← Nederland

Vaststelling Uitvoerings- en handhavingsstrategie Drenthe 2023-2027 (Drenthe)

Kort samengevat

Dit is een strategie voor hoe de provincie Drenthe en de Drentse gemeenten de taken van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) zullen uitvoeren via de Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe (RUD Drenthe) voor de jaren 2023-2027. Het doel is om uniform en efficiënt te werken en een gelijk speelveld te creëren voor burgers en bedrijven.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Vaststelling Uitvoerings- en handhavingsstrategie Drenthe 2023-2027Gedeputeerde Staten van Drenthe; gelet op artikel 13.5, leden 1 en 2 van het Omgevingsbesluit; overwegende dat: het noodzakelijk is dat Gedeputeerde Staten een handhavingsstrategie vaststellen in het kader van de Omgevingswet; we er in Drenthe voor hebben gekozen om met de provincie en alle Drentse gemeenten één uniforme uitvoerings- en handhavingsstrategie (U&H-strategie) te maken voor de Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe (RUDD); door het vaststellen van één uniform strategisch kader voor de uitvoering van de aan de RUDD opgedragen taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH-taken) efficiënter kan worden gewerkt. Hierdoor ontstaat voor alle burgers en bedrijven in de provincie een gelijk speelveld; dat de uniforme U&H-strategie Drenthe 2023-2027 voldoet aan de eisen gesteld in de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit; BESLUITEN: de Uitvoerings- en Handhavingsstrategie Drenthe 2023-2027 vast te stellen en te bepalen dat: bij strijdigheid tussen de Uitvoerings- en Handhavingsstrategie en Goed Geregeld!, de eerstgenoemde voorgaat, en dat overal waar in de Uitvoerings- en Handhavingsstrategie ‘LHS’ staat ‘LHSO’ moet worden gelezen. U&H-Strategie Drenthe De Uitvoering & Handhavingstrategie voor de uitvoeringstaken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving die de gemeenten en de provincie Drenthe hebben overgedragen aan de RUD Drenthe voor de jaren 2023-

  1. SAMENVATTING Het opstellen van deze U&H-strategie Drenthe komt voort vanuit een wettelijke verplichting. Met de komst van de omgevingsdiensten is het van belang dat deze diensten kunnen werken volgens uniform beleid binnen het werkgebied. Dit bevordert de effectiviteit van de omgevingsdiensten. Door het vaststellen van deze U&H-strategie leggen we de uitvoering van de werkzaamheden van de RUD-Drenthe vast in beleid. Hanteren alle deelnemers dezelfde uitgangspunten en doelstellingen en formaliseren ook het risicogericht toezicht als werkwijze bij de gemeentelijke bedrijven. Daarnaast is duidelijk in één beleidsdocument vastgelegd dat alle deelnemers de Landelijke Handhavingstrategie hanteren om te sanctioneren bij overtredingen van wet- en regelgeving. Verder is kort de beleidscyclus (Big-Eight) beschreven en de positie die de U&H-strategie heeft binnen deze cyclus. Ook de samenhang met andere verplichte beleidsdocumenten zoals het jaarplan en jaarverslag zijn benoemd. Parallel aan de totstandkoming van deze U&H-strategie lopen veel andere trajecten die zijn voortgekomen uit de evaluatie van de gemeenschappelijke regeling RUD Drenthe. Een voorbeeld hiervan is de herziening van de Drentse Maat. Verder is de Omgevingswet op komst die een heel andere manier van werken vraagt. Daarom is op dit moment ervoor gekozen om de huidige werkwijze weer te geven en niet alle lopende zaken en ontwikkelingen in dit document mee te nemen. De speerpunten voor de komende jaren zijn: het versterken van het risicogestuurd werken; het doorontwikkelen van het informatiegestuurd werken; versterken van het ketentoezicht; stimuleren van de eigen verantwoordelijkheid; en het aanpakken van ondermijning. Voor de diverse taken vanuit uitvoering en handhaving zijn doelstellingen geformuleerd die we de komende jaren willen bereiken. Deze zijn ook vertaald naar indicatoren zodat we kunnen meten in hoeverre de doelstellingen bereikt zijn of eventueel bijstelling nodig is. 1Inleiding Voor u ligt de eerste uitvoerings- en handhavingsstrategie (hierna: U&H-strategie) van alle Drentse gemeenten en de provincie Drenthe. Deze U&H-strategie gaat over de uitvoeringstaken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) die gemeenten en Provincie verplicht en facultatief hebben overgedragen aan de omgevingsdienst Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe (RUD Drenthe). 1.1 Aanleiding en achtergrond Door de inwerkingtreding van het besluit VTH (hoofdstuk 7 Besluit omgevingsrecht, Bor 1 juli 2017) rust er op de bevoegde gezagen een wettelijke verplichting om een uniforme U&H-strategie vast te stellen. Deze bepaling wordt vervangen en komt bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet terug in het artikel 13.5, lid 2 van het Omgevingsbesluit. Artikel 13.5, lid 2 en houdt in: ‘De bestuursorganen die deelnemen in een omgevingsdienst stellen gezamenlijk een uniforme uitvoerings- en handhavingsstrategie vast voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 13.12, eerste lid. ‘Artikel 13.12, lid 1 beschrijft de basistaken1). 1) De basistaken zijn de milieutaken van gemeenten met een bovenlokale dimensie die op regionaal niveau uitgevoerd moeten worden, taken die zeer complex zijn en provinciale milieutaken. Drentse gemeenten en provincie Drenthe moeten dus voor het werkgebied van de RUD Drenthe overeenstemming bereiken op het vlak van uitvoering en handhaving (en het daaruit voortvloeiende uitvoeringsprogramma). Drentse gemeenten en provincie Drenthe hebben naast de verplichte basistaken ook andere uitvoeringstaken op het gebied van milieu ondergebracht bij de RUD Drenthe. Het betreft hier het werkveld bodem en overige milieutaken (milieuadvisering). De U&H-strategie heeft betrekking op alle uitvoeringstaken die bij de RUD Drenthe zijn belegd. Een professionele kwaliteit van de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH), dat is wat de samenleving van de overheid mag verwachten. Binnen het VTH-stelsel blijven provincies en gemeenten verantwoordelijk voor de VTH-taken. Zij zijn de bevoegde gezagen. De RUD Drenthe is belast en verantwoordelijk voor de uitvoering. 1.2 Totstandkoming, positionering en status U&H-strategie Deze U&H-strategie is tot stand gekomen met inbreng van de twaalf Drentse gemeenten, de provincie Drenthe en de RUD Drenthe. Vóórdat colleges en GS instemmen met de U&H-strategie, is deze U&H-strategie ter consultatie voorgelegd aan het Openbaar Ministerie (OM). Deze U&H-strategie is opgesteld op hoofdlijnen. Het betreft een groeidocument dat wordt doorontwikkeld. We sluiten zoveel mogelijk aan bij lopende opgaven. Deze U&H-strategie geeft aan welke uniforme doelen Drentse gemeenten en provincie zichzelf stellen bij de uitvoering en handhaving en welke strategieën de RUD Drenthe gebruikt om de doelen te bereiken. De U&H-strategie is uniform voor de taken die uitgevoerd worden door de RUD Drenthe. Dit betekent dat de gemeenten en provincie eigen strategieën moeten vaststellen voor de taken die niet aan de omgevingsdienst zijn overgedragen. Het staat de gemeenten en provincie vrij om de uniforme strategieën ook van toepassing te verklaren op haar eigen taken. Het belangrijkste onderdeel van deze U&H-strategie is kwaliteit. De deelnemers en RUD Drenthe hebben met elkaar inhoud gegeven aan dit begrip en de belangrijkste elementen benoemd. 1.3 Scope en looptijd De scope van de U&H-strategie zijn de uitvoeringstaken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhavingstaken die de gemeenten en de provincie Drenthe verplicht en facultatief hebben overgedragen aan de RUD Drenthe voor de jaren 2023-
  2. De U&H-strategie heeft een doorlooptijd van vier jaar. Na twee jaar vindt een evaluatie plaats. De vergunningverlening, toezicht en handhavingstaken in het kader van het Besluit risico's zware ongevallen (BRZO) valt buiten de scope van deze U&H-strategie. Voor de VTH-taken van BRZO-bedrijven zijn zes gespecialiseerde omgevingsdiensten aangewezen. Dit is wettelijk bepaald. De omgevingsdienst Groningen (ODG) voert namens de provincie Drenthe de VTH-taken uit bij bedrijven die vallen onder BRZO en/of RIE-
  3. Dit zijn de meest risicovolle bedrijven waarvoor uitsluitend de provincie bevoegd gezag is. 2Wettelijk kader en speerpunten In het omgevingsrecht worden regels gesteld waar het bevoegd gezag zich aan moet houden bij het uitvoeren van de VTH-taken. De eisen aan de inrichting van processen zijn wettelijk vastgelegd. Dit wettelijk kader wordt in de volgende paragraaf beschreven, gevolgd door de uitgangspunten. 2.1 Wettelijk kader De Omgevingswet vraagt van de overheid een integrale benadering van vergunningverlening, toezicht en handhaving binnen de fysieke leefomgeving. Hiermee bewerkstelligen we een gelijk speelveld. Het transparant formuleren en uitvoeren van een uitvoerings- en handhavingsstrategie is daarbij een belangrijke opgave. Landelijk zijn hiervoor kwaliteitscriteria ontwikkeld voor vergunningverlening, toezicht en handhaving. Met deze kwaliteitscriteria wordt de kwaliteit van de processen, de uitvoeringsorganisaties (gemeenten, provincies, omgevingsdiensten) en haar medewerkers geborgd. Zowel in de huidige als in de nieuwe situatie (na inwerkingtreding van de Omgevingswet) zijn de zogenaamde procescriteria leidend voor de U&H-strategie. De procescriteria beschrijven de eisen die gesteld worden aan de sluitende beleidscyclus. Deze beleidscyclus staat bekend als de ‘BIG EIGHT’-cyclus. Aan de hand van de ‘BIG 8’ zijn de volgende zeven stappen in het beleidsproces te onderscheiden: Figuur 1: beleidscyclus De U&H-strategie is onderdeel van de ‘BIG 8’-beleidscyclus. Voorliggende U&H-strategie heeft betrekking op de bovenste cirkel en is richtinggevend voor de operationele cyclus (onderste cirkel). De wettelijke criteria hebben betrekking op sec de uitvoering van de VTH-taken. Elke gemeente en provincie is verplicht om een of meerdere documenten vast te stellen waarin gemotiveerd aangegeven wordt aangegeven welke doelen de omgevingsdienst moet behalen bij de uitvoering en handhaving en welke activiteiten door de omgevingsdienst daartoe uitgevoerd dienen te worden. In Drenthe hebben wij ervoor gekozen om drie documenten op te stellen: U&H-strategie: hierin zijn de doelstellingen (wat we willen bereiken?) opgenomen en in de bijlagen zijn de strategieën uitgewerkt (hoe we dit willen bereiken?). Deze strategieën bestaat uit een aantal componenten: preventie, vergunningverlening, toezicht, sanctioneren en gedogen. Zij vormen de uitwerking op hoofdlijnen van de werkwijze en intensiteit van de werkzaamheden door de RUD Drenthe; uitvoeringsprogramma: Jaarlijks vindt een uitwerking van deze U&H–strategie in een uitvoeringsprogramma plaats. In dit programma wordt benoemd welke VTH-instrumenten de RUD Drenthe concreet gaat inzetten en wat de formatieve en financiële gevolgen zijn. Eventuele aanscherping van ambities kan ook in dit uitvoeringsprogramma plaatsvinden; jaarverslag: in het jaarverslag van de RUD Drenthe wordt jaarlijks verantwoording over de realisatie van de activiteiten afgelegd. Elke Drentse gemeente en de provincie Drenthe heeft een verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht vastgesteld. Deze verordening geeft uitvoering aan de wettelijke opdracht om regels te stellen aan de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van het omgevingsrecht. Deze regels gelden ook voor de taken die de RUD Drenthe uitvoert. Dit betekent dat het minimum kwaliteitsniveau van de overgedragen taken is vastgesteld. Alle bevoegde gezagen hebben daarmee de verplichting om te voldoen aan de kwaliteitscriteria 2.2 (en haar rechtsopvolgers). Tevens is in de verordening een verplichting opgenomen om doelen uit te werken op de volgende onderwerpen: uitvoeringskwaliteit, dienstverlening en financiën. Nadere uitwerking van deze doelen is terug te vinden in hoofdstuk
  4. 2.1.1 Ontwikkelingen Diverse ontwikkelingen hebben gevolgen voor de VTH-taken. Denk daarbij aan de wet VTH, de inwerkingtreding van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen en de inwerkingtreding van de Omgevingswet samen met de grote wijzigingen in de bodem-, geluid- en luchtwetgeving. Verder is er een toenemende aandacht voor nieuwe milieuthema's zoals de stikstofproblematiek, Zeer Zorgwekkende Stoffen, klimaatadaptatie, energietransitie en circulaire economie. 2.1.2 Relatie met andere onderwerpen Omgevingswet Op basis van de huidige wetgeving is ieder bevoegd gezag verplicht een beleidskader op te stellen op het gebied van milieu. Onder de Omgevingswet is de omgevingsvisie het beleidskader op het gebied van milieu. De Omgevingswet schrijft voor dat iedere gemeente een omgevingsvisie vaststelt. De omgevingsvisie komt in de plaats van structuurvisies, verkeers- en vervoersplannen, delen van de natuurvisie en milieubeleidsplannen. Gemeenten krijgen een overgangstermijn geboden voor het vaststellen van een omgevingsvisie. In de Invoeringswet is bepaald dat de huidige hoofdelementen van het gemeentelijk beleid tot die tijd van kracht blijven. Gedacht moet hierbij worden aan een milieubeleidsplan, een verkeers- en vervoersplan en de gemeentelijke structuurvisie. Het gemeentelijke milieubeleid blijft dus van kracht in de vorm van het nieuwe instrument omgevingsvisie al dan niet uitgewerkt in een programma milieu. De doelstellingen die hierin opgenomen staan kunnen per bevoegd gezag verschillen en breder zijn dan de doelstellingen in de U&H-strategie. De bevoegde gezagen dienen actief op zoek te gaan naar samenhang tussen doelen van verschillende (beleids)documenten. Evaluatie GR RUD Drenthe Herziening Drentse Maat (DM) Een van de uitkomsten van de evaluatie GR-RUD Drenthe is dat de kengetallen die voor de DM-producten gelden in twee stappen geactualiseerd worden. In een eerste stap, die inmiddels doorgevoerd is, worden de kengetallen aangepast aan de hand van een Benchmark waarin de kengetallen van de RUD Drenthe vergeleken zijn met die van andere Omgevingsdiensten. Hiermee worden meer realistische kengetallen gebruikt. In een tweede stap werkt de RUD Drenthe zaakgericht per februari 2023 en worden de kengetallen eind 2023 geëvalueerd. In het Uitvoeringsprogramma wordt de U&H-strategie uitgewerkt. In dit programma wordt de inzet van de VTH-instrumenten concreet weergegeven met daarbij de formatieve en financiële gevolgen. Om die gevolgen in beeld te brengen wordt gebruik gemaakt van de kengetallen behorende bij de VTH-instrumenten." 2.2 Speerpunten Deze paragraaf benoemt de speerpunten die gehanteerd worden bij de taakuitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving. We willen hiermee voorkomen dat het overtreden van regels de belangen van de overheid, burgers, natuur en milieu schaadt. 2.2.1 Risicogericht werken De omgevingsdienst richt zich bij het uitvoeren van de taken op de grootste risico's. Dit betekent dat de activiteiten met de grootste risico's bij niet naleving de meeste aandacht krijgen. Om die risico's te kunnen inschatten is een risicoanalyse uitgevoerd. Op basis van de risico's wordt bepaald hoe diepgaand de toetsing van meldingen en vergunningen dient plaats te vinden en welke vorm van toezicht hier het beste bij past. Deze benadering stelt ons in staat om onderbouwde adviezen te geven als er keuzes gemaakt moeten worden in het uitvoeringsniveau. In 2019 is Risico Gericht Toezicht Milieu (RGT) ontwikkeld, een belangrijk resultaat was de risicomatrix. Deze risicomatrix is maatgevend geweest voor het programmatisch milieutoezicht. De risicomatrix is in 2020 herzien, getoetst aan de RIE (Richtlijn Industriële Emissies) en geborgd in het jaarprogramma en de werkprocessen van de RUD Drenthe. Risicogericht toezicht voor de vakgebieden toezicht asbest en toezicht bodem is in ontwikkeling. Hierbij hanteren we dezelfde systematiek. In hoofdstuk 4 wordt dieper ingegaan op het uitvoeren van risicogericht toezicht. Naast RGT werken we ook samen aan het vormgeven van risicogericht vergunnen (RGV). In 2021 is gestart met het project Risicostrategie vergunningverlening met als doel om vergunningverlening uniform, transparant en effectief uit te voeren. Hierbij wordt invulling gegeven aan rolopvatting, regionale prioriteiten, diepgang afhandeling van vergunningen en meldingen, en actualiteit van vergunningen. Keuzes bij vergunningverlening worden gebaseerd op een risicobeoordeling op de impact van de leefomgeving. De uitkomsten van dit project worden in de loop van 2023 verwacht en uiteindelijk verwerkt in de vergunningenstrategie. Dit doet niet af aan de integrale toetsing aan wet- en regelgeving en kwaliteit van toetsing op de minder risicovolle vergunningaanvragen. Door te investeren in risicogericht werken wordt een betere informatiepositie opgebouwd. De beschikbare capaciteit en gelden worden optimaal benut, kortom we doen wat nodig is. 2.2.2 Informatiegestuurd werken Binnen de RUD Drenthe worden al enkele jaren stappen gezet in het informatiegestuurd werken. Informatiegestuurd werken is een continu proces waarmee op gerichte wijze ruwe data wordt verzameld, geregistreerd en geanalyseerd. De daaruit verkregen informatie en kennis wordt in besluitvormingsprocessen toegepast om de prestaties van de organisatie te verbeteren. Informatiegestuurd werken is nodig om bij te dragen aan het voorkomen en/of oplossen van (steeds complexer wordende) maatschappelijke vraagstukken op het gebied van veiligheid, volksgezondheid, leefbaarheid en duurzaamheid. Deze manier van werken helpt ook om de schaarse capaciteit van mensen en middelen zo efficiënt mogelijk in te zetten waar deze het meest nodig zijn of waar het risico voor de leefomgeving het grootst is. Verder ondersteunt deze werkwijze ook het uitvoeren van de VTH-taken onder de Omgevingswet. Naast de informatie uit databases blijft de expertise en kennis van medewerkers en externe bronnen noodzakelijk om tot de juiste inzichten en keuzes te komen. De komende jaren gaan we de informatievoorziening verder ontwikkelen om de juiste sturingsinformatie op inhoudelijk, financieel en procesmatig niveau te kunnen opleveren. 