Beleidsregels KeurvergunningenInhoud Inhoud 3 A Begripsbepalingen bij beleidsregels 5 B Maatschappelijk belang als afwegingsfactor voor Keurvergunningen 7 C Afwegingskader groot openbaar belang bij waterkeringen 9 D Kosten bij vergunningen en meldingen 11 1 Beleidsregels voor Werken op of bij waterkeringen 13 2 Beleidsregels Aanleggen en aanpassen van waterkerende werken en inlaten in waterkeringen 20 3 Beleidsregels wegen en verkeersvoorzieningen op waterkeringen 25 4 Beleidsregels aanbrengen, hebben of verwijderen van beschoeiingen en damwanden bij waterkeringen 32 5 Beleidsregels Uitvoeren van bodemonderzoek in en nabij waterkeringen 39 6 Beleidsregels Graven of grond verstoren in of nabij waterkeringen 43 7 Beleidsregels Plaatsen, hebben of vervangen van drukvaten, explosiegevaarlijke stoffen, en installaties in, op of nabij waterkerende dijklichamen 46 8 Beleidsregels Leggen van kabels en leidingen in of nabij waterstaatswerken 50 9 Beleidsregels aanbrengen, hebben of verwijderen van bodemenergiesystemen bij waterkeringen 58 10 Beleidsregels voor Werken in en nabij wateren en vervangen (woon)schepen in hoogwaterbemalingsgebied 60 11 Beleidsregels Dempen van wateren 67 12 Beleidsregels Wijzigen en aanleg van wateren 73 13 Beleidsregels Aanleggen van verhard oppervlak 78 14 Beleidsregels Grondwateronttrekkingen en verlagen grondwaterstand 82 15 Beleidsregels Wijzigen van het waterpeil 96 16 Beleidsregel Aan- en afvoeren, lozen en onttrekken van water 101 A Begripsbepalingen bij beleidsregels Bij de beleidsregels wordt verstaan onder: Keurprofiel: het gedefinieerde minimaal vereiste theoretische profiel van een waterkering dat nodig is voor de noodzakelijke bescherming tegen water van buiten (zie onderstaande figuur). Profiel van vrije ruimte: de (in de ondergrond) rond het keurprofiel gereserveerde (naar verwachting benodigde) ruimte voor in de toekomst benodigde versterking en ophoging (zie onderstaande figuur). Als het Keurprofiel niet in de legger is weergegeven (dan leggerprofiel genoemd) dan geldt onderstaande. Het keurprofiel en profiel van vrije ruimte hebben: a. een kruinbreedte van 3 meter; b. een hellinghoek van het talud van 1 : 3 in een ondergrond met overwegend klei; c. een hellinghoek van het talud van 1 : 4 in een ondergrond met overwegend zand; d. een hellinghoek van het talud van 1 : 6 in een ondergrond met overwegend veen. Figuur 1 Schematische weergave zones bij een waterkerend dijklichaam Figuur 2 Schematische weergave zones bij een verholen kering Figuur 3 Schematische weergave zones bij een half verholen waterkering B Maatschappelijk belang als afwegingsfactor voor Keurvergunningen Inleiding De ruimte in Nederland is schaars. Mensen willen de beschikbare ruimte zo optimaal mogelijk benutten, bijvoorbeeld door de ruimte voor meerdere doelen tegelijk te gebruiken. Dat geldt ook voor het watersysteem en voor waterkeringen. De druk is groot om het watersysteem en de keringen voor méér te gebruiken dan alleen voor bescherming tegen wateroverlast en het creëren van een ecologisch gezond watersysteem. Een veilig en gezond watersysteem is van enorm belang voor Nederland, en het waterschap heeft de hoofdtaak om hier voor te zorgen. AGV heeft de ge- en verbodsartikelen in de Keur opgesteld om te zorgen dat de veiligheid en gezondheid van het watersysteem niet in gevaar komen. De beleidsregels zijn een hulpmiddel om te bepalen welke andere activiteiten wél kunnen in en rond het watersysteem, en onder welke voorwaarden. Een aantal beleidsregels bevat de voorwaarde dat ‘de aanvrager moet aantonen dat de activiteit een maatschappelijk belang dient’, vaak in combinatie met ‘dat er geen acceptabele alternatieven zijn’. Die combinatie van voorwaarden spreekt eigenlijk voor zich: als er acceptabele alternatieven zijn, is het niet nodig om de gevraagde activiteit per se op die manier en op die plek te laten plaatsvinden. Maar ook als er geen alternatieven zijn moet er een belang zijn dat opweegt tegen de hogere maatschappelijke kosten van onderhoud van de waterkeringen die het gevolg zijn van de activiteit. De voorwaarde over het ontbreken van acceptabele alternatieven vloeit voort uit het beleid van het waterschap om het maatschappelijke belang van een activiteit, waar mogelijk, mee te wegen bij de beslissing om al dan niet een vergunning te verlenen. Dit kan echter alleen als het beschermingsniveau niet in het geding is: veiligheid gaat altijd voor. Wat is maatschappelijk belang? Maatschappelijk belang is geen objectief begrip. Het is lastig in harde criteria te vangen. Toch zijn er wel algemene kenmerken die bruikbaar zijn om te bepalen of er sprake is van maatschappelijk belang. Een activiteit heeft maatschappelijk belang als deze voldoet aan de volgende kenmerken: • Het niet of elders uitvoeren van de activiteit leidt tot aanzienlijk hogere maatschappelijke kosten; en • De activiteit vloeit voort uit een initiatief van de overheid, of uit een particulier initiatief dat volledige steun van de betrokken overheden heeft; en • De activiteit is voor meer dan 1 of enkele particulieren van belang (bovenlokaal); en/of • De activiteit is onvermijdelijk (bijvoorbeeld als een leidingbeheerder een leveringsplicht heeft voor een bepaald voorzieningengebied). Deze kenmerken sluiten aan bij richtlijn die het Dagelijks Bestuur van AGV in januari 2010 had vastgesteld: Specificatie afwegingskader voor nieuwe activiteiten in, op en rond waterkeringen – richtlijn voor meewegen “zwaarwegend maatschappelijk belang”. Door het meewegen van maatschappelijk belang nu op te nemen in de beleidsregels is het onderdeel van het beleid geworden, en niet langer een afwijking van vastgesteld beleid. Hoe werkt de afweging? Afwegen is het gewicht bepalen van twee belangen ten opzichte van elkaar: wat weegt het zwaarst? Aan de ene kant is dat het belang van het watersysteem of de waterkering en aan de andere kant het maatschappelijk belang van de activiteit. Het belang van het watersysteem of de waterkering bestaat uit twee onderdelen, die een verschillend gewicht hebben: 1. Het functioneren van het systeem of de kering, gericht op een veilig en gezond watersysteem; 2. De mogelijkheid het systeem of de kering te onderhouden. Het goed blijven functioneren van het systeem of de kering is een harde randvoorwaarde. Dit weegt altijd zwaarder dan maatschappelijk belang. Een verslechtering van het functioneren van het watersysteem of van de veiligheid is niet acceptabel. De ‘ruimte’ zit in het tweede punt, de mogelijkheid om het systeem of de kering te onderhouden. AGV heeft de verantwoordelijkheid om te zorgen dat het watersysteem en de keringen ook in de toekomst voldoen aan de eisen voor een veilig en gezond watersysteem en moet daarom beheer en onderhoud kunnen plegen. Een activiteit kan een hinderlijk effect hebben voor het uitvoeren van beheer en onderhoud. Dat kan betekenen dat het onderhoud op een andere manier moet, die misschien duurder is of meer tijd kost. AGV/Waternet en de initiatiefnemer kunnen dan afspraken maken over financiële compensatie, en de activiteit kan eventueel toch een vergunning krijgen. C Afwegingskader groot openbaar belang bij waterkeringen De ruimte in Nederland is schaars. Mensen willen de beschikbare ruimte zo optimaal mogelijk benutten, bijvoorbeeld door de ruimte voor meerdere doelen tegelijk te gebruiken. Dat geldt ook voor waterkeringen. De druk is groot om de keringen voor méér te gebruiken dan alleen voor bescherming tegen overstroming. Veilige keringen zijn van groot belang voor Nederland, en het waterschap heeft als hoofdtaak om hier voor te zorgen. AGV heeft ge- en verbodsartikelen en de zorgplicht in de Keur opgesteld om te zorgen dat de veiligheid tegen overstroming niet in gevaar komt. De beleidsregels zijn een hulpmiddel om te bepalen voor welke activiteiten in en rond waterkeringen een vergunning kan worden verleend, en onder welke voorwaarden. Bij de afweging wordt gebruik gemaakt van de oogmerken van waterkeringzorg in artikel 4.2 van de Keur:
(1)het waarborgen van de goede staat en werking van de waterkering (aspect veiligheid);
(2)het waarborgen van de mogelijkheid van doelmatige inspectie van de goede staat en goede werking van de waterkering (aspect van doelmatige inspectie);
(3)het in stand houden van het waterkerend vermogen van de waterkering tegen maatschappelijk aanvaardbare lasten (aspect van maatschappelijke lasten). De regulering van activiteiten in en nabij waterkeringen is gericht op de oogmerken genoemd in artikel 4.2. De doelstellingen vormen, tezamen met de specifieke zorgplicht voor waterkeringen, het algemene kader voor het stellen van regels aan die activiteiten in vrijstellingen, passende maatregelen, maatwerkvoorschriften en watervergunningen. De onderhavige beleidsregels bevatten de uitwerking van het algemene kader voor de beoordeling van aanvragen van een watervergunning. Het waarborgen van de goede staat en werking van de waterkering is een harde voorwaarde. Het waterschap is immers verantwoordelijk voor het handhaven van het in de legger weergegeven profiel van de waterkering en het beheer van de waterkering overeenkomstig de daarvoor opgestelde leidraden voor toetsen van waterkeringen en de leidraden voor het ontwerp van waterkeringen. Dit weegt altijd zwaarder dan het belang van de activiteit die wordt aangevraagd. Een verslechtering in het functioneren van de waterkering is niet acceptabel. Om de veiligheid van de waterkering te garanderen is de mogelijkheid van doelmatige inspectie een harde randvoorwaarde. AGV heeft de verantwoordelijkheid om te zorgen dat de keringen ook in de toekomst voldoen aan de eisen van veiligheid en moet daarom beheer en onderhoud kunnen plegen. Een activiteit kan het uitvoeren van beheer en onderhoud belemmeren. Dat kan betekenen dat het onderhoud op een andere manier dan gebruikelijk moet worden uitgevoerd, die misschien duurder is of meer tijd kost. Het is in het belang van het waterschap en zijn ingelanden dat de lasten van waterkeringzorg maatschappelijk aanvaardbaar blijven, nu en in de toekomst. Afwenteling van lasten naar de toekomst is onwenselijk. Activiteiten die leiden tot een substantiële verzwaring van de maatschappelijke lasten worden dan ook niet toegestaan. Hierop kan onder voorwaarden een uitzondering worden gemaakt in het geval van een activiteit van groot openbaar belang. Van ‘groot openbaar belang’ is sprake wanneer het medegebruik een algemeen en publiek belang dient. Veelal zal dat het geval zijn bij publieke werken in opdracht van overheden, openbare instanties of privaatrechtelijke organisaties die een publiek belang behartigen. Voorbeelden zijn de aanleg van wegen, tunnels en aquaducten. Er bestaat in beginsel geen aanleiding om medegebruik van zuiver particulier belang toe te staan. Bewoners van het beheergebied van AGV dienen immers de hogere lasten blijvend op te brengen, zonder dat de voordelen van het verlangde medegebruik ten goede komen aan deze bewoners. De criteria van groot openbaar belang zijn:
- a)Er zijn geen acceptabele alternatieven om de activiteit elders uit te voeren of de activiteit is onvermijdelijk op basis van geldende wet- en regelgeving (bijvoorbeeld als een leidingbeheerder een leveringsplicht heeft voor een bepaald voorzieningengebied); en
- b)Het niet of elders uitvoeren van de activiteit leidt tot aanzienlijk hogere maatschappelijke kosten; en
- c)De activiteit behartigt een openbaar belang; over het algemeen is sprake van een initiatief van een overheid, een openbare instantie of een particuliere organisatie die een openbaar belang behartigt; en
- d)De activiteit leidt voor het waterschap niet tot maatschappelijk onaanvaardbare lasten bij het inspecteren, onderhouden of verbeteren van de kering ofwel de lasten worden gedragen door de aanvrager of de toekomstige gerechtigde van het werk. Afspraken over kosten van beheer en onderhoud en toekomstige vervanging die afwijken van de reguliere onderhoudsplicht zoals opgenomen in afdeling 3.1.2 van de Keur worden vastgelegd in een beheerovereenkomst. D Kosten bij vergunningen en meldingen Inleiding Vergunningen en meldingen kunnen op diverse manieren leiden tot kosten. Dit hoofdstuk beschrijft welk type kosten er zijn en voor wiens rekening ze komen. Leges Het beoordelen van vergunningaanvragen en meldingen kost tijd. AGV rekent leges voor vergunningaanvragen om de kosten te dekken. Een melding is gratis. De hoogte van de leges is te vinden in de legesverordening AGV en op de website van AGV. Onderzoekskosten In de beleidsregels staat regelmatig dat de aanvrager van een activiteit moet aantonen dat de activiteit geen schade of gevaar oplevert voor het watersysteem op basis van onderzoek. AGV stelt voorwaarden aan de kwaliteit van het onderzoek en beoordeelt of het voldoende degelijk is uitgevoerd om de aanvraag of melding te kunnen beoordelen. De kosten voor het onderzoek komen voor rekening van de aanvrager zelf. Onderhoudskosten Degene die ‘gerechtigde’ is van een werk dat wordt uitgevoerd met een vergunning of een melding, is verantwoordelijk voor het onderhoud van het werk – zowel tijdens de aanleg als daarna. Ook als op een gegeven moment vervanging nodig is van het werk, moet de gerechtigde hiervoor zorgen. De kosten voor onderhoud en vervanging van een vergund (of gemeld) werk komen dus voor rekening van de gerechtigde. Wie de gerechtigde is staat in hoofdstuk 2 van de Keur. Meestal is het de eigenaar. In bepaalde situaties is het mogelijk dat het waterschap het onderhoud (en vervanging) van hetgeen is vergund of gemeld overneemt. Dit gebeurt door middel van een overdrachtsproces. Een voorbeeld is het graven van een nieuw primair water bij de aanleg van een nieuwe wijk. AGV wil primaire wateren zelf in onderhoud hebben om het functioneren van het watersysteem als geheel goed te kunnen regelen. Bij een dergelijk overdrachtsproces maken AGV en de aanvrager afspraken over de onderhoudskosten. AGV neemt het water pas over wanneer het op orde is en vanaf dat moment neemt AGV ook de onderhoudskosten op zich. Het kan voorkomen dat AGV een vergunning afgeeft voor een activiteit die weliswaar niet leidt tot risico’s voor het watersysteem, maar wel tot extra onderhoudskosten voor het waterschap. Dit kan het geval zijn bij activiteiten met een maatschappelijk belang (zie ook hoofdstuk ‘maatschappelijk belang’). De aanvrager zal deze extra onderhoudskosten moeten vergoeden aan het waterschap. Hierover maken de aanvrager en AGV afspraken. Schade Als er schade ontstaat als gevolg van de uitvoering van de vergunde of gemelde activiteit, dan draagt de vergunninghouder of melder de kosten daarvoor. Nadeelcompensatie Als het waterschap een vergunning afgeeft of een vergunning intrekt, kan diegene die zich benadeeld voelt (op eigen initiatief) mogelijk gebruik maken van de Regeling Nadeelcompensatie van het waterschap. Deze is te vinden op de website van AGV. 1 Beleidsregels voor Werken op of bij waterkeringen 1.1 Inleiding Deze beleidsregels vormen het afwegingskader voor vergunningverlening: in dit geval voor Watervergunningen op het gebied van het aanbrengen, hebben, wijzigen of verwijderen van werken op of bij waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen. Andere beleidsregels die relevant kunnen zijn voor werken op waterkeringen zijn: • Hoofdstuk 3 de beleidsregels voor wegen en verkeersvoorzieningen op waterkeringen; • Hoofdstuk 4 de beleidsregels voor aanleggen, hebben of verwijderen van beschoeiingen en damwanden bij waterkeringen; • Hoofdstuk 6 de beleidsregels voor graven en grond verstoren in of nabij waterkeringen; • Hoofdstuk 7 de beleidsregels plaatsen, hebben of vervangen van drukvaten, explosiegevaarlijk materiaal en vergelijkbare werken in, op of nabij waterkeringen; • Hoofdstuk 13 de beleidsregels voor aanleggen van verhard oppervlak. 1.2 Relevante regelgeving 1.2.1 Verboden in de Keur van AGV Deze beleidsregels zijn van toepassing op vergunningsaanvragen die betrekking hebben op de volgende verboden in de Keur van AGV: Artikel 4.6 : Activiteiten in waterkerende dijklichamen Artikel 4.7 : Activiteiten in half-verholen waterkeringen Artikel 4.8 : Activiteiten in verholen waterkeringen Artikel 4.9 : Activiteiten in beschermende gronden 1.2.2 Keurbesluit Vrijstellingen Voor bepaalde werken geldt een vrijstelling van de vergunningplicht. In het Keurbesluit Vrijstellingen en nadere regels staat wanneer en onder welke voorwaarden dat het geval is voor het aanbrengen, hebben, wijzigen of verwijderen van die werken op of van waterkeringen: Artikel 2.25: (Werken bij) verholen waterkeringen. 1.3 Beleidsregels voor vergunningverlening Beleidsregel 1.1: plaatsen van werken of uitbreiden of verbouwen van bestaande werken in en nabij waterkeringen en beschermende gronden Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor het plaatsen van werken binnen de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en in beschermende gronden:
- a)Indien de werken in de kernzone of in beschermende gronden worden geplaatst, dan gelden de volgende voorwaarden: i. De aanvrager toont desgevraagd aan dat het werk niet buiten de kernzone of beschermende gronden kan worden gerealiseerd; en ii. De aanvrager toont desgevraagd aan dat er geen gevaar bestaat voor omvallen of omwaaien van het werk; en iii. Het werk vormt geen aangrijppunt voor erosie door golfaanval of overloop; en
- b)De werken inclusief de fundering worden buiten het keurprofiel en indien aanwezig buiten het profiel van vrije ruimte geplaatst, met uitzondering van een verholen of een half-verholen waterkering. Wanneer bij waterkerende dijklichamen sprake is van een vergrote kernzone, blijven de werken inclusief fundering in het vlakke achterland achter de teen van de dijk buiten het keurprofiel; en
- c)De werken mogen het beheer, onderhoud en inspectie van de kering niet belemmeren; en
- d)De aanvrager toont desgevraagd aan dat de stabiliteit van de waterkering gewaarborgd blijft; en
- e)Het werk staat niet op de kruin van de waterkering; en
- f)De aanvrager toont desgevraagd aan dat het werk of de uitbreiding daarvan stabiel en standzeker is. De benodigde berekeningen worden uitgevoerd volgens de daarvoor geldende NEN-normen en handreikingen, zoals het Wettelijk Beoordelings Instrumentarium 2017 (I&M, 2017), de Leidraad Toetsen op Veiligheid Regionale Waterkeringen (STOWA, 2015), en de Handreiking Ontwerpen en Verbeteren Boezemkaden (STOWA, 2009); en
- g)De aanvrager toont desgevraagd aan dat het werk of de uitbreiding ervan bestand is tegen periodieke dijkversterkingen.
