Integrale beleidsregels Sociaal Domein Gemeente Schagen Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen; gelet op het bepaalde in artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht; besluit: de Integrale beleidsregels sociaal domein Gemeente Schagen vast te stellen. Voorwoord De raad heeft in de maand december 2023 de gewijzigde Integrale verordening sociaal domein vastgesteld. In de voorliggende integrale beleidsregels sociaal domein worden de bepalingen uit de integrale verordening nader uitgewerkt. De integrale verordening en integrale beleidsregels gaan uit van die vraag van de inwoner en kijken naar het effect, net als de omgekeerde toets. De visie en de kernwaarden van de gemeente staan centraal. Waar staat de gemeente Schagen voor? Wat vindt de gemeente Schagen belangrijk? Met deze verordening en beleidsregels worden maatwerk en integraal werken vastgelegd in het gemeentelijk beleid. Deze verordening en beleidsregels helpen wijkteamconsulenten om samen met de inwoner te zoeken naar de beste oplossing als het gaat om vragen op het gebied van Wmo-hulp, werk, inkomen, schulden, participatie of jeugdhulp. Van willekeur is geen sprake meer. Kortom, deze verordening en beleidsregels zijn dus instrumenten om het integrale werken en leveren van maatwerk door de wijkteams te faciliteren. Hoofdstuk1Inleiding Artikel1.1Uitgangspunten beleidsregels Link met: artikel 1.2 Uitgangspunten integrale verordening Deze beleidsregels hebben wij geschreven vanuit een aantal uitgangspunten. De beleidsregels: zijn goed leesbaar; regelen niet meer dan nodig is; houden de administratieve lasten van gemeente en inwoners zo laag mogelijk; kunnen goed uitgevoerd worden en zijn duidelijk voor de inwoners; zijn onderling afgestemd op elkaar. Artikel1.2.Kernwaarden Link met: artikel 1.3 Kernwaarden Bij het toepassen van de beleidsregels houden wij rekening met de doelen van de Jeugdwet, Wmo, Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, Wet gemeentelijke Schuldhulpverlening, Bbz, Wet op het primair onderwijs, Wet op het voorgezet onderwijs, Wet op de expertisecentra, Wet Kinderopvang, Leerplichtwet, RMC, Wet Passend Onderwijs, Algemene Wet Bestuursrecht, Gemeentewet en later het jaar ook de Wet Inburgering. Wij zorgen ervoor dat het effect van een besluit past bij die doelen. Wij betrekken daarbij zes kernwaarden die niet individueel gelezen kunnen worden, maar in samenhang met elkaar en in samenhang met de ambities uit het Integraal Beleidsplan. Het gaat daarbij om de volgende zes kernwaarden: Wij ondersteunen u in een (tijdelijke) kwetsbare situatie, zodat u naar vermogen aan de samenleving kan deelnemen om naar eigen inzicht een goed leven te leiden. We gaan hierbij uit van eigen regie. Wij ondersteunen waar nodig en gaan ervan uit dat u eerst zelf oplossingen vindt voor problemen, bijvoorbeeld met ondersteuning van uw familie, vrienden en bekenden (sociaal netwerk) of door gebruik te maken van algemene voorzieningen en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen. We gaan uit van eigen kracht. Als eigen kracht niet toereikend is, bieden wij de voorziening zo vroeg mogelijk aan ter voorkoming van dure en/of intensieve ondersteuning. We ondersteunen u, zodat u weer zelfredzaam wordt. Wij bieden maatwerk (iedere situatie is uniek en vraagt om een passende oplossing). Wij gaan ervan uit dat u naar vermogen duurzaam een bijdrage levert aan de samenleving en stimuleren u daarbij indien nodig (participatie zo hoog mogelijk). Wij stellen in het belang van uw kind de veiligheid in de sociale omgeving voorop. Hoofdstuk2Van melding tot besluit Kernwaarden: Wij maken ondersteuning makkelijk bereikbaar. Wij vragen niet meer informatie dan nodig is. Wij gaan zorgvuldig met u om. U bent zelf verantwoordelijk, wij ondersteunen als dat nodig is. Uw eigen probleemoplossende vermogen, ondersteuning vanuit uw eigen sociale netwerk of andere voorzieningen en organisaties gaan voor onze ondersteuning Artikel2.1Integrale intake Link met : Stap 2 Integrale intake na melding en artikel 2.2.3 lid 1 Gegevens Tijdens de integrale intake verzamelen wij alle gegevens over uw situatie die nodig zijn om de ondersteuningsvraag helder te krijgen. Wij kunnen in ieder geval de volgende gegevens bij u opvragen: naam geboortedatum burgerservice nummer adres en contactgegevens naam ouder(
(25)procent van het inkomen uit (parttime) arbeid wordt niet tot uw middelen gerekend. De inkomsten uit (parttime) arbeid worden ten hoogste zes maanden niet tot de middelen gerekend. Het maximaal vrij te laten inkomen per maand bedraagt het bedrag zoals genoemd in artikel 31, tweede lid, onder n, van de Participatiewet, of artikel 8, tweede lid, van de IOAW, of artikel 8, derde lid, van de IOAZ. De vrijlating van inkomen wordt slechts éénmaal per uitkeringsperiode toegekend. Onder uitkeringsperiode wordt het volgende verstaan: de periode waarin een uitkering aaneengesloten of na een onderbreking die korter dan dertig dagen is wordt voortgezet; de situatie waarin de uitkering wordt hersteld, na een onderbreking wegens een verblijf in detentie, verblijf in het buitenland of verblijf in een inrichting, ongeacht de duur van die onderbreking; de situatie waarin sprake is van aaneengesloten voortzetting van een uitkering die al in een andere gemeente werd verstrekt en/of de situatie waarin na wijziging van bijvoorbeeld de woon- of gezinssituatie de uitkering naar een andere norm wordt voortgezet. Artikel3.1b.4Inkomstenvrijlating alleenstaande ouder Link met: 3.4 Voorzieningen - werk en artikel 3.4.14 Andere voorzieningen en vergoeding U kan aanspraak maken op de vrijlating van inkomen alleenstaande ouder indien: u algemene bijstand of een uitkering uit de IOAW of IOAZ ontvangt; u inkomsten uit (parttime) arbeid ontvangt; de inkomsten uit (parttime) arbeid een duurzaam karakter hebben, of uitzicht op een duurzaam inkomen uit (parttime) arbeid bieden; u 27 jaar of ouder bent; u de pensioengerechtigde leeftijd nog niet hebt bereikt; de periode van zes maanden, bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel n, van de Participatiewet is verstreken; en u alleenstaande ouder bent die de volledige zorg heft voor een tot uw last komend kind tot twaalf jaar. Twaalf en een halve (12,5) procent van het inkomen uit (parttime) arbeid wordt niet tot uw middelen gerekend. De inkomsten uit (parttime) arbeid worden ten hoogste dertig maanden niet tot de middelen gerekend. Het maximaal vrij te laten inkomen per maand bedraagt het bedrag zoals genoemd in artikel 31, tweede lid, onder r, van de Participatiewet, of artikel 8, tweede lid, van de IOAW, of artikel 8, derde lid, van de IOAZ. De vrijlating van inkomen wordt slechts éénmaal per uitkeringsperiode toegekend. Onder uitkeringsperiode wordt het volgende verstaan: de periode waarin een uitkering aaneengesloten of na een onderbreking die korter dan dertig dagen is wordt voortgezet; de situatie waarin de uitkering wordt gecontinueerd, na een onderbreking wegens een verblijf in detentie, verblijf in het buitenland of verblijf in een inrichting, ongeacht de duur van die onderbreking; de situatie waarin sprake is van aaneengesloten voortzetting van een uitkering die al in een andere gemeente werd verstrekt en/of de situatie waarin na wijziging van bijvoorbeeld de woon- of gezinssituatie de uitkering naar een andere norm wordt voortgezet. Artikel3.1b.5Overige bepalingen Inkomstenvrijlating Link met: 3.4 Voorzieningen - werk en artikel 3.4.14 Andere voorzieningen en vergoeding Er bestaat geen recht op vrijlating van inkomen indien een nieuwe uitkeringsperiode minder dan 6 maanden na de voorgaande uitkeringsperiode aanvangt. De vrijlating van inkomen is alleen van toepassing op inkomen uit (parttime) arbeid die na de ingangsdatum van de algemene bijstand of uitkering is aangevangen. De vrijlating van inkomen vangt aan op de in de toekenningsbeschikking genoemde datum. Vrijlating van inkomen geldt ook voor de volgende inkomsten: doorbetaling van loon tijdens ziekte, ongeacht wie dit betaalt; een uitkering in verband met zwangerschap en bevalling. Inkomsten uit prostitutie of criminele activiteiten, alsmede verzwegen inkomsten worden geacht niet bij te dragen aan de arbeidsinschakeling van de uitkeringsgerechtigde. U dient een schriftelijk verzoek tot vrijlating van inkomen bij ons in te dienen en daarbij een bewijs van inkomen te overleggen. 