2.2.3 Ketentoezicht Inzicht en grip op ketens, zoals asbest-, grond-, meststromen en overige afvalstoffen is een van de redenen voor het oprichten van de omgevingsdiensten. Het uiteindelijke doel is om schadelijke effecten vanuit deze ketens op de leefomgeving te voorkomen en milieucriminaliteit in een vroegtijdig stadium te herkennen en op te treden. Om meer inzicht te krijgen in de ketens is het van belang om intensief samen te werken met handhavingspartners. Samen met het verder ontwikkelen van informatiegestuurd werken zorgt dit voor een goede informatiepositie om beter grip te krijgen in de keten en effectief op te treden. 2.2.4 Eigen verantwoordelijkheid Het nemen van verantwoordelijkheid kan schade aan milieu en overlast in de omgeving voorkomen. De komende jaren willen we dan ook de eigen verantwoordelijkheid van inwoners en bedrijven stimuleren. Dit doen we onder andere door het geven van goede en passende voorlichting (gedragsbeïnvloeding) en maatwerk toe te passen bij inzet van handhaving. Het stimuleren van het oppakken van de eigen verantwoordelijkheid is ook terug te vinden in de preventiestrategie. 2.2.5 Ondermijning We willen niet dat burgers of bedrijven een vergunning of toestemming gebruiken om activiteiten uit te voeren met geld dat is verdiend via misdrijven. Ook willen we niet dat een vergunning (mede) wordt gebruikt voor het plegen van misdrijven. We toetsen daarom de integriteit van aanvragers. Als hier onaanvaardbare risico’s uit komen maken we gebruik van onze bevoegdheden op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). We kunnen gerichte aanvullende voorschriften in de vergunning opnemen. Ook kunnen we een vergunning weigeren of intrekken. Natuurlijk doen we dat pas na een zorgvuldige en soms gezamenlijke afweging van het bevoegd gezag en de RUD Drenthe. We zetten de instrumenten van preventie, toezicht en sanctie actief in om ondermijnende activiteiten te voorkomen of te stoppen. Activiteiten die vallen onder ondermijnen gedogen we niet. We gaan ondermijning tegen door goed samen te werken (met onder meer het Openbaar Ministerie, andere overheden en ketenpartners) bij de uitvoering van de VTH-taken. We sturen op samenwerking, gezamenlijke prioriteiten en wisselen onderling informatie uit. 3Visie en doelen U&H Dit hoofdstuk geeft de visie op onze uitvoering. Op basis van de visie worden de doelen nader uitgewerkt. We baseren deze doelstellingen op de doelstelling van de Omgevingswet en de kwaliteitsdoelstellingen van de verordening (kwaliteit VTH). 3.1 Visie U&H-strategie De missie en visie van de RUD Drenthe die hieronder zijn geformuleerd, zijn leidend voor de U&H-strategie. Het uitgangpunt voor deze U&H-strategie is dat de missie het fundament onder de organisatie is. De visie beschrijft de manier waarop we handen en voeten geven aan deze missie. Missie De RUD Drenthe heeft de volgende missie geformuleerd: ‘De RUD Drenthe is de omgevingsdienst voor de inwoners en bedrijven van Drenthe. We hebben de milieukennis en kunde, zijn betrouwbaar, innovatie- en toekomstgericht. Samen met onze partners dragen we proactief en resultaatgericht bij aan een belangrijke taak: een schoon en veilig Drenthe. Nu én voor volgende generaties.’ Visie De gezamenlijke visie van gemeenten en provincie voor de uitvoering van de taken die zijn overgedragen aan de RUD Drenthe is als volgt: ‘De RUD Drenthe. Dé milieupartner die met trots en passie werkt aan een veilige, duurzame en gezonde leefomgeving.’ Deze visie sluit aan bij de algemene doelstelling van de Omgevingswet. 3.2 Algemene doelstelling U&H Het verlenen van vergunningen, het beoordelen van meldingen, het houden van toezicht op de naleving en het handhaven van regels speelt een belangrijke rol om de doelstelling van de Omgevingswet te kunnen bereiken. Deze doelstelling staat verwoord in artikel 1.3 van deze Omgevingswet. “Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, gericht op het in onderlinge samenhang: bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.” Om de doelstelling van de Omgevingswet te kunnen bereiken is het belangrijk om een duidelijk beeld te hebben van wat wij in het licht van deze U&H-strategie onder de vetgedrukte termen verstaan. 3.2.1 Begrippenkader U&H-strategie We hebben de termen van een definitie en doelstelling voorzien: Onder ‘veilige’ verstaan we een fysieke leefomgeving waarin risico’s als gevolg van milieuactiviteiten beperkt aanwezig zijn. De doelstelling van veiligheid is het voorkomen dan wel zoveel mogelijk beperken van de milieurisico’s. Daarbij valt te denken aan het gevaarsaspect wegnemen of verminderen bij handelingen met gevaarlijke stoffen, voorkomen van emissie naar bodem, lucht en water door voorzieningen te treffen of maatregelen te nemen. Onder 'gezonde' en 'goede omgevingskwaliteit' verstaan we een gezonde leefomgeving. Voor een gezonde leefomgeving is het nodig dat we onze milieutaken en bodemtaken op een adequaat uitvoeringsniveau te brengen en houden om te zorgen dat het naleefgedrag van regels over milieukwaliteit wordt geborgd. De doelstelling is om in Drenthe een gezonde leefomgeving te bereiken, dan wel te behouden, daarvoor is het nodig dat milieuschade en bodemverontreinigingen zoveel mogelijk wordt voorkomen en/of beperkt en waar nodig herstelt. Onder ‘duurzaamheid’ verstaan we toekomstbestendige gebruik en hergebruik van energie en grondstoffen. De doelstelling van duurzaamheid is het zoveel mogelijk inzetbaar houden en nuttig (her)gebruiken van stoffen met een constructieve bijdrage aan de energietransitie en verduurzaming. Onder 'natuur' verstaan we een samenhangend geheel van planten, dieren, levensgemeenschappen, bodem- en grondsoorten, water en klimaat. De doelstelling ten aanzien van natuur is het voorkomen van aantasting van natuur als gevolg van milieuactiviteiten. Hieronder valt onder meer aantasting van beschermde plant- en diersoorten, aantasting bodem(ecologie), lucht- en waterverontreiniging. Begrippenkader doelstellingen uit Verordening VTH Elk van de gemeenten en de provincie Drenthe heeft een Verordening kwaliteit VTH vastgesteld (onder de Omgevingswet: Verordening Uitvoering en Handhaving) en zijn daarmee verplicht om de doelstellingen ‘uitvoeringskwaliteit’, ‘dienstverlening’ en ‘financiën’ nader uit te werken. Wat verstaan we onder uitvoeringskwaliteit? De mate waarin een product voldoet aan de juridische en organisatorische doelen (zoals geformuleerd in de relevante wet- en regelgeving) en bijdraagt aan de omgevingsdoelen. M.a.w. de inhoudelijke en organisatorische kwaliteit. Doelstellingen Op organisatieniveau wordt voldaan aan de meest recent vastgestelde kwaliteitscriteria VTH (eisen aan opleiding, ervaring en beschikbare capaciteit van medewerkers). Het jaarlijks uitvoeren van een meting op het voldoen hieraan om de uitvoeringskwaliteit beter inzichtelijk en meer voorspelbaar te maken. De kwaliteit van vergunningen verbeteren (juridisch houd- en handhaafbaar). Het aantal bezwaar- en beroepszaken reduceren. Daarom voeren we een verplichte evaluatie uit bij alle verloren zaken. Wat verstaan we onder dienstverlening? De manier waarop (in communicatie, snelheid, service) de organisatie met belanghebbenden (aanvragers, omgeving, klagers etc.) omgaat. Doelstellingen Goede bereikbaarheid (100 %) bij milieu incidenten om zo spoedig mogelijk te anticiperen op calamiteiten of andere onvoorziene gebeurtenissen met negatieve gevolgen voor het milieu door 24-uurs piketdiensten te draaien. Optimaliseren van klachtenafhandeling door binnen vijf werkdagen een terugkoppeling te geven aan de indiener. Communicatie over vergunningprocedures voldoet aan de wettelijke eisen. Initiatiefnemer wordt bij een nieuw plan geïnformeerd over de vergunningprocedure. In de omgang met onze klanten zijn we respectvol, meedenkend en deskundig. Wat verstaan we onder financiën? De inzet van middelen in relatie tot de kwaliteit van de geleverde diensten/producten. Doelstelling Door toepassing van risicoanalyses wordt getracht financiële efficiëntie en effectiviteit te bewerkstelligen. De begroting dient dekkend te zijn voor de geplande inzet op risicobeheersing en beleidsdoelrealisatie. Er wordt periodiek geïnventariseerd of de begroting voldoet aan de beide elementen. Er wordt begroot op basis van output. Hieronder staan de doelstellingen per beleidsveld (uitvoering en handhaving) geformuleerd. Uitvoering Dit onderdeel ziet toe op het toepassen van de regels bij aanvragen en meldingen. Omgevingsvergunningsaanvragen en meldingen Deze taken zien op het beoordelen en beslissen op aanvragen omgevingsvergunningen, waaronder de milieubelastende activiteiten en het beoordelen van meldingen Doel 1 In 100% van de gevallen worden de vergunningaanvragen/beschikkingen binnen de wettelijke termijn behandeld en meldingen binnen overeenkomstig termijn van de dienstverleningsovereenkomst behandeld. Indicator Percentage buiten de termijn behandelde meldingen en vergunningen. Strategie Vergunningenstrategie Actualisering, wijziging en intrekking omgevingsvergunningen Deze taak ziet op het actueel houden van vergunningen als er bijvoorbeeld (technische) ontwikkelingen zijn die het milieu beter beschermen of de kwaliteit daarvan verbeteren. Verder regelt dit onderdeel de wijziging van voorschriften van vergunningen, het intrekken daarvan en de beoordeling wanneer een revisievergunning is vereist. Doel 2 Alle afgegeven omgevingsvergunningen zijn actueel. Indicatoren % actuele omgevingsvergunningen Strategie Vergunningenstrategie Handhaving Handhaving omvat alle activiteiten die erop zijn gericht regelnaleving te vergroten. Daaronder vallen naast toezicht en sancties (inclusief gedogen), het afhandelen van klachten voor zover die zien op naleving van regels. Toezicht Dit onderdeel gaat over het houden van toezicht op de naleving van alle milieuregelgeving die van toepassing is; de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer of overige wetgeving, de daarop gebaseerde uitvoeringsregelgeving en beschikkingen. Bijvoorbeeld beschikkingen die zien op maatwerk of gelijkwaardigheid. Toezicht op algemene regels verschilt in dat opzicht niet wezenlijk van toezicht op vergunningen. Doel 1 De branches in de hoogste risicocategorie vertonen in 2027 een verbeterd naleefgedrag ten opzichte van
  5. Indicator % van de controles bij bedrijven binnen de branche in het hoogste risicocategorie Strategie Toezichtstrategie Doel 2 Doorontwikkeling van het risicogericht toezicht naar in ieder geval bodem en asbest om te zorgen dat toezichthouders daarheen gaan waar het risico op niet-naleving het grootst is. Indicator Het aantal branches waarop risicogericht toezicht gerealiseerd/geïmplementeerd is. Strategie Toezichtstrategie Doel 3 Het minimaal driejaarlijks integraal controleren van de niet-provinciale en jaarlijks controleren van de provinciale IPPC/RIE-installaties. Hierbij moet het uitgangspunt zijn dat slechte nalevers vaker worden gecontroleerd dan goede nalevers. Indicator Aantallen uitgevoerde IPPC/RIE controles per jaar en de naleefscores Strategie Toezichtstrategie Doel 4 Voor 1 januari 2024 is onderzocht of gezondheidsaspecten onderdeel kunnen uitmaken van de bestaande risicomatrix. Indicator In december 2023 ligt er een advies. Strategie Toezichtstrategie Doel 5 Om onaanvaardbare risico’s als gevolg van bestaande bodemverontreiniging weg te nemen, te voorkomen of beheersen en nieuwe bodemverontreinigingen te voorkomen of zoveel als redelijkerwijs mogelijk weg te nemen. Het houden van toezicht bij: 100% van de Wbb bodemsaneringen en BUS-meldingen 50% van alle nazorglocaties en 50% van de Bbk meldingen Indicator Percentage van Wbb saneringen, alle nazorglocaties en de Bbk meldingen die gecontroleerd zijn. Strategie Toezichtstrategie Doel 6 Het naleefgedrag omtrent de bodem en grondverzet bevorderen door in het veld gebiedsgericht te controleren op niet gemelde/vergunde bodem en grondverzet activiteiten en het daarop in zetten van 25% van de beschikbare Drentse Maat uren voor bodemtoezicht. Indicator Percentage van de beschikbare uren ingezet op gebiedsgericht toezicht Strategie Toezichtstrategie Sancties Sanctioneren gaat over het optreden tegen een geconstateerde overtreding met bijvoorbeeld een last onder dwangsom, toepassen bestuursdwang en de bestuurlijke boete. Gedogen is het bewust afzien van sancties in geval van overtredingen. Bij deze taak gaat het onder andere om het opleggen en ten uitvoer brengen van bestuurlijke sancties ter handhaving van wet- en regelgeving. Doel De sanctionering wordt uitgevoerd conform de Landelijke Handhavingstrategie (LHS). De LHS is een wettelijk verplicht instrument waarbij getracht wordt om door een afgestemde, passende interventie een blijvende gedragsverandering bij de overtreder te realiseren. Hiermee wordt gezorgd voor een verhoogd veiligheidsgevoel in de samenleving. Indicator Percentage van het aantal keer dat het LHS is toegepast in relatie tot controles met overtredingen. Strategie LHS of gedoogstrategie (meer informatie over deze strategie is te vinden in hoofdstuk 5.3). 4Omgevingsanalyse De omgevingsanalyse bestaat uit een gebiedsanalyse van de provincie Drenthe, een definiëring van de probleemanalyse en een uitwerking van de gezamenlijke risicoanalyse voor toezicht op de milieutaken die bij de RUD Drenthe zijn belegd. 4.1 Gebiedsanalyse De U&H-strategie betreft het werkgebied van de RUD Drenthe (zie afbeelding hieronder). Het betreft de gemeenten Aa en Hunze, Assen, Borger-Odoorn, Coevorden, Emmen, Hoogeveen, Meppel, Midden-Drenthe, Noordenveld, Tynaarlo, Westerveld, De Wolden en de provincie Drenthe. Figuur 2: Overzicht van het werkgebied van de RUD Drenthe Drenthe is geweldig! Het prachtige landschap en de rijke geschiedenis wordt door veel mensen enorm gewaardeerd. In Drenthe is er nog rust, het Dwingelderveld is in 2020 niet voor niets verkozen tot het stilste gebied van Nederland. Naast rust zijn er in Drenthe ook een aantal bijzondere bedrijven te vinden zoals: Astron in Dwingeloo, Wildlands Adventure Zoo in Emmen en het TT-Circuit in Assen. Meer dan 95% van de het Drentse bedrijfsleven behoort tot het MKB. Binnen de overige bedrijven is agrarische sector het sterkst vertegenwoordigd, gevolgd door de recreatieve sector. Zware industrie bevindt zich op het Getec Park in Emmen. Hier hebben zich onder andere bedrijfstakken van DSM en Teijn Aramid gevestigd. De meeste bedrijven op het Getec Park vallen vanwege de (veiligheid)risico's onder het BRZO-toezicht. De VTH-taken zijn belegd bij de Omgevingsdienst Groningen. Dit is wettelijk vastgelegd. Niet alle bedrijven in Drenthe voeren milieubelastende activiteiten uit. Bedrijven die dit wel doen worden ook wel inrichtingen c.q. milieulocaties genoemd. In het zaaksysteem van de RUD Drenthe zijn 15.719 milieulocaties opgenomen. Van het totale aantal milieulocaties vallen er 42 onder provinciaal bevoegd gezag. 