. Respijtzorg moet worden onderscheiden van: a. de ondersteunende maatregelen die nodig zijn om een mantelzorger goed zijn werk te kunnen laten doen, en b. de maatschappelijke ondersteuning (eventueel in de vorm van een maatwerkvoorziening) die een mantelzorger nodig heeft voor zijn eigen zelfredzaamheid en participatie. De mantelzorger is dan zelf cliënt en zal de ondersteuningsvraag moeten melden bij het college waarna een onderzoek (het gesprek) plaatsvindt. Het ligt niet voor de hand dat deze situaties snel zullen leiden tot het verlenen van een maatwerkvoorziening. Kortdurend verblijf (logeren) De wet kent één specifieke maatwerkvoorziening die door het college kan worden verstrekt om de mantelzorger te ontlasten Het gaat om kortdurend verblijf (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). Ondersteuning mantelzorgers algemeen Tijdens het gesprek onderzoekt het college de mogelijke behoefte aan ondersteuning van de mantelzorger(
  8. s)van de cliënt. Dat behoort tot de wettelijke opdracht. Zie verder hoofdstuk 2 De procedure van deze Beleidsregels. Overbelasting van de mantelzorger Respijtzorg in de vorm van een (tijdelijke) maatwerkvoorziening kan ook worden ingezet om overbelasting van mantelzorgers te voorkomen en/of op te vangen. Dit kan pas nadat gebleken is dat voorliggende oplossingen niet beschikbaar, geschikt of toereikend zijn. Van cliënt en mantelzorger wordt in principe verwacht dat zij onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om de overbelasting te voorkomen of te verminderen. Eventueel met ondersteuning van een medewerker van het sociaal team. De inzet van andere personen uit het sociale netwerk of eventueel vrijwilligers kunnen hier ook een rol in spelen. Ook het ondersteuningsaanbod vanuit het Steunpunt Mantelzorg kan ingezet worden om overbelasting te voorkomen. Voorbeelden hiervan zijn: gesprekken met de mantelzorgconsulent, lotgenotencontact, mantelzorgmaatjes en het trainingsaanbod voor mantelzorgers. Draagkracht/draaglast mantelzorger De belangen en de draagkracht/draaglast van de mantelzorger worden altijd meegewogen bij het gesprek met de cliënt. Inzet van respijtzorg kan de draagkracht van de mantelzorger versterken. In geval de mantelzorger persoonlijke verzorging (zoals bedoeld in de Zvw) biedt, kan het college bespreekbaar maken dat daar een aanvraag voor wordt gedaan. Een indicatie wordt gesteld door de wijkverpleegkundige. Persoonlijke verzorging op grond van de Zvw kan door de zorgverzekeraar in natura of als pb worden toegekend. Met de inzet van de wijkverpleging kan het verstrekken van een maatwerkvoorziening worden voorkomen omdat de (dreigende) overbelasting wordt weggenomen en de huisgenoot (voormalig mantelzorger) nu wel gebruikelijke hulp kan bieden. Jonge mantelzorgers Ongeveer een kwart van de Nederlandse kinderen groeit op in een gezin waarin sprake is van ziekte of beperking van een gezinslid. Te denken valt aan: een depressieve vader, een lichamelijk gehandicapte broer of een zus met een verslavingsproblematiek. In deze gevallen spreken we van ‘jonge mantelzorgers’. Deze kinderen lopen een risico op overbelasting. Ter ondersteuning van jonge mantelzorgers zijn er algemene voorzieningen zoals lotgenotencontact (Steunpunt Mantelzorg), KOPP-groepen (GGNet) en een maatjesproject (Welcom). GGZ-mantelzorgers Mantelzorgers rondom mensen met een ernstige psychische beperking lopen een verhoogd risico op overbelasting. Het is daarom extra belangrijk om hierbij zorgvuldig de draagkracht mee te wegen. Ter ondersteuning van deze mantelzorgers heeft GGNet een preventief aanbod bestaande uit gesprekken, lotgenotencontact en een cursusaanbod. Daarnaast kan de persoon aan wie mantelzorg verleend wordt, gestimuleerd worden om deel te nemen aan de stadskamer ‘s-Heerenberg en de dorpskamer Didam. Deze algemene voorziening kan fungeren als ontlasting van de mantelzorger. 5.3 Eerstelijnsverblijf Eerstelijnsverblijf is een aanspraak onder de Zvw. Medisch noodzakelijk logeren (= aangewezen op geneeskundige zorg) in de eerste lijn onder de verantwoordelijkheid van de huisarts is één van de varianten van het Zvw-verblijf. Het gaat om een verzekerbare aanspraak waarvan het college – in het kader van de eigen verantwoordelijkheid – mag verwachten dat hier ook daadwerkelijk een beroep op wordt gedaan. 