3.8Ontheffen van de arbeids- en re-integratieverplichtingen en de tegenprestatie Artikel3.1c.1 Algemeen geaccepteerde arbeid Link met : 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.14 Andere voorzieningen en vergoedingen Onder algemeen geaccepteerde arbeid wordt het volgende verstaan: het werk dat de werkzoekende in staat is om te verrichten. Van werkzoekende wordt verlangd dat dit het uitgangspunt is bij het zoeken naar en aanvaarden van werk. Bij de matching naar een baan is het uitgangspunt dat er gematcht wordt op werk waartoe u als werkzoekende in staat bent. Indien mogelijk kan er rekening gehouden worden met uw voorkeur. Indien er door u belemmeringen worden aangevoerd waardoor het zoeken naar werk en het accepteren van werk niet mogelijk is of wordt bemoeilijkt, wordt onderzoek gedaan naar deze belemmeringen. In eerste instantie wordt gezocht naar mogelijkheden om de belemmeringen (uitgezonderd van medische aard) door u zelf te laten oplossen, eventueel door een beroep te doen op hulpverlening. Wanneer dat niet mogelijk is of werkaanvaarding op korte of langere termijn in de weg staat, wordt een passend re-integratieaanbod gedaan op grond van artikel 10 van de Participatiewet. U wordt medegedeeld dat u verplicht bent om hieraan mee te werken. De aanwezigheid van schulden kan en mag het accepteren van werk niet in de weg staan. Aan het ontvangen van de uitkering wordt de verplichting verbonden om een aanvraag schuldhulpverlening in te dienen en mee te werken aan de schuldhulpverlening. Aard, omvang en duur van de arbeid zijn geen redenen om werk te weigeren. Geloofsovertuiging en principiële bezwaren kunnen geen belemmering zijn om algemeen maatschappelijk aanvaard werk te aanvaarden. Artikel3.1c.2Alleenstaande ouders met kinderen tot 5 jaar Link met : 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.14 Andere voorzieningen en vergoedingen Voor de alleenstaande ouder met een kind van jonger dan 5 jaar, die om vrijstelling van de arbeidsverplichting vraagt in verband met de zorg voor de kinderen, wordt artikel 9a van de Participatiewet toegepast. Gelet op de gedetailleerde regeling in de wet is het niet noodzakelijk om over dit onderwerp beleidsregels vast te stellen. Artikel3.1c.3Alleenstaande ouders met kinderen tot 12 jaar Link met : 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.14 Andere voorzieningen en vergoedingen Bij het opleggen van de arbeidsverplichting voor alleenstaande ouders met kinderen tot 12 jaar wordt nagegaan of: passende kinderopvang (al dan niet professioneel) aanwezig is; het werk – de omvang en zwaarte van dat werk – te combineren is met de zorg voor de kinderen. Artikel3.1c.4.Tijdelijke ontheffing op grond van medische, psychiatrische en psychosociale gronden Link met : 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.14 Andere voorzieningen en vergoedingen Als u medische en/of psychiatrische klachten ervaart waardoor u niet in staat bent om volledig of gedeeltelijk te werken, dan wordt u medisch gekeurd als een keuring naar onze mening noodzakelijk is. Ontheffing wordt gebaseerd op het medisch advies als dat aanwezig is. De psychosociale klachten en omstandigheden die u belemmeren om te werken, worden - zo mogelijk ondersteund met informatie van hulpverleners – vastgesteld. Aan de tijdelijke ontheffing wordt de verplichting verbonden om de ervaren belemmeringen te verminderen. Een ontheffing die mede noodzakelijk is in verband met schuldhulpverlening of WSNP, wordt altijd verleend op grond van een medisch advies. Artikel3.1c.5.De re-integratieverplichting Link met : 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.14 Andere voorzieningen en vergoedingen Tijdens het volgen van een inburgeringscursus die noodzakelijk is op grond van de Wet inburgering wordt de cursus aangemerkt als een re-integratieverplichting. In geval van tijdelijke arbeidsongeschiktheid of in de persoon gelegen omstandigheden waardoor de uitvoering van het re-integratieaanbod tijdelijk niet mogelijk is, wordt er niet gehandhaafd op het niet nakomen van de re-integratieverplichting. Er wordt beoordeeld of het re-integratieaanbod aangepast moet worden aan de mogelijkheden van de werkzoekende. In geval van ontheffing van de arbeidsverplichting wordt door ons beoordeeld op welke wijze invulling gegeven kan worden aan de re-integratieverplichting. Artikel3.1c.6Ontheffen van de tegenprestatie Link met : 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.14 Andere voorzieningen en vergoedingen Indien door u wordt geclaimd dat u niet in staat bent om de tegenprestatie uit te voeren, is artikel 3.1c.4. van deze beleidsregels van overeenkomstige toepassing. 3.9Taaleis Artikel3.1d.1 Begripsomschrijvingen Link met: 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.15 Andere voorzieningen en vergoedingen In de beleidsregels onder 3.1d wordt verstaan onder: onderwijsinstelling: de instelling die op basis van de Wet Educatie en Beroepsonderwijs is erkend voor het verzorgen van onderwijs in de vorm van (beroeps)opleidingen en waarvan het bevoegd gezag de deelnemers de gelegenheid geeft een examen af te leggen; referentieniveau 1F: het fundamentele niveau taal en rekenen volgens de richtlijnen van de Rijksoverheid. Dit niveau is te vergelijken met taalniveau A2; taalplan: het plan waarin de afspraken met betrekking tot het taaltraject, bedoeld in artikel 3.1d.11, eerste lid, en de trajecten, bedoeld in artikel 3.1d.11, derde lid, zijn opgenomen; taaltoets: toets als bedoeld in artikel 18b, tweede, tiende en elfde lid, van de Participatiewet; taaltraject: traject gericht op de verhoging van de taalvaardigheid in de Nederlandse taal, zijnde een opleidingstraject, of een cursus verzorgd door of onder de verantwoordelijkheid van een opleider; zittend bestand: personen die van de gemeente bijstand op grond van de Participatiewet ontvangen. Artikel3.1d.2.Beheersen van de Nederlandse taal Link met: 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.15 Andere voorzieningen en vergoedingen Wij mogen van de veronderstelling uitgaan dat u 8 jaar Nederlandstalig onderwijs hebt gevolgd, indien u blijkens de Basisregistratie Personen na 1 september 1963 bent geboren en tussen je zesde en vijftiende levensjaar ten minste acht jaar in Nederland hebt gewoond. Het vorenstaande lijdt uitzondering, ingeval uit het gesprek of dossier aanknopingspunten volgen dat u geen 8 jaar Nederlandstalig onderwijs hebt gevolgd. Onder ‘andere documenten’, bedoeld in artikel 18b, tweede lid, onderdeel c, van de Participatiewet wet, kunnen in ieder geval worden geschaard: een getuigschrift wetenschappelijk of hoger beroepsonderwijs, uitgereikt op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de vroegere Wet op het wetenschappelijk onderwijs of de vroegere Wet op het hoger beroepsonderwijs; een diploma voortgezet onderwijs (ook wel middelbaar onderwijs genoemd), uitgereikt op grond van de Wet op het voortgezet onderwijs; een diploma middelbaar beroepsonderwijs, uitgereikt op grond van de Wet educatie en beroepsonderwijs of de Wet op het voortgezet onderwijs; een diploma leerlingwezen, uitgereikt op grond van de vroegere Wet op het leerlingwezen of de vroegere Wet op het cursorisch beroepsonderwijs; het certificaat op grond van de Wet Inburgering Nieuwkomers (WIN) of een verklaring van het regionaal opleidingscentrum (ROC) waaruit blijkt dat voor het onderdeel Nederlands als tweede taal ten minste niveau 2 van de eindtermen Referentiekader Nederlands als Tweede Taal is behaald (artikel 2.4 lid 1 Besluit Inburgering); het certificaat voor oudkomers, zoals bedoeld in de Regeling certificaat inburgering oudkomers, indien uit de vermelding daarop blijkt dat ten minste het niveau NT2 voor de onderdelen Luisteren, Spreken, Lezen en Schrijven is behaald (artikel 2.3 lid 1 onderdeel i Besluit Inburgering); diploma staatsexamen NT2; Belgisch diploma in het Nederlandstalig onderwijs in België met voldoende voor het vak Nederlands; Surinaams diploma in het Nederlandstalig onderwijs met voldoende voor het vak Nederlands; Nederlands-Antilliaans diploma in het Nederlandstalig onderwijs met voldoende voor het vak Nederlands; certificaat Nederlandse Naturalisatietoets van Bonaire, Sint Eustatius, Saba, Aruba, Curaçao of Sint Maarten met voldoende voor het vak Nederlands. Artikel3.1d.3Taaltoets bij aanvraag Link met: 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.15 Andere voorzieningen en vergoedingen Indien u niet kunt aantonen dat u de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst, wordt een taaltoets afgenomen. Wij nemen binnen 8 weken na ontvangst van de bijstandsaanvraag een taaltoets af. Bij de eerste taaltoets word u getoetst op de vijf vaardigheden, zoals vermeld in artikel 18b, achtste lid, van de Participatiewet. Bij een opnieuw af te nemen taaltoets