← Nederland

Warmteprogramma 2025-2029 (West Betuwe)

Kort samengevat

Dit warmteprogramma van de gemeente West Betuwe beschrijft de strategie en plannen voor de overgang naar duurzame warmtevoorzieningen tussen 2025 en 2029, met een doorkijk naar 2050. Het doel is om het gebruik van aardgas te vervangen door duurzame alternatieven en zo bij te dragen aan klimaatdoelstellingen.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Warmteprogramma 2025-2029 Leeswijzer Welkom bij het warmteprogramma van de gemeente West Betuwe. Dit programma biedt een strategisch kader voor de overgang naar duurzame warmtevoorzieningen in onze gemeente. Het document is bedoeld voor onze inwoners en ondernemers, beleidsmakers, stakeholders in de energie- en bouwsector en de gemeenteraad. Deze leeswijzer geeft meer informatie over de verschillende onderdelen van het warmteprogramma. We hopen dat dit document inspireert en ondersteunt bij het realiseren van een duurzame warmtevoorziening in onze gemeente. Doel van het document Het doel van dit warmteprogramma is om de strategie en plannen voor de overgang naar een duurzame warmtevoorziening in onze gemeente te beschrijven. Het biedt inzicht in de huidige situatie, toekomstige doelen en de stappen die nodig zijn om deze doelen te bereiken. Wat staat er in het warmteprogramma? Een prognose: van de meest geschikte aardgasvrije alternatieven. Een eerste inschatting per wijk: wanneer ze aardgasvrij kunnen worden. Een aanpak per aardgasvrij alternatief: hoe we aan de slag gaan. Wat staat er niet in het warmteprogramma? Geen definitief besluit voor het aardgasvrije alternatief Geen precieze kostenberekening Geen verplichtingen Het warmteprogramma is een overkoepelende visie. De volgende stap is om concrete onderzoeken te starten op wijkniveau om alle randvoorwaarden en details verder in te vullen. Documentindeling Hfd 1, Inleiding: Aanleiding voor het warmteprogramma en de doelstellingen Hfd 2, Ontwikkeling van het warmteprogramma: Omschrijving van de totstandkoming van dit programma en een terugblik naar de Transitievisie warmte 1.

  1. Hfd 3, De opgave in gemeente West Betuwe: Onderbouwt de doelstellingen van dit programma, de uitdagingen en haalbaarheid, de huidige warmtevraag en de inzet van duurzame alternatieven om deze doelen te bereiken. Hfd 4, Naar een duurzaam verwarmt gemeente West Betuwe: Geeft de uitgangspunten, het transitiepad en handvaten voor de uitvoering weer. Hfd 5, Communicatie en participatie: Strategie om op een passende wijze samen aan de warmtetransitie te werken. Hfd 6, Aan de slag met duurzaam verwarmen: Uitleg over de stappen die nu al genomen kunnen worden om te besparen Hfd 7, Financiën Uitleg over het financiële scenario waarvoor is gekozen door de gemeenteraad. Bijlage 19 geeft een woordenlijst met toelichting van moeilijke woorden. Voorwoord ENERGIENEUTRAAL IN 2050 We staan met elkaar voor een grote uitdaging. En die uitdaging kunnen we alleen samen aangaan. Met elkaar de schouders eronder! Voor u ligt het warmteprogramma van gemeente West Betuwe. Dit is een programma waarin beschreven staat hoe we in de komende jaren stappen zetten om te komen tot een duurzaam warmtesysteem. Dat vraagt om denken in kansen en het met elkaar zoeken naar innovatieve oplossingen. Als gemeente staan wij aan de lat om te onderzoeken wat er mogelijk is. Hier in gemeente West Betuwe hebben we te maken met een uitgestrekt gebied. We leven samen in 24 dorpen en 2 stadjes. We zijn de fruitgemeente van Nederland, met een grote agrarische sector, die moet kunnen blijven groeien en bloeien. In het warmteprogramma hebben we onder andere onderzocht waar onze gemeente nu staat, wat de warmtebehoefte is en wat mogelijke oplossingen kunnen zijn. Die oplossingen zoeken we niet alleen. We hebben daarvoor u als inwoner en andere belanghebbende gevraagd om mee te denken. Wat zijn uw zorgen, wat hebt u nodig en waar liggen er kansen? In dit warmteprogramma kunt u voorbeelden terugvinden van mensen die er met elkaar de schouders onder zetten om vooruit te kijken en te onderzoeken wat er kan. We hebben een gebied waar de Linge en de Waal doorheen stroomt. Kunnen we de warmte in het water inzetten? En hoe kunnen we bovenstaande warmtestromen gebruiken om met de warmte die overblijft huizen op te warmen? Hoe kunnen we onze huizen en bedrijven zo aanpassen dat we klaar zijn voor de toekomst? En hoe kunnen we u daar als gemeente bij ondersteunen. In dit programma vertalen we de uitdaging waar we voor staan, naar concrete stappen om met elkaar te zetten. Zodat bij iedere stap die we met elkaar moeten zetten de weg een stukje duidelijker wordt. Dit zorgt ervoor dat we in 2050 niet alleen energieneutraal zijn, maar ook in een fijne leefomgeving wonen en met plezier kunnen blijven ondernemen. College van burgemeester & wethouders West Betuwe Samenvatting In de gemeente West Betuwe vervangen we tussen nu en 2050 het gebruik van aardgas door duurzame warmteoplossingen. Dit warmteprogramma geeft grip op de warmtetransitie door het pad naar een duurzame warmtevoorziening in de gemeente West Betuwe te schetsen. Dit pad sluit aan bij de internationale afspraken en nationale inzet om klimaatverandering tegen te gaan. Samen met inwoners en ondernemers komen we tot de beste oplossingen. Zo verlagen we het aardgasgebruik en verbeteren we het perspectief. We streven naar begrijpelijke, haalbare en betaalbare stappen voor iedere inwoner. Urgentie In West Betuwe staan 21.607woningen en 1.464 bedrijfsgebouwen. Ongeveer 91% van deze gebouwen zijn aangesloten op het aardgasnet. In 2020 gebruikten iedereen samen ongeveer 31,4 miljoen m³ aardgas. Het doel van de gemeente West Betuwe is tot 2030 het gebruik van aardgas met 20 procent te verminderen. In combinatie met de klimaatcrisis en onzekerheid over aardgaslevering is snel handelen noodzakelijk. Transitiepad Om de juiste stappen te zetten, onderzocht gemeente West Betuwe welke warmteoplossingen het meest voor de hand liggen bij de verschillende wijken. Hierbij hebben we zoal gekeken naar de technische mogelijkheden, kosten en de verspreiding van de bebouwing. Voor sommige wijken zijn collectieve oplossingen zoals warmtenetten het meest geschikt. Terwijl in andere wijken individuele oplossingen zoals warmtepompen beter passen. Daarnaast is het belangrijk om de meest geschikte wijken als eerste aan te pakken, zodat onnodig werk voorkomen wordt. De keuze voor deze wijken hebben we gemaakt met behulp van belanghebbende en verschillende factoren. Voorbeelden zijn ‘de technische mogelijkheden’ en ‘de noodzaak tot verduurzaming’. Figuur 1 van dit warmteprogramma geeft een overzicht van de belangrijkste plannen. Hoofdstuk 4 legt uit hoe deze plannen zijn ontstaan. Hoe gaan we aan de slag? Om de plannen in de praktijk te brengen en kansen te pakken, zetten we de aankomende jaren samen verdere stappen. De eerste stap is isoleren en besparen om zo de warmtevraag te verlagen. Dit brengen we gemeente breed onder de aandacht en werken samen met Het Energieloket Rivierenland. We leggen de nadruk op maatregelen die direct zorgen voor resultaat. Die verhogen het woonplezier en verlagen het energiegebruik. Het is niet mogelijk om overal tegelijk te beginnen, omdat de opgave anders te groot wordt. Door de werkzaamheden te spreiden, sluit het beter aan bij andere projecten en ontdekken we wat goed werkt. De wijken die geschikt zijn om als eerste te starten, staan weergegeven in Figuur 1 voor de periodes 2025-2027 en 2027-
  2. In deze wijken stellen we samen met inwoners en andere betrokkenen een uitvoeringsplan op. Voor dit plan doen we verder onderzoek naar de haalbaarheid, betaalbaarheid en de planning. Zowel voor isolatie als voor individuele of collectieve warmteoplossingen hebben we startwijken geselecteerd. Het aantal wijken en de specifieke wijken waarmee we echt beginnen, is afhankelijk van het gekozen financiële scenario. Bij de overstap naar een duurzame warmteoplossing maken we gebruik van participatie- en communicatie passend bij het gemeentelijk beleid. Deze aanpak creëert bewustwording en betrekt inwoners, ondernemers en belanghebbende actief. Dit is belangrijk omdat alleen gezamenlijk de overgang naar aardgasvrij succesvol kan worden. Met dit warmteprogramma schetst de gemeente West Betuwe de plannen tot
  3. Zo weten inwoners en ondernemers wat hen de eerste jaren te wachten staat. Over vijf jaar beoordelen we het programma die er nu is. Deze passen we mogelijk aan vanuit de nieuwste inzichten, gemaakte voortgang en opgedane ervaringen. Figuur 1.Warmtetransitie gemeente West Betuwe 1.Inleiding In Nederland gaan we stoppen met het gebruik van aardgas. Ook in West Betuwe zullen we uiterlijk in 2050 het aardgas gaan vervangen. Samen met inwoners, bedrijven en maatschappelijke partners gaan we als gemeente op zoek naar de beste oplossingen voor een duurzaam West Betuwe, waar onze én volgende generaties een prettige en leefbare toekomst hebben. In dit warmteprogramma stippelen we het pad uit naar een duurzame en toekomstbestendige warmtevoorziening. 1.1Waarom een warmteprogramma? Het klimaat verandert door het gebruik van grote hoeveelheden fossiele brandstoffen zoals aardgas. Dit zorgt voor de uitstoot van broeikasgassen, waardoor aardgas niet wordt gezien als een duurzame bron van warmte. De negatieve effecten van deze uitstoot en de veranderingen in het klimaat worden steeds duidelijker. Daarom wordt er wereldwijd, en ook in Nederland, hard gewerkt om klimaatverandering tegen te gaan. Tijdens de klimaatconferentie van de Verenigde Naties in Parijs eind 2015, kwamen rond de 200 landen tot een klimaatakkoord. Hierin werd afgesproken om de opwarming van de aarde te beperken tot maximaal 2 graden, met een streven naar 1,5 graad. In Nederland ondertekenden meer dan 100 partijen in 2019 het Nederlandse klimaatakkoord. Het doel is om in 2050 de CO2-uitstoot met 95% te verminderen ten opzichte van
  4. In de omgevingsvisie zijn de landelijke doelstelling opgenomen door uiterlijk in 2050 afscheid te willen nemen van fossiele brandstoffen. Dit houdt in dat we op zoek gaan naar andere warmtebronnen, bijvoorbeeld om te koken en gebouwen te verwarmen. In Nederland hebben we jarenlang aardgas gewonnen uit het Groningenveld. Sinds 19 april 2024 is de aardgaswinning hier gestopt. Binnen Europa is er op dit moment te weinig gas om te voorzien in onze huidige vraag naar warmte. Dit maakt ons afhankelijk van andere landen. Om de leveringszekerheid te kunnen garanderen, gaan we opzoek naar andere warmtebronnen. 1.2Het warmteprogramma In het landelijke Klimaatakkoord is beschreven dat elke gemeente uiterlijk in 2021 een Transitievisie Warmte moest opstellen waarin de overstap van aardgas op andere, duurzame warmtebronnen duidelijk moet worden. Voor de gemeente West Betuwe heeft dit geleid tot de Transitievisie Warmte 1.0 (TVW 1.0) die op 1 februari 2022 is vastgesteld door de gemeenteraad. In de TVW 1.0 werd gefocust op leren, isoleren en besparen. Als vervolg hierop is de TVW 2.0 vastgesteld op 26 november 2024 en opgenomen in dit warmteprogramma. Hierin schetsen we concrete stappen tot 2030 en geven we een doorkijk naar
  5. In dit warmteprogramma gaan we in op de volgende drie hoofdvragen: Welk alternatief voor aardgas is kansrijk in de verschillende gebieden in West Betuwe? Wanneer gaan we samen met de verschillende gebieden aan de slag om te komen tot een aardgasvrije oplossing? We schetsen een globaal tijdpad tussen nu en
  6. Welke stappen willen we de komende jaren zetten (de uitvoering)? Dit warmteprogramma heeft een wettelijke looptijd van maximaal vijf jaar en wordt daarna herijkt. Het warmteprogramma zal onder de omgevingswet worden uitgevoerd. Daarnaast is in het coalitieakkoord aangegeven dat in deze coalitieperiode twee nieuwe pilots moeten starten. West Betuwe is een plattelandsgemeente met veel kansen maar ook uitdagingen. We hebben de ruimte om te kunnen blijven ontwikkelen. Deze ruimte en diversiteit maakt anderzijds ook een uitdaging om te komen tot beleid wat bij elke situatie aansluit. Samenwerking Duurzame warmte oplossingen hebben vaak een impact op het energienet. Binnen de Regio Rivierenland werken we samen met zeven buurgemeenten, waterschappen, de provincie Gelderland, netbeheerders en andere belanghebbenden. Samen hebben we afspraken gemaakt over de uitvoering van de energietransitie in de Regionale Energie Strategie (RES). De RES heeft als doelstelling om in 2050 energieneutraal te zijn: evenveel energie opwekken als gebruiken. Vanuit de RES wordt verwacht dat de warmtetransitie leidt tot een toename van onze elektriciteitsvraag en tot een zwaardere belasting van het elektriciteitsnet dan waar nu vanuit is gegaan. Het uitgangspunt is om deze toename zo klein mogelijk te houden en te werken aan oplossingen om deze toename op te vangen. De warmtetransitie voeren we zoveel mogelijk uit in samenwerking met inwoners, maatschappelijke partners en bedrijven. Dit warmteprogramma is geen dichtgetimmerd plan. Het geeft de kaders waarbinnen de komende jaren projecten worden opgestart. Het uiteindelijke resultaat is een warmteprogramma dat duidelijkheid geeft over de te nemen stappen en activiteiten waar de gemeente, inwoners en ondernemers voor staan in de komende jaren. 2.Ontwikkeling van het warmteprogramma In dit hoofdstuk omschrijven we hoe het warmteprogramma tot stand is gekomen. Daarbij kijken we naar wie erbij betrokken zijn en welke analyses zijn uitgevoerd. Verder blikken we terug op de Transitievisie warmte 1.
