Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Zeist 2015BELEIDSREGELS VOORZIENINGEN MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING ZEIST 2015 Inhoudsopgave 1 INLEIDING De Wmo 2015 Wat verandert er Wat betekent dit Individuele voorzieningen Mantelzorgers en vrijwilligers 2 IN GESPREK MET DE INWONER Integrale ondersteuning via de Sociaal Team De melding Cliëntondersteuning Persoonlijk plan Voorbereiding op het gesprek Het gesprek Het gespreksverslag De aanvraag Termijnen 3 ALGEMENE ZAKEN RONDOM WMO-VOORZIENINGEN Woonachtig en hoofdverblijf Voor de aanvraag aangeschaft Langdurig noodzakelijk Op het individu gericht Aanvraag voor een al verstrekte voorziening 4 HET VOEREN VAN EEN HUISHOUDEN Wat verstaan we hieronder? Afwegingskader Wmo-maatwerkvoorzieningen Mantelzorg 5 BEGELEIDING Wat verstaan we hieronder? Afwegingskader Wmo-maatwerkvoorzieningen Mantelzorg (respijtzorg) 6 KORTDUREND VERBLIJF Wat verstaan we hieronder? Afwegingskader Wmo-maatwerkvoorzieningen Mantelzorg 7 HET THUIS ZORGEN VOOR DE KINDEREN Wat verstaan we hieronder? Afwegingskader Wmo-maatwerkvoorzieningen Mantelzorg 8 WONEN IN EEN GESCHIKT HUIS Wat verstaan we hieronder? Afwegingskader Wmo-maatwerkvoorzieningen Mantelzorg 9 VERPLAATSEN IN EN OM DE WONING Wat verstaan we hieronder? Afwegingskader Wmo-voorzieningen Mantelzorg 10 VERVOER EN HET AANGAAN EN ONDERHOUDEN VAN SOCIALE CONTACTEN 1 Wat verstaan we hieronder? 2 Afwegingskader 3 Wmo-maatwerkvoorzieningen 4 Mantelzorg 11 OVERIGE WMO-VOORZIENINGEN 1 Beschermd wonen 2 Doventolk in de leefsituatie 3 Maatschappelijke opvang 12 DE EXPERTPOULE 12.1 Medische advisering 13 WIJZE VAN VERSTREKKEN 1 Inleiding 2 Keuzemogelijkheid 3 In natura 4 Als persoonsgebonden budget 5 Als financiële tegemoetkoming 6 Als collectieve voorziening 14 EIGEN BIJDRAGE 1 Waarvoor geldt de eigen bijdrage? 2 Inkomen en vermogen 3 Duur en hoogte eigen bijdrage 4 Ondersteuning minima 15 POSITIE VAN DE INWONER 1 Klachten 2 Medezeggenschap 3 Mediation en bezwaar 16 KWALITEIT 1 Kwaliteit van hulp en voorzieningen 2 Kwaliteit en inzet van niet-professionals 3 Klanttevredenheid 4 Calamiteiten 5 Privacy 17 PROCEDURELE BEPALINGEN 1 Onderzoek en advies 2 Besluitvorming 3 Intrekking 4 Beëindiging 5 Terugvorderen BIJLAGE 1 - HANDREIKING NORMERING HULP BIJ HET HUISHOUDEN BIJLAGE 2 - OP GEHANDICAPTEN EN/OF OUDEREN GERICHTE WONINGEN BIJLAGE 3 - DE ICF-FUNCTIES BIJLAGE 4 - DE ICF: ACTIVITEITEN EN PARTICIPATIE BIJLAGE 5 - ONDERSTEUNING VOOR MANTELZORGERS Verklarende woordenlijst Alg. gebruikelijke voorziening: Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn in principe voor iedereen beschikbaar, of mensen nu wel of geen beperking hebben. Een voorziening is algemeen gebruikelijk als die: niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking én; in de reguliere handel verkrijgbaar is, én in prijs vergelijkbaar is met soortgelijke producten. Wat hier onder valt, verschuift in de tijd. Voorbeelden zijn de mobiele telefoon en de hoge toiletpot. Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn voorliggend op individuele voorzieningen. Algemene voorziening: Aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het versterken van zelfredzaamheid en participatie, of op opvang. AWBZ: Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Besluit: Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Zeist
- CAK: Centraal Administratie Kantoor, het orgaan dat de eigen bijdragen voor de Wmo en Wet langdurige zorg berekent en int. CJG: Centrum voor Jeugd en Gezin. Collectieve voorziening: Voorzieningen die voor iedereen beschikbaar zijn. Voor individuen en/of bepaalde doelgroepen kan een indicatie worden afgeven om bij gebruik van deze voorziening ook voor bepaalde (financiële) voordelen in aanmerking te kunnen komen. CRvB: Centrale Raad van Beroep. Expertpoule: Poule van experts op diverse relevante vakgebieden die onder andere door het Sociaal Team om advies gevraagd kan worden. Dit zowel in het kader van de Wmo als van de Jeugdwet. Gebruikelijke zorg: De normale, dagelijkse zorg die partners, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten geacht worden elkaar onderling te bieden. Het principe “gebruikelijke zorg” is gebaseerd op de gedachte dat een leefeenheid samen verantwoordelijk is voor de gangbare dagelijkse taken (bijvoorbeeld huishoudelijk werk) en heeft in de regel een verplichtend karakter. Gesprek: Gesprek tussen een medewerker van het Sociaal Team en een inwoner over de situatie en problematiek van de inwoner, waarbij samen gezocht wordt naar oplossingen. Gespreksverslag: Verslag van het gesprek waarin o.a. alle gemaakte afspraken zijn verwoord en dat, mits ondertekend, kan dienen als aanvraag voor Wmo-voorzieningen. ICF: International Classification of Functioning, Disabilities and Health. Individuele voorziening: Dit zijn voorzieningen waarbij gebruik alleen mogelijk is via een gemeentelijk besluit. De wet bepaalt dat gemeenten over individuele voorzieningen een eigen bijdrage kunnen heffen en dat gemeenten inwoners de keuze moeten geven tussen een voorziening in natura of een persoonsgebonden budget. Het aanvragen en toekennen wordt geregeld in een verordening. Kortdurend verblijf: Logeren in een instelling gedurende maximaal drie etmalen per week, gepaard gaande met persoonlijke verzorging, verpleging of begeleiding indien de verzekerde aangewezen is op permanent toezicht en indien ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg aan de verzekerde levert, noodzakelijk is. Mantelzorger: Mantelzorg is langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, door personen uit zijn omgeving waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg overstijgt. Outreachend werken: Wijze van werken waarin zelf het initiatief genomen wordt om een inwoner die hulp of zorg nodig lijkt te hebben, te benaderen. Pgb: Persoonsgebonden budget, een bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een inwoner van derden heeft betrokken. Respijtzorg: Het tijdelijk overnemen van de totale zorg ter ontlasting van de mantelzorger door beroepskrachten of vrijwilligers in de vorm van thuisopvang, dagopvang, kortdurende opname enzovoort. Sociaal netwerk: Personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt. Sociaal Team: Multidisciplinair team dat binnen een wijk het eerste aanspreekpunt is voor hulp- en zorgvragen in het kader van de Wmo. Spoed: Niet uitstelbare hulp, waarbij de consequentie van uitblijvende oplossing binnen 24 tot 48 uur zal leiden tot onaanvaardbare (gezondheids-)risico’s. De niet uitstelbare hulp kan gericht zijn op het belang van jonge kinderen in een huishouding, ernstige verwaarlozing, en situaties waarin inwoners een bedreiging vormen voor zichzelf en/of anderen. Verordening: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zeist
- De in deze beleidsregels vermelde artikelnummers verwijzen naar deze verordening, tenzij anders vermeld. Vrijwilliger: Iemand die uit vrije wil zorg verricht, buiten een vast dienstverband. Meestal wordt de zorg verleend vanuit een georganiseerd verband. Tussen de vrijwilliger en degene aan wie de zorg wordt verleend, bestaat vooraf meestal geen relatie. Wijken: De vijf wijken van de gemeente Zeist: Zeist Centrum, Zeist Noord, Zeist Oost (waaronder Austerlitz), Zeist West en Huis ter Heide, Bosch en Duin, Den Dolder. Wlz: Wet langdurige zorg. Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning. Wvg: Wet voorzieningen gehandicapten. Deze wet gold tot en met 2006 en was de voorganger van de Wmo. 1 INLEIDING 1.1 De Wmo 2015 Per 1 januari 2015 is de nieuwe Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (kortweg Wmo 2015) van kracht. Deze vervangt de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) uit
- De Wmo 2015 bouwt voort op de ervaringen die zijn opgedaan met de Wmo sinds 2007 en breidt de verantwoordelijkheid van gemeenten voor maatschappelijke ondersteuning uit. Gemeenten zijn nu verantwoordelijk voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van mensen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen. Die ondersteuning moet erop gericht zijn dat mensen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. Voor mensen met psychische of psychosociale problemen of voor mensen die, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, de thuissituatie hebben verlaten, voorzien gemeenten in de behoefte aan beschermd wonen en opvang. 1.2 Wat verandert er 1.2.1 MaatwerkvoorzieningIn de Wmo 2015 is de term “maatwerkvoorziening” geïntroduceerd. Maatwerk is breder dan de compensatieplicht zoals die tot 2015 in de Wmo stond. De maatwerkvoorziening is aanvullend op wat iemand zelf kan bijdragen en vormt, samen met de inzet van eigen kracht of indien van toepassing gebruikelijke hulp of mantelzorg, een samenhangend ondersteuningsaanbod, ofwel maatwerk. Ook het gebruik van een algemene voorziening kan, afhankelijk van de omstandigheden van de betreffende inwoner, tot het vereiste maatwerk leiden. Gemeenten hebben in de nieuwe Wmo nog steeds een resultaatverplichting. Het uitgangspunt is dat zelfredzaamheid en participatie de verantwoordelijkheid zijn van mensen zelf. Maar gemeenten zijn gehouden om beleid te maken ter ondersteuning van mensen die niet volledig zelf kunnen voorzien in hun redzaamheid en participatie, of behoefte hebben aan beschermd wonen of opvang. 1.2.2 Nieuwe takenVanuit de AWBZ is een aantal taken overgeheveld naar de gemeenten. Het betreft: - Begeleiding; - Kortdurend verblijf; - Beschermd wonen; - Doventolk (voor het leven van alledag). 1.3 Wat betekent dit De veranderingen in de langdurige zorg gaan veel vragen van alle betrokkenen. Degenen die een beroep doen op ondersteuning of zorg worden eerst aangesproken op wat zij samen met hun sociale netwerk kunnen doen. Gemeenten moeten nog meer naast de burger gaan staan. Zorgaanbieders moeten meer mens- en buurtgericht gaan werken. Van zorgverzekeraars en zorgkantoren wordt verwacht dat zij samenwerken met gemeenten en meer verantwoordelijkheid nemen voor de kwaliteit van de zorg in instellingen en door beroepsbeoefenaren. En van de samenleving als geheel vraagt deze hervorming meer betrokkenheid bij en zorg voor elkaar. De scheiding van het gesprek en de daadwerkelijke Wmo-aanvraag wordt aangescherpt, omdat het gesprek in de wijk plaatsvindt en de aanvraag via een centrale backoffice van de gemeente loopt. De medewerker van het Sociaal Team (of het Centrum voor Jeugd en Gezin bij vragen rondom jeugdigen) die het gesprek voert, is niet betrokken bij de afhandeling van de aanvraag. Hierdoor kan hij of zij zich beter richten op de eigen mogelijkheden van de inwoner en zijn of haar omgeving. 1.4 Individuele voorzieningen Via de Wmo worden er door de gemeente individuele en algemene voorzieningen (voor groepen mensen) verzorgd. Deze beleidsregels gaan over de individuele Wmo-ondersteuning aan inwoners. Echter, algemene voorzieningen kunnen uiteindelijk wel deel uitmaken van het individuele arrangement van de inwoner in kwestie. 1.5 Mantelzorgers en vrijwilligers Een bijzondere groep vormen de mantelzorgers en vrijwilligers. Van hen wordt een belangrijke inzet verwacht. Hierdoor staan mantelzorgers en vrijwilligers ook steeds meer onder druk. In Zeist proberen we de mantelzorgers en vrijwilligers te ondersteunen. Belangrijk hierbij is om te weten wat mantelzorgers en vrijwilligers nodig hebben. Het is belangrijk dat ze dat zelf aangeven, en dus een eigen stem hebben, bijvoorbeeld in het gesprek waar zowel de inwoner met een hulpvraag als zijn of haar mantelzorger bij aanwezig kunnen zijn. . 2 IN GESPREK MET DE INWONER De inwoner staat centraal. Als een inwoner zich bij het Sociaal Team meldt, is het de bedoeling dat hij of zij en de medewerker van het Sociaal Team samen, met een open blik, op zoek gaan naar een geschikte oplossing voor een vraag die de inwoner voorlegt. Ligt het accent vooral op gezins- en of jeugdproblematiek, dan kan de inwoner bij het CJG terecht. 2.1 Integrale ondersteuning via de Sociaal Team Het Sociaal Team werkt wijkgericht en outreachend in de vijf wijken van Zeist. In het Sociaal Team zijn de volgende functies vertegenwoordigd: - Wmo-consulent; - Wijkverpleegkundige; - Welzijnswerker; - Cliëntondersteuner (bijvoorbeeld medewerker Algemeen Maatschappelijk Werk of MEE-consulent). De leden van het Sociaal Team zijn centraal in de wijken gevestigd, bijvoorbeeld in een wijkservicepunt. In elke wijk is er per week in ieder geval drie dagdelen iemand van het Sociaal Team aanwezig. Inwoners kunnen bij het Sociaal Team met of zonder afspraak terecht. Ze kunnen dus gewoon tijdens de openingstijden binnenlopen of van te voren een afspraak maken, bijvoorbeeld met het klantcontactcentrum (KCC) van de gemeente. Inwoners kunnen langskomen voor eenvoudige vragen of advies, of voor een melding, waaruit een gesprek volgt. 2.2 De melding We maken een scheiding tussen een melding en een formele aanvraag. Een inwoner met een hulpvraag kan een melding doen bij de gemeente of het Sociaal Team. Bij afwezigheid van het Sociaal Team kan er ook een melding worden gedaan bij de balie van het wijkservicepunt. Een melding kan gezien worden als een roep van de inwoner: “Ik heb een probleem, ik kom er alleen niet uit. Gemeente (Sociaal Team), denk alstublieft met me mee over een oplossing!”. Het kan ook een vraag zijn waarbij de inwoner geholpen is met informatie en advies. De melding hoeft overigens niet van de inwoner zelf te komen. Een familielid of vriend kan bijvoorbeeld ook een melding doen als hij of zij een probleem waarneemt. In dat geval wordt deze melding “signaal” genoemd. Voor het doen van een melding kan contact worden opgenomen met het klantcontactcentrum van de gemeente Zeist via telefoonnummer 14
- Ook kan het meldingsformulier via www.zeist.nl digitaal worden ingevuld of gedownload en worden opgestuurd. De gemeente stuurt na ontvangst van de melding een ontvangstbevestiging en streeft ernaar om uiterlijk 10 werkdagen na binnenkomst van de melding het gesprek te laten plaatsvinden, met uitzondering van spoedprocedures. Deze worden sneller opgepakt. Zo nodig wordt een tijdelijke Wmo-voorziening getroffen in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Als de inwoner zich meldt met een (hulp)vraag en er een gesprek plaatsvindt, dan wordt gestart met het opnemen van een aantal persoonsgegevens, inclusief legitimatie. Vervolgens wordt aan de hand van een methodiek voor integrale vraagverheldering het gesprek gevoerd. Deze methodiek waarborgt dat alle gesprekken met inwoners een enigszins gelijke structuur hebben en er na het gesprek een gestructureerd verslag kan worden opgesteld. Naar aanleiding van het gesprek wordt een verslag opgesteld, waarin de verder te ondernemen acties worden vermeld. Dit zijn acties voor de inwoner en voor het Sociaal Teamlid of collega of ketenpartner. Het Sociaal Teamlid dat het gesprek heeft gevoerd, blijft verantwoordelijk voor de eigen acties en de acties van de collega of ketenpartners, totdat deze zijn overgedragen aan de juiste persoon of partij. 2.3 Cliëntondersteuning Inwoners die een melding doen en een gesprek met het Sociaal Team gaan voeren, mogen natuurlijk een partner, familielid of vriend meenemen naar het gesprek ter ondersteuning. Ook kunnen inwoners gebruik maken van kosteloze en onafhankelijke cliëntondersteuning om bijgestaan te worden tijdens het gesprek. Dit kan direct via het Sociaal Team geregeld worden. In de ontvangstbevestiging van de melding en bij het maken van de afspraak voor het gesprek wordt de inwoner op deze mogelijkheid gewezen. 2.4 Persoonlijk plan Inwoners hebben de mogelijkheid om voorafgaand aan het gesprek een persoonlijk plan in te dienen. Hierover wordt de inwoner geïnformeerd in de ontvangstbevestiging naar aanleiding van de melding. Vervolgens heeft de inwoner zeven dagen om het plan in te dienen. Er zijn geen vormvereisten aan het persoonlijk plan. Het persoonlijk plan kan bijvoorbeeld de volgende gegevens bevatten: - Diagnoses die bij de inwoner gesteld zijn; - Stoornissen en beperkingen die de inwoner hierdoor ervaart; - Gestelde prognoses; - Informatie over mogelijke hulp van naasten; - Mogelijke oplossingen volgens de inwoner. In een persoonlijk plan kan aandacht besteed worden aan de volgende vragen: - Welke doelen wil ik bereiken; - Wat heb ik daarvoor nodig; - Hoe vul ik dat concreet in; - Wie helpt mij daarbij; - Hoe evalueer ik de ingezette zorg en hulp. 2.5 Voorbereiding op het gesprek Voorafgaand aan het gesprek verzamelt de professional alle relevante informatie die noodzakelijk is voor een zorgvuldig onderzoek. Aan de inwoner kan gevraagd worden om ter voorbereiding van het gesprek gegevens te verschaffen die voor het gesprek en het totale onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Voorafgaand aan het gesprek zal de inwoner gevraagd worden om zich te identificeren met een officieel legitimatiebewijs. 2.6 Het gesprek 2.6.1 UitgangspuntenHet gesprek vindt plaats in een gelijkwaardige en veilige setting. De inwoner moet het gevoel hebben dat hij of zij open over de eigen situatie kan praten en daarbij gehoord wordt zonder beoordeeld te worden. Het gesprek kan bijvoorbeeld bij de inwoner thuis plaatsvinden of in een spreekkamer in het wijkservicepunt. Het gesprek wordt gevoerd aan de hand van de uitgangspunten van de Brede Sociale Visie van de gemeente Zeist: - In Zeist geloven we in de eigen kracht van mensen en hun omgeving; - In Zeist laten we de regie bij mensen zelf; - In Zeist verwachten we dat mensen deelnemen aan het maatschappelijk leven; - In Zeist zorgen we voor mensen in kwetsbare situaties; - In Zeist hechten we waarde aan maatwerk; - In Zeist zorgen we met elkaar. Dat betekent aandacht voor: - Zorg en ondersteuning dicht bij de inwoner en laagdrempelig; - Het benutten van de eigen mogelijkheden van de inwoner, sociaal netwerk en omgeving; - Goede informatievoorziening over mogelijkheden om zelf zorg te organiseren; - Algemene en collectieve voorzieningen als eerste stap. Is dit niet voldoende, dan worden er resultaatgerichte afspraken voor gespecialiseerde ondersteuning gemaakt; - De zorgbehoefte in de toekomst; -Integrale benadering van specifieke situaties: 1 huishouden, 1 plan en waar nodig 1 regisseur; - Privacybescherming en informatiebeveiliging. 2.6.2 ZelfredzaamheidsmatrixHet gesprek wordt gevoerd aan de hand van de zelfredzaamheidsmatrix. Dit is een hulpmiddel waarmee de zelfredzaamheid op alle maatschappelijke terreinen wordt gemeten. Deze meetresultaten kunnen bijvoorbeeld vergeleken worden met een meting enige tijd later. Hierdoor worden de resultaten van de acties die naar aanleiding van het gesprek worden genomen, inzichtelijk en meetbaar gemaakt. Tijdens het gesprek komen de volgende gespreksonderwerpen aan de orde: - Financiën; - Dagbesteding; - Huisvesting; - Huiselijke relaties; - Geestelijke gezondheid; - Lichamelijke gezondheid; - Verslaving; - Activiteiten van het dagelijks leven (ADL); - Sociaal netwerk; - Maatschappelijke participatie; - Justitie. Het is natuurlijk afhankelijk van de inwoner bij welk onderwerp lang en bij welk onderwerp kort wordt stilgestaan. Per gespreksonderwerp wordt de gespreksmatrix ingevuld.
