← Nederland

Regels Ruimte voor Gelderland 2016 (Gelderland)

In het kort

Deze regeling, genaamd "Regels Ruimte voor Gelderland 2016", stelt de voorwaarden vast voor het aanvragen en ontvangen van subsidies van de provincie Gelderland, inclusief specifieke regels voor de berekening van subsidiabele kosten.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst
Obsah (4)Artikel 1Artikel 2Artikel 3Artikel 4

GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND Gelet op artikel 3, zesde lid, van de de Algemene subsidieverordening Gelderland 2016; BESLUITEN Vast te stellen de volgende gewijzigde regeling: Regels Ruimte voor

Paragraaf 1.

Artikel 1

.1.1 Algemene begripsomschrijvingen In deze regeling wordt verstaan onder: Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 651/2014 (PbEU van de Europese Commissie van 17 juni 2014; AsG: Algemene subsidieverordening Gelderland 2016; controleprotocol: instructie aan de subsidieontvanger voor het geven van aanwijzingen voor de reikwijdte en de intensiteit van de accountantscontrole; directe arbeidskosten: een vergoeding voor de inzet van gewerkte uren van personeel niet in loondienst, niet zijnde kosten van derden; directe loonkosten: het totaal van het bruto loon volgens de loonstaat, de vakantie-uitkering, de niet van winst afhankelijke eindejaarsuitkering of 13e maand, de werkgeverslasten (werkgeversdeel pensioenpremie, WW-premie, WIA/WAO-premie en bijdrage Zorgverzekeringswet) en de overige werkgeverspremies voor werkloosheids- en ziektekostenuitkeringen; indirecte kosten: het totaal van indirecte loonkosten en kosten voor overhead; indirecte loonkosten: het totaal van de kosten van de secundaire arbeidsvoorwaarden en de kosten van emolumenten; kosten van apparatuur: gebruikskosten van bestaande apparatuur of van apparatuur die niet speciaal is aangeschaft ten behoeve van de subsidiabele activiteit; kosten van apparatuur die speciaal is aangeschaft ten behoeve van de subsidiabele activiteit; kosten van derden: de kosten voor uitbesteding van diensten en het inlenen van personeel; kosten van materialen: de kosten voor verbruiksgoederen; Landbouw groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 702/2014 van de EuropeseCommissie van 25 juni 2014 (Pb EU L 193); publiekrechtelijke rechtspersoon: rechtspersoon als bedoeld in artikel 1 van boek 2 van het BurgerlijkWetboek; rechtspersoon met een wettelijke taak: rechtspersoon voor zover die een bij of krachtens de wet geregelde taak uitoefenen en daartoe geheel of gedeeltelijk worden bekostigd uit de opbrengst van bij of krachtens de wet ingestelde heffingen. Artikel 1.1.2 Toepassingsbereik Hoofdstuk 1 is ook van toepassing op andere besluiten omtrent subsidie voor het nemen waarvan Gedeputeerde Staten bevoegd zijn dan de besluiten die worden genomen met toepassing van de hoofdstukken 2 tot en met

  1. Paragraaf 1.2 De aanvraag Artikel 1.2.1 Tijdvak voor aanvragen Gedeputeerde Staten kunnen een tijdvak vaststellen waarbinnen aanvragen om subsidie kunnen worden ingediend. Artikel 1.2.2 Indieningstermijn bij verdeelplan Voor subsidie die wordt verleend op basis van een krachtens wettelijk voorschrift vastgesteld verdeelplan waarin tenminste de subsidieontvangers en de te ontvangen subsidiebedragen worden genoemd, wordt de aanvraag om subsidie in afwijking van artikel 7, eerste lid, van de AsG uiterlijk zes maanden nadat het verdeelplan is vastgesteld ingediend. Artikel 1.2.3 Inhoud van aanvraag om subsidie 1 Bij de aanvraag om subsidie worden in elk geval de volgende gegevens verstrekt: een beschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd en de daarmee beoogde doelstellingen; een begroting van de opbrengsten en kosten voor de activiteiten, voorzien van een toelichting; indien de activiteiten een tijdvak van meer dan 12 maanden beslaan: een planning van de uitvoering van de activiteiten in de eerste 12 maanden en de daaraan verbonden kosten, alsmede een planning voor het resterende deel van het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd; indien de aanvrager een privaatrechtelijke rechtspersoon is: zijn statuten; en indien de aanvrager een privaatrechtelijke rechtspersoon is: de laatst opgemaakte jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, dan wel de balans en de staat van opbrengsten en kosten en de toelichting daarop of, indien deze bescheiden ontbreken, een verslag over de financiële positie van de aanvrager op het moment van indiening van de aanvraag. 2 Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het eerste lid, onderdelen d en e. 3 Gedeputeerde Staten kunnen een schriftelijke verklaring vragen van een accountant als bedoeld in artikel 393 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek omtrent de getrouwheid van de in het eerste lid, onderdeel e, bedoelde bescheiden dan wel een mededeling dat van onjuistheden niet is gebleken. 4 Indien voor dezelfde activiteiten tevens subsidie is aangevraagd bij een ander bestuursorgaan, doet de aanvrager daarvan mededeling in de aanvraag. Artikel 1.2.4 Boekjaarsubsidies 1 De aanvraag om een subsidie voor een boekjaar wordt ingediend voor 1 april van het jaar dat voorafgaat aan het boekjaar. 2 Indien voor het jaar voorafgaand aan het boekjaar reeds subsidie werd verkregen, kan de aanvraag tot en met 30 september worden ingediend. 3 Gedeputeerde Staten beslissen uiterlijk binnen 13 weken na ontvangst van de aanvang. Artikel 1.2.5 Ontvangstbevestiging Gedeputeerde Staten zenden de aanvrager zo spoedig mogelijk na ontvangst van de aanvraag een ontvangstbevestiging, waarin de ontvangstdatum is vermeld. Paragraaf 1.3 Beslissing op de aanvraag Artikel 1.3.1 Directe vaststelling bij subsidies tot € 25.000 1 Bij een subsidie tot € 25.000 wordt geen verleningsbesluit genomen. 2 Indien sprake is van subsidieverstrekking onder opschortende voorwaarde als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de AsG wordt in het verleningsbesluit aangegeven binnen welke termijn de activiteit wordt uitgevoerd. 3 Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid bevat het verleningsbesluit tevens de datum waarop de subsidie ambtshalve wordt vastgesteld. Artikel 1.3.2 Wijze van verdeling 1 Bij het verlenen van subsidie wordt de volgorde in acht genomen waarin de aanvragen om subsidie zijn ingediend. Een aanvraag wordt slechts in de volgorde opgenomen indien zij voldoet aan de eisen die aan haar worden gesteld. 2 Indien als gevolg van het verlenen van subsidie op grond van een aanvraag die is ingediend op een dag waarop meerdere aanvragen zijn ingediend het subsidieplafond zou worden bereikt, wordt de volgorde als bedoeld in het eerste lid bepaald door loting. 3 Gedeputeerde Staten kunnen bepalen dat aanvragen op basis van een onderlinge vergelijking in een rangorde worden geplaatst. 4 Op aanvragen die voor een bepaalde datum moeten worden ingediend en die op basis van een onderlinge vergelijking in een rangorde worden geplaatst, wordt in afwijking van het eerste lid beslist op volgorde van die rangorde. 5 Bij de toepassing van het derde en vierde lid wordt onder aanvraag verstaan een aanvraag die voldoet aan de eisen die aan haar worden gesteld. 6 Gedeputeerde Staten kunnen een aanvraag als bedoeld in het vierde lid weigeren indien die niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Artikel 1.3.3 Communautair toetsingskader 1 Indien de verstrekking van subsidie als een steunmaatregel in de zin van artikel 107, eerste lid, van het VwEU moet worden aangemerkt, wordt de subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met Verordening (EU) Nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van deEuropese Unie op de de-minimissteun (PbEU L 352). 2 Indien tegen een subsidieontvanger een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard, is betaling daarvan uitgesloten (Deggendorfclausule). 3 Subsidie aan ondernemingen in moeilijkheden wordt niet verstrekt met toepassing van de Algemene groepsvrijstellingsverordening of de Landbouw groepsvrijstellingsverordening. Artikel 1.3.4 Sluitende begroting Een subsidie wordt uitsluitend verstrekt als de begroting van de activiteit sluitend is. Artikel 1.3.5 Niet-subsidiabele kosten 1 Geen subsidie wordt verstrekt in verband met: kosten ten behoeve van het opstellen van de aanvraag; kosten die worden gemaakt voordat de aanvraag is ontvangen; kosten die uit anderen hoofde worden gesubsidieerd; verrekenbare of compensabele belastingen, heffingen of lasten; kosten van rente, bankdiensten, financieringen, gerechtelijke procedures, provinciale leges, boetes en sancties; legeskosten indien de aanvraag wordt gedaan door een bestuursorgaan; kosten van activiteiten die redelijkerwijs kunnen worden gedekt uit de opbrengsten die met de activiteiten verband houden; kosten om te voldoen aan wettelijke verplichtingen of aan gangbare minimumkwaliteitseisen; kosten van reguliere werkzaamheden van de aanvrager; kosten gemaakt na beëindiging van activiteiten met uitzondering van accountantskosten zoals bedoeld in artikel 27, derde lid, van de AsG; kosten van in natura geleverde diensten en goederen; kosten van personen of organisaties die organisatorisch, economisch of financieel zijn verbonden welke onderling in rekening worden gebracht; fooien, geschenken, gratificaties en bonussen; kosten voor representatie, personeelsactiviteiten, overboekingen, annuleringen en outplacementtrajecten; niet noodzakelijke of bovenmatige kosten. Artikel 1.3.6 Methoden voor berekening van kosten 1 De aanvrager kiest voor het berekenen van de kosten een van de volgende methoden: de vaste uurtariefsystematiek; de loonkosten plus vaste opslagsystematiek; de integrale kostensystematiek. 2 De aanvraag bevat een opgave van de gekozen systematiek. 3 Op verzoek van de aanvrager kunnen Gedeputeerde Staten in afwijking van het eerste lid een andere methode vaststellen. 4 Onverminderd het derde lid worden de subsidiabele kosten berekend op basis van een voor de subsidieontvanger gebruikelijke en controleerbare methode die is gebaseerd op bedrijfeconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en die de subsidieontvanger stelselmatig toepast. 5 In afwijking van het eerste lid wordt voor publiekrechtelijke rechtspersonen en rechtspersonen met een wettelijke taak de vaste uurtariefsystematiek toegepast, ongeacht of de subsidiabele activiteit tot de wettelijke taak van de rechtspersoon wordt gerekend. 6 Gedeputeerde Staten kunnen voor rechtspersonen als bedoeld in het vijfde lid een andere methode toestaan. Het derde en het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 1.3.7 Vaste uurtariefsystematiek 1 De kosten bij de vaste uurtariefsystematiek zijn: een vast uurtarief als vergoedig voor de directe loon- en arbeidskosten en de indirecte kosten; kosten van apparatuur; kosten van materialen; kosten van derden. 2 Het vaste uurtarief bedraagt ten hoogste €
  2. 3 Het aantal gewerkte uren moet in de administratie per betrokken medewerker worden vastgelegd en bedraagt op jaarbasis ten hoogste 1.
  3. 4 Het derde lid is niet van toepassing op subsidies waarop artikel 17, tweede lid, van de AsG vantoepassing is. Artikel 1.3.8 Loonkosten plus vaste opslagsystematiek 1 De kosten bij de loonkosten plus vaste opslagsystematiek zijn: een uurtarief voor directe loonkosten; een opslag over de directe loonkosten als vergoeding voor de indirecte kosten; een vast uurtarief als vergoeding voor de directe arbeidskosten; kosten van apparatuur; kosten van materialen; kosten van derden. 2 Het uurtarief voor de directe loonkosten word bepaald door de directe loonkosten per betrokken medewerker te delen door 1.600 en bedraagt ten hoogste €
  4. 3 Het vaste uurtarief voor directe arbeidskosten bedraagt ten hoogste €
  5. 4 De opslag voor de indirecte kosten bedraagt ten hoogste 20%. 5 Het aantal gewerkte uren van de betrokken medewerker moet in de administratie met bijhorende loonkosten worden vastgelegd en bedraagt op jaarbasis ten hoogste 1.
  6. 6 Het vijfde lid is niet van toepassing op subsidies waarop artikel 17, tweede lid, van de AsG van toepassing is. Artikel 1.3.9 Berekeningswijzen kosten 1 Bij de toepassing van de artikelen 1.3.7 en 1.3.8 worden de kosten van apparatuur, materialen, loon- en arbeidskosten en kosten van derden, alsmede vergoedingen voor vrijwilligers berekend aan de hand van het tweede tot en met negende lid. 2 De kosten voor apparatuur als bedoeld in artikel 1.1.1, onder g, onderdeel i, worden berekend door het werkelijke gebruik van het apparaat te vermeningvuldigen met het machine-uurtarief. 3 Het machine-uurtarief als bedoeld in het eerste lid wordt bepaald aan de hand van de historische aanschafprijs minus de restwaarde van het apparaat gedeeld door de normale bezetting van het apparaat en de voor het apparaat gebruikelijke afschrijvingstermijn. 4 Het werkelijke gebruik van het apparaat wordt vastgelegd in een controleerbare gebruiksadministratie. 5 De kosten voor apparatuur als bedoeld in artikel 1.1.1, onder g, onderdeel ii, worden berekend door middel van lineaire afschrijving van het apparaat. 6 De lineaire afschrijving als bedoeld in het vierde lid wordt bepaald aan de hand van de historische aanschafprijs minus de restwaarde van het apparaat gedeeld door de voor het apparaat gebruikelijke afschrijvingstermijn. 7 De kosten van materialen worden berekend op basis van historische aanschafprijzen. 8 De kosten van vergoedingen voor vrijwilligers zijn subsidiabel voorzover: deze aan de vrijwilliger zijn uitbetaald; het aantal gewerkte uren in de administratie met bijhorende vergoeding per vrijwilliger zijn vastgelegd; de hoogte van de vergoeding bedraagt maximaal € 4,50 per uur, met een maximum van € 150 per maand en € 1.500 per jaar. Artikel 1.3.10 Integrale kostensystematiek 1 De kosten bij de integrale kostensystematiek zijn: een tarief voor de directe en indirecte kosten van de voor de uitvoering van de activiteiten ingezette kostendragers; kosten van derden. 2 De kosten per kostendrager als bedoeld in het eerste lid, onder a, worden berekend in een tarief per eenheid van deze kostendrager. 3 Het tarief als bedoeld in het tweede lid wordt gebaseerd op een positief besluit dat op de datum waarop de aanvraag wordt ingediend niet ouder is dan twee jaar van het Tarieventeam van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland ten aanzien van de Eigen verklaring integrale kostensystematiek. 4 De kosten worden berekend door het aantal eenheden van de kostendragers te vermenigvuldigen met het berekende tarief, vermeerderd met de aan derden betaalde kosten voor zover deze geen deel uitmaken van dat tarief. Paragraaf 1.4 Verplichtingen van de subsidieontvanger Artikel 1.4.1 Uitvoering van de activiteiten 1 De subsidieontvanger is verplicht om binnen 13 weken na de subsidieverlening dan wel, ingeval van subsidie die zonder voorafgaande subsidieverlening direct wordt vastgesteld, binnen 13 weken na de subsidievaststelling te beginnen met de uitvoering van de activiteiten. 2 Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van het eerste lid. 3 De subsidieontvanger is verplicht alle op de activiteit betrekking hebbende bewijsstukken gedurende ten minste vijf jaren na afronding van de activiteit te bewaren. Artikel 1.4.2 Administratie bij subsidies vanaf € 125.000 1 De subsidieontvanger is verplicht bij subsidieverstrekking vanaf € 125.000 een administratie te voeren die te allen tijde de informatie bevat die nodig is voor het afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichtte activiteiten en de daaraan verbonden kosten en inkomsten. 2 Het voeren van een administratie als bedoeld in het eerste lid houdt in ieder geval in dat: alle ontvangsten en kosten in de administratie zijn vastgelegd met onderliggende bewijsstukken; bewijsstukken, als onderdeel van de administratie, aanwezig zijn ten name van de subsidieontvanger en dat daaruit de aard en hoeveelheid van de geleverde goederen en diensten blijkt, en uit de urenregistratie blijkt dat de gedeclareerde mensuren daadwerkelijk zijn gemaakt en rechtstreeks toe te rekenen zijn aan het project waarvoor de subsidie is verleend. 3 Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing wanneer een verklaring als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de AsG is voorgeschreven. Artikel 1.4.3 Voortgangsrapportage Als een subsidie boven € 25.000 niet binnen een jaar na de subsidieverlening wordt vastgesteld, kunnen Gedeputeerde Staten de subsidieontvanger, zolang de subsidie niet is vastgesteld, eenmaal per jaar verplichten om een voortgangsrapportage over te leggen. Artikel 1.4.4 Verrichten van activiteiten 1 De subsidieontvanger is verplicht om de subsidieverstrekker onverwijld schriftelijk mee te delen dat de inkomsten of de uitgaven afwijken van de begroting, dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig, niet geheel of gewijzigd zullen worden verricht, of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan. 2 De subsidieontvanger is verplicht om op eerste verzoek van Gedeputeerde Staten door het overleggen van bewijsstukken aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen. Artikel 1.4.5 Vervreemding van goederen en rechten 1 De subsidieontvanger is gehouden, indien met subsidie verkregen goederen en rechten binnen vijf jaar na de subsidievaststelling worden vervreemd of anderszins aan derden ter beschikking worden gesteld, Gedeputeerde Staten hiervan in kennis te stellen en de verstrekte subsidie terug te betalen, tenzij anders bepaald. 2 Gedeputeerde Staten stellen het bedrag van de terug te betalen subsidie vast binnen dertien weken nadat zij kennis hebben gekregen van de omstandigheid bedoeld in het vorige lid. 3 Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de verplichting de subsidie terug te betalen. Artikel 1.4.6 Vermogensvorming 1 De hoogte van de vergoeding voor vermogensvorming als bedoeld in artikel 4:41 van de Algemene wet bestuursrecht is het gedeelte van de waarde van het vermogen van de subsidieontvanger, dat evenredig is aan het gedeelte van zijn totale opbrengsten dat gedurende de laatste tien jaar door de subsidie is gevormd. 2 Bij de bepaling van de waarde van het vermogen wordt uitgegaan van de waarde van de vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt, met dien verstande dat bij verlies of beschadiging van goederen wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger is ontvangen. 3 De waarde van onroerende goederen wordt bepaald op basis van hun waarde in het economisch verkeer, die van de roerende goederen op basis van hun boekwaarde. De geldmiddelen, waaronder begrepen banksaldi, worden gewaardeerd op hun nominale waarde. 4 De waarde van onroerende goederen wordt voor rekening van de provincie vastgesteld door een of meer onafhankelijke deskundigen die daartoe door Gedeputeerde Staten in overeenstemming met de subsidieontvanger worden aangewezen. 5 Indien minder dan tien achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt, wordt de vergoeding berekend op basis van het aantal jaren gedurende welke subsidie is verstrekt. 6 Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek van subsidieontvanger beslissen dat geen vergoeding verschuldigd is indien: de activiteiten door een ander worden overgenomen; de realisatie van de doelstelling niet in gevaar komt; en de activa en passiva tegen boekwaarde, bepaald op grond van historische kostprijs, worden overgenomen door de rechtsopvolger. Artikel 1.4.7 In stand houden resultaten 1 De subsidieontvanger houdt gedurende ten minste vijf jaren na de uitvoering van de activiteiten ten behoeve waarvan de subsidie is verleend, of zolang als in de beschikking tot verlening van de subsidie is bepaald, de resultaten van de activiteiten in stand, tenzij de aard van de activiteiten zich daartegen verzet. 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op subsidies als bedoeld in artikel 1.3.
  7. Paragraaf 1.5 Vaststelling Artikel 1.5.1 Vaststelling van subsidies tussen € 25.000 tot € 125.000 De subsidieontvanger geeft in de verklaring als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de AsG aan: of de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, voorzien van een korte toelichting; of aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan; wat het totaal van de subsidiabele kosten is; in voorkomend geval wat de stand van de egalisatiereserve is; wat het totaal van de opbrengsten is, inclusief bijdragen van derden is; en wat het totaal van de eigen bijdragen is. Artikel 1.5.2 Vaststelling door middel van jaarrekening bij subsidies boven € 125.000 1 Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 27, tweede lid, van de AsG gaat de aanvraag om vaststelling van de subsidie, onverminderd artikel 27, eerste, derde en vierde lid van de AsG, vergezeld van: de jaarrekening waarin de subsidie separaat wordt verantwoord; het jaarverslag; en de accountantsverklaring en het verslag van bevindingen die in ieder geval strekken tot de verantwoording van onderdeel a. 2 Uit accountantsverklaring moet blijken dat het controleprotocol is toegepast. 3 De aanvraag om vaststelling als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend uiterlijk vier weken na het verschijnen van de jaarrekening van het jaar waarin de activiteiten zijn geëindigd. Artikel 1.5.3 Vaststelling van subsidies bij bijzonder programma 1 In afwijking van artikel 1.5.2 wordt de eindverantwoording van een subsidie op grond van artikel 12 van de AsG voorzien van een accountantsverklaring, waaruit blijkt dat het controleprotocol is toegepast. 2 In afwijking van artikel 1.5.2 kunnen gemeenten, waterschappen en rechtspersonen die zijn ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen de eindverantwoording als bijlage bij de jaarrekening opnemen onder de voorwaarden dat: de verklaring van de accountant mede strekt tot de verantwoording in de bijlage; de gehele jaarrekening en het jaarverslag worden meegezonden; het verslag van bevindingen wordt bijgevoegd, waarin de accountant een verwijzing opgenomen heeft dat de controle is uitgevoerd met inachtneming van het controleprotocol; of indien een dergelijk verslag niet door de accountant is afgegeven een mededeling van de accountant dat gecontroleerd is met inachtneming van het controleprotocol. 3 Het tweede lid is niet van toepassing op subsidies tot € 125.
  8. 4 De aanvraag om vaststelling als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend uiterlijk 12 maanden nadat de activiteiten zijn uitgevoerd. Paragraaf 1.6 Overige bepalingen Artikel 1.6.1 Waarderingssubsidies In afwijking van artikel 5, tweede lid, van de AsG kan waarderingssubsidie worden verstrekt aan natuurlijke personen. Artikel 1.6.2 Cofinanciering EFRO Indien subsidie wordt verstrekt als provinciale cofinanciering bij een subsidie op grond van de Uitvoeringswet EFRO, is in afwijking van artikelen 5, eerste lid, 7, 8, 9, eerste lid, 14, 17, tweede lid, 20, derde lid, 21, 29, 31 en paragraaf 7 van de AsG het bepaalde bij of krachtens de Uitvoeringswet EFRO van toepassing. Hoofdstuk 2 Duurzame ruimtelijke ontwikkeling en waterbeheer Paragraaf 2.

