← Nederland

Cultuurhistorische waardenkaart Berkelland 2017 (Berkelland)

In het kort

Deze wet beschrijft de Cultuurhistorische Waardenkaart Berkelland 2017, een gedetailleerde kaart die de cultuurhistorische waarden van de gemeente Berkelland in kaart brengt. De kaart dient als basis voor toekomstig beleid en kan inspiratie bieden voor recreatie, erfgoededucatie en ruimtelijk ontwerp.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Cultuurhistorische waardenkaart Berkelland 2017In opdracht van de gemeente Berkelland heeft RAAP in de periode januari – juni 2016 een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Berkelland op sch

n wij de oude, vriendelijke tafereelen nog eens weêr en welvoldaan scheiden wij van het liefelijk Ruurlo, als straks de trein ons naar 't niet minder welaangename Vorden voert.’1Craandijk, 1888: 289 Deze reisbeschrijving, die dominee Jacobus Craandijk in de tweede helft van de 19e eeuw maakte, is exemplarisch voor de toenemende interesse in reizen in het algemeen en in het Gelderse landschap in zijn tijd. De aanleg van spoorwegen maakte dit reizen in toenemende mate mogelijk. Een belangrijk verschil met de tijd van Jacobus Craandijk is dat de omgang met cultureel erfgoed tegenwoordig veel meer in de samenleving en beleidsvorming is ingebed, en dat het niet meer alleen de elite is die er kennis mee maakt en van geniet. De waarde van cultureel erfgoed wordt tegenwoordig breed onderkend. De zorg voor cultureel erfgoed is tegenwoordig professioneler en minder vrijblijvend geworden dan voorheen. Het zorgt voor sociale cohesie onder bewoners die zich ‘thuis’ voelen in hun regio, het is in Oost-Gelderland in toenemende mate een inkomstenbron vanwege het toerisme en het geeft handvatten voor een kwalitatief hoogwaardig ruimtelijk beleid. Berkelland bezit aan cultuurhistorisch erfgoed een goudmijn, die blijvend positief kan worden ingezet voor branding op het vlak van economie, wonen, onderwijs, recreatie en toerisme. Landelijke plicht, provinciaal kader en gemeentelijke ambities Het is niet toevallig, gezien de ontwikkelingen van de afgelopen decennia, dat door wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en de Monumentenwet vanaf januari 2012 landelijk rekening dient te worden gehouden met cultuurhistorische (lees: cultuurlandschappelijke en historisch-(steden)bouwkundige) waarden in bestemmingsplannen. Eerder al had archeologie een wettelijke en/of planologische vertaling gekregen en konden bouwhistorische waarden via de monumentenverordening worden geborgd. Daarmee krijgen cultuurhistorische waarden een volwaardige plek binnen de ruimtelijke ordening. Ook de gemeente Berkelland hecht waarde aan haar cultureel erfgoed en heeft zich daarom tot doel gesteld om het cultuurhistorisch erfgoed een nadrukkelijke plek te geven in de ruimtelijke planvorming en het toeristisch-recreatief beleid. In opdracht van de gemeente Berkelland heeft RAAP in de periode januari – juni 2016 een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Berkelland op schaal 1:10.000 opgesteld. Deze kaart vormt een verdiepingsslag ten opzichte van de gebiedsbeschrijving van de gemeente Berkelland die in 2012 door het Gelders Genootschap is opgesteld.2Gelders Genootschap, 2012 De cultuurhistorische waardenkaart is geschikt om de basis te gaan vormen voor toekomstig cultuurhistorisch beleid (o.a. planologische borging). Daarnaast kan het inspiratie bieden voor recreatie, erfgoededucatie en PR-marketingstrategieën of ruimtelijk ontwerp (inrichting en beheer). In deze studie besteden we vooral aandacht aan het tastbare, landschappelijke en bouwkundige erfgoed. Immaterieel erfgoed komt alleen aan de orde wanneer het betrekking heeft op specifieke plekken in het landschap; toponiemen zijn daarvan een goed voorbeeld. Stedenbouwkundig erfgoed blijft in deze fase grotendeels buiten beeld. Dit zou eventueel bij de herziening van de bestemmingsplannen voor de kernen nog nader onder de loep genomen moeten worden. 1.2Situering van het onderzoeksgebied De gemeente Berkelland ligt in de Achterhoek en is op 1 januari 2005 ontstaan uit een fusie van de gemeenten Borculo, Eibergen, Neede en Ruurlo (figuur 1.1). De drie eerstgenoemde gemeenten vormden tot 1795 samen de heerlijkheid Borculo; Ruurlo was destijds een richterambt, dat een onderdeel vormde van het landdrostambt Zutphen. Alhoewel hij in tegenstelling tot zijn Borculose collega bestuurlijk weinig te zeggen had, had de heer van Ruurlo een zwaar stempel op zijn richterambt.3http://www.ecal.nu/archieven?mivast=26&mizig=210&miadt=26&micode=0547&miview=inv2#inv3t1 De huidige gemeente heeft een oppervlakte van 260,53 km² en telde 44.318 inwoners op 31 maart

  1. De gemeente grenst in het zuiden aan de gemeente Oost-Gelre, in het zuidwesten aan Bronckhorst, in het noorden aan de gemeenten Lochem, Hof van Twente en Haaksbergen, en in het oosten aan de Duitse Stadt Vreden. In de gemeente liggen in alfabetische volgorde de volgende kernen: Avest, Beltrum, Borculo, Brammelerbroek, Brinkmanshoek, Broeke, De Bruil, De Haar, Eibergen, Geesteren, Gelselaar, Haarlo, Heurne, Holterhoek, Hoonte, Hupsel, Leo-Stichting, Lintvelde, Lochuizen, Loo, Mallem, Neede, Noordijk, Noordijkerveld, Olden Eibergen, Rekken, Rietmolen, Ruurlo en Veldhoek. De gemeente wordt door een aantal N-wegen ontsloten. De belangrijkste N-weg, nu en nog meer in de nabije toekomst, is de N
  2. Deze komt noordelijk van Groenlo de gemeente Berkelland binnen en loopt door Eibergen richting het Haaksbergse Brammelo. Vanuit Lochem komt ten noorden van Ruurlo de N312 de gemeente binnen. Deze weg loopt via de kern Ruurlo naar de rotonde bij Huis Ruurlo, waar deze aansluit op de N
  3. Deze weg komt vanuit het Wolfersveen nabij Bungalowpark ’t Sikkeler de gemeente binnen en ontmoet op de rotonde ten westen van Huis Ruurlo de N
  4. De N315 gaat via de rotonde bij Huis Ruurlo verder als rondweg rond Ruurlo en buigt vervolgens richting Borculo af. Evenals in Ruurlo heeft de N315 ook voor Borculo, en verderop voor Neede, de functie van rondweg. Ten oosten van Neede gaat deze weg als Haaksbergseweg de provinciegrens over. De al eerder genoemde N319, die vanuit Vorden de gemeente Berkelland binnenkomt, verenigt zich op de rotonde Vordenseweg-Zelhemseweg met de N315, en splitst zich daar op de rotonde van rondweg en Groenloseweg weer van af. De N319 buigt vervolgens als Groenloseweg in zuidoostelijke richting af en gaat bij Groenlo de gemeentegrens over. Naast deze grotere N-wegen is er ook nog een aantal kleinere, herkenbaar aan een nummer boven de
  5. Deze bevinden onder meer rond Borculo, ten noorden van Neede en westelijk van Eibergen. Daarnaast loopt de spoorlijn Zutphen-Winterswijk, met een station in Ruurlo, door de gemeente Berkelland. 1.3Onderzoeksopzet en taakverdeling Het opstellen van de cultuurhistorische waardenkaart is opgezet langs twee lijnen, namelijk allereerst historisch cultuurlandschap en landschapselementen, vervolgens historische bouwkunst en stedenbouw. Deze aspecten zijn vertegenwoordigd op de kenmerken- en waarderingskaarten. Luuk Keunen (RAAP) was als projectleider verantwoordelijk voor de loop van het project en de communicatie. Hij nam tevens de landschapstypering en -waardering en de eindredactie van de rapportage voor zijn rekening. De inventarisatie van de landschapselementen werd uitgevoerd door Steven van der Veen (RAAP). Amy van Saane, stagiaire bij RAAP vanuit Saxion in Deventer, nam de verwerking van de veld- en boerderijnamen voor haar rekening en assisteerde bij de veldverkenning. 1.4Dankwoord Aan de totstandkoming van de kaarten en het toelichtende rapport hebben meerdere personen binnen en buiten de gemeentelijke organisatie meegewerkt. Allereerst danken we Roy Oostendorp (Omgevingsdienst Regio Achterhoek) voor zijn enthousiaste medewerking aan het eindresultaat. Dank wordt ook uitgesproken aan zijn collega’s bij de gemeente Berkelland: Lonneke Julsing, Jan-Luc van Eijk, Jeroen Aarsen, Gert Hans en Eddy Spanjaard. Namens de verschillende historische verenigingen leverden Gerard Roos en Herman Schepers (Historische Kring Eibergen), Henk Meulenveld, Herman Wezinkhof en Eric van der Kuijl (Old Reurle), Martin Bouwmeester (Oud-Beltrum), Stichting Erfgoed Gelselaar en Johan Klein Nijenhuis en E. Swerink (Historische Kring Neede) met hun achterbannen een zinvolle bijdrage. B. te Vaarwerk (Eibergen) danken we voor enkele aanvullingen per e-mail en de toestemming tot het opnemen van de foto in figuur 4.
  6. Seline Geijskes (Staatsbosbeheer) leverde nuttige informatie over de historische lanen op haar terrein aan. 2Methoden en bronnen 2.1Algemene uitgangspunten Voornaamste doel van dit rapport en de bijbehorende kaartbijlagen is het inzichtelijk maken van de aanwezige cultuurhistorische waarden op het grondgebied van de gemeente Berkelland. Onder cultuurhistorische waarden verstaan we ruimtelijke structuren, sporen, objecten en relicten uit het verleden, bovengronds én ondergronds, waaraan een wetenschappelijke, politieke en/of maatschappelijke waarde wordt toegekend. In dit geval zonderen we daarvan de archeologische waarden uit, omdat die al afzonderlijk beschreven zijn. De kaartbeelden zijn gekoppeld aan een geografisch informatiesysteem (GIS met databases) met exacte gegevens over de geografische ligging en aard van waardevolle aardkundige, cultuurlandschappelijke en historisch-(steden)bouwkundige elementen. De presentatieschaal van de cultuurhistorische waardenkaart is 1:10.
  7. Ten behoeve van de kartering zijn de volgende bronnen gebruikt: kadastrale minuutplans, 1832; Topografisch-Militaire Kaart (TMK), 1850, als veldminuut, in nettekening en steendruk; Chromotopografische Kaart des Rijks (bonneblaadjes), ca. 1900, ca. 1930; Topografische Kaart van Nederland, ca. 1950-heden; Archeologische waarden- en verwachtingskaart van Berkelland

(2015);4Willemse & Keunen, 2015 Algemene en specifieke literatuur over Berkelland (

literatuurlijst en bronnenverantwoording in GIS-databases); Websites met betrekking tot Berkelland, met name de informatieve sites van de diverse historische stichtingen en verenigingen; gegevens verkregen uit een bijeenkomst met de vertegenwoordigers van historische verenigingen in de gemeente Berkelland en van de gemeente Berkelland. 2.2Historisch cultuurlandschap 2.2.1Achtergrond en uitgangspunten Het landschap van de gemeente Berkelland is een complex geheel dat is ontstaan onder invloed van natuurlijke en menselijke factoren. Daarbij speelde allereerst de geologie een rol. De mens heeft zich laten leiden door de aardkundige uitgangssituatie en deze door het gebruik ook deels zelf aangepast. Met name het afwateringspatroon is al zeker gedurende een millennium aan grootschalige menselijke veranderingen onderhevig.5Zie hiervoor onder meer De Rooi, 2005 en De Rooi, 2006 Bij de typering van het historisch cultuurlandschap beschrijven we de wijze waarop de mens haar invloed heeft laten gelden in het landschap, daarmee het natuurlijk landschap geleidelijk heeft omgevormd, en welke elementen daarmee samenhangen. Landschap in lagen De genese van het landschap kan op verschillende manieren worden ontrafeld.6Hidding e.a., 2001: 12 Eén van de manieren om inzicht te krijgen in deze complexe materie is de ontleding ervan middels een zogenaamd lagenmodel. Hierbij wordt inzichtelijk gemaakt hoe opeenvolgende fasen in de landschapsontwikkeling zich ten opzichte van elkaar verhouden.7Hidding e.a., 2001: 8 Het model biedt ruimte voor uiteenlopende invalshoeken, zoals infrastructuur, landgebruik, occupatie, territoria, etc., en biedt daarnaast ruimte om de ontwikkelingen van deze lagen door de tijd inzichtelijk te maken. Een voorbeeld is hoe de 19e-eeuwse bebossing zich verhoudt ten opzichte van de situatie aan het einde van de 20e eeuw, of hoe het areaal akkerland van de 19e eeuw zich verhoudt tot de hedendaagse situatie. In de landschapstypering en -beschrijving hebben we aspecten van deze lagenbenadering meegenomen. Landschapstypologie De Topografisch-Militaire Kaart (TMK) is de vroegste landsdekkende kaart waarbij op perceelsniveau bebouwing, landgebruik én landschapselementen zijn gekarteerd. Deze kaart vormt ook inhoudelijk de meest complete en geografisch meest correcte laag waarop het landschap uit de 19e eeuw van de gemeente Berkelland zichtbaar is. De TMK vormt dan ook het uitgangspunt bij het inzichtelijk maken van de landschapsontwikkeling in de gemeente. Vooral met behulp van deze kaart en ondersteund door jonger kaartmateriaal is een landschapstypologie opgesteld. Voor ons zicht op eerdere tijdslagen zijn we afhankelijk van archeologische en schriftelijke bronnen. Deze leveren echter zowel ruimtelijk als in temporeel opzicht een versnipperd beeld dat lastig toepasbaar is op het gewenste schaalniveau. Dit probleem is deels ondervangen door aan de hand van de landschapstypologie niet alleen het 19e-eeuwse landschap, maar ook de ontwikkelingen daarvoor te beschrijven. Het 19e-eeuwse landschap is dus slechts een hulpmiddel om de voorgaande perioden en de periode daarna te beschrijven en mag niet als eindstadium of hoogtepunt van het historisch cultuurlandschap worden gezien. Wel is steeds interessant om na te gaan hoeveel nieuwe landschappelijke lagen van de oudere hebben overgelaten. Jongere landschappen In de 20e eeuw heeft zich een aantal grootschalige ruimtelijke transformaties voorgedaan, waarvan ruilverkavelingen en landinrichtingsprojecten de belangrijkste zijn. Hierbij zijn nieuwe lagen aan het landschap toegevoegd, waarbij soms wel en soms niet rekening is gehouden met de toen aanwezige cultuurhistorische kwaliteiten in het landschap. De mate waarop deze cultuurhistorische kwaliteiten zijn opgenomen in deze nieuwe laag blijkt wanneer we het kaartbeeld van 1850 vergelijken met het huidige landschap en met kaartbeelden uit de tussenliggende periode. De ruilverkaveling Beltrum, die momenteel als project uit de wederopbouwperiode in de belangstelling staat, hebben we in onze analyse met een cultuurhistorische bril kritisch beschouwd. De contouren van het ruilverkavelingsgebied zijn op de kenmerkenkaart opgenomen. 2.3.2Kartering (kaartbijlage 1) Bij de kartering van landschapstypen zijn we uitgegaan van historische verschillen tussen landschappen zoals ze zich op kaartmateriaal uit de afgelopen twee eeuwen manifesteren. Daarbij zijn de TMK uit 1850 en de Chromotopografische Kaart des Rijks uit circa 1930 als ijkpunten gehanteerd. Steeds hebben we op basis van het historisch onderscheid tussen deze landschappen gebieden begrensd. Daarbij zijn we zoveel mogelijk uitgegaan van de historische of huidige wegen en/of kavelgrenzen als begrenzing, zodat enerzijds de grens historisch te onderbouwen is, maar daarnaast een vertaling naar het bestemmingsplan mogelijk is. Bij het typeren van elk deelgebied hebben we allereerst een indeling in hoofdlandschappen gemaakt. Daarna is verder in sublandschappen onderverdeeld. Daarbij hebben we een zo helder mogelijk onderscheid tussen de aanwezige landschappen proberen aan te brengen. Steeds moest daarbij gelet worden op een aantal aspecten: een onderverdeling die recht doet aan de grote variatie aan landschappen die in de gemeente Berkelland te vinden is; een onderverdeling die nog zo gecomprimeerd is dat niet elk verschil tot weer een nieuw type leidt; een onderverdeling die de ‘couleure locale’ eer aandoet. Afhankelijk van de veelvormigheid zijn sommige hoofdlandschappen in slechts enkele, en andere in een groot aantal subtypen onderverdeeld. Op basis van een dergelijke benadering is het ons inziens goed werkbaar om de landschapskarakterisering door te vertalen naar concreet gemeentelijk beleid, bijvoorbeeld in beheer, planontwikkeling en bescherming. De gebruikte methodiek sluit nauw aan op systematieken zoals die in de afgelopen 20 jaar door organisaties als Alterra en Overland voor de typering van landschappen in een Wageningse traditie zijn ontwikkeld. De basis voor deze traditie is gelegd door de afdeling Historische Geografie van de vroegere Stichting voor Bodemkartering en Staring Instituut in Wageningen. 2.3.3Waardering (kaartbijlage 2) Waardering van de landschapstypen De waardering van het historisch cultuurlandschap heeft plaatsgevonden door elk gekarteerd deelgebied op drie criteria te beoordelen: de gaafheid van de huidige topografie ten opzichte van de situatie omstreeks 1850 c.q. de situatie ten tijde van de ontginning, dat wil zeggen type grondgebruik, verkaveling, percelering, etc.; de gaafheid van de huidige verticale dimensie in het landschap (fysiognomie) ten opzichte van de situatie omstreeks 1850 c.q. de situatie ten tijde van de ontginning, dat wil zeggen de openheid of geslotenheid van het landschap (aan- of afwezigheid van opgaand groen), de aanwezigheid van bebouwing, etc.; de aanwezigheid van bijzondere kenmerken, waardoor het gebied een hogere waardering moet krijgen dan het op basis van andere twee criteria krijgt. Op elk criterium is een score van 0 tot 5 genoteerd. Voor de eerste twee criteria is dat op basis van een strakke definitie gebeurd (tabellen 2.1 en 2.2), voor de laatste op basis van ‘expert judgement’ (beoordeling op basis van algemene kennis van de vakspecialist). Voor het derde criterium hebben we geen exacte omschrijving gegeven wat er onder welke score verstaan wordt, omdat dit per deelgebied kan verschillen en het afhangt van de bijzonderheid die in dat specifieke deelgebied aan de orde is. score omschrijving 0 volledig gewijzigd 1 overbouwd 2 verkaveling sterk gewijzigd, grondgebruik sterk gewijzigd 3 hoofdstructuur verkaveling grotendeels intact, grondgebruik sterk gewijzigd óf hoofdstructuur in belangrijke mate gewijzigd, maar grondgebruik grotendeels intact 4 hoofdstructuur verkaveling grotendeels intact, grondgebruik merendeels intact 5 verkaveling grotendeels intact, grondgebruik grotendeels intact Tabel 2.

