← Nederland

Limburgs Offensief Stikstof (Limburg)

In het kort

Dit programma, genaamd 'Limburgs Offensief Stikstof (LOS)', is een langjarig plan van de provincie Limburg om stikstof te verminderen en de natuur te herstellen. Het doel is om de vergunningverlening voor economische en maatschappelijke ontwikkelingen in Limburg weer mogelijk te maken.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

/akn/nl/act/provincie/2026/CVDR757559 /join/id/stop/work_006 /akn/nl/act/pv31/2025/programma_Limburgs_Offensief_Stikstof /join/id/stop/work_019 2026-02-23 2026-02-23 /akn/nl/act/provincie/2026/CVDR757559/nld@2026-02-23 /join/id/proces/pv31/2026/doel_23_ea09f89785fa4419a6eacbf388b775d7 2026-02-23 2026-02-23 /akn/nl/act/pv31/2025/programma_Limburgs_Offensief_Stikstof/nld@2026-02-05;1 /akn/nl/act/pv31/2025/programma_Limburgs_Offensief_Stikstof /akn/nl/act/pv31/2025/programma_Limburgs_Offensief_Stikstof/nld@2026-02-05;1 /join/id/stop/work_019 1 Limburgs Offensief Stikstof Voorwoord “Perspectief voor de landbouw en het in goede staat brengen van de natuur en het water moeten in goede balans tot uitvoering komen en vormen daarmee de basis voor een leefbaar landelijk gebied.” Met deze belofte uit het ‘Perspectief voor het landelijk gebied’ - ter uitwerking van ons Coalitieakkoord voor de periode 2023-2027 – zijn we als College van Gedeputeerde Staten aan de slag gegaan. Een eerste stap zetten we vandaag met de vaststelling van ‘Limburgs Offensief Stikstof’. De opgaven voor ons landelijk gebied in Limburg zijn groot. De kwaliteit van natuur en water staat onder druk en daarmee zit de vergunningverlening voor ontwikkelingen op slot. Dat treft agrariërs die willen verduurzamen, inwoners die een woning zoeken en bedrijven die willen uitbreiden en om ruimte en (energie)infrastructuur vragen. Als resultaatgerichte bestuurders komen we nu in actie en wachten we niet langer op het Rijk. Daarvoor is de urgentie van de opgaven in Limburg te groot en de voorlopige aanpak van het demissionaire kabinet te onzeker. In dit ‘Limburgs Offensief Stikstof’ presenteren we daarom een samenhangend maatregelenpakket van generieke maatregelen voor heel Limburg en gebiedsgerichte maatregelen voor alle 21 Natura 2000-gebieden. Aanvullend kiezen we voor een versnelde én extra inzet voor vier focusgebieden, te weten: De Peelvenen, Sarsven en de Banen, Maasduinen en Geuldal-Mergelland. Dit hele pakket staat voor een geborgde aanpak voor stikstofreductie en natuurherstel om de vergunningverlening voor economische en maatschappelijke ontwikkelingen weer van het slot te krijgen. Parallel aan de uitwerking van dit LOS is in het Interprovinciaal Overleg (IPO), samen met LTO-Nederland, het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK), de Unie van Waterschappen (UvW) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) een ‘Bouwstenendocument emissiereductie landbouw’ opgesteld. Dit heeft dezelfde ambitie als het LOS; de natuur weer in goede staat brengen en vergunningverlening weer mogelijk maken. We agenderen deze bouwsteen in ons overleg met het Rijk en ondersteunen de verdere uitwerking ervan om na te gaan of we onze doelen er beter of eerder mee kunnen bereiken. Als betrokken bestuurders realiseren we ons wat de maatregelen in dit LOS kunnen betekenen in het dagelijks leven. De insprekers tijdens de gecombineerde Commissievergadering van 23 mei en de vele gesprekken die we hebben gevoerd, hebben laten zien wat we met onze maatregelen raken; niet alleen werk, maar een manier van leven, een identiteit. Als het zover komt dat iemand vrijwillig besluit zijn of haar boerenbedrijf te moeten verplaatsen, te verkleinen of te beëindigen dan is dat in veel gevallen niet alleen een bedrijfsbeslissing. Het is ook een emotioneel besluit en een verandering met grote invloed op het leven van provinciegenoten die ons op dit moment van cruciale diensten voorzien. Dit is een realiteit die we onderkennen en waar we samen met deze ondernemers en hun vertegenwoordigers goed bij stil moeten én willen blijven staan bij de uitvoering van dit LOS. Dat betekent dat we kiezen voor een aanpak van onderop en op basis van vrijwilligheid; zoals in ons Coalitieakkoord al afgesproken werken we niet mee aan gedwongen onteigening om stikstofdoelen te realiseren. Tegelijkertijd realiseren we ons ook dat er nu geen reëel alternatief is voor dit LOS en dat uitvoering ervan noodzakelijk is om onze doelen te halen. Als verantwoordelijke bestuurders kijken we vooruit en willen we bijdragen aan wat huidige én volgende generaties in Limburg nodig hebben. Dat is een betere kwaliteit van natuur en water én perspectief om te kunnen blijven ondernemen. Om de Limburgers van nu en straks van voldoende en duurzaam voedsel, woningen, energie en werk te kunnen voorzien. Veel agrarische bedrijven in onze provincie werken al aan meer duurzame vormen van landbouw waarin natuur, water én voedselproductie hand in hand gaan. Ook deze initiatieven willen we met dit LOS ondersteunen op weg naar een betere toekomst. Met onder meer een intensivering van onze ondersteuning van de blijvers (bijvoorbeeld via de ‘Pilot Ondernemersplan’ en de ‘Agrarische Blijversaanpak Limburg’), met extra rijksmiddelen voor de transitie van de landbouw in De Peel en met de inzet van ons provinciaal grondbeleid met instrumentenkoffer waarmee we de verandering van ons landelijk gebied willen vormgeven. Samen mét onze gebiedspartners staan we nu voor de uitdaging om de uitvoering te versnellen. Dat kunnen we als verantwoordelijke bestuurders niet alleen. Het is van groot belang om dit LOS samen met gemeenten, waterschap, agrariërs, inwoners, grondeigenaren, terrein beherende organisaties en maatschappelijke organisaties verder te brengen zodat het draagvlak voor de uitvoering kan groeien. Stap voor stap, maatregel voor maatregel en gebied voor gebied. Daarbij zullen alle sectoren én de ons omringende provincies en landen hun bijdrage moeten leveren; de opgave waarvoor we staan is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. We zien uit naar de gesprekken over de bijdragen die iedereen wil leveren aan de uitvoering van dit LOS voor een toekomstbestendig landelijk gebied in Limburg. Samenvatting Limburg staat voor flinke uitdagingen, ook in het landelijk gebied. De vergunningverlening zit op slot en de kwaliteit van natuur en water staat onder druk. Om te zorgen dat we nu en in de toekomst kunnen wonen, werken en ondernemen én om natuur en water te versterken, móet er beweging ontstaan. Daarom komt het College van Gedeputeerde Staten met dit ‘Limburgs Offensief Stikstof (LOS)’. Het LOS staat voor een langjarig programma dat werk maakt van stikstofreductie en natuurherstel en weer zorgt voor perspectief op vergunningverlening voor economische en maatschappelijke ontwikkelingen in Limburg. We nemen zelf verantwoordelijkheid en wachten niet langer op de uitwerkingen van het Rijk. We willen snel aan de slag met realistische plannen. Aan de slag omdat de opgaven groot zijn en we als gezamenlijke overheden nu eindelijk moeten doorpakken. Met realistische plannen die aansluiten bij wat in gebieden en op het boerenerf haalbaar is en bij wat we met de nu beschikbare middelen al kunnen doen. Ambitie Gedeputeerde Staten heeft met het LOS de ambitie om concrete resultaten te bereiken voor reductie van de stikstofdeposities, natuurherstel en perspectief op vergunningverlening voor economische en maatschappelijke ontwikkelingen. Dat moet de basis vormen voor een leefbaar landelijk gebied, nu en in de toekomst. Daarvoor willen we de beschikbare financiële middelen en instrumenten in samenhang inzetten en beginnen met wat nu al mogelijk is. In de uitvoering willen we nauw samenwerken met initiatiefnemers en gebiedspartners die resultaten willen halen. De ontwikkelingen en maatregelen worden van onderop, in regionale en lokale samenhang, aangepakt. Op deze wijze maken we ontwikkelingen weer mogelijk, waarbij we tegelijkertijd natuur en water beschermen en herstellen. Maatregelenpakket van generieke en gebiedsgerichte maatregelen Om onze ambitie te realiseren kiezen we voor een geborgde aanpak voor emissiereductie van stikstof en herstel van natuur, waterkwaliteit en -kwantiteit in en om de Limburgse Natura 2000-gebieden. Het LOS bevat daarvoor een samenhangend pakket van tien generieke maatregelen - voor heel Limburg of voor specifieke gebieden - en een voorzet voor 21 gebiedsgerichte maatregelen-pakketten voor de overbelaste Natura 2000-gebieden. De generieke maatregelen bestaan uit een mix van haalbare financiële, juridische, beleidsmatige en ondersteunende maatregelen. In onze gebiedsgerichte aanpak willen we naast een ‘basisinzet’ voor alle Natura 2000-gebieden een ‘versnelde, extra inzet’ voor vier ‘focusgebieden’: De Peelvenen, Sarsven en de Banen, Maasduinen en Geuldal-Mergelland. De basisinzet bestaat uit uitvoering van de Natura 2000-(beheer)activiteiten, realisatie van de verplichte areaaluitbreiding in het Natuurnetwerk Nederland, de doorvertaling van generieke maatregelen (denk aan gebiedsgerichte uitwerking van de zonering) en het benutten van meekoppelkansen. Voor de vier focusgebieden kiest de provincie voor een veel pro-actievere rol en zal deze gebieden voorrang geven bij de besteding van de beschikbare middelen, instrumenten en capaciteit. We kiezen in deze gebieden voor een sterkere provinciale regie op gebiedsprocessen en gebiedsprojecten die een samenhangende uitvoering van natuurherstel, hydrologische condities én verdere verduurzaming van de landbouw ondersteunen. In alle Natura 2000-gebieden willen we met gemeenten, waterschap, agrariërs, inwoners, grondeigenaren, terrein beherende organisaties en maatschappelijke organisaties aan de slag om te kijken wat de beste oplossingen zijn om de doelen te bereiken. Van natuurherstel tot houdbare vergunningverlening Voor emissiereductie van stikstof en herstel van natuur en water zetten we op korte termijn in op bronmaatregelen. Centraal daarin staan de financiële regelingen gericht op beëindiging en/of extensivering van veehouderijbedrijven en aanscherping van regels in overgangsgebieden. Duidelijkheid over welke financiële ondersteuning en mogelijke compensatie beschikbaar is en over welke gebiedsgerichte randvoorwaarden gaan gelden voor bedrijfsactiviteiten moeten agrarische ondernemers in staat stellen om af te wegen of, en op welke wijze ze hun bedrijf kunnen en willen voortzetten. Voor de landbouw willen we ruimte voor verschillende transitiepaden, van meer intensieve tot extensieve vormen van landbouw. Het resultaat van alle afwegingen van agrarische ondernemers zal zich ruimtelijk vertalen; er komen kavels beschikbaar, het grondgebruik van kavels verandert, er komen vragen voor de mogelijkheden van bedrijfsverplaatsingen of voor meer grond om te kunnen extensiveren. We willen deze transformatie van het landelijk gebied ondersteunen door de inzet van ons provinciale grondbeleid en instrumentenkoffer, bijvoorbeeld door gronden aan te kopen om het ruilen van kavels sneller mogelijk te maken. Ook werken we in de Provinciale Omgevingsvisie (POVI, voorziene vaststelling in mei 2026) en de Omgevingsverordening (voorziene vaststelling in september 2026) - gevolgd door gebiedsgerichte vaststellingsronde(

  1. s)- de zonering van het landelijk gebied uit zodat ook duidelijk wordt wat wél kan in specifieke gebieden en onder welke voorwaarden. Deze zonering wordt uitgewerkt op basis van gebiedsgericht maatwerk, zodat verschillen tussen gebieden ook in verschillen in zoneringen en overgangszones tot uiting komen. Daarmee laten we zien welke beperkingen, maar juist ook welke mogelijkheden we aan verschillende vormen van landbouw kunnen bieden in ‘primaire landbouwgebieden’, ‘verwevingsgebieden’ en de ‘groenblauwe landbouwzone’. Gebiedsprocessen en gebiedsprojecten worden op basis daarvan voortgezet, geïntensiveerd of nieuw gestart om gebiedsgericht maatwerk te leveren in de transformatie van het landelijk gebied. Perspectief voor (agrarische) ondernemers en andere ontwikkelingen gaat allereerst ontstaan als de bovenstaande aanpak in uitvoering is en de eerste resultaten worden behaald. Pas dan kan vergunningverlening voor PAS-melders, duurzame (agrarische) bedrijfsinvesteringen, woningbouw, energie en industrie weer op gang komen. Wanneer dat is, is niet met zekerheid te zeggen. Dat is afhankelijk van het tempo waarin we concrete en effectieve maatregelen daadwerkelijk uitgevoerd krijgen en de gebiedsspecifieke situatie in en om een Natura 2000-gebied. Het sluiten van overeenkomsten op basis van vrijwillige beëindigingsregelingen, de tijdige beschikbaarheid van aanvullende financiële middelen, de vertaling van het LOS in de provinciale verordening en de voortvarendheid van de gebiedsgerichte aanpak zijn hierin cruciale randvoorwaarden. Ondanks deze onzekerheden is onze inzet erop gericht om vanaf eind 2027 vergunningverlening weer mogelijk te maken in gebieden waar dat nu niet mogelijk is. Perspectief voor agrarische ondernemers ontstaat ook doordat we de overgang willen gaan maken van middelsturing (sturen op het ‘hoe’) naar doelsturing (sturen op het ‘resultaat’). Doelsturing zet onze agrariërs aan het roer om zelf keuzes te maken op welke manier ze willen gaan voldoen aan de generieke en gebiedsgerichte randvoorwaarden. De nadere uitwerking van doelsturing - qua inhoud en tijdpad - zal samen met de sector en het Rijk worden opgepakt. De aanzet in het ‘Bouwstenendocument emissiereductie landbouw’ van LTO, NAJK, IPO, VNG en UvW vormt daarvoor een goed vertrekpunt. Als het Rijk ervoor kiest om emissiereductiedoelen per sector vast te leggen en de juridische kaders hierop aan te passen, zullen we deze in bijstellingen van het LOS vertalen in geborgde emissiedalingen. Om agrarische ondernemers te helpen in de omschakeling naar andere bedrijfsmodellen en het nemen van maatregelen die de stikstofemissie reduceren, zullen we ook de ondersteuning van de blijvers intensiveren. Dat kan door generieke regelingen en/of door maatwerk, bijvoorbeeld voortbouwend op de al bestaande ‘Pilot Ondernemersplan’ en de ‘Agrarische Blijversaanpak’. We verkennen op basis van de tussenresultaten of, en hoe we als provincie de ondersteuning kunnen uitbreiden. Daarbij willen we maatwerk leveren als aangepaste bedrijfsplannen om gecoördineerde steun van de provincie vragen. Alle sectoren dragen bij Van alle bronnen in Limburg levert de landbouw de grootste bijdrage aan de stikstofdepositie in Limburg, ook al is de stikstofdepositie in de afgelopen decennia al fors gedaald door de inspanningen die veel landbouwbedrijven hebben geleverd. Zonder die inspanningen stonden we nu voor een nog grotere opgave. We willen de kennis en ervaringen van de sector die daarbij zijn opgedaan benutten om de volgende stap in stikstofemissiereductie te kunnen realiseren. Ook de industrie, bouw en mobiliteit zorgen voor stikstofdepositie in Limburg. En hoewel Limburgse bronnen stikstofdeposities in aangrenzende