← Nederland

Integrale uitvoeringsregels debiteuren ISD Bollenstreek 2023 (Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD) Bollenstreek)

In het kort

Deze uitvoeringsregels beschrijven hoe de Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD) Bollenstreek omgaat met het terugvorderen en innen van onterecht ontvangen uitkeringen en voorzieningen, en het opleggen van boetes. Ze vullen eerder vastgestelde beleidsstukken aan door de repressieve kant van handhaving uit te werken.

Wat het reguleert

Wie het betreft

Kernpunten

Wettekst

Integrale uitvoeringsregels debiteuren ISD Bollenstreek 2023Inleiding In de afgelopen tijd zijn de handhavingsverordening 2019 en het handhavingsbeleidsplan 2020-2023 vastgesteld. In deze twee stukken zijn de belangrijkste uitgangspunten genoemd die gehanteerd worden voor het concept hoogwaardige handhaving in het kader van fraude of oneigenlijk gebruik van voorzieningen. In deze stukken is voornamelijk de preventieve kant van handhaving in onze dienstverlening beschreven. In de actualisering van het debiteurenbeleidsplan werken we de repressieve kant van de handhaving verder uit. Het sluitstuk van het handhavingsbeleid is de feitelijke sanctionering en (waar mogelijk) terugvordering en invordering. Als de belanghebbende ondanks vroegtijdige voorlichting en een goede dienstverlening toch de fout in gaat, passen we een “lik op stuk” beleid toe waarbij we maatwerk toepassen. De regels die hierin terug te vinden zijn, zijn bedoeld als uitvoeringsregels als uitwerking en vervolg op de handhavingsverordening en het handhavingsbeleidsplan. Omdat genoemde beide stukken integraal zijn opgezet, worden ook de uitvoeringsregels integraal opgezet, voor zover dit mogelijk is. In dit stuk vindt u de uitvoeringsregels voor terug- en invordering in de Participatiewet (Pw), IOAW, IOAZ, en Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). De Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) kent geen grond voor terugvordering. Omdat dit een integraal stuk betreft, wordt handhaving op dit gebied ook benoemd, meer specifiek gaat het om beëindiging of weigering van (toegang tot) de schuldhulpverlening. Het onderdeel Verhaal is alleen van toepassing op de Pw, IOAW en IOAZ, en het onderdeel boete alleen op de Pw. Deze hoofdstukken zijn dus in het verlengde van het hoofdstuk Pw, IOAW, IOAZ opgenomen. Omdat de grondslagen voor terugvordering en de wijze van invordering tussen de wetten onderling verschillen, worden de algemene bepalingen integraal opgenomen. Als het specifieker wordt, vraagt elke individuele wet om nadere uitwerking. Er is dan ook na de algemene bepalingen een uitwerking voor iedere wet opgenomen, voor zover nodig. Aan het einde van ieder hoofdstuk wordt per artikel de toepassing in de praktijk en uitwerking nader toegelicht. Vanaf 1 januari 2021 wordt de Wet Vereenvoudiging beslagvrije voet van toepassing. Deze wet regelt een gemakkelijkere berekening van de beslagvrije voet. Gemeenten zijn opgeroepen om op de invoering alvast te anticiperen1Gemeentenieuws van SZW, 2019-4, wat tot uiting komt in de 95% regel bij vaststelling van de afloscapaciteit2Bij vorderingen op personen met een lopende uitkering, wordt in principe 95% van de bijstandsnorm voor een alleenstaande of gehuwden gehanteerd als beslagvrije voet. Hiertoe is onder andere het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aangepast, waarnaar wordt verwezen in deze uitvoerende uitvoeringsregels. Wettelijk kader Op grond van artikel 58 van de Participatiewet (Pw) kan het dagelijks bestuur dat de bijstand heeft verleend de kosten van bijstand terugvorderen. Een gelijksoortige bepaling is sinds invoering van de Wet bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (Wet BUIG) opgenomen in de IOAW en IOAZ3Artikel 25, van de IOAW alsmede artikel 25 van de IOAZ.. Terugvordering is in dat kader een aan het dagelijks bestuur toekomende bevoegdheid en het dagelijks bestuur kan deze bevoegdheid nader inkaderen door middel van uitvoeringsregels. Artikel 18a van de Participatiewet bevat bepalingen over de bestuurlijke boete, evenals artikel 20a van de IOAW en de IOAZ. In deze uitvoeringsregels wordt nader ingegaan op de uitwerking van de overweging en oplegging van de boete, en op uitzonderingsmogelijkheden. Artikelen 61 tot 62i van de Participatiewet geven de bevoegdheden van het dagelijks bestuur weer om de kosten van bijstand te verhalen op een derde. In deze uitvoeringsregels wordt ook deze bevoegdheid uitgewerkt. Artikel 2.4.1 van de Wmo biedt de bevoegdheid om een voorziening terug te vorderen, in artikel 9 van de Verordening(

  1. en)maatschappelijke ondersteuning en hoofdstuk 14 van de uitvoeringsregels is deze bevoegdheid verwerkt. In deze uitvoeringsregels wordt nader ingegaan op de uitwerking van de bevoegdheid, wanneer er wordt teruggevorderd, wanneer niet, en hoe wordt vormgegeven aan de terugvordering. Uitgangspunten terugvorderings- en invorderingsbeleid Bij het formuleren van de uitvoeringsregels hebben we de volgende uitgangspunten gehanteerd: Hoofdregel is dat teveel/ten onrechte verstrekte bijstand volledig wordt teruggevorderd en ingevorderd. De schuld moet dus in principe volledig worden terugbetaald. Eigen verantwoordelijkheid van de burger staat voorop. Er wordt integraal gekeken naar een casus, dat wil zeggen dat in de aspecten terugvordering, terugbetaling, uitstel van betaling, etc. rekening wordt gehouden met alle leefgebieden. Bijvoorbeeld, een terugvordering moet niet een schuldregeling doorkruisen. Er wordt wel in zekere mate rekening gehouden met efficiency en effectiviteit (kosten-baten-afweging). Zo is het bij ‘kruimelbedragen’ onder voorwaarden mogelijk om af te zien van terug- en invorderen van niet-fraudevorderingen. ‘Zacht waar het kan, hard waar het moet’ waar mogelijk binnen de huidige wetgeving. Fraude wordt streng aangepakt, en niet-verwijtbare vorderingen minder streng; bijvoorbeeld door het hanteren van hogere of lagere aflossingsnormen. Bij invordering wordt rekening gehouden met het belang van activering naar werk (werken lonend maken). Een debiteur moet een prikkel houden om uit te stromen uit de bijstand, uitzicht hebben op een inkomensverbetering. Een vordering moet uitstroom niet belemmeren. Van een inkomensverbetering zal feitelijk geen sprake zijn, als de volledige beslagvrije ruimte (ook na uitstroom uit bijstand naar werk) wordt gebruikt om een vordering af te lossen. Om te voorkomen dat een vordering een belemmering vormt om uit te stromen uit de bijstand naar werk, hoeft daarom na uitstroom uit de uitkering naar werk in beginsel niet de volledige beslagvrije ruimte benut te worden voor aflossing van de vordering. Ook bij invordering moet maatwerk voorop staan. De ISD zal een goede balans moeten vinden tussen de belangen van de ISD als schuldeiser, de belangen van de burger als schuldenaar en het maatschappelijk belang. De te maken afweging van deze belangen zal altijd individueel maatwerk zijn. Soms kunnen burgers financieel in de knel komen. Vanuit het maatschappelijk belang is niet alleen strenge handhaving belangrijk, maar zal ook oog moeten blijven bestaan voor de persoonlijke situatie van de debiteur (integraal werken; rekening houden met bijv. uitstroom / armoedebeleid / schuldhulpverlening). En in bijzondere gevallen is afwijking van de uitvoeringsregels mogelijk op basis van de individuele omstandigheden van een debiteur en de aard van (het ontstaan van
  2. de)vordering, mits dit goed gemotiveerd is. Voor terug- en invordering geldt dat een duidelijke communicatie met de debiteur noodzakelijk is. Dit kan bijdragen aan de bereidheid van een debiteur om een vordering te betalen. Zo wordt er alvorens een besluit tot terugvordering wordt genomen, contact opgenomen met de klant. Verder worden brieven en beschikkingen terugvordering en invordering in eenvoudige, heldere bewoordingen opgesteld. Hoofdstuk1Algemene bepalingen Artikel1.Begrippen (Pw, IOAW, IOAZ, Wmo, Wgs) 1.In deze uitvoeringsregels wordt verstaan onder: Awb: de Algemene wet bestuursrecht; Bbz: het Besluit bijstandverlening 2004 (een algemene maatregel van bestuur) Bedrijfskapitaal: bijstand in de vorm van een rentedragende geldlening of direct “om niet” verstrekt op grond van de artikel 22 en 26 Bbz 2004. Bruteren: het verhogen van de vordering met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de uitkering verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het dagelijks bestuur af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen; BW: Burgerlijk Wetboek Dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek De wetten: de in dit artikel genoemde wetten en regelingen Fraudevordering: vordering in verband met ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende uitkering door het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht; Inlichtingenplicht PW/IOAW/IOAZ: verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid van de PW, artikel 13, eerste lid van de IOAW, artikel 13, eerste lid van de IOAZ en artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen; Inlichtingenplicht Wmo: verplichting genoemd in artikel 2.3.8 van de Wmo Inlichtingenplicht Wgs: verplichting genoemd in artikel 6 van de Wgs Inlichtingenplicht Bbz: de verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid, van de PW, en artikel 38 Bbz 2004. IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers; IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; Maatwerkvoorziening: een op de persoonlijke situatie afgestemd geheel van zorg en diensten Pgb: Persoonsgebonden budget; een budget waarmee mensen zelf de zorg inkopen die zij nodig heben Pw: de Participatiewet Schuldregeling: bij een schuldregeling bemiddelt de schuldregelende instelling tussen de schuldenaar en zijn schuldeisers om een minnelijke regeling van de totale schuldenlast te bewerkstelligen; Uitkering: de door het dagelijks bestuur verleende bijstand in het kader van de PW, Bbz, IOAW en IOAZ; Wgs: de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening Wmo: de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 Zorgaanbieders: instellingen en beroepskrachten die zorg en/of hulpverlening leveren 2.Alle begrippen die in deze uitvoeringsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wetten en de daarop berustende regelingen, alsmede in de Algemene wet bestuursrecht en het Burgerlijk Wetboek. Artikel2.Voor wie zijn deze regels? (Pw, IOAW, IOAZ, Wmo, Wgs) Deze uitvoeringsregels gelden voor herzieningen, intrekkingen, beëindigingen en terugvorderingen als gevolg van de wetten en op vorderingen door onverschuldigde betaling (als in artikel 6:203 e.v. BW), als er in de wetten en regelingen niet dwingend anders is bepaald. Artikel3.Uitgangspunten van het debiteurenbeleid (Pw, IOAW, IOAZ, Wmo, Wgs) 1.Het dagelijks bestuur neemt een besluit tot terugvordering, intrekking of beëindiging van een uitkering of voorziening volgens de regels van de wet, de Handhavingsverordening 2019 en het Handhavingsbeleidsplan 2020-2023 2.Het dagelijks bestuur maakt gebruik van de bevoegdheid om bijstand te verhalen op derden. 3.Het dagelijks bestuur houdt bij de terug- en invordering rekening met de hoogte van het inkomen, bestaande verplichtingen en individuele omstandigheden. 4.Het dagelijks bestuur maakt gebruik van de bevoegdheid om af te zien van (verdere) terugvordering en verhaal. 5.Het dagelijks bestuur maakt een inzichtelijk en niet te bewerkelijk verhaals-, terug- en invorderingsbeleid. 6.Voor de debiteur moet het aantrekkelijk zijn een minnelijke regeling aan te gaan zodat de ISD Bollenstreek niet tot dwanginvordering over hoeft te gaan. 7.Fraude mag niet lonen. 