- acute problematiek
- niet zelfredzaam
- beperkt zelfredzaam
- voldoende zelfredzaam
- volledig zelfredzaam Financien Geen inkomsten. Hoge, groeiende schulden Onvoldoende inkomsten en/of spontaan of ongepast uitgeven. Groeiende schulden. Komt met inkomsten aan basisbehoeften tegemoet en/of gepast uitgeven. Eventuele schulden zijn ten minste stabiel en/of bewindvoering/ inkomensbeheer. Komt aan basisbehoeften tegemoet zonder uitkering. Beheert eventuele schulden zelf en deze verminderen. Inkomsten zijn ruim voldoende, goed financieel beheer. Heeft met inkomen mogelijkheid om te sparen. Dagbesteding Geen dagbesteding en veroorzaakt overlast. Geen dagbesteding maar geen overlast. Laagdrempelige dagbesteding of arbeidsactivering. Hoogdrempelige dagbesteding of arbeidstoeleiding of tijdelijk werk en/ of volgt opleiding voor startkwalificatie (havo, vwo, of mbo-2). Vast werk en/of volgt opleiding hoger dan start-kwalificatie (havo, vwo, of mbo-2). Huisvesting Dakloos en/of in nachtopvang. Voor wonen ongeschikte huisvesting en/of huur/hypotheek is niet betaalbaar en/of dreigende huisuitzetting. In veilige, stabiele huisvesting maar slechts marginaal toereikend en/of in onderhuur of niet autonome huisvesting. Huishouden heeft veilige, toereikende huisvesting en (huur)contract met bepalingen en/of gedeeltelijk auto-nome huisvesting. Huishouden heeft veilige, toereikende huisvesting en regulier (huur)con-tract en/of autonome huisvesting. Huiselijke relaties Sprake van huiselijk geweld, kindermis-handeling of verwaarlozing. Leden van het huishouden gaan niet goed met elkaar om en/of potentieel huiselijk geweld, kindermishandeling of verwaarlozing. Leden van het huishouden erkennen problemen en proberen negatief gedrag te veranderen. Relationele problemen tussen leden van het huishouden zijn niet (meer) aanwezig en/of woont alleen. Communicatie tussen leden van het huishouden is consistent open. Leden van het huis-houden ondersteunen elkaar. Geestelijke gezondheid Een gevaar voor zichzelf of anderen en/of terugkerende suïcideideatie. Ernstige moeilijkheden in het dage-lijks leven door geestelijke stoornis. Aanhoudende geestelijke gezondheids-problemen die het gedrag kunnen be-ïnvloeden, maar geen gevaar voor zichzelf/anderen. Moeilijkheden in het dagelijks functioneren door symptomen en/of geen behandeling. Milde symptomen kunnen aanwezig zijn en/of enkel matige functione-ringsmoeilijkheden door geestelijke problemen en/of behandeltrouw is minimaal. Minimale sympto-men die voorspel-bare reactie zijn op stressoren in het leven en/of margi-nale beperking van functioneren en/of goede behandel-trouw. Symptomen zijn afwezig of zeldzaam. Goed of superieur functioneren in een groot aantal diverse activiteiten. Niet meer dan de dagelijkse beslommeringen of zorgen. Lichamelijke gezondheid Heeft direct medische aandacht nodig. Een noodgeval/kritieke situatie. Een (direct/chroni-sche) medische aandoening die regelmatige behandeling vereist wordt niet behandeld. Matige beperking van (lichamelijke) activiteiten tgv een lichamelijk gezond-heidprobleem. Een (chronische) medische aan-doening wordt behandeld maar behandeltrouw is minimaal. De lichamelijke gezondheidproblemen leiden tot een lichte beperking in mobiliteit en activiteit. Erkent behoefte aan hulp voor de (chronische) medische aandoening. Goede behandeltrouw. Er zijn geen directe of voortdurende medische problemen. Verslaving Voldoet aan criteria voor ernstig misbruik/ verslaving. Resulterende problemen zijn zo ernstig dat institutionalisering of hospitalisatie noodzakelijk is. Voldoet aan criteria voor verslaving. Preoccupatie met gebruiken en/of bemachtigen van middelen. Onthou-dingsverschijnselen of afkickontwijkend gedrag zichtbaar. Gebruik resulteert in ontwijken of verwaarlozen van essentiële activiteiten van het dagelijks leven. Gebruik binnen de laatste 30 dagen. Aanwijzingen voor aan middelengebruik gerelateerde sociale, werkgerela-teerde, emotionele of fysieke problemen. Gebruik interfereert niet met essentiële activiteiten van het dagelijks leven en/of behandeltrouw is minimaal Inwoner heeft gedurende de laatste 30 dagen gebruikt maar er zijn geen sociale, werkgerelateerde, emotionele of fysieke problemen ten gevolge van het gebruik zichtbaar. Geen aantoonbaar voortdurend of ge-vaarlijk middelen-gebruik en/of goede behandeltrouw. Geen middelenge-bruik/misbruik in de laatste 30 dagen. Activiteiten dagelijks leven Ernstige beperkingen op alle of bijna alle gebieden van zelfzorg en complexe activiteiten. Belangrijk probleem op één of meer gebieden van zelfzorg (eten, wassen, aankleden, naar toilet gaan) en meerdere complexe activiteiten worden niet uitgevoerd. Voorziet in de meeste maar niet alle basis behoeften van het dagelijks leven en de zelfzorg is op peil, maar één of meerdere complexe activiteiten worden niet uitgevoerd. Voorziet in alle basis behoeften van het dagelijks leven en alleen ondergeschikte problemen (bijvoorbeeld slordig zijn, gedesorganiseerd). Geen problemen van deze aard en functioneert goed op alle gebieden. Sociaal netwerk Gebrek aan nood-zakelijke steun van familie/ vrienden en geen contacten buiten eventuele foute vriendenkring of ernstig sociaal isolement. Familie/ vrienden hebben niet de vaardigheden/mogelijkheden om te helpen en nauwelijks contacten buiten eventuele foute vriendenkring. Blijvend, belangrijk probleem als gevolg van actief of passiefterugtrekken uit sociale relaties. Enige steun van familie/vrienden en enige contacten buiten eventuele foute vriendenkring. Duidelijk probleem in maken of onderhouden van ondersteunende relaties. Voldoende steun van familie/ vrienden en weinig contacten met eventuele foute vrienden. Gezond sociaal netwerk en geen foute vrienden. Maatschappelijke participatie Niet van toepassing door crisissituatie en/of in ‘overlevings-modus’ Maatschappelijk geïsoleerd en/of geen sociale vaardighe-den en/of gebrek aan motivatie om deel te nemen. Nauwelijks participerend in maatschappij en/of gebrek aan vaardigheden om betrokken te raken Enige maatschap-pelijke participatie (bijv. adviesgroep, steungroep) maar er zijn hindernissen zoals mobiliteit, discipline, of kinderopvang. Actief participerend in de maatschappij. Justitie Zeer regelmatig (maandelijks) contact met politie en/of openstaande zaken bij justitie. Regelmatig (meer-dere keren per jaar) contact met politie en/of lopende zaken bij justitie. Incidenteel (eens per jaar) contact met politie en/of voorwaardelijke straf of invrijheidstelling. Zelden (minder dan eens per jaar) contact met politie en/of strafblad. Geen contact met politie. Geen strafblad. 2.6.3 Oplossingen en afspraken met de cliëntSamen met de inwoner en de eventuele andere gesprekspartner(s), wordt bekeken welke oplossingen voor het probleem of de problemen mogelijk zijn. Op basis van deze oplossingen worden afspraken gemaakt. Hierbij wordt allereerst ingezoomd op eigen kracht, het eigen sociale netwerk. Dan de algemene en collectieve voorzieningen. Pas als laatste de Wmo-maatwerk-voorzieningen. Deze oplossingen kunnen op verschillende gebieden liggen: 2.6.3.1 Andere gewoontes, andere taakverdeling of andere indeling van de woningVeel mensen zijn gewend om het huishouden op een vaste dag te doen. Als dat door ouderdom, te zwaar wordt, dan kan het een oplossing zijn om de taken in een aangepast tempo meer te spreiden over de week. In het geval dat iemand problemen heeft met het zich verplaatsen met de rollator in het huis, dan kan een andere indeling van de woonkamer misschien helpen om meer ruimte te creëren om te manoeuvreren. Mevrouw De Vries heeft aan haar zoon gevraagd om de eettafel met de lange kant tegen de muur te zetten in plaats van met de korte kant. Hierdoor heeft ze een bredere doorgang, zodat ze er beter langs kan met haar rollator. Harry is verslaafd geweest aan alcohol. Als hij na zijn werk boodschappen gaat doen, dan vindt hij het moeilijk om de drank in de supermarkt te weerstaan. Hij heeft in overleg met zijn leidinggevende zijn werktijden aangepast zodat hij ’s morgens voor het werk de boodschappen kan doen. ’s Morgens heeft hij nog geen zin in drank. 2.6.3.2 Hulp van huisgenotenVan (gezonde) huisgenoten mag verwacht worden dat zij de taken overnemen van degene die hierin beperkt is. Ook kunnen de huisgenoten ondersteunen door de persoon met beperkingen te helpen met hun taak. De overname van huishoudelijke taken is niet vrijblijvend, maar heeft een verplichtend karakter. Rachida
(26)is getrouwd en woont samen met haar man. Ze zit in een rolstoel. Haar man doet het grootste gedeelte van het huishouden, bijvoorbeeld stofzuigen en de badkamer. Rachida probeert zoveel mogelijk te helpen met de dingen die ze wel kan, zoals de wasverzorging. Samen verzorgen ze zo alle huishoudelijke taken. Mevrouw Bakker, een oudere dame die moeilijk ter been is, vouwt de was zittend op. Haar man zet de wasmand naast haar neer en de gevouwen was legt hij later in de kast. Mevrouw Bakker is blij dat ze het vouwen zelf kan doen, want dan gebeurt het ten minste netjes. 2.6.3.3 Hulp van familie, buren, vrienden of andere mantelzorgersMisschien zijn er familieleden, buren, vrienden of andere mensen die structureel of op afroep willen helpen of hun hulp willen uitbreiden. Eventueel kan degene die hulp ontvangt ook weer, binnen de eigen mogelijkheden, iets terug doen voor dezelfde persoon of voor iemand anders. Buurman Jansen doet het tuinonderhoud bij de heer De Vries, een buurtgenoot van 83 jaar. Buurvrouw Verweij helpt hem wekelijks met het stofzuigen. De heer De Vries op zijn beurt, fungeert als het afgiftepunt voor alle pakketjes voor de buurt. Hij is immers veel thuis, zijn buren zijn er erg mee geholpen en hij heeft veel sociale contacten hierdoor. Hans zit in de schulden. Sinds zijn neef Simon dat weet, helpt hij Hans. Niet door hem geld te geven, maar door hem met zijn gezin mee te laten eten, zodat Hans weer wat bespaart op de boodschappen. Ook heeft Simon samen met Hans een budgetplan gemaakt. Hans op zijn beurt helpt Simon nu met het opknappen van een oude auto. 2.6.3.4 Hulp van vrijwilligersOok vrijwilligers kunnen eventueel helpen. Er zijn in Zeist vele organisaties die vrijwilligers inzetten voor sociaal-maatschappelijke doelen. Ook is er de mogelijkheid om via VIA-VIA Vrijwillig in actie, het steunpunt voor vrijwilligerswerk, een vrijwilliger te zoeken. Jeremy
(24)is al diverse malen in contact gekomen met de politie. Elke keer met van die kleine dingetjes. Maar zijn moeder is bang dat hij stopt met school en de criminaliteit in gaat. Sinds hij via VIA-VIA gekoppeld is aan een maatje, gaat Jeremy weer naar school en heeft de politie geen interesse meer in hem. Zijn maatje John is een stoere vent met een motor waar Jeremy tegenop kijkt. De heer De Jong
(89)was vroeger hovenier. Via het steunpunt vrijwilligerswerk is er een vrijwilligster, Lenie (62 jaar), gevonden die ook van bloemen en planten houdt. Wekelijks komt ze bij de heer De Jong langs om samen de orchideeën van meneer te verzorgen. Ook gaan ze in de zomer naar de botanische tuinen en naar de boomgaarden. De heer De Jong geniet hier zichtbaar van. 2.6.3.5 Maatschappelijk aanbodIn de gemeente Zeist zijn vele maatschappelijke organisaties, verenigingen en clubs die actief bijdragen aan het welzijn van haar inwoners. Het aanbod is erg breed, van inloophuizen tot voetbalverenigingen en van creatieve cursussen tot muziekverenigingen. Sinds haar man drie jaar geleden is overleden, voelt mevrouw Smit zich erg eenzaam. Ze heeft weinig kennissen en komt weinig de deur uit. Een nieuwe buurvrouw heeft haar verteld over het wijkinloophuis, waar ze elke dinsdagmiddag de bridgeclub heeft. Hoewel mevrouw Smit niet bridget, laat ze zich toch overhalen om een keer mee te gaan. Dit bevalt haar zo goed, dat ze nu drie of vier keer per week in het inloophuis te vinden is en ook helpt met het zetten van de koffie. Mehmet woont in het asielzoekerscentrum is sinds twee jaar lid van de schaakclub in het dorp. Hij is erg timide, maar één van zijn clubgenoten is er toch achter gekomen dat hij vrij eenzaam is. Om hem uit zijn isolement te halen, spelen een aantal clubgenoten nu regelmatig een spelletje schaak met hem op het asielzoekerscentrum. Er is intussen al een soort van AZC-competitie ontstaan. 2.6.3.6 Commerciële dienstenCommerciële diensten kunnen ook een uitkomst zijn om problemen op te lossen. Denk hierbij aan de werkster, de tuinman, de glazenwasser en de kinderopvang. Mevrouw van Wijk
(69)vindt het maar niets dat haar man
(74)zelf nog op de ladder klimt om de ramen te lappen van de hogere verdiepingen. Ze heeft haar man onlangs overgehaald om toch een glazenwasser te nemen. Dit bevalt goed. De heer Van Wijk is stiekem ook wel opgelucht dat hij deze taak niet meer hoeft te doen. Mevrouw Draaisma
(91)heeft dementieklachten. Ze woont in een zorgflat. Ze gaat elke eerste zondag van de maand naar haar familie in Loosdrecht. Voor het vervoer maakt ze altijd gebruik van een plaatselijk taxibedrijf. Dat kost wel wat, maar het is slechts één keer per maand en mevrouw kan het prima betalen. Ze is erg tevreden over de dienstverlening van het bedrijf en de chauffeurs kennen haar inmiddels. 2.6.3.7 Medische behandeling/therapieMogelijk is meer zelfstandigheid te behalen door medische behandeling of therapie. Behandeling is voorliggend aan het verstrekken van Wmo voorzieningen. Angelie