  1. Waardering gaafheid van de historische situatie in de huidige topografie. score omschrijving 0 volledig gewijzigd 1 overbouwd 2 openheid/geslotenheid sterk gewijzigd, bebouwing grotendeels verplaatst 3 openheid/geslotenheid half intact, bebouwing deels origineel, deels gewijzigd 4 openheid/geslotenheid grotendeels intact, bebouwing merendeels origineel gesitueerd 5 openheid/geslotenheid grotendeels intact, bebouwing als origineel gesitueerd Tabel 2.
  2. Waardering gaafheid van de fysiognomie ten opzichte van de historische situatie omstreeks
  3. Een totaalwaardering werd uiteindelijk berekend door de drie scores op te tellen en door drie te delen. Daardoor telt elk criterium even zwaar. De scores die uit deze berekening kwamen, zijn in zes waarderingscategorieën (van zeer laag tot zeer hoog) verdeeld (tabel 2.3). De waardering wordt inhoudelijk gemotiveerd in de GIS-tabellen. gemiddelde score waardering niet gewaardeerd 1,6-2,5 laag 2,6-3,5 gemiddeld 3,6-4,2 hoog 4,3-5,0 zeer hoog Tabel 2.
  4. Scores en klassen van de waardering. Hoewel op basis van bovenstaande criteria een vrij objectieve score berekend kan worden, blijft de waardering toch een bepaalde mate van subjectiviteit houden. Dat komt niet alleen door de nadruk op het criterium ‘gaafheid’ en de keuze voor het derde criterium (‘bijzondere kenmerken’), maar ook door de schaal van het te beoordelen gebied en de begrenzing ervan. Voor de waardering zijn de grotere gebieden, zoals gekarteerd bij de inventarisatie, slechts in zeer uitzonderlijke gevallen verder opgeknipt om willekeur te voorkomen. Een lage waardering voor een gebied betekent daarmee niet dat er in het gebied geen enkele bijzondere individuele waarde kan voorkomen! Definiëring van de ensembles Op de waarderingskaart hebben we gebiedscontouren opgenomen waar bijzondere landschappelijke kwaliteiten bij elkaar komen. Om daar enige systematiek in te brengen, gaan we uit van de volgende criteria: het moet gaan om een historische kern of groter bebouwingsensemble met een nog relatief gave relatie met het (agrarisch) buitengebied; óf: het moet gaan om een bijzondere combinatie van verschillende, aan elkaar grenzende landschappen of juist gebieden daarbinnen waar een belangrijk, onderscheidend historisch verhaal te vertellen is . Het moge duidelijk zijn dat ondanks bovenstaande richtlijnen de definitie van ensembles altijd een zekere mate van subjectiviteit zal bevatten. Dat geldt onder meer voor grenzen: waar leg je bij een waardevolle overgang tussen dorpskern en platteland de grens? Eén van de criteria die we daarvoor hanteren, is in elk geval de waardering: zo min mogelijk zullen we laag gewaardeerde deelgebieden in het grotere ensemble betrekken, tenzij dat echt om specifieke redenen wenselijk is. Wat we verder nastreven is een enigszins representatief beeld van de Berkellandse landschappelijke kwaliteiten – het is daarom niet de bedoeling uitsluitend landgoederen of essen te selecteren. Wat we niet onder ensembles hebben opgenomen, zijn hoog gewaardeerde landschappen op zich. De kwestie of bij aaneensluitende gave landschappen een verhaal te vertellen is dat relevant genoeg is, is uiteraard opnieuw enigszins subjectief. Daaraan valt niet te ontkomen. 2.4Landschapselementen 2.4.1Inleiding In thematische databases en naar categorie onderverdeeld op de kaart hebben we een groot aantal landschapselementen opgenomen. Voor elk landschapselement is in de achterliggende database de specifieke bron opgenomen. Hieronder benoemen we een en ander op hoofdlijnen. 2.4.2Infrastructuur De historische wegen, paden, spoorlijnen en objecten die daaraan gerelateerd zijn/waren, zijn voornamelijk geïnventariseerd aan de hand van het kadastraal minuutplan uit 1832, de TMK van enkele jaren later en de Topografische Kaart van omstreeks
  5. Daarbij hebben we een periodisering ook in de achterliggende data opgenomen, dat wil zeggen aangegeven of de structuren van vóór 1832 of uit de periode 1832-1950 dateerden. In deze globale tijdsperioden is aangegeven wanneer deze lijnelementen zijn aangelegd, rechtgetrokken of verdwenen. Informatie uit inventarissen van het Gelders Archief en een rapportage van het Gelders Genootschap over Hessenwegen en andere oude routes bood onderbouwing voor de laag met doorgaande wegen. Op basis van nadere informatie via diverse websites hebben we het aspect ‘spoorwegen’ nog verder kunnen uitwerken. Het AHN2 bood uitkomst om te achterhalen of van een spoordijk nog relicten aanwezig waren. 2.4.3Waterstaat Aan de hand van het kadastraal minuutplan uit 1832 en de Topografische Kaart uit circa 1950 zijn de beeklopen, brug-, sluis- en vonderlocaties en waterpartijen gekarteerd. Voor wat betreft de beken en afwateringen hebben we opgenomen of ze nog bestaan, verdwenen zijn of (indien van vóór 1832) verschoven zijn. De inventarisatie is op basis van veldinspectie en literatuur/websites verder aangevuld en gecorrigeerd. Kanttekening is dat de kleinere afwateringen zich soms lastig integraal via kaartstudie laten karteren, omdat ze veelal lastig van ‘gewone’ sloten te onderscheiden zijn. De afwateringen van vóór 1950 zijn daarom niet altijd volledig, onder meer wanneer ze langs wegen zijn aangelegd. 2.4.4Opgaand groen Op basis van reeds bestaande inventarisaties, uitgevoerd door de gemeente Berkelland, hebben we de groendatabase verder aangevuld. Deze is allereerst aangevuld op basis van de relevante groenlagen uit de top10vec. Daarna hebben we de kartering op basis van de recente luchtfoto, beschikbaar gesteld door de gemeente Berkelland, volledig gemaakt. Daarbij betreft het zowel het vlakvormig groen (bossen, houtsingels) als het lijnvormig groen (bomenrijen/lanen). Ook Staatsbosbeheer heeft nog input aangeleverd, vooral waar het gaat om historische bomenrijen/lanen in bosgebied.8Geijskes, 2016 Door middel van een vergelijking met de Topografische Kaart van Nederland uit de jaren 50 van de 20e eeuw hebben we een onderscheid gemaakt tussen wat we nog historisch achten, en wat een recentere toevoeging is. Deze grens is gekozen vanwege de verandering in denken over het agrarisch cultuurlandschap: Oost-Nederland stond rond 1950 aan de vooravond van grotere planmatige veranderingen in het agrarisch landschap, zoals ruilverkavelingen en later landinrichtingen. De gekozen methode kent zijn beperkingen. Op basis van steekproeven blijkt dat niet al het groen dat al vóór 1950 bestond, op die manier gekarteerd is. Zo staat de Oude Maat in Eibergen nog als weiland op de kaart, terwijl het toch echt al vóór 1934 tot park werd omgevormd. De Olden Godt in Ruurlo staat gekarteerd als een V-vormige bomenrij, terwijl ook het binnenterrein duidelijk met rabatten is ingevuld die van vóór 1950 zullen dateren. De duiding van wat historisch genoemd mag worden en wat niet, moet dus met enige omzichtigheid worden gebruikt. Er is in de databasestructuur een splitsing gemaakt tussen enerzijds de bomenrijen en anderzijds het overig opgaand – vlakvormig – groen. De database met overig groen bevat zowel historische (vóór 1950/1965) als recenter groen, en is derhalve als ‘volledige groenlaag’ voor het bestemmingsplan bruikbaar. De database met bomenrijen bevat zowel de bomenrijen op kavelgrenzen als die in wegbermen, waarbij in de laatste situatie vaak sprake is van laanbomen. Bij het gebruik van deze data zal goed gelet moeten worden op hetgeen in bestemmingsplannen als groen bestemd gaat worden. Groen in wegbermen komt namelijk naar alle waarschijnlijkheid onder de bestemming ‘Verkeer’ te hangen, terwijl dat voor bomenrijen op kavelgrenzen niet het geval is. Op basis van een database van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed hebben we contouren van gebieden waar oud groen aanwezig of te verwachten is, opgenomen.9Zie hiervoor http://landschapinnl.nl/bronnen-en-kaarten/kaart-groen-erfgoed 2.4.5Reliëf Voor het onderdeel ‘reliëf’ hebben we ons in de eerste plaats gericht op aarden wallen. Andersoortig reliëf, zoals winningskuilen, is in andere categorieën, zoals economie en nijverheid, ondergebracht. Daarbij moet direct worden opgemerkt dat er binnen deze categorie veel meer mogelijk is, zoals het in beeld brengen van rabattenbossen (

ook bijlage 1). De kartering heeft goeddeels op basis van het AHN2 plaatsgevonden. 2.4.6Verkaveling Bewaard gebleven kavelgrenzen zeggen iets over de gaafheid van het landschap ten opzichte van de referentieperiode. Meer dan wegen en waterlopen is de verkaveling immers onderhevig aan landbouwkundige vernieuwingen, zoals schaalvergroting. De kavelgrenzen hebben we ingetekend op basis van een vergelijking tussen de kadastrale minuutplans uit 1832, de enige gemeentedekkende volledige kaart van de verkaveling vóór 1850, een recente luchtfoto en het AHN2. We hebben alleen de kavelgrenzen tussen percelen aangegeven; wanneer een historische weg of waterloop op de kaart staat, is op basis daarvan al duidelijk dat daar in het verleden ook een kavelgrens lag en is die kavelgrens niet ingetekend. Ook de contour van het ruilverkavelingsgebied Beltrum hebben we onder deze categorie geplaatst. Dit gebied is één van de 30 gebieden die volgens de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed bijzondere aandacht verdienen. Interessant is de analyse die H+N+S van de ruilverkaveling uitvoerde. Men concludeerde dat oude landschappelijke contrasten sterk verwaterd waren na uitvoering van de ruilverkaveling. Met name het wegenpatroon en het spreidingsbeeld van de boerderijen bleef bewaard, hetgeen wij op basis van onze analyse kunnen bevestigen. Belangrijker is echter: in hoeverre is van het landschapsplan dat destijds werd opgesteld, iets terecht gekomen? Het oordeel van H+N+S is helder: “In het plan zijn nauwelijks heldere nieuwe structuren ontworpen en is geen hiërarchie in wegbeplanting aangebracht, maar is gekozen voor het behoud van bestaande structuren en het aanvullen van bestaande beplanting. Ten tweede zijn in het verkavelingsplan en de uitvoering veel aanpassingen gedaan ten opzichte van het landschapsplan. Hierdoor zijn veel onderdelen uit het landschapsplan niet gerealiseerd. Dit heeft geleid tot een sterker verlies van landschappelijke contrasten dan in het landschapsplan voorzien was. Zo zijn bijvoorbeeld veel oude beplantingselementen verdwenen en zijn wegkruisingen aangepast”.10Brouwer-te Molder e.a., 2014: 43 Een algemene waardering wordt door H+N+S niet uitgesproken, maar van waarde worden ondanks de ruilverkaveling wel geacht: bestaande wegenstructuur, oorspronkelijke bebouwingspatroon, koppeling nieuwe beplanting-wegenpatroon, oude kavelgrensbeplantingen, ontwerp voor wegen en watergangen uit de ruilverkaveling.11Brouwer-te Molder e.a., 2014: 43 2.4.7Bestuur Voor het onderdeel bestuur hebben we zowel diverse historische grenzen als daaraan verbonden relicten (m.n. grenspalen) gekarteerd. Binnen de grenspalen hebben we een onderscheid gemaakt tussen historische locaties waar ooit grenspalen stonden en daadwerkelijk nog resterende grenspalen. De belangrijkste bron voor bovenstaande vormde naast het kadastraal minuutplan uit 1832 ook achterliggende informatie via internet, zoals www.grenspalen.nl en de database van gemeentelijke grenscorrecties van Karel Leenders.12http://users.bart.nl/~leenders/gemhist/ Verder hebben met name historische verenigingen een bijdrage geleverd aan de laag met grenspalen. 2.4.8Economie en nijverheid Inventarisatie van terreinen die met het thema ‘economie en nijverheid’ te maken hebben, heeft voornamelijk plaatsgevonden aan de hand van literatuur-, website- en historische kaartstudie. Thema’s die hierin terugkomen, zijn met name eendenkooien van de lokale adel en winningskuilen, gevolg van infrastructurele werkzaamheden of industriële activiteit. 2.4.9Maatschappij Binnen deze categorie richten we ons op maatschappelijke instellingen die op speciaal daarvoor ingerichte terreinen gevestigd waren. Op basis van diverse generaties historisch kaartmateriaal zijn ze in kaart gebracht. 2.4.10Religie en funerair erfgoed Op basis van een vergelijking tussen historisch kaartmateriaal en recente topografische kaarten hebben we historische kerkhoven en begraafplaatsen in beeld gebracht. Hierbij achten we begraafplaatsen uit alle perioden in principe cultuurhistorisch waardevol/relevant. Kerken en kleinere gebouwde objecten maken onderdeel uit van de historische nederzettingslocaties