8.Het dagelijks bestuur streeft ernaar schulden zoveel mogelijk binnen een redelijke termijn te laten terugbetalen. Artikel4.Hoorrecht (Awb, Pw, IOAW, IOAZ, Wmo, Wgs) Voordat een besluit tot terugvordering of beëindiging wordt genomen, wordt de belanghebbende gevraagd om zijn zienswijze te geven. Artikel5.Bevoegdheid (Pw, IOAW, IOAZ, Wmo, Wgs) Het dagelijks bestuur kan en mag als dat nodig is (en voor zover de wet dit niet verplicht): een toekenningsbesluit beëindigen, weigeren, herzien of intrekken; onterecht verleende uitkeringen, voorzieningen en gelden zoals vermeld in de wetten terug-, invorderen en indien mogelijk verrekenen, tenzij in deze uitvoeringsregels anders is bepaald; een recht van hypotheek- of pandovereenkomst vestigen als zekerheid voor terugbetaling van de verstrekte uitkering ingevolge de Pw, IOAW of IOAZ. Artikelsgewijze toelichting Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Toelichting op artikel 1 Om te voorkomen dat de betekenis van de begrippen van de PW, IOAW, IOAZ, Wmo en Wgs en de uitvoeringsregels uiteen lopen is in het eerste lid een algemene verwijzing naar de begrippen opgenomen. Waar genoemde wetten geen begripsomschrijving geven, geven de uitvoeringsregels deze. In het tweede lid wordt aangegeven dat aangesloten wordt bij de begrippen in de wetten, voor zover deze niet in de uitvoeringsregels staan. Toelichting op artikel 2 In artikel 2 wordt benoemd wanneer deze regels van toepassing zijn. De regels gelden voor het herzien of intrekken van een besluit, een terugvordering of beëindiging en de invordering van de vordering, allen besluiten die op grond van de wetten en deze regels zijn genomen. De wetgever zegt in artikel 4:84 Awb, dat besluiten volgens uitvoeringsregels worden genomen, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Er moet dus altijd wel een afweging worden gemaakt, waaraan verder uitwerking wordt gegeven in de volgende hoofdstukken. Een vordering kan ook ontstaan wegens onverschuldigde betaling, zoals bedoeld in artikel 6:203 BW. Toelichting op artikel 3 Als het gaat om debiteuren en terugvorderingen zijn de uitgangspunten voor iedere wet hetzelfde. De uitgangspunten sluiten aan bij de gestelde kaders in de Handhavingsverordening en het Handhavingsbeleidsplan en behoeven hier geen nadere toelichting. Lid 4: Er kan worden kwijtgescholden, tenzij in de wet anders is bepaald. De bevoegdheid tot zogenaamde kwijtschelding, (het gedeeltelijk of geheel afzien van verdere invordering of het afzien van terugvordering) is, naast de artikelen in de Participatiewet, neergelegd in artikel 4:94a Awb. Hier kan gebruik van worden gemaakt als terugvordering nadelige gevolgen heeft, die niet evenredig in verhouding staan tot het te dienen doel van de terugvordering. De afweging hiervan is maatwerk, en moet op individuele omstandigheden afgestemd worden. De bevoegdheid geldt alleen voor zover niet anders is bepaald in de wet (bijvoorbeeld de Pw). Dit betekent dat de nieuwe kwijtscheldingsbevoegdheid bij vorderingen in verband met schending van de inlichtingenplicht, niet kan worden toegepast. Toelichting op artikel 4 Voordat een besluit tot terugvordering wordt genomen, wordt aan belanghebbende de mogelijkheid geboden om zijn zienswijze kenbaar te maken. Het vooraf informeren van belanghebbende kan er voor zorgen dat er draagvlak ontstaat voor het besluit tot terugvordering, waardoor het indienen van een bezwaarschrift voorkomen kan worden. Daarnaast kan er op basis van de informatie van de belanghebbende een juiste belangenafweging gemaakt worden. Er kan een tijdsbesparing worden gerealiseerd door direct een betalingsregeling overeen te komen, die in de beschikking kan worden opgenomen. Daarbij wordt ook nog opgemerkt dat het vragen naar de zienswijze van de belanghebbende, en de vermelding van deze zienswijze in het besluit, een formele verplichting is op grond van de Algemene wet bestuursrecht (artikel 4:8 Awb). Deze lijn wordt reeds gehanteerd door de ISD Bollenstreek in het kader van beschikkingen tot afwijzing van een aanvraag (artikel 4:7 Awb). Als de belanghebbende niet op de kennisgeving reageert (of indien het telefonisch contact niet tot stand komt) wordt het besluit tot terugvordering genomen zonder de zienswijze van de belanghebbende te melden. Dit laat onverlet dat er een belangenafweging moet worden gemaakt. Deze vindt dan plaats op basis van alle bij de ISD Bollenstreek bekende informatie (zoals de informatie uit het klantdossier. De afweging blijft maatwerk. Als het gaat om een klein bedrag bij een beëindiging, die bijvoorbeeld met het nog uit te betalen vakantiegeld kan worden verrekend, is het voorstelbaar dat zo’n verrekening zonder hoor plaatsvindt. Toelichting op artikel 5 Hoofdregel Dit artikel bevat de hoofdregel, oftewel de wijze waarop in beginsel gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid tot beëindiging, weigering, herziening en intrekking. Verder wordt ook gebruik gemaakt van de bevoegdheid tot terugvordering en invordering van voorzieningen of uitkeringen die onterecht zijn betaald. Dit geldt voor alle genoemde wetten en is een algemeen uitgangspunt. Daarnaast wordt (uiteraard) uitvoering gegeven aan de wettelijke verplichting tot terugvordering van de zogenaamde fraudevorderingen in de Pw, IOAW en IOAZ. Ook wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een zekerheid te stellen bij een terugvordering op grond van deze 3 wetten. Dit geldt niet voor de Wmo of Wgs, maar omdat het een algemene bepaling betreft is deze wel opgenomen in dit artikel. Hoofdstuk2Debiteuren Participatiewet, IOAW, IOAZ §2.1Terugvorderen algemeen Artikel6.Wanneer wordt teruggevorderd als er geen sprake is van fraude? De ISD Bollenstreek vordert de kosten van bijstand verstrekt ingevolge de Pw, IOAW of IOAZ terug als: de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend om een andere reden dan het schenden van de inlichtingenplicht; de bijstand in de vorm van een geldlening is verleend en de uit deze lening voortkomende verplichtingen niet of niet behoorlijk worden nagekomen; de bijstand op grond van artikel 52 Pw als voorschot is verleend en daarna is vastgesteld dat geen recht op bijstand bestaat; de bijstand onverschuldigd is betaald en belanghebbende: dit had kunnen begrijpen naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend, over in aanmerking te nemen middelen (als bedoeld in paragraaf 3.4 Pw) beschikt of kan beschikken bijstand heeft gekregen voor een bepaalde bestemming en naderhand door de belanghebbende tegemoetkomingen of vergoedingen worden ontvangen voor dezelfde bestemming Artikel7.Uitzonderingen op basis van gerechtelijke uitspraken 1.De ISD Bollenstreek vordert een uitkering alleen terug, binnen 6 maanden nadat er een signaal is binnengekomen waaruit blijkt dat er geen of minder recht is op een uitkering (zesmaanden jurisprudentie). Dit geldt niet als belanghebbende de inlichtingenplicht niet is nagekomen. Onder een signaal wordt verstaan relevante informatie waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van een dusdanige fout, dat de ISD Bollenstreek op grond daarvan actie zou moeten ondernemen. 2.De ISD Bollenstreek matigt de terugvordering als deze het gevolg is van een te hoog vermogen, en belanghebbende dit niet heeft gemeld. De terugvordering is in dit geval het bedrag dat niet zou zijn verstrekt als belanghebbende het vermogen wel zou hebben gemeld. Artikel8.Terugvordering van fraudevorderingen De ISD Bollenstreek vordert de vorderingen volledig terug die als gevolg van het niet nakomen van een verplichting zijn ontstaan, zoals vermeld in de Pw, IOAW en IOAZ. Artikel9.Brutering 1.Bij niet tijdige betaling van de terugvordering verhoogt de ISD Bollenstreek de vordering met de kosten voor loonbelasting en de premies volksverzekeringen. 2.De ISD Bollenstreek ziet af van brutering als de vordering niet door de belanghebbende is ontstaan, en hem niet kan worden verweten dat de betaling van de vordering niet binnen het kalenderjaar waarop de vordering betrekking heeft is voldaan4Zie ECLI:NL:CRVB:2007:BB0561. Artikel10.Wat staat er in het terugvorderingsbesluit? In het besluit tot terugvordering staat in ieder geval: de reden waarom wordt teruggevorderd; de wettelijke basis van de terugvordering; het bedrag dat wordt teruggevorderd en (indien van toepassing) de periode waarover de bijstand wordt teruggevorderd; of er netto of bruto wordt teruggevorderd en of de (restant)vordering in het volgende kalenderjaar wordt gebruteerd; de termijn waarbinnen het teruggevorderde bedrag betaald moet zijn of de betalingsafspraken. §2.2Geheel of gedeeltelijk afzien van (verdere) terugvordering in de Pw, IOAW en IOAZ Artikel11.Wanneer kan worden besloten niet terug te vorderen? 1.Als er zeer dringende redenen aanwezig zijn, kan de ISD Bollenstreek besluiten helemaal of gedeeltelijk niet (verder) terug te vorderen5Zie artikel 58 lid 8 Pw en ECLI:NL:CRVB:2016:952 (invulling begrip dringende redenen). 2.De ISD Bollenstreek kan besluiten niet terug te vorderen als het bedrag van de terugvordering niet boven de € 125,00 netto per jaar ligt en: de terugvordering niet is ontstaan door een schending van de inlichtingenplicht en verrekening met een lopende uitkering niet mogelijk is §2.3Afzien van terugvordering na een bepaalde periode of na het voldoen aan de betalingsverplichting Artikel12.Wanneer kan worden besloten om niet (verder) terug te vorderen bij niet fraudevorderingen? De ISD Bollenstreek kan besluiten om niet terug te vorderen of niet verder terug te vorderen als de belanghebbende: voor een periode van vijf jaar de betalingsafspraken is nagekomen en tenminste 75% van de vordering is betaald; of voor een periode van vijf jaar niet de betalingsverplichting is nagekomen, maar het achterstallige bedrag en de bijkomende kosten van invordering alsnog heeft betaald en ten minste 75% van de vordering is betaald; of voor een periode van tien jaar niets heeft betaald en de verwachting is dat de betalingsafspraken in de toekomst ook niet zullen worden nagekomen. Artikel13.Schriftelijk of ambtshalve In principe wordt een besluit zoals omschreven in artikel 12 onder a of b alleen genomen als de belanghebbende daar schriftelijk om heeft gevraagd. Een besluit in artikel 12 onder c en genoemd in de aanhef kan alleen ambtshalve worden genomen. Artikel14.Wanneer kan er niet worden afgezien van terugvordering? Er kan niet afgezien worden van terugvordering als vorderingen: het gevolg zijn van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid; gedekt zijn door een pand- of hypotheekrecht op een goed of goederen, tenzij ze niet op de goederen verhaald kunnen worden; een gevolg zijn van een verstrekte geldlening en de aflosverplichtingen van die lening niet volgens afspraak worden nagekomen6Zie ook artikel 58 Pw aanhef en onder b.; ontstaan zijn door een onverschuldigde betaling van kosten van bijstand7Artikel 58 lid 2 aanhef en onder f Pw, en artikel 25 lid 3 van de IOAW en IOAZ. Artikel15.Intrekken besluit tot afzien van terugvordering Als de belanghebbende verkeerde of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zouden hebben geleid, wordt het besluit tot afzien van (verdere) terugvordering (artikel 11 en 12) ingetrokken. Artikel16.Wanneer wordt er niet teruggevorderd bij fraude-vorderingen? Voor fraudevorderingen geldt dat artikel 11 en 12 niet van toepassing zijn. Bij fraudevorderingen kan er alleen worden afgezien van (verdere) terugvordering als er 10 jaar geen betalingen zijn ontvangen en niet de verwachting is dat er nog betalingen zullen worden gedaan8Artikel 58, zevende lid aanhef en onder c PW respectievelijk artikel 25, zesde lid aanhef en onder c van de IOAW en IOAZ.. Artikel17.Hoofdelijke aansprakelijkheid Voor de besluiten genoemd in deze paragraaf, geldt dat alleen de persoon waar het besluit aan is gericht, een vordering niet hoeft terug te betalen. Andere personen die aansprakelijk zijn voor dezelfde vordering, blijven verplicht om deze te betalen (tenzij ook aan hen een besluit tot afzien van terugvordering is gericht), zoals genoemd in artikel 59 Pw en artikel 26 IOAW en IOAZ. §2.4Schuldregeling Artikel18.Geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering bij schulden 1.De ISD Bollenstreek werkt ten aanzien van een vordering in het kader van de Pw, IOAW of IOAZ mee aan een schuldregeling als: de verwachting is dat de belanghebbende zijn schulden niet meer zal kunnen aflossen; te verwachten is dat een schuldregeling met alle andere schuldeisers zonder medewerking van de ISD Bollenstreek niet opgezet kan worden; en aan de vordering van de ISD Bollenstreek ten minste net zoveel zal worden terugbetaald als aan de andere schuldeisers van dezelfde rang. 2.Lid 1 is niet van toepassing als: er een vordering is ontstaan door het zich opzettelijk of door grove schuld niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht en hiervoor een bestuurlijke boete is opgelegd of aangifte is gedaan op grond van het Wetboek van Strafrecht9Artikel 60c van de PW en artikel 29a van de IOAW en IOAZ; de terugvordering het gevolg is van verwijtbaar gedrag door de belanghebbende, of de vordering gaat om bijstand die is verstrekt als lening (artikel 48 lid 2 aanhef en onder b Pw); de vordering gedekt wordt door een pand- of hypotheekrecht op een goed of goederen, behalve als de vordering niet op die goederen verhaald kan worden. 