← Nederland

Algemene Plaatselijke Verordening Maassluis 2017 (Maassluis)

Kort samengevat

Deze wet regelt de algemene openbare orde en veiligheid in de gemeente Maassluis, en bepaalt de procedures voor vergunningen en ontheffingen die daarvoor nodig zijn.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Algemene Plaatselijke Verordening Maassluis 2017De raad van de gemeente Maassluis; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van de gemeente Maassluis d.d. 11 november 2014 besluit De gemeenteraad besluit tot het intrekken van de Algemene Plaatselijke Verordening Maassluis 2012 alsmede tot intrekking van het Integraal Handhavingsbeleid Vergunningplichtige Openbare Inrichtingen Gemeenten Vlaardingen en Maassluis, en tot het vaststellen van de Algemene Plaatselijke Verordening Maassluis 2014 alsmede het Handhavingsarrangement APV 2014 Gemeente Maassluis. Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Maassluis van 2 December 2014. de griffier, de voorzitter, mr. R. van der Hoek drs. J.A. Karssen HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan gedeputeerde staten de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet beheerder: voor zover het betreft een openbare inrichting: natuurlijke persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in de inrichting; voor zover het betreft een seksinrichting of escortbedrijf: natuurlijke persoon die de onmiddellijke leiding uitoefent in de inrichting of het bedrijf. bevoegd bestuursorgaan: krachtens deze verordening bevoegd bestuursorgaan; bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1., eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ; bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening; college: college van burgemeester en wethouders van Maassluis; gebouw: bouwwerk dat voor een personen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijke met wanden omsloten ruimte vormt, zoals bedoeld in artikel 1, onder c van de Woningwet. handelaar: handelaar, als bedoeld in artikel 1 van het besluit van 6 januari 1992 ter uitvoering van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Stb. 1992, 36); openbare inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, zomede de daarbij behorende terrassen; voor publiek openstaande lokaliteiten, open plaatsen, tuinen of gedeelten daarvan, zomede de daarbij behorende terrassen en de daarmee gemeenschap hebbende vertrekken die niet uitsluitend als woning of winkel worden gebruikt, alsmede de niet voor publiek toegankelijke lokaliteiten welke voor het publiek op de weg bereikbaar zijn, uitgezonderd standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17, voor zover daar regelmatig of op gezette tijden: gelegenheid wordt gegeven anders dan om niet enigerlei eet- of drinkwaar te verkrijgen, af te halen of te verbruiken; amusement of ontspanning wordt aangeboden, met uitzondering van voorstellingen of vertoningen van porno-erotische aard worden gegeven dan wel door middel van automaten dergelijke voorstellingen of vertoningen kunnen worden gegeven; openbare plaats: hetgeen in artikel 1van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; rechthebbende: natuurlijke of rechtspersoon die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; m. weg: weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994; vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten; woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning bestemd. Artikel 1:2 Beslistermijn Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Het bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen. Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor zover in deze verordening andere beslistermijnen zijn gesteld. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:10, artikel 2:11, artikel 2:12, of artikel 4:11. Artikel 1:3 Te late indiening aanvraag (vervallen) Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of indien de houder dit verzoekt. Artikel 1:7 Vergunning of ontheffing voor onbepaalde tijd Een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. Artikel 1:8 Weigeringsgronden De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: de openbare orde/overlast; de openbare veiligheid; in het belang van de verkeersvrijheid of –veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu; de zedelijkheid. In aanvulling op de in het eerste lid genoemde algemene weigeringsgronden kunnen per artikel bijzondere weigeringsgronden worden genoemd. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan zes weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Voor bepaalde, door het bevoegde bestuursorgaan aan te wijzen vergunningen of ontheffingen kan de in het derde lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste twaalf weken. Artikel 1:9 Toepassing paragraaf 4.1.3.3. Algemene wet bestuursrecht Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene Wet Bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op de volgende artikelen in deze Verordening: Artikel 2:6 lid 4 Ontheffing verbod gedrukte of geschreven stukken; Artikel 2:9 lid 3 Ontheffing verbod optreden als straatartiest; Artikel 2:10 lid 2 Voorwerpen of stoffen openbare plaats; Artikel 2:11 Vergunning aanleggen, beschadigen veranderen van een weg; Artikel 2:12 Vergunning maken veranderen van een weg; Artikel 2:67 lid 2 Vrijstelling verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister; Artikel 2:73a lid 3 Ontheffing Carbidschieten; Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden; Artikel 5:13 lid 1 Inzameling van geld of goederen (collectevergunning); Artikel 5:15 Venten en dergelijke; Artikel 5:16 lid 3 Ontheffing verbod venten met gedrukte stukken; Artikel 5:30a Vergunning zwemmen openbaar water; Artikel 5:36 lid 3 Ontheffing verbod incidentele asverstrooiing. Artikel 1:10 Geen toepassing paragraaf 4.1.3.3. Algemene wet bestuursrecht Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene Wet Bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de volgende artikelen in deze Verordening: Artikel 2:1 lid 4 Ontheffing verbod te begeven op openbare plaatsen die zijn afgezet; Artikel 2:10 lid 1 Vergunning voorwerpen openbare plaats Artikel 2:25 Vergunning evenementen; Artikel 2:26a Melding 0-evenement; Artikel 2:28 (Tijdelijke) exploitatievergunning horeca; Artikel 2:31a lid 3 Ontheffing verbod drank in glas; Artikel 2:46 lid 3 Ontheffing rijden over bermen en dergelijke; Artikel 2:72 Vergunning ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk; Artikel 3:4 Vergunning seksinrichting; Artikel 4:6 lid 2 Ontheffing overige geluidhinder Artikel 4:18 lid 3 Ontheffing van het verbod tot recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen; Artikel 5:2 lid 4 Ontheffing parkeerverbod autobedrijf; Artikel 5:3 lid 2 Ontheffing verbod te koop aanbieden van voertuigen; Artikel 5:6 lid 3 Ontheffing parkeren kampeervoertuig; Artikel 5:7 lid 2 Ontheffing parkeren reclamevoertuigen; Artikel 5:8 lid 4 Ontheffing parkeren grote voertuigen; Artikel 5:18 Standplaatsvergunning; Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen; Artikel 5:33 lid 6 Ontheffing verkeer in natuurgebieden; Artikel 5:34 lid 3 Ontheffing verbod afvalstoffen verbranden; HOOFDSTUK 2 OPENBARE ORDE Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen te vechten of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden. Hij die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen , vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de in de Wet openbare manifestaties. Artikel 2:1a Aanwijzing overlastgebied 1.De burgemeester is bevoegd om een gebied aan te wijzen waar naar zijn oordeel sprake is van een ernstige verstoring of bedreiging van de openbare orde. 2.Het is verboden zich in een aangewezen gebied op te houden in een groep van meer dan vier personen, indien dit leidt tot een verstoring van de openbare orde. 3.De burgemeester trekt de aanwijzing in, zodra naar zijn oordeel sprake is van een voldoende herstel van de openbare orde in het aangewezen gebied. Artikel 2:1b Wijkverbod De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan degene die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een verbod opleggen om zich gedurende 24 uur te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de gedragingen hebben plaatsgehad. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie wordt geconstateerd dat hij opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste acht weken te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de gedragingen hebben plaatsgehad. Een verbod als genoemd in het tweede lid kan slechts worden opgelegd indien de strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen binnen zes maanden na het opleggen van een eerder verbod, opgelegd op grond van het eerste of tweede lid, zijn geconstateerd. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede genoemde verboden, indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod. Artikel 2:1c Veiligheidsrisicogebieden (preventief fouilleren) De burgemeester kan, overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet, bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel 2:1d Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester kan beleidsregels vaststellen over het gebruik van deze bevoegdheid. De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke: geluid- of geurhinder; hinder van dieren; hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; intimidatie van derden vanuit een woning of een erf. Afdeling 2. Betogingen Artikel 2:2 Optochten (vervallen) Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, geeft daarvan daarvan voor de openbare aankondiging en tenminste 72 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. Onder openbare plaats wordt verstaan: een plaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet openbare manifestaties. De kennisgeving bevat: naam en adres van degene die de betoging houdt; het doel van de betoging; de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn van 72 uur verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen. Artikel 2:4 Afwijking termijn (Vervallen; opgenomen in artikel 2:3) Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens (Vervallen; opgenomen in artikel 2:3) Afdeling 3. Verspreiding van gedrukte stukken Artikel 2:6 Beperking aanbieden en dergelijke van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen. Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. Afdeling 4. Vertoningen en dergelijke op een openbare plaats Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd en dergelijke (Vervallen) Artikel 2:8 Dienstverlening (Vervallen) Artikel 2:9 Straatartiest e.d. 1.Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur ofgids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen openbare plaatsen. De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van een openbare plaats Artikel 2:10 Voorwerpen of stoffen aan, op, in of boven een openbare plaats Het is verboden zonder vergunning van het college voorwerpen of stoffen aan, op, in, of boven de openbare plaats te plaatsen, aan te brengen, te hebben of te storten. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op: vlaggen, wimpels en vlaggenstokken indien ze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen; zonneschermen, mits ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de openbare plaats en mits: geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt; en geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 1 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de openbare plaats bevindt; geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt; de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de openbare plaats gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de openbare plaats verwijderd zijn en de openbare plaats daarvan gereinigd is; voertuigen; voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet worden geopenbaard; het innemen van een standplaats als bedoeld in artikel 5:17 of een standplaats als bedoeld in de Marktverordening gemeente Maassluis. Het is verboden aan, op, in of boven de openbare plaats voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, danwel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. Een vergunning bedoeld in het eerste en tweede lid kan worden geweigerd: indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers en in de nabijheid gelegen onroerende zaak; in het belang van de brandveiligheid, of; indien door plaatsing of aanwezigheid van het voorwerp er sprake is van het gebruik van de weg of een weggedeelte anders dan overeenkomstig de publieke functie of bestemming daarvan. a. het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerpwordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de Wegenverordening Zuid-Holland; de weigeringsgrond van het vierde lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken; de weigeringsgrond van het vierde lid, onder c, geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; door het college in de overige gevallen. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen. Het verbod geldt niet voor het Rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak. Het verbod geldt voorts niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement Zuid Holland en de telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur (AVOI). Artikel 2:12 (Omgevings)vergunning voor het maken of veranderen van een uitweg Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. Bij de vergunningsaanvraag wordt een situatieschets van de gewenste uitweg en eventueel een foto van de bestaande situatie overgelegd. Het bevoegd gezag stelt voorschriften aan de gewenste uitweg indien door het realiseren ervan: de bruikbaarheid van de weg en/of het veilig en doelmatig gebruik van de weg wordt geschaad; het gebruik van een bestaande openbare parkeerplaats onmogelijk wordt gemaakt of dreigt te worden gemaakt; de groenvoorziening in de gemeente wordt geschaad of dreigt te worden geschaad. Het bevoegd gezag weigert de vergunning voor de aanleg van de uitweg als door de aanleg een ongewenste situatie ontstaat, die niet door het stellen van voorschriften kan worden voorkomen. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement. Afdeling 6. Veiligheid van/op de openbare plaats Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid (Vervallen) Artikel 2:14 Winkelwagentjes De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking stelt , mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht ze te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen. Het is verboden een winkelwagentje dat is gebruikt op de weg, onbeheerd daarop achter te laten anders dan op een daartoe aangewezen plaats. Het is verboden zich met een winkelwagentje op de weg te bevinden buiten de onmiddellijke omgeving van het bedrijf als bedoeld in het eerste lid, of indien het bedrijf gelegen is in een winkelcentrum, buiten de onmiddellijke omgeving van het winkelcentrum. Als onmiddellijke omgeving van het bedrijf of winkelcentrum wordt aangemerkt de weg of het gedeelte, grenzend aan het bedrijf of winkelcentrum en tevens een aan die weg of dat weggedeelte aansluitende parkeerplaats. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet Milieubeheer. Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat . Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke Het is degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel 2:17 Kelderingangen, en dergelijke Kelderingangen, indiepingen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3 van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurgebieden (Vervallen) Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp openbare plaats 1.Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van een openbare plaats op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg. 2 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht. 3.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is. Artikel 2:20 Vallende voorwerpen Het is verboden aan een openbare plaats of aan enig deel van een bouwwerk een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op de openbare plaats. Artikel 2:20a Dragen gevaarlijke voorwerpen Het is verboden op een openbare plaats, met inbegrip van daaraan gelegen voor publiek toegankelijke gebouwen en terreinen, een mes, slagwapen, knuppel, katapult, pijl en boog of een ander voorwerp dat als wapen kan worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens behorende tot de categorieën I, II, III en IV Wet wapens en munitie en voor zover door het bij zich dragen van deze voorwerpen de openbare orde of veiligheid niet in gevaar komt of kan komen. Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn (Vervallen) Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs Het is verboden: voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten, te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale Vaarwegenverordening Zuid Holland. Artikel 2.23a Verbod op slapen op of aan de weg Het is verboden de weg als slaapplaats te gebruiken en verder op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent of een soortgelijk ander onderkomen als slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten dan wel gelegenheid daartoe te bieden. Het college kan van het in het eerste lid genoemde verbod ontheffing verlenen en daaraan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid en gezondheid voorschriften verbinden, onder andere ter voorkoming en beperking van hinder en overlast, het aanzien van de woon- en werkomgeving, verontreiniging, verspreiding van besmettelijke ziekten en brandgevaar. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet op de door het college speciaal daartoe aangewezen plaatsen. Afdeling 7. Evenementen Artikel 2:24 Begripsbepalingen 1.In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a.bioscoopvoorstellingen; b.markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; c.kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d.verrichtingen van vermaak die plaatsvinden in een openbare inrichting, waarvoor een vergunning krachtens artikel 2:28 van deze verordening geldt, mits de vergunning mede betrekking heeft op deze verrichting van vermaak; e.betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f.activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 van deze verordening. 