4.2 Probleem- en risicoanalyse Een goede U&H-strategie begint met het besef van de problemen die moeten worden opgelost. De milieurisico’s vormen de kern van de uitdaging waarvoor de RUD Drenthe staat. Dit inzicht is verkregen door het uitvoeren van een risicoanalyse. Het maken van deze analyse is een wettelijke verplichting. Voor de RUD Drenthe is dit inzicht een voorwaarde om goed te functioneren. De probleemanalyse in deze U&H-strategie bestaat voornamelijk uit een risicoanalyse voor milieu. De risicoanalyse voor bodemtoezicht en asbesttoezicht worden op een later moment toegevoegd aan de probleemanalyse. Indien we een aantal jaren data hebben gegenereerd dan kunnen we de probleemanalyse gedetailleerder uitwerken. Denk daarbij aan de ambities opgenomen in de omgevingsvisies van de gemeenten en provincie. Een gezamenlijke risicoanalyse is één van de pijlers voor de U&H-strategie. De risicoanalyse is uitgevoerd om inzicht te krijgen in activiteiten die risicovol zijn en daarmee te komen tot een goede selectie van de te controleren bedrijven op die activiteiten. Al deze bedrijven zijn, op basis van SBI-codering, ingedeeld in subbranches. Dit zijn veelal verzamelingen van meerdere subbranches die wat betreft activiteiten en (milieu)risico’s een overlap vertonen. Het risicogericht toezicht (hierna: RGT) is gericht op die bedrijven, waar de ingeschatte risico’s het hoogst zijn. De huidige risico inschatting is gebaseerd op subbranche-niveau, maar de wens is dat deze verder wordt uitgewerkt op bedrijfsniveau. Om te komen tot een risico-inschatting is een beoordelingsmodel opgesteld; de Drentse risicomatrix. Gemeenten in de provincie Drenthe, de provincie Drenthe en de RUD Drenthe hebben onder de vlag van het vastgestelde Ontwikkelprogramma 2019-2020 de Drentse risicomatrix gezamenlijk opgesteld en gevuld. 4.2.1 Achtergrond Vanaf 1 januari 2020 wordt er gewerkt op basis van een zogenaamde toezichtstrategie en is het kader van de Drentse Maat met een frequentiegericht toezicht komen te vervallen. Met deze nieuwe werkwijze wordt ook uitvoering gegeven aan de wettelijke eisen die gelden vanuit het Besluit omgevingsrecht (artikel 7.2). In 2020 is gestart met de verdere doorontwikkeling van het RGT. De risicomatrix is verfijnd en verbeterd. Op 15 december 2020 hebben de accounthouders gekozen om de Drentse risicomatrix Drenthebreed te hanteren. De risicomatrix heeft met het vaststellen van deze U&H-strategie een formele status. Het RGT is gericht op de vergunningplichtige en meldingsplichtige bedrijven (met uitzondering van de RIE/IPPC-2-bedrijven en alle bedrijven die vallen onder het bevoegd gezag van de provincie Drenthe)2) 2) IPPC-installaties zijn grote industriële bedrijven die vallen onder de Richtlijn industriële emissies (2010/75/EU). IPPC staat voor Integrated Pollution Prevention and Control (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging. De controles bij RIE/IPPC-bedrijven, als mede de bedrijven die vallen onder het bevoegd gezag van de provincie Drenthe worden integraal gecontroleerd. Dit gebeurt op een dusdanige wijze dat alle aspecten die binnen een bedrijf die valt onder het bevoegd gezag van de provincie Drenthe binnen vijf jaar zijn beoordeeld op naleving. Met het RGT is de RUD Drenthe beter in staat om op een effectieve en objectieve wijze uitvoering te geven aan de gemeenschappelijke doelstelling van de deelnemers en de RUD Drenthe: een schoon en veilig Drenthe. In het opleverdocument RGT (versie 1.0) is de aanpak en uitvoering van het risicogerichte toezicht verder uitgewerkt en de doorontwikkeling beschreven die de RUD Drenthe de komende jaren voor ogen heeft op dit gebied. Dit opleverdocument is terug te vinden in bijlage
  6. Er zijn in het opleverdocument een aantal uitgangspunten en aanbevelingen opgenomen, waar afgelopen jaren gedeeltelijk al invulling aan is gegeven. 4.3.2 De systematiek van de matrix Om risico's in te schatten is inzicht in kansen en mogelijke nadelige effecten bij niet naleving nodig. Als uitgangspunt voor deze matrix is het model gekozen dat beschikbaar wordt gesteld door het centrum voor criminaliteitspreventie en veiligheid, het CCV. Voor elke subbranche is een inschatting gemaakt van de mate van negatieve effecten en de kans op het voorkomen van deze negatieve effecten op de beoordelingsaspecten Milieu, Ondermijning en Maatschappelijk/bestuurlijke impact. De nalevingskans betreft de naleving gebaseerd op een data-analyse via onze registraties in de applicatie Digitalechecklisten.nl (DC) en het zaaksysteem. Inzicht in de mate van naleving van de milieuregels binnen een subbranche is een belangrijk onderdeel binnen de risicobeoordeling. De methode en keuzes hierbij staan uitgelegd in de toelichting bij het model en zijn terug te vinden in het opleverdocument. 4.2.3 Priotering De risicomatrix (milieueffect, bestuurlijke impact, ondermijning en naleving) wordt gebruikt om prioriteiten te stellen en het toezichtprogramma op te stellen. Het eindrisico in elke subbranche is gekoppeld aan een prioriteitsklasse. De indicator Milieu is beoordeeld door medewerkers van de RUD Drenthe en de indicatoren Ondermijning en maatschappelijk/bestuurlijke impact zijn beoordeeld door de bevoegde zagen zelf, waardoor de einduitslagen per bevoegd gezag ook verschillend kunnen zijn. Op basis van de prioriteiten wordt 100% van de bedrijven bezocht of is er sprake van steekproefsgewijs toezicht. In onderstaande tabel is te zien bij welke prioriteit welk toezicht hoort en de diepgang van controle. Prioriteiten Mate van controle Frequentie Controleaspecten 1 & 2 gemeentelijke bedrijven 100% Milieuaspecten met risicoscore boven2,0 3 gemeentelijke bedrijven steeksproefgewijs Jaarlijks10% vd bedrijven Alle milieuaspecten matrix 4 gemeentelijke bedrijven steeksproefgewijs Jaarlijks7,5% vd bedrijven Alle milieuaspecten matrix 5 gemeentelijke bedrijven steeksproefgewijs Jaarlijks5% vd bedrijven Alle milieuaspecten matrix Gemeentelijke IPPC bedrijven integraal 1 x 3 jaar Alle aspecten Provincialebedrijven integraal Jaarlijks Alle aspecten in 5 jaar De data-analyse op de naleving wordt jaarlijks uitgevoerd, hierdoor zet de RUD Drenthe jaarlijks haar toezichtcapaciteit in daar waar nodig. 4.2.4 Doorontwikkeling De methodiek kan ook worden toegepast op andere milieubelastende activiteiten zoals bijvoorbeeld de bodem- en asbesttaken. De risicomatrix is in 2020 herzien en verbeterd, waarbij het beoordelingsaspect Milieu en de kans op de naleving voorop zijn gezet en het milieubelang een centrale plek heeft gekregen in de risico-inschatting voor het risicogerichte toezicht bij de gemeentes in Drenthe. Er is ook getoetst aan de wettelijke RIE/IPPC-controles. Dit is geborgd in het jaarprogramma en in de werkprocessen. Vanaf 2020 voert de RUD Drenthe jaarlijks bij circa 33% van de gemeentelijke RIE/IPPC-bedrijven inspecties uit. RGT voor de domeinen asbest- en bodemtoezicht is voorlopig buiten beschouwing gelaten. Voor de uitvoering van het risicogerichte toezicht in 2021 is een Drenthe brede risicomatrix gehanteerd in plaats van een matrix per bevoegd gezag. Dit zorgt voor meer uniformiteit in de prioriteitstelling. Bijkomend voordeel is het effectiever werken, een betere focus op de resultaten en het krachtiger kunnen analyseren daarvan. De doorontwikkeling van het RGT moet in de komende jaren verder worden uitgewerkt en verbeterd. Dit is een groeiproces. 5Strategieën Bij de uitvoering van de VTH-taken door de RUD Drenthe geldt het principe dat initiatieven, activiteiten en handhavingssituaties in een gelijke situatie gelijk worden behandeld (gelijke monniken-gelijke kappen). Om zoveel mogelijk volgens dat principe te werken zijn onderstaande VTH-strategieën op de uitvoeringstaken van toepassing. De inhoud van de strategieën is terug te vinden in hoofdstuk 5 van de Wabo en in de artikelen 13.6 en 13.7 van het Omgevingsbesluit. De strategieën bestaan uit vijf componenten: preventiestrategie vergunningenstrategie toezichtstrategie sanctiestrategie en gedoogstrategie In onderstaand figuur is de onderlinge verhouding tussen de strategieën gevisualiseerd. Figuur 3: onderlinge verhouding strategieën De sanctiestrategie en gedoogstrategie maken onderdeel uit van de Landelijke Handhavingsstrategie (LHS). Ondertussen zijn er ontwikkelingen gaande, zoals het opleveren van een geactualiseerde (LHS) en een Landelijke Vergunningenstrategie. De uitkomsten hiervan worden betrokken bij de doorontwikkeling van deze U&H-strategie. 5.1 Preventiestrategie Onder preventie verstaan we het zoveel mogelijk voorkomen van aantasting van de leefomgeving of het ontstaan van risico’s. Het geven van voorlichting en heldere communicatie over de kaders waar eenieder zich aan moet houden zijn daarbij essentieel Bij preventie gaat het om het spontaan naleven van milieuregels. Bekendheid met de regels vormt immers de basis voor het naleven van regels. We willen het naleefgedrag bevorderen door in te zetten op voorlichting en het uitleggen van het doel van de regels. De preventiestrategie is gericht op het voorkomen van overtredingen door communicatie en voorlichting en is verder uitgewerkt in bijlage
  7. 5.2 Vergunningenstrategie De vergunningenstrategie biedt: kaders en uitgangspunten voor het verlenen van vergunningen en de keuzemomenten hierin; het reguleren van de milieudruk en het verbeteren en handhaven van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving; creëren van een uniforme werkwijze in het afhandelen van aanvragen. Voor het bepalen van de acceptabele milieukwaliteit worden de verschillende belangen tussen de voorgenomen activiteiten en de gevolgen voor de fysieke leefomgeving zorgvuldig afgewogen. De vergunningenstrategie beschrijft de verschillende vormen van vergunningverlening die ingezet kunnen worden en wat de standaard werkwijze daarbij is. Daarnaast wordt in de vergunningenstrategie vastgesteld wat het niveau is waarop een aanvraag voor een vergunning wordt getoetst en aan welke objectieve toetsingscriteria deze toetsing plaatsvindt. Het doel van deze strategie is het gewenste kwaliteitsniveau van de diverse processen en werkzaamheden zo hoog mogelijk te houden en te voldoen aan de wettelijke eisen. Een vergunning/melding op het gebied van de fysieke leefomgeving kan betrekking hebben op verschillende werkvelden (milieu, natuur e.d.) en op verschillende wijzen tot stand komen (reguliere procedure, uitgebreide procedure, melding e.d.). In deze strategie wordt onder vergunningverlening verstaan: het verlenen, (gedeeltelijk) weigeren, wijzigen of (gedeeltelijk) intrekken van een omgevingsvergunning mogelijk als onderdeel van een legalisatietraject; het verlenen van een ontheffing; het behandelen van een melding; het opstellen en/of het intrekken van een maatwerkvoorschrift en/ of goedkeuring gelijkwaardige voorziening; het toetsen of het om een m.e.r.-plichtige of m.e.r.-beoordelingsplichte activiteit gaat. Bij een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling wordt een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen of een milieueffectrapportage (MER) vereist is. Een besluit nemen over het al dan niet vereisen van een milieueffectrapportage (m.e.r.-beoordeling); het actualiseren van een vergunning; afgeven van advies in het kader van het adviesrecht van de gemeenteraad. Een nadere uitwerking van de vergunningenstrategie is terug te vinden in bijlage
  8. 5.3 Handhavingsstrategie Deze paragraaf is onderverdeeld in de toezichtstrategie, sanctiestrategie en gedoogstrategie. 5.3.1 Toezichtstrategie In de toezichtstrategie is beschreven op welke wijze het toezicht wordt uitgevoerd door de RUD Drenthe. Toezicht houdt in dat gecontroleerd wordt of wet- en regelgeving wordt nageleefd. Dit vindt plaats door het verzamelen van informatie over (het nalaten van) handelingen en een beoordeling daarvan. Toezicht houden draagt eraan bij dat mensen wettelijke voorschriften naleven en het beperkt de risico’s op het overtreden van die voorschriften. We hebben in Drenthe gekozen voor het RGT (risicogericht toezicht). Zie bijlage
  9. 5.3.2 Sanctiestrategie In de sanctiestrategie is beschreven hoe de RUD Drenthe optreedt tegen een geconstateerde overtreding wanneer er geen sprake is van gelijkwaardige oplossing, legalisatie of actief gedogen. Onder sanctie verstaan we ‘het sanctioneren bij overtredingen conform de LHS’. De vraag is dan of, en zo ja hoe, bestuurlijk en/of strafrechtelijk moet worden opgetreden. De betrokken gemeenten, provincie en RUD Drenthe onderschrijven de ‘Landelijke handhavingsstrategie (LHS)’. Conform de LHS leggen we een passende sanctie op met als doel dat deze zo effectief en efficiënt mogelijk leidt tot beëindiging van de overtreding. Daar waar mogelijk, wordt in deze sanctiestrategie verwezen naar de LHS, zie bijlage
  10. 5.3.3 Gedoogstrategie Gedogen is het bewust afzien van sancties in geval van overtredingen en heeft daarnaast als doel om duidelijkheid te verschaffen. In de gedoogstrategie is beschreven in welke gevallen en onder welke voorwaarden bewust wordt afgezien van sancties in geval van overtredingen zoals omgeschreven in de LHS. Wanneer wet- en regelgeving wordt overtreden is het bevoegde gezag in beginsel verplicht om handhavend op te treden. De LHS erkent echter dat er omstandigheden kunnen zijn om van (bestuursrechtelijk) handhaven af te zien. Dit laat eventuele strafvervolging door het OM onverlet. De landelijke regels voor gedogen vormen de basis voor deze gedoogstrategie. Omdat het naleven van de regels ons uitgangspunt is, gaan we terughoudend om met gedogen. Het kan alleen onder strikte voorwaarden. Stilzwijgend, passief gedogen is absoluut onacceptabel. Gedogen van overtredingen is alleen bij uitzondering, na een zorgvuldige belangenafweging, aanvaardbaar. Het gaat dan om uitdrukkelijk gedogen, na de gedoogbeslissing. Dit kan het geval zijn als sprake is van een: overmachtsituatie en strikte naleving van de wettelijke regels leidt tot ongewenste milieugevolgen; in zo’n geval staat het bevoegd gezag overtredingen van de wet toe, juist om het milieu te beschermen; overgangssituatie, waarin het bevoegd gezag vooruitlopend op legalisatie gedoogt, bijvoorbeeld als ze binnen afzienbare termijn de omgevingsvergunning kan verlenen; onevenredigheidssituatie, waarbij handhaven onevenredig is in verhouding tot het belang voor de fysieke leefomgeving, dan kan het bevoegd gezag ervan afzien. Gedogen moet zoveel mogelijk beperkt blijven in omvang en tijd. Bij gedogen vindt actief toezicht plaats, gericht op de vraag of de omstandigheden nog steeds aanwezig zijn om te gedogen en de overtreder de opgelegde beperkingen en voorschriften naleeft. Dit zogenoemde ‘gedogen’ gebeurt op basis van een vastgestelde gedoogstrategie, zie bijlage
  11. Bijlage 1 U&H Strategie Drenthe 2022-2026: Risico Gestuurd Toezicht Technisch Opleverdocument Risicogericht Toezicht (RGT 1.0) Met aandacht voor verdere doorontwikkeling (RGT 2.0) en outcome sturing Versie 23 maart 2020 Samenvatting Met de start van het risicogericht toezicht (RGT) wordt in 2020 een nieuwe mijlpaal bereikt. De uitvoering van het reguliere toezicht op bedrijven is dan niet langer meer gebaseerd op het uitvoeringsniveau van de Drentse Maat met een sturing en verantwoording op aantallen en uren. Daarvoor in de plaats is het risicogerichte toezicht (RGT 1.0) gekomen, waarbij de focus ligt op het voorkomen van risico’s bij de bedrijven in Drenthe. In dit technisch document wordt het daarvoor ontwikkelde instrument, de risicomatrix met haar uitgangspunten beschreven. Hiermee is een belangrijke eerste stap gezet om het toezicht op deze nieuwe basis te kunnen uitvoeren. In dit document wordt naast de omschrijving van de risicomatrix aandacht besteed aan: de vertaalslag van de uitvoering van het RGT binnen ons jaarprogramma; de noodzakelijke doorontwikkeling van het RGT en het risicogericht werken (RGT 2.0); de ontwikkeling van outcomegericht werken. Doen wat nodig is Het project RGT maakt onderdeel uit van ons Ontwikkelprogramma 2019-
  12. De focus binnen dit programma is gelegd bij doen wat nodig is op basis van risico-afweging en milieurendement binnen de financiële kaders. Dit is precies de kern van het risicogericht toezicht: de bedrijven controleren waar de risico’s op ongewenste effecten het hoogst zijn. Om hier vorm aan te geven is in nauwe samenwerking met onze deelnemers gebouwd aan de risicomatrix RGT 1.
