Archeologiebeleid Rapport een archeologische inventarisatie, verwachtings- en beleidsadvieskaart November 2009 INHOUDSOPGAVE ADMINISTRATIEVE GEGEVENS 1 SAMENVATTING 5 11 _ Aanleiding 7 1.2 _ Doelstelling 7 1.3 _ Ligging van het gebied 8 14 _ Leeswijzer 8 2 _ ONDERZOEKSOPZET 9 21 _ Inleiding 9 2.2 _ Landschappelijke inventarisatie 9 2.3 _ Archeologische inventarisatie 10 24 _ Veldinspectie 10 25 _ De archeolandschappelijke eenhedenkaart 10 26 _ De archeologische verwachtingskaart 11 27 _ De archeologische beleidsadvieskaart 12 3 _ LANDSCHAPPELIJKE ONTWIKKELING 13 31 _ Algemeen 13 32 _ Geologische en geomorfologische ontwikkeling 13 321 _ Pleistoceen 13 3.2.2 _ Holoceen 15 3.3 _ Landschap, bodem en de relatie met de archeologie 16 3.3.1 _ Inleiding 16 3.3.2 _ Zandgronden 16 333 _ Veengronden 18 4 __ BEWONINGS- EN ONTGINNINGSGESCHIEDENIS 2 41 _ Paleolithicum 2 42 _ Mesolithicum en neolithicum 23 43 _ Bronstijd 28 44 _ IJzertijd 32 45 _ Romeinse tijd 36 4.6 _ Vroege middeleeuwen 38 47 _ Historische ontwikkeling (late middeleeuwen - nieuwe tijd) 43 471 _ Inleiding 43 472 _ De belangrijkste kernen 43 Landweren 48 Kastelen en havezaten 49 Ontginning van het buitengebied 59 48 erstoringen 60 5 _ DE ARCHEOLOGISCHE VERWACHTINGSKAART 61 51 _ Inleiding 61 5.2 _ Analyse van bekende archeologische waarden 61 5.3 _ Archeologisch verwachtingsmodel 66 54 _ Kaartopbouw 67 55 _ Beperkingen 69 6 BELEIDSKADER 71 61 _ Verdrag van Valletta en wetswijzigingen 71 6.1.1 _ Algemeen 71 6.1.2 _ De Monumentenwet 1988 en WAMZ 71 6.2 _ Archeologie en ruimtelijke ordening 72 63 _ Gemeentelijk archeologiebeleid 73 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente 64 _ Beleidsadviezen 6.4.1 _ Inleiding 642 _ AMK-terreinen 6.43 _ Gemeentelijke archeologische monumenten 6.4.4 _ Zones met een zeer hoge archeologische verwachting voor de ate middeleeuwen en nieuwe tijd 6.4.5 _ Zones met een hoge archeologische verwachting 6.4.6 _ Zones met een middelhoge archeologische verwachting 6.4.7 _ Zones met een lage archeologische verwachting 648 _ Toevalsvondsten 6.5 _ Het archeologische traject GERAADPLEEGDE LITERATUUR EN KAARTEN Websites BIJLAGEN Bijlage 1 — overzicht van geologische en archeologische tijdvakken Bijlage 2 — hoogtekaart met bodemverstoringen Bijlage 3 — verklarende woordenlijst Bijlage 4 — catalogus a — catalogus AMK-terreinen b — catalogus waarnemingen c — catalogus historische erven 1500 d — catalogus meldingen heemkundeverenigingen e — catalogus onderzoeksmeldingen Bijlage 5 — archeologische waardenkaart a - detailkaart historische kern Delden b — detailkaart historische kern Diepenheim c - detailkaart historische kern Goor d - detailkaart historische kern Markelo e - Gemeente Hof van Twente Bijlage 6 — archeolandschappelijke eenhedenkaart Bijlage 7 — archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart 73 73 74 76 76 77 78 78 79 80 85 87 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente Samenvatting In opdracht van de gemeente Hof van Twente heeft BAAC bv voor het gehele grondgebied van de gemeente een archeologische inventarisatie uitgevoerd en vervolgens een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart opgesteld. Op de verwachtingskaart staan naast de reeds bekende archeologische waarden ook de te verwachte archeologische waarden in de vorm van zones met een bepaalde trefkans. Hiermee wordt een beeld verkregen waar archeologische sporen en vondsten in de bodem aanwezig kunnen zijn. Door aan de verwachtingskaart beleidsadviezen te koppelen, ontstaat een kaart die gebruikt zal worden om een archeologisch beleid te kunnen voeren. De archeologische verwachtingszones in de gemeente zijn bepaald door de landschapskenmerken en de bekende archeologische waarden te koppelen, waarna vervolgens aan elke archeolandschappelijke eenheid een archeologische verwachting kan worden toegekend. De aanwezigheid van een bepaald landschapstype zegt immers veel over de oorspronkelijke hoogteligging, de hydrologische situatie en de bodemvruchtbaarheid: de drie factoren die bij de locatiekeuze van nederzettingen en akkers in het verleden een belangrijke rol speelden. De bekende archeologische en historische waarden zijn op de verwachtingskaart opgenomen, omdat in de directe omgeving ervan archeologische resten in de bodem aanwezig kunnen zijn. In de tabellen in de bijlagen is daartoe tevens aangegeven hoe nauwkeurig de ligging van de waarden kon worden bepaald. De informatie over de op de verwachtingskaart opgenomen bodemverstoringen is afkomstig van de provincie en van gedetailleerde bodemkaarten. Daarnaast zijn ontgrondingen te herkennen uit de sterke reliëfverschillen op de gedetailleerde hoogtekaart van de gemeente. Omdat slechts sporadisch bekend is tot op welke diepte de bodem is verstoord, is alleen het type verstoring op de verwachtingskaart opgenomen. Zonder vervolgonderzoek is niet uit te sluiten dat er ter plaats van gesignaleerde bodemverstoringen nog onverstoorde archeologische resten in de bodem aanwezig kunnen zijn. Aan de verwachtingszones is vervolgens een beleidsadvies gekoppeld, resulterend in een archeologische beleidsadvieskaart. De archeologische beleidsadvieskaart kan als instrument worden gebruikt om bij de keuze van toekomstige bouwlocaties de archeologie zoveel mogelijk te ontzien. In een oogopslag is zichtbaar waar de kans het hoogst is om archeologische resten in de bodem aan te treffen. Verder kan worden bepaald welke gebieden archeologisch dienen te worden onderzocht bij de aanvraag van vergunningen voor werkzaamheden die kunnen leiden tot verstoring van de bodem. Bij een hogere verwachting is eerder archeologisch onderzoek noodzakelijk. De gemeente haakt hierbij aan bij het provinciale beleid, omdat dit beleid een praktische insteek heeft. Kleine bodemingrepen zijn hierbij over het algemeen vrijgesteld van onderzoek. Tot slot wordt kort ingegaan op de onderliggende wetgeving. Uitgangspunt van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is behoud van archeologische resten op de locatie waar ze in de bodem voorkomen (in situ). De gemeente heeft een belangrijke rol bij het behoud en beheer van ondergrondse archeologische resten. Zo is de gemeente verplicht bij bodemingrepen rekening te houden met en inzicht te BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente verschaffen in zowel de bekende archeologische waarden als de te verwachten archeologische resten. In de praktijk gebeurt dit door toetsing van aanvragen voor bouw-, sloop- en aanlegvergunningen in het kader van de Woningwet, bij nieuwe planologische ontwikkelingen en bestemmingsplanprocedures (projectbesluiten). Ook wordt ingegaan op het stappenplan en de kwaliteitseisen voor de uitvoering van archeologisch onderzoek. Archeologisch onderzoek mag alleen worden uitgevoerd door bedrijven die over een opgravingsvergunning beschikken. Tot slot dient te worden vermeld dat er een meldingsplicht bestaat bij het (onverwacht) aantreffen van archeologische vondsten (buiten archeologisch onderzoek). BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente 1 11 1.2 Figuur 1.1 ' SIKB 2007 Inleiding Aanleiding In opdracht van de gemeente Hof van Twente heeft BAAC bv (onderzoeks- en adviesbureau voor Bouwhistorie, Archeologie, Architectuurhistorie en Cultuurhistorie) een archeologische inventarisatie uitgevoerd, waarna een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeente is opgesteld. Aanleiding is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg. Deze wet, die op 1 september 2007 van kracht is geworden, geeft aan dat de gemeente inzicht dient te hebben in de (te verwachten) archeologische waarden binnen haar grondgebied. Tevens is het voor de gemeente gewenst om bij geplande bodemingrepen en wijzigingen in bestemmingsplannen de archeologie al in een vroeg stadium bij de planvorming te kunnen betrekken. Hiertoe is het hebben van een gemeentelijk archeologiebeleid essentieel. Het onderzoek is mede mogelijk gemaakt door een subsidie van de provincie Overijssel. Doelstelling Het doel van onderhavig onderzoek is inzicht te krijgen in de aanwezige archeologische waarden én in de kans dat archeologische resten in de ondergrond aanwezig zijn binnen de gemeentegrenzen van Hof van Twente om zo te kunnen komen tot een goed onderbouwd gemeentelijk archeologiebeleid. Waar van toepassing is het onderzoek uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 3.1°. E _ Rijssen Holten Hof van Twente E Haaksbergen 4 _ Het grondgebied van de gemeente Hof van Twente (Hof van Twente, 2009) BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente 1.3 14 Ligging van het gebied Het onderzoeksgebied betreft het gehele grondgebied van de gemeente Hof van Twente en beslaat een oppervlakte van circa 21.850 ha. Figuur 1.1 geeft het gemeentelijk grondgebied weer, inclusief de ligging van de verschillende kernen. De belangrijkste kernen binnen de gemeente zijn Delden, Diepenheim, Goor en Markelo. Daarnaast is sprake van een aantal kleinere kernen, waaronder Hengevelde en Bentelo. De gemeente grenst aan de gemeenten Rijssen-Holten, Wierden, Almelo, Borne, Hengelo, Haaksbergen, Berkelland en Lochem. De gemeenten Rijssen-Holten, Almelo, Borne, Hengelo en Berkelland beschikken reeds over een gemeentelijke archeologische verwachtingskaart. Leeswijzer In onderliggende rapportage staan de resultaten van het onderzoek beschreven. Na dit inleidende hoofdstuk is een hoofdstuk gewijd aan de onderzoeksopzet. Vervolgens wordt ingegaan op de inhoudelijke achtergrond van de landschappelijke ontwikkeling van het gebied (hoofdstuk 3), de bewoningsgeschiedenis (hoofdstuk 4) en het verwachtingsmodel in hoofdstuk 5 en het beleidskader in hoofdstuk 6. Ten slotte is er een lijst met de geraadpleegde bronnen zoals literatuur, kaartmateriaal en websites. BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente 2 21 22 Onderzoeksopzet Inleiding Om tot een gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart te komen is het onderzoek opgesplitst in een aantal fasen. In de eerste fase is een inventarisatie gemaakt van de landschappelijke opbouw. Gelijktijdig met de landschappelijke inventarisatie zijn de bekende archeologische waarden geïnventariseerd (fase 2). Hierbij is gekeken naar de huidige kennis en kennislacunes van de verschillende archeologische perioden en de relatie met de grotere (archeo-) regio. Op basis van deze inventariserende fasen is een archeolandschappelijke eenhedenkaart vervaardigd. Vervolgens heeft een veldinspectie plaatsgevonden (fase 3). Op basis van de relatie tussen landschappelijke ligging en de locatie van archeologische waarden, gecombineerd met locatiekeuzefactoren, is een archeologische verwachtingskaart opgesteld (fase 4). Vervolgens is aan de verschillende verwachtingseenheden een bepaald advies gekoppeld, waarmee een archeologische beleidsadvieskaart is ontstaan (fase 5). In de navolgende paragrafen wordt per fase een uitgebreide beschrijving van de werkwijze weergegeven. Landschappelijke inventarisatie In fase 1 is de ontwikkeling van het landschap door de tijd heen geanalyseerd. Immers, tot aan de Middeleeuwen was het nederzettingspatroon en het landgebruik in de omgeving voor een belangrijk deel gekoppeld aan de landschappelijke omstandigheden. Het landschap is geanalyseerd door gegevens van de bodemkaart?, geomorfologische kaart? en een gedetailleerd hoogtemodel (AHN) te combineren. Verder is gebruik gemaakt van gedetailleerde bodemkaarten van het gebied. Voor gebieden die ten tijde van de bodemkartering bebouwd waren, zijn sommige bodemgegevens niet voorhanden. Voor deze zones zijn de gegevens geëxtrapoleerd en zo nodig aangevuld op basis van historische kaarten en het hoogtemodel. Bij de inventarisatie van mogelijke bodemverstoringen binnen de gemeente is gebruik gemaakt van een drietal bronnen. e ontgrondingsvergunningen: De locaties met ontgrondingen zijn gebaseerd op verleende ontgrondingsvergunningen van de provincie Overijssel. Een dergelijke vergunning is in principe verplicht bij afgraving van minimaal 500 m grond. Bij de ontgrondingsvergunningen is echter geen informatie voorhanden of de ontgronding ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden of over de diepte van ontgronding. Een ontgrondingsvergunning wordt veelal aangevraagd in het kader van grootschalige ontzandingen, maar ook bij het diepploegen van landbouwpercelen; « bodemkaart / geomorfologische kaart: Op de diverse kaarten staan diverse soorten bodemverstoringen aangegeven. Zo is aangegeven in welke gebieden het veen is afgegraven ten behoeve van de turfwinning en welke percelen vergraven zijn bij de ruilverkavelingen; ° Stiboka, 1983 ° Alterra, 2008 * Ruilverkavelingsgebied Holten-Markelo: Van der Hurk, 1967; Landinrichtingsgebied Diepenheim: Van der Wertf 1997 9 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente 23 24 25 e Actueel Hoogtebestand Nederland: Op het AHN zijn percelen met onnatuurlijke lineaire of rechthoekige structuren zichtbaar die lager liggen dan omringende percelen. Dit betekent dat de bodem in dergelijke percelen afgegraven of geëgaliseerd is. Archeologische inventarisatie Op basis van de bekende gegevens is een overzicht gemaakt van bekende archeologische vindplaatsen en vondstmeldingen. Hiervoor zijn diverse bronnen geraadpleegd, waaronder het ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en gegevens uit de literatuur. Tevens is er contact geweest met lokale amateurarcheologen, verenigd in diverse historische verenigingen.