2.Onder evenement wordt mede verstaan: a.een herdenkingsplechtigheid; b.een braderie; c.een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg; d.een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; een snuffelmarkt. Evenementen zijn onderverdeeld in de volgende categorieën: 0-evenement: evenement met een laag risicoprofiel, waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Het bezoekersaantal bedraagt maximaal 100 mensen; A-evenement: laag risico-evenement, waarbij sprake is van een beperkte impact op de omgeving en het verkeer; B-evenement: gemiddeld risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de directe omgeving en/of gevolgen voor het verkeer; C-evenement: hoog risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de stad en/of regionale gevolgen voor het verkeer. Onder organisator wordt verstaan: degene voor wiens rekening en risico een evenement plaatsvindt. Onder evenementenoverzicht wordt verstaan: de door het college jaarlijks vastgestelde kalender met B- en C- evenementen voor het volgende – aankomende – evenementenjaar. Artikel 2:25 Evenementenvergunning Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een A-, B- of C-evenement te organiseren, toe te laten of feitelijk te leiden. De vergunning geldt voor één evenement. De burgemeester weigert de vergunning voor een B- en C evenement indien de organisator: onder curatele staat; in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de burgemeester de evenementenvergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd intrekken of wijzigen indien naar zijn oordeel: dit noodzakelijk is voor de openbare orde en veiligheid en/of de bescherming van hetwoon- en leefklimaat in de omgeving van het evenement; b.de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen niet kan wordengewaarborgd; de zedelijkheid of gezondheid van bezoekers niet kan worden gewaarborgd; het gelet op een gebeurtenis van nationale omvang op de dag van het evenement ofdaags voor het evenement met een dusdanig effect op het gemeenschapsleven nietwenselijk is dat de activiteiten worden voortgezet; de bescherming van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt nodig is; de vergunningvoorschriften niet worden nageleefd; de ter handhaving van de openbare orde en veiligheid noodzakelijke politie- enhulpverleningscapaciteit een onevenredig beroep op de beschikbare bezetting doet; tegen de organisator in de afgelopen drie jaar een bestuurlijke maatregel is genomen; de vooraankondiging van een B- of C-evenement niet voor 1 november van het jaarvoorafgaand aan het jaar waarin het evenementenoverzicht wordt vastgesteld, isingediend; j.een A-evenement niet ten minste acht weken voor aanvang van het evenement isaangevraagd; het B- en C-evenement waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, niet is opgenomen op het evenementenoverzicht dat is vastgesteld voor het jaar waarin het evenement waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, plaats zal vinden; de inhoud of uitstraling van het evenement niet past in het evenementenbeleid, het imago of de belangen van de stad Maassluis; ten behoeve van de vergunningverlening onvolledige of onjuiste gegevens zijn verstrekt. De burgemeester kan aan de vergunning voorschriften verbinden ter regulering van het evenement, die onder meer betrekking kunnen hebben op: de plaats en het tijdstip van het evenement; de benodigde technische voorzieningen; de inrichting van het evenemententerrein; het activiteitenprogramma; een veiligheidsplan, waaronder het aantal beveiligers; het verkeersplan. De aanvraag om een evenementenvergunning bevat ten minste: de plaats waar het evenement wordt gehouden; de datum en het tijdstip waarop het evenement wordt gehouden; een opgave van het verwachte aantal deelnemers en toeschouwers; de inrichting van het evenemententerrein; het activiteitenprogramma; de mogelijke risico’s voor verstoring van de openbare orde en veiligheid; het veiligheidsplan, waaronder het aantal beveiligers; de maatregelen die de organisator zelf zal nemen om wanordelijkheden zoveel mogelijk te voorkomen. Risicoverhogende feiten of omstandigheden waarvan eerst na de aanvraag is gebleken,worden door de organisator onverwijld aan de burgemeester gemeld. 8.Dit artikel is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in hetonderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2:26 Ordeverstoring Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken of anderszins de orde te verstoren. Een ieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer in het belang van openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen. Artikel 2.26a 0-evenementen 1.Behoudens in door de burgemeester aangewezen gebieden, is het verboden zonder meldingaan de burgemeester een 0-evenement te organiseren, toe te laten of feitelijk te leiden. Van een 0-evenement is sprake indien: het een feest op eigen terrein of straatfeest in de openlucht betreft; het aantal bezoekers niet meer bedraagt dan 100 personen; het een evenement is dat plaatsvindt op maandag tot en met zaterdag tussen 9.00 en 23.00 uur of op een zon- of feestdag tussen 13.00 en 23.00 uur; het geluidsniveau op een afstand van 10 meter van enige geluidsbron niet meer bedraagtdan 80 dB(A); e.het niet plaatsvindt op de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 of anderszinseen belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten; het geen extra politiecapaciteit vergt; slechts kleine objecten worden geplaatst met een totale oppervlakte van maximaal 10 m². Onder kleine objecten worden geen springkussens begrepen; er geen ander evenement in de nabijheid plaatsvindt; er een organisator is. De organisator meldt het 0-evenement ten minste vijf werkdagen voordat het 0-evenementplaatsvindt, aan de burgemeester door middel van het door de burgemeester vastgesteldeaanvraagformulier evenementen. 4.Het evenement mag worden gehouden als de burgemeester schriftelijk toestemming heeftverleend en de organisator deze toestemming kan tonen. 5.Indien naar het oordeel van de burgemeester uit nieuwe feiten of omstandigheden na demelding vrees bestaat voor verstoring van de openbare orde kan de burgemeester alsnog bepalen dat het verbod ingevolge artikel 2.25, eerste lid, onverkort geldt. Artikel 2.26b Openbare orde en veiligheid 1.De burgemeester kan in de aanloop naar, tijdens, en na een evenement alle aanwijzingengeven die hij noodzakelijk acht ter handhaving van de openbare orde. De burgemeester bedient zich daarbij van de onder zijn gezag staande politie, brandweer en hulpverlening. 2.De organisator van een evenement is verplicht in de aanloop naar, tijdens, en na hetevenement: alle maatregelen te treffen ter voorkoming van de verstoring van de openbare orde; het evenement onverwijld te beëindigen bij verstoring van de openbare orde of de vreesdaarvoor; een aanwijzing van de burgemeester onverwijld op te volgen; ervoor te zorgen dat bij een verstoring van de openbare orde na een aanwijzing van deburgemeester, dan wel een ambtenaar van politie, of brandweer geen publiek meer tothet evenement wordt toegelaten. Het is voor bezoekers van een evenement tijdens en na het evenement: verboden zich op het evenemententerrein te gedragen met het kennelijke doel om deopenbare orde of veiligheid te verstoren of te bedreigen; b.verboden al dan niet op het evenemententerrein – op of aan de weg of op voor hetpubliek toegankelijke plaatsen - voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, te dragen of tevervoeren die kennelijk bestemd zijn om de openbare orde of veiligheid te verstoren; c.verboden zich op een evenemententerrein te begeven indien overeenkomstig het eerste,dan wel het tweede lid onder d opdracht is gegeven het evenemententerrein te verlaten; d.verplicht ter ordelijk verloop van een evenement of bij enig voorval waardoorwanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, op een daartoe strekkende aanwijzingvan een ambtenaar van de politie of brandweer, zijn weg te vervolgen of aanwijzingen van andere aard in het belang van de openbare orde of veiligheid van personen engoederen, dan wel ter beperking van gemeen gevaar, onverwijld en stipt op te volgen. Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:27 Begripsbepalingen Onder horecabedrijf wordt in deze afdeling verstaan: een inrichting waaronder in ieder geval wordt verstaan: een hotel, motel, restaurant, pension, café, eetcafé, cafetaria, snackbar, bar, automatiek, croissanterie, crêperie, broodjeswinkel, afhaalzaak, shoarmazaak, koffiehuis, ijssalon, discotheek, buurthuis, sportkantine, clubhuis. of daaraan verwante inrichting waar tegen vergoeding logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid en/of verstrekt; een bedrijf dat in hoofdzaak bestemd is voor de uitoefening van detailhandel en waarin als ondergeschikte nevenactiviteit consumpties (o.a. alcoholvrije drank) worden verstrekt. Onder horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid, wordt mede verstaan: een bij dit bedrijf behorend terras en de andere aanhorigheden. Een terras in de zin van deze afdeling is een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt. Onder inrichting wordt in deze afdeling verstaan: de besloten ruimte(