provincies, Vlaanderen en Duitsland veroorzaken, komt een belangrijk deel van de stikstofdepositie in Limburg ook van bronnen in het buitenland en uit andere provincies. We willen als provincie daarom dat álle sectoren in Limburg, Duitsland en België en de provincies Noord-Brabant en Gelderland bijdragen aan de vermindering van de stikstofdepositie in Limburg. Daar is onze inzet in het LOS en in het overleg met het Rijk op gericht. ‘Alle sectoren dragen bij’ hebben we dit LOS dan ook vastgelegd als één van de vijf samenwerkingsprincipes (zie verder in paragraaf 2.2). Het belang daarvan is ook onderstreept in het IPO-LTO ‘Bouwstenendocument emissiereductie landbouw’. Op weg naar zekere resultaten via een ‘geborgde aanpak’ Vanwege wet- en regelgeving moeten we de zekerheid kunnen bieden dat de maatregelen die we voorstellen echt tot uitvoering komen én de verwachte effecten hebben. Dit noemen we een ‘geborgde aanpak’. Die zekerheid vullen we op verschillende manieren in. Dit LOS heeft de status van een ‘vrijwillig programma’ onder de Omgevingswet. Met de status van programma onder de Omgevingswet voorzien we in de juridische basis voor een geborgde aanpak om uitvoering te geven aan onze verplichtingen uit artikel 6, eerste en tweede lid, van de Europese Habitatrichtlijn. Die borging wordt versterkt door een sterke koppeling met de POVI en Omgevingsverordening; het LOS is niet alleen een thematische en gebiedsgerichte bouwsteen daarvoor, maar tegelijkertijd ook een programma ter uitwerking en uitvoering van de provinciale omgevingsvisie. Om verder concreet invulling te geven aan de vereiste geborgde aanpak hebben we in het LOS - op basis van de huidige wet- en regelgeving - een dalende stikstofdepositielijn voor elk Natura 2000-gebied uitgewerkt, met concrete tussendoelen voor 2030 en 2035, en hebben we een maatregelenpakket uitgewerkt waarvan we ook al een eerste beeld hebben van de verwachte effecten. Ook hebben we de eerste financiële middelen voor uitvoering beschikbaar en kunnen we bestaande instrumenten benutten (waaronder grondbeleid, omgevingsverordening etcetera). Voor alle maatregelen in het LOS zullen we relevante data verzamelen en tussentijds de effecten monitoren om tijdig bij te kunnen sturen als zou blijken dat we onze doelen niet op tijd halen. Bijstelling zal plaatsvinden in een cyclus van een jaarlijkse optimalisatie en een driejaarlijkse herijking. En elke zes jaar bekijken we in hoeverre het LOS grondiger moet worden aangepast. De bijstellingen in aard en omvang van de maatregelen gaan door totdat de wettelijke doelen zijn gehaald. Met een intensivering van toezicht en handhaving willen we tijdens de uitvoering zeker stellen dat de maatregelen ook daadwerkelijk worden uitgevoerd. Financiële middelen beschikbaar voor start van de uitvoering Voor de jaren 2025-2029 heeft de provincie op dit moment ruim 411 miljoen Euro aan financiële middelen voor de uitvoering van het LOS beschikbaar. De middelen zijn voor een belangrijk deel beschikbaar voor specifieke maatregelen gericht op natuurherstel in en rondom Natura 2000-gebieden, voor bronmaatregelen gericht op (agrarische) bedrijfsbeëindiging en voor maatregelen voor water en landschap. Op basis van de huidige stand van zaken in het overleg met het Rijk is er aanvullend zicht op 150 miljoen Euro voor De Peel in de periode 2026-2028. Ook werkt het Rijk aan nieuwe vrijwillige beëindigings- en extensiveringsregelingen. Nu de aanpak voor het LOS is uitgewerkt zullen we nieuwe subsidieregelingen en openstellingen - waar de specifieke uitkeringen dat mogelijk maken - met voorrang gaan richten op de vier Natura 2000-focusgebieden en de daarbij horende overgangsgebieden. Naast de mogelijk aanvullende rijksmiddelen verkennen we ook de inzet van extra provinciale middelen voor de uitvoering van het LOS, met name gericht op de transitie van agrarische bedrijven in de overgangsgebieden. Met de optelsom van deze middelen is een eerste stap in de uitvoering van het LOS financieel geborgd. Voor de uitvoering van onze ambitie zijn op termijn veel meer financiële middelen nodig. We verwachten dat voor de langjarige programmering en uitvoering van het LOS 3,5 à 4,5 miljard Euro nodig zal zijn. Daarnaast is aanvullend instrumentarium nodig, bijvoorbeeld om tijdig meer duidelijkheid en voorspelbaarheid te creëren voor alle betrokken partijen. In Limburg doen we het samen! ‘In Limburg doen we het samen!’ is en blijft ons motto. En daarbij werken we ‘van onderop’; we zoeken de verbinding met mensen en hechten veel waarde aan de mening van onze partners en initiatiefnemers in het landelijk gebied. Op weg naar dit vastgestelde LOS heeft intensieve participatie plaatsgevonden. De vele gesprekken die we met onze partners hebben gevoerd, hebben tot aanpassingen van dit LOS geleid en ook onderwerpen voor de uitvoering geagendeerd. We vertrouwen erop dat we met deze gesprekken een fundament hebben gelegd voor een voortvarende uitvoering in de gebiedsgerichte aanpak. We willen onze ‘Gebiedsgerichte aanpak Limburg’ voortzetten én verder verbeteren, op basis van onze routekaart. We werken per gebied uit wat we wanneer willen bereiken (opgaven, doelen en resultaten met mijlpalen), hoe we dat willen bereiken (met welke instrumenten en middelen) en met welke onderlinge verdeling van taken en bevoegdheden. Voor elk gebied worden één of meer ‘gebiedscoalities’ gevormd. Daarbij bouwen we voort op coalities die er al zijn, denk aan PIO Weerterland, Nationaal Park Maasduinen of NOVEX De Peel. Of we creëren nieuwe samenwerkingen waar nodig. In sommige gebieden is in ‘gebiedsprocessen’ samen met alle gebiedspartners eerst nog een fase van gezamenlijke visievorming en planuitwerking nodig, voordat ‘de schop de grond in kan’. In andere gebieden is de visievorming afgerond en zijn de uit te voeren maatregelen, middelen en actoren bekend; deze kunnen via ‘gebiedsprojecten’ direct worden gerealiseerd. De provincie neemt snel het initiatief om met alle gebiedspartners afspraken te maken over wat ze kunnen en willen bijdragen aan de gebiedsgerichte aanpak en onder welke voorwaarden, en over welke organisatie daarbij hoort. De gebiedsgerichte aanpak wordt actief ondersteund door een gerichte en gecombineerde inzet van grondinstrumenten en planinstrumenten op basis van de Omgevingswet (bijvoorbeeld inrichtingsprogramma’s, inrichtingsbesluiten, ruilbesluiten, projectbesluiten, verordening) en financiële instrumenten. Het LOS vraagt om intensivering van de samenwerking met onze gebiedspartners over de inzet van deze instrumenten. De Provincie wil die vormgeven in goede samenwerking met gemeenten, waterschap, terrein beherende organisaties en grondeigenaren (waaronder agrariërs). Zo kunnen wensen, initiatieven en kansen in gebieden vroegtijdig worden opgespoord, uitgewisseld en op elkaar worden afgestemd. Dat vraagt om een herijking van de overlegstructuur. Na vaststelling van het LOS neemt de provincie het initiatief om samen met gebiedspartners te verkennen welke verbeteringen in de overlegstructuren nodig zijn. Effecten voor stikstof, natuur, water én economie in beeld tijdens uitvoering Voor een bredere onderbouwing van het maatregelenpakket zullen we - naast de verwachte effecten op het doelbereik van stikstof, natuur en water - bij de verdere uitwerking per gebied ook de effecten voor economie, landbouw en leefbaarheid in beeld brengen. Daarbij gaat het onder meer om de economische effecten in de landbouwketen (landbouweffectrapportage), de sociaal-economische effecten voor de leefbaarheid van het landelijk gebied en om de kansen die ontstaan voor vergunningverlening voor verschillende sectoren (voor wonen, landbouw, infrastructuur en industrie). Het uitvoeren van een economische impactanalyse bij de gebiedsgerichte uitwerking helpt om effecten te onderkennen, mee te wegen in de besluitvorming en tijdig bij te kunnen sturen in het maatregelenpakket. Ook helpt het onderzoek om zicht te krijgen op mogelijke compenserende maatregelen voor verschillende gebieden. Hoofdstuk 1 Introductie Introductie Om beweging te krijgen in deze opgaven komt het College van Gedeputeerde Staten met dit ‘Limburgs Offensief Stikstof (LOS)’. Met dit LOS markeren Gedeputeerde Staten de start voor een nieuwe fase van uitvoering van beleid voor het landelijk gebied. We brengen het nu uit - vooruitlopend op de uitwerking van de kabinetsplannen - om al zo snel mogelijk duidelijkheid te geven over hoe we de beschikbare middelen zo effectief mogelijk willen besteden. Door tijdig richting te geven, willen we juist ook ruimte creëren in het overleg met onze partners om prioriteiten en maatregelen nog aan te passen en aan te vullen als blijkt dat we op een andere manier effectiever onze ambitie en doelen kunnen bereiken. Limburg staat voor flinke uitdagingen waar vele provinciegenoten dagelijks mee te maken hebben. De kwaliteit van natuur en water staat onder druk en de vergunningverlening zit op slot. Dit raakt onze agrariërs die geen vergunning kunnen krijgen om te innoveren. Het raakt onze woningzoekenden - jong en oud - die langer moeten wachten op een woning. En het raakt onze bedrijven die willen uitbreiden en ruimte en infrastructuur nodig hebben. Voor ondernemers wordt het moeilijker om te investeren, het bedrijf aan te passen of verder te ontwikkelen. Ondertussen vallen de handhavingsverzoeken voor PAS-melders op de mat en ligt het gevaar van intrekkingsverzoeken voor al verstrekte vergunningen aan bedrijven op de loer. Dit willen we te allen tijde voorkomen. 1.1 Aan De Slag! Stikstofreductie, natuurherstel en vergunningverlening Het Limburgs Offensief Stikstof (LOS) staat voor een aanpak die werk maakt van stikstofreductie en natuurherstel en weer zorgt voor perspectief op vergunningverlening voor economische en maatschappelijke ontwikkelingen in Limburg. We wachten niet langer op het Rijk, maar nemen zelf verantwoordelijkheid om te zorgen dat iedereen weer vooruit kan. We willen aan de slag met realistische plannen. Aan de slag omdat de opgaven groot zijn en we als overheid nu eindelijk moeten doorpakken. Met realistische plannen, omdat we willen aansluiten bij wat op het boerenerf haalbaar is en we met de beschikbare middelen al op korte termijn kunnen doen. We draaien er niet omheen; dit LOS bevat stevige maatregelen met grote impact. Zeker voor de agrarische sector. In veel agrarische gezinnen ligt de vraag op tafel of het bedrijf nog wel kan worden overgedragen aan zoon of dochter en of het niet beter is om vrijwillig gebruik te maken van één van de beëindigingsregelingen. In andere agrarische gezinnen ligt ook de vraag op tafel hoe de kansen van een meer duurzame landbouw kunnen worden benut. In al deze situaties willen we als provincie een betrouwbare partner zijn. Een partner die richting geeft aan wat we wanneer willen en kunnen bereiken én ruimte laat aan ideeën en initiatieven van iedereen voor de manier waarop we dit het beste kunnen bereiken. Samenhangend pakket van generieke tot gebiedsgerichte maatregelen Samen mét onze gebiedspartners staan we nu voor de uitdaging om de uitvoering te versnellen. Dat geldt zowel voor de uitwerking van maatregelen als voor de uitvoering van maatregelen. Dit LOS staat voor een geborgde aanpak voor stikstofreductie en natuurherstel om de vergunningverlening weer van het slot te krijgen. We moeten maatregelen nemen om de verslechtering van onze natuur te stoppen, om een verbetering in gang te zetten en om uiteindelijk een gunstige staat van instandhouding van wettelijk beschermde natuurwaarden te bereiken. In dit LOS geven we aan wat we willen gaan bereiken en wat we nu kunnen doen om ook al in 2026, 2027 en 2028 concrete resultaten te boeken op onze doelen (zie par. 2.1). Het LOS bevat daarvoor een samenhangend pakket van tien generieke maatregelen voor heel Limburg en een voorzet voor gebiedsgerichte maatregelenpakketten voor de 21 Natura 2000-gebieden in Limburg. Naast een basisinzet voor alle Natura 2000-gebieden willen we een versnelde, extra inzet voor vier ‘focusgebieden’: De Peelvenen, Sarsven en de Banen, Maasduinen en Geuldal-Mergelland. In alle gebieden willen we met gemeenten, waterschap, agrariërs, inwoners, grondeigenaren, terrein beherende organisaties en maatschappelijke organisaties aan de slag om te kijken wat de beste oplossing is om onze doelen te bereiken. Sterkere provinciale regie voor gebiedsaanpak én perspectief landbouw Om onze verantwoordelijkheid in te vullen kiezen we met dit LOS voor een sterkere provinciale regie op de gebiedsprocessen en gebiedsprojecten die een samenhangende uitvoering van natuurherstel, hydrologische condities én omschakeling van de landbouw ondersteunen. Voor agrariërs die willen en kunnen doorgaan, creëren we ruimte om op een toekomstbestendige wijze te blijven boeren. We willen de ‘Pilot Ondernemersplan’ en de ‘Agrarische Blijversaanpak Limburg’ verder doorontwikkelen, in samenwerking met de Limburgse land- en tuinbouwbond (LLTB), het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt (NAJK) en het Ministerie van LVVN. En met de voorlopig toegekende nieuwe rijksmiddelen voor de ‘regionale maatwerkaanpak’ voor De Peel willen we ondersteuning bieden aan de omschakeling van agrarische bedrijven naar een meer duurzame landbouw. De provincie Limburg ondersteunt het voornemen van het kabinet en kiest voor een evenwichtige balans door een gefaseerde invoering van doelsturing in combinatie met een gefaseerde afbouw van middelsturing. Daarmee wil de provincie aan agrarische ondernemers meer vrijheid geven om binnen wet- en regelgeving aan de vastgestelde doelen te kunnen voldoen. Voor al onze maatregelen in dit LOS geldt dat we tussentijds de effecten zullen monitoren om tijdig bij te kunnen sturen als blijkt dat we onze doelen niet op tijd zullen halen. Bijdragen van alle sectoren, buitenland en aangrenzende provincies Naast de landbouw zorgen ook andere sectoren als de industrie, bouw en mobiliteit voor stikstofdepositie in Limburg. En een belangrijk deel van de stikstofdepositie komt van bronnen in het buitenland en in andere provincies. We willen als provincie dat álle sectoren in Limburg, Duitsland en België en de provincies Noord-Brabant en Gelderland allemaal bijdragen aan de vermindering van de stikstofdepositie in Limburg. Daar is onze inzet op gericht, binnen de mogelijkheden die we daarvoor als provincie hebben. We zullen de bijdragen van al deze bronnen dan ook inzichtelijk maken tijdens de uitvoering van dit LOS. Door als rijk en provincie aan álle stikstofknoppen tegelijk te draaien, willen we de onderlinge solidariteit van iedereen die kan bijdragen aan onze gezamenlijke opgave versterken. We helpen elkaar als we zien dat de ánder er ook met de volle overtuiging voor gaat. 1.2 Opgaven voor het landelijk gebied van Limburg Staat van natuur en water in LimburgDe kwaliteit van de natuur in Limburg staat onder druk. Dit blijkt onder andere uit 21 Natuurdoelanalyses (NDA’