(1832)en de gebouwd-objectdatabases en hebben we daarom niet aanvullend nog eens onder deze categorie in beeld gebracht. Daarnaast zijn hierin ook terreinen opgenomen met een andersoortige rituele betekenis. 2.4.11Oorlog en defensie Het erfgoed van oorlog en defensie is in meerdere tijdslagen te verdelen. Kastelen met een middeleeuwse oorsprong en verdedigbaar karakter vallen onder een middeleeuwse laag. Omdat deze gebouwen al in andere databases voorkomen (zoals historische nederzettingslocaties), nemen we die niet nog eens onder ‘oorlog en defensie’ op. Deze hebben we voornamelijk op basis van kaart- en literatuurstudie geïdentificeerd. Uit dezelfde periode dateren de landweren, aarden wallen met een verdedigingsfunctie. Voor wat betreft de circumvallatielinie van Groenlo, die voor een deel door de gemeente Berkelland loopt, is aan de hand van het AHN2 nagegaan waar nog bovengrondse relicten aanwezig zijn. Voor de Eerste en Tweede Wereldoorlog en de Politionele Acties hebben we enkele online-databases als tracesofwar.com en ikme.nl geraadpleegd, aangevuld met een beperkte literatuur- en websitestudie. 2.4.12Recreatie en toerisme Voor inventarisatie van erfgoed van recreatie en toerisme hebben we in de eerste plaats historisch kaartmateriaal (1900-heden) gebruikt, bijvoorbeeld om natuurbaden te inventariseren. Informatie van diverse websites, zoals van de historische vereniging in Borculo, is daarbij ondersteunend gebruikt. 2.4.13Straatmeubilair Van de hiervoor genoemde thema’s is het onderdeel ‘straatmeubilair’ het enige dat niet systematisch is aangepakt. In de laag is namelijk op basis van een externe suggestie13Mededeling B. te Vaarwerk, Eibergen via Twitter slechts één element opgenomen. Direct ook laat dit element

n hoe kwetsbaar en zeldzaam historisch straatmeubilair is, en we willen er dan ook bijzondere aandacht voor vragen (

bijlage 1). 2.5Historische bouwkunst en stedenbouw 2.5.1Historische bouwkunst Beschermde bouwkunst en stedenbouw Onder deze categorie hebben we rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten, beschermde dorpsgezichten en beschermde buitenplaatsen opgenomen. De databases zijn afkomstig van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en ongewijzigd op kaart geplaatst. Beeldbepalende bebouwing Uitsluitend op basis van bekende informatie, en dan wel de MIP-lijst, is een database met beeldbepalende bebouwing op de kaart opgenomen. 2.5.2Stedenbouw Inleiding Het stedenbouwkundige erfgoed is in beperkte mate in deze cultuurhistorische waardenkaart opgenomen; we hebben ons in de eerste plaats op het buitengebied gericht. Er heeft derhalve geen vlakdekkende historisch-stedenbouwkundige typering van buurten en wijken plaatsgevonden. In de navolgende alinea’s geven we weer wat op stedenbouwkundig vlak wel in kaart is gebracht. Historische nederzettingslocaties Historische nederzettingslocaties die samen de bebouwingsstructuur van een groot deel van het buitengebied weergeven, zijn geïnventariseerd aan de hand van het kadastraal minuutplan uit

  1. Er is een typologische onderverdeling gemaakt, die op de kaart is weergegeven. Voor enkele kernen zijn in plaats van puntlocaties historische bouwvlakken op kaart gezet. Invloedszones Uit diverse bronnen worden vlakkenbestanden met ‘invloedszones’ vastgesteld: de gebieden waar een centraal gelegen object of element zijn invloed over laat gelden. Het betreft concreet de molenbiotopen en landgoederen uit de periode tot
  2. 2.6Immaterieel erfgoed 2.6.1Inleiding Anders dan het hiervoor benoemde erfgoed is het immaterieel erfgoed (merendeels) niet in het terrein zichtbaar. Het gaat om erfgoed dat in de hoofden van de lokale bevolking aanwezig is, of in schriftelijke bronnen is gevat. Het kan ook gaan om tradities. Van de mogelijke vormen van immaterieel erfgoed hebben we alleen toponiemen in de cultuurhistorische waardenkaart meegenomen, vooral omdat zij de meest directe relatie met het historisch cultuurlandschap hebben. 2.6.2Toponiemen Ten geleide Berkelland verkeert in de gelukkige omstandigheid dat een belangrijk deel van de toponiemen op haar grondgebied in de afgelopen decennia in publicaties is vastgelegd. Deze publicaties zijn merendeels door gesprekken met lokale gebruikers van de grond tot stand gekomen; historisch bronnenonderzoek speelde nauwelijks of geen rol. Daardoor is weliswaar een deel van de namenvoorraad onbelicht gebleven, maar gezien de hoeveelheid wél op schrift gestelde namen (> 10.000) kunnen we dat voor dit moment niet bezwaarlijk noemen. Naast de bovengenoemde publicaties zijn selectief nog andere collecties opgenomen, zoals de namen uit een boerderijnamenkaart van Neede door Krooshof alsmede eigen collecties van de auteur.14De gedrukte kaart bevindt zich in het digitale archief van de auteur van dit rapport. Verantwoording In deze paragraaf zal besproken worden hoe de toponiemenkaart tot stand is gekomen. Tijdens het opstellen van de kaart zijn verschillende keuzes gemaakt betreffende de namen. De toponiemen zijn opgedeeld in twee categorieën: veldnamen en boerderij- of huisnamen. De veldnamen horen bij percelen, dijken, kuilen, wegen en wateren en de boerderij- of huisnamen horen bij gebouwen. Op de kaart zijn de veldnamen aangeduid met een groene tekstkleur en de boerderijnamen zijn aangeduid met een rode tekstkleur. Als eerste is natuurlijk voor elk toponiem één punt aangemaakt, waar dan de naam bij komt te staan. Indien een bepaald perceel meerdere namen had, staan er dus meerdere punten op het desbetreffende perceel. Het kwam ook voor dat verschillende percelen dezelfde naam hadden en dat die percelen nu samen zijn gevoegd tot één perceel of bebouwd zijn met bijvoorbeeld een woonwijk. Indien dit het geval is, heeft het perceel of de woonwijk één punt gekregen met het bijbehorende toponiem. Voor boerderijen en huizen geldt dat als het gebouw meerdere namen kent of heeft gekend, er ook meerdere punten op de kaart staan. Dit is gedaan tenzij de twee namen hetzelfde betekenen, maar een andere schrijfwijze hebben. Zo is er bijvoorbeeld een boerderij die ooit Veldeken heeft geheten, terwijl de naam momenteel zodanig is veranderd dat de boerderij nu ten Velde heet. Voormalige gebouwen, dijken, kuilen, wegen en wateren die nu niet meer zichtbaar zijn als zodanig hebben wel het toponiem gekregen die op een bepaalde plek hoorde. Wat betreft de gebouwen komt het regelmatig voor dat door de jaren heen bepaalde erven verplaatst zijn. Dit zorgt ervoor dat op de kaart clusters van verschillende boerderijen zichtbaar zijn die ongeveer dezelfde naam hebben. Dit heeft er dus mee te maken dat ook voormalige bebouwing op de kaart is opgenomen. Wat een struikelblok is geweest tijdens het opstellen van de kaart is dat de toponiemen er horizontaal op komen te staan, terwijl het regelmatig zo is dat percelen verticaal of diagonaal georiënteerd zijn. Het komt dus geregeld voor dat bij de desbetreffende percelen de toponiemen niet of nauwelijks te lezen zijn, omdat er zoveel punten naast elkaar op de kaart staan dat er namen wegvallen. Indien men toch op zoek is naar die namen kan natuurlijk altijd het GIS-bestand van de kaart opgevraagd of geopend worden. In de bijbehorende tabellen kan altijd nagegaan worden wat nu precies het toponiem is (

ook § 2.7). Er zijn verschillende toponiemen geweest die in de publicaties door de gebruikte drukmethode niet goed leesbaar waren. Op momenten waarop één letter niet duidelijk was, is geprobeerd deze toch te ontcijferen. In de tabel van het GIS-bestand is dan een opmerking gemaakt dat het toponiem slecht leesbaar was. Het kwam natuurlijk ook voor dat toponiemen helemaal niet leesbaar waren. Als dat het geval was, is het toponiem niet op de kaart gezet. Het kwam soms voor dat er een naam, in de stijl van de veldnamen, op de plek van een boerderij of huis stond. Hierdoor werd de schijn gewekt dat het toponiem bij het gebouw hoorde. In deze gevallen is de veldnaam gewoon als veldnaam op de kaart gezet, maar moet er wel rekening gehouden worden met het feit dat de naam mogelijk bij de boerderij of bij het huis hoort. 2.7Gebruik De cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Berkelland bevat een zeer grote hoeveelheid informatie en is in de eerste plaats een GIS-product, dat straks via de gemeentelijke GIS-viewer gebruikt kan worden. Van de daarvan afgeleide analoge kaarten is om praktische redenen niet alle informatie te lezen. Dat heeft bijvoorbeeld te maken met meerdere puntsymbolen op één locatie die elkaar afdekken, toponiemen die elkaar zouden overlappen als ze allemaal zichtbaar zouden zijn, meerdere eigenschappen van één object (opgenomen in het GIS) die niet allemaal in het symbool tot uiting kunnen komen en de gekozen afbeeldingsschaal van 10:000. Wij raden derhalve aan telkens naast (of in plaats van) de analoge kaarten ook het GIS en de toelichtende rapportage te raadplegen om na te gaan welke informatie over een specifieke locatie voorhanden is. 3Historisch cultuurlandschap 3.1Inleiding In dit hoofdstuk behandelen we de achtereenvolgende landschapstypen die we op kaartbijlage 1 hebben onderscheiden. Een historische ontwikkelingsgeschiedenis van de gemeente en de respectievelijke kerkdorpen hebben we niet opgesteld; die is reeds voorhanden in de vorm van de cultuurhistorische gebiedsbeschrijving ‘Berkelland beschreven’.15Gelders Genootschap, 2012 3.2Kampontginningen met plaatselijk essen 3.2.1Open akker (Kd1) De meest ‘aaneengesmede’ en grootschalige akkercomplexen rekenen we tot de open akkers. Het betreft daarbij grootschalige aaneengesloten akkers zonder of met weinig zichtbare kavelgrenzen, vaak op natuurlijke hoogten in het landschap gelegen en omzoomd door de oudere middeleeuwse boerderijen. De daadwerkelijke verkaveling bestond veelal alleen in de vorm van eigendomsgrenzen, die soms in het veld door stenen werden gemarkeerd. Kenmerkend zijn de grote verkavelingsblokken of gewannen, die in stroken onderverdeeld waren. Spek constateerde voor de Drentse essen dat hoe langer en smaller de stroken waren, hoe recenter de ontginning was.16Spek, 2004: 673 De typische Drentse es, waarvan we wellicht voor de Needse es een parallel vinden (figuur 3.1), kende in de 12e tot 17e eeuw zijn sterkste uitbreiding. Interessant is dat de strookkavels op de Needse es ook wel ‘brede’ of ‘bree’ werden genoemd.17Keunen, manuscript De oudere fases bestonden uit kleinere kampjes, die we aan de zuidzijde van de Needse es ook nog herkennen en waar bij archeologisch onderzoek de vol-middeleeuwse voorgangers van de latere boerderijen onder vandaan zijn gekomen. Op deze kampen moet in de Late Middeleeuwen nog bos gestaan hebben. Zo lagen bij het erf Rutgerink nog het Rutgerinkbosch en de Rutgerinkboskamp. De naam van het vroeg verdwenen erf Rijkenhuis wijst op een omheind of omrikt erf.18Keunen, manuscript De percelen bij het huis kunnen we wellicht beschouwen als later relatief extensief gebruikte kampjes, die in Brabant ook wel bochten worden genoemd.19Vangheluwe & Spek, 2008 Ook de openheid van de es zelf lijkt niet van alle tijden te zijn geweest. Uit talrijke veldnamen die naar bos verwijzen, is duidelijk dat er nog tot in de Late Middeleeuwen bosjes op de berg gestaan moeten hebben. Het betreft dan bijvoorbeeld het Roodland (verwijzend naar gerooid bos), het Vlierbos, het Hilligenbos en het Meulenbosch.20Keunen, manuscript Niet alleen de landschappelijke structuur, maar ook de bodemkundige opbouw is typerend voor veel essen. In de ondergrond bevinden zich vaak rijkere humuspodzolen, zoals in Neede kon worden aangetoond.21Keunen, manuscript Daarop ontstond, vermoedelijk vanaf de 16e eeuw22Spek, 2004: 965, door bemesting met humus- en mineraalrijke plaggen, een ophogingsdek dat we tegenwoordig veelal als plaggendek betitelen. In bodemkundig opzicht – waarbij vanuit de agrarische achtergrond van de discipline hoofdzakelijk naar de bovenste 50 cm wordt gekeken – worden deze bodems als enkeerdbodems aangeduid. Essen die aan bovenstaande kwalificaties voldoen, vinden we in de gemeente Berkelland in Hupsel, Neede, Geesteren, Eibergen en Mallem (figuur 3.2). Afgezien van de kleine delen die bebouwd zijn, zoals het zuidelijke deel in Neede, is het merendeel nog redelijk gaaf en herkenbaar. Doorgaans zijn ze wel herverkaveld, omdat de oude verkavelingen door hun maat en schaal niet meer aan de eisen voor de hedendaagse landbouw voldeden. In een enkel geval, zoals in Mallem, is er een nieuwe wegenstructuur overheen gelegd. De belangrijkste kenmerken, de openheid en het grondgebruik, zijn vaak nog aanwezig. 3.2.2Open akker, herkenbaar opgebouwd uit kleinere kampen (Kd2) Een deel van de akkercomplexen in de gemeente Berkelland vertoont vanuit historisch perspectief kenmerken van een mindere integratie van de akkers in één open, aaneengesloten geheel. Op topografisch kaartmateriaal uit de 19e en 20e eeuw herkennen we, ondanks de kennelijke neiging van de verschillende kampen om één geheel te gaan vormen, nog een groot aantal ruimtelijke scheidingen in de vorm van bijvoorbeeld houtsingels en laagtes. De historische achtergrond van dit verschil is niet helemaal duidelijk, maar mogelijk gaat het om een geringere doorontwikkeling door het uitblijven of in mindere mate optreden van intensivering van grondgebruik in de Late Middeleeuwen of vroege Nieuwe tijd. In deze periode noopte bevolkingsgroei tot een intensiever gebruik van agrarische gronden, en de hierboven genoemde plaggenbemesting was één van de vindingen om dat te bereiken.23Vangheluwe & Spek, 2008 Het opheffen van ruimtelijke barrières op akkercomplexen om de beschikbare grond efficiënter te gebruiken, was een andere. Boerderijen lagen ook in dit landschapstype merendeels aan de randen van de akkers, maar ook binnen de akkers kwamen erven wel voor. Al met al ademden de akkercomplexen wel het aaneengesloten karakter, maar waren er onderbrekingen die ervoor zorgden dat het net geen grootschalig open complex (Kd1) was. Een typerend voorbeeld van een dergelijke open akker met (oudtijds) herkenbare individuele kampen is het akkercomplex van Ruurlo. Door de sterke uitbreiding van Ruurlo in de laatste decennia is hier nu nog weinig van herkenbaar. De Schansenkamp is misschien nog het fraaiste fragment van dit complex (figuur 3.3), niet in de laatste plaats omdat dit perceel functioneert als ‘lucht’ tussen dorpskern en kasteel. Andere voorbeelden van dergelijke complexen vinden we terug in Beltrum, Noordijk, ’t Loo, Gelselaar, Eibergen en Geesteren (Boerenesch). 3.2.3Oude kampontginning (Kd3) Misschien wel het meest typerende Achterhoekse landschapstype is dat van de oude, wat grotere kampontginningen die vaak – vanuit de geomorfologie gedreven – als clusters bij elkaar lagen. De meeste hebben een (vol-)middeleeuwse oorsprong en zullen door de tijd zijn vergroot. Eronder gaat veelal een kleine dekzandrug of -kop schuil. Door houtsingels of smallere bosstroken werden de kampen van elkaar gescheiden. Qua oppervlakte overheersen de kampen binnen dit landschapstype echter. De erven, vaak relatief groot in getal, lagen verspreid aan en tussen de kampen (figuur 3.4), en bij die erven lagen ook de kleine weilandjes, boomgaarden en andere zaken die tot de omgeving van een boerenerf behoorden. Evenals bij de grotere akkercomplexen bestaat bij de kampen, veelal afgerond van vorm, de bodem uit podzolbodems met daarop een geleidelijk gegroeid plaggendek. Kampenlandschappen van dit type vinden we voornamelijk op de reliëfrijke dekzandafzettingen in de nabijheid van de grotere beekdalen (figuur 3.5). Vooral langs de Berkel vinden we een belangrijke zone, maar ook aan de zuid- en noordzijde van de open akker van Ruurlo, nabij Beltrum en ten noordoosten van Neede richting de Buurserbeek, vinden we voorbeelden. Vaak zijn de landschappen sterk uitgekleed, waardoor het karakter van de afwisselende kampen, omgeven door groen, is verdwenen. De ligging in het hart van het oude agrarisch cultuurlandschap, nabij de kern van veel nederzettingen, heeft er waarschijnlijk voor gezorgd dat ze kwetsbaar waren voor veranderingen bij landschappelijke herinrichtingsprojecten. Het gros is daarom in de loop van de laatste driekwart eeuw aangepast aan de moderne landbouwkundige wensen. Op andere locaties zijn ze overbouwd, zoals rond de kern van Neede. Toch