- h)De werken, die binnen het keurprofiel of indien aanwezig binnen het profiel van vrije ruimte komen te liggen, blijven achterwege tenzij er sprake is van groot openbaar belang, conform hoofdstuk C ‘Afwegingskader groot openbaar belang bij waterkeringen’. Er wordt een beheer- en onderhoudsplan opgesteld door de aanvrager. Beleidsregel 1.2: aanbrengen van funderingspalen Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor het aanbrengen van funderingspalen binnen de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen en van half-verholen waterkeringen en in de kernzone van verholen waterkeringen:
- a)Voor werkzaamheden in de kernzone toont de aanvrager desgevraagd aan dat de werkzaamheden niet buiten de kernzone kunnen plaatsvinden; en
- b)De aanvrager toont desgevraagd aan dat de stabiliteit van het waterkerend dijklichaam, of het buitentalud van een half-verholen kering gegarandeerd blijft tijdens en na uitvoering van de werkzaamheden; en
- c)De aanvrager toont desgevraagd aan dat de activiteit niet zal leiden tot schade aan de waterkering; en
- d)De aanvrager geeft aan op welke wijze de funderingspalen worden aangebracht; en
- e)Er wordt in het talud van waterkeringen geen gebruik gemaakt van houten palen met betonnen opzetters; en
- f)Er wordt geen gebruik gemaakt van palen met vergrote paalvoet; en
- g)Er worden alleen grondverdringende palen toegepast; en
- h)Het aanbrengen van funderingspalen binnen de kruin blijft achterwege tenzij er sprake is van groot openbaar belang conform hoofdstuk C ‘Afwegingskader groot openbaar belang bij waterkeringen’. Beleidsregel 1.3: aanleggen, vervangen en verwijderen van opritten en bruggen Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor het aanleggen, vervangen en verwijderen van opritten, waaronder ook bruggen ten behoeve van toegang naar woningen, panden en percelen bij waterkerende dijklichamen en half-verholen waterkeringen.
- a)De oprit wordt zoveel mogelijk buiten het keurprofiel aangebracht. Wanneer het een brug betreft, blijft deze buiten het keurprofiel; en
- b)De oprit of brug wordt niet groter aangelegd, of niet meer in aantal dan strikt noodzakelijk is voor de toegang tot woning, pand of perceel; en
- c)De aanvrager toont desgevraagd aan door middel van stabiliteitsberekeningen dat de stabiliteit van het waterkerend dijklichaam niet wordt aangetast, zowel tijdens als na uitvoering van de werkzaamheden; en
- d)In het geval van een brug voldoet deze aan de geldende veiligheidsnormen voor de betreffende waterkering en de geldende NEN-normen en handreikingen, zoals thans het Technisch Rapport Waterkerende Grondconstructies (TAW, 2001) en Addendum (TAW/ENW, 2007); en
- e)Voor het aanbrengen van een oprit of brug wordt rekening gehouden met de zorgplicht (artikel 3.6 Keurbesluit Vrijstellingen en nadere regels) voor het gebruik van zwaar materieel. Beleidsregel 1.4: oprichten windturbine Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor het oprichten van een windturbine nabij waterkerende dijklichamen en half-verholen waterkeringen:
- a)De bouwlocatie bevindt zich zo ver uit de teen dat de windturbine (inclusief de wieken) niet geheel of gedeeltelijk op de kering kan vallen; en
- b)De windturbine (inclusief fundering) staat buiten de beschermingszone; en
- c)De aanvrager toont desgevraagd aan dat door de aanleg de stabiliteit van de waterkering niet wordt aangetast. De berekeningen worden uitgevoerd bij verschillende windsnelheden/stormen; en
- d)Bij de berekeningen wordt gebruik gemaakt van de daarvoor geldende NEN-normen en handreikingen, zoals het Wettelijk Beoordelings Instrumentarium 2017 (I&M, 2017), de Leidraad Toetsen op Veiligheid Regionale Waterkeringen (STOWA, 2015), en de Handreiking Ontwerpen en Verbeteren Boezemkaden (STOWA, 2009). Opgenomen zijn berekeningen van het effect van de trillingen. Beleidsregel 1.5: herbouwen windmolen Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor het herbouwen van een windmolen in de beschermingszone van waterkerende dijklichamen:
- a)De vervangende windmolen wordt op de bestaande fundering geplaatst, de fundering wordt niet uitgebreid; en
- b)De aanvrager toont desgevraagd aan dat de vervangende windmolen geen toename van de belasting van de fundering of de waterkering veroorzaakt; en
- c)De aanvrager toont aan dat de fundering stabiel is. Beleidsregel 1.6: verwijderen van werken uit of nabij waterkeringen Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor het verwijderen van werken uit de kernzone en beschermingszones van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en beschermende gronden:
- a)De aanvrager toont desgevraagd aan dat het waterkerend vermogen van de waterkering gewaarborgd blijft. De benodigde (stabiliteits-)berekeningen worden uitgevoerd volgens de daarvoor geldende NEN-normen, veiligheidsnormen en handreikingen; en
- b)De erosiebestendigheid van de waterkering wordt niet aangetast. 1.4 Toelichting Met de keurartikelen en beleidsregels die betrekking hebben op werken in of nabij waterkeringen draagt AGV bij aan de bescherming van het land tegen overstromingen. Werken (zowel groot als klein) kunnen het waterkerend vermogen van een kering in gevaar brengen. Vanwege deze risico’s hanteert AGV voorwaarden voor het verlenen van vergunningen voor werken. Beleidsregel 1.1: plaatsen van werken of uitbreiden of verbouwen van bestaande werken in en nabij waterkeringen en beschermende gronden bevat voorwaarden voor het plaatsen van werken binnen de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en in beschermende gronden. Bij de stabiliteit van waterkeringen spelen diverse mechanismen een rol: • Het eigen gewicht van het werk kan extra zetting van de ondergrond of verzakking tot gevolg hebben. Extra zetting kan leiden tot instabiliteit van de kering. Bij verzakking naast een dijk kan het dijklichaam gaan verschuiven in de richting van het gezakte deel aan de voet, door de zwaartekracht. Verzakking of extra zetting kan ook leiden tot een verkorting van de levensduur van de dijk. Dit betekent dat het waterschap eerder onderhoud moet uitvoeren om de dijk sterk genoeg te houden. Dit is niet wenselijk en leidt tot hogere maatschappelijke kosten. • Als het werk op een fundering op palen staat kan erosie gaan optreden wanneer er ruimte onder de fundering ontstaat, waar water met zand in gaat stromen. • Funderingspalen kunnen waterafsluitende lagen doorboren, met risico op kortsluiting tussen watervoerende lagen. Onder een afsluitende, slecht doorlatende laag kan een waterover- of onderdruk aanwezig zijn. Na perforatie van de afsluitende laag kan het water door de perforatie heen gaan stromen. Op die manier kunnen zandmeevoerende wellen ontstaan die de stabiliteit van de waterkering verminderen. • Werken kunnen een aangrijpingspunt vormen voor erosie, bij bijvoorbeeld golfslag van het water naast de dijk of bij overloop van de dijk. • Verder kan de doorlatendheid van de waterkering toenemen doordat water langs de bebouwing sijpelt; er kunnen erosiegeulen ontstaan die de afdichtende bekleding van de dijk aantasten. • Bebouwing dichtbij de waterkering kan de inspectie en het onderhoud bemoeilijken. Vanwege deze risico’s zijn werken alleen toegestaan in de kernzone of beschermingszones van waterkeringen als er geen acceptabel alternatief is, als de aanvrager kan aantonen dat het werk niet kan omvallen of omwaaien, en als het werk geen aangrijppunt voor erosie kan zijn door golfslag of overloop. De kruin moet sowieso vrij blijven tot een breedte van 3 meter vanaf de referentielijn om de kering bereikbaar te houden voor onderhoudsmaterieel en tijdens calamiteiten. Ook mogen werken inclusief de fundering in principe niet komen te liggen in het profiel van vrije ruimte. Het profiel van vrije ruimte is een reservering om in de toekomst de waterkering te kunnen onderhouden, ook met de verwachte (klimatologische) ontwikkelingen. Het aanbrengen van werken binnen het keurprofiel en/of het profiel van vrije ruimte mag alleen als er sprake is van groot openbaar belang. In deze gevallen wordt de aanvraag direct getoetst aan de doelstellingen van het waterschap, zoals is beschreven in hoofdstuk C ‘Afwegingskader groot openbaar belang bij waterkeringen’. Uiteraard wordt hierbij ook getoetst aan de aspecten veiligheid, inspecteerbaarheid en onderhoudbaarheid tegen maatschappelijke lasten, nu en in de toekomst. Om te zorgen dat het werk ook in de toekomst deugdelijk en stabiel blijft, moet de aanvrager een beheer- en onderhoudsplan opstellen. Beleidsregel 1.2:aanbrengen van funderingspalen bevat voorwaarden voor het aanbrengen van funderingspalen of uitvoeren van andere activiteiten die trillingen voortbrengen binnen de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam en van half-verholen en verholen keringen. Heien veroorzaakt trillingen. Trillingen kunnen leiden tot beweging in de ondergrond. Er kan zetting en verdichting van de grond optreden, waardoor de kering lager wordt. Ook kan trilling tot gevolg hebben dat de draagkracht van bepaalde bodemlagen vermindert, met name vochtige, slappere lagen (‘drijfzandvorming’). Dit alles kan de stabiliteit van de kering in gevaar brengen. Daarnaast is een risico van heien dat doorboring van waterafsluitende lagen kan plaatsvinden. Onder een afsluitende, slecht doorlatende laag kan een waterover- of onderdruk aanwezig zijn. Na perforatie van de afsluitende laag kan het water door de perforatie gaan stromen. Dit kan leiden tot andere waterspanningen in grondlagen, wat nadelig kan zijn voor de stabiliteit van de waterkering. Het ontstaan van een wel is daar een voorbeeld van. Heien mag dan ook alleen binnen de kernzone als de aanvrager kan aantonen dat het niet anders kan en de stabiliteit van de kering gegarandeerd is. Voor de beschermingszone geldt ook dat de stabiliteit van de kering gegarandeerd moet zijn tijdens en na de heiwerkzaamheden. Een andere manier die kan worden toegepast en geen trillingen veroorzaakt, is het gebruik van schroefpalen. In de kruin mogen geen funderingspalen worden aangebracht, tenzij er een groot openbaar belang is. De reden dat heien in de kruin niet wenselijk is, is dat heien gebeurt met als doel een gebouw of constructie stevig te kunnen plaatsen. Dergelijke constructies zijn moeilijk te verwijderen als dat nodig is voor bijvoorbeeld ophogen van een waterkering. In het talud van de waterkering mogen houten palen met betonnen opzetters (een betonnen stuk aan de bovenkant van de heipaal) niet worden gebruikt, omdat deze de horizontale gronddruk, die in een talud aanwezig is, niet aankunnen. De palen kunnen afbreken en het werk kan van de palen af gaan schuiven. Ook palen met vergrote paalvoet mogen niet worden gebruikt, omdat er bij het heien dan een soort schacht ontstaat met ruimte rondom de paal. Zeker als de paal waterdoorlatende lagen doorsnijdt, kan hierin kortsluiting tussen watervoerende lagen optreden. De reden om alleen grondverdringende palen zonder verzwaarde voet toe te staan is ook dat deze als het ware klem in de grond geslagen worden, waarbij geen holle ruimten ontstaan. Grondverdringende palen zijn onder meer betonpalen, stalen buispalen of schroefpalen. Beleidsregel 1.3: aanleggen, vervangen en verwijderen van opritten en bruggen bevat voorwaarden voor het aanleggen, vervangen en verwijderen van opritten en bruggen naar woningen, panden en percelen nabij waterkerende dijklichamen en half-verholen keringen. Opritten en bruggen bij waterkerende dijklichamen kunnen een probleem zijn voor de veiligheid van de waterkering. Uitgangspunt is daarom dat er vergunning wordt verleend voor één oprit of brug per woning, bedrijf of stuk landbouwgrond. De opritten en bruggen verstoren het dijkprofiel en de kleikap die aanwezig is op de dijk. Daarnaast bestaan veel opritten voor een deel uit puin. Zolang dit puin niet in het keurprofiel van de dijk komt, levert dit geen risico op voor de veiligheid. Wel kan het zo zijn dat grondwater langs het puin de oprit uitstroomt. Dit wordt vaak gezien als een mankement aan de dijk, in plaats van een gevolg van een toerit opgebouwd uit het verkeerde materiaal. Daarom worden er in de vergunning aanvullende eisen gesteld aan de oprit, zoals de methode van aanbrengen. De oprit moet vanaf de polderzijde worden opgebouwd in lagen om de stabiliteit van de dijk te ondersteunen. Bij kritische dijken kan het nodig zijn om de waterspanning in de dijk te monitoren om te voorkomen dat de wateroverspanning de stabiliteit van de dijk vermindert. Waar nodig wordt aangetoond met waterspanningsmeters dat de wateroverspanning niet te hoog oploopt. Onderhoudswerkzaamheden die het gevolg zijn van een lekkage in de oprit, zijn voor rekening van de aanvrager of eigenaar. Tevens is de aanvrager of eigenaar verantwoordelijk voor het aanpassen van de oprit wanneer de dijk wordt opgehoogd. Bruggen zijn relatief grote werken die een belemmering kunnen vormen voor het beheer en onderhoud aan de waterkering. Daarom moeten deze buiten het keurprofiel worden aangelegd, wanneer dit niet anders kan, mag deze in het profiel van vrije ruimte worden aangebracht. De brug moet uiteraard voldoen aan de eisen uit de van toepassing zijnde leidraden voor veilige aanleg van bruggen en veilige waterkeringen. Beleidsregel 1.4: oprichten windturbine bevat voorwaarden voor het oprichten van een windturbine nabij waterkeringen. Een windturbine wordt gebruikt om windenergie om te zetten in elektriciteit. Voor windturbines gelden specifieke voorwaarden, omdat er grote krachten in het spel zijn die invloed kunnen hebben op de waterkering. Het gaat niet alleen om het gewicht van de windturbine zelf, maar ook om krachten die op de turbine, en via de turbine op de waterkering werken door het opvangen van de wind. De windturbine moet zo geplaatst worden dat hij bij omvallen niet op de kering kan vallen, dit geldt ook voor de wieken. Verder kunnen de trillingen tijdens storm en blikseminslag, maar ook de trillingen als gevolg van de voortdurende windbelasting leiden tot beschadiging van de dijkbekleding of tot afschuiven van het talud van de kering. Dit kan ertoe leiden dat de stabiliteit en daarmee de veiligheid van de waterkering afneemt. Daarom is het binnen de kern- en beschermingszone van de kering niet toegestaan een windturbine te plaatsen. Daarnaast moet de aanvrager desgevraagd aantonen dat de stabiliteit van de dijk niet in gevaar komt, ook bij extreme wind, en rekening houdend met trillingen. De windturbine (inclusief de fundering) moet buiten de beschermingszone blijven. Beleidsregel 1.5: herbouwen windmolen bevat voorwaarden voor het herbouwen van een windmolen in de beschermingszone van waterkerende dijklichamen. Onder een windmolen wordt een klassieke molen verstaan zoals een poldermolen of korenmolen. De essentie van deze beleidsregel is dat de situatie niet verslechtert ten opzichte van de situatie vóór de vervanging van de windmolen. Daarbij wordt getoetst aan de oogmerken voor waterkeringbeheer uit artikel 4.2 van de Keur. Van belang is dat de verstoring van de waterkering zo beperkt mogelijk blijven. Dit gebeurt door de oude fundering te gebruiken. Daarnaast moet worden aangetoond dat de belasting op de dijk niet toeneemt door de vervangende molen. 