(46)is door een oogziekte ernstig slechtziend geworden. Ze vindt het lopen door een straat nu doodeng. Bij Bartiméus leert ze nu om met een taststok te lopen en over te steken. Ze vindt het buiten zijn nu nog steeds spannend, maar het gaat steeds beter. Johan (22 jaar) durft door een angststoornis niet naar drukke plaatsen te gaan. In een supermarkt is hij al maanden niet geweest. Hij volgt nu groepstherapie bij een GGZ-instelling. Daar leert hij met zijn angst om te gaan. Misschien kan hij binnenkort met zijn moeder, op een rustig moment van de dag, samen boodschappen gaan doen. 2.6.3.8 Hulpmiddelen Hulpmiddelen kunnen ook handig zijn om problemen op te lossen of te verminderen. Deze kunnen, in het kader van de Wmo, door de gemeente verstrekt worden, maar er zijn ook vele hulpmiddelen die particulier aangeschaft kunnen worden. De heer Meijer (77 jaar) woont alleen. Hij is altijd erg geïnteresseerd geweest in technische snufjes. Via zijn tabletcomputer onderhoudt hij contact met zijn kleinkinderen in Zuid-Afrika. En hij heeft er altijd erg veel plezier in om zijn nieuwe robotstofzuiger aan het werk te zien. Het is, in verband met zijn rugklachten, fijn dat hij niet meer zelf hoeft te stofzuigen. Sjaan heeft door haar reuma moeite met het snijden van voedsel. Bij de thuiszorgwinkel heeft ze nu speciale messen gevonden met een ergonomische greep waardoor ze veel minder pijnklachten heeft bij het koken. 2.7 Het gespreksverslag Van het gesprek wordt door de medewerker van het Sociaal Team altijd een gespreksverslag gemaakt volgens een vastgelegd format. Dit verslag wordt naar de inwoner gestuurd en opgeslagen in de administratie van het Sociaal Team. In het gespreksverslag wordt het volgende aangegeven: - Persoonlijke gegevens; - Informatie over het gesprek en de consulent (wanneer, waar, met wie); - De zelfredzaamheidsmatrix, waaruit blijkt: - De situatie van inwoner; - De besproken problemen van inwoner; - De te bereiken resultaten; - De eigen kracht van inwoner en zijn omgeving; - De oplossingen en de toegang daartoe; - De afspraken die zijn gemaakt; - De afspraken over de nazorg. Het ondertekende gespreksverslag kan gebruikt worden als aanvraag voor Wmo-voorzieningen bij de gemeente. Nagekomen opmerkingen van of namens de inwoner worden als bijlage bij het verslag gevoegd. Het gespreksverslag met eventuele bijlagen wordt door Sociaal Team in het digitale cliëntdossier opgeslagen. 2.8 De aanvraag 2.8.1 Hoe aanvragenAls de inwoner na het gesprek een Wmo-voorziening wil aanvragen, kan een aanvraag worden ingediend. Dit kan op verschillende manieren, afhankelijk van het voortraject: - Als nieuwe cliënt, na een gesprek en het daarop volgende onderzoek: door het ondertekende onderzoeksverslag (waarin de aanvraag is genoemd) terug te sturen aan de gemeente; - Als nieuwe cliënt, zonder gesprek: door het sturen van een aanvraagformulier; - Als bestaande cliënt: met een wijzigingsformulier. Als een nieuwe cliënt direct een aanvraagformulier indient, dan zal aan hem of haar een gesprek worden aangeboden. Dit gesprek (en het daarop volgende onderzoek) is nodig voor een goede afweging van de eigen mogelijkheden van de inwoner. Als de inwoner het gesprek weigert, dan zal de aanvraag zo goed mogelijk beoordeeld worden door de gemeente. Echter, gebrek aan medewerking en informatie van de inwoner kan tot buitenbehandeling van de aanvraag leiden. Alle hierboven genoemde formulieren zijn te vinden op www.zeist.nl. 2.8.2 DoorzendplichtAls de aanvraag niet onder de Wmo, maar onder een andere wettelijke regeling (zoals de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet) valt, dan stuurt de gemeente de aanvraag door naar de juiste instantie. Als de aanvraag naar de verkeerde gemeente is gestuurd, dan wordt deze doorgezonden. En als het een aanvraag is voor jeugdhulp, dan wordt deze warm aan het CJG overgedragen. Aanvragen die betrekking hebben op beschermd wonen worden doorgezonden aan het college van burgemeester en wethouders van centrumgemeente Utrecht waar deze regeling wordt uitgevoerd. Dit gebeurt nadat een gesprek met de professional van het Sociaal Team heeft plaatsgevonden. 2.8.3 Inspelen op signalenHet Sociaal Team heeft de mogelijkheid om naar aanleiding van een signaal uit de samenleving of een mondelinge aanvraag, acties in gang te zetten. Als een signaal binnenkomt, dan wordt aan de signaleerder gevraagd wat hij zelf al heeft gedaan naar aanleiding van het signaal. Vervolgens worden er afspraken gemaakt over wat de signaleerder zelf nog kan doen en wat het Sociaal Team oppakt. 2.9 Termijnen Voor het afhandelen van meldingen en aanvragen gelden de volgende termijnen: - Melding: Na de melding volgt zo snel mogelijk een gesprek. Voor het gesprek is geen officiële termijn gesteld, maar gestreefd wordt om het binnen 10 werkdagen te voeren. Als na zes weken geen onderzoek is gedaan vanuit het Sociaal Team op een melding, dan mag de melder direct een aanvraag voor een Wmo-maatwerkvoorziening indienen. De Wmo-specialist van de gemeente heeft dan nog twee weken de tijd om de aanvraag te behandelen en te beschikken. - Verslag: Volgt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vijf werkdagen na afronding van het onderzoek. - Beschikking: Binnen acht weken na de melding, als het na de melding tot een aanvraag komt. De cliënt kan in alle gevallen nadat aan het college is gemeld dat hij maatschappelijke ondersteuning nodig heeft, een aanvraag om een maatwerkvoorziening indienen. Dit ook als het onderzoek niet is afgerond binnen de vastgelegde termijn van 6 weken, Het college moet dan hierop binnen 2 weken een beslissing nemen. Tegen deze beschikking is bezwaar en beroep mogelijk. 3 ALGEMENE ZAKEN RONDOM WMO-VOORZIENINGEN Voordat dieper ingegaan wordt op de problematiek en de eventueel in te zetten maatwerkvoorzieningen, wordt eerst een aantal algemene zaken beoordeeld: - Is de inwoner inderdaad woonachtig in de gemeente Zeist?; - Is de gevraagde voorziening al aangeschaft?; - Is de gevraagde voorziening langdurig noodzakelijk?; - Is de gevraagde voorziening gericht op het individu?; - Betreft het een voorziening ter vervanging van een eerder toegekende voorziening? 3.1 Woonachtig en hoofdverblijf 3.1.1 WoonachtigHet kan voorkomen dat er twijfel is over waar de inwoner woonachtig is. Voor het begrip “woonachtig”, zijn er de volgende criteria: - Het adres waar betrokkene woont volgens de gemeentelijke basisadministratie (GBA) en; - Het adres waar betrokkene voor meer dan de helft van het jaar feitelijk woont. 3.1.2 HoofdverblijfDe gemeente Zeist neemt alleen aanvragen in behandeling van inwoners van de gemeente Zeist. Dat betekent dat de aanvrager zijn hoofdverblijf in de gemeente Zeist moet hebben. Het hoofdverblijf is een verblijfplaats die voor permanente bewoning geschikt is en die fungeert als het centrum van de sociale en maatschappelijke activiteiten van betrokkene. Een voor permanente bewoning geschikte verblijfplaats bevat in ieder geval een keuken, een wasgelegenheid en een slaapgelegenheid. Het verschil tussen de begrippen “woonachtig” en “hoofdverblijf” is alleen relevant wanneer iemand twee adressen heeft binnen de gemeente Zeist. Anders is het hoofdverblijf leidend. 3.2 Voor de aanvraag aangeschaft Als iemand een voorziening aanschaft voordat hij een aanvraag doet bij de gemeente, dan stelt hij de gemeente voor een voldongen feit. De gemeente kan dan meestal de situatie voorafgaand aan de aanpassing niet goed meer beoordelen en heeft geen invloed meer op de aanschaf van de voorziening. Als achteraf niet meer is vast te stellen of de voorziening medisch noodzakelijk was, dan wordt de aanvraag afgewezen. De bewijslast ligt hierbij vooral bij de aanvrager. Alleen als achteraf objectiveerbaar is vast te stellen dat de voorziening medisch noodzakelijk is, kan de aanvraag worden toegekend. De hoogte van de vergoeding wordt echter gebaseerd op de goedkoopst-compenserende voorziening, ook wanneer de inwoner een duurdere voorziening heeft aangeschaft. 3.3 Langdurig noodzakelijk Wat langdurig noodzakelijk is, wordt bepaald door de vraag of het probleem over gaat of blijvend is. Een tijdslimiet is pas in tweede instantie relevant. Als iemand met een probleem kampt dat bijvoorbeeld acht tot tien maanden in beslag neemt, maar wat daarna weer over is, dan is er geen sprake van langdurige noodzaak. Als de aanvrager ernstig ziek is en de verwachting is dat hij of zij binnen enkele maanden zal overlijden, dan beschouwen we het vaak wel als langdurig noodzakelijk omdat hier meestal de noodzaak zwaarder weegt. Het gaat hier weer om maatwerk. Een belangrijke vraag is wat de grens is tussen voorzieningen die relatief een korte periode noodzakelijk zijn en voorzieningen die langdurig noodzakelijk zijn. Hiervoor moet een onderscheid gemaakt worden tussen situaties die van ernstig progressieve aard zijn en situaties van tijdelijke medische aard. In het eerste geval betreft het voorzieningen in het kader van de Wmo en in het tweede geval gaat het om voorzieningen die via de zorgverzekeraar beschikbaar worden gesteld. Voor bijvoorbeeld een voorziening in de vorm van een rolstoel naar aanleiding van een complexe beenbreuk (tijdelijk nodig) kan een beroep worden gedaan op de eigen zorgverzekering. Is een rolstoel permanent nodig, dan is er sprake van een Wmo-voorziening. Als de grens tussen tijdelijk en langdurig niet duidelijk is, dan wordt over het algemeen een grens van zes maanden aangehouden. Is de verwachting dat de voorziening langer dan zes maanden nodig is, dan wordt deze als Wmo-voorziening aangemerkt. Het criterium “langdurig noodzakelijk” is niet van toepassing op de huishoudelijke hulp, begeleiding, kortdurend verblijf en andere dienstverlening en vormen van opvang. Ook als er voor korte tijd hulp of opvang nodig is, kan deze via de Wmo worden verstrekt. 3.4 Op het individu gericht Het verstrekken van een voorziening heeft het doel om de belemmeringen die de inwoner ondervindt op te heffen of te verminderen. In principe wordt geen rekening gehouden met de belemmeringen die door mensen uit de omgeving van inwoner worden ondervonden. Het gaat om de vraag of de te verstrekken voorziening voor de inwoner zelf een adequate voorziening is. Deze bepaling houdt echter niet in dat geen rekening wordt gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de inwoner en de afstemming met andere algemene en voorliggende voorzieningen. Het gaat hierbij puur om het feit dat iemand geen gemeenschappelijke voorziening kan aanvragen. 3.5 Aanvraag voor een al verstrekte voorziening Hier gaat het om een voorziening die eerder door de gemeente is verstrekt en waarvan de afschrijvingstermijn nog niet voorbij is. In dat geval wordt geen nieuwe voorziening verstrekt, behalve wanneer de voorziening waar het om gaat, buiten de schuld van de aanvrager om, niet meer functioneert (lees: niet meer adequaat te gebruiken is). Uiteraard kan er wel een andere voorziening verstrekt worden als de eerder verstrekte voorziening niet meer (goed) bruikbaar is geworden bijvoorbeeld wegens verergerde problematiek. De gemeente houdt de volgende afschrijvingstermijnen aan voor de verstrekte voorzieningen: - Sportrolstoelen: 3 jaar; - Vervoermiddelen en roerende woonvoorzieningen (bijvoorbeeld een scootmobiel, een rolstoel, een tillift of een toiletverhoger: 7 jaar; - Niet-roerende woningaanpassingen en autoaanpassingen (bijvoorbeeld een onderrijdbare keuken, een traplift of aangepaste autostoelen): 10 jaar. Voorzieningen waarvan de afschrijvingstermijn is verstreken, maar die nog goed functioneren, worden uiteraard niet vervangen. De afschrijvingstermijnen worden zowel bij voorzieningen in natura als bij voorzieningen die in de vorm van een pgb zijn verstrekt, toegepast. Dat betekent dat van inwoners die een pgb krijgen om een voorziening aan te schaffen, verwacht wordt dat ze een voorziening kopen die in ieder geval de voor de categorie gestelde afschrijvingsperiode mee gaat. Soms blijkt een reparatie nodig aan een voorziening die door onzorgvuldig gebruik of zelfs misbruik kapot is gegaan. Als dit zich vaker voordoet, dan wordt een aangetekende brief gestuurd waarin staat dat de voorziening wordt ingenomen als het weer gebeurt. Bij grove nalatigheid geldt hetzelfde. Zolang de afschrijvingstermijn niet is verlopen, hoeft de gemeente geen nieuwe voorziening te verstrekken. Ook als iemand een pgb heeft, kan de gemeente op deze manier ingrijpen. Overigens heeft de gemeente alleen zorgplicht voor voorzieningen binnen Nederland. Voor het meenemen van voorzieningen naar het buitenland is de gebruiker zelf verantwoordelijk, eventuele schade komt voor zijn rekening. Het afsluiten van een reisverzekering wordt sterk aangeraden. 4 HET VOEREN VAN EEN HUISHOUDEN 4.1 Wat verstaan we hieronder? Onder het voeren van een huishouden verstaan we: - Het schoonmaken van het huis, zodat het schoon en leefbaar is; - Het doen van de boodschappen en klaarmaken van het eten, zodat wordt voorzien in maaltijden en andere huishoudelijke benodigdheden; - Het doen van de was, zodat er schone, draagbare en doelmatige kleding voorhanden is. Ook het verzorgen van eventuele (jonge) kinderen hoort bij het huishouden, maar dat wordt in een apart hoofdstuk (hoofdstuk 7) besproken. 4.1.1 Schoonmaken van het huisTot het schoonmaken van het huis behoort het zware en lichte huishoudelijk werk. Het gaat daarbij concreet om het stofzuigen van de woning, het soppen van badkamer, keuken, toilet, het dweilen van vloeren en het verder schoon en opgeruimd houden van de ruimten die bewoond worden. Het gaat om alle activiteiten om het huis, exclusief de tuin en het lappen van de ramen aan de buitenkant, maar inclusief balkon en berging, schoon en leefbaar te houden. Deze ruimten zijn die ruimten die (op het niveau van sociale woningbouw) voor dagelijks gebruik noodzakelijk zijn. Het niveau van sociale woningbouw betekent dat dit niveau als uitgangspunt wordt genomen. Daarbij kunnen persoonskenmerken en behoeften het noodzakelijk maken hiervan af te wijken. 4.1.2 Boodschappen doen en maaltijden bereidenIn elk huishouden zijn in ieder geval levensmiddelen en schoonmaakmiddelen nodig. Zaken dus die dagelijks/wekelijks gebruikt worden in elk huishouden. Hier buiten vallen de grotere inkopen zoals kleding en duurzame goederen, zoals apparaten. Het is heel normaal dat mensen de boodschappen geclusterd doen door één maal per week de grote voorraad in huis te halen. Daar kan de Wmo bij aansluiten door uit te gaan van één maal per week hulp hierbij. In veel gevallen is hulp via de Wmo echter niet nodig, omdat volstaan kan worden met boodschappendiensten van supermarkten of hulp van vrijwilligers. Een boodschappendienst wordt volgens de jurisprudentie aanvaardbaar geacht als er niet al te hoge kosten aan verbonden zijn. Ook voor het bereiden van maaltijden geldt dat er goede voorliggende mogelijkheden zijn, zoals maaltijdservices, open eettafels en kant-en-klaarmaaltijden. 