Artikel 2

.1.1 Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: Beleef de Waal: het deelproject van het Uitvoeringsprogramma WaalWeelde 2013-2017 zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 5 maart 2013; collectief: een groep natuurlijke personen die zich verenigd hebben in een rechtspersoon die beoogt hun belangen in een CPO-woningbouwproject te behartigen; CPO: Collectief Particulier Opdrachtgeverschap; CPO-woningbouwproject: de realisatie door een collectief van minimaal 3 woningen waarin de leden van het collectief gaan wonen; waterliniefort: een van de navolgende objecten: Complex Fort bij Asperen; Complex Fort aan de Nieuwe Steeg; Complex Fort bij Vuren; Complex Werk op de Spoorweg bij de Diefdijk; Complex Batterij onder Poederoijen; Complex Batterij onder Brakel; Complex Fort Everdingen; knooppunt in de recreatieve infrastructuur: een plaats bij een veerverbinding over de Boven-Rijn, het Bijlandsch Kanaal of de Waal waar wandel- en fietsroutes en struinpaden samenkomen en die bereikbaar is met de auto; samenwerking “Rondje Pontje”: een samenwerkingsverband van ondernemers en initiatiefnemers rond twee pontjes en de routes daartussen op de beide oevers van de Waal; vertierplek: plek aan de Waal die met minimale aanpassingen zodanig is ingericht dat er toegang is tot de oever en gelegenheid om aan het water te recreëren; WaalWeeldegebied: het gebied omvattende het grondgebied van de gemeenten Beuningen, Druten, Lingewaal, Lingewaard, Maasdriel, Millingen a/d Rijn, Neerijnen, Neder- Betuwe, Nijmegen, Overbetuwe, Rijnwaarden, Tiel, Ubbergen, West Maas en Waal en Zaltbommel. Paragraaf 2.2 Ontwikkeling forten Artikel 2.2.1 Subsidiabele activiteiten Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: de restauratie of voorbereiding van de restauratie van een waterliniefort; de modernisering of fysieke verbetering dan wel de voorbereiding van de modernisering of fysieke verbetering van de infrastructuur behorend bij een waterliniefort. Artikel 2.2.2 Criteria 1 Subsidie als bedoeld in artikel 3.2.1, onder a, wordt slechts verstrekt indien: de wijze van uitvoering van de werkzaamheden voldoet aan de door Gedeputeerde Staten vastgestelde Uitvoeringsvoorschriften ten behoeve van duurzame instandhouding cultuurhistorische waarden; en de werkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een leerlingbouwplaats of opleidingsplaats voor leerlingen in de restauratiebouw. 2 Subsidie als bedoeld in artikel 3.2.1, onder b, wordt slechts verstrekt indien jaarlijks ten minste 80% van de tijd- of ruimtecapaciteit van de infrastructuur behorend bij een waterliniefort voor culturele doeleinden wordt gebruikt. Artikel 2.2.3 Aanvrager 1 Subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar van een waterliniefort. 2 In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen. Artikel 2.2.4 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste: 80% van de kosten met een maximum van € 1.000.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.2.1 ten behoeve van de waterlinieforten genoemd in artikel 2.1.1, onder d, onderdelen i tot en met vi; 50% van de kosten met een maximum van € 1.000.000 voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.2.1 ten behoeve van het waterliniefort genoemd in artikel 2.1.1, onder d, onderdeel vii, met uitzondering van monumentnummers 531684, 531664 en