  7. Hierin beschrijven we wat we hebben geleerd van de eerste Visie en welke geleerde lessen we meenemen in het warmteprogramma. 2.1Betrokkenen en input De inhoud van dit warmteprogramma is samengesteld en getoetst in samenwerking met diverse partijen en bronnen. We hebben daarbij alle betrokkenen in kaart gebracht om hen op de juiste manier te betrekken en hun wensen en mogelijkheden duidelijk te krijgen. Het Platform Warmte De gemeente heeft de samenwerkende partijen bijeengebracht in het Platform Warmte. Dit platform bestaat uit woningcorporaties Kleurrijk Wonen en De Kernen, netbeheerders Liander en Stedin, Coöperatie Duurzaam West Betuwe en Regio Rivierenland. Het platform komt maandelijks samen en heeft meegedacht over verschillende onderdelen van dit warmteprogramma. De uitgangspunten voor de warmtetransitie zijn samen vastgesteld en afgestemd welke ontwikkelingen invloed hebben op duurzame warmteoplossingen. Ook is gekeken naar mogelijke koppelkansen. Daarnaast sluit het programma aan op de uitgangspunten in de Regionale Energie Strategie 1.0 (RES). Met behulp van platform is het programma ook zoveel mogelijk afgestemd op het beleid dat bij de verschillende betrokkenen wordt gehanteerd. Inwoners Gedurende het opstellen van het warmteprogramma zijn inwoners van de gemeente West Betuwe betrokken en geïnformeerd. De inwoners zijn door een inwonersavond en bij het invullen van een enquête gevraagd om mee te denken. Inwonersenquête Om te achterhalen welke uitgangspunten inwoners belangrijk vinden voor de overstap naar duurzamere verwarmingssystemen, hebben we een enquête gehouden onder de inwoners (Bijlage 1). Deze enquête is ook voorgelegd aan het inwonerspanel ‘West Betuwe Spreekt’, dit is een panel met leden die graag meedenken over verschillende onderwerpen die in de gemeente spelen. Vanuit de enquête is duidelijk geworden wat de zorgen van inwoners zijn, op welke manier inwoners betrokken willen blijven en wat de voorkeuren voor communicatiemiddelen zijn. In totaal heeft de enquête 737 respondenten opgeleverd. Inwonersavond Inwoners zijn op 21 maart 2024 geïnformeerd over de technische analyse en geformuleerde uitgangspunten voor het warmteprogramma. Dit is gedaan met een informatieavond waar geïnteresseerden live in de Raadszaal van het gemeentehuis en online bij aanwezig konden zijn. Tijdens de informatieavond konden inwoners reageren op stellingen en vragen stellen. De opmerkingen, vragen, zorgen en ideeën zijn meegenomen in dit warmteprogramma. Wetgeving en gemeentelijk beleid Wetgeving is in de maak die zorgt voor meer duidelijkheid over rollen en instrumenten voor de gemeente in warmtetransitie. De wetten die in de maak zijn heten de WCW en de Wgiw De WCW, (Wet Collectieve Warmtevoorziening) regelt de collectieve levering van warmte aan gebouwen. Deze wet stelt regels vast met betrekking tot de levering, de prijsstelling en andere aspecten van warmtevoorziening aan meerdere huishoudens. De Wgiw (Wet Gemeentelijke Instrumenten Warmte) is gericht op het mogelijk maken van gemeentelijk beleid met betrekking tot warmtevoorziening. Deze wet biedt gemeenten instrumenten en mogelijkheden om warmteprojecten te initiëren en te reguleren binnen hun jurisdictie. Bij het opstellen van dit programma is gerekend op de ondersteuning die deze wettelijke instrumenten kunnen bieden. Daarnaast sluit het programma aan bij het eerder vastgestelde beleid in de gemeente. Zoals de omgevingsvisie, het communicatiebeleid en participatiebeleid. Data-analyse De input van de bovengenoemde partijen is gecombineerd met de resultaten uit de noodzakelijke analyses. Deze analyses bieden meer inzicht in de omvang van de opgave en de potentie van verschillende warmtebronnen binnen de gemeente West Betuwe. De uitgevoerde analyses komen overeen met de data die andere gemeenten gebruiken om stappen te kunnen zetten. Een aantal analyses zijn uitgevoerd door de WarmteTransitieMakers (DWTM) en hebben betrekking op energieverbruik, energie labels en warmtevraag. (Zie Bijlage 4,8 en 10). Daarnaast is een potentiestudie uitgevoerd door Duurzaam Energie Perspectief (DEP), die zich richt op beschikbare restwarmte in Geldermalsen (Bijlage 16). Tot slot is ook een plan-mer-beoordelingsprocedure doorlopen (Bijlage 20). 2.2Geleerde lessen Vanuit de Transitievisie Warmte 1.0 heeft de gemeente West Betuwe zich tot doel gesteld de komende jaren te leren en te inventariseren welke aardgas reducerende maatregelen mogelijk zijn. Om dit te bereiken is gestart met het vormgeven van twee pilotprojecten. Hierin is geleerd hoe de gemeente, in nauwe samenwerking met de inwoner en de andere stakeholders, op een effectieve manier bij kan dragen aan het aardgasvrij maken van wijken. In de volgende alinea’s wordt omschreven wat de pilots inhielden wat we de afgelopen jaren hebben geleerd. Bijlage 3 bevat een evaluatie op Duurzame Warmte Enspijk die is uitgevoerd in opdracht van de regio Rivierenland met geleerde lessen van alle betrokken stakeholders. Pilot Duurzame Warmte Enspijk De eerste pilot is Duurzame Warmte Enspijk (DWE). De pilot draait om Enspijk, een dorp met enthousiaste inwoners die in 2030 energieneutraal willen zijn. In deze pilot wordt gezocht naar een betaalbare manier om woningen door middel van aquathermie, collectief te verwarmen op kleine schaal (187 woningen). Hierin zijn de afgelopen jaren stappen gezet en lessen geleerd (Bijlage 3). Het doorlopen van deze stappen heeft nieuwe inzichten opgeleverd: Voor het kunnen exploiteren van een warmtekavel dient de gemeente verschillende stappen stapsgewijs te doorlopen. Overstappen op een collectief warmtesysteem is tijdsintensief en vereist uitgebreide en zorgvuldig geplande acties. De rol van de gemeente vraagt om flexibiliteit, dit kan veranderen van faciliterend en financierend naar een meer intensieve betrokkenheid naarmate het project vordert. Het aardgasvrij maken van een klein dorp, zoals Enspijk, maar ook de warmtetransitie als geheel is een pioniersproces waarbij we veel moeten ontdekken en uitvinden. Enthousiasme en kennis onder inwoners zijn belangrijke drijfveren voor het succes van dergelijke projecten. De financiering voor het aanleggen van een klein warmtenet is een grote uitdaging. Dit kan alleen slagen door de grote betrokkenheid van inwoners. Voor procesbegeleiding en onderzoekskosten zijn externe financiers moeilijk te vinden, waardoor de gemeente tot nu toe de belangrijkste financieringsbron is. Pilot warmtenet FruitMasters De tweede pilot draait om het bedrijf FruitMasters en het mogelijke gebruik van restwarmte in een warmtenet. Vanwege een mogelijke subsidie is met deze pilot in 2021 een start gemaakt. Het verkrijgen van de subsidie bleek niet mogelijk binnen de gestelde termijn. Inmiddels hebben we de gesprekken weer herstart om een modulair warmtenet naar FruitVillage (huisvesting gebouwd voor internationale werknemers) op te bouwen, zodat woningen in Geldermalsen mogelijk ook gebruik van de restwarmte kunnen maken. Verdere details van de voortgang van deze pilot zijn zichtbaar in Bijlage 3 en hebben de volgende inzichten opgeleverd: Als vergunningverlener en samenwerkingspartner speelt de gemeente een cruciale rol in warmtenetprojecten Een warmtenet kan de snelheid voor het realiseren van huisvesting in positieve zin beïnvloeden Om de koppelkans voor een warmtenet naar Geldermalsen te benutten, moet met een groter kader of perspectief worden gedacht en gehandeld. Modulair ontwerpen van het systeem verhoogt (momenteel) de kosten voor het FruitVillage-project. Het is essentieel om alle stakeholders betrokken te houden gedurende het hele proces. Leren uit de TVW 1.0 Het werken aan de warmtetransitie heeft de afgelopen jaren meer omvat dan alleen de twee genoemde pilots. We hebben veel geleerd over de omvang van de gemeentelijke opgave, de noodzakelijke stappen en de uitvoering. In combinatie met de lessen uit de pilots hebben we enkele belangrijke constateringen gedaan die we meenemen in het opstellen en uitvoeren van het warmteprogramma. De belangrijkste bevindingen staan hieronder beschreven. Voor een uitgebreidere evaluatie, zie Bijlage
  8. In aanvulling op de TVW 1.0 zijn er praktische richtlijnen nodig om effectief aan de slag te kunnen gaan. Er is in de TVW 1.0 bijvoorbeeld niet stilgestaan bij wat de concrete isolatieopgave, warmtevraag en voorkeurswarmtevoorzieningen waren. Een gevolg is dat er op dit moment geen concrete opgave is vastgelegd gemeentelijk beleid. Als gemeente West Betuwe is dit noodzakelijk om genoeg uitvoeringskracht te hebben om op het gewenste tempo van het aardgas af te gaan. Ook maken de vele onzekerheden rondom de warmtetransitie het moeilijk om een helder en uitvoerbaar plan te maken. We weten bijvoorbeeld nog niet precies wie wat gaat betalen, welke warmteoplossing het beste is voor elke wijk, en welke verschillende rollen de gemeente heeft in deze transitie. Het is nog een opgave om te achterhalen welke maatregelen inwoners nemen en hoe gemeentelijk beleid hierop invloed heeft. Innoveren in het warmteprogramma Met het opstellen van dit warmteprogramma wordt al gewerkt aan bovenstaande constateringen en geleerde lessen. Dit is een continue proces en daarom blijft het lerend en innoverend vermogen ook belangrijk gedurende het uitvoeren van het warmteprogramma. Op dit moment kan nog niet voor elke buurt in West Betuwe een passend duurzaam alternatief worden geboden. Daarom volgen we innovaties op het gebied van duurzame warmte en beoordelen we deze op geschiktheid voor toepassing in specifieke wijken en gebouwen. Ook zoekt de gemeente West Betuwe verder naar de geschikte rollen in de ontwikkeling van warmtenetten, inclusief mogelijke samenwerkingen met partners. Verder wordt gekeken naar financiële instrumenten om de overstap naar aardgasvrije alternatieven aantrekkelijker en haalbaarder te maken. Als laatste zoeken we verder naar passende methodes om inwoners te betrekken en de voortgang te monitoren. Deze inspanningen helpen de overgang naar een aardgasvrij gemeente West Betuwe zo aantrekkelijk en eenvoudig mogelijk te maken. 3.De opgave in gemeente West Betuwe Dit hoofdstuk gaat over de doelstellingen die we met dit programma willen bereiken. We kijken ook naar de uitdagingen en haalbaarheid voor deze doelen. Verder brengen we in dit hoofdstuk in kaart wat de huidige warmtevraag is. Tot slot gaan we in op de duurzame alternatieven die ingezet kunnen worden om de eerder beschreven doelstellingen te behalen. 3.1De opgave Dit warmteprogramma heeft tot doel om concrete stappen naar een aardgasvrije gemeente in 2050 uit te stippelen. Om dit doel te bereiken, is het essentieel om eerst inzicht te krijgen in het huidige energiegebruik van de gemeente West Betuwe. Energiegebruik In West Betuwe staan in totaal 21.607 woningen en 1.464 bedrijfspanden. De woningcorporaties Kleurrijk Wonen en De Kernen hebben een aanzienlijk deel (+/- 21%) van de woningen in de gemeente in hun bezit. In 2020 was het aardgasgebruik in gemeente West Betuwe door op het gasnet aangesloten woningen 31,4 miljoen m3 aardgas1Bron: Klimaatmonitor. Voor 2030 wordt gestreefd naar een besparing van 20%. Dit betekent een gemiddelde afname van 6,3 miljoen m3 aardgas (3900 woonequivalent2Een woonequivalent komt overeen met de energievraag van een CBS-standaardwoning, 1615 m3 aardgas per woning.) in
  9. Deze cijfers staan ook in verhouding tot de doelen die gesteld zijn in de Omgevingsvisie en het programmaplan duurzaamheid van de gemeente West Betuwe. Zo is in het programmaplan duurzaamheid vastgesteld dat de gemeente in 2030 streeft naar 55% minder CO2 uitstoot ten opzichte van 1990 (Figuur 2). Figuur
  10. Aardasgebruik woningen in gemeente West Betuwe Daling in aardgasgebruik Het verbruik van aardgas laat een lichte daling zien ten opzichte van voorgaande jaren. Dit blijkt ook uit de enquêteresultaten. Hierin gaf een groot deel van de respondenten aan hun verwarming lager te zetten (63%), korter/kouder te douchen en extra isolatie maatregelen te nemen. Ongeveer 91% van de woningen en de bedrijven is momenteel nog aangesloten op het aardgasnet. Huishoudens verbruiken meer energie uit aardgas dan uit elektriciteit (Figuur 3). Figuur 3 geeft een overzicht van het totaalverbruik aan energie in de gemeente West Betuwe. Het aardgas dat in 2020 door bedrijven en publieke dienstverlening werd gebruikt in onder andere bedrijfsprocessen was 83.2 miljoen m3 gas (2632 TJ)3Bron: Klimaatmonitor. Figuur
  11. Energiegebruik van gemeente West Betuwe in 2020 Naast het gebruik van aardgas zijn er 311 woningen die momenteel worden verwarmd met propaangas vanuit bovengrondse propaangastanks. Dit zijn vooral woningen en bedrijven in het buitengebied waar geen aardgasleidingen liggen. Propaangas wordt net als aardgas niet gezien als duurzame energiebron. Het warmteprogramma richt zich op het duurzaam verwarmen van huizen, kantoren en andere (bedrijfs)gebouwen. Het aardgasgebruik exclusief gebruik voor proceswarmte zijn niet bekend. Het aardgasvrij maken van industriële processen valt buiten de scope van dit programma4Hiervoor zijn in het klimaatakkoord aparte afspraken gemaakt aan de klimaattafel Industrie., maar voor een compleet beeld zijn de cijfers wel in beeld gebracht. Bij het aardgasvrij maken van bedrijventerreinen kunnen hier in de toekomst wellicht koppelkansen worden gecreëerd. Concentratie van de warmtevraag De concentratie van de toekomstige warmtevraag van woningen in de gemeente West Betuwe is zichtbaar in Figuur
  12. Dit wordt ook wel de warmtevraagdichtheid genoemd. De huidige en toekomstige warmtevraag van woningen en bedrijven is te vinden in Bijlage 4 Figuur 4 laat zien wat deze warmtevraagdichtheid is nadat isolatiemaatregelen zijn getroffen. Dit is een belangrijke kaart omdat op basis van deze informatie iets gezegd kan worden over de haalbaarheid van een warmtenet. Deze informatie helpt bij het bepalen van de gebieden waar we op korte termijn stappen willen zetten om te komen tot een aardgasvrije oplossing. In gebieden met een geconcentreerde warmtevraag, waarbij veel woningen bij elkaar staan of panden met een hoge warmtevraag staan, wordt de technisch-economische haalbaarheid van een collectieve warmteoplossing vaak groter. Bij een lage warmtevraag in combinatie met woningen die ver uit elkaar liggen zijn individuele oplossingen, zoals een warmtepomp of duurzaam gas, oplossingen die vaak meer voor de hand liggen Ook wegen er nog andere criteria mee voor de keuze en kansrijkheid van een warmteoplossing. Of een warmtenet financieel haalbaar is, hangt af van veel factoren. De warmteleverancier moet voldoende warmte kunnen verkopen, voldoende woningen (in totaal én per meter leidingwerk) kunnen aansluiten, de aanleg van het warmtenet mag niet te duur zijn, er moet een geschikte warmtebron in de buurt zijn. De warmtevraagdichtheid is een goede indicator om een eerste indruk te krijgen van de financiële haalbaarheid. Figuur
  13. Toekomstige warmtevraagdichtheid woningen in gemeente West Betuwe In Figuur 4 zien we de volgende categorieën: 1500 – 3900 GJ per hectare Bij deze warmtevraagdichtheid is de kans groot dat een warmtenet financieel haalbaar is. 1000 – 1500 GJ per hectare De warmtevraagdichtheid is nog steeds relatief hoog, maar de financiële haalbaarheid van een warmtenet zal in grotere mate afhangen van bijvoorbeeld de kosten van de aanleg en de beschikbaarheid van een gunstige, niet te dure, warmtebron. 500 – 1000 GJ per hectare De warmtevraagdichtheid is relatief klein. De overige condities in dit gebied moeten dan gunstig uitpakken om een warmtenet financieel haalbaar te maken. 100 – 500 GJ per hectare De warmtevraagdichtheid is nu dermate laag, dat de kans op een rendabel project heel klein is. Energie labels Een lagere warmtevraagdichtheid wordt bereikt door het verbeteren van de isolatie van woningen. Om te inventariseren waar de meeste winst te behalen valt in het verlagen van de warmtevraag, zijn de energie labels in kaart gebracht (Figuur 5). Daarnaast geven in veel gevallen de toekomstige warmteoplossingen op een lagere temperatuur warmte af dan de huidige cv-ketel. Om woningen geschikt te maken voor een andere warmtebron en het wooncomfort te verbeteren, is goed isoleren en ventileren essentieel. Bijlage 8 geeft de spreiding van de energie labels weer. Om een inschatting te maken van de verwachte energiebesparing van woningen tot 2030 en 2050 is een analyse gedaan van de woningvoorraad in West Betuwe. Hierbij is gebruik gemaakt van het bouwjaar, energielabel en oppervlakte van de woningen, zie Bijlages 7,8,9 en