  1. n)waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, met de daarbij behorende terrassen. Onder exploitant wordt in deze afdeling verstaan: degene die een horecabedrijf exploiteert op grond van het bepaalde in artikel 2:28 of 2:28e. Onder leidinggevende wordt in deze paragraaf verstaan: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent of uitoefenen in een inrichting. Deze afdeling verstaat niet onder bezoekers: de gezinsleden van de exploitant en leidinggevende, alsmede zijn elders wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad; de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede personen bedoeld in artikel 438, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht; de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel 2:28 (Tijdelijke) Exploitatievergunning horecabedrijf Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester. De burgemeester weigert de vergunning indien de vestiging of exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. In afwijking van artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie. Indien naar het oordeel van de burgemeester onvoldoende vaststaat dat de weigeringsgronden genoemd in artikel 2:28 lid 3 zich voordoen, kan de burgemeester een vergunning afgeven voor een proefperiode van ten hoogste één jaar (tijdelijke vergunning). Indien gedurende de proefperiode als bedoeld in het vijfde lid blijkt dat de weigeringsgronden genoemd in artikel 2.28d, lid 2 zich voordoen, kan de burgemeester nadere voorschriften aan de vergunning verbinden of de tijdelijke vergunning intrekken. Indien tijdens de proefperiode niet van bezwaren is gebleken, deelt de burgemeester de exploitant van de openbare inrichting schriftelijk mee dat de tijdelijke vergunning met ingang van een nader door hem te bepalen datum dient te worden beschouwd als een vergunning als bedoeld in het eerste lid. De burgemeester stelt nadere regels vast omtrent de gegevens en bescheiden die bij de vergunningaanvraag moeten worden overgelegd. De exploitant van een horecabedrijf laat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt. Artikel 2:28a Vrijstelling vergunningplicht Geen vergunning is vereist voor de exploitatie van een horecabedrijf in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voorzover de horeca een nevenactiviteit is van de winkelactiviteit; Voorts is geen vergunning vereist voor de exploitatie van een horecabedrijf, die zich bevindt in een: schoolkantine; bedrijfskantine of -restaurant, voor zover deze uitsluitend als zodanig in gebruik is; horecabedrijven als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, onder b, mits ze voldoen aan alle hieronder genoemde voorwaarden: het horecagedeelte bevat maximaal 9 zitplaatsen; het horecagedeelte is beperkt in omvang in verhouding tot de oppervlakte van de totale winkel; in het horecagedeelte worden geen alcoholhoudende dranken verstrekt; er zijn geen speelautomaten aanwezig; er worden hooguit op beperkte schaal eet- en drinkwaren verstrekt die in relatie staan tot het assortiment van de winkel (uitgezonderd grootwinkelbedrijven). horecabedrijven in musea, crematoria en rouwcentra, voor zover deze worden gebruikt als ondersteuning van de bedrijfsvoering, mits ze voldoen aan alle hieronder genoemde voorwaarden: het horecagedeelte bevat maximaal 9 zitplaatsen; het horecagedeelte is beperkt in omvang in verhouding tot de oppervlakte van de totale inrichting; in het horecagedeelte worden geen alcoholhoudende dranken verstrekt; er worden hooguit op beperkte schaal eet- en drinkwaren verstrekt. horecabedrijven in bejaardentehuizen, ziekenhuizen en verpleegtehuizen, voor zover deze uitsluitend zijn gericht op de bewoners c.q. verzorgingsbehoeftigen/patiënten en hun bezoekers, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden; het horecagedeelte bevat maximaal 12 zitplaatsen; het horecagedeelte is beperkt in omvang in verhouding tot de oppervlakte van de totale inrichting; in het horecagedeelte worden geen alcoholhoudende dranken verstrekt; er worden hooguit op beperkte schaal eet- en drinkwaren verstrekt; er vinden geen paracommerciële activiteiten plaats. horecabedrijven waar kleinschalige niet commerciële activiteiten plaatsvinden, zoals verenigingen of stichtingen, mits ze voldoen aan alle hieronder genoemde voorwaarden; de horeca-exploitatie is ondergeschikt aan de hoofddoelstelling en activiteiten; er wordt geen levende muziek ten gehore gebracht; er worden geen alcoholhoudende dranken verkocht en geschonken; de ruimten worden niet gebruikt om feesten en partijen te geven; er vindt geen zalenverhuur plaats; er zijn geen speelautomaten aanwezig; Terrassen bij de in het eerste lid bedoelde horecabedrijven zijn niet van vergunningplicht vrijgesteld. 2.Voor deze horecabedrijven kan worden volstaan met een schriftelijke melding aan de burgemeester vóór aanvang van de exploitatie. Artikel 2:28b Eisen exploitant en leidinggevende De exploitant en de leidinggevende van een horecabedrijf voldoen aan de bij of krachtens artikel 8, eerste en tweede lid van de Drank- en Horecawet aan leidinggevenden gestelde eisen. Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren indien door de exploitant niet of niet langer wordt voldaan aan de bij of krachtens artikel 8, eerste en tweede lid van de Drank- en Horecawet aan leidinggevenden gestelde eisen. Artikel 2:28c Beslistermijn De burgemeester beslist binnen acht weken na de datum waarop hij de aanvraag met bijbehorende gegevens en bescheiden heeft ontvangen. De beslissing kan gemotiveerd en met redenen omkleed eenmaal voor ten hoogste acht weken worden verdaagd. Artikel 2:28d Weigerings- en intrekkingsgronden De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:28 indien: de vestiging of de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, exploitatieplan, beheersverordening, voorbereidingsbesluit, de Wet Milieubeheer of een horecagebiedsplan; niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2:28b, eerste lid gestelde eisen. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:28 geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf. Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met: het karakter van de straat en van de wijk waarin de inrichting is gelegen of zal komen te liggen; de aard van de inrichting; de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting; de wijze van bedrijfsvoering van de houder van de inrichting in deze of in andere inrichtingen. De burgemeester kan de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen: indien blijkt, dat de vergunning tengevolge van onjuiste of onvolledige gegevens en bescheiden is verleend; indien de exploitant of leidinggevende van het horecabedrijf de bepalingen in deze paragraaf, dan wel de voorschriften, behorende bij de vergunning, overtreedt; indien aannemelijk is, dat de exploitant of leidinggevende van het horecabedrijf betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de inrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting; indien de exploitant of leidinggevende strafbare feiten pleegt in het horecabedrijf, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn horecabedrijf strafbare feiten worden gepleegd; indien de exploitant of leidinggevende van de inrichting zich schuldig maakt aan discriminatie naar ras, geslacht of seksuele geaardheid; indien zich in of vanuit het horecabedrijf anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van het horecabedrijf gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf; indien de exploitatie van het horecabedrijf voor een periode van langer dan zes maanden is of wordt onderbroken, alsmede indien er sprake is van een gewijzigde exploitatie, of een wijziging in de exploitant waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd; indien op grond van verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen, dat intrekking wordt gevorderd door de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist; indien de exploitant of leidinggevende niet langer voldoet aan de in artikel 2.28b, eerste lid gestelde eisen; indien het bij de exploitatie van het horecabedrijf behorende terras wordt gebruikt voor andere doeleinden; er aanwijzingen zijn dat in het horecabedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid Vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde. In afwijking van het bepaalde in artikel 2:10 beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras. Onverminderd het gestelde in het tweede en derde lid kan de burgemeester de in het vijfde lid bedoelde ingebruikneming van die weg ten behoeve van een of meer bij een horecabedrijf horende terrassen weigeren: indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; indien dat gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de openbare ruimte, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien. Het bepaalde in het vijfde en zesde lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of het Provinciaal wegenreglement Zuid-Holland. Artikel 2:28e Opheffing vergunningplicht De burgemeester kan bepalen dat het gestelde in artikel 2:28 niet geldt voor een of meer in dat besluit aangeduide soorten horecabedrijven in de gehele gemeente dan wel in een of meer daarin aangewezen gedeelten van de gemeente. De exploitatie van een horecabedrijf waarop een besluit als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, moet zodanig geschieden dat daardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed. Artikel 2:29 Sluitingstijden Het is de exploitant of leidinggevende van een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, onder a, verboden dit voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven op zondag tot en met donderdag tussen 01.00 uur en 07.00 uur, en op vrijdag en zaterdag tussen 02.00 uur en 07.00 uur. Voor een bij een horecabedrijf behorend terras geldt een sluitingstijd van 24.00 uur. De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden als bedoeld in het eerste of tweede lid vaststellen voor een afzonderlijk horecabedrijf tot uiterlijk 04.00 uur. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in het eerste en derde lid genoemde sluitingstijden tot uiterlijk 04.00 en ten behoeve van oudejaarsnacht (nacht van 31 december op 1 januari volgend daarop) tot 05.00 uur ten behoeve van een incidentele festiviteit als bedoeld in artikel 4:1, met een maximum van vijf ontheffingen per jaar. De burgemeester kan de ontheffing weigeren indien naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze door de afwijking van de sluitingstijden nadelig wordt beïnvloed. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:29 geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet. Artikel 2:30a Gesloten verklaren van een horecabedrijf 1.Onverminderd het bepaalde in artikel 2:29 kan de burgemeester een horecabedrijf – al dan niet voor een bepaalde duur – gesloten verklaren: indien dit horecabedrijf wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning; indien dit horecabedrijf wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; indien de burgemeester oordeelt, dat een van de genoemde situaties in artikel 2:28d, vierde lid zich voordoet waarin intrekking van de vergunning mogelijk is. De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt zodra een besluit tot sluiting op, in of nabij de toegang of toegangen van het horecabedrijf is aangebracht. Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van belanghebbende(