  1. Artikel 2.2.5 Communautair toetsingskader In afwijking van artikel 1.3.3, eerste lid, wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.2.1 slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 53 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening Paragraaf 2.3 Gebiedsontwikkeling Artikel 2.3.1 Subsidiabele activiteiten Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de voorbereiding of uitvoeringvan werkzaamheden waarmee: een cultuurhistorisch object wordt gerestaureerd; bewegwijzering of straatmeubilair wordt aangeschaft en geplaatst; informatiepanelen worden aangeschaft en geplaatst; straatverlichting wordt aangeschaft en geplaatst; wandel- of rolstoelpaden worden aangelegd of aangepast; aanleg of aanpassingen worden gerealiseerd van parkeerplaatsen; landschappelijke of bouwkundige aanpassingen worden gerealiseerd ten gunste van het overwinteren, het zwermen of migreren van vleermuizen in de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Artikel 2.3.2 Criteria 1 Subsidie als bedoeld in artikel 2.3.1, onder a, wordt slechts verstrekt indien: de wijze van uitvoering van de werkzaamheden voldoet aan de door Gedeputeerde Staten vastgestelde Uitvoeringsvoorschriften ten behoeve van duurzame instandhouding cultuurhistorische waarden; en de werkzaamheden worden uitgevoerd met behulp van een leerlingbouwplaats of opleidingsplaats voor leerlingen in de restauratiebouw. 2 Subsidie als bedoeld in artikel 2.3.1, onder b, wordt slechts verstrekt indien: 3 Subsidie als bedoeld in artikel 2.3.1, onder c, wordt slechts verstrekt indien: de informatiepanelen worden geplaatst op openbaar terrein in de Nieuwe Hollandse Waterlinie; de informatiepanelen worden geproduceerd in de vormgeving zoals ontwikkeld voor het Nationaal Project Nieuwe Hollandse Waterlinie; en de informatiepanelen bevatten informatie over het historische, militaire systeem de Nieuwe Hollandse Waterlinie. 4 Subsidie als bedoeld in artikel 2.3.1, onder d, wordt slechts verstrekt indien: de straatverlichting wordt geplaatst op openbaar terrein aan de Diefdijk in de gemeenten Vianen en Leerdam, de Meerdijk, de Nieuwe Zuiderlingedijk of de Zuiderlingedijk in de gemeente Lingewaal; en de straatverlichting wordt geproduceerd in de vormgeving zoals ontwikkeld voor het Nationaal Project Nieuwe Hollandse Waterlinie. 5 Subsidie als bedoeld in artikel 2.3.1, onder e, wordt slechts verstrekt indien: de wandel- of rolstoelpaden openbaar toegankelijk zijn; en de wandel- of rolstoelpaden leiden naar een cultuurhistorisch object of vormen een aaneengesloten route om een cultuurhistorisch object. 6 Subsidie als bedoeld in artikel 2.3.1, onder f, wordt slechts verstrekt indien: de parkeerplaatsen openbaar toegankelijk zijn; en de ingang van de parkeerplaatsen is gelegen op een afstand van minder dan 200 meter van objecten die zijn aangewezen als Rijksmonumenten en die een functie hadden in de militaire werking van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Artikel 2.3.3 Aanvrager 1 Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.1, onder a en g, wordt verstrekt aan de eigenaar van het cultuurhistorisch object. 2 Subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.3.1, onder b tot en met f, wordt verstrekt aan de eigenaar van het terrein waarop de werkzaamheden plaatsvinden of de materialen worden geplaatst. 3 In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen. Artikel 2.3.4 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste 80% van de kosten met een maximum van € 200.
  2. Artikel 2.3.5 Communautair toetsingskader In afwijking van artikel 1.3.3, eerste lid, wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.3.1, onder a, e en f, slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 53 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening. Paragraaf 2.4 Collectief Particulier Opdrachtgeverschap Artikel 2.4.1 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: procesbegeleidingsactiviteiten door een onafhankelijke begeleider met ervaring in procesbegeleiding; en het opstellen van een projectplan voor de realisatie van een CPO-woningbouwproject door een onafhankelijke begeleider, waarin een conclusie over de haalbaarheid is opgenomen en waar in ieder geval uit blijkt dat het collectief een vrije keuze heeft in de opdrachtverlening aan externe partijen in het bouwproces en een doorslaggevende stem heeft in het ontwerp- en bouwproces van een CPO-woningbouwproject. Artikel 2.4.2 Criteria Subsidie wordt slechts verstrekt indien: het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente verklaard heeft geen bezwaar te hebben tegen de realisering van het CPO-woningbouwproject op de betreffende locatie; en de eigenaar van de grond waarop of het gebouw waarin het CPO-woningbouwproject wordt gerealiseerd de intentie heeft deze respectievelijk dit aan het collectief te verkopen of te verhuren. Artikel 2.4.3 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan een collectief. Artikel 2.4.4 Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag de volgende gegevens verstrekt: een verklaring van het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente dat het geen bezwaar heeft tegen de realisering van het CPO-woningbouwproject op de betreffende locatie; een verklaring van de eigenaar van de grond waarop of het gebouw waarin het CPO-woningbouwproject wordt gerealiseerd, waaruit blijkt dat hij de intentie heeft de grond of het gebouw te verkopen of te verhuren aan het collectief; een lijst van deelnemers aan het collectief. Artikel 2.4.5 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de kosten en ten hoogste: € 1.000 per woning tot een maximum van € 10.000 per CPO-woningbouwproject indien het nieuwbouw betreft; € 1.250 per woning tot een maximum van € 12.500 per CPO-woningbouwproject indien het bestaande bouw betreft of sloop van bestaande bouw met vervolgens nieuwbouw. Artikel 2.4.6 Verplichtingen Het projectplan dient binnen één jaar na het verlenen van de subsidie te zijn voltooid en aan de provincie te zijn overgelegd. Paragraaf 2.5 Beleef de Waal Artikel 2.5.1 Subsidiabele activiteiten 1 Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: de voorbereiding van de aanleg en de realisatie van vertierplekken en veerstoepen en de ontwikkeling, productie en plaatsing van informatievoorzieningen; de ontwikkeling van producten en arrangementen op het gebied van duurzaam toerisme; het opzetten en ontwikkelen van de samenwerking “Rondje Pontje”; het ontwikkelen en organiseren van evenementen en manifestaties. 2 Geen subsidie wordt verstrekt voor de aanleg of wijziging van wegen of dijken. Artikel 2.5.2 Criteria Subsidie wordt slechts verstrekt voor activiteiten die: worden uitgevoerd in het WaalWeeldegebied; passen binnen de doelstellingen van Beleef de Waal; positief zijn beoordeeld door burgemeester en wethouders van de gemeente in het WaalWeeldegebied waar de activiteit plaatsvindt, voor zover het activiteiten betreft als bedoeld in artikel 2.5.1, eerste lid, onder a, b en d; en passen in een duurzame ontwikkeling van het WaalWeeldegebied. Artikel 2.5.3 Aanvrager 1 Subsidie wordt verstrekt aan: een natuurlijk persoon die woonachtig is in het WaalWeeldegebied; een gemeente in het WaalWeeldegebied; een rechtspersoon die blijkens zijn statutaire doelen en activiteiten een bijdrage kan leveren aan Beleef de Waal. 2 In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen. Artikel 2.5.4 Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag in elk geval de volgende gegevens verstrekt: een schriftelijke verklaring van burgemeester en wethouders waaruit blijkt dat de betreffende subsidiabele activiteit positief is beoordeeld, voor zover het een activiteit als bedoeld in artikel 2.5.1, eerste lid, onder a, b of d betreft; en een uiteenzetting dat de betreffende subsidiabele activiteit past in een duurzame ontwikkeling van het WaalWeeldegebied. Artikel 2.5.5 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met een minimum van € 5.000 en een maximum van € 75.
  3. Artikel 2.5.6 Weigeringsgrond Subsidie als bedoeld in artikel 2.5.1,eerste lid, onder b, c en d, wordt geweigerd voor zover fysieke voorzieningen niet worden aangelegd of gewijzigd op grond die in eigendom is van publiekrechtelijke rechtspersonen. Paragraaf 2.6 Waalpleisterplaatsen Artikel 2.6.1 Subsidiabele activiteit 1 Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de aanleg van openbare voorzieningen aan een knooppunt in de recreatieve infrastructuur. 2 Onder openbare voorzieningen als bedoeld in het eerste lid worden verstaan: picknicktafel; ten minste één bank en prullenbak op de veerstoep; watertappunt; parkeerplaats liggend op of aan de veerdam of direct achter de dijk; elektriciteitsaansluiting; openbaar toilet; camperplaatsen; aanlegsteiger recreatieve vaartuigen. Artikel 2.6.2 Criteria Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover: het knooppunt in de recreatieve infrastructuur gelegen is in het WaalWeeldegebied; niet alle openbare voorzieningen als genoemd in artikel 2.6.1, tweede lid, onderdelen i tot en met iv, reeds op het knooppunt in de recreatieve infrastructuur aanwezig zijn; alle openbare voorzieningen als genoemd in artikel 2.6.1, tweede lid, onderdelen i tot en met iv, na afronding van de subsidiabele activiteit op het knooppunt in de recreatieve infrastructuur aanwezig zullen zijn; de aan te leggen openbare voorzieningen tegen hoogwater bestand zijn, dan wel dat deze gedurende hoogwater tijdelijk verwijderd kunnen worden; en de activiteit positief is beoordeeld door burgemeester en wethouders van de gemeente in het Waalweeldegebied waar de activiteit plaatsvindt. Artikel 2.6.3 Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 wordt bij de aanvraag in elk geval een schriftelijke verklaring van burgemeester en wethouders verstrekt waaruit blijkt dat de betreffende subsidiabele activiteit positief is beoordeeld. Artikel 2.6.4 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de kosten met een minimum van € 10.000 en een maximumvan € 100.
  4. Artikel 2.6.5 Weigeringsgrond Subsidie wordt geweigerd indien Gedeputeerde Staten reeds subsidie hebben verstrekt voor een soortgelijke activiteit in dezelfde gemeente. Artikel 2.6.6 Verplichtingen Onverminderd artikel 1.4.7 is de subsidieontvanger verplicht de openbare voorzieningen gedurende ten minste vijf jaar na de vaststelling van de subsidie te beheren en te onderhouden. Paragraaf 2.7 Steengoed Benutten - Tijdelijke Stimulering Sociale woningmarkt Artikel 2.7.1 Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: gemeentelijk vastgoed: bebouwde of onbebouwde gronden die of in eigendom zijn bij de gemeente of waarover de gemeente zakelijk gerechtigde is; sociale doelgroepen: huishoudens met een inkomen beneden het norminkomen volgens artikel 14 van de Wet op de huurtoeslag; vergunninghouder: vreemdeling van 18 jaar of ouder die een verblijfsvergunning heeft ontvangen als bedoeld in artikel 8, onderdeel a, b, c of d, van de Vreemdelingenwet 2000; toegelaten instelling: een verhuurder als bedoeld in Circulaire van de minister van Wonen en Rijksdienst MG 2015-
  5. Artikel 2.7.2 Subsidiabele activiteiten Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: het uitvoeren van een verkenning om te komen tot een samenhangende aanpak voor de integratie van vergunninghouders op de gebieden huisvesting, onderwijs en arbeidsparticipatie; het uitvoeren van een verkenning naar de mogelijkheden om permanente en tijdelijke huisvesting voor sociale doelgroepen, waaronder vergunninghouders, te realiseren in niet in gebruik zijnd vastgoed; het opstellen van een business case voor de tijdelijke huisvesting van sociale doelgroepen in of op gemeentelijk vastgoed; het geschikt maken van gemeentelijk vastgoed voor het tijdelijk huisvesten van sociale doelgroepen, waaronder vergunninghouders, waarbij rekening is gehouden met leefbaarheidsaspecten. Artikel 2.7.3 Criteria 1 Subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef en onder a, wordt slechts verstrekt indien: sprake is van een samenhangende aanpak van wonen, welzijn, onderwijs en toegeleiding naar de arbeidsmarkt; er wordt gewerkt met een procesmatige aanpak. 2 Subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef en onder d, wordt slechts verstrekt indien: het gemeentelijk vastgoed om niet ter beschikking wordt gesteld; een sluitende exploitatie voor het tijdelijk gebruik van gemeentelijk vastgoed als huisvesting van sociale doelgroepen, volgens de business case, niet mogelijk is; in bestaand gemeentelijk vastgoed ten minste 10 wooneenheden worden gerealiseerd en op nieuwe tijdelijke locaties ten minste 20 wooneenheden worden gerealiseerd door een toegelaten instelling en de maximale huurprijs van een wooneenheid minder bedraagt dan de aftoppingsgrenzen, genoemd in de Circulaire van de minister van Wonen en Rijksdienst MG 2015-05; de tijdelijke huisvesting bijdraagt aan het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit. de tijdelijke huisvesting is gerealiseerd na 1 januari
  6. Artikel 2.7.4 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan gemeente en openbare lichamen in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 2.7.5 Subsidiabele kosten 1 Voor subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef en onder a, komen in aanmerking de kosten voor het inhuren van externe capaciteit voor het uitvoeren van een verkenning. 2 Voor subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef en onder b, komen in aanmerking de kosten voor het inhuren van externe capaciteit voor het uitvoeren van een verkenning en het opstellenvan een business case. 3 Voor subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef en onder c, komen in aanmerking de kosten voor het inhuren van externe capaciteit voor het opstellen van een business case. 4 In afwijking van artikel 1.3.5, eerste lid onder b, zijn de kosten voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef en onder a, b, en , c, gemaakt na 1 januari 2016 subsidiabel. Artikel 2.7.6 Hoogte van de subsidie 1 Subsidie aan een gemeente als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef en onder a, bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 20.
  7. 2 Subsidie aan een gemeente als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef en onder b, bedraagt ten hoogste 85% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 15.
  8. 3 Subsidie aan een gemeente als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef en onder c, bedraagt ten hoogste 85% van de subsidiabele kosten, met een maximum van € 15.
  9. 4 Subsidie aan een gemeente als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef en onder d, bedraagt € 2.000 per gerealiseerde wooneenheid met een maximum van € 80.
  10. 5Subsidie aan een openbaar lichaam in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef onder a, bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.
  11. 6 Subsidie aan een openbaar lichaam in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef onder b, bedraagt ten hoogste 85% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 50.
  12. Artikel 2.7.7 De aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag in elk geval de volgende gegevens verstrekt: voor subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef en onder a: een beschrijving van kansen en uitdagingen op het vlak van wonen, leren werken in de gemeente of regio alsmede mogelijk te betrekken partijen; een door tenminste één gemeente, één verhuurder van wooneenheden voor sociale doelgroepen, één onderwijsinstelling voor middelbaar of hoger (beroeps)onderwijs en één werkgevers- of brancheorganisatie ondertekende intentieverklaring, waaruit blijkt dat partijen overeenstemming hebben over de verkenning en zij zich hebben verbonden aan een gezamenlijke uitvoeren van de verkenning. voor subsidies als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef en onder c: een intentieverklaring, waaruit de gezamenlijke aanpak blijkt voor het realiseren van een beoogde locatie of een beoogd project, ondertekend door de gemeente een corporatie of een andere verhuurder; voor de subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef en onder d: een businesscase gebaseerd op het om niet beschikbaar stellen van het gemeentelijk vastgoed; een onderbouwing van de mate waarin die het tijdelijk gebruik van het gemeentelijk vastgoed bijdraagt aan het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit en de mate waarin rekening is gehoude nmet aspecten van leefbaarheid; overeenkomsten die de aanvrager heeft gesloten over de in artikel 2.7.3, vierde lid, onder a tot en met d, opgenomen onderwerpen met een toegelaten instelling; een besluit van de raad over de in artikel 2.7.3, vierde lid, onder a tot en met d, opgenomen onderwerpen met een toegelaten instelling en een planning waaruit blijkt dat de te realiseren huisvesting binnen één jaar na afgifte van de beschikking tot verlening van de gevraagde subsidie zal zijn verhuurd. Artikel 2.7.8 Verplichtingen 1 Subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef en onder a en b, wordt slechts verstrekt in de betrokken partijen bereid zijn tot het delen van hun kennis en bevindingen. 2 Onverminderd het bepaalde in artikel 1.4.7, is de ontvanger van een subsidie als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef en onder d, verplicht de wooneenheden ten minste twee jaar en ten hoogste tien jaar in stand te houden ten behoeve van de huisvesting van sociale doelgroepen. Paragraaf 2.8 Steengoed benutten – Uitvoeringsgereed en realiseren Artikel 2.8.1 Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: project: gecombineerde aanpak en uitvoering van maatregelen, waarbij een fysieke herontwikkeling van een concreet gebied wordt bereikt; bebouwde kom: bestaand stedenbouwkundig geconcentreerd samenhangende structuur van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Bij interpretatieverschillen geldt als bebouwde kom, de bebouwingscontour van VROM uit 2005; buitengebied: gebied buiten de bebouwde kom; exploitatiegebied: op kaart aangegeven gebied waarbinnen het project wordt gerealiseerd; herbestemmen: geven van een nieuwe functionele bestemming aan een gebouw of gebied die juridisch wordt vastgelegd in een bestemmings- of inpassingsplan; herontwikkelen: het na sloop realiseren van nieuwbouw op dezelfde locatie al dan niet in combinatie met een herinrichting van de openbare ruimte; gebouw: onder gebouw wordt tevens verstaan aaneengesloten gebouwen; transformatie gebouw: ingrijpende kwalitatieve aanpassingen aan een gebouw naar de eisen van de tijd, noodzakelijk voor toekomstige gebruikers of doelgroepen of verlaging van de milieucategorie in het kader van het wegnemen van milieuhinder voor de woonomgeving; sloop: afbreken, afvoeren van (bouw)materialen en eventueel saneren van de bodem ten behoeve van toekomstig gebruik; j.aanloopstraten: straten met een groot aandeel in de routing naar een kernwinkelgebied; kernwinkelgebied: een aaneengesloten gebied in de binnenstad of centrum, met een hoge concentratie aan winkels, horecazaken, culturele voorzieningen en commerciële dienstverlening; transformatie gebied: door herontwikkeling gerealiseerde functiewijziging van grond, gebouwen en openbare ruimte binnen de bebouwde kom met als resultaat een andere functie; bodemsanering: bodemsanering waarbij sprake is van een ernstige verontreiniging op basis waarvan een goedgekeurd functiegericht saneringsplan is opgesteld; nominale waarde: waarden in een exploitatie op basis van prijspeil heden, waarbij geen rekening wordt gehouden met toekomstige kosten- of opbrengstenstijging en toekomstige rentewinsten of renteverliezen; monument: een gebouw dat om zijn cultuurhistorische waarde door de Rijksoverheid of gemeente is of binnen 1 jaar na subsidieverlening wordt aangewezen als beschermd monument; beeldbepalend gebouw:een gebouw, geen monument zijnde, dat door een combinatie van architectonische kwaliteit en zijn plaats in de stedenbouwkundige structuur, een belangrijke bijdrage levert aan de kwaliteit van het stads- of dorpsbeeld, dan wel van het buitengebied; beeldverstorend verpauperd gebouw: een gebouw dat door een combinatie van architectonische kwaliteit en zijn plaats in de stedenbouwkundige structuur, en zo mogelijk ook door de slechte staat van onderhoud als gevolg van leegstand, een negatieve bijdrage levert aan de kwaliteit van het stads-of dorpsbeeld, dan wel van het buitengebied; complex: kazerne- of fabriekscomplex, bestaande uit een of meerdere monumenten. Artikel 2.8.2 Subsidiabele activiteiten Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: een integrale gebiedsgerichte aanpak binnen de bebouwde kom, waarbij het gaat om herbestemming, transformatie of sloop van leegstaande of leegkomende gebouwen die deel uitmaken van een concrete gebiedsontwikkeling, gecombineerd met een aanpak van de openbare ruimte of het oplossen van milieuhinder voor de woon- en leefomgeving en bodemsanering; het herbestemmen, transformeren en herontwikkelen van beeldbepalende gebouwen of beeldverstorende verpauperde gebouwen binnen de bebouwde kom, met een grote invloed op de omgeving; het herbestemmen en transformeren van monumenten met een grote invloed op de omgevingbinnen de bebouwde kom; het reduceren van de bestaande woningvoorraad binnen de bebouwde kom in het kader van programmering van woningbouw; het verplaatsen van niet aan het buitengebied verbonden functies in het buitengebied naar de bebouwde kom; het herbestemmen, transformeren en herontwikkelen van beeldbepalende gebouwen of beeldverstorende verpauperde gebouwen in het buitengebied, met een grote invloed op de omgeving en waarbij de nieuwe bestemming leidt tot het vergroten van de leefbaarheid en vitaliteit van het platteland; herbestemmen en transformeren van monumenten in het buitengebied, met een grote invloed op de omgeving en waarbij de nieuwe bestemming leidt tot het vergroten van de leefbaarheid en vitaliteit van het platteland. Artikel 2.8.3 Criteria 1 Subsidie wordt slechts verstrekt indien: de activiteiten leiden tot een ruimtelijke kwaliteitsimpuls van de bebouwde omgeving, met maatschappelijke meerwaarde ten bate van duurzame leefbaarheid; de activiteiten passen binnen de regionale programmering wonen, werken (bedrijventerreinen, kantoren) en detailhandel; sprake is van een functiegericht programma met een duurzaam karakter, waarvoor marktvraag is, tenzij sprake is van sloop zonder ’terugbouw’; de activiteiten bijdragen aan het voorkomen of het beperken van nieuwe structurele binnenstedelijke leegstand of ruimtelijk kwalitatieve problemen; en er sprake is van een gebiedsgerichte aanpak en onderbouwd met een visie op aanpak vanleegstand. 2 Onverminderd het het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder b, slechts verstrekt indien het gaat om een gebouw, liggend in een kernwinkelgebied of aanloopstraten, dat minimaal 5 jaar leeg staat, een footprint heeft van minimaal 1000 m2 en een voorgevelbreedte heeft van minimaal 25 meter. 3 Onverminderd het eerste lid, wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder c, slechts verstrekt indien het gaat om een monument dat minimaal 3 jaar leeg staat, een footprint heeft van minimaal 500 m2 en een voorgevelbreedte heeft van minimaal 15 meter. Indien een monumentonderdeel uitmaakt van een complex, dan wordt slechts subsidie verstrekt voor maximaal twee monumenten die deel uitmaken van dit complex. 4 Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder d, slechts verstrekt indien er geen sprake is van een grondtransactie met derden, met uitzondering van grondtransacties ten behoeve van de aanleg van openbare ruimte of maatschappelijke doeleindenen de reductie van de woningen binnen het betreffende project minimaal 5 woningen betreft. 5 Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder e, slechts verstrekt indien na verplaatsing van de functie sprake is van verbetering van de ruimtelijke kwaliteitvan het buitengebied. 6 Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder f, slechts verstrekt indien het gaat om een gebouw dat minimaal 5 jaar leeg staat en een footprint heeft van minimaal 2000 m2 en waarbij de aanpak gericht is op het wegnemen van een ruimtelijk kwalitatief probleem, milieu- of geluidshinder of van een onveilige situatie. 7 Onverminderd het eerste lid wordt subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder g, slechts verstrekt indien het gaat om een monument dat minimaal 3 jaar leeg staat, een footprint heeft van minimaal 500 m2 en een voorgevelbreedte heeft van minimaal 15 meter. 8 Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de in het tweede, derde, vierde, zesde en zevende lid opgenomen afmetingen, aantallen woningen en perioden van leegstand. Artikel 2.8.4 Aanvrager 1 Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten. 2 Per exploitatiegebied wordt slechts één keer subsidie verstrekt. Artikel 2.8.5 Vooroverleg 1 Voordat een aanvraag kan worden ingediend, vindt er een vooroverleg plaats aan de hand van het door de provincie beschikbaar gestelde vooroverlegformulier. 2 Het vooroverleg wordt gepland binnen 8 weken na ontvangst van het in het eerste lid bedoelde formulier en vindt plaats binnen 12 weken. 3 Tijdens het vooroverleg wordt de haalbaarheid van de subsidiëring van het project verkend en wordt aangegeven welke informatie bij de aanvraag moet worden ingediend. Artikel 2.8.6 Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 bevat de aanvraag: een businesscase, waaruit blijkt dat het project, ook over de langere termijn, haalbaar is; een visie op de aanpak van leegstand, waarin wordt toegelicht hoe structurele leegstand wordt voorkomen of aangepakt. De visie bevat tenminste: een onderbouwing waarom de herbestemming, transformatie of herontwikkeling zorgt voor een levensvatbare ontwikkeling op de langere termijn en de gevolgen van de gemaakte keuzen voor andere leegstandssituaties; een onderbouwing van de passendheid van het project in regionale programmering wonen, werken bedrijventerreinen, werklocaties en detailhandel; en de manier waarop overprogrammering wordt voorkomen; een opgave van de financiële bijdragen van de aan het project deelnemende partijen; een onderbouwing van de manier waarop leegstand op vrijkomende locaties wordt voorkomen; een realistische planning die aantoont dat de uitvoering van het project kan starten en binnen 3 jaar in een aaneengesloten bouwstroom kan worden gerealiseerd en opgeleverd; een kaart waarop het exploitatiegebied is aangegeven; grond- en opstalexploitaties, waarbij uitgegaan wordt van nominale waarden, inclusief verwachte en verleende subsidies, behorende bij het exploitatiegebied; taxatierapporten van de gronden en opstallen die verband houden met de realisering van het project; documenten waaruit de afspraken tussen de aan het project deelnemende partijen blijken ten aanzien van planning, uitvoering, financiën en regionale programmeringsafspraken; informatie waaruit blijkt dat de staatssteunregels niet worden overtreden; en informatie die bij het vooroverleg is verzocht overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.8.
  13. Artikel 2.8.7 Hoogte van de subsidie 1 Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder a, bedraagt niet meer dan de bijdragen van de aan het project deelnemende partijen, met een maximum van € 500.000 per project. 2 Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder b, bedraagt niet meer dan de bijdragen van de aan het project deelnemende partijen, met een maximum van € 200.000 per project. 3 Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder c, bedraagt niet meer dan de bijdragen van de aan het project deelnemende partijen, met een maximum van € 250.000 per project. 4 Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder d, bedraagt 100% van de sloopkosten met een maximum van € 200.000 per project. 5 Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder e, bedraagt ten hoogste 50% van de sloopkosten, inclusief saneringskosten, en ten hoogste 50% van de kosten van herinvulling onbebouwd met een maximum van € 200.000 per project. 6 Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder f, bedraagt niet meer dan de bijdragen van de aan het project deelnemende partijen, met een maximum van € 200.000 per project. 7 Subsidie als bedoeld in artikel 2.8.2, aanhef en onder g, bedraagt niet meer dan de bijdragen van de aan het project deelnemende partijen, met een maximum van € 250.000 per project. Artikel 2.8.8 Weigeringsgronden Subsidie wordt geweigerd indien verlening ervan zou leiden tot lagere dan de actuele marktconforme prijzen van de grond en gebouwen in de omgeving van het project. Artikel 2.8.9 Niet-subsidiabele kosten Onverminderd het bepaalde in artikel 1.3.5 wordt geen subsidie verstrekt voor: kosten die worden gemaakt voor planvorming; kosten die gemaakt worden voor activiteiten die buiten het exploitatiegebied van het project vallen; kosten voor kwalitatieve ingrepen in de openbare ruimte die uitstijgen boven hetgeen in de gemeente gangbaar is; waardedaling van gronden of opstallen veroorzaakt door markt- of economische factoren; verwervingen of inbrengwaarde van onroerende zaken die in de exploitatie van het project zijn opgenomen en waarvan de waarde hoger is getaxeerd dan de actuele marktwaarde op basis van het huidige gebruik of leegstand; rendementen en risicovoorzieningen hoger dan 5%; kosten van planschade; en kosten van bovenwijkse voorzieningen. Artikel 2.8.10 Verplichtingen 1 Het project moet binnen drie jaar na de datum van de verleningsbeschikking zijn gerealiseerd, tenzij in de verleningsbeschikking een andere termijn is opgenomen. 2 Indien sprake is van monumentale gebouwen, dient voldaan te worden aan de provinciale Uitvoeringsvoorschriften ten behoeve van duurzame instandhouding cultuurhistorische waarden. 3 Indien sprake is van monumentale gebouwen, dienen eventuele werkzaamheden aan deze gebouwen te worden uitgevoerd door een gecertificeerd aannemer in de restauratiebouw of een aannemer die zijn restauratiedeskundigheid in de praktijk bewezen heeft. Paragraaf 2.9 Gelderse Gebiedsopgaven Artikel 2.9.