n we plaatselijk nog waardevolle karakteristieken terug, zoals dikwijls het toch nog herkenbare reliëf, restanten van de oude beplanting en de overgang naar andere landschappen, zoals de scheiding tussen Neder- en Overbiel tussen Borculo en Geesteren. Waar landeigenaren waren die andere belangen voor lieten gaan op agrarische productie, zoals op het landgoed Beekvliet, is de oude kampenstructuur wel in herkenbare staat gebleven. 3.2.4Bosrijke oude kampontginning (Kd4) Qua historische ontwikkeling en landschappelijk karakter vergelijkbaar met de oude kampontginningen is de bosrijke variant. In de directe omgeving van deze oude kampontginning ontwikkelde zich een groot loofbos, dat onder meer door de direct aangrenzende erven voor houtoogst zal zijn gebruikt. Specifiek beheer vanuit het aangrenzende erf heeft vermoedelijk aan behoud van deze bossen op deze locaties bijgedragen. In vrijwel alle gevallen gaat het om een agrarische context waarin de bossen bewaard zijn gebleven, maar niet zelden zal er een bescheiden elitair tintje aan het desbetreffende erf zijn. Van dit landschapstype kennen we meerdere varianten. Soms lag het bos als een deken om de bouwlandkamp van het erf heen, zoals bij de Forme ten noordwesten van Ruurlo (figuur 3.6). Interessant is dat hier sprake was van een jus compascii,24Letterlijk ‘medegebruiksrecht’, afgeleid van het Latijnse jus (recht) en compascuum (gezamenlijk gebruikt stuk land). een zakelijk recht tot medegebruik van de bossen. De Kleine Forme was in de 16e eeuw ontstaan bij of afgesplitst van de Grote Forme, en vanaf dat moment was er sprake van een zakelijk geregeld medegebruik. Voor 150 gulden werd dit recht in 1741 opgeheven.25Keunen, manuscript In andere gevallen hebben we met een bescheiden dal te maken waarin het bos lag, terwijl op aangrenzende dekzandruggen de kampen gesitueerd waren. Hiervan is het Kerkwijker Bos, alhoewel verkleind ten opzichte van de 19e-eeuwse situatie, nog steeds een goed voorbeeld. Ook ten westen van Borculo vinden we, naast enkele kleinere gebiedjes in de omgeving, een voorbeeld van een dergelijk landschap, dat de tijd nog relatief goed doorstaan heeft. Hier ligt het op een klassieke wijze op een gradiënt van beekdal via kampenlandschap naar de voormalige heide. 3.2.5Droge kampontginning, enigszins regelmatig (Kd5) De oude kampontginningen die we hiervoor behandelden, kennen doorgaans wat grotere kampen, waaraan middeleeuwse boerderijen gesitueerd waren. Vaak grenzend aan deze oude kampontginningen lagen weliswaar ook droge, maar wat kleinschaliger kampontginningen. De bouwlandkampjes waren kleiner, en de structuur in de directe omgeving was wat regelmatiger dan bij hun ‘oudere broer’. Waarschijnlijk hebben we hier te maken met uitbreidingen van het cultuurland uit wellicht nog de Middeleeuwen, maar mogelijk ook de vroege Nieuwe tijd. De schaal is het belangrijkste onderscheid ten opzichte van de oude kampontginningen. Ook hierin werden boerderijen gebouwd. De nabijheid tot de oude kampontginningen

n we heel mooi terug in Ruurlo, waar het gebied oostelijk van De Forme tot dit landschapstype wordt gerekend. In vrijwel alle gevallen gaat het om betrekkelijk kleine gebieden, die net als de oude kampontginningen in een brede zone langs het Berkeldal te vinden zijn. De gaafheid ervan is heel wisselend, variërend van vrij gave stukken (onder meer bij ‘t Loo) tot sterk gewijzigde (zoals tussen Haarlo en Olden Eibergen; figuur 3.7) en zelfs volledig overbouwde deelgebieden. 3.2.6Kleinschalige kampontginning (Kd6) Een nog kleinschaliger voorbeeld dan het voornoemde landschapstype is dat van de kleinschalige kampontginning. Kleine strookvormige perceeltjes cultuurland werden door opgaand groen van elkaar gescheiden. Ze lagen vaak als randontginning tegen oudere kampen aan de rand van de heide, hetgeen al aangeeft dat ze vrijwel zonder uitzondering in de loop van de Nieuwe tijd tot stand zullen zijn gekomen. Bebouwing ontbrak doorgaans; het land werd bewerkt vanuit de aangrenzende oudere ontginningen. De betrekkelijk marginale positie voor de landbouw ten opzichte van het oudere cultuurland blijkt ook uit de ligging van het moeras van De Schoolt in een dergelijke ontginning. In sommige gevallen, zoals in Ruurlo, lag een dergelijke ontginning als onderbreking binnen de open akker. De situering van een dergelijk gebiedje is er ook mede de oorzaak van dat de open akker van Ruurlo onder Kd2 is ingedeeld. Dit kleine gebied is vanaf de 19e eeuw gedeeltelijk als algemene begraafplaats in gebruik genomen, waardoor het karakter sterk veranderd is. In een enkel geval ligt een dergelijk gebied ook rond een beekdal, waardoor de kleinschaligheid de doorslag heeft gegeven het onder dit type te scharen. Dat

n we ten zuiden van Geesteren terug. Alleen de landschappelijke structuur rond De Schoolt is nog redelijk intact gebleven; de hoge waarde van het deelgebied nabij Ruurlo is aan de bijzondere kwaliteit, namelijk de oude begraafplaats, te danken (figuur 3.8). In de andere gebieden is de kleinschaligheid – uiteraard erg kwetsbaar in de schaalvergrotingstendens op het platteland – meer of minder aangetast. 3.2.7Vochtige kampontginning (Kn1) Een zeer groot aantal deelgebieden scharen we onder de vochtige kampontginningen. We kunnen deze ontginningen als de vochtige variant van de hiervoor genoemde oude kampontginningen (Kd3) aanduiden. Anders dan in die kampontginningen overheerste in de vochtige kampontginningen het laaggelegen grasland of de (natte) heide. De aanwezige, merendeels wel middeleeuwse bouwlandkampen maakten minder dan de helft van de oppervlakte uit (figuur 3.9). Zij sloten daarbij dus niet, zoals in de oude kampontginningen, op elkaar aan. In een aantal gevallen gaat het bij de vochtige kampontginningen om de aangrenzende zone, waar naast verspreide kampjes ook de erven lagen van waaruit in de oude kampontginningen geboerd werd. Naast die variant betreft het echter op zichzelf staande kampenlandschappen met wat grotere kampen in laag gelegen landschap. Ook daar kwam bebouwing in het landschap voor. Het verschil met de ontginningen onder het type ‘randzone van de heide’ is dat daar nog kleinere kampjes in een nog grotere ‘zee van heide’ lagen. Op de kaart vinden we een relatief groot aantal gebieden van een redelijke omvang die tot dit type gerekend kunnen worden. Anders dan bij de oude kampontginningen, die toch wat vaker geconcentreerd lagen rond de dekzandruggen nabij de Berkel, vinden we dit landschap in grote delen van de gemeente Berkelland terug. De gemiddelde gaafheid van deze gebieden is laag, omdat de landschappelijke structuur met zijn lage, onregelmatig gevormde percelen met perceelsrandbeplanting zich weinig voor moderne landbouw leende. Eén van de weinige goede voorbeelden vinden we in een groot gebied waar dit landschapstype voorkomt, namelijk het Brammelerbroek. Het Brammelerbroek is een goed voorbeeld van een betrekkelijk natter landschap met verspreide middeleeuwse bouwlandkampen. Relatief late aanwezigheid van substantiële hoeveelheden bos op de woeste gronden blijkt uit het feit dat de marke van Brammelo en Brammelerbroek tot in de 19e eeuw nog bijeenkomsten hield die holtingen werden genoemd.26Keunen, manuscript De omgeving van het Teeselinkven, in beheer van onder meer het Gelders Landschap, behoort tot de gaafste vochtige kampontginningen (figuur 3.10). In het overige deel van het Brammelerbroek zijn met name de verkaveling en het grondgebruik in sterke mate gewijzigd. Daardoor is het historische karakter nog slechts op basis van een aantal hoofdlijnen (wegen, groen, erven) herkenbaar. 3.2.8Vochtige kampontginning, enigszins regelmatig (Kn2) Synchroon aan de enigszins regelmatige droge kampontginningen (Kd5) kennen we ook enigszins regelmatige vochtige kampontginningen. Deze gebieden kenmerken zich door een mozaïek van min of meer regelmatige, maar vaker onregelmatige kavels met daarbij niet-ontgonnen broek of heide. Wat opvalt is dat ze vaak in de nabijheid van beekdalen voorkomen. Het karakter was kleinschalig, onder meer door het voorkomen van perceelsrandbeplanting. De ontginning van aangrenzende heidevelden had tot gevolg dat deze deelgebieden vaak betrekkelijk rationeel werden (her)ingericht waar het gaat om het wegenpatroon (figuur 3.11). Anders dan bij de jonge heideontginningen met mozaïekkarakter (Ha2), waar we later nog op zullen terugkomen, was hier al vóór 1850 een aanzienlijke hoeveelheid reeds ontgonnen land aanwezig. In het landschap kwam, net als in de drogere variant, bebouwing voor. De meeste deelgebieden zijn nog in redelijke toestand, maar heel gaaf is maar één deelgebied te noemen. Het gaat om een gebied tegen de Geesterense Es (figuur 3.12). In het gebied is nog behoorlijk wat opgaande beplanting aanwezig. Een aantal gebieden, zoals in Overbiel, bij Leo-Stichting en bij Rekken is ook nog gaaf te noemen. Het merendeel behoort tot de middencategorie, waarbij de hoofdstructuur nog herkenbaar gebleven is, maar de gebieden zijn ‘uitgekleed’. Enkele deelgebieden zijn omgevormd tot camping, en slechts in één geval is een gebied overbouwd geraakt. Het betreft een klein gebied bij Leo-Stichting. 3.2.9Bosrijke vochtige kampontginning (Kn3) Evenals bij de voorgaande typen is ook dit type een variant van een eerder ‘droog’ landschapstype. Het betreft de bosrijke oude kampontginningen (Kd4). We hebben hier te maken met een variant die daar sterk op lijkt, maar die relatief meer natte en/of lage delen kent. Er is slechts één deelgebied dat aan deze voorwaarde voldoet. Het gaat om het kampenlandschap oostelijk van Gelselaar, waardoorheen een waterloop liep die grotendeels is rechtgetrokken (figuur 3.13). Evenals in de droge variant komt hier historische bebouwing voor en gaat het deels om oude erven. Qua gaafheid scoort het gebied echter middelmatig, vooral omdat de verkaveling in het verleden stevig is gewijzigd. 3.2.10Vochtige kampontginning, sterk verkeuterd – hoge dichtheid (Kn4) Specifiek voor het landschap rondom Beltrum hebben we dit en het navolgende landschapstype moeten definiëren. Kenmerkend voor Beltrum was (en is nog deels) het sterk gefragmenteerde reliëf, waardoor op een klein oppervlakte een zeer groot aantal kleine bouwlandkampjes op dekzandkopjes is aangelegd. In combinatie met de stichting van kleine keuterboerderijtjes en/of woningen van ambachtslieden levert dat een heel gefragmenteerd beeld op. Niet onaannemelijk is dat dit landschap het product is van de transitie die landbouw en economie in de laatste fase van de Middeleeuwen en de vroege Nieuwe tijd doormaakten. Daardoor kwam een ontwikkeling van specialisatie op gang, die onder meer leidde tot een klasse van kleine boertjes en ambachtslieden, en in de groeiende dorpen van neringdoenden.27Vangheluwe & Spek, 2008 Het leverde een zeer kleinschalig landschap, met veel kleine, door opgaand groen omgeven kampjes, afgewisseld met weides, bosjes en wellicht hier en daar nog heiderelicten. Het is, gezien deze omschrijving, niet verbazingwekkend dat dit landschap als één van de eerste in de wijde omgeving na de Tweede Wereldoorlog werd aangepakt in het kader van de Ruilverkaveling Beltrum. Wat nu resteert is naast een volledig opengewerkt landschap vooral nog de dichtheid aan erven (die vrijwel allemaal gehandhaafd zijn), een deel van het wegenpatroon en in zekere mate nog het reliëf (figuur 3.14). 3.2.11Vochtige kampontginning, sterk verkeuterd – lage dichtheid (Kn5) Verder van het hart van Beltrum vandaan, de Beltrumse Es, werd het landschap minder dicht aan bebouwing en bouwlandkampen. De fragmentarische context bleef echter, en in plaats van de vele kampjes lagen er nu naast een handvol kampjes met bebouwing vooral veel maten. Dat zijn onregelmatig gevormde percelen hooiland, omgeven door een houtwal. Hier haalden de boeren jaarlijks hun hooi vandaan ter wintervoedering van het vee. Verondersteld wordt wel dat elders in de Achterhoek percelen periodiek met water werden bevloeid om te voorkomen dat de bodem zou bevriezen, zodat in de lente de grasgroei eerder op gang kwam en er dus extra gras geoogst kon worden. Deze theorie is onder wetenschappers echter niet onomstreden, en derhalve laten we dit thema in deze context voor wat het is. Rondom de bouwlandkampjes en maten lag heide of broek. Evenals van de hiervoor genoemde kampontginningen (Kn4) is van de sterk verkeuterde vochtige kampontginningen niet veel herkenbaar gebleven, met name door de heideontginningen van een goede eeuw geleden. Daarbij werd de structuur sterk gerationaliseerd (figuur 3.15). 3.2.12Randzone van de heide (Kh1) Naarmate we – in gedachten in de historische situatie – vanaf het hart van de agrarische nederzettingen naar de heide gaan, wordt de dichtheid aan agrarische bedrijfjes in het historisch cultuurlandschap steeds kleiner. Als we gevoelsmatig de heide al hebben bereikt,