  2. n)door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. Artikel 2:31 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf 1.Het is bezoekers van een horecabedrijf verboden gedurende de tijd dat dit bedrijf krachtensartikel 2:29 of ingevolge een op grond van artikel 2:30 of 2:30a genomen besluit geslotendient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden. 2.Het is de exploitant of de leidinggevende van een horecabedrijf verboden na het van kracht worden van de sluiting bedoeld in het eerste lid, bezoekers tot het horecabedrijf toe te laten of daarin te laten verblijven. Artikel 2:31a Glazen drinkgerei De exploitant en leidinggevende van een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:27, zijn verplicht zodanige maatregelen te nemen dat de bezoekers van hun inrichting geen drinkgerei van glas of flessen van glas buiten de inrichting brengen. Het is de exploitant en leidinggevende van een horecabedrijf dat is gelegen aan een door de burgemeester bij openbare kennisgeving aangewezen openbare plaats, verboden drank in glas te verstrekken gedurende een door de burgemeester in die openbare kennisgeving aangegeven periode. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid genoemde verbod. Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Een ontheffing kan al dan niet tijdelijk worden ingetrokken of gewijzigd. Het in het tweede lid bepaalde geldt niet voor restaurants. Artikel 2:32 Handel in horecabedrijf De exploitant van een horecabedrijf laat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor openbare verkopingen en veilingen. In dit artikel wordt verstaan onder: horecabedrijf: het bedrijf als bedoeld in artikel 2:27, eerste en tweede lid; b. handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2:33 Ordeverstoring Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren. Degene die naar het oordeel van een ambtenaar van politie of de exploitant van de openbare inrichting handelt in strijd met het bepaalde in het eerste lid is verplicht die openbare inrichting op bevel van die ambtenaar c.q. op aanzegging van die exploitant terstond te verlaten. Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan Indien een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:27 geen inrichting is in de zin van artikel 174van de Gemeentewet, treedt niet de burgemeester, maar het college op als bevoegdbestuursorgaan ten behoeve van de artikelen 2:28 tot en met 2:30a. Artikel 2:34a Geldigheidsduur vergunning Een door de burgemeester verleende vergunning als bedoeld in artikel 2:28, eerste lid, heeft een geldigheidsduur van onbepaalde tijd. Bij het van kracht worden van een nieuwe exploitatievergunning vervalt de oude vergunning van rechtswege. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en het woon- en leefklimaat voor bepaalde categorieën van horecabedrijven een andere geldigheidsduur vaststellen. Artikel 2:34b Beëindiging van de exploitatie De exploitatievergunning vervalt Zodra de exploitant(
  3. en)de exploitatie van de openbare inrichting heeft/hebben beëindigd; Indien de openbare inrichting om andere redenen dan een bestuurlijke sanctie als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, onder a van de Algemene wet bestuursrecht gedurende zes aaneengesloten maanden niet wordt geëxploiteerd; Bij beëindiging van de onderneming. Uiterlijk binnen één week na beëindiging van de exploitatie door de exploitant(
  4. en)geeft/geven deze daarvan schriftelijk kennis aan de burgemeester. Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:35 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder; inrichting: elke al of niet besloten ruimte dan wel stand of ligplaats waar, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft. houder: degene die een inrichting exploiteert, dan wel daarin de feitelijke leiding heeft. Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Artikel 2:37 Nachtregister De houder van een inrichting is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden. Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken. Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden (Niet van toepassing) Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal Het is verboden een krachtens artikel 174a Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. Het is verboden een krachtens artikel 13b Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende redenen noodzakelijk is. De burgemeester is bevoegd van het in het eerste lid en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen. Artikel 2:42 Plakken en kladden Het is verboden de openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de openbare plaats of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding, aan te plakken of op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; met kalk, teer of een kleur- of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. Artikel 2:42a Graffiti Onverminderd het bepaalde in artikel 2:42, tweede lid, is de rechthebbende op (een gedeelte van) een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is, verplicht om binnen zeven werkbare werkdagen na het aanbrengen van graffiti, de graffiti te (laten) verwijderen of anderszins aan het oog te onttrekken. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Woningwet. Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op een openbare plaats of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing, indien de in dat lid bedoelde materialen of gereedschappen niet zijn gebezigd of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42. Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. Het verbod is niet van toepassing indien de genoemde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor de in het eerste lid bedoelde handelingen. Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen en dergelijke (Vervallen) Artikel 2:46 Rijden over bermen en dergelijke Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door, dan wel deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing: op wegen, zoals bedoeld in artikel 1.1 onder m; op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de overheid; op voertuigen, waarmede standplaats wordt of is ingenomen op terreinen welke mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op of aan een openbare plaats Het is verboden: op of aan een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining, of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; op of aan een openbare plaats, openbaar water of andere voor publiek toegankelijke plaatsen, door hinderlijk of baldadig gedrag onnodig overlast of hinder voor omstanders, andere weggebruikers of bewoners van nabij de openbare plaats gelegen woningen te veroorzaken of zich zodanig op te houden dat onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt; zich zonder redelijk doel op een schoolplein of speelplek op te houden, zich onnodig hinderlijk te gedragen of goederen te beschadigen. Het in eerste lid verbod geldt niet voor zover artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is. Artikel 2:47a Hinderlijk voetballen en dergelijke Het is verboden ’s avonds na 22.00 uur deel te nemen aan een sport- of balspel, dat gehouden wordt op een door het college aangewezen locatie. Artikel 2:48 Verboden drankgebruik Het is verboden op of aan een openbare plaats alcoholhoudende drank te gebruiken indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins overlast veroorzaken. Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van de navolgende gebieden, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben: elk gebied binnen een straal van 100 meter rond een station, bushalte of een taxistandplaats; winkelcentra, parkeergarages en overkappingen, alsmede het gebied dat om een dergelijk object is gelegen, te weten het gebied binnen een afstand van 100 meter van de buitenste grenzen van dat object; onder bruggen, viaducten en in tunnels, alsmede het gebied binnen een straal van 100 meter van de buitenste grenzen van dat object; andere door het college aangewezen gebieden. Het is verboden alcoholhoudende drank te nuttigen of al dan niet aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben op schoolpleinen, kinderspeelplaatsen, speelvelden, delen van een openbare plaats waarop kinderstraatmeubilair is geplaatst, zandbakken, trapvelden en hangplekken, alsmede het gebied binnen een afstand van 100 meter van de buitenste grenzen van deze plaatsen en objecten. Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor: een terras dat deel uit maakt van een inrichting, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; de plaats, niet zijnde een inrichting, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet. De burgemeester kan in een vergunning als bedoeld in artikel 2:25, lid 1, onder door hem te stellen voorwaarden ontheffing verlenen van het in het eerste of in het tweede lid gestelde verbod. Artikel 2:48a Hinderlijk drankgebruik op schoolpleinen en dergelijke Vervallen (opgenomen in artikel 2:48) Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen Het is verboden: zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen; een gebouw te beklimmen en zich op het dak te begeven. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen, die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van een zodanig gebouw. Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen. Artikel 2:51 Hinderlijk neerzetten van fietsen en dergelijke 1.Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek, indien: dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; daardoor die ingang versperd wordt. Het is verboden op of aan een openbare plaats een fiets of een bromfiets, dan wel een winkelwagentje of een ander voorwerp te plaatsen, indien de openbare plaats een galerij, portiek, hal, trappenhuis of keldergang van een woongebouw is. Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt- en kermisterrein en dergelijke Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. Artikel 2:53 Bespieden en heimelijk fotograferen /filmen van personen Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt , te bespieden. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt te bespieden. Het is verboden op of aan de openbare weg dan wel in een voor publiek toegankelijke ruimte een persoon heimelijk te filmen of heimelijk te fotograferen door middel van een technisch hulpmiddel wanneer dit een aantasting van de eerbaarheid of een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer oplevert. Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur Het is verboden om zonder toestemming bewakingsapparatuur te gebruiken indien daarmee personen kunnen worden gadegeslagen in een aan een ander toebehorend gebouw, vaartuig of besloten erf. Artikel 2:55 Nodeloos alarm (Vervallen) Artikel 2:56 Alarminstallaties (Vervallen) Artikel 2:57 Loslopende honden In de navolgende artikelen 2:57, 2:58 en 2:59 wordt onder eigenaar van een hond begrepen: de eigenaar, de houder, de verzorger van een hond of degene die de hond feitelijk onder zijn hoede heeft. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: binnen de bebouwde kom op of aan de weg zonder dat die hond aangelijnd is; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; op of aan de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. Het verbod in het tweede lid, onder a en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. De verboden genoemd in het tweede lid onder a en b gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een hulphond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond. Artikel 2:58 Overlast/verontreiniging door honden De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat binnen de bebouwde kom die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet: op een openbare plaats; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide; op een andere door het college aangewezen plaats. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid, onder a en onder c, gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd. Onverminderd het bepaalde in lid 1 en lid 3 is een ieder die zich met een hond op de onder lid 1 a en c genoemde gebieden bevindt, verplicht een schepje of ander doeltreffend hulpmiddel ter onmiddellijke verwijdering van eventuele hondenuitwerpselen bij zich te hebben. De eigenaar of houder van een hond is verplicht dit hulpmiddel op de eerste vordering te tonen aan de met toezicht belaste ambtenaar. Onder een doeltreffend hulpmiddel ter bestrijding verontreiniging door honden wordt verstaan: Een ‘doeltreffend hulpmiddel’ wordt als doeltreffend beoordeeld als daarmee alle uitwerpselen van een hond onmiddellijk kunnen worden verwijderd. De eigenaar van een hond dient ervoor te waken dat dit dier door aanhoudend geblaf of gejank hinderlijk is voor de omgeving of de nachtrust verstoord. Artikel 2:59 Gevaarlijke honden Indien het college een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die: vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is, en zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:58 lid 10, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is. De eigenaar of houder van een hond zorgt ervoor dat de hond niet hinderlijk is voor de omgeving of de nachtrust verstoort door aanhoudend geblaf of gejank. Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren Degene die de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving hinder veroorzaakt. Het in het lid 1 bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet Milieubeheer. Artikel 2:61 Voeren van vogels Het is verboden kauwen, (stads)duiven of andere overlastveroorzakende vogels te voeren of gelegenheid te bieden deze te voeren op een openbare plaats. Artikel 2:62 Loslopend vee (Vervallen) Artikel 2:63 Schade duiven (Vervallen) Artikel 2:64 Bijen (Vervallen) Artikel 2:65 Bedelarij (Vervallen) Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel 2:66 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: Handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar. Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld: het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; de datum van verkoop of overdracht van het goed; een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed; de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichting. Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437 ter, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in kennis stelt dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens schriftelijk opgave te doen van zijn woonadres en van het volledig adres van elke lokaliteit door hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik genomen; de onder a bedoelde functionaris onder aanbieding van zijn register(
  5. s)onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen, schriftelijk in kennis te stellen van een verandering van zijn woonadres, zomede van het adres of de adressen van een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik zijnde lokaliteit; aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar voorkomt; indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a. bedoelde functionaris; zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven aan de burgemeester of een daartoe door de burgemeester aangewezen ambtenaar; wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van handelaar niet langer uitoefent, de onder a bedoelde functionaris hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen. Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed is op de herkenbaarheid van het goed. Artikel 2:70 Handel in horecabedrijf Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (artikel 2:32) Afdeling 13. Vuurwerk Artikel 2:71 Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is. Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen Het is verboden in de uitoefening van een (te vestigen) bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college. Artikel 2:73 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan een openbare plaats of op een voor publiek toegankelijke plaats te bezigen indien zulks gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Artikel 2:73a Carbidschieten Het is verboden carbid te schieten in de open lucht. Onder carbidschieten wordt verstaan: het in een (melk)bus/container/opslagvat/gasfles op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in het eerste lid gestelde verbod in de periode van 31 december 10.00 uur en 1 januari 02.00 uur. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Afdeling 14. Drugsoverlast Artikel 2:74 Drugshandel op een openbare plaats Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op een openbare plaats binnen of buiten de bebouwde kom post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen, alsmede zich op of aan openbare wegen binnen en buiten de bebouwde kom in een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of aan te nemen of daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Artikel 2:74a Verzamelingen van personen in verband met drugs Het is verboden op of aan een openbare plaats, die door de burgemeester zijn aangewezen indien de openbare orde dat in verband met het openlijk gebruik van en/of de handel in middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, naar zijn oordeel noodzakelijk maakt, aan een verzameling van meer dan vier personen deel te nemen. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet als de verzameling personen geen verband houdt met het openlijk gebruik van en/of de handel in middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet. Een ieder, die zich bevindt in een verzameling van personen als in het eerste lid bedoeld, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door deze aangewezen richting te verwijderen. Artikel 2:74b Openlijk druggebruik Het is verboden, op of aan een openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen en/of stoffen voorhanden te hebben. Artikel 2:74c Weggooien van spuiten en dergelijke Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals naalden, reservoirs, zuigers en dergelijke of daarop gelijkende voorwerpen op een openbare plaats dan wel in afvalbakken achter te laten met het kennelijke doel om afstand van het voorwerp te doen. Afdeling 15. Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding (vervallen) Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden (Vervallen opgenomen in artikel 2:1c) Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere voor eenieder toegankelijke plaatsen, te weten parkeerterreinen, winkelcentra. Artikel 2:78 APV Sluiting van panden De burgemeester kan, indien de openbare orde dit naar zijn oordeel vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet. HOOFDSTUK 3 SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE e.d. Afdeling 1. Begripsbepalingen en andere regels Artikel 3:1 Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd; exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert dan wel exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; leidinggevende: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent dan wel uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf; bezoeker: degene die aanwezig is in een , seksinrichting met uitzondering van: de exploitant; de leidinggevende; de prostituee; het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6:2 van deze verordening; andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. Artikel 3:3 Nadere regels Met het oog op de in artikel 3.13 genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. Afdeling 2. Seksinrichtingen en escortbedrijven Artikel 3:4 Seksinrichtingen Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: de persoonsgegevens van de exploitant; de persoonsgegevens van de leidinggevende; en de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf. De vergunning dient in de seksinrichting of het escortbedrijf aanwezig te zijn. Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en leidinggevende De exploitant en de leidinggevende: staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de leidinggevende niet: met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 250a (oud), 252, 273a, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt; een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. De exploitant of de leidinggevende is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of leidinggevende geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft. Artikel 3:6 Sluitingstijden Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven: op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 en 07.00 uur; op zaterdag en zondag tussen 02.00 en 07.00 uur. Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1:4 en artikel 3:3 voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7, eerste lid, gesloten dient te zijn. Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften. Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen; van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht. Het bevoegde bestuursorgaan kan een seksinrichting of escortbedrijf tijdelijk of voor onbepaalde tijd gesloten verklaren indien: de seksinrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning; de seksinrichting wordt geëxploiteerd in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften; een van de in artikel 3:13 en 3:13 a genoemde situaties zich voordoet. Het bevoegde bestuursorgaan maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van het bevel op of nabij de toegang of toegangen van de seksinrichting of escortbedrijf. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht. Een ieder is verplicht toe te laten dat in het vierde lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. Het is de exploitant of beheerder van een seksinrichting of escortbedrijf verboden daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven zolang de sluiting van kracht is. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het derde lid gesloten seksinrichting of escortbedrijf te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven. Een sluiting voor onbepaalde tijd kan op aanvraag van belanghebbende(
  6. n)door het bevoegde bestuursorgaan worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en leidinggevende Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant of leidinggevende in de seksinrichting aanwezig is. De exploitant en de leidinggevende zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting: geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. Artikel 3:9 Beslistermijn Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste acht weken verdagen. Artikel 3:10 Weigeringsgronden De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt geweigerd indien: de exploitant of de leidinggevende niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen; de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; de exploitant of beheerder is ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; de veiligheid van personen of goederen; de verkeersvrijheid of -veiligheid; de gezondheid of zedelijkheid; de arbeidsomstandigheden van de prostituee. Artikel 3:10a Intrekkingsgronden Het bevoegd bestuursorgaan kan de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd, gedeeltelijkof geheel intrekken, indien: blijkt dat de vergunning op grond van onjuiste of onvolledige gegevens en bescheiden is verleend; de ingevolge artikel 3:4, tweede lid onder a. in de vergunning vermelde exploitant niet feitelijk de exploitatie voert; de exploitant of leidinggevende de bepalingen in afdeling 2, de nadere regels als bedoeld in artikel 3:3, dan wel de voorschriften, behorende bij de vergunning, overtreedt; de exploitant of beheerder is ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; in de seksinrichting een minderjarige prostitué(
  7. e)wordt aangetroffen; in de seksinrichting een prostitué(
  8. e)zonder een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfstitel wordt aangetroffen; een seksinrichting of escortbedrijf werkzaamheden laat verrichten door een minderjarige prostitué(
  9. e)of een prostitué(
  10. e)zonder een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfstitel; er door de exploitant of leidinggevende onvoldoende maatregelen zijn getroffen in het belang van de veiligheid, de hygiëne en de bescherming van de gezondheid van de in de seksinrichting werkzame personen, alsmede ter bescherming van de volksgezondheid; aannemelijk is dat de exploitant of leidinggevende betrokken is of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de seksinrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat; de exploitant of leidinggevende strafbare feiten pleegt in de inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in de inrichting strafbare feiten worden gepleegd; naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het woon-of leefklimaat in de omgeving van de seksinrichting of escortbedrijf nadelig wordt beïnvloed; op grond van verandering van omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen, dat intrekking wordt gevorderd door de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist; de exploitant of leidinggevende niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen. Dit in het belang is van: de veiligheid van personen of goederen; het voorkomen of beperken van overlast; de verkeersvrijheid of -veiligheid; de gezondheid of zedelijkheid; de arbeidsomstandigheden van de prostituee. Artikel 3:10b Geldigheidsduur vergunning Een door het bevoegd bestuursorgaan verleende vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, heeft een geldigheidsduur van vijf jaren. Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde en het woon- en leefklimaat voor bepaalde categorieën van seksinrichtingen een andere geldigheidsduur vaststellen. Artikel 3:11 Beëindiging exploitatie De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. Artikel 3:12 Wijziging beheer Indien een leidinggevende het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe leidinggevende, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:10, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing. In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe leidinggevende vanaf het moment waarop de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten. Artikel 3:13 Overgangsbepaling Bij de beoordeling van een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid van een bestaande seksinrichting, is het bepaalde in artikel 3;10 eerste lid onder b niet van toepassing. Afdeling 3. Straatprostitutie en Sekswinkels Artikel 3:14 Straatprostitutie Het is verboden door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken: op of aan andere door het college aangewezen wegen of gebieden; gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden. Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. Met het oog op de in artikel 3:10, tweede lid, genoemde belangen kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen en gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3:10, tweede lid, genoemde belangen personen aan wie tenminste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid, bij besluit verbieden zich gedurende een bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en op de tijden bedoeld in het eerste lid. De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid. Artikel 3:15 Sekswinkels Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiterenin door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgevingaangewezen gebieden of delen van de gemeente. Artikel 3:16 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet. HOOFDSTUK 4 BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE Afdeling 1. Geluidhinder en verlichting Artikel 4:1 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer; inrichting: type A of type B als bedoeld in het Besluit ; houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden ; incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting; geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting; onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van de gemeente. Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten Het is een inrichting toegestaan maximaal vijf incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van toepassing zijn mits de houder van de inrichting tenminste 10 werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal vijf incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 4.113 eerste lid van het Besluit niet van toepassing is mits de houder van de inrichting tenminste 10 werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. Het college stelt een formulier vast voor het doen van de kennisgeving. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. Indien binnen 4 werkdagen na ontvangst van de kennisgeving door het college geen tegenbericht is verzonden kan de festiviteit zoals gemeld plaatsvinden. Tijdens festiviteiten als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van muziek: - uiterlijk om 24:00 uur beëindigd, indien de festiviteit zondag, maandag, dinsdag, woensdag of donderdag plaatsvindt; uiterlijk om 02:00 uur beëindigd, indien de festiviteit op vrijdag of zaterdag plaatsvindt. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten Het is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien de burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit verboden heeft wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed. Artikel 4:4a Geluidsplafond Het college kan nadere regels stellen ter voorkoming of beperking van geluidhinder bij collectieve of incidentele festiviteiten. Artikel 4:5 Onversterkte muziek Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en 5e van het Besluit binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel van toepassing met dien verstande dat: de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten; bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast; Tabel 7.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 7.00 uur LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) Voor de duur van 8 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing. Het eerste lid geldt niet indien artikel 4:2 of artikel 4:3 van deze verordening van toepassing is. Artikel 4:6 Overige geluidhinder 1.Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 3.Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale Milieuverordening. Artikel 4:6a Geluidhinder door handelingen t.b.v. bouwwerkzaamheden. Het is verboden handelingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden c.q. bouwactiviteiten te verrichten of te laten verrichten op het bouwterrein na 19.00 uur en vóór 07.00 uur. Het college kan van het bepaalde in het eerste lid ontheffing verlenen. 3.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet of de Provinciale Milieuverordening. Artikel 4:6b Geluidhinder door bromfietsen en dergelijke Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet Milieubeheer zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat. Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel 4:7 Straatvegen (Vervallen) Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen. Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen. Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden Artikel 4:10 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: boom: een houtachtig, overblijvend gewas, dat: één of meerstammig kan zijn, waarbij ingeval van meerstammigheid de stammen zich bovengronds vertakken; een dwarsdoorsnede van de stam, of bij meerstammigheid de dwarsdoorsnede van de dikste stam, van minimaal 10 centimeter, gemeten op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. houtopstand: één of meer bomen en/of knotbomen, hakhout of een houtwal; hakhout: een of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de houtopstand; knotboom: periodiek tot op de stam teruggezette boom; bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet; boomwaarde: de monetaire waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van Nederlandse vereniging van taxateurs van bomen (NVTB). vellen: rooien; kappen; verplanten; het snoeien van meer dan 30 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben. Bomen Effect Analyse: een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor houtopstand, op basis van landelijke richtlijnen van de Bomenstichting. Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstand te vellen of te doen vellen. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor: houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld; het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud; houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving of last van het bevoegd gezag, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 4.11d; achtertuinen niet groter dan 120 m2; voortuinen niet groter dan 20m2. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften. Artikel 4:11a Aanvraag omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken. Artikel 4.11b Weigeringsgronden omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden Het bevoegd gezag kan de in artikel 4:11, eerste lid, bedoelde vergunning in ieder geval weigeren, dan wel onder voorwaarden verlenen, in het belang van: natuur- en milieuwaarden; landschappelijke waarden; cultuurhistorische waarden; waarden van stads- en dorpsschoon; waarden voor recreatie en leefbaarheid. Het bevoegd gezag kan hierbij de boomwaarde als criterium hanteren. 2.Het bevoegd gezag kan de in artikel 4.11, eerste lid, bedoelde vergunning in ieder geval niet weigeren ingeval voldaan moet worden aan de verplichting ingevolge het bepaalde in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 4.11c Bijzondere vergunningsvoorschriften Tot aan de vergunning als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant. Indien herplant niet mogelijk is, kan er door het bevoegd gezag een financiële compensatie worden opgelegd. Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen. Tot aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kan het voorschrift behoren dat pas tot vellen van houtopstand op en bij bouw- en aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden overgegaan indien de noodzaak voor de kap is aangetoond en/of andere vergunningen, ontheffingen, toestemmingen of ruimtelijke ordeningsprocedures onherroepelijk geworden zijn en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende gewaarborgd is. Artikel 4.11d Herplant-/instandhoudingsplicht Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn, dan wel een schadevergoeding opleggen, waarbij de boomwaarde als criterium wordt gehanteerd. Wordt een verplichting tot herbeplanting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen. Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om: overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen of; een Bomen Effect Analyse op te stellen en aan te bieden aan het bevoegd gezag; Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen. Artikel 4.11e Schadevergoeding Het college besluit op een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 17 van de Boswet. Artikel 4:11f Bestrijding ziekte houtopstanden Indien zich op een terrein een houtopstand bevindt die naar het oordeel van het college gevaar oplevert voor de verspreiding van een nader door het college aan te wijzen ziekte is de rechthebbende verplicht de in de aanschrijving van het college maatregelen te treffen binnen de daarbij aangegeven termijn. Artikel 4:11g Bestrijding watermerkziekte (vervallen) Artikel 4:12 Vergunning van rechtswege (vervallen) Artikel 4:12a Vervaltermijn vergunning (Vervallen) Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer , in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste lid nadere regels stellen. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien krachtens de Wet ruimtelijke ordening of door of krachtens de Provinciale Verordening. Artikel 4:13a Verontreiniging bij werkzaamheden op een openbare plaats Indien bij het laden of lossen of vervoeren van stoffen of voorwerpen dan wel bij andere werkzaamheden een openbare plaats wordt verontreinigd, is degene die genoemde werkzaamheden verricht, alsmede, indien deze in opdracht handelt, zijn opdrachtgever verplicht: indien de verontreiniging gevaar voor de veiligheid van het verkeer of voor beschadiging van het wegdek oplevert, de openbare plaats onmiddellijk na het ontstaan van de verontreiniging te reinigen of te doen reinigen; indien de verontreiniging geen gevaar voor de veiligheid van het verkeer of voor beschadiging van het wegdek oplevert, de openbare plaats onmiddellijk na de beëindiging van de werkzaamheden of, indien deze langer dan een dag duren, elke dag onmiddellijk na beëindiging van de werkzaamheden op die dag, te reinigen of te doen reinigen. Het in het eerste lid gesteld verbod geldt niet voor zover artikel 9, tweede lid, van het Rijkswegenreglement of een Provinciaal wegenreglement van toepassing is. Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen (vervallen) Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclames Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer. Artikel 4:16 Vergunningplicht lichtreclame (Vervallen) Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterrein Artikel 4:17 Begripsbepaling In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: a. de bescherming van natuur en landschap; of de bescherming van een stadsgezicht. Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen 1.Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 2.Het college kan daarbij de duur bepalen van de periode waarin het verbod niet geldt. 3.Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4:18, vierde lid, onder a en b. HOOFDSTUK 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE Afdeling 1. Parkeerexcessen Artikel 5:1 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: Weg: de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990). Handelsreclame: iedere ope

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.