4.1.3 De was doenDe dagelijkse kleding moet met enige regelmaat gereinigd worden. Dit betekent het wassen, drogen, eventueel strijken en opvouwen van kleding en linnengoed. En soms moet er klein verstelwerk worden gedaan, zoals het repareren van een los naadje of het vastzetten van een knoop. We spreken hierbij uitsluitend over normale kleding voor alledag. Uitgangspunt is om voor kleding te kiezen die niet te bewerkelijk en makkelijk wasbaar is en waarbij strijken niet of beperkt noodzakelijk is. Bij het wassen en drogen van kleding is het normaal gebruik te maken van de beschikbare (algemeen gebruikelijke) moderne hulpmiddelen, zoals een wasmachine en een droger (indien aanwezig). 4.2 Afwegingskader 4.2.1 Voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningenHet college beoordeelt of er voorliggende en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn waar de inwoner gebruik van kan maken. Voorbeelden hiervan zijn: - Een glazenwasser voor het reinigen van de ramen aan de buitenkant; - Een boodschappenservice; - Een vrijwilliger die meegaat om boodschappen te doen; - Maaltijdvoorziening of kant en klare maaltijden; - Een was- en strijkservice; - Aanschaf van een droogtrommel; - Tuinman; - Hondenuitlaatservice. Deze lijst is niet limitatief. In de loop der tijd zullen voorzieningen die nu nog weinig voorkomen en duur zijn, steeds meer ingeburgerd raken en dan als voorliggend kunnen worden aangemerkt. Een robotstofzuiger is nu nog vrij prijzig, maar zal in de toekomst waarschijnlijk beter en goedkoper worden en daarmee voor meer mensen bereikbaar en bruikbaar. Bij het beoordelen of een voorziening als voorliggend beschouwd kan worden, moet onderzocht worden of de voorziening voor de persoon in kwestie beschikbaar is en past binnen zijn situatie, ook in financieel opzicht. Ook beoordeelt het college of er andere eigen mogelijkheden zijn. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie waarin men al jaren op eigen kosten iemand voor deze werkzaamheden inhuurt. Als tegelijk met het optreden van de beperking geen inkomenswijziging heeft plaatsgevonden en er geen aantoonbare meerkosten zijn in relatie tot de beperking, is het oordeel in zijn algemeenheid dat er geen compensatie nodig is, omdat het probleem al opgelost was. Dit is uiteraard anders als aangetoond kan worden dat er zodanige wijzigingen zijn dat het niet meer mogelijk is deze hulp zelf te betalen. 4.2.2 Belastingregeling dienstverlening aan huisVoor o.a. huishoudelijke hulp via de Wmo wordt een eigen bijdrage opgelegd. Mensen met een hoger inkomen en zonder andere Wmo-voorzieningen, betalen de huishoudelijk dan soms helemaal terug via deze eigen bedrage. In hun geval zijn ze vaak sneller en goedkoper geholpen met zelf ingekochte particuliere hulp. Particulieren kunnen door de Regeling dienstverlening aan huis (Belastingdienst) gemakkelijk iemand inhuren voor klussen in en om het huis. Zij hoeven voor deze huishoudelijke hulp geen loonbelasting en premies werknemersverzekeringen af te dragen. Onder dienstverlening aan huis vallen klussen in en om het huis, zoals: - Schoonmaken, wassen, strijken en koken; - De tuin onderhouden; - Honden uitlaten; - Boodschappen doen of medicijnen ophalen; - Oppassen; - Huishoudelijke hulp, bijvoorbeeld een hulp in de huishouding voor ouderen en langdurig zieken; - Zorg verlenen, al dan niet via een persoonsgebonden budget (pgb). 4.2.3 Gebruikelijke zorgGebruikelijke zorg, die huisgenoten geacht worden aan elkaar te verlenen, wordt ook als een voorliggende voorziening beschouwd. Het principe “gebruikelijke zorg” is gebaseerd op de gedachte dat een leefeenheid samen verantwoordelijk is voor het huishoudelijke werk. Er mag daarbij echter geen sprake zijn van (dreigende) overbelasting van de huisgeno(o)t(en). Overbelasting of dreigende overbelasting moet objectief worden vastgesteld, bijvoorbeeld door medisch onderzoek. 4.2.3.1 HuisgenootOnder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die, ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze, één huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind, maar het kunnen ook inwonende ouders zijn. Of er sprake is van inwonend, wordt beoordeeld op basis van de concrete feitelijke situatie. 4.2.3.2 Wie valt buiten de leefeenheid?Personen die een (pension)kamer huren, niet in enige familiebetrekking staan tot de aanvrager en een huurcontract hebben, worden niet gezien als onderdeel van de leefeenheid. Of er sprake is van inwonend, wordt beoordeeld op basis van de concrete feitelijke situatie. 4.2.3.3 Rekening houden met de leeftijd van de huisgenotenBij gebruikelijke zorg wordt rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot. Tot 18 jaar wordt van huisgenoten verwacht dat zij (afhankelijk van hun leeftijd en mogelijkheden) hun bijdrage leveren bijvoorbeeld door hun eigen kamer schoon te houden en door hand- en spandiensten te verrichten, zoals het doen van (kleine) boodschappen, het helpen bij de afwas, et cetera. Van jonge kinderen wordt uiteraard niets of zeer weinig verwacht, terwijl kinderen van 16 en 17 jaar geacht worden om een substantiële bijdrage te leveren. Van (gezonde) jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar wordt verwacht dat ze een eenpersoons-huishouden kunnen voeren. Van (gezonde) volwassenen vanaf 23 jaar wordt verwacht dat ze een volledig huishouden kunnen voeren. Hierin volgen we de CIZ-richtlijnen. 4.2.3.4 Huishouden naast een baanBij gebruikelijke zorg wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een baan een huishouden te kunnen runnen. Iedereen die werkt moet naast zijn werk het huishouden doen of hier eigen oplossingen voor zoeken, zoals het inhuren van particuliere hulp. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor tweeverdieners. 4.2.3.5 Ver en lang van huisAlleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten, zullen de niet-uitstelbare taken overgenomen kunnen worden. Bij het zwaar en licht huishoudelijk werk gaat het veelal om uitstelbare taken. Alleen als schoonmaken niet kan blijven liggen (regelmatig geknoeide vloeistoffen en eten) zal dat direct moeten gebeuren. Hier zal dan ondanks de gedeeltelijk gebruikelijke zorg wel voor geïndiceerd worden. In alle situaties waarbij sprake is van een eigen keuze, wordt hier geen rekening mee gehouden. De afwezigheid moet dus een verplichtend karakter hebben. Voorbeelden hiervan zijn: - Chauffeurs die op het buitenland reizen; - Medewerkers in de offshore; - Marinemensen en militairen die maanden achtereen van huis zijn. Het gaat te ver om deze mensen te dwingen om ander werk te zoeken. Vakantie heeft geen verplichtend karakter en wordt dus als eigen keuze gezien. 4.2.3.6 Niet willen of niet gewendBij de indicatie wordt geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat huisgenoten aangeven dat ze het huishoudelijke werk niet willen doen, of niet gewend zijn om te doen. In situaties dat personen uit de leefeenheid nog nooit huishoudelijk werk hebben gedaan en dit niet kunnen, kan via een tijdelijke indicatie hulp worden geboden bij het aanleren van huishoudelijke taken. De taak wordt dan niet overgenomen maar via instructies aangeleerd. 4.2.3.7 OuderenOuderen die in staat zijn tot het verrichten van huishoudelijk werk vallen ook onder de gebruikelijke zorg. Een (zeer) hoge leeftijd kan in omstandigheden aanleiding te zijn om niet te vragen het huishoudelijke werk aan te leren. Vanaf 80 jaar wordt van een huisgenoot niet meer verwacht dat hij het huishoudelijke werk gaat aanleren. 4.2.4 MantelzorgIn de overweging wordt ook meegenomen of er sprake is van mantelzorg. Mantelzorg is niet afdwingbaar, maar als er taken zijn die door een mantelzorger worden overgenomen, dan hoeven die natuurlijk niet door een hulp worden overgenomen. Als er sprake is van een latrelatie, dan zal de gemeente nagaan of en in hoeverre de partner bij kan dragen aan het huishouden. 4.3 Wmo-maatwerkvoorzieningen Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem, zal het college een Wmo-maatwerkvoorziening inzetten. Over het algemeen bestaat deze voorziening uit hulp bij het huishouden. 4.3.1 Hulp bij het huishouden 4.3.1.1 NormtijdenBij het verstrekken van hulp bij het huishouden wordt een norm aangehouden (bijlage 1). Deze systematiek bestaat uit normtijden (in minuten) voor de verschillende over te nemen taken voor verschillende soorten huishoudens. Deze systematiek is indertijd tot stand gekomen in overleg met de toenmalige koepel van zorgaanbieders en is door de Centrale Raad van Beroep als niet-onredelijk aangemerkt. 4.3.1.2 Niveau van de hulpEr zijn 3 niveaus voor huishoudelijke hulp (HH): HH1 – Schoonmaken Lichte huishoudelijke werkzaamheden (kamers opruimen); Zwaardere huishoudelijke werkzaamheden (stofzuigen, wc of badkamer reinigen, bed verschonen); Verzorging van kleding en linnengoed (inclusief het doen van de was); Boodschappen doen voor het dagelijkse leven; De verzorging van een broodmaaltijd; De verzorging van een warme maaltijd; Het op orde houden van huishoudelijke spullen; kleding, apparaten, et cetera. HH2 – Schoonmaken en regie: Alle HH1-taken plus Dagelijkse organisatie van het huishouden; bijvoorbeeld het plannen van huishoudelijke zorg (wie doet wat en wanneer moet iets gebeuren); Beheer van de levensmiddelenvoorraad, houdbaarheid in koelkast; Aandacht voor hygiëne in huis in algemene zin; Anderen in de huishouding helpen met zelfverzorging (bijvoorbeeld het helpen met aankleden en wassen van de kinderen). HH3 – Schoonmaken, regie en ondersteuning, begeleiding en instructie Schoonmaakwerkzaamheden met ondersteuning binnen een ontregelde huishouding; Psychosociale begeleiding gericht op huishoudelijke activiteiten; Observeren; Advies, instructie, voorlichting gericht op het voeren van een huishouding. 4.3.1.3 Hogere normtijden in bijzondere situatiesDe normen voor hulp bij het huishouden bieden de mogelijkheid om in bijzondere situaties wat extra hulp toe te kennen. Denk hierbij aan extra wassen bij incontinentie en extra stofzuigen bij inwoners die door hun beperking veel knoeien. Ook kan de normtijd voor een activiteit naar beneden bijgesteld worden, als de inwoner delen van de activiteit wel zelf kan doen. Denk hierbij aan het niet kunnen stoffen op de hoge en lage plekken, maar wel op de goed bereikbare plaatsen. 4.3.1.4 Overige uitgangspuntenWat betreft het strijken van kleding worden er geen lakens, theedoeken, zakdoeken en ondergoed etc. gestreken. Bij de (aanschaf van nieuwe) kleding is het uitgangspunt dat kleding onderhoudsvriendelijk is en niet of beperkt hoeft te worden gestreken. Bij boodschappen is het uitgangspunt: één maal in de week boodschappen doen. Een uitzondering wordt door het college alleen gemaakt als volstrekt helder is dat dit niet in één maal per week mogelijk is. 4.4 Mantelzorg Ook bij mantelzorgers kan sprake zijn van problemen met betrekking tot het huishouden. Dit is dan het gevolg van de zorgtaak van de mantelzorger, waardoor hij of zij (
- te)zwaar belast wordt. In een dergelijk geval zijn twee oplossingen mogelijk: -Ondersteuning van degene die verzorgd wordt, zodat de mantelzorger ontlast wordt; - Ondersteuning van de mantelzorger zelf. Hoe gecompenseerd wordt, hangt af van de mantelzorger, degene die verzorgd wordt en de afweging die de gemeente moet maken in het kader van de goedkoopst-compenserende oplossing. 5 BEGELEIDING 5.1 Wat verstaan we hieronder? Begeleiding is gericht op het bevorderen, het behoud of het compenseren van zelfredzaamheid van de inwoner. Begeleiding is bedoeld voor mensen die zonder deze begeleiding zouden moeten verblijven in een instelling of zich zouden verwaarlozen. Begeleiding kan individueel of in groepsverband worden gegeven. Bij zelfredzaamheid gaat het hier om de lichamelijke, cognitieve en psychische mogelijkheden die de inwoner in staat stellen om binnen de persoonlijke levenssfeer te functioneren. In de eerste plaats kan het gaan om het compenseren en actief herstellen van het beperkte of afwezige regelvermogen van de inwoner, waardoor hij onvoldoende of geen regie over het eigen leven kan voeren. Het gaat dan om zaken als het helpen plannen van activiteiten en het structureren van de dag, regelen van dagelijkse zaken en het nemen van besluiten. De grens tussen de persoonsgebonden sociale omgeving en participatie is niet altijd scherp te trekken. Daarom is er voor inwoners met matige en zware beperkingen binnen de begeleiding ook ondersteuning mogelijk in de vorm van het stimuleren tot en het voorbereiden van gesprekken met instanties op het terrein van wonen, school, werk, enzovoort. In de tweede plaats kan de begeleiding de vorm aannemen van praktische hulp en ondersteuning bij het uitvoeren of het eventueel ondersteunen bij het oefenen van handelingen/vaardigheden die zelfredzaamheid tot doel hebben. Begeleiding kan ook zijn het aanreiken van voorwerpen bij mensen met een lichamelijke aandoening zoals patiënten met een dwarslaesie. 5.2 Afwegingskader 5.2.1 Waarom begeleidingBegeleiding kan nodig zijn voor inwoners met matige tot zware beperkingen op één of meer van de volgende vijf terreinen: - Sociale redzaamheid; - Bewegen en verplaatsen; - Probleemgedrag; - Psychisch en/of cognitief functioneren; - Geheugen- en oriëntatiestoornissen. Het onderscheid tussen enerzijds lichte beperkingen en anderzijds matige tot zware beperkingen wordt op elk van de vijf terreinen onderzocht aan de hand van een aantal aspecten. De onderstaande uitwerking is baseerd op de CIZ-beleidsregels indicatiestelling uit 2014. Bij (toenemende) risico’s voor de inwoner in situaties van sociale onveiligheid, misbruik door de omgeving of dat de inwoner zelf een risico vormt voor de eigen omgeving, dient bij de indicatie voor begeleiding hiermee rekening te worden gehouden. 