worden alleen de vaardigheden getoetst die u, op basis van de eerdere afgenomen taaltoets(en), onvoldoende beheerste. Artikel3.1d.4.Taaltoets zittend bestand Link met: 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.15 Andere voorzieningen en vergoedingen Wij onderzoeken tijdens het eerstvolgende reguliere contactmoment dat na inwerkingtreding van deze beleidsregels met u plaatsvindt of u de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst. Indien u niet kunt aantonen dat u de Nederlandse taal voldoende beheerst, dan nemen wij binnen een door ons te bepalen termijn de taaltoets af. De leden 3 en 4 van artikel 3.1d.3 zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel3.1d.5.Taaltoetsafnemer Link met: 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.15 Andere voorzieningen en vergoedingen De taaltoets wordt uitgevoerd door onderwijsinstelling ROC Kop van Noord-Holland. De taaltoetsen die door onderwijsinstelling ROC Kop van Noord-Holland als toetsinstrument worden ingezet, dienen te voldoen aan artikel 18b van de Participatiewet en aan het Besluit taaltoets Participatiewet. Onderwijsinstelling ROC Kop van Noord-Holland is verplicht zich te houden aan de geheimhoudingsplicht, bedoeld in artikel 65 van de Participatiewet. Artikel3.1d.6. Taaltoetsbeoordeling Link met: 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.15 Andere voorzieningen en vergoedingen Wij wijzen onderwijsinstelling ROC Kop van Noord-Holland aan als toetsbeoordelaar, bedoeld in artikel 5 van het Besluit Taaltoets Participatiewet. Onderwijsinstelling ROC Kop van Noord-Holland dient ervoor zorg te dragen dat de personen die het resultaat van de taaltoets beoordelen voldoen aan de in artikel 5 van het Besluit Taaltoets Participatiewet gestelde kwalificatie-eisen. De uitkomst van de bij u afgenomen toets wordt beoordeeld aan de hand van de beoordelingsschaal behorend bij het toetsinstrument, bedoeld in artikel 3.1d.5 lid 2. Deze beoordelingsschaal leidt tot een objectieve en didactisch verantwoorde interpretatie van de uitkomsten van de toets. Artikel3.1d.7.Toetsingswijze Link met: 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.15 Andere voorzieningen en vergoedingen De taaltoets wordt in een rustige, afgesloten ruimte in groepsverband afgenomen en onder zodanige omstandigheden dat fraude of niet waarheidsgetrouwe uitkomsten worden voorkomen. Daartoe worden in ieder geval de volgende voorwaarden in acht genomen: er dient voldoende afstand tussen de tafels te zijn; de vragenvolgorde van de toets dient variërend te zijn; tijdens de taaltoets heb u niet de mogelijkheid om in contact te treden met derden, dan wel de gelegenheid om geluid- of beeldopnamen van de toetsactiviteiten te maken. De inzet van computers of andere hulpmiddelen bij onderdelen van de toets is toegestaan. Op uw verzoek dient rekening gehouden te worden met uw beperking(
- en)en kan de taaltoets afgenomen worden op een wijze die is aangepast aan uw beperking. Artikel3.1d.8.Uitzonderingen taaltoets Link met: 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.15 Andere voorzieningen en vergoedingen Wij nemen in afwijking van artikel 3.1d.3, eerste lid, en artikel 3.1d. 4, tweede lid, geen taaltoets af, indien: vastgesteld wordt dat elke vorm van verwijtbaarheid om aan de taaleis te voldoen ontbreekt; u een wettelijk erkende opleiding volgt waarvan de afronding leidt tot uitreiking van een aangewezen diploma, certificaat of ander document, op mbo2-niveau of hoger; tijdens een vorige uitkeringsperiode reeds een taaltoets is afgenomen waarvan de uitkomst is dat u de Nederlandse taal in voldoende mate beheerst; tijdens een vorige uitkeringsperiode reeds een taaltoets is afgenomen en is vastgesteld dat u de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, en dat op grond van in de persoon gelegen factoren is vastgesteld dat u niet is staat bent om de Nederlandse taal op referentieniveau 1F machtig te worden; u een uitkering had in een andere gemeente en u in die gemeente al een toets hebt afgelegd. De toetsresultaten en trajectafspraken worden overgenomen, tenzij deze onvoldoende zekerheid bieden over de actuele taalvaardigheid; uit het door de u overgelegde curriculum vitae blijkt dat u gedurende een periode van ten minste 1 jaar een of meer functies hebt vervuld waarvoor een beheersing van de Nederlandse taal op referentieniveau 1F is vereist dan wel noodzakelijk is om de functie(
- s)in kwestie naar behoren te kunnen uitvoeren; de uitkering voor korte duur wordt verstrekt en vast staat wat de einddatum van de uitkering zal zijn. Artikel3.1d.9.Het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid Link met: 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.15 Andere voorzieningen en vergoedingen Elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt in ieder geval indien: sprake is van een gediagnosticeerd leerprobleem; door een onderwijsinstelling is vastgesteld dat op grond van in de persoon gelegen factoren, u niet staat bent om de Nederlandse taal op referentieniveau 1F machtig te worden; u in het bezit bent van een tijdelijke ontheffing van de verplichting als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdelen a en c van de Participatiewet; u volledig en duurzaam arbeidsongeschikt bent als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen; u in het bezit bent van een ontheffing op grond van de Wet inburgering. Artikel3.1d.10.Schriftelijke kennisgeving Link met: 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.15 Andere voorzieningen en vergoedingen Indien uit de uitkomst van de toets, bedoeld in artikel 3.1d.3, blijkt dat u in voldoende mate de vaardigheden in de Nederlandse taal beheerst, stellen wij u binnen 4 weken na uitkomst van de taaltoets hiervan schriftelijk in kennis. Indien uit de uitkomst van de toets, bedoeld in artikel 3.1d.3,, blijkt dat u niet of niet in voldoende mate de vaardigheden in de Nederlandse taal beheerst, dan stellen wij u hiervan binnen 8 weken na uitkomst van de taaltoets schriftelijk in kennis. Bij de schriftelijke kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, wordt de volgende procedure gevolgd: u wordt uitgenodigd voor een gesprek; tijdens dat gesprek wordt u op de hoogte gesteld van de uitslag van de taaltoets en aan u het besluit, waarin is vastgelegd dat het redelijk vermoeden aanwezig is dat de Nederlandse taal niet wordt beheerst, uitgereikt (schriftelijke kennisgeving); tot slot wordt tijdens het gesprek met u de bereidverklaring op schrift gesteld en worden nadere afspraken gemaakt met betrekking tot het in te zetten traject om de Nederlandse taalvaardigheden te gaan leren, welke afspraken worden neergelegd in een taalplan. Vanaf de datum van uitreiking van deze schriftelijke kennisgeving wordt bij u geacht het vermoeden aanwezig te zijn dat u de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst. Artikel31d.11. Aanbod verwerven vaardigheden Nederlandse taal Link met: 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.15 Andere voorzieningen en vergoedingen Wij kunnen u een taaltraject aanbieden als: u leerbaar bent; voor u de kansen op de arbeidsmarkt op de korte termijn worden vergroot indien u de Nederlandse taal beter beheerst. De opleider die het traject, bedoeld in eerste lid, verzorgt, is werkzaam voor een bedrijf of instelling of beschikt als zelfstandige over een inschrijving bij de Kamer van Koophandel en is aantoonbaar geschikt voor het geven van taalonderwijs in de Nederlandse taal, wat blijkt uit: een getuigschrift, afgegeven krachtens de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, waaruit blijkt dat is voldaan aan: de bekwaamheidseisen die zijn vastgesteld krachtens artikel 32a, eerste lid, van de Wet op het primair onderwijs; de bekwaamheidseisen die zijn vastgesteld krachtens artikel 36, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs en waaruit blijkt dat de opleider bekwaam is in een van de taal- of letterkundige studierichtingen; de bekwaamheidseisen die zijn vastgesteld krachtens artikel 4.2.3, eerste lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs en waaruit blijkt dat de opleider bekwaam is in een van de taal- of letterkundige studierichtingen; een erkenning van beroepskwalificaties als bedoeld in artikel 5 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties, verleend ten aanzien van het onderwijs dat betrokkene zal geven; een geschiktheidsverklaring als bedoeld in artikel 176b van de Wet op het primair onderwijs, 118k van de Wet op het voortgezet onderwijs of 4.2.4 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, waaruit de