n we slechts hier en daar aan de randen kleine kampjes met keuterboerderijtjes, die doorgaans niet veel ouder dan de 18e eeuw zullen zijn. We hebben hier te maken met een overgangstype tussen wat we nog als kampontginning mogen beschouwen en wat in zijn geheel een jonge heideontginning genoemd kan worden. Naarmate de heidevelden in de late 19e en vroege 20e eeuw ontgonnen werden, werden de oude kampen in de nieuwe ontginningen ingekapseld. Een bijzonder type gebruik wordt gevormd door de vele steen- en kalkovens die met name in dit landschap stonden. Reeds in 1832

n we op het kadastraal minuutplan een steen- en een kalkoven dichtbij elkaar in de noordoosthoek van de Rekkense Heide staan. Een eeuw later vinden we ze zuidelijker, richting de grensovergang bij Oldenkotte, maar ook op de gemeentegrens met Haaksbergen. Dat juist hier op verschillende locaties steenovens stonden, had te maken met de ondiepe ligging van miocene en/of Septariënklei.28J.H. Römer, Oude steenovens en kleigaten in Twente, geraadpleegd via http://natuurcultuur.nl/download?type=document&docid=404619 De bekende steenfabrieken en winningsgaten hebben we op de kaart opgenomen. Lang bleven ze nog herkenbaar, maar door de opschaling in de loop van de 20e eeuw zijn veel onregelmatige structuren uit de heideontginningen ‘weggepoetst’. Daardoor is nog meer dan voorheen de jonge heideontginning de sfeer van de gebieden gaan bepalen. Plaatselijk zijn nog bosjes in de gebieden te vinden, en soms een bewaard gebleven heideterreintje. Gemiddeld genomen scoren de randzoneontginningen qua gaafheid relatief hoog (figuur 3.16). Dat heeft er deels mee te maken dat door de ‘rubuuste’ jonge ontginning veel van de oorspronkelijke situatie ten tijde van de ontginning bewaard is gebleven. Toch zijn er ook nog aardig wat gebieden waar de karakteristieken van de oude kampjes nog te herkennen zijn. Het beste voorbeeld is de heideontginning ten noorden van Rekken, feitelijk de noordoosthoek van de gemeente. Dit gebied is de onbetwiste kampioen als het om gaafheid van randzoneontginningen gaat. Ook ten zuidwesten van Rekken en op het Noordijkerveld vinden we gave voorbeelden. Wat onder meer opvalt zijn de vele oude aarden wallen die zich nog in deze landschappen bevinden. Dat is doorgaans een teken van betrekkelijk geringe invloed van ingrepen ten behoeve van de moderne landbouw. 3.3Beekdalen en broeken 3.3.1Beekdal in het kampenlandschap (Bb1) Als we door onze oogharen kijken,

n we dat er in de beekdalen in de gemeente Berkelland, hoeveel variatie er ook lijkt te zijn, feitelijk maar weinig variatie op de hoofdkarakteristieken voorkomt. Dat heeft er enerzijds mee te maken dat beken vaak stromen door gebieden die in hun geheel niet als een beekdallandschap te kenmerken zijn, maar ook door de grote gemene deler die veel beekdalen hebben. Onder dit type hebben we de wat smallere beekdalen geschaard. Veelal kwamen op de rand van en ook nog wel in de beekdalen bouwlandkampjes voor, met de daarbij behorende bebouwing. Naar het midden van het beekdal, waar perceelsrandbeplanting in grote dichtheid voorkwam, werd de bodem uiteraard steeds natter. Steeds meer van de doorgaans onregelmatig gevormde percelen werden gebruikt als grasland (hooiland). Veel beken in deze dalen werden van oorsprong gegraven en hadden derhalve geen natuurlijke oorsprong. De beken lagen vaak ook niet in het midden van het dal, maar aan één van de randen. Aan de Buurserbeek ten noordoosten van Neede herkennen we dat nog heel fraai. We spreken daarom nu in cultuurlandschappelijk opzicht van beekdalen, maar feitelijk zouden we dat uit geomorfologisch opzicht niet mogen doen.29Zie ook § 4.3.1 Beekdalen horen tot de zwaarst aangepakte landschappen van Berkelland (figuur 3.17). Alleen smalle dalen bij Overbiel en Neede, die niet in het hoofdstroomdal van een beek liggen, zijn aan de meest ingrijpende herinrichtingsmaatregelen ontkomen. Het merendeel is herverkaveld, en soms is het gebruik als grasland nog de enige duidelijke karakteristiek is die het heden met het verleden verbindt. In andere gebieden zijn fragmentarisch delen van de onregelmatige structuur bewaard gebleven. 3.3.2Breed beekdal van de Berkel (Bb2) Een duidelijk onderscheid met de hiervoor genoemde smallere beekdalen is het beekdal van de Berkel en de aangrenzende beken. Het dal was doorgaans erg breed, en in de loop van de tijd is ook de beekloop zelf aan deze dimensies aangepast. Anders dan in het bovenstaand type was het aantal bouwlandkampjes in het beekdal gering, en hebben we historisch gezien dus in de eerste plaats te maken met een uitgestrekte laagte met door opgaand groen (elzenrijen) omgeven percelen grasland zonder bebouwing. Opvallend is dat het beekdal soms heel breed was en soms weer ‘toekneep’: een gevolg van alle wijzigingen die door de eeuwen heen aan het watersysteem zijn uitgevoerd. Zo vormde de Slinge oorspronkelijk de bovenloop van de Berkel bij Borculo, en stroomde de Berkel bij Eibergen naar het noordwesten richting de Regge. Aan de gemiddelde scores op waarde kunnen we

n dat de gaafheid van dit landschap ten opzichte van de historische situatie heel gering is (figuur 3.18). Vrijwel overal is de verkaveling op de schop gegaan, de beplanting verdwenen en de beekloop meerdere malen genormaliseerd. In dit land der blinden is de Berkelloop ten noordwesten van Borculo als eenoog nog koning. 3.3.3Bovenstroom in het broek (Bb3) Een aantal stroompjes moet in de middeleeuwse situatie in het uitgebreide Ruurlose Broek zijn ontsprongen en van daaruit zijn weg door het laagland hebben gezocht. Deze sterk kronkelende en smalle bovenloopjes herkennen we op historische kaarten nog door de relatief onregelmatige ontginningsstructuur van het omliggende broek om 19e-eeuwse topografische kaarten. Het gaat om ontginningen van grote arealen grasland, zonder bebouwing en met een regelmatig wegengrid, zoals elders in het broek. Slechts twee deelgebieden scharen we onder dit type, en in beide gevallen is de structuur nog slechts gedeeltelijk herkenbaar (figuur 3.19). 3.3.4Randzone van het broek (Br1) Ook de randzone van de heide heeft een nattere evenknie, en wel de randzone van het broek. Net als in de heidevariant lagen hier kleine kampontginningen uit het eind van de Nieuwe tijd en het begin van de Nieuwste tijd (1700-1850) in een geleidelijk in ontginning genomen broekgebied. Door die voortgaande ontginning kreeg de regelmatige structuur van het nieuwe wegen- en waterlopengrid de overhand. Die ontginning was al vóór 1850 ten dele in gang gezet. Net als de ontginningen in de randzone van de heide is de historische sfeer van landschappen van dit type in belangrijke mate bewaard gebleven. De robuuste structuur van de 19e- en 20e-eeuwse ontginningen is daar hier natuurlijk ook weer mede credit aan (figuur 3.20). Plaatselijk vinden we echter ook hier nog relicten die naar de kleine ingekapselde kampontginningen verwijzen. Ten zuiden van het Kerkwijker Bos in Ruurlo vinden we een betrekkelijk goed voorbeeld. 3.3.5Kleinschalige broekontginning (Br2) Een deel van de broekontginningen werd al vóór 1850 uitgevoerd of in gang gezet. Wellicht heeft dat te maken met de markedelingen die overwegend in de daarvoor liggende twee decennia plaatsvonden. Wat overweegt in de kleinschalige broekontginningen is het onregelmatig tot redelijk regelmatig verkavelde land, in gebruik als grasland en van perceelsrandbeplanting voorzien. Soms lagen deze gebieden in gebieden die geomorfologisch als een beekoverstromingsvlakte te kenmerken zijn. Dat illustreert het betrekkelijk natte karakter van de gebieden. Bebouwing ontbrak er merendeels, en is pas later tot stand gekomen in de gebieden waar we dit nu wel vinden. Feitelijk gaat het vooral om één groot gebied, namelijk het Gelselaarse Broek ten westen van Gelselaar tegen de gemeentegrens met Lochem (figuur 3.21). Alhoewel de perceelsrandbeplanting daar merendeels verdwenen is, is de kleinschalige structuur er nog goed herkenbaar. Daardoor heeft het uiteindelijk een relatief hoge waardering gekregen. Van de andere gebieden van dit type, die doorgaans heel gering van omvang waren, lichten we er alleen het Spilbroek bij Neede nog uit. Het broekgebied daar, tegen de bebouwde kom liggend en voor een deel overbouwd, is gedeeltelijk nog herkenbaar gebleven. 3.3.6Onregelmatige broekontginning (Br3) Slechts één onregelmatige broekontginning die al vóór 1850 in ontwikkeling was gekomen, hebben we hier onderscheiden. Het betreft een gebied ten westen van Gelselaar, liggend tegen het Gelselaarse Broek dat we hiervoor behandelden. Dit deel van het gebied had een veel onregelmatiger karakter dan de rest, wat we ook nu nog in de verkaveling herkennen (figuur 3.22). Voor het overige is de karakteristiek van het gebied identiek. Door de verminderde onregelmatigheid en dus geringere gaafheid scoort het in waarde minder dan het aangrenzende gebied. 3.3.7Verspreide maatontginning (Br4) Onder de sterk verkeuterde vochtige kampontginningen met een lage dichtheid (Kn5) bespraken we al het voorkomen van vrijliggende hooilandmaten te midden van heide- of broekgebied. In de gemeente Berkelland is één deelgebied aan te wijzen waar we in de historische situatie van de 19e eeuw uitsluitend hooilandmaten terugzien, en waar bouwlandkampen ontbraken. Dit gebied bevond zich ten westen van Hupsel, en interessant is dat we hier nog steeds een systeem van aarden wallen vinden die in de literatuur met vloeiweidesystemen in verband worden gebracht. Of de maten als zodanig gefunctioneerd hebben, is vrijwel niet te staven. Mogelijk zijn de aarden wallen het gevolg, net als in andere heide- en broekontginningen, van de nieuwe ontginningen die hier vanaf de 19e eeuw plaatsvonden. Dat is immers ook wat we

n als we kijken naar de gaafheid van het gebied. Van de onregelmatige structuur van de oude maten

n we nog slechts hier en daar iets terug in de verkaveling. Het is met name de rationele structuur uit de periode van de heide- en broekontginningen die bewaard is gebleven. In het deelgebied bij Beltrum heeft natuurontwikkeling plaatsgevonden (figuur 3.23). 3.3.8Buitenplaats of ontworpen bedrijfseenheid (Bl1) Een bijzondere structuur die we er als landschapstype hebben willen uitlichten, houdt het midden tussen een broekontginning en een buitenplaats (figuur 3.24a/b). Omdat de agrarische functie in het verleden echter lijkt te overwegen, hebben we dit erf onder de broekontginningen geschaard. Het gaat om het geheel waar de boerderijen Haverkamp en Bensing deel van uitmaakten. Deze boerderijen lagen aan beide einden van een laan, met een halfrond erf voor de boerderij van Bensing. Vanuit beide erven liepen naar buiten ook weer lanen. Rondom de op zich onregelmatig gevormde kampen van beide erven lag een rechthoekig wegengrid, waarbinnen rabatbossen gelegen lijken te hebben. Er is duidelijk sprake van een zorgvuldig ontworpen eenheid, die tot kort voor de Tweede Wereldoorlog in haar toestand uit de ontginningsperiode – omstreeks 1800 – bewaard bleef. In de jaren 30 van de 20e eeuw werden de rabatbossen gekapt, maar de lanenstructuur en de houtsingel langs het wegengrid bleven herkenbaar. Na de Tweede Wereldoorlog verdween geleidelijk het merendeel van het hout, waardoor slechts hier en daar nog wat herkenbaar is van de oude grandeur. 3.4Oude bossen 3.4.1Oud bos met landgoedkenmerken (Ol1) Een deel van het aanwezige oud bos hebben we gerangschikt onder andere landschappen, zoals dat van de bosrijke oude en vochtige kampontginningen. Daarmee hebben we echter niet al het oude bos gehad. Er zijn bossen van meer dan 160 jaar oud die als zelfstandig landschapstype aan te duiden zijn. Een bijzondere plek daarin is ingeruimd voor de bossen die bijzondere landgoedkenmerken hebben. Het gaat dan bijvoorbeeld om oud loofhout, vaak voorzien van enkele of dubbele laanstructuren. In de gemeente Berkelland hebben we twee bossen op een dergelijke manier gekarakteriseerd, te weten het oude landgoedbos ten westen van Huis Ruurlo en het Kerkloo ten oosten van Eibergen. De basis voor het landgoedbos bij Ruurlo werd gelegd toen de heer van Ruurlo in 1737 de Groote Allee als zichtas vanuit zijn huis liet aanleggen. Dat was de huidige Vordenseweg. Daaromheen liet Van Heeckeren in de vroege 19e eeuw naaldbos aanplanten, terwijl zijn voorganger een eeuw eerder al strijd met de heer van de Wiersse over de aanplant van heesters had.30Keunen, manuscript De Vordenseweg werd bij de verbetering van de weg tussen Zutphen en Winterswijk in 1827-1829 de nieuwe doorgaande weg.31Keunen, manuscript Ten zuiden van de Groote Allee lag een tweede laan (figuur 3.25). Over het Kerkloo is minder bekend (figuur 3.26). Het bos kwam met de Villa Smits en de bijbehorende tuin aan de gemeenschap van Eibergen toe na de dood van voormalig burgemeester G.H. Smits.32http://www.gemeenteberkelland.nl/Inwoners/Nieuwsberichten/Nieuws/2016/Januari/Informatiebord_Kerkloo_bos; http://www.historischekringeibergen.nl/wp-content/uploads/2013/02/museumnieuwsON73.pdf Over de voorgeschiedenis is ons niet veel bekend, maar wel weten we dat het oostelijke deel ervan in 1832 voor het kadaster als dennenbos werd gekwalificeerd en deels in handen van Derk van Eps Reerink (ca 1783-1869), ontvanger, en deels van Pieter Reinhard Johan Wild baron van Heeckeren († 1835), burgemeester van Eibergen was. Het westelijke deel was in bezit van vrederechter Gerrit Smits (1780-1854), en werd ook als dennenbos aangeduid. Hieruit blijkt dat het uiteindelijke bos dat na de dood van Smits toekwam aan de gemeente Eibergen, een samenvoeging was van meerdere bospercelen die aan de elite van Eibergen toebehoorden. Door de bijzondere zorg voor dergelijke bossen door de landgoedeigenaren en later de nieuwe eigenaren zijn deze landgoedbossen doorgaans goed bewaard gebleven en behoren ze tot de gaafste overblijfselen van het historisch cultuurlandschap van enkele eeuwen geleden. 3.4.2Oud bos (Ol2) Naast de bovengenoemde bossen met bijzondere landgoedkenmerken kunnen we ook oude bossen zonder dergelijke bijzondere karakteristieken benoemen. Het aantal bossen in de vroege 19e eeuw was in Oost-Nederland vrij gering, waardoor deze bossen bijzondere aandacht verdienen. Het enige bos dat we als zelfstandig landschapstype kunnen aanduiden en uit deze periode dateert, is het Honesbos. Het Honesbos maakte al vóór 1915 deel uit van landgoed Het Lankheet, net over de grens in Haaksbergen. Een typerend kenmerk van Het Lankheet is de afwezigheid van parkachtige kenmerken in de landgoedbossen.33http://www.historischekringhaaksbergen.nl/oudewebsite/aold%20hbg/Themanummers/Monumentendag%202013.pdf Hieruit kunnen we afleiden dat ook bossen zonder specifieke landgoedkenmerken tot een landgoed konden behoren. Het Honesbos kwam pas grotendeels na de markendeling tot stand. In 1832 behoorden de heidevelden nog toe aan ‘de Kerk van Mallem’34Er bestond niet zoiets als een Mallemse kerk. Daarmee moet de marke bedoeld zijn. (en deels ‘de Markt van Mallem’), terwijl we op de Topografisch-Militaire Kaart van enkele jaren daarna bospercelen en een erf ingetekend