  14. Deze analyse gaat uit van de isolatie die economisch rendabel is. Huizen van voor 1920 bijvoorbeeld, zitten vaak op een energielabel G en zijn tot een energielabel C of D te isoleren. Voor de verschillende bouwperiodes gelden verschillende besparingspotenties. Landelijk wordt uitgegaan van een gemiddelde besparing van 1,5 procent aardgas per jaar door isolatie. Figuur
  15. Energie labels van woningen in gemeente West Betuwe Besparen aardgas Uit de enquêteresultaten blijkt dat een deel van de inwoners geen plannen heeft om hun aardgasverbruik in de komende vijf jaar te verminderen (33%). Daarnaast geeft een klein percentage (22%) aan in te zetten op extra isolatie. Echter, een even groot deel van de respondenten toont interesse in het overstappen op een (hybride) warmtepomp als alternatieve warmtebron. Het besparingspotentieel van bedrijven is lastiger in te schatten omdat bedrijven meer gevarieerd zijn opgebouwd dan huizen. Een kledingwinkel en opslagloods zijn bijvoorbeeld heel anders qua comforteisen en bouwstijl. Daardoor heeft het besparingspotentieel een grotere onzekerheid. Wel gelden voor kantoorpanden strengere isolatie-eisen en wordt verwacht dat hierin de komende tijd stappen worden gezet. 3.2Doelstellingen duurzame opwek en warmtevraag In de Regionale Energiestrategie 1.0, hebben we afspraken gemaakt over de opwek van duurzame energie. Daarin wordt voorzien door de reeds bestaande 14 windturbines en de hoeveelheid hectares zon die we in het beleidskader zon hebben vastgelegd. Omgerekend komt dat neer op een energie opwek van 1354 TJ/jaar in
  16. Dit is in theorie genoeg stroom om de duurzame warmte mee op te wekken die nodig is voor de alternatieve warmteoplossingen tot 2050 (zie Bijlage 5). Deze stroom wordt alleen nog voor veel meer doeleinden gebruikt dan de opwek van warmte. Er zal dus moeten worden onderzocht hoeveel extra duurzame energie er tot 2050 moet worden opgewekt. 3.3Besparingsdoelstellingen Met het inzichtelijk maken van de opgave, stellen we doelen om een besparing van 20% aardgas in 2030 te bereiken. Daarom streven we de komende jaren naar de volgende resultaten: We gaan in wijken, buurten en dorpskernen aan de slag om kleinschalige en middelgrote warmtenetten te realiseren met als resultaat een afname van 10% aardgasverbruik (3,2 miljoen m3 aardgas of 2100 woonequivalent). We gaan in wijken, buurten en dorpskernen aan de slag om individuele warmteoplossingen te stimuleren met als beoogd resultaat een afname van 5% aardgasverbruik in 2030 (gelijk aan 1,5 miljoen m3 aardgas of 1050 woonequivalent). We stimuleren ondernemers en inwoners om versneld aan de slag te gaan met isoleren van woningen en bedrijven. Het beoogde resultaat is een afname van 5% aardgasverbruik in 2030 (gelijk aan 1,6 miljoen m3 aardgas of 1050 woonequivalent); Haalbaarheid De bovengenoemde doelen vragen een grote inzet van verschillende partijen. Daarom is het behalen van de doelen geen zekerheid. Gezien de complexiteit en omvang van de uitdagingen wordt rekening gehouden met het risico dat er minder wordt bespaard of minder gebouwen aardgasvrij worden gemaakt dan is beoogd. Het schrijven van het warmteprogramma is een momentopname waarbij zo goed mogelijk rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkelingen die invloed hebben op de doelstellingen. Per doelstelling wordt daarom kort besproken met welke haalbaarheid we rekening houden. Collectieve maatregelen Het is waarschijnlijk dat het doel om 10% van de woningen duurzaam te verwarmen met een warmtenet niet wordt behaald voor
  17. In 2030 kan de hele kern Enspijk met een warmtenet worden verwarmd en kan een start zijn gemaakt met een warmtenet in Geldermalsen Zuid. Dit is samen goed voor 2% van de woningen in West Betuwe. Wel wordt na 2030 een versnelling verwacht in het aansluiten van woningen aan een warmtenet. Dit wordt verwacht onder andere door het opdoen van ervaring in de warmtetransitie waardoor proces efficiënter gaan verlopen. Individuele maatregelen Het doel om 5% van de woningen duurzaam te verwarmen door individuele warmteoplossingen wordt naar verwachting ruim behaald voor
  18. Met het uitvoeren van individuele wijkuitvoeringsplannen wordt een besparing van 1 procent verwacht. De verwachting is dat door natuurlijk verloop nog zo’n 8% van de woningen gebruik gaat maken van een all electric of hybride warmtepomp. Dit komt neer op een aardgasreductie van 9%5Bron: Nationaal Warmtepomp Trendrapport
  19. Isolatie De gemeente West Betuwe kan door isolatie 5% energie besparen. Daarvoor is het noodzakelijk om alle woningen met EFG-labels in de hele gemeente te isoleren. Het doel is om 90% van deze woningen te isoleren, wat een besparing van 5% zou opleveren. Door extra focus te leggen op de startwijken, kan er nog eens 2,5% extra bespaard worden. In totaal kan de verwachte energiebesparing hierdoor oplopen tot 7,5%. Wanneer deze bovengenoemde cijfers worden behaald komt het resultaat op 18,5% aardgasreductie. 3.4Warmtetechnieken Voor een alternatief warmtesysteem zijn er verschillende warmtetechnieken die bij kunnen dragen aan het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving. Elke techniek heeft kansen en uitdagingen. In onderstaande Tabel 1 beschrijven we welke technieken het meest kansrijk zijn in West Betuwe. Zie Bijlage 17 voor een uitgebreidere informatie over de warmtetechnieken. In de gemeente West Betuwe hebben een aantal warmtebronnen waar gebruik van kan worden gemaakt bij het overstappen op alternatieve warmteoplossingen. In Bijlage 17 staat een overzicht van de warmtebronnen die in West Betuwe bekend zijn. Tabel 1.Mogelijke warmtetechnieken voor gemeente West Betuwe Individuele oplossing Collectieve oplossing Groengas Techniek Hybride of all-electric warmtepomp Warmtenet Aansluiting op gasnet met cv ketel Isolatieopgave Grotere isolatieopgave Isolatieopgave afhankelijk van tempratuur warmtenet Beperkte isolatieopgave Overstap naar alternatief Meer ruimte voor eigen tempo Iedereen tegelijkertijd Iedereen tegelijkertijd Energie infrastructuur Elektriciteitsnet Warmtenet 4.Naar een duurzaam verwarmd gemeente West Betuwe In dit hoofdstuk geven we uitleg over de stappen die moeten worden gezet om aan e eerdergenoemde doelstellingen uit hoofdstuk 3 te werken. We beginnen met de uitleg over de uitgangspunten die we hebben gebruikt om te komen tot een transitiepad. We lichten de warmteoplossingen toe die we de komende jaren per gebied het meest kansrijk vinden. Het geeft het transitiepad weer, waar we de komende jaren aan willen werken. Dit geeft richting aan de volgordelijkheid van de warmtetransitie in West Betuwe. Tot slot gaan we in op de verschillende rollen die we voor ons zien en een uitvoeringsstrategie voor de komende jaren. 4.1Algemene uitgangspunten In het Klimaatakkoord is afgesproken dat Nederland in 2050 in de gebouwde omgeving een betaalbare, betrouwbare en duurzame warmtevoorziening heeft zonder fossiele brandstoffen. Dit betekent dat we keuzes moeten maken. Waar gaan we starten en waarom? Voor welke alternatieve warmteoplossing kiezen we? Om deze beslissingen weloverwogen te maken, benoemen we in dit warmteprogramma een aantal belangrijke uitgangspunten. Buurten, wijken en bedrijventerreinen kunnen veel van elkaar verschillen. Ze verschillen van elkaar onder andere in samenstelling van inwoners, gebouwen, omgeving, ondernemers en warmtebronnen. De benadering per wijk zal dus op maat zijn. Toch streven we in de hele gemeente hetzelfde doel na en willen we overal zorgvuldig omgaan met de belangen van inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties. We hebben daarom een aantal uitgangspunten benoemd die gedurende het hele proces naar een aardgasvrij alternatief centraal zullen staan. De uitgangspunten zijn bepaald in nauwe samenwerking met de belanghebbenden. In de transitievisie 1.0 zijn al een aantal uitgangspunten vastgesteld. Deze uitgangspunten worden door de bovengenoemde punten bevestigd en kunnen als volgt worden geformuleerd: Iedereen moet mee kunnen in de warmtetransitie. We streven naar de laagste totale maatschappelijke kosten voor de warmteoplossing 6Om precies te zijn streven we de laagste “nationale kosten” na. Nationale kosten zijn de totale kosten van alle maatregelen die nodig zijn voor een warmteoplossing, ongeacht wie die kosten betaalt. Het is inclusief de kosten en baten van energiebesparing en alle kosten en investeringen voor de opwek en distributie van stroom en warmte, maar exclusief belastingen, heffingen en subsidies en ook de laagste kosten voor inwoners en bedrijven. We spelen waar mogelijk in op logische momenten in wijken die kostenverlagend werken en onnodige overlast voorkomen, zoals vervangingsmomenten van de aardgasleidingen, onderhoudsplannen aan gebouwen, of grootschalige werkzaamheden in de openbare ruimte. Energiebesparing is belangrijk om de vraag naar (primaire) energie in 2050 te beperken en de CO2-uitstoot te minimaliseren. We hechten veel belang aan een zorgvuldig proces dat inclusief en transparant is (met duidelijke, eerlijke en begrijpelijke informatie). We zien dit als randvoorwaarde om tot een goede samenwerking te komen met inwoners bedrijven en andere belanghebbenden. Naast energie en klimaat is er ook aandacht voor bredere milieu-impact (Bijlage 20) en de volksgezondheid (zoals een gezond binnenklimaat) en milieuvriendelijke oplossingen. We staan open voor de komst van nieuwe technologieën. Zorgen over aardgasvrij Inwoners maken zich zorgen over de kosten voor het aardgasvrij maken van hun woning (79%). Van de gemeente wordt ondersteuning verwacht zodat de overgang voor ieder inwoner haalbaar is (58%). 4.2Komen tot een transitiepad Na het vaststellen van de opgave en uitgangspunten kan worden begonnen met het ontwikkelen van een passend transitiepad. Dit transitiepad beschrijft wanneer en waar we samen met inwoners en ondernemers willen starten met het aardgasvrij maken van verschillende gebieden. In de komende vijf jaar willen we specifiek in bepaalde gebieden, de zogenaamde startwijken, de warmtetransitie aanpakken. De vraag is echter: waar beginnen we? Ons belangrijkste uitgangspunt is om tijd en middelen te investeren in de gebieden met de grootste meerwaarde. Om dit te bepalen, hebben we een analyse uitgevoerd naar kansrijke warmteoplossingen, waarbij verschillende factoren zijn meegenomen om tot de juiste volgorde te komen. Kansrijke warmteoplossingen gemeente West Betuwe Om te bepalen waar we de komende jaren met wijken en bedrijventerreinen stappen willen zetten in de warmtetransitie is het belangrijk om te beoordelen waar welke warmteoplossingen kansrijk zijn. Om een inschatting te kunnen maken over de kansrijke gebieden hebben we een uitgebreide analyse gedaan. Hiervoor hebben we verschillende criteria in kaart gebracht zoals nationale laagste kosten, laagste gebruikerskosten, energie labels, warmtevraagdichtheid en aanwezigheid van warmtebronnen. Een uitgebreidere uitleg over deze methode is terug te vinden in Bijlage 6 Het maken van een perfecte keuze voor een warmteoplossing in een heel gebied bestaat niet. Elke voorgestelde techniek heeft zijn voor- en nadelen. Technisch is veel mogelijk, maar het is belangrijk dat een oplossing zo betaalbaar mogelijk is. We kijken voor betaalbaarheid vooral naar de Nationale Kosten: dat zijn alle kosten die gemaakt moeten worden om een warmteoplossing te realiseren, ongeacht wie die kosten betaalt. Als bijvoorbeeld heel veel netverzwaring nodig is, dan moet de netbeheerder dat betalen. Maar indirect betalen alle Nederlanders daarvoor via de belastingen. We kijken óók naar de kosten voor de eindgebruikers, de inwoners, omdat zij uiteindelijk wel mee moeten kunnen doen. Om de kansrijke oplossingen verder te toetsen is verdiepend onderzoek nodig. Later, tijdens het opstellen van uitvoeringsplannen, bekijken we de haalbaarheid van deze techniek in meer detail. Een deel daarvan zal worden gedaan tijden het uitvoeren van wijkanalyses. Er wegen dan allerlei aspecten mee zoals kosten, duurzaamheid, betrouwbaarheid van de techniek, draagvlak onder inwoners en bedrijven, hoeveelheid overlast die het geeft om de techniek aan te leggen en wat de ruimtelijke impact is. De voorkeurstechniek vergelijken we tijdens het latere uitvoeringsplan met de alternatieve technieken zodat er een goede afweging kan worden gemaakt voor de te realiseren warmteoplossing. Figuur 6 geeft een overzicht van de warmteoplossingen die in West Betuwe volgens de analyse het meest voor de hand liggen. De onderzochte warmteoplossingen zijn te verdelen in twee groepen: individueel en collectief, zie Bijlage 12 voor verdere toelichting. In totaal liggen 51 procent van de woningen in gebieden die mogelijk kansrijk of kansrijk zijn voor een collectieve oplossing. Binnen deze groepen zijn veel verschillende technieken mogelijk (zie Bijlage 17). Voor de wijken die in Figuur 1 tot en met 2030zijn benoemd worden de komende jaren de plannen verder uitgewerkt. In deze startwijken wordt samen met inwoners en bedrijven verder gezocht naar wat de meest passende warmteoplossing is. De warmteoplossingen zijn gebaseerd op de huidige inzichten en het transitiepad zal elke vijf jaar worden herzien, om te leren van opgedane ervaringen. Zo kunnen ook nieuwe inzichten worden verwerkt, bijvoorbeeld de ontwikkelingen rondom aardwarmte (Bijlage 11), kleine collectieve warmteoplossingen en waterstof. Figuur