° Bij aanvang van het project is een bijeenkomst georganiseerd met de verenigingen. Aan de verenigingen zijn topografische kaarten verstrekt met het verzoek gegevens aan te vullen. De aangeleverde gegevens zijn verwerkt in het rapport en op de kaarten. Tevens is de verenigingen de mogelijkheid geboden commentaar te leveren op het conceptrapport en kaartmateriaal. Op basis van historische bronnen en historisch kaartmateriaal zijn de verwachte archeologische vindplaatsen geïnventariseerd. Hierbij gaat het om prehistorische tot middeleeuwse bewoningsporen en verder om laat- en post-middeleeuwse elementen en gebouwen. Hieronder vallen ook eventuele oude dorpskernen in het buitengebied, oude hoeven en erven, waterstaatkundige werken, kloosters, sluis- of damcomplexen, versterkte huizen, et cetera. Oude kaarten en rapporten die gebruikt zijn: « de digitale versie van de oudste kadastrale kaarten (‘kadastrale minuten’) uit de periode 1817-1832, (Historisch Centrum Overijssel); e oude topografische kaarten (voor zover beschikbaar en relevant); e Bonnekaarten uit de periode 1860-1940; e archeologische rapporten van BAAC en andere bedrijven. Veldinspectie Na vervaardiging van de archeolandschappelijke eenhedenkaart vond een veldinspectie plaats, waarbij aan de hand van de kaart het gebied visueel (met name steilranden, reliëf en natuurlijke grenzen) is gecontroleerd. Er zijn geen boringen uitgevoerd, aangezien er geen grote onduidelijkheden waren. De archeolandschappelijke eenhedenkaart De verschillende landschappelijke eenheden zoals dekzandruggen, -vlakten en beekdalen vormen de ondergrond van de archeolandschappelijke eenhedenkaart. De archeologische en relevante cultuurhistorische gegevens zijn op deze ondergrond geprojecteerd, waarbij elke archeologische vindplaats dan wel historisch relict genummerd is. De gegevens zijn eveneens verzameld in een database. Op deze manier ontstaat er een gedetailleerde kaart waarop de bekende archeologische waarden, de daarmee samenhangende cultuurhistorische relicten en de reconstructie van het oorspronkelijke landschap staan aangegeven. Vervolgens is de relictenkaart aangevuld met tal van archeologische en cultuurhistorische gegevens, bestaande uit: ° De historische verenigingen: Stichting Historisch Goor, Vereniging Old Deep'n Diepenheim, Historisch Centrum Hof van Twente, Stichting Heemkunde Markelo, Vereniging heemkunde Ambt Delden en Stichting De Hofmarken 10 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente 26 e Archeologische monumenten en terreinen met een bepaalde archeologische waarde. Deze terreinen staan op de Archeologische Monumentenkaart (AMK); e Archeologische vindplaatsen, achterhaald met behulp van ARCHIS (uit het Centraal Archeologisch Archief van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed); e Bebouwingszones rond 1830, gebaseerd op de kadastrale kaart uit 1830 (Bron: Historisch Centrum Overijssel); e Cultuurhistorische relicten. Deze zijn gebaseerd op: o Oude (topografische) kaarten. Er zijn vele oude kaarten van het gebied. Naast de bovengenoemde kadastrale kaart uit omstreeks 1832 en de topografische kaart uit 1850 zijn ook kaarten uit andere perioden onderzocht; o De Cultuurhistorische Atlas Overijssel (CHW). Op deze kaart staan gegevens over cultuurhistorische relicten; o Aangeleverde gegevens van de diverse historische verenigingen o Literatuurstudie: een deel van de relicten is achterhaald door het bestuderen van literatuur. Met behulp van (oude) topografische kaarten worden zij vervolgens opgespoord. De archeolandschappelijke eenhedenkaart is vervaardigd met een kaartschaal 1:10.000 en bestaat uit de volgende kaartlagen: « archeologische monumenten (weergegeven met gebruikelijke kleuren); e archeologische onderzoeksmeldingen; e bekende archeologische locaties, weergegeven naar complextype (symbool) en archeologische periode (kleur); e historische elementen naar categorie (symbool) zijn allen weergegeven met zwarte kleur; e landschappelijke eenheden (stuwwal, grondmorenerug, dekzandrug, -vlakte, etc.). De archeologische verwachtingskaart Archeologische vindplaatsen liggen niet willekeurig verspreid door het landschap, maar blijken veelal te liggen in landschappelijke zones die in het verleden geschikt waren voor bewoning. Hierdoor zijn gebieden aan te wijzen waar veel archeologische vindplaatsen dicht bij elkaar liggen, terwijl in andere gebieden tot op heden nauwelijks archeologische resten zijn gevonden. Op basis van kennis over de relatie tussen het nederzettingspatroon en het landschap in het verleden kunnen voorspellingen worden gedaan over de plaatsen waar nederzettingen aangetroffen kunnen worden. Dergelijke voorspellingen zijn vooral belangrijk voor de perioden tot de Late Middeleeuwen, waarvoor historische bronnen (zeer) schaars zijn of ontbeken en cartografische bronnen geheel ontbreken. Dit heeft geleid tot een archeologische verwachtingskaart met schaal 1:10.000 waarbij vlakdekkend en op perceelniveau zichtbaar is welke archeologische verwachting er geldt voor een bepaald terrein. Deze verwachting is een weergave van het verwachtingsmodel dat op basis van de voorgaande fasen is opgesteld. Het verschil in de verschillende verwachtingszones is een verschil in dichtheid aan te verwachten archeologische vindplaatsen. In een zone met een hoge archeologische verwachting is, op basis van de huidige kennis binnen de archeologische wetenschap, een grotere dichtheid aan archeologische vindplaatsen te verwachten dan in zones met een lage verwachting. 11 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente 27 De verwachtingskaart bestaat uit de volgende kaartlagen: 1. Terreinen en puntlocaties waar archeologische resten al zijn vastgesteld; 2. Archeologische verwachtingslaag; 3. Terreinen waar de eventueel aanwezige archeologische resten mogelijk zijn verstoord of opgeruimd door bodemingrepen in het verleden. De archeologische beleidsadvieskaart Aan zowel deze bekende archeologische waarden als de verwachtingszones (bv. middelhoge verwachting) is in fase 5 een beleidsadvies gekoppeld, resulterend in een beleidsadvieskaart. De beleidsadviezen zijn gekoppeld aan de verschillende eenheden op de archeologische verwachtingskaart, zodat een archeologische beleidsadvieskaart ontstaat. 12 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente 3 341 32 Landschappelijke ontwikkeling Algemeen De gemeente Hof van Twente ligt in het oostelijke dekzandgebied. Binnen het gebied komen stuwwallen, hellingafzettingen, smeltwaterafzettingen, dalen, dekzand- en stuifzandafzettingen voor’. Daarnaast komen in het gebied moerige tot venige gronden voor’. De afzettingen die zich momenteel aan de oppervlakte bevinden, zijn gevormd en afgezet in het Pleistoceen en het Holoceen (zie bijlage 1). Geologische en geomorfologische ontwikkeling 3.2.1 Pleistoceen In het Pleistoceen bereikte het landijs ons land gedurende de Saalien ijstijd (van circa 370.000 tot 130.000 v. Chr.). Aan de rand van de ijslobben werden oudere afzettingen door de druk van het ijs opgestuwd tot stuwwallen. De ijslobben hadden een dikte van minimaal 225 m.° Binnen de gemeente bevinden zich diverse stuwwallen, zoals in de omgeving van Markelo de Markelose berg, Kattenberg, Herikerberg en de Dingspelerberg, De Hulpe en de Hemmel. Ten westen van Elsen bevindt zich de Friezenberg. Ook ten noordwesten van Delden bevindt zich een stuwwal. De ijsuitbreiding in het Saalien gebeurde in fases. De gehele gemeente is bedekt geweest met landijs. Door de verschillende ijsuitbreidingsfases zijn de stuwwallen plaatselijk overreden. Het landijs nam puin en grind met zich mee. Door het uitsmelten van puin uit het landijs in combinatie met kleiig/siltig materiaal dat door het schuiven van het ijs over de ondergrond ontstond, werd keileem gevormd. Keileem® is ook afgezet op de stuwwallen (Formatie van Drenthe).'° Door verwering en erosie is deze echter ter plaatse van de hoge stuwwallen grotendeels verdwenen.!! In de lagere terreindelen is nog wel keileem aanwezig. Keileem is relatief ondoorlatend en heeft een grote invloed op de grondwaterstanden. De stuwwallen bij Hengevelde en Delden bestaan grotendeels uit overreden keileem. Rondom Markelo bestaan de stuwwallen uit gestuwde onder-pleistocene, midden-pleistocene en tertiaire formaties, uit keileem en uit fluvioglaciale afzettingen.’? Deze laatste betreffen afzettingen die zijn afgezet door smeltwater. Bij het afsmelten van het landijs ontstond ruimte tussen de ijsmassa zelf en de stuwwal. Smeltwater en het sediment dat door het smeltwater werd getransporteerd vulde deze ruimtes op, waardoor smeltwaterstromen aan de randen van de ijslob ontstonden (zie afbeelding 3.1).'° Nadat het landijs volledig gesmolten was, bleef het sediment dat door de smeltwaterstromen werd verplaatst in het landschap achter in de vorm van smeltwaterterrassen, -heuvels en -glooïngen (Laagpakket van Schaarsbergen van de Formatie van Drenthe). © Alterra 2007, Van Dodewaard en Kiestra 1990, Van de Hurk 1967, Stiboka 1983 7 Van Dodewaard en Kiestra 1990, Van de Hurk 1967, Stiboka 1983 ° Berendsen 1998 * Laagpakket van Gieten van de Formatie van Drenthe, De Mulder et al. 2003 '° De Mulder et al. 2003. |! Stiboka 1983 '2 TNO 2000. ° Alterra 2007 en Van de Hurk 1967 13 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente Voorbeelden van smeltwaterheuvels zijn de Friezenberg en de Apenberg, terwijl de Borkeld een voorbeeld is van een smeltwaterterras. Hoogte in m . E 1 '—\XL \ . ATïs 7DE05 2 Stognerendij b Vorm ontstaan na afsmelten van het s E Smeltwateratzetingen Gestuwde atzettingen Figuur3.1 _ Schematische voorsteliing van het ontstaan van een smeltwaterterras waarbij met E3 de momenteel nog in het terrein aanwezige smeltwaterterassen, -heuvels en -glooiingen worden aangegeven!* Tijdens de Weichselien ijstijd (van circa 115.000 tot 11.755 jaar geleden) bereikte het landijs Nederland niet. Wel heersten er periglaciale condities. De ondergrond was permanent bevroren en door het koude en droge klimaat was er weinig vegetatie. Doordat de ondergrond bevroren was, moest sneeuwsmeltwater en regenwater oppervlakkig afstromen. Hierdoor werden op de hellingen van de stuwwal smeltwaterdalen gevormd. Veel van deze dalen hebben een asymmetrische vorm. Deze vorm is ontstaan doordat de permafrost op de zuidelijke helling eerder ontdooide dan de schaduwrijke noordelijke hellingen. De ontdooide bodem kon makkelijker eroderen en afglijden dan de bevroren helling en hierdoor ontstond aan de zonkant een flauwere en langere helling.'® Onderaan de smeltwaterdalen werd het door het smeltwater geërodeerde materiaal in een waaiervorm afgezet.'° Dergelijke puinwaaiers zijn aanwezig ten westen van Markelo en Elsen en ten noorden van Delden ter hoogte van Elbertsbosch. In het Midden-Weichselien ontstond door het oppervlakkig afstromende sneeuw- en smeltwater tussen de stuwwallen een stelsel van beken en riviertjes. Door de beken en riviertjes werden fluvioperiglaciale afzettingen afgezet die bestaan uit fijn tot grof zand, grind, leemlagen en veenbandjes.'7 Door het koele en droge klimaat kon lokaal zand gemakkelijk door de wind worden verplaatst. Dit zand werd als dekzand op de fluvioperiglaciale smeltwaterafzettingen en tegen de randen van de stuwwal afgezet.'® Binnen de gemeente is dekzand aanwezig in de vorm van dekzandruggen, dekzandvlaktes en gordeldekzand. Gordeldekzand is dekzand dat als een gordel rond lokale hoogtes zoals de stuwwalresten is afgezet. Gordeldekzand is aanwezig aan de voet van onder andere de Friezenberg, Herikerberg, Markelerberg, de stuwwal van Delden en ten zuiden van Bentelo. 1* tiboka/RGD 1977 '* Berendsen 1998 1$ Laagpakket van Schaarsbergen van de Formatie van Drenthe, De Mulder et al. 2003 17 Laagpakket van Singraven van de Formatie van Boxtel, De Mulder et al. 2003 18 Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel, De Mulder et al. 2003 14 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente Dekzandvlaktes kunnen zijn ontstaan doordat het dekzand min of meer vlak is afgezet, of doordat het dekzand is verspoeld. Deze verspoeling kan reeds in het Weichselien hebben plaatsgevonden. Na de verspoeling kan weer enige verstuiving plaatsvinden.'° Binnen het gebied kunnen de dekzandvlaktes ook zijn ontstaan doordat de lagere terreindelen met veen bedekt zijn en de hogere delen afgegraven of geëgaliseerd. In de dekzandafzettingen zijn duinvormen aanwezig. Indien deze afzonderlijk als rug te onderscheiden zijn, dan zijn deze op de landschapseenhedenkaart opgenomen als dekzandrug. Indien meerdere welvingen en hoogteverschillen voorkomen, dan is dit op de kaart opgenomen onder de eenheden dekzandruggen en gordeldekzandwelvingen. 3.2.2 Holoceen In het Holoceen (vanaf circa 8000 v. Chr.) verbeterde het klimaat. De permafrost ontdooide en het regen- en smeltwater kon weer in de bodem trekken. De smeltwaterdalen kwamen hierdoor droog te staan. Doordat de in de ondergrond aanwezige keileem ondoorlatend is, wordt de waterafvoer belemmerd. Ook dekzandruggen blokkeren plaatselijk de ontwatering. Plaatselijk zorgen schijngrondwaterstanden en kwelwater voor vochtige omstandigheden. Daarnaast steeg door het afsmelten van het landijs uit het Weichselien de zeespiegel en daarmee de grondwaterspiegel. Reeds vanaf het begin van het Holoceen groeit er veen in het dal van de Regge (De Mulder et al. 2003). Vanaf het Laat-Atlanticum (circa 5100 jaar BP) wordt door de vochtige lokale omstandigheden en slechte afwatering ook elders veen gevormd binnen de gemeente zoals in het gebied ten westen van Markelo en Stokkum, maar ook ter hoogte van Herikervlier, het dal van de Holtdijksche beek en in het Elsener- en Deldenerbroek. Het veen breidde zich vanuit depressies in het landschap uit naar de omliggende gebieden. Het veen wordt gerekend tot het Laagpakket van Griendtsveen van de Formatie van Nieuwkoop. Het veen is vanaf de 18° eeuw voornamelijk in markeverband afgegraven voor turfwinning.2 Het gebied is in de loop der tijd ontwaterd door het graven en rechttrekken van verschillende waterlopen zoals de Regge, Holtdijkssche beek, de Schipbeek, Bolksbeek, Buurserbeek en Hagmolenbeek.?' Tot het moment dat de mens zich met de waterafvoer ging bemoeien, werd door de beken bij overstromingen in de lage terreindelen beekklei afgezet waarbij leekeerdgronden zijn ontstaan.?2 Binnen de gemeente bevinden dergelijke gronden zich alleen ter hoogte van Ziethoverhoek (ten westen van Delden).?° Het laaggelegen gebied ten noordoosten van Goor lag in het verleden binnen het overstromingsbereik van de Boven Regge en de Bolscherbeek. Door verschraling van de grond kon in het dekzandgebied opnieuw verstuiving plaatsvinden. Verschraling van de grond kan optreden door boskap, het steken van heideplaggen en door overbeweiding. Secundaire verstuivingen van dekzand zijn bekend vanaf de Bronstijd, maar vonden voornamelijk in de Middeleeuwen plaats. In de secundair verstoven zanden (Laagpakket van Kootwijk van de Formatie van Boxtel) zijn duinvormen en uitblazingslaagtes aanwezig. De secundair verstoven dekzanden '° tiboka/RGD 1977 ® Stiboka 1983 ?! Stiboka 1979 ? Laagpakket van Singraven van de Formatie van Boxtel, De Mulderet al. 2003 ® Stiboka 1979 15 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente 3.3 * Spek 2004 zijn op de landschapseenhedenkaart opgenomen als stuifduinen en komen plaatselijk voor bij De Borkeld. Landschap, bodem en de relatie met de archeologie 3.3.1 Inleiding De bodemopbouw is sterk gerelateerd aan het landschap waar men zich bevindt. De afzettingen waarin de bodem is gevormd (moedermateriaal) en de grondwaterstand hebben grote invloed op de bodemvorming. De verspreiding van archeologische vindplaatsen vertoont over het algemeen ook een duidelijke relatie met het landschap en de bodemgesteldheid. Bewoning vindt voornamelijk plaats op de hoger gelegen en daarmee drogere delen van het landschap. In de periode dat de mensen als jagers en verzamelaars leefden (paleolithicum tot neolithicum, bijlage 1) vormden overgangen in het landschap gunstige bewoningslocaties, vanwege de aanwezige biodiversiteit. In de periode dat mensen als landbouwers leefden (neolithicum tot en met nieuwe tijd), was naast de beschikbaarheid van water ook de natuurlijke bodemvruchtbaarheid belangrijk voor locatiekeuze en de meer permanente vestiging van nederzettingen. Binnen het gebied komen voornamelijk zandgronden voor. Plaatselijk zijn deze afgedekt met veen. 3.3.2 Zandgronden Podzolgronden Op de grofzandige tot grindige smeltwaterafzettingen, de stuwwal, de hellingafzettingen langs de stuwwal en de fijnere dekzandafzettingen komen van nature podzolgronden voor. Podzolering is een proces waarbij zwakke humuszuren uitgespoeld worden naar diepere lagen. Het ijzer dat in het zand aanwezig is, wordt door deze zuren opgelost en naar een dieper niveau meegevoerd. Hierdoor ontstaat een grijze uitspoelingslaag (E-horizont) en op een dieper niveau een (rood)bruine inspoelingslaag (Bhs-horizont). Bij een intact bodemprofiel van een podzolbodem worden eventuele archeologische resten verwacht binnen 50 cm beneden maaiveld. Door de slechte afwatering en de daarmee samenhangende hoge grondwaterstanden zijn ter plaatse van dekzandvlaktes en de voet van de stuwwallen veldpodzolbodems aanwezig. Veldpodzolgronden hebben een lage bodemvruchtbaarheid en zijn relatief natte bodems met een hoge grondwaterstand.