2 Beleidsregels Aanleggen en aanpassen van waterkerende werken en inlaten in waterkeringen 2.1 Inleiding Deze beleidsregels vormen het afwegingskader voor vergunningverlening: in dit geval voor Watervergunningen op het gebied van aanleggen en aanpassen van waterkerende werken en inlaten bij waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen. Waterkerende werken en inlaten zijn constructies die deel uitmaken van de waterkering en waarin al dan niet beweegbare onderdelen (afsluitmiddelen) zijn opgenomen. Ze bevinden zich bijvoorbeeld op de kruising van een waterkering met een water-, verkeers- of spoorweg, tram- of metrolijn. Bij waterkerende kunstwerken is er onderscheid in kunstwerken die: • Gewoonlijk gesloten zijn en uitsluitend open gaan als er iemand of iets doorheen moet. Voorbeelden: schutsluis, uitwateringssluis, inlaatsluis, gemaal. • Gewoonlijk geopend zijn en alleen dicht gaan als dit voor bescherming tegen overstroming bij hoge (buiten)waterstanden noodzakelijk is. Voorbeelden: keersluis, afsluitbare duiker, coupure, afsluitmiddelen in tunnels. Bij een inlaatwerk gaat het om een buisleiding door een waterkering voor het inlaten van oppervlaktewater. Dit gebeurt voor het op peil houden van het polderwaterniveau en ook voor het op peil houden van de waterstand binnen hoogwatervoorzieningen rondom bebouwing in polders. Daarnaast zijn er bijzondere waterkerende constructies zonder beweegbare onderdelen. Dit zijn: kistdammen, diepwanden en constructies om een niveauverschil in het maaiveld op te vangen (keermuren en -wanden, kademuren). Andere beleidsregels die relevant zijn voor aanleggen en aanpassen van waterkerende werken en inlaten bij waterkeringen zijn: • Hoofdstuk 1 de beleidsregels voor werken op of bij waterkeringen. • Hoofdstuk 4 de beleidsregels voor aanbrengen, hebben of verwijderen van beschoeiingen en damwanden bij waterkeringen. • Hoofdstuk 6 de beleidsregels voor Graven en grond verstoren in of nabij waterkeringen. 2.2 Relevante regelgeving 2.2.1 Verboden in de Keur van AGV Deze beleidsregels zijn van toepassing op vergunningsaanvragen die betrekking hebben op de volgende verboden in de Keur van AGV: Artikel 4.6 : Activiteiten in waterkerende dijklichamen Artikel 4.7 : Activiteiten in half-verholen waterkeringen Artikel 4.8 : Activiteiten in verholen waterkeringen Artikel 4.9 : Activiteiten in beschermende gronden 2.2.2 Keurbesluit Vrijstellingen In het Keurbesluit Vrijstellingen en nadere regels zijn geen vrijstellingen opgenomen voor het aanleggen en aanpassen van waterkerende werken en inlaten bij waterkeringen. 2.3 Beleidsregels voor vergunningverlening Een Watervergunning is nodig voor het aanleggen of aanpassen van waterkerende werken en inlaten in de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen of verholen waterkeringen en in beschermende gronden. Beleidsregel 2.1: sluizen en gemalen Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor het aanleggen of aanpassen van sluizen en gemalen in de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en in beschermende gronden:
- a)De aanvrager toont aan dat er sprake is van een groot openbaar belang voor de aanleg van het werk, conform hoofdstuk C ‘Afwegingskader groot openbaar belang bij waterkeringen’; en
- b)Het ontwerp voldoet aan de geldende veiligheidsnormen voor de betreffende kering; en
- c)Het ontwerp voldoet aan de daarvoor geldende NEN-normen en handreikingen, zoals thans de Leidraad Kunstwerken (ENW, 2017); en
- d)De aanvrager toont desgevraagd met berekeningen en grondonderzoek aan dat het kunstwerk voldoende sterk, stabiel en duurzaam is; en
- e)Het ontwerp wordt gedimensioneerd op het profiel van vrije ruimte; en
- f)De aanvrager stelt een beheer- en onderhoudsplan en een objectbedieningsplan voor het geval van calamiteiten op. Beleidsregel 2.2: bijzondere waterkerende constructies zonder beweegbare onderdelen Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor het aanleggen of aanpassen van bijzondere waterkerende constructies zonder beweegbare onderdelen in de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en beschermende gronden:
- a)De aanvrager toont de noodzaak aan van de aanleg of aanpassing van een bijzondere waterkerende constructie in plaats van een waterkerend dijklichaam; en
- b)De aanvrager toont aan dat er sprake is van groot openbaar belang, conform hoofdstuk C ‘Afwegingskader groot openbaar belang bij waterkeringen’;en
- c)De aanvrager toont aan dat de constructie voldoet aan de geldende veiligheidsnormen voor de betreffende kering; en
- d)De aanvrager toont desgevraagd door middel van berekeningen aan dat de stabiliteit van de waterkering niet in gevaar wordt gebracht; en
- e)Het ontwerp voldoet aan de daarvoor geldende NEN- normen en handreikingen, zoals CUR-Handboeken, het Technisch Rapport Waterkerende Grondconstructies (TAW, 2001) en Addendum (TAW/ENW, 2007), het Technisch Rapport Kistdammen en Diepwanden in Waterkeringen (TAW, 2004); en
- f)De aanvrager maakt de gevolgen voor beheer en onderhoud inzichtelijk. Beleidsregel 2.3: kunstwerken met afsluitmiddelen Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor het aanleggen of aanpassen van kunstwerken met afsluitmiddelen (afsluitbare duikers, coupures en afsluitmiddelen in tunnels) in de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en in beschermende gronden:
- a)De aanvrager toont de noodzaak aan van de aanleg of aanpassing van een kunstwerk met afsluitmiddelen; en
- b)De aanvrager toont aan dat er sprake is van groot openbaar belang, conform hoofdstuk C ‘Afwegingskader groot openbaar belang bij waterkeringen’; en
- c)De aanvrager toont aan dat de constructie voldoet aan de geldende veiligheidsnormen voor de betreffende kering; en
- d)De aanvrager toont desgevraagd door middel van berekeningen aan dat de stabiliteit van de waterkering niet in gevaar wordt gebracht; en
- e)De aanvrager stelt een beheer- en onderhoudsplan op met een onderhoudsschema en inspectieschema en stelt een objectbedieningsplan voor het geval van calamiteiten op; en
- f)Het ontwerp voldoet aan de daarvoor geldende NEN-normen en handreikingen zoals bedoeld in beleidsregel 2.2. Beleidsregel 2.4: inlaten Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor het aanbrengen of aanpassen van inlaten in de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en in beschermende gronden:
- a)De aanvrager toont de noodzaak aan van het aanbrengen of aanpassen van de inlaat; en
- b)Inlaten (buisleidingen) voldoen aan geldende NEN-normen; en
- c)De aanvrager toont aan dat de inlaat bestaat uit duurzame materialen; en
- d)Aan de hoogwaterzijde is de inlaat voorzien van een duurzaam en deugdelijk afsluitmiddel, dat altijd voor het waterschap goed bereikbaar is en door 1 persoon te bedienen en af te sluiten is; en
- e)De inlaat wordt zodanig geconstrueerd dat stroming van water langs de inlaatleiding voorkomen wordt. Beleidsregel 2.5: verwijderen van waterkerende werken en inlaten Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor het verwijderen van waterkerende werken en inlaten uit de kernzone of beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en beschermende gronden:
- a)De aanvrager toont desgevraagd aan dat het waterkerend vermogen van de waterkering gewaarborgd blijft. De benodigde (stabiliteits-)berekeningen worden uitgevoerd volgens de daarvoor geldende NEN-normen, veiligheidsnormen en handreikingen; en
- b)De erosiebestendigheid van de waterkering wordt niet aangetast. Geen vergunning Het bestuur verleent geen vergunning voor het aanbrengen of aanpassen van een inlaat in/door directe waterkerende dijklichamen door middel van boren of persen. 2.4 Toelichting Met de keurartikelen en beleidsregels die betrekking hebben op waterkerende werken en inlaten in waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen draagt AGV bij aan de bescherming van het land tegen overstroming. Het risico van kunstwerken is dat ze relatief veel onderhoud nodig hebben. Bovendien zijn kunstwerken met beweegbare delen meer slijtagegevoelig dan waterkeringen zonder beweegbare delen. Daarmee vormen kunstwerken een risicofactor voor de veiligheid van de kering. Daarnaast is ook het onderhoud van kunstwerken duur. Vanwege de risico’s en kosten stelt AGV voorwaarden aan de vergunningen voor aanleggen en aanpassen van waterkerende werken en inlaten bij waterkeringen en beschermende gronden. Beleidsregel 2.1: sluizen en gemalen bevat voorwaarden voor het aanleggen of aanpassen van sluizen en gemalen in de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en in beschermende gronden. Sluizen en gemalen bevatten beweegbare delen, en zijn daarom meer aan slijtage onderhevig dan waterkeringen zonder beweegbare delen. Ze moeten periodiek worden geïnspecteerd, beproefd en onderhouden en vragen veel aandacht en zorg. De ontwerplevensduur van de beweegbare delen is meestal korter dan die van het waterkerende kunstwerk zelf. Vanwege de beweegbare onderdelen heeft een waterkerend kunstwerk vrijwel altijd een hogere faalkans dan een ‘normale’ waterkering. Ook wanneer sluiting van beweegbare delen afhankelijk is van menselijk handelen vergroot dat de faalkans. Het aantal waterkerende kunstwerken in een dijkring dient zoveel mogelijk beperkt te blijven omdat ze vaak de zwakke schakel in een dijkring vormen. AGV verleent dan ook alleen een vergunning voor een sluis of gemaal als er geen acceptabel alternatief is, en er sprake is van een groot openbaar of publiek belang. Uiteraard moet het ontwerp deugdelijk zijn en voldoen aan de geldende normen en richtlijnen. Het ontwerp moet ook voldoen aan de geldende veiligheidsnormen voor de betreffende waterkering. De afmetingen van de sluis of het gemaal moeten zodanig zijn dat het nu water kan keren, maar ook in de toekomst, als de waterkering wellicht hoger of sterker moet worden vanwege bijvoorbeeld zeespiegelstijging. De ontwerper moet hier rekening mee houden door uit te gaan van het profiel van vrije ruimte van de waterkering. De aanvrager moet ook, als daarom wordt gevraagd, aantonen door middel van professionele berekeningen dat het kunstwerk sterk, stabiel en duurzaam is. Bijzondere aandacht is nodig voor de ‘nazorg’: de aanvrager moet een beheer- en onderhoudsplan opstellen, om te borgen dat onderhoud en periodieke inspectie kan en zal gebeuren. Verder is een objectbedieningsplan voor het geval van calamiteiten nodig, zodat bij falen van de constructie snel en adequaat handelen mogelijk is en de schade door een calamiteit zoveel mogelijk beperkt blijft. Beleidsregel 2.2: bijzondere waterkerende constructies zonder beweegbare onderdelen bevat voorwaarden voor het aanleggen of aanpassen van bijzondere waterkerende constructies zonder beweegbare onderdelen (kistdammen, diepwanden, keermuren, keerwanden en kademuren) in de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en de beschermende gronden. Hoewel deze constructies in principe bedoeld zijn om de waterkering te versterken, kunnen ze het waterkerend vermogen van de waterkering nadelig beïnvloeden als ze niet goed zijn ontworpen of uitgevoerd. Door het gewicht van de constructie kan zetting optreden waardoor de dijk onder de minimaal benodigde hoogte kan zakken; er kan doorboring van waterafsluitende lagen plaatsvinden zodat water omhoog komt, waardoor de kering instabiel wordt; er kunnen holtes of erosiegeulen ontstaan waar water door gaat stromen en erosie op gaat treden. Bovendien zijn dergelijke constructies in het algemeen ook duurder in het beheer en onderhoud dan een waterkering die