  2. s)die Limburg heeft gemaakt. Limburg heeft 24 Natura 2000-gebieden (N2000). In en om deze gebieden komen 146 habitattypen en -soorten voor waarvoor een wettelijke herstelopgave geldt. Voor 17 habitattypen en -soorten heeft Limburg een grote verantwoordelijkheid, omdat deze soorten elders in Nederland niet of nauwelijks voorkomen. Willen we onze unieke natuurgebieden behouden voor de toekomst, dan moeten we maatregelen treffen. De meeste N2000-gebieden in Limburg zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Uit de NDA’s blijkt dat de overbelasting met stikstof één van de belangrijkste oorzaken is van het verliezen van kwaliteit en/of het uitblijven van herstel van de natuurwaarden. In absolute zin zijn de stikstofdeposities in de meeste Limburgse Natura 2000-gebieden te hoog ten opzichte van de wettelijke doelen (zie bijlage 1). Een snelle daling van de stikstofdepositie is nodig om te voorkomen dat habitattypen onherstelbaar beschadigd raken. De landbouw in heel Nederland levert van alle Nederlandse bronnen de grootste bijdrage aan de stikstofdeposities (ammoniak) in Limburg (zie figuur 1.1). Het grootste deel van de stikstofdeposities in Limburg is niet afkomstig uit Limburg zelf, maar uit het buitenland en uit andere provincies. De stikstofdepositie vanuit het buitenland laat een dalende trend zien, die zich naar verwachting zal voortzetten. Zo heeft Vlaanderen een wettelijke stikstof-emissiereductie vastgesteld, die zal zorgen voor een afname van de stikstof-depositie in Limburg, Noord-Brabant en Zeeland. Ook de energietransitie in Duitsland zal naar verwachting zorgen voor een beperking van stikstofdepositie. Voor Nederland wordt tot 2030 ook een autonome daling van de stikstofdepositie verwacht (zie bijlage 1). Ontwikkelingen in de bijdragen vanuit het buitenland blijven we volgen en nemen we mee in de monitoring van het doelbereik. Figuur 1.1. Overzicht van de relatieve bijdragen van landelijke bronnen aan de stikstofdeposities die neerslaan in Limburg in het jaar 2022 (AERIUS Monitor 2024). De vermindering van stikstofemissies uit alle sectoren zal voor een belangrijk deel bijdragen aan herstel van de natuur, maar er is meer nodig om de natuur te laten herstellen en de vergunningverlening weer op gang te brengen. Bijvoorbeeld herstel van de hydrologische condities; in Limburg zijn er 17 Natura 2000-gebieden met grondwaterafhankelijke natuur. Voor wat betreft verdroging heeft gemiddeld60% van de grondwaterafhankelijke natuur in Natura 2000-gebieden (2.180
  3. ha)te maken met lage grondwaterstanden. Voor wat betreft de waterkwaliteit blijkt dat gemiddeld bij 59% de waterkwaliteit niet voldoet. Ook de drie aangewezen grondwaterlichamen (Zand Maas, Slenk Diep Maas en Krijt Maas) voorzien niet in de gewenst goede kwalitatieve en kwantitatieve toestand zoals gesteld in de Europese Kaderlichtlijn Water (KRW). Voor het herstel van de natuur en het behalen van de waterdoelen is dan ook een verbetering van de kwaliteit van oppervlaktewater nodig. Limburg kent 42 oppervlaktewaterlichamen op grond van de Kaderrichtlijn water (KRW) en zij voldoen bijna allemaal niet aan de doelen gesteld in de KRW en Nitraatrichtlijn. Vergunningverlening Limburgse economie op slot Gezien de staat van de natuur is vergunningverlening - uitgaande van huidige wetgeving en rekenregels - in vrijwel alle sectoren van de economie nu amper mogelijk. Ook de circa 40 positief geverifieerde PAS-melders in Limburg kunnen voorlopig geen vergunning krijgen. Afhankelijk van de locatie geldt dit ook voor landbouwbedrijven die juist willen innoveren en bij willen dragen aan een duurzame landbouw. Ook de vergunningverlening voor woningbouw in Limburg wordt sterk belemmerd door de strenge stikstofwetgeving. Vrijwel alle woningbouwplannen t/m 2030 liggen binnen 25 kilometer van een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, waarvan bijna 80 procent binnen 5 kilometer. Hierdoor loopt bijna 100 procent van de Limburgse woningbouwopgave risico op vertraging of extra kosten. Vergelijkbare problemen doen zich ook voor bij de industrie, regionale en lokale bedrijventerreinen, maatschappelijke voorzieningen en bij projecten voor verduurzaming van onze energievoorziening. Vergunningen worden in het algemeen verleend op basis van intern of extern salderen. Een plan of een project wordt in dat geval gesaldeerd met een bestaande vergunde situatie, binnen het eigen project of locatie (intern salderen) of op een andere locatie (extern salderen). Daarbij moet voldaan worden aan het ‘additionaliteitsvereiste’. In de praktijk houdt dat in dat salderen met de bestaande vergunde situatie alleen mogelijk is als het wijzigen of beëindigen van de bestaande situatie waarmee gesaldeerd wordt niet nodig is om de verslechtering van de beschermde natuur in de Natura 2000-gebieden te stoppen en/of op termijn de instandhoudingsdoelstelling voor de betreffende Natura 2000-gebieden te bereiken. Voor extern salderen gold dat altijd al, voor intern salderen heeft de Raad van State dit bepaald in haar uitspraak van 18 december 2024. Omdat niet voldaan wordt aan de additionaliteitsvereiste zit de vergunningverlening in vrijwel alle sectoren op slot. Dit geldt vooralsnog ook voor de vergunningverlening voor investeringen in duurzaamheid en innovatie. In haar uitspraak heeft de Raad van State aangegeven hoe invulling kan worden gegeven aan de additionaliteitsvereiste. Namelijk met een geborgde aanpak waarmee uitvoering wordt gegeven aan onze verplichtingen uit artikel 6, eerste en tweede lid, van de Habitatrichtlijn. De Raad van State benadrukt de noodzaak van een plan, programma of pakket van maatregelen dat zorgt voor een geborgde daling van stikstofdepositie en het benodigde natuurherstel. Een programma waarin wordt vastgelegd hoe het behalen van de natuurdoelen voor de verschillende Natura 2000-gebieden wordt zeker gesteld. Borging van het daadwerkelijk (gaan) realiseren van de noodzakelijke stikstofreductie en natuurdoelen is daarbij cruciaal. Volgens de Raad van State moet dit plan, programma of pakket van maatregelen in uitvoering zijn, gemonitord worden en voorzien in bijsturing of aanvulling indien dat nodig is. Dit LOS geeft invulling aan dit plan of programma. De ontwikkelingen in het EU- en Rijksbeleid in de afgelopen jaren hebben gezorgd voor veel onduidelijkheid en onzekerheid voor ondernemers en inwoners. Als meest recente ontwikkeling in dit rijtje leidt de gefaseerde afschaffing van de derogatie tot oplopende kosten voor mestverwerking en/of tot de behoefte aan meer grond om mest te kunnen uitrijden. Er spelen grote zorgen bij Limburgse ondernemers en hun opvolgers over de toekomst van hun bedrijf. Agrarische ondernemers hebben behoefte aan duidelijkheid en economisch perspectief voor verschillende vormen van landbouw en aan de mogelijkheid om afgewogen keuzes te kunnen maken over hun toekomst. Inwoners willen een gezonde leefomgeving met een schone bodem, water en lucht in een aantrekkelijk landschap. 1.3 Ontwikkelingen in de omgeving van het LOS Hoofdlijnenakkoord 2024-2028 In het ‘Hoofdlijnenakkoord 2024 – 2028’ schetst het Kabinet in mei 2024 de nieuwe contouren van het beleid dat moet worden uitgewerkt. Kernelementen daarin zijn dat hoogwaardige landbouwgronden worden beschermd, er niet wordt gestuurd op gedwongen krimp van de veestapel en dat er stikstofreductie plaatsvindt waar die aantoonbaar nodig is voor de instandhouding van de natuur. Er is in het hoofdlijnenakkoord eenmalig 5 miljard Euro in het vooruitzicht gesteld voor een meerjarige investering in de agrarische sector, onder andere voor innovatie en doelsturing, een brede opkoopregeling, natuurbeleid, mest, en visserij. Daarnaast is 500 miljoen Euro per jaar beschikbaar voor agrarisch natuurbeheer door boeren. Rechterlijke uitspraken In haar uitspraak van 18 december 2024 heeft de Raad van State haar jurisprudentie over ‘intern salderen’ – naar aanleiding van rechtspraak van het Europese Hof van Justitie – gewijzigd. Deze uitspraak heeft voor alle sectoren, voor zowel PAS-melders, agrariërs, industrie, maar ook woningbouw en de energietransitie grote gevolgen. Met deze uitspraak is het afgeven van vergunningen ook in Limburg nagenoeg onmogelijk geworden. In de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 22 januari 2025 in de zaak van Greenpeace tegen de Nederlandse Staat heeft de rechter aangegeven dat de Staat onrechtmatig handelt door de verslechtering van de stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebieden niet tijdig te stoppen en de wettelijke stikstofdoelen voor 2025 niet en voor 2030 zeer waarschijnlijk niet te halen. De uitspraak betekent dat de Staat 50 procent van de oppervlakte van de stikstofgevoelige natuur uiterlijk in december 2030 onder de grenswaarde moet brengen. En daarbij moet volgens de rechtbank voorrang worden gegeven aan de meest kwetsbare natuur. Beide uitspraken benadrukken opnieuw de noodzaak en urgentie van een geborgd pakket aan maatregelen dat zorgt voor een verdergaande daling van stikstofdepositie en het benodigde natuurherstel. Startpakket Nederland van het slot Als gevolg van de rechterlijke uitspraken en ter uitwerking van het nieuwe rijksbeleid heeft het Kabinet in januari 2025 een ‘Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel’ ingesteld. Deze heeft als doel om op korte termijn een concreet programma uit te werken om Nederland van het slot te halen en perspectief te bieden aan sectoren die zijn geraakt door de rechterlijke uitspraken. Op 25 april 2025 heeft Minister Wiersma namens het kabinet een brief naar de Tweede Kamer gestuurd met het ‘Startpakket Nederland van het slot’. Daarin worden vier sporen met diverse maatregelen nader uitgewerkt (zie kader). Veel maatregelen in dit eerste pakket ondersteunen dit LOS. Zo stelt het kabinet middelen beschikbaar voor een regionale maatwerk-aanpak rond de Veluwe en de Peel en zet het kabinet in op vrijwillige bedrijfsbeëindiging, extensivering, ontwikkeling van doelsturing, uitbreiding agrarisch natuurbeheer en extra natuurherstel. Voor de Veluwe en de Peel wordt voorzien in het instellen van een strook van 250 meter rond overbelaste gebieden om - op basis van maatwerk - reductie van stikstof te realiseren. Ook wordt daar extra aandacht aan hydrologie besteed. Het Startpakket voorziet ook in diverse voorstellen voor aanpassing van wet- en regelgeving en het vergunningensysteem. Daarbij gaat het onder meer om aanpassing van het werken met kritische depositiewaarden (van sturen op deposities naar sturen op bedrijfsemissies), een rekenkundige ondergrens, het verbeteren van de natuurdoelanalyses en een vrijstelling voor kleinschalige activiteiten met tijdelijke uitstoot. De uitwerking van deze voorstellen zullen we met belangstelling blijven volgen, omdat deze voorstellen - als het lukt ze tijdig in te voeren - bij kunnen dragen aan vergunningverlening. Maar we wachten met de uitvoering van het LOS niet op de uitkomsten hiervan. Het College van GS vindt de opgaven van natuurherstel en de urgentie van het LOS voor de vergunningverlening in Limburg te groot om te wachten op de uitwerking van de juridische voorstellen uit spoor 1 van het Startpakket. De landsadvocaat en een wetenschappelijk consortium onder leiding van het RIVM hebben in aparte adviezen over dit Startpakket ook gewezen op de kwetsbaarheid en onzekerheden die met de uitwerking en invoering van deze voorstellen samenvallen. [1] Advies van de Landsadvocaat Pels-Rijcken over het voorgestelde maatregelen-pakket van de Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel (MCEN), 22 april 2025 en Publicatie Kennisnotitie voor reflectie op concept-maatregelenpakket van de Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel (MCEN), PBL, RIVM, Deltares, Wageningen UR, 28 augustus 2025 De demissionaire status van het huidige kabinet en de tijd die nodig is voor de vorming van een nieuw kabinet vergroten bovendien de kans op verdere vertraging. Gezien de onzekerheden over de effectiviteit van de voorstellen en de kans op verdere vertragingen vindt het College het niet verantwoord om nog langer te wachten en heeft ervoor gekozen dit LOS in september 2025 vast te stellen. Voor een juridische houdbare invoering van de voorstellen is juist ook een geborgd maatregelenpakket als het LOS cruciaal. Het College zal de voorstellen van het kabinet voor aanpassing van wet- en regelgeving en het vergunningensysteem actief blijven volgen én zal blijven toetsen of met de uitvoering van dit LOS maatregelen worden genomen die in het eventueel aangepaste wettelijke stelsel wel of niet bijdragen aan het doelbereik. Verder zetten we in de samenwerkingsafspraken met het Rijk er vooral op in om zoveel mogelijk van de beschikbare middelen naar Limburg te halen. ‘Startpakket Nederland van het slot’ van Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel ondersteunend voor aanpak van het LOS Het kabinet heeft in januari 2025 de ‘Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel’ ingesteld om Nederland van het slot te krijgen en perspectief te bieden aan ondernemers. De commissie werkt hieraan langs vier sporen: 1. Verkennen wat er juridisch mogelijk is of kan worden in de vergunningverlening; 2. Uitwerken van een programma van maatregelen voor geborgde daling van stikstofemissie en natuurherstel; 3. Duiden van de betekenis van de aanduiding ‘terugwerkende kracht’ in de uitspraak van Raad van State, en; 4. Inzet bepalen richting de EU om EU-wetgeving aangepast te krijgen. Op 25 april 2025 is de Tweede Kamer per brief geïnformeerd over een ‘Startpakket Nederland van het slot’ met een eerste uitwerking van deze aanpak en enkele richtinggevende keuzes en oplossingen voor verdere uitwerking. Veel maatregelen in dit eerste pakket ondersteunen het LOS; dat betreft vooral: ● Vrijwillige beëindigingsregeling voor veehouders die willen stoppen in gebieden met meest urgente stikstofproblemen (750 miljoen Euro); ● Tijdelijke, vrijwillige extensiveringsregeling voor melkveehouderij met borging van de permanente emissiereductie (627 miljoen Euro); ● Ontwikkeling nieuwe doelsturingssystematiek (200 miljoen Euro); ● Uitbreiding agrarisch natuurbeheer (213 miljoen Euro); ● Regionale maatwerkaanpak voor de Veluwe en De Peel met ruimte voor maatwerk binnen stroken van 250 meter rond overbelaste gebieden (600 miljoen Euro); ● Extra natuurherstelmaatregelen (100 miljoen Euro); ● Verbetering natuurmonitoring (12,5 miljoen Euro); ● Keuze om alle sectoren – industrie, landbouw, mobiliteit en bouw - evenredig te laten bijdragen aan een geborgde emissiereductie; ● Inrichting tweejaarlijkse monitoring (vanaf 2027) om voortgang in realisatie emissiereductie op weg naar 2035 vast te stellen; ● Inzet op samenwerking met buurlanden gericht op reductie van de stikstofdepositie in gebieden. In het Startpakket presenteert het kabinet ook voorstellen voor aanpassingen in wet- en regelgeving en in het vergunningensysteem (‘spoor 1’). Voorbeelden daarvan zijn een alternatief voor de huidige omgevingswaarden, invoering van een