  20. Voorkeursoplossingen aardgasvrij Factoren voor het bepalen van de volgorde van de warmtetransitie Naast deze analyse zijn verschillende criteria geïdentificeerd die van invloed zijn op de haalbaarheid van het aardgasvrij maken van een wijk. Hoe meer van de volgende factoren in een wijk aanwezig zijn, des te logischer het is om deze wijk als startgebied in het transitiepad aan te wijzen: mogelijke koppelkansen met andere werkzaamheden (natuurlijke momenten) percentage woningcorporatiebezit* initiatief van inwoners of vastgoedeigenaren schaalbaarheid energiearmoede capaciteit elektriciteitsnetwerk/ netcongestie lerend vermogen nieuwbouwplannen mate van isolatie collectieve systemen De toelichting van deze factoren is verder uitgewerkt in Bijlage 13 Op basis van de bovengenoemde analyse en factoren blijkt dat meerdere tijdspaden mogelijk zijn. Daarom kiezen we voor een breed tijdspad waarin we tijd en middelen spreiden. Kiezen van een startwijk Bij het selecteren van startwijken vinden inwoners de focus op het combineren van werkzaamheden belangrijk. Ook wordt de voorkeur gegeven aan wijken waar snel resultaat behaald zou kunnen worden. In dit stadium van de warmtetransitie is er ook nog een hoop informatie onbekend. Er zijn nog geen verdiepende analyses per wijk gedaan en zelfs per huishouden kunnen situaties van elkaar verschillen. Ondanks de soms nog ontbrekende informatie hebben we geprobeerd om een zo’n concreet mogelijk beeld neer te zetten van de nu bekende mogelijkheden. Vanuit die positie kunnen we verschillende opties met elkaar gaan vergelijken en kunnen we de plannen in de deelgebieden steeds verder aanscherpen. We hebben in komende jaren ontzettend veel te doen om de warmtetransitie verder te brengen. We kiezen voor een brede aanpak waarbij we ons zowel op een collectieve als individuele warmteoplossingen richten. Hierbij zullen we op verschillende momenten de risico’s in de warmtetransitie in kaart brengen. Vanwege netcongestie licht het zwaartepunt in de eerste jaren op de collectieve oplossingen. Daarnaast richten we ons ook op isoleren en bedrijventerreinen. In de komende paragrafen geven we uitleg hoe we komende jaren aan de strategieën willen werken. Hoe meer corporatiewoningen, hoe groter het aandeel dat in bezit en beheer is van één partij. Dat heeft als voordeel dat dit een positieve invloed kan hebben op het doorlopen van processen. Wanneer 70 procent van de huurders positief staat tegenover de warmteoplossing is dit al een groot gedeelte van de wijk. Dit zal wel vragen om een forse inspanning op het creëren van draagvlak onder huurders. Daarnaast hebben woningcorporaties wettelijke eisen waar zij aan moeten voldaan ten aanzien van het verduurzamen van woningen. Verder kan worden aangesloten op de onderhoudscycli van deze woningen. Wanneer een groot deel in de buurt tegelijk aangepakt kan worden, wordt het interessant om de rest van de buurt hierbij te betrekken, bijvoorbeeld met grootschalige isolatieprojecten, collectieve inkoop van warmtepompen of de aanleg van een warmtenet. Hoe kiezen we nieuwe pilotprojecten? Ook gedurende de uitvoering van dit warmteprogramma willen we blijven leren. Daarom streven we naar het opzetten van nieuwe pilotprojecten, wat aansluit bij het coalitieakkoord van de gemeente West Betuwe. Volgens dit akkoord moeten er vóór de volgende gemeenteraadsverkiezingen twee nieuwe pilots worden gestart. Het kenmerk van een pilot is het lerend vermogen: er is meer ruimte voor experimenten en evaluaties om te ontdekken wat wel en niet werkt, zodat het op grotere schaal kan worden toegepast. Voor deze nieuwe pilots reserveren we extra middelen om dit leerproces te waarborgen en optimaal te benutten. De huidige twee pilots waren gericht op het verkennen van collectieve oplossingen op specifieke locaties. Nu deze doelen zijn bereikt, zullen deze pilots in 2024 worden afgerond en opgenomen in het reguliere transitiepad van dit programma. Daarin zal worden gewerkt aan uitvoeringsplannen om uiteindelijk toe te werken naar het realiseren van een aardgasvrije oplossing. Voor de twee nieuwe pilots willen we ons richten op de volgende doelen: Hoe we bedrijven effectief kunnen betrekken bij de warmtetransitie en wat ze nodig hebben om hieraan mee te doen. Hoe we binnen een specifiek gebied een collectieve aanpak voor individuele warmteoplossingen kunnen realiseren en hoe we inwoners hierbij op een passende manier kunnen betrekken. Het transitiepad Op basis van de bovenstaande analyse en factoren hebben we het volgende transitiepad opgesteld (Figuur 7). Dit transitiepad beschrijft voor de komende vijf jaar wanneer en waar we samen met inwoners en ondernemers beginnen met het aardgasvrij maken van verschillende gebieden. In Bijlage 14 is een uitwerking te vinden van de redenen waarom voor deze gebieden is gekozen. Figuur
  21. Transitiepad voor de warmtetransitie in gemeente West Betuwe 4.3Collectieve aanpak Tot en met 2030 willen we samen met inwoners, ondernemers en stakeholders in de volgende buurten aan de slag met het verder verkennen en concretiseren van collectieve warmteoplossingen. Gezamenlijk werken we toe naar een gedragen uitvoeringsplan waarin ook samen een einddatum van levering van aardgas aan het gebied kan worden bepaald. In de onderstaande Tabel 2 is te zien waarom we deze buurten hebben geselecteerd. Tabel 2.Geselecteerde buurten collectieve aanpak Buurten Voorkeursoplossingen Aantal woningen Waarom Enspijk Individuele warmtepomp of warmtenet mogelijk 187 In Enspijk is er de afgelopen jaren een pilot uitgevoerd. In Enspijk wordt geleerd of en hoe in een kleine kern een collectieve warmteoplossing gerealiseerd kan worden. Inwoners hebben zich in dit initiatief op een sterke manier verenigd. Geldermalsen Zuid Individuele warmtepomp of warmtenet mogelijk 1309 Veel woningen van een woningcorporatie De woningen zijn vrij uniform en verschillen qua bouw niet veel van elkaar. Uit het bronnenonderzoek (zie Bijlage 16) wat is uitgevoerd in Geldermalsen kwam uit de businesscase dat het starten met Geldermalsen Zuid het meest gunstig is. Geldermalsen Centrum Individuele warmtepomp of warmtenet mogelijk 823 In vergelijking met andere wijken een hoge warmtevraagdichtheid. Op basis van de bronnenstudie heeft deze wijk de voorkeur om als tweede wijk aan te sluiten op een warmtenet. Geldermalsen West Individuele warmtepomp of warmtenet mogelijk 450 Dit gebied heeft in Geldermalsen de grootste hoeveelheid woningen met een goed isolatielabel. Verder ligt deze wijk vrij dicht bij de restwarmtebronnen die kunnen worden ingezet bij een warmtenet. Uit het bronnenonderzoek komt naar voren dat het kosteneffectief is om deze wijk als derde wijk aan te sluiten op een warmtenet. Geldermalsen Tuindorp/ Stationsbuurt Individuele warmtepomp of warmtenet mogelijk 763 Deze wijk ligt het dichtst bij de beschikbare warmtebronnen. In Tuindorp is een actieve buurtvereniging die graag mee wil denken met het realiseren van een warmtenet in Geldermalsen. In deze wijk wordt gestart met de Lokale Aanpak Isolatie. Het versnelt isoleren van woningen heeft een positief effect op het aansluiten van de woningen op een warmtenet, Geldermalsen Oost Individuele warmtepomp of warmtenet mogelijk 827 Op basis van het bronnenonderzoek wordt in Geldermalsen Oost als laatste wijk gestart met een het opstellen en uitvoeren van een wijkuitvoeringsplan. Asperen Oude kern Warmtenet kansrijk 456 Asperen heeft een hoge warmtevraagdichtheid Uit de data analyse komt naar voren dat Asperen een hoge warmtevraagdichtheid heeft wat betekent dat de mogelijkheden voor een warmtenet goed mogelijk zouden kunnen zijn. In Asperen wordt de komende jaren veel werkzaamheden verricht aan de openbare ruimte. Er zal hier rekening mee moeten worden gehouden. Waarom kiezen voor collectief De komende jaren zullen steeds meer bedrijven en huishoudens gaan overstappen op een hybride of all electric warmtepomp. Alleen al in de eerste helft van 2024 werd in gemeente West Betuwe al 157 keer een subsidie aangevraagd voor een warmtepomp. Daarom is het belangrijk om, op de plekken waar collectief een mogelijke warmteoplossing is, in de nabije toekomst aan de slag te gaan. Een warmtenet is namelijk alleen te realiseren wanneer voldoende inwoners mee doen (70 procent of meer). Wanneer een te hoog percentage inwoners in een wijk al zijn overgestapt op een individuele oplossing is het vaak te duur om voor de overige groep een warmtenet aan te leggen. Er zijn daardoor vaak te weinig aansluitingen. Uit Figuur 6 blijkt dat 51 procent van de woningen in West Betuwe mogelijk geschikt zijn voor een warmtenet. Hier zullen we de komende 10 jaar dus hard mee aan de slag moeten. Verder hebben warmtenetten over het algemeen een lagere vraag naar elektriciteit ten opzichte van individuele oplossingen. Vanwege deze lagere vraag kunnen warmtenetten een positieve invloed hebben op het verhelpen van netcongestie. Aan de slag met collectief Om te komen tot een collectieve warmteoplossing moeten stappen worden gezet. We zoeken naar antwoorden op vragen als: wie wordt de eigenaar van het warmtenet? Hoe zorgen we dat de warmte voor iedereen betaalbaar is? Welke rol willen we als gemeente in een warmtenet? Het krijgen van antwoorden vraagt om een planmatige aanpak. Daarom willen we in de wijken beginnen met het werken aan uitvoeringsplannen. Figuur 8 geeft een beeld hoe deze uitvoeringsplannen tot stand komen en met wie. Het opstellen van een uitvoeringsplan gebeurt met veel verschillende partijen die ieder hun eigen rol hebben. In dit proces zullen er ook analyses worden gedaan om het gebied beter in kaart te brengen. Figuur 8.Proces om te komen tot een uitvoeringsplan De rol van de gemeente bij de ontwikkeling van warmtenetten Bij het realiseren van een collectieve warmteoplossing zijn veel (externe) partijen betrokken. Elk van deze partijen heeft daarin zijn eigen rol. Maar welke rollen zijn er voor de gemeente? De nieuwe Warmtewet (de Wet Collectieve Warmte) die op dit moment in de maak is en waarschijnlijk 1 juli 2025 in werking treedt, dicht de gemeentelijke overheid een belangrijke taak toe in de warmtetransitie. De gemeente krijgt de taak en de bevoegdheid om te bepalen door wie, waar en wanneer er een collectieve warmtevoorziening wordt aangelegd. Hierin krijgt de gemeente dus een regierol. Hoofdregel van de WCW is dat de gemeente alleen een warmtebedrijf voor een warmtekavel kan aanwijzen (bij meer dan 1500 woningen) als één of meerdere publieke partijen een meerderheidsbelang hebben in het warmtebedrijf. De aangekondigde nieuwe Warmtewet deelt een rol toe aan gemeenten bij de ontwikkeling van warmtenetten. Op hoofdlijnen zijn er drie rollen waar de gemeente voor kan kiezen in de realisatie van collectieve oplossingen. De gemeente kan kiezen uit de volgende rollen: Vergunningverlener: De gemeente heeft dan een faciliterende en toetsende rol. Bij deze rol heeft de gemeente geen invloed op de bronnen en het aansluiten van de wijken. Een vergunningverlener mag een beperkte hoeveelheid voorwaarden aan de vergunning verbinden, anders wordt de gemeente opdrachtgever. Concessieverlener/ opdrachtgever: Hierbij wijst de gemeente een concessiegebied aan en verleent het recht aan één of meerdere ondernemers om een warmtenet te exploiteren. Of de concessiehouder ook verantwoordelijk is voor de aanleg van de infrastructuur, het transport van de warmte of de gehele warmteketen (vanaf de productie van de warmte tot aan de levering van de warmte aan de eindgebruiker) is een keuze die gemaakt wordt in de aanbestedingsprocedure. Deze rol past bij een warmtenet waarbij je als gemeente invloed wilt hebben op de keuze voor welke gebouwen de beschikbare warmtebron ingezet gaat worden, maar ook waar je als gemeente invloed kunt hebben op kwaliteitsaspecten als duurzaamheid en leveringszekerheid. Eigenaar of exploitant: In deze rol wordt de gemeente dus zelf leverancier, broneigenaar en/of netwerkeigenaar. Dit kan ook in samenwerking met anderen door middel van een publiek-private samenwerking of een joint venture. Hierbij loopt de gemeente meer risico, maar krijgt ook meer zeggenschap. In de Provincie Gelderland is sinds januari 2024 het Gelders Warmte Infrabedrijf actief (GWIB). Dit GWIB werkt samen met Gelderse gemeenten aan het op schaal ontwikkelen, realiseren en exploiteren van publieke collectieve warmtenetten. Daarnaast is het ook mogelijk om de ontwikkeling van het warmtenet aan een externe partij over te laten, om er zelf actief in te participeren of iets daar tussenin. Elke rol kent voor- en nadelen, die per situatie ook nog eens kunnen verschillen. Ook zijn er verschillende tussenvarianten mogelijk. Tot slot is een belangrijke rol voor de gemeente om bij het aanleggen van warmtenetten de juiste keuzes en afwegingen te maken in samenhang met andere thema’s die spelen in de openbare ruimte. De rol van de gemeente is om hierover beleid te ontwikkelen waarin keuzes worden gemaakt welke prioriteit geeft aan collectieve oplossingen. Bij een warmtenet ontstaat een fysieke ruimteclaim. Ook kan het aanleggen van warmtenetten tot gevolg hebben dat niet afgeschreven kabels en leidingen moeten worden omgelegd of vervangen. Ditzelfde geldt voor het wegdek. Voor een transparant proces is het belangrijk dat in de toekomst overeenstemming wordt gevonden wie de kosten hiervan zal dragen. Om te voorkomen dat er extra onnodige kosten worden gemaakt zal de gemeente met partijen samen moeten werken om koppelkansen te creëren. Wanneer bijvoorbeeld een wegdek of riolering komende jaren vervangen zal moeten worden kan dit een goed moment zijn om werkzaamheden met elkaar te combineren. Wanneer de gemeente geen eigenaar is van het aan te leggen netwerk zullen de kosten voor het doen van aanpassingen in de ondergrond bij de ontwikkelaar in rekening worden gebracht. Er is wetgeving in ontwikkeling die gemeenten instrumenten biedt om gebieden aan te wijzen waarin de levering van gas wordt gestopt. Dit heet de aanwijsbevoegdheid van een gemeente en hiermee kan een gemeente inwoners verplichten om op aardgasvrije en duurzame warmte over te stappen. Voordat de levering van gas met deze instrumenten aan een gebied kan worden stopgezet, moet de gemeente zorgvuldig een traject doorlopen waarna aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. De gemeente houdt ontwikkelingen van deze wetgeving en instrumenten in de gaten. De invloed die we willen hebben op de totstandkoming, de zeggenschap, het eigenaarschap maar ook de financiering van een warmtenet bepaalt mede de rol die je als gemeente kunt innemen. De rol die gemeente wil nemen in een warmtebedrijf wordt niet met het vaststellen van dit programma bepaald, maar zal per gebied moeten worden vastgesteld. Per warmtenet kan de gemeente overigens een andere rol kiezen. In ieder geval is de gemeente altijd vergunningverlener bij het realiseren van een warmtenet. Ook zullen er de komende jaren keuzes moeten worden gemaakt over het dan wel niet vervullen van de rol als garantsteller in een collectieve oplossing. Voor de collectieve wijken in het transitiepad kiezen we als gemeente een rol die het beste past bij dit gebied. Welke rol geschikt is voor de gemeente, hangt af van verschillende factoren, zoals: De beschikbaarheid of toegankelijkheid van de bronnen die het warmtenet voeden. De mogelijkheden om het warmtenet uit te breiden. Het te bedienen (leverings)gebied. De verwachte kosten van de warmte voor eindgebruikers. Het aantal warmteleveranciers. Het risico dat de gemeente bereid en in staat is te dragen. In de komende jaren zullen we het eens moeten worden over een goed afwegingskader om per situatie een juiste rol aan te kunnen nemen als gemeente. Verder gaan we uitzoeken welke juridische en financiële stappen er moeten worden gezet om als gemeente een warmtebedrijf op te zetten. Dit zal onderdeel uitmaken van het opstellen van de uitvoeringsplannen. Tot slot zal de gemeente hierin ook moeten kiezen hoe ze daarin met andere partijen wil samenwerken. De WCW definieert hierin vier grondvormen van samenwerking waaruit gekozen kan worden. Ontwikkeling van financiële instrumenten Om woningen op een duurzame manier te verwarmen, is financiële steun essentieel. Hoewel isolatiemaatregelen gedeeltelijk hun eigen kosten kunnen terugverdienen, vereist de overgang naar duurzame warmte vaak aanzienlijke investeringen. De gemeente West Betuwe blijft in overleg met de ministeries van Economische Zaken en Binnenlandse Zaken, samen met het P10-netwerk van plattelandsgemeenten in Nederland. We streven ernaar dat mensen hun woningen duurzaam kunnen verwarmen zonder dat hun lasten stijgen. Dit vraagt om een structurele oplossing vanuit de nationale overheid. Gemeenten, woningcorporaties, netbeheerders en andere partners zijn voor een groot deel van hun middelen afhankelijk van beslissingen die op rijksniveau worden genomen. Verder onderzoeken we komende jaren de samenwerking met de regionale gemeenten om op deze manier efficiënter te kunnen werken en hiermee kosten te kunnen verlagen.ander lettertype Techniek Naast de vraag hoevéél warmte er nodig is per buurt of woning in een warmtesysteem, is ook van belang op welke temperatuur deze warmte beschikbaar moet zijn. Er zijn verschillende temperatuurniveaus om gebouwen te verwarmen. Afhankelijk van de mate van isolatie en type afgifte wordt bekeken welk temperatuurniveau er benodigd is om het huis goed en op een kosten efficiënte manier te verwarmen. De verschillende temperatuurniveau ’s zijn: HT (hoge temperatuur) >75˚C (label F en G) MT (Midden temperatuur) 55 - 70˚C (label B,C,D en E) LT (Lage temperatuur) 30 - 55˚C (label A en B) ZLT (Zeer lage temperatuur) 10 -30˚C (Label A+) De energie labels hebben in een collectief watersysteem dus invloed op de tempratuur die er aan de woning zal moeten worden geleverd om effectief te worden verwarmd. Bij een ZLT net zullen innovaties rondom warmtepompen in de toekomst effect kunnen hebben op de mogelijkeheid om andere label woningen aan te sluiten. Beleid voor de ondergrond/bodem Bij collectieve duurzame warmteoplossingen wordt vaak warmtewinning en opslag in de bodem toegepast. Samen met het waterschap en het drinkwaterbedrijf Vitens zullen hier afspraken over moeten worden gemaakt en worden vastgelegd in beleid. In bestaande