bestaat uit een grondlichaam. Dergelijke constructies mogen dan ook alleen als er geen acceptabel alternatief is, en er sprake is van een groot openbaar of publiek belang. De aanvrager moet aantonen dat de stabiliteit van de kering tijdens en na de aanleg van het werk niet in gevaar komt. Uiteraard moet het ontwerp deugdelijk zijn en voldoen aan de geldende normen en richtlijnen. Het ontwerp van de constructie moet zodanig zijn dat hij voldoet aan de normen die gelden voor de betreffende dijk. De aanvrager moet ook grondig onderzoek laten uitvoeren naar de faalkans van het kunstwerk, en de invloed daarvan op het overstromingsrisico (risico= kans x schade) voor het betreffende gebied. Beleidsregel 2.3: kunstwerken met afsluitmiddelen bevat voorwaarden voor het aanleggen of aanpassen van kunstwerken met afsluitmiddelen (afsluitbare duikers, coupures en afsluitmiddelen in tunnels) in de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en in beschermende gronden. De voorwaarden voor kunstwerken met afsluitmiddelen zijn vergelijkbaar met die voor bijzondere waterkerende constructies, om gelijke redenen. Beleidsregel 2.4: inlaten bevat voorwaarden voor het aanbrengen of aanpassen van inlaten in de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en in beschermende gronden. In principe brengt elke inlaat een negatief effect voor de waterkering met zich mee doordat deze een bijdrage levert aan de totale faalkans van de waterkering. Deze beleidsregel is er dan ook op gericht om het aantal inlaten door waterkeringen zo beperkt mogelijk te houden en de kans op falen per inlaat zo klein mogelijk te maken. Inlaten kunnen alleen een vergunning krijgen als ze noodzakelijk zijn voor de waterhuishouding. Daarnaast moet de inlaat deugdelijk zijn, dat wil zeggen: voldoen aan de geldende NEN-normen, en bestaan uit duurzame materialen. Aan de hoogwaterzijde moet de inlaat goed en makkelijk afsluitbaar zijn: bij hoogwatersituaties of calamiteiten moet het waterschap snel kunnen handelen. Het is belangrijk om te voorkomen dat er vanaf de hoogwaterkant water langs de inlaatleiding kan stromen. Gebruikelijk is hiervoor de inlaatleiding aan de hoogwaterzijde te voorzien van een kwelscherm of kleikist. Geen vergunning Geen vergunning wordt verleend voor het aanbrengen van een inlaat in een direct waterkerend dijklichaam door middel van boren of persen omdat deze methode te veel risico’s met zich meebrengt voor de stabiliteit van de kering. Bij het boren of persen kunnen holle ruimten ontstaan in de dijk, met name wanneer er puin in de dijk aanwezig is. Holle ruimten vergroten de kans op kwel en piping. 3 Beleidsregels Wegen en verkeersvoorzieningen op waterkeringen 3.1 Inleiding Deze beleidsregels vormen het afwegingskader voor vergunningverlening: in dit geval voor Watervergunningen op het gebied van wegen en verkeersvoorzieningen op of nabij waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen. Hieronder vallen ook bruggen, tunnels en aquaducten met de daarbij behorende funderingen. Verkeersvoorzieningen zijn bedoeld om de verkeersafhandeling te faciliteren: het betreft verkeersregulerende werken zoals verkeersdrempels, verkeersplateaus, vernauwingen en obstakels. Deze regels gelden niet voor hectometerpalen, dijkpalen en verkeersborden. Regels hiervoor staan in een andere beleidsregel, namelijk: • Hoofdstuk 1 de beleidsregels voor Werken op of bij waterkeringen. Andere beleidsregels die relevant zijn voor openbare wegen en verkeersvoorzieningen zijn: • Hoofdstuk 2 de beleidsregels voor Aanleggen en aanpassen van waterkerende werken en inlaten in waterkeringen (met name bij de aanleg van tunnels en aquaducten wanneer daarbij gebruik gemaakt wordt van noodkeringen/afsluitmiddelen); • Hoofdstuk 6 de beleidsregels voor Graven en grond verstoren in of nabij waterkeringen. 3.2 Relevante regelgeving 3.2.1 Verboden in de Keur van AGV Deze beleidsregels zijn van toepassing op vergunningsaanvragen die betrekking hebben op de volgende verboden in de Keur van AGV: Artikel 4.6 : Activiteiten in waterkerende dijklichamen Artikel 4.7 : Activiteiten in half-verholen waterkeringen Artikel 4.8 : Activiteiten in verholen waterkeringen Artikel 4.9 : Activiteiten in beschermende gronden 3.2.2 Keurbesluit Vrijstellingen In bepaalde gevallen geldt een vrijstelling van de vergunningplicht. In het Keurbesluit Vrijstellingen en nadere regels staat wanneer en onder welke voorwaarden dat het geval is voor openbare wegen en verkeersvoorzieningen: Artikel 2.20: wegen en verkeersvoorzieningen. Artikel 3.2: Palen, afrasteringen, schuttingen, hekwerken en straatvoorzieningen 3.3 Beleidsregels voor vergunningverlening Beleidsregel 3.1: wegen op waterkeringen Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor het aanleggen, verzwaren of verbreden van wegen in de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en in beschermende gronden:
- a)De aanvrager toont bij de aanleg van een nieuwe weg, of het wijzigen van het verkeerstype, aan dat de verwachte verkeersbelasting de maximaal toegestane belasting van 13 kN/m2 over een breedte van 2,5 meter niet overschrijdt; en
- b)De aanvrager toont bij de aanleg van een nieuwe weg of verbreding of verzwaring van een bestaande weg aan dat de weg inclusief de verkeersvoorzieningen buiten het keurprofiel van de waterkering komt te liggen; en
- c)De aanvrager toont desgevraagd bij de aanleg van een nieuwe weg of verbreding of verzwaring van een bestaande weg aan dat de weg niet binnen 20 jaar door verkeersbelasting en inklinking binnen het keurprofiel komt te liggen; en
- d)De aanvrager toont desgevraagd aan dat het waterkerend vermogen van de waterkering niet in gevaar komt; en
- e)Bij toenemende verkeersbelasting en opwaardering naar een hogere verkeersklasse dient aan de hand van de daarvoor geldende normen en handreikingen, zoals thans de Handreiking Constructief Ontwerpen (TAW, 1994), de Leidraad Toetsen op Veiligheid Regionale Waterkeringen (STOWA, 2015) te worden aangetoond dat de stabiliteit van de waterkering niet in gevaar wordt gebracht; en
- f)De afwatering van de waterkering mag niet worden belemmerd; en
- g)Het aanleggen van particuliere wegen in het keurprofiel blijft achterwege. Het aanleggen van een openbare weg in het keurprofiel blijft achterwege tenzij er sprake is van groot openbaar belang, conform hoofdstuk C ‘Afwegingskader groot openbaar belang bij waterkeringen’. Daarbij toont de aanvrager desgevraagd aan dat er geen erosiegevaar ontstaat. Afspraken over beheer en onderhoud van de weg in relatie tot de waterkering worden vastgelegd in een beheerovereenkomst. Beleidsregel 3.2: brug, tunnel of aquaduct Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor het aanleggen van een brug, tunnel of een aquaduct en de onderdoorgang eronder in de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en in beschermende gronden:
- a)Bij bruggen, tunnels en aquaducten toont de aanvrager aan dat er sprake is van groot openbaar belang, conform hoofdstuk C ‘Afwegingskader groot openbaar belang bij waterkeringen’; en
- b)Het ontwerp voldoet aan de geldende veiligheidsnormen voor de betreffende kering; en
- c)Het ontwerp voldoet aan de daarvoor geldende NEN-normen en handreikingen, zoals thans het Technisch Rapport Waterkerende Grondconstructies (TAW, 2001) en Addendum (TAW/ENW, 2007); en
- d)De aanvrager levert desgevraagd de volgende gegevens: i. De afmetingen en constructie van waterkeringvreemde elementen en van waterkerende kunstwerken en bijzondere constructies; ii. De opbouw van het dijklichaam en de ondergrond (door middel van sonderingen, boringen en dergelijke); iii. De grondwaterstand en waterspanningen in het dijklichaam en de ondergrond; iv. Onderzoek en berekeningen (bijvoorbeeld sterkteberekeningen, stabiliteits- en zettingsberekeningen); v. Waar nodig aanvullend onderzoek (bijvoorbeeld faalkans- en betrouwbaarheidsanalyse); en
- e)In geval van een tunnel onder de kering of een onderdoorgang van een aquaduct moeten de in- en uitrit boven kruinhoogte aangelegd worden. Het ontwerp en de berekeningen dienen te worden uitgevoerd volgens de daarvoor geldende NEN-normen en handreikingen, zoals thans het Technisch Rapport Waterkerende Grondconstructies (TAW, 2001) en Addendum (TAW/ENW, 2007), het Technisch Rapport Kistdammen en Diepwanden in Waterkeringen (TAW, 2004); en
- f)In geval van een aquaduct blijven de waterhuishoudkundige functies en de eventuele vaarwegfunctie van de watergang behouden; en
- g)Indien de in- en uitrit van de tunnel of het aquaduct niet op kruinhoogte aangelegd kan worden, kan slechts vergunning worden verleend als een noodkering wordt aangelegd, en de aanvrager: i. toont aan dat het noodzakelijk is om de tunnel of de onderdoorgang op deze wijze aan te leggen; en ii. stelt een faalkansenanalyse op; en iii. stelt een calamiteitenplan op; en iv. stelt een beheer- en onderhoudsplan op. Beleidsregel 3.3: verkeersdrempels en verkeersplateaus Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor het aanbrengen van al dan niet dynamische verkeersdrempels en verkeersplateaus in de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en in beschermende gronden:
- a)De aanvrager toont desgevraagd aan door middel van grondonderzoek en grondmechanische berekeningen dat de stootbelastingen niet leiden tot onevenredig grote zettingen en schade aan de waterkering; en
- b)De aanvrager toont desgevraagd aan dat het gebruikte materiaal de waterdichtheid van de waterkering niet aantast; en
- c)De aanvrager toont desgevraagd aan dat de klei-aanvullingen, vooral aan de hoogwaterzijde van de verkeersdrempel, voldoende dik en erosiebestendig zijn. Beleidsregel 3.4: verwijderen van wegen, verkeersdrempels en -plateaus Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor het verwijderen van wegen, verkeersdrempels en –plateaus en lokale obstakels en vernauwingen uit de kernzone of beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en beschermende gronden:
- a)De aanvrager toont desgevraagd aan dat het waterkerend vermogen van de waterkering gewaarborgd blijft. De benodigde (stabiliteits-)berekeningen worden uitgevoerd volgens de daarvoor geldende NEN-normen, veiligheidsnormen en handreikingen; en
- b)De erosiebestendigheid van de waterkering wordt niet aangetast. Beleidsregel 3.5: verwijderen van brug, tunnel of aquaduct Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor het verwijderen van een brug, tunnel of aquaduct uit de kernzone en beschermingszones van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en beschermende gronden:
- a)De aanvrager toont desgevraagd aan dat het waterkerend vermogen van de waterkering gewaarborgd blijft aan de hand van in ieder geval de volgende gegevens : i. De opbouw van het dijklichaam en de ondergrond (door middel van sonderingen, boringen en dergelijke); ii. De grondwaterstand en waterspanningen in het dijklichaam en de ondergrond; iii. Onderzoek en berekeningen (bijvoorbeeld sterkteberekeningen, stabiliteits- en zettingsberekeningen); iv. Waar nodig aanvullend onderzoek (bijvoorbeeld faalkans- en betrouwbaarheidsanalyse); v. De benodigde berekeningen worden uitgevoerd volgens de daarvoor geldende NEN-normen, veiligheidsnormen en handreikingen; en
- b)De erosiebestendigheid van de waterkering wordt niet aangetast. 3.4 Toelichting Met de keurartikelen en beleidsregels die betrekking hebben op wegen en verkeersvoorzieningen bij waterkeringen draagt AGV bij aan de bescherming van het land tegen overstromingen. Risico’s van het aanleggen van een weg of verkeersvoorziening op een kering is dat het de stabiliteit van de waterkering kan aantasten en de gevoeligheid voor erosie kan vergroten. Vanwege deze risico’s stelt AGV voorwaarden aan de vergunningen voor wegen en verkeersvoorzieningen op waterkeringen. Beleidsregel 3.1: wegen op waterkeringen bevat voorwaarden voor het aanleggen, vervangen of verbreden van wegen in de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en in beschermende gronden. Voor de bereikbaarheid van de waterkering en voor het ontsluiten van bebouwde gebieden zijn wegen, bijbehorende op- en afritten en verkeersvoorzieningen zoals drempels e.d. nodig. Deze kunnen een negatief effect op de waterkering hebben. Hierbij spelen diverse mechanismen een rol: • Door het gewicht van de weg, de verkeersvoorzieningen en het verkeer dat over de weg rijdt kan zetting optreden in de waterkering. Dit kan slecht zijn voor de stabiliteit van de kering, en de kering kan zakken tot onder de minimaal vereiste hoogte. • De afsluitende laag op het buitentalud van de waterkering kan ‘lek raken’ bij de aanleg van een weg. De meeste waterkeringen zijn voorzien van een afsluitende laag op het buitentalud, die er voor zorgt dat water uit de boezem niet de dijk in kan stromen. Dit zorgt er voor dat de stand van het grondwater in de waterkering laag blijft. Als de aanleg van de weg leidt tot doorsnijding van deze ondoorlatende laag dan zal de grondwaterstand in de waterkering hoger worden. Er kunnen natte plekken ontstaan, die de kering instabiel maken. • Het gebruik van wegen en paden kan leiden tot extra erosie van de kruin en het binnentalud. Bijvoorbeeld door het optreden van spoorvorming bij onverharde wegen, verslechtering van de grasmat langs de weg door bijvoorbeeld uitwijkend verkeer, parkeren en het strooien van zout. Dit tast de dijk aan en ook kan de kruinhoogte hierdoor