rekenkundige ondergrens, uitzonderingen van vergunningplicht voor kleinschalige activiteiten met een tijdelijk uitstoot van emissies en een aangekondigde herijking van Natura 2000-gebieden.Bouwstenendocument Emissiereductie landbouw Op 10 juli 2025 presenteerden LTO-Nederland, het Nederlands Agrarisch Jongeren Kontakt, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de VNG het ‘Bouwstenendocument emissiereductie landbouw: Vergunningverlening in Nederland weer in beweging’. [2] Bouwstenendocument emissiereductie landbouw: vergunningverlening in Nederland weer in beweging, een gezamenlijk document van IPO, VNG, Unie van Waterschappen, LTO en NAJK, 9 juli 2025. Het doel van dit document is om de vergunningverlening op gang te laten komen door voorstellen te doen voor een geborgde stikstofemissiereductie. Daarmee moet perspectief ontstaan voor natuur, de agrarische sector en andere activiteiten. Onderdeel van de voorstellen is dat ook de juridische kaders worden aangepast. Samengevat bevat het bouwstenendocument de volgende voorstellen: 1. Vervangen van kritische depositiewaarde in de wet door emissiereductie; 2. Borging door het Rijk dat Natuurdoelanalyses geen directe doorwerking naar derden hebben bij geborgde afspraken over emissiereductie; 3. Invoering van een rekenkundige ondergrens; 4. Een geborgde reductie van de emissie voor de agrarische sector van 42-46% in de periode 2019-2035; 5. Een geborgde reductie van de emissie voor de industrie en verkeer van 50% in de periode 2019-2035; 6. Ontwikkeling van gerichte en vrijwillige beëindigingsregelingen; 7. Invoering van bedrijfsemissienormen voor agrarische bedrijven vóór 2035; 8. Pleidooi voor een stevige gebiedsgerichte aanpak; 9. In beginsel zones van 250 meter tot stikstofgevoelige habitats; 10. Inzetten van de instrumenten (vrijwillige) kavelruil of (wettelijke) landinrichting; 11. Keuzevrijheid voor ondernemers tussen innoveren, verplaatsen, extensiveren en stoppen. De voorstellen sluiten aan bij de voorstellen van het kabinet in het Startdocument en vragen ook nog om nadere uitwerking. Net als voor de voorstellen uit het Startdocument geldt ook voor het Bouwstenendocument dat veel voorstellen de uitvoering van het LOS ondersteunen. Dat geldt met name voor de ontwikkeling van nieuwe beëindigingsregelingen, een stevige gebiedsgerichte aanpak met de mogelijkheid om het instrument van (vrijwillige) kavelruil en (indien nodig) het instrument van (wettelijke) landinrichting [3] Conform beleidslijn 8 van de nota Grond- en vastgoedbeleid wordt het instrument landinrichting enkel na zorgvuldige afweging ingezet op voorwaarde van sondering vooraf bij Provinciale Staten. De keuze of het instrument landinrichting wordt ingezet wordt per project- of gebiedsontwikkeling gemaakt. in te zetten en de route op weg naar meer doelsturing om de keuzevrijheid van agrarische ondernemers te vergroten. Deze elementen zijn ook al in dit LOS opgenomen. De provincie werkt verder graag mee aan een nadere uitwerking van de wettelijke voorstellen om na te kunnen gaan of de uitgewerkte voorstellen effectief en uitvoerbaar zijn en ook standhouden bij de rechter als deze toetst op de Europese regelgeving. We willen namelijk voorkomen dat nieuwe wettelijke voorstellen tot een volgende periode van onzekerheid voor inwoners en ondernemers leidt en tot vertragingen in de uitvoering van dit LOS. We willen meewerken aan ‘nieuwe schoenen’, maar niet zonder de ‘oude schoenen’ te vroeg weg te doen; dat brengt de geborgde aanpak in gevaar. Onze inzet blijft er met dit LOS dan ook op gericht om op basis van de huidige wetgeving en kaders zo snel mogelijk te komen tot vergunningverlening voor landbouw, wonen, energie en bedrijvigheid. Parallel hieraan ondersteunen we de verdere uitwerking van de wettelijke voorstellen. Als deze uitwerking ertoe leidt dat we onze ambitie beter of eerder kunnen realiseren dan integreren we deze in een bijstelling van onze aanpak. De provincie zal de voorstellen uit het Bouwstenendocument ook agenderen in het overleg met het Rijk (zie ook paragraaf 2.5 over de agenda voor het Rijk). Voorspelbaarheid is belangrijk voor ondernemers. Het Bouwstenendocument geeft dat ook aan en vraagt dan ook aan het Rijk om verantwoordelijkheid te nemen voor een geborgde emissiereductie en een houdbaar en voorspelbaar vergunningenstelsel. Tegelijkertijd zijn er verschillen zijn tussen provincies en gebieden en kan een provinciale of gebiedsgerichte aanpak maatwerk bieden en onderdeel uitmaken van voorspelbaar beleid. In vervolg op het ‘Bouwstenendocument Emissiereductie landbouw’ vinden op dit moment ook vergelijkbare gesprekken plaats in het IPO met landelijke natuur- en milieuorganisaties om tot voorstellen te komen. Ook de resultaten hiervan zullen als een belangrijke bouwsteen worden meegenomen bij de uitvoering van het LOS en in onze gesprekken met het Rijk. Voor al deze initiatieven en initiatieven die nog volgen blijft gelden: het maatregelenpakket in dit LOS blijft het vertrekpunt voor de uitvoering op korte termijn, maar is niet leidend. Het doelbereik op basis van de huidige wetgeving is leidend (zie ook het samenwerkingsprincipe in paragraaf 2.1). Als nieuwe maatregelen, bijvoorbeeld uit deze landelijke trajecten, aantoonbaar een grotere of meer kosteneffectieve bijdrage aan het doelbereik leveren met minder verstrekkende gevolgen, dan zullen we het maatregelenpakket aanpassen. 1.4 Status en positionering van het LOS Vrijwillig programma onder de Omgevingswet Dit LOS heeft de status van een ‘vrijwillig programma’ onder de Omgevingswet. [4] De term ‘vrijwillig’ betekent alleen dat het opstellen van dit programma niet voortvloeit uit een wettelijke verplichting. De term slaat niet op de geborgdheid van de maatregelen in dit programma. Het LOS is zelfbindend voor de provincie en zal formele doorwerking krijgen via onder meer de Omgevingsverordening. De vaststelling van dit programma is een bevoegdheid van Gedeputeerde Staten. Gezien de reikwijdte van de opgaven worden Provinciale Staten intensief betrokken bij de voorbereiding en uitvoering van het LOS. Een programma onder de Omgevingswet sluit goed aan bij wat nu nodig is: een thematische, gebiedsgerichte en resultaatgerichte uitwerking van het provinciale beleid op hoofdlijnen, dat is vastgelegd in de POVI en in sectorale beleidskaders. En dat is gebaseerd op Europese en nationale wettelijke kaders. Met de status van programma onder de Omgevingswet voorzien we in de juridische basis voor een geborgde aanpak om uitvoering te geven aan onze verplichtingen uit artikel 6, eerste en tweede lid, van de Europese Habitatrichtlijn. Dit LOS bevat de generieke en gebiedsgerichte maatregelen die daarvoor nodig zijn. Deze maatregelen worden uitgevoerd, gemonitord én bijgestuurd indien nodig. Met deze juridische basis voor een geborgde aanpak staan we ook sterker in onze argumentatie om handhavingsverzoeken voor PAS-melders te kunnen afwijzen. Van natuurherstel tot houdbare vergunningverlening Om weer tot houdbare vergunningverlening over te kunnen gaan geeft dit LOS inzicht in de keuzes die Gedeputeerde Staten hebben gemaakt om het behoud en het voorkomen van achteruitgang van de natuurwaarden te waarborgen. Het pakket van maatregelen en instrumenten in dit LOS is dan ook achtereenvolgens gericht op het stoppen van de verslechtering van de beschermde natuur in de Natura 2000-gebieden, het herstellen van de opgetreden verslechtering en het behalen van de gunstige staat van instandhouding. [5] Artikel 6 van de Vogel- en Habitat Richtlijn (VHR) spreekt naast maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit niet verslechtert (lid 2) ook over het treffen van instandhoudingsmaatregelen (lid 1). Om tot concrete vergunningverlening over te kunnen gaan, moeten ten tijde van de passende beoordeling voor de vergunningverlening van afzonderlijke projecten de verwachte voordelen en doeltreffendheid van de maatregelen kunnen worden aangetoond. Ook moet voldoende zeker zijn dat stikstofruimte die gebruikt wordt voor vergunningverlening niet nodig is om bij te dragen aan natuurherstel. In samenhang met provinciale omgevingsvisie en verordening Met dit LOS wordt voorgesorteerd op mogelijke aanpassingen die in het voorjaar van 2026 in de herziene Provinciale Omgevingsvisie (POVI) worden vastgelegd. De POVI bevat de hoofdlijnen en keuzes van het provinciale omgevingsbeleid. Deze kunnen worden uitgewerkt in programma’s en in de provinciale Omgevingsverordening. Het LOS is daarmee niet alleen een thematische en gebiedsgerichte bouwsteen voor, maar tegelijkertijd ook een programma ter uitwerking en uitvoering van de POVI. De besluitvorming over het LOS wordt parallel en in samenhang met de besluitvorming over aanpassing van de POVI en de provinciale Omgevingsverordening vormgegeven. De planning van de besluitvorming in 2025-2026 is in hoofdlijnen weergegeven in figuur 1.1. Het adaptieve karakter van het LOS brengt met zich mee dat het voor de hand ligt om bij een volgende - op basis van eerste monitoringsresultaten - bijgestelde versie van het LOS de procedure van de milieueffectrapportage (m.e.r.) te doorlopen. Het is namelijk aannemelijk dat een verder uitgewerkt LOS maatregelen bevat die kaderstellend kunnen zijn voor m.e.r.-plichtige vervolgbesluiten en/of gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Een deel van de beleidskeuzes voor het LOS wordt ook al gemaakt in de herziene POVI (denk aan de zonering van het landelijk gebied). De effecten van die keuzes zijn al in beeld gebracht in de plan-MER die voor de POVI is gemaakt. We kiezen ervoor om bij de uitvoering van dit LOS eerst in te zetten op het nader concretiseren van de maatregelen en instrumenten. Indien daartoe de juridische verplichting bestaat zal een plan-MER voor een volgende herijking van LOS worden opgesteld. Figuur 1.2. Mijlpalenplanning van het LOS in relatie met Omgevingsvisie en Verordening. 1.5 Verslag en resultaten participatie Op weg naar het Ontwerp-LOS en naar dit vastgestelde LOS heeft participatie plaatsgevonden. De gesprekken die we bij de totstandkoming van dit LOS hebben gevoerd, hebben tot aanpassingen geleid en er zijn ook onderwerpen voor nadere uitwerking geagendeerd. Deze willen we gezamenlijk concretiseren in de uitvoering en bij latere bijstellingen van het LOS. Daarbij nemen we ook het Bouwstenendocument van LTO/NAJK, IPO, VNG en UvW zoveel mogelijk mee, net als het mogelijk tot stand te komen bouwstenendocument dat voortkomt uit de gesprekken van het IPO met de landelijke natuur- en milieuorganisaties. In deze paragraaf beschrijven we welke participatie we hebben gedaan en tot welke aanpassingen dit heeft geleid. Hiermee geven we invulling aan de Omgevingswet (art. 10.8 Omgevingsbesluit) die vereist dat bij de vaststelling van een programma wordt aangegeven hoe inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Ook geven we hiermee invulling aan ons eigen participatiebeleid dat Gedeputeerde Staten en Provinciale Staten hebben vastgelegd in de ‘Nota Participatie onder de Omgevingswet Provincie Limburg’. Participatie op weg naar het Ontwerp-LOS van juli 2025Het Ontwerp-LOS is in eerste instantie tot stand gekomen in overleg met onze partners van de Plattelandscoalitie (PLC). In de Plattelandscoalitie zijn alle Limburgse partners verenigd, die bij de ontwikkeling en uitvoering van het LOS een belangrijke rol hebben. Daarom is de Plattelandscoalitie gevraagd om in elke fase van totstandkoming van het LOS Gedeputeerde Staten te adviseren over de aard en inhoud van de aanpak. De Plattelandscoalitie (PLC) bestaat uit de Limburgse Land- en Tuinbouwbond (LLTB), Limburgs Agrarisch Jongeren Kontakt (LAJK), Staatsbosbeheer, het Waterschap Limburg, Waterleiding Maatschappij Limburg, Natuurmonumenten, de Natuur- en Milieufederatie Limburg, de Stichting Het Limburgs Landschap, regiovertegenwoordigers van gemeenten, het Rijk (RTLG) en de Provincie Limburg. In de maanden maart-september 2025 heeft zesmaal ambtelijk overleg en viermaal bestuurlijk overleg met de PLC plaatsgevonden. Ambtelijk overleg PLC Bestuurlijk overleg PLC 13 maart;Over concept-redeneerlijn LOS; 3 april;Over gebiedsgerichte aanpak; 7 mei;Over eerste concept-teksten LOS; 12 juni;Over tweede concept-teksten LOS; 14 augustus;Over resultaten participatie; 28 augustus;Over gebiedsgerichte aanpak; 7 april;Over redeneerlijn LOS; 16 juni;Over concept-teksten LOS; 25 augustus;Over resultaten participatie; 8 september;Over advies PLC; In een sonderende commissievergadering van Provinciale Staten op 23 mei 2025 hebben 17 insprekers van de gelegenheid gebruik gemaakt om hun zorgen en aandachtspunten te delen met de leden van de commissie. In deze commissie-vergadering is door vele statenleden het belang van een intensieve participatie met onze partners nog eens expliciet benadrukt. Daarom zijn in juni aanvullende gesprekken gevoerd - ambtelijk en/of bestuurlijk - met vertegenwoordigers van verschillende gemeenten, Waterschap Limburg, Waterleiding Maatschappij Limburg, Limburgse Land- en Tuinbouwbond, Limburgs Agrarisch Jongeren Kontakt, Land- en Tuinbouw Organisatie, Natuur- en Milieufederatie Limburg, Stichting Limburgs Landschap, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, Limburgse Werkgeversvereniging en Midden- en Kleinbedrijf Limburg. Ook met het Rijk (RTLG) heeft ambtelijk overleg plaatsgevonden over recente ontwikkelingen en specifiek over de middelen voor de regionale maatwerkaanpak voor De Peel. Participatie op weg naar het vastgestelde LOS van september 2025 Na vaststelling van het Ontwerp-LOS op 1 juli 2025 is het participatieproces voortgezet om onderwerpen nader uit te werken en om het draagvlak voor de uitvoering van het LOS te versterken. In de maanden juli-september 2025 heeft nog tweemaal ambtelijk overleg en tweemaal bestuurlijk overleg met de PLC plaatsgevonden. Ook zijn de gesprekken voortgezet - ambtelijk en/of bestuurlijk - met verte In een sonderende commissievergadering van Provinciale Staten op 23 mei 2025 hebben 17 insprekers van de gelegenheid gebruik gemaakt om hun zorgen en aandachtspunten te delen met de leden van de commissie. In deze commissievergadering is door vele statenleden het belang van een intensieve participatie met onze partners nog eens expliciet benadrukt. Daarom zijn in juni aanvullende gesprekken gevoerd - ambtelijk en/of bestuurlijk - met vertegenwoordigers van verschillende gemeenten, Waterschap Limburg, Waterleiding Maatschappij Limburg, Limburgse Land- en Tuinbouwbond, Limburgs Agrarisch Jongeren Kontakt, Land- en Tuinbouw Organisatie, Natuur- en Milieufederatie Limburg, Stichting Limburgs Landschap, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, Limburgse Werkgeversvereniging en Midden- en Kleinbedrijf Limburg. Ook met het Rijk (RTLG) heeft ambtelijk overleg plaatsgevonden over recente ontwikkelingen en specifiek over de middelen voor de regionale maatwerkaanpak voor De Peel. genwoordigers van het ministerie van LVVN, gemeenten in vier