5.4 Mantelzorgwoning Woningen dus ook mantelzorgwoningen worden niet als maatwerkvoorziening verstrekt. Tijdens de wetsbehandeling van de Wmo 2015 is aangegeven dat initiatieven als mantelzorgwoningen aandacht verdienen en waar mogelijk belemmeringen tot plaatsing moeten worden verminderd. Zo zijn de regels voor omgevingsvergunningvrij bouwen vereenvoudigd. Daartoe is het Besluit omgevingsrecht gewijzigd (Stb. 2014, nr. 333). 6Hulp bij het huishouden 6.1 Inleiding Verordening hoofdstuk 6 Het te bereiken resultaat ten aanzien van een schoon en leefbaar huis bestaat allereerst uit het kunnen wonen in een woning die schoongehouden is. Leefbaar staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. Het te bereiken resultaat is beperkt tot de gebruiksruimten die voor de cliënt onder zijn normale gebruik van de woning vallen. Kamers die niet in gebruik (hoeven
  9. te)zijn in dat kader vallen hierbuiten. Maar dat wil niet zeggen dat in deze ruimte(
  10. n)helemaal nooit gestofzuigd of gedweild hoeft te worden. Definitie van het resultaat: Een huis is schoon en leefbaar indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen. Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. De afbakening van de ruimtes waarop de voorziening betrekking heeft: De inwoner moet gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrekken, keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap/overloop. De afbakening van activiteiten die onder de voorziening vallen en welke niet: Het schoonmaken van de buitenruimte bij het huis (ramen, tuin, balkon, etc.) maakt geen onderdeel uit van hulp bij het huishouden. Huishoudelijke taken Indien een cliënt is aangewezen op ondersteuning bij een schoon en leefbaar huis kan het college een maatwerkvoorziening toekennen in de vorm van hulp bij het huishouden die kan bestaan uit het overnemen van en/of ondersteuning bij huishoudelijke taken (zie art. 6.2, eerste en tweede lid, van de Verordening). Hulp bij het huishouden overig Onder hulp bij het huishouden wordt ook verstaan: • Bereiden van maaltijden; • Het kunnen beschikken over normaal benodigde boodschappen; • Het aanwezig zijn van gewassen en zo nodig opgevouwen of opgehangen kleding of ander • linnengoed en indien noodzakelijk gestreken; • De dagelijkse zorg voor kinderen. Wijze van indiceren en financieren Met ingang van 1-10-2023 maken we voor de beoordeling en onderbouwing van de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp gebruik van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2019 van bureau HHM. Het college heeft all-in uurtarieven vastgesteld die gelden voor deze dienstverlening. Het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning HHM biedt de mogelijkheid om in bijzondere situaties af te wijken: wanneer cliënten als gevolg van hun (medische) beperkingen onvoldoende ondersteund worden door de basisvoorziening schoon huis, kunnen aanvullende maatwerkmodules ingezet worden. Dit zijn bijvoorbeeld een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden realiseren (zie voor het normenkader HHM bijlage 4 van deze beleidsregels). Wasverzorging Voor de wasvoorziening in natura is sprake van een afwijkende financiering omdat deze op een andere manier, buitenshuis, is georganiseerd. Er wordt alleen op de normtijden en het uurtarief teruggevallen als na onderzoek blijkt dat de wasvoorziening buitenshuis in het individuele geval geen passende oplossing is. 6.2 Beleidsuitgangspunten Bij het verlenen van hulp bij het huishouden gelden de volgende beleidsuitgangspunten. Voorliggende oplossingen Voor de ‘hulp bij het huishouden overig’ onderzoekt het college of de cliënt gebruik kan maken van algemene gebruikelijke voorzieningen zoals de boodschappendienst van de supermarkt. Uit het onderzoek kan blijken dat de cliënt geen gebruik kan maken van de bedoelde ‘voorliggende’ oplossingen of dat deze niet (langer) beschikbaar zijn. Denk bijvoorbeeld aan iemand die is aangewezen op een medisch noodzakelijk dieet of dusdanige beperkingen heeft dat de kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt niet kunnen worden geopend en/of in de magnetron kunnen worden gezet. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Voor de opvang voor kinderen geldt in het algemeen dat gebruik kan worden gemaakt van diverse vormen van opvang (zie art. 6.2, tweede lid onder c van de Verordening). Aanwezigheid van algemeen gebruikelijke voorziening Als algemeen uitgangspunt geldt dat de cliënt beschikt over algemeen gebruikelijke voorzieningen waarmee de hulp bij het huishouden zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Zie ook artikel 4.1, eerste lid aanhef en onder a van de Verordening en 3.2.2 van deze beleidsregels. Denk aan een stofzuiger, een wasmachine, schoonmaakmiddelen, een dweil, et cetera (vergelijk CRVB:2015:1503). Het gaat in dit geval ook om bepaalde voorzieningen die het mogelijk maken dat de cliënt een deel van de huishoudelijke taken zelf kan uitvoeren. Bijvoorbeeld stof afnemen met een plumeau of een handwringer voor het uitwringen van werkdoekjes. Het kan ook zijn dat met een algemeen gebruikelijke voorziening een aanspraak (deels) wordt voorkomen. Denk bijvoorbeeld aan de aanschaf van een wasdroger of het plaatsen van de wasmachine en/of droger op een verhoging of in een ruimte die wel bereikbaar is voor de cliënt zodat hij (een deel van) de was zelf kan doen (vergelijk CRVB:2005:AT8015). Gebruikelijke hulp Voor hulp bij het huishouden geldt dat de cliënt daarvoor niet in aanmerking komt voor zover tot de leefeenheid van de cliënt één of meer personen behoren die naar oordeel van het college gebruikelijke hulp kunnen verlenen. Verwezen wordt naar hoofdstuk 4 ‘Gebruikelijke hulp’ van deze Beleidsregels. Andere oplossingen Zijn er andere oplossingen mogelijk om een schoon en leefbaar huis te hebben, dan is cliënt niet aangewezen op hulp bij het huishouden. Activiteiten die door de cliënt zelf kunnen worden uitgevoerd behoren uiteraard tot de eigen verantwoordelijkheid (lees ook: eigen kracht). Het kan ook zijn dat de cliënt met inachtneming van bepaalde leefregels niet of slechts gedeeltelijk is aangewezen op ondersteuning (CRVB:2022:308, CRVB:2021:583 en vergelijk CRVB:2011:BP1804). Mogelijk is ook dat een deel van de huishoudelijke taken door de cliënt zelf wordt gedaan en voor een ander deel ondersteuning door het college wordt geboden. Verwezen wordt naar hoofdstuk 3 ‘Beoordeling aanspraak’ van deze Beleidsregels. Zo efficiënt mogelijk Een andere vorm van het benutten van eigen mogelijkheden is het verlenen van medewerking zodat de hulp bij het huishouden zo efficiënt mogelijk kan worden geboden. Van de cliënt mag worden verwacht dat hiermee rekening wordt gehouden. Denk bijvoorbeeld aan de inrichting van de woning, (aanschaf van) gordijnen of (
  11. te)volle vensterbanken die - voordat de ramen gewassen kunnen worden - eerst verwijderd moeten worden, (
  12. te)volle kasten met allerlei kleinheden, et cetera. Ook mag van de cliënt worden verwacht dat hij - indien mogelijk - voorbereidingen treft. Houden van huisdieren Heeft de cliënt huisdieren dan hanteert het college het volgende uitgangspunt. In het algemeen geldt dat het hebben van huisdieren niet leidt tot meer inzet voor hulp bij het huishouden. Het ligt ook niet voor de hand dat een cliënt dit van het college verwacht. Immers, het hebben van huisdieren brengt nu eenmaal (wat) meer vervuiling van de woning met zich mee (CRVB:2021:88). Een uitzondering geldt indien de cliënt is aangewezen op een hulphond die is verstrekt op grond van de Zvw. Gesaneerde woning Verder is het zo dat bij de hulp bij het huishouden wordt uitgegaan van een gesaneerde woning ingeval van bijvoorbeeld huisstofmijtallergie. Is de cliënt allergisch voor bijvoorbeeld vogels of katten maar worden deze dieren wel door de cliënt gehouden dan geldt geen ondersteuningsplicht voor het college voor het ‘meerwerk’. Dit zijn keuzes die in het kader van de eigen verantwoordelijkheid moeten worden beschouwd. Opname in hospice De gemeentelijke zorg voor de inwoners van de gemeente Montferland is uitgebreid naar een verblijf in een hospice buiten de gemeente Montferland. Met de betreffende hospices worden op het moment er daar een cliënt van de gemeente wordt ondergebracht nadere afspraken gemaakt over o.a. de facturering. De praktische invulling van hulp bij het huishouden wordt overgelaten aan de cliënt en het hospice samen. 