  13. Het risicogericht toezicht is binnen dit project uitgewerkt voor de reguliere milieucontroles bij de bedrijven. Met deze nieuwe strategie wordt een bijdrage geleverd aan het te formuleren uniforme uitvoerings- en handhavingsbeleid voor Drenthe, zoals omschreven in het besluit omgevingsrecht (Bor). De Drentse risicomatrix RGT 1.0 In de risicomatrix zijn de milieulocaties gekoppeld aan een vijftal hoofdbranches. Deze zijn verder onder te verdelen in 83 sub-branches. Iedere sub-branche is beoordeeld op een set van vier indicatoren. De indicatoren Milieueffect, Ondermijning en Bestuurlijk/maatschappelijke impact zijn beoordeeld op de kans dat het effect zich voordoet en de impact van het effect. Op basis hiervan zijn de grootste risico’s in beeld gebracht. De indicator Naleving is gebaseerd op een door het bureau Ynformed uitgevoerde data-analyse van ons zaaksysteem en ons programma voor het registeren van de controle-resultaten DigitaleChecklisten.nl. De eindscore binnen de matrix is geclassificeerd van prioriteit 1 (hoogste prioriteit) tot en met prioriteit
  14. De sub-branches met de hoogste prioriteit worden betrokken bij de jaarprogrammering van het RGT. De indicatoren Bestuurlijk/maatschappelijke impact en Ondermijning zijn beoordeeld door de deelnemers zelf (functionarissen Openbare Orde en Veiligheid en accounthouders). Hierdoor zijn er verschillen in de uitkomst van de risicomatrix per deelnemer. De resultaten van de risicomatrix van de deelnemer is het uitgangspunt voor de programmering van het RGT. Uitgangspunten bij het jaarprogramma De programmering van het RGT is gebaseerd op een aantal uitgangspunten, waarbij de verdeling van de beschikbare uren centraal staat. Het toezicht in 2020 wordt uitgevoerd middels RGT-controles en steekproefcontroles. De steekproefcontroles zijn onder meer nodig om de bedrijven die buiten de geprioriteerde branches vallen alert te houden op de naleving. Daarnaast checken we of de naleving overeenkomt met de risicomatrix. Naast het RGT toezicht zijn er andere kaders, waarbinnen het toezicht wordt uitgevoerd, zoals het ketentoezicht, het energietoezicht, toezicht Stoppersregeling en toezicht BBT-conclusies bij de IPPC-bedrijven1). 1) IPPC-installatie: installatie voor industriële activiteiten als bedoeld in bijlage 1 van richtlijn nr. 2010/75/EU van het Europees parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (PbEU L334). BBT-conclusies : door de Europese commissie opgestelde Best bestaande technieken-conclusies voor IPPC-installaties.) Bij het opstellen van het jaarprogramma wordt de totale inzet en verdeling van het toezicht verder integraal afgewogen. Directe doorontwikkeling van het RGT in 2020 is noodzakelijk Met de beschrijving van de risicomatrix en haar uitgangspunten is feitelijk de nieuwe toezichtstrategie beschreven. Deze toezichtstrategie maakt onderdeel uit van het door onze deelnemers vast te stellen uitvoerings- en handhavingsbeleid (Besluit omgevingsrecht, artikel 7.2). Op dit moment mist dit uitvoerings- en handhavingsbeleid als bedoeld in de Bor in Drenthe. Het huidige uitvoeringsniveau, de Drentse Maat voldoet niet aan alle criteria van de Bor. De nieuwe toezichtstrategie heeft bij de uitvoering direct effect op alle vervolgstappen binnen de beleidscyclus (big-8). Zo ontstaat vanuit de uitvoering per direct de noodzaak om door te ontwikkelen op het gebied van monitoring, evaluatie en het formuleren van doelstellingen. Van RGT 1.0 naar een duurzame beproefde basis RGT 2.0 Het toekomstige RGT 2.0 is volledig uitgewerkt en gebaseerd op de procescriteria van de Bor en is voorzien van een beproefd goed werkende risicomatrix. Het RGT 2.0 biedt hierdoor bij de monitoring valide informatie op basis waarvan de juiste keuzes kunnen worden gemaakt bij de evaluatiemomenten. Om dit niveau te bereiken wordt in dit document een groot aantal aanbevelingen gedaan. Deze aanbevelingen worden vertaald in een projectaanpak voor de volgende fase. Met het volgen van de aanbevelingen zijn we in staat om samen met onze deelnemers vanuit onze eigen rol en verantwoordelijkheid het risicogericht werken centraal te stellen in onze taakuitvoering. De hoofdlijnen in de aanbevelingen voor het ontwikkelen van RGT 2.0 Binnen de doorontwikkeling van het RGT zijn de volgende hoofdlijnen te onderscheiden: neem het wettelijk kader in acht; plan voor de doorontwikkeling naar RGT 2.0 een periode van minimaal drie jaar; heb aandacht voor de kritische succesfactoren; maak de nalevingsstrategie compleet; ontwikkel de risicomatrix door; professionaliseer de monitoring, registratie en evaluatie; relateer de deelnemersbijdrage op basis van de uitvoering van RGT 2.0; neem het risicogericht werken als uitgangspunt bij de uitvoering van al onze kerntaken; stel het ontwikkelen van outcomegericht werken uit tot de realisatie van RGT 2.
  15. Per hoofdlijn zijn hieronder de bijbehorende aanbevelingen weergegeven, met een toelichting van de belangrijkste onderdelen: Ad. A Neem het wettelijk kader in acht De volgende aanbevelingen zijn hierbij gegeven: neem bij de doorontwikkeling de wettelijke procescriteria, BOR en andere relevante regels vanuit de Wabo, Bor en Mor in acht; laat de in dit document beschreven wijze van het risicogerichte toezicht (RGT 1.0) vaststellen door het algemeen bestuur als geldende toezichtstrategie, zoals bedoeld in de Bor; stel zo spoedig mogelijk in 2020 samen met de deelnemers een uniforme set van indicatoren vast op basis waarvan de kwaliteit van uitvoering van RGT standaard wordt gemeten en gemonitord; formuleer concrete doelstellingen en voorzie de bijbehorende indicatoren van een normering; borg de afstemming tussen de projectorganisatie en de lijnorganisatie bij de verdere doorontwikkeling; De toezichtstrategie behoort tot het operationele kader binnen de beleidscyclus big-
  16. Het Besluit Omgevingsrecht (Bor) stelt in paragraaf 7.2 (Procescriteria) eisen aan de verschillende stappen binnen de big-
  17. Eén van die eisen betreft dat het handhavingsbeleid moet zijn gebaseerd op een probleemanalyse waarin de kansen en effecten voor de fysieke leefomgeving zijn betrokken. Met het toepassen van de gebouwde risicomatrix wordt hier invulling aan gegeven. De procescriteria verlangen een specifieke invulling van de verschillende stappen binnen de beleidscyclus big-
  18. Begin 2020 gaan we samen met de deelnemers bepalen welke uniform geldende indicatoren moeten worden benoemd. Op basis hiervan wordt een standaardrapportage van het RGT voor onze deelnemers gemaakt. Achter deze indicatoren schuilt een doelstelling. Het benoemen van concrete doelstellingen bij het RGT behoort tot het strategisch kader. Met de vaststelling van deze nieuwe strategie door het algemeen bestuur wordt de nieuwe strategie formeel bekrachtigt. Deze nieuwe strategie komt dan in de plaats voor de Drentse Maat (voor wat betreft de reguliere toezichtscontroles). Met het doorontwikkelen van het RGT 1.0 vindt verdere verdieping en verbreding plaats en wordt bij oplevering opnieuw ter vaststelling voorgelegd. Ad. B Plan voor de doorontwikkeling naar RGT 2.0 een periode van minimaal drie jaar De volgende aanbevelingen zijn hierbij gegeven: faciliteer de doorontwikkeling gedurende de komende drie programmajaren; bepaal na deze drie jaar doorontwikkeling de benodigde uren voor het RGT op een daarbij behorende realistische wijze. Voor het door ontwikkelen van het RGT is het nodig dat er minimaal drie programmajaren op basis van het RGT worden doorlopen. De effecten van de doorontwikkeling zijn immers in het daarop volgend programmajaar zichtbaar Aanbeveling 7 is als aparte hoofdlijn benoemd en wordt onder G nader toegelicht. Ad. C Heb aandacht voor de kritische succesfactoren De volgende aanbevelingen zijn hierbij gegeven: monitor de wijze van registratie en stuur bij indien nodig; zorg voor authentieke milieulocaties in het zaaksysteem; voorzie iedere milieulocatie in LOS van de bijbehorende SBI-activiteit; stem de inrichting/registratie van de zaakafhandeling in LOS af op de monitoringswensen. De registratie op naleving is van groot belang binnen de systematiek van het RGT. Uit de data-analyse uitgevoerd door het bureau Ynformed is gebleken dat de registratie nog gebreken vertoond. Het verbeteren van de registratie is al opgepakt binnen de lijnorganisatie en wordt tijdens de uitvoering in 2020 gemonitord. Uit de data-analyse bleek ook de huidige zaakinrichting in ons zaaksysteem belemmeringen te bevatten. Een andere kritische succesfactor betreft de datakwaliteit van het locatiebestand waardoor een deel van de milieulocaties niet meegenomen is bij de programmering van het RGT. In januari 2020 worden deze problemen projectmatig opgepakt vanuit het project Locatiebestand op orde. Doel van het project is dat deze problemen bij de programmering voor het RGT in 2021 voor een groot gedeelte zijn opgelost. Ad D. Maak de nalevingstoezichtstrategie compleet De volgende aanbevelingen zijn hierbij gegeven: bepaal de wijze van doelgroepanalyse en de bijbehorende verschillende vormen van toezicht; ontwikkel een risicomatrix voor de IPPC-locaties en voer deze in; gebruik de mate van naleving op locatieniveau binnen de toezichtstrategie; omschrijf de wijze van samenwerking met onze ketenpartners binnen de systematiek van RGT en betrek hierbij de wijze van gebruik van Inspectieview milieu. Bij een slechte naleving proberen we te achterhalen waardoor dit komt (doelgroepanalyse). Daarnaast bepalen we welke vorm van toezicht (interventiestrategie) leidt tot het naleven van de voorschriften. Zo kan actieve voorlichting bijvoorbeeld bijdragen aan naleving bij nieuwe regelgeving. Andere aandachtspunten in dit kader zijn de verdere uitbouw van het RGT op locatieniveau. Hierdoor kan nog meer effectgericht het RGT worden georganiseerd. Zo kan de programmering zich gaan richten op de milieulocaties die bekend staan om een slechte naleving. Hierdoor worden automatisch de milieulocaties met een goede naleving minder vaak bezocht . Voor de milieulocaties met een IPPC-installatie wordt op basis van wettelijke regels een aparte risicomatrix gemaakt met in acht neming van de wettelijke indicatoren en bezoekfrequenties. De inbedding van het gebruik van Inspectieview Milieu binnen de uitvoering en programmering van het RGT vraagt eveneens om aandacht. Tenslotte is op basis van een korte verkenning gebleken dat de werkwijze van RGT ook goed past bij het bodemtoezicht en het toezicht op asbest. Aanbevolen wordt dan ook om het RGT ook voor deze specifieke vormen van toezicht te gaan ontwikkelen. Ad. E Ontwikkel de risicomatrix door De volgende aanbevelingen zijn hierbij gegeven: blijf kritisch op het functioneren van de risicomatrix bij de verdere doorontwikkeling van het RGT; test de werking van de draaiknop binnen de matrix uit; onderzoek een uitbouw van de risicomatrix met onderdelen behorend bij de Omgevingswet; maak de risicomatrix sluitend voor de aanwezige subbranches in Drenthe; maak de branche-indeling van de risicomatrix eenduidig; bepaal of bij de evaluatie van het programmajaar de beoordeling van de matrix alleen het naleefgedrag moet worden bijgewerkt of dat ook de andere indicatoren opnieuw moeten worden beschouwd; Juist in de startfase is het van belang kritisch te blijven op het functioneren van de risicomatrix, de gebruikte indicatoren en het onderliggende rekenmodel. Zo verdient het functioneren van de draaiknop aandacht, maar ook de mate waarin het onderdeel Ondermijning een rol speelt binnen de prioritering. Verder is gebleken dat niet alle milieulocaties ondergebracht zijn onder 1 van de benoemde subbranches. Tot slot moet duidelijk worden in hoeverre de risicomatrix wordt geactualiseerd op basis van de evaluatie van een programmajaar. Ad. F. Professionaliseer de monitoring, registratie en evaluatie De volgende aanbevelingen zijn hierbij gegeven: maak gebruik van de handreiking: Effecten van toezicht en handhaving meten, 2011, van het centrum voor criminaliteitspreventie en veiligheid (CCV); betrek de mate van naleving van de vergunningplichtige locaties in het nalevingscijfer; standaardiseer de opbouw van de brancheplannen; overweeg een registratie van de activiteiten vanuit het toekomstige Bal (Besluit activiteiten leefomgeving)bij de milieulocaties om aan te sluiten bij het centraal zetten van de activiteiten binnen de Omgevingswet; heroverweeg de wijze waarop het cijfer van de naleving is opgebouwd; betrek de brancheorganisaties in Drenthe bij de brancheplannen en bij de resultaten aan het eind van het jaar (evaluatie); De aanbevelingen die in dit kader worden gemaakt hebben vooral betrekking op het zo sterk mogelijk (valide) maken van de informatie die uit onze systemen wordt gehaald in het kader van de monitoring. Zo wordt aanbevolen de opbouw van het cijfer naleving nader te beschouwen. De registratie van naleving bij vergunningplichtige locaties te verbeteren zodat deze groep ook binnen het cijfer van naleving geborgd is. De brancheplannen te standaardiseren op basis van de risicomatrix en een handreiking te volgen voor het meten van effecten. Ad. G. Relateer de deelnemersbijdrage op basis van de uitvoering van RGT 2.0 - Zie aanbeveling 7 - Op dit moment is de bijzondere situatie dat de deelnemersbijdrage voor de uitvoering van het RGT is gebaseerd op het uitvoeringskader behorend bij de Drentse Maat. Daarmee is de uitvoering budgetneutraal en passend binnen de financiële kaders. Na de doorontwikkeling van het RGT gedurende drie programmajaren is het wenselijk om de deelnemersbijdrage te baseren op het uitvoeringskader van RGT, zodat ook bij de onderbouwing van de deelnemersbijdrage definitief afscheid kan worden genomen van de Drentse Maat (voor wat betreft de reguliere toezichtscontroles). Ad. H. Neem het risicogericht werken als uitgangspunt bij de uitvoering van al onze kerntaken De volgende aanbevelingen zijn hierbij gegeven: werk het risicogericht toezicht voor asbest en bodemtoezicht verder uit; ontwikkel een risicomatrix om risicogericht werken onderdeel te laten zijn van de kerntaken van Omgevingsdienst Drenthe; Ook binnen de andere kerntaken van de RUD Drenthe is risicogericht werken een goed idee. Ook bij vergunningverlening (beoordelen van meldingen), het beoordelen van rapporten, het bepalen van de juridische inzet, etc. kan een strategische afweging plaatsvinden op basis van inschatting van risico’s. Op basis van deze strategische afweging kan de inzet worden bepaald. Door dit uitgangspunt door de hele VTH-keten heen toe te passen ontstaat een sterke risicogerichte werkwijze, die er voor zorgt dat onze inzet en aandacht volledig gericht is op het voorkomen van risico’s in de fysieke leefomgeving. Met een verdere verkenning kan in 2020 gestart worden. Ad. I. Stel het ontwikkelen van outcomegericht toezicht uit tot de realisatie van RGT 2.