3.De beslissing om mee te werken aan een schuldregeling wordt ingetrokken als: de schuldregeling volgens de eisen van lid 1 niet tot stand is gekomen binnen zes maanden nadat de beslissing tot medewerking is genomen; of verkeerde of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. §2.5De invordering in de Pw, IOAW en IOAZ §2.5.1De betalingsverplichting Artikel19.De invordering De ISD Bollenstreek zorgt ervoor dat de invordering tegelijk met de afgifte van het terugvorderingsbesluit start. Daarbij wordt de wettelijke betalingstermijn van zes weken gehanteerd (artikel 4:87 Awb). Artikel20.Wat staat er in het invorderingsbesluit? Het invorderingsbesluit wordt tegelijk met het terugvorderingsbesluit afgegeven. Hierin staat in ieder geval: de hoogte van (het saldo van) de vordering; de betalingsverplichting om de hele vordering te betalen; de betalingstermijn en de datum waarop de betalingsafspraak of –verplichting ingaat; als de belanghebbende een uitkering van de ISD Bollenstreek ontvangt: dat er tot verrekening wordt overgegaan, en de hoogte van de verrekening wat tot uiting komt in een percentage van de bijstandsnorm; dat de kosten van invordering aan belanghebbende worden doorberekend als moet worden overgegaan tot beslaglegging. Artikel21.Verrekening van een vordering of boete met een uitkering 1.De ISD Bollenstreek start, als het kan, meteen na afgifte van het besluit tot terugvordering met verrekening van de vordering met een uitkering Pw, IOAW of IOAZ die door de ISD Bollenstreek wordt verstrekt10Artikel 60a lid 4 Pw. 2.Als de belanghebbende een uitkering van de ISD Bollenstreek ontvangt en: een bestuurlijke boete moet betalen aan de ISD Bollenstreek en een vordering (fraude of niet-fraude) moet betalen aan de ISD Bollenstreek verrekent de ISD Bollenstreek in principe eerst de bestuurlijke boete met de uitkering van belanghebbende11Artikel 18a lid 1 Pw, artikel 20a IOAW en IOAZ, artikel 58 lid 1 en 2 Pw, artikel 25 IOAW IOAZ,. 3.Uitzondering op lid 2 is als de terugvordering gebruteerd zou worden als de vordering niet voor 31 december van dat jaar is terugbetaald. §2.5.2Vaststelling van de hoogte van het maandelijkse verrekeningsbedrag van belanghebbenden mèt een uitkering PW, IOAW of IOAZ Artikel22.De hoogte van het maandelijkse verrekeningsbedrag van belanghebbenden met een uitkering Pw, IOAW of IOAZ 1.Als belanghebbende een uitkering ontvangt op grond van de Pw, IOAW of IOAZ, is de hoogte van het te verrekenen bedrag uit artikel 20 in principe 95% van de geldende bijstandsnorm, zoals genoemd in artikel 475 da van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikelen 475db tot en met 475e WvBR zijn ook van toepassing. 2.Als de belanghebbende een uitkering op grond van de Pw, IOAW, of IOAZ ontvangt van een andere gemeente, of een uitkering voor levensonderhoud ontvangt van de SVB of het UWV, kan de ISD Bollenstreek aan die andere gemeenten, het UWV of het SVB verzoeken om de aflossing van de vordering uit de uitkering van belanghebbende aan de ISD Bollenstreek te betalen (pseudo verrekening zoals in artikel 60a Pw). De aflosverplichting wordt volgens lid 1 vastgesteld. §2.5.3Vaststelling van de duur en de hoogte van de maandelijkse afloscapaciteit van belanghebbenden die géén recht (meer) hebben op een uitkering PW, IOAW of IOAZ Artikel23.De hoogte van het maandelijkse aflossingsbedrag van belanghebbenden zonder een uitkering Pw, IOAW of IOAZ 1.Nadat een uitkering is beëindigd of ingetrokken vanwege uitstroom naar arbeid wordt de hoogte van de maandelijkse afloscapaciteit zo snel mogelijk vastgesteld. De aflosverplichting is in principe: voor fraudevorderingen12Artikel 58, eerste lid van de PW en artikel 25, eerste lid van de IOAW en IOAZ: 50% van de ruimte boven de beslagvrije voet volgens de berekening in artikel 475d tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor niet-fraudevorderingen (overige vorderingen13) 45% van de ruimte boven de beslagvrije voet volgens de berekening in artikel 475d tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 2.Als de belanghebbende, nadat hierom gevraagd is, niet de informatie heeft gegeven die nodig is voor de genoemde berekening, geldt geen beslagvrije voet totdat de informatie alsnog gegeven is14Artikel 18a, achtste lid van de PW en artikel 60, eerste lid van de PW jo artikel 60, zesde lid van de PW en artikel 20a, achtste lid van de IOAW/IOAZ en artikel 27 en 28, zesde lid van de IOAW/IOAZ.. 3.Nadat een uitkering is beëindigd of ingetrokken vanwege een andere reden (niet arbeid) wordt de hoogte van de maandelijkse afloscapaciteit zo snel mogelijk vastgesteld. De aflosverplichting is in principe het bedrag waar ruimte voor is volgens de berekening in artikel 475d tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 4.Als de belanghebbende, nadat hierom gevraagd is, niet de informatie heeft gegeven die nodig is voor de genoemde berekening, geldt geen beslagvrije voet totdat de informatie alsnog gegeven is15Artikel 18a, achtste lid van de PW en artikel 60, eerste lid van de PW jo artikel 60, zesde lid van de PW en artikel 20a, achtste lid van de IOAW/IOAZ en artikel 27 en 28, zesde lid van de IOAW/IOAZ.. 5.Als er een andere partij dan de ISD Bollenstreek beslag heeft gelegd, kan de aflosverplichting voor alle vorderingen worden bepaald op de gehele beslagruimte volgens de regels van artikel 475da van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 6.Voor debiteuren zonder uitkering van de ISD, is de periode van overgang naar de nieuwe berekening van de beslagvrije voet uiterlijk tot en met 31 december 2021. Artikel24.Vermogen 1.De ISD Bollenstreek kan de aflosverplichting die is vastgesteld volgens artikelen 21 en 22 verhogen met het vermogen van belanghebbende, als dit vermogen hoger is dan 1,5 maal de voor de belanghebbende geldende bijstandsnorm16Gelijk gesteld aan de vermogensgrens in het bijzondere bijstandsbeleid. 2.Bij de vaststelling van het vermogen van belanghebbende: geldt artikel 34 lid 1 Pw, maar worden de vorderingen van de ISD Bollenstreek niet meegerekend in de vermogensvaststelling geldt artikel 34 lid 2 onder a en d van de Pw. §2.5.4Wijziging van de betalings- of aflosverplichting Artikel25.Uitstel van betaling (art. 4:94 Awb) 1.Als belanghebbende een gemotiveerd verzoek doet tot uitstel van betaling dan kan deze zonder onderzoek door het dagelijks bestuur toegekend worden als: aan belanghebbende in de periode van 24 maanden voor het verzoek niet eerder een uitstel van betaling is toegekend en; duidelijk is gemaakt dat belanghebbende tijdelijk in omstandigheden verkeert waardoor de aflossing (tijdelijk) niet kan worden nagekomen; het uitstel van betaling niet langer duurt dan drie maanden. 2.In alle overige gevallen vindt onderzoek plaats. 3.Verder kan uitstel van betaling worden verleend als er sprake is van zeer dringende redenen die het uitstel noodzakelijk maken. 4.Gedurende het uitstel zal er niet worden aangemaand of ingevorderd. 5.De bevoegdheid tot verrekening (art.4:93 Awb en art 60 Pw) blijft wel bestaan. 6.De termijn waarvoor het uitstel geldt wordt vastgelegd in een beschikking tot uitstel van betaling. Aan deze beschikking kunnen voorwaarden worden verbonden, zoals een betalingsregeling of een verplichting tot het stellen van zekerheid (art. 4:94 Awb). 7.De maximale termijn voor het verlenen van uitstel bedraagt 12 maanden. 8.Als er sprake is van vermogen boven de vermogensgrenzen uit artikel 34 Pw, wordt als voorwaarde aan het uitstel verbonden dat dit vermogen boven de vermogensgrens eerst moet worden aangewend voor aflossing van de vordering. 9.Uitstel van betaling wordt niet verleend als belanghebbende een uitkering van de ISD Bollenstreek ontvangt en de vordering is ontstaan als gevolg van het schenden van de inlichtingenplicht (fraudevordering). 10.Uitstel van betaling wordt in principe niet verleend als belanghebbende een uitkering ontvangt en er ruimte is voor verrekening. Artikel26.Weigeren herziening of uitstel van betaling 1.Een verzoek tot uitstel van betaling kan in ieder geval worden afgewezen als: medewerking van de belanghebbende naar het oordeel van het dagelijks bestuur onvoldoende is; onjuiste gegevens worden verstrekt; de gevraagde gegevens niet (volledig) binnen de daartoe gestelde termijn zijn verstrekt; de gevraagde zekerheid niet wordt gesteld; de waarde van vermogensobjecten in redelijkheid te gelde kunnen worden gemaakt teneinde daarmee de verschuldigde vordering te betalen; de berekende aflossingscapaciteit zodanig is dat de schuld direct voldaan kan worden; de betalingsregeling zich over een onaanvaardbare termijn uitstrekt; de betalingsproblemen structureel zijn en een betalingsregeling geen uitkomst zal bieden; belanghebbende reeds eerder een regeling heeft genoten, maar deze niet is nagekomen; Artikel27.Beschikking tot uitstel intrekken of wijzigen (art.4:96 Awb) De beschikking tot uitstel van betaling kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien de voorschriften niet worden nageleefd; indien onjuiste of onvolledige inlichtingen zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zouden hebben geleid; voor zover veranderde omstandigheden zich verzetten tegen voortduring van het uitstel. Artikel28.Tussentijdse wijziging en onderzoek van een aflosverplichting 1.De ISD Bollenstreek kan een draagkrachtonderzoek doen, als vermoed wordt dat er iets is veranderd in de afloscapaciteit van belanghebbende. 2.Als er geen gegrond vermoeden is zoals in lid 1, doet de ISD Bollenstreek een onderzoek als een IB of BRP signaal hiertoe aanleiding geeft. 3.De beslagvrije voet wordt telkens voor 12 maanden vastgesteld, na deze periode wordt de beslagvrije voet opnieuw vastgesteld. 4.Als de ISD Bollenstreek na het draagkrachtonderzoek besluit tot wijziging van de aflosverplichting, krijgt belanghebbende hiervan een beschikking. 5.Als de aflosverplichting verandert, wordt het nieuwe bedrag opgelegd met ingang van de eerste maand nadat de beschikking is verstuurd. Artikel29.Minimaal aflosbedrag Een aflosbedrag moet in principe minimaal € 10,00 per maand zijn. Artikel30.Verzoek tot wijziging van een betalings- of aflosverplichting door belanghebbende zonder uitkering 1.Belanghebbende kan schriftelijk en onderbouwd verzoeken om de aflos-- of betalingsverplichting te wijzigen. Bij dit verzoek moeten de financiële en andere relevante gegevens met bewijsstukken meegestuurd worden. 2.Binnen acht weken na ontvangst van het verzoek (lid 1) neemt de ISD Bollenstreek een besluit op het verzoek en stuurt dit naar belanghebbende. 3.Het verzoek tot wijziging van de betalings- of aflosverplichting betekent niet dat de betaling of aflossing niet gedaan hoeft te worden, tenzij er sprake is van dringende redenen. 