%* Ter plaatse van de stuwwal komen voornamelijk drogere haarpodzolgronden en plaatselijk holtpodzolgronden voor. Haarpodzolgronden zijn droge, arme en daardoor relatief onvruchtbare zandgronden. Holtpodzolgronden zijn lemiger dan haar- en veldpodzolgronden en daardoor vruchtbaarder. Op de Herikerberg bevindt zich een grote zone met holtpodzolgronden. In zones met holtpodzolgronden worden over het algemeen meer nederzettingen aangetroffen dan op armere gronden Enkeerdgronden en laarpozolgronden In de Late Middeleeuwen ging men akkers bemesten met bosstrooisel of heideplaggen die met potstalmest doordrenkt waren. Zo ontstond na verloop van tijd een ophoogpakket (esdek) bestaande uit humeus zand. Indien dit ophoogpakket dikker is dan 50 cm, dan is sprake van een enkeerdgrond. Onder het esdek kunnen de oorspronkelijke podzolbodem of oude in cultuur gebrachte gronden nog begraven aanwezig zijn. 16 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente Aan de voet van de diverse stuwwallen zijn grote escomplexen aanwezig, zoals bij Markelo, maar ook op de noordhelling van de Herikerberg, in de omgeving van Elsen en op de stuwwal van Delden. In het dekzandgebied is bijna elke dekzandrug afgedekt met een esdek. Een esdek biedt bescherming aan eventuele archeologische resten uit de perioden voor de late middeleeuwen die in de top van het originele dekzandprofiel aanwezig zijn. Archeologische resten zijn te verwachten aan de basis van het esdek en in de top van de mogelijk nog aanwezige onderliggende bodem of een cultuurlaag. Gronden waar een esdek aanwezig is met een dikte tussen de 30 en 50 centimeter worden laarpodzolgronden genoemd als de van nature aanwezige bodem een veldpodzolgrond is. Laarpodzolgronden zijn in het gebied aan te treffen op de top van de Hemmel en de Hulpe, in de omgeving van Pothoek en tevens op de welvingen in het dekzandgebied. Beekeerdgronden Ter plaatse van de lage delen van de dekzandvlakte ten westen van Markelo, rond Diepenheim/Hengevelde, tussen het Elsenerbroek en Deldenerbroek en in het dal van de diverse beeklopen is op de bodemkaart een beekeerdgrond aangegeven. Beekeerdgronden zijn kenmerkend voor gebieden met een hoge grondwaterstand, waardoor de organische stof in de humushoudende bovengrond minder snel wordt afgebroken. Door de aanvoer van organische stof ontstaat na verloop van tijd een bodem met een matig dik humeus dek (15-30 cm). De beekeerdgronden bevatten roestvlekken tot in de bovengrond. De aanwezigheid van roestvlekken duidt op een (zeer) slechte ontwateringstoestand van de ondergrond van deze bodem en dus op periodieke wateroverlast. In de laagste delen van het landschap is de kans op de aanwezigheid van archeologische nederzettingen daarom klein. In beekdalen, zoals die van de Regge, zijn echter juist bijzondere resten te verwachten?, met name in overgangszones waar direct naast het beekdal een dekzandrug ligt. Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld kortstondig gebruikte kampementen van jagers en verzamelaars*®, voorden en bruggen, depotvondsten, dumpplaatsen van nederzettingsafval en voorzieningen voor de visvangst. De vochtige bodemgesteldheid zorgt er voor dat eventuele archeologische resten goed geconserveerd blijven. Juist langs de Regge dient dus rekening te worden gehouden met dergelijke archeologische resten. Gooreerdgronden Ter plaatse van de dekzandvlakte ter hoogte van het Markelosche Broek en enkele versnipperde locaties zoals een zone ten oosten van Hengevelde komen gooreerdgronden voor. Gooreerdgronden zijn net als de beekeerdgronden kenmerkend voor gebieden met een hoge grondwaterstand. Gooreerdgronden verschillen met de beekeerdgronden door de iets minder lage ligging in het landschap, waardoogr geen roestvlekken in de bovengrond aanwezig zijn. Net als bij de beekeerdgronden is de kans op de aanwezigheid van archeologische nederzettingen klein. De vochtige bodemgesteldheid zorgt er voor dat eventueel aanwezige archeologische resten goed geconserveerd blijven. ® Gerritsen en Rensink 2004 ® Deeben e al, 2005 17 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente Duin- en vlakvaaggronden Voor de stuifzanden in de omgeving van De Borkeld zijn op de bodemkaart?7 duin- en vlakvaaggronden aangegeven. Duinvaaggronden zijn jonge bodems en hebben een zeer dunne humushoudende bovengrond (A-horizont tot 10
- cm)die op het nog weinig door bodemvorming veranderde moedermateriaal ligt (het gele zand: C-horizont). Vlakvaaggronden verschillen van de duinvaaggronden door de aanwezigheid van een hoge grondwaterstand, zodat roest en grijze vlekken kunnen voorkomen. Archeologische resten kunnen in zowel een duin- als vlakvaaggrond bij een intact bodemprofiel in theorie worden verwacht op of binnen 30 cm beneden maaiveld. Vanwege de jonge leeftijd van deze bodems is dat vaak niet het geval. Door de ligging in een stuifzandgebied dient echter rekening te worden gehouden met verschillende sedimentatiefasen, waarbij oudere bodems (en dus leefniveaus) kunnen zijn afgedekt met jongere stuifzanden. Onder een vondstloze C-horizont van een duinvaaggrond kunnen nog begraven bodems met bewoningssporen en/of oudere vondstniveaus voorkomen. Indien archeologische resten overstoven zijn, dan biedt het stuifzanddek bescherming tegen invloeden van bovenaf, wat de conservering van archeologische resten ten goede komt. 3.3.3 Veengronden Veengronden ontstaan in de laagste delen van het landschap met een permanent hoge grondwaterstand. Ook in zones met een slechte afwatering kunnen veengronden ontstaan. Afhankelijk van de dikte van het moerige materiaal is sprake van een moerige grond?® of van een veengrond.?® Binnen het plangebied komen veengronden voor ten noordwesten, noordoosten en zuidoosten van de stuwwal bij Markelo. Ten noorden van Delden komt daarnaast veen voor in een aantal beekdalen. Daar waar het veen over hoger gelegen delen van het landschap is gegroeid, kan onder het veen nog de voormalige podzolbodem aanwezig zijn. Indien dit binnen 120 cm beneden maaiveld is, is dit als zodanig in de bodemclassificatie weergegeven. Tot aan de ontwatering en veenontginning waren de veengebieden vanwege de natheid van het landschap niet tot weinig geschikt voor bewoning. De kans op de aanwezigheid van archeologische resten van nederzettingen in het veengebied uit de periode Neolithicum tot en met de Middeleeuwen en/of Nieuwe tijd is daardoor klein. Dit betekent echter niet dat in het veengebied geen archeologische resten aanwezig kunnen zijn. In het veengebied kunnen kuppelpaden, rituele deposities en losse vondsten gerelateerd aan de jacht en houtkap aanwezig zijn. De bodemgesteldheid zorgt ervoor dat eventuele archeologische resten goed geconserveerd blijven. Daarnaast moet in het veengebied rekening gehouden worden met eventuele archeologische resten uit de perioden van voor de veenvorming. Ter plaatse van de onder het veen aanwezige podzolbodem zouden bewoningsresten uit de periode Paleolithicum tot en met het Mesolithicum aanwezig kunnen zijn. 7 Van de Hurk 1967 en Stiboka 1983 28 Indien binnen 80 cm beneden maaiveld een laag van maximaal 40 cm materiaal met veel organische stof (moerig materiaal) aanwezig is ® Indien binnen 80 cm beneden maaiveld een laag van tenminste 40 cm materiaal met veel organische stof (moerig materiaal) aanwezig is 18 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente Moerige gronden Moerige gronden bevinden zich in het gebied van het Markelosche Broek, de Herikervlier, het Elsenerveld en —veen en het Elsenerbroek. Moerige gronden beslaan binnen de gemeenten een veel grotere oppervlakte dan de veengronden. Het veenpakket is bij een moerige grond dunner dan ter plaatse van de veengronden. De moerige bodems worden onderscheiden in moerige eerdgronden en moerige podzolgronden. De moerige eerdgronden bevinden zich ter plaatse van de van oorsprong lager gelegen terreindelen, terwijl de moerige podzolgronden juist op de van oorsprong iets hoger gelegen terreindelen liggen. Ter plaatse van de moerige gronden kunnen archeologische resten uit de periode vanaf de ontwatering en de veenontginning aanwezig zijn. Daarnaast kunnen losse vondsten aanwezig zijn die te relateren zijn aan de ontginning. Rituele deposities en losse vondsten uit de perioden van voor de veenontginning kunnen aanwezig zijn, maar zijn waarschijnlijk reeds tijdens de ontginning aangetroffen of verstoord. Ter plaatse van de dekzandverhogingen onder het veen, ofwel de moerige podzolgronden, kunnen bewoningsresten aanwezig zijn uit de perioden van voor de veenvorming. Daar waar de onderliggende bodem nog door een veenlaag wordt afgedekt, zullen eventueel aanwezige archeologische resten goed geconserveerd zijn. Omdat de veendikte ter plaatse van de dekzandverhogingen geringer was dan in de laagtes is het echter mogelijk dat de top van de dekzandkopjes, en daarmee het archeologisch relevante niveau, reeds is verstoord tijdens de ontginning. Veengronden Binnen de gemeente zijn slechts enkele zones waar veengronden aanwezig zijn, zoals in het gebied De Slagen ten westen van Markelo, het dal van de Holtdijksche beek en de Herikervlier. Het veen bevindt zich ter plaatse van natte en daarmee voor bewoning minder geschikte terreindelen. Bewoningssporen van voor de ontginning worden daarom niet in het veen verwacht. Eventueel aanwezige rituele deposities en losse vondsten uit de periode van voor de veenontginning kunnen in dit veen wel aanwezig zijn. Bewoningsresten uit de periode vanaf de ontwatering en de veenontginning kunnen aanwezig zijn. Indien archeologische resten aanwezig zijn uit de ontginningsperiode, dan zijn dit waarschijnlijk losse vondsten. Eventueel aanwezige archeologische resten in de top van het dekzand onder het veen zullen naar verwachting intact zijn, omdat het afdekkende veenpakket zorgt voor een goede conservering. 19 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente 20 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente 41 Figuur 4.1 Bewonings- en ontginningsgeschiedenis Paleolithicum Overijssel was voor eenzesde deel geschikt en aantrekkelijk voor bewoning tussen 14.000 v.Chr. en 1000 n.Chr. (late laat paleolithicum - vroege middeleeuwen).° In het laat paleolithicum zwierven jagers door Twente die jacht maakten op rendieren. Bovendien leefden zij ook van eetbare planten, bessen en zaden. Men gebruikte (vuur)-stenen werktuigen die nog ruw en nauwelijks bewerkt waren. Vondsten uit het vroege- en midden paleolithicum verschillen van die van jongere perioden. Deze oude vondsten (sporen uit paleolithicum tot vroeg mesolithicum zijn nog niet bekend) kunnen met name aangetroffen worden op stuwwallen, omdat deze oud genoeg zijn om dergelijke vondsten te herbergen. Overige midden-paleolithische vondsten liggen te diep onder het dekzand verborgen. In Twente zijn nog nauwelijks vondsten of vindplaatsen uit het paleolithicum bekend. In de onderstaande tekst wordt melding gemaakt van enkele paleolithische vondsten uit de gemeente Hof van Twente. Vondstlocaties uit het paleolithicum (zie volgende pagina) Vondstlocaties en waarnemingen De oudste in ARCHIS geregistreerde vondst uit het noordelijke deel van de gemeente is gevonden nabij Deldenerbroek. Het betreft een zogenaamde vuurstenen Mousterienspits die is aangetroffen in de wegverharding van de Zomerweg. De vondst zou te dateren zijn in het midden Paleolithicum (CAA-nr. 2686). Deze vondst is echter aangevoerd van elders en betreft dus geen in-situ vindplaats. Rond natuurgebied De Borkeld, in een zone met grondmoreneruggen en —glooiingen, zijn twee waarnemingen bekend uit het paleolithicum. Het betreft een vuurstenen kling en een schrabber uit het laat Paleolithicum, alsmede (bewerkt) vuursteen uit globaal het late paleolithicum tot de bronstijd (CAA-nr. 2630). In dezelfde omgeving zijn nog een aantal vuurstenen vondsten aangetroffen in de vorm van geretoucheerde werktuigen, afslagen, kernen en klingen uit het laat paleolithicum (CAA-nr. 4932). Deze vondst is echter voorzien van administratieve coördinaten, hetgeen betekent dat de exacte vindplaats niet bekend is Ten zuiden van het Elsenerbroek is een vuurstenen schrabber uit het laat paleolithicum gevonden (CAA-nr. 19302). Rond Goor zijn enkele waarnemingen uit het paleolithicum gedaan. Tijdens een booronderzoek voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein Zenkeldamshoek in Goor zijn in het esdek twee vuurstenen afslagen en een vuurstenen kling aangetroffen (laat paleolithicum-mesolithicum; CAA-nr. 59015). Verder is ten westen van Goor een vuurstenen steker uit het laat paleolithicum gevonden, een zogenaamde krombeksteker (CAA-nr. 4869). Tevens zijn vuurstenen geretoucheerde klingen, kernen, stekers en stukken vuursteen uit het laat paleolithicum tot mesolithicum gevonden. Net ten noorden van Goor zijn nog twee vuurstenen afslagen aangetroffen uit deze periode (CAA-nr. 59017). Tenslotte zijn ten noordwesten van Markelo twee vuurstenen klingen en een geretoucheerde kling aangetroffen (laat paleolithicum; CAA-nr. 3054). In het plangebied Domelaar I! te Markelo is tijdens een booronderzoek een vuurstenen °% Rappol (red.) 1993, 169 21 Uen JOHS2wamL awewe9 n>auioared sonesonspuon &Gmap pesnease & vopayuoo oyfiaddeuwspue e o ) o BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente 42 Figuur 4.2 werktuig aangetroffen uit het paleolithicum.