  19. De bijbehorende aanbeveling is als volgt geformuleerd: ontwikkel en standaardiseer in 2023 (na doorontwikkeling van het RGT naar RGT 2.0) enkele gewenste outcome-doelstellingen met bijbehorende genormeerde indicatoren en gebruik hierbij de kennis en ervaring vanuit andere omgevingsdiensten. Uit een eerste verkenning is gebleken dat ook bij het toezicht vanuit andere kaders zoals bodem en asbest het risicogericht werken goed toepasbaar is. Op basis van de huidige ervaringen binnen RGT 1.0 kan dit voor deze kaders verder uitgewerkt worden. In de komende drie programmajaren staat de doorontwikkeling van het RGT centraal. Met het introduceren van outcome-gericht toezicht wordt een extra element aan deze risicosturing toegevoegd, namelijk de meting van de doeltreffendheid van het gevoerde beleid. Aanbevolen wordt om het meten van dit maatschappelijke effect pas op te pakken na de doorontwikkeling van het RGT. Het aantonen van een relatie tussen het te meten maatschappelijke effect en de uitvoering van het RGT is niet eenvoudig. Zolang er doorontwikkeld wordt geeft dit een extra ruis bij het aantonen van deze relatie. Het moment dat RGT 2.0 een feit is, is daarom een natuurlijk moment om te starten met het formuleren van outcome-gerichte doelstellingen en indicatoren. De kennis en het bewustzijn die de komende jaren wordt opgedaan bij de doorontwikkeling en uitvoering van het RGT kunnen hier goed bij worden gebruikt. 1 Starten met risicogericht toezicht in Drenthe (RGT 1.0) 1.1 Inleiding De Omgevingsdienst Drenthe gaat in het kader van het vastgestelde Ontwikkelprogramma 2019-2020 voor een gerichte inzet van middelen waar dat onderbouwd bijdraagt aan een schoon en veilig Drenthe. We leveren onze toegevoegde waarde op basis van risicoafweging en milieurendement binnen de financiële kaders die ter beschikking staan (‘doen wat nodig is’). Dit uitgangspunt is ook het uitgangspunt binnen het risicogerichte toezicht, dat met ingang van het jaar 2020 in de plaats komt van het reguliere toezicht op basis van de Drentse Maat. Binnen het project is de Drentse risicomatrix opgesteld en gevuld. Het “Drents” slaat in dit geval niet zozeer op de toepassing van de matrix zelf, want de matrix wordt op het niveau van de deelnemer uitgewerkt en gebruikt bij de programmering. Het is vooral Drents omdat: we er in gezamenlijkheid met onze deelnemers aan hebben gewerkt; de informatie in de matrix gebaseerd/beoordeeld is op de Drentse situatie per onderscheiden branche. De risicomatrix is een sterke eerste stap naar het risicogericht toezicht (RGT). Op basis van deze matrix zijn de bedrijven geselecteerd voor het programmajaar
  20. Een eerste stap betekent dat er nog vele stappen te zetten zijn om het RGT uit te bouwen naar een gedegen professionele manier van werken in onze organisatie en is gebaseerd op de wettelijke kaders. In dit document is naast de uitleg over de werking van de risicomatrix met al haar uitgangspunten ook veel aandacht voor deze noodzakelijke doorontwikkeling met de bijbehorende wettelijke procescriteria, waarbij een verkenning richting outcome-sturing als eindpunt is genomen. 1.2 Doelen binnen het project risicogericht toezicht In het plan van aanpak voor dit project zijn de volgende projectdoelen opgenomen: het opstellen van een branchegerichte risicomatrix voor het reguliere toezicht; het uitvoeren van de risicoanalyse (vullen van de risicomatrix); de programmering van het reguliere toezicht in 2020 baseren op de uitkomsten van de risicoanalyse; een eerste aanzet geven/aanbevelingen geven voor het verder verbeteren en verdiepen van risicoafweging voor toezicht in 2021; het opstellen van een opleverdocument Risicogericht toezicht (RGT 1.0), met daarin een doorkijk naar ‘Effectgericht werken en outcome sturing’; goede en eenduidige samenwerking en communicatie met de betrokken actoren (in- en extern) en transparantie voor het bereiken van de hierboven genoemde doelen. 1.3 De doelen die behoren bij dit opleverdocument Het opleverdocument geeft inzicht in de wijze van het realiseren van de projectdoelen, zoals genoemd in paragraaf 1.
  21. Op hoofdlijnen worden achtereenvolgens in dit document aan de volgende onderwerpen aandacht besteed: uitleg van de werking van de matrix als systematiek (RGT 1.0), hoe de matrix is ingevuld en gescoord, de resultaten en de kritische succesfactoren; uitleg van de wijze waarop de beschikbare uren per deelnemer worden verdeeld op basis van de resultaten van de risicomatrix en de bijbehorende uitgangspunten; inzicht geven in de doorwerking van de matrix bij de verschillende stappen in de dubbele beleidscyclus (sluitende cyclus); een eerste aanzet/aanbevelingen geven om het risicogerichte toezicht verder te professionaliseren (RGT2.0). Omdat bij risicogericht toezicht het risico feitelijk het effect is waar zo gericht mogelijk het toezicht op wordt afgestemd, is de doorontwikkeling van effectgericht werken onderdeel van de verdere professionalisering van het RGT; een doorkijk geven naar outcome-gericht werken voor RGT. 1.4 Het moment van ontwikkelen van RGT 1.0 1.4.1 Logische stap voorwaarts De afgelopen twee jaar is gewerkt aan het uniformeren van het controlebezoek. Ter ondersteuning is hiervoor Digitalechecklisten.nl aangeschaft waarin gestandaardiseerde checklisten per branche zijn opgesteld. Daarmee werd het toezicht ook meer branchegericht uitgevoerd. Binnen deze checklisten heeft ook de (standaard)beoordeling op basis van de landelijke handhavingsstrategie (LHS) een plek gekregen. De jaarprogrammering voor het toezicht is niet branche-gerelateerd, maar categorie gerelateerd. Het is vanuit de wijze van werken een logische vervolgstap om het branchegerichte toezicht meer als uitgangspunt te gaan nemen voor de jaarprogrammering en de sturing op aantallen per categorie los te laten en te gaan sturen op het besteden van uren op basis van een risico-inschatting per branche. 1.4.2 Kritische succesfactoren Registratie op de naleving eenduidig uitvoeren Het onderzoeksbureau Ynformed heeft op ons verzoek een data-analyse gemaakt op basis van de registratie in DC en de registratie van de zaakafhandeling in LOS om inzicht te geven in de mate van naleving per subbranche. Hierbij zijn de uitgevoerde controles vanaf 2018 betrokken. Nu de naleving centraal komt te staan in plaats van de aantal controles binnen de Drentse Maat, is het van belang dat de registratie die betrekking heeft op de naleving eenduidig wordt uitgevoerd. Controle en bijsturing hierop is een taak van de lijnorganisatie. Op basis van de resultaten van het rapport van Ynformed zijn hier inmiddels de eerste stappen al gezet. In 2020 zal de registratie behorend bij de uitvoering worden gemonitord. In bijlage 2 is de toelichting op de uitgevoerde analyse door Ynformed opgenomen. Het locatiebestand Een andere belemmerende factor bij de analyse en de programmering van het toezicht is de datakwaliteit van het locatiebestand. De belangrijkste oorzaak zit in de brancheomschrijving bij een locatie in het LOS. De activiteitenomschrijving in branches bij een locatie in LOS is de sleutelwaarde voor de indeling in de branches binnen het RGT. Deze omschrijving, de standaardbedrijfsindeling (SBI), is bij circa 7.000 milieulocaties niet gevuld of heeft een omschrijving die veelal te algemeen van karakter is om toe te wijzen aan een subbranche binnen het model van RGT 1.