geschiktheid voor het geven van taalonderwijs blijkt; het als taaldocent werkzaam zijn voor een taalaanbieder die is aangesloten bij de Nederlandse Raad voor Training en Opleiding of daar als zelfstandige bij zijn aangesloten; het als taaldocent werkzaam zijn voor een taalaanbieder die in het bezit is van het keurmerk Blik op Werk of als zelfstandige taalaanbieder in het bezit zijn van dit keurmerk; het als taaldocent werkzaam zijn voor een mbo-instelling; of het bezit van een Certificaat Competent Docent NT2, afgegeven door de Beroepsvereniging van docenten Nederlands als Tweede Taal. Als aan u geen taaltraject, bedoeld in het eerste lid, wordt aangeboden, dan kunnen wij op basis van maatwerk, afspraken met u maken over de wijze waarop u gaat werken aan het verwerven van de vaardigheden in de Nederlandse taal. In een taalplan worden de afspraken vastgelegd met betrekking tot de wijze waarop u aan de verwerving van de vaardigheden in de Nederlandse taal gaat werken en de minimale inspanning die u hierbij moet leveren. Artikel3.1d.12.Relatie met Wet inburgering Link met: 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.15 Andere voorzieningen en vergoedingen Wanneer u begonnen bent met een leertraject in het kader van de Wet inburgering en u zich houdt aan de gemaakte afspraken als vastgelegd in het persoonlijk plan inburgering en participatie (PIP), dan kan dit worden aangemerkt als ‘voldoende inspanning’ van uw kant, als bedoeld in artikel 18b, zesde lid, onder a, van de Participatiewet. Artikel3.1d.13.Relatie met ROC-Kop van Noord-Holland (WEB formele aanbod) Link met: 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.15 Andere voorzieningen en vergoedingen Wanneer u begonnen bent met een taaltraject in het kader van de WEB bij ROC Kop van Noord-Holland, dan kan dit aangemerkt worden als ‘voldoende inspanning’ van uw de kant, als bedoeld in artikel 18b, zesde lid, onder a, van de Participatiewet. Artikel3.1d.14.Relatie met de re-integratie Link met: 3.4 Voorzieningen- werk en artikel 3.4.15 Andere voorzieningen en vergoedingen Wanneer u begonnen bent met een taaltraject in het kader van de re-integratie, dan kan dit aangemerkt worden als ‘voldoende inspanning’ van uw kant, als bedoeld in artikel 18b, zes lid, onder a, van de Participatiewet. 3.2Meedoen aan samenleving (dagbesteding, begeleiding, vervoersvoorzieningen en rolstoelen) Artikel3.2.1Begripsbepalingen Link met: 3.6 Meedoen aan de samenleving In de beleidsregels onder 3.2 wordt verstaan onder: begeleiding: individuele ondersteuning gericht op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie voor kwetsbare inwoners. Het bewerkstelligen van verandering in gedrag en vaardigheden en het begeleiden bij achteruitgang hoort hier ook bij. Het signaleren van en acteren op veranderingen in de gezondheidssituatie, de leefomstandigheden en de sociale omgeving van de cliënt maakt onderdeel uit van dit product. Wanneer mogelijk en passend bij de cliënt kan gebruik worden gemaakt van beeldzorg. Waar mogelijk is de begeleiding erop gericht toe te werken naar een situatie waarin deze niet meer of in mindere mate nodig is en de cliënt gebruik kan maken van reguliere maatschappelijke voorzieningen ten behoeve van participatie en zelfstandigheid met minder of zonder ondersteuning. De focus ligt hierbij op trainen en coachen. De begeleiding vindt plaats in de dagelijkse leefomgeving. Daar valt een werk(ervarings)plek ook onder. begeleiding extra: de individuele ondersteuning is net als bij begeleiding gericht op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Begeleiding extra wordt slechts ingezet in de meest complexe situaties. Te denken valt hierbij aan ernstige gedragsstoornissen en multi-probleemsituaties. Er is veelal sprake van langdurig tekortschietende zelfregie over het dagelijks leven. Nodig is over het algemeen methodische begeleiding gericht op verbetering/ontwikkeling. Doel is waar mogelijk activering en waar nodig stabilisatie en handhaving; brandveilige stalling: een stalling die voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012; elektrisch dan wel via een hulpmiddel aangedreven verplaatsingshulpmiddel: hieronder kunnen in ieder geval worden geschaard de scootmobiel en de elektrische rolstoel; dagbesteding: het geven van een zinvolle daginvulling aan inwoners, die wordt aangeboden in een groep. Zingeving en zinbeleving staan hierbij centraal. De activiteiten dragen bij aan de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie van de cliënt. Dagbesteding sluit aan op wat iemand (nog) kan leren/ontwikkelen en/of bijdragen in de samenleving. Wanneer mogelijk is de dagbesteding gericht op overdracht richting arbeidsparticipatie. Stabiliseren van de situatie en begeleiding bij achteruitgang hoort ook bij dagbesteding. Het signaleren van en acteren op veranderingen in de gezondheidssituatie, de leefomstandigheden en de sociale omgeving van de cliënt maakt onderdeel uit van dit product; kortdurend verblijf: dit verblijf is tijdelijk en bedoeld om de mantelzorger te ontlasten. Het kortdurend verblijf is planbaar. Uitgangspunt is dat de inwoner na verblijf elders weer naar huis gaat. Het kortdurend verblijf omvat bed, bad en brood en toezicht. De duur van het verblijf is 1,2 of 3 etmalen per week, met dien verstande dat in specifieke situaties een langere aaneengesloten periode mogelijk moet zijn. Dit laatste kan voor zover de maximale periode op jaarbasis (52 weken x 3 etmalen) niet wordt overschreden. De cliënt is zelf verantwoordelijk voor vervoer van en naar de locatie van het verblijf. Artikel3.2.2Dagbesteding Link met: 3.6 Meedoen aan de samenleving en artikel 3.6.1 Dagbesteding U komt in aanmerking voor dagbesteding, indien u beperkingen ondervindt bij uw zelfredzaamheid en/of participatie en hulp in het dagelijks leven nodig hebt voor herstel van/ stabiliseren van het evenwicht bij het functioneren. Bij dagbesteding worden de volgende resultaten op cliëntniveau onderscheiden: zo lang mogelijk thuis wonen; versterken van het netwerk; het blijven of gaan participeren in de samenleving; structuur aanbrengen in de dag; sociale vaardigheden behouden en ontwikkelen; voorkomen van eenzaamheid/verlichting sociaal isolement; behouden van praktische, fysieke en cognitieve vaardigheden; overbruggen van tijdelijke schooluitval en bieden van ondersteuning; vervanging voor het volgen van onderwijs (bij vrijstelling); opstap naar school of voorbereiding op re-integratie. Dagbesteding is ondersteuning in een groep en kent een waaier aan verschijningsvormen en zinvolle activiteiten. Algemeen uitgangspunt is dat activiteiten bijdragen aan de zelfredzaamheid en aansluiten op wat iemand (nog) kan (leren) en/of bijdragen aan de samenleving. Dagbesteding kan ook dienen als ondersteuning voor mantelzorgers, waardoor zij beter in staat blijven hun zorgtaken uit te voeren. Dagbesteding houdt in een structurele tijdsbesteding met een welomschreven doel waarbij de persoon actief wordt betrokken. Dagbesteding biedt mogelijkheden voor tijdsstructurering, zingeving en het aangaan van sociale contacten, waardoor bepaalde gedragsproblemen kunnen afnemen. Artikel3.2.3Vervoer dagbesteding Link met: 3.6 Meedoen aan de samenleving en artikel 3.6.2 Vervoer dagbesteding Het bieden van vervoer is verbonden aan dagbesteding voor zover de cliënt niet in staat is om zelf, met behulp van zijn netwerk of met vrijwillige inzet van en naar de dagbesteding te komen. In die gevallen neemt de aanbieder van de dagbesteding de organisatie van het vervoer op zich. Hierbij wordt aangesloten op de afspraken die gemaakt zijn met de cliënt wanneer de dagbesteding wordt ingezet. Het vervoer omvat het vervoer van en naar de locatie van de dagbesteding. Toezicht tijdens het vervoer wordt niet geïndiceerd. Artikel3.2.4Begeleiding Link met: 3.6 Meedoen aan de samenleving en artikel 3.6.3 Begeleiding U komt in aanmerking voor begeleiding, indien u beperkingen ondervindt bij uw zelfredzaamheid en ondersteuning in het dagelijks leven nodig hebt om zelfstandig te kunnen leven. Begeleiding is gericht op het bevorderen van uw zelfredzaamheid en participatie zodat u zolang mogelijk in uw eigen leefomgeving kan blijven. Het doel van begeleiding is gericht op wat u nodig hebt voor het herstel van c.q. het stabiliseren van het evenwicht bij het functioneren bij een of meer van de volgende onderdelen: het begeleiden bij uw zelfredzaamheid en/of participatie; het stabiliseren van uw zelfredzaamheid en/of participatie; het verbeteren van uw zelfredzaamheid en/of participatie; en/of het ondersteunen van uw zelfzorg. De begeleiding