regio’s,Waterschap Limburg, Waterleiding Maatschappij Limburg, Limburgse Land- en Tuinbouwbond, Limburgs Agrarisch Jongeren Kontakt, Land- en Tuinbouw Organisatie, Natuur- en Milieufederatie Limburg, Stichting Limburgs Landschap, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, Stichting Natuurlijk Geuldal, Limburgse Werkgeversvereniging en Midden- en Kleinbedrijf Limburg, Rabobank en Vitelia Voeders BV. Resultaten en aanpassingen op basis van de participatie Alle reacties uit het participatietraject zijn door Gedeputeerde Staten meegewogen in het vastgestelde LOS dat nu voorligt. In hoofdlijnen zijn de resultaten uit de participatie hierin als volgt verwerkt. ● Veel reacties vragen aandacht voor meer evenwicht in de bijdragen van verschillende sectoren aan de stikstofreductie. De aandacht ging nog overwegend uit naar de bijdrage van de landbouw. Ook hebben veel gemeenten gewezen op de grote bijdrage aan de stikstofdeposities in Limburg vanuit het buitenland. In dit LOS is dat evenwicht hersteld. Er is meer informatie opgenomen over de bijdrage van alle landelijke bronnen aan de stikstofdeposities in Limburg en ook over de maatregelen die voor de industrie worden genomen. De rol van het Rijk en van de provincie is daarbij verduidelijkt. Ook is een extra samenwerkingsprincipe ‘Alle sectoren dragen bij’ opgenomen om het belang hiervan te onderstrepen. Dit samenwerkingsprincipe is ontleend aan de ‘Bouwstenennotitie Emissiereductie Landbouw’, opgesteld door LTO, NAJK, IPO, VNG en UvW. Ook is duidelijker aangegeven dat de bijdragen van alle sectoren, aangrenzende provincies en het buitenland zullen worden meegenomen in de periodieke monitoring van het doelbereik. Dit alles heeft in het LOS tot een meer evenwichtige toonzetting geleid. ● Landbouworganisaties hebben aandacht gevraagd voor voorstellen voor aanpassing van de grondslag van de wettelijke doelen (van depositie in een gebied naar bedrijfsemissie) en van het vergunningenstelsel (waaronder invoering rekenkundige ondergrens). Deze voorstellen zijn opgenomen in het ‘Startpakket Nederland van het slot’ (februari 2025) en in de ‘Bouwstenennotitie Emissiereductie Landbouw’ (juli 2025). In het LOS is duidelijker aangegeven hoe het LOS zich tot deze voorstellen verhoudt. De provincie steunt verdere uitwerking van deze voorstellen en zal deze ook agenderen in het overleg met het Rijk. Wel houdt de provincie met dit LOS vast aan een voortvarende aanpak van het LOS op basis van het huidige wettelijke kader en vergunningenstelsel. ● Veel andere voorstellen uit het Startdocument en het Bouwstenen-document ondersteunen de uitvoering van dit LOS. Dat geldt met name voor de ontwikkeling van nieuwe, landelijke beëindigingsregelingen, een stevige gebiedsgerichte aanpak met de inzet van het instrument (vrijwillige) kavelruil en (indien nodig) het instrument (wettelijke) landinrichtingen de route op weg naar meer doelsturing om de keuzevrijheid van agrarische ondernemers te vergroten. Deze elementen waren al in het Ontwerp-LOS opgenomen; het belang daarvan is in dit vastgestelde LOS verder onderstreept. ● Veel vragen zijn gesteld over de gebiedsgerichte aanpak (onder meer over het verschil tussen de ‘basisinzet’ en de ‘versnelde en extra inzet’ voor de vier Natura 2000-focusgebieden) en over de status en ‘hardheid’ van het pakket aan gebiedsgerichte maatregelen dat is opgenomen in bijlage 2. Op basis van die reacties is de gebiedsgerichte aanpak verder uitgewerkt; er is nu omschreven uit welke elementen deze basisinzet bestaat. Ook zijn de uitgangspunten voor de gebiedsgerichte aanpak verduidelijkt. Het pakket aan gebiedsgerichte maatregelen in bijlage 2 is verder aangescherpt, te beginnen voor de vier Natura 2000-focusgebieden. Daarbij is met name aangegeven wat de huidige stand van zaken is; waarvoor lopen nog onderzoeken, welke maatregelen moeten nog worden uitgewerkt en welke zijn al concreter. Ook zijn de voorlopige contouren van de overgangsgebieden, zoals opgenomen in het ontwerp van de POVI, opgenomen om nu al richting te kunnen geven aan de plannen die voor gebieden zullen worden opgesteld. Definitieve besluitvorming over de overgangsgebieden vindt plaats bij de definitieve vaststelling van de POVI, naar verwachting in het voorjaar van 2026. Een vergelijkbare uitwerking van de gebiedsgerichte maatregelen voor de andere Natura 2000-gebieden volgt nog tijdens de uitvoering van het LOS. Dit hele pakket van gebiedsgerichte maatregelen vormt de basis vormt voor verdere uitwerking, onderbouwing en uitvoering in overleg met de gebiedspartners rond alle Natura 2000-gebieden. ● In reactie op vragen van Waterschap Limburg en Waterleidingbedrijf Limburg is bij de ambitie en doelen van het LOS verduidelijkt vanuit welke scope dit LOS bijdraagt aan het bereiken van de KRW-doelen en aan grondwaterbescherming. Dit geeft meer richting aan wat in de gebiedsprocessen en -projecten voor deze doelen mag worden verwacht. ● Veel zorgen zijn ook geuit over het inzicht in de verwachte effecten van het totale maatregelenpakket in het LOS in relatie met het zicht op eerste vergunningverlening. Inzicht in de verwachte effecten van alle maatregelen is ook een belangrijk onderdeel van een geborgde aanpak. Daarom is in dit LOS een uitgebreidere toelichting en onderbouwing opgenomen. Die is al voor een deel gebaseerd op berekeningen van die effecten. Maar voor deel zijn aannames gedaan om deze effecten beter in beeld te krijgen op basis van de huidige kennis en informatie. Tijdens de uitvoering van het LOS zal het onderzoek naar de verwachte effecten worden voortgezet als basis voor tussentijdse monitoring van het doelbereik en bijstelling van maatregelen waar nodig. ● Ook andere onderdelen om te komen tot een geborgde aanpak zijn in dit LOS verder geconcretiseerd naar aanleiding van de reacties. Zo zijn voor elk Natura 2000-gebied de dalende stikstofdepositielijnen uitgewerkt met concrete tussendoelen voor 2030 en 2035 en met een einddoel voor 2040. Op basis hiervan wordt het mogelijk tijdens de uitvoering van het LOS eerder in beeld te hebben of we met het doelbereik op koers liggen. Ook is scherper aangegeven welke stappen moeten worden doorlopen om perspectief te geven op vergunningverlening (om te voldoen aan de vereiste van additionaliteit). Wanneer dit daadwerkelijk leidt tot vergunningverlening voor concrete initiatieven en projecten is vooraf niet met zekerheid te zeggen. In het LOS zijn wel de bepalende factoren en onzekerheden hiervoor opgenomen. Op basis daarvan is ook een eerste inschatting opgenomen dat vergunningverlening - in de gebieden waar dat nu niet mogelijk is - vanaf eind 2027 weer mogelijk moet kunnen zijn. ● Veel gesprekspartners onderschrijven het belang van de geborgde aanpak van het LOS voor de reductie van stikstofdeposities in Limburg, maar vragen nadrukkelijk aandacht voor het in beeld brengen van de sociaal-economische impact van de maatregelen. In het LOS is daarom aangegeven dat die tijdens de uitvoering in beeld worden gebracht zodat effecten voor herstel van natuur en water kunnen worden gewogen in relatie met de effecten voor de landbouw en de leefbaarheid van het landelijk gebied. Er is specifiek aandacht gevraagd voor de sociaal-economische problemen van stoppers en voor de kansen die zouden kunnen ontstaan bij het benutten van vrijkomende agrarische bebouwing. Het onderzoek naar de economische en sociaal-economische effecten zal ook worden benut om mogelijke maatregelen voor compensatie van negatieve sociaal-economische effecten in beeld te brengen. ● Door verschillende gesprekspartners is gevraagd hoe de stikstofruimte die op termijn vrijkomt, kan worden benut voor verschillende sectoren. In eerste instantie moet deze ruimte vanwege Europese regelgeving worden benut voor natuurherstel. In het LOS worden regels aangekondigd voor hoe de extra stikstofruimte kan worden benut via een doelgebonden stikstofbank. Als voorkeursvolgorde wordt daarbij uitgaan van het benutten van deze ruimte voor achtereenvolgens geverifieerde PAS-melders, interimmers [6] Zie verdere toelichting in paragraaf 3.2 bij generieke maatregel over de Limburgse stikstofbank. , projecten die de gebiedsgerichte aanpak ondersteunen (bijvoorbeeld agrarische bedrijven die willen extensiveren), woningbouwprojecten en projecten voor de energietransitie. ● Vanuit de gemeenten in De Peel is gevraagd om de Natura 2000-focusgebieden uit te breiden met het Natura 2000-gebied Weerter- en Budelerbergen & Ringselven. Daarmee zou een meer samenhangende aanpak met andere Natura 2000-gebieden in De Peel beter mogelijk zijn en meekoppelkansen kunnen worden benut. In dit LOS is de keuze gemaakt om de Natura 2000-focusgebieden niet verder uit te breiden om de vooralsnog beperkt beschikbare middelen en capaciteit te kunnen blijven richten op een beperkt aantal gebieden. Wel zal bij de gebiedsgerichte aanpak voor het focusgebied De Peel de samenhang met dit Natura 2000-gebied worden uitgewerkt, zodat geen meekoppelkansen voor De Peel als geheel verloren kunnen gaan. ● In de reacties is ook om verduidelijking gevraagd van de relatie tussen dit LOS, de POVI en de provinciale Omgevingsverordening. Deze samenhang is verder verduidelijkt door het LOS zowel als bouwsteen als uitwerking van de POVI te positioneren. Daarmee wordt de wisselwerking - inhoudelijk en in de tijd - tussen deze drie instrumenten benadrukt. De planning voor de vaststelling van deze drie instrumenten is in het LOS geactualiseerd. Met name de vaststelling van de zonering voor het landelijk gebied in de POVI en de doorwerking daarvan met aanvullende regels in de Omgevingsverordening zijn een belangrijk onderdeel van een geborgde aanpak. ● Om de ambitie van dit LOS te kunnen realiseren zijn we langjarig in sterke mate afhankelijk van het Rijk, zowel ten aanzien van financiële middelen en de inzet van generieke instrumenten als voor mogelijke aanpassingen in wet- en regelgeving. Veel gesprekspartners roepen ons op om onverminderd met het Rijk daarover in gesprek te blijven, zodat we een LOS kunnen uitvoeren dat realistisch is. 1.6 Leeswijzer Na dit hoofdstuk bevat Hoofdstuk 2 Strategie de ambities en doelen die we met het LOS willen bereiken en de wijze waarop we dat willen doen. Op basis van welke samenwerkingsprincipes, via welke uitvoeringsroute en via een geborgde aanpak. Hoofdstuk 3 Maatregelen en instrumenten bevat een concreet pakket van generieke en gebiedsgerichte maatregelen voor de korte termijn met een doorkijk voor de uitvoering op middellange termijn. Hoofdstuk 4 Uitvoering en organisatie beschrijft de wijze waarop we de uitvoering van het LOS en de organisatie van de uitvoering vorm willen geven. In de bijlage 1 is een overzicht opgenomen van de dalende stikstofdepositielijn per Natura 2000-gebied, met tussendoelen voor 2030 en 2035 en een einddoel voor 2040. Bijlage 2 bevat een overzicht van maatregelen per Natura 2000-gebied, als basis voor de uitvoering in nauwe samenwerking met onze gebiedspartners. Hoofdstuk 2 Strategie 2.1 Ambitie en doelen van het LOS Ambitie Gedeputeerde Staten heeft met het LOS de ambitie om concrete resultaten te bereiken voor reductie van de stikstofdeposities, natuurherstel en perspectief op vergunningverlening voor economische en maatschappelijke ontwikkelingen. Een structurele daling van de stikstofdepositie en een duurzaam herstel van onze natuurgebieden kan economische initiatieven en perspectief voor alle sectoren - via vergunningverlening - weer mogelijk maken. Daarvoor willen we de beschikbare financiële middelen en instrumenten in samenhang inzetten en beginnen met wat nu al mogelijk is. In de uitvoering willen we nauw samenwerken met gebiedspartners en initiatiefnemers die resultaten willen halen. De ontwikkelingen en maatregelen worden in regionale en lokale samenhang ‘van onderop’ aangepakt. Op deze wijze maken we ontwikkelingen weer mogelijk, waarbij we tegelijkertijd natuur en water beschermen en herstellen. Hoofddoelen LOSOm de ambitie waar te maken, streeft de provincie met dit LOS twee doelen na: ● Realisatie van perspectief voor inwoners en ondernemers in Limburg door zo snel mogelijk meer duidelijkheid te bieden over de randvoorwaarden waarbinnen ondernemers kunnen opereren en door oplossingen te bieden voor een houdbare vergunningverlening voor projecten op het gebied van wonen, werken (waaronder landbouw) en bereikbaarheid; ● Realisatie van de wettelijke kerndoelen voor stikstof, natuur (soorten en leefgebieden) en water voor de provincie Limburg, gericht op een houdbare vergunningverlening én een duurzaam landelijk gebied. Beide hoofddoelen worden waar mogelijk in samenhang met andere opgaven en doelen gerealiseerd. Uitwerking hoofddoelstellingen De eerste doelstelling is uitgewerkt in een overzicht van aan de provincie opgedragen wettelijke kerndoelen voor stikstof, natuur en water met een aanduiding wanneer deze doelen moeten zijn gerealiseerd (zie fig. 2.1). Het bereiken van deze doelen is leidend voor onze langjarige programmatische aanpak en de periodieke monitoring van het doelbereik, waarbij we afhankelijk zijn van beschikbaarheid van middelen voor uitvoering en nadeelcompensatie. De maatregelen in dit LOS zijn er niet op gericht om verder te gaan dan het bereiken van deze wettelijke doelen (er is geen sprake van ‘een kop op het rijksbeleid’). Alleen wachten we niet langer op de uitwerking van de voorstellen uit het ‘Startpakket’ van het Rijk (zie toelichting in H1). Uiteraard zullen die nadere uitwerkingen wel worden meegenomen in de uitvoering van het LOS. Bij de realisatie van deze doelen streven we er - waar mogelijk - wel naar ook aanvullende ambities en afspraken in de gebiedsprocessen te realiseren, bijvoorbeeld de aanleg en revitalisering van bossen, het behoud van voldoende grasland, ontwikkeling van groenblauwe dooradering en landschap (via intensivering van Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer) en klimaatadaptatie. Thema Uitwerking wettelijke doelen voor Limburg Natuur Vogel- en Habitat Richtlijn (VHR) en Natuurherstel-verordening ● Uiterlijk in 2030 zijn zoveel mogelijk de landelijk negatieve trends voor alle VHR-soorten en -habitattypen gestopt ● Uiterlijk in 2030 zijn op minstens 30%, uiterlijk in 2040 op minstens 60% en uiterlijk in 2050 op minstens 90% van de niet in goede toestand verkerende oppervlaktes van de in bijlage I van de verordening opgenomen habitattypen herstelmaatregelen genomen om ze in een goede toestand te brengen. ● Uiterlijk in 2030, 2040 en 2050 zijn herstelmaatregelen genomen die nodig zijn om de in bijlage I van de verordening opgenomen habitattypen opnieuw te ontwikkelen in gebieden waar die habitattypen niet voorkomen, teneinde de gunstige referentieoppervlakte voor die habitattypen te realiseren. In het ‘Beleidskader Perspectief landelijk gebied’ is dit vertaald in: realisatie van 1.300 ha nieuwe natuur (deels overlappend met resterende ontwikkelopgave voor het Nationaal Natuurnetwerk) en 11.100 ha nieuwe agrarische