gebieden is er vaak beperkte ruimte in de ondergrond voor de aanleg van warmtenetten. In de komende jaren onderzoeken we hoe we de ondergrond op een slimme manier verder kunnen inrichten en willen we samen met nutbedrijven en partners zoeken naar een meer integrale aanpak. Voor het aanleggen van warmtenetten zal ook nagedacht moeten worden of er ruimte in de bodem wordt gebruikt voor een koeling. De verwachting is namelijk dat in de komende jaren de vraag naar koelte zal toenemen. Hier gaan we ons de komende jaren meer in verdiepen en waar nodig beleid op vormen. Innovatie en integrale opgaven De innovaties die plaatvinden voor collectieve warmteoplossingen volgen elkaar snel op. We willen deze innovaties stimuleren en blijven onderzoeken of en welke ontwikkelingen passen binnen de Betuwse warmtetransitie. Binnen de gemeente West Betuwe ontstaan er ook nieuwe plannen en worden er nieuwe projecten uitgevoerd. Wanneer er bijvoorbeeld nieuwbouwplannen zijn kan het heel logisch zijn om deze nieuwbouwplannen bij de warmtetransitie te betrekken. Hier zullen we komende jaren in moeten leren wanneer we plannen aan elkaar kunnen koppelen en wanneer niet. Dit zullen we periodiek met andere domeinen moeten afstemmen. In Bijlage 9 hebben we de nieuwbouwplannen in kaart gebracht die de komende jaren worden gerealiseerd. Randvoorwaarden warmtenetten In wijken waar een collectieve oplossing het meest voor de hand ligt is het vooral van belang dat iedereen mee kan doen. Anders gezegd: een warmtenet met het hoogst maatschappelijk rendement zou de voorkeur moeten hebben. Dat hoeft niet altijd de goedkoopste oplossing te zijn. In 2020 heeft het Planbureau voor de Leefomgeving een ‘Startanalyse’ gemaakt. In deze Startanalyse is per CBS buurt de ‘goedkoopste’ oplossing besproken. De conclusie voor de CBS wijken in West Betuwe was dat individuele oplossingen de voorkeur hadden voor het grootste gedeelte van de CBS buurten. Uit de analyse die we hebben uitgevoerd voor dit warmteprogramma blijkt dat voor een aantal wijken collectieve warmteoplossingen door middel van warmtenetten wel mogelijk kan zijn (51 procent van de woningen). Van belang bij de keuze voor een warmtenet is dat de bron waaruit de warmte gehaald wordt duurzaam moet zijn en voor lange tijd beschikbaar is. Verder moet de warmtelevering niet afhankelijk zijn van één bron. Kort gezegd; de bron moet duurzaam, betrouwbaar en levering zeker zijn. Wel blijft het belangrijk dat in de businesscase een betaalbaar aanbod kan worden gedaan naar inwoners. Stappenplan naar collectieve oplossing Om te komen tot de realisatie van een warmtenet zullen er verschillende stappen moeten worden doorlopen. Figuur 9 geeft een overzicht van dit proces. In Bijlage 15 wordt uitleg gegeven per stap in het proces. De volgorde van de stappen kan overigens per situatie een andere volgorde hebben afhankelijk van het proces. Figuur
  22. Stappenplan voor het realiseren van een collectieve warmteoplossing 4.4Individuele aanpak Voor een aantal gebieden lijken individuele warmteoplossingen het meest voor de hand liggend. De mogelijkheden om hele wijken met individuele oplossingen van het aardgas af te halen zijn op dit moment beperkt. Doordat het elektriciteitsnetwerk de stroomvraag de komende jaren niet aankan adviseren netbeheerders alleen hybride warmtepompen als oplossing. Na 2029 lijkt er meer ruimte op het net te komen. Dit betekent niet dat we de komende jaren niets kunnen ondernemen. Hieronder geven we uitleg over de plannen en strategieën die we hebben om inwoners en bedrijven te helpen individueel van het aardgas af te gaan. We richten ons bij individuele oplossingen zowel op specifieke gebieden als op een gemeente brede aanpak. Er zijn een aantal gebieden in West Betuwe die al geschikt zijn om over te stappen op een warmtepomp. We hebben als gemeente nog geen ervaring hoe we deze gebieden kunnen begeleiden om over te stappen op een aardgasvrije oplossing. In tabel 3 is te lezen waarom we in moderne wijken aan de slag willen met een individuele aanpak. Tabel
  23. Geselecteerde buurten individuele aanpak Buurten Voorkeursoplossingen Aantal woningen Waarom Meteren Kalenberg Individuele warmtepomp 928 Relatief nieuwe woningen Goed geïsoleerd Lerend vermogen voor het begeleiden van individuele oplossingen Cv ketels rond dezelfde tijd aan vervang toe Herwijnen Individuele warmtepomp 878 Er zijn een aantal wijken die goed geïsoleerd zijn Er zijn een aantal woningen vrij recent gebouwd Woningen zullen op ongeveer hetzelfde moment toe zijn aan een nieuwe cv ketel Aanpak moderne wijken Zoals in het transitiepad staat aangegeven willen we vanaf 2028 gaan starten met een planmatige aanpak voor individuele oplossingen in moderne wijken. De vraag is: hoe gaan we samen met inwoners en andere partijen aan slag? Hieronder wordt uitleg gegeven over stappen die kunnen worden gezet. Wijkanalyses We beginnen in de wijk met een wijkanalyse om de energiebehoeften en mogelijkheden in de wijken verder in kaart te brengen. Op maat gemaakte plannen Daarna ontwikkelen we samen met inwoners, ondernemers en professionele stakeholders uitvoeringsplannen die specifiek zijn afgestemd op de kenmerken van de wijk. In het uitvoeringsplan bepalen we samen onder andere de tijdlijn, concrete stappen voor implementatie en een mogelijke einddatum voor levering van aardgas aan de wijk. In deze wijken is het belangrijk dat de overstap naar een all-electric oplossing wordt overwogen. Wanneer inwoners met een goed geïsoleerde woning overstappen op een hybride oplossing zal dit betekenen dat er nog minimaal 15 jaar gebruik wordt gemaakt van aardgas. In deze wijken zal de gemeente meer focus leggen op het aanbieden van informatie over individuele warmteoplossingen. Ook worden hier de mogelijkheden onderzocht voor collectieve inkoop van warmtepompen. De wijken waar de gemeente zich op focust zijn in het transitiepad in kaart gebracht. Samen naar aardgasvrij ruim een kwart van de enquête respondenten is bereid om samen te werken met andere inwoners uit de wijk, terwijl ongeveer één op de drie dit 'misschien' overweegt. Pilotproject Omdat we nog weinig ervaring hebben met het begeleiden van wijken richting een individuele oplossing willen we in Meteren Kalenberg een pilot starten. Hierbij ligt de nadruk op het leren van het proces en dit mee te nemen naar andere individuele wijken. Communicatie Alhoewel de focus ligt op wijken met vergelijkbare kenmerken, kunnen de inwoners van deze wijken anders aankijken tegen de overstap naar aardgasvrij en ook een andere communicatiebehoefte hebben. Om tegemoet te komen aan de juiste behoefte, is het van belang in kaart te brengen welke doelgroepen zich bevinden in deze wijk en op welke groep de communicatie zich richt. Het is aannemelijk eerst aan de slag te gaan met inwoners die open staan voor de transitie, en hier ook op in te spelen met de manier van communiceren. Deze groep kan dan, bij een succesvolle overstap, gaan functioneren als ambassadeur voor aardgasvrij wonen binnen een wijk. Eerdere ervaringen in landelijke pilotwijken wijst uit dat buurtgenoten als een bron voor informatie worden gezien. Dit komt ook terug in de resultaten van de enquête. Een kwart van de respondenten gaat naar buren/bekenden/familie als gezocht wordt naar informatie over aardgasvrij wonen. Na verloop van tijd kunnen de communicatiemiddelen en -boodschappen worden aangepast, afhankelijk van de doelgroep. Dit betekent dat we in wijken informatiecampagnes kunnen opzetten en een voorlichtingscampagne kunnen organiseren. Natuurlijk tempo Er zijn ook een aantal gebieden in West Betuwe waar inwoners en bedrijven op een natuurlijk tempo gaan overstappen op een aardgasvrije oplossing. Dit kan bijvoorbeeld op momenten van verkoop of renovatie van de woning. Het is belangrijk dat inwoners hierin een goede keuze kunnen maken. We hebben de volgende strategieën waar we aan willen werken om inwoners hierbij te kunnen helpen. Informatie en Bewustwording De komende jaren is het belangrijk dat de juiste informatie beschikbaar is voor inwoners. Dit doet de gemeente door het voeren van gemeente brede informatiecampagnes. De netbeheerders geven aan dat het niet verstandig is om all-electric warmtepompen tot 2029 te promoten. Hybride oplossingen lijken daarentegen wel mogelijk. We zullen hierdoor een flexibel communicatiebeleid moeten voeren. Verder willen we een aantal informatiebijeenkomsten en workshops organiseren over individuele warmteoplossingen. Dit willen we combineren met momenten zoals de duurzaamheidsweek. Tot slot willen we een demo ruimte realiseren waarin mensen kunnen ervaren hoe een warmtepomp werkt. Financiële Stimulansen Het is belangrijk dat inwoners voldoende op de hoogte zijn van bijvoorbeeld de financieringsmogelijkheden voor het aardgasvrij maken van hun woning. Uit de enquête blijkt dat 31 procent van de respondenten nog nooit van de ISDE subsidie heeft gehoord die van toepassing is op de aanschaf van onder andere een warmtepomp. Daarom is het belangrijk dat de gemeente deze informatie zichtbaar maakt voor haar inwoners. Dit doen we via eigen communicatie uitingen zoals de duurzaamheidskrant maar ook via het Energieloket. De gemeente onderneemt de volgende activiteiten om dit natuurlijke moment te benutten: Gerichte voorlichting aan inwoners, zo’n 10-15 jaar na oplevering. Met het Regionaal Energieloket wordt besproken of gezamenlijke inkoopacties opgezet kunnen worden, of dat inwoners op een andere manier samen op kunnen trekken. In gesprek met installatiebranche: de gemeente organiseert een gesprek met lokale bedrijven in de installatiebranche om kennis uit te wisselen en te zorgen dat het natuurlijke moment van de vervanging van de cv-ketel niet ongemerkt voorbij gaat. Samenwerking met netbeheerders over de capaciteit van het elektriciteitsnet. Monitoring Voor de gemeente is het krijgen van inzicht in de effecten van beleid op de Warmtetransitie erg belangrijk. Het is alleen een grote uitdaging om dit op een goede manier te monitoren. Inwoners zijn namelijk niet verplicht om door te geven of en wanneer ze van het aardgas afgaan. Waar de gemeente wel inzicht in kan krijgen zijn de hoeveelheid verstrekte subsidies die het mogelijk maken om van het aardgas af te gaan. De kans is groot dat de gemeente op basis van deze gegevens een aardig accuraat beeld krijgt hoeveel woningen aangesloten worden op een warmtepomp. Wanneer inwoners een warmtepomp aanschaffen is de kans groot dat ze hiervoor een subsidie zullen aanvragen. Verder is het wenselijk om gebruik te maken van het inwonerspanel ‘West Betuwe Spreekt’ waar een afspiegeling van de inwoners van de gemeente in is vertegenwoordigd. Door periodiek te monitoren welke duurzame keuzes er zijn gemaakt kan dit een beeld geven wat er verder leeft binnen de gemeente. Wat hierin de meest doeltreffende en haalbare manier is moet worden onderzocht. We gaan de gegevens over de verstrekte subsidies verwerken in een monitoringstool zodat we per jaar bij kunnen houden hoeveel mensen er warmtepompen instaleren en waar. Netcongestie Al de warmtepompen die de komende jaren worden geïnstalleerd zullen een grotere vraag naar stroom veroorzaken. De boodschap van de netbeheerders is dat het verduurzamen van de gebouwde omgeving met de huidige inzichten tot 2029 maar beperkt mogelijk gaat zijn. Het is daarom erg belangrijk dat de gemeente blijft kijken naar de doelen die zijn gesteld en of deze praktisch haalbaar blijken. Dit vraagt om doorlopende afstemming met bijvoorbeeld stakeholders als een netbeheerder. Bij het kiezen van de wijken die als startwijk zijn aangewezen is rekening gehouden met de plannen van de netbeheerder om het netwerk te verzwaren. Zowel de aanpak op wijkniveau als de aanpak voor de hele gemeente zal afgestemd moeten worden op de ontwikkelingen rondom netcongestie. Hierbij is het ook belangrijk dat er wordt gewerkt aan beleid rondom het vormgeven van een lokaal en integraal energiesysteem. Wanneer het niet mogelijk blijkt te zijn om alle doelen op individueel niveau te halen is het zinvol om als gemeente hier op een goede manier over te communiceren en te kijken naar wat wel kan. 4.5Isolatie aanpak Wat niet aan energie wordt gebruikt hoeft ook niet te worden opgewekt. Isolatie helpt de vraag te verlagen. Daarom is de aanpak voor het bevorderen van de isolatie essentieel voor het bereiken van de gestelde doelen en het verhogen van het wooncomfort. Bij deze aanpak wordt onderscheid gemaakt tussen een gemeente brede strategie en een wijkgerichte aanpak. Gemeente brede isolatie strategie De gemeente heeft hierin een de strategie ontwikkeld om energiebesparing en verduurzaming van woningen en bedrijven te bevorderen middels isolatie. Strategie voor woningen Dit doet de gemeente aan de hand van de Rijks strategie van het Nationale Isolatie Programma (NIP), zichtbaar in Figuur
  24. Hierin worden vier pijlers benoemd waarop de gemeente en het Rijk kan sturen en stimuleren. Figuur 10.Vier actielijnen in het Nationaal Isolatieprogramma De eerste pijler is het zelf verduurzamen van de woning. Hiervoor zet de gemeente haar uitvoeringsorganisatie Het Energieloket Rivierenland in. Hier kunnen inwoners van de gemeente terecht wat betreft advisering ten aanzien van verduurzamingsmaatregels en isolatiemaatregelen. Ze wijzen de inwoners op welke subsidiemogelijkheden er zijn en waar ze op moeten letten met de uitvoering. De inzet op deze pijler komt overeen met de gemeente brede inzet op isolatie uit het transitiepad. De tweede pijler van het isolatieprogramma is verduurzamen van huurwoningen. Hierin maakt de gemeente prestatieafspraken met de woningbouwverenigingen ten aanzien van verduurzaming en isolatie. Daarnaast wordt er via de brancheorganisatie van de woningcorporaties ook landelijke eisen vastgelegd. Voor particulieren verhuurders wordt het lastiger om 'hoge' huur te vragen in een slecht geïsoleerde woning. Daarnaast biedt het Rijk subsidies aan voor deze verhuurders om verduurzaming te stimuleren. De derde pijler is het verduurzamen van koopwoningen met een slechte energetische kwaliteit hieronder vallen woningen met het energielabel D, E, F en G. Hiervoor is een aparte aanpak geschreven de ´Lokale Aanpak Isolatie´. Specifiek voor deze doelgroep is extra subsidie beschikbaar, dit ook met het oog op het beter wapenen van woningeigenaren tegen Energiearmoede. Het Energieloket voert voor de gemeente de Lokale Aanpak Isolatie uit, waarin zij ook namens de gemeen De laatste pijler van het NIP is de pijler Energiearmoede. Hierin hebben we een programma ontwikkeld waarin we kleine tot middelgrote maatregels aan deze doelgroep aanbieden via het programma Energievitaal. Zodat we zo spoedig mogelijk Energiearmoede kunnen terugdringen binnen de gemeente. Maatschappelijke organisaties zijn ook op de hoogte van deze aanpak, zodat we snel en zo effectief mogelijk hulp kunnen bieden. Naast dat er een isolatieopgave is, zien we ook vaak dat beschermde diersoorten zoals vleermuizen zich vaak in slecht geïsoleerde woningen zich bevinden. Bij isolatie van al deze woningen moet er daarom ook gekeken worden naar alternatieven verblijven voor deze beschermde diersoorten. Momenteel zijn wij hiervoor een aanpak aan het opstellen zodat woningeigenaren zo min mogelijk beperkingen hebben om te isoleren. Isolatie strategie bedrijven Momenteel zien we dat veel bedrijven terughoudend zijn vanwege netcongestie, een grote onzekerheid voor ondernemers. Ondernemers hebben behoefte aan breder advies over energiemanagement en andere oplossingen. Vandaar dat we 2024 gestart zijn met het programma DOE, Duurzaam Ondernemers Energieteam Rivierenland. Dit programma voorziet in deze bredere behoefte, advisering aan bedrijven en instellingen in de gemeente over energievraagstukken. Kern- en wijkgerichte aanpak De eerste jaren leggen we de focus op een zestal wijken (zie tabel 4). In een uitvoeringsplan leggen we concreet vast hoe we invulling geven aan de isolatieopgave voor de betreffende wijken. Wanneer de uitvoering loopt kan worden opgeschaald naar volgende wijken en andere kernen Tabel