n. Het bos moet derhalve grotendeels in het tweede kwart van de 19e eeuw zijn aangeplant, vermoedelijk op initiatief van de familie Van Mulert, die onder meer Het Lankheet en de Hof te Mallem bezat en in die laatste hoedanigheid gerechtigd was om een deel van de verdeelde markegronden bij zijn bezig te voegen. In 1895 verkocht de familie hun bezit aan de familie Van Heek, die Het Lankheet nog beheert (figuur 3.27). Het bos is nog altijd aanwezig en later zelfs uitgebreid. In het bos bevinden zich bijzondere relicten, zoals de overblijfselen van een schuilhut uit de Tweede Wereldoorlog. 3.4.3Meenebos (Om1) Een zeer bijzonder oud boscomplex is de Meene in Ruurlo, bestaande uit twee boscomplexen, gescheiden door weiden: de Kleine Meene en de Grote Meene. De naam wijst er op dat het eertijds gemeenschappelijk gebruikt moet zijn, maar in historische bronnen vinden we uitsluitend verwijzingen naar de heer van Ruurlo als eigenaar, al vanaf de vroege 18e eeuw. Het westelijke deel bestond al in de vroege 19e eeuw uit dennenbos, met slechts hier en daar een perceel akkermaalshout (hakhoutbos). Het oostelijke bos bestond in 1832 geheel uit opgaande (loof)bomen. Het onderscheid tussen dennenbos in het westen en loofbos in het oosten

n we eveneens terug op de landgoedkaart van Ruurlo uit 1808.35Gelders Archief, archief Huis Ruurlo, inventarisnummer 908, d.d. 1808 De kronkelende wandelpaden in beide bossen wijzen doorgaans op een aanleg in een landgoedcontext, wat hier gezien de eigendomssituatie ook goed voorstelbaar is (figuur 3.28). Jacobus Craandijk beschreef in 1876 op zijn tocht door de Achterhoek ook de (oostelijke Groote) Meene. De tekst is zo beeldend dat we deze hier in zijn totaliteit opnemen: “Wat aan Ruurlo een bijzondere aantrekkelijkheid geeft, is het oude, wilde bosch, dat, onder den bescheiden naam van de grooteMeene op eene oppervlakte van ca. 9 bunders een' schat van natuurschoon te genieten geeft. 't Is wel geen ‘maagdelijk woud’ in den vollen zin van het woord, zooals tot voor korten tijd nog bij Beekbergen werd aangetroffen, maar 't is toch een bosch vol woeste, onbesnoeide schoonheid. Schaarsch wordt hier de bijl des houthakkers gehoord, zelden komt spade en schoffel onder deze digte gewelven. Zooals zij groeijen willen, groeijen de boomen; zooals zij vallen, blijven zij liggen. De doode stammen, de dorre takken schemeren spookachtig tusschen bemoste tronken en digtebladerkroonen door. Rijkbegroeid is de grond van het bosch; uit de dikke laag der afgevallen bladeren schieten grasgewassen, varens, heesters, hulstbosschen in wilde mengeling op. Veelkleurig mos breidt als een mollig tapijt zich uit langs de kanten der wegen en bedekt de knoestige wortels der boomen. Klimop en kamperfoelie klimt langs de stammen omhoog en hangt in weelderige festoenen langs de slanke zuilen van dezen woudtempel neêr. Bundels van zes, zeven, acht stammen rijzen uit éénen wortel op. Eik en beuk groeijen als uit éénen tronk. Hoog in de lucht mengt zich het lichte, teedere groen van het beukenblad met het donker eikenloof en het zwart groen van de sparren, - lager, tusschen het glinsterend hulstbosch, de graauwe schors van den eik met het fijne grijs van den beukebast en de roode schubben der mastboomen. Over den bruinen grond, met het glanzend mos en de wuivende varenpluimen, spelen de schaduwen van het loofdak en de schitterende stralen van het licht, dat de zon door de openingen van het reusachtig gewelf naar beneden giet. Hier heerscht een aangrijpende stilte; hier overweldigt u een magtige indruk; hier wordt het oog niet verzadigd van de grootschheid, die alom treft en boeit. Maar wenscht gij, aan ruimer horizon gewoon, ook vrijer uitzigt te genieten, welnu,

t dan eens hier, aan den zoom van het woud, waar de dikke beukenstammen over de begroeide greppels hangen, waar, meer dan elders nog, de takken op grillige wijs in en door elkander zijn gegroeid. Daar ligt de vlakte: bouw en weiland, met het golvend koren, met de witte boekweit, met het welig groen, scherp afstekend bij den donkeren wal van de boomen op den straatweg en van de bosschen, die zich daarbij aansluiten. In de verte rijst de toren van het kasteel, en wat naderbij ligt de groote boerderij, met haar' eigen toren, - haar' volgeladen hooiberg - en het grazend vee op de weide. Aan de grooteMeene sluit zich de wat jonger en minder woeste kleine Meene, en daaraan weêr het nog meer geregeld aangelegde Ravenbosch. De wandeling daar doorheen zou ons bij de groote laan op den Vordenschen straatweg brengen. Bij ruimte van tijd is ook de omzwerving door deze bosschen wel aan te bevelen.”36Craandijk, 1876: 151-152 In 1888 kwam hij er terug, en trof het nu anders aan: “Bij vernieuwing treft ons het heerlijke bosch, door zijn woeste partijen, door de grillige vormen der stammen en takken van zijn digt opeengedrongen hout, door het forsche struikgewas, dat in weelderigen overvloed den bodem alom overdekt. Het komt ons echter voor, dat het iets van zijn wilde, romantische schoonheid verloren heeft. De breede paden zijn meer onderhouden, het doode hout schijnt meer te worden weggenomen. Het is wat opgeknapt, en in zoover is de indruk niet zoo sterk en zoo diep meer als voorheen. Toch blijft het een heerlijk bosch.”37Craandijk, 1888: 289 Nog in 1902 schreef men in Elsevier: “De straatweg naar Vorden strekt zich hier voor ons uit, als een hoog-gewelfde laan, breed en aan weerszijden door bosch geflankeerd, rechts de Groote Meene, links de jongere dennenaanplantingen. Ver weg breiden de breede stammen zich uit, hun loover in perspectief versmallend over de onafzienbare allee. En zandlaantjes aan beide zijden, gestoffeerd met heidestruiken, hulst en juniperus, verbonden als met los rafelige kant de bosschen aan den zwaren, rechten zoom van opgaand geboomte. Ik zou niet weten, waarom de Middachter Allee iets boven deze zou voor hebben. En de Groote Meene was wel niet meer het bosch, zooals de oude Heuvink dat wellicht het laatst had gezien. De omgestormde boomstammen waar dwars over heen kamperfoelie of klimop een groene wade slingerden, konden we nergens bespeuren, en de paden zagen er allemaal netjes onderhouden uit. Maar de door ons allen nauwelijks te omvamen beuken, waaruit vier vijf reuzenstammen omhoog rezen, de eerst langs den grond kruipende en dan in bochten zich oprichtende armen, deden een stillen eerbied in ons oprijzen. De jongens zelfs zaten op een bij den grond afgezaagden tronk, groot genoeg om voor het blad van een groote koepeltafel te dienen, en staarden kalm voor zich in den doffen nevel, waarin het gladde groen van woest door elkaar kroelende hulsten en klimop, rankende kamperfoelie en grillige juniperis als zwarte schimmen oprezen. Wij rustten op een boomstam, die op schraagpootjes neer lag, en voelden de stilte van die hooge verwulven neerdalen, evenals het getingel van de klare meezen-schelletjes, dat tot een damp uitmiezerde van de fijnste geluidjes, die spikkelden door het heilige zwijgen om ons. En aan den zoom van het bosch de teergroene weiden, vol jonge sprietjes satijnig-geel als lenteknoppen, waarover het zware vee de koppen begeerig neer-rekte, het sappige kruid afscherend met zacht, wellustig snuiven. Verderop de kreupelhout-singels om de bouwakkers, opsparend de zonnestralen óm het gele koren en de wit-bloeiende boekweit.”38http://www.elseviermaandschrift.nl/EGM/1902/07/19020701/EGM-19020701-0170/EGM-19020701-0170.pdf Van deze Meene is nu niet veel meer over. In de loop van de 20e eeuw is de Groote Meene in naaldbos omgezet. Plaatselijk

t men nog wel de enorme stoven van het lang geleden gekapte hoogopgaande hout. Van het bos zijn ook de nodige ansichtkaarten uitgebracht, waar men de oude sfeer nog kan herkennen. 3.5Landgoederen en buitenplaatsen 3.5.1Inleiding Het landelijk wonen vanaf de 17e eeuw is nauw verbonden met de verdedigbare locaties van de eeuwen daarvoor. Veel middeleeuwse kastelen kregen in de Nieuwe tijd een nieuw bestaan als buitenplaats. Het militair belang van kastelen nam door de ontwikkeling van de techniek af, terwijl tegelijkertijd de elite op zoek ging naar locaties in het groen waar men de zomer en perioden met feestdagen kon doorbrengen. Karakteristiek zijn dan ook de tuinen die vanaf de 17e eeuw overal in Nederland bij bestaande kastelen en nieuwe buitenhuizen werden aangelegd. Bij een deel van de oudere huizen gebeurde dat niet door beperkt gebruik of gebrek aan financiën, en in veel gevallen vervielen en verdwenen zij later.39Renes, 1988: 156; Jas e.a., 2013 Er zijn nu en in het verleden veel meer landgoederen en buitenplaatsen geweest dan we hier nu kunnen beschrijven. We hebben bij het opstellen van de typologie echter als criterium gesteld dat het landgoed of de buitenplaats een duidelijke landschappelijke voetafdruk moet hebben gehad, bijvoorbeeld in de vorm van een tuin of een park(bos). Wanneer we dat als criterium nemen, is het aantal landgoederen en buitenplaatsen veel geringer geweest. Gekarteerd hebben we bovendien steeds de buitenplaatskern van een landgoed: huis, tuin en park(bos). Het agrarisch cultuurlandschap is hier niet onder begrepen. Daarom spreken we in de namen van de typen ook steeds over buitenplaatsen, niet over landgoederen. 3.5.2Oude buitenplaats in het kampenlandschap (Lo1) De meest herkenbare landgoederen en buitenplaatsen bevinden zich in het kampenlandschap. In de gemeente Berkelland gaat het dan om het (voormalig) landgoed rondom Huis Ruurlo en om de Rijkenbarg. Daarnaast zijn ook Mensink in Geesteren en ’t Wolink in Haarlo onder dit type te scharen. Ruurlo lichten we er als voormalig grootste landgoed in de Achterhoek even uit (figuur 3.29). De basis voor het landgoed werd al in de 14e eeuw gelegd. In de eeuwen erna werd het bezit van de kasteelheer gestaag uitgebouwd. Over de hele periode is duidelijk dat het landgoed nooit één aaneengesloten geheel vormde. Het was altijd een verzameling verspreide bedrijven en stukken grond. In de late 17e eeuw trad voor het eerst krimp op, door financiële problemen van de eigenaar. Na de verkoop

n we herstel en vanaf 1727 een forse groei. Het huis werd verbouwd en het landgoed aanzienlijk uitgebreid. Over de periode 1728-1762 werden tientallen stukken grond, rechten en bedrijven aangekocht. Samen met de rechten die in de marke verworven werden en die later recht gaven op verwerving van de heidegronden, legde dat de basis voor het grootste landgoed van de Achterhoek in de 19e eeuw.40Keunen, manuscript Daarvan vormden huis, tuin en park – in al hun opeenvolgende stijlen – het centrale punt. Alhoewel het landgoed als eenheid niet meer bestaat, is veel daarvan nog herkenbaar gebleven – niet in de laatste plaats het centrale hart, dat nu als museum is ingericht. Naar een deel van het historische landgoed Ruurlo zijn nog onlangs twee studies verricht.41Anonymus, 2010 Hieruit, evenals uit het eerder genoemde manuscript van Keunen, blijkt de variatie aan manieren waarmee de landeigenaar inkomsten uit zijn bezittingen trachtte te verwerven. Het gaat bijvoorbeeld om de verpachting van boerderijen, bosbouw en de exploitatie van een watermolen. Relevant zijn ook de verschillende tuinstijlen die de buitenplaatsen kenmerkten, van een Franse tuinaanleg in de 18e eeuw tot een landschapsstijl vanaf 1801. Deze vroege landschapsstijl werd later omgevormd naar een opener en grootschaliger landschapsstijl.42Anonymus, 2010 Overigens breidde ook De Wiersse zich tot op Berkellands grondgebied uit, maar het betreft hier niet de kern, maar de verdere omgeving. Het lijkt er wel op dat er op Berkellands grondgebied nog lanen van De Wiersse liggen.43Keunen, manuscript De Wiersser Allee zal er hier wel één van zijn. Rijkenbarg kwam in de late 17e of vroege 18e eeuw in handen van een Zutphense patriciërfamilie. In de 18e eeuw kreeg het geleidelijk de allure van een buitenplaats. Later werd het in de bezittingen van de heer van Ruurlo geïntegreerd.44Keunen, manuscript 3.5.3Oude buitenplaats in het beekdallandschap (Lo2) Enkele, veelal kleinere, oude buitenplaatsen lagen in één van de beekdalen in de gemeente. De meest prominente was het kasteel van Borculo (figuur 3.30), waar nog in de 19e eeuw een grote parkaanleg omheen lag. Deze bevond hoofdzakelijk uit lanen, waterpartijen en daartussen gelegen weiden en strekte zich in zuidoostelijke richting uit. Het gemeentehuis van Berkelland en de achterliggende woonwijk bevinden zich ook in dit gebied. Hetzelfde geldt voor de nabijgelegen sportvelden. Alleen het kleine gedeelte buiten de rondweg en de omgeving van de villa is nog onbebouwd gebleven. De tweede buitenplaats van dit type is de Hoeve ten zuiden van het kasteel van Borculo. Rond het omgrachte huis lag een lanenstelsel. Daarbuiten, op de vroegere heide, werd een parkbos met padenstelsel en stervormige waterpartij ter verfraaiing aangelegd. Dit classicistische parkbos uit de 18e eeuw staat, naar de waterpartij, nog wel als de Waterster bekend. Het is als gemeentelijk monument beschermd. 3.5.4Jonge buitenplaats in het beekdallandschap (Lj1) Ook na 1850 ontstonden in of tegen beekdalen nog buitenplaatsen. De buitenplaats die we als afzonderlijk landschapstype hebben aangeduid, is Beekvliet (figuur 3.31). Dit landgoed werd in de 19e eeuw aangelegd en zorgde er onder meer voor dat het landgoedgedeelte rondom de buitenplaats – het agrarisch cultuurlandschap – veel gaver bewaard bleef dan elders in vergelijkbare landschappen. 3.5.5Jonge buitenplaats in de heide- en broekontginningen (Lj2) Vanaf de 19e eeuw werden de heidevelden in ontginning gebracht (

§ 3.6).