natuur Natuurnetwerk en Natuurpact ● Uiterlijk in 2027 verwerving/zelfrealisatie van 817 ha en inrichting van 980 ha voor nieuwe natuur ter afronding van Nationaal Natuur Netwerk in Limburg (op basis van stand van zaken op 1 januari 2025) Stikstof Wet stikstofreductie en natuurherstel (Wsn) ● 40% van het areaal van stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden in 2025 onder de kritische depositiewaarde [7] In de Bouwstenennotitie van IPO, VNG, UvW, LTO en NAJK wordt het voorstel gedaan om deze drie doelen te gaan vervangen door emissiereductiedoelen met een emissiereductie van 42-46% voor de agrarische sector en van 50% voor industrie en verkeer in 2035 met een tussendoel in 2030. In het LOS baseren we ons op de huidige, wettelijk vastgelegde doelen zoals opgenomen in de tabel. ● 50% van het areaal van stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden in 2030 onder de kritische depositiewaarde ● 74% van het areaal van stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden in 2035 onder de kritische depositiewaarde ● Deze drie landelijke, wettelijke doelen zijn in het ‘Beleidskader Perspectief voor het landelijk gebied’ vertaald naar een voorgenomen bijdrage van Limburg in de emissie-reductie van circa 3 Kton ammoniak in 2030 [8] In de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering (WSN) is opgenomen dat in 2030 50% van de stikstofgevoelige habitats onder de kritische depositiewaarde moet zitten. In het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) is dit vertaald in een emissiereductie-opgave van 39kton voor Nederland en 3kton voor Limburg. Deze opgave is overgenomen en vastgelegd in het ‘Beleidskader perspectief voor het landelijk gebied’ van de provincie Limburg (vastgesteld door Provinciale Staten). Het is daarmee ook één van de indicatoren waarop PS worden geïnformeerd over de voortgang. Hoewel het NPLG is vervallen, blijft de wettelijke grondslag van dit doel overeind en is de vertaling in de opgave van 3kton voor Limburg onderdeel van vigerend provinciaal beleid. Water & bodem Kaderrichtlijn Water (KRW) Uiterlijk in 2027 zijn alle maatregelen genomen die nodig zijn om grond- en oppervlaktewaterlichamen in een goede kwantitatieve en kwalitatieve toestand te brengen conform het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). [9] Na het uitvoeren van maatregelen kan het soms door natuurlijke omstandigheden nog enige tijd duren voordat de beoogde goede toestand bereikt wordt. In Nederland wordt dit daarom zo geïnterpreteerd dat alle maatregelen uiterlijk in 2027 zijn uitgevoerd, zodanig dat daarmee dan ook “gegarandeerd” is dat dit leidt tot die goede toestand. De condities hiervoor zijn op orde gebracht. Dit is gebaseerd op uitleg van art 4.4 van de KRW. In het ‘Beleidskader Perspectief voor het landelijke gebied’ van de provincie Limburg is ook geschreven dat de maatregelen uiterlijk in 2027 moeten zijn uitgevoerd. Dit houdt in: ● Uiterlijk in 2027 zijn alle maatregelen genomen waarmee invulling kan worden gegeven aan de eisen die Natura 2000-gebieden stellen aan waterkwaliteit en waterkwantiteit; ● Uiterlijk in 2027 zijn maatregelen genomen waarmee de concentraties nutriënten (fosfaat en stikstof) in grond- en oppervlaktewaterlichamen zullen gaan voldoen aan de geldende normen; ● Uiterlijk in 2027 zijn maatregelen genomen waarmee de concentraties gewasbeschermingsmiddelen in grond- en oppervlaktewaterlichamen zullen gaan voldoen aan de wettelijke normen; ● Uiterlijk in 2027 zijn alle maatregelen genomen waarmee invulling wordt gegeven aan biologische doelen voor oppervlaktewaterlichamen, waaronder het in meer natuurlijke toestand brengen van oppervlaktewater-lichamen. Figuur 2.1. Overzicht wettelijke kerndoelen voor stikstof, natuur en water In afstemming met inspanningen in het buitenland Onze grensligging brengt extra uitdagingen met zich mee. De depositie van stikstof uit het buitenland is groot. Ook de belasting van het oppervlaktewater via instroom van beken uit het buitenland is fors. Het behalen van de doelen is hierdoor ook afhankelijk van de inspanningen van onze buren. We willen de verantwoordelijkheid voor ons eigen provinciale aandeel op ons nemen en het overleg intensiveren om tot een grensoverschrijdende aanpak te komen. Dit doen we zelfstandig en ook samen met het Rijk. Toelichting op waterdoelen in relatie met de scope van dit LOS In het eerste hoofddoel van het LOS wordt gesproken over de realisatie van de wettelijke doelen voor stikstof, natuur en water. Voor water hoort hier een nuancering bij. In figuur 2.1 staan de waterdoelen vanuit de Kaderrichtlijn Water opgesomd. Deze staan hier als referentie van de waterdoelen die ook in Limburg gehaald zullen moeten worden. Dit betekent niet dat de scope van het LOS al deze doelen voor het hele landelijk gebied van Limburg betreft. De focus van het LOS ligt op het herstellen van N2000-gebieden. In dat kader moet ook in het LOS met watermaatregelen gewerkt worden aan deze waterdoelen, maar alleen voor zover ze bijdragen aan de N2000-gebieden. Te verwachten is dat door diverse generieke maatregelen uit het LOS ook wordt bijgedragen aan het bereiken van de waterdoelen op andere plekken dan alleen in de directe invloedzone van N2000- gebieden. Het betekent bijvoorbeeld dat we in het LOS er niet voor gaan zorgen dat bijvoorbeeld in alle beken de doelstellingen worden gehaald, of dat de grondwaterkwaliteit in grondwaterbeschermingsgebieden overal wordt gehaald. Hiervoor lopen al andere trajecten (waaronder de KRW-Aanpak en provinciaal Aanvalsplan Waterkwaliteit) of dienen deze nog opgepakt te worden (bijvoorbeeld over kwaliteit in grondwaterbeschermingsgebieden in vervolg op Duurzaam Schoon Grondwater). 2.2 Samenwerkingsprincipes In Limburg doen we het samen! ‘In Limburg doen we het samen!’ is en blijft ons motto. We zoeken de verbinding met mensen en hechten veel waarde aan de mening van onze partners en initiatiefnemers in het landelijk gebied. Op het Rijk, de provincie, waterschap en gemeenten rust de verantwoordelijkheid om als één overheid samen te werken, de inzet af te stemmen en deze helder en eenduidig over te brengen. Zo zien we dit programma ook als een nadere onderbouwing van een financieel appèl op het Rijk. In de samenwerking in gebiedsprocessen en gebiedsprojecten hoeven we niet altijd de trekker te zijn, maar kunnen we ook optreden als opdrachtgever, leverancier van kennis en capaciteit, als ambassadeur en/of als subsidient van maatregelen. Samendoen doet ook een beroep op de inzet van onze partners, bijvoorbeeld door samen verantwoordelijkheid te nemen en eigen capaciteit en middelen in te zetten om deze gebiedsgericht en gebundeld te willen inzetten.Om samen tot een effectieve uitvoering te komen, werken we vanuit vijf principes: ● Doelbereik is leidend. De provincie Limburg wil de vigerende nationale en provinciale doelen op het gebied van stikstof, natuur en water afrekenbaar halen. Samenwerken op basis van vrijwilligheid is het uitgangspunt. Het maatregelenpakket uit dit LOS is het vertrekpunt voor de uitvoering op korte termijn, maar niet leidend. Als nieuwe maatregelen en instrumenten - bijvoorbeeld van het kabinet, uit het IPO-traject of in de gebiedsprocessen - aantoonbaar een grotere, of meer kosteneffectieve bijdrage aan het doelbereik leveren met minder verstrekkende gevolgen, zullen eerdere maatregelen en instrumenten worden aangepast. Deze ‘omwisselbesluiten’ zorgen voor flexibiliteit en adaptiviteit. Om tegelijkertijd voldoende zekerheid te bieden, worden omwisselbesluiten in principe alleen aan formele beslismomenten over bijstellingen van het LOS gekoppeld; ● Alle sectoren dragen bij. Alle sectoren in Limburg moeten een substantiële bijdrage leveren aan de stikstofdaling. Voor ondernemers in verschillende sectoren is het noodzakelijk dat de opgave eenduidig en voorspelbaar is. Sectoren als landbouw, industrie en mobiliteit moeten in staat worden gesteld om vanuit eigen professionaliteit en vakmanschap invulling te geven aan het doelbereik. De aanpak in dit LOS richt zich dan ook op meerdere sectoren (zie maatregelen in hoofdstuk 3). Ook in de monitoring van het LOS zal inzichtelijk worden gemaakt welke sector welke vooruitgang boekt in het doelbereik. Wel verschillen per sector het aandeel in de stikstofdeposities in Limburg én de mogelijkheden die de provincie heeft om maatregelen te nemen en instrumenten in te zetten. Daarom zal de provincie in overleg met het Rijk erop blijven toezien dat maatregelen worden genomen, zodat alle sectoren bijdragen aan het doelbereik; ● Uitvoering in stappen. De opgaven zijn groot, de beschikbare middelen en capaciteit voor de eerste fase zijn nog beperkt. Niet alles kan tegelijk worden aangepakt. We gaan eerst aan de slag met het inzetten van de middelen en menskracht die we al hebben, op basis van de prioriteiten, doelen en criteria die we hebben geformuleerd. Dit betekent concreet dat we kiezen voor maatregelen die al snel tot een bijdrage aan het doelbereik leiden. Ook kiezen we voor een extra en versnelde inzet van maatregelen in de vier focusgebieden. Als we moeten kiezen tussen maatregelen zetten we in op maatregelen waarvan we op dat moment het grootste integrale doelbereik verwachten tegen de laagste kosten op korte en lange termijn. Bij de gebiedsgerichte aanpak in gebiedsprocessen en gebiedsprojecten werken we zo veel mogelijk met een uniforme aanpak volgens onze ‘Routekaart Gebiedsgerichte Aanpak’. Op basis daarvan werken we per gebied uit de verschillende fasen met tussentijdse mijlpalen en besluiten over wat we wanneer willen bereiken (opgaven, doelen en resultaten), hoe we dat willen bereiken (met welke instrumenten en middelen) en met welke onderlinge verdeling van taken en bevoegdheden. Het van onderop uitwerken van deze aanpak biedt helderheid in de samenwerking met alle partners. Om meer slagkracht daarin te bereiken, gaan we per gebied na welke verbeteringen in die aanpak op basis van ervaringen nog nodig zijn; ● Individuele keuzeruimte binnen collectieve kaders. Elke ondernemer in Limburg moet binnen de kwetsbaarheden van het gebied waarin hij of zij actief is, een bewuste keuze kunnen maken voor de toekomstige ontwikkeling van het bedrijf – of dat nu doorgroeien, omschakelen (bijvoorbeeld naar een extensiever of natuurinclusiever bedrijfsmodel) of beëindigen is. Hierbij blijft het uitgangspunt dat iedere ondernemer verantwoordelijkheid neemt voor de omgeving waarin hij onderneemt. Dit vraagt van de samenwerkende overheden om heldere, langjarige kaders waarop door ondernemers tijdig kan worden geanticipeerd en om adequate ondersteuning bij de gevraagde aanpassingen; ● Inrichting, beheer en onderhoud gaan samen. Als we beginnen met inrichtingsmaatregelen dan willen we dat er ook voldoende zekerheid is dat beheer en onderhoud langjarig zijn geregeld. 2.3 Uitvoeringsroute in hoofdlijnen De urgentie van de opgaven en de onzekerheden voor ondernemers in alle sectoren maken dat we snelheid moeten maken in de uitvoering van maatregelen. Niet alles kan tegelijk en overal worden aangepakt; daarvoor zijn de beschikbare middelen en de uitvoeringscapaciteit te beperkt. In deze uitvoeringsroute geven we daarom aan hoe en in welke stappen we de uitvoering willen aanpakken. Van start met gelijktijdige inzet op generieke én gebiedsgerichte maatregelenOm onze hoofddoelstellingen te realiseren is de eerste stap dat op korte termijn volop wordt ingezet op een geborgde aanpak voor emissiereductie van stikstof en herstel van natuur, waterkwaliteit en -kwantiteit in en om de Limburgse Natura 2000-gebieden. De maatregelen die we als eerste nemen moeten, gefaseerd in de tijd, leiden tot:
  4. a)het stoppen van de verslechtering van de beschermde natuur in de Natura 2000-gebieden,
  5. b)het herstellen van de opgetreden verslechtering en uiteindelijk
  6. c)het behalen van de (landelijke) gunstige staat van instandhouding. Om dit te bereiken kiezen we voor een gelijktijdige inzet op generieke én gebiedsgerichte maatregelen en instrumenten. Generieke maatregelen bestaan uit generieke instrumenten die rijk en provincie inzetten. Die gelden voor heel Limburg of voor specifieke gebieden. Denk aan financiële regelingen voor vrijwillige beëindiging van veehouderijbedrijven, aanscherping van regels via de provinciale verordening of de inzet van provinciaal grondbeleid. In hoofdstuk 3 zijn tien generieke maatregelen en instrumenten beschreven. In combinatie met generieke maatregelen zijn gebiedsgerichte maatregelen nodig om gebiedsgericht maatwerk te kunnen leveren. Deze bestaan uit inrichtings- en beheersmaatregelen die in en om Natura 2000-gebieden worden genomen. In bijlage 2 is een eerste overzicht van maatregelen voor elk Natura 2000-gebied opgenomen. Deze zullen in gebiedsprocessen nog verder worden onderbouwd, aangevuld en aangescherpt rekening houdend met de lokale situatie en gebiedskenmerken. De gelijktijdige inzet van generieke én gebiedsgerichte maatregelen zal moeten leiden tot het doelbereik. De verhouding tussen generieke en gebiedsgerichte maatregelen kan in de tijd en per gebied verschillen. Daar waar via generieke maatregelen al het doelbereik in zicht komt, hoeven minder gebiedsgerichte maatregelen te worden genomen. En daar waar via gebiedsgericht maatwerk de doelen worden bereikt, kunnen generieke maatregelen worden aangepast. De flexibiliteit die dit oplevert zullen we tijdens de uitvoering goed moeten blijven afwegen tegen de behoefte bij veel ondernemers en gebiedspartners aan voorspelbaar provinciaal beleid. Figuur 2.2. Pakket van maatregelen en instrumenten in het LOS. Parallel aan de uitvoering van maatregelen voor stikstofreductie blijven maatregelen in Natura 2000-gebieden nodig om de effecten van vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepositie te bestrijden. Tegelijkertijd werken we aan voldoende water van goede kwaliteit en het realiseren van verbindingen tussen natuurgebieden. Om tot een gunstige staat van instandhouding te komen is het ook nodig om arealen van bepaalde habitattypen en leefgebieden te herstellen of uit te breiden. Onderbouwingen daarvoor leveren we aan. Rondom de Natura 2000-gebieden zal landbouw kunnen plaatsvinden binnen randvoorwaarden die het Natura 2000-gebied stelt aan hydrologische condities, nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen. We willen in deze gebieden agrariërs tegemoetkomen voor de inspanningen die ze doen om de juiste omgevingscondities voor het Natura 2000-gebied te creëren. Fasering in gebiedsgerichte aanpak: een versnelde, extra inzet in vier ‘focusgebieden’ naast een basisinzet voor alle Natura 2000-gebieden Niet alles kan overal en tegelijk worden aangepakt. Om de beschikbare middelen, capaciteit en instrumenten zo effectief mogelijk in te zetten, komen we tot de volgende fasering van de aanpak in en om Natura 2000-gebieden: 1. We gaan op korte termijn versneld en met een extra inzet aan de slag in en rondom die Natura 2000-gebieden waar de meest