5.2.1.1 Sociale redzaamheidBij sociale redzaamheid gaat het om de volgende aspecten: - Begrijpen wat anderen zeggen; - Zich begrijpelijk maken; - Een gesprek voeren; - Kunnen lezen, schrijven en rekenen; - Communicatiehulpmiddel gebruiken; - Dagelijkse bezigheden; - Dagelijkse routine regelen; - Problemen oplossen en besluiten nemen - Initiëren en uitvoeren van eenvoudige taken; - Initiëren en uitvoeren van complexere taken; - Zelf geld beheren; - Zelf administratieve zaken of de administratie bijhouden. Lichte beperkingen houden dan in dat de inwoner lichte problemen heeft met de dagelijkse routine en met het uitvoeren van vooral complexere activiteiten. Met enige stimulans en/of toezicht is hij in staat zijn sociale leven zelfstandig vorm te geven, aankopen te doen en zijn geld te beheren. Wat betreft het aangaan en onderhouden van sociale relaties, op school, op het werk, met het sociale netwerk, is er met praten bij te sturen, vanuit gezin, het sociale netwerk, werk en/of school. De inwoner kan zelf om hulp vragen en er is geen noodzaak tot het daadwerkelijk overnemen van taken. De inwoner vereenzaamt niet. Matige beperkingen houden dan in dat het oplossen van problemen, het zelfstandig nemen van besluiten, het regelen van dagelijkse bezigheden en de dagelijkse routine (gebrek aan dag- en nachtritme) voor de inwoner niet vanzelfsprekend zijn. Dit levert af en toe zodanige problemen op dat de inwoner afhankelijk is van hulp. De communicatie gaat niet altijd vanzelf doordat de inwoner soms niet goed begrijpt wat anderen zeggen en/of zichzelf soms niet voldoende begrijpelijk kan maken. Het niet inzetten van begeleiding kan leiden tot verwaarlozing, vereenzaming of noodzaak tot opname. Zware beperkingen houden dan in dat complexe taken voor de inwoner moeten worden overgenomen. Ook het uitvoeren van eenvoudige taken en communiceren gaan moeizaam. De inwoner kan niet zelfstandig problemen oplossen en/of besluiten nemen, hij kan steeds minder activiteiten zelfstandig uitvoeren. De zelfredzaamheid wordt problematisch. Voor de dagstructuur en het voeren van de regie is de inwoner afhankelijk van de hulp van anderen. 5.2.1.2 Bewegen en verplaatsenBij zich bewegen en verplaatsen gaat het om de volgende aspecten: - Lichaamspositie handhaven; - Grove hand- en armbewegingen maken; - Fijne handbewegingen maken; - Lichtere voorwerpen tillen; - Gecoördineerd bewegingen maken met benen en voeten; - Lichaamspositie veranderen; - Voortbewegen binnenshuis, zonder hulp(middelen); - Korte afstanden lopen; - Trap op en af gaan zonder hulp(middelen); - Zich verplaatsen met hulp(middelen); - Voortbewegen buitenshuis zonder hulp(middelen); - Gebruik maken van openbaar vervoer; - Eigen vervoermiddel gebruiken; - Zwaardere voorwerpen tillen. Lichte beperkingen houden dan in dat de inwoner niet meer zelf kan fietsen of autorijden en zich buitenshuis niet meer zonder hulpmiddel (bijvoorbeeld een rollator) kan voortbewegen. Met het gebruik van hulpmiddelen kan er nog veel, maar niet alles. Daarnaast kan de inwoner geen zware voorwerpen tillen. Het optillen van lichte voorwerpen levert soms problemen op, maar met wat hulp en eenvoudige aanpassingen lukt dit nog wel. De inwoner kan de genoemde beperkingen in voldoende mate compenseren door hulp uit de omgeving en zo nodig door de inzet van hulp bij het huishouden en/of andere voorzieningen uit de Wmo. Matige beperkingen houden dan in dat het zelfstandig opstaan uit een stoel en gaan zitten soms problemen oplevert. Fijne handbewegingen worden minder vanzelfsprekend, maar ook de grove hand- en armbewegingen beginnen problemen te geven. De inwoner kan zich, ook met behulp van een rollator of rolstoel, moeilijker zelfstandig verplaatsen. Openbaar vervoer is eigenlijk ontoegankelijk voor de inwoner geworden, maar vanuit eigen middelen of de Wmo zijn hiervoor alternatieven mogelijk. Zware beperkingen houden dan in dat de inwoner bij het opstaan uit een stoel, het gaan zitten en het in- en uit bed komen volledig moet worden geholpen. Binnenshuis is de inwoner voor zijn verplaatsingen zowel naar een andere verdieping of gelijkvloers volledig afhankelijk van hulpmiddelen. Voor het oppakken of vasthouden van lichte voorwerpen is hulp nodig. Ondanks het gebruik van hulpmiddelen kan de inwoner de beperkingen onvoldoende compenseren in het dagelijks leven. 5.2.1.3 GedragsproblemenBij gedragsproblemen gaat het om de volgende aspecten: - Destructief gedrag (gericht op zichzelf en/of de ander, zowel letterlijk als figuurlijk); - Dwangmatig gedrag; - Lichamelijk agressief gedrag; - Manipulatief gedrag; - Verbaal agressief gedrag; - Zelfverwondend of zelfbeschadigend gedrag; - Grensoverschrijdend seksueel gedrag. De effecten van dit gedrag op de leefomgeving van de betreffende inwoner, worden meegenomen in het onderzoek. Lichte beperkingen houden dan in dat de inwoner lichte gedragsproblemen vertoont die bijsturing vereisen, maar geen directe of acute belemmering vormen voor de zelfredzaamheid of de omgeving. Het vertoonde gedrag kan relatief eenvoudig worden bijgestuurd door de omgeving van de inwoner. Bijsturing is voldoende zonder dat de overname van taken noodzakelijk is. Matige beperkingen houden dan in dat de inwoner gedrag vertoont dat bijsturing en soms (gedeeltelijke) overname van taken vereist. Het cliëntsysteem kan slechts gedeeltelijk in de bijsturing van de inwoner voorzien. Het vertoonde gedrag vereist bijsturing door een deskundige professional. Als geen deskundige bijsturing wordt geboden, verslechtert de situatie van de inwoner of nemen risico’s voor de omgeving toe. Zware beperkingen houden dan in dat de inwoner ernstig probleemgedrag vertoont en hierdoor ontstaan zelfredzaamheidproblemen. Er is deskundige professionele sturing nodig om het gedrag in goede banen te leiden. Omdat er risico’s zijn voor veiligheid van de inwoner of zijn omgeving is continu hulp of begeleiding nodig. 5.2.1.4 Psychisch functionerenBij psychisch functioneren gaat het om de volgende aspecten: - Concentratie; - Geheugen en denken; - Perceptie van omgeving. Afhankelijk van het ziektebeeld kunnen er specifieke beperkingen zijn, waarmee in het onderzoek rekening wordt gehouden. Lichte beperkingen houden dan in dat de inwoner lichte problemen heeft met concentreren, geheugen en denken. De oorzaak kan in verschillende problemen liggen, zoals lichte sociaal-emotionele instabiliteit, stemmingsproblemen, of prikkelgevoeligheid. De concentratie en/of capaciteit tot informatieverwerking laat af en toe te wensen over. Met hulpmiddelen en enige aansturing is de zelfredzaamheid van de inwoner voldoende te ondersteunen. Er is geen noodzaak tot het overnemen van taken. Matige beperkingen houden dan in dat de inwoner vaak zodanige problemen heeft met de concentratie en informatieverwerking dat hiervoor hulp noodzakelijk is. Als niet met regelmaat deskundige hulp wordt geboden, ervaart de inwoner in het dagelijks leven problemen bij de zelfredzaamheid. Zware beperkingen houden dan in dat de inwoner ernstige problemen heeft met de concentratie, het geheugen en denken en ook de waarneming van de omgeving. Hierdoor is volledige overname van taken door een deskundige professional noodzakelijk. 5.2.1.5 OriëntatiestoornissenBij oriëntatiestoornissen gaat het om de volgende aspecten: - Oriëntatie in persoon; - Oriëntatie in ruimte; - Oriëntatie in tijd; - Oriëntatie naar plaats. Lichte beperkingen houden dan in dat de inwoner lichte problemen heeft met het besef van tijd en/of plaats. Het herkennen van personen en de omgeving levert geen problemen op. De problemen doen zich af en toe voor en de inwoner kan zich zelfstandig redden met hulp vanuit zijn netwerk. De beperkingen vormen geen bedreiging voor zijn zelfredzaamheid, want de inwoner kan veel taken op basis van “gewoonte” zelfstandig uitvoeren. Matige beperkingen houden dan in dat de inwoner problemen heeft met het herkennen van personen en zijn omgeving. De zelfredzaamheid van de inwoner staat onder druk. De inwoner heeft vaak hulp nodig van anderen bij het uitvoeren van taken en het vasthouden van een normaal dagritme. Als geen deskundige begeleiding wordt geboden, verslechtert de situatie van de inwoner en neemt kans op een onveilige situaties toe. Zware beperkingen houden dan in dat de inwoner ernstige problemen vertoont in het herkennen van personen en van zijn omgeving. Hij is gedesoriënteerd en zijn zelfredzaamheid is aangetast. Ondersteuning bij dagstructurering en bij het uitvoeren van taken is noodzakelijk, ook is het overnemen van taken aan de orde. Als geen deskundige begeleiding geboden wordt, is opname het enige alternatief. 5.2.2 Voorliggende voorzieningen 5.2.2.1 JeugdwetKinderen en jongeren tot 18 jaar vallen onder de Jeugdwet. Als zij begeleiding nodig hebben dan kunnen zij (of hun ouders/ wettelijk vertegenwoordigers) zich wenden tot het CJG voor een gesprek. Vervolgens kan een aanvraag worden gedaan voor begeleiding in het kader van de Jeugdwet bij de gemeente. Jongeren tussen de 18 en 23 jaar melden zich ook bij het CJG, maar voor hen kan een Wmo-aanvraag voor begeleiding worden gedaan. 5.2.2.2 BehandelingOnder behandeling vallen activiteiten die gericht zijn op het herstel of voorkomen van verergering van de aandoening, stoornis of beperking. Daarbij hoort het verbeteren van algemene competenties en vaardigheden (zoals beheersen van gedrag, verbeteren van fysieke vaardigheden als conditie, bewegingsvermogen, en/of mentale vaardigheden als oriëntatievermogen, concentratievermogen, enzovoort). Het gaat om gerichte professionele interventies, waarvoor expertise op het niveau van een specifiek medicus (medisch specialist, specialist ouderengeneeskunde, arts verstandelijk gehandicapten, psychiater, enzovoort), specifiek paramedicus (bijvoorbeeld ergotherapeut), vaktherapeut (bijvoorbeeld drama-/speltherapeut) of gedragswetenschapper (bijvoorbeeld orthopedagoog, gz-psycholoog) noodzakelijk is. Behandeling valt onder de zorgverzekeringswet of, als het om multidisciplinaraire complexe behandeling gaat, onder de Wet langdurige zorg (Wlz). Behandeling is voorliggend op begeleiding, mits de behandeling beschikbaar is voor de cliënt. Het is ook mogelijk om tijdens de periode van behandeling begeleiding te indiceren, aanvullend op de behandeling. Soms is het mogelijk deze begeleiding af te bouwen terwijl de behandeling vordert. Aanleren en oefenen met een behandelaar Tot behandeling in de Wlz wordt ook de behandeling gerekend die gericht is op het aanleren van nieuwe vaardigheden of gedrag (tot 2009 was dit tot de functie Activerende Begeleiding), als dit ten minste een specifieke en programmatische aanpak vereist waarvoor een Wlz-behandelaar nodig is. Het betreft een complex probleem dat een specifieke benadering vraagt om bepaalde, niet op zichzelf staande vaardigheden te kunnen aanleren. Naast de training behoort ook de herhaling tijdens de behandelperiode tot het aanleren. Het door oefenen recent aangeleerde vaardigheden inslijten of bestaande vaardigheden in een andere situatie kunnen gebruiken, wordt niet gerekend tot behandeling, maar tot begeleiding. In geval van begeleiding heeft de behandelaar zich kunnen terugtrekken en kan de zorg na enige instructie worden overgenomen door een begeleider, niet zijnde een behandelaar. Oefenen in de zin van begeleiding kan ook aan de orde zijn wanneer de beperkingen als een gegeven worden beschouwd en er op basis van deze beperkingen op zichzelf staande praktische vaardigheden en gedrag wordt aangeleerd die de zelfredzaamheid ten doel hebben. Denk hierbij aan het leren lopen met een taststok aan een visueel gehandicapte en/of het zich binnen en rondom de woning kunnen oriënteren. De directe omgeving krijgt adviezen over de inrichting van de woonomgeving en de achtergrond hiervan. Ook kan worden gedacht aan het leren koken, wassen van kleding en dergelijke aan een verstandelijk gehandicapte, bijvoorbeeld bij het zelfstandig gaan wonen. Behandeling groep Als een inwoner is aangewezen op een dagprogramma en tijdens dit dagprogramma is behandeling noodzakelijk in de vorm van “behandeling gericht op herstel en/of het aanleren van vaardigheden of gedrag” of “CSLM-zorg”, dan is behandeling groep voorliggend op begeleiding groep. Behandelmijding Behandelmijding betekent dat de psychiatrische behandeling die nodig is vanwege de aandoening niet gezocht of geaccepteerd wordt. Hetzelfde geldt voor (meidsch) noodzakelijke zorg. Vaak ligt de oorzaak hiervan in een gestoorde oordeelsvorming, het ontbreken van ziektebesef en/of ziekte-inzicht. Soms kan bij een inwoner door behandelmijding verwaarlozing optreden, doordat de inwoner onvoldoende voor zichzelf zorgt en daardoor risico is op ziekte, ondervoeding en/of vervuiling. Veelal ontbreken de structuur en regie in het dagelijks leven. De verwaarlozing kan niet door een eigen netwerk of een voorliggende voorziening worden gecompenseerd. Indien de inwoner behandelmijder is en er risico is op verwaarlozing, kan er aanspraak zijn op begeleiding, ondanks dat behandeling mogelijk als voorliggende voorziening is aan te merken. Er kan in deze situatie minimale zorginzet worden geïndiceerd ter voorkoming van verwaarlozing. Hiermee wordt de inwoner geprikkeld om zich (toch) te laten behandelen. 5.2.2.3 Hulp bij het huishoudenIn sommige gevallen kan hulp bij het huishouden of een andere en meestal goedkopere Wmo-voorziening, voorliggend zijn op begeleiding. Dit als het gaat om het overnemen en eventueel aanleren van huishoudelijke taken al dan niet in combinatie met het overnemen van de organisatie van deze taken. 5.2.2.4 Bemoeizorg en (O)GGZZorgmijding betekent dat de zorg die nodig is om verwaarlozing te voorkomen niet gezocht of geaccepteerd wordt. Bemoeizorg is een onderdeel van de (O)GGZ in het kader van de Wmo/GGZ. Het bestaat onder meer uit het bereiken van zorgmijders, het contact leggen met deze doelgroep, zorgcoördinatie en praktische ondersteuning. 5.2.2.5 ZorgverzekeringswetDe aanvullende zorgverzekering valt niet onder de Zorgverzekeringswet en is hiermee ook geen wettelijk voorliggende voorziening. Het staat mensen vrij zich aanvullend te verzekeren of niet. De inhoud van deze verzekering en het gebruik hiervan door de inwoner kan van invloed zijn op de soort en omvang van de indicatie. Een voorbeeld van een aanvullende verzekering is mantelzorgvervanging, zoals Handen-in-Huis. Zorg die medisch specialisten bieden, behoort tot de geneeskundige zorg die in het kader van de Zvw is verzekerd (Artikel 2.4 Besluit zorgverzekering). De zorg is gericht op behandeling van een stoornis en heeft als doel herstel of voorkomen van verergering van deze stoornis. De behandeling is niet beperkt tot de medische interventies, maar omvat, afhankelijk van de aard van de ingreep, in de Zvw ook de nodige begeleiding. Het kan hier gaan om individuele begeleiding, maar ook om dagbesteding vanwege de psychiatrische behandeling. Deze begeleidingsactiviteiten zijn een onlosmakelijk onderdeel van de behandeling en hebben een geneeskundig doel. Als sprake is van ambulante Zvw-behandeling dan is het van belang om te onderzoeken of deze behandeling de totale zorgbehoefte van de inwoner op het gebied van de zelfredzaamheid compenseert. Als dat niet het geval is, kan er aanspraak zijn op aanvullende begeleiding. 