In deze paragraaf wordt verstaan onder: deelnemer: rechtspersoon, niet zijnde de aanvrager, die bij de subsidiabele activiteit samenwerkt met de aanvrager anders dan in een opdrachtgever-opdrachtnemerrelatie; doelen: de doelen per gebied als bedoeld in de Uitvoeringsstrategie Gebiedsopgaven (PS2016-384) en daarop door Provinciale Staten aangebrachte aanvullingen; financiële bijdrage: al hetgeen een deelnemer op eigen titel en voor eigen rekening en risicovoornemens is uit te voeren; Gebied: de Achterhoek, de Veluwe, het Stedelijk Netwerk Arnhem/Nijmegen, het Stedelijk Netwerk Ede-Wageningen: Food Valley, het Stedelijk netwerk Stedendriehoek: Cleantech en de Gelderse Corridor, zoals beschreven in de Uitvoeringstrategie Gebiedsopgaven (PS2016-384); gebiedsbreed overleg: een gebiedsbreed maatschappelijk samenwerkingsverband dat actief is in het kader van de Gelderse Gebiedsopgaven; kerntaken: kerntaken als bedoeld in het Coalitieakkoord Gelderland 2015-2019 “Ruimte voor Gelderland” d.d. 20 april 2015; uitgangspunten van de gebiedsopgaven: de 15 uitgangspunten als bedoeld in de Uitvoeringsstrategie Gebiedsopgaven (PS2016-384); uitvoeringsagenda: een document van het gebiedsbreed overleg dat op gebiedsniveau invulling geeft aan de doelen. Artikel 2.9.2 Voorstel van gebiedsbreed overleg 1 Een gebiedsbreed overleg verstrekt periodiek aan Gedeputeerde Staten een schriftelijk voorstel met initiatieven afkomstig uit het gebied die kunnen bijdragen aan het bereiken van de doelen. 2 Het voorstel bevat ten aanzien van elk aangemeld initiatief: een omschrijving van het initiatief en door de initiatiefnemer aan het gebiedsbrede overleg overgelegde informatie; de datum van aanmelding van het initiatief; gegevens van de initiatiefnemer; een beschrijving van de wijze waarop het gebiedsbrede overleg het initiatief heeft besproken, inclusief de daarbij behorende verslagen; een gemotiveerde beoordeling van het initiatief; een gemotiveerde beoordeling van de uitvoerbaarheid van het initiatief, inclusief de planning voor de uitvoering daarvan, 3 Het gebiedsbrede overleg zorgt ervoor dat initiatieven gedurende het gehele jaar kunnen worden aangemeld. Artikel 2.9.3 Lijst met initiatieven 1 Gedeputeerde staten stellen naar aanleiding van het voorstel als bedoeld in artikel 2.9.2, eerste lid, periodiek en voor ieder gebied een lijst van met initiatieven vast die: in overeenstemming zijn met de uitgangspunten van de gebiedsopgaven, passen binnen de kerntaken ende uitvoeringsagenda; en in aanmerking kunnen komen voor subsidie. 2 De lijst met initiatieven wordt bekend gemaakt in het Provinciaal Blad. Artikel 2.9.4 Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor het uitvoeren van activiteiten die zijn opgenomen op een lijst als bedoeld in artikel 2.9.3. Artikel 2.9.5 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 25.000. Artikel 2.9.6 Verplichting De subsidieontvanger is verplicht om zijn kennis en bevindingen te delen op de in de aanvraag beschreven wijze, of in overeenstemming met de beschikking tot subsidieverlening indien Gedeputeerde Staten daarin een andere wijze van delen van kennis en bevindingen hebben bepaald of daarover aanvullende verplichtingen hebben opgelegd. Artikel 2.9.7 Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 wordt bij de aanvraag, indien deze betrekking heeft op het verrichten van subsidiabele activiteiten, waaraan door deelnemers een financiële bijdrage wordt geleverd, een document ingediend dat is ondertekend door de aanvrager en de deelnemers waaruit ten minste blijkt: de voorgenomen aanpak voor het verrichten van de activiteiten en de bijdragen hieraan door de deelnemers; overeenkomstig de in artikel 2.9.6 opgenomen verplichting op welke wijze en onder welke voorwaarden aanvrager en de deelnemers hun kennis en bevindingen delen. Artikel 2.9.8 Werking van het plafond Indien voor activiteiten die zijn opgenomen in de lijst, het maximumbedrag waarvoor, op grond van enig artikel in deze Regels, subsidie kan worden verleend, niet van toepassing is verklaard, wordt het bedrag waarmee dit maximumbedrag wordt overschreden buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling of het plafond voor deze activiteiten wordt overschreden. Paragraaf 3.