°! De afgeronde hoeken duiden op transport door water, waarmee kan worden aangenomen dat het een vondst betreft die afkomstig is van elders. Mesolithicum en neolithicum Na de ijstijd werd het landschap in het mesolithicum (8800 — 4900 v. Chr.) bedekt door bossen afgewisseld met moerassen. De bewoning van Overijssel in het mesolithicum en neolithicum was dan ook gecentreerd op dekzandruggen, stuwwallen, stuifzand en smeltwaterafzettingen die in deze provincie als eilanden in het natte en lagere landschap lagen. De bewoners van Twente waren jagers/verzamelaars die leefden van de jacht, visvangst en eetbare planten. Hun werktuigen bestonden uit stenen bijlen, speer- en pijlpunten. Deze voorwerpen waren fijner bewerkt en kleiner dan die uit het paleolithicum. In het neolithicum (5300-2000 v.Chr) werd het jagen en verzamelen steeds minder belangrijk. In deze periode nam akkerbouw en veeteelt een steeds grotere plaats in. Het zwervend bestaan werd vervangen door plaatsvaste boerderijen. Daarnaast werden nieuwe technieken voor het bewerken van steen gebruikt zoals polijsten en slijpen. Ook werd begonnen met het bakken van aardewerk dat vaak met geometrische lijnen versierd werd. In het neolithicum worden drie culturen onderscheiden: Trechterbekercultuur (2500-1800 v.Chr.), de Standvoetbekercultuur (2400-1900 v.Chr.) en de Klokbekercultuur (2000-1600 v.Chr.). Vondsten en vondstlocaties In de gemeente is een groot aantal vindplaatsen uit het mesolithicum en neolithicum aanwezig. De meeste vindplaatsen uit deze periode kenmerken zich door de vondst van vuurstenen artefacten. Binnen de gemeente zijn een vijftal zones aan te duiden waar dergelijke vindplaatsen aanwezig zijn. Daarnaast zijn enkele geïsoleerde vuursteenvindplaatsen aanwezig. De zones waar op basis van de landschappelijke ligging een duidelijke concentratie vuursteenvindplaatsen aanwezig is, zijn: A: Stuwwal en sandrafzettingen: De Borkeld; B: Zone met gordeldekzandwelvingen: stuwwal Herikerberg en omgeving; C: Stuwwal Delden; D: Bentelerheide; E: Rond Elsenerbroek; F: Het overige gebied (geïsoleerde vondstlocaties). Per zone worden de vindplaatsen besproken evenals de relatie met de landschappelijke ligging. Vondstlocaties uit het mesolithieum en neolithicum (zie volgende pagina) Zone A (De Borkeld) In een groot gebied rond De Borkeld (tussen Lutteke Veld en Elsen) bevinden zich veel vuursteenvindplaatsen. De vindplaatsen bevinden zich voornamelijk op de stuwwallen en op de smeltwaterheuvels en —terrassen, maar er zijn ook vindplaatsen op de grondmoreneruggen. Het betreft enkele vuursteenvindplaatsen uit het Mesolithicum waarvan diverse vondsten in de vorm van vuurstenen werktuigen, maar ook afslagen en kernen zijn 3 vondstmeldingsnummer 405944 23 Uen JOHS2wamL awewe9 nDiyposow sone>ospuon BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente aangetroffen.°? Er zijn echter meer vindplaatsen uit het neolithicum bekend.°° Zo zijn in het noordelijke deel van het Elsenerveld vijf vuursteenconcentraties aangetroffen (CAA-nr. 19311). De concentraties hebben afmetingen van maximaal 10 x 20 meter waarmee de kleine omvang van dergelijke vindplaatsen nog eens is bevestigd. Naast vele vindplaatsen die duiden op kampementen zijn ook diverse losse vuursteenvondsten in het gebied aangetroffen. Enkele vindplaatsen uit het laatneolithicum bevatten naast vuursteen ook fragmenten aardewerk. Zo is op het Elsenerveld een nederzetting aangetroffen waarbij een scherf aardewerk is aangetroffen die is versierd met wikkeldraadstempels (CAA-nr. 19310). Op het Groningeresch en —veld zijn 20 fragmenten Trechterbekeraardewerk gevonden (CAAnrs. 2616 en 13790). Andere vindplaatsen met dergelijk aardewerk zijn aangetroffen ten noorden van Markelo (CAA-nr. 2637) en bij Elsen (CAA-nr. 2643). In Elsen is tevens klokbekeraardewerk aangetroffen (CAA-nr. 2618) en een versierde rand van een potbeker (CAA-nr. 2618). Zone B (gordeldekzanden stuwwal Herikerberg) Aan de voet van de stuwwal tussen Markelo en Goor (de Herikerberg) zijn in de zone met gordeldekzandafzettingen diverse vuursteenvindplaatsen aanwezig.** Zo zijn in de buurt van Stokkum een kern, enkele klingen, afslagen, een spits en werktuigen aangetroffen uit het midden tot laat neolithicum (CAA-nr. 19324). Ten westen van Goor, aan de zuidelijke voet van de Herikerberg, zijn meerdere vindplaatsen bekend met diverse vuurstenen werktuigen (een sikkel, spitsen, schrabbers) evenals halffabrikaten en afslagen. Drie vindplaatsen dateren uit het mesolithicum (CAA-nrs. 4869, 13795 en 18841) en eveneens drie andere vindplaatsen uit het neolithicum (CAA-nrs. 4870, 4871 en 21540). Bij twee van deze laatse vindplaatsen zijn ook scherven aardewerk aangetroffen die kunnen worden toegeschreven aan de Trechterbeker-cultuur (CAA_nrs. 4870 en 4871). Zone C: stuwwal Delden Van de stuwwal bij Delden zijn zes vuursteenvindplaatsen bekend, waarvan drie uit het mesolithicum (CAA-nrs. 4722, 13702 en 32106) en twee uit het neolithicum (CAA-nrs. 4720 en 4723). Zone D: Bentelerheide In het zuidoosten van de gemeente, ten zuiden van Bentelo, bevindt zich een grondmorenerug. In de zone met gordeldekzand om deze rug heen zijn op de overgang naar een beekdal enkele vuursteenvindplaatsen bekend.°5 Ook hier betreft het vindplaatsen uit zowel het mesolithicum (CAA-nrs. 4724, 4726, 13456 en 13703) als het neolithicum (CAA-nrs. 4725 en 4727). Zone E (Elsenerbroek) De hiervoor beschreven vuursteenvindplaatsen liggen allen op de stuwwal, of juist op de overgang van de stuwwal naar het lager liggende deel van het landschap. In het Elsenerbroek bevindt zich een concentratie van vuursteenvindplaatsen die hiervan °2 CAA-nrs. 2632, 13003, 19302; vondstmeldingen 405942, 405943, 405944 en 405945 3 CAA-nrs. 2520, 2527, 2560, 2564, 26186, 2818, 2629, 2631, 2635, 2637, 2638, 2843, 2844, 4932, 4936, 4941, 4958, 13469, 13726, 13772, 13773, 13790, 13791, 18017, 19309, 19310, 19311, 19321, 29300, 22214, 30627, 43946, 50652, 402651 * CAA-nrs. 4869, 4870, 4871, 13795, 18841, 19324 en 21540 3 CAA-nrs. 4724, 4725, 4726, 4727, 13458, 13703 25 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente afwijkt.°° Het landschap ter plaatse betreft het beekdal van de Boven-Regge waarlangs een aantal kleine dekzandkopjes liggen. De vindplaatsen dateren allen uit het mesolithicum. Slechts één vuurstenen werktuig is mogelijk in het neolithicum te dateren. De vindplaatsen wijken hiermee af van de andere concentraties aan vuursteenvindplaatsen in de gemeente waar zowel mesolithische als neolithische vindplaatsen aanwezig zijn. Naast de diverse vuurstenen afslagen, klingen en werktuigen is bij een van de vindplaatsen een vermoedelijke haardplaats aangetroffen (CAA-nr. 19288), waarmee duidelijk sprake is van een jachtkampement. Op een andere vindplaats zijn in totaal 60 vuurstenen artefacten aangetroffen tijdens een waarderend veldonderzoek in 2006 (CAA-nr. 21518). Er was sprake van twee dekzandkopjes die echter geëgaliseerd bleken te zijn. 7 Zone F Geïsoleerde vuursteenvindplaatsen Naast de genoemde concentraties aan vuursteenvindplaatsen zijn ook enkele geïsoleerde locaties bekend waar bewerkt vuursteen is aangetroffen. Zo is in de bebouwde kom van Goor (Kevelhammerhoek) een kampement uit het mesolithicum aangetroffen op een dekzandkopje naast een beekdal (CAA-nr. 4896). Ook is een vuursteenvindplaats aangetroffen op een rug naast een uitblazingslaagte, ten westen van Diepenheim (CAA-nr. 21654) waarbij in een proefputje circa 40 vuurstenen artefacten uit het mesolithicum zijn aangetroffen. Ten zuidoosten van Diepenheim is bij De Horde een vuursteenvindplaats aangetroffen op een dekzandrug langs de Diepenheimsche molenbeek (vondstmelding 403554). Het betreft diverse vuurstenen artefacten in de vorm van afslagen, kernen, afvalstukken en een kling. Een aantal vondsten zijn zeer globaal gedateerd (tussen Paleolithicum en Bronstijd), terwijl andere vondsten niet gedateerd kon worden. Ten slotte zijn ten zuidoosten van Azelo twee vuursteenvindplaatsen aangetroffen bij de aanleg van een aardgastransportleiding. De ene vindplaats ligt op een noordoostzuidwest georiënteerde dekzandrug waar in totaal 4528 artefacten zijn verzameld (vondstmelding 405817). De vondsten dateren globaal tussen het Mesolithicum en de vroege bronstijd. Tevens zijn drie fragmenten verbrand bot gevonden. De andere vindplaats bevindt zich iets zuidelijker waar enkele losse vondsten zijn aangetroffen in de vorm van een vuurstenen kling en drie vuurstenen afslagen (vondstmelding 405829). Het aangetroffen vuursteen duidt op de aanwezigheid van kampementen van jagers/verzamelaars in het gebied, met name op dekzandkoppen en -ruggen.°® De verwachting is dat de sporen hiervan zich nog verder over het terrein uitstrekken. Overige vondsten Naast vuursteen en natuursteen werd in het mesolithicum ook bot bewerkt tot werktuigen. Binnen de gemeente is maar een vondstlocatie bekend waar bewerkt bot uit deze periode is aangetroffen. Het betreft een dissel van elandsgewei, te dateren in het vroege mesolithicum tot vroege neolithicum die op de stuwwal van de Herikerberg is aangetroffen.% 9 CAA-nrs. 13475, 13828, 19298, 13299, 21517, 21518, 21519, 21520, 402653, 402655 °7 Van den Berghe 2006. * scholte Lubberink 20082, 60. °9 CAA-nr. 4880 26 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente Aardewerkvindplaatsen In het neolithicum is men aardewerk gaan maken, Naast vindplaatsen waarbij zowel vuurstenen werktuigen als aardewerk is aangetroffen, zijn ook enkele vondstlocaties bekend waar alleen aardewerkvondsten uit het Neolithicum zijn aangetroffen. Het betreft een locatie op de Noordachteres op de stuwwal net ten noorden van Markelo (CAA-nr 55702) waarbij niet nader gespecificeerd aardewerk is aangetroffen. Ook is een fragment aardewerk uit het laat-neolithicum aangetroffen op een locatie op een grondmorenerug nabij Elsen (CAA-nr. 2641) ter plaatse van een nederzetting uit de late bronstijd (zie paragraaf 4.3). Een losse vondst betreft die van een standvoetbeker (zigzag-beker) uit het laatneolithicum op een dekzandrug bij Hengevelde (CAA-nr. 4867). Grafheuvels De oudst voorkomende grafheuvels in de gemeente dateren uit het neolithicum*°, en met name uit het laatste deel van deze periode. De datering van de heuvels loopt veelal door tot de bronstijd of ijzertijd. De ligging van de grafheuvels uit het neolithicum beperkt zich tot het gebied van De Borkeld (Elsenerveld) in een zone met voornamelijk gordeldekzandwelvingen en op de stuwwal van de Herikerberg (CAA-nrs. 4853 en 13814). De heuvels variëren in diameter en hoogte. Zo heeft een grafheuvel op het Elsenerveld (CAA-nr. 2599) een diameter van 12 meter en een hoogte van 60 centimeter, terwijl een grafheuvel langs de Oude Rijssenseweg een diameter heeft van 15 meter en circa 75 centimeter hoog is. Enkele grafheuvels zijn niet meer aanwezig in het landschap (CAA-nr. 2598), zijn zeer verstoord (CAA-nrs. 4853, 2626 en 2627) of hebben een onduidelijke registratie in ARCHIS (CAA-nr. 2593 en 2644). Ook staan in ARCHIS enkele grafheuvels geregistreerd die oorspronkelijk een datering in het neolithicum hadden, maar waarvan is gebleken dat het (hoogstwaarschijnlijk) een natuurlijke heuvel betreft. Dit betreft een tweetal heuvels ten westen van Markelo (CAA-nrs. 37201, 37830). Op de Herikerberg bevindt zich een heuvel die een uitkijkheuvel of prieel blijkt te zijn (CAA-nr. 37202). Volgens gegevens in ARCHIS zou op de zuidhelling van de Friezenberg een sterk vervallen hunebed aanwezig moeten zijn (CAA-nr. 2579). In het jaar 1856 is geconstateerd dat het hunebed erg beschadigd is, maar wel duidelijk herkenbaar. Op dit moment is de bewuste locatie niet bekend en ook in literatuur is niet meer informatie over dit mogelijke hunebed te vinden. Depotvondsten en/of losse vondsten in de vorm van (vuur)stenen werktuigen Van de 49 locaties waar vuurstenen of natuurstenen voorwerpen in de vorm van bijlen of hamers zijn aangetroffen is van het merendeel (30 locaties) de exacte vondstlocatie onbekend. Deze vondsten staan ook met administratieve coördinaten in ARCHIS.*! Wel is duidelijk dat het overgrote deel van de administratief geplaatste bijlen aangetroffen moeten zijn in de omgeving van de stuwwal tussen Markelo en de Borkeld. Het betreft een aantal hamerbijlen (0.a. typen R/S hamerbijl en Breitkeil), twee gerölikeule, een spitzhaue, en ruim twintig bijlen (type fels-rechteckbeilen, flintrechteckbeilen en fels-ovalbeilen) Een aantal vondsten is niet nader gespecificeerd in ARCHIS. “9 CAA-nrs. 2556, 2557, 2558, 2582, 2593, 2598, 2599, 2626, 2627, 4853 en 13814 %' CAA-nrs. 2606, 2710, 3057, 3058, 3675, 4655, 4728, 4863, 4865, 4874, 4876, 4877, 48T78, A879, 4883, 4884, 4885, 4886, 4887, 4888, 4889, 4893, 4895, 4913, 4914, 4933, 4937, 4942, 4943, 43959 27 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente 43 Van negentien vondstlocaties van bijlen uit het mesolithicum en/of neolithicum is de vondstlocatie redelijk tot goed bekend.‘2 Opvallend is dat deze bijlen juist in de lagere delen van het landschap zijn gevonden, zoals het Deldenerbroek, het gebied tussen Diepenheim en Hengevelde. Uit het gebied ten noorden van Goor met kleine dekzandruggen in een relatief nat landschap zijn 6 vondstlocaties bekend. Er zijn twee stenen hamerbijlen uit het laatneolithicum gevonden (CAA-nrs. 4860 en 13474). Uit deze periode stamt ook een FlintRechteckbeil (CAA-nr. 44862). Daarnaast staan in ARCHIS een stenen spitzhaue uit het Mesolithicum- vroeg Neolithicum geregistreerd (CAA-nr. 2636), een gerölikeule (midden-mesolithicum tot neolithicum; CAA-nr. 19312) en een stenen FelsRechteckbeil uit het midden-neolithicum tot bronstijd (CAA-nr. 711). Uit het gebied in de driehoek Goor, Diepenheim en Hengevelde zijn vier vondstlocaties bekend. Drie locaties betreft de vondst van een Fels-Rechteckbeil (midden-neolithicum tot bronstijd): Langs het dal van de Boven-Regge ten zuiden van Goor (CAA-nr. 4861), Ten noorden van Hengevelde (CAA-nr. 4866) en langs de Diepenheimsche molenbeek ten zuidoosten van Diepenheim (CAA-nr. 4900). Op deze laatste locatie is ook een zandstenen geröllkeule aangetroffen (CAA-nr. 4901). De vondst stamt uit de periode midden-mesolithicum tot midden-neolithicum. Een kilometer noordoostwaarts, langs de Poelsbeek is tot slot een stenen hamerbijl (zogenaamde P1-hamer) aangetroffen, te dateren in het laat-neolithicum (waarneming 4912). In de zone met gordeldekzandafzettingen ten noordwesten van Markelo zijn op vier locaties bijlen aangetroffen. Drie locaties bevinden zich in de directe omgeving van Domelaar (CAA-nrs. 3052, 3056 en 3339), terwijl de vierde vondst in de dorpskern van Markelo is gedaan (CAA-nr. 4875). Van deze laatste locatie staan slechts summiere gegevens in ARCHIS geregistreerd. Het is dan ook niet uit te sluiten dat het een administratief geplaatste vondst betreft. In het oostelijke deel van de gemeente, in de omgeving van Bentelo, zijn eveneens twee vondstlocaties gesitueerd in de directe omgeving van beeklopen. Het betreft een vuurstenen bijl langs het beekdal van de Diekkers strang ten zuidoosten van Bentelo (CAA-nr. 13715) en een stenen hamerbijl Iang in het dal van de Nieuwlandsbeek tussen Bentelo en Delden (CAA-nr. 4721). In het zuidwestelijke deel van de gemeente, in de omgeving van de Bolksbeek en de Schipbeek, zijn twee bijlen gevonden. Het betreft respectievelijk een Fels-Rechteck- en een Flint-Ovalbeil (CAA-nrs. 4910 en 4911). Bronstijd De overgang van het neolithicum naar de bronstijd (2000-800 v.Chr.) was zeer geleidelijk. Vuursteen blijft namelijk nog lange tijd een belangrijke grondstof naast brons. Gedurende deze periode treedt er een sterke vernatting op van het gebied ten gevolge van de stijging van het grondwaterniveau (als gevolg van de alsmaar stijgende zeespiegel). Het geleidelijk vochtiger wordende karakter van met name het westelijke en centrale deel van de gemeente, maakte deze zones vanaf de bronstijd steeds minder aantrekkelijk voor permanente vestiging van bewoning. 