wordt aangeboden in de vorm van Begeleiding en Begeleiding Extra. Bij begeleiding worden de volgende resultaten op cliëntniveau onderscheiden: zo lang mogelijk veilig thuis wonen (met specifieke aandacht voor kinderen); zelfstandig leren wonen (o.a. met beeldzorg); structuur aanbrengen in de dag; betekenisvolle rollen in het leven behouden en ontwikkelen; versterken zelfmanagement; sociale vaardigheden behouden en ontwikkelen; voorkomen van eenzaamheid/verlichting sociaal isolement; het blijven of gaan participeren in de samenleving; werknemersvaardigheden ontwikkelen en versterken; toeleiding naar dagbesteding, onderwijs en/of behandeling; begeleiding bij werkfit maken als voorbereiding op toeleiding naar werk; begeleiding bij het behouden van werk (jobcoaching); het voorkomen van schulden; versterken van het netwerk en het inzetten daarvan. Bij het vaststellen van de omvang van de begeleiding worden de volgende aspecten meegewogen: welke activiteiten zijn nodig; wat biedt het eigen netwerk of de voorliggende voorzieningen; hoe belast is de mantelzorg; wat zijn de mogelijkheden van de cliënt (hoeveel kan de cliënt fysiek en mentaal aan); hoeveel tijd kosten deze activiteiten en met welke frequentie (hoeveel keer per week) moeten deze worden uitgevoerd; zijn de activiteiten planbaar of niet; is er toezicht nodig, en zo ja in welke mate. Artikel3.2.5Gebruikelijke hulp Link met: 3.6 Meedoen aan de samenleving en artikel 3.6.4 Gebruikelijke hulp Alle begeleiding van de cliënt door de ouder, door partners onderling, door inwonende kinderen en/of andere huisgenoten is gebruikelijke hulp als er sprake is van een kortdurende situatie met uitzicht op een dusdanig herstel van het probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de cliënt, dat begeleiding daarna niet langer is aangewezen. Daarbij gaat het over het algemeen over een periode van maximaal drie maanden. Als het gaat om een chronische aandoening is de begeleiding van een volwassen cliënt gebruikelijke hulp, wanneer die begeleiding naar algemeen aanvaarde maatstaven door partner, ouder, inwonend kind en/of andere huisgenoten in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar moet worden geboden. Er gelden de volgende uitzonderingen op gebruikelijke hulp: voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft en/of kennis/vaardigheden mist om gebruikelijke hulp ten behoeve van cliënt uit te voeren en deze vaardigheden niet kan aanleren wordt van hen geen bijdrage verwacht. voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of andere volwassen huisgenoot overbelast is of dreigt te raken wordt van hem of haar geen gebruikelijke hulp verwacht, totdat deze dreigende overbelasting is opgeheven. Daarbij geldt wanneer voor de partner, ouder, volwassen kind en/of andere volwassen huisgenoot eigen mogelijkheden en/of voorzieningen zijn om de (dreigende) overbelasting op te heffen, deze eigen mogelijkheden en/of voorzieningen hiertoe dienen te worden aangewend. Artikel3.2.6Vervoer algemene uitgangspunten Link met: 3.6 Meedoen aan de samenleving en artikel 3.6.3 Contact met anderen Verplaatsen is noodzakelijk om in redelijke mate mensen te ontmoeten, contacten te onderhouden, boodschappen te doen en deel te nemen aan activiteiten. Voor iedere Nederlander is het normaal om kosten te maken voor zijn vervoer. Voor personen die een inkomen hebben op of rondom het sociaal minimum is dit niet anders. Een bijstandsuitkering is namelijk opgebouwd uit een aantal componenten, waaronder een voor het vervoer. Mensen met een beperking kunnen zich niet altijd zo gemakkelijk verplaatsen als mensen zonder beperkingen. Waar een persoon zonder beperking op de fiets stapt, moet de persoon met een beperking hiervoor bijvoorbeeld gebruik maken van de 60+ bus. Dit is bovengebruikelijk vervoer. De gemeente biedt voor dit bovengebruikelijke vervoer een vervoersvoorziening. Een vervoersvoorziening is een voorziening ter compensatie van beperkingen die worden ondervonden bij het zich lokaal verplaatsen. Er wordt gesproken over lokaal verplaatsen bij verplaatsingen in een straal van maximaal 25 kilometer rond de woning. Buiten dit gebied kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van het bovenregionale vervoer dat Valys in opdracht van het ministerie van VWS uitvoert. Om beperkingen en vervoersbehoeften inzichtelijk te maken, onderscheiden we 3 soorten afstanden: de korte afstanden: loop- en fietsafstand in de directe omgeving (kinderen naar school brengen of de dichtstbijzijnde winkels bezoeken); de middellange afstanden: dat zijn de afstanden die een persoon zonder beperkingen per fiets, brommer, auto of openbaar vervoer aflegt binnen een straal van 25 kilometer rond de woning (bijvoorbeeld naar een ziekenhuis of uitgaanscentra); de lange afstanden: vervoer naar bestemmingen die liggen buiten de straal van 25 kilometer rond de woning (vervoer naar bestemmingen die liggen buiten het verzorgingsgebied ofwel het bovenregionale vervoer). Bij de aanvraag om een vervoersvoorziening worden de volgende factoren meegewogen: leeftijd Er bestaat een relatie tussen de leeftijd van de belanghebbende en diens verplaatsingsgedrag. Bij de beoordeling van een vervoersvoorziening wordt daarmee rekening gehouden. Zo bestaat er een groot verschil in verplaatsingsgedrag van dat van een kind, dat van een volwassene en dat van een oudere. Naar mate de leeftijd toeneemt, neemt de vervoersbehoefte eerst toe, en op latere leeftijd weer af. Bij kinderen onder de 5 jaar wordt geacht dat zij geen zelfstandige vervoersbehoefte hebben omdat de ouders hen meenemen. Kinderen van 5 tot en met 11 jaar kunnen een zelfstandige vervoersbehoefte hebben over de middellange afstand. Zij hebben geen zelfstandige vervoersbehoefte over de lange afstand. Zij worden geacht bij het vervoer begeleid te worden. Kinderen van 12 jaar en ouder en volwassenen hebben een zelfstandige vervoersbehoefte. verplaatsingsmotieven Voor motieven voor vervoer komen in aanmerking de dingen die men normaliter van dag tot dag pleegt te doen, zoals boodschappen doen, winkelen, sport, hobby, bezoeken van bijeenkomsten, meedoen met maatschappelijke, culturele en religieuze activiteiten, bezoek huisarts, specialist of ziekenhuis, bezoek familie en vrienden. Hiermee wordt de vervoersbehoefte in kaart gebracht. Gekeken wordt naar de levensstijl van de persoon met beperkingen, waarbij de levensstijl van personen zonder beperkingen als referentiekader wordt gebruikt, of het dagelijkse leven zoals dat vóór de beperkingen werd geleid. Van de persoon met beperkingen wordt wel verlangd dat deze zijn verplaatsingspatroon enigermate aan de beperkingen aanpast. Artikel3.2.7Vervoersbudget Link met: 3.6 Meedoen aan de samenleving en artikel 3.6.3 Contact met anderen U komt in aanmerking voor een vervoersbudget, indien u problemen ervaart op het gebied van vervoer die u niet op eigen kracht kunt oplossen en hierdoor voor uw verplaatsingen in de rond uw woonplaats gelegen regio een bovengebruikelijk beroep moet doen op personen uit uw sociale netwerk of een algemene voorziening. Het vervoersbudget, genoemd in het eerste lid, is bedoeld om de bovengebruikelijke vervoerskosten van maximaal 2000 of 1500 km (voor wie beschikt over bijvoorbeeld een scootmobiel of aangepaste fiets) per jaar deels te compenseren. Indien er meer wordt gereisd dan 1500 dan wel 2000 km, dan komt dit voor uw eigen rekening. Wij kunnen bewoners van een Wlz-instelling in aanmerking brengen voor een lager vervoersbudget. Artikel3.2.8(Rolstoel)taxikostenvergoeding Link met: 3.6 Meedoen aan de samenleving en artikel 3.6.3 Contact met anderen Indien u voor uw verplaatsingen in de rond jouw woonplaats gelegen regio geen netwerk van personen, diensten en voorzieningen om jou heen hebt waarop u een beroep kunt doen en hierdoor voor deze verplaatsingen bent aangewezen op de diensten van een commerciële vervoerder, kan u in plaats van het vervoersbudget in aanmerking worden gebracht voor een (rolstoel)taxikostenvergoeding. Deze vergoeding kan ook worden toegekend ingeval u wel een netwerk van personen diensten en voorzieningen om u heen hebt, maar vanwege in de persoon gelegen beperkingen door jou hierop geen beroep kan worden gedaan. Artikel3.2.9Weekendvervoer Link met: 3.6 Meedoen aan de samenleving en artikel 3.6.3 Contact met anderen Wij kunnen jou als u verblijft in een Wlz-instelling een vervoersvoorziening voor bovenregionaal weekendvervoer naar ouders of familieleden toekennen, indien er sprake is van een dreigende vereenzaming. Met de vervoersvoorziening, bedoeld in het eerste lid, dien u in de gelegenheid