Artikel 3

.1.1 Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: eigenaar-bewoner: een persoon die op grond van artikel 1 van boek 5 van het Burgerlijk Wetboek eigenaar is van een koopwoning en zelf deze koopwoning bewoont; bodem en ondergrond: het vaste deel van de aarde met de zich daarin bevindende vloeibare en gasvormige bestanddelen en organismen en antropogene resten van eertijdse bewoning en grondgebruik, inclusief het grondwater; bodem- en ondergrondaspecten: informatieover de karakteristieken van de bodem en ondergrond, de gebruiksmogelijkheden en de effecten van het mogelijke gebruik op andere functies van de bodem en ondergrond en de effecten van bovengronds ruimtegebruik op ondergrondse functies en omgekeerd; bodemverontreinigingsgegevens: gegevens afkomstig uit een bodemonderzoeksrapport dat is opgesteld door een erkende persoon of instelling zoals bedoeld in artikel 9 van het Besluit Bodemkwaliteit; hernieuwbare energie: niet-fossiele energie zoals windenergie, zonne-energie, geothermische energie, golfenergie, getijdenenergie, waterkrachtinstallaties, biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas; lokaal duurzaam energiebedrijf: een onderneming die hernieuwbare energie produceert waarbijd e zijn gevestigd binnen een straal van 30 kilometer ten opzichte van een afnemers productielocatie van voornoemde onderneming; terugverdientijd: de subsidiabele kosten gedeeld door de verwachte jaarlijkse besparing; rd-waarde: het warmte-isolerend vermogen van een materiaallaag. Paragraaf 3.2 Programmabureau EMT Artikel 3.2.1 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: de bouw of het upgraden van een innovatiecluster; het exploiteren van een innovatiecluster. Artikel 3.2.2 Criteria Subsidie wordt slechts verstrekt indien de subsidiabele activiteit plaatsvindt ten behoeve van de sector energie- en milieutechnologie. Artikel 3.2.3 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan de Stichting Kennis en Innovatie in Energie- en Milieu Technologie. Artikel 3.2.4 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste 80% van de kosten. Artikel 3.2.5 Communautair toetsingskader In afwijking van artikel 1.3.3, eerste lid, wordt subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 27 van de Algemene groepsvrijstellingsverordening Paragraaf 3.3 Lokale hernieuwbare energieprojecten en participatie door natuurlijke personen Artikel 3.3.2 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de uitvoering van lokale hernieuwbare energieprojecten. Artikel 3.3.3 Criteria Subsidie wordt slechts verstrekt indien: minimaal 50 natuurlijke personen wonend op 50 verschillende adressen deelnemen door middel van een financiële bijdrage; de financiële deelname van voornoemde personen gezamenlijk ten minste 25% van de kosten bedraagt; de bijdrage per natuurlijk persoon minimaal € 50 bedraagt; en het lokale hernieuwbare energieproject een terugverdientijd heeft van minimaal vijf jaar. Artikel 3.3.4 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan lokale duurzame energiebedrijven. Artikel 3.3.5 Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 wordt bij de aanvraag een document verstrekt met een overzicht van NAW-gegevens van de deelnemende natuurlijke personen en van de hoogte van het ingezette bedrag per natuurlijke persoon. Artikel 3.3.6 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste 20% van de kosten, met een minimum van € 3.500,- en een maximum van € 100.

  1. Artikel 3.3.7 Verplichtingen De subsidieontvanger is verplicht om ervoor zorg te dragen dat de bijdrage van natuurlijke personen ten minste 5 jaar beschikbaar blijft voor de subsidiabele activiteit. Paragraaf 3.4 Verkleinen arbeidsmarktdiscrepantie in EMT-sector Ingetrokken per 1 mei 2016 Paragraaf 3.5 Woningisolatie Artikel 3.5.1 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor het verstrekken van subsidievoor isolatie van koopwoningen. Artikel 3.5.2 Criteria 1 Subsidie wordt slechts verstrekt indien de aanvrager beschikt of zal beschikken over een subsidieregeling op grond waarvan aan een eigenaar-bewoner subsidie kan worden verstrekt voor: het aanbrengen van vloerisolatie met een Rd-waarde van minimaal 2,5 m² K/W; het aanbrengen van dakisolatie met een Rd-waarde van minimaal 2,5 m² K/W, waarbij isolatie van de vloer van niet-verwarmde vliering wordt beschouwd als dakisolatie; het aanbrengen van muurisolatie door middel van het aanbrengen van spouwmuurisolatie in de bestaande spouw, of door middel van het aanbrengen van andere gevelisolatie waarbij de Rd-waarde minimaal 2,5 m² K/W is; of het vervangen van bestaand glas door HR++-glas. 2 In de subsidieregeling als bedoeld in het eerste lid is het volgende bepaald: de subsidie wordt aangevraagd door de eigenaar-bewoner van de koopwoning waaraan de subsidie ten goede komt; de subsidie wordt uitsluitend verstrekt voor isolatie van woningen die een woonbestemming hebben; de subsidie bedraagt ten hoogste een derde deel van de subsidiabele kosten per koopwoning met een maximum van € 500 per koopwoning; de bijdrage van de gemeente aan de subsidie is 50%; de werkzaamheden zijn uiterlijk op 31 december 2016 uitgevoerd. 3 In afwijking van het tweede lid, onderdeel c, kan in de subsidieregeling als bedoeld in het eerste lid worden bepaald dat de subsidie ten hoogste een derde deel van de subsidiabele kosten per koopwoning bedraagt met een maximum van € 750 per koopwoning, indien de aanvrager één subsidie verstrekt aan tenminste zes eigenaren van koopwoningen binnen de gemeente, waarbij iedere eigenaar-bewoner de aanvraag ondertekent. Artikel 3.5.3 Aanvrager Subsidie wordt verstrekt aan gemeenten. Artikel 3.5.4 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste € 100.
  2. Paragraaf 3.6 Bodemverontreinigingsgegevens op orde Artikel 3.6.1 Subsidiabele activiteiten Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor het selecteren van bodemverontreinigingsgegevens en het invoeren daarvan in een digitaal bodeminformatiesysteem. Artikel 3.6.2 Criteria Subsidie wordt slechts verstrekt indien bij het invoeren van de bodemverontreinigingsgegevens gebruik wordt gemaakt van het uitwisselingsformat SIKB0101 of een daarvoor in de plaats tredend uitwisselingsformat. Artikel 3.6.3 Aanvrager Subsidie kan worden verstrekt aan: gemeenten; openbare lichamen als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 3.6.4 Hoogte van de subsidie 1 De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 2.000en een maximum van € 7.
  3. 2 Een aanvrager kan tot en met het jaar 2019 maximaal € 7.500 subsidie ontvangen. Artikel 3.6.5 Verplichtingen De subsidieontvanger is verplicht de subsidiabele activiteit binnen 12 maanden na de subsidieverlening uit te voeren en geheel af te ronden. Paragraaf 3.7 Ondergrond in beeld ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling Artikel 3.7.1 Subsidiabele activiteiten 1 Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: het opstellen van een rapport over bodem- en ondergrondaspecten in een gebied; het organiseren van bijeenkomsten om de inhoud van het onder a bedoelde rapport te verspreiden. 2 Subsidie als bedoeld in artikel het eerste lid, onderdeel b, wordt uitsluitend verstrekt indien ook subsidie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a is verstrekt. Artikel 3.7.2 Verplichtingen De ontvanger van subsidie als bedoeld in artikel 3.7.1, eerste lid, onderdeel a, is verplicht het rapport openbaar te maken via internet. Artikel 3.7.3 Subsidiabele kosten 1 Voor subsidie als bedoeld in artikel 3.7.1, eerste lid, onderdeel a, komen in aanmerking de kosten voor: externe adviseurs; externe procesbegeleiding; onderzoek naar bodem- en ondergrondaspecten in een bepaald gebied; het analyseren en verwerken van onderzoeksgegevens en bestaande informatie. 2 Voor subsidie als bedoeld in artikel 3.7.1, eerste lid, onderdeel b, komen in aanmerking de kosten voor: zaalhuur en catering; externe adviseurs; externe procesbegeleiding. 3 Voor subsidie als bedoeld in artikel 3.7.1, eerste lid, onderdeel a, komen niet in aanmerking de kosten van bodemonderzoek in het kader van de Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit. Artikel 3.7.4 Aanvrager Subsidie kan worden verstrekt aan: gemeenten; openbare lichamen als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 3.7.5 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste 50% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 2.000 en een maximum van € 25.000 per aanvraag. Hoofdstuk 4 Vitaal platteland, natuurbeheer en ontwikkeling natuurgebieden Paragraaf 4.