  22. Andere belemmeringen vanuit het locatiebestand zijn: de locatielijst is vervuild met dubbelingen; Dit geeft problemen in de programmering en bij de registratie op locatieniveau. gebrekkige actualiteit van de milieulocaties. Zo komt het voor dat het bedrijf bij een controle al jaren niet meer actief is, of dat inmiddels een ander bedrijf hier is gevestigd die zonder melding/vergunning is gestart. Binnen het project locatiebestand op orde worden deze belemmeringen opgepakt. De inrichting van het zaaksysteem Bij de data-analyse van Ynformed werd de inrichting van het zaaksysteem als belemmering ervaren, voor wat betreft de inzet en het resultaat van de verschillende opschalende stappen bij de repressieve handhaving. Onderzocht moet worden of de gewenste gegevens op een andere wijze toch uit ons zaaksysteem kunnen worden gehaald, of dat de inrichting van het zaaksysteem voor een deel moet worden aangepast. Het hangt ook af van de informatiebehoefte van onze deelnemers in relatie tot het te formuleren uitvoerings- en handhavingsbeleid. 1.4.3 Aanbevelingen vanuit de Collegiale Toets concreet opgepakt Alle Omgevingsdiensten in Nederland zijn georganiseerd binnen Omgevingsdienst.nl. Vanuit deze overkoepelende organisatie worden onderlinge bezoeken georganiseerd om elkaar te helpen en te stimuleren met het op een kwalitatief goede wijze ontwikkelen en uitvoeren van de taken. Dit wordt de Collegiale Toets genoemd. De kwaliteitseisen, zoals vastgelegd in de Bor en Ministeriële regeling Omgevingsrecht (Mor) zijn uitgangspunt, waarbij ook “best practices” uitgewisseld worden. Het centrale thema voor de Collegiale Toets voor dit jaar was: “meetbare doelen en monitoring”. Op 13 mei 2019 is de collegiale toets voor onze organisatie uitgevoerd. Die dag is ook de uitvoering van het project RGT binnen het Ontwikkelprogramma 2019-2020 gepresenteerd. Met betrekking tot het risicogericht toezicht zijn de volgende tips meegegeven: schrijf op wat je nu al doet, dan ben je al een heel eind op weg bij het opstellen van het beleid; durf de Drentse Maat (voor wat betreft de reguliere toezichtscontroles) los te laten bij het opstellen van nieuw beleid, bijvoorbeeld bij het risico gericht toezicht; ga aan de slag met Kristische Prestatie Indicatoren (KPI’s). Met de oplevering van dit document RGT 1.0 is het beleid, de toezichtstrategie voor een groot deel nu beschreven. Binnen de doorontwikkeling in hoofdstuk 4 komt de noodzakelijke ontwikkeling van indicatoren nadrukkelijk aan de orde. 1.5 De Drentse risicomatrix, een gezamenlijk product Binnen dit project zijn niet alleen alle toezichthouders betrokken geweest, maar ook onze deelnemers zijn op actieve wijze betrokken en verzocht mee te denken bij het ontwikkelen van de risicomatrix. De wijze van samenwerking kenmerkte zich door een wederzijdse open houding, waarin samen werd gebouwd aan de risicomatrix. Deze werkwijze werd zeer gewaardeerd en heeft er mede voor gezorgd dat de ontwikkelde Drentse Matrix een gedegen draagvlak kent, niet alleen intern maar ook bij onze bestuurders, eigenaren en accounthouders. Begonnen is met het interviewen van een bestuurder en accounthouder van alle deelnemers. Hierdoor zijn onderlinge beelden bij het risicogericht toezicht en bijbehorende verwachtingen beter op elkaar afgestemd. Deze gezamenlijke focus heeft positief doorgewerkt op de snelheid van het ontwikkelproces van de Drentse Risicomatrix. Er is ook inhoudelijk een beroep gedaan op onze deelnemers. Zo zijn de indicatoren ondermijning en bestuurlijk/maatschappelijke urgentie door de deelnemers zelf beoordeeld voor hun eigen gebied. Hiervoor hebben de functionarissen van openbare orde en veiligheid en accounthouders hun input geleverd. Het gevolg is dat er op deelnemersniveau een risicomatrix is ontstaan op basis waarvan de programmering voor 2020 voor de betreffende deelnemer is uitgewerkt. Wat betreft de beoordeling op de indicator Milieueffecten per branche zijn alle toezichthouders betrokken geweest. Hierbij is gewerkt met twee beoordelingsrondes. In ronde 1 werden diegenen die de hoogste en laagste scores gaven gevraagd om een toelichting. Daarna volgende een tweede beoordelingsronde. Het gemiddelde van deze ronde werd genoteerd als waarde voor de matrix. De resultaten van de matrix zijn aan iedere deelnemer teruggekoppeld en is de mogelijkheid tot feedback gegeven. Op basis van de resultaten is vervolgens de jaarprogrammering van het RGT voor 2020 verder voor iedere deelnemer uitgewerkt. Bij de uitkomsten van de risicomatrix zijn wel wat vraagtekens gerezen over de goede werking van de matrix. Beseft moet worden dat deze matrix de eerste stap is. Binnen deze eerste stap is de matrix nog wat meer op detail bijgesteld en zijn onze accounthouders in de gelegenheid gesteld om binnen hun eigen organisatie er inhoudelijk op te reageren. Dit heeft geleid tot hier en daar een bijstelling in beoordelingen van de indicatoren Ondermijning en Maatschappelijke en bestuurlijke impact en daarmee tot een verandering in prioritering. Bij een verdere doorontwikkeling zal de risicomatrix zelf ook nog kritisch beoordeeld en mogelijk verder uitgebouwd worden. In hoofdstuk 4 wordt hier verder op ingegaan. Ook bij deze verdere noodzakelijke doorontwikkeling is de onderlinge samenwerking van groot belang. 2 De Drentse risicomatrix op hoofdlijnen 2.1 De systematiek van de matrix Om het toezicht op brancheniveau risicogericht te kunnen benaderen is het nodig om een model te ontwikkelen op basis waarvan de risico’s op brancheniveau zo objectief mogelijk inzichtelijk worden gemaakt. Om risico’s in te schatten is inzicht in kansen en mogelijke nadelige effecten bij niet naleving nodig. Als uitgangspunt voor de matrix is het model gekozen dat beschikbaar wordt gesteld door het centrum voor criminaliteitspreventie en veiligheid, het CCV (https://hetccv.nl). De risicomatrix is gebaseerd op de volgende bouwstenen: branches en indicatoren. 2.1.1 De subbranches, gegroepeerd binnen 5 hoofdbranches Het locatiebestand is verdeeld in hoofd- en subbranches, zoals in tabel 1 is weergegeven. Tabel 1: De Hoofdbranches binnen de risicomatrix en het aantal bijbehorende subbranches Hoofdbranches Aantal onderlinge subbranches Agrarisch 12 Groothandel, bouw, metaal en mobiliteit 18 Afval, sloop, asbest 7 Gebouwen en het Midden en Kleinbedrijf MKB 19 Procestechniek industrie (excl BRZO)* 27 Totaal beoordeelde branches binnen matrix 83 * Bij procestechniek komt het voor dat tot een benoemde subbranche slechts een of enkele grote bedrijven behoren. 2.1.2 De indicatoren: Milieu, Ondermijning, Maatschappelijke/bestuurlijke impact en Naleving Voor iedere subbranche is een inschatting gemaakt op de mate van negatieve effecten en de kans op het voorkomen van deze negatieve effecten behorend bij de indicatoren Milieu, Ondermijning en Maatschappelijk/bestuurlijke impact. De indicator Naleving betreft de naleving gebaseerd op een analyse uitgevoerd door het bureau Ynformed op basis van onze registraties in DC en het LOS (bijlage 2). De indicatoren Milieu en Naleving zijn gebaseerd op een aantal onderliggende indicatoren, die in bijlage 1 en 2 nader worden toegelicht. In figuur 1 is de risicomatrix op hoofdniveau als beoordelingsmodel weergegeven. In Bijlage 1 en 2 wordt meer op detail de werking van de matrix beschreven. De wijze van beoordeling is toegepast op alle benoemde subbranches. Figuur 1: het beoordelingsmodel van de risicomatrix 2.1.3 Hoe ziet de beoordeling er in de matrix uit? In figuur 2 is als voorbeeld de matrix-beoordeling van de subbranche afvalverwerkingsbedrijven weergegeven. Figuur 2: Een screenshot uit de risicomatrix voor een subbranche 2.1.4 Algemene uitgangspunten De beoordeling vindt plaats op basis van de benoemde subbranches binnen de matrix. Er is geen onderling verschillende weging van de indicatoren doorgevoerd. Bij deze eerste aanzet is gekozen om de verschillende indicatoren gelijkwaardig aan elkaar te houden. De puntentoekenning is voor iedere indicator identiek: 1 tot
  23. De puntentoekenning is voor ieder indicator gebeurt op een schaal van 1 (geen/nauwelijks effect of geen/geringe kans) tot 5 (erg groot effect of een grote kans). Er is een draaiknop ingebouwd met de bedoeling om bij het verschuiven van prioriteiten binnen een programmajaar een herprioritering mogelijk te maken. Voor de prioritering is de classificering gehanteerd als aangegeven in figuur
  24. Bij de totstandkoming van de prioritering is uiteindelijk afgeweken van de risicomatrix van het CCV. De resultaten gaven namelijk een sterk ongelijke verdeling van de subbranches over de prioriteitsklassen. De systematiek is aangepast totdat de bepaling een beeld gaf die een betere, logische verdeling van de subbranches over de prioriteitsklasses gaf. Zoals in 1.5 is aangegeven, is de risicomatrix door de deelnemers zelf nog inhoudelijk beoordeeld en hier en daar aangepast wat betreft de beoordeling op de indicatoren Ondermijning en Bestuurlijke en maatschappelijke impact. In bijlage 1 zijn alle begrippen en uitgangspunten die worden gehanteerd binnen de risicomatrix in detail nader toegelicht. 2.2 Een risicomatrix op maat per deelnemer 2.2.1 De risicomatrix op deelnemersniveau is uitgangspunt Omdat de indicatoren ondermijning en bestuurlijk/maatschappelijke impact per deelnemer apart zijn beoordeeld geeft de uiteindelijke prioritering voor eenzelfde branche verschillende uitkomsten. Deze risicomatrix per deelnemer is het uitgangspunt op grond waarvan de toezicht uren worden verdeeld. 2.2.2 De Drentse risicomatrix De Drentse matrix werkt met de gemiddelden genomen over alle deelnemers voor de indicatoren ondermijning en bestuurlijk/maatschappelijke impact. Ook deze matrix heeft haar waarde. Zo zullen de analyses van de steekproefcontroles op dit niveau worden beoordeeld. Door de grotere aantallen per branche leveren de resultaten op dit niveau een statistisch meer betrouwbare waarde op. 2.3 Verkenning risicomatrix voor bodem en asbest Binnen het project lag de focus op het reguliere toezicht bij de bedrijven. We voeren echter ook binnen andere kaders toezicht uit, waarbij het risicogericht werken eveneens kansen biedt. Er zijn intern verkennende gesprekken gevoerd over het risicogericht werken binnen de vakgebieden van bodemtoezicht en toezicht bij asbest. Geconcludeerd is dat deze werkwijze ook hier kan bijdragen tot het versterken van het zo gericht mogelijk op de risico’s uitvoeren van het toezicht. In hoofdstuk 6 is hiervoor een aanbeveling opgenomen. 3 Uitgangspunten uitvoering RGT binnen de jaarprogrammering 3.1 Van beschikbare uren voor het jaarprogramma naar de uren voor RGT 3.1.1 Budget neutrale uitvoering van RGT Met het bestuur is afgesproken dat de uitvoering van het RGT in 2020 binnen de financiële kaders plaats zal vinden. Dat betekent in dit geval dat de deelnemersbijdrage nog gebaseerd blijft op de uitgangspunten van de Drentse Maat: het locatiebestand Drentse Maat 2014; de kentallen Drentse Maat toezicht: per categorie een kental voor controlefrequentie en uren; het rekenmodel Drentse Maat 1.0; berekende uren t.b.v. de Drentse Prioriteit. In onderstaande figuur wordt met een voorbeeld in beeld gebracht hoe de uren voor het reguliere toezicht op basis van de Drentse Maat zijn bepaald en hoe deze uren vervolgens binnen het jaarprogramma worden ingezet. Dit laatste wordt verder toegelicht in de volgende paragraaf. Figuur 3: De bepaling van de beschikbare uren voor toezicht en de verdeling van de uren voor het RGT bij de gemeente Aa en Hunze De milieulocaties, waarbij de provincie Drenthe bevoegd gezag is kennen allemaal een hoge prioriteit vanuit de risicomatrix. Deze locaties worden dus allemaal bezocht op basis van de beschikbare uren. Op het moment dat binnen het RGT de naleving van de milieulocatie zelf zal worden betrokken, kan dit een ander beeld gaan geven (één van de aanbevelingen in hoofdstuk 4). 3.1.2 Uitgangspunten bij de uren toezicht RGT: 20% van de beschikbare tijd wordt gereserveerd voor onvoorziene zaken, op basis van ervaring. Dit betreft toezicht bij repressieve handhaving, verzoeken van het bevoegd gezag en toezicht naar aanleiding van klachten; van de resterende beschikbare tijd wordt ca. 80% ingepland voor het RGT bij de hoogste prio’s per bevoegd gezag en 20% wordt ingepland als steekproef RGT onder de resterende branches. Er is gekozen om een zo gering mogelijk aantal uur aan de steekproeven te besteden. Om valide cijfers te krijgen vanuit de steekproef is er ook sprake van een ondergrens. Er zal een minimaal volume aan steekproefinformatie (data) beschikbaar moeten komen om de cijfers vanuit de steekproef verantwoord te kunnen gebruiken bij een vergelijking met de matrix. De steekproeven worden evenredig verdeeld over onze deelnemers. De steekproefcijfers zullen op het niveau van de deelnemer niet aan deze ondergrens kunnen voldoen. Daarom zullen ze op Drents niveau worden bepaald; voor het plannen van het aantal te bezoeken milieulocaties binnen het jaarprogramma is uitgegaan van 21,8 uur per controle inclusief hercontrole (besluit algemeen bestuur 30 september 2019); de sturing is niet meer categorie-georiënteerd, maar risico-per-subbranche-georiënteerd; bij de RGT-controles wordt de focus gelegd op de onderdelen die hoog scoren binnen de risicomatrix; voor de uitvoering wordt het locatiebestand uit het LOS gebruikt (en niet het bestand Drentse Maat van 2014); de steekproefcontroles betreffen volledig integrale controles, zodat alle bedrijfsactiviteiten getoetst worden en achteraf geanalyseerd kan worden, zodat er een volledig beeld kan worden gegeven over bijvoorbeeld de naleving. Waarom werken met steekproeven naast RGT? Om ook de bedrijven buiten de geselecteerde branches van de deelnemer scherp te houden is het wenselijk hier ook toezicht te blijven houden. Met de steekproef checken we in hoeverre het beeld afwijkt van de risicomatrix voor de betreffende subbranche met name wat betreft de naleving. Omdat de steekproefbranches per deelnemer kunnen verschillen, is het ook mogelijk om de naleving te vergelijken van de groep bedrijven binnen de branche die vallen onder het RGT met de groep die geen controle verwacht, omdat deze buiten het RGT valt. 3.2 Van beschikbare uren voor RGT naar de selectie van milieulocaties per deelnemer Bij de verdeling van de uren RGT zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: de beschikbare uren voor RGT worden eerst verdeeld over de milieulocaties die betrokken zijn bij de hoogste prioriteit; indien er nog uren beschikbaar zijn worden deze verdeeld over de dan volgende hoogste prioriteit; indien er meerdere branches een prioriteit 1 hebben, dan is de branche met het hoogste gemiddelde risico in de matrix de branche met de hoogste prioriteit. Indien het gemiddelde risico ook identiek is, is de naleving (risico naleving in de matrix) bepalend: het hoogste cijfer heeft de hoogste prioriteit; als er te weinig beschikbare uren zijn om alle milieulocaties van de betreffende branche te bezoeken, wordt er op willekeurige wijze een selectie gemaakt. Bij de verdeling van de uren met betrekking tot de steekproef gelden de volgende uitgangspunten: de selectie vindt plaats per deelnemer; binnen de hoofdbranches die niet vertegenwoordigd zijn vanuit het toezicht RGT worden de uren evenredig verdeeld; de monitoring en evaluatie vindt plaats op het gezamenlijke Drentse niveau, omdat het aantal te gering is op deelnemer niveau om er conclusies uit te gaan trekken. Toepassing van de eerste twee uitgangspunten leidt ook tot situaties dat een subbranche bij de ene deelnemer wordt meegenomen als RGT en bij de andere deelnemer als steekproef kan zijn aangemerkt. 