te worden gesteld maximaal tien keer per jaar een bezoek te brengen aan jouw ouders of familieleden. Deze vervoersvoorziening is uitsluitend bedoeld voor het vervoer van jou van de Wlz-instelling naar de woning van jouw ouders of familieleden en vice versa. Wij bepalen de afstand tussen de Wlz-instelling waar u verblijft en de woning van jouw ouders of familieleden aan de hand van www.routenet.nl op basis van de kortste route. De vervoersvoorziening, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit: een financiële tegemoetkoming van € 0,24 per verreden kilometer, indien de cliënt per auto wordt vervoerd; een taxikostenkostenvergoeding, indien de cliënt vanwege in de persoon gelegen beperkingen per rolstoeltaxi moet worden vervoerd. De financiële tegemoetkoming en de taxikostenkostenvergoeding, bedoeld in het vierde lid, worden vooraf uitbetaald. Wij kunnen steekproefsgewijs controleren of u deze financiële tegemoetkoming en/of taxikostenvergoeding hebt uitgegeven aan het doel waarvoor deze zijn verstrekt. Recreatief vervoer voor Wlz-bewoners vanuit de woning van de ouders of het familielid valt niet onder de compensatieplicht. Artikel3.2.10Vervoersvoorzieningen over de korte en/of middellange afstand Link met: 3.6 Meedoen aan de samenleving en artikel 3.6.3 Contact met anderen Indien u ten gevolge van een aandoening of gebrek een aantoonbare loopbeperking hebt van langdurige aard, waardoor u - met de gebruikelijke loophulpmiddelen - in redelijkheid niet in staat bent zelfstandig een korte en/of middellange afstand te overbruggen, kunnen wij jou in aanmerking brengen voor een vervoersvoorziening over de korte afstand (scootmobiel of driewielfiets). U komt niet in aanmerking voor een vervoersvoorziening over de korte afstand, indien reeds ondersteuning -op- maat is verleend met hetzelfde gebruiksdoel. Artikel3.2.11Stalling van een elektrisch c.q. via een hulpmotor aangedreven verplaatsingshulpmiddel Link met: 3.6 Meedoen aan de samenleving en artikel 3.6.3 Contact met anderen Als een elektrisch dan wel via een hulpmotor aangedreven verplaatsingshulpmiddel is toegekend, vindt levering van dit middel aan jou niet plaats voordat uit onderzoek ter plaatse is gebleken dat een brandveilige stalling aanwezig of realiseerbaar is. Er bestaan verschillende mogelijkheden voor het realiseren van een stalling. Allereerst zal gekeken worden of een stallingsmogelijkheid in de woning aanwezig of realiseerbaar is. Is deze niet aanwezig of realiseerbaar, dan zal gekeken worden naar mogelijkheid b (een algemene voorziening per complex), vervolgens naar mogelijkheid c (een algemene voorziening per verdieping of unit) en als laatste naar mogelijkheid d (een individuele voorziening bij de woning). Indien er geen brandveilige stalling aanwezig is, vergoeden wij de kosten voor de aanleg van een stallings- en oplaadmogelijkheid. In afwijking van het derde lid worden de kosten voor aanleg van stallings- en oplaadmogelijkheid niet vergoed door ons, indien u woonachtig bent in een wooncomplex dat specifiek gericht is op mensen met beperkingen dan wel ouderen of waar uitgaande van het verhuurbeleid inmiddels veelal ouderen wonen. Er mag vanuit worden gegaan dat in dergelijke wooncomplexen al een stallings- en oplaadmogelijkheid in de gemeenschappelijke ruimten is aangelegd of dat deze voorzieningen bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen. Artikel3.2.12Rolstoel Link met: 3.6 Meedoen aan de samenleving en artikel 3.6.4 Rolstoel U kunt voor een rolstoel in aanmerking komen, indien: aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het regelmatig zittend verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken; en de hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van andere voorliggende voorzieningen of andere wettelijke regelingen geen adequate oplossing bieden; en een algemene voorziening niet aanwezig is. Artikel3.2.13Sportvoorziening (waaronder sportrolstoel) Link met: 3.6 Meedoen aan de samenleving en artikel 3.6.4 Rolstoel Sporten is belangrijk om te blijven participeren. Wanneer het voor jou zonder sporthulpmiddel niet mogelijk is om een sport te beoefenen en de kosten hiervoor aanzienlijk hoger zijn dan de gebruikelijke kosten die een persoon zonder beperkingen heeft voor dezelfde (of een vergelijkbare) sport, kan een sportvoorziening worden verstrekt. Dat kan een sportrolstoel zijn maar ook een ander hulpmiddel. U komt in aanmerking voor een sportvoorziening, indien: u regelmatig en frequent sport; het voor jou zonder sporthulpmiddel niet mogelijk is om een sport te beoefenen en de kosten hiervan aanzienlijk hoger zijn dan de gebruikelijke kosten die een persoon zonder beperkingen heeft voor dezelfde (of een vergelijkbare) sport; en een rolstoelvoorziening voor dagelijks gebruik niet voldoet. De sportvoorziening bestaat uit een forfaitaire vergoeding die maximaal eens keer per drie jaar wordt verstrekt. In het (financieel) Besluit Maatschappelijke ondersteuning Schagen zijn regels gesteld over de hoogte van de in het derde lid genoemde forfaitaire vergoeding. 3.3Vervoer naar school (leerlingenvervoer) Artikel3.3.1Berekening van de afstand per fiets Link met 3.7 Vervoer naar school en artikel 3.7.2 Onderzoek Indien het vervoer per fiets betreft, wordt bij de toetsing van de aanvraag de kortste, veilige route gemeten via de www.routeplanner.fietsenbond.nl. Aangezien onze gemeente beschikt over een uitstekend fietsnetwerk, wordt voor de berekening van de afstand van huis naar school de kortste route per fiets aangehouden. Als de afstand tussen de woning en school zes kilometer of korter is, wordt er bij de beschikking op de aanvraag een uitdraai meegestuurd ter onderbouwing van de weigering. Artikel3.3.2Berekening van de afstand per auto Link met 3.7 Vervoer naar school en artikel 3.7.2 Onderzoek Wij kunnen jullie als ouders toestemming verlenen om jullie kind zelf met de auto naar school te brengen. Als aanspraak bestaat op bekostiging van de kosten van aangepast vervoer, krijgen jullie een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto. De afstand wordt gemeten via routenet.nl op basis van de kortste route. Artikel3.3.3Vaststellen van de reistijd Link met 3.7 Vervoer naar school en artikel 3.7 .2 Onderzoek Het vaststellen van de reistijd per openbaar vervoer vindt plaats op basis van de Reisinformatiegroep bv via 0900-9292 of www.9292.nl. Voor het vaststellen van de reistijd per aangepast vervoer wordt de vervoerder geraadpleegd. Artikel3.3.4Vaststellen kosten openbaar vervoer Link met 3.7 Vervoer naar school en artikel 3.7.2 Onderzoek Het vaststellen van de kosten van openbaar vervoer en de daaraan gerelateerde vergoeding vindt plaats op basis van de door de Reisinformatiegroep bv beschikbaar gestelde informatie via 0900-9292 of www.9292.nl. Artikel3.3.5Tijdstip en termijn van uitbetaling Link met 3.7 Vervoer naar school en artikel 3.7.5 Ingangsdatum en duur van de tegemoetkoming De vergoeding voor het eigen vervoer (auto, fiets of bromfiets) en de bijdrage voor het openbaar vervoer worden in twee termijnen uitbetaald: In september de eerste termijn over de laatste maanden van het kalenderjaar en In januari de tweede termijn voor de resterende maanden in het volgende kalenderjaar tot aan de zomervakantie. Indien jouw financiële situatie hiertoe aanleiding geeft, kunnen wij besluiten voor jou een ander betalingsritme aan te houden. U dient hiertoe bij ons een schriftelijk, met redenen omkleed, verzoek in te dienen. U dient voorts jouw verzoek te onderbouwen met objectieve en verifieerbare gegevens. Artikel3.3.6Lestijden Link met 3.7 Vervoer naar school en artikel 3.7.4.1 Tegemoetkoming Leerlingen die naar het voortgezet (speciaal) onderwijs worden vervoerd door het vervoersbedrijf, worden direct na afloop van de laatste les vervoerd, indien tussen het tijdstip waarop de laatste les eindigt en het tijdstip waarop de leerling door de taxibus, waarin deze is ingedeeld, wordt opgehaald een tijdspanne zit die twee lesuren en een aansluitende pauze overstijgt. De in het eerste lid genoemde leerlingen worden apart door het vervoersbedrijf vervoerd, indien het lesrooster van de leerling in kwestie zodanig is dat er tussen de aanvang van de schooltijd en het tijdstip waarop de eerste les van de desbetreffende leerling conform zijn of haar lesrooster aanvangt een tijdspanne zit die twee lesuren en een aansluitende pauze overstijgt. Artikel3.3.7Buitenschoolse opvang Link met 3.7 Vervoer naar school en artikel 3.7.4.1 Tegemoetkoming Wij hebben de zorgplicht voor het vervoer tussen huis en school en terug, maar zijn niet verplicht om