Ook daarbinnen kwamen buitenplaatsen tot stand. In het zuidoosten van de gemeente Berkelland vinden we daarvan één voorbeeld. Het betreft het Huuskesbos, waarvan het groen reeds van vóór de Tweede Wereldoorlog dateert (figuur 3.32). 3.6Jonge heide- en broekontginningen 3.6.1Inleiding Er is een relatief harde scheiding aangebracht tussen de oude ontginningen van vóór 1850 en de jonge ontginningen van daarna. Vanuit meerdere perspectieven zijn grenzen te trekken omstreeks deze periode. Het gaat daarbij zowel om onregelmatig versus regelmatig, maar ook om kleinschalig versus grootschalig. Het jaar is daarbij (mede) een instrument om het onderscheid te maken. 3.6.2Jonge grootschalige broekontginning (Hr1) In het zuidelijk deel van de voormalige gemeente Ruurlo bevinden zich grootschalige broekontginningen die daar in de eerste helft van de 19e eeuw zijn gestart (figuur 3.33). Het Ruurlose Broek, vanouds het Synwede genoemd, hoorde vanouds niet tot een marke, maar viel toe aan de landsheer.45Keunen, manuscript Net als bijvoorbeeld het Nederrijkswoud bij Groesbeek en de Moft bij Wageningen was het Ruurlose Broek een zogenaamd domeinbos. Na de hervorming van de Gelderse overheid na de overgang naar Karel V in 1543 viel het Broek onder beheer van de Gelderse Rekenkamer. Houtvesters hielden namens de Rekenkamer een oogje in het zeil. De inwoners van Ruurlo hadden er specifieke gebruiksrechten. Zij mochten er in 1524 plaggen en heide maaien alsmede hout uit het hele

uwent halen.46Gelders Archief, archief Marken en maalschappen, doosnr. 119, dossiernr. 2 Daarnaast hadden andere inwoners van de heerlijkheid Borculo er gebruiksrechten tegen betaling van een tyns en enkele particulieren hadden er een stuk grond in erfpacht.47Gelders Archief, archief Gelderse Rekenkamer, inventarisnummer 1152 De erfgenamen van Ruurlo zorgden er regelmatig voor dat ongenode gasten uit omringende dorpen uit het Broek verwijderd werden.48Keunen, manuscript Herhaaldelijk waren er bovendien kwesties over de grenzen tussen het Ruurlose Broek en de marke van Ruurlo.49Gelders Archief, archief Gelderse Rekenkamer, inventarisnummer 1151, d.d. 1718-1719 Over het uiterlijk van dit broekgebied vóór de ontginning zijn we geïnformeerd door een groot aantal archiefstukken. In de natte delen stond vermoedelijk elzenbroekbos, op de hogere zandkoppen stonden onder meer appelbomen, hulst en jeneverbes. Het bos moet al in de 15e eeuw relatief open geweest zijn, want uit die periode dateren vermeldingen van wilde paarden. Verder naar het zuiden lag hoogveen. In 1601 werd het water al ontwaterd door de gegraven bovenloop van de Baakse beek.50Keunen, manuscript Na de integratie van Gelderland in het Koninkrijk der Nederland was het Broek in handen van de Domeinen. Die verdeelden het in de vroege 19e eeuw, waarna het kon worden ingericht. Kenmerkend voor het gebied zijn lange wegen op een smal zandbed, die hier dijken worden genoemd. De dijken werden door dwarswegen met elkaar verbonden. Langs de wegen werden bomen aangeplant en op de perceelsranden verrees aanvankelijk ook nog opgaand hout. De daadwerkelijke ontginning zou tot in de 20e eeuw duren. Gaandeweg nam ook het aantal boerderijen in het gebied toe, tot in een dichtheid zoals we die nu nog kennen. Gebruik als grasland had de nadruk, onder meer vanwege de natte condities. De landschappelijke hoofdstructuur is in belangrijke mate nog intact. Weliswaar is een belangrijk deel van de kavelbeplanting verdwenen, maar toch zijn daar hier en daar nog wel relicten van te vinden. 3.6.3Jonge kleinschalige broekontginning (Hr2) Op een paar locaties mogen we vanwege de natte condities ook over een broekontginning spreken, maar is zowel de omvang van het gebied zo gering als de structuur zo betrekkelijk onregelmatig, dat we dit onder een afzonderlijke landschappelijke eenheid hebben willen voegen. Dergelijke kleine broekontginningen, veelal wel met enkele hoofdwegen en een onderverdeling van de tussenliggende terreinen in blokvormige percelen, vinden we bij Beltrum, Hoonte en op het Haarlose Veld. Gemene deler is dat er meestal nog het nodige opgaand groen te vinden is (figuur 3.34), en dat ook de onregelmatige structuur nog wel te herkennen is. Met name in de ontginning op het Haarlose Veld is secundair bebouwing toegevoegd, maar het niet- of betrekkelijk gering-planmatige karakter is nog overal herkenbaar. 3.6.4Jonge heidebebossing (Hb1) Op de drogere heidevelden was het aanplanten van naaldbos na de verdeling van de marken een lucratieve bezigheid. Dat gold niet alleen vanwege de hoge houtprijzen, maar ook vanwege de invloed die de aanwezigheid van bos op de bruikbaarheid van de bodem kon hebben. Het aantal locaties in de gemeente Berkelland dat zich leende voor de aanplant van naaldbos – grote arealen betrekkelijk droog heideveld – was echter vrij beperkt. Om die reden vinden we dergelijke bossen alleen te Mallem (de uitbreiding van het Honesbos), Neede (de aanplant op de Needse Berg) en te Ruurlo nabij de Forme. Het gaat om planmatig aangelegde naaldbossen die in dit geval de tand des tijds doorstaan hebben. Ook werden al vanaf het begin van deze bosbouwperiode eikenstekken aangeplant, bedoeld voor opgaand hout en als hakhout.51Anonymus, 2010 Wel wordt in de laatste 40 jaar onder invloed van meerdere factoren het naaldbos geleidelijk naar loofbos omgevormd, waardoor het landschapsbeeld uit de eeuw ervoor aanzienlijk veranderd is (figuur 3.35). Bij Neede is het aangrenzende oude akkerland bovendien vergraven voor de kleiwinning, en nadien tot bos omgevormd. 3.6.5Jonge heidebebossing met landgoedkenmerken (Hb2) Niet alleen voor particulieren was het interessant om bos aan te planten, maar ook landgoedeigenaren hadden een rol hierin. Sterker nog: landgoedeigenaren namen vaak het voortouw in de ontwikkeling van de bosbouw, zoals de eigenaar van Het Entel in de late 18e eeuw52Schaars, 1974 en Winand Staring, wonend op Klein Dochteren, in de 19e eeuw.53https://nl.wikipedia.org/wiki/Winand_Staring_(geoloog) In Ruurlo is kenmerkend dat de heer van Ruurlo voorafgaand aan de verdeling van de marke veel deed om zoveel mogelijk waardelen in de marke te verwerven, zodat hij nadien over een zo groot mogelijk areaal heide kon beschikken. Op een deel ervan plantte hij bos aan. Het landgoedkarakter is duidelijk te herkennen aan de lanenster die in de vroege 19e eeuw werd aangelegd met de oude molenbelt als middelpunt (figuur 3.36). De weg richting Doetinchem en later ook de spoorlijn doorsneden zijn lanenster. Het gedeelte dat het dichtst bij zijn buitenplaats lag kreeg de meest parkbosachtige structuur, met loofbosaanplant. Verder van het huis had het bos meer het karakter van een productiebos met naaldhout. Het landgoedkarakter is sindsdien, uitgezonderd de samenstelling van de bosvakken, goeddeels bewaard gebleven. De Zelhemseweg vormt evenwel een nog belangrijker barrière dan deze al was. 3.6.6Jonge heideontginning met perceelsrandbeplanting (Ha1) Met name tegen de zuidoostelijke en noordelijke gemeentegrenzen, de uiterste einden van de vroegere dorpsgebieden, lagen de heidevelden die na de verdeling van de marke tot landbouwgrond ontgonnen werden. Kenmerkend is vooral de rationele structuur, met nauwelijks oudere ontginningen daarin opgenomen. Die lagen immers dichter bij de nederzettingen, vooraan op de heide. Heidevelden met dergelijke oude kampjes hebben we onder ‘randzone van de heide’ (

§ 3.2.12) opgenomen.

Weliswaar hebben we in de naam van dit type ‘met perceelsrandbeplanting’ opgenomen, maar de dichtheid daarvan was sterk wisselend. Op weinig plekken was er echt een dicht net aan houtsingels ontstaan. Binnen de ontginning ontstond na de markeverdeling geleidelijk een nieuw patroon aan erven, die op de oude gemeenschappen gericht blijven. Nergens was sprake van de ontwikkeling van nieuwe dorpen. Daarvoor waren zelfs gebieden als het Noordijkerveld of het Eibergse veld (figuur 3.37) te klein. Kenmerkend voor dit landschapstype is de rationele structuur. Dat maakt ook dat het gebied relatief robuust gebleven is voor moderne ontwikkelingen. Met uitzondering van een beperkte opschaling en intensivering van het agrarisch landgebruik is het karakter van het gebied in een aantal gevallen goeddeels hetzelfde gebleven. Dat geldt bijvoorbeeld voor gebied tussen Berkel en Honesbos en het Noordijkerveld. In andere gevallen is de structuur veel meer aangetast, zoals het Beltrumse veld. 3.6.7Jonge heideontginning met mozaïekkarakter (Ha2) Tussen oudere ontginningen ontstonden vaak overhoekjes: kleine heideveldjes die na de verdeling van de marken ingevuld werden, meestal met een relatief onregelmatige structuur. Soms kwamen oude kampjes voor, en vaak werden bij de ontginning kleine bosjes aangelegd. De situering als overhoekje geeft ook het verschil aan met de randzones van de heide (

§ 3

.2.10): er was niet zozeer sprake van de ligging op een gradiënt van oud cultuurland naar heide, maar van een ontgonnen heiderelict tussen andere ontginningen. Landschappen van dit type, zoals het begrip ‘overhoekje’ al doet vermoeden vaak relatief kleine gebieden, liggen verspreid over de hele gemeente. Meestal is de hoofdstructuur nog wel te herkennen, maar zijn de details verdwenen. Het merendeel scoort dan ook in de middenmoot als het op gaafheid en waarde aankomt (figuur 3.38). 3.7Niet-ontgonnen terreinen 3.7.1Heide met opgaand bos (Nh1) Na de markedelingen werd vrijwel alle grond in cultuur gebracht, ook al kon dat soms nog vele decennia duren. Eén gebied bleef daarvan gevrijwaard: het Needse Achterveld (figuur 3.39). Hier zijn de enige nog min of meer substantiële (natte) heideterreinen binnen de gemeente Berkelland te vinden, omringd door grotendeels spontaan opgekomen bos. Het gebied wordt gekenmerkt door een bijzondere vegetatie van vochtminnende heidesoorten. Op de hogere delen staat jeneverbes. Zowel vegetatiekundig als historisch-landschappelijk gaat het om een gebied dat uniek is voor de gemeente Berkelland, en zelfs voor de verdere Achterhoek. 3.8Sterk veranderde landschappen 3.8.1Zandwinningsplas (Zz1) Op diverse locaties in de gemeente Berkelland zijn in de afgelopen decennia zandwinningsplassen gegraven. In tegenstelling tot bebouwde gebieden, waar soms op enige manier nog historische landschappelijke karakteristieken te herkennen zijn, is het historisch landschap ter plaatse van die zandwinningsplassen uiteraard volledig verdwenen. Daarom hebben we besloten hier een afzonderlijk landschapstype van te maken. Het gaat om het complex van de Hambroekplas en om De Fontein, waarbij zich nu een recreatiepark bevindt. Het Hambroek is aangelegd door Zand en Grint Exploitatiemaatschappij Het Hambroek B.V. De eerste, noordwestelijke plas van 6 hectare, daterend uit de jaren 70 van de 20e eeuw, is inmiddels omgevormd tot recreatieplas (figuur 3.40). Ook een tweede, zuidwestelijke plas van ongeveer 11 hectare, aangelegd vanaf 1983, is inmiddels gesloten en tot natuurgebied bestemd. In deze tweede plas lagen de restanten van de havezate Fokkink. De derde plas beslaat bij benadering 10 tot 15 hectare.54http://natuurtijdschriften.nl/download?type=document&docid=523540;

ook het geldend bestemmingsplan. De plas De Fontein is als zandwinning gegraven in de jaren 70 van de 20e eeuw. In 1983 werd een camping geopend en in 1995 werd een strand bij het water aangelegd.55http://www.zwemwater.nl/zwr/api/files/6111578 3.9Nederzettingen 3.9.1Inleiding In deze categorie hebben we de verschillende typen historische kernen getypeerd. Daarbij zijn we uitgegaan van de situatie in de eerste helft van de 20e eeuw, zodat een zuivere typebepaling op basis van een vaste ijkperiode mogelijk was. Daarbij moeten we opmerken dat we de lat niet te laag hebben gelegd. Een kerk met enkele huizen was voor ons voldoende om als afzonderlijk gebied of ‘nederzetting’ te onderscheiden. Mede daarom is bijvoorbeeld Beltrum niet in dit overzicht terug te vinden. Daar trad daadwerkelijke kernvorming pas relatief laat op; het was tot ver in de 20e eeuw vooral een kerk met enkele huizen en voorzieningen, midden op het platteland. 3.9.2Borgmansstad (Ss1) De historische stadskern van Borculo hebben we als borgmansstad getypeerd. Kenmerkend voor dit type is het ontstaan van een stedelijke nederzetting bij een middeleeuws kasteel, veelal rond de kapel die buiten het kasteel in de nederzetting van borgmannen werd gesticht. Tot op zekere hoogte zijn Bredevoort en Bronkhorst vergelijkbare nederzettingen, namelijk ook stedelijke nederzettingen zonder nadrukkelijke handelsfunctie die rond een bescheiden kasteelkapel en in de schaduw van het kasteel zelf werden gesticht. Het verdwijnen van het kasteel zelf, respectievelijk in 1646, in de vroege 19e eeuw en omstreeks 1760, hebben Bredevoort, Bronkhorst en Borculo ook gemeen. De kapellen zijn in alle gevallen echter wél bewaard gebleven. In Borculo zijn ook de wallen en grachten nog duidelijk herkenbaar aanwezig (figuur 3.41). 3.9.3Voorstad (Ss2) Karakteristiek voor veel steden zijn de reeds vroege uitbreidingen als gevolg van ruimtegebrek binnen de bestaande wallen. Ook in Borculo vinden we een dergelijke uitbreiding, namelijk aan de zuidwestzijde. In het geval van Borculo wordt deze als ‘voorstad’ aangeduid, hetgeen tot uiting komt in de straatnaam. De oudste vermelding (… vurstedeken …) daarvan vinden we terug in een tekst over de stadsbrand uit 1590.56Van der Veen, 2012 Ook op een kaart van Nicolaes van Geelkercken uit 1627