6.2.1 Hulp bij het huishouden Bij de inzet van hulp bij het huishouden wordt onderscheid gemaakt een tussen variant a en variant b (niet zijnde integrale ondersteuning). Het verschil tussen deze varianten is gelegen in de mate waarin de cliënt in staat is de huishoudelijke taken te organiseren. Van cliënten met bijvoorbeeld ernstige visusbeperkingen, cognitieve- en geheugenbeperkingen, psychosociale problematiek of zij die zich in hun laatste levensfase bevinden kan het college vaststellen dat zij niet of slechts in beperkte mate in staat zijn de huishoudelijke taken: adequaat in te schatten, te bepalen (te zien), te plannen, te organiseren, voor te bereiden en te overzien. Kort gezegd: het regelen. Hoewel het om dezelfde soort ondersteuning kan gaan als bij variant a, spreekt het voor zich dat bij cliënten met een ‘beperkt regelvermogen’ (variant
  13. b)andere eisen worden gesteld aan de persoon die de ondersteuning biedt. Wanneer de cliënt geen regie kan voeren maar een huisgenoot heeft die dat kan overnemen dan wordt variant a. ingezet. Variant b. wordt ingezet wanneer: • de client onvoldoende zelfredzaam is, • de client een beperkte verandercapaciteit heeft en/of • leerbaar is, in die situaties waar er sprake is van coachen/geven van advies, instructie en • voorlichting (gericht op het zelfstandig uitvoeren van het huishouden), • er opvang en verzorging van kinderen nodig is. 6.2.2 Ondersteuning bij de (dagelijkse) organisatie van het huishouden (ODOH) ODOH wordt ingezet in situaties bij cliënten waar hulp bij het huishouden alleen niet meer toereikend is en waar meer, andere of een combinatie van verschillende vormen van ondersteuning nodig is om het juiste maatwerk te bieden. Vaak gaat het om cliënten met een verstandelijke beperking, of met chronisch psychische of psychosociale problematiek of een combinatie van deze problematiek. Onderscheid variant b en ODOH Bij hulp bij het huishouden variant b gaat het primair over de overname van de regie of het na een korte periode van coachen of instructie zelfstandig kunnen uitvoeren van het huishouden. Bij ODOH is de cliënt leerbaar om op termijn zelfstandig zijn huishouden te kunnen doen of regelen. Doelgroep ODOH Om te kunnen beschikken over een schoon en leefbaar huis, een gestructureerd huishouden en regie over het dagelijks leven hebben deze cliënten ondersteuning nodig: • voor het geheel of gedeeltelijk overnemen van bepaalde huishoudelijke taken, • bij de organisatie van het huishouden, en • bij het aanbrengen van (dag)structuur. Resultaat, activiteiten en frequentie van de ondersteuning worden tijdens het onderzoek vastgesteld en opgenomen in het ondersteuningsplan. Hierbij wordt ook rekening gehouden met incidentele extra werkzaamheden zoals het opruimen van kledingkasten, gordijnen wassen en dergelijke. Ook kan er sprake zijn van een tijdelijke terugval waardoor de cliënt tijdelijk is aangewezen op (meer) ODOH. Van de ondersteuner wordt verwacht dat de activiteiten zelf worden uitgevoerd of afhankelijk van de ondersteuningsbehoefte de activiteiten samen met de cliënt worden uitgevoerd of de cliënt wordt aangestuurd om de activiteiten zelf uit te voeren. Naast het uitvoeren van huishoudelijke taken, bestaat ODOH minimaal uit twee van de onderstaande activiteiten: • het stimuleren van de zelfwerkzaamheid van de cliënt in diens huishouding via instructie, advies, voorlichting en zo nodig samen uitvoeren gericht op het huishouden; • het aanleren van werkzaamheden gericht op het huishouden waaronder het verzorgen van de maaltijd; • het ondersteunen bij het aanbrengen van (dag)structuur en (weer) leren regie te voeren over het dagelijks leven; • het begeleiden en ondersteunen bij (administratieve) handelingen; • het begeleiden en stimuleren van sociale contacten en maatschappelijke participatie, voortvloeiend uit het voeren van een gestructureerd huishouden. Met als uiteindelijke