afnemen. Een weg moet daarom buiten het keurprofiel blijven. Dit is het deel van de waterkering dat minimaal nodig is voor een veilige dijk. Ook op langere termijn (20 jaar), rekening houdend met inklinking, moet dat nog steeds het geval zijn. Aanleggen of verbreden van een weg binnen het keurprofiel mag alleen als er geen acceptabel alternatief is en er sprake is van een groot openbaar belang. De aanvrager toont, wanneer daarom wordt gevraagd, aan dat er geen risico’s zijn voor de hoogte, stabiliteit of erosiegevoeligheid van de waterkering. De belasting van een waterkering door verkeer dat over de weg rijdt, mag niet groter worden dan 13 kN/m2 over een breedte van 2,5 meter. Anders komt de stabiliteit van de kering in gevaar. Deze waarden zijn gebaseerd op de TAW-handreiking voor constructief ontwerpen van rivierdijken. Ook bij stabiliteitsberekeningen moet de aanvrager rekening houden met toekomstige ontwikkelingen, waarbij de verkeersbelasting kan toenemen door meer verkeer uit bijvoorbeeld een nieuwe woonwijk. In dat geval moet de dijk nog steeds stabiel blijven. Ook mag er geen belemmering ontstaan voor de afwatering vanuit de dijk vanwege mogelijke vochtproblemen in het grondlichaam van de waterkering. Beleidsregel 3.2: brug, tunnel of aquaduct bevat voorwaarden voor het aanleggen van een brug, tunnel of aquaduct in de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en in beschermende gronden. De regels voor kleine bruggen als toegang naar een enkele woning, pand of perceel staan in beleidsregel 1.3. Bruggen en tunnels kruisen vaak niet alleen wateren, maar ook de waterkeringen die langs het water liggen. In- en uitritten komen vaak onder de dijk te liggen. Het komt dan ook regelmatig voor dat bruggen, tunnels en aquaducten en hun fundering in de beschermingszone van een waterkering moeten liggen. Dit kan problemen opleveren voor de waterkering. Daarbij spelen diverse mechanismen een rol: De fundering van het kunstwerk kan een waterafsluitende laag perforeren waardoor grondwater dat zich onder druk onder deze laag bevindt door de perforatie omhoog komt. Als deze stroming sterk genoeg is kan zand mee gaan stromen, hetgeen de stabiliteit van de kering ondermijnt. Een brug op palen kan kortsluiting tussen verschillende watervoerende lagen tot gevolg hebben doordat water langs de palen gaat stromen, waardoor er holtes onder de fundering ontstaan. Een tunnel gaat onder dijken en het daartussen liggende water door. Bij instorting of lekkage van de tunnel kan het water de tunnelbak instromen. Als de in- en uitgang van de tunnel te laag liggen, kan dit leiden tot overstromingen in het gebied naast de dijken. Ook voor aquaducten bestaat een kans op overstromingsgevaar indien de constructie bezwijkt. Daarom moeten de toe- of uitritten altijd boven kruinhoogte liggen. Het kan ook voorkomen dat er geen kruising van de dijk zelf plaatsvindt, maar dat de werken in de langsrichting van een waterkering worden aangelegd. De afgraving die nodig is om een tunnel of een onderdoorgang van een aquaduct aan te leggen kan stabiliteitsverlies van de dijk veroorzaken. De fundering in de ondergrond kan een negatieve invloed hebben op de stabiliteit, doordat water door de harde constructie (bijvoorbeeld een damwand of een betonwand) niet meer uit kan treden (badkuipeffect). Dit kan leiden tot verweking en stabiliteitsverlies. Ook kan de fundering een afsluitende kleilaag perforeren, waardoor kortsluiting tussen verschillende watervoerende lagen kan optreden. De aanleg van een brug, tunnel of aquaduct of een vergroting of uitbreiding daarvan brengt dus vaak grote risico’s voor de waterkering met zich mee. Het mag dan ook alleen als er sprake is van een groot openbaar belang conform hoofdstuk C ‘Afwegingskader groot openbaar belang bij waterkeringen’, en onder strikte voorwaarden. De aanvrager moet met een uitgebreid onderzoek en een faalkansanalyse aantonen dat er geen risico’s voor het functioneren van de waterkering zijn. Het ontwerp moet uiteraard deugdelijk zijn en voldoen aan de meest recente NEN-normen. De in- en uitrit van een tunnel onder een kering door of een onderdoorgang van bijvoorbeeld een aquaduct moeten op kruinhoogte liggen om te voorkomen dat er overstromingen plaatsvinden als de constructie bezwijkt. Alleen als het echt niet anders kan, mogen de in- en uitrit onder de kruinhoogte liggen, maar ze moeten dan wel afsluitbaar zijn met een noodkering die voldoet aan de geldende kadeklasse, voor het geval zich een calamiteit voordoet. Ook moet de aanvrager een beheer- en onderhoudsplan leveren om het risico van falen zo klein mogelijk te maken, en een calamiteitenplan voor het geval het toch mis gaat. Ook voor aquaducten bestaat er kans op overstromingsgevaar als de constructie bezwijkt. Beleidsregel 3.3: verkeersdrempels en verkeersplateaus bevat voorwaarden voor het aanbrengen van al dan niet dynamische verkeersdrempels en verkeersplateaus in de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en in beschermende gronden. Snelheidsremmende voorzieningen in de vorm van lokale hoogteverschillen bestaan in het algemeen uit verkeersdrempels of plateaus. Door het hoogteverschil kunnen stootbelastingen optreden, zeker bij zwaar vrachtverkeer en/of bij hoge snelheden. Stootbelastingen kunnen leiden tot lokale zettingsverschillen, scheurvorming en andere deformaties in de waterkering, in het bijzonder bij een slappe en samendrukbare ondergrond van klei- en veenlagen. Ook kan het water in het dijklichaam en de ondergrond onder druk komen te staan. Dit kan de stabiliteit van de waterkering negatief beïnvloeden. Met name bij directe waterkeringen met een beperkte breedte kan dit ernstige gevolgen hebben. Daarnaast is er een risico dat de aangebrachte voorzieningen niet helemaal waterdicht zijn. Hierdoor kan water in de dijk sijpelen, hetgeen slecht is voor de stabiliteit. Daarom moeten de klei-aanvullingen voldoende dik en erosiebestendig zijn. Dit geldt vooral voor de hoogwaterzijde; dat is de kant van het water met het hoge peil, meestal het (tussen)boezemwater. Ook kan een verkeersdrempel aangrijpingspunt zijn voor erosie. Dit kan de dijk beschadigen en dat is – vooral aan de hoogwaterzijde – risicovol. Verkeersdrempels en –plateaus mogen dan ook alleen als de aanvrager desgevraagd kan aantonen dat er geen onevenredig grote zetting zal optreden in de kering door stootbelasting van het verkeer dat over de drempels rijdt, en als voldoende waterdicht en erosiebestendig materiaal wordt gebruikt. Beweegbare obstakels, waarbij een constructie uit het wegdek omhoog komt, zijn werken die vallen onder beleidsregel 1.1 uit hoofdstuk 1 werken in waterkeringen. 4 Beleidsregels Aanbrengen, hebben of verwijderen van beschoeiingen en damwanden bij waterkeringen 4.1 Inleiding Deze beleidsregels vormen het afwegingskader voor vergunningverlening: in dit geval voor Watervergunningen op het gebied van het aanbrengen, hebben of verwijderen van beschoeiingen en damwanden bij waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen. Onder de term ‘damwanden’ vallen onder andere damwandplanken en damwanden ten behoeve van bouwkuipen en damwanden ten behoeve van het uitvoeren van werkzaamheden waarbij een grondlichaam stabiel moet worden gehouden. Damwanden zorgen er in het geval van een bouwkuip voor dat de grondwaterstand in de buurt van de bouwkuip niet te ver daalt bij het onttrekken van grondwater. Dit voorkomt schade in de omgeving. Tijdelijke damwanden zijn damwanden die ten behoeve van werkzaamheden worden geplaatst en na afloop van deze werkzaamheden weer worden verwijderd. Permanente damwanden zijn damwanden die blijven staan nadat werkzaamheden zijn afgerond. Een voorbeeld kan zijn een oeverbeschoeiing, maar ook damwanden die een parkeergarage droog houden. Bij het aanbrengen en/of hebben van (tijdelijke) damwanden in waterkeringen, speelt een aantal risico’s een rol waartegen voldoende maatregelen moeten worden genomen. Het gaat hierbij onder meer om de volgende: 1. De aanwezigheid van de (tijdelijke) damwand beïnvloedt de stabiliteit van waterkerende dijklichamen, of in het geval van half-verholen keringen de stabiliteit van het buitentalud. 2. Het aanbrengen van een (tijdelijke) damwand levert meer risico op voor de waterkering, onder andere vanwege het gebruik van doorgaans zwaar materieel. 3. Een damwand in de waterkering kan invloed hebben op het beheer en onderhoud. We hebben het hier uitdrukkelijk niet over damwanden die de functie van waterkering vervangen. Vervangende waterkeringen vallen onder beleidsregel 2.2 van hoofdstuk 2 waterkerende werken en inlaten in waterkeringen. Algemene beleidsregels die relevant kunnen zijn bij werkzaamheden op waterkeringen zijn: • Hoofdstuk 1: de beleidsregels voor werken op of nabij waterkeringen; • Hoofdstuk 2: de beleidsregels voor het aanleggen en aanpassen van waterkerende werken en inlaten in waterkeringen; • Hoofdstuk 6: de beleidsregels voor graven en grond verstoren in of nabij waterkeringen; • Hoofdstuk 11: de beleidsregels voor het dempen van wateren; • Hoofdstuk 14: de beleidsregels voor grondwateronttrekkingen en verlagen grondwaterstand. 4.2 Relevante regelgeving 4.2.1 Verboden in de Keur van AGV Deze beleidsregels zijn van toepassing op vergunningaanvragen die betrekking hebben op de volgende verboden in de Keur van AGV: Artikel 4.6 : Activiteiten in waterkerende dijklichamen Artikel 4.7 : Activiteiten in half-verholen waterkeringen Artikel 4.8 : Activiteiten in verholen waterkeringen Artikel 4.9 : Activiteiten in beschermende gronden 4.2.2 Keurbesluit Vrijstellingen en nadere regels In bepaalde gevallen geldt een vrijstelling van de vergunningplicht. In het Keurbesluit Vrijstellingen en nadere regels staat wanneer en onder welke voorwaarden dat het geval is voor het aanbrengen, hebben of verwijderen van damwandplanken en damwanden in of nabij waterkeringen: Artikel 2.24: Beschoeiing bij waterkeringen en beschermende gronden; Artikel 2.25: Damwanden in de beschermingszone van verholen waterkering. 4.3 Beleidsregels voor vergunningverlening Beleidsregel 4.1: plaatsen van tijdelijke damwanden in en nabij waterkeringen Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor het plaatsen van tijdelijke damwanden binnen de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en binnen de kernzone van verholen waterkeringen en in beschermende gronden:
- a)Er is geen redelijk alternatief voor het plaatsen van een tijdelijke damwand; en
- b)De tijdelijke damwand heeft geen nadelige gevolgen voor de stabiliteit van de waterkering en de grondwaterstand in de waterkering voor, tijdens of na de werkzaamheden; en
- c)De constructie voldoet aan de geldende (TAW-)eisen voor waterkerende of grondkerende constructies; en
- d)De tijdelijke damwand belemmert het beheer en onderhoud van de waterkering niet; en
- e)De tijdelijke damwand wordt opgebouwd uit onbeschadigde en deugdelijke damwandplanken, zodat de waterkering bij het trekken van de damwanden niet beschadigt; en
- f)De aanvrager toont desgevraagd aan dat de damwand met ankers weer verwijderd kan worden, zonder onacceptabele schade aan de waterkering te veroorzaken. Beleidsregel 4.2: verwijderen van damwanden en beschoeiingen in en nabij waterkeringen Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor het verwijderen van damwanden en beschoeiingen met verankering binnen de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen keringen en verholen keringen. Het verwijderen van de damwand of beschoeiing en/of verankering:
- a)heeft geen nadelige gevolgen voor de stabiliteit van de waterkering voor, tijdens of na de werkzaamheden. De aanvrager toont dit desgevraagd aan; en
- b)belemmert het beheer en onderhoud van de waterkering niet. De aanvrager toont dit desgevraagd aan. Beleidsregel 4.3: plaatsen van een beschoeiing in en nabij waterkeringen Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor het plaatsen van een beschoeiing binnen de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen en half-verholen waterkeringen en de kernzone van verholen waterkeringen:
- a)Indien de beschoeiing met verankering reikt tot binnen het keurprofiel of indien aanwezig het profiel van vrije ruimte van waterkerende dijklichamen, toont de aanvrager desgevraagd aan dat er geen acceptabele alternatieve locatie voor de beschoeiing met bijbehorende verankering voorhanden is. Indien de beschoeiing reikt tot binnen de kernzone van een half-verholen of verholen waterkering, toont de aanvrager desgevraagd aan dat de beschoeiing niet buiten de kernzone kan komen te staan; en
- b)De beschoeiing heeft geen negatieve invloed op de stabiliteit van de waterkering of op de grondwaterstand in de waterkering. De aanvrager toont dat desgevraagd aan door middel van berekeningen; en
- c)De aanwezigheid van de beschoeiing en verankeringen belemmert het beheer en onderhoud van de kering niet. De aanvrager toont dat desgevraagd aan; en
- d)De aanvrager geeft aan waar de beschoeiing wordt geplaatst en, indien aanwezig, de plaats van de bestaande beschoeiing. Beleidsregel 4.4: plaatsen van permanente damwanden in en nabij waterkeringen Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor het plaatsen van permanente damwandplanken en damwanden ten behoeve van werken, niet zijnde een beschoeiing, binnen de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen en half-verholen waterkeringen.