3.3 Toezicht is meer dan het toepassen van de risicomatrix Naast deze risicogerichte wijze van plannen moet bij de jaarprogrammering ook rekening worden gehouden met wettelijke verplichtingen en mogelijke ontwikkelingen die spelen. Zo gelden er wettelijke toezicht regels bij IPPC-locaties, welke hieronder nader zijn toegelicht. Een voorbeeld van ontwikkelingen die naast de risicomatrix ook aanleiding geven tot het inzetten van toezicht is de stoppersregeling voor veehouderijen. De veehouderijen die hier aan meedoen mogen per 1 januari 2020 geen vee meer houden. IPPC-locaties Voor milieulocaties met IPPC-installaties (Europese regelgeving) gelden vanuit de Ministeriele regeling Omgevingsrecht (MOR) een aantal verplichting die te maken hebben met de bezoekfrequentie en verplichtingen voor niet-routinematige controlebezoeken. In onderstaand kader zijn de betreffende passages van artikel 10.3 van de MOR weergegeven. Toezicht regels vanuit de MOR (artikel 10.3) voor IPPC-installaties Tot de in artikel 7.2, zevende lid, onderdeel b, van het besluit bedoelde wijze waarop het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet of het bij of krachtens de betrokken wetten bepaalde, wordt uitgeoefend, behoort in ieder geval: de wijze waarop de controle ter plaatse wordt voorbereid, uitgaande van een register van inrichtingen waarin in ieder geval de IPPC-installaties zijn opgenomen; de wijze waarop de controle ter plaatse wordt uitgeoefend; de frequentie waarmee routinematige controlebezoeken worden afgelegd, waarbij die frequentie voor IPPC-installaties, afhankelijk van de milieurisico’s, het nalevingsgedrag en de aanwezigheid van een gecertificeerd milieuzorgsysteem, ten minste één controlebezoek per drie jaar bij beperkte milieurisico’s en ten minste één controlebezoek per jaar bij grote milieurisico’s is; Onverminderd de frequentie, bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, worden bij IPPC-installaties niet-routinematige controlebezoeken uitgevoerd: vóór de verlening of verandering van een vergunning; om zo spoedig mogelijk ernstige klachten, ernstige ongewone voorvallen of overtredingen te onderzoeken; indien bij een controle een ernstige overtreding is vastgesteld, binnen zes maanden na de vaststelling. Voor de programmering van het jaar 2020 is deze verplichting nog niet ontwikkeld en toegepast. In 2019 zijn alle milieulocaties met een IPPC-installatie bezocht, waardoor voldaan is aan de wettelijke verplichte controlefrequentie. Bij een enkele opdrachtgever hebben deze inrichtingen wel prio 1 gekregen. In 2020 zullen we dit onderdeel op de vereiste wijze gaan borgen binnen onze systematiek behorend bij de jaarprogrammering. Wel gaan er in 2020 ook inspecties bij IPPC-installaties plaatsvinden om te beoordelen of wordt voldaan aan de van toepassing zijnde BBT-conclusies. De uitvoering van dit project zal gedeeltelijk in 2020 plaatsvinden. 4 Het door ontwikkelen van het RGT (RGT 2.0) In dit hoofdstuk is het verder professionaliseren van het RGT zo veel mogelijk vertaald naar aanbevelingen. In de aanbevelingen komt duidelijk naar voren dat ook voor de doorontwikkeling een intensieve samenwerking met onze deelnemers van cruciaal belang is. De aanbevelingen zijn niet uitputtend bedoeld, maar geven wel een duidelijk beeld dat na de eerste aanzet van het RGT veel werk verzet moet worden om het RGT tot een duurzaam succes te maken. 4.1 Neem het wettelijk kader in acht In de eerste set van kwaliteitscriteria 2.1 (oktober 2012) bestond een deel C, waarin de eisen over de proceskwaliteit al waren opgenomen. Inmiddels zijn deze procescriteria via de Wet VTH

(2017)opgenomen in het Besluit omgevingsrecht (Bor, hoofdstuk 7). De Wet VTH wordt beleidsneutraal verwerkt in de Omgevingswet. In bijlage 3 zijn de relevante wetteksten van de Bor opgenomen. Aanbeveling 1 : Neem bij de doorontwikkeling de wettelijke procescriteria, BOR en andere relevante regels vanuit de Wabo, Bor en Mor in acht. Onze deelnemers zijn gehouden aan het opstellen en vaststellen van een binnen de Omgevingsdienst uniform handhavings- en uitvoeringsbeleid op basis van deze procescriteria. Op dit moment ontbreekt een dergelijk uniform uitvoerings- en handhavingsbeleid in Drenthe. De Drentse Maat was weliswaar een uniform uitvoeringskader, maar deze voldeed niet aan alle kwaliteitseisen van de Bor. Figuur 4 : De stappen binnen de big-8 uitgewerkt voor het RGT Het werken op basis van een risicomatrix zorgt nu voor een kettingreactie wat betreft verdere doorontwikkeling en professionalisering binnen alle stappen binnen de big-
  1. Hierbij geldt een afhankelijkheid tussen de voortgang van de implementatie en een stuk doorontwikkeling. Om dit inzichtelijk te maken is in figuur 4 de big-8 specifiek uitgewerkt voor het RGT, waarbij de start van het project in het groene vak is gelegen met de ontwikkeling van de risicomatrix. De big-8 cyclus wordt dus opnieuw opgestart vanuit het operationele kader. De uitvoering RGT is als kader betrokken bij het opstellen van het jaarprogramma
  2. Ook is gestart met het opstellen van de brancheplannen, die de risicomatrix als uitgangspunt nemen voor een risicogerichte uitwerking per subbranche, resulterend in een bijbehorende risicogerichte controlechecklist. Op basis van deze maatwerkchecklisten kan vervolgens in 2020 de uitvoering worden gestart. Aanbeveling 2 : Laat de in dit document beschreven wijze van het risicogerichte toezicht (RGT 1.0) vaststellen door het algemeen bestuur als geldende toezichtstrategie, zoals bedoeld in de Bor. Met de beschrijving van de werking van de risicomatrix en achterliggende uitgangspunten wordt feitelijk een onderdeel van het vereiste uniforme uitvoerings- en handhavingsbeleid, namelijk de toezichtstrategie in beeld gebracht. Met de vaststelling door het algemeen bestuur wordt deze strategie formeel overeenkomstig het gestelde in hoofdstuk 7 van de Bor als uniform beleid bekrachtigd. Op basis van de risicomatrix en de bijbehorende uitgangspunten is per deelnemer de prioriteitstelling per subbranche voor het uitvoeren van het RGT in beeld gebracht. Via de uitgangspunten benoemd in hoofdstuk 3 is in beeld gebracht op welke wijze de beschikbare uren voor het uitvoeren van het RGT per deelnemer wordt bepaald. De resultaten van deze werkwijze hebben geleid tot het RGT binnen het jaarprogramma
  3. Inmiddels worden binnen het team Toezicht de brancheplannen verder uitgewerkt. Hierbij wordt de beoordeling van de subbranche als uitgangspunt genomen om te bepalen welke onderdelen specifieke aandacht nodig hebben. Dit zal worden vertaald naar checklisten op maat voor de subbranches uit de matrix en bijbehorende steekproefchecklisten. Aanbeveling 3 : Stel zo spoedig mogelijk in 2020 samen met de deelnemers een uniforme set van indicatoren vast op basis waarvan de kwaliteit van uitvoering van RGT standaard wordt gemeten en gemonitord. Zoals uit de figuur 3 is af te leiden ontbreekt bij de start van het opstellen en werken met de risicomatrix het stuk strategisch kader, waarin de bijbehorende doelen worden benoemd wat met het uitvoeren van het RGT beoogd wordt. Wat betekent het nu concreet een schoon en veilig Drenthe en hoe willen onze deelnemers dit op basis van onze taakstelling in beeld gebracht hebben? De huidige rapportages geven hier nog geen invulling aan. Ook het opstellen van deze doelstellingen is een wettelijke verplichting vanuit de Bor. Zonder uniforme doelstellingen is het onduidelijk op welke wijze de uitvoering van het RGT binnen de rapportages van de P&C-cyclus moet worden weergegeven. Welke indicatoren willen we meten en welke normering hoort hierbij? Het is zaak om voor het programmajaar 2020 de rapportagebehoefte zo spoedig mogelijk samen met onze deelnemers af te stemmen. Deze standaard set aan indicatoren zal gaan gelden voor alle subbranches binnen de risicomatrix. De volgende indicatoren zouden bijvoorbeeld kunnen worden gebruikt: de urenbesteding; het aantal overtredingen per subbranche (wettelijk vereiste in een jaarverslag); het aantal controles zonder overtredingen per subbranche; het aantal overtredingen per thema (ook branche overstijgend?); top 5 overtredingen per subbranche; het aantal overtredingen per aandachtsgebied op grond van de risicomatrix; de resultaten van de toepassing van de LHS per branche en welke interventies zijn er gekozen; Interventies: aantal hercontroles, vooraankondigingen, handhavingsbesluiten, het effectueren handhavingsbesluiten, het toepassingen strafrecht, etc.; een vergelijking op naleving binnen de subbranche van de deelnemer met de naleving binnen de subbranche op Drents niveau; ondermijning (indien het een aandachtsgebied is): de indicatoren voor dit onderdeel moeten op basis van verdere opleiding nog verder worden ontwikkeld. Vanuit de collegiale toets is in dit kader nog aanbevolen om te starten met een kleine set van indicatoren. Aanbeveling 4: Formuleer concrete doelstellingen en voorzie de bijbehorende indicatoren van een normering. Achter de behoefte van het gebruiken van een indicator schuilt een doelstelling. Het is van belang om deze doelstellingen behorend bij het RGT zo concreet mogelijk te krijgen. Deze doelstellingen zijn feitelijk een uitwerking van de hoofddoelstelling van onze organisatie: een bijdrage leveren aan een schoon en veilig Drenthe. De Bor geeft aan dat deze doelstellingen behorend bij het uniforme uitvoerings- en handhavingsbeleid als strategisch kader moeten worden vastgesteld, zodat daarna met behulp van de gekozen indicatoren het behalen van deze doelstellingen gemeten kan worden. Het wel of niet behalen van een doelstelling kan alleen gemeten worden als de resultaten zijn genormeerd. Voor het benoemen van de doelstellingen en het bepalen van de bijbehorende indicatoren met een normering is samenwerking met onze deelnemers erg belangrijk. Aanbeveling 5: Borg de afstemming tussen de projectorganisatie en de lijnorganisatie bij de verdere doorontwikkeling. De onderlinge relaties tussen doorontwikkeling en de daaropvolgende implementatie en de uitvoering vragen om een goede afstemming tussen de lijnorganisatie, waarin de aansturing plaatsvindt van de implementatie en uitvoering, en de projectorganisatie waarbinnen de doorontwikkeling verder wordt opgepakt. Aanbevolen wordt deze afstemming met bijbehorende verantwoordelijkheden tussen project en lijnorganisatie in concrete afspraken vast te leggen. 4.2 Professionaliseren kost tijd Aanbeveling 6 : Faciliteer de doorontwikkeling gedurende de komende drie programmajaren. Het RGT is werken met een volledig andere focus dan de Drentse Maat en verlangt een verdere doorontwikkeling op basis van de wettelijke procescriteria. Dit vraagt tijd. Tijd is ook nodig om via de uitvoering ervaring op te doen en data te verzamelen. Voldoende, kwalitatief goede data is een belangrijke randvoorwaarde om risicogericht te kunnen werken. Hierbij moet ook rekening worden gehouden dat een stuk doorontwikkeling van het RGT pas in het dan volgende programmajaar gaat doorwerken en de effecten na dat programmajaar zichtbaar worden. In figuur 5 is deze doorwerking van de doorontwikkeling weergegeven. Het is aan te bevelen direct te starten met de doorontwikkeling. Halverwege het jaar zal het doorontwikkelde deel meegenomen kunnen worden in het jaarprogramma en vervolgens geïmplementeerd kunnen worden in de tweede helft van het jaar, zodat deze bij de start van het programmajaar operationeel is. De resultaten van dat programmajaar zijn weer nodig voor het verder fine tunen van de ontwikkelde werkwijze. Ingeschat wordt daarom dat er minimaal drie programmajaren nodig zijn om te komen tot een duurzaam en volwassen RGT, werkend overeenkomstig met de wettelijke procescriteria. Figuur 5: De wijze van doorwerking van de doorontwikkeling binnen de programmajaren tot en met 2024 Aanbeveling 7: Bepaal na deze drie jaar doorontwikkeling de benodigde uren voor het RGT op een daarbij behorende realistische wijze. Het uitvoeren van het RGT in 2020 wordt budgetneutraal, binnen de financiële kaders, ingevoerd. Dat geeft de vreemde situatie dat de ureninzet eigenlijk nog bepaald is op basis van de Drentse Maat (een locatiebestand uit 2014 op basis van kentallen en bezoekfrequenties) die in de uitvoering en programmering niet meer leidend zijn. De huidige inschatting is dat na drie programmajaren RGT met de daarbij noodzakelijke doorontwikkeling het mogelijk is om een meer realistische raming te geven van de benodigde ureninzet RGT per deelnemer, uitgewerkt in de brancheplannen. Een belangrijk uitgangspunt bij deze raming is het nog te formuleren uniforme uitvoerings- en handhavingsbeleid in Drenthe. 4.3 Heb aandacht voor de kritische succesfactoren Aanbeveling 8 : Monitor de wijze van registratie en stuur bij indien nodig. Om de cirkel rond te krijgen tussen de risicomatrix en brancheplannen enerzijds en de monitoring en evaluatie anderzijds is het van cruciaal belang dat de afgesproken wijze van registratie op een professionele wijze wordt uitgevoerd. Mede uit de data-analyse van Ynformed is gebleken dat de huidige afspraken omtrent de registratie in onvoldoende mate worden nagekomen. Zonder goede data op basis van een eenduidige registratie is het onmogelijk om de uitvoering van het RGT in beeld te brengen, laat staan een antwoord te geven op het behalen van door de deelnemers gestelde doelen. Een gedegen registratie is daarmee een kritische succesfactor voor het RGT. Inmiddels zijn de eerste verbetermaatregelen hiervoor binnen de lijnorganisatie opgestart. Via monitoring zal deze verbetering verder worden gevolgd en waar nodig bijgestuurd. Voor de aansturing vanuit de lijn wordt aanbevolen te gaan werken met heldere meetbare doelen, die per 1 januari 2020 kunnen gaan gelden, zoals: bij minimaal 95% van de checklisten is het zaaknummer gekoppeld aan DC; bij minimaal 95% van de milieulocaties waar een of meerdere overtredingen worden geconstateerd is voorzien van de bijbehorende LHS beoordeling in de checklist; bij minimaal 95% van de milieulocaties waar een of meerdere overtredingen zijn geconstateerd is een hercontrole als zaak opgevoerd in het LOS. Aanbeveling 9: Zorg voor authentieke milieulocaties in het zaaksysteem. Een belemmering binnen de huidige programmering wordt veroorzaakt door het niet op orde zijn van ons locatiebestand. Vanuit het project Locatiebestand op orde wordt op basis van een plan van aanpak gezorgd voor het verder wegwerken (er is al een deel opgeschoond) van dubbele milieulocaties, milieulocaties zonder verdere inhoud en milieulocaties waarvan bekend is dat zij inmiddels niet meer actief zijn. Dit wordt in de eerste helft van 2020 uitgevoerd, waardoor de programmering van het RGT voor 2021 beter kan worden uitgevoerd. Aanbeveling 10: Voorzie iedere milieulocatie in LOS van de bijbehorende SBI-activiteit. De registratie van de SBI-activiteit bij een milieulocatie in ons zaaksysteem is randvoorwaarde voor het kunnen bepalen binnen welke subbranche de betreffende milieulocatie hoort en meedraait in het systeem van RGT. Bij circa 7.000 van de milieulocaties is dit veld leeg of kent een waarde die te algemeen is om de locatie toe te kunnen wijzen aan een subbranche binnen de risicomatrix. In de eerste helft van 2020 zal het bepalen van de juiste SBI-activiteit binnen deze deelverzameling projectmatig worden uitgevoerd binnen het project Locatiebestand op orde. Voor de programmering in 2021 zal dit naar verwachting voor een groot deel opgelost zijn. Aanbeveling 11: Stem de inrichting/registratie van de zaakafhandeling in LOS af op de monitoringswensen. Het onderzoek van Ynformed geeft ook aanleiding om na te gaan of de huidige inrichting van het zaakgericht werken en registreren wel past bij de uitgangspunten van het RGT om juist de resultaten en inzet in beeld te brengen die nodig is geweest om de naleving bij de bedrijven te realiseren. Het gaat dan niet alleen om de inzet in uren, maar ook om de te onderscheiden handhavingsstappen: eerste controle, hercontrole, vooraankondiging, besluit handhaving, toepassing strafrecht, etc. Ook de registratie van klachten verdient in dit kader aandacht, aangezien de klachtenregistratie betrokken is bij de analyse van het nalevingscijfer. Dat betekent dat alle klachten in het LOS geregistreerd moeten worden. Het is van belang te starten met een check of de gewenste informatie op een andere wijze vanuit ons zaaksysteem kan worden gegeneerd. Het oppakken van deze aanbeveling is tevens afhankelijk van de informatiebehoefte van onze deelnemers. 4.4 Maak de nalevingstrategie compleet Het werken op basis van de risicomatrix en haar uitgangspunten is feitelijk het invulling geven aan een nieuwe toezichtstrategie. In figuur 6 wordt dit op basis van de nalevingsstrategie in beeld gebracht. Aanbeveling 12 : Bepaal de wijze van doelgroepanalyse en de bijbehorende verschillende vormen van toezicht. Op het moment dat de naleving in beeld is gebracht is het van belang te analyseren wat de achterliggende redenen zijn voor de niet-naleving om vervolgens daaruit een set van toezichtsvormen de meest geschikte toezichtsvorm voor het stimuleren van de naleving aan te koppelen. Instrumenten voor de doelgroepenanalyse zijn bijvoorbeeld de tafel van 11 en de InterventieKompas (het CCV). Voorbeelden van vormen van toezicht zijn bijvoorbeeld voorlichting, een zelfcontrole, een thematische controle, een verdiepende administratieve controle of hercontroles en handhaving. Door deze stappen uit te werken kan het toezicht vervolgens effectiever georganiseerd worden en in de uitwerking van de brancheplannen worden meegenomen.. Figuur 6: De nalevingsstrategie en de positie van de risicomatrix daarin Aanbeveling 13: Ontwikkel een risicomatrix voor de IPPC-locaties en voer deze in. Voor de milieulocaties met een IPPC-installatie gelden specifiek gestelde bezoekfrequenties vanuit de Mor, die betrekking hebben op het individuele bedrijf in plaats van een branche. Deze bezoekfrequentie moet gebaseerd zijn op de aangewezen indicatoren: de mogelijke milieurisico’s het naleefgedrag de aanwezigheid van een gecertificeerd milieuzorgsystem. Dat maakt het onmogelijk om deze groep binnen de matrix af te wegen en vraagt om maatwerk. Zorg voor de implementatie met aandacht voor registratie op de benoemde indicatoren, zodat deze inzetbaar is voor de programmering vanaf