het vervoer naar Buitenschoolse Opvang (BSO) te vergoeden. Het komt echter regelmatig voor dat ouders vragen hun kind van of naar de BSO of ander opvangadres te halen of te brengen. Wij gaan hier als volgt mee om: de ouders van een kind dat met een taxi(busje) naar school gaat, mag naast het woonadres eenmalig één ander adres opgeven waar het kind buiten schooltijd opgevangen wordt op vaste dagen in de week; het opvangadres moet in alle redelijkheid bereikbaar zijn en mag op maximaal 2 kilometer afstand liggen van de woning van de leerling; de rit van de taxibus wordt zodanig ingedeeld dat de medepassagiers zo min mogelijk last hebben van de eventueel extra te rijden kilometers; het vervoer tussen het opvangadres en de woning in voormelde zin wordt niet verzorgd. Artikel3.3.8Beoordeling noodzaak aangepast vervoer op basis van beperking Link met 3.7 Vervoer naar school en artikel 3.7.3.1 Voorwaarden en artikel 3.7.4.1 tegemoetkoming Als jullie als ouders aanspraak willen maken op aangepast vervoer, dan kunnen wij jullie bij de indiening van de aanvraag verzoeken bewijsstukken te overleggen waarin wordt onderbouwd waarom voor jullie kind aangepast vervoer noodzakelijk is. Dit kunnen zijn: een verklaring van een arts, specialist of andere deskundige over de aard van de handicap van de leerling. Deze verklaring kan gevraagd worden bij de aanvraag voor elke eerste aanvraag. Daarnaast zal bij de overstap naar een ander schooltype of bij de overgang van speciaal onderwijs naar voortgezet speciaal onderwijs een dergelijke verklaring moeten worden overgelegd; en een verklaring van de Commissie Toelating Onderwijsvoorziening ingeval van primair onderwijs, de Commissie Toelaatbaarheid Passend Onderwijs ingeval van voortgezet onderwijs, de Commissie van Onderzoek van de instelling ingeval van cluster 1 of 2 of van de ambulant begeleider van de school, waaruit blijkt welke vorm van vervoer voor de leerling wenselijk is. Wij behouden ons het recht voor om een medisch advies op te vragen bij een door ons gecontracteerd adviesbureau, indien wij van mening zijn dat bovengenoemde verklaringen onvoldoende zijn onderbouwd. Dit onderzoek richt zich op de mate van zelfredzaamheid van jullie kind. In sommige gevallen kan ook een advies worden gevraagd over de mogelijkheden om de zelfredzaamheid te vergroten. Het is mogelijk een proefperiode in te stellen waarin de leerling zelfstandig reizen uitprobeert. De kosten van dit medische advies zijn voor onze rekening. Artikel3.3.9Inkomenstoetsing Link met 3.7 Vervoer naar school en artikel 3.7.4.2 Bijzondere regeling naar basisschool Wanneer een drempelbedrag of een inkomensafhankelijke bijdrage: Bij de vaststelling van de draagkracht van jullie als ouders wordt het tweede kalenderjaar, voorafgaande aan het schooljaar/peiljaar gehanteerd. Hiervoor hebben wij het verzamelinkomen van jullie als ouders nodig. Hiervoor kunnen jullie een inkomstenverklaring (IB60 / IBRI) bij de belastingdienst opvragen. Drempelbedrag: jullie als ouders hoeven dit alleen in te dienen, wanneer jullie onder het gecorrigeerde verzamelinkomen zitten van het betreffende peiljaar (schooljaar 2020 /2021 bedraagt het bedrag 27.000). Wanneer jullie hieronder zitten of jullie kind gaat naar een SBO of basisschool, dan hoeven jullie geen drempelbedrag te betalen. Een inkomensafhankelijke bijdrage: wanneer een leerling, vanwege bijvoorbeeld een richting, naar een basisschool gaat en de reisafstand meer is dan 20 kilometer, dan moeten jullie als ouders een inkomensafhankelijke bijdrage betalen ( zie hieronder de bedragen voor schooljaar 2020 /2021). Verzamelinkomen Eigen bijdrage per schooljaar € 0 - 35.000 Nihil € 35.000 - 42.000 150 € 42.000 - 48.500 630 € 48.500 - 55.000 1.180 € 55.000 - 62.500 1.725 € 62.500 - 69.000 2.270 € 69.000 en verder voor elke extra € 5.500,-: 5050 erbij Bij een structurele inkomensdaling van minimaal 15% kan het peiljaar worden verlegd en van een ander moment worden uitgegaan. Verlegging van het peiljaar vindt niet plaats bij inkomensschommelingen die in het algemeen normaal kunnen worden geacht bij de gekozen wijze van inkomensverwerving. Met deze inkomensdaling kan op zijn laatst rekening worden gehouden op het moment dat het betreffende schooljaar start. Als gedurende het schooljaar sprake is van een inkomensdaling, kan geen peiljaarverlegging meer worden toegepast. Om peiljaarverlegging dient schriftelijk te worden verzocht. Bovenstaande bedragen worden jaarlijks geïndexeerd. Deze worden jaarlijks voor aanvang van het nieuwe schooljaar (mei/juni) door de VNG verstrekt. 3.3.10Hoofdverblijf Link met 3.7 Vervoer naar school en artikel 3.7.3.1 Tegemoetkoming De hoofdregel is dat de ouders een aanvraag indienen in de gemeente waar de leerling feitelijk en structureel verblijft. Inschrijving in de gemeente is hierbij niet doorslaggevend. In gevallen van crisisopvang kan op deze hoofdregel een uitzondering worden gemaakt, als de leerling: van het leerlingenvervoer gebruik maakt in de voorgaande woongemeente, een korte periode (maximaal zes maanden) verblijft in de gemeente Schagen, de oude school blijft bezoeken, en na die korte periode terugkeert naar de woongemeente. Onder crisisopvang wordt in dit verband het volgende verstaan: opvang voor mensen die in noodsituaties verkeren. Voor hen is per direct tijdelijke opvang nodig. In die periode wordt onderzocht welke hulp daarna moet worden ingezet. Artikel3.3.11 Co-ouderschap Link met 3.7 Vervoer naar school en artikel 3.7.3.1 Tegemoetkoming Co-ouders zijn ouders, al dan niet gescheiden, die niet bij elkaar wonen. Zij kunnen afspreken om hun kind(eren) gezamenlijk te blijven verzorgen en opvoeden. Er is sprake van co-ouderschap, indien zowel de moeder als de vader in een regelmatige afwisseling de zorg voor het kind of de kinderen heeft. Bij co-ouderschap kan er recht zijn op bekostiging van leerlingenvervoer voor de dagen dat de leerling bij de betreffende ouder verblijft. De beide ouders moeten afzonderlijk een aanvraag indienen voor de dagen dat het kind tijdens weekdagen bij hen verblijft. Het vorenstaande lijdt uitzondering ingeval beide co-ouders woonachtig zijn in dezelfde gemeente. In dat geval dienen de co-ouders gezamenlijk een aanvraag in te dienen. Artikel3.3.11 Begeleiding Link met 3.7 Vervoer naar school en artikel 3.7.4.1 Tegemoetkoming Indien een leerling om medische redenen begeleiding nodig heeft, zijn jullie als ouders verantwoordelijk voor deze begeleiding (hiervoor kan over het algemeen een vergoeding voor worden verkregen op basis van de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg). Door ons zal vanuit het leerlingenvervoer een zitplaats voor de begeleider beschikbaar worden gesteld. De bekostiging van de begeleiding is als volgt. De begeleider krijgt enkel betaald wanneer deze gezamenlijk met de leerling in het busje zit (in de ochtend met de leerling naar de school en in de middag met de leerling naar huis). Indien nodig wordt de begeleider gebracht of opgehaald van het desbetreffende station. De kosten om hier te komen zijn voor rekening van de begeleider. In de praktijk kan het zijn dat de vervoerder richting het huis van de begeleider rijdt. Meerijden is geen enkel probleem. Alleen kunnen de kosten hiervoor niet op ons worden verhaald. Hoofdstuk4Gezond en veilig opgroeien Kernwaarden: Uw kind moet gezond en veilig kunnen opgroeien. Jullie als ouders zijn daarvoor verantwoordelijk. Vanaf 18 jaar bent u hier zelf ook verantwoordelijk voor. Wij ondersteunen als dat nodig is en stemmen dit af met de betrokkenen, waarbij jullie eigen mogelijkheden en die van het eigen sociale netwerk voorgaan. Onder ‘jullie’ verstaan we ouders en kind. Wij hebben extra zorg voor kwetsbare inwoners. Vrij toegankelijke ondersteuning gaat voor ondersteuning-op-maat. Artikel4.1De eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van uw ouder(
- s)en van uw sociale netwerk Link met: artikel 4.2. Verantwoordelijkheid ouders Om te kunnen bepalen of inzet van ondersteuning-op-maat in het kader van de Jeugdwet noodzakelijk is, moeten wij de volgende stappen zetten: vaststellen wat de hulpvraag van u en uw ouders is; vaststellen of er sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn; vaststellen welke hulp naar aard en omvang nodig is voor u om, rekening houdend met uw leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; onderzoeken of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van uw ouder(
- s)en van uw sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. Bij het bepalen of de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van uw ouder(