doel om cliënten meer zelfredzaam te maken; • boodschappen verzorgen, indien een voorliggende oplossing niet mogelijk is; • actieve signalerende functie ten aanzien van de gezondheidssituatie, de leefomstandigheden en de sociale omgeving van de cliënt; • (dagelijkse) organisatie van het huishouden, waaronder de afstemming met andere aanwezige zorg (meervoudige problematiek); • anderen helpen in huis met zelfverzorging (hieronder wordt verstaan het verzorgen van de cliënt, zijn gezinsleden, kinderen). Het gaat hier om de hulp daarbij, dus niet om de activiteiten die onder de Zvw/Wlz functie "persoonlijke verzorging" vallen; • kindverzorging, waarbij rekening wordt gehouden met gebruikelijke hulp zoals omschreven in 4.5.10 van deze beleidsregels. Odoh wordt in principe voor maximaal 6 maanden ingezet. 6.2.3 Hulp bij het huishouden overig Broodmaaltijd Onder een broodmaaltijd wordt verstaan het verzorgen van de broodmaaltijd, koffie en thee zetten. Een broodmaaltijd kan 1 keer dag worden bereid en klaargezet. De tweede broodmaaltijd wordt dan gelijk gemaakt en in koelkast klaargezet. Warme maaltijden Onder een warme maaltijd wordt in principe verstaan het opwarmen en klaarzetten van een warme maaltijd wanneer de cliënt zelf hiertoe niet in staat is. Een warme maaltijd kan één keer per dag worden geboden. In bijzondere gevallen kan het nodig zijn dat er een verse warme maaltijd wordt bereid. Het bereiden van een maaltijd wordt alleen ingezet als er geen andere oplossingen zijn zoals de maaltijdservice of kant-en-klaar maaltijden van de supermarkt. Verzorging en verpleging Voor zover de cliënt vanwege lichamelijke beperkingen niet in staat is om zelf te eten, ligt het voor de hand dat daarvoor een indicatie verkregen kan worden op grond van de Zvw. Dat geldt ook indien er tijdens het eten toezicht moet worden gehouden vanwege een aandoening waarbij bijvoorbeeld verslikkingsgevaar aan de orde kan zijn. In dat geval loopt de cliënt een verhoogd risico aangewezen te raken op geneeskundige zorg. Boodschappen Het kunnen beschikken over normale benodigde boodschappen valt onder de hulp bij het huishouden. De ondersteuningsplicht heeft betrekking op levensmiddelen en schoonmaakmiddelen en dergelijke die dagelijks/wekelijks gebruikt worden in elk huishouden. Deze ondersteuningsplicht is alleen aan de orde wanneer de client geen gebruik kan maken van voorliggende voorzieningen zoals een boodschappendienst. Algemeen gebruikelijke voorziening Het is doorgaans mogelijk en wordt als gangbaar beschouwd dat mensen boodschappen geclusterd doen door bijvoorbeeld eens per week of tweewekelijks een voorraad in huis te halen. Voor zover het gaat om de zware boodschappen kan daar in ieder geval van worden uitgegaan. Bij de boodschappendienst wordt er van uitgegaan dat iemand de boodschappen via de telefoon of via de PC kan bestellen. Het gebruik maken van boodschappendiensten zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen. Supermarkten hebben doorgaans een dergelijke service. Zelf boodschappen doen Ook kan het zijn dat de cliënt zelf nog in staat is om met bijvoorbeeld een scootmobiel (dagelijkse) boodschappen te doen. Daarbij kan van de cliënt ook worden verlangd om de hulp van het personeel of een derde in te roepen als hij onverwacht niet bij een boodschap kan omdat deze te laag of te hoog ligt. Verder mag van de cliënt in voorkomende gevallen ook worden verwacht dat met een daarop gerichte training wordt geleerd om met een scootmobiel op een veilige manier winkels binnen te gaan en boodschappen te doen. Wasvoorziening buitenhuis De dagelijkse kleding, beddengoed, handdoeken, e.d. moeten met enige regelmaat gewassen worden. Daaronder valt het aanwezig zijn van gewassen, opgevouwen of opgehangen kleding of ander linnengoed, indien noodzakelijk gestreken. Bij dat laatste wordt opgemerkt dat van de cliënt ook mag worden verwacht dat hij rekening houdt met het kopen van kleding waarbij strijken niet nodig is. Dit moet overigens ook in relatie worden gezien met de aanschaf van een algemeen gebruikelijke wasdroger. Van de cliënt mag in dit kader worden verwacht dat er bijvoorbeeld extra (dubbel) beddengoed