42 CAA-nrs. 2636, 2702, 2711, 3052, 3056, 3339, 4721, 4860, 4861, 4866, 4875, 4900, 4901, 4910, 4911, 4912, 13474, 13715, 19312, 44862 28 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente Figuur 4.3 In de periode veranderde het landschap door het kappen van bomen en de intensivering van de landbouw. De kale plekken in het landschap herstelden zich weer behalve daar waar het vee graasde. Ter plaatse ontstonden dan ook heidevelden. Zo werden grafheuvels uit de bronstijd bedekt met heideplaggen. Grondstoffen voor bronzen voorwerpen werden geïmporteerd, deze kwamen vanuit het oosten naar Noord-Europa. Van het brons werden wapens gemaakt zoals bijlen, dolken en speren, maar ook sierraden. Ook werd nog steeds gebruik gemaakt van (vuur-) stenen voorwerpen, evenals been en gewei. De doden werden in deze periode begraven in grafheuvels die vaak gegroepeerd bij elkaar lagen. In de late bronstijd werd verbranding echter steeds meer in gebruik. Binnen de gemeente is een groot aantal grafvelden uit de bronstijd bekend. Deze grafvelden zijn herkenbaar aan verhogingen in het landschap. De hoogtes variëren van 0,50-2,50 m. De diameters liggen tussen 10 en 22 m. De terreinen waarop de grafvelden liggen betreffen over het algemeen hoger gelegen terreinen. De percelen met grafvelden hebben een hoge tot zeer hoge archeologische waarde. Zestien grafvelden hebben een beschermde status. Veel grafheuvels zijn door zowel menselijke als dierlijke ingravingen aangetast. Bovendien zijn sommige grafheuvels door de aanleg van wegen, afgravingen en ploegen deels vernield. In de jaren ‘90 is een groot deel van de heuvels gerestaureerd. Dit vond plaats door middel van opvulling met zand van de ingravingen, het verwijderen van beplanting en het afdekken van de grafheuvel door het opwerpen van plaggen. Naast de grafvelden zijn nog talloze vondsten gedaan en vindplaatsen bekend. Op basis van de landschappelijke opbouw is voor concentraties vindplaatsen uit de bronstijd een indeling in drie zones gemaakt: Zone A: stuwwal Markelo-De Borkeld Zone B: stuwwal Delden en omliggend grondmorene-gebied Zone C: dekzandgebied (overig gebied) De vindplaatsen uit de bronstijd zullen per zone besproken worden. Vondstlocaties uit de bronstijd (zie volgende pagina) Zone A Stuwwal Markelo-De Borkeld Binnen zoneA is een groot aantal grafvelden aangetroffen, met name in de kern Elsen en Markelo. Rondom Elsen zijn in totaal 34 grafheuvels bekend met een datering van het (laat) neolithicum-bronstijd. ‘° Hiervan bestaan vier vindplaatsen uit twee of meer dan twee grafheuvels. De overige vindplaatsen bestaan uit geïsoleerde grafheuvels. Rondom Markelo zijn verschillende groepen grafheuvels, evenals enkele geïsoleerde heuvels aangetroffen.’* Ook deze heuvels dateren uit het (laat-) neolithicum-bronstijd. Van één grafheuvel is de datering onbekend. Mogelijk dat het een heuvel uit de ijzertijd betreft. Ook bij Herike bevinden zich drie groepen grafheuvels uit het laat neolithicumbronstijd.° Op de zuidhelling van de Herikerberg op camping Monte Bello liggen twee grafheuvels. Op het terrein van bungalowpark Hessenheem bevinden zich twee groepen grafheuvels bestaande uit respectievelijk twee en drie grafheuvels. Ten noordwesten van Herike is een urn gevonden met crematieresten uit de late bronstijd tot vroege ijzertijd. Het betreft hier een na-bijzetting in een oudere grafheuvel. *3 CAA-nrs. 2514, 2549 tot en met 2555, 2561, 2583, 2585, 2588 tot en met 2592, 2594, 2595, 2596, 2597, 2608 tot en met 2615, 2624, 2625, 13267, 17976, 17977, 37197. ** CAA-nrs. 4839 tot en met 4844, 4846 tot en met 4850, 37203, 46321, 46322 en 402657; monumentnummer 2573. *S CAA-nrs. 4851, 4852, 4855 tot en met 4858. 29 Uen JOHS2wamL awewe9 plaswoig nesospuonspronssp 7 gv Ydr &Smeape o7 p vapauuas ayfjaddeuspuer e BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente Naast de grafheuvels zijn vindplaatsen met vondstmateriaal en in een enkel geval sporen bekend. Zo zijn op een terrein aan de Hochtweg te Elsen sporen en vondsten uit de bronstijd blootgelegd (CAA-nr. 13726).‘® De sporen vormen mogelijk een plattegrond van 10,5 x 6 m. Het aardewerk bestaat uit scherven handgevormd aardewerk uit de late bronstijd. In het noordwesten van de gemeente is een hoeveelheid aardewerk uit de late bronstijd met meerdere soorten versieringen aangetroffen, die toegeschreven wordt aan de Eems-cultuur (CAA-nr. 2641). Daarnaast is ook een paalkuil uit dezelfde periode gevonden. Op twee locaties is een depot gevonden met bronzen voorwerpen. Zo is een bronsdepot van vijf bronzen armbanden uit de late bronstijd aangetroffen (CAA-nr. 2580) en een bronsdepot bestaande uit een kokerbijl (type Seddin) en twee kokerbijlen van het type Hunze-Eems uit de late bronstijd. Ze worden toegeschreven aan de Eems-cultuur (CAA-nr. 4935). Daarnaast is een aantal losse vondsten aangetroffen in de vorm van bronzen bijlen, zoals een vleugelbijl uit de midden tot late bronstijd (CAA-nr. 2623), een kokerbijl uit de late bronstijd (CAA-nr. 4939) en een randbijl uit de midden bronstijd (CAA-nr. 4940). In de buurt van Markelo zijn meerdere bronzen lanspunten uit de bronstijd gevonden (CAA-nr. 4836 en 4862), evenals bij Herike (CAA-nr. 4838) en Stokkum (CAA-nr. 4837). Bij een zandafgraving ten noordoosten van Markelo zijn diverse vondsten aangetroffen waaronder houtskool, bewerkt vuursteen en aardewerk uit de vroege bronstijd (CAA-nr. 4818). CAA-nr. 19297 betreft in een maïskuil aangetroffen aardewerk, (bewerkt) vuursteen en natuursteen uit de bronstijd. Op diverse locaties in de omgeving van Markelo en de Herikerberg is wikkeldraadaardewerk gevonden, daterend in de vroege bronstijd (CAA-nrs. 2637, 4871, 4881 en 18015). Ten slotte is ten noorden van Markelo aardewerk gevonden dat wordt toegeschreven aan de Hilversum-cultuur uit de midden-bronstijd (CAA-nr. 21539). Zone B Stuwwal Delden en omliggend grondmorene-gebied In zone B, de stuwwal van Delden en het gebied met grondmorene-afzettingen, bevinden zich grafheuvels, nederzettingssporen, en losse vondsten. Het betreft voornamelijk aardewerk en daarnaast is bewerkt vuursteen aangetroffen. Op het Koematenveld (Deldeneresch) bevindt zich een grafveld met 22 grafheuvels uit de bronstijd dat als beschermd monument staat geregistreerd (CMA-nr. 75).°7 De heuvels zijn gelegen op een gordeldekzandrug met een westzuidwest-oostnoordoost oriëntatie. Vermoedelijk gaat het om een aantal midden-bronstijd grafheuvels waartegen een aantal urnenveldheuvels (heuvels met een diameter kleiner dan 10
- m)is aangelegd. Zoals reeds beschreven in de paragraaf over het neolithicum zijn tijdens de opgraving op terrein De Haar te Buren 875 fragmenten Wikkeldraad-aardewerk aangetroffen waarvan 25 scherven versierd zijn (vondstmelding 405817). Bovendien zijn onder de vondstlaag vijf paalsporen blootgelegd van 20-30 cm diep.‘3 Aangenomen is dat deze “* Monumentnummer 2809. *7 CAA-nrs. 1290 en 2685. *® scholte Lubberink 2008a, 58. 31 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente 44 sporen uit de vroege bronstijd dateren en dat deze onderdeel zijn van een omvangrijke nederzetting in het gebied.“? Een losse vondst betreft onder andere een fragment handgevormd aardewerk uit de late bronstijd tot vroege ijzertijd dat bij Delden is aangetroffen (CAA-nr. 2687). In de omgeving van Azelo is ook dergelijk aardewerk aangetroffen (CAA-nr. 2703), en bij Ziethover hoek ten westen van Delden is bewerkt vuursteen en een fragment wikkeldraadaardewerk uit de vroege ijzertijd gevonden (CAA-nr. 4658). Zone C Dekzandgebied Zone C betreft het dekzandgebied binnen de gemeente. In deze zone zijn, naast de bijlen die reeds bij het Neolithicum zijn besproken, slechts enkele losse vondsten gedaan. In de omgeving van Goor zijn (op verschillende locaties) drie bronzen lanspunten gevonden uit de midden — en/of late bronstijd (CAA-nrs. 2602, 4819 en 4894). Ook is net ten westen van Goor handgevormd aardewerk gevonden dat kan worden toegeschreven aan de Wikkeldraad-cultuur (CAA-nr. 4870). IJzertijd Heel Nederland kan in de ijzertijd (800-12 v.Chr.) getypeerd worden als ‘een gebied met een rijke schakering aan bewoonde landschappen’.°” Vanaf de vroege ijzertijd lijkt elk landschapstype geschikt bevonden voor bewoning of exploitatie. Zelfs in de laaggelegen, natte gebieden zijn nederzettingen te vinden. De aard van de nederzettingen was meestal kleinschalig en ook de huizen waren, zeker vergeleken met de bronstijdhuizen, vrij klein in omvang. Als gevolg van de fysieke omstandigheden zoals wateroverlast, concentreerde de bewoning zich in groepen van huizen. Pas tegen het eind van de ijzertijd, tegen het begin van de jaartelling, begint ook de bewoning op de zandgronden enigszins samen te klonteren in gehuchten. De bewoners op deze zandgronden hadden de eigenschap zich om de 20 tot 30 jaar (één generatie) binnen een territorium van een aantal vierkante kilometers te verplaatsen. Na enkele generaties keerde men weer terug op een eerder bewoonde locatie, waardoor de nederzetting een zogenaamde ‘zwerfcyclus’ of ‘Yomgang’ had gemaakt. De zwerfafstand van de nederzettingen lijkt gedurende de ijzertijd af te nemen naar mate de agglomeratie van de bewoning begint toe te nemen. Het handgevormde aardewerk in het eerste millennium v.Chr. kenmerkte zich met name van noord naar zuid in stijlverschillen, waarbij Noord-Nederland vooral affiniteiten vertoonde met het Duitse gebied en Zuid-Nederland aanvankelijk met westelijk Centraal-Europa (urnenveldculturen), maar in de vijfde eeuw v.Chr. vooral met Noord-Frankrijk (imitatie van Marne-aardewerk). Het rivierengebied van Midden-Nederland lijkt altijd een soort overgangsgebied te zijn geweest. Vanaf de vierde eeuw v.Chr. ontwikkelen zich in Nederland regionaal steeds meer stijlverschillen.*’ In de ijzertijd kwamen naast bronzen ook ijzeren voorwerpen voor. In Twente werd ijzererts in moerrassen gewonnen. Met nieuwe technieken konden hogere smelttemperaturen bereikt worden. Er zijn in Twente echter niet veel ijzeren objecten teruggevonden vanwege het wegroesten van het ijzer in de grond. Gedurende de ijzertijd heeft er ook een ontwikkeling plaatsgevonden in het grafbestel. De vroege ijzertijd staat in de hogere delen van Nederland vooral bekend om de urnenvelden en crematiegrafvelden met individuele grafmonumenten. Vanaf de midden-ijzertijd raken *° scholte Lubberink 20082, 60. °9 Van den Broeke, 2005b: 683. °! Van den Broeke 2005a: 612. 32 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente Figuur 4.4 ©? ARCHIS de urnenvelden in onbruik en ontstaan er nieuwe grafvelden, terwijl de archeologisch waarneembare grafrituelen in grote lijnen gelijk blijven. Vaak in associatie met grafvelden zijn cultusplaatsen teruggevonden. Dit kunnen offerplaatsen zijn in de vorm van sloten of kuilen, maar ook monumentale structuren die een centrale plaats kunnen innemen binnen een grafveld. In Twente worden de grafvelden aangetroffen op de hoger gelegen delen van het landschap. Urnenvelden zijn onder andere bekend in Delden, Elsen, Goor en Markelo.°? Vondsten en vondstlocaties Uit de ijzertijd zijn in Hof van Twente diverse urnenvelden bekend. Deze velden zijn te herkennen aan kleine en lage heuveltjes in hoger gelegen delen van het landschap. In enkele urnenvelden konden geen verhogingen meer vastgesteld worden. De afmetingen van de heuvels zijn kleiner dan die van grafheuvels uit de bronstijd. De diameter en hoogtes verschillen, maar liggen tussen 5 en 9,5 m respectievelijk tussen 0,25 en 0,70 m. Ook deze heuveltjes zijn, evenals die uit de bronstijd, aangetast door onder andere ingravingen en in de jaren 80 en 90 van de twintigste eeuw gerestaureerd. De percelen met urnenvelden hebben een hoge tot zeer hoge archeologische waarde. Eén urmnenveld heeft een beschermde status (CAA-nr. 1291). Naast de urnenvelden zijn nederzettingssporen en losse vondsten aangetroffen. Op basis van de landschappelijke opbouw is voor concentraties vindplaatsen uit de ijzertijd een indeling in drie zones gemaakt: Zone A: Stuwwal Markelo-De Borkeld Zone B: Stuwwal Delden en omliggend grondmorenegebied Zone C: Dekzandgebied (overig gebied) De vindplaatsen uit de ijzertijd zullen per zone besproken worden. Vondstlocaties uit de ijzerlijd (zie volgende pagina). Zone A Stuwwal Markelo-De Borkeld Binnen de kernen Elsen en Markelo zijn tien op de stuwwal gelegen urnenvelden bekend.° In en rondom Elsen bevindt zich een achttal urnenvelden uit de late bronstijd-ijzertijd. Hieronder bevindt zich een veld met zes heuveltjes, een veld met drie heuvels, een met 24 heuvelijes, een urnenveld met een kringgreppel en een vierkante greppel en een veld met dertig kringgreppels. Bij een onderzoek in 1976/77 zijn deze kringgreppels aangetroffen met bijbehorende begravingen van crematieresten in urnen, bijzettingen en enkele brandkuilen. De overige twee urnenvelden hebben een onbekend aantal begravingen. Volgens Archis I! zijn de urnenvelden gemeld, maar nu verdwenen. Ten noorden van Markelo bevindt zich waarschijnlijk een urnenveld uit de late bronstijd-ijzertijd. In 1932 is hier handgevormd aardewerk van een dubbelconische urn en crematieresten gevonden. Een tweede urnenveld bevindt zich in de buurt van Markelo (CAA-nr. 1280). Het gaat om een urnenveld uit de late bronstijd-vroege ijzertijd waar geen nadere informatie over beschikbaar is. Op een terrein aan de Driebelterweg te Markelo bevindt zich een tweetal grafheuvels waarvan één heuvel vermoedelijk uit de ijzertijd dateert (CMA-nr. 988 met beschermde status).°* De datering van de heuvel is gebaseerd op de afmetingen. De diameter van de grafheuvel is 9, de hoogte bedraagt 0,5 m. ° CAA-nrs. 1279, 1280, 1281, 1282, 2572, 2573, 2586, 2587, 2601, 13278, 13813, 17975, 43992 en 43996. 54 CAA-nr. 4843. 33 uen JoH a2wamL z3ua2wa9 pluazh sanesopspuon $oo Bangee Gmseape © ov pe vapauuas ayfjaddeupspuer ostannpeeepei® 2 eumenaus 27 jeanegenee aaSnauateupsei temns oz 2aiseusune BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente Aan de Petersweg te Stokkum ligt een terrein met de restanten van een urnenveld uit de vroege ijzertijd (CAA-nrs. 1284, 2368, 3287, 3507, 3598 en 4892).° Sinds 1922 zijn begravingen ontdekt in de omgeving van boerderij Grevens. Deze bestonden uit urnen met crematieresten, ook binnen een kringgreppel en bijpotjes. Behalve urnenvelden is in Archis ook melding gemaakt van losse vondsten zoals aardewerk en metaal en nederzettingssporen. Zo zijn op diverse locaties fragmenten aardewerk aangetroffen, zoals bij Elsen (CAAnrs. 