  4. Aanbeveling 14: Gebruik de mate van naleving op locatieniveau binnen de toezichtstrategie. Bij het interviewen van de bestuurders is in circa 50% van de gesprekken nadrukkelijk al de wens aangegeven om het RGT verder uit te werken op het niveau van de milieulocatie. De risicomatrix is momenteel georiënteerd op de benoemde subbranches. Als de mate van naleving in beeld is gebracht op locatieniveau is er vervolgens een verdieping van het effectgericht werken mogelijk: de wijze van het bepalen van de steekproeven is nu gebaseerd op willekeur maar kan dan op basis van mate van naleving plaatsvinden; bij het inplannen van controlebezoeken van de milieulocaties van een hoog geprioriteerde branche kunnen de milieulocaties met een goede naleving uitgefilterd worden, waardoor weer tijd overblijft om milieulocaties van andere branches te bezoeken; binnen de subbranches behorend bij de procesindustrie komen slechts enkele grote bedrijven per subbranche voor. Bij deze veelal grote bedrijven wordt ook al gewerkt met locatie toegesneden toezichtsplannen. Een uitwerking op locatieniveau is daarom voor deze categorie nu al wenselijk. Een overweging zou kunnen zijn om deze bedrijven vervolgens volledig te monitoren op locatieniveau en niet meer op brancheniveau. Randvoorwaarde voor deze uitbouw is een succesvolle registratie op brancheniveau. Aanbeveling 15: Omschrijf de wijze van samenwerking met onze ketenpartners binnen de systematiek van RGT en betrek hierbij de wijze van gebruik van Inspectieview milieu. Deze uniforme beschrijving kan vervolgens weer worden gebruikt bij de uitwerking van brancheplannen. Binnen Inspectieview Milieu kan bij een locatie worden nagegaan in hoeverre onze ketenpartners bij de betreffende locatie toezicht hebben uitgevoerd en wat daar de resultaten van zijn. Zo kunnen onze aangesloten ketenpartners ook informatie ophalen over onze controleresultaten. Hoewel we als dienst zijn aangesloten op Inspectieview Milieu is het gebruik daarvan nog niet eenduidig geïmplementeerd in de uitvoering van het toezicht en de handhaving. 4.5 Ontwikkel de risicomatrix door Aanbeveling 16: Blijf kritisch op het functioneren van de risicomatrix bij de verdere doorontwikkeling van het RGT. Met de risicomatrix is een eerste stevige aanzet gegeven om risicogericht te kunnen gaan werken. Het is van belang dat deze matrix een goede opbouw kent om op basis van data de juiste conclusies te kunnen stellen. Juist bij de doorontwikkeling is een kritische blik hierop van belang om te komen tot een beproefd model waarop onze deelnemers en onze toezichthouders kunnen vertrouwen. Aanbeveling 17: Test de werking van de draaiknop binnen de matrix uit. De matrix is uitgerust met een extra draaiknop die bedoeld is om tijdens het programmajaar bij te sturen, waardoor transparant wordt gemaakt hoe de bijsturing plaatsvindt en welk effect (vrijkomen van beschikbare uren) het vervolgens heeft. Het is aan te bevelen een dergelijke situatie te simuleren om zo na te gaan of de knop in de praktijk werkt. Aanbeveling 18: Onderzoek een verdere uitbouw van de risicomatrix met onderdelen behorend bij de Omgevingswet. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt het toetsingskader meer integraal en breder en kunnen mogelijk ook andere aspecten betrokken worden bij de effect-kans-risico-beoordeling binnen de matrix. Voorbeelden hiervan zijn natuur (Provincie Drenthe) en gezondheid (GGD). Aanbeveling 19: Maak de risicomatrix sluitend voor de aanwezige subbranches in Drenthe. Het onderzoek op naleving van Ynformed heeft aan het licht gebracht dat niet alle aanwezige subbranches in de risicomatrix zijn ondergebracht. Dit geldt voor 43 subbranches, die in totaal ca. 650 milieulocaties vertegenwoordigen. Deze 650 milieulocaties zullen dus ook ondergebracht en beoordeeld moeten gaan worden in de risicomatrix via een subbranche. Aanbeveling 20: Maak de branche-indeling van de risicomatrix eenduidig. Het onderzoek van Ynformed geeft weer dat milieulocaties met daaraan gekoppeld een bepaalde SBI-activiteit kunnen vallen onder meerdere subbranches binnen de risicomatrix. Gekozen is vervolgens om ze in beide groepen mee te nemen in de analyse. Het is wenselijk om de inrichting meer eenduidig te maken zodat een SBI-activiteit bij 1 subbranche wordt betrokken in de analyse en monitoring Aanbeveling 21: Bepaal of bij de evaluatie van het programmajaar de beoordeling van de matrix alleen het naleefgedrag moet worden bijgewerkt of dat ook de andere indicatoren opnieuw moeten worden beschouwd. Doel van het inzetten van de risicomatrix is om juist daar toezicht te houden waar de risico’s het grootst zijn. Wat betekent dat voor het actueel houden van de matrix? Beweegt de matrix in voldoende mate mee op basis van nieuwe resultaten? Kan worden volstaan met het bijwerken van het nalevingscijfer of dienen alle indicatoren opnieuw beschouwd te worden? Hebben de indicaoren de juiste weging binnen de risicomatrix? Zo is het wenselijk om de indicator Ondermijning kritisch te bekijken. Het Bor zegt hierover in artikel 7.2, lid 5: Het handhavingsbeleid is gebaseerd op een analyse van de problemen die zich kunnen voordoen met betrekking tot de naleving van het bij of krachtens de wet en de betrokken wetten bepaalde in de gevallen waarin de zorg voor de handhaving daarvan aan hen is opgedragen. Uit dit artikel is af te leiden dat ondermijning, voor zover het gaat om milieucriminaliteit een plek zou moeten hebben in de matrix, maar daarmee lijkt de grens voor het meenemen in de matrix vanuit het wettelijk kader bereikt. Het oppakken van ondermijning is een taak voor het bevoegde gezag, het OM en politie. 4.6 Professionaliseer de monitoring, registratie en evaluatie Aanbeveling 22: Maak gebruik van de handreiking: Effecten van toezicht en handhaving meten, 2011, van het centrum voor criminaliteitspreventie en veiligheid (CCV). In deze handreiking wordt de gehele toezicht cyclus behandeld en kan daarmee een bijdrage leveren bij het met voldoende kwaliteit vormgeven van het meten van effecten. Aanbeveling 23: Betrek de mate van naleving van de vergunningplichtige locaties in het nalevingscijfer. De huidige matrix bevat een nalevingscijfer die gebaseerd is op de naleving op basis van het LOS en de naleving op basis van DC. De checklisten van DC zijn gebaseerd op de voorschriften van het Activiteitenbesluit. In DC wordt ook gelijk de beoordeling in het kader van de LHS vastgelegd. Het toezien op de voorschriften van een vergunning werkt echter niet via DC (uitgezonderd de agrarische bedrijven). Daardoor zijn de vergunningplichtige milieulocaties in het nalevingscijfer niet goed vertegenwoordigd. Dat geldt dus ook voor cijfers die betrekking hebben op de registratie van de LHS. Een vergunningplicht betekent al snel dat er een groter risico voor de fysieke leefomgeving geldt dan bij een meldingsplichtige milieulocatie. Er zal gezocht moeten worden naar een manier van registreren waarbij ook de vergunningplichtige milieulocaties evenredig vertegenwoordigd zijn in het nalevingscijfer en de LHS-monitoring. Aanbeveling 24: Standaardiseer de opbouw van de brancheplannen. De risicomatrix wordt als basis gebruikt bij de verdere uitwerking van het toezicht per subbranche. De kernvragen die de basis vormen voor ieder brancheplan in 2020 zijn: wat zijn de bepalende indicatoren voor het risico op milieueffect; hoe sterk speelt ondermijning mee en op welke wijze; hoe sterk speelt de bestuurlijk/maatschappelijk impact mee en op welke wijze; hoe moet bovenstaande doorwerken in de bijbehorende checklisten voor het RGT en de steekproef. Bij het volledig doorlopen van een programmajaar zullen de brancheplannen ook de evaluatieresultaten gaan betrekken. Na volledige doorontwikkeling vormt het brancheplan het transparante kader waarin de beoordeling van de risicomatrix wordt gekoppeld aan de uitvoeringsresultaten. Vervolgens geeft het inzicht in de analyse welke toezichtsvorm voor het betreffende onderdeel het meest effectief is om de naleving te bevorderen. Deze inzet kan ook betekenen dat een aanvullende inzet vanuit een specialisme gewenst is, of dat er eerst een stuk opleiding nodig is. Aanbeveling 25: Overweeg een registratie van de activiteiten vanuit het toekomstige Bal bij de milieulocaties om aan te sluiten bij het centraal zetten van de activiteiten binnen de Omgevingswet. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) behorend bij de omgevingswet geeft per benoemde deelactiviteit voorschriften tot naleving. Het begrip inrichting verdwijnt en de activiteit wordt centraal gezet. Door deze activiteiten te gaan koppelen aan de milieulocaties ontstaat uiteindelijk de mogelijkheid om op een thematisch niveau (deelactiviteit) te analyseren en te programmeren. Interessant wordt het als de ingediende meldingen waarin de gemelde activiteiten worden opgesomd automatisch zouden kunnen worden ingelezen in het LOS. Kanttekening: DC is momenteel al op deelactiviteit ingericht en biedt derhalve al mogelijkheden op het gebied van analyse voor naleving. Programmering op basis van een bepaalde deelactiviteit is met gebruik van DC niet mogelijk Aanbeveling 26: Heroverweeg de wijze waarop het cijfer van de naleving is opgebouwd. Ynformed heeft in samenwerking met de RUD een systematiek gebruikt voor het bepalen van het naleefgedrag. Deze is gebaseerd op twee analyses, een vanuit DC en een vanuit ons zaaksysteem met daar aan vast een berekeningssystematiek. Op het moment dat de indicatoren voor de monitoring en de inrichting van de zaakafhandeling in LOS helder zijn, is het aan te bevelen om nogmaals stil te staan bij de wijze van berekenen. De bepaling van het naleefgedrag dient zo eenvoudig mogelijk te zijn, waardoor we in staat zijn om dergelijke analyses op eigen kracht te verrichten. Aanbeveling 27: Betrek de brancheorganisaties in Drenthe bij de brancheplannen en bij de resultaten aan het eind van het jaar (evaluatie). Het actief betrekken van een vertegenwoordiging vanuit de branches past goed bij het verder professionaliseren van het RGT. 4.7 Risicogericht werken verder uitrollen binnen de uitvoering van onze kerntaken Aanbeveling 28: Werk het risicogericht toezicht voor asbest en bodemtoezicht verder uit. Uit een eerste verkenning is geconstateerd dat ook voor het toezicht op asbest en het bodemtoezicht een vorm van risicogericht toezicht kan worden ontwikkeld. Door dit verder uit te werken is het ook voor deze vormen van toezicht mogelijk om op basis van een transparante risico-inschatting en bijbehorende keuzes het toezicht meer te richten op de elementen/milieulocaties waar de risico’s het grootst zijn. Aanbeveling 29: Ontwikkel een risicomatrix om risicogericht werken onderdeel te laten zijn van de kerntaken van Omgevingsdienst Drenthe. Het is raadzaam om te onderzoeken of risicogericht werken een mogelijkheid is voor de overige kerntaken van de Omgevingsdienst Drenthe. Deze kerntaken zijn belegd bij de teams Advies, Bodem, Juridisch en Vergunningverlening. Aan de hand van een risicomatrix kunnen prioriteiten voor Vergunningverlening worden vastgesteld. Een voorbeeld hiervan zijn de vergunningaanvragen en meldingen, waarbij het niet naleven van de voorschriften leidt (of kan leiden) tot grote schade aan de leefomgeving, de volksgezondheid, de veiligheid en natuur. Deze worden intensiever behandeld dan vergunningaanvragen en meldingen waarbij dit minder is. Met een vergunningenstrategie wordt gestreefd om te komen tot een integrale vergunningverlening die op een efficiënte en gestructureerde wijze vorm wordt gegeven. Ook de kwaliteit van onderzoeksrapporten die bij de teams Bodem en Advies binnen komen is verschillend en is afhankelijk van de kwaliteit van het onderzoeksbureau. Door de focus en inzet te leggen op de rapporten van de onderzoeksbureaus, waarvan bekend is dat de kwaliteit van de rapporten veelal onvoldoende is, wordt invulling gegeven aan risicogericht werken. Bovenliggend effect is dat de opstellers van slechte vergunningaanvragen en onderzoeksrapporten meer aandacht krijgen en dat de kwalitatief goede beloond worden met minder aandacht. Kortom “Doen wat nodig is!”. Aanbevolen wordt om in 2020 de mogelijkheden van risico gericht werken verder te onderzoeken en wanneer mogelijk te verankeren in beleid. 5 Van output naar outcome 5.1 Het kwaliteitsmodel Al ruim voor de oprichting van de RUD Drenthe werd er op basis van de gesloten package deal (juni 2009) nagedacht over de ontwikkeling van outcomecriteria. In de package deal hebben het Ministerie van VROM, het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de VNG afspraken gemaakt over de verbetering van de kwaliteit van de uitvoering van VROM-taken. De kwaliteitsverbetering gebeurt enerzijds door het formuleren van kwaliteitscriteria en anderzijds door het oprichten van regionale uitvoeringsdiensten (RUD’s). Figuur 7: lineair proces model (bron BMC, Eindrapport output en outcomegerichte kwaliteitscriteria) Op 1 november 2010 resulteerde dit in de publicatie Eindrapport Output en Outcome gerichte kwaliteitscriteria, van BMC in opdracht van de VNG/IPO/VROM. Dit rapport vormt samen met de Handleiding implementatie output- & outcomecriteria (2012, VNG) een mooi vertrekpunt om het meten van outcome-resultaten ter hand te nemen. De term outcome is gerelateerd aan het procesmodel, waarin de vijf verschillende invalshoeken wat betreft het leveren van de beoogde kwaliteit in afhankelijkheid met elkaar staan weergegeven. De figuur is inmiddels al wel wat verouderd wat betreft de grondslag van de criteria. Zo zijn de procescriteria inmiddels opgenomen in wet (Wabo, Bor en Mor). Wat betreft de kritieke massa is inmiddels een Kwaliteitscriteria 2.2 geldig, die zich toespitst op de kritieke massa nodig binnen een organisatie. In het kort worden de verschillende termen hieronder toegelicht. Input: Is de organisatie voldoende deskundig, is zij berekend op de taken die zij moeten uitvoeren, is de transparantie goed geborgd? Wat is kwaliteit van de organisatie als geheel? Wat moeten wij hiervoor doen en wat hebben we nodig? Wat is de inzet? Hoeveel uren wordt er besteed, worden de uren geleverd, blijven deze binnen het budget? Hoe wordt de inzet bepaald voor de VTH-taken? Throughput: Hoe is het verloop van de processen waarbinnen producten en diensten tot stand komen? Bijvoorbeeld: Op welke wijze worden de bedrijven geselecteerd voor de jaarprogrammering? Hoe wordt een milieucontrole uitgevoerd? Wat is de responstijd op klachten? Wat is de gemiddelde doorlooptijd van de afhandeling van een vergunningaanvraag en van een verzoek tot handhaving? Output: Wat is er te zeggen over de realisatie en kwaliteit van vooraf afgesproken producten en diensten? Deze worden in de regel uitgedrukt in kwantitatieve eenheden die aan bepaald

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.