4.De ISD Bollenstreek zal na het verzoek (lid 1) een draagkrachtonderzoek instellen en de aflos- of betalingsverplichting volgens deze uitvoeringsregels opnieuw vaststellen. §2.5.5Gevolgen bij het niet of niet meer voldoen aan de betalings- of aflosverplichting Artikel31.Niet of niet meer voldoen aan de betalings- of aflosverplichting 1.Als belanghebbende: de aflos- of betalingsverplichting niet of niet op tijd nakomt; of niet wil meewerken aan het afspreken van een betalingsregeling; of een afgesproken betalingsregeling niet op niet op tijd nakomt wordt overgegaan tot invordering door: een executoriaal beslag zoals in artikelen 479b t/m 479g, behalve artikel 479e lid 2, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering; of beslag zoals omschreven in het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, op basis van de executoriale titel die is verbonden aan een dwangbevel (artikel 4:114 Awb), nadat de aanmaningsprocedure is doorlopen als bedoeld in afdeling 4.4.4 van de Awb. 2.Voordat er een aanmaning wordt verstuurd, wordt er contact opgenomen met belanghebbende en hem verzocht om alsnog de betalingsverplichting na te komen. Artikel32.Rente en kosten Als de vordering is overgedragen aan een gerechtsdeurwaarder, wordt de vordering verhoogd met de wettelijke rente en de kosten die horen bij de invordering. Artikel33.Stuiten van verjaring van vorderingen 1.In beginsel wordt elke vordering binnen 5 jaar afgelost. Indien dit niet mogelijk is gebleken, kan voor het verstrijken van de verjaringstermijn van 5 jaar, de verjaring worden gestuit door het verrichten van een stuitingshandeling conform afdeling 4.4.3 Awb. 2.Indien het een vordering betreft van meer dan € 1.000,00 en de schuldenaar is vertrokken zonder adres geldt dat de vordering wordt overgedragen aan een deurwaarder voor openbare betekening. 3.Indien niet is besloten tot het afzien van (verdere) invordering op grond van artikel 12 van deze beleidsregels of artikel 10 van de beleidsregels terug- en invordering Tozo, wordt de stuitingshandeling verricht tot aan het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd; is er dan nog geen uitzicht op het starten van invordering, wordt er geen nadere stuitingshandeling verricht. 4.Is er wel sprake van de mogelijkheid tot invordering, worden stuitingshandelingen verricht tot de vordering volledig is voldaan. Artikelsgewijze toelichting op Hoofdstuk 2 PW, IOAW, IOAZ Toelichting op artikel 6 In dit artikel wordt in het kader van de bevoegdheid tot terugvordering de algemene gronden genoemd op basis waarvan een uitkering Pw, IOAW of IOAZ wordt teruggevorderd. Bij schending van de inlichtingenplicht wordt altijd teruggevorderd, dit is geen bevoegdheid. Lid 1 vermeldt het uitgangspunt is dat onterecht of teveel verstrekte uitkering ook wordt teruggevorderd, als de bijstand onterecht verstrekt is door redenen die niet altijd aan de belanghebbende te wijten zijn. Er kan bijvoorbeeld ook sprake zijn van een administratieve fout. Lid 2 benoemt de situatie dat bijstand is verleend als lening, bijvoorbeeld bij bepaalde vormen van bijzondere bijstand. Aan de lening worden voorwaarden gesteld, dit wordt afgesproken met belanghebbende. Als de betalings- of andere afspraken niet worden nagekomen, wordt de verleende bijstand teruggevorderd. In lid 3 gaat het om de situatie dat een belanghebbende bijstand heeft aangevraagd, en vooruitlopend daarop een voorschot heeft ontvangen. Dit voorschot is verleend in de vorm van een renteloze geldlening, in afwachting van een toekenning van bijstand waarna het wordt verrekend met de uitkering. In het geval dat er geen recht op bijstand blijkt te bestaan na verlening van een voorschot, wordt het voorschot teruggevorderd. Er is immers geen recht op bijstand, dus ook geen recht op een voorschot. Het vierde lid gaat in op onverschuldigde betaling. Dit kan op verschillende manieren tot stand komen, echter als de belanghebbende had kunnen begrijpen dat er onverschuldigd is betaald, bijvoorbeeld als er een onevenredig hoog bedrag aan bijstand is ontvangen of een uitbetaling terwijl duidelijk was dat er geen recht op bijstand bestond. In deze gevallen moet uitgegaan worden van het redelijkerwijs kunnen begrijpen dat er onverschuldigd is bepaald, en zullen de individuele omstandigheden worden meegenomen. De tweede situatie beschrijft de situatie waarin iemand vanaf een bepaalde datum of periode recht had op middelen, maar dit pas op een later tijdstip ontvangen heeft. Dit is het geval bij bijvoorbeeld een erfenis of een schadevergoeding. Dit soort uitkeringen of vergoedingen vindt pas op een later moment plaats, maar wordt vastgesteld over een periode waarover een belanghebbende hier recht op had. Bij een erfenis wordt de overlijdensdatum van de erflater als uitgangspunt genomen, waardoor een terugvordering kan ontstaan omdat over dezelfde periode reeds bijstand is verleend. Ook bij een schadevergoeding is de datum waarop het recht is ontstaan anders dan de datum van uitbetaling en ontstaat dezelfde situatie, afhankelijk van of de som geld als inkomen of vermogen wordt aangemerkt. Hiervoor wordt aangesloten bij artikel 31 Pw. Bijstand kan ook worden verleend met een bepaald doel, bijvoorbeeld voor bijzondere kosten zoals kinderopvang. Als blijkt dat belanghebbende reeds uit een andere bron voor ditzelfde doel een vergoeding of tegemoetkoming heeft gekregen, bijvoorbeeld kinderopvangtoeslag, wordt de teveel verstrekte bijstand teruggevorderd. Toelichting op artikel 7 Uitzonderingen, zesmaanden jurisprudentie In dit artikel staan volledigheidshalve de algemene – binnen de jurisprudentie geformuleerde – uitzonderingen beschreven. Het gaat om uitzonderingen op de bevoegdheid tot terugvordering (dus niet om uitzonderingen op de wettelijk verplichte terugvordering van fraudevorderingen). Het betreft situaties waarvan binnen de jurisprudentie is komen vast te staan dat de ISD Bollenstreek, ongeacht een gehoudenheid tot terugvordering of brutering, moet afzien van haar vaste gedragslijn. De ISD Bollenstreek heeft niet de vrijheid om van deze in de jurisprudentie benoemde uitzonderingen af te wijken. De onder lid 3 sub a weergegeven zesmaanden jurisprudentie komt er op neer dat de gemeente binnen zes maanden nadat zij een signaal heeft ontvangen, over moet gaan tot aanpassing van het recht op uitkering. Een signaal kan daarbij worden gedefinieerd als relevante informatie over de uitkeringsgerechtigde waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van een dusdanige omstandigheid, dat het dagelijks bestuur op grond daarvan actie zou moeten ondernemen. Vindt geen aanpassing van het recht op uitkering plaats binnen de genoemde zes maanden, dan moet het dagelijks bestuur van terugvordering afzien voor het deel dat na deze zes maanden nog te veel aan uitkering is verstrekt. De zesmaanden jurisprudentie speelt niet indien sprake is van schending van de inlichtingenplicht17Zie CRvB 12 juni 2006, LJN: BA7221 en CRvB 17 juli 2007, LJN: BB1640.. Wanneer belanghebbende bijvoorbeeld een uitkering ontvangt en hij heeft niet opgegeven dat hij een heffingskorting ontvangt van de Belastingdienst (welke heffingskorting moet worden gekort op de uitkering), dan is sprake van een schending van de inlichtingenplicht door belanghebbende. In dat geval geldt de zesmaanden jurisprudentie niet. Heeft de belanghebbende wel opgegeven dat hij heffingskorting ontvangt van de Belastingdienst of is van de Belastingdienst bericht ontvangen dat belanghebbende deze heffingskorting ontvangt, dan geldt de zesmaanden jurisprudentie. Het dagelijks bestuur moet in dit geval dus binnen uiterlijk zes maanden het recht op uitkering aanpassen. Lid 2 betreft de situatie dat sprake is van een beperkte overschrijding van de vermogensgrens gedurende langere tijd. De situatie kan bestaan dat de uitkeringsgerechtigde niet heeft gemeld dat hij over een vermogen beschikt dat in beperkte mate de vermogensgrens overstijgt. Komt het dagelijks bestuur hierachter dan is hij in wezen gerechtigd om de bijstand over de gehele periode van de overschrijding in te trekken. Vaste jurisprudentie is echter dat in deze situatie de terugvordering moet worden beperkt tot het bedrag dat niet zou zijn verstrekt indien de uitkeringsgerechtigde de beperkte overschrijding van de vermogensgrens wel tijdig zou hebben gemeld. Toelichting op artikel 8 Hoewel de terugvordering van fraudevorderingen verplicht is, is dit artikel volledigheidshalve en voor de duidelijkheid wel opgenomen in het debiteurenbeleid. Toelichting op artikel 9 Het bruteren van een niet-fraudevordering is een bevoegdheid. In lid 1 is de hoofdregel benoemd dat het dagelijks bestuur in principe gebruik maakt van deze bevoegdheid. Naar vaste rechtspraak moet worden afgezien van brutering (lid 2) indien sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van een belanghebbende en hem niet kan worden verweten dat de betaling van de schuld niet reeds is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft18Zie CRvB 24 juli 2007, LJN: BB0561.. Toelichting op artikel 10 In de algemene wet bestuursrecht zijn hoofdregels opgenomen wat er in ieder geval in het terugvorderingsbesluit moet staan. Verder is het uitgangspunt dat het besluit en de daarop volgende gebeurtenissen en/of verplichtingen voldoende duidelijk moeten zijn voor de belanghebbende. Toelichting op artikel 11 Volledigheidshalve is het bepaalde in artikel 58, achtste lid van de Pw (en artikel 4:94a Awb) ook in deze regels opgenomen. Op grond van dat artikel kan het dagelijks bestuur afzien van (verdere) terugvordering als er sprake is van dringende redenen. Van dringende redenen is sprake als de terugvordering of invordering leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor de belanghebbende op het moment van terugvordering/invordering (toetsing ex nunc). Dus als de terugvordering of invordering gevolgen heeft die door bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Daarvan zal overigens niet snel sprake zijn. Er moet iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand zijn in een individueel geval waardoor terugvordering/invordering voor de belanghebbende (en met name voor diens minderjarige gezinsleden) tot onaanvaardbare consequenties zou leiden. Vast moet staan dat sprake is van een incidenteel geval en dat de behoeftige omstandigheden waarin de (mede) belanghebbende minderjarige gezinsleden verkeren op geen enkele wijze zijn te verhelpen, zodat afzien van terugvordering/invordering in deze vorm volstrekt onvermijdelijk is. Het ontbreken van voldoende middelen om in het bestaan te voorzien, is op zich geen voldoende voorwaarde om te kunnen spreken van dringende redenen (citaten uit: Memorie van Toelichting en de Nota n.a.v. het Verslag bij Wetsvoorstel Wet aanscherping, nr. 33 207). Het moet gaan om onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van terugvordering voor een betrokkene. Het moet gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden19ECLI:NL:CRVB:2016:952. In beleid kan het dagelijks bestuur voor niet-fraudevorderingen de hoogte bepalen van zgn. kruimel-bedragen waarbij kan worden afgezien van terugvordering of van (nadere) invordering nadat al een terugvorderingsbesluit is genomen. (Vorderingen als bedoeld in artikel 58, eerste lid alsmede artikel 25, eerste lid van de IOAZ en IOAZ vallen dus niet onder het tweede lid). In het tweede lid is het kruimelbedrag bepaald op € 125 netto per kalenderjaar en in dat geval wordt er alleen afgezien van (verdere) terugvordering of invordering wanneer: De vordering niet door een schending van de inlichtingenplicht is ontstaan en Verrekening met een lopende uitkering niet mogelijk is Voorheen was ook een voorwaarde dat iemand geen vaste woon- of verblijfplaats had. In de actualisatie van deze uitvoeringsregels is vanuit de praktijk een afweging gemaakt tussen kosten en baten van het terug- en invorderen van kleine bedragen. Het uitgangspunt is dat in beginsel gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid tot terugvorderen, en onterecht verstrekte bijstand wordt teruggevorderd (zoals ook is neergelegd in het Handhavingsbeleidsplan 2020-2023). Voor fraudevorderingen geldt dat deze altijd worden teruggevorderd. Ook indien vorderingen te verrekenen zijn met de uitkering, vindt deze verrekening plaats. Echter, voor vorderingen op niet-uitkeringsgerechtigden die liggen onder het kruimelbedrag is de administratieve belasting vele malen hoger dan het genoemde kruimelbedrag. Daarom is de bepaling opgenomen dat voor bedragen onder het kruimelbedrag kan worden afgezien van terugvordering. Toelichting op artikel 12 Er zijn situaties waarbij incasso vrijwel onmogelijk is of waarbij het, door omstandigheden, verstandig is om in te stemmen met kwijtschelding. Uitgangspunt is een strakke incasso en het zo mogelijk volledig invorderen van gelden. Maar onder omstandigheden kan het dagelijks bestuur besluiten om geheel of gedeeltelijk af te zien van verdere terugvordering. Deze mogelijkheid kan de belanghebbende debiteur stimuleren tot betaling. Het biedt immers zicht op een (eerdere) beëindiging van de aflossingsverplichting. Anderzijds maakt deze mogelijkheid het debiteurenbeleid efficiënter en uitvoerbaarder. Het maakt het immers mogelijk om het debiteurenbestand op te schonen van vorderingen die niet of nauwelijks zijn in te vorderen, of waarvan de kosten van inning niet in verhouding staan tot het bedrag van de (ontvangen aflossing op