aanwezig is. Datzelfde geldt voor bijvoorbeeld voldoende handdoeken, andere linnengoed en/of kleding. Op deze manier kan de inzet van ondersteuning ook zo efficiënt mogelijk worden gedaan. De was wordt bij zorg in natura buiten de deur gedaan. Per week kan er standaard een waszak van 8 kilo (gemengde) was aangeboden worden. Deze wordt thuis opgehaald en de volgende week schoon, gevouwen en de bovenkleding waar nodig gestreken weer thuisgebracht. In bijzondere gevallen kan een indicatie voor 2 waszakken per week plaatsvinden, denk hierbij aan grote huishoudens. Wasverzorging thuis In uitzonderlijke situaties kan de was in uren/minuten geïndiceerd worden, zodat de hulp de was kan doen. Denk bijvoorbeeld aan incontinentieproblematiek waarbij gebruikelijke hulpmiddelen onvoldoende oplossing bieden. Verzorgen kinderen De zorg voor kinderen die tot het huishouden behoren is in eerste instantie een taak van de ouder(s). Zo moeten werkende ouders er zorg voor dragen dat er op tijden dat zij beide werken opvang voor de kinderen is. Dat kan op de manier waarop zij dat willen (oppas oma, diverse vormen van kinderopvang, e.d.), het is een eigen verantwoordelijkheid daarvoor te zorgen. Dat is niet anders in de situatie dat beide ouders mede door beperkingen niet in staat zijn hun kinderen op te vangen. In die situatie zal men een permanente oplossing moeten zoeken. Het college kan dan ook slechts tijdelijk een maatwerkvoorziening inzetten zodat er ruimte ontstaat om een oplossing te zoeken. Dat wil zeggen: de acute problemen worden tijdelijk opgelost zodat er gezocht kan worden naar een permanente oplossing. Tijdsduur indicatie De tijdsduur van de indicatie kan tijdelijk van aard zijn of voor een onbeperkte periode geldig zijn. In de beschikking wordt de duur van deze periode aangegeven. Indien er geen veranderingen worden verwacht in de situatie van de aanvrager dan bestaat de mogelijkheid om de indicatie voor “Hulp bij het huishouden voor onbepaalde tijd” af te geven. Indien er veranderingen worden verwacht in de situatie van de aanvrager of hier onduidelijkheid over is wordt er een indicatie voor hulp bij het huishouden voor een bepaalde periode afgegeven. Na beëindiging van deze periode, vindt op aanvraag een nieuwe beoordeling plaats. Redenen om een indicatie voor bepaalde tijd af te geven kunnen bijvoorbeeld zijn o.a. geen stabiele medische situatie en/of de levensfase waarin hij/zij zich bevindt. 7Integrale ondersteuning en logeren Verordening hoofdstuk 7 7.1 Inleiding Met de maatwerkvoorziening integrale ondersteuning wordt invulling gegeven aan het wettelijke begrip begeleiding waaronder ook een zinvolle daginvulling wordt verstaan. Onder begeleiding worden activiteiten verstaan gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid of participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). Het in staat zijn tot zelfredzaamheid en participatie wil zeggen dat de cliënt zoveel mogelijk op gelijke voet met anderen mee kan doen aan de samenleving. De compensatieplicht van het college is echter niet gericht op het optimaliseren. Dat wil zeggen: niet alle beperkingen hoeven te worden opgelost. Met de maatwerkvoorziening logeren wordt invulling gegeven aan het wettelijke begrip kortdurend verblijf (art. 1.1.1, eerste lid, van de wet). Dit om de mantelzorger te ontlasten. 7.2 Algemene uitgangspunten onderzoek Na de melding van de ondersteuningsvraag voert het college een onderzoek uit. Tijdens dat onderzoek stelt het college vast welke problemen de cliënt heeft op het gebied van de zelfredzaamheid en participatie en welke resultaten bereikt moeten worden om die problemen te verminderen dan wel op te lossen. Daarna wordt vastgesteld of er voorliggende oplossingen zijn die aan een indicatie voor een maatwerkvoorziening in de vorm van integrale ondersteuning of logeren in de weg staat. Daaronder valt in ieder geval gebruikelijke hulp die een eventuele huisgenoot van de cliënt geacht wordt te bieden (zie Hoofdstuk 4 Gebruikelijke hulp van deze beleidsregels). 