5.2.2.6 Werk en schoolDe Wajong en WAO/WIA zijn wetten met een ander doel dan een zorgdoel zoals de Wmo kent. Deze wetten bepalen de mate van arbeidsongeschiktheid en daaraan gekoppeld de hoogte van een uitkering. Als een inwoner niet in staat is (aangepast) te werken of naar school te gaan, kan er aanspraak zijn op begeleiding groep ter vervanging van arbeid of school als de inwoner hierop is aangewezen. Dit betekent echter niet dat als de inwoner wel naar school kan gaan of kan werken, er geen aanspraak kan zijn op begeleiding in groepsverband, anders dan ter vervanging van arbeid of school. Dit moet afzonderlijk worden afgewogen. Mogelijke voorliggende voorzieningen via de Wojang, WAO/WIA en Wsw zijn: - Werken met ondersteuning van bijvoorbeeld een jobcoach; - Naar school gaan of studeren met ondersteuning; - Re-integreren met een re-integratieplan; - Werken in een beschermde omgeving 5.2.2.7 Overige voorliggende voorzieningenNiet bij wet gecreëerde voorzieningen kunnen het probleem ook oplossen en zijn in dat geval voorliggend. Voorbeelden hiervan zijn: Alarmering; - Kinderopvang (anders dan bedoeld in de Wet Kinderopvang); - Vrijwilligers; - Rode Kruis; - Cliëntondersteuning door MEE Van inwoners die daartoe in staat zijn, wordt actie en initiatief verwacht om hun netwerk in te schakelen en zo te voorzien in hun vraag naar zorg en dienstverlening. 5.2.2.8 MantelzorgAls de mantelzorger aangeeft de bovengebruikelijke zorg niet (meer) vrijwillig te kunnen of willen leveren, bestaat mogelijk aanspraak op bijvoorbeeld begeleiding. Bij mantelzorg staat het de inwoner vrij om de mantelzorg wel of niet te accepteren. Als een inwoner niet geholpen wil worden door een mantelzorger die dit aanbiedt, kan aanspraak op professionele zorg bestaan. 5.3 Wmo-maatwerkvoorzieningen 5.3.1 Keuze individuele begeleiding of groepsbegeleidingMet betrekking tot de begeleiding wordt onderscheid gemaakt tussen begeleiding individueel en begeleiding groep. Of de inwoner is aangewezen op individuele begeleiding of begeleiding in groepsverband, wordt bepaald door de afweging wat zorginhoudelijk het meest doelmatig is. Begeleiding in groepsverband is voorliggend op individuele begeleiding als hetzelfde doel wordt beoogd. Wanneer de begeleiding gericht is op het daadwerkelijk bieden van dagstructuur is begeleiding in groepsverband de aangewezen vorm van begeleiding. Echter, wanneer de zorgbehoefte gelegen is in het bijvoorbeeld een of meerdere keren per week bieden van hulp bij het doornemen van de dag- of weekstructuur en de zorgbehoefte is niet gelegen in het daadwerkelijk bieden van die dagstructuur, dan is begeleiding individueel de aangewezen vorm om de zorgbehoefte van de inwoner in te vullen. Ook als er medische contra-indicaties zijn voor begeleiding in groepsverband, kunnen de activiteiten in de vorm van de aanspraak begeleiding individueel worden geïndiceerd. Een dagdeel begeleiding in groepsverband staat in die situatie niet gelijk aan vier uur begeleiding individueel, maar is afhankelijk van het zorgdoel. Het gaat dan om personen waarvoor op medische gronden een contra-indicatie geldt voor deelname aan een groep, geboden door een instelling, zoals infectiegevaar, ernstige energetische beperkingen of een psychisch ziektebeeld. Op basis van het zorgdoel voor de verzekerde kunnen begeleiding individueel en begeleiding in groepsverband gecombineerd zijn aangewezen. Bij de indicatiestelling wordt er rekening mee gehouden dat deze vormen van zorg niet op hetzelfde moment van de dag kunnen plaatsvinden. 5.3.2 GroepsbegeleidingGroepsbegeleiding kan de volgende doelen hebben: - Het bieden van een dagprogramma met als doel al dan niet aangepaste vormen van arbeid (ook vrijwilligerswerk) of school te vervangen; - Het bieden van activiteiten met als doel een andersoortige vorm van dagstructurering dan arbeid of school (denk aan 65-plussers) en tevens zelfredzaamheid, cognitieve capaciteiten en vaardigheden zoveel mogelijk te handhaven en/of gedragsproblematiek te reguleren. De gemeente Zeist onderscheidt 2 vormen van groepsbegeleiding: - Reguliere dagbesteding; - Gespecialiseerde dagbesteding. 5.3.2.1 Reguliere dagbestedingOnder reguliere dagbesteding vallen alle dagbestedingsvormen met de vroegere NZA-codes: - H531: Dagactiviteit basis; - H811: Dagactiviteit VG (verstandelijk gehandicapten) licht; - H831: Dagactiviteit LG (lichamelijk gehandicapten) licht; - F125: Dagactiviteit GGZ-LZA (geestelijke gezondheidszorg, langdurig zorgafhankelijk). 5.3.2.2 Gespecialiseerde dagbestedingOnder gespecialiseerde dagbesteding vallen alle dagbestedingsvormen met de vroegere NZA-codes: - H800: Module cliëntkenmerk (somatisch-ondersteunend); - H533: Module cliëntkenmerk (psychogeriatrisch); - H812: Dagactiviteit VG (verstandelijk gehandicapten) midden; - H813: Dagactiviteit VG (verstandelijk gehandicapten) zwaar; - H832: Dagactiviteit LG (lichamelijk gehandicapten) midden; - H833: Dagactiviteit LG (lichamelijk gehandicapten) zwaar. 5.3.3 Individuele begeleidingIndividuele begeleiding heeft als doel het bevorderen, het behoud of het compenseren van zelfredzaamheid van de inwoner in kwestie, zodat hij of zij zelfstandig kan blijven wonen. Individuele begeleiding is maatwerk en kan bestaan uit het helpen plannen van activiteiten, regelen van dagelijkse zaken, het nemen van besluiten en het helpen structureren van de dag. De gemeente Zeist onderscheidt 2 vormen van individuele begeleiding: - Reguliere begeleiding; - Gespecialiseerde begeleiding. 5.3.3.1 Reguliere begeleidingOnder reguliere dagbesteding vallen alle dagbestedingsvormen met de vroegere NZA-codes: - H300: Begeleiding; - H150: Begeleiding extra; - H305: Begeleiding zorg op afstand aanvullend. 5.3.3.2 Gespecialiseerde begeleidingOnder gespecialiseerde begeleiding vallen alle dagbestedingsvormen met de vroegere NZA-codes: - H152: Begeleiding speciaal (niet-aangeboren hersenletsel); - H153: Gespecialiseerde begeleiding (psychisch). 5.3.4 Afspraken met landelijke aanbieders voor specifieke groepenVoor sommige vormen van gespecialiseerde dagbesteding en begeleiding geldt dat deze landelijk worden ingekocht. Het betreft dagbesteding en begeleiding voor mensen met een zintuigelijke beperking (visueel of auditief). Gemeenten zijn vrij om afspraken te maken met andere (bijvoorbeeld lokale/regionale) aanbieders. Het is echter goed om te beseffen dat deze vorm van begeleiding een specifieke expertise vereist. Deze expertise is in de afgelopen jaren opgebouwd bij de bij deze raamovereenkomst betrokken aanbieders: Vroegdoven: Kentalis; GGMD; Noorderbrug; Gelderhorst. Doofblinden: Kalorama; Kentalis; GGMD. Visueel gehandicapten: Bartiméus; Robert Coppesstichting; Visio. De toegang tot deze begeleiding gaat hetzelfde als die tot alle andere vormen van begeleiding, dus via het Sociaal Wijkteam. Het Sociaal Wijkteam kan inwoners via een Wmo-aanvraag doorgeleiden naar één van de landelijke aanbieders met verwijzing naar de landelijke inkoopafspraken specialistische begeleiding voor zintuigelijk gehandicapten. 5.3.5 Indicatie van begeleidingVoor de indicatie van de omvang van de dagbesteding en de begeleiding wordt door de gemeente Zeist voorlopig aansluiting gezocht bij de werkwijze die het CIZ tot 1 januari 2015 toepaste. Deze werkwijze is te vinden in de CIZ Indicatiewijzer, Toelichting op de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014 zoals vastgesteld door het ministerie van VWS, versie 7.1, juli 2014. Hoofdstuk 7 van dit document gaat over de dagbesteding en individuele begeleiding. 5.3.6 VervoerInwoners met een indicatie voor groepsbegeleiding kunnen, als zij dat nodig hebben, in aanmerking komen voor vervoer naar en van de begeleidingslocatie. Vervoer wordt alleen toegekend als: - Er groepsbegeleiding is geïndiceerd; - De inwoner in kwestie niet in staat is om de locatie waar de begeleiding plaatsvindt zelfstandig te bereiken; - Er geen voorliggende oplossingen zijn, zoals een geschikte locatie dichter bij huis of vervoer door een vrijwilliger (bijvoorbeeld de partner). Een inwoner kan ook tijdelijk een indicatie voor vervoer krijgen, bijvoorbeeld omdat hij de af te leggen route nog onder begeleiding moet oefenen. De gemeente Zeist onderscheidt de volgende vormen van vervoer: - Vervoer dagbesteding gehandicaptenzorg; - Vervoer dagbesteding gehandicaptenzorg rolstoel; - Vervoer dagbesteding geestelijke gezondheidszorg. Er kan vanuit de Wmo geen toezicht tijdens het vervoer worden geïndiceerd. Ook niet naar begeleiding in groepsverband. Er mag namelijk worden aangenomen dat het niveau van het vervoer naar deze zorg (inclusief het toezicht) is aangepast aan de cliënten die worden vervoerd. 5.4 Mantelzorg (respijtzorg) Respijtzorg doet zich voor in situaties waarin de mantelzorger (de huisgenoot, partner of ouder die feitelijk de gebruikelijke zorg op zich moet nemen) bijvoorbeeld ziek is of met vakantie is. Ook is respijtzorg nodig als de mantelzorger niet tot het leveren van de zorg in staat is wegens aantoonbare (dreigende) overbelasting, die niet anders door hem is te verminderen of op te lossen. Als één van bovenstaande situaties zich voordoet, kan via de Wmo aanspraak zijn op begeleiding. Het gaat dan om indiceerbare zorg alsof de inwoner zonder gebruikelijke zorg woont. 6 KORTDUREND VERBLIJF 6.1 Wat verstaan we hieronder? Kortdurend Verblijf omvat het logeren in een instelling gedurende maximaal drie etmalen per week, waarbij de inwoner persoonlijke verzorging, verpleging of begeleiding krijgt of kan krijgen. Het gaat hierbij om cliënten met somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoeningen of beperkingen, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, die permanent toezicht nodig hebben. Het zwaartepunt van de zorg ligt bij Kortdurend Verblijf vooral op logeren met als doel het overnemen van het permanente toezicht op de inwoner ter ontlasting van de gebruikelijke zorger of mantelzorger. Het kortdurend verblijf voorkomt dat de betreffende inwoner permanent in een Wlz-instelling opgenomen moet worden. Het verblijf is hier dus te karakteriseren als logeren ter aanvulling op het wonen in de thuissituatie en niet als wonen in een instelling voor het grootste deel van de week. Tijdens het Kortdurend Verblijf is er geen sprake van behandeling. 6.2 Afwegingskader Om in aanmerking te komen voor de functie Kortdurend Verblijf moet worden voldaan aan alle hieronder genoemde voorwaarden: - Dat de inwoner een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap heeft; - Dat de inwoner gezien de zorgbehoefte is aangewezen op zorg gepaard gaand met permanent toezicht; - Dat de inwoner hierop gedurende maximaal drie etmalen is aangewezen; - En dat ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg aan de inwoner levert, noodzakelijk is. De onderstaande uitwerking is gebaseerd op de CIZ-beleidsregels indicatiestelling uit 2014. 6.2.1 Permanent toezichtPermanent toezicht is: -Toezicht op regelmatige en onregelmatige momenten, zodat de zorgverlening goed kan inspelen op de (frequent voorkomende) al dan niet geëxpliciteerde zorgvraag; - Toezicht dat geboden wordt op basis van actieve observatie, die als doel heeft dreigende ontsporing in het gedrag of de gezondheidssituatie vroegtijdig te signaleren, waardoor tijdig ingegrepen kan worden en escalatie van onveilige/gevaarlijke/ (levens)bedreigende gezondheids- en/of gedragssituaties voor de inwoner kan worden voorkomen. Permanent toezicht omvat altijd bovengebruikelijk toezicht. Het is toezicht waarop de inwoner op basis van aandoeningen, stoornissen en beperkingen noodzakelijkerwijs is aangewezen op regelmatige en onregelmatige momenten en die geboden wordt op basis van actieve observatie. Permanent toezicht bij kinderen onderscheidt zich van gebruikelijk (ouderlijk) toezicht. Permanent toezicht kan verschillende aangrijpingspunten hebben en verschillen in intensiteit. Afhankelijk daarvan kan de toezichtfunctie op verschillende manieren vorm krijgen. Het toezicht kan gericht zijn op: Het bieden van fysieke zorg, zodat tijdig kan worden ingegrepen bij bijvoorbeeld valgevaar, of complicaties bij een ziekte; en/of Het verlenen van zorg op ongeregelde en/of frequente tijden, omdat de verzekerde zelf niet (meer) in staat is om hulp in te roepen; en/of Het preventief ingrijpen bij gedragsproblemen (voorkomen van escalatie en gevaar). 6.2.1.1 Het bieden van fysieke zorgHet gaat hier vooral om inwoners met een somatische of psychogeriatrische aandoening of beperking of een lichamelijke handicap. Actieve observatie door de hulpverlener is noodzakelijk om tijdig zorg te kunnen bieden. Als er zorg geboden moet worden, moet dat ook direct gebeuren. Voorbeelden zijn ouderen met dementie die willen opstaan en vergeten zijn dat ze niet meer mobiel zijn, mensen met niet goed instelbare epilepsie met een risico op een status epilepticus, verzekerden met ernstige hart- en/of longaandoeningen waarbij zuurstoftekort dreigt, en mensen met ernstige slikstoornissen en verslikrisico. 6.2.1.2 Het verlenen van zorg op onregelmatige en/of frequente tijdenHet gaat hier bijvoorbeeld om inwoners met regieverlies die niet zelf om hulp of zorg vragen. Er is continu zorg nodig waarbij de hulpverlener actief moet observeren. Voorbeelden: continu sturing en structuur bieden om dagelijks voorkomende en door inwoner niet goed begrepen situaties uit te leggen/te verduidelijken zodat inwoner hiermee kan omgaan, of continu sturing en structuur bieden om problemen op te lossen. Er zijn dan zowel beperkingen in de sociale redzaamheid als stoornissen in de psychosociale functies (geheugen en denken, concentratie, perceptie van de omgeving en motivatie) of angststoornissen. Het kan ook gaan om cliënten die vanwege hun lichamelijke handicap zware fysieke beperkingen hebben die niet met hulpmiddelen te compenseren zijn99. Zij hebben frequente hulp en begeleiding nodig bij het uitvoeren van allerlei dagelijkse activiteiten en zijn zelf niet (meer) in staat om hulp in te roepen. 