  3. de)vordering. Voor niet-fraudevorderingen is de mogelijkheid om af te zien van (verdere) terugvordering omschreven. Daar is vermeld gedurende welke termijn moet zijn afgelost (in beginsel 5 jaar) respectievelijk welk bedrag van de hoofdsom moet zijn voldaan (75%). Zijn gedurende 10 jaar na het ontstaan van de vordering en de aflossingsverplichting geen betalingen gedaan en is het niet aannemelijk dat er nog betalingen zullen worden gedaan door belanghebbende, dan kan eveneens worden afgezien van verdere terugvordering. Toelichting op artikel 13 Hier is aangegeven dat een besluit tot het afzien van (verdere) terugvordering in beginsel alleen op schriftelijk verzoek van de belanghebbende (debiteur) wordt genomen. In de praktijk kan dit ook ambtshalve worden besloten, indien voldaan is aan de voorwaarden van terugbetaling gedurende vijf jaar en tot 75% van de openstaande som. Indien in 10 jaar tijd geen betalingen zijn ontvangen en deze ook niet meer worden verwacht, kan het dagelijks bestuur ambtshalve besluiten om af te zien van (verdere) terugvordering. Toelichting op artikel 14 In artikel 14 zijn enkele uitzonderingen geformuleerd, dus in welke situaties er niet kan worden afgezien van (verdere) terugvordering. Het dagelijks bestuur beperkt daarmee de reikwijdte van de mogelijkheid om af te zien van (verdere) terugvordering voor bepaalde type schulden. Toelichting op artikel 15 Daarnaast is in artikel 15 benoemd wanneer een eerder op basis van artikel 11 of 12 genomen besluit om af te zien van (verdere) terugvordering wordt ingetrokken. De mogelijkheid tot het afzien van (verdere) terugvordering van een fraudevordering is geregeld in artikel 58, zevende lid van de PW en artikel 25, zesde lid van de IOAW en IOAZ. Toelichting op artikel 16 Volledigheidshalve is hier opgenomen dat artikel 11 en 12 niet zien op fraudevorderingen. Met de bevoegdheid om af te zien van (verdere) terugvordering van een fraudevordering wordt zeer terughoudend omgegaan. Alleen wanneer een vordering oninbaar blijkt, zal worden afgezien van (verdere) terugvordering van de fraudevordering. Concreet zal hiertoe worden besloten als er 10 jaar geen betalingen zijn ontvangen en niet aannemelijk is dat deze nog zullen worden ontvangen (artikel 58, zevende lid aanhef en sub c van de PW, dan wel artikel 25, zesde lid aanhef en sub c van de IOAW en IOAZ). Toelichting op artikel 17 Tot slot is volledigheidshalve nog opgenomen dat een besluit om af te zien van (verdere) terugvordering alleen betrekking heeft op de geadresseerde belanghebbende bij dat besluit. Soms zijn er meer personen aansprakelijk voor dezelfde vordering. Dit is bijvoorbeeld het geval bij bijstandsverlening aan een gezin of bij terugvordering van bijstand wegens een verzwegen partner. Op grond van art. 6:9, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek moet degene die (mede) hoofdelijk aansprakelijk is, de (restant)vordering nog wel voldoen. Ook als voor de andere hoofdelijk aansprakelijke is besloten af te zien van (verdere) terugvordering (tenzij ook bij deze andere hoofdelijk aansprakelijke is besloten om af te zien van terugvordering). Toelichting op artikel 18 Wanneer een belanghebbende schulden heeft en niet voldoende inkomen om alle betalingsverplich-tingen (inclusief schulden) na te komen, is er sprake van een ‘problematische schuldenlast’. Een zogenaamde minnelijke schuldregeling kan soms een oplossing vormen. Bij een minnelijke schuldregeling wordt zonder tussenkomst van de rechter een schuldregeling getroffen. In dat kader wordt (volgens vaste richtlijnen) berekend hoeveel procent van de schulden de belanghebbende in 36 maanden zou kunnen aflossen. En vervolgens wordt aan alle schuldeisers gevraagd om daarmee in te stemmen. Wanneer alle schuldeisers hiermee akkoord gaan, wordt na 36 maanden betaling van de vastgestelde aflossingen, het eventuele restant van de vorderingen buiten invordering gesteld (finale kwijting). Belanghebbende hoeft dit restant dan niet meer te betalen. Dit artikel benoemt onder welke voorwaarden de ISD Bollenstreek – in zijn rol als schuldeiser (dus niet in de rol als schulddienstverlener)– medewerking verleent aan een eventuele schuldregeling. Het eerste lid vermeldt onder welke voorwaarden de ISD Bollenstreek mee kan werken aan een schuldregeling. In het tweede lid zijn enkele beperkingen gesteld aan de mogelijkheid om mee te werken aan een schuldregeling. De medewerking aan een schuldregeling geldt niet in de volgende gevallen: wettelijk is bepaald dat geen medewerking aan de totstandkoming van een schuldregeling kan worden verleend indien het een na 1 januari 2013 ontstane vordering betreft die is ontstaan door het opzettelijk of door grove schuld schenden van de inlichtingenplicht en waarvoor een bestuurlijke boete is opgelegd of aangifte is gedaan (artikel 60c van de PW en artikel 29a van de IOAW en IOAZ). Dit artikel ziet daarom niet op deze vorderingen. Volledigheidshalve is dit ook in deze uitvoeringsregels opgenomen. als de terugvordering van uitkering het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de belanghebbende. als de vordering ziet op bijstand die is verstrekt in de vorm van een geldlening op grond van het bepaalde in artikel 48, tweede lid, aanhef en onder b, van de PW (wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan); of als de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen (tenzij de vordering niet op die goederen verhaald kan worden). Tenslotte zijn in het derde lid gronden benoemd op basis waarvan de ISD Bollenstreek hem medewerking aan een schuldregeling intrekt. In dat kader is de periode benoemd waarbinnen een schuldregeling definitief tot stand moet zijn gekomen, namelijk 6 maanden. De periode van 6 maanden start op het moment dat de ISD Bollenstreek aan belanghebbende (of diens bemiddelaar) meldt dat wordt meegewerkt aan de schuldregeling. De beslissing om mee te werken aan de schuldregeling wordt eveneens ingetrokken als wordt vastgesteld dat de schuldregeling tot stand is gekomen op basis van onjuiste of onvolledige gegevens door toedoen van de schuldenaar. Toelichting op artikel 19 In dit artikel staat en dat invordering gelijktijdig met de bekendmaking van dit terugvorderingsbesluit start. Omdat dit een bestuursrechtelijke geldschuld is, geldt Titel 4.4 van de Awb. Volgens art. 4:87 Awb geldt een betalingstermijn van tenminste 6 weken. In dit artikel is de betalingstermijn bepaald op deze minimum termijn. Toelichting op artikel 20 In de beschikking moet in ieder geval worden vermeld wanneer de betalingsverplichting ingaat, en wat het saldo van de vordering is. Wanneer belanghebbende een uitkering ontvangt van het dagelijks bestuur wordt eveneens vermeld dat tot verrekening wordt overgegaan (conform artikel 21) en de hoogte van het bedrag van de verrekening (art. 4:93, tweede lid, van de Awb). Uiteraard kan er daarnaast – afhankelijk van de situatie – altijd ook nog aanvullende informatie in het terugvorderings- en/of invorderingsbesluit worden vermeld. Bijvoorbeeld: de mogelijkheid voor belanghebbende om binnen 6 weken na verzenddatum van de beschikking als bedoeld in artikel 4.87 van de Awb een betalingsregeling te treffen (dit zal aan de orde kunnen zijn indien belanghebbende géén uitkering van het dagelijks bestuur ontvangt. Ontvangt belanghebbende wel een uitkering, dan zal het dagelijks bestuur de vordering verrekenen met de uitkering). wat de (rechts)gevolgen bij niet (tijdige) nakoming van de betalingsverplichting zijn. Bijvoorbeeld de mogelijkheid van invordering bij dwangbevel na aanmaning en dat invorderingskosten voor rekening van de belanghebbende kunnen worden gebracht. Deze rechtsgevolgen zijn onder meer beschreven in afdeling 4.4.2 Awb over verzuim en wettelijke rente en afdeling 4.4.4 over aanmaning en invordering bij dwangbevel (ook het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bieden incassomaatregelen); ook zou vermeld kunnen worden dat het aangaan van nieuwe schuldverplichtingen niet leidt tot een nieuwe vaststelling van een opgelegde betalingsverplichtingen (tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden). Toelichting op artikel 21 Voor zover de belanghebbende na afgifte van het terugvorderingsbesluit een (algemene bijstands-) uitkering ontvangt in het kader van de PW, IOAW of IOAZ geldt voor fraudevorderingen ontstaan na 1 januari 2013 een wettelijke verrekeningsplicht. Dit staat in art. 60, vierde lid van de PW en art. 28, tweede lid van de IOAW en IOAZ. Voor alle andere vorderingen geldt dat het dagelijks bestuur bevoegd is om direct tot verrekening van de vordering over te gaan (artikel 60a, vierde lid, en art. 28, derde lid van de IOAW en IOAZ). In deze uitvoeringsregels is ervoor gekozen om gebruik te maken van deze bevoegdheid. Ontvangt de belanghebbende dus een uitkering, dan gaat het dagelijks bestuur in principe altijd over tot verrekening van de vordering met de uitkering (ongeacht de aard van de terugvordering). Een in de terugvorderingsbeschikking genoemde betalingstermijn verhindert niet dat wordt overgegaan tot verrekening. Ook een (eventueel) geboden uitstel van betaling doet niets af aan de verplichting tot verrekening (dit staat in artikel 4:93, vijfde lid van de Awb). Bij de verrekening moet de beslagvrije voet in acht worden genomen. Het meerdere wordt verrekend met de vordering. Het te verrekenen bedrag is bepaald in artikel 22. Het tweede lid regelt de situatie dat er sprake is van zowel een terugvordering als een boete. Met welke schuld worden de ingehouden betalingen op de uitkering in dat geval verrekend? Volgens dit artikel wordt de betaling in principe eerst op de bestuurlijke boete afgelost. De bestuurlijke boete op grond van de PW/IOAW/IOAZ is namelijk een concurrente vordering c.q. een niet-preferente vordering. Terwijl terugvorderingen PW/IOAW/IOAZ preferent zijn (art. 60 lid 7 PW en art. 30 lid 1 IOAW/IOAZ). Wordt de uitkering beëindigd en zal de terugvordering en boete anderszins moeten worden geïncasseerd, dan heeft de terugvordering (als preferente vordering) voorrang (de invordering van de boete zal in dat geval kunnen worden ‘weggedrukt’ door de preferente schulden). Ontvangt belanghebbende geen uitkering (meer) van het dagelijks bestuur (en is verrekening dus niet mogelijk) en staat er zowel een boete als een terugvordering open op belanghebbende dan wordt in principe eerst de terugvordering geïncasseerd omdat dit een preferente vordering is die voorgaat op eventuele concurrente vorderingen van andere beslagleggers. Na betaling van de terugvordering wordt de boete geïncasseerd (de concurrente vordering). Door de woorden ‘in principe’ is er echter ruimte gelaten of af te kunnen wijken van de regel dat eerst de bestuurlijke boete moet worden verrekend. Zo kan er bijvoorbeeld voor worden gekozen om in een kalenderjaar toch eerst te verrekenen met de (netto) terugvordering en nog niet met de boete, om zo brutering van die vordering per 1 januari van het volgende kalenderjaar te voorkomen.. Toelichting op artikel 22 In lid 1 van dit artikel is het met de uitkering te verrekenen verrekeningsbedrag (aflosbedrag) vastgesteld. Er wordt aansluiting gezocht bij de beslagvrije voet. De beslagvrije voet is het deel van het inkomen waarop in beginsel géén beslag mag worden gelegd (dus het inkomen waarover de belanghebbende de beschikking moet blijven houden). Voorheen werd onderscheid gemaakt tussen fraudevorderingen (hogere verrekeningsbedragen) en niet-fraudevorderingen. Met