7.3 Zelfredzaamheid en participatie Zelfredzaamheid bevat twee elementen: 1. het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen (adl), 2. het voeren van een gestructureerd huishouden. Om de dagelijkse handelingen en praktische zaken uit te kunnen voeren moet de cliënt daar lichamelijk toe in staat zijn maar ook over vaardigheden beschikken om daar regie over te kunnen voeren. De vaardigheid is het vermogen om een handeling bekwaam uit te voeren of een probleem op te lossen. Participatie Participatie heeft betrekking op deelname aan het maatschappelijk verkeer; anders dan het zich lokaal verplaatsen met een vervoersvoorziening. Andere wetten Het is van belang dat tijdens het onderzoek wordt vastgesteld of andere wetten de vastgestelde problematiek kunnen oplossen maar ook of de problemen die de cliënt ondervindt wel binnen de reikwijdte van de Wmo 2015 vallen. 7.4 Afbakening Zorgverzekeringswet en Wmo 2015 De behoefte aan (alleen) verzorging kan ook meer in het verlengde van de behoefte aan begeleiding liggen. Het gaat bij deze verzorging om mensen die behoefte hebben aan ondersteuning bij de adl. Deze verzorging houdt geen verband met de behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop. Deze behoefte aan ondersteuning bij adl komt met name voor bij mensen met een verstandelijke of zintuiglijke beperking of psychiatrische problematiek. Deze vorm van ondersteuning bij adl is niet naar de Zvw overgeheveld, maar per 1 januari 2015 gepositioneerd onder de Wmo 2015. Als cliënten een lichamelijke aandoening krijgen waardoor een geneeskundige zorgvraag ontstaat, zullen zij zowel verpleging als hun bij de geneeskundige zorgvraag behorende verzorging vanuit de Zvw ontvangen. Verder valt voor cliënten die begeleiding en adl-ondersteuning krijgen via de Wmo 2015, de overige medische zorg vanzelfsprekend onder de te verzekeren prestaties van de Zvw. 7.5 Eerstelijns verblijf of Wet langdurige zorg Het college onderzoekt ook of de cliënt aanspraak kan maken op eerstelijns verblijf op grond van de Zvw. Het gaat in die gevallen om medisch noodzakelijk verblijf (= aangewezen op geneeskundige zorg). Het gaat om een verzekerbare aanspraak waarvan het college, mede gelet op de eigen verantwoordelijkheid, mag verwachten dat hier ook daadwerkelijk een beroep op wordt gedaan. Het kan nodig zijn gebruik te maken van de deskundigheid van bijvoorbeeld de wijkverpleegkundige. Ook kan het zijn dat de cliënt een Wlz-indicatie heeft of kan krijgen (zie verder 2.7 van deze beleidsregels). Het kan nodig zijn gebruik te maken van de deskundigheid van bijvoorbeeld de wijkverpleegkundige. 7.6 Mogelijkheden tot arbeidsparticipatie Reikwijdte Het kan voorkomen dat de cliënt die een beroep doet op de Wmo 2015 in aanmerking kan komen voor ondersteuning bij zijn arbeidsparticipatie op grond van de Participatiewet of van het UWV. In dat geval zal de cliënt een verzoek moeten indienen bij de betreffende organisatie. Ondersteuning in de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling valt niet binnen de reikwijdte van de Wmo 2015. Tijdens het onderzoek stelt het college vast of daar sprake van is. Daarbij wordt opgemerkt dat ondersteuning in de arbeidsparticipatie en een maatwerkvoorziening in de vorm van integrale ondersteuning op grond van de Wmo 2015 samen kunnen gaan. Immers kan de cliënt nog steeds beperkingen ondervinden in de zelfredzaamheid of participatie. Arbeidsvermogen Ontvangt de cliënt een uitkering van het UWV dan is doorgaans door een arbeidsdeskundige vastgesteld of er sprake is van arbeidsvermogen of dat de cliënt dat kan ontwikkelen. Denk aan een uitkering op grond van: de Wajong of Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA). Dat komt, eenvoudig gezegd, neer op de vraag of iemand wel of niet kan werken. Dat wil zeggen: meer dan een bepaald percentage van de geldende verdiencapaciteit kunnen verdienen. De cliënt kan bij het UWV een aanvraag indienen voor ondersteuning bij zijn re-integratie. Voor Wajong-gerechtigden staan afspraken daarover in het werkplan (oude Wajong) of het participatieplan (Wajong 2010). Voorbeelden van trajecten voor bijvoorbeeld Wajongers zijn: Participatie-interventie, Bevorderen maatschappelijke deelname, Praktijk assessment of een Werkfit traject. Doelgroepregister In