- a)De constructie voldoet aan de geldende (TAW-)eisen voor waterkerende of grondkerende constructies; en
- b)De damwand heeft geen nadelige gevolgen voor de stabiliteit van de waterkering en de grondwaterstand in de waterkering voor, tijdens of na de werkzaamheden. Dit wordt desgevraagd aangetoond door de aanvrager door middel van berekeningen; en
- c)De damwand belemmert het beheer en onderhoud van de waterkering niet. De aanvrager toont dit desgevraagd aan; en
- d)De damwand is bestand tegen eventuele ophoging en versterking van de dijk, negatieve kleef en horizontale gronddruk. Dit wordt desgevraagd aangetoond door de aanvrager door middel van berekeningen; en
- e)Een permanente damwand in de kernzone van waterkerende dijklichamen blijft achterwege tenzij er sprake is van groot openbaar belang, conform hoofdstuk C ‘Afwegingskader groot openbaar belang bij waterkeringen’; en
- f)In afwijking van het gestelde onder
- e)is het plaatsen van de permanente damwand wel mogelijk zonder groot openbaar belang in het vlakke achterland achter de teen van de dijk, wanneer er sprake is van een zogenaamde vergrote kernzone. Beleidsregel 4.5: aanbrengen van damwanden en beschoeiingen Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor het aanbrengen van damwanden en beschoeiingen door middel van een methode die trillingen voortbrengt (zoals het intrillen van een damwand) binnen de kernzone, beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen keringen en waterkerende constructies:
- a)Indien de werkzaamheden plaatsvinden in de kernzone toont de aanvrager desgevraagd aan dat de werkzaamheden niet buiten de kernzone kunnen plaatsvinden; en
- b)De aanvrager toont desgevraagd aan dat de stabiliteit van het waterkerend dijklichaam, of het buitentalud van een half-verholen kering gegarandeerd blijft tijdens en na uitvoering van de werkzaamheden; en
- c)De aanvrager toont desgevraagd aan dat de werkzaamheden niet zullen leiden tot schade aan de waterkering; en
- d)Het aanbrengen van de damwand binnen de kruin blijft achterwege tenzij er sprake is van groot openbaar belang, conform hoofdstuk C ‘Afwegingskader groot openbaar belang bij waterkeringen’. Geen vergunning Geen vergunning wordt verleend voor het aanbrengen en hebben van permanente damwanden in de kernzone van verholen waterkeringen. 4.4 Toelichting De damwand (niet zijnde een vervangende waterkering): 1. levert geen bijdrage aan het waterkerend vermogen van de dijk, en 2. wordt tijdens de veiligheidstoetsing voor dijken apart getoetst als NWO. Dit is een kostbare procedure. Om bovenstaande redenen wordt terughoudend omgegaan met het toestaan van damwanden in waterkeringen. Beleidsregel 4.1: plaatsen van tijdelijke damwanden in en nabij waterkeringen Er kan vergunning worden verleend voor het toepassen van tijdelijke damwanden bij waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen als aan de bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan. Vooral bij veendijken kunnen damwanden een grote invloed hebben op de grondwaterstand in de waterkering. De damwand mag er niet toe leiden dat de waterkering uitdroogt en minder stabiel wordt. Het toepassen van onbeschadigde en deugdelijke damwandplanken is van belang om de waterkering niet te beschadigen bij het verwijderen van de damwand. Al eerder gebruikte damwandplanken met beschadigingen, kunnen ondergrondse lagen beschadigen doordat er grondmateriaal aan blijft hangen. Zo kan er onbedoeld water tussen verschillende bodemlagen gaan stromen. Dit vermindert de stabiliteit van de waterkering en kan zorgen voor ongewenste kwel of kortsluiting tussen watervoerende lagen. Een extra maatregel die kan worden genomen is de (onbeschadigde en deugdelijke) damwandplanken invetten, zodat ze makkelijker te verwijderen zijn. De damwand mag verankerd zijn. De methode van verankering wordt niet in deze beleidsregel voorgeschreven. Wel moet het zo zijn dat de ankers van tijdelijke damwanden ook verwijderbaar moeten zijn zonder dat daarbij onacceptabele schade aan de waterkering ontstaat. Door een anker wordt altijd schade aangericht, maar net als bij damwanden kan worden voorkomen dat dit nadelig uitpakt. Een voorbeeld is groutankers, waarbij de ankerstang op diepte wordt losgemaakt uit het grout. Door bijvoorbeeld bentoniet te injecteren terwijl de ankerstang verwijderd wordt, wordt de schade beperkt. Het doel hiervan is om zo min mogelijk loze ankers in waterkeringen te hebben. Immers, bij veel damwanden die worden neergezet, worden nieuwe ankers toegepast. Daarnaast wordt getoetst op beleidsregel 4.2 (verwijderen van damwanden). Wanneer de damwanden niet kunnen worden verwijderd, moet vergunning worden aangevraagd voor het toepassen van een permanente damwand. In de vergunning worden voorschriften opgenomen, waaronder het melden van de start van de werkzaamheden. Beleidsregel 4.2: verwijderen van damwanden en beschoeiingen in en nabij waterkeringen Bij het verwijderen van een damwand is het van belang dat deze werkzaamheden niet leiden tot nadelige gevolgen voor de stabiliteit van de waterkering voor, tijdens of na de werkzaamheden. Een van de voorschriften in de vergunning waar rekening mee moet worden gehouden is dat de damwand(plank) bij het verwijderen eerst dieper wordt gedrukt, voordat deze getrokken wordt, zodat de ‘kleef’ gebroken wordt. Ook wordt door de aanvrager aangetoond dat het trekken van de damwand niet leidt tot hydraulische kortsluiting tussen de lagen. Het verwijderen van de damwand mag er niet toe leiden dat er voor het waterschap een onderhoudsverplichting ontstaat, doordat de grond op de locatie van de tijdelijke damwand meer dan 5 mm inklinkt. Indien de grond meer inklinkt dan 5 mm, is de aanvrager verantwoordelijk voor het herstellen van de maaiveldhoogte. Daarnaast wordt de aanvangsdatum van het verwijderen van de damwand of damwandplanken gemeld. Beleidsregel 4.3: plaatsen van een beschoeiing in en nabij waterkeringen Beschoeiingen bij waterkerende dijklichamen bestaan bij voorkeur uit hout. Deze beschoeiingen hebben een duidelijke grondkerende functie die grenst aan de belangen van het waterschap. Een beschoeiing beschermt de oever tegen afkalving door het water. Wanneer een houten damwand als beschoeiing wordt toegepast, wordt voorkomen dat de waterkering achter de damwand uitdroogt en minder stabiel wordt. Stalen, betonnen of kunststof beschoeiingen worden alleen toegestaan als er geen andere mogelijkheid is, omdat hier meer nadelen aan vast zitten, waaronder het uitdrogen van de kering. De beschoeiing wordt zoveel mogelijk op dezelfde locatie als de oude beschoeiing geplaatst. In dit geval mag de oude beschoeiing worden verwijderd, onder de voorwaarden die zijn opgenomen in de vergunning. Uitgangspunt is dat er geen water wordt gedempt. De beschoeiing mag dus niet verder uit de oever worden gezet, omdat het dempen van water is verboden. Ook mag de beschoeiing niet te ver in de waterkering worden gezet om te voorkomen dat dit het beheer en onderhoud belemmert. De beschoeiing mag bestaan uit een constructie met ankers. Daarbij is het van belang om de hoeveelheid ankers te beperken, zodat beheer en onderhoud onbelemmerd plaats kan vinden. Beleidsregel 4.4: plaatsen van permanente damwanden in en nabij waterkeringen Permanente damwanden in de kernzone van waterkerende dijklichamen die bijvoorbeeld gebruikt worden om een bouwwerk droog te houden, worden zonder groot openbaar belang alleen toegestaan in het vlakke achterland achter de teen van de dijk waar sprake is van een zogenaamde vergrote kernzone. Van een vergrote kernzone is sprake als de kernzone verder in het achterland reikt dan de teen van de dijk. In het leggerprofiel is de vergrote kernzone te herkennen aan het vlakke deel van het profiel op maaiveldniveau, zoals in de leggertabel is af te lezen (maaiveldhoogte binnenteen). Op de kruin en in het talud van de waterkering worden alleen permanente damwanden ten behoeve van werken toegestaan als er sprake is van groot openbaar belang. De vergunningaanvraag wordt getoetst conform hoofdstuk C ‘Afwegingskader groot openbaar belang bij waterkeringen’. Damwanden die dichtbij het dijklichaam worden aangebracht, moeten horizontale gronddruk kunnen weerstaan wanneer de dijk wordt verhoogd en verbreed. Dit wordt desgevraagd door de aanvrager aangetoond met berekeningen. De ankers die nodig zijn voor de damwand moeten op zodanige manier worden aangebracht dat ze het beheer en onderhoud van de waterkering niet belemmeren. Ondiepe ankers (met bijvoorbeeld ankerschotten) zijn niet wenselijk in een gebied waar de waterkering moet worden verhoogd, of waar bij een dijkreconstructie bijvoorbeeld een teensloot moet worden verlegd. Ankers die door een dijklichaam heen gaan zijn eveneens niet wenselijk, maar zijn niet altijd te voorkomen. In deze situatie wordt gelet op de mogelijkheid om bij onderhoud de beschoeiing van de teensloot of zelfs van de hoogwaterzijde aan te kunnen passen zonder dat er een probleem kan ontstaan met de ankers van een derde. In de vergunning zullen eisen worden gesteld aan de ankers, maar ook bijvoorbeeld de methode van aanbrengen en de locatie van de heistelling. In de kernzone van verholen waterkeringen worden geen damwanden ten behoeve van werken toegestaan. Dit gaat bij primaire keringen om een zone van maximaal 5 meter breed en bij secundaire en tertiaire/overige keringen maximaal 3 meter breed, tenzij in de legger anders is bepaald. In de beschermingszone kunnen permanente damwanden wel worden toegepast, hiervoor is een vrijstelling in artikel 2.25 opgenomen in het Keurbesluit Vrijstellingen en nadere regels. Ook bij half-verholen keringen worden geen permanente damwanden in de kernzone toegestaan, tenzij dit in de vorm van een oeverbeschoeiing is. Ook hier gelden de zones van 5 meter bij primaire keringen en 3 meter bij secundaire en tertiaire/overige keringen, tenzij in de legger anders is bepaald. Voor het toepassen van damwanden in de beschermingszone van een half-verholen kering blijft een vergunningaanvraag vereist in verband met onder andere risico’s voor de buitendijkse stabiliteit. Beleidsregel 4.5: aanbrengen van damwanden en beschoeiingen bevat voorwaarden voor het aanbrengen van damwanden en beschoeiingen binnen de kernzone of beschermingszone van een waterkerend dijklichaam, half-verholen of verholen keringen en in waterkerende constructies. Veel damwanden en bepaalde typen beschoeiing worden aangebracht door deze de grond in te trillen. Trillingen kunnen leiden tot beweging in de ondergrond. Er kan zetting en verdichting van de grond optreden, waardoor de kering lager wordt. Ook kan trilling tot gevolg hebben dat de draagkracht van bepaalde bodemlagen vermindert, met name vochtige, slappere lagen (‘drijfzandvorming’). Dit alles kan de stabiliteit van de kering in gevaar brengen. Daarnaast is een risico van het heien van damwanden en beschoeiingen dat doorboring van waterdichte lagen kan plaatsvinden. Onder een afsluitende, slecht doorlatende laag kan een water over/onderdruk aanwezig zijn. Na perforatie van de afsluitende laag kan het water door de perforatie gaan stromen. Dit kan leiden tot andere waterspanningen in grondlagen, wat nadelig kan zijn voor de stabiliteit van de waterkering. Het ontstaan van een wel is daar een voorbeeld van. Heien mag dan ook alleen binnen de kernzone als de aanvrager kan aantonen dat het niet anders kan en de stabiliteit van de kering gegarandeerd is. Voor de beschermingszone geldt ook dat de stabiliteit van de kering gegarandeerd is tijdens en na de werkzaamheden. In de kruin mogen geen damwanden worden aangebracht, tenzij er een groot openbaar belang is. De reden dat dit in de kruin niet wenselijk is, is dat damwanden worden ingebracht door middel van heien of trillingen, dit kan een risico vormen voor de stabiliteit van de waterkering. Daarnaast kunnen damwanden een belemmering vormen voor beheer en onderhoud. Bij het ophogen van een waterkering vormen ze een obstakel. Geen vergunning wordt verleend voor permanente damwanden in de kernzone van verholen waterkeringen. Deze kunnen grote invloed hebben op de onderhoudbaarheid van de kernzone van de verholen waterkering. Voor damwanden in de beschermingszone van verholen waterkeringen is er een vrijstelling. 5 Beleidsregels Uitvoeren van bodemonderzoek in en nabij waterkeringen 5.1 Inleiding Deze beleidsregels vormen het afwegingskader voor vergunningverlening: in dit geval voor Watervergunningen op het gebied van bodemonderzoek in en nabij waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen. Bodemonderzoek kan gebeuren met behulp van onder andere exploratieboringen, proefheiingen of seismisch onderzoek. Bij exploratieboringen ontstaan één of meerdere gaten diep in de grond, bedoeld om grondmonsters te nemen. Seismisch bodemonderzoek wordt toegepast om de structuur van dieper gelegen bodemlagen te onderzoeken, bijvoorbeeld in verband met olie- of aardgaswinning. Seismisch bodemonderzoek gebeurt meestal door een springlading op tientallen meters diepte tot ontploffing te brengen of door trillingen op te wekken met trillingsbronnen, zoals een “airgun” of vibratoren. Andere beleidsregels die relevant zijn voor bodemonderzoek zijn: • De beleidsregels voor ‘graven en grond verstoren’ in of nabij waterkeringen. 5.2 Relevante regelgeving 5.2.1 Verboden in de Keur van AGV Deze beleidsregels zijn van toepassing op vergunningaanvragen die betrekking hebben op de volgende verboden in de Keur van AGV: Artikel 4.6 : Activiteiten in waterkerende dijklichamen Artikel 4.7 : Activiteiten in half-verholen waterkeringen Artikel 4.2.9 : Activiteiten in beschermende gronden 5.2.2 Keurbesluit Vrijstellingen In bepaalde gevallen geldt een vrijstelling van de vergunningplicht. In het Keurbesluit Vrijstellingen en nadere regels staat wanneer en onder welke voorwaarden dat het geval is voor bodemonderzoek in of nabij waterkeringen: Artikel 2.14: Boringen en sonderingen ten behoeve van grondonderzoek bij waterkeringen Artikel 2.15: Boringen en sonderingen bij wateren. 5.3 Beleidsregels voor vergunningverlening Een Watervergunning is nodig voor exploratieboringen en seismisch onderzoek binnen een afstand van 500 meter vanuit de teen van direct waterkerende dijklichamen en 300 meter vanuit de teen van indirect waterkerende dijklichamen. Beleidsregel 5.1: exploratieboringen Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor exploratieboringen binnen een afstand van 500 m uit de teen van direct waterkerende dijklichamen óf 300 meter uit de teen van indirect waterkerende dijklichamen:
- a)De aanvrager toont door middel van onderzoek aan dat de exploratieboringen geen gevaar voor de waterkering opleveren; en
- b)De aanvrager toont door middel van onderzoek aan dat er door uitvoering van de exploratieboringen geen problemen worden verwacht als gevolg van potentiaalverschillen, (verschillen tussen grondwaterstijghoogten in de onderscheiden relevante watervoerende pakketten. Beleidsregel 5.2: seismisch onderzoek Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor seismisch onderzoek:
- a)Het onderzoek vindt plaats in de zone van 100 tot 500 meter uit de teen van direct waterkerende dijklichamen en/of in de zone van 50 tot 300 meter uit de teen van indirect waterkerende dijklichamen; en
- b)De aanvrager toont door middel van onderzoek aan dat er door gebruik van explosieven en andere trillingsbronnen geen problemen worden verwacht als gevolg van potentiaalverschillen (verschillen tussen grondwaterstijghoogten in de onderscheiden relevante watervoerende pakketten) en overlegt een plan dat inzichtelijk maakt wat te doen als er toch wellen ontstaan; en
- c)Indien het onderzoek wordt uitgevoerd met springstoffen mogen deze een kracht hebben van maximaal 1 kg TNT equivalent; en
- d)Indien het onderzoek wordt uitgevoerd met een airgun geldt een maximale totale inhoud van de cilinders van 15 liter en een maximale druk van 150 bar; en
- e)Indien het onderzoek wordt uitgevoerd met vibratoren geldt een maximale 10 s “sweep” met een massa van 1000 kg; en