6.2.1.3 Het preventief ingrijpen bij gedragsproblemenHet gaat hier om cliënten met gedragsproblemen, waarbij het ook kan gaan om zogenaamd internaliserend (naar binnen gericht) probleemgedrag. Dit kan voortkomen uit een psychiatrische of psychogeriatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, waarbij actieve observatie noodzakelijk is om tijdig te kunnen ingrijpen. Een ander voorbeeld: een verzekerde die zich onvoldoende kan uiten/verstaanbaar maken (communicatienood) en daardoor probleemgedrag zal gaan vertonen (woede-uitbarstingen, frustratie) als niet steeds hulp bij de communicatie geboden wordt. 6.2.2 Voorliggende voorzieningenOp de functie Kortdurend Verblijf zijn geen wettelijk voorliggende voorzieningen van toepassing. Wel is een aantal niet-wettelijke voorliggende voorzieningen denkbaar. 6.2.2.1 Aanvullende verzekering op de ZorgverzekeringswetDe aanvullende verzekering valt niet onder de verplichte verzekering en is hiermee ook geen wettelijk voorliggende voorziening. Het staat mensen vrij zich aanvullend te verzekeren of niet. Als mensen deze verzekering hebben dan heeft dit een algemeen gebruikelijk karakter. De inhoud van deze verzekering en het gebruik hiervan door een cliënt, kunnen van invloed zijn op de soort en omvang van de indicatie. Een voorbeeld van een aanvullende verzekering is mantelzorgvervanging, bijvoorbeeld Handen-in-Huis. 6.2.2.2 Overige voorliggende voorzieningenNiet bij wet gecreëerde voorzieningen om in de zorgbehoefte te voorzien buiten de Wmo om, zijn voor Kortdurend Verblijf bijvoorbeeld: - Alarmering; - Vrijwilligers; - Cliëntondersteuning; - Aanvullende verzekering op de Zvw; - Mantelzorgondersteuning. Deze voorzieningen gaan voor op Wmo-zorg als ze beschikbaar zijn en in redelijkheid een oplossing bieden voor de zorgbehoefte van een verzekerde. Van cliënten die daartoe in staat zijn, wordt ook actie en initiatief verwacht om hun netwerk in te schakelen en zo te voorzien in hun vraag naar zorg en dienstverlening. 6.2.3 MantelzorgWanneer voor de zorgvrager mantelzorg vrijwillig beschikbaar is, wordt voor dat deel van de zorgaanspraak niet geïndiceerd. Professionele zorg vanuit de Wmo is dan niet noodzakelijk of er is minder professionele zorg nodig. Bij mantelzorg is cliëntsoevereiniteit van toepassing. Het staat de inwoner vrij mantelzorg wel of niet te accepteren. Als een inwoner niet geholpen wil worden door een mantelzorger die dit aanbiedt, kan de inwoner dat weigeren. Er is dan aanspraak op professionele zorg. Een inwoner die is aangewezen op zorg met het leefklimaat “permanent toezicht”, komt in aanmerking voor een indicatie voor Verblijf. Als het de wens is van partner/ouders, in- of uitwonende kinderen, huisgenoten of andere mantelzorgers om dit permanente toezicht vrijwillig op zich te nemen in de thuissituatie, wordt geen indicatie voor Verblijf als bedoeld in de Wlz afgegeven als de inwoner hiermee instemt. Om de mantelzorger te kunnen ondersteunen (ontlasten) bij dit vrijwillig op zich genomen permanent toezicht, kan voor maximaal drie dagen per week Kortdurend Verblijf geïndiceerd worden. 6.3 Wmo-maatwerkvoorzieningen 6.3.1 Eén functie Kortdurend VerblijfDe gemeente Zeist kent één functie Kortdurend verblijf: Hierin kunnen alle doelgroepen bediend worden die eerst onder de volgende NZA-codes vielen: - Z992: ZZP geestelijke gezondheidszorg verblijfscomponent; - Z993: ZZP verstandelijk gehandicapten en lichamelijk gehandicapten verblijfscomponent; - Z994: ZZP zintuigelijk gehandicapten verblijfscomponent; - Z996: ZZP verblijf met behandeling (V&V) verblijfscomponent. Kortdurend Verblijf is geen integraal pakket. De Persoonlijke Verzorging, Verpleging en/of Begeleiding die noodzakelijk is tijdens het Kortdurend Verblijf wordt geïndiceerd. Dit met uitzondering van het toezicht. Tijdens het Kortdurend Verblijf kan geen sprake zijn van Behandeling. Wel kan tijdens Kortdurend Verblijf een aanspraak zijn op Begeleiding groep wanneer de inwoner nietzelfredzaam is bij het invullen van zijn dagstructuur. 6.3.2 Indicatie van kortdurend verblijfVoor de indicatie van de omvang van het kortdurend verblijf wordt voorlopig aansluiting gezocht bij de werkwijze die het CIZ tot 1 januari 2015 toepaste. Deze werkwijze is te vinden in de CIZ Indicatiewijzer, Toelichting op de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014 zoals vastgesteld door het ministerie van VWS, versie 7.1, juli 2014. Hoofdstuk 10 van dit document gaat over het kortdurend verblijf. 6.4 Mantelzorg Kortdurend verblijf wordt gezien als een vorm van respijtzorg. Het doel van respijtzorg is de ontlasting van mantelzorgers. Als de persoon die zorg nodig heeft een indicatie voor kortdurend verblijf heeft, kan de mantelzorger af en toe vrijaf hebben en een adempauze nemen. 7 HET THUIS ZORGEN VOOR DE KINDEREN Voor kinderen tot 23 jaar en de gezinnen waarin zij leven, is het CJG de toegang voor zorg en ondersteuning. Ook als het uiteindelijk om Wmo-voorzieningen voor kinderen gaat. Het CJG voert dus het gesprek met het kind in kwestie en/of zijn of haar ouders. Mocht het uiteindelijk tot een Wmo-aanvraag komen, dan kan het gespreksverslag van het CJG daarvoor dienen. De medewerkers van het CJG zullen de aanvraag aan de gemeente overdragen en zo nodig blijven monitoren. 7.1 Wat verstaan we hieronder? Dit hoofdstuk is geheel gewijd aan het resultaat “het thuis zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren”. Hier kunnen problemen bij ontstaan door beperkingen van (één van
- de)ouders of juist van het kind. Dit kunnen problemen zijn op het gebied van: - Opvang; - Verzorging; - Verplaatsen. Problemen van kinderen met betrekking tot het wonen worden niet in dit hoofdstuk behandeld, maar in hoofdstuk 8. 7.2 Afwegingskader 7.2.1 Verantwoordelijkheid van de oudersDe zorg voor kinderen die tot het huishouden behoren is in eerste instantie een taak van de ouders. Zo moeten werkende ouders er zorg voor dragen dat er op tijden dat zij beiden werken opvang voor de kinderen is. Dat kan op de manier waarop zij dat willen (oppasoma, kinderopvang, et cetera). Deze eigen verantwoordelijkheid geldt ook in de situatie dat beide ouders mede door beperkingen niet in staat zijn hun kinderen op te vangen. In die situatie zal men een permanente oplossing moeten zoeken. Ook zijn ouders in principe zelf verantwoordelijk voor de aanschaf van de juiste middelen om hun kind te verzorgen. Hiervoor mogen de nodige investeringen van de ouder(
- s)worden verwacht. 7.2.2 Voorliggende en gebruikelijke voorzieningen 7.2.2.1 OpvangWat betreft opvang, beoordeelt het college of alle voorliggende en algemeen gebruikelijke voorzieningen meegenomen zijn. Hierbij valt te denken aan voorschoolse, tussenschoolse en naschoolse opvang, kinderopvang, opvang door grootouders, thuiswerken van de gezonde partner et cetera. Ook beoordeelt het college de mogelijkheden van ouderschapsverlof. Wat betreft hulpmiddelen wordt bekeken of gebruikelijke zaken gemakkelijk omgebouwd kunnen worden tot geschikt voor de betreffende ouder. Een bestaande commode en bedje kunnen bijvoorbeeld eenvoudig opgehoogd worden, zodat de ouder met rugklachten zijn of haar baby beter kan verzorgen. Ook wordt bekeken of door een andere taakverdeling tussen de ouders tot een oplossing gekomen kan worden. 7.2.2.2 OpvoedingsvragenMet kleine en grote vragen over de ontwikkeling en opvoeding van hun kind, kunnen ouders terecht bij het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG). Bij het CJG werken professionals die informatie, advies en ondersteuning kunnen bieden aan kinderen met of zonder beperkingen (lichamelijk, psychisch en/of psychosociaal) en hun ouders. 7.2.2.3 JeugdhulpVanaf 2015 is de gemeente verantwoordelijk voor de betaling en organisatie van alle jeugdhulp. In Zeist is ervoor gekozen dat het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) in Zeist de plek is voor de toeleiding naar jeugdhulp. Onder de jeugdhulp vallen: - Hulp bij de opvoeding (zie de vorige paragraaf, 7.2.2.2); - Dagbehandeling; - Jeugdbescherming; - Jeugdreclassering; - Geestelijke gezondheidszorg; - Gesloten jeugdzorg. Over de jeugdhulp zijn apart een verordening, een besluit en beleidsregels opgesteld. 7.3 Wmo-maatwerkvoorzieningen Als al het voorafgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem, dan kan het college een maatwerkvoorziening inzetten. 7.3.1 OpvangDe gemeente heeft via de Wmo vooral een taak om tijdelijk in te springen zodat de ruimte ontstaat om een (al dan niet tijdelijke) eigen oplossing te zoeken. De acute problemen worden dus opgelost, zodat gezocht kan worden naar een permanente oplossing. Bij opvang gaat het alleen om die tijden dat er niemand thuis is om voor de kinderen te zorgen. Als er een gezonde partner is, kan dat bijvoorbeeld vanwege zijn of haar werkzaamheden zijn. In dat geval wordt rekening gehouden met het aantal te werken uren (maximaal 40 per week) plus reistijd. Bij de toekenning wordt bij beschikking vastgesteld om welke tijdelijke periode het gaat en op welke wijze gezocht dient te worden naar een definitieve oplossing. 7.3.2 VerzorgingWat betreft hulpmiddelen voor de verzorging van kinderen, kan onderscheid gemaakt worden tussen hulpmiddelen ten behoeve van de gehandicapte ouder en hulpmiddelen ten behoeve van het gehandicapte kind. Zowel aankleedtafels als aangepaste boxen voor gehandicapte kinderen en aankleedtafels voor gehandicapte verzorgers van (niet-gehandicapte) kinderen kunnen verstrekt worden in het kader van de Wmo. 7.3.3 Verplaatsen (hulpmiddelen) 7.3.3.1 Buggy’sLicht gehandicapte kinderen worden vaak vervoerd in een aangepaste buggy. Aangepaste buggy’s zijn breder en groter dan de buggy’s voor niet-gehandicapte kinderen. Ze bieden meer ondersteuning voor kinderen met bijvoorbeeld een minder goede zitfunctie. Aangepaste buggy’s vallen onder de Wmo. 7.3.3.2 DuwwandelwagensVoor zwaarder gehandicapte kinderen zijn er diverse soorten duwwandelwagens die in meer of mindere mate ondersteuning bieden. De duwwandelwagens vallen onder de Wmo. 7.3.3.3 ZonneschermAls accessoire bij duwwandelwagens en buggy’s kan een zonnescherm worden geleverd. De kosten van een dergelijk scherm worden alleen vergoed, als daarvoor een medische noodzaak is. 7.3.3.4 SpeelvoertuigenVoor jonge gehandicapte kinderen zijn voorzieningen beschikbaar die het midden houden tussen (therapeutische) speelvoorzieningen en mobiliteitshulpmiddelen. Het gaat daarbij concreet om speelmobielen, kruipwagens en kruiphulpmiddelen. Deze speelvoertuigen kunnen op grond van de Wmo in aanmerking komen voor vergoeding. Speelmobielen zijn speelvoorzieningen/vervoermiddelen voor buiten. Deze voorzieningen op drie wielen worden door de gebruiker zelf voortbewogen door middel van een op en neer bewegende hendel of een koffiemolen. Kruipwagens zijn bedoeld voor kinderen die vanwege beenfunctiestoornissen niet in staat zijn te kruipen. Liggend of zittend op een kruipwagen of kruiphulpmiddel kunnen deze kinderen zich met hun handen voortbewegen. 7.3.3.5 KinderrolstoelenKinderrolstoelen wijken in essentie niet af van rolstoelen voor volwassenen. Alleen de maatvoering is anders. Voor rolstoelen verwijzen we daarom naar hoofdstuk 9. 7.3.3.6 Zitvoorzieningen in de rolstoelVoor gehandicapte kinderen die niet in een gewone kinderrolstoel kunnen zitten, zijn er diverse soorten aangepaste zitvoorzieningen. De individueel geprofileerde zitvoorzieningen (vaak kuipvormig) zijn bedoeld voor kinderen die veel ondersteuning en correctie nodig hebben om te kunnen zitten. Afhankelijk van hoe een kind zich ontwikkelt, kan er na verloop van tijd behoefte ontstaan aan een kinderrolstoel. Ook zijn er speciale zitorthesen, die individueel op maat gemaakt moeten worden. Deze zijn kuipvormig en kunnen op een onderstel (met wielen) worden geplaatst. Een uitzondering vormen de zitvoorzieningen wanneer zij op school worden gebruikt. In dat geval betreft het een onderwijsvoorziening, waardoor men een aanvraag kan indienen bij het UWV. 7.3.4 Verplaatsen (vervoer) 7.3.4.1 Vervoer van kinderen van ouders met een beperkingDe gemeente moet bij de verstrekking van vervoersvoorzieningen rekening houden met ouders met een beperking die de zorg over hun kinderen dragen. De gemeente kan volgens de rechter tegelijkertijd rekening houden met, en oog hebben voor, alternatieven voor vervoer die door de ouders zijn georganiseerd. 7.3.4.2 Vervoer van kinderen met een beperkingBij de compensatie van vervoer van kinderen moet worden uitgegaan van de zelfstandige vervoersbehoefte van het kind in kwestie. Richtlijnen hierbij zijn: - Tot vijf jaar: geen zelfstandige vervoersbehoefte; - Van vijf tot en met elf jaar: een beperkte zelfstandige vervoersbehoefte, bijvoorbeeld om ergens te gaan spelen of om naar een vereniging te gaan. Van de ouders mogen echter met betrekking tot het brengen en het halen ook inspanningen verwacht worden; - Vanaf twaalf jaar: een (bijna) volledige zelfstandige vervoersbehoefte. Via de Wmo wordt niet voorzien in het vervoer naar en van school. Hier is een voorliggende voorziening voor, het leerlingenvervoer. 7.3.4.3 Autozitjes en fietszitjesDe eerder in deze paragraaf genoemde aangepaste zitvoorziening voor kinderen kan niet als fiets- of autozitje gebruikt worden. Voor vervoer is dus een apart auto- of fietszitje nodig. 7.3.4.4 Aangepaste fietsen en dergelijkeAan kinderen kunnen ook aangepaste fietsen en andere vervoersmiddelen toegekend worden. Bij vervoermiddelen met een (elektro)motor, zoals een scootmobiel, wordt de maximumsnelheid voor kinderen jonger dan 16 jaar afgesteld op 10 kilometer per uur. Voor aangepaste vervoermiddelen voor kinderen verwijzen we verder naar hoofdstuk 8. 7.4 Mantelzorg Ook bij mantelzorgers die helpen bij de verzorging van het kind van de cliënt, kan sprake zijn van problemen. Dit is dan het gevolg van de zorgtaak van de mantelzorger, waardoor hij of zij (