urgente opgaven op het gebied van stikstofemissiereductie en natuurherstel liggen, waar er al initiatieven zijn om bij aan te sluiten én waar we meekoppelkansen zien voor (herstelde) ontwikkelruimte voor wonen, werken (waaronder Pas-melders) en infrastructuur. Op grond van deze criteria richten we deze versnelde en extra inzet op vier ‘focusgebieden’: de Peel (Groote Peel en Mariapeel en Deurnsche Peel), Sarsven en de Banen, Maasduinen en Geuldal- Mergelland (Bunder- en Elslooërbos, Geuldal en Bemelerberg en Schiepersberg). Het natuurherstel in deze gebieden is gericht op het stoppen van de verslechtering, op het herstellen van de opgetreden verslechtering én op het halen van de instandhoudingsdoelen; 2. We gaan gelijktijdig aan de slag met een basisinzet in alle overige Natura 2000-gebieden om zo snel mogelijk de verslechtering van natuurwaarden te stoppen en het herstel in te zetten. Het halen van de instandhoudingsdoelen zal hier naar verwachting meer tijd vragen. Ook in deze basisinzet geven we wel al invulling aan een samenhangende aanpak van de opgaven voor stikstof, natuur en water (kwantiteit en kwaliteit), bijvoorbeeld door gebruik te maken van al lopende projecten als ‘Waterwinst’ (LLTB) en ‘Duurzaam Schoon Grondwater’ (WML); 3. We zetten vervolgens de aanpak in alle niet-focusgebieden voort om in aanvulling op het stoppen van de verslechtering ook een gunstige staat van instandhouding te bereiken. Het tempo van de aanpak voor deze gebieden zal afhankelijk zijn van nieuwe (Rijks)middelen en capaciteit. Maatregelen in en om Natura 2000-gebieden maken onderdeel uit van een bodem- en watersysteem dat veel verder reikt. De maatregelen in Natura 2000-gebieden worden daarom al zoveel mogelijk afgestemd op maatregelen in de directe omgeving van deze gebieden. Maar het is nodig de maatregelen in en om Natura 2000-gebieden in samenhang te zien met de aanpak in veel grotere delen van het bodem- en watersysteem van Limburg. In het ontwerp van de POVI is daarom de ‘Groenblauwe landbouwzone’ opgenomen. Landbouw blijft in deze zone een leidende functie, maar dient zich te verhouden tot wettelijke doelen voor natuur en water. Hierin wordt de balans gezocht tussen beschermde waarden, duurzame vormen van landbouw en andere gebruiksfuncties. Parallel ontwikkelend economisch perspectief voor Limburg Parallel aan de uitwerking én uitvoering van het pakket maatregelen voor emissiereductie van stikstof en herstel van natuur, waterkwaliteit en -kwantiteit in en om de Limburgse Natura 2000-gebieden zal geleidelijk aan meer perspectief voor landbouw, industrie, woningbouw en infrastructuur ontstaan. Dit is afhankelijk van het tempo waarin we concrete en effectieve maatregelen kunnen uitvoeren. Voor emissiereductie van stikstof en herstel van natuur en water zetten we op korte termijn in op bronmaatregelen. Centraal daarin staan de financiële regelingen gericht op beëindiging van veehouderijbedrijven en aanscherping van regels in overgangsgebieden. Duidelijkheid over welke financiële ondersteuning beschikbaar is en over welke gebiedsgerichte randvoorwaarden gaan gelden voor bedrijfsactiviteiten moeten agrarische ondernemers in staat stellen om af te wegen of, en op welke wijze ze hun bedrijf kunnen en willen voortzetten. Voor de landbouw [10] Zie bijvoorbeeld de uitwerking van vijf verschillende transitiepaden voor de landbouw in ‘Een optimistisch manifest: over goed eten, mooi groen en sterk ondernemerschap’, LTO. willen we ruimte voor verschillende transitiepaden, van meer intensieve tot extensieve vormen van landbouw. Het resultaat van alle afwegingen van agrarische ondernemers zal zich ruimtelijk vertalen; er komen kavels beschikbaar, het grondgebruik van kavels verandert, er komen vragen voor de mogelijkheden van bedrijfsverplaatsingen of voor meer grond om te kunnen extensiveren. We willen deze transformatie van het landelijk gebied ondersteunen door de inzet van ons provinciaal grondbeleid en de daarbij behorende instrumentenkoffer. Voor de bestaande beleidskaders is er al een uitvoeringsstrategie grond en vastgoed. Zo worden bijvoorbeeld voor de natuuropgave gronden aangekocht om het ruilen van kavels sneller mogelijk te maken of door gronden te verkopen met kwalitatieve verplichtingen. Onderzocht zal worden hoe de opgave van het LOS optimaal gekoppeld kan worden aan de lopende provinciale opgaven die al ondersteund worden vanuit de uitvoeringsstrategie grond- en vastgoed. Voor de extra opgave van het LOS zal een aanvullende uitvoeringsstrategie worden opgesteld, waarbij er ook aandacht is voor de benodigde extra beleidsmiddelen. Ook werken we in de POVI en de Omgevingsverordening - mede op basis van de gebiedsprocessen - de zonering van het landelijk gebied uit zodat ook duidelijk wordt wat wél kan in specifieke gebieden en onder welke voorwaarden. Daarmee laten we zien welke mogelijkheden we verschillende vormen van emissiearme landbouw kunnen bieden in ‘primaire landbouwgebieden’, ‘verwevingsgebieden’ en de ‘groenblauwe landbouwzone’. Gebiedsprocessen en gebiedsprojecten worden op basis daarvan voortgezet, geïntensiveerd of nieuw gestart om gebiedsgericht maatwerk te leveren in de transformatie van het landelijk gebied. Bij een toenemend aantal bedrijfsbeëindigingen in de veehouderij is het van ook belang om te voorkomen dat met het grondgebruik dat ervoor in de plaats komt niet een slechtere situatie ontstaat. Perspectief voor (agrarische) ondernemers gaat allereerst ontstaan als de bovenstaande aanpak in uitvoering is en de eerste resultaten worden behaald. Pas dan kan vergunningverlening voor PAS-melders, duurzame bedrijfsinvesteringen, woningbouw, energie en industrie weer op gang komen. Wanneer dat is, is niet met zekerheid te zeggen. Dat is afhankelijk van het tempo waarin we concrete en effectieve maatregelen daadwerkelijk uitgevoerd krijgen en de gebiedsspecifieke situatie in en om een Natura 2000-gebied. Het sluiten van overeenkomsten op basis van vrijwillige beëindigingsregelingen, de tijdige beschikbaarheid van aanvullende financiële middelen (ook voor nadeelcompensatie), de vertaling van het LOS in de provinciale Omgevingsverordening en de voortvarendheid van de gebiedsgerichte aanpak zijn hierin cruciale randvoorwaarden. Ondanks deze onzekerheden is onze inzet erop gericht om vanaf eind 2027 de eerste vergunningverlening weer mogelijk te maken. Perspectief voor agrarische ondernemers ontstaat ook doordat we de overgang willen gaan maken van middelsturing naar doelsturing. Hiermee geven we concreet invulling aan ons samenwerkingsprincipe ‘individuele keuzeruimte binnen collectieve kaders’. Doelsturing zet onze agrariërs aan het roer om zelf keuzes te maken op welke manier ze willen gaan voldoen aan de generieke en gebiedsgerichte randvoorwaarden. We willen die overgang van middelsturing naar doelsturing in stappen uitvoeren om niet het risico te lopen niet te voldoen aan een geborgde aanpak van de stikstofreductie. De nadere uitwerking van doelsturing - qua inhoud en tijdpad - zal samen met de sector en het Rijk worden opgepakt. De aanzet in het ‘Bouwstenendocument emissiereductie landbouw’ van juli 2025 vormt daarvoor een goed vertrekpunt. [11] Bouwstenendocument emissiereductie landbouw: vergunningverlening in Nederland weer in beweging, een gezamenlijk document van IPO, VNG, UvW, LTO en NAJK, 9 juli 2025. Als het Rijk ervoor kiest om emissiereductie-doelen per sector vast te leggen en de juridische kaders hierop aan te passen, zullen we deze in bijstellingen van het LOS vertalen in geborgde emissiedalingen. Om agrarische ondernemers te helpen in de omschakeling naar andere bedrijfsmodellen en het nemen van maatregelen die de stikstofemissie reduceren, zullen we ook de ondersteuning van de blijvers intensiveren, bijvoorbeeld voortbouwend op de al bestaande ‘Pilot Ondernemersplan’ en de ‘Agrarische Blijversaanpak’. We verkennen op basis van de tussenresultaten of en hoe we als provincie de ondersteuning van de blijvers kunnen uitbreiden. Ook verkennen we hoe we maatwerk kunnen leveren als aangepaste bedrijfsplannen in deze pilots om steun van de provincie vragen. Agrarische ondernemers die blijven moeten in staat worden gesteld economische verdienmodellen te ontwikkelen binnen generieke en gebiedsgerichte randvoorwaarden. Dit vraagt om verdergaande maatregelen in de hele keten voor een ‘betere boterham voor de boer’ en voor duurzame bedrijfsinvesteringen. Voorbeelden van die maatregelen zijn prijsafspraken over duurzaam en minder duurzaam voedsel, stimuleren van het aandeel duurzaam voedsel, vergoedingen voor ecosysteemdiensten en agrarisch natuurbeheer, helpen met innoveren en het uitwerken van nieuwe businessmodellen. Ketenmaatregelen zullen voor een belangrijk deel door de Europese Unie en het Rijk genomen moeten worden. De Europese Commissie heeft in februari 2025 een ambitieuze routekaart voor de toekomst van landbouw en voedsel in Europa gepresenteerd. Met deze routekaart wordt de weg bereid voor een aantrekkelijk, concurrerend, veerkrachtig, toekomstgericht en eerlijk agrovoedingssysteem voor de huidige en toekomstige generaties landbouwers en exploitanten in de agrovoedingssector. In ons overleg met het Rijk blijven we aandacht vragen voor het belang van een (inter)nationale visie op de landbouw en op het belang van ketenmaatregelen hierin. Figuur 2.3. Samenvatting uitvoeringsroute voor het LOS voor de korte en langere termijn. 2.4 Geborgde aanpak voor perspectief op vergunningverlening Eisen aan een geborgde aanpak Uit alle rechterlijke uitspraken volgt dat een ‘geborgde aanpak’ noodzakelijk is om de vergunningverlening in Limburg weer op gang te krijgen. Dit betekent dat we voldoende zekerheid moeten kunnen bieden dat de maatregelen die we voorstellen echt tot uitvoering komen én de verwachte effecten hebben. Noodzakelijke elementen van een geborgde aanpak zijn daarom
  7. a)een geborgd pakket aan bronmaatregelen en overige natuurmaatregelen, die leiden tot
  8. b)een aanzienlijke daling van de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden, en tot doel hebben
  9. c)de verslechtering te stoppen, waarbij wordt voorzien in
  10. d)een systeem van monitoring, evaluatie en waar nodig bijsturing. Gedeputeerde Staten dienen per Natura 2000-gebied voor de daarin voorkomende stikstofgevoelige habitats inzichtelijk te maken met welke maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn. Een in de rechtspraak geaccepteerde manier van borging is om het maatregelenpakket vast te leggen in een duidelijk omlijnd programma dat voorziet in concrete tussendoelen met voldoende monitoring, waarbij is voorzien in bijsturing met vooraf vastgelegde, doorgerekende en afdwingbare maatregelen indien dat nodig blijkt. Zo’n programma moet niet alleen zijn vastgesteld, maar ook in uitvoering zijn; er moet een aanvang zijn gemaakt met de daadwerkelijke uitvoering van maatregelen. Dat betekent niet dat dat de beoogde doelen en effecten van het programma eerst moeten zijn bereikt voordat vergunningverlening plaats kan vinden. Het betekent wel dat voldoende aannemelijk moet zijn gemaakt dat de verwachte, berekende emissiereducties en depositiedalingen daadwerkelijk zullen plaatsvinden. Daarvoor zal het maatregelenpakket ook een afdoende financiële dekking moeten bevatten. [12] Bovenstaande elementen van een geborgde aanpak zijn ontleend aan een advies van Pels Rijcken Advocaten dat specifiek voor dit LOS is uitgebracht, advies, 16 september 2025. Invulling van de geborgde aanpak met dit LOSDit LOS bevat de verschillende elementen waarmee Gedeputeerde Staten invulling willen geven aan een geborgde aanpak van de stikstofreductie. ● Met de status van programma onder de Omgevingswet voorzien we in de juridische basis voor een geborgde aanpak om uitvoering te geven aan onze verplichtingen uit artikel 6, eerste en tweede lid, van de Europese Habitatrichtlijn; ● De doelen op het gebied van stikstof zijn in dit LOS uitgewerkt in een dalende stikstofdepositielijn voor elk Natura 2000-gebied in Limburg met concrete tussendoelen voor 2030 en 2035 en met een einddoel voor 2040. Deze dalende stikstofdepositielijnen zijn opgenomen in figuur 2.5 en verder toegelicht in bijlage 1; ● Dit LOS bevat de generieke en gebiedsgerichte maatregelen die we voor de korte termijn voorzien en nodig zijn om de doelen te halen. Dit pakket aan maatregelen is uitgewerkt in hoofdstuk 3 (generieke maatregelen) en bijlage 2 (voorzet gebiedsgerichte maatregelen). Het betreft een combinatie van onder meer emissiereductiemaatregelen, natuurherstellende en hydrologische verbeteringsmaatregelen en uitbreiding van natuurareaal en verbindingen. Deze maatregelen zijn erop gericht om op dit moment de verslechtering te stoppen, de natuur te herstellen en uiteindelijk een goede staat van instandhouding te bereiken. In paragraaf 3.4 is ook een eerste doorkijk opgenomen van het maatregelenpakket op de middellange termijn. Bij de uitwerking van alle maatregelen vindt afstemming plaats met de maatregelen in en rond Natura 2000-gebieden in Gelderland, Noord-Brabant en het buitenland. ● Op dit moment is een eerste, overwegend kwalitatieve inschatting beschikbaar van de verwachte effecten van het maatregelenpakket op basis van de nu bekende kennis en informatie. Deze is opgenomen in paragraaf 3.5. De generieke en gebiedsgerichte maatregelen van dit LOS zullen ook na vaststelling van het LOS nog verder worden doorgerekend om steeds beter onderbouwde inschattingen te geven van de bijdrage van de voorgestelde maatregelen aan het doelbereik. Sommige gebiedsgerichte natuurherstelmaatregelen kunnen, om effect te hebben, pas genomen worden als de stikstofdepositie op basis van generieke maatregelen eerst in voldoende mate is teruggebracht. Het is belangrijk om aan de voorkant een goed beeld hebben van de effecten van de maatregelen om te borgen dat de verslechtering stopt en op termijn de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebied worden gehaald. ● Het pakket aan generieke en gebiedsgerichte maatregelen in dit LOS vormt de basis voor de periodieke monitoring van het bereiken van deze daling én voor de eventuele bijstelling van het maatregelenpakket als blijkt dat deze tussendoelen niet of onvoldoende worden bereikt. In paragraaf 4.4. is de aanpak van de periodieke monitoring en bijstelling van het LOS - jaarlijks, driejaarlijks en zesjaarlijks - verder uitgewerkt. Deze aanpak zal in de komende maanden verder worden geoperationaliseerd. ● De eerste financiële middelen zijn beschikbaar om uitvoering te kunnen geven aan de eerste maatregelen uit dit LOS. In paragraaf 4.3 is daarvan een concreet overzicht gegeven. Ook is er zicht op de eerste, mogelijk aanvullende middelen van het Rijk; afspraken daarover worden naar verwachting nog dit jaar gemaakt. Want zonder aanvullende middelen, geen aanvullende maatregelen. Ook van de mogelijk aanvullende middelen is een overzicht opgenomen in paragraaf 4.3 ● Om meer zekerheid te hebben dat maatregelen ook daadwerkelijk worden uitgevoerd en hun effect zullen hebben, zetten we in op een intensivering van toezicht en handhaving in een interprovinciale aanpak. De kern daarvan is uitgewerkt als tiende generieke maatregel in paragraaf 3.2.Perspectief op vergunningverlening samengevat Alleen door een maatregelenpakket dat voorziet in een geborgde daling van de stikstofdepositie en natuurherstel in elk Natura 2000-gebied kan er ruimte ontstaan voor vergunningverlening; niet alleen voor de landbouw, maar ook voor projecten voor wonen, werken en infrastructuur. Op het moment dat voor een gebied een geborgd maatregelenpakket is opgesteld en in uitvoering is - en voorzien is in monitoring en bijsturing waaruit de werkelijke daling in stikstof en herstel van natuur blijkt - kunnen rondom dat gebied weer vergunningen worden verleend. Wanneer dat kan, is vooraf niet met zekerheid te zeggen. Het zal van gebied tot gebied verschillen. Zoals in paragraaf 2.3. aangegeven, is onze inzet erop gericht om vanaf eind 2027 de eerste vergunningverlening weer mogelijk te maken. Samengevat doorlopen we de volgende zeven stappen zodat (agrarische) ondernemers weer aan de slag kunnen in Limburg. 