- f)Indien het onderzoek wordt uitgevoerd in een zettingsvloeiingsgevoelig gebied (losgepakte zandlagen) of in een gebied met zeer slappe lagen (veenlagen met een dikte van meer dan 5 meter) toont de aanvrager aan door middel van onderzoek dat de activiteiten de dijklichamen niet beschadigen. Geen vergunning Het bestuur verleent geen vergunning voor • exploratieboringen in de kernzone van waterkerende dijklichamen; • het gebruik van explosieven en andere trillingsbronnen ten behoeve van seismisch onderzoek in de kernzone en binnen een afstand van 100 meter uit de teen van direct waterkerende dijklichamen of binnen 50 meter uit de teen van indirect waterkerende dijklichamen; • seismisch onderzoek, of gebruik van explosieven of andere trillingsbronnen in de nabijheid van directe waterkeringen in de periode van 1 oktober tot 1 april; • spuitboringen in de kernzone en in de beschermingszone van waterkerende dijklichamen. 5.4 Toelichting Met de keurartikelen en beleidsregels die betrekking hebben op het uitvoeren van bodemonderzoek in of nabij waterkeringen draagt AGV bij aan de bescherming van het land tegen overstromingen. Het risico van bodemonderzoek is dat het de dijk beschadigt of de stabiliteit aantast. Vanwege deze risico’s stelt AGV voorwaarden aan de vergunningen voor bodemonderzoek in en nabij waterkeringen. Beleidsregel 5.1: exploratieboringen bevat voorwaarden voor exploratieboringen binnen een afstand van 500 m uit de teen van direct waterkerende dijklichamen óf 300 meter uit de teen van indirect waterkerende dijklichamen. De aanvrager moet aantonen dat de boring geen gevaar voor de waterkering oplevert. Er zijn verschillende risico’s: • ‘Blow-out’: dit betekent dat vloeistof of gas vanuit een diepere grondlaag met kracht via het boorgat omhoog komt. Daardoor kunnen evenwichtsverstoringen in de grond ontstaan, waardoor schade aan waterkeringen kan optreden en slecht doorlatende grondlagen in de nabijheid van waterkeringen kunnen worden verstoord of vernield. • Verontreiniging en daardoor aantasting van de grasmat op de waterkering: hierdoor neemt de erosiebestendigheid van de kering af. • Infiltratie van olie in de grond: dit kan een sterke afname van de sterkte (schuifweerstand) van de grond veroorzaken met als mogelijk gevolg instabiliteit van de waterkering. • Doorboring van slecht doorlatende lagen in de ondergrond, met risico op kortsluiting: onder een afsluitende, slecht doorlatende laag kan een wateroverdruk aanwezig zijn. Dit kan permanent het geval zijn, bijvoorbeeld in droogmakerijpolders met een laag maaiveldniveau, waarvan er in het westen van het AGV gebied veel voorkomen. Dit kan ook tijdelijk het geval zijn bij een hoge waterstand tegen de dijk, die kortdurend is, zoals bijvoorbeeld bij de dijken langs het IJmeer en Markermeer. Na perforatie van de afsluitende laag kan het water door de perforatie gaan stromen. Als die grondwaterstroming zodanig sterk is dat hij zand- en gronddeeltjes meevoert, is er sprake van de vorming van zandmeevoerende wellen. Dit is een voor de waterkering gevaarlijk fenomeen, omdat in de ondergrond holle ruimte ontstaat. Dit ondermijnt de waterkering waardoor hij na verloop van tijd kan bezwijken. Beleidsregel 5.2: seismisch onderzoek bevat voorwaarden voor het gebruik van explosieven en andere trillingsbronnen ten behoeve van seismisch onderzoek. Risico’s van seismisch bodemonderzoek zitten vooral in het boren van gaten, het effect van trillingen, schokgolven en eventueel kratervorming. • Bij het boren van gaten kunnen er waterstromen vanuit de ondergrond op gang komen door het doorbreken van waterafsluitende grondlagen (wellen). • Trillingen en schokgolven kunnen de draagkracht van de grond verminderen. De sterkte (schuifweerstand) van de grond neemt af, waardoor instabiliteit kan optreden. Bovendien kunnen trillingen zettingen veroorzaken door verdichting van de grond. • Kratervorming gaat gepaard met het ontstaan van een grote zone waarin de grond een plastische vervorming ondergaat. Een explosiekrater kan ook waterafsluitende grondlagen verstoren of doorbreken, met als mogelijk gevolg instabiliteit en het ontstaan van zandmeevoerende wellen. Vanwege deze risico’s mag seismisch onderzoek niet dicht bij de waterkering plaatsvinden (100 meter vanaf de teen bij directe keringen, 50 meter bij indirecte). In de zone daarbuiten (tot 500 meter vanaf de teen bij directe keringen, en tot 300 meter bij indirecte) mag het wel als de aanvrager aantoont dat er geen risico’s zijn voor de stabiliteit van de kering, en een plan klaar heeft liggen voor geval het onverhoopt misgaat. Met name het doorbreken van waterafsluitende grondlagen moet daarbij specifieke aandacht krijgen. In gebieden die gevoelig zijn voor zettingsvloeiing (losgepakte zandlagen in de ondergrond) of in gebied met zeer slappe lagen (veenlagen met een dikte van meer dan 5 meter), is het risico relatief groot dat de ondergrond in beweging komt bij seismisch onderzoek, en de stabiliteit van de waterkering in gevaar brengt. Daarom moet de aanvrager in dit type gebieden aantonen dat er geen gevaar voor de kering ontstaat. De breedte van de zones en de technische randvoorwaarden in de beleidsregels voor springstoffen, airguns en vibratoren zijn gebaseerd op de daarvoor geldende leidraden en handreikingen, zoals thans Leidraad bij bodemonderzoek in en nabij waterkeringen (TAW, 1988). Geen vergunning De reden om geen vergunning te verlenen voor exploratieboringen, spuitboringen en seismisch onderzoek in de kernzone van een kering is dat de risico’s hiervan veel te groot zijn. De reden om geen vergunning te geven voor seismisch onderzoek in de buurt van direct kerende waterkeringen in de periode van 1 oktober tot 1 april is vanwege de relatief grote kans op natte weersomstandigheden. Bij direct kerende waterkeringen zijn de risico’s als er iets mis gaat het grootst en bestaat er direct gevaar voor inundatie van polders. Bij indirecte waterkeringen, die onder normale omstandigheden geen water keren, is die dreiging veel minder. De periode van 1 oktober tot 1 april is de tijd, waarin de kans op extreme belasting van de kering het grootst is. Extreme belasting op de directe waterkeringen in het AGV-gebied zijn neerslag- en windbepaald. De kans op veel neerslag (met als gevolg een hoge belasting van de boezem en tussenboezem) en harde wind of storm is in de periode van 1 oktober tot 1 april groter dan in de zomerperiode. 6 Beleidsregels Graven of grond verstoren in of nabij waterkeringen 6.1 Inleiding Deze beleidsregels vormen het afwegingskader voor vergunningverlening: in dit geval voor Watervergunningen op het gebied van graven of grond verstoren in of nabij waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen. Graven betekent: het verwijderen van grond. Bij een permanente ontgraving wordt het maaiveld verlaagd, bij tijdelijke ontgraving wordt de ontgraven grond weer teruggebracht. Grond verstoren betekent: bewerking van de bovenlaag van de grond met een spade, ploeg of ander (landbouw)werktuig zonder de grond te verwijderen of af te voeren (maximaal 50 cm diep). Deze beleidsregels gelden voor alle activiteiten waarvoor moet worden gegraven in of nabij een waterkering. 6.2 Relevante regelgeving 6.2.1 Verboden in de Keur van AGV Deze beleidsregels zijn van toepassing op vergunningsaanvragen die betrekking hebben op de volgende verboden in de Keur van AGV: Artikel 4.6 : Activiteiten in waterkerende dijklichamen Artikel 4.7 : Activiteiten in half-verholen waterkeringen Artikel 4.8 : Activiteiten in verholen waterkeringen Artikel 4.9 : Activiteiten in beschermende gronden 6.2.2 Keurbesluit Vrijstellingen In bepaalde gevallen geldt een vrijstelling van de vergunningplicht. In het Keurbesluit Vrijstellingen en nadere regels staat wanneer en onder welke voorwaarden dat het geval is voor het graven of grond verstoren in of nabij waterkeringen: Artikel 2.4 Huisaansluitingen Artikel 2.5 Doorgaande kabels (geen huisaansluitingen) Artikel 2.6 Doorgaande leidingen (geen huisaansluiting) Artikel 2.7 Kabels en leidingen in de dwarsrichting van verholen waterkeringen Artikel 2.8 Verwijderen van kabels en leidingen Artikel 2.9 Spoedeisende reparaties Artikel 2.32 Ontgravingen 6.3 Beleidsregels voor vergunningverlening Een Watervergunning is nodig voor het graven en grond verwijderen in de kernzone en beschermingszones van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en in beschermende gronden. Beleidsregel 6.1 Ontgravingen Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor een ontgraving in de kernzone en beschermingszones van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en in de beschermende gronden, waarbij extra maatregelen nodig zijn om de minimaal benodigde stabiliteit te garanderen: voor tijdelijke en permanente ontgravingen: a. permanente ontgravingen in de kernzone en in het profiel van vrije ruimte blijven achterwege, tenzij sprake is van een groot openbaar belang als bedoeld in hoofdstuk C ‘Afwegingskader groot openbaar belang bij waterkeringen’. De waterkerende functie en stabiliteit van de waterkering dient gegarandeerd door middel van waterkeringvervangende voorzieningen (zie hoofdstuk 4 beleidsregels aanbrengen, hebben of verwijderen van beschoeiingen en damwanden bij waterkeringen); b. de waterkerende functie en stabiliteit van de waterkering is gegarandeerd en de aanvrager toont dit desgevraagd aan door middel van: i. grondonderzoek; en ii. grondmechanische berekeningen, waaronder stabiliteitsberekeningen; en iii. berekeningen waaruit blijkt dat er voldoende weerstand blijft bestaan ter voorkoming van zandmeevoerende wellen; en c. de aanvrager voert desgevraagd een standzekerheidsberekening uit voor de bepaling van de maximale lengte waarover de ontgraving open mag liggen; en d. de afwatering van de waterkering mag niet worden belemmerd; en e. de bereikbaarheid van de waterstaatswerken met materieel, ten behoeve van onderhoud en calamiteiten, is gegarandeerd; en f. de aanvrager toont aan dat alle ontgravingen tot het minimum worden beperkt. 6.4 Toelichting Met de keurartikelen en beleidsregels die betrekking hebben op het graven of grond verstoren in of nabij waterkeringen draagt AGV bij aan de bescherming van het land tegen dijkdoorbraken en overstromingen. Risico’s van graven of grond verstoren zijn dat ze een negatief effect op de stabiliteit van de waterkering kunnen hebben. Vanwege de risico’s stelt AGV voorwaarden aan de vergunningen voor graven of grond verstoren in of nabij waterkeringen. Beleidsregel 6.1 bevat voorwaarden voor tijdelijke en permanente ontgravingen in de kernzone en beschermingszones van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen en in de beschermende gronden. Ook in de beschermingszone van (half-) verholen waterkeringen is een permanente ontgraving vergunningplichtig. Een verholen waterkering heeft als eigenschap dat deze dezelfde hoogte heeft als het omliggende maaiveld. Wanneer de grond in de beschermingszone (naast de kernzone of kruin) permanent wordt ontgraven, verdwijnt het karakter van de verholen waterkering en wordt het op die locatie een waterkerend dijklichaam. Omdat dit grote gevolgen heeft voor de omgeving en de bescherming van die omgeving tegen het water, worden hier strenge eisen aan gesteld. Permanente ontgravingen blijven achterwege in de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen en in de beschermingszone van half-verholen en verholen waterkeringen en in beschermende gronden, zoals het graven van een sloot, of het verlagen van het maaiveld. Het is onwenselijk een permanente ontgraving aan te brengen in de kernzone van een kering of in het profiel van vrije ruimte, vanwege risico’s voor de stabiliteit en het waterkerend vermogen van de kering. Als bijvoorbeeld het talud van een nieuw gegraven watergang niet stabiel is, kan er grondverplaatsing gaan plaatsvinden: de grond schuift de watergang in, en kan ook grond vanaf de waterkering meenemen. Permanente ontgraving in de kernzone van een kering of in het profiel van vrije ruimte mag dan ook alleen als er een groot openbaar belang is conform hoofdstuk C ‘Afwegingskader groot openbaar belang bij waterkeringen’. Soms zijn extra maatregelen nodig om de minimaal benodigde stabiliteit te garanderen. Zoals bij graafwerkzaamheden die invloed hebben op de waterkerende functie en stabiliteit van de kering. Dit mag alleen als de stabiliteit en standzekerheid van de waterkering gegarandeerd is. Wanneer steunconstructies nodig zijn, voldoen deze aan de betreffende beleidsregels. Om de schade aan de dijk te beperken, mag de ontgraving niet groter zijn dan strikt noodzakelijk. In de vergunning zullen voorwaarden worden gesteld aan onder andere het herstellen van de tijdelijke ontgravingen. De eventuele hulpconstructies voldoen aan de voorwaarden uit hoofdstuk 4 “Beleidsregels aanbrengen, hebben of verwijderen van beschoeiingen en damwanden bij waterkeringen”. 7 Beleidsregels Plaatsen, hebben of vervangen van drukvaten, explosiegevaarlijke stoffen, en installaties in, op of nabij waterkerende dijklichamen 7.1 Inleiding Deze beleidsregels vormen het afwegingskader voor vergunningverlening: in dit geval voor Watervergunningen op het gebied van drukvaten, explosiegevaarlijke stoffen en installaties en vergelijkbare werken in, op of nabij waterkerende dijklichamen. Drukvaten en vergelijkbare werken (zoals gastanks en olievaten) zijn vaten die een vloeistof of gas al dan niet onder druk bevatten. Ten behoeve van de leesbaarheid gebruiken we hierna alleen het woord “drukvaten”. De regels gelden ook voor de vergelijkbare werken, zoals opslag van explosiegevaarlijke stoffen, waaronder vuurwerk. Andere beleidsregels die relevant zijn voor het hebben, plaatsen of vervangen van drukvaten kunnen zijn: • Hoofdstuk 1 De beleidsregels voor Werken op of bij waterkeringen; • Hoofdstuk 6 De beleidsregels voor Graven of grond verstoren in of nabij waterkeringen; • Hoofdstuk 8 De beleidsregels voor Leggen van kabels en leidingen in of nabij waterstaatswerken. 7.2 Relevante regelgeving 7.2.1 Verboden in de Keur van AGV Deze beleidsregels zijn van toepassing op vergunningsaanvragen die betrekking hebben op de volgende verboden in de Keur van AGV: Artikel 4.6 : Activiteiten in waterkerende dijklichamen. 7.2.2 Keurbesluit Vrijstellingen In bepaalde gevallen geldt een vrijstelling van de vergunningplicht. In het Keurbesluit Vrijstellingen en nadere regels staat wanneer en onder welke voorwaarden dat het geval is voor het hebben, plaatsen of vervangen van drukvaten in, op of nabij waterkeringen en wateren: Artikel 2.29 Explosiegevaarlijke stoffen, materiaal en installaties; Artikel 2.45 Drukvaten op waterkerende dijklichamen 7.3 Beleidsregels voor vergunningverlening Beleidsregel 7.1: ondergronds drukvat Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor het plaatsen van een ondergronds drukvat in de beschermingszone of buitenbeschermingszone van waterkerende dijklichamen:
- a)De aanvrager toont de noodzaak aan van ondergrondse aanleg; en
- b)Het drukvat voldoet aan de geldende (veiligheids-) normen. Dit wordt aangetoond met relevante certificaten; en
- c)Er wordt een veiligheidszoneberekening volgens geldende NEN-normen (thans NEN 3651) door een deskundige gemaakt; daarmee wordt aangetoond dat de verstoringszone niet reikt tot binnen de stabiliteitszone van de waterkering; en
- d)De aanvrager toont aan dat de stabiliteit van de waterkering niet wordt aangetast. Beleidsregel 7.2: bovengronds drukvat Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor het plaatsen van een bovengronds drukvat in de kern- of beschermingszone van waterkerende dijklichamen:
- a)Ter bescherming van het waterkerende dijklichaam zijn de volgende voorzieningen nodig onder het drukvat: i. Een betonplaat met een dikte van minimaal 5 centimeter en ii. Een brandwerende lekbak (die voldoet aan de geldende milieunormen) iii. Bovenstaande voorzieningen mogen gecombineerd worden.