Artikel 4

.1.1 Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: aanloopbeheer: beheerkosten voor agrarische natuurterreinen die gemaakt zijn in een periode direct voorafgaand aan de omvorming van agrarisch natuurbeheer tot natuurbeheer en waarvoor geen vergoeding voor agrarisch natuurbeheer is ontvangen; agrarisch natuurbeheer: natuurbeheer op landbouwgronden; agrarische onderneming: natuurlijke persoon of rechtspersoon die als economische activiteit gewassen, teelt of dieren houdt met als doel deze, of de producten die daaruit voortkomen, te verkopen; ambitiekaart: kaart behorende bij het vigerende Natuurbeheerplan Gelderland waarop de begrenzing is vastgelegd van bestaande en nieuwe natuur; asbest: vezelachtige silicaten zijnde actinoliet (CAS-nummer 77536-66-4), amosiet (CAS-nummer 12172-73-5), anthofylliet (CAS-nummer 77536-67-5), crysotiel (CAS-nummer 12001-29-5), crocidoliet (CAS-nummer 12001-28-4) en tremoliet (CAS-nummer 77536-68-6); asbest dak: dak, dakgoot of gevel welke asbest bevat; bedrijfslocatie: een terrein waarop een onderneming wordt uitgeoefend met een gebouw of meerdere gebouwen die samen een eenheid vormen vanwege eigendom of bedrijfsvoering; begrensde grond: binnen de provincie gelegen grond die in het vigerende Natuurbeheerplan is begrensd met als hoofdfunctie om te vormen naar natuur; beheereenheid: natuurterrein waarvan de gronden in samenhang met elkaar worden beheerd; Beleidsnota Actieve Soortenbescherming: de Beleidsnota Actieve Soortenbescherming Gelderland zoals vastgesteld door Gedeputeerde Staten bij besluit van 6 januari 2015, inclusief de nadien aangebrachte wijzigingen; bos- of landgoed: een voor het publiek opengestelde onroerende zaak, geheel of gedeeltelijk bezet met bossen, natuurterreinen of landschapselementen; bos- of landgoedeigenaar: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechthebbende is op een bos- of landgoed en de instandhouding daarvan nastreeft; cultuurhistorische landschapselementen: elementen die kenmerkend zijn voor de lokale ontstaansgeschiedenis van het landschap; erfbeplanting: beplanting binnen het agrarisch bouwblok; EVZ: ecologische verbindingszone, aangeduid in het Natuurbeheerplan Gelderland; Faunafonds: Faunafonds als bedoeld in artikel 83 van de Flora- en faunawet; faunavoorziening: een voorziening inclusief toeleidende rasters die het dieren mogelijk maakt openbare infrastructuur veiliger over te steken; functieverandering: het feitelijk en publiekrechtelijk wijzigen van het gebruik van grond van landbouw naar natuur en het vestigen van een kwalitatieve verplichting op die grond; gebouwen: opstallen alsmede het kadastrale perceel waarop deze opstallen zijn gelegen; gebruiksgerechtigde: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die op grond van pacht of erfpacht zeggenschap heeft over het landbouwbedrijf; gecertificeerd bedrijf: bedrijf dat beschikt over de volgende certificering ten behoeve van het inventariseren of verwijderen van asbest: SC 530: Asbestverwijdering; SC 540: Asbestinventarisatie; gecertificeerde begunstigde: begunstigde die beschikt over een certificaat als bedoeld in artikel 1.11 van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer Gelderland 2016; GNN: Gelders natuurnetwerk zoals begrensd door Provinciale Staten bij vaststelling van de Omgevingsverordening provincie Gelderland bij besluit van 24 september 2014 dan wel de op basis van artikel 2.7.3.1 van de Omgevingsverordening provincie Gelderland door Gedeputeerde Staten gewijzigde begrenzing; GNN-verbindingen: verbindingen tussen het GNN, voorheen genaamd EHS-verbindingen, zoals vastgesteld door Provinciale Staten van Gelderland de in Structuurvisie Aanpassing EHS 2012 op 29 mei 2013; grondstrategieplan: een door Gedeputeerde Staten vastgesteld plan waarin is vastgelegd de wijze waarop ruiling , aan- en verkoop van gronden plaatsvindt ten behoeve van het bereiken van provinciale doelen in een bepaald gebied; grote onderneming: onderneming, niet zijnde een kleine of middelgrote onderneming als bedoeld in artikel 2, bijlage I van de Verordening (EU) nr. 702/2014) van de Europese Commissie van 25 juni2014 (PbEU L 193); hagen en heggen: opgaande lijnvormige elementen bestaande uit loofhoutsoorten, niet zijnde vlecht-, knip- of scheerheggen; herstelmaatregel natte landnatuur: maatregelen ten behoeve van herstel van natte landnatuurbinnen de gebieden aangegeven op de kaart Water en natuur onderdeel van de Omgevingsvisie (PS2015-360) en gepubliceerd op 21 augustus 2015; inrichting: de uitvoering van maatregelen die de fysieke kenmerken van het natuurterrein wijzigen; inrichtingsmaatregelen: maatregelen die er toe strekken de fysieke conditie of kenmerken van het terrein te wijzigen; klein historisch water: wielen en kolken; knelpunt: een locatie waarvan door onderzoek is gebleken dat daar regelmatig dieren worden aangereden of verdrinken of waarbij het voor ter plaatse levende dieren onmogelijk is om de overkant van infrastructuur te bereiken; landbouwactiviteit: activiteit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b van de Verordening (EU) Nr. 1306/2013 van het Europees parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de raad; landbouwbedrijf: een eenheid die grond, gebouwen en voorzieningen omvat die voor de primaire landbouwproductie worden gebruikt als bedoeld in de Landbouw groepsvrijstellingsverordening, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf; landbouwbedrijfsgebouw: een gebouw met bijbehorende voorzieningen dat gebruikt wordt ten behoeve van de uitoefening van een landbouwbedrijf; landbouwer: natuurlijke persoon of rechtspersoon die, dan wel een samenwerkingsverband van natuurlijke personen of rechtspersonen dat, een landbouwactiviteit uitoefent; landbouwgrond: binnen de provincie gelegen stuk grond waarop een landbouwactiviteit wordt uitgevoerd; landschapselementen: groene opgaande elementen bestaande uit inheemse loofhoutsoorten; leefgebied: gebied waarin alle fasen in de levenscyclus van een of meer prioritaire soorten zich kunnen afspelen; modernisering: vervanging van een bestaand landbouwbedrijfsgebouw of van bestaande voorzieningen op de nieuwe locatie door een nieuw, modern gebouw of nieuwe, moderne voorzieningen waarbij de betrokken productie, of technologie fundamenteel wordt gewijzigd; Nationale Landschappen: Nationale Landschappen zoals aangewezen in de Uitwerking streekplan Gelderland 2005; Natura 2000-gebied: door het Rijk aangewezen Natura 2000 gebieden op basis van de Natuurbeschermingswet; Natura 2000-doelstellingen: instandhoudings- en ontwikkeldoelstellingen van het betreffende Natura 2000 gebied; Natura 2000-herstelmaatregelen: maatregelen voor herstel van de natuurkwaliteiten zoals beschreven in Natura 2000 beheerplannen of ontwerp beheerplannen van door Gedeputeerde Staten vastgestelde Natura 2000-gebieden; natuurambitieterrein: terrein dat is opgenomen op de ambitiekaart, dat is aangeduid als N00.01 en waarvoor onder “indicatieve verhouding beheertypen” is aangegeven welke beheertypen op deze grond van toepassing zijn na functieverandering van landbouw naar natuur; natuurbeheer: beheer van een terrein met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten; natuurbeheerplan: een plan als bedoeld in artikel 1.3 van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016; natuurbeheertype: in bijlage 1, tweede kolom, van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016 opgenomen soort natuur zoals nader beschreven in de Index Natuur enLandschap; natuurgebied: eenheid natuurterreinen weergegeven op de bij het plafondbesluit gevoegde kaart; natuurontwikkelplan: een door Gedeputeerde Staten vastgesteld plan waarin een gebied is aangemerkt als een gebied met hoge actuele natuurwetenschappelijke, landschappelijke, cultuurhistorische of bosbouwkundige waarden en waarbij het in aanmerking brengen voor subsidie noodzakelijk is voor het behoud van deze waarden; natuurterrein: binnen de provincie Gelderland gelegen grond die op de ambitiekaart is begrensd als bestaande of als nieuwe natuur en op de bij het plafondbesluit gevoegde kaart als eenheid is weergegeven; nieuwe natuur: op de ambitiekaart aangegeven nog niet ingerichte landbouwgronden of voormalige landbouwgronden aangeduid als N00.01 dan wel nog niet ingerichte natuurgronden aangeduid als N00.02, waar het natuurbeheertype of indicatieve verhouding natuurbeheertypen nog niet is gerealiseerd binnen het GNN; Omgevingsvisie: de Omgevingsvisie Gelderland zoals vastgesteld door Provinciale Staten op 25 februari 2015, inclusief daarop aangebrachte wijzigingen; onafhankelijke taxateur: persoon die voldoet aan de eisen gesteld in de Mededeling van de Commissie betreffende staatssteunelementen bij verkoop van gronden en gebouwen door openbare instanties (97/C/209/03); overgangsbeheer: beheer dat nodig is na afloop van de inrichting, totdat voor de terreinen een subsidie voor natuurbeheer kan worden aangevraagd; PAS-gebiedsanalyses: ecologische analyse van een stikstofgevoelig PAS-Natura 2000-gebied, deel uitmakend van de passende beoordeling van de PAS, waarin herstel- en andere maatregelen zijn opgenomen die dienen ter verzekering dat de kwaliteit van habitattypen en leefgebieden van soorten niet verder achteruit gaat of verbetert; PAS-maatregel: gebied specifieke maatregel of activiteit, onderzoek of monitoring, opgenomen op de PAS-maatregelenkaarten en ter uitvoering van het PAS-programma en als zodanig opgenomen in een PAS-gebiedsanalyse; PAS-maatregelenkaarten: kaarten ten behoeve van de uitvoering van de PAS-maatregelen; poel: waterelement gelegen in een EVZ met als doeltype "kamsalamander" of waterelement dat bijdraagt aan instandhouding van de boomkikker, heikikker en kamsalamander; prioritaire soorten: soorten als genoemd in bijlage 3 bij de Beleidsnota Actieve Soortenbescherming; Programma-aanvraag: een aanvraag van een voor natuurbeheer gecertificeerd begunstigde voor meerdere, niet aaneengesloten natuurterreinen; reële marktwaarde: de waarde van grond in het vrije economische verkeer vastgesteld door een onafhankelijk taxateur; rijksbeschermde buitenplaatsen: buitenplaatsen aangewezen als rijksmonument; rode lijst soorten: soorten die zijn vastgesteld bij besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 28 augustus 2009, nr. 25344, houdende vaststelling van geactualiseerde Rode lijsten flora en fauna; rustgebied: rustgebied voor overwinterende beschermde inheemse ganzen dat door Gedeputeerde Staten als zodanig is vastgesteld; soortenbeschermingsmaatregelen: maatregelen gericht op behoud van een of meer prioritaire soorten en/of systeemherstel in de parels zoals opgenomen in de nota Actieve soortenbescherming Gelderland vastgesteld door gedeputeerde staten d.d. 6 januari 2015; Standaard Opbrengst (SO): gestandaardiseerde opbrengst per ha of per dier die met het gewas of de diercategorie gemiddeld op jaarbasis wordt behaald; verhoging van de productiecapaciteit: indien het landbouwbedrijfsgebouw na verplaatsing in staat is om meer producten voort te brengen; verwerving: verkrijging van het recht van eigendom of het recht van erfpacht; voorzieningen: installaties, machines en uitrusting in of aan een landbouwbedrijfsgebouw ten behoeve van de uitoefening van het landbouwbedrijf; zonnepanelen: fotovoltaïsche panelen die zonne-energie omzetten in elektriciteit. Paragraaf 4.2 Landschap en Landgoederen Artikel 4.2.1 Subsidiabele activiteit 1 Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: de aanleg van nieuwe en het herstel van bestaande landschapselementen en cultuurhistorische landschapselementen; de aanleg van poelen; het wegwerken van achterstallig onderhoud aan de volgende elementen: poelen; hagen en heggen en klein historisch water voor zover deze als identiteitsbepalend element zijn aangemerkt in het gemeentelijke landschapsbeleid; lanen ouder dan 60 jaar gelegen op landgoederen; de aanleg van eenvoudige openbaar toegankelijke onverharde paden; de aanleg van kleinschalige recreatieve voorzieningen; de aanleg van eenvoudige houten loopbruggetjes in openbaar toegankelijke routes wanneer de oorspronkelijke brug verdwenen is; burgerparticipatie en het vergroten van de maatschappelijke betrokkenheid bij het landschap; educatieve natuur- en landschapsvoorlichting gericht op jongeren. 2 Geen subsidie wordt verstrekt voor activiteiten die plaatsvinden op terreinen in eigendom van een publiekrechtelijke rechtspersoon met uitzondering van de terreinen in eigendom van Staatsbosbeheer. Artikel 4.2.2 Criteria 1 Subsidie wordt slechts verstrekt indien: de activiteiten passen binnen een (inter)gemeentelijk landschapsbeleid-, landschapsontwikkel- of landschapuitvoeringsplan of een daarmee vergelijkbaar plan dat door de gemeenteraad is vastgesteld; de nieuw aan te leggen landschapselementen, niet zijnde heggen en hagen, aan de volgende omvangscriteria voldoen: de aan te leggen houtopstanden omvatten tenminste 10 are; de aan te leggen rijbeplanting, gerekend over het totaal aantal rijen, omvatten tenminste 20 bomen; de aan te leggen hoogstamfruitgaarden omvatten tenminste 15 en ten hoogste 50 bomen. poelen een minimale omvang hebben van 3 are en de poelen gelegen zijn op een locatie met grondwatertrap 3 of ondieper; heggen en hagen gelegen zijn buiten het GNN; de kosten voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.1.2, onder a tot en met f, voldoen aan de normen uit het Normenboek Alterra. 2 Onverminderd het eerste lid, wordt subsidie voor activiteiten die worden uitgevoerd op een bos- of landgoed slechts verstrekt indien: het bos- of landgoed tenminste 50 jaren bestaat; de activiteiten passen binnen een vastgesteld toekomstplan voor het bos- of landgoed en aantoonbaar en duurzaam bijdragen aan het behoud en de versterking van de in dat plan opgenomen landschappelijke kernkwaliteiten. Artikel 4.2.3 Niet-subsidiabele kosten Voor subsidie komen niet in aanmerking kosten voor: natuurontwikkeling binnen het GNN; projectleiding, coördinatie, rapportage, verantwoording; planvorming; aankoop of verkoop van onroerende goederen en waardedaling van grond; ambtelijke inzet. Artikel 4.2.4 Aanvrager 1 Subsidie kan worden verstrekt aan: gemeenten; bos- of landgoedeigenaren. 2 In afwijking van het eerste lid kan subsidie als bedoeld in artikel 4.2.1, eerste lid, onder h, ook worden verstrekt aan stichtingen met als statutaire doelstelling educatieve natuur- en landschapsvoorlichting. 3 In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen. Artikel 4.2.5 Hoogte van de subsidie 1 De subsidie aan gemeenten bedraagt ten hoogste 75% van de kosten voor activiteiten binnen de begrenzing van de Nationale Landschappen. Voor activiteiten buiten de begrenzing van de Nationale Landschappen bedraagt de subsidie aan gemeenten ten hoogste 50% van de kosten. 2 Voor de subsidie aan gemeenten geldt een minimum van € 25.000 per subsidieaanvraag en een maximum van € 200.000 per gemeente. 3 De subsidie aan bos- en landgoedeigenaren bedraagt ten hoogste 75% van de kosten, met een minimum van € 7.500 per subsidieaanvraag en een maximum van € 200.000 per bos- en landgoedeigenaar. 4 De subsidie als bedoeld in artikel 4.2.1, eerste lid, onder h, bedraagt ten hoogste 25% van de kosten, met een minimum van € 7.500 per subsidieaanvraag en een maximum van € 25.000 per stichting. Artikel 4.2.6 Weigeringsgrond Subsidie wordt geweigerd indien het activiteiten betreft: binnen de begrenzing van een rijks beschermde buitenplaats, met uitzondering van activiteiten gericht op het instandhouden van rode lijstsoorten; of op agrarische bouwpercelen (erfbeplanting). Artikel 4.2.7 Verplichtingen 1 De subsidieontvanger is verplicht een voortgangsrapportage als bedoeld in artikel 1.4.3 te voorzien van een topografische kaart waarop de activiteiten op een topografische ondergrond zijn vastgelegd. 2 Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor subsidie ontvangen voor activiteiten als bedoeld in artikel 4.2.1, eerste lid, onder g en h. Paragraaf 4.3 Faunavoorzieningen Artikel 4.3.1 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de aanleg van een faunavoorziening. Artikel 4.3.2 Criteria Subsidie wordt slechts verstrekt: voorzover de subsidiabele activiteit op een locatie wordt gerealiseerd die gelegen is binnen de aandachtsgebieden die zijn opgenomen in het vigerende programma Ontsnippering Natuur; indien openbare infrastructuur een knelpunt vormt voor fauna; op plaatsen binnen het GNN: indien openbare infrastructuur een knelpunt vormt voor fauna; op plaatsen buiten het GNN: indien openbare infrastructuur een knelpunt vormt voor rode lijst soorten en dassen; of op plaatsen binnen het GNN verbindingen: indien openbare infrastructuur een knelpunt vormt voor rode lijst soorten en dassen. Artikel 4.3.3 Subsidiabele kosten Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor: de aanleg van de faunavoorziening; en de kosten voor procesondersteuning en begeleiding. Artikel 4.3.4 Aanvrager 1 Subsidie wordt verstrekt aan: het Rijk voor locaties genoemd in artikel 4.3.2, onder d, waarbij het Rijk eigenaar of beheerder is van openbare infrastructuur; en aan andere eigenaren en beheerders van openbare infrastructuur voor plaatsen als genoemd in artikel 4.3.2, onder a, b en c. 2 In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook aan andere personen dan rechtspersonen worden verstrekt. Artikel 4.3.5 Aanvraag Onverminderd artikel 1.2.3 worden bij de aanvraag in elk geval gevoegd een GIS kaart met daarop de faunavoorziening en het onderzoek waaruit blijkt dat er sprake is van een knelpunt. Artikel 4.3.6 Hoogte van de subsidie 1 De subsidie bedraagt ten hoogste 75% van de subsidiabele kosten met een minimum van € 25.000 en een maximum van € 150.