  25. Geselecteerde buurten isolatie aanpak Buurten Aantal woningen Waarom Enspijk, benoemd als pilot in TVW 1.
  26. 187 In Enspijk is de Coöperatieve Vereniging Duurzame Warmte Enspijk U.A. (DWE) aan de slag om samen met de inwoners te komen tot een warmtenet, gevoed met warmte uit de Linge. In voorbereiding op deze mogelijke warmteoplossing worden ook woningen in Enspijk geïsoleerd. De oude kern aan de Linge bestaat uit moeilijk te isoleren panden naar een niveau waarop een laagtemperatuur warmteoplossing mogelijk is. Dit moet wel mogelijk zijn voor de naoorlogse woningen aan de rand van het dorp. DWE en andere betrokkenen gaan aan de slag om woningen versneld te isoleren. Hier moeten nog wel afspraken over worden gemaakt samen met inwoners. Geldermalsen Zuid en Centrum, 1309+ aantal uit centrum Afgelopen jaar hebben we een bronnenonderzoek laten uitvoeren door een externe partij naar aanleiding van de potentie van restwarmte die vanuit FruitMasters en omgeving kan komen. De resultaten hiervan zijn hoopvol, mogelijk kunnen we met deze warmte een warmtenet uitrollen in geheel Geldermalsen. In voorbereiding op deze mogelijke warmteoplossing worden de woningen in dit gebied eerder benadert om te gaan isoleren. Geldermalsen Laageinde Tuindorp/ Station 763 In Laageinde Tuindorp zit een actieve buurtvereniging. Zij zijn zeer betrokken bij het verduurzamen van de buurt en willen snel stappen zetten naar een aardgasvrije wijk. Een deel van de woningen is reeds goed geïsoleerd: dit betreft de nieuwbouw rondom het station. Het merendeel van de overige panden is goed te isoleren naar een niveau waarop een middel/laagtemperatuur warmteoplossing mogelijk is. Verder is er nog een kleine kern waarvan de panden moeilijk te isoleren zijn. Asperen Oude Kern 456 Uit de data-analyse blijkt dat Asperen een hoge warmtevraagdichtheid heeft, wat betekent dat de mogelijkheden voor een warmtenet gunstig zijn. Daarnaast zullen in Asperen de komende jaren veel werkzaamheden aan de openbare ruimte plaatsvinden. Wellicht kan er hierdoor werk met werk worden gecombineerd. Vuren 848 In Vuren zien we dat de woningen een hoge mate van uniformiteit vertonen, wat wijst op een groot potentieel voor energiebesparing ten opzichte van de huidige energiebehoefte. Daarnaast is een aanzienlijk aantal woningen eigendom van de woningcorporatie, wat gezamenlijke aanpak en investeringen vergemakkelijkt. In bovenstaande wijken willen we versneld isoleren. Dit realiseren we met bijvoorbeeld gerichte communicatiecampagnes en subsidies maar ook door de buurt bij elkaar te brengen. Ook gaan we de mogelijkheden onderzoeken voor het aanbieden van QuickScans. Hiermee kunnen woningeigenaren een duidelijk beeld krijgen waar warmte in hun woning weglekt. Met een versnelde aanpak in de wijken komen we gezamenlijk tot uitvoeringsplannen per buurt waarbij inwoners ook een participerende rol kunnen hebben. Zo´n plan vertaalt zich tot een buurtaanpak, onderdelen hiervan kunnen zijn: Onderzoek naar de hulpbehoefte in de wijk bij de verschillende doelgroepen. Buurtbijeenkomsten op basis van doelgroepen (particuliere woningeigenaren / VvE’s / particuliere (ver)huurders / huurders van woningcorporatie). Buurtacties zoals aanbellen / keukentafel gesprekken. Aanwezigheid in de wijk voor informatievoorziening en activering. VvE’s lokaliseren en aanreiken van procesondersteuning. Monitoring en opvolgingsacties (bijvoorbeeld nabellen). Ondersteuning afstemmen met verschillende domeinen in de gemeente, zodat we de koppelkansen in kaart kunnen brengen. In kaart brengen van progressie Woningeigenaren en huurders nemen op verschillende momenten en in verschillende vormen isolatiemaatregelen. Het is daarom lastig om een heel actueel beeld te hebben van de verbeteringen in de isolatiegraad. De isolatiewaarde van woningen is op te maken uit het energielabel wat wordt opgegeven bij een energierapport. Dit vindt doorgaans plaats wanneer een woning wordt verkocht en/of verduurzaamd. Daarmee is dus wel inzicht te krijgen in de isolatiewaarde van een woning, maar loopt deze ook achter op de realiteit: de verduurzaming vindt immers plaats volgend op het energierapport. Mogelijkheden om de voortgang te monitoren zijn: Het voeren van een check op de energie labels in vergelijking met wat mag worden verwacht op basis van landelijk beleid: is er jaarlijks verschil met het huidig aantal (geschatte) energie labels en komt dat overeen met de nieuwe standaard voor isolatie? Landelijk zijn er ook geschatte monitoringstools zoals vanuit de klimaatmonitor is zichtbaar wat het aardgasverbruik is geweest van het voorgaande jaar in de gemeente. Uit de Lokale Aanpak Isolatie en het project EnergieVitaal en het DOE programma kunnen we data genereren van de besparing als gevolg van de getroffen maatregelen. Mocht de data uit de verschillende tools ontoereikend zijn is het een mogelijkheid om alsnog een onderzoek uit te zetten. 4.6Bedrijventerreinen In de gemeente hebben we een aantal bedrijventerreinen. In Tabel 5 zijn de bedrijventerreinen te zien waar we stappen richting aardgasvrij mee willen verkennen in de komende jaren. Tabel
  27. Geselecteerde bedrijventerreinen Buurten Voorkeursoplossingen Waarom Vuren Nog te onderzoeken De ervaringen die we opdoen in Zeiving willen we graag ook inzetten voor Oudenhof. Op het bedrijventerrein Oudenhof wordt er de komende jaren aan een revitaliseringsplan gewerkt. Hier kan een koppelkans ontstaan met het realiseren van een warmtenet in Geldermalsen. Zeiving Nog te onderzoeken We starten met het bedrijventerrein Zeiving. Voor dit bedrijventerrein wordt de komende jaren een revitaliseringsplan opgesteld en uitgevoerd. Dit zorgt voor een mooie koppelkans om ook aan de slag te gaan met de warmtetransitie. Omdat we met de revitaliseringsopgave met een bredere blik naar het bedrijventerrein kijken is de verwachting dat we hier meer kunnen bewerkstelligen dan als er individueel wordt gekeken naar bedrijven. Hondsgemet Zuid Nog te onderzoeken Komende jaren zal er veel nieuwe ontwikkeling plaatvinden in Hondsgemet Noord. Dit is een goede aanleiding om te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om deze ontwikkelingen te combineren met het verduurzamen van het bestaand bedrijventerrein Hondsgemet Zuid. Dit gebied wordt ook als nieuwe pilot aangewezen. De gemeente wil hiermee leren hoe ze kan bijdragen aan de versnelling van het realiseren van aardgasvrije bestaande bedrijventerreinen. Aanpak bedrijventerreinen Bedrijventerreinen vragen om maatwerk: een afzonderlijk traject, waarin naar de specifieke behoeften van alle bedrijven wordt gekeken. Op bedrijventerreinen kunnen de volgende oplossingen van toepassing zijn : Op bedrijventerreinen kan het interessant zijn om een warmtenet aan te leggen, bijvoorbeeld als er grotere bedrijfspanden zijn met een hoge warmtevraag. Hierbij kan ook worden gekeken naar een combinatie van verwarming van bedrijventerreinen en aangrenzende woonwijken. Andersom kan een warmtenet vanuit een woonwijk ook worden doorgetrokken naar een bedrijventerrein. Een lage-temperatuur warmtenet is aantrekkelijk voor locaties waar de warmtedichtheid redelijk hoog is en er op lage temperatuur warmte en koude uitgewisseld kan worden.?????? Een andere mogelijkheid is dat ieder bedrijf individueel een alternatieve warmtevoorziening kiest. Op bedrijventerreinen ontwikkelen we de komende jaren gezamenlijk met de daar gevestigde ondernemers een uitvoeringsplan waarin wordt uitgezocht welke toekomstige warmtevoorziening het meeste draagvlak heeft. In dit plan houden we onder andere rekening mee wanneer het voor ondernemers uitkomt om de levering van aardgas aan het gebied te beëindigen, welke toekomstige warmteoplossing het beste aansluit bij de ondernemers en welke ondersteuning daarbij gewenst is. Behalve technische en financiële argumenten speelt ook mee in hoeverre bedrijven een gezamenlijke aanpak prefereren. Gezamenlijkheid ontzorgt ondernemers deels, en heeft soms financiële voordelen (denk aan gezamenlijke inkoop), maar het beperkt de vrijheden voor ondernemers om bijvoorbeeld zelf het moment van investering te bepalen. Bedrijven die gevestigd zijn in wijken met een mix van woningen, winkels en kantoren, gaan gelijk op met de rest van de buurt. Immers, als de aardgasleidingen verwijderd worden, heeft dat consequenties voor alle gebouwen in een buurt. Voor bedrijventerreinen zijn aparte plannen nodig. Het doel is om in de transitie van bedrijventerreinen zoveel mogelijk aan te sluiten op natuurlijke (gebieds-)ontwikkelingen van de bedrijventerreinen zelf. Verder hebben kantoren en bedrijven andere regels op het gebied van verduurzamen waar ze vanuit de overheid aan moeten voldoen. Dit vraagt daarom om een andere aanpak dan in woonwijken. Industrie, maakbedrijven en kassen gebruiken aardgas niet alleen om gebouwen te verwarmen, maar ook voor het bedrijfsproces. Tegelijkertijd hoeft niet elk gebouw verwarmd te worden. Opslagloodsen hebben bijvoorbeeld vaak weinig verwarming nodig. In de warmtetransitie wordt de focus alleen gelegd op aardgas wat wordt gebruikt bij gebouwverwarming en verwarming van tapwater. De transitie voor proceswarmte zal in ander beleid moeten worden vormgegeven en valt dus buiten het warmterprogramma. Toch zal hier in de planvorming van een gebiedsgerichte aanpak wel over na moeten worden gedacht. Kantoren Kantoren hebben over het algemeen een grotere vraag naar koeling dan woningen. Bodemenergie is daarom erg geschikt: warmte die in de zomer aan de gebouwen wordt onttrokken, wordt in de winter weer gebruikt. Dit kan per gebouw, of voor een cluster gebouwen worden aangelegd. Luchtwarmtepompen en luchtkoelers behoren tot de mogelijkheden. Ook hier geldt dat er gekozen kan worden voor een aanpak waarbij elk bedrijf zelf aanpak en tempo kiest, of voor een gezamenlijke aanpak. Bij intensief gebruik van de ondergrond is het wel zaak om gezamenlijk op te trekken, en een ordening aan te brengen in de warmte- en koude-bronnen, om interferentie te voorkomen. Hier zal de gemeente de komende jaren nog beleid voor moeten ontwikkelen om te bepalen wat er wel en niet wordt toegestaan. Pilotproject Omdat we nog weinig ervaring hebben met het begeleiden van bedrijventerreinen richting aardgasvrij, willen we samen met bedrijventerrein Zeiving een pilot starten. Hierbij ligt de nadruk op het leren en experimenteren en dit mee te nemen naar andere bedrijventerreinen. 4.7Groengas Een aantal woningen in West Betuwe lijken de komende jaren niet geschikt voor warmtenetten of warmtepompen. Vaak zijn dit woningen die lastig te isoleren zijn bijvoorbeeld vanwege een monumentale status. In de volgende paragraaf staat beschreven welke aanpak we voor ons zien in deze gebieden. Aanpak groengas Groengas vraagt als aardgasvrije oplossing de minste aanpassingen in panden. Dit kan namelijk door het huidige gasnet worden getransporteerd en de huidige cv ketels zijn hier voor geschikt. De grote uitdaging die wij zien bij groen gas is de schaarste die wordt voorspeld in de komende jaren. Een grote vraag vanuit de industrie naar groengas wordt verwacht. Omdat er maar een beperkte hoeveelheid groengas in Nederland wordt opgewekt is de kans groot dat dit de prijs van groengas zal doen oplopen in de komende jaren. Dit is de reden dat we de komende jaren geen actieve aanpak kiezen op de distributie van groengas naar woningen. Innovatie kan hier de komende jaren verandering in brengen. We zullen deze innovaties de komende jaren blijven volgen. Verder doen we de komende jaren onderzoek naar de mogelijkheden van opwek van groengas. Uit de data-analyse komt namelijk naar voren dat er veel potentie zit in de hoeveelheid groengas die in West Betuwe op dit moment zou kunnen worden opgewekt. Het onderzoek willen we combineren met het vormgeven van beleid. In andere gemeenten worden namelijk voorwaarden gesteld aan de opwek van groengas. Een percentage groengas moet in deze gevallen tegen betaalbare tarieven bijdragen aan de lokale warmtetransitie. We willen de komende jaren onderzoeken hoe we hier in West Betuwe afspraken over kunnen maken. Energiecoöperaties De energiecoöperaties nemen een belangrijke plek in binnen het speelveld van de warmtetransitie. In de afgelopen jaren hebben ze een significante bijdrage geleverd aan het verder brengen van de warmtetransitie. Hun leden zijn intrinsiek gemotiveerd om zich in te zetten voor de verduurzaming van de gemeente en zijn in hun aard gericht op samenwerking, kennisdeling en collectieve oplossingen. Coöperatie Duurzaam West Betuwe (DWB) heeft zitting in het platform warmte van de gemeente en schrijft mee aan dit warmteprogramma. Zij organiseert kennis sessies voor inwoners, bestuurders en initiatieven over technische, economische, juridische en sociale aspecten. Daarnaast organiseert ze kwartaalbijeenkomsten met initiatiefnemers uit de regio. Er is tweewekelijks overleg met de gemeente om activiteiten en plannen af te stemmen. De coöperatie ondersteunt bij het opzetten en uitvoeren van initiatieven met vrijwilligers. Energie Samen Rivierenland (ESR) is een koepel van coöperaties in de regio. Zij ondersteunt de coöperaties in de regio (ook DWB en DWE) om verder te professionaliseren. Ook ondersteunen zij alle gemeenten in de regio met de uitvoering van regionale en nationale programma’s (o.a. Energieloket, EnergieVitaal, NIP, DOE) en leveren consultants en projectleiders voor initiatieven in de regio. ESR heeft landelijk aansluiting bij Coöperatie Buurtwarmte en kan de activiteiten van Buurtwarmte in de regio uitvoeren. ESR heeft de ambitie om op te kunnen treden als lokaal warmtebedrijf. Burgerwindcoöperatie West Betuwe (Betuwewind) is een van oorsprong windcoöperatie die zich heeft uitgebreid tot een brede maatschappelijke speler in de energietransitie. Zij zal meer een rol in de uitvoering spelen door specifiek afgestemde stroomleveringscontracten, uitvoeren van financiële participaties en ondersteuning bij financieringen en exploitatiebeheer van een warmtenet of warmtebedrijf. We hebben als gemeente als doel de bestaande samenwerkingen de komende jaren te onderhouden en verder te versterken. Dit doen we door de coöperaties bij ontwikkelingen te betrekken en door van elkaar te leren. We willen de komende jaren met de coöperaties verkennen hoe rollen in de warmtetransitie belegd kunnen worden. Er zit veel kennis, ervaring en motivatie bij leden van de coöperaties wat een essentieel ingrediënt is om de warmtetransitie verder te helpen. 5.Communicatie en participatie De warmtetransitie heeft een grote impact op de woningen en gebouwen van inwoners en ondernemers in onze gemeente. Als gemeente betrekken we hen bij de keuzes die worden gemaakt en informeren we hen over de mogelijkheden. Communicatie en participatie is daarbij van groot belang. Zodat gebouweigenaren, huurders en ondernemers zelf aan de slag kunnen en we met elkaar stap voor stap deze warmtetransitie realiseren. Hoe de verdere communicatie en participatie wordt ingericht is te lezen in dit hoofdstuk. 5.1Communicatie De communicatie over de warmtetransitie in West Betuwe richt zich op twee gebieden: gemeente breed en kern- en wijkgericht. Daarbij houden we rekening met de verschillende doelgroepen die er in de gemeente zijn, zodat de communicatie goed aansluit en we zo veel mogelijk mensen bereiken. West Betuwe breed De communicatie in heel West Betuwe richt zich op inwoners. Via diverse kanalen informeren we hen zodat ze op hun eigen tempo aan de slag kunnen. Ook maken we in verschillende stappen duidelijk wat zij in hun kern, buurt of wijk kunnen verwachten in de komende jaren. Vanuit dit programma kijken we daarvoor naar de periode tot