- te)zwaar belast wordt. In zo’n geval zijn twee oplossingen mogelijk: -Ondersteuning van degene die verzorgd wordt, zodat de mantelzorger ontlast wordt; - Ondersteuning van de mantelzorger zelf. Welke oplossing gekozen wordt, hangt af van de mantelzorger, degene die verzorgd wordt en de afweging die de gemeente moet maken in het kader van de goedkoopst-compenserende oplossing. Eén en ander wordt vooraf door het CJG tijdens het gesprek met de inwoner besproken. 8 WONEN IN EEN GESCHIKT HUIS 8.1 Wat verstaan we hieronder? Dit hoofdstuk is geheel gewijd aan het wonen in een geschikt huis. Met betrekking tot het wonen is er een grote diversiteit aan oplossingen. Van goedkoop tot duur, van eenvoudig tot complex, materieel en immaterieel. Voor een maatwerkvoorziening van de gemeente is een belangrijke voorwaarde: er moet een woning zijn. Als er geen woning is, is het niet de taak van de gemeente om voor een woning te zorgen. Iedere (volwassen) Nederlandse burger dient zelf voor een woning te zorgen. Bij de keuze van een woning wordt uiteraard rekening gehouden met de eigen situatie. Dat betekent ook dat met bestaande of bekende toekomstige beperkingen rekening moet worden gehouden. 8.2 Afwegingskader 8.2.1 HoofdverblijfDe gemeente onderzoekt of de woning waar de inwoner de beperkingen ervaart, zijn of haar hoofdverblijf is. Het hoofdverblijf is de plaats waar iemand gewoonlijk verblijft en waar het centrum van zijn dagelijkse sociale en economische activiteiten ligt. De bepaling van het hoofdverblijf geschiedt aan de hand van objectieve feitelijke omstandigheden. In een enkel geval is sprake van twee hoofdverblijven. Dat kan bijvoorbeeld wanneer het om een gehandicapt kind van gescheiden ouders gaat, dat in co-ouderschap wordt opgevoed. Co-ouderschap moet dan ook echt inhouden dat het kind de helft van de tijd bij de ene en de andere helft van de tijd bij de andere ouder woont. Alleen dan kunnen in allebei de huizen woonvoorzieningen worden toegepast. Als de aanvrager bijvoorbeeld zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling of meer dan de helft van de tijd bij één van de twee ouders verblijft, kan voor een woonruimte een voorziening worden getroffen om deze ruimte bezoekbaar te maken. 8.2.2 Bijzondere woonvormenEen eigen woning kan zowel een gekochte woning zijn als een huurwoning. Ook bij afwijkende situaties, zoals een (woon)boot of een woonwagen met vaste standplaats wordt in principe gesproken van woning. Bijzondere woonvormen waarvoor via de Wmo geen aanpassingen worden toegekend, zijn: - Hotels; - Pensions; - Trekkerswoonwagens; - Kloosters; - Tweede woningen; - Vakantiewoningen; - Recreatiewoningen; - Kamerverhuur. Deze uitsluitingen betreffen woonvormen die niet als hoofdwoning dienst doen en die niet permanent bewoond worden. Natuurlijk kunnen bewoners van dergelijke woningen wel bij de gemeente terecht voor advies en informatie. 8.2.3 Op gehandicapten of ouderen gerichte woongebouwenVoor specifiek op gehandicapten en/of ouderen gerichte woongebouwen ligt, wat betreft de algemene ruimtes, geen compenserende rol bij de gemeente. Van de eigenaar van het gebouw mag immers verwacht worden dat als hij een gebouw aanduidt als geschikt voor gehandicapten of ouderen, hij daar ook de voorzieningen voor heeft getroffen. Voorzieningen en aanpassingen in de algemene ruimtes in deze complexen, kunnen worden gezien als algemeen gebruikelijk en standaard aanwezig. Reguliere woningen die via de Wmo zijn aangepast, worden niet gezien als op gehandicapten en/of ouderen gericht. De woningen zijn immers in eerste instantie niet als zodanig gebouwd. Voor wooncomplexen die niet specifiek op ouderen zijn gericht, geldt niet dat de eigenaar (of de vereniging van eigenaren) per definitie verantwoordelijk is voor algemene voorzieningen en aanpassingen in de gemeenschappelijke ruimtes van het gebouw. Wel mag van de eigenaar verwacht worden dat hij bij verbouwing en renovatie rekening houdt met de bewoners en hun behoeften. In bijzondere situaties is het mogelijk om als gemeente nadere afspraken met de woningbouwcorporaties te maken. Personen met beperkingen die verhuizen van of naar een zorgwoning waarbij de functie “verblijf” van toepassing is, of die verhuizen van of naar een andere niet-zelfstandige woning, hebben in principe geen recht op woningaanpassingen. 8.2.4 Oorzaak van het probleem De gemeente onderzoekt hoe het probleem is ontstaan. 8.2.4.1 De in de woning gebruikte materialenDe eigenaar van de woning is verantwoordelijk voor de in de woning gebruikte materialen. Als de problemen voortkomen uit de gebruikte materialen, dan dient de inwoner zich dus te wenden tot de woningeigenaar. Voorbeelden van materialen die problemen kunnen veroorzaken, zijn: - Het gebruik van spaanplaat waarin deformaldehydegas zit; - Halfsteense muren op het westen die veel waterdoorslag geven, waardoor het binnen vochtig wordt. 8.2.4.2 Verhuizing naar een ongeschikte woningEr zijn situaties waarbij de inwoner verhuist van een aangepaste en/of geschikte woning naar een woning die minder of helemaal niet is aangepast. Dit is een verhuizing van een geschikte naar een niet geschikte woning. De gemeente heeft alleen een compensatieplicht als voor deze verhuizing een belangrijke reden bestaat. Een belangrijke reden kan bijvoorbeeld zijn dat de inwoner een baan heeft gekregen op grote afstand van zijn woning, waardoor verhuizen noodzakelijk is. Maar ook een echtscheiding kan een reden zijn dat de inwoner moet verhuizen. In al dit soort gevallen verwacht de gemeente wel dat de inwoner van tevoren contact opneemt, zodat de gemeente kan meedenken over de goedkoopst compenserende oplossing. Ook als iemand met (dreigende) beperkingen verhuist vanuit een voor hem of haar ongeschikt huis, dan verwacht de gemeente dat hij of zij deze gelegenheid aangrijpt om naar een geschikte woning te verhuizen. Hierbij wordt ook van de inwoner verwacht dat hij of zij rekening houdt met de toekomst. Natuurlijk staat het iedereen vrij om zijn eigen nieuwe woning uit te kiezen. De gemeente zal bij de aanvraag van woonvoorzieningen via de Wmo echter altijd overwegen in hoeverre de aanvrager met de ontstane problemen rekening had kunnen houden op het moment dat hij naar de huidige woning is verhuisd. Dus in welke mate waren de nu ontstane problemen toen voorzienbaar. Had de aanvrager op dat moment bijvoorbeeld al kunnen weten dat de trap over enkele jaren een onneembaar obstakel zou zijn? Dan is er geen compensatieplicht vanuit de Wmo. De aanvrager heeft zelf immers het risico genomen dat zijn woning (in de toekomst) niet geschikt zou zijn. 8.2.5 Eigen oplossingenOnderzocht wordt in hoeverre eigen oplossingen kunnen leiden tot een oplossing voor het probleem. Hierbij wordt ook overwogen of volstaan kan worden met voorzieningen die relatief goedkoop en/of algemeen gebruikelijk zijn. Dit zijn bijvoorbeeld: Algemeen gebruikelijk: - Het aanbrengen van beugels en handgrepen; - Het laten aanleggen van een verhoogd toilet. Relatief goedkoop - Het aanschaffen van een toiletverhoger; - Het aanschaffen van een toiletstoel; - Het aanschaffen van een douchestoel; -Het laten aanleggen van eenvoudige drempelhulpen. Klussendiensten kunnen eventueel hulp bieden bij het aanleggen van voorzieningen. 8.2.6 VerhuizenOok wordt afgewogen in hoeverre verhuizen een oplossing biedt. Hierbij zullen alle aspecten worden meegewogen: - Financiële consequenties van de verhuizing; - De termijn waarop een geschikte woning kan worden gevonden (in verband met de medische verantwoorde termijn); - De argumenten pro en contra verhuizing ten aanzien van de betrokkene; - Argumenten op basis van eventueel aanwezige mantelzorg. Een zeer zorgvuldige afweging van alle argumenten zal aan het besluit ten grondslag worden gelegd. 8.2.7 VoorzienbaarheidAls de inwoner weet dat zijn beperkingen of de beperkingen waar hij in de toekomst mee te maken krijgt woningaanpassingen vereisen, dan moet hij daar vooraf rekening mee houden. Van de inwoner wordt verwacht dat hij of zij zelf alvast maatregelen treft om toekomstige woonproblemen op te lossen. Deze maatregelen kunnen bestaan uit het sparen van geld voor een toekomstige verhuizing of voor het zelf aanschaffen van voorzieningen. Voorbeelden van situaties waarbij sprake is van voorzienbaarheid, zijn: - De inwoner heeft een progressieve aandoening waarbij redelijkerwijs te verwachten is dat hij of zij op termijn niet meer in zijn of haar woning kan blijven wonen; - Bij de inwoner gaat het traplopen niet meer zo goed. Dit komt door ouderdomsklachten. Te verwachten is dat het traplopen op termijn helemaal niet meer gaat, zodat een traplift of een verhuizing naar een gelijkvloerse woning nodig is. Bij het toetsen van het begrip “voorzienbaarheid” gaat de gemeente uit van de vraag of de inwoner circa vijf jaar voordat de woonproblemen ontstaan, logischerwijs had kunnen weten of vermoeden dat de woonproblemen zouden kunnen gaan ontstaan en daar dus rekening mee had kunnen houden. 8.2.8 Rekening houden met afschrijvingDe gemeente houdt rekening met de algemeen gebruikelijke levensduur van een voorziening. Hierbij wordt rekening houden met de aard van de voorziening en de situatie van de cliënt. Voor de algemene gebruikelijke afschrijvingstermijnen van badkamers en keukens zoeken wij aansluiting bij de afschrijvingstermijnen die door de vereniging Overleg Voorzitters Huurcommissie zijn vastgesteld in het Beleid Huurverhoging na Woonverbetering. 8.3 Wmo-maatwerkvoorzieningen 8.3.1 Roerende woonvoorzieningenRoerende woonvoorzieningen zijn bijvoorbeeld: - Douchestoel; - Toiletstoel; - Toiletverhoger, eventueel met beugels; - Douchebrancard; - Verrijdbare tillift; - Losse, of eenvoudig verwijderbare, drempelhulpen. De meest gebruikte roerende woonvoorzieningen zijn over het algemeen tegen redelijke prijzen verkrijgbaar bij thuiszorgwinkels en via internet. Om die reden is het voor de inwoner niet altijd gunstiger om deze voorzieningen via de Wmo geleverd te krijgen in verband met de eigen bijdrage voor Wmo-voorzieningen. Vooraf kan berekend worden hoe hoog de eigen bijdrage voor de voorziening zal zijn. Als de inwoner de voorziening via de eigen bijdrage uiteindelijk helemaal zelf betaalt, dan is hij misschien sneller en/of goedkoper geholpen met een zelf aangeschafte voorziening. De keuze is aan de aanvrager. 8.3.2 Vaste prijzen voor eenvoudige woningaanpassingen Voor eenvoudige woningaanpassingen gelden vaste prijzen. Deze zijn in samenspraak met de drie Zeister woningbouwcorporaties tot stand gekomen. Als een voorziening met een vaste prijs wordt toegekend, dan wordt het bijbehorende bedrag aan de woningeigenaar toegekend voor het aanleggen van deze voorziening. De prijzen zijn in het Besluit opgenomen. 8.3.3 Complexere onroerende woonvoorzieningenAls blijkt dat het aanpassen van de woning of woonruimte de goedkoopst compenserende oplossing is, moet worden aangegeven hoe hieraan invulling wordt gegeven. In deze paragraaf wordt een aantal voorbeelden van bouwkundige aanpassingen genoemd. Een bouwkundige aanpassing of woontechnische ingreep aan een woonruimte wordt op grond van de Wmo door het college toegekend aan de inwoner. Als het een huurwoning betreft, zorgt de eigenaar van de woning echter voor de betreffende aanpassingen. De gemeente kan er in dat geval voor kiezen om de kosten voor de voorziening direct aan de eigenaar uit te betalen. De beschikking wordt verstuurd aan de aanvrager/belanghebbende met een afschrift aan de eigenaar. 8.3.3.1 Programma van eisenBij grotere bouwkundige aanpassingen aan de woning wordt gewerkt met een programma van eisen, waarmee zo nodig meerdere offertes opgevraagd kunnen worden. 8.3.3.2 In de keukenAanpassingen in de keuken zijn mogelijk als sprake is van beperkingen bij het uitvoeren van keukenactiviteiten waarvoor belanghebbende grotendeels verantwoordelijk is. Verder worden de volgende criteria gehanteerd: - De al aanwezige keuken wordt beoordeeld op levensduur en afschrijving. Mocht de aanwezige keuken al afgeschreven zijn, is de eigenaar van de woning verantwoordelijk voor een andere, wellicht al gedeeltelijk aangepaste, keuken. Wel kunnen meerkosten die een relatie hebben tot de beperkingen van de inwoner voor compensatie in aanmerking komen; - Er wordt vanuit gegaan dat aanvrager, indien van toepassing, een adequate zitvoorziening in de keuken heeft, zoals een kruk of trippelstoel; - De aanvrager moet in staat zijn de activiteiten te verrichten waarvoor compensatie wordt gevraagd; - De aanpassingskosten moeten in redelijke verhouding staan met de activiteiten die de aanvrager in de keuken verricht; - Er wordt rekening gehouden met de aanwezigheid van andere voorzieningen, zoals hulp bij het huishouden. Mogelijke aanpassingen in de keuken zijn: - Een onderrijdbaar aanrechtblad; - Het aanpassen van het werkblad (hoog laag, mechanisch of elektrisch, behandeling oppervlakte); - Aanpassen van opbergruimten, werklicht, et cetera. Uitgegaan wordt van een standaard keuken met vijf kastjes. 8.3.3.3 Aan de trapAls iemand vraagt om zijn beperkingen in het traplopen te compenseren, dan wordt gekeken naar de mate van normaal gebruik van de woning, zoals in deze beleidsregels besproken. Aanpassingen aan de trap bestaan in de regel uit het aanbrengen van een tweede trapleuning of traplift. Tweede leuningen worden gezien als algemeen gebruikelijk en niet via de Wmo vergoed. Trapliften worden in bruikleen verstrekt. Elementen die hierbij betrokken worden, zijn: - De mate van veilig gebruik van de trap; - Het aantal malen dat de trap per dag (noodzakelijk) gebruikt wordt; - De bouwkundige mogelijkheden voor het aanpassen van de trap. 8.3.3.4 Van het toiletHet aanpassen van het toilet bestaat voornamelijk uit het compenseren van beperkingen in gebruik en toegankelijkheid van het toilet. Algemeen gebruikelijk (en dus niet vergoed), zijn wandbeugels en een verhoogd toilet. Een zogenaamde spoel/föhn installatie, bedoeld voor mensen die niet in staat zijn zichzelf te reinigen na de toiletgang, kan worden verstrekt. Een tweede toilet, bijvoorbeeld op de bovenverdieping, wordt in principe niet verstrekt. Er is een uitzondering hierop mogelijk in het geval dat: - Een losse toiletstoel of chemisch toilet niet geleegd en/of schoongemaakt kan worden door de cliënt, een huisgenoot of hulpverlener; en - De gang naar beneden, voornamelijk in de nacht, niet of niet op tijd mogelijk is. 8.3.3.5 Aan de natte celMet de natte cel wordt bedoeld de ruimte in de woning waar iemand zich wast, douchet en eventueel naar het toilet kan: de badkamer. Ook hier worden aanpassingen aangebracht om eventuele beperkingen in het gebruik en de toegankelijkheid te compenseren. Hierbij kan gedacht worden aan: - Opklapbare douchezit (als een losse douchestoel niet mogelijk is); - Anti-slipvloer; - Aanpassingen aan de wastafel bij rolstoela