- s)en van uw sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige ondersteuning te kunnen bieden (stap 4), gaat het om het bepalen van de zogenoemde ‘eigen kracht’. Wij hoeven met andere woorden geen ondersteuning-op-maat te verlenen als u of uw ouders de problemen zelf kunnen oplossen. De eigen kracht van u en uw ouders staat dus voorop. Pas als jullie er niet zelf uitkomen, moeten wij ondersteuning bieden. In het kader van de eigen kracht speelt de gebruikelijke hulp en bovengebruikelijke hulp een rol. Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse zorg en begeleiding die alle ouders aan hun kind (behoren
- te)geven. Bovengebruikelijke hulp is (voor het kind noodzakelijke) zorg en begeleiding die boven de normale dagelijkse zorg en begeleiding uitstijgt, die een kind van dezelfde leeftijd zonder beperkingen redelijkerwijs nodig heeft. In het Afwegingskader gebruikelijke hulp Jeugdwet gemeente Schagen wordt nader uitgewerkt aan de hand van welke maatstaven wordt bepaald of hulp gebruikelijk of bovengebruikelijk is. Artikel4.2Vervoer van en/of naar een individuele voorziening Link met artikel 4.4. Ondersteuning-op-maat Bij het bepalen of ondersteuning-op-maat, in de vorm van een vervoersvoorziening naar een dichtstbijzijnde toegankelijke individuele voorziening jeugdhulp, noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, hanteren wij het volgende afwegingskader: een vervoersvoorziening is alleen van toepassing, indien het gaat om een vervoersvraag voor een jeugdige aan wie een ondersteuning-op-maat in het kader van de Jeugdwet is toekend; indien dit het geval is, wordt vervolgens nagegaan of en in hoeverre de ouders het vervoer van de jeugdige naar de voorziening voor jeugdhulp zelf kunnen regelen (eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid); als ouders het vervoer naar de jeugdhulpvoorziening zelf niet of niet volledig kunnen regelen, wordt nagegaan of er iemand uit het sociale netwerk is die wat kan betekenen in het vervoer van de jeugdige naar de voorziening voor jeugdhulp; indien de inzet van het sociaal netwerk niet of onvoldoende mogelijk is, dan wordt nagegaan welke vervoersvoorziening voor de jeugdige het meest passend is. Als uw ouders in verband met hun financiële situatie het vervoer naar de jeugdhulpvoorziening niet zelf kunnen regelen, dan is er mogelijk sprake van onvoldoende eigen kracht. Bij de beoordeling of hiervan sprake is hanteren wij de volgende formule: (aantal maanden) x (aantal keren per week) x (aantal weken per maand) x (aantal km enkele reis) x 0,25 (= wegingsfactor). De variabele onderdelen zijn afhankelijk van de persoonlijke situatie van uw ouders. Is de uitkomst van deze berekening gelijk aan of groter dan 250, dan kunnen uw ouders aanspraak maken op een vervoersvoorziening. Ingeval de uitkomst van de in derde lid genoemde formule lager is dan 250, dan kunnen uw ouders geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening, tenzij uit een berekening van de financiële draagkracht van uw ouders blijkt dat hun financiële situatie niet houdbaar is zonder (financiële) ondersteuning door ons. Wij stellen de financiële draagkracht van uw ouders vast aan de hand van de rekentool van het NIBUD Het persoonlijk budgetadvies. Toekenning van een individuele vervoersvoorziening betekent niet automatisch dat u en/of uw ouders individueel vervoer ontvangt. Het vervoer kan collectief georganiseerd zijn. Artikel4.3Leeftijdsgrens 18-/18+ Link met: artikel 4.5 Overgang naar volwassenheid (18- naar 18 +) Jeugdhulp valt onder de Jeugdwet. In de Jeugdwet geldt een leeftijdsgrens van 18 jaar. Na de 18e verjaardag valt de hulp onder andere wetgeving, zoals de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015), de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg. Op het moment dat u 18 jaar wordt, kunnen zich twee situaties voordoen: Als u nog een overgangsrecht op jeugdhulp hebt en diezelfde ondersteuning op grond van een andere wet (Zvw, Wlz, of Wmo 2015) kan worden verleend, zijn wij niet meer jeugdhulpplichtig. Afhankelijk van de specifieke vorm van zorg, zal u als meerderjarige het zorgtraject kunnen voortzetten op grond van een andere wet: de Zvw, de Wlz of de Wmo 2015. De Jeugdwet (en daarmee ook het overgangsrecht op grond van die wet) is niet meer op u van toepassing. Als het een vorm van jeugdhulp betreft die voor meerderjarigen niet op grond van een andere wet kan worden voortgezet (dit zal dan gaan om ‘jeugdzorg’, niet zijnde jeugd- GGZ of jeugd-LVB), dan blijven wij wel verantwoordelijk voor het voortzetten van de jeugdhulp op grond van de beschikking. Mocht na afloop van de looptijd van het indicatiebesluit nog aanvullende ‘jeugdzorg’ nodig blijken te zijn, dan zullen wij dit tot uiterlijk je 23e verjaardag moeten voortzetten. Voor noodzakelijke hervatting binnen een half jaar geldt hetzelfde. Voor gesloten jeugdhulp geldt een uitzondering: maximaal 18 jaar + 6 maanden (artikel 6.1.2, vierde lid, Jeugdwet). Als u langdurige pleegzorg ontvangt, dan eindigt deze pleegzorg automatisch op de leeftijd van 21 jaar, tenzij u eerder hebt aangegeven geen gebruik meer te willen maken van pleegzorg. Hoofdstuk5Wonen in een veilige en gezonde leefomgeving Kernwaarden Als u een beperking en/of langdurige psychosociale problemen hebt, moet u zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen in uw eigen omgeving. Wij hebben extra zorg voor kwetsbare groepen. Wij maken de ondersteuning makkelijk bereikbaar. 5.1Een geschikte woning Artikel5.1.1Begripsbepalingen Link met: 5.2 Zelfstandig en veilig wonen en artikel 5.2.1 Geschikte woning In de beleidsregels onder 5.1 wordt verstaan onder: aan- en uitbouw: bij aanbouw wordt een bouwwerk aan de gevel van een bestaand pand gebouwd. Bij aanbouw gaat het om een compleet nieuwe constructie. Bij uitbouw wordt een bestaande ruimte in een woning, bijvoorbeeld de keuken of woonkamer, vergroot, waardoor er meer ruimte beschikbaar komt. Bij uitbouw gaat het niet om een nieuwe constructie. toegelaten instelling: Zorginstellingen hebben een erkenning van de overheid nodig om zorg te geven die vergoed wordt vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) of het basispakket van de zorgverzekering. Deze instellingen heten 'toegelaten instellingen'. woning: een woning met uitzondering van kamers die zelfstandig verhuurd worden; een woonwagen als bedoeld in de Woningwet; een woonschip op een ligplaats, zijnde een woonschip en een ligplaats als bedoeld in de Huisvestingswet; een verblijf van een binnenschip. woningaanpassing: het begrip woningaanpassing wordt gebruikt ter aanduiding van zowel een bouwkundige ingreep (d.w.z. een verbouwing) als een woontechnische ingreep in of aan een woonruimte (d.w.z. het aanbrengen van speciale voorzieningen, bijvoorbeeld een traplift in de woning zonder aantasting van het gebouw). Losse voorzieningen, zoals een tillift of een douchestoel vallen hier niet onder. Artikel5.12 Uitsluitingsbepaling Link met: 5.2 Zelfstandig en veilig wonen en artikel 5.2.1 Geschikte woning De beleidsregels van 5.1 zijn niet van toepassing op voorzieningen aan: hotels/pensions; trekkerswoonwagens; kloosters; tweede woningen; vakantiewoningen; kamerverhuur. Artikel5.1.3Woonvoorzieningen Link met: 5.2 Zelfstandig en veilig wonen en artikel 5.2.1 Geschikte woning Een woonvoorziening is gericht op het opheffen en verminderen van belemmeringen die u als een persoon met beperkingen bij het normale gebruik van uw woning ondervindt en kan bestaan uit: financiële tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten; bouwkundige of woontechnische woonvoorziening (woningaanpassing); niet bouwkundige of niet woontechnische woonvoorziening; financiële tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, keuring en reparatie van een woonvoorziening; financiële tegemoetkoming in de kosten in verband met tijdelijke huisvesting; financiële tegemoetkoming in de kosten in verband met huurderving; uitraasruimte. Onder normaal gebruik wordt verstaan dat de elementaire woonfuncties mogelijk moeten zijn: slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel en het zich verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daarbij het veilig kunnen spelen in de woning. Er worden geen hobby- of studeerruimtes aangepast of bereikbaar gemaakt, omdat het hier geen elementaire woonfuncties betreft. Ook worden geen aanpassingen vergoed voor voorzieningen met een therapeutisch doel zoals dialyseruimte en therapeutisch baden. Hulpmiddelen ten behoeve van professionele verzorging zijn uitgesloten. Met het oog op het normale gebruik van de woning kan een