n we de Voorstad afgebeeld. Nog in 1832 werd de voorstad volledig door een eigen gracht omgeven. De Voorstad draagt ook nu nog een historisch karakter, hetgeen een hoge waarde rechtvaardigt (figuur 3.42). 3.9.4Lintbebouwing langs stedelijke uitvalsweg (Ss3) Langs de belangrijkste uitvalswegen van Borculo, zowel in noordelijke als zuidelijke richting, ontstonden bebouwingslinten (figuur 3.43). Met name de zuidelijke uitvalsweg kende al vóór 1832 een uitgesproken lintbebouwing. Dat verbaast ook niet als we ons realiseren dat de entree via de Voorstad de belangrijkste invalsweg van het stadje geweest zal zijn. Na opening van de provinciale weg vanuit Epse richting Groenlo, die via Borculo liep en aan de noordzijde stad binnenkwam, zal de noordelijke invalsweg tot lint zijn geworden. De opening van de spoorweg en het station zullen dit nog eens versterkt hebben. Aan de zijde waar de doorgaande weg de stad uitkwam, aan de zuidoostzijde, bleef de lintvorming vanwege de aanwezigheid van het kasteelterrein beperkt. Het noordelijke lint (de Spoorstraat) is aanzienlijk aangepakt in de afgelopen halve eeuw, het zuidelijke (de Steenstraat) heeft nog duidelijk zijn historisch karakter. 3.9.5Esdorp (Sd1) Geesteren, Gelselaar (figuur 3.44) en de Ruwenhof bij Neede (figuren 3.45 en 3.46) kunnen aangemerkt worden als een uitgesproken esdorp. Belangrijke karakteristieken zijn en waren een zeer onregelmatige, soms spinnenwebachtige structuur aan wegen met uitlopers richting akkers en heidevelden, een diffuse spreiding van huizen over dit web, een wisselende – vaak schuine – oriëntatie van de bebouwing ten opzichte van de weg en de situering van gemeenschappelijk gebruikte terreinen of brinken in het dorp. Opvallend is dat de meeste brinken in Geesteren en Gelselaar al vóór 1832 grotendeels geprivatiseerd lijken te zijn en nu alleen door wat uitgebreider onderzoek gereconstrueerd zullen kunnen worden. Daarom zijn ze niet op de huidige kaart opgenomen. Meer nog dan in Borculo en de grotere dorpen was de bevolking van het dorp tot ver in de 20e eeuw in de agrarische sector werkzaam en stonden er daarnaast huisjes van ambachtslieden, winkeliertjes en keuterboeren. De arbeidersklasse was er waarschijnlijk beperkter vertegenwoordigd, zeker in vergelijking met een textieldorp als Neede. Veel esdorpen hebben in de basis een middeleeuwse ouderdom, met een uitgesproken verkeutering (verarming en tegelijk toename van het aantal erven) in de 16e en 17e eeuw. In de Ruwenhof komt dat laatste sterk tot uitdrukking. 3.9.6Straatdorp (Sd2) Neede (Oudestraat) en Eibergen zijn als middeleeuwse straatdorpen te karakteriseren. Waarschijnlijk al vóór het eerste kwart van de 16e eeuw moet hier een bebouwingslint zijn geweest, waar ambachtslieden en winkeliers hun brood verdienden. Uit Neede weten we dat dit lint zich gevormd had op het land van de Hof te Neede, in een periode dat de economie sterk veranderde en er concentraties van dienstverlenende personen rond kerken ontstonden. Interessant is dat oorspronkelijk niet het dorp de naam Neede droeg, maar dat sprake was van het ‘dorp te Neede’, dat wil zeggen het dorp in het grotere gebied dat als Neede bekend stond.57Keunen, 2006 Eibergen ontwikkelde zich zelfs in bescheiden mate tot stad en kende poorten en een gracht.58Te Vaarwerk, 2001 In de afgelopen decennia is onder druk van de maatschappelijke verandering het karakter van beide oude straatdorpen ingrijpend gewijzigd. Toch vinden we hier nog overblijfselen van het oude karakter, onder meer door panden met de deeldeuren naar de straat gekeerd. In Neede is Oudestraat 91 nog een sterk verbouwd, maar aansprekend voorbeeld van de vele boerderijen met houten topgevels die vroeger het straatbeeld sierden (figuur 3.47). Overigens was er ook binnen zo’n straatdorp sprake van afwijkende details. In Neede stonden in 1646 zo’n 12 spijkers op het kerkhof rond de kerk, waar deze dienden als woningen voor arme lieden.59Keunen, manuscript 3.9.7Straatdorp, secundaire uitbreiding (Sd3) Zowel uit Neede als Eibergen kennen we voorbeelden van secundaire uitbreidingen van de oude straatdorpen. Zo werd de Nieuwstraat of Nije Straete in Neede in de 17e eeuw aangelegd als uitbreiding van het oude dorp.60Keunen, manuscript Meer nog dan in de sterk aan commerciële druk onderhevige Oudestraat is hier de vooroorlogse sfeer herkenbaar gebleven. In Eibergen gaat het om de uitbreiding naar het zuidoosten, de met de Needse situatie vergelijkbare Nieuwstraat (nu: J.W. Hagemanstraat; figuur 3.48), en die in westelijke richting, naar het station toe. Deze laatste uitbreiding is aanzienlijk jonger dan die van Neede en dateert uit de 19e eeuw. In die zin is deze secundaire uitbreiding beter te vergelijken met de uitvalsweg in Borculo richting het station. 3.9.8Straatdorp, enigszins diffuus (Sd4) Evenals in Neede en Eibergen ontwikkelde de dorpskern van Ruurlo zich langs de tegenwoordige Dorpsstraat. Anders is echter dat het hier niet gaat om een duidelijk planmatige inrichting op uitgezette percelen langs de straat, maar om een onregelmatige ontwikkeling op percelen langs de straat (figuur 3.49). Het dorp was bovendien veel kleiner in de Nieuwe tijd; het dorp Ruurlo kende in 1832 slechts 27 woningen, tegen 116 in Neede. Veel meer dan de andere dorpen had Ruurlo een agrarisch karakter.61Keunen, manuscript Door ontwikkelingen in de 19e en 20e eeuw is het straat- en verkavelingsbeeld echter sterk naar dat van Neede en Eibergen toegegroeid en oogt Ruurlo nu ook als een straatdorp. De oorsprong is, vermoedelijk door de veel mindere druk op de grond, echter heel anders. 3.10Waardering 3.10.1Landschaps- en nederzettingswaardering Landschap Het landschap van de gemeente Berkelland vertoont een bijzonder palet aan waarderingsscores, zoals we in de voorgaande paragrafen al per landschapstype kort uiteen hebben gezet. We behandelen hier het beeld zoals dat uit kaartbijlage 2 spreekt nog eens per waarderingsklasse. De hoogste score (‘zeer hoog’) is toegekend aan een aantal oude en jonge bossen (Ruurlo, Mallem), aan de oude buitenplaatsen van Ruurlo en Rijkenbarg, aan de gave ontginning van het Noordijkerveld, de heideontginningen aan weerszijden van het Berkeldal bij Rekken, het Needse Achterveld en aan een aantal kleinere gebieden. Hier is de landschappelijke structuur nog zo gaaf dat sprake is van zeer waardevolle kwaliteiten. Een groot aantal gebieden in de gemeente valt binnen de categorie ‘hoge waarde’. Daarbij gaat het onder meer om een aantal jonge ontginningen (Ruurlo, Eibergen) en de overgangen daar naar toe (randzones). Karakteristiek zijn ook het open akkerland van de Needse Berg en een aantal vochtige kampontginningen. De middelmatige categorie beslaat veel gebieden waar de hoofdstructuur nog herkenbaar is, maar die door tal van ontwikkelingen zijn uitgekleed of waarvan de karakteristiek sterk verwaterd is. Verspreid zijn hier nog wel de nodige waardevolle structuren aan te treffen, maar opgeteld is het te weinig om het historisch karakter echt te herkennen. Onder meer beekdalen en de nodige kampontginningen vallen hieronder. In gebieden met een lage waarde is de landschappelijke structuur vrijwel volledig over de kop gegaan en herinnert weinig meer aan de oorspronkelijke karakteristiek. De huidige structuur is vaak geen gevolg van het geleidelijk vervallen van de oude, maar van grootschalig en planmatig ingrijpen. Stukken beekdal van de Berkel en de omgeving van Beltrum zijn hiervan duidelijke voorbeelden. Niet landschappelijk gewaardeerd zijn gebieden waar het historisch cultuurlandschappelijk overbouwd is of waar zandwinningsplassen zijn aangelegd. Met name de uitbreidingen van de historische kernen vallen hieronder. Nederzettingen Ook de historische kernen zijn gewaardeerd. Kernen waar de historische structuur nog goed herkenbaar was, vallen onder ‘hoge waarde’. Daartoe rekenen we vrijwel alle kernen. Een enkele nederzetting is vanwege de ingreep in de historische bouwsubstantie en -volume een klasse lager, onder middelmatig, geplaatst. Dat geldt voor de noordelijke uitvalsweg van Borculo en de Ruwenhof bij Neede. 3.10.2Waardevolle ensembles Op basis van de criteria/richtsnoeren zoals we die onder § 2.3.3 hebben geformuleerd, hebben we 13 ensembles gedefinieerd. Deze zullen we hieronder kort bespreken. Ze zijn op volgorde van voormalige gemeente (Ruurlo, Borculo, Eibergen, Neede) geplaatst en daarbinnen op willekeurige volgorde. Deze ensembles fungeren niet als aanvulling op de waardevolle landschappen, maar hebben een eigen betekenis: het zijn historisch waardevolle combinaties van historische kernen en hun aangrenzende buitengebied óf bijzondere combinaties van waarden van een zekere omvang in het buitengebied. We willen hierbij nog benadrukken dat deze lijst uitsluitend ensembles bevat die in de huidige toestand een hoge waarde vertegenwoordigen. Hierbij laten we bovendien ensembles binnen de grenzen van historische kernen, zoals de stad Borculo, buiten beschouwing. Die scoort namelijk als nederzetting op zich al hoog, en daarvoor is in de ensembledefiniëring geen dubbeling opgenomen. Voor Borculo specifiek geldt bovendien dat het, wanneer we buiten de grenzen van het nederzettingstype zelf kijken, een ensemble is waar nog juist enige verbetering wenselijk is – met name in de ruimtelijke relatie met het kasteelterrein ‘t Hof. Meer daarover is opgenomen onder de wenken (§ 8.6.18). 1 – Ruurlo De bijzondere omstandigheid bestaat in Ruurlo dat dorpskern en landgoed rond Huis Ruurlo hier min of meer nog gaaf in elkaar overgaan. Dat geldt in zekere zin voor de oude dorpskern, maar in veel sterkere mate voor het katholieke cluster aan de oostzijde van de Schansenkamp. Daardoor kan men zich, ondanks de aanwezigheid van de spoorlijn, nog in min of meer landelijke context van dorp naar kasteel begeven. Het waardevolle aan het landgoed Huis Ruurlo, dat overigens groter was dan de contour van het ensemble doet vermoeden, is het bijzondere samenspel van een aantal onderdelen. Dat is in de eerste plaats het huis met tuin, park en Molenbos, met daarbij de twee lanen richting Vorden en het oude bos daaromheen. Ten zuiden van het kasteel ligt de Bruijl, waar de nodige oude pachthoeven van het kasteel liggen, en westelijk daarvan ligt het jonge kasteelbos uit de 19e eeuw met de padenster. Samen met de overgang naar het dorp hebben we hier een voor Berkelland unieke combinatie van een aaneengesloten kern en landgoed te pakken. 2 – Gelselaar Gelselaar is, samen met Geesteren (

onder punt 3), één van de nog gave esdorpen in de gemeente Berkelland. De concentratie aan historische bebouwing en de overgang naar de herkenbare es heeft er in het verleden onder meer voor gezorgd dat Gelselaar tot rijksbeschermd dorpsgezicht is aangewezen. Ten opzichte van het beschermd gezicht hebben we gave landschappen aan de west- en oostzijde aan het ensemble toegevoegd. Aan de oostzijde sluit het ensemble overigens direct aan op het ensemble ‘Needse Berg’ (

onder punt 13). 3 – Geesteren Geesteren is evenals Gelselaar een relatief gaaf esdorp, zij het dat Geesteren zich iets sterker heeft uitgebreid dan Gelselaar. Desalniettemin is ook hier nog altijd sprake van een gave overgang van dorp naar es. Aan de zuidzijde is een harde overgang door het daar gebouwde viaduct. De overgang naar het landschap aan de westzijde is gradueel, en daar kan de ensemblegrens dus ook als zachte overgang/geen harde grens worden beschouwd. 4 – Nederbiel Een bijzonder en wellicht ook wat onbekender fraai gebied is dat van Nederbiel, ten zuidoosten van Geesteren en noordoosten van Borculo. Wat dit gebied zo fraai maakt is dat hier sprake is van een, ook voor de leek, beleefbare gradiënt van es via agrarische bebouwing langs de Needse Tolweg naar het beekdal, ondanks dat dit beekdal op zichzelf niet zo waardevol wordt geacht. Als meerwaarde hebben we in dit gebied ook nog te maken met een oude beekarm, die door twee steilranden aan weerszijden nog heel duidelijk gemarkeerd wordt. Dit gebied ontleent zijn ensemblewaarde echter vooral aan de beleefbare gradiënt. 5 – Lebbenbrugge & Beekvliet Ten westen van Borculo bevinden zich twee ensembles die weliswaar in historisch opzicht weinig met elkaar te maken hebben, maar door hun ligging met elkaar verbonden zijn: de tolhuis-herberg Lebbenbrugge met zijn context en de jonge buitenplaats Beekvliet. Bij de Lebbenbrugge hoort de naastgelegen weg, bij Beekvliet het fraaie, tot het landgoed behorende landschap dat zich tot aan de Lebbenbrugge uitstrekt. Het Galgenveld met zijn oude openluchtbad valt eveneens binnen dit ensemble als een voorbeeld van vroege ontspanning voor de inwoners van Borculo. 6 – Eibergen Door de aanleg van een park in een oude Berkelmeander heeft de familie Smits er uiteindelijk voor gezorgd dat het stadje Eibergen nog een min of meer beleefbare relatie met de oude waterloop behouden heeft. Het ensemble omvat naast het oude deel van het dorp ook het park en het naastgelegen openluchttheater, dat kort na de Tweede Wereldoorlog werd geopend. 7 – Mallem Evenals Gelselaar is ook Mallem een rijksbeschermd dorpsgezicht. Die bescherming heeft echter uitsluitend betrekking op de omgeving van de molen, terwijl naar ons gevoel de directe omgeving, waaronder de oude Joodse begraafplaats, de gehele oude Berkelloop met aangrenzende landerijen en het relatief recent ontworpen doolhof, tot het waardevolle ensemble zou moeten behoren. Ook de relatief gave buurtschap Loo is in dit ensemble opgenomen. Hier staan meerdere historische boerderijen in een goed bewaard gebleven stedenbouwkundige setting bij elkaar. 8 – ’t Kip Als wellicht wel de meest onbekende kern in de gemeente Berkelland verdient ook ’t Kip onze belangstelling. Het kleine lint, waarbij geen uitbreidingswijken aanwezig zijn en alle huizen van het dorp nog aan het landelijk gebied grenzen, kent ook een fraai rooms-katholiek kerkelijk ensemble. 9 – Rekken De uitbreiding van Rekken heeft na de Tweede Wereldoorlog voornamelijk aan de noordzijde plaatsgevonden, waardoor kerk en kerkhof nog steeds een directe ruimtelijke verbinding met het dal van de Berkel hebben. Door het perceel beekdalgrasland dat binnen het ensemble ligt, liep tot in de jaren 70 van de 20e eeuw de Berkel zelf nog. 10 – Rekkense Inrichtingen Vaak onderbelicht maar toch heel wezenlijk voor de landschappelijke ontwikkeling van de omgeving van Rekken zijn de Rekkense Inrichtingen. Deze inrichtingen, met uitzondering van de afzijdig gelegen inrichting Oldenkotte, hebben we als ensemble benoemd. Daaronder valt ook het natuurbad. Het gebied kenmerkt zich door een afwisseling van wat oudere en nieuwe bebouwing in een zeer fraaie groene omgeving binnen een jonge heideontginning. 11 – Oldenkott & 12 – Zwillbrock Deze twee ensembles hebben zoveel overeenkomsten dat we ze samennemen. Ze zijn in die zin ook afwijkend van de rest dat ze grensoverschrijdend zijn en een belangrijk deel van hun waarde ontlenen aan zaken die aan de Duitse zijde liggen. Het gaat namelijk om de oude grensovergangen met grenskapellen aan de Duitse zijde, waarbij vooral de grensmarkering, het landelijk karakter en de verzorgende functies rond de grens (cafés, grenskantoor, kerk) een grote rol spelen. 13 – Needse Berg Verreweg het grootste ensemble in de gemeente Berkelland is dat van de

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.