1. Per Natura 2000-gebied stellen we met dit LOS een dalende stikstofdepositielijn vast (met tussendoelen); 2. Per Natura 2000-gebied stellen we een geborgd maatregelenpakket vast voor stikstofdaling en natuurherstel. Dit doen we met alle sectoren. Dit maatregelenpakket is geborgd omdat de maatregelen met zekerheid worden genomen en doordat de effecten van de maatregelen zijn doorgerekend, worden gemonitord en er bijsturing is ingeregeld indien dat nodig blijkt; 3. Naast de effecten van de gebiedsspecifieke maatregelen worden ook de effecten van (landelijk) generiek beleid (daling depositie uit de stikstofdeken) en effecten van buitenlands beleid/ aanpak ingerekend; 4. Het maatregelenpakket is gericht op het tegengaan van verslechtering van de natuur. De effecten van het maatregelenpakket worden dan ook ecologisch beoordeeld op het tegengaan van verslechtering; 5. Op het moment dat voor een specifiek Natura 2000-gebied een geborgd maatregelenpakket in uitvoering is, ontstaat de mogelijkheid van vergunningverlening via saldering (met andere bronnen dan in het maatregelenpakket). Het maatregelenpakket is in uitvoering als de maatregelen daadwerkelijk worden getroffen, als het verwachte effect is ingerekend, de planning en financiering voor de uitvoering duidelijk is en als momenten en wijze van monitoring - en indien nodig bijsturing - zijn aangegeven. Het is nog niet nodig dat alle maatregelen al zijn genomen en de daling al is gerealiseerd; 6. Op dat moment kunnen weer vergunningen verleend worden rondom het betreffende N2000-gebied. Dan kan de ruimte die met intern en/of extern salderen verkregen wordt ingezet worden voor vergunningverlening (de groene dalende lijn). Deze ruimte hoeft dan namelijk niet meer eerst naar natuur omdat deze interne en/of externe saldering dan aanvullende mitigerende maatregelen zijn die extra zijn bovenop het geborgde maatregelenpakket voor dat gebied (er wordt voldaan aan het additionaliteitsvereiste); 7. Vergunningverlening hoeft niet te wachten op het eerstvolgende monitoringsmoment. Mocht uit monitoring blijken dat de dalende lijn niet voldoende blijkt te zijn, dan heeft dat niet meteen invloed op de vergunningverlening voor intern en extern salderen. Onder de expliciete voorwaarde dat we accuraat bijsturen (op basis van de bijsturingsmogelijkheden die bij de vaststelling van het maatregelenpakket al is afgesproken). Natuurdoelanalyses worden regelmatig opgesteld om de staat van de natuur en effecten van maatregelen in beeld te brengen. Maar natuurdoelanalyses (NDA’
  11. s)zijn geen passende beoordeling. Ze geven dus geen ‘groen licht’ voor vergunningen en vormen ook geen blokkade voor toestemmingsverlening. Een NDA is primair bedoeld voor beleidsontwikkeling en is daarmee wel een bron van informatie bij het beoordelen van aanvragen voor vergunningen en handhaving. Een passende beoordeling kan, ondanks een negatieve NDA-conclusie, uitwijzen dat toestemming verleend kan worden indien blijkt dat de specifieke informatie over het project en de staat van de natuur dat toelaat. Figuur 2.4. Schematische weergave bijdrage maatregelen aan dalende stikstofdepositielijn. Vergunningverlening in geval van duurzaamheidsmaatregelen Met de recente rechterlijke uitspraken over intern salderen (zie hoofdstuk 1) worden ook duurzaamheidsmaatregelen geraakt. Zelfs in het geval van verduurzaming is er sprake van wijziging van een project en ook al is er sprake van minder stikstofemissie en -depositie, dan is daarvoor ook een natuurvergunning vereist en moet er getoetst worden aan het additionaliteitsvereiste. Dat kan anders zijn als sprake is van een natuurmaatregel. Indien de duurzaamheidsmaatregel, waardoor sprake is van minder stikstofemissie en -depositie, kan worden bestempeld als een natuurmaatregel is de maatregel vergunningvrij. Het gaat er dan om dat de maatregel bijdraagt aan de instandhoudingsdoelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied. Dat dient het hoofddoel van de maatregel te zijn. Dat betekent bijvoorbeeld dat de stikstofruimte die met de maatregel wordt gerealiseerd, niet mag worden ingezet ten behoeve van economische ontwikkelingen. Die maatregelen moeten genomen worden met het oog op het beheer van de Natura 2000-gebieden en de stikstofruimte die dat oplevert moet ook ten goede komen aan de natuur. Duurzaamheidsmaatregelen kunnen op deze manier mogelijk worden bestemd als natuurmaatregelen die worden genomen om bij te dragen aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Bij deze benadering zouden duurzaamheidsmaatregelen mogelijk zijn, zonder dat aan het additionaliteitsvereiste getoetst hoeft te worden en kunnen we ondernemers helpen die hun bijdrage willen leveren aan verduurzaming. Overigens werkt het Rijk momenteel aan een wet op grond waarvan verduurzamingsactiviteiten die minstens 30% stikstof verminderen vergunningvrij zijn. Op die manier kunnen bedrijven en projecten blijven verduurzamen zonder lange en onzekere vergunningsprocedures. Uiteraard volgen wij deze ontwikkeling nadrukkelijk en zullen wij met onze besluitvorming hierover aansluiten bij het door het Rijk voorziene percentage van ten minste 30% vermindering van stikstof. 2.5 Op de agenda voor het Rijk We willen als provincie niet wachten op de nieuwe plannen van het Rijk. Daarvoor is de urgentie van de opgaven te groot. We sturen op resultaten op de korte termijn, waar we nu toe in staat zijn, qua beschikbare middelen, capaciteit en instrumentarium. De inzet van ons en onze partnerswordt versterkt als de randvoorwaarden vanuit het Rijk op orde zijn. Dat is nu nog niet het geval. Dat heeft invloed op het tempo waarin we onze resultaten halen. We agenderen bij het Rijk dan ook de volgende inzet om bij te dragen aan onze aanpak: ● Snelle duidelijkheid over de aard en omvang van het budget per provincie van de door het kabinet in het vooruitzicht gestelde Rijksmiddelen die eventueel vanaf 2026 beschikbaar komen. Een extra bijdrage van 600 miljoen Euro voor de Veluwe en De Peel is toegezegd in de kamerbrief van 25 april 2025. Daarnaast zijn er extra middelen voor opkoop, extensivering, agrarisch natuurbeheer en natuurherstel toegezegd (zie kader in hoofdstuk 1). In het Regeerprogramma van het demissionaire kabinet - van september 2024 - zijn middelen aangekondigd voor investeringen in de agrarische sector, onder andere voor innovatie en doelsturing, een vrijwillige beëindigingsregeling veehouderij, natuurherstel en mest, (5 miljard Euro) en middelen voor agrarisch natuurbeheer (500 miljoen Euro per jaar). Voor een geborgde aanpak is het nodig om een langjarig budgettair perspectief te hebben met de zekerheid van voldoende middelen. Een belangrijk onderdeel daarvan is om vergoedingen te kunnen geven voor de gebruiksbeperkingen die we opleggen in en rondom overgangsgebieden. Daarnaast zijn middelen nodig voor flankerend beleid. We brengen nog gedetailleerder in beeld wat de kosten voor de totale opgave zijn, op basis van de eerste inschatting van 3,5 à 4,5 miljard Euro; ● Voldoende flexibiliteit bij de inzet van en verantwoording over de beschikbare én nieuwe rijksmiddelen. De provincie wil de ruimte en de flexibiliteit hebben om toegekende middelen te kunnen schuiven tussen categorieën van maatregelen, tussen gebieden en in de tijd, als daarmee doelen eerder of beter worden gehaald. Daarbij zet de provincie bij het Rijk in op ‘minder verantwoording vooraf’ en ‘meer monitoring van doelbereik achteraf’ bij de toekenning van rijksmiddelen. De provincie ondersteunt het voornemen van het kabinet om bij een wijziging van de Financiële-verhoudingswet (Fvw) te komen tot minder ‘specifieke uitkeringen’ en meer ‘fondsuitkeringen’ aan decentrale overheden. Dit biedt meer ruimte voor maatwerk in de uitvoering; ● Ontwikkeling en uitvoering van generiek instrumentarium en maatregelen om te komen tot een emissiereductie van ammoniak, methaan en nitraat/stikstof, aanvullend op de al in gang gezette vrijwillige beëindigingsregelingen voor de landbouw. Centraal hierin staan de uitwerking van de mogelijkheden voor ‘doelsturing’ waaronder grondslagen voor het vastleggen van realistische bedrijfsspecifieke doelen voor stikstof en broeikasgassen en de ontwikkeling van een op termijn afrekenbare stoffenbalans, gericht op stikstof, nutriënten en broeikasgassen; ● Een concreet perspectief voor agrarische ondernemers, met name gericht op verbetering van het verdienvermogen van agrarische ondernemers, bijvoorbeeld door afspraken in de voedselketen, het stimuleren van de vraag naar duurzamer voedsel en/of door vergoeding van diensten op het gebied van natuur, water en milieu. Uitwerking van dit perspectief vraagt van het kabinet om een nationale visie op de gewenste positie van de Nederlandse landbouw in Europa en op de wereldmarkt; ● Verdere uitwerking van de hoofdlijnen uit het ‘Bouwstenendocument Emissiereductie landbouw: vergunningverlening in Nederland weer in beweging’, zoals in juli 2025 uitgewerkt in een samenwerking van IPO, VNG, Unie van Waterschappen, LTO en NAJK. Belangrijke elementen hierin ter ondersteuning van dit LOS zijn de geborgde emissiereductie van de landbouw en van andere sectoren, de inzet op doelsturing en een sterke gebiedsgerichte aanpak met in een beperkt aantal gebieden de mogelijke inzet van de instrumenten kavelruil of landinrichting. Gedeputeerde Staten zullen het Bouwstenendocument agenderen in het overleg met het Rijk voor nadere uitwerking, onder voorwaarde dat mogelijke uitwerkingen daarvan niet leiden tot vertragingen in de uitvoering van dit LOS, gericht op zo snel mogelijke vergunningverlening voor landbouw, wonen, energie en bedrijvigheid; ● Een landelijke aanpak die voorziet in een evenredige bijdrage van andere sectoren dan de landbouw, waaronder industrie, luchtvaart en wegverkeer, aan de reductie van de stikstofdeposities; ● Intensivering van het overleg van het Rijk met de Duitse en Belgische partners om voortdurend zicht te hebben op wat het buitenland gaat bijdragen aan de reductie van de stikstofdeposities in Limburg. Een voorbeeld is een voorverkenning in het kader van Interreg om de samenwerking van Overijssel, Gelderland, Noord-Brabant en Limburg met Nordrhein-Westfalen op het gebied van natuur en stikstof te intensiveren. Figuur 2.5. Overzicht van de dalende stikstofdepositielijn (uitgedrukt in mol, per hectare, per jaar) met tussendoelen voor 2030 en 2035 per Natura 2000-gebied. In de gebieden met horizontale lijn ligt de stikstofdepositie nu al onder de beoogde stikstofdepositiewaarde. Zie bijlage 1 voor de cijfers en een nadere toelichting. Hoofdstuk 3 Maatregelen en instrumenten 3.1 Categorieën van maatregelen en criteria voor programmering Categorieën van maatregelen: van generiek tot gebiedsgericht Om de doelen te halen zijn veel verschillende maatregelen en instrumenten nodig. Bij de uitwerking daarvan is een pallet aan maatregelen nodig variërend van generieke tot gebiedsgerichte maatregelen. Generieke maatregelen zijn maatregelen die het Rijk of de Provincie op basis van algemene instrumenten kan nemen en die gelden voor het hele of specifieke delen van het provinciale grondgebied, denk aan vrijwillige beëindigingsregelingen veehouderij of aanpassingen in emissienormen in regels en verordeningen. Gebiedsgerichte maatregelen zijn maatregelen die specifiek in en om Natura 2000-gebieden worden genomen en van gebied tot gebied kunnen verschillen, denk aan peilverhogingen, of het beperken van uitspoeling van nutriënten naar grond- en oppervlaktewater in en om Natura 2000-gebieden. Het onderscheid tussen beide maatregelen is niet hard; vele combinaties zijn mogelijk. Ook is de verhouding tussen beide typen maatregelen is niet vooraf te bepalen; het gaat om het kiezen van de juiste combinaties die moeten leiden tot het bereiken van de doelen. In dit LOS is een eerste pakket van generieke en gebiedsgerichte maatregelen opgenomen, dat bijdraagt aan het bereiken van onze doelen. Eerst lichten we tien voornamelijk generieke maatregelen toe. Vervolgens is een pakket van gebiedsgerichte maatregelen voor elk van de 21 Natura 2000-gebieden uitgewerkt. Dit hele pakket is gebaseerd op eerste inzichten in de verwachte effectiviteit van maatregelen (zie par. 3.5). Bijsturing van het pakket zal regelmatig nodig zijn als uit monitoring van het doelbereik blijkt dat doelen niet worden gehaald (zie par. 4.4). Figuur 3.1. Opbouw van het maatregelenpakket voor het LOS. Binnen het LOS nemen we enkel maatregelen voor de emissie die plaatsvindt in onze eigen provincie. Daarnaast maken we inschattingen van de emissiereductie als gevolg van landelijk beleid, beleid van andere provincies en de stikstofaanpak in onze buurlanden. Door samenwerking, kennisuitwisseling en monitoring kan de ingeschatte reductie buiten onze provinciegrenzen meegerekend worden in de totale geborgde daling van de stikstofdepositie op onze natuurgebieden. Hoofdcriteria voor programmering en fasering We doen wat nodig is, maar niet alles kan al overal en tegelijk. We kiezen daarom voor een programmering en fasering van maatregelen en instrumenten om met de beperkt beschikbare middelen al op korte termijn de grootste bijdrage aan de doelen te kunnen leveren. Parallel zetten we ons in om meer middelen en capaciteit beschikbaar te krijgen. Voor de samenstelling en verdere uitwerking van het eerste pakket van maatregelen en instrumenten hanteren we drie hoofdcriteria: ● Afrekenbaar doelbereik voor stikstof, natuur en water: de mate waarin maatregelen invulling geven aan de vereiste daling in stikstofdeposities en urgentie voor natuurherstel in en om Natura 2000-gebieden in samenhang met de hiervoor noodzakelijke waterkwantiteits- en kwaliteitsmaatregelen die mede nodig zijn om te voldoen aan de Kaderrichtlijn Water; ●

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.