de invoering van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet en de aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is daar geen onderscheid meer in nodig. De beslagvrije voet voor inkomens op bijstandsniveau is verhoogd. Voor deze inkomens is 95% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm de hoogte van de beslagvrije voet. Dit is gedaan enerzijds om de inkomensruimte te vergroten, en anderzijds zodat er altijd een kleine ruimte is voor een aflossing20Gemeentenieuws SZW 2019-4. Verder ligt de grondslag van fraudevorderingen in een schending van de inlichtingenplicht, en staat er op de schending van deze inlichtingenplicht een bestuurlijke boete. Hierdoor kan de vordering als gevolg van fraude op een belanghebbende dus al hoger worden, mits er niet wordt volstaan met een waarschuwing. De belanghebbende moet de beschikking blijven houden over de toepasselijke beslagvrije voet (art. 475 da Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Artikelen 475 db en dc Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering blijven van toepassing. Voor iemand zonder vaste woon- of verblijfplaats (artikel 475 da lid 4 en artikel 475 e Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) geldt een andere beslagvrije voet, 47,5% van de bijstandsnorm. Voor iemand die is opgenomen in een inrichting wordt de beslagvrije voet bepaald op de kosten voor verzorging of verpleging, verhoogd met de helft van de bijstandsnorm voor iemand in een inrichting, en de verhoging zorgkosten (artikel 475 e lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) Dit zijn nieuwe artikelen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, die valt onder de Brede Schuldenaanpak van het ministerie SZW. De wet Vereenvoudiging beslagvrije voet trad op 1 januari 2021 in werking, waaronder ook de aanpassingen aan het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vallen. Voor inkomens boven de bijstandsnorm is er een nieuwe berekening van de beslagvrije voet, waarvoor een rekentool beschikbaar is. In geval van een terugvordering wordt eerst contact opgenomen met de belanghebbende. In de praktijk wordt dan ook geprobeerd een betalingsregeling te treffen, danwel de belanghebbende te informeren dat er een bedrag wordt verrekend met de uitkering. Als belanghebbende wegens omstandigheden niet kan voldoen aan de ruimte boven de beslagvrije voet, kan er een betalingsregeling worden afgesproken van minimaal € 10,00 per maand voor een tijdelijke periode van maximaal 6 maanden, daarna wordt de ruimte opnieuw onderzocht. De beslagvrije voet geldt niet als belanghebbende desgevraagd geen inlichtingen verstrekt aan het dagelijks bestuur die voor de tenuitvoerlegging van de terugvordering of bestuurlijke boete van belang zijn. Dit staat in artikel 18a, achtste lid PW en artikel 60, eerste en zesde lid van de PW / artikel 20a, achtste lid van de IOAW/IOAZ en artikel 27 en 28, zesde lid van de IOAW/IOAZ. En dit geldt voor fraude-vorderingen en niet-fraudevorderingen. (Ook als een bestuurlijke boete is opgelegd bij recidive hoeft overigens volgens de PW/IOAW/IOAZ gedurende maximaal 3 maanden niet de beslagvrije voet te worden gehanteerd21Artikel 18a, vijfde lid van de PW jo artikel 60b van de PW / artikel 29 jo artikel 20a, vijfde lid van de IOAW/IOAZ en de ‘Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive ISD Bollenstreek 2015’, alsmede de ‘Uitvoeringsregels boete PW, IOAW en IOAZ ISD Bollenstreek 2015’.). Lid 2. Belanghebbende ontvangt uitkering levensonderhoud van een andere gemeente, van het UWV of van de SVB.Het betreft de uitkeringen als omschreven in artikel 60a, eerste t/m derde lid van de PW. In dat geval kan het dagelijks bestuur op grond van art. 60a PW en art. 28 lid 4 IOAW/IOAZ aan die andere gemeente, het UWV of de SVB verzoeken om de vordering uit die uitkering te betalen. De betreffende gemeente, UWV of SVB moet in beginsel gehoor geven aan zo’n verzoek. Een machtiging van belanghebbende is daarvoor niet nodig. Dit wordt ‘pseudo-verrekening’ genoemd. Anders dan bij ‘echte’ verrekening gaat ‘pseudo-verrekening’ niet voor beslag. Het beslag door een beslaglegger schuift dus deze pseudoverrekening opzij. Wanneer redelijkerwijs valt te verwachten dat er ook beslag zal worden gelegd op de uitkering, kan het raadzaam zijn om de ‘reguliere’ incasso te volgen, die ook wordt gevolgd als belanghebbende niet bovenbedoelde uitkering ontvangt van een gemeente, UWV of SVB. Deze beleidsregel geeft de mogelijkheid om dit te doen. Toelichting op artikel 23 In dit artikel is de situatie geregeld dat belanghebbende debiteur niet (meer) algemene bijstand PW of uitkering IOAW of IOAZ ontvangt. Belanghebbende stroomt uit de uitkering in verband met werkaanvaarding (inkomsten uit arbeid). Deze situatie is beschreven in het eerste lid. In dit geval wordt een betalingsregeling afgesproken met belanghebbende. En wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen fraudevorderingen (waarvoor hogere aflossingsbedragen gelden) en niet-fraudevorderingen. Voor fraudevorderingen geldt dat het te betalen aflossingsbedrag in principe wordt bepaald op 50% van de beslagvrije ruimte. Alhoewel het uitgangspunt bij handhaving is dat fraude in principe nooit mag lonen, is er hier toch bewust gekozen om in beginsel niet de volledige beslagvrije ruimte in aanmerking te nemen als aflossing. Volgens ons participatiebeleid zal werken namelijk moeten lonen. Door niet de volledige beslagvrije ruimte te gebruiken voor aflossing, gaat belanghebbende er op vooruit. Dit kan voor de belanghebbende debiteur een extra stimulans zijn om uit te stromen naar werk. Voor niet-fraudevorderingen is het te betalen aflossingsbedrag bepaald op 45% van de beslagvrije ruimte. Op niet-fraudevorderingen mag dus iets minder worden afgelost dan op fraudevorderingen. Belanghebbende stroomt uit de uitkering wegens andere redenen dan arbeid Dit is beschreven in het derde lid. Als iemand uitstroomt wegens bijvoorbeeld verhuizing of omdat recht bestaat op een andere uitkering (die geldt als voorliggende voorziening) wordt de aflosverplichting conform de regels van de beslagvrije voet vastgesteld. In de het hoofdstuk Boete is onder meer dit artikel van overeenkomstige toepassing verklaard op de bestuurlijke boete. Toelichting op artikel 24 Doorgaans hebben debiteuren geen vermogen om de aflossing te voldoen c.q. hebben ze een negatief vermogen (schulden). In de regel zal dit betekenen dat het dagelijks bestuur de afloscapaciteit bepaalt aan de hand van uitsluitend het inkomen. Er zal echter wel steeds worden onderzocht of sprake is van vermogen waaruit belanghebbende de vordering (mede) kan voldoen. En beschikt belanghebbende over vermogen, dan kan op basis van dit artikel ook dat vermogen worden meegenomen bij de berekening van de afloscapaciteit. In het beleid bijzondere bijstand wordt 1,5x de bijstandsnorm als vermogen in aanmerking genomen als draagkracht. Hierbij wordt aangesloten voor wat betreft de uitvoering van dit artikel en dus verhoging van de afloscapaciteit. In lid 2 is weergegeven wat onder vermogen wordt verstaan. Dat zijn in principe alle bezitting minus de schulden aan derden. Algemeen gebruikelijke of noodzakelijke bezittingen in natura blijven buiten beschouwing en ook het vermogen gebonden in de eigen woning/erf wordt tot het in de PW genoemde bedrag (€ 53.100,00 per 1-1-2021) buiten beschouwing gelaten. Voor het overige wordt alles als vermogen aangemerkt. Is dat overige vermogen hoger dan 1,5x de bijstandsnorm die zou gelden wanneer belanghebbende een bijstandsuitkering zou ontvangen, dan kan dit dus als afloscapaciteit worden aangemerkt. Met bijstandsnorm wordt bedoeld de bijstandsnorm in artikel 5 aanhef en sub c van de PW: dus de op norm die op belanghebbende van toepassing zou zijn wanneer hij een PW-uitkering zou ontvangen eventueel verminderd met een verlaging. Er zal altijd een afweging plaatsvinden of het vermogen ook feitelijk als afloscapaciteit moet worden ingezet door belanghebbende. Zo kunnen individuele omstandigheden van belanghebbende meewegen bij beantwoording van de vraag of het vermogen al dan niet moet worden ingezet voor aflossing van de vordering. Maar bij die afweging wordt in ieder geval betrokken of kosten van (eventuele dwang-)invordering van het vermogen wel opwegen tegen de hoogte van de vordering (kosten-baten afweging). Dwanginvordering van vermogen is doorgaans bewerkelijker dan dwanginvordering van inkomen. Dwanginvordering van periodiek inkomen/uitkeringen is relatief eenvoudig via vereenvoudigd derdenbeslag; inschakeling van een deurwaarder is niet nodig. Maar dwanginvordering van vermogen (bijvoorbeeld een auto of bankrekening) kan betekenen dat snel conservatoir beslag moet worden gelegd (via een gerechtelijke procedure). Zo kan worden voorkomen dat belanghebbende zijn vermogen snel wegsluist. Nadat uitspraak is gedaan, kan dan executoriaal beslag worden gelegd door middel van inschakeling van een deurwaarder. De griffiekosten en procureurskosten van het conservatoir beslag komen in eerste instantie ten laste van de ISD Bollenstreek, maar deze kunnen wel via de gerechtelijke procedure (in het kader van het conservatoir beslag) worden teruggevorderd van de belanghebbende. De kosten van het executoriale beslag moeten (in beginsel) door de belanghebbende worden betaald. Wanneer wordt besloten tot dwanginvordering van het vermogen, dan zal de invordering via de afdeling terugvordering en verhaal plaatsvinden. In het hoofdstuk Boete is onder meer dit artikel van overeenkomstige toepassing verklaard op de bestuurlijke boete. Toelichting op artikel 25 In dit artikel is de mogelijkheid om uitstel van betaling te verlenen op grond van artikel 4:94 Awb uitgewerkt. Voor het maatwerk dat de ISD Bollenstreek toepast is het wenselijk om in individuele situaties uitstel te kunnen verlenen. Als belanghebbende gemotiveerd vraagt om uitstel van betaling en de voorgestelde duur van uitstel is niet langer dan drie maanden wordt dit maximaal éénmaal per twee jaar toegekend. Dit uitstel wordt zonder verder onderzoek naar de hoogte van het inkomen of de persoonlijke situatie van de belanghebbende verleend. Indien de belanghebbende vaker om uitstel van betaling verzoekt of het verzoek om uitstel betreft een periode van meer dan 3 maanden, dan vindt ten alle tijde een onderzoek naar de persoonlijke en financiële situatie van de belanghebbende plaats alvorens er een beslissing wordt afgegeven. Lid 3 geeft de mogelijkheid om bij dringende redenen uitstel te verlenen. Dringende redenen moeten worden onderbouwd met bewijsstukken aangetoond worden door belanghebbende. Lid 4 spreekt voor zich. Lid 5 gaat in op verrekening. Voor fraudevorderingen is de verrekening verplicht, en zal deze doorgang hebben. Voor niet-fraudevorderingen geldt een bevoegdheid. Als er mogelijkheid is om de verrekening te laten plaatsvinden en dit niet tot onevenredig zware gevolgen voor belanghebbende leidt, zal de verrekening in beginsel doorgang hebben, aansluitend bij de regels omtrent de beslagvrije voet. Nadrukkelijk geldt dus dat steeds van geval tot geval aan de hand van de omstandigheden de situatie van de belanghebbende moet worden beoordeeld. Lid 6 spreekt voor zich. Lid 7 sluit aan bij de frequentie van bepaling van de beslagvrije voet. Als voor een langere termijn om uitstel verzocht wordt, is er wellicht geen sprake meer van een tijdelijke situatie maar is er sprake van een probleem in de structurele afloscapaciteit. In dat geval moet de afloscapaciteit onderzocht worden als die veranderd is. Lid 8 spreekt voor zich en sluit aan bij artikel 31 en 34 Pw. Lid 9 gaat in op de situatie dat er een fraudevordering is, verrekening is in dat geval verplicht. Lid 10 spreekt voor zich. Toelichting op artikel 26 Het verzoek om uitstel van betaling zal in het algemeen worden afgewezen indien de belanghebbende niet voldoet aan één van de onder a tot en met i opgesomde bepalingen. De afwijzing dient bij beschikking bekend te worden gemaakt (en dus voor bezwaar en beroep vatbaar). Toelichting op artikel 27 Het verleende uitstel van betaling kan tussentijds beëindigd