2584, 2633) , Herike (CAA-nrs. 18017, 19321), Markelo (CAA-nrs. 3053, 4890, 43959, 55702, 13791). Op de Noordachteres zijn naast aardewerk ook sporen in de vorm van kuilen en paalkuilen aangetroffen (CAA-nrs. 43946, 43959 en 50652). Bij Stokkum zijn een stenen hamerbijl van het type Baexem uit de late bronstijd tot midden ijzertijd gevonden (CAA-nr. 98) evenals een ijzeren lanspunt die globaal kan worden gedateerd in de ijzertijd tot vroege middeleeuwen. Zone B Stuwwal Delden en omliggend grondmorenegebied Op de stuwwal Delden zijn een urnenveld en twee vondstlocaties aangetroffen. Het urnenveld dateert uit de late bronstijd-vroege ijzertijd en bestaat uit 13 grafheuvels (CAA-nr. 1291).5 In 1999 zijn de heuvels gerestaureerd. Toch zijn de heuvels als gevolg van achterstallig onderhoud vaak onherkenbaar. Over grafheuvel 1/1 loopt een uitgesleten pad, op heuvels 1/3 en 1/4 zijn beschadigingen door dieren veroorzaakt waargenomen en van heuvel 1/9 is de top afgeplat. Het is onbekend in welke staat de grafheuvels verkeren. Bij de opgraving Azeler Esch waar ook vondsten uit het neolithicum en bronstijd zijn aangetroffen (zie paragrafen 4.2 en 4.3) zijn ook resten uit de ijzertijd blootgelegd (vondstmelding 405824).°7 Er zijn diverse sporen als paalsporen en kuilen aangetroffen die plaatselijk dichte clusters vormden. Daarnaast zijn tientallen fragmenten van weefgewichten gevonden evenals 41 stuks handgevormd aardewerk. In het zuidelijk deel van de Azeler Esch is een nederzetting uit de vroege-midden ijzertijd aangetroffen. Deze bestaat uit diverse paalgaten en kuilen, en 200 fragmenten handgevormd aardewerk waarvan circa 150 stuks uit één kuil afkomstig waren. Op de stuwwal ten westen van Delden is een waterput aangetroffen uit vermoedelijk de vroege tot midden ijzertijd (CAA-nr. 32106), evenals aardewerk uit dezelfde periode (CAA-nr. 32106; 2695). Ook bij Azelo zijn tientallen fragmenten aardewerk uit de ijzertijd gevonden (CAA-nr. 2684). Zone C Dekzandgebied ZoneC is het dekzandgebied binnen de gemeente. In deze zone wordt op basis van een toponiem de ligging van een urnenveld vermoed. Tussen Hengevelde en Goor ligt namelijk ‘Het Aschpotterveld' (CAA-nr. 4854). Er zijn nog geen concrete aanwijzingen voor. Andere vondstlocaties in het dekzandgebied betreffen vondsten die reeds in de paragraaf van de bronstijd zijn besproken. © Monumentnummer 2548. ° Monumentnummer 73 met beschermde status. °7 |n het tracé van de gasleiding. Scholte Lubberink 2007, 5. 35 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente 45 Figuur 4.5 Romeinse tijd In de Romeinse tiijd (circa 12 v. tot 450 na Christus) lag het grondgebied van Hof van Twente ten noorden van de /imes en dus buiten de grenzen van het Romeinse rijk. Wel moet er, gezien de “importvondsten” van onder andere aardewerk, in dit gebied handel zijn gedreven met de Romeinen. De invloed van de Romeinen is dus wel voelbaar aanwezig. Tijdens de Romeinse tijd werd het huidige Twente bewoond door de stammen van de Chamaven, Bructeren en Tubanten, ook wel Tuvanten geheten. Omstreeks het jaar 300 hebben de Tuvanten zich verenigd met andere vrije Germaanse stammen tot de stam van de Salische Franken. Het is aannemelijk dat de naam Twente is afgeleid van de naam Tubanten of Tuvanten. Vondstlocaties en waarnemingen Uit de Romeinse periode zijn binnen de gemeente Hof van Twente enkele vondsten gedaan. De meeste vondsten stammen uit de westelijke helft van de gemeente, slechts een paar liggen in het oosten. Bij Elsen is, ten westen van de Rijssenseweg, een nederzettingsterrein uit de 4° — 5° eeuw gevonden, de overgangsperiode van de Romeinse tijd naar de vroege middeleeuwen. Elders in Nederland zijn sporen uit deze periode relatief zeldzaam en wordt vaak aangenomen dat het landschap ontvolkt raakte. Deze nederzetting, met een grootte van mogelijk wel 2 hectare, is op de archeologische monumentenkaart gewaardeerd als een terrein van zeer hoge archeologische waarde (CMA-nr. 2808; CAA-nrs. 17980, 22188). Twee onderzoeken die op het terrein hebben plaatsgevonden, hebben geleid tot veel archeologische resten in de vorm van aardewerk, bronzen en ijzeren voorwerpen, botmateriaal maar ook twee waterputten, greppels, paalkuilen en dergelijke. Ten zuidwesten van deze nederzetting zijn in het Groningeresch en —veld 20 fragmenten handgevormd aardewerk uit de Romeinse tijd gevonden. Het gaat hier om nederzettingsafval. De vondsten zijn gedaan ter plaatse van het AMK-terrein 13618 (terrein van hoge archeologische waarde), waarop ook vondsten uit andere perioden zijn gedaan. Een andere nederzetting is aangetroffen bij een opgraving in het kader van de aanleg van een cunet van een aardgastransportleiding ten zuiden van Azelo (vondstmelding 405827).53 Hier bevindt zich een inheems-Romeinse nederzetting uit de laat-Romeinse tijd. Naast diverse vondsten is onder andere een houten waterput aangetroffen. Het hout is dendrochronologisch gedateerd op het jaar 272-273. Vondstlocaties uit de Romeinse tjd (zie volgende pagina) Daarnaast zijn binnen de gemeente Hof van Twente diverse losse vondsten aangetroffen uit de Romeinse tijd, waaronder enkele Romeinse munten in Delden (CAA-nrs. 18718 en 22181) en ten zuiden van Diepenheim (CAA-nr. 1060) en een bronzen ring uit de omgeving van het Elsenerbroek (CAA-nr. 19308). Twee waarnemingen in ARCHIS duiden mogelijk op een grafveld. Zo is op een niet nader gespecificeerde locatie in de Entervenen handgevormd aardewerk gevonden daterend uit de 3° eeuw, waaronder enkele urnen (CAA-nr. 2566). Ook ten zuiden van Markelo staan in ARCHIS enkele administratief geplaatste waarnemingen geregistreerd, waaronder een kannetje (CAA-nr. 4962), een olielampje (CAA-nr. 4963) en handgevormd aardewerk (CAA-nr. 4822). ° scholte Lubberink 2007, 5. 36 Vondstioaties Romeinse tijdHof vanGemeente Twene greteost Ae n& oreig A Landschappelijke eenheden emoo r weekeat Steetost e dkE S aprelekze eredeezendnelingen BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente 46 Vroege middeleeuwen Vanaf de vijfde eeuw kwamen Twente en Salland in toenemende mate onder de invloed van de Saksen. Aan het eind van de achtste eeuw werd de streek echter ingelijfd bij het Frankische rijk van de Karolingen, die er militaire vestigingen stichtten (0.a. Oldenzaal). De Franken voerden een actieve kersteningspolitiek met tal van kerkelijke en parochiale stichtingen. De komst van de Franken betekende een duidelijke breuk in de bewoningsgeschiedenis van de regio: geen enkele Merovingische of vroeg-Karolingische nederzetting in Oost-Nederland bleef aantoonbaar bewoond tot in de Late Middeleeuwen. Dit is mogelijk het gevolg van de nieuwe bezitsverhoudingen en herinrichting van het cultuurlandschap waardoor de nederzettingen in de loop van de Middeleeuwen verplaatst werden*°. Aan het einde van de 8° eeuw — begin van de 9° eeuw kwam het Twentse gebied onder de macht te staan van het Frankische Rijk, waarvan Karel de Grote de meest bekende keizer is. Deze Frankische overheersing ging samen met de kerstening van het gebied. Christelijke missionarissen waarvan men vermoed dat ze in Twente werkzaam waren, zijn Lebuïnus (of Liafwin), Marchelm (of Mercellinus) en Plechelmus. Twente werd onder de Franken een gouw. Rond 804 werd de gouw Twente omgezet in het graafschap Twente met aan het hoofd daarvan een graaf. Deze was de representant van de Frankische keizer en zetelde nabij het huidige Goor. De Frankische heersers stichtten hun eigen militaire vestigingen in het gebied. De negende eeuw werd vooral gekenmerkt door invasies uit het noorden, die langs de zee en de rivieren plaatsvonden. Tegen de Vikingen uit Zweden, Noorwegen en Denemarken waren de Franken nauwelijks bestand. Grote delen van Europa werden slachtoffer van plotselinge en snelle plunderingen en ontvoeringen ten behoeve van slavernij, waartegen de Frankische koningen weinig bescherming konden bieden. In 834 zijn de Vikingen het Nederlandse rivierengebied opgevaren, waarbij onder andere Deventer en Zutphen zijn geplunderd en platgebrand. Vondsten uit de vroege middeleeuwen zijn binnen de gemeente Hof van Twente bijna alleen gedaan in het westelijke deel van de gemeente (Fig. 4.6). Veruit de meeste vondsten uit de vroege middeleeuwen hangen samen met grafvelden. Bij Elsen is ook een nederzetting ontdekt uit de 4° — 5° eeuw (de overgang van de Romeinse tijd naar de vroege middeleeuwen). Deze is reeds besproken in de paragraaf over de Romeinse tijd. Vondsten uit de vroege middeleeuwen D en late middeleeuwen A worden in de paragraaf over de late middeleeuwen en nieuwe tijd besproken. Figuur4.6 _ Vondstlocaties uit de middeleeuwen (zie volgende pagina) Vondstlocaties en waarnemingen Binnen de gemeente zijn enkele vondstlocaties bekend die kunnen duiden op de aanwezigheid van een nederzetting op die locatie of in de directe omgeving er van. Zo is langs de Rijssenseweg ten zuiden van Elsen een fragment gedraaid aardewerk gevonden dat waarschijnlijk uit de Merovingische tijd stamt (CAA-nr. 2629). De vondst is gedaan in het slootprofiel. ° Van Beek, Groenewoudt et al. 2007: 28. 38 Vondstlocaties middeleeuwen Hof vanGemeente Twene B aprelekze ootedekendeeigen (aoeelsezsndg andinen utang e> gEToememegen ecndrtetngen ze BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente Enkele kilometers westelijker, aan de rand van het natuurreservaat De Borkeld, is een vroegmiddeleeuwse houten waterput gevonden (CAA-nr. 2563). Er wordt in Archis niet vermeld of er ook andere vondsten zoals bijvoorbeeld aardewerk bij zijn gedaan. Eveneens aan de rand van het natuurreservaat, maar iets meer noordoostwaarts gelegen (ten zuidoosten van de Friezenberg) is in ARCHIS een tweede waarneming geregistreerd. Het gaat hierbij om de vondst van een kom of schaal uit de vroege middeleeuwen B tot C. Omdat de vondst is aangekocht is de vindplaats ervan niet geheel zeker. Het is ook goed mogelijk dat de kom of schaal afkomstig is van de Herikerberg (deze locatie bevindt zich meer zuidwaarts). Ten zuidoosten van Azelo is tijdens een opgraving onder andere een fragment Hessens-Schortens aardewerk uit de vroege middeleeuwen B en C gevonden (vondstmelding 405831). Tot slot is in de omgeving van de Enter Venen kogelpotaardewerk aangetroffen (CAA-nr. 2566). Uit de informatie in ARCHIS blijkt dat het om een administratieve plaatsing gaat. Ten zuidoosten van Diepenheim zijn op het terrein de Horde enkele fragmenten van een bolpot uit de vroege middeleeuwen C aangetroffen tijdens een archeologische veldkartering (vondstmelding 4035540 Binnen de gemeente zijn een aantal bijzondere grafvelden uit de vroege middeleeuwen bekend. Zo is in de bebouwde kom van Markelo, ter hoogte van het Papenveld, een Frankisch rijengrafveld ontdekt in 1950 (CAA-nr. 4817). Een deel ervan was al grondig verstoord geraakt door het toedoen van arbeiders. De rest van de graven is archeologisch onderzocht. In totaal was er sprake van 110 graven, die uiteenvallen in drie groepen qua oriëntatie en ligging. De doden waren bijgezet in uitgeholde boomstammen. Er waren geen grafgiften meegegeven. Er zijn üÜberhaupt geen vondsten gedaan tijdens het onderzoek. Het grafveld stamt uit de periode vroege middeleeuwen B en C en heeft zich vermoedellijk nog verder uitgestrekt.5! Oostelijker, op de Herikerberg, zou een complete ijzeren Karolingische vleugellans uit de vroege middeleeuwen C zijn gevonden (CAA-nr. 24147). De vondst is mogelijk afkomstig uit een inhumatiegraf en heeft een lengte van 46 centimeter. Het is echter de vraag of deze vondst wel van de Herikerberg afkomstig is, omdat het aan de lans aangekoekte grind daartegen pleit. Eveneens van de Herikerberg afkomstig is de vondst van het fragment van een spatha, een soort lang tweesnijdend zwaard (CAA-nr. 22201). Mogelijk gaat het hier om een grafvondst. Deze vondst is gedaan aan het einde van de 19° eeuw bij de bouw van een toren op de top van de Herikerberg. De spatha stamt uit de vroege middeleeuwen C en heeft een lengte van 93 centimeter. Tegelijkertijd is ook een niet complete (scrama) sax of langsax uit dezelfde periode gevonden (CAA-nr. 22200). Ook van de Herikerberg afkomstig is de waarneming van een grafveld uit de vroege middeleeuwen B en C (waarneming 1054). Hier zijn rond 1909 een kom of schaal, knikpot, scramasax (een aan één kant snijdend zwaard), twee miniatuur knikwandpotten en een spatha (een lang zwaard) gevonden. °? Mogelijk hangen de waarnemingen 22200 en 22201 die vlakbij zijn gelegen met dit grafveld samen. Ten zuiden van de Herikerberg, in het Driebelter veld, is ook een waarneming van een vroegmiddeleeuws (vroege middeleeuwen B) grafveld geregistreerd (waarneming °9 schorn 2001. ® Informatie afkomstig uit Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek nummer 1950/3 en 1950/8. ®? Zie ook Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, jaargang 27, 1977, pagina 80 (catalogusnummer 352). 40 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente 4836). Als aanvullende informatie staat echter aangegeven dat de vondsten zijn gedaan ten noorden van de weg van Markelo naar Goor. De locatie zoals weergegeven in Archis kan dus niet correct zijn en moet meer noordelijker zijn geweest, vlakbij waarneming 24127, 22201, 22200 en 1054. Het is goed mogelijk dat ze deel uitmaken van hetzelfde grafveld. De vondsten bestaan uit twee ijzeren zwaarden (typen: ‘scramasax’en ‘spatha’ ) en drie knikwandpotten. Tenslotte zijn ook uit de omgeving van Diepenheim vondsten aangetroffen die samenhangen met een grafveld uit de vroege middeleeuwen. In 1940 zijn ten zuidoosten van Diepenheim twee kogelpotten en vier complete kommen of schalen uit de vroege middeleeuwen B en C aangetroffen (CAA-nr. 1061). 41 uen JoH a2wamL z3ua2wa9 anatn sanesonspuon a 4seen gCmm voeze 7 p go p& vapauuas ayfjaddeuspuer e BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente 47 Historische ontwikkeling (late middeleeuwen - nieuwe tijd) 4.7.1 Inleiding Vanaf de late middeleeuwen is een ommekeer zichtbaar. In de perioden voor de late middeleeuwen was de mens vooral afhankelijk van het omringende landschap. Vanaf de late middeleeuwen wordt steeds beter zichtbaar dat de mens de eigen leefomgeving zelf begint aan te passen. Nederzettingen worden niet meer langs beken en rivieren gesticht, maar juist ook op kruispunten van wegen. Daarnaast wordt grootschalig in de natuur ingegrepen door aanleg van onder andere greppels en landbouwpercelen. Vanaf deze periode zijn daarnaast steeds meer historische bronnen en kaarten beschikbaar. Om een archeologische verwachtingsmodel voor de late middeleeuwen en nieuwe tijd op te stellen, is daarom in mindere mate gekeken naar de landschapsopbouw, maar zijn diverse historische bronnen geraadpleegd. In Overijssel nam het aantal nederzettingen vanaf de late middeleeuwen sterk toe. Er ontstaan diverse dorpjes, veelal gelegen op de overgang van de hoger gelegen akkergronden naar de lager gelegen natte graslanden. Enkele dorpjes groeiden uit tot steden. Drie kernen krijgen in de loop van de late middeleeuwen stadsrechten, te weten Goor
(1263), Delden
(1325)en Diepenheim
(1422). De stadjes werden omgracht en voorzien van bruggen en poorten. In de volgende paragrafen wordt de historische ontwikkeling van deze kernen beschreven, maar ook die van het gebied waarin diverse kastelen, havezaten en boerderijen hebben gestaan. De belangrijkste vondstlocaties uit de nieuwe tijd zijn weergegeven in Figuur 4.