- b)Het drukvat plus toebehoren wordt niet (deels) ingegraven in de kernzone; en
- c)Desgevraagd wordt aangetoond dat de stabiliteit van de waterkering niet wordt aangetast door het gewicht van de totale constructie; en
- d)Het drukvat voldoet aan de geldende (milieu-) normen. Dit wordt aangetoond met relevante certificaten; en
- e)De bereikbaarheid van de waterstaatswerken met materieel, ten behoeve van onderhoud en calamiteiten, is gegarandeerd. Beleidsregel 7.3: verwijderen van een drukvat Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor het verwijderen van een drukvat uit de kernzone, beschermingszone of buitenbeschermingszone van waterkerende dijklichamen:
- a)De aanvrager toont desgevraagd aan dat het waterkerend vermogen van de waterkering gewaarborgd blijft. De benodigde (stabiliteits)berekeningen worden uitgevoerd volgens de daarvoor geldende NEN-normen, veiligheidsnormen en handreikingen; en
- b)De erosiebestendigheid van de waterkering wordt niet aangetast. Beleidsregel 7.4: explosiegevaarlijke stoffen of installatie Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor het hebben van explosiegevaarlijke stoffen of een explosiegevaarlijke installatie in de buitenbeschermingszone maar binnen een afstand van 100 meter van de grens van de kernzone van een waterkerend dijklichaam : De aanvrager toont aan dat een explosie niet leidt tot instabiliteit van het waterkerend dijklichaam en dat de erosiekrater niet reikt tot in de beschermingszone. Geen vergunning Het bestuur verleent geen vergunning voor het plaatsen of vervangen van een ondergronds drukvat in de kernzone van waterkeringen. Het bestuur verleent geen vergunning voor het plaatsen, hebben of vervangen van explosiegevaarlijke stoffen of installaties in de kernzone of beschermingszone van waterkerende dijklichamen. 7.4 Toelichting Met de keurartikelen en beleidsregels die betrekking hebben op drukvaten en explosiegevaarlijke stoffen of installaties in, op of nabij waterkerende dijklichamen, draagt AGV bij aan de bescherming tegen overstromingen en aan een goed functionerend watersysteem met goede waterkwaliteit. Risico’s van drukvaten zijn dat ze kunnen gaan lekken en dat ze kunnen exploderen. Vanwege deze risico’s stelt AGV voorwaarden aan de vergunningen voor het plaatsen, hebben of vervangen van drukvaten en vergelijkbare werken in of nabij waterkerende dijklichamen. Beleidsregel 7.1: ondergronds drukvat bevat voorwaarden voor het plaatsen van een ondergronds drukvat in de beschermingszone of buitenbeschermingszone van waterkerende dijklichamen. Ondergrondse opslag van drukvaten is niet wenselijk. Als een ondergronds drukvat explodeert in het grondlichaam van de waterkering kan dit leiden tot instabiliteit van de waterkering. Ook een lekkage van een drukvat kan leiden tot instabiliteit: de bodem rond het drukvat wordt nat, waardoor een soort ‘drijfzandeffect’ kan ontstaan, met afschuivingen tot gevolg. Een ander nadeel van ondergronds opslaan van drukvaten is dat er graafwerk voor nodig is (zie hoofdstuk 6 beleidsregels voor graven en grond verstoren) en dat er onvoldoende mogelijkheden zijn voor inspectie. Ondergronds opslaan van drukvaten mag dan ook alleen als de aanvrager kan aantonen dat er geen acceptabel alternatief is. Bovendien wordt hiervoor alleen vergunning verleend in de beschermingszone of buitenbeschermingszone van de dijk. Bij ondergrondse opslag moet het drukvat uiteraard bewezen deugdelijk zijn, dat wil zeggen: voldoen aan de veiligheidsnormen, om de risico’s zo klein mogelijk te maken. Verder vraagt de locatie speciale aandacht. Niet alleen de ligging van het drukvat zelf is van belang maar ook de verstoringszone. Dit is de zone waarbinnen de invloed van een lekkend of exploderend drukvat merkbaar is. De stabiliteit van de kering mag niet in gevaar komen. De invloed mag daarom niet reiken tot binnen de stabiliteitszone van de kering. De breedte van de stabiliteitszone is 4 keer de hoogte van de kering (gemeten vanuit de teen van de kering). Beleidsregel 7.2: bovengronds drukvat bevat voorwaarden voor het plaatsen van een bovengronds drukvat in de kernzone, beschermingszone of buitenbeschermingszone van waterkerende dijklichamen. Een bovengronds drukvat kan worden vergund in combinatie met beschermende voorzieningen: zo moet het drukvat staan op een betonplaat met een dikte van minimaal 5 cm. Een stevige betonplaat onder het bovengrondse drukvat kan de schade aan de waterkering door een explosie sterk verminderen, doordat de explosie alleen ‘naar boven’ kan. Een betonplaat heeft nog een ander voordeel: als regenwater langs een drukvat omlaag stroomt kan geulvorming optreden in de bodem waar het vat op staat, met mogelijk erosie als gevolg. Een betonplaat onder het vat voorkomt dit. Het drukvat moet ook in een brandwerende lekbak staan (eventueel gecombineerd met de betonplaat) om een eventuele lekkage op te vangen. Aandachtspunt is dat de totale constructie niet zo zwaar mag zijn dat het de stabiliteit van de kering aantast. De aanvrager moet dit aantonen. Uiteraard moet het drukvat deugdelijk zijn, dat wil zeggen: voldoen aan de veiligheidsnormen, om de risico’s zo klein mogelijk te maken. Verder mag de ligging van een bovengronds drukvat de bereikbaarheid van de kering niet belemmeren, voor het geval er onderhoud nodig is of calamiteiten aan de orde zijn. Beleidsregel 7.4: explosiegevaarlijke stoffen of installatie bevat voorwaarden voor het hebben van explosiegevaarlijke stoffen of een explosiegevaarlijke installatie in de buitenbeschermingszone maar binnen een afstand van 100 meter van de grens van de kernzone van een waterkerend dijklichaam. Uiteraard zijn explosiegevaarlijke stoffen in de buurt van een waterkering zeer onwenselijk. Binnen 100 meter vanaf de grens van de kernzone van de kering is dan ook een vergunning nodig. Een aanvrager kan alleen een vergunning krijgen als de explosiekrater niet reikt tot binnen de beschermingszone van de dijk. De aanvrager toont dat aan met berekeningen. 8 Beleidsregels Leggen van kabels en leidingen in of nabij waterstaatswerken 8.1 Inleiding Deze beleidsregels vormen het afwegingskader voor vergunningverlening: in dit geval voor Watervergunningen op het gebied van leggen van kabels en leidingen in of nabij waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen, beschermende gronden en wateren. Kabels zijn sterke, buigzame, verbindingen, bestaande uit een of meer geleiders die zijn samengesteld uit draden van metaal of glasvezel en geschikt voor het transport van elektrische energie en/of elektrische signalen en/of optische signalen. Leidingen zijn buizen, vervaardigd van een duurzaam materiaal zoals staal, beton of kunststof en geschikt voor het transport van vloeistoffen en gassen, of het doorvoeren van kabels en leidingen onder bijvoorbeeld wegen of op- en afritten. Bij kabels en leidingen is er een onderscheid tussen huisaansluitingen en doorgaande kabels en leidingen. Een huisaansluiting is een kabel of leiding die een verbinding vormt tussen een pand en een doorgaande leiding. Deze beleidsregels gelden voor het leggen van kabels en leidingen door of langs waterkeringen en wateren. Ze gelden niet voor het aanleggen van drukvaten; regels hiervoor staan in andere beleidsregels, namelijk: • Hoofdstuk 7 De beleidsregels voor plaatsen, hebben of vervangen van drukvaten, explosiegevaarlijke stoffen en installaties in, op of nabij waterkeringen. Andere beleidsregels die relevant zijn voor leggen van kabels en leidingen: • Hoofdstuk 6 De beleidsregels voor graven in of nabij waterkeringen. 8.2 Relevante regelgeving 8.2.1 Verboden in de Keur van AGV Deze beleidsregels zijn van toepassing op vergunningsaanvragen die betrekking hebben op de volgende verboden in de Keur van AGV: Artikel 4.6 : Activiteiten in waterkerende dijklichamen Artikel 4.7 : Activiteiten in half-verholen waterkeringen Artikel 4.8 : Activiteiten in verholen waterkeringen Artikel 4.9 : Activiteiten in beschermende gronden 8.2.2 Keurbesluit Vrijstellingen In bepaalde gevallen geldt een vrijstelling van de vergunningplicht. In het Keurbesluit Vrijstellingen en nadere regels staat wanneer en onder welke voorwaarden dat het geval is voor leggen van kabels en leidingen: Artikel 2.4 Huisaansluitingen Artikel 2.5 Doorgaande kabels (geen huisaansluitingen) Artikel 2.6 Doorgaande leidingen (geen huisaansluiting) Artikel 2.7 Kabels en leidingen in de dwarsrichting van verholen waterkeringen Artikel 2.8 Verwijderen van kabels en leidingen Artikel 2.9 Spoedeisende reparaties Artikel 2.32 Ontgravingen 8.3 Beleidsregels voor vergunningverlening Een Watervergunning is nodig voor het aanleggen, hebben, vervangen of verwijderen van kabels en leidingen, voor zover hiervoor geen vrijstellingen zijn opgesteld in het Keurbesluit Vrijstellingen en nadere regels. Beleidsregel 8.1 geeft algemene voorwaarden. Deze wordt altijd toegepast, eventueel in combinatie met één van de beleidsregels 8.2 t/m 8.5. Beleidsregel 8.1: algemene voorwaarden voor het leggen van kabels en leidingen Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor het leggen, hebben en vervangen van kabels en leidingen in de kernzone, beschermingszone en buitenbeschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen, en in beschermende gronden:
- a)Leidingen voldoen aan de geldende NEN-normen, en
- b)Kabels en leidingen in de kernzone en beschermingszone liggen met de onderkant niet dieper dan voor de kabel of leiding strikt noodzakelijk is, gelet op de veiligheid en het goed kunnen functioneren van de kabel of leiding, en
- c)De aanvrager toont desgevraagd door middel van berekeningen en/of een werkplan aan dat de stabiliteit van de kering tijdens en na uitvoering van de werkzaamheden en bij falen van de kabel of leiding gegarandeerd is. De stabiliteitsberekeningen worden uitgevoerd conform de daarvoor geldende leidraden en handreikingen (zoals thans het TAW-Rapport Waterkerende Grondconstructies
(2001)en het Addendum bij het technisch rapport waterkerende grondconstructies (ENW, 2007)). Beleidsregel 8.2: huisaansluitingen Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor het leggen en hebben van huisaansluitingen in de kernzone of beschermingszone van waterkerende dijklichamen, half-verholen en verholen waterkeringen of in beschermende gronden:
- a)Er wordt voldaan aan de algemene voorwaarden van beleidsregel 8.1 en
- b)De aftakking van de hoofdleiding wordt zoveel mogelijk loodrecht op de waterkering aangebracht.
- c)Desgevraagd wordt een kwelscherm met kleikist aangebracht aan de hoogwaterzijde van de kabel of leiding. Beleidsregel 8.3: kabels en leidingen in de lengterichting in een verholen en half- verholen kering Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor het leggen en hebben van doorgaande kabels en leidingen in de lengterichting in de kernzone en beschermingszone van verholen en half-verholen waterkeringen:
- a)Er wordt voldaan aan de algemene voorwaarden van beleidsregel 8.1, en
- b)Indien binnen vijf jaar werkzaamheden zijn gepland aan de kering wordt dit in de vergunning opgenomen en wordt er geen vergoeding toegekend als de vergunning wordt ingetrokken als gevolg van de werkzaamheden. Beleidsregel 8.4: kabels en leidingen in de lengterichting in een waterkerend dijklichaam en in beschermende gronden Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor aanleg en hebben van een kabel of leiding in de kernzone, beschermingszone of buitenbeschermingszone van waterkerende dijklichamen en in beschermende gronden:
- a)Er wordt voldaan aan de algemene voorwaarden van beleidsregel 8.1 en
- b)De aanvrager toont desgevraagd met een faalkansanalyse aan dat het keurprofiel in stand blijft en
- c)Kabels en leidingen worden binnen het keurprofiel door een open ontgraving aangebracht. Buiten het keurprofiel kan de kabel of leiding via een boring of persing worden aangebracht en
- d)Bij aanleg van een drukleiding wordt er voldaan aan de geldende NEN veiligheidseisen, eventueel door middel van extra maatregelen en
- e)De aanleg van een kabel of leiding in de kernzone, beschermingszone of buitenbeschermingszone van een waterkerend dijklichaam of in beschermende gronden blijft achterwege wanneer: • de NEN-verstoringszone van de leiding reikt tot binnen de stabiliteitszone van de kering of • de kabel ligt op een afstand minder dan 4x het hoogteverschil tussen het maatgevend hoog water (waterpeil) aan de buitenzijde van de dijk en het laagste waterpeil aan de binnenzijde van de dijk, gemeten vanuit de teen van het waterkerend dijklichaam. Dit is niet van toepassing als sprake is van een leveringsplicht voor kabel- en leidingbedrijven en er geen acceptabele alternatieve locaties zijn.
- f)Indien binnen vijf jaar werkzaamheden zijn gepland aan de kering wordt dit in de vergunning opgenomen en wordt er geen vergoeding toegekend als de vergunning wordt ingetrokken als gevolg van de werkzaamheden. Beleidsregel 8.5: kabels of leidingen dwars op de waterkering Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor het leggen en hebben van kabels of leidingen die waterkerende dijklichamen, half-verholen of verholen waterkeringen kruisen:
- a)Er wordt voldaan aan de algemene voorwaarden uit beleidsregel 8.1 en
- b)Kruisingen van kabels en leidingen met waterkerende dijklichamen worden zoveel mogelijk geconcentreerd met inachtneming van de veiligheidsafstanden onderling. Dit houdt in dat voor nutsvoorzieningen voor buitendijkse terreinen zo mogelijk één plaats wordt gekozen waar deze de waterkering kruisen en
- c)Indien de aanvrager de kabel of leiding niet loodrecht laat kruisen met de kernzone, dan toont de aanvrager desgevraagd de noodzaak daarvan aan en
- d)Als de kabel of leiding in een open ontgraving wordt aangelegd, wordt desgevraagd aan de hoogwaterzijde een kwelscherm met kleikist aangebracht.
- e)Sub c en d zijn niet van toepassing op half verholen en verholen keringen. Beleidsregel 8.6: leiding of mantelbuis onder een waterkering door middel van een gestuurde boring Het bestuur kan onder de volgende voorwaarden vergunning verlenen voor het aanbrengen van een leiding of mantelbuis onder waterkerende dijklichamen en half-verholen keringen door middel van een gestuurd