worden. Gronden daarvoor zijn dat de belanghebbende zich niet aan de aan het uitstel verbonden voorschriften houdt, er onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt die hebben geleid tot een andere beschikking of een wijziging van de omstandigheden die voortduring van het uitstel onaanvaardbaar maken. Beëindiging van het uitstel doet de betalingsverplichting onverkort herleven en vergt dan dus een nieuwe beschikking. Pas na bekendmaking van die beschikking kan de invorderingsprocedure worden gestart of worden hervat. Wordt een voorschrift voor een deel niet nagekomen, bijvoorbeeld door het niet tijdig voldoen van één betalingstermijn, dan kan ervoor worden gekozen om dit gedeelte na aanmaning in te vorderen. Immers, de schuldenaar is voor dat gedeelte van de vordering in verzuim. De uitstelbeschikking hoeft daarvoor niet te worden ingetrokken. Toelichting op artikel 28 In dit artikel is bepaald dat bij een gegrond vermoeden (als er aanwijzingen zijn) dat de afloscapaciteit van belanghebbende is veranderd, of een signaal daartoe aanleiding geeft, er een draagkrachtonderzoek plaatsvindt. In principe is dit aan de orde wanneer wordt vermoed dat belanghebbende op zijn minst € 10 per maand meer of minder kan betalen. Voor vaststelling van de beslagvrije voet vindt in ieder geval jaarlijks een draagkrachtonderzoek plaats. Tijdens het draagkrachtonderzoek wordt de aflossing opnieuw (op basis van de huidige situatie en aan de hand van de toepasselijke artikelen) beoordeeld en vastgesteld. Wanneer geen betalingen worden ontvangen en niet bekend is waar belanghebbende verblijft of als belanghebbende in het buitenland verblijft, wordt jaarlijks een onderzoek ingesteld. Dit onderzoek houdt in dat in ieder geval de gemeentelijke basisregistratie personen (BRP) en Suwinet worden geraadpleegd. Wijziging van de aflos-/betalingsverplichting gebeurt via een beschikking, waarbij de aflossing wordt gewijzigd per de eerste dag van de maand, volgend op de beschikking. Wordt de eerder opgelegde aflossing gewoon gehandhaafd, dan wordt dat bij kennisgeving medegedeeld aan belanghebbende. In dat geval dus geen beschikking met bezwaarmogelijkheid omdat dit een feitelijke mededeling is (betreffende voortzetting van een bestaande situatie). Vindt belanghebbende dat zijn aflosbedrag moet worden gewijzigd, dan kan hij daartoe een verzoek (een aanvraag) indienen op grond van artikel 25 of 30 van deze uitvoeringsregels. In dat geval zal de ISD Bollenstreek op basis van dat verzoek (die aanvraag) een besluit nemen (waartegen bezwaar/beroep openstaat). In het hoofdstuk Boete is onder meer dit artikel van overeenkomstige toepassing verklaard op de bestuurlijke boete. Toelichting op artikel 29 In beginsel moet belanghebbende minimaal € 10 per maand aflossen op de vordering. In het hoofdstuk Boete is onder meer dit artikel van overeenkomstige toepassing verklaard op de bestuurlijke boete. Toelichting op artikel 30 De belanghebbende debiteur kan een verzoek indienen bij de ISD Bollenstreek om de aflosverplichting te wijzigen. In dit artikel zijn de procedurele eisen vastgelegd die voor zo’n verzoek gelden. In beginsel zal de ISD Bollenstreek vervolgens een draagkrachtonderzoek instellen en aan de hand van de toepasselijke artikelen in paragraaf 3.1 de afloscapaciteit (opnieuw) bepalen. Belanghebbende ontvangt vervolgens een beschikking. Is sprake van een belanghebbende die een uitkering PW, IOAW of IOAZ ontvangt van het dagelijks bestuur dan is dit artikel in beginsel niet van toepassing. In dat geval zal het dagelijks bestuur immers (een deel van) de beslagvrije ruimte overeenkomstig de toepasselijke artikelen in paragraaf 3.1 (moeten) verrekenen met de uitkering. In het hoofdstuk Boete is onder meer dit artikel en het volgende artikel van overeenkomstige toepassing verklaard op de bestuurlijke boete. Toelichting op artikel 31 De Awb beschrijft de invorderingsprocedure. Volledigheidshalve is deze hier op hoofdlijnen herhaald. Opgemerkt wordt dat een vordering bij voorkeur niet uit handen wordt gegeven aan een deurwaarder. Adresonderzoek en beslag op het inkomen zijn eenvoudig zelf uit te voeren. Bovendien is dit voor zowel de belanghebbende als voor de ISD goedkoper. Een deurwaarder brengt immers kosten in rekening voor de door hem verleende diensten. In eerste instantie brengt een deurwaarder dit in rekening bij belanghebbende, maar wanneer deze niet kan worden getraceerd of wanneer er niets kan worden verhaald op de belanghebbende, zullen de kosten ten laste worden gebracht van de ISD. Dit kan betekenen dat er geen geld wordt geïncasseerd, maar de vordering feitelijk juist extra kost. Het toch inschakelen van een deurwaarder zal daarom altijd goed moeten worden gemotiveerd. En dit zal alleen plaatsvinden wanneer aannemelijk is dat de baten daarvan hoger zijn dan de kosten. In het tweede lid is aangegeven dat de belanghebbende voorafgaand aan de schriftelijke aanmaning mondeling (telefonisch of in persoon) wordt gevraagd om alsnog – binnen een te stellen termijn van in beginsel 1 week – te voldoen aan zijn betalingsverplichting. Feitelijk betreft dit dus een mondelinge aanmaning voorafgaande aan de schriftelijke aanmaning. Een mondelinge benadering kan meer effect hebben dan uitsluitend schriftelijke communicatie over terugbetaling van een vordering. Voldoet belanghebbende vervolgens nog niet aan de betalingsverplichting, dan volgt de schriftelijke aanmaning bedoeld in artikel 4:112 Awb e.v. en eventuele vervolgacties van het eerste lid. Toelichting op artikel 32 De ISD Bollenstreek brengt geen wettelijke rente in rekening. Ook aanmaningskosten worden niet in rekening gebracht aan belanghebbende zolang de incasso van de vordering nog in handen is van de ISD Bollenstreek. Zodra de invordering echter uit handen wordt gegeven aan een (gerechts) deur-waarder, mag deze de incassokosten (bijv. kosten van dwangbevel als bedoeld in art. 4:119 Awb) verhalen op de belanghebbende en wettelijke rente in rekening brengen bij belanghebbende. In het hoofdstuk Boete is ook dit artikel van overeenkomstige toepassing verklaard op de bestuurlijke boete. Toelichting op artikel 33 In beginsel worden vorderingen tijdig afgelost, en is het invorderingsbeleid erop gericht dat de vordering niet verjaart. Vanuit de ISD als schuldeiser worden tijdig aanmaningen en saldo biljetten verstuurd, dit zijn handelingen die verjaring van de vordering stuiten, waardoor er geen andere stuitingshandelingen hoeven te worden verricht. Verder kan één van de gronden om af te zien van (verdere) terugvordering van toepassing zijn of het besluit om (verder) af te zien van invordering al zijn genomen. Dat is de eerste afweging op grond van het beleid. Indien dat niet het geval is, kan middels een stuitingshandeling de verjaring van de vordering worden gestuit. In de meeste gevallen zullen vorderingen (op schuldenaren waarbij het adres bekend
  4. is)niet verjaren omdat de vordering in beeld blijft en bijtijds een aanmaning wordt verstuurd. Stuiten van vorderingen zal ook niet in alle gevallen zinvol zijn, immers; er is niet voor niets een verjaring van vorderingen in de Awb opgenomen. Er moet sprake zijn van maatwerk. Het stuiten van vorderingen kan wel in situaties waarbij er geen stuitingshandeling (aanmaning) is verricht omdat de schuldenaar vertrokken is zonder bekend adres en waarbij de verwachting is dat de vordering alsnog binnen een redelijke termijn zal worden voldaan. Als een schuldenaar is vertrokken zonder nieuw adres, kan er geen stuitingshandeling worden verricht. De Awb (artikel 3:41) in combinatie met het Wetboek voor Burgerlijke Rechtsvordering (artikel 54 lid 4) schrijft voor dat dit openbaar bekend moet worden gemaakt. Concreet betekent dat, dat er (voorheen alleen) in een landelijk dagblad en sinds kort ook in een openbare digitale publicatie een zogenoemde openbare betekening dient plaats te vinden. Daarbij moet voldoende specifiek duidelijk worden welke vordering het betreft en om welke persoon het gaat. Publicatie digitaal gebeurt bijvoorbeeld door het plaatsen in de Staatscourant. In deze situatie wordt de vordering overgedragen aan een deurwaarder. De deurwaarder betekent vervolgens een exploot en publiceert dit in de Staatscourant. De deurwaarder geeft in het bericht ook aan om welke persoon en vordering (datum beschikking) het gaat en dat bij hem ten kantore nadere inlichtingen kunnen worden ingewonnen. Als iemand naar het buitenland is vertrokken is er geen invordering mogelijk, lijkt het stuiten van een vordering niet binnen de mogelijkheden. Echter, bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd is er vrijwel zeker een mogelijkheid om beslag te leggen op de pensioen- of AOW uitkering, waarna de vordering alsnog voldaan kan worden. Dat is ook zo als iemand na een periode terugkeert naar Nederland en in loondienst gaat werken. Voor het overdragen aan de deurwaarder en het openbaar betekenen rekent de deurwaarden wel kosten. Met het oog op de kosten baten afweging is een drempel opgenomen. Hoofdstuk3Verhaal (Pw) Inleiding Verhaal van bijstand is geregeld in paragraaf 6.5 van de Pw (de artikelen 61 t/m 62i van de Pw). Verhaal in de zin van genoemde artikelen betekent overigens iets anders dan terugvordering in de zin van de Pw. Terugvordering vindt plaats van de belanghebbende (de [ex-] uitkeringsgerechtigde). Bij verhaal is sprake van het ‘vorderen’ van een derde. In de praktijk gaat het gaat meestal om verhaal op de ex-partner en/of ouder van een kind waarvoor kosten van bijstand worden gemaakt, in het kader van de onderhoudsplicht uit het Burgerlijk Wetboek. Bij het formuleren van uitvoeringsregels verhaal hebben we de volgende uitgangspunten gehanteerd: Hoofdregel is dat aan de Pw-uitkering van de bijstandsgerechtigde de verplichting wordt verbonden dat die alimentatie vordert van de wettelijk onderhoudsplichtige (de ex-partner of ouder van zijn/haar kinderen), wanneer er nog geen alimentatie-uitspraak is. Aanvullend daarop wordt uitvoering gegeven aan de wettelijke bevoegdheid tot verhaal van kosten van bijstand. Bij personen waar (nog) geen alimentatie is vastgesteld, zal worden onderzocht of ze een verhaalsbijdrage kunnen betalen. En er zal ook periodiek worden onderzocht of de onderhoudsplichtige die alimentatie betaalt (welke in beginsel wordt gekort op de Pw-uitkering) inderdaad (nog) naar draagkracht bijdraagt in de kosten van diens ex-partner en/of kinderen of dat een verhaalsbijdrage moet worden vastgesteld. De ingangsdatum van een verhaalsbijdrage kan nooit voor de ingangsdatum van de Pw-uitkering liggen. Uitgangspunt is dat de datum van eerste aanschrijving van de onderhoudsplichtige als ingangsdatum van de verhaalsbijdrage geldt. Zo wordt de periode waarover verhaald wordt (en dus uitvoering wordt gegeven aan de wettelijke onderhoudsplicht van het Burgerlijk Wetboek) en de te ontvangen verhaalsbijdrage (besparing op het BUIG budget) gemaximeerd. Vaststelling van de verhaalsbijdrage die de onderhoudsplichtige moet betalen, gebeurt op basis van de ‘Trema-normen’. Dit zijn normen die de rechter ook gebruikt bij de vaststelling van alimentatie. Tenslotte wordt uitvoering gegeven aan de wettelijke bevoegdheid tot verhaal bij schenking (op de persoon die de schenking heeft ontvangen) en verhaal bij nalatenschap (op de erfgenamen). §3.1Algemeen Artikel33Begripsbepalingen 1.Alle begrippen die in deze uitvoeringsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet (Pw), het Burgerlijk Wetboek (BW) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2.In deze uitvoeringsregels wordt verstaan onder: alimentatie: de door de onderhoudsplichtige aan zijn (gewezen) echtgenoot en/of kind(eren) te betalen bijdrage in het levensonderhoud die tussen genoemde partijen is vastgesteld door de rechter. Awb: de Algemene wet bestuursrecht; bijstandsgerechtigde: de persoon die een door het dagelijks bestuur verstrekte algemene bijstandsuitkering ontvangt voor de kosten van levensonderhoud van zichzelf en/of zijn kind(eren). BW: het Burgerlijk Wetboek dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek; fraudevordering: vordering in verband met ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende uitkering als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht; inlichtingenplicht: verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid van de Pw, artikel 13, eerste lid van de IOAW, artikel 13, eerste lid van de IOAZ en artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuuruitvoeringsorganisatie werk en inkomen; kosten van bijstand: de netto verstrekte bijstand als bedoeld in de PW verhoogd met loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor het dagelijks bestuur krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is; LBIO: Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen; onderhoudsplichtige: de gehuwde of geregistreerde partner of ex-echtgenoot/ex-partner, dan wel de ouder(