- Figuur47 _ Vondstlocaties uit de nieuwe tijd (zie vorige pagina) 4.7.2 De belangrijkste kernen Delden De eerste schriftelijke vermelding van Delden dateert uit het jaar
- Uit een goederenlijst is op te maken dat Bisschop Meinwerk van Paderborn goederen schonk aan het klooster Busdorf bij Paderborn, dat door hemzelf werd opgericht. In 1118 wordt voor het eerst melding gemaakt van een kerk in Delden. Delden moet in die tijd niet meer geweest zijn dan een buurschap. In dit buurschap ontstond een nederzetting van ambachts- en kooplieden. De locatie van deze nederzetting is niet bekend. Er zijn meerdere zones waar het ‘oude' Delden wordt verwacht. Zo heeft archeologisch onderzoek plaatsgevonden ten westen van Delden (CAA-nr. 32901) waarbij echter geen resten zijn aangetroffen (waarneming 32106). Er werden slechts enkele losse vondsten (keramiek?) uit circa de 12° eeuw gedaan. De ligging van deze locatie op de stuwwal lijkt een minder logische dan de zone ten zuiden van Delden ter plaatste van de kernen Vossenbrink en SintAnnabrink (aan de voet van de stuwwal, nabij een beek). Uit militair-strategische overwegingen werd rond 1322 het oude Delden verplaatst naar het Nije Delden (rondom de kerk), de locatie van het huidige Delden. In 1325 werd door bisschop Frederik II van Sierck aan Delden stadsrechten verleend.6? 63 Stenvert, Kolman en Olde Meierink, 1998, p. 83 43 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente Figuur 4.6 Het stadje werd omsloten door een cirkelvormige wal en gracht en had twee stadspoorten: in het westen de Goorsepoort en in het oosten de Woolderpoort (figuur 4.6). Delden kreeg veel te verduren tijdens Het Nederlandse Opstand (begin van de Tachtigjarige Oorlog). Het stadje werd in 1583 en 1584 ingenomen, geplunderd en in brand gestoken door de Spaanse en Staatse troepen. Midden zeventiende eeuw
(1655)werd het stadje getroffen door een stadsbrand die een groot deel van de bebouwing in de as legde. Meer dan 120 gebouwen waaronder het stadhuis, het gasthuis en een armenhuis vielen ten prooi aan de vlammen. De Oude Kerk is thans het enige gebouw dat deze brand overleefde. In de jaren 1771-1775 kreeg Delden een economische stimulans nadat in opdracht van Carel George de Twicklervaart werd gegraven, die het stadje met de rivier de Regge verbond. Nadat de spoorlijn Zutphen-Enschede was aangelegd en Delden in 1866 een station kreeg, begon het stadje zich te ontwikkelen als forensenplaats voor het nabij gelegen Hengelo. In 1886 werden boringen uitgevoerd naar drinkwater en stuitte men bij toeval op zoutlagen, de eerste ontdekking van zout in Nederlandse bodem. Toen tijdens de Eerste Wereldoorlog de zoutimport uit Duitsland stil kwam te liggen besloot men in 1918 om zelf zout te gaan winnen voor de Nederlandse markt. Dit leidde tot de vestiging van de zoutindustrie in het nabij gelegen Boekelo. Delden breidde zich in 1925 uit met een klein villapark dat ten oosten van de stadskern tot stand kwam. Buiten het villapark breidde Delden zich in het zuidwesten ook uit met een woningbouwwijk. Na de Tweede Wereldoorlog breidde Delden zich zuidelijk uit tot aan het in 1934 aangelegde Twenthekanaal. Delden op de kaart van Jacob van Deventer (circa 1560 AD). Het noorden is boven. 44 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente Figuur 4.7 Archeologische vondstlocaties Het stadscentrum van het huidige Delden is aangewezen als archeologisch monument, te weten een terrein van acheologische waarde (CMA-nr. 13968). Tijdens onderzoek in 1988 aan de Langestraat en Kerkstraat werd een knuppelpad van elzen- en berkenhout aangetroffen, dat kan worden gedateerd in de periode 1300-1380 (CAA-nr. 13835) en tevens een laatmiddeleeuwse schoen*. In 1989 werd door de toenmalige ROB in samenwerking met de AWN een deel van de oude laatmiddeleeuwse stadsgracht van Delden opgegraven, die gedempt is in 1864 (CAA-nr. 17999). Ook zijn (boor)onderzoeken uitgevoerd naar de gracht ter hoogte van Noordwal 24 en ter hoogte van Zuidwal 3.55 Diepenheim Diepenheim ontstond in de heerlijkheid Diepenheim. De omgrachte nederzetting had in 1422 reeds stadsrechten.°® De kapel van het Huis Diepenheim werd in 1224 verheven tot parochiekerk waardoor de scheiding met de parochie Markelo, waartoe Diepenheim voordien had behoord, een feit werd. De kerk werd ingewijd aan de H. Johannes de Evangelist. De industriële revolutie, die er mede voor zorgde dat steden als Enschede en Oldenzaal steeds groter groeiden, ging aan Diepenheim voorbij waardoor het voor wat betreft het aantal inwoners de kleinste stad van Twente is gebleven. Tot ver in de twintigste eeuw was de agrarische sector de belangrijkste bron van inkomsten. Diepenheim op de Hottingerkaart
(1783). NB: de kaart is oost-georiënteerd; het noorden ís links! + Mededeling dhr. D. Lohuis 55 Mededeling dhr. D. Lohuis ©® stenvert, Kolman en Olde Meierink, 1998, p. 126 45 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente Archeologische vondstlocaties Het centrum van Diepenheim is een terrein van archeologische waarde (CMA-nr. 13974). In het westen ervan, op de locatie “kasteelbelt”, heeft zich een havezate bevonden (CAA-nr. 4899). Tijdens een opgraving in 1974 ter plaatse van de NH kerk zijn menselijke graven uit de nieuwe tijd en muurwerk uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd onderzocht (CAA-nr. 4906). Aan de noordelijke rand van het centrum is in 1983 keramiek uit de tweede helft van de late middeleeuwen B en nieuwe tijd gevonden (CAA-nr. 13631). Ook is in het stadscentrum een benen glis uit de late middeleeuwen gevonden (identieke CAA-nrs. 4907 en 4908). Deze had een lengte van 23 centimeter en was gemaakt uit het middenhandsbeen van een paard. Goor Goor ontstond op de plaats langs de belangrijke weg van Deventer naar Duitsland bij een voorde door de Regge. Nabij deze plaats verrees ook de parochiekerk. De oudste kern van Goor bestond uit een omgrachte lintbebouwing langs de Kerkstraat. Aan het eind van de dertiende eeuw ontstond er een tweede kern, 't Schild genaamd. Deze kern lag circa vijfhonderd meter naar het noorden, voor de poort van de mogelijke twaalfde-eeuwse burcht Goor.°7 Door een planmatige ophoging ontstond er een ovaal plateau dat wel een gracht, maar geen muur kende. In 1263 kreeg Goor stadsrechten van bisschop Hendrik | van Vianden van Utrecht, de territoriale heerser over het Oversticht (Overijssel). Goor werd verscheidene malen ingenomen. Voor het eerst in 1498 door de Heer van Wisch. Voor het laatst in 1597 toen prins Maurits de staatse overste IJsselstein wist te ontzetten, die het stadje in 1581 had veroverd en daarbij veel schade aan gebouwen had toegebracht. Nadien werden de versterkingen geslecht en ontstond een open stadje. In het midden van de negentiende eeuw bestond Goor uit 208 huizen die werden bewoond door 1600 inwoners, die hun bestaan hoofdzakelijk vonden in de daar aanwezige calicotsfabrieken en linnen- en pellenweverijen.°? De aanwezigheid van een haven aan de rivier de Regge zorgde daarbij voor de aan- en afvoer van grondstoffen. De textielindustrie, die vrijwel geheel in handen was van de familie Jannink, zou tot na de Tweede Wereldoorlog bepalend zijn voor Goor. Ook andere zaken, zoals de aanleg van de spoorlijn Zutphen-Enschede, de spoorlijn Hellendoorn-Neede en ook, zij het in mindere mate, het graven van het Twenthekanaal, droegen bij aan de ontwikkeling van Goor. Tot het begin van de twintigste eeuw bleef Goor een klein stadje met een slingerende lintbebouwing en twee kernen (zie figuur 4.8). Vanaf die tijd breidde het stadje zich voornamelijk in noordelijke en zuidelijke richting uit. In de Tweede Wereldoorlog werd het centrum van Goor op 27 maart 1945 weggevaagd door geallieerde bommenwerpers die Duitse opslagplaatsen wilden vernietigen. Deze werden niet getroffen, maar wel 82 burgers werden slachtoffers. Eind jaren veertig van de vorige eeuw werd het centrum herbouwd, waarbij ruimte werd geschapen voor de doorgang van onder meer vrachtverkeer. °7 stenvert, Kolman en Olde Meierink, 1998, p. 151 68 Van der Aa, 1839-1851, p. 659 46 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente Figuur4.8 _ Goorop de kaart J van Jacob van Deventer (circa … Merdis. 1560 AD). Het e noorden ligt boven. Archeologische vondstlocaties Het oude stadscentrum van Goor is een terrein van archeologische waarde (CMA-nr. 13972). In het historische centrum hebben diverse archeologische onderzoeken plaatsgevonden. Zo is in 1983 een laat-middeleeuwse kloostermop gevonden aan de Hengevelderstraat (CAA-nr. 13650). In datzelfde jaar 1983 vond een opgraving plaats op de locatie van de laatmiddeleeuwse stadsgracht. In de ophogingslagen in de gracht werden kogelpotaardewerk, protosteengoed en overig aardewerk uit de 14° tot 19° eeuw gevonden (CAA-nr. 13713). Tijdens een opgraving aan de Grotestraat werden 17° eeuws aardewerk en de funderingsresten van een stadspoort opgegraven. Deze poort is vóór circa 1560 gebouwd (CAA-nr. 13787). Tijdens proefsleuvenonderzoek in 2008 (vondstmelding 409381) aan de Hengevelderstraat zijn resten gevonden uit de 14° en de 17° eeuw. Het betreft de resten van een gebouw, dat aan de hand van het in de sporen aangetroffen aardewerk tussen 1325 en 1400 gedateerd wordt. De resten uit de 17° eeuw bestaan uit een oven, een poer en een waterput. Van de oven is het echter niet geheel zeker dat deze uit de 17° eeuw dateert. Het vondstmateriaal bestaat uit steengoed uit Siegburg en Langerwehe, protosteengoed, wandtegels, kogelpotaardewerk en grijsbakkend aardewerk. Ook staat in ARCHIS de vondst van vier (fragmenten van) ruitersporen en twee lemmetten van een mes geregistreerd op de locatie “stadsgracht’”. De waarneming is ten zuidwesten van Goor geplaatst, maar omdat het een administratieve plaatsing betreft, zal de vondstlocatie gezien het toponiem “stadsgracht” eerder in het centrum van Goor gezocht moeten worden. De vondsten dateren uit de late middeleeuwen tot nieuwe tijd. 47 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente Markelo Oudtijds werd de nederzetting Marclo genoemd, dat volgens sommigen grensoord zou betekenen.°° Markelo duidt dan op een bos ('lo’) dat een afscheiding of grens (‘mark’) aangeeft. Op de Dingspelerberg bevond zich een belangrijke regionale dingplaats, waar volgens Saksisch gewoonrecht vanaf de vroege middeleeuwen (ongeveer 350 na Christus) tot zeker 1200 recht gesproken werd. Sinds de vijftiende eeuw maakt Markelo deel uit van het richterambt Kedingen. Archeologische vondstlocaties Het oude centrum van Markelo (zie ook Bijlage 5d) is geen AMK-terrein. In het noorden van Markelo heeft in 1999 archeologisch onderzoek plaatsgevonden, waarbij enkele kuilen en twee spiekers met middeleeuws aardewerk werden gevonden (CAA-nr. 43959). Ook werden een palenrij en enkele greppels uit de vroege middeleeuwen D tot late middeleeuwen A aangetroffen (CAA-nr. 43946). Iets ten westen daarvan is in 2003/2004 archeologisch onderzoek uitgevoerd (CAA-nr. 55702) waarbij onder andere twee hutkommen, vijf huisplattegronden (waaronder viermaal van het type Gasselte), een greppel, een fragment van een Pingsdorf tuitpot, veel kogelpotaardewerk, drie waterputten, zeven spiekers en meerdere fragmenten proto-steengoed werden gevonden. Deze vondsten stammen uit de vroege middeleeuwen C of D tot de late middeleeuwen. Voor Markelo mag dus tenminste een middeleeuwse ouderdom en dus een lange bewoningsgeschiedenis verondersteld worden. 4.7.3 Landweren Binnen de gemeente bevinden zich op enkele plaatsen de resten van landweren (zie ook Fig. 4.7), die hieronder besproken zullen worden: Op het landgoed Twickel, ten noordoosten van Delden, bevindt zich een zandwal met een breedte van 5 meter en een hoogte van 0,7 meter. Hij is gelegen tussen twee smalle, steilwandige slootjes van circa 2 meter breed. Het is een fraaie, kaarsrechte wal die vroeger lag op de grens van twee marken. Het resterende stuk op landgoed Twickel is circa 800 meter lang. Hij stamt uit de late middeleeuwenB tot nieuwe tijd B. De zandwal is aangeduid als terrein van hoge archeologische waarde (AMK-nr. 13809; CAA-nr. 34007). Een tweede landweer is gelegen ten noorden van deze landweer en ligt parallel aan de (zuidzijde van de) Veldweg, op de grens met de gemeente Hengelo. Het zandlichaam heeft een breedte van circa 4 meter bij een hoogte van 0,7 meter. Ook deze wal wordt geflankeerd door twee greppels. De zandwal is eveneens aangeduid als terrein van hoge archeologische waarde (AMK-nr. 13810; CAA-nr. 38606). Een analyse van het AHN heeft geen aanwijzingen opgeleverd van nog onbekende landweren. In het Elsenerveld in het westen van de gemeente bevindt zich een groot beschermd terrein van zeer hoge archeologische waarde, waar zich onder andere meerdere grafheuvels bevinden (AMK-nr. 975). Hier bevinden zich ook de resten van een (mogelijke) driedubbele landweer uit de late middeleeuwen. Het noordoostelijke gedeelte valt net buiten het beschermde terrein. De hoogte van de landweer bedraagt circa 1 meter. Vanwege het feit dat flankerende greppels ontbreken, is het niet 69 Van der Aa, 1839-1851, p. 688 48 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente helemaal zeker dat het een landweer betreft. Er zijn op het terrein ook karrensporen uit (hoofdzakelijk) de latere middeleeuwen aanwezig. 4.7.4 Kastelen en havezaten In het buitengebied van de gemeente bevinden zich enkele kastelen en een groot aantal havezaten. Een havezate is een versterkt huis, hofstede, hof of hoeve. Oorspronkelijk was het een benaming voor een grote boerderij met land, later een speciale term voor landelijke huizen waarvan de bewoners speciale rechten genoten. Dit laatste meestal in verband met het lidmaatschap van de ridderschap. De verschillende kastelen en havezaten worden hierna beschreven. De gebruikte informatie is afkomstig uit Archis (waarnemingen, AMK terreinen en vondstmeldingen) en de publicatie door Gevers & Mensema over de havezaten in Twente.7% Kastelen en havezaten rond Delden Twickel Net ten noorden van Delden bevindt zich kasteel Twickel of Twickelo (Fig. 4.9). Het betreft een terrein met een hoge archeologische waarde (AMK-nr. 13800), tevens is in Archis een waarneming geregistreerd (CAA-nr. 2683). De geschiedenis van kasteel Twickel begint in 1347, het jaar waarin Herman van Twickelo het huis Eysink koopt, waarbij ook een watermolen behoort. Waarschijnlijk wordt in het begin van de zestiende eeuw een nieuw huis gebouwd dat in 1640 wordt uitgebreid met een vernieuwde zuidvleugel. Tussen de jaren 1650 en 1670 werd de aanleg van een Uvormig voorplein met poort, bouwhuizen, stallen en een moestuin gerealiseerd. In deze jaren komen ook de twee haaks op elkaar gerichte lanen tot stand: de Twickelerlaan en de Kooidijk. Omstreeks 1692 wordt het kasteel uitgebreid met de monumentale galerijvleugel, het trappenhuis en twee hoekpaviljoens. Tevens worden de lanen verlengd en het grondbezit uitgebreid. Tenslotte werd in de negentiende eeuw door de toenmalige bewoners eerst het park en later het huis gerenoveerd. De resten van de havezate bevinden zich op de achterplaats van het huidige kasteel. In augustus 1978 zijn deze resten opgegraven. 79 Gevers & Mensema 2004. 49 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente Figuur4.9 _ Kasteel Twickel rond 1905 Het goed Warmtink Ten westen van Delden bevindt zich de locatie van het goed Warmtink. Hoewel in ARCHIS gesproken wordt over een havezate, wordt het volgens Gevers & Mensema