  28. Dit betekent dat informatie over de warmtetransitie vindbaar en begrijpelijk moet zijn voor alle doelgroepen. Het Energieloket Rivierenland informeert en adviseert over techniek en financiering. Daarbij maken zij gebruik van het transitiepad zoals die in dit warmteprogramma is opgesteld. Om een eerste inzicht te krijgen in de opvattingen van inwoners over de overgang naar aardgasvrij wonen is dit jaar een enquête uitgezet. De resultaten helpen om inzichtelijk te krijgen waar de behoeftes van inwoners liggen. Een groot aantal respondenten geeft aan al bekend te zijn met aardgasvrije alternatieven of er ten minste van te hebben gehoord. Ongeveer één op de drie respondenten hecht (veel) belang aan het aardgasvrij maken van hun woning, terwijl een vergelijkbare groep dit als (zeer) onbelangrijk beschouwt. Ruim 40 procent van de respondenten jonger dan 45 jaar geeft aan het aardgasvrij maken van hun woning als (zeer) onbelangrijk beschouwen. Bovendien geeft één op de drie aan het liefst helemaal niet aardgasvrij te wonen, terwijl 8% van de respondenten dit zo snel mogelijk willen veranderen. Deze verschillende opvattingen vragen om verschillende manieren van communiceren. Een grote groep respondenten van de enquête krijgen het liefst informatie van de gemeente via de website of een digitale nieuwsbrief. Respondenten van 75 jaar en ouder geven in verhouding vaak de voorkeur aan de krant of huis-aan-huisbladen als informatiebron. Ruim één op de drie respondenten jonger dan 45 jaar geeft aan liever een papieren brief te ontvangen met informatie over aardgasvrij wonen. Kern- en wijkgericht In een aantal wijken gaan we de komende jaren aan de slag met uitvoeringsplannen. Die worden per kern of wijk op maat gemaakt en met inwoners samen opgesteld. Ruim 1/3e van de respondenten uit de enquête geeft aan betrokken te willen worden bij de plannen voor hun wijk. Bij deze plannen kijken we naar de aanpak die nodig is om te isoleren of te verduurzamen met een individuele of collectieve warmteoplossing. Als de aanpak duidelijk is werken we de communicatie meer in detail uit per kern of wijk. Ook zetten we waar nodig gerichte communicatiecampagnes in. Hierin volgen we de Leidraad Factor C. 5.2Participatie Het is belangrijk dat inwoners en ondernemers betrokken worden en mee kunnen denken met de stappen die nodig zijn in de warmtetransitie. Uitgangspunten gemeentelijk participatiebeleid We betrekken inwoners en de ondernemers volgens het participatiebeleid ‘Krachten Bundelen’ (RV2021-083-participatiebeleid en participatieverordening 28-9-2021). Dit beleid bepaalt ook hoe we de samenleving meenemen in de warmtetransitie. Twee belangrijke uitgangspunten zijn: ‘Samen met de samenleving’ en ‘Dichtbij en op maat’. De kern van het participatiebeleid is: Samenleving en gemeente gaan met elkaar in gesprek: De gemeente heeft een optimistische, open en geïnteresseerde houding; De gemeente levert maatwerk bij participatietrajecten; De gemeente geeft vooraf aan het gesprek duidelijkheid over doel, participatieniveau en rollen. Met als doel: Vergroten van de kwaliteit van lokale democratische processen; Versterken samenwerking gemeente-inwoners; Helderheid scheppen in processen en rollen, mogelijkheden en onmogelijkheden. Om dit planmatig te bereiken gebruikt de gemeente de methodiek Factor C. Deze methodiek wordt voorgesteld om strategisch aan de slag te gaan met communicatie. De stappen die hierin worden benoemd past de gemeente naast communicatie ook toe voor het participatieproces voor het opstellen van het warmteprogramma en de stappen daarna in de uitvoeringsplannen. Deze stappen zien er als volgt uit: De opgave: welk issue, vraagstuk of probleem gaan we aanpakken? De omgeving: analyse van de omgeving. De strategie: keuzes maken. Het verhaal: wat is het gezamenlijke verhaal? De aanpak: ontwerpen en uitvoeren van een zorgvuldig communicatieproces. Participatie en het warmteprogramma Met het opstellen van dit programma hebben we invulling gegeven aan de opgave, de omgeving en de strategie uit de factor C methodiek. Tijdens het opstellen van het Warmteprogramma zal het gezamenlijke verhaal en de aanpak nog verder worden opgesteld voor heel West Betuwe. Bij het vaststellen van het warmteprogramma konden inwoners het programma inzien en hier feedback op geven. Bijlage 18 geeft een overzicht van de rollen die de verschillende belanghebbende hebben. In de kerngerichte en wijkgerichte aanpak worden in elk Uitvoeringsplan deze vijf stappen doorlopen in samenspraak met de inwoners en andere belanghebbenden. Het gezamenlijk verhaal en de aanpak Met het opstellen van het Warmteprogramma gaan we meer verdiepend in op de inrichting en mate van inspraak van inwoners en ondernemers gedurende de Uitvoeringsplannen. Hiervoor houden we meedenksessies. De vragen ‘wat heeft u nodig van de gemeente?’ en ‘wat kunt u nu al zelf doen?’ staan hierin centraal. Zo worden de uitgangspunten opgesteld over hoe inwoners en ondernemers in de kernen en wijken kunnen worden betrokken. Op deze manier werken we aan het ‘verhaal’ waarmee we de omgeving meenemen in de warmtetransitie. Het doel hiervan is dat iedereen mee kan doen met de warmtetransitie. Hierna gaan we in de startwijken en -kernen inwoners en ondernemers betrekken bij het opstellen van de Uitvoeringsplannen. Met hen bepalen we hoe de communicatie het meest effectief kan verlopen en welke middelen nodig zijn om de verduurzaming van de buurt of wijk tot stand te brengen. 6.Aan de slag met duurzaam verwarmen De overstap naar een aardgasvrije gemeente West Betuwe is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Daarom gaat dit hoofdstuk dieper in op het nemen van stappen die zowel inwoners, ondernemers, huurders, vrijwilligers en coöperaties kunnen nemen. We leggen uit wat huishoudens en bedrijven zelf kunnen bijdragen aan de warmtetransitie. Daarnaast is gespecificeerd waar de gemeente nog in wil leren en innoveren. 6.1Direct resultaat maatregelen Een succesvolle omslag naar aardgasvrij verwarmen begint met isoleren en besparen. Dit zijn de eerste stappen die elke inwoner van West Betuwe kan nemen omdat het wooncomfort zo wordt verhoogd en het energieverbruik verlaagd. Daarnaast worden de mogelijkheden voor het aansluiten op geschikte alternatieve warmtebronnen groter als het gebouw met een lagere temperatuur verwarmd kan worden. Isolatie Goede isolatie is nodig omdat het voorkomt dat warmte uit een gebouw ontsnapt en de kou buiten houd, waardoor de behoefte aan warmte vermindert. Door bijvoorbeeld muren, vloeren, daken en ramen goed te isoleren, kan een gebouw aanzienlijk efficiënter worden verwarmd. Veel gebouwen zijn echter nog niet voldoende geïsoleerd. Dit komt vaak doordat ze zijn gebouwd in een tijd waarin energie-efficiëntie minder belangrijk was dan tegenwoordig. Tabel 6 laat passende isolatie maatregelen zien afhankelijk van het bouwjaar en wat hiervan de gevolgen zijn voor het energielabel. Houd bij het nemen van isolatie maatregelen wel rekening met voldoende ventilatie. Kantoorpanden Voor kantoorpanden gelden vanaf 1 januari 2023 strengere energie-eisen. Label C is vanaf 2023 minimaal vereist voor grotere kantoren (>100 m2). Voor kleinere bedrijfsgebouwen gelden deze regels niet. De verwachting is dat de eisen voor utiliteitsbouw en kantoren binnen de EU en binnen Nederland verder aangescherpt zullen worden Tabel
  29. Mogelijkheden isolatie inclusief geen spijt maatregelen Slecht geïsoleerd <1940 1941-1964 Gemiddeld geïsoleerd 1965-1982 1983-1992 Goed geïsoleerd >1992 Energielabel F G E F C DE B C D A B Gebouwd zonder isolatie, geen spouwmuur Historisch uiterlijk Beperkte isolatie mogelijk Gebouwd zonder goede isolatie, vaak wel met spouwmuur Nieuwe uitstraling soms wenselijk Rendabel te isoleren Gebouwd met dak- en soms gevelisolatie Rendabel te isoleren Gebouwd met redelijke isolatie Jaren ’80 isolatie vaak kostbaar Jaren’90 gebouwd met dubbel glas en redelijke isolatie Gebouwd met goede isolatie Lage temperatuur verwarming vaak al mog­elijk Geen spijt maatregelen Isolatie van binnenuit (dak, gevel, vloer) Maatwerk bij monumenten HR++ of triple glas, monumenten- glas of voorzetramen Spouwmuur isolatie of isolatie gevel aan de buitenkant Op natuurlijke onderhouds- momenten dakisolatie HR++ of triple glas Spouwmuur isolatie of isolatie gevel aan de buitenkant Op natuurlijke onderhouds- momenten dakisolatie HR++ of triple glas Op natuurlijke moment is isolatie (dak, gevel, vloer) goed mogelijk Bij voldoende isolatie focus op duurzame installaties Extra isolatie meestal niet zinvol Focus op duurzame installaties Toekomstig Energielabel C D A B AB A B A Temperatuur nodig in 2050 Hoge temperatuur >70 ͦC Lage temperatuur na goede isolatie (<55 ͦC ) of midden temperatuur (55 ͦC tot 70 ͦC­) Lage temperatuur <55 ͦC Passende aardgasvrije technieken Biomassa Groen gas Hoge temperatuur warmtenet Warmtenetten op midden- of lage temperatuur Midden temperatuur warmtepomp Na aanpassing van de radiatoren vrijwel elke techniek geschikt Aanvullende besparingen Naast isoleren kunnen met kleine en eenvoudige veranderingen de warmtevraag worden verlaagd. Een van de besparingen die genomen kan worden, is het verlagen van de thermostaat met één of twee graden. Dit kan een aanzienlijke besparing op het energieverbruik opleveren. Een andere effectieve maatregel is om het warm water gebruik te beperken. Zo hoeft minder water te worden verwarmt. Daarnaast is het aanbrengen van radiatorfolie een eenvoudige en goedkope manier om de warmtevraag te verlagen. Deze folie wordt achter de radiatoren geplaatst en reflecteert de warmte terug de kamer in, in plaats van dat het door de muur naar buiten verdwijnt. Dit zorgt ervoor dat de warmte efficiënter wordt gebruikt. Tochtstrips bij ramen en deuren zijn ook een effectieve manier om de warmtevraag te verlagen. Deze strips helpen om koude lucht buiten te houden en warme lucht binnen. Dit vermindert tocht en houdt de warmte langer in huis. Tot slot kunnen radiatorventilatoren onder de radiatoren worden geplaatst om de warme lucht beter door de kamer te verspreiden. Je kunt ook besparen door minder apparaten in huis te hebben die op aardgas werken. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een inductiekookplaat en een elektrische oven. Bij het installeren van een nieuwe keuken of tijdens andere verbouwingsplannen is het verstandig om na te denken over de apparaat keuze en de mogelijkheden voor isolatie/besparing. Mocht u twijfelen of advies willen over het nemen van besparing of isolatie maatregelen, neem dan contact op met het Energieloket Rivierenland voor gratis advies. Huurders Ben je huurder van een woning of pand? Dan zal de verhuurder of woningcorporatie, indien mogelijk, zorgen voor aanpassingen zoals isolatie. Wel kunt u zelf besparen door bijvoorbeeld tochtstrippen aan te brengen of radiatorfolie achter de radiatoren te plaatsen. Informeer bij u verhuurder of woningcorporatie naar de plannen. 6.2Extra maatregelen Wanneer verschillende isolatie- en besparing maatregelen zijn genomen, zie Tabel 6, kunnen verdere stappen worden gezet richting aardgasvrij verwarmen. Daarbij is het wenselijk om aan te sluiten op de plannen die er al zijn voor de wijk. Gebouw bevindt zich in een startwijk Als een gebouw in een startwijk ligt, is het verstandig om terughoudend te zijn met het nemen van vervolgstappen richting aardgasvrij verwarmen, om te voorkomen dat onnodige investeringen worden gedaan. De reden hiervoor is dat de gemeente samen met de inwoners en andere stakeholders bezig gaat met het opstellen van een uitvoeringsplan. Dit plan zal gedetailleerde stappen en richtlijnen bevatten om de overgang naar aardgasvrij verwarmen soepel en efficiënt te laten verlopen. Door te wachten en mee te werken aan dit uitvoeringsplan, kunnen investeringen en inspanningen in lijn worden gebracht met de gemeentelijke strategie en ondersteuning. Bovendien kan geprofiteerd worden van gezamenlijke initiatieven en mogelijk ook van gemeentelijke subsidies of andere vormen van steun die beschikbaar komen als onderdeel van het plan. Mocht de CV ketel binnen korte tijd toch aan vervanging toe zijn, behoord een lease constructie tot de mogelijkheid voor een (hybride) warmtepomp om een onnodige grote investering te voorkomen. Gebouw bevindt zich niet in een startwijk: Voor gebouwen die zich niet in een startwijk bevinden, kan het zinvol zijn om te investeren in een (hybride) warmtepomp. Dit kan dienen als een tijdelijke oplossing op weg naar aardgasvrij verwarmen. Het gebruik van een hybride warmtepomp vermindert het energieverbruik en de CO2-uitstoot. Het kan ook leiden tot besparingen op de energiekosten en draagt bij aan een lagere milieubelasting, terwijl gewacht wordt op verdere ontwikkelingen en plannen voor de desbetreffende wijk. Welke warmteoplossing het beste past bij uw gebouw, is afhankelijk van de mogelijke toekomstige plannen. Mocht u hierover advies willen, kunt u contact opnemen met het Energieloket Rivierenland. 