  1. 2 De subsidie als bedoeld in artikel 4.3.3, onder b, bedraagt ten hoogste 10% van de totale subsidie met een maximum van € 15.
  2. Artikel 4.3.7 Weigeringsgrond Subsidie wordt geweigerd indien de faunavoorziening wordt aangelegd op grond van een verplichting tot mitigatie of compensatie. Artikel 4.3.8 Verplichtingen De subsidieontvanger is verplicht na de realisatie van de subsidiabele activiteit een GIS-kaart te overhandigen waarop de aangelegde faunavoorziening staat aangegeven. Paragraaf 4.4 Grondverwerving ten behoeve van het Gelders Natuurnetwerk Artikel 4.4.1 Subsidiabele activiteiten Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: de verwerving van een natuurambitieterrein; de beëindiging van pachtovereenkomsten ten aanzien van een natuurambitieterrein; verkrijging van het recht van eigendom van een natuurambitieterrein in combinatie met de waardedaling van gelijktijdig in eigendom verkregen gebouwen als gevolg van functieverandering van het natuurambitieterrein naar natuur. Artikel 4.4.2 Criteria 1 Subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder b, wordt slechts verstrekt voor: de beëindiging van pachtovereenkomsten die reeds waren gevestigd op het moment waarop het natuurambitieterrein door de aanvrager is verworven; en beëindiging van de op het natuurambitieterrein gevestigde pachtovereenkomst indien dat noodzakelijk is vanuit het oogpunt van natuur- of landschapsbescherming, bescherming van cultuurhistorische waarden of bosbouwkundige waarden, of natuurontwikkeling. 2 Subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder c, wordt slechts verstrekt: indien het natuurambitieterrein dat in eigendom wordt verkregen een omvang van ten minste 20 hectare heeft; indien het natuurambitieterrein en de gebouwen deel uitmaken van hetzelfde gebied waarvoor een natuurontwikkelplan is vastgesteld. Artikel 4.4.3 Subsidiabele kosten 1 In afwijking van artikel 1.3.5, eerste lid, onder b, komen voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder a, in aanmerking de kosten voor: verwerving van een natuurambitieterrein tegen de reële marktwaarde; een taxatie door een onafhankelijke taxateur; het kadastraal recht en het registratierecht; veiling; notaris; inschrijving in de openbare registers; overdrachtsbelasting; schenkingsrecht; het afkopen van landinrichtingsrente voor het verworven terrein; vooronderzoek of historisch bodemonderzoek volgens NEN 5725; en milieukundig bodemonderzoek volgens NEN
  3. 2 In afwijking van artikel 1.3.5, eerste lid, onder b, komen voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder b, in aanmerking de kosten voor: het vrijmaken van pacht van genoemd terrein, blijkend uit een taxatie door een onafhankelijke taxateur; een taxatie door een onafhankelijke taxateur. 3 In afwijking van artikel 1.3.5, eerste lid, onder b, komen voor subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder c, in aanmerking: de kosten voor de verkrijging in eigendom het natuurambitieterrein als bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met k; en het negatieve waardeverschil van de gebouwen ontstaan door het verschil in reële marktwaarde van het natuurambitieterrein in combinatie met de gebouwen op het moment van aankoop en de reële marktwaarde van de combinatie van het natuurambitieterrein met de gebouwen bij feitelijke en publiekrechtelijke functieverandering van het natuurambitieterrein naar natuur, voor zover het aandeel hierin van de gebouwen betreft en blijkend uit een taxatie waarin de waarde van de gebouwen is gespecificeerd. Artikel 4.4.4 Aanvrager 1 Subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder a en c, wordt verstrekt aan een ieder die duurzaam natuurbeheer verricht of voldoende aannemelijk maakt dat hij duurzaam natuurbeheer kan en zal verrichten. 2 Subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder b, wordt verstrekt aan een eigenaar van een terrein die duurzaam natuurbeheer verricht of voldoende aannemelijk maakt dat hij duurzaam natuurbeheer kan en zal verrichten. 3 In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen. Artikel 4.4.5 Aanvraag 1 In afwijking van artikel 7, eerste lid, van de AsG wordt een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder a en c, uiterlijk op de dag voor het passeren van de notariële akte van levering ingediend. 2 In afwijking van artikel 7, eerste lid, van de AsG wordt een aanvraag om subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder b, uiterlijk op de dag voor de beëindiging van de pachtovereenkomst ingediend. Artikel 4.4.6 Hoogte van de subsidie 1 De subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder a, bedraagt ten hoogste: 85% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 4.4.3, eerste lid, onder a; 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 4.4.3, eerste lid, onder b tot en met j; € 4.500 voor de kosten als bedoeld in artikel 4.4.3, eerste lid, onder k. 2 De subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder b, bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 4.4.3, tweede lid. 3 Voor zover voor verwerving of pachtvrij maken van een natuurambitieterrein subsidie is verstrekt door Gedeputeerde Staten op grond van een andere regeling of door een bestuursorgaan van een ander overheidslichaam, wordt de subsidie zoveel lager verstrekt als noodzakelijk om betaling boven de werkelijke kosten of maximale vergoeding op grond van Europese regels of deze regeling te voorkomen. 4De subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder c, bedraagt ten hoogste: 85% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 4.4.3, eerste lid, onder a; 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 4.4.3, eerste lid, onder b tot en met j; € 4.500 voor de kosten als bedoeld in artikel 4.4.3, eerste lid, onder k; 50% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 4.4.3, derde lid, onder b, met een maximum van € 500.
  4. Artikel 4.4.7 Verplichtingen 1De subsidieontvanger is verplicht: zorg te dragen voor de verwerving dan wel pachtvrij maken van het natuurambitieterrein waarvoor hij subsidie ontvangt binnen twaalf weken na de subsidieverlening; het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein direct na verwerving dan wel pachtvrij maken als natuur te beheren; het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein binnen twee jaar na verwerving dan wel pachtvrij maken overeenkomstig de indicatieve verhouding beheertypen dat ingevolge het natuurbeheerplan op dit terrein in stand moet worden gehouden te beheren; zorg te dragen dat het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein tenminste 358 dagen per jaar wordt opengesteld en toegankelijk blijft voor het publiek, tenzij daarvan door Gedeputeerde Staten ontheffing wordt verleend; eventuele opbrengsten van het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein uitsluitend aan duurzaam natuurbeheer te besteden; en bij het bevoegd gezag een aanvraag in te dienen tot aanpassing van de bestemming inhoudende dat het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein enkel als natuur mag worden gebruikt. 2Op verzoek van de subsidieontvanger kunnen de termijnen genoemd in het eerste lid, onder a, b en c worden verlengd. 3 Ontheffing als bedoeld in het eerste lid, onder d, wordt verleend indien: gehele of gedeeltelijke sluiting van het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein noodzakelijk is ter voldoening aan de bij of krachtens de Flora- en faunawet gestelde regels voor soortenbescherming of de krachtens de artikelen 10, 10a, 19, 19a en 21 van de Natuurbeschermingswet 1998 voor beschermde natuurmonumenten of Natura 2000-gebieden vastgestelde instandhouding doelstellingen en toegangsbeperkingen; het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein door buiten de macht van de subsidieontvanger gelegen oorzaken blijvend geheel of gedeeltelijk niet bereikbaar of naar zijn aard niet begaanbaar is; sluiting van ten hoogste één hectare van het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein wenselijk is vanwege de bescherming van de persoonlijke levenssfeer; of andere belangen gehele of gedeeltelijke sluiting rechtvaardigen. 4 Het is de subsidieontvanger niet toegestaan om het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein te vervreemden, te verpachten of daarop zakelijke rechten te vestigen, behoudens toestemming van Gedeputeerde Staten. 5 De subsidieontvanger is bij vervreemding, verpachting of vestigen van zakelijke rechten verplicht ingevolge deze regeling verstrekte subsidie binnen een termijn van zes maanden terug te betalen aan de provincie Gelderland, tenzij hiervan in de toestemming als bedoeld in het vierde lid ontheffing is verleend. 6 Binnen twaalf weken na verlening van de subsidie sluit de subsidieontvanger met de provincie Gelderland een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Algemene wet bestuursrecht, waarin is opgenomen: de verplichting, inhoudende dat de subsidieontvanger het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein niet gebruikt of doet gebruiken als landbouwgrond, het terrein beheert overeenkomstig het natuurbeheertype zoals voorgeschreven in het natuurbeheerplan en datgene nalaat wat de veiligstelling van de ecosystemen met de daarbij behorende soorten in gevaar brengt of verstoort; en dat de verplichting, als bedoeld onder a, zal overgaan op al degenen die het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein onder bijzondere of algemene titel zullen verkrijgen en dat mede gebonden zullen zijn al degenen die van de rechthebbende een recht op gebruik van het terrein zullen krijgen. 7De overeenkomst als bedoeld in het zesde lid wordt uiterlijk binnen vier weken na totstandkoming daarvan op last van de subsidieontvanger als kwalitatieve verplichting ten aanzien van het verworven dan wel pachtvrij gemaakte natuurambitieterrein ingeschreven in de openbare registers. 8 Indien de subsidieontvanger ook andere economische activiteiten verricht dan de verwerving van terreinen ten behoeve van natuurbeheer als bedoeld in deze regeling, is hij verplicht een gescheiden boekhouding te voeren overeenkomstig punt 41 van de EU-kaderregeling inzake staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst (2012/C 8/03). 9 In afwijking van artikel 1.4.1, derde lid, is de subsidieontvanger verplicht de administratie en alle documenten inzake een aan hem verstrekte subsidie gedurende een periode van twintig jaar nadat de subsidie is verleend. Artikel 4.4.8 Verplichtingen bij aanvraag subsidievaststelling 1 Voor zover nodig in afwijking van artikel 25, tweede lid, van de AsG dient de subsidieontvanger binnen 13 weken na afloop van de activiteiten een aanvraag om vaststelling van de subsidie in. 2 Bij de aanvraag om vaststelling wordt een afschrift van de overeenkomstig het bepaalde in artikel 4.4.7, zevende lid, in de openbare registers ingeschreven kwalitatieve verplichting overlegd. 3 Bij de aanvraag om vaststelling van subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder a, worden de volgende gegevens verstrekt: een afschrift van de notariële akte van levering van het terrein of een afschrift van de notariële akte van vestiging van het erfpachtrecht op het terrein; en in voorkomend geval een afschrift van een schriftelijke overeenkomst tot beëindiging van het recht van opstal, vruchtgebruik, erfdienstbaarheden of een de pachtovereenkomst of een afschrift van de uitspraak van de pachtkamer tot ontbinding als bedoeld in artikel 7:377 Burgerlijk Wetboek. 4 Bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder b, wordt in elk geval een afschrift van een schriftelijke overeenkomst tot beëindiging van de pachtovereenkomst of een afschrift van de uitspraak van de pachtkamer tot ontbinding van de pachtovereenkomst als bedoeld in artikel 7:377 Burgerlijk Wetboek verstrekt. 5 Bij de aanvraag tot vaststelling van de subsidie als bedoeld in artikel 4.4.1, onder c, wordt een afschrift van de notariële akte van levering van het natuurambitieterrein en de gebouwen verstrekt. 6 Er wordt vrijstelling verleend van de verplichting genoemd in artikel 27, derde lid, van de AsG. 7 In afwijking van artikel 24, eerste lid, van de AsG dient aanvrager binnen 13 weken na inschrijving van de kwalitatieve verplichting in de openbare registers een aanvraag in tot vaststelling van de subsidie. Paragraaf 4.5 Verplaatsing landbouwbedrijfsgebouwen ten behoeve van het Gelders Natuurnetwerk Artikel 4.5.1 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor de verplaatsing van een landbouwbedrijfsgebouw. Artikel 4.5.2 Criteria Subsidie wordt slechts verstrekt indien door verplaatsing van het landbouwbedrijfsgebouw: ten minste 5 hectares begrensde grond gelegen binnen een Natura 2000 gebied beschikbaar komen die daarna ingericht kunnen worden ten behoeve van de Natura 2000 doelstellingen van dat gebied; of ten minste 15 hectares begrensde grond gelegen in het GNN beschikbaar komen in een gebied waarvoor door Gedeputeerde Staten een grondstrategieplan is vastgesteld, welke gronden daarna ingericht kunnen worden ten behoeve van de doelstellingen genoemd in het natuurbeheerplan. Artikel 4.5.3 Subsidiabele kosten Voor subsidie komen in aanmerking: de kosten voor het demonteren, verhuizen en weer opbouwen van een bestaand landbouwbedrijfsgebouw; de kosten voor het aanpassen van een landbouwbedrijfsgebouw of het oprichten van een landbouwbedrijfsgebouw op de nieuwe locatie, ter vervanging van een bestaand landbouwbedrijfsgebouw op de bestaande locatie. Artikel 4.5.4 Aanvrager 1 Subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar of gebruiksgerechtigde van het te verplaatsen landbouwbedrijfsgebouw. 2 In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen. Artikel 4.5.5 Hoogte van de subsidie 1 De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten. 2 Als de verplaatsing gepaard gaat met modernisering van voorzieningen of verhoging van de productiecapaciteit, bedraagt de subsidie naast het bepaalde in het eerste lid ten hoogste 40% van de met de modernisering of verhoging van de productiecapaciteit gepaard gaande kosten. 3 De subsidie bedraagt ten hoogste € 400.