het kader van de arbeidsparticipatie is het bijvoorbeeld van belang om te weten of de cliënt is opgenomen in het doelgroepregister. Dat is een register waarin mensen staan die vallen onder de doelgroep van de banenafspraak. De banenafspraak is een afspraak tussen het kabinet en werkgevers om te zorgen voor extra banen voor mensen met een arbeidsbeperking. Dit zijn mensen die moeilijk werk vinden of behouden door bijvoorbeeld een ziekte of handicap. Het UWV beheert het doelgroepregister. De volgende personen vallen in het doelgroepregister: • die onder de doelgroep van de Participatiewet valt en waarvan is vastgesteld dat die persoon niet zelfstandig het minimumloon kan verdienen. • die zelf bij het UWV een beoordeling arbeidsvermogen of werken met een voorziening heeft aangevraagd. • die een WSW-indicatie (Wet Sociale Werkvoorziening) heeft of had. • die een oude Wajong of Wajong 2010 uitkering ontving en die kan werken. • die een WIW-baan (voormalige Wet inschakeling werkzoekenden) of een ID-baan (voormalig Besluit in- en doorstroombanen) had of heeft. • schoolverlaters van het voortgezet speciaal onderwijs (vso) en het praktijkonderwijs (pro) die zich schriftelijk hebben aangemeld bij UWV. • die alleen met een voorziening (hulp, hulpmiddelen en regelingen) het wettelijk minimumloon kunnen verdienen. Doelgroep Participatiewet Wie onder de doelgroep van de Participatiewet valt staat in artikel 7, eerste lid onder a, van de Participatiewet. Dat wil zeggen dat het college verantwoordelijk is voor ondersteuning richting werk door het aanbieden van een voorziening als iemand daarop is aangewezen. Bij de keuze van zo’n aanbod heeft het college een ruime beoordelingsvrijheid. Het onderzoek Tijdens het onderzoek na de melding van de ondersteuningsvraag komt ook de mogelijke samenwerking aan bod met andere partijen (art. 2.3.2, vierde lid onder f, van de wet). Bijvoorbeeld de medewerker van de gemeente Montferland zelf in het kader van de uitvoering van de Participatiewet of een arbeidsdeskundige van het UWV. Aanspraak ondersteuning arbeidsparticipatie Valt de cliënt namelijk onder de doelgroep van de Participatiewet of het UWV, dan kan samenwerking maar ook afstemming van de integrale ondersteuning op grond van de wet zijn aangewezen (art. 2.3.5, vijfde lid, van de wet). Verklaring arbeidsdeskundige Het kan voorkomen dat de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie dusdanig zijn dat de cliënt weliswaar beschikt over arbeidsvermogen (verdiencapaciteit heeft) maar een traject tot arbeidsparticipatie nog geen kans van slagen heeft. De problematiek in de zin van de Wmo 2015 kan daar bijvoorbeeld aan in de weg staan. Dat kan blijken uit een verklaring van een (arbeids)deskundige. 7.7 Opstellen ondersteuningsplan Het onderzoek wordt afgesloten met het opstellen van een ondersteuningsplan. Dat is het door het college opgestelde verslag over de uitkomsten van onderzoek waarin de te bereiken resultaten staan op een of meer leefgebieden of aandachtsgebieden op het gebied van de zelfredzaamheid en participatie. De beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie (zie onder 7.3 van dit hoofdstuk) voor integrale ondersteuning en logeren en te bereiken resultaten kunnen betrekking hebben op: • Lichamelijke gezondheid • Psychisch welbevinden • Activiteiten dagelijks leven • Huiselijke relaties (gezinssamenstelling) • Huisvesting • Sociaal netwerk • Financiën • Werk en Opleiding • Daginvulling • Deelname aan de maatschappij • Middelengebruik • Justitie • Kinderwens 7.8 Zorgplan Nadat het college het te bereiken resultaat of resultaten heeft vastgesteld is het aan de aanbieder om te bepalen hoe het resultaat of resultaten worden bereikt. Daarvoor stelt de aanbieder samen met de cliënt een zorgplan op waarin de invulling en inzet van de ondersteuning staat en de wijze waarop dit bijdraagt aan de realisatie van resultaten in het ondersteuningsplan. 8Wmo-wonen 8.1 Inleiding Met de maatwerkvoorziening Wmo-wonen wordt invulling gegeven aan beschermd wonen voor cliënten die zich (nog) niet kunnen handhaven in de samenleving. In dit hoofd

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.