6.3Ondersteuning Welke besparings- en isolatiemaatregelen het beste zijn, verschilt per situatie. Hoe goed is het gebouw al geïsoleerd? Verbouwplannen waarbij isolatie kan worden meegenomen? Is de cv-ketel aan vervanging toe? Zijn er binnenkort collectieve alternatieven voor verwarming in jouw buurt? Om hierbij te helpen zijn verschillende instanties en subsidies beschikbaar. Instanties Onderstaande instanties bieden hulp bij bovenstaande vragen door informatie en advies te geven over isolatie, ventilatie, beschikbare subsidies, financieringsmogelijkheden en technische ondersteuning. Energieloket Rivierenland Het Energieloket Rivierenland is een centraal punt waar inwoners van Rivierenland terecht kunnen voor informatie en advies over energiebesparing en duurzame energieoplossingen. Ze bieden gratis advies over isolatie, zonnepanelen, subsidies en financieringsmogelijkheden, en helpen bij het plannen en uitvoeren van energiebesparende maatregelen. Smart Technology Experience Centre (S-TEC) Rivierenland Het Smart Technology Experience Centre (S-TEC) in Rivierenland is een kennis- en ervaringscentrum waar inwoners en bedrijven kunnen kennismaken met duurzame oplossingen. Het centrum biedt advies, workshops en trainingen over energiebesparing, en innovatieve technologieën. WoonWijzerWinkel Rivierenland De WoonWijzerWinkel Rivierenland is een fysieke en online winkel waar woningeigenaren terecht kunnen voor onafhankelijk advies over verduurzaming van hun woning. Ze bieden informatie over energiebesparende maatregelen en duurzame bouwmaterialen. Financiën Het verduurzamen van gebouwen kan aanzienlijke investeringen vereisen. Hiervoor zijn diverse subsidies beschikbaar die woningeigenaren, bedrijven en maatschappelijke organisaties kunnen helpen bij het financieren van besparende maatregelen. Onderstaand worden een aantal van de subsidies toegelicht, op de website van gemeente West Betuwe en het Energieloket Rivierenland is het totaal overzicht terug te vinden Lokale Aanpak Isolatie Dit is een subsidie voor woningeigenaren, vooral gericht op huizen met energielabel DEFG. Het doel is om eigenaren financieel te ondersteunen bij het isoleren van hun woningen, waardoor energieverbruik en -kosten dalen. Regeling terugdringen Energiearmoede met het project Energievitaal Deze regeling helpt huishoudens die moeite hebben om hun energierekeningen te betalen. Het project Energievitaal biedt ondersteuning en advies om energieverbruik te verminderen, wat leidt tot lagere kosten en een duurzamere woning. ISDE (Investeringssubsidie Duurzame Energie en Energiebesparing) De ISDE is een rijksregeling voor het verduurzamen van woningen en panden. Het biedt subsidie voor het aanschaffen van duurzame energie-oplossingen zoals warmtepompen, zonneboilers, isolatie, en aansluitingen op warmtenetten. Het Nationaal Warmtefonds Dit fonds biedt leningen aan voor de verduurzaming van huizen, Verenigingen van Eigenaars en scholen. Eigenaren kunnen hiermee bijvoorbeeld isolatiemaatregelen financieren of duurzame installaties aanschaffen. De leningen zijn tegen gunstige voorwaarden beschikbaar. De Toekomstbestendig Wonen-lening De gemeente West Betuwe biedt woningeigenaren tegen een aantrekkelijke rente een lening om hun woning te verduurzamen, asbestvrij te maken, levensloopbestendiger of energiezuiniger te maken. Bij de lening moet altijd minimaal één energiebesparende of -opwekkende maatregel worden genomen om duurzaamheid te waarborgen. Lening verduurzaming voor maatschappelijk vastgoed Deze lening is bedoeld voor sportaccommodaties, religieuze gebouwen en gemeenschapshuizen. Organisaties die maatschappelijk vastgoed bezitten of hier als rechtspersoon gebruik van maken, kunnen een lening afsluiten om hun gebouw of sportterrein te verduurzamen. Samen met deze instanties en financieringsmogelijkheden wordt passende ondersteuning geboden zodat iedereen op zijn eigen tempo stappen kan zetten. Regelmatig zal worden geëvalueerd of het aanbod nog aansluit bij de behoefte en waar mogelijk zullen aanpassingen plaatsvinden. 6.4Collectief aan de slag Naast het verduurzamen van eigen woning of pand, is het ook mogelijk gezamenlijk te kijken naar de opgave om eigen buurt te verduurzamen/aardgasvrij te maken. Zo kan kennis worden gedeeld, het werk worden verdeeld en sneller stappen worden gezet. Daarom worden enthousiaste inwoners gemotiveerd om zich op een effectieve manier te verenigen en zich te melden bij de gemeente. Hierdoor is de gemeente op de hoogte van de plannen die spelen en kan verwezen worden naar verschillende regelingen. Zo kan bijvoorbeeld gebruik gemaakt worden van de Stimuleringsregeling Programma Aardgasvrije Wijken (SPOR-regeling) Deze regeling biedt financiële middelen voor het ontwikkelen en uitvoeren van plannen om wijken aardgasvrij te maken. De SPOR-regeling is bedoeld voor initiatieven die helpen om de overgang naar duurzame warmtebronnen te versnellen, en kan bijvoorbeeld worden gebruikt voor kosten zoals studies, procesbegeleiding en technische onderzoeken. Daarnaast biedt de gemeente de mogelijkheid om een bewonersavond te organiseren waarbij het Energieloket kan aansluiten om passend advies te geven. Over 5 jaar wordt het warmteprogramma geëvalueerd en herzien, waarbij de plannen en inzet van de gemeente opnieuw worden bekeken. De betrokkenheid en enthousiasme van inwoners zijn essentieel voor het succes en de noodzakelijke versnelling in het aardgasvrij maken van wijken. Daarom zal de aanwezigheid van een concreet buurtinitiatief meewegen in het selecteren van de volgende wijken waar uitvoeringsplannen voor worden opgesteld. Initiatieven kunnen zich hiervoor melden bij de gemeente of het Energieloket Rivierenland. 6.5Bedrijven Ook bedrijven moeten in 2050 aardgasvrij zijn, zowel het bedrijfspand als het bedrijfsproces. Hierdoor is de opgave voor sommige bedrijven groot en uitdagend. Om deze uitdaging aan te gaan worden ook bedrijven gemotiveerd zich te verenigen om kennis te delen, gezamenlijk stappen te zetten en zich te melden bij de gemeente. Hierdoor is de gemeente op de hoogte van de plannen die spelen, kan worden meegedacht en kunnen mogelijke koppelkansen worden benut. Op de website van DOE-Rivierenland is extra informatie te vinden over het zetten van de eerste stappen en de financiële ondersteuning voor bedrijven. Het DOE-programma (Duurzaam Ondernemen en Energie) ondersteunt bedrijven in Rivierenland bij het realiseren van energiebesparing en duurzaamheid. Het programma biedt advies, kennis en technische ondersteuning voor het plannen en uitvoeren van energiebesparende maatregelen. 7.Financiële scenario In dit hoofdstuk wordt het financiële scenario gepresenteerd at hoort bij dit programma. Dit scenario is nauw verbonden met de inhoud en ambities. Bij het scenario is een korte toelichting geschreven, ondersteund door een tabel. 7.1Het scenario In dit scenario kunnen alle noodzakelijke stappen worden genomen binnen de verschillende pijlers van de warmtetransitie. Dit houdt in dat er gewerkt kan worden aan het opstellen en uitvoeren van wijkuitvoeringsplannen (UP’s) om woningen aardgasvrij te maken, zowel collectief als individueel. Om dit mogelijk te maken, moeten er extra analyses uitgevoerd worden in de verschillende wijken. Deze analyses helpen ons om een gedetailleerd en passend plan te maken. Daarnaast wordt er in dit scenario ook gewerkt aan het verbeteren van isolatie, zowel in bepaalde wijken als in de hele gemeente. Ook bedrijventerreinen worden meegenomen in dit scenario. Net als bij de woningen zijn hier ook extra analyses nodig om uitvoeringsplannen op te stellen en te realiseren. Ook biedt dit scenario ruimte voor pilots, innovaties en het monitoren van de voortgang. Kosten Om deze stappen uit te kunnen voeren, is het noodzakelijk het team dat verantwoordelijk is voor de warmtetransitie uit te breiden. Externe expertise en ondersteunende middelen zijn nodig om de juiste analyses te kunnen maken. Dit brengt kosten met zich mee, in Tabel 6 worden de verwachte kosten per jaar weergegeven, met een gemiddelde van 709.458 euro Een deel van deze kosten, namelijk 200.000 euro, kan gedekt worden door beschikbare middelen vanuit het Rijk. Deze financiering geldt tot 2025, maar het is nog onduidelijk of deze middelen ook na 2025 beschikbaar blijven. Er zijn echter sterke aanwijzingen dat deze financiering na 2025 wordt voortgezet. Niet alle kosten die de komende jaren gemaakt moeten worden zijn in dit overzicht opgenomen. Bijvoorbeeld, als de gemeente besluit om een warmtebedrijf op te richten of om te investeren in warmtenetten, kunnen de kosten hoger uitvallen. Ook is er nog onduidelijkheid over sommige kostenposten, zoals de dekking door subsidies. Dit geldt bijvoorbeeld voor de kosten die gemoeid zijn met het opstellen van een soortenmanagementplan (SMP), wat nodig is voor natuurvriendelijke isolatie. Toelichting op Tabel 6 De kosten tabel geeft een overzicht van de verwachte jaarlijkse kosten gedurende de looptijd van dit warmteprogramma. De kosten zijn onderverdeeld in drie categorieën: externe inhuur, interne personeelslasten en ondersteunende middelen. Dit geldt voor het opstellen van wijkuitvoeringsplannen (UP’s), voor aardgasvrije woningen, de isolatie opgave en de bedrijventerreinen. De tabel sluit af met de totale kosten per jaar en het gemiddelde bedrag per jaar. Figuur
  30. Transitiepad financieel scenario Tabel 6.Verwachten kosten scenario
  31. Bijlage1:Enquête resultaten Middels een enquête is gemeente breed uitgevraagd wat inwoners vinden van de warmtetransitie en wat hierin wordt verwacht van de gemeente. Via sociale media, de krant, nieuwsbrieven en buurt platforms is onder de inwoners van de gemeente West Betuwe de enquête verspreid. Hierbij is onder andere gebruik gemaakt van het panel West Betuwe spreekt. De leden van dit panel hebben aangegeven graag hun mening te geven over allerlei thema’s en presenteren een representatief beeld van de inwoners van gemeente West Betuwe. De enquête bestaat voornamelijk uit een aantal meerkeuzevragen waarbij de mogelijkheid is gegeven de antwoorden verder uit te breiden of toe te lichten in een open tekst vak. Door de enquête zijn verschillende routes geprogrammeerd die de respondent kan afleggen, afhankelijk van de woonsituatie en hoe de respondent aankijkt tegen de overgang naar aardgasvrij wonen. In totaal heeft de enquête 737 respondenten opgeleverd, met een 95% betrouwbaarheid en 3,54% nauwkeurigheid. In de hoofdtekst zijn sommige relevante resultaten al benoemt, hieronder worden de resultaten nogmaals kort besproken, inclusief figuren die een overzicht geven van de gegeven antwoorden. Huidige situatie verwarming woningen Het grote merendeel van de respondenten woont in een koopwoning. Slechts een kleine groep respondenten geeft aan vrijwel niets te weten over de overstap naar aardgasvrij wonen. Een merendeel van de respondenten verwarmt de woning nu met onder meer aardgas, nagenoeg één op de drie doet dit (ook) met elektriciteit, zichtbaar in Figuur
  32. Inwoners jonger dan 75 jaar geven in verhouding iets vaker aan de woning onder meer met elektriciteit te verwarmen. Figuur
  33. Resultaten enquête vraag 'Hoe verwarmt u nu uw woning?' Aardgasvrij wonen Respondenten die hun woning aardgasvrij verwarmen ervaren dit in veel gevallen als (heel) goed. Respondenten nemen diverse maatregelen om minder aardgas te gebruiken, ruim zes op de tien zet de verwarming lager en ruim de helft heeft energiebesparend glas en/of doucht korter/kouder of met een waterbesparende douchekop. Slechts een klein deel geeft aan geen maatregelen te nemen om minder aardgas te gebruiken. Circa één op de drie wil binnen nu en 5 jaar niets doen om minder aardgas te gebruiken. Ruim één op de vijf wil binnen nu en 5 jaar een (hybride) warmtepomp en even grote groep wil de woning extra gaan isoleren. In verhouding willen respondenten vanaf 75 jaar vaker 'niets' doen binnen nu en 5 jaar om minder aardgas te gebruiken. Circa één op de zes respondenten maakt gebruik van de ISDE. Nagenoeg één op de drie zegt de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing niet te kennen. Circa één op de drie respondenten vindt het (heel) belangrijk dat de woning aardgasvrij wordt, een vergelijkbare groep vindt dit (heel) onbelangrijk. Ruim één op de drie wil het liefst helemaal niet aardgasvrij wonen, iets minder dan één op de tien wil dit zo snel mogelijk, zichtbaar in Figuur
  34. Figuur
  35. Resultaten enquête vraag: 'wat past het beste bij u?' De betaalbaarheid van de oplossing is de meest genoemde reden om de woning aardgasvrij te maken, ruim de helft noemt (ook) het comfortabel warm krijgen van de woning als goede reden. De kosten worden veruit het meest genoemd als zorgen rond het aardgasvrij maken van de woning. Naarmate de respondenten ouder worden noemen ze steeds minder vaak de kosten als zorgen rondom het aardgasvrij maken van de woning. Aardgasvrije wijken Ruim een kwart van de respondenten wil met andere inwoners uit de wijk samenwerken om de wijk aardgasvrij te maken, circa één op de drie wil dit 'misschien' Nagenoeg de helft is van mening dat het best gestart kan worden met aardgasvrij maken in wijken waar toch al werkzaamheden gepland staan. Benodigdheden aardgasvrij wonen Zowel huurders als eigenaren zoeken voornamelijk op het internet naar informatie of advies over aardgasvrij wonen. Ruim twee op de drie respondenten heeft informatie over kosten, subsidie- en financieringsmogelijkheden nodig om aardgasvrij te wonen. Gemeente West Betuwe zou volgens respondenten met name financieel kunnen ondersteunen, zorgen dat de overgang voor iedereen haalbaar is en collectieve oplossingen aanbieden. Met name respondenten jonger dan 45 jaar geven in verhouding vaak aan dat de gemeente v

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.