  5. Artikel 4.5.6 Verplichtingen 1 De subsidieontvanger is verplicht binnen 12 maanden na subsidieverlening: zijn landbouwbedrijfsgebouw te verplaatsen; op de als gevolg van de verplaatsing vrijkomende begrensde grond gelegen binnen het Natura 2000-gebied en het GNN een kwalitatieve verplichting te vestigen of te doen vestigen, inhoudende dat het perceel niet gebruikt zal worden als landbouwgrond. 2 Op verzoek van de subsidieontvanger kan de termijn genoemd in het eerste lid, onder a, worden verlengd. 3 Het bepaalde in het eerste lid, onder b, geldt niet voor zover de provincie binnen 12 maanden na de subsidieverlening de gronden aankoopt. Artikel 4.5.7 Communautair toetsingskader In afwijking van artikel 1.3.3, eerste lid, wordt subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met hoofdstuk I en artikel 16 van de Landbouw groepsvrijstellingsverordening. Paragraaf 4.6 Behoud van prioritaire soorten Artikel 4.6.1 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: kweek in combinatie met introductie van een prioritaire soort in een leefgebied; introductie van een prioritaire soort in een leefgebied; handmatig bestuiven van een prioritaire plantensoort in een leefgebied; onderzoek gericht op het in kaart brengen van het voorkomen van een prioritaire soort in een leefgebied; onderzoek gericht op de effectiviteit van een maatregel ten aanzien van het behoud van een prioritaire soort; onderzoek gericht op het bepalen van maatregelen die noodzakelijk zijn voor het behoud van een prioritaire soort in een leefgebied; inrichtingsmaatregelen ten behoeve van het behoud of versterking van het leefgebied van een prioritaire soort. Artikel 4.6.2 Criteria 1 Subsidie wordt slechts verstrekt ten behoeve van activiteiten en locaties die zijn opgenomen in de Beleidsnota Actieve Soortenbescherming. 2 In afwijking van het eerste lid kan subsidie worden verstrekt voor activiteiten waarvan op basis van onderzoek of gedocumenteerde veldervaringen aannemelijk is dat zij bijdragen aan het behoud van prioritaire soorten in Gelderland en dat deze activiteiten aanvullend dan wel gelijkwaardig zijn ten opzichte van de activiteiten bedoeld in het eerste lid. 3 Subsidie wordt slechts verstrekt indien de activiteit bijdraagt aan het behoud van een prioritairesoort. 4 Subsidie als bedoeld in artikel 4.6.1, onder g, wordt slechts verstrekt ten aanzien van maatregelendie worden uitgevoerd op percelen gelegen buiten het GNN. Artikel 4.6.3 Aanvrager 1 Subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar van het leefgebied of degene die krachtens overeenkomst of zakelijk recht gerechtigd is tot het gebruik van het leefgebied. 2 In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook aan andere personen dan rechtspersonen worden verstrekt. Artikel 4.6.4 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste 95% van de kosten met een minimum van € 2.500 en een maximum van € 30.000 per aanvraag. Artikel 4.6.5 Weigeringsgrond 1 Subsidie wordt niet verstrekt ten behoeve van maatregelen die zijn opgelegd op grond van de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 of de daarvoor in de plaats tredende Wet Natuurbescherming. 2 Subsidie als bedoeld in artikel 4.6.1, onder a en b, wordt slechts verstrekt indien de aanvrager bij de aanvraag een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in artikel 75 van de Flora- en Faunawet of de daarvoor in de plaats tredende bepalingen in de Wet Natuurbescherming overlegt die ziet op het betreffende leefgebied en de betreffende soort. Paragraaf 4.7 Rustgebieden voor ganzen Artikel 4.7.1 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor het niet verjagen van ganzen in de periode tussen 1 november en 1 april van percelen die zijn gelegen in een rustgebied. Artikel 4.7.2 Criteria Subsidie wordt slechts verstrekt indien: door het Faunafonds schade is getaxeerd die is veroorzaakt door overwinterende beschermde inheemse ganzen in het betreffende seizoen; en de percelen voldoen aan de in de Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade van het Faunafonds gestelde normen om voor schadevergoeding in aanmerking te komen. Artikel 4.7.3 Aanvrager 1 Subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar, de pachter of de erfpachter van de percelen. 2 In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen. Artikel 4.7.4 Aanvraag In afwijking van artikel 7, eerste lid, van de AsG wordt een aanvraag om subsidie ingediend voor 1 juli van het jaar waarin de periode als bedoeld in artikel 4.7.1 eindigt waarop de aanvraag betrekking heeft. Artikel 4.7.5 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste € 50 per hectare per seizoen. Artikel 4.7.6 Communautair toetsingskader In afwijking van artikel 1.3.3, eerste lid, wordt subsidie slechts verstrekt voor zover deze niet in strijd is met Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Europese Commissie van 18 december 2013 (PbEU L 352/09). Paragraaf 4.8 Inrichting van het Gelders Natuurnetwerk Artikel 4.8.1 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor: de inrichting van nieuwe natuur; het treffen van PAS-maatregelen, niet zijnde de inrichting van nieuwe natuur; het uitvoeren van Natura 2000-herstelmaatregelen, niet zijnde de inrichting van nieuwe natuur; het uitvoeren van soortenbeschermingsmaatregelen, niet zijnde de inrichting van nieuwe natuur; het uitvoeren van herstelmaatregelen voor natte landnatuur, niet zijnde de inrichting van nieuwe natuur. Artikel 4.8.2 Criteria 1 Subsidie voor inrichting van nieuwe natuur als bedoeld in artikel 4.8.1, onder a, wordt slechts verstrekt indien de inrichtingsmaatregelen de gewenste natuurkwaliteit zoals aangegeven als indicatieve verhouding beheertypen op de ambitiekaart van het natuurterrein realiseren. 2 In afwijking van het eerste lid kan een subsidie worden verleend voor een ander natuurbeheertype of een indicatieve verhouding beheertype dan is opgenomen op de ambitiekaart, indien: de aanvrager door middel van een landschap ecologische onderbouwing aantoont dat de het vigerende natuurbeheertype of indicatieve verhouding beheertype van het natuurgebied niet realiseerbaar of doelmatig is; of het voorgestelde nieuwe natuurbeheertype invulling geeft aan hogere potenties die in het natuurterrein voorkomen en doelmatig zijn; en indien met het door de aanvrager voorgestelde natuurbeheertype de natuurkwaliteit van het natuurgebied wordt geborgd. 3 Subsidie voor PAS-maatregelen als bedoeld in artikel 4.8.1, onder b, wordt slechts verstrekt voor activiteiten opgenomen op de PAS-maatregelenkaart of de PAS-gebiedsanalyse. 4 Subsidie voor Natura 2000-maatregelen als bedoeld in artikel 4.8.1, onder c, wordt slechts verstrekt indien in het investeringsplan als bedoeld in artikel 4.8.5, tweede lid, voldoende aannemelijkwordt gemaakt dat de maatregelen bijdragen aan de beoogde kwaliteitsverbetering van het Natura 2000-gebied. 5 Subsidie voor soortenbeschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 4.8.1, onder d, wordt slechts verstrekt indien in het investeringsplan als bedoeld in artikel 4.8.5, tweede lid, voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de maatregelen bijdragen aan behoud van een of meer prioritaire soorten of systeemherstel in de parels zoals opgenomen in de nota Actieve soortenbescherming Gelderland. 6 Subsidie voor herstelmaatregelen voor natte landnatuur als bedoeld in artikel 4.8.1, onder e, wordt slechts verstrekt indien in het investeringsplan als bedoeld in artikel 4.8.5, tweede lid, voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de maatregelen bijdragen aan herstel van de natte landnatuur binnen de gebieden aangegeven op de kaart Water en natuur van de Omgevingsvisie. 7 In afwijking van het eerste en tweede lid geldt voor de programma aanvraag voor de activiteit inrichting nieuwe natuur als bedoeld in artikel 4.8.1, onder a, enkel het criterium dat de gronden op de ambitiekaart zijn begrensd als nieuwe natuur. 8 Indien de aanvrager een grote onderneming is, wordt subsidie slechts verstrekt indien aanvrager het stimulerend effect van de aangevraagde subsidie aantoont door middel van een beschrijving van de situatie zonder steun, te staven met bewijsstukken. Artikel 4.8.3 Subsidiabele kosten 1 In afwijking van artikel 1.3.5, eerste lid, onder a en b, komen voor subsidie in aanmerking: inrichtingskosten; voorbereidingskosten die gemaakt zijn voor het opstellen van het investeringsplan als bedoeld in artikel 4.8.5, tweede lid, onderscheidenlijk het opstellen van een programma-aanvraag; onderzoekskosten die noodzakelijk zijn voor het bepalen van de te nemen inrichtingsmaatregelen; accountantskosten, indien de subsidiebeschikking een accountantsverklaring voorschrijft; aanloop- en overgangsbeheer. 2 In afwijking van artikel 1.3.5, eerste lid, onder b, komen naast de kosten als bedoeld in het eerste lid voor subsidie als bedoeld in artikel 4.8.1, onder b, ook in aanmerking: kosten voor de uitvoering van onderzoek; kosten voor de uitvoering van monitoring. Artikel 4.8.4 Aanvrager 1 Subsidie kan worden verstrekt aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon die zeggenschap heeft over het terrein waarvoor subsidie wordt aangevraagd krachtens eigendom of erfpacht. 2 Een programma-aanvraag kan slechts worden aangevraagd door een gecertificeerde begunstigde. 3 In afwijking van het eerste lid kan een gecertificeerde begunstigde een programma-aanvraag indienen voor gronden waarover deze begunstigde geen zeggenschap heeft, mits de eigenaar of erfpachter instemt met de aanvraag. 4 In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen. Artikel 4.8.5 Aanvraag 1 Indien het natuurterrein is belast met erfpacht dient de aanvraag vergezeld te gaan van een verklaring van geen bezwaar van de eigenaar dan wel de erfpachter. 2 Een aanvraag gaat vergezeld van een investeringsplan bestaande uit: een beschrijving van de uitgangssituatie; een beschrijving van de uit te voeren maatregelen; een beschrijving van de op de ambitiekaart opgenomen natuurbeheertype van de uit te voeren maatregelen ter uitvoering van de onder 4.8.1, onder a, genoemde activiteiten; een beschrijving van het te voeren beheer nadat de maatregelen zijn uitgevoerd; een opgave oppervlakte waarop de maatregelen zullen worden uitgevoerd; een tijdplanning waarbinnen de maatregelen zullen worden uitgevoerd en een planning van de uitgaven; een gespecificeerde begroting; topografische kaart met een schaal van ten hoogste 1:10.000 waarop de locatie van de te treffen maatregelen is weergegeven. 3 Een aanvraag tot subsidieverlening voor een programma-aanvraag gaat vergezeld van: opgave van het aantal hectares nieuwe natuur per natuurgebied waarop de maatregelen ter uitvoering van de onder 4.8.1, onder a, genoemde activiteiten zal worden uitgevoerd, voorzien van een jaarplanning voor de looptijd van het programma; een beschrijving van de uit te voeren activiteiten als bedoeld in artikel 4.8.1, onder b tot en met e, met per activiteit en per natuurgebied per natuurbeheertype een beknopte beschrijving van: de uit te voeren maatregelen binnen het natuurgebied; de oppervlakte waarop de maatregelen zullen worden uitgevoerd, afgerond in hectares; een begroting; een jaarplanning van de realisatie voor de looptijd van het programma en een planning van de uitgaven. een GIS-kaart met daarin aangegeven de buitengrenzen van het natuurgebied waarin de maatregelen als bedoeld in artikel 4.8.1 worden gerealiseerd; een GIS-kaart waarop de PAS-herstelmaatregelen zijn aangeduid. 4 Een aanvraag tot subsidieverlening voor een programma-aanvraag gaat, indien de aanvrager geen zeggenschap heeft over het natuurgebied, vergezeld van een verklaring waarmee de eigenaar dan wel de erfpachter instemt met de subsidieaanvraag. Artikel 4.8.6 Hoogte van de subsidie 1 De subsidie bedraagt ten hoogste: voor inrichting van nieuwe natuur als bedoeld in artikel 4.8.1, onder a: 95% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 13.000 per hectare; 100% van de subsidiabele kosten voor uitvoering PAS-maatregelen, als bedoeld in artikel 4.8.1, onder b, tot de maximum subsidiebedragen per maatregel zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels; 95% van de subsidiabele kosten voor maatregelen als bedoeld in artikel 4.8.1, onder c, d en e, tot de maximale subsidiebedragen per maatregel zoals opgenomen in bijlage 1 bij deze regels. 2 Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere gevallen afwijken van de maximum bedragen als bedoeld in het eerste lid, op voorwaarde dat: de aanvrager aantoont dat de inrichting meer kost dan de maxima; en de kosten niet kunnen worden gemiddeld binnen het project of het programma. Artikel 4.8.7 Weigeringsgrond Subsidie wordt niet verstrekt voor verwijderen van bodemverontreiniging of afval. Artikel 4.8.8 Verplichtingen 1 De subsidieontvanger is verplicht om na de uitvoering van de inrichting de gerealiseerde natuur in stand te houden. 2 De ontvanger van subsidie voor inrichting van nieuwe natuur als bedoeld in artikel 4.8.1, onder a, binnen een programma-aanvraag dient het natuurterrein in te richten overeenkomstig de indicatieve verhouding beheertypen op de ambitiekaart zoals die luidt op het moment van indiening van de aanvraag. 3 Op verzoek van subsidieontvanger kan voor inrichting van nieuwe natuur binnen een programma-aanvraag het natuurdoeltype of een indicatieve verhouding beheertype op de ambitiekaart gedurende de looptijd van het programma worden gewijzigd indien: de aanvrager door middel van een landschapsecologische onderbouwing aantoont dat de het vigerende natuurbeheertype of indicatieve verhouding beheertype van het natuurgebied niet realiseerbaar of doelmatig is; of het voorgestelde nieuwe natuurbeheertype invulling geeft aan hogere potenties die in het natuurterrein voorkomen en doelmatig zijn; en naar het oordeel van Gedeputeerde Staten met het door aanvrager voorgestelde natuurbeheertype de natuurkwaliteit van het natuurgebied wordt geborgd. Artikel 4.8.9 Looptijd 1 In afwijking van artikel 15 van de AsG bedraagt de looptijd van de programma-aanvraag maximaal zes jaar. 2 Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van de aanvrager de looptijd van de programma-aanvraag ten hoogste twee maal een jaar verlengen. Artikel 4.8.10 Gescheiden boekhouding Indien de ontvanger van subsidie als bedoeld in artikel 4.8.1, onder b, ook economische activiteiten verricht, is hij verplicht een gescheiden boekhouding te voeren overeenkomstig punt 41 van de EU-kaderregeling inzake staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst (2012/C 8/03). Artikel 4.8.11 Communautair toetsingskader 1 Artikel 1.3.3, eerste lid, is niet van toepassing. 2 Subsidie wordt slechts verstrekt voor zover dit niet in strijd is met de Richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden 2014-2020 (PbEU 2014/C 204/01). Paragraaf 4.9 Functieverandering ten behoeve van het Gelders Natuurnetwerk Artikel 4.9.1 Subsidiabele activiteit Subsidie als bedoeld in artikel 11 van de AsG kan worden verstrekt voor functieverandering op voorwaarde dat op de grond waarop de aanvraag betrekking heeft tevens inrichting plaatsvindt als bedoeld in artikel 4.8.1, onder a. Artikel 4.9.2 Criteria Subsidie wordt slechts verstrekt indien: de grond waarvoor subsidie is aangevraagd is begrensd als N00.01 op de ambitiekaart; en de productiecapaciteit van de grond in de vijf jaren voorafgaand aan de aanvraag onafgebroken is gebruikt. Artikel 4.9.3 Subsidiabele kosten 1 Voor subsidie komt in aanmerking de door een onafhankelijke taxateur bepaalde waardedaling van de grond die aansluit op de marktsituatie op het moment van aanvraag, ontstaan door het verschil in de marktwaarde voor en de marktwaarde na functieverandering en inrichting. 2 De taxatie wordt uitgevoerd door een door de provincie in te schakelen taxateur en de kosten daarvan worden door de provincie betaald. Artikel 4.9.4 Aanvrager 1 Subsidie wordt verstrekt aan de eigenaar van de grond waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft. 2 In afwijking van artikel 5, eerste lid, van de AsG kan subsidie ook worden verstrekt aan andere personen dan rechtspersonen. Artikel 4.9.5 Aanvraag 1 Onverminderd artikel 1.2.3 wordt bij de aanvraag een topografische kaart met een schaal van ten hoogste 1:10.000 gevoegd waarop de grenzen van de grond zijn aangegeven, alsmede de op die grond gelegen wegen en paden. 2 Indien op de grond een recht van hypotheek is gevestigd, wordt onverminderd artikel 1.2.3 bij de aanvraag een verklaring van geen bezwaar gevoegd van degene aan wie het recht van hypotheek toekomt. Artikel 4.9.6 Hoogte van de subsidie De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 4.9.3, eerste lid, met een maximum van 85% van de waarde van de grond als landbouwgrond. Artikel 4.9.7 Weigeringsgrond 1 Subsidie wordt niet verstrekt voor functieverandering die dient tot uitvoering van wettelijke of contractuele verplichtingen. 2 Subsidie wordt niet verstrekt voor grond die om niet van de overheid is verkregen. 3 Subsidie kan worden geweigerd voor gronden die niet tegen marktwaarde van de overheid zijn verkregen. 4 Subsidie wordt niet verstrekt voor

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.