(2004)niet tot de havezaten gerekend. Het betreft een terrein met een hoge archeologische waarde (CMA-nr. 15495), tevens zijn in Archis twee waarnemingen geregistreerd (CAA-nrs. 2682 en 21574). Warmtink, ook wel Wermerting genoemd, werd in 1430 voor het eerst genoemd. Het goed werd in de 19° eeuw afgebroken. Ter plaatse werd een nieuwe boerderij gebouwd. De resten van het oude gebouw liggen onder en rond deze hoeve. Ook zou nog een gracht aanwezig zijn. Op het terrein zijn fragmenten roodbakkend en grijsbakkend aardewerk gevonden, alsmede fragmenten kacheltegels. Havezate Hachmeule Ten noorden van het dorp Bentelo bevindt zich een terrein met de restanten van de havezate Hachmeule. Het betreft een terrein met een hoge archeologische waarde (CMA-nr. 13855), tevens zijn in Archis twee waarnemingen geregistreerd (CAA-nrs. 4652 en 29745). De havezate ontleent zijn naam aan de watermolen De Hagmolen die al in de 14° eeuw bestaan moet hebben. De eerste vermelding van het goed dateert uit omstreeks
- In 1585-1586 bestond het uit een erve zonder boer en werd het niet verpacht. In 1675 telde het nog vier vuursteden, maar zeven jaar later waren het er nog maar twee. In 1864 werd de erve vermaakt als ‘boerenplaats de Hagmolen'’. In het begin van de 19° eeuw, vóór 1820 is de havezate gesloopt. Tot in het midden van de 19° eeuw was de huisplaats nog herkenbaar in het landschap. Na 1866 (nadat de Hagmolen was afgebrand) werden de gronden opnieuw verkaveld en een gedeelte van de grachten werd gedempt. In augustus 1982 zijn een aantal proefputten haaks op de hoofdburcht gegraven, waarbij houten funderingspalen werden aangetroffen. Bovendien werd duidelijk dat vrijwel alle sporen van gebouwen door uitbraak waren verdwenen. Slechts een klein fragment van de stenen fundering was nog aanwezig. Wel werden een grote hoeveelheid aardewerk (veel grijsbakkend aardewerk en 50 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente Siegburgs steengoed'’, houten borden, een tinnen lepel en veel leer (waaronder een kinderschoentje) gevonden. Havezate Backenhagen De havezate Backenhagen is gelegen in de buurtschap Deldenerbroek. Het terrein heeft een hoge archeologische waarde (CMA-nr. 13799), tevens is in Archis een waarneming geregistreerd (CAA-nr. 2681). De havezate is genoemd naar Johan de Baecke en zijn vrouw Anna Hagen die bij de al bestaande boerderij Rotgerinck een edelmanshuis bouwden dat ze Backenhagen noemden. Een van de oudste vermeldingen van het erf “Rotgerinck” dateert uit
- De Baecke kreeg in 1611 het erf in bezit. In 1631 liet de familie een nieuw huis bouwen. In 1675 werd dit bij het betalen voor belasting voor zeven vuursteden aangeslagen. In 1732 werd het huis Baeckenhagen beschreven /getekend als een eenvoudig langwerpig huis, omgeven door een gracht en met een vaste brug. Waarschijnlijk is het in 1631 verrezen huis omstreeks 1730 aan beide kanten uitgebreid. Omstreeks 1826 werd het vervallen goed hersteld en legde men een tuin aan in Engelse stijl. In 1848 werd het oude huis afgebroken en er verrees een nieuw, meer oostelijk gelegen landhuis. De fundamenten van de oude havezate zijn nog in de ondergrond aanwezig. Havezate Dubbelink Ten zuiden van het buurtschap Azelo bevindt zich de havezate Dubbelink. Het terrein heeft een hoge archeologische waarde (CMA-nr. 13798), tevens is in Archis een waarneming geregistreerd (CAA-nr. 2680). Dubbelink werd in 1475 voor het eerst genoemd. In 1686 bestond het goed Dubbelink uit een huis, een bouwhuis en een stal. In 1696 werd het nogmaals geïnspecteerd en hoewel het werd aangeslagen voor vier vuursteden, moet het geheel onaanzienlijk zijn geweest en wellicht enigszins in verval. Omstreeks 1752 is het gesloopt. In het begin van de 20° eeuw waren de grachten van de havezate nog duidelijk zichtbaar, terwijl in 1974 er nog maar weinig van de grachtrestanten te zien was. Binnen de gracht bevond zich een puinconcentratie. Voor de rest zijn er geen vondsten gedaan. De huidige, nog aanwezige boerderij die in 1838 werd gebouwd staat buiten de gracht. Het goed Graes Ten zuidoosten van Azelo en vlak ten oosten van de havezate Dubbelink bevond zich het huis Graes. Hoewel in ARCHIS gesproken wordt over een havezate, wordt het volgens Gevers & Mensema
(2004)niet tot de havezaten gerekend. Van dit verdwenen goed zijn alleen nog het restant van de gracht en enkele grondsporen bewaard gebleven (CAA-nr. 2679). Kastelen en havezaten rond Diepenheim Het eerste Huis te Diepenheim Ten zuidoosten van Diepenheim, ter hoogte van het erf De Horre of Horde, heeft zich volgens overleveringen een kasteel bevonden (“het eerste huis te Diepenheim”, CAAnr. 4904). Dit kasteel zou de voorganger zijn van een kasteel dat gelegen was bij de molen Den Haller ten zuidoosten van Diepenheim (CAA-nr. 4903) en dat ook wel “het tweede huis te Diepenheim” wordt genoemd. Dit kasteel zou verwoest zijn in
- Daarna zou in 1181 de havezate Diepenheim (ook wel genoemd Huize Diepenheim) zijn gesticht ten westen van het huidige Diepenheim, ter plaatse van de “Kasteelbelt” (zie havezate Diepenheim). Ter plaatse van het erf De Horde was in 1969 nog een 51 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente niet-watervoerende grachtachtige depressie zichtbaar.7! Andere verschijnselen die kunnen wijzen op een kasteelterrein werden toen niet waargenomen.’? Ter plaatse van “het tweede huis te Diepenheim” zijn bij een inspectie aan het oppervlak geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een kasteelterrein. In 2000 heeft BAAC op het terrein ‘De Horde’ een booronderzoek uitgevoerd (onderzoeksmelding 11093).7° Dit booronderzoek heeft geen aanwijzingen voor een locatie van een mogelijk kasteelterrein opgeleverd (vondstmelding 403554 en CAA-nr. 45677). Het booronderzoek heeft wel aangetoond dat er op het terrein een rechthoekig slotenpatroon/grachtenstelsel aanwezig is. Dit patroon komt overeen met het patroon dat op kadastrale kaarten uit 1832 en 1842 is aangegeven. Op grond van mededelingen van kastelendeskundige Janssen zou het slootpatroon met de vastgestelde slootbreedtes eerder bij een hoeve passen. De gemiddelde slootbreedte is namelijk te smal voor een verdedigbare gracht, die toch een minimale breedte van 7 meter zou moeten hebben. De 16°-17e eeuwse datering van de boerderij aan de Esweg op basis van bouwhistorisch onderzoek* en de vermoedelijke 17° eeuwse datering van het begin van de huidige Molenbeek (leverancier van water voor sloten/grachten) versterken de veronderstelling dat het slootpatroon mogelijk tot een hoeve behoort en niet tot een kasteel. Op het terrein zelf werd vondstmateriaal aangetroffen in de vorm van protosteengoed, steengoed, grijsbakkend aardewerk, roodbakkend aardewerk, baksteen en houtskool. Havezate Diepenheim De havezate Diepenheim bevindt zich net ten westen van Diepenheim. Het betreft een terrein met een hoge archeologische waarde (CMA-nr. 2545), tevens is in Archis een waarneming geregistreerd (CAA-nr. 4834). Het huis ligt op de locatie van de in 1177 gestichte burcht Diepenheim, die van 1331 tot de sloop omstreeks 1545 een bisschoppelijke grensversterking was.7° De fundamenten van dit kasteel zijn geconserveerd onder het huidige landhuis dat in 1648 in opdracht van het echtpaar Bentinck-Van Bloemendael in classicistische stijl werd gebouwd (figuur 4.10). Vermoedelijk werden in het laatste kwart van de zeventiende eeuw twee lage zijvleugels aangebouwd. In de voorgevel is het opschrift ‘in ’t jaer 1707 verandert’ te lezen, waarmee waarschijnlijk wordt bedoeld dat de oorspronkelijke buitentrap naar de huidige plaats in de hal werd verplaatst. Het huis werd in 1868 en 1886 gemoderniseerd waarbij onder meer een lichtkoepel werd aangebracht. In 1905 werd het huis nogmaals verbouwd, waarbij rechtsachter een aanbouw met traptorentje verrees. Vervolgens werd in 1925-1927 aan de achterzijde een verdieping opgetrokken met een zaal en bibliotheek. Een brug en een uit 1685 daterend poortgebouw, dat grotendeels uit zandsteen bestaat, vormt de toegang tot het voorplein welke wordt geflankeerd door twee bouwhuizen, waarschijnlijk daterend uit het laatste kwart van de zeventiende eeuw. 7* Mondelinge mededeling A.D. Verlinde zoals vermeld in Schorn
- 72 Volgens J. van der Veen, een lokale bewoner, zouden rond 1880 nog muurresten en resten van grote grachten op het terrein ‘De Horde” zichtbaar zijn geweest. Er zou een grote gracht om de weide “Possenhoek” zijn gedicht en bij graafwerkzaamheden zouden ijzeren kogels zijn gevonden. Een oudeigenaar van het terrein zou in diens jeugd hebben meegeholpen om een greppe! cq gracht met zand te dempen (Schom 2001). 79 Schorn
- 7* Emmens & Masselink
- 75 Stenvert, Kolman en Olde Meierink, 1998, p. 127 52 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente Figuur 4.10 Huis Diepenheim rond 1905 Achter het huidige huis ligt een kasteelbelt waaronder zich nog de oude middeleeuwse fundamenten van de havezate bevinden, zoals bleek uit onderzoek door Renaud in
- Op terrein Kasteelbelt zijn toen laatmiddeleeuws aardewerk, kloostermoppen en puin aangetroffen (CAA-nr. 4899). Huize „Diepenheim”, Havezate Westerflier Ten zuidwesten van Diepenheim, aan de Schipbeek, bevindt zich de havezate Westerflier. Het betreft een terrein met een hoge archeologische waarde (CMA-nr. 2549), tevens zijn in Archis een waarneming (CAA-nr. 4909) en vondstmelding (vondstmelding 407040) geregistreerd. De havezate Westerflier is gebouwd rond 1570 op de plaats waar voordien ‘noch ein unlandt’ (een woeste plek) was. Rond 1626 vond een verbouwing van het huis plaats. In 1675 telde het huis vier vuursteden en zever jaar later slechts twee (een gedeelte van het huis werd onbewoonbaar). Tussen 1721 en 1729 liet men het oude huis Westerflier afbreken en in 1729 werd het huidige huis met de bouwhuizen gebouwd (figuur 4.11). Het grootste gedeelte van de gracht van de oude havezate is nog aanwezig, evenals een koetshuis. Vermoedelijk zijn er op of onder de locatie van het huidige gebouw uit 1729 nog resten van de havezate uit 1570 te vinden. Tijdens een archeologische begeleiding op het terrein werden diverse vondsten uit voornamelijk de nieuwe tijd gedaan, bestaande uit geglazuurd aardewerk, fragmenten baksteen, een spinklosje, stukken glas, runderbot en vloertegelfragmenten. 53 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente Figuur 4.11 Havezate Havezate Iets ten zuiden Westerflier Warmelo van rond Diepenheim 1910 ligt de havezate Warmelo. Het betreft een terrein met een hoge archeologische waarde (CMA-nr. 13850), tevens is in Archis een waarneming geregistreerd (CAA-nr. 4902). De oudste vermelding van Warmelo stamt uit
- Het tegenwoordige herenhuis bestaat uit een rechthoekig gebouw uit de eerste helft van de 17° eeuw, waartegen omstreeks 1875 een smallere aanbouw is opgetrokken waarin fragmenten van ouder muurwerk zijn opgenomen. In de gracht van de havezate is een complete spreeuwenpot van roodbakkend aardewerk gevonden. Havezate Pekkedam Net ten oosten van Diepenheim, gelegen tussen Nijenhuis en het stadje Diepenheim, bevond zich de havezate Pekkedam. Het betreft een terrein met een hoge archeologische waarde (CMA-nr. 13849), tevens is in Archis een waarneming geregistreerd (CAA-nr. 4905). Van Huis Peckedam is niet veel meer bekend dan dat het reeds in de twaalfde eeuw werd genoemd in een document. De oudste vermelding van de erve stamt uit
- Omstreeks 1555 ‘werd den Peckedam getimmert’. In 1675 en 1682 werd het aangeslagen voor vier vuursteden en behoorde het dus tot de kleinere huizen. Omstreeks 1826 werd het huis gesloopt, nadat in 1815 de allee van het Nijenhuis over de huisplaats van Pekkedam was doorgetrokken. In 1969 waren er nog delen van een 8 meter brede gracht aanwezig. Bij het weer uitgraven van de grachten in april 1999 zijn 17° eeuwse scherven, bouwpunten en restanten van een vleilaag aangetroffen. Havezate Nijenhuis De havezate Nijenhuis is gelegen ten oosten van Diepenheim. Het betreft een terrein met een hoge archeologische waarde (CMA-nr. 13847), tevens is in Archis een waarneming geregistreerd (CAA-nr. 4835). De oudste vermelding van het goed dateert uit
- Omstreeks 1491 werd op de plaats van het boerenerf een edelmanswoning 54 BAAC bv Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart Gemeente Hof van Twente gebouwd. In 1603 bestond het Nijenhuis uit een omgracht ’principael’ huis, een poortgebouw en een bouwhuis. Het thans bestaande huis dateert uit
- Kastelen en havezaten rond Goor Bisschoppelijk kasteel In Goor bevinden zich in de ondergrond de restanten van een bisschoppelijk kasteel. Het betreft een terrein van hoge archeologische waarde (CMA-nr. 13764), hierbij horen ook de (vrijwel identieke) waarnemingen 4826 en
- Deze locatie wordt ook wel “De Borg” genoemd. Dit kasteel werd gesticht in circa de 12° eeuw. Het werd weer verlaten in de 15° eeuw. In 1969 waren de grachten van het kasteel nog net zichtbaar. Rond 1880 werd er reeds materiaal verzameld van dit terrein. In 1964 heeft er tevens een opgraving plaatsgevonden. In een bouwput achter het pand aan de Molenstraat 2 trof men Siegburgaardewerk aan in de zuidelijke gracht van het kasteelterrein. Men stelde bovendien t