  5. s)van een kind dat jonger is dan 21 jaar die op grond van het Burgerlijk Wetboek wettelijk onderhoudsplichtig is en van wie daarom een bijdrage in het levensonderhoud ten behoeve van de (ex-) partner en/of kind kan worden gevraagd. verhaalsbijdrage: de door de onderhoudsplichtige aan het dagelijks bestuur te betalen bijdrage in de kosten van bijstand van de (gewezen) echtgenoot en/of de kinderen van onderhoudsplichtige. PW: de Participatiewet. Artikel34Bevoegdheid tot verhaal Het dagelijks bestuur maakt gebruik van de bevoegdheid tot verhaal van de kosten van bijstand zoals bedoeld in paragraaf 6.5 van de Pw. Artikel35Verplichting van de bijstandsgerechtigde Het dagelijks bestuur kan ingevolge artikel 55 van de Pw de verplichting aan de bijstandsgerechtigde opleggen dat deze alles in het werk stelt om een bij rechterlijke uitspraak vastgestelde alimentatie van de onderhoudsplichtige te vorderen en/of te gaan incasseren, zo nodig door inschakeling van derden zoals het LBIO of een deurwaarder. Artikel36Nihilbeding Het dagelijks bestuur is niet gebonden door een overeenkomst tussen (ex-)echtgenoten, waarin is bepaald dat de één tegenover de ander in het geheel geen of slechts tot een bepaald bedrag alimentatie verschuldigd is na echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk. Een dergelijke overeenkomst staat niet aan verhaal in de weg22Zie artikel 1:159a BW. §3.2Procedure Artikel37Het verhaalsonderzoek 1.Zodra bij de toekenning van de bijstand duidelijk is dat de kosten van bijstand kunnen worden verhaald, wordt onderzocht tot welk bedrag er verhaal kan worden gezocht. 2.Er is slechts sprake van een verhaalsbevoegdheid jegens de ex-partner van een bijstandsgerechtigde indien er sprake is van causaal verband tussen de echtscheiding en de bijstandsbehoefte. 3.Bij de draagkrachtberekening zal worden uitgegaan van de zgn Trema normen23Zie artikel 62a Pw, normen zoals aanbevolen door familierechters in de Expertgroep Alimentatienormen. 4.Indien de onderhoudsplichtige op wie verhaald wordt geen of onvoldoende informatie verstrekt, en uit het onderzoek geen gegevens kunnen worden achterhaald, wordt er ambtshalve naar de volgende maatstaven een verhaalsbijdrage opgelegd: Indien de onderhoudsplicht (mede) de ex-partner betreft, wordt een verhaalsbijdrage opgelegd ter hoogte van de verstrekte en nog te verstrekken bijstand; Indien de onderhoudsplicht alleen betrekking heeft op minderjarige kinderen, wordt op basis van de NIBUD/CBS tabel24De zgn Behoeftetabel via www.rechtspraak.nl eigen aandeel kosten van kinderen een bijdrage opgelegd. Hierbij wordt aangenomen dat de onderhoudsplichtige op wie verhaald wordt over het maximale netto besteedbaar maandinkomen beschikt. 5.Indien er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor de Trema normen in combinatie met de overgelegde informatie door de onderhoudsplichtige onvoldoende uitsluitsel bieden om een verhaalsbijdrage te berekenen, wordt de gerechtelijke uitspraak over de onderhoudsbijdrage (opgelegd aan de bijstandsgerechtigde middels artikel 55 Pw) afgewacht alvorens een onderhoudsbijdrage op te leggen. 6.Aan de onderhoudsplichtige wordt gecommuniceerd dat het onderzoek tot vaststellen van een onderhoudsbijdrage is gestopt in afwachting van de uitkomst van een alimentatieprocedure. 7.Bij samenloop van terugvordering van bijstand (van bijstandsgerechtigde) en de mogelijkheid van verhaal op derden, heeft terugvordering voorrang. 8.Als tot terugvordering wordt besloten moeten de betaalde verhaalsbijdragen met betrekking tot de periode waarin de verstrekte bijstand volledig wordt teruggevorderd, terugbetaald worden aan degene op wie verhaald is. Geen terugbetaling vindt plaats als verrekening mogelijk is met de nog resterende verhaalsvordering of toekomstige verhaalstermijnen. Artikel38Afzien van verhaal Het dagelijks bestuur ziet in beginsel af van het al dan niet tijdelijk (verder) opleggen van een verhaalsbijdrage indien: de onderhoudsplichtige is toegelaten tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) of in staat van faillissement is gesteld; er sprake is van een bij rechterlijke uitspraak vastgestelde alimentatie (waarbij de draagkracht berekend is op basis van de Trema-normen) en deze rechterlijke uitspraak ten tijde van het verhaalsonderzoek niet ouder is dan 12 maanden; of er, gelet op de omstandigheden van degene op wie verhaal wordt gezocht of degene die de bijstand ontvangt of heeft ontvangen, sprake is van dringende redenen. Artikel39Ingangsdatum verhaalsbijdrage 1.De ingangsdatum van de verhaalsbijdrage die is vastgesteld met toepassing van artikel 62g van de Pw (niet gebaseerd op de rechterlijke alimentatie uitspraak) wordt bepaald op de eerste dag volgend op de eerste aanschrijving van de onderhoudsplichtige, tenzij individuele omstandigheden tot een andere redelijke ingangsdatum noodzaken. 2.De ingangsdatum van de verhaalsbijdrage die is vastgesteld overeenkomstig artikel 62b van de PW (overeenkomstig de rechterlijke alimentatie uitspraak) is gelijk aan de ingangsdatum van het recht op bijstand, dan wel de datum waarop de bijstandsgerechtigde recht heeft op de alimentatie conform de rechterlijke alimentatie uitspraak. Artikel40Verhaal in rechte 1.Als een onderhoudsplichtige de opgelegde verhaalsbijdrage niet of niet behoorlijk voldoet, besluit het dagelijks bestuur tot verhaal in rechte binnen zes maanden na constatering. 2.Voordat overgegaan wordt tot het indienen van een verzoekschrift, moet eerst een herinnering en een aanmaning zijn verzonden. Artikel41Alimentatiebeschikking wordt niet nagekomen Als een alimentatieplichtige structureel niet aan zijn door de Rechtbank opgelegde alimentatieverplichting voldoet, kan met toepassing van artikel 62b PW verhaal worden gezocht op de alimentatieplichtige. Artikel42Termijn heronderzoeken 1.Als er een verhaalsbijdrage is opgelegd, doet het dagelijks bestuur eens in de 2 jaar onderzoek naar wijzigingen in de financiële- of sociale omstandigheden van de onderhoudsplichtige. 2.Als er geen verhaalsbijdrage is opgelegd (deze is op nihil gesteld) en de onderhoudsplichtige betaalt geen alimentatie, stelt het dagelijks bestuur éénmaal per jaar een nieuw onderzoek in naar wijzigingen in de financiële- of sociale omstandigheden van de onderhoudsplichtige. Artikel43Mogelijkheden van kwijtschelding 1.Kwijtschelding van een achterstand in de betaling van alimentatie is niet mogelijk. Uit het oogpunt van efficiënt debiteurenbeheer, kan in individuele gevallen hiervan worden afgeweken. 2.Medewerking aan een schuldregeling of kwijtschelding van een opgelegde verhaalsbijdrage is mogelijk. Hierbij is het bepaalde onder hoofdstuk 2 van deze uitvoeringsregels van overeenkomstige toepassing. Artikel44Indexering verhaalsbijdragen en alimentatie Het dagelijks bestuur verhoogt de door de Rechtbank vastgestelde alimentatie en verhaalsbijdrage jaarlijks met het wettelijk vastgestelde indexeringspercentage. Indien een verhaalsbijdrage (nog) niet door de Rechtbank is vastgesteld, wordt deze verhoging niet toegepast. Artikel45Verhaal bij schenking en nalatenschap 1.Het dagelijks bestuur verhaalt kosten van bijstand op degene die van de (voormalig) bijstandsgerechtigde een schenking heeft ontvangen, voor zover bij het besluit op de bijstandsaanvraag met de geschonken middelen rekening zou zijn gehouden indien de schenking niet had plaatsgevonden. Wanneer gelet op alle omstandigheden aannemelijk is dat schenker ten tijde van de schenking redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien dat bijstandsverlening noodzakelijk zou worden, worden de kosten van bijstand niet verhaald. 2.Het dagelijks bestuur verhaalt kosten van bijstand op de nalatenschap van de belanghebbende: aan die (voormalig) bijstandsgerechtigde ten onrechte bijstand is verleend en voor zover voor het overlijden nog geen terugvordering heeft plaatsgevonden; bijstand is verleend in de vorm van geldlening of als gevolg van borgtocht. Artikelsgewijze toelichting hoofdstuk 3 Toelichting op artikel 33 Om te voorkomen dat de betekenis van de begrippen van de Pw en de uitvoeringsregels uiteen lopen is in het eerste lid een algemene verwijzing naar de begrippen in de Pw en de Awb opgenomen. Waar genoemde wetten geen begripsomschrijving geven of waar begripsomschrijvingen binnen deze uitvoeringsregels verduidelijking behoeven, geven de uitvoeringsregels deze. Zo is in het tweede lid ondermeer weergegeven wat alimentatie respectievelijk een verhaalsbijdrage inhoudt en wie onderhoudsplichtig is. Alimentatie is een bijdrage in de kosten van levensonderhoud. Alimentatie moet worden betaald als er een (wettelijke) onderhoudsplicht bestaat van een persoon (de onderhoudsplichtige) jegens één of meer andere personen en die andere perso(o)nen heeft/hebben niet genoeg geld om van te leven. Doorgaans wordt alimentatie tijdens of na een echtscheidingsprocedure (of na beëindiging van een geregistreerd partnerschap) vastgesteld. Komen partijen er niet samen uit, dan kan de rechter de alimentatie vaststellen. Alimentatie staat los van het recht op een Pw-uitkering. Als de Pw-uitkering van de alimentatiegerechtigde persoon (de bijstandsgerechtigde) eindigt, moet de onderhoudsplichtige de alimentatie in beginsel gewoon blijven betalen aan zijn ex-partner en/of kinderen. Onderhoudsplichtige: op grond van het Burgerlijk Wetboek moeten mensen die gehuwd zijn of een geregistreerd partnerschap hebben elkaar onderhouden. Maar ook als mensen uit elkaar gaan (na echtscheiding of na beëindiging geregistreerd partnerschap), houdt de onderhoudsplicht niet op en moet (als het kan) alimentatie worden betaald aan de ex-partner wanneer die niet genoeg geld heeft om van te leven (partneralimentatie)25Met ingang van 1-1-2020 is de onderhoudsplicht beperkt, en vastgesteld op de helft van de duur van het huwelijk met een maximum van 5 danwel 12 jaren.. Voorwaarde is wel dat er sprake is van een causaal verband tussen de scheiding en de bijstandsbehoefte. De uitkeringsbehoefte moet rechtstreeks voortvloeien uit het verbroken gezinsverband (en bijvoorbeeld niet het gevolg zijn van het verlies van een eigen baan). Naast de onderhoudsplicht van (ex-)partners tegenover elkaar bestaat er een onderhoudsplicht van de ouder(
  6. s)jegens zijn/hun kinderen tot 21 jaar. Wanneer ouders uit elkaar gaan, betaalt meestal de ouder die de kinderen niet verzorgt een onderhoudsbijdrage (kinderalimentatie) aan de verzorgende ouder. De onderhoudsplichtige is de persoon van wie de onderhoudsbijdrage wordt gevraagd. De onderhoudsgerechtigde is de persoon die niet genoeg geld heeft om van te leven en die op grond van de wettelijke onderhoudsplicht een bijdrage in zijn levensonderhoud kan vragen aan zijn (ex-)partner ten behoeve van zichzelf en/of zijn kind. Een verhaalsbijdrage is de door de onderhoudsplichtige ten behoeve van zijn Pw-gerechtigde ex-partner en/of kind(eren) verschuldigde onderhoudsbijdrage die door het dagelijks bestuur is vastgesteld. Betaalt de onderhoudsplichtige al naar vermogen (naar draagkracht) alimentatie aan zijn ex-partner, dan betekent dit dat minder bijstand hoeft te worden betaald door het dagelijks bestuur. En in dat geval zal er ook geen (aanvullende) verhaalsbijdrage meer kunnen worden vastgesteld. Betaalt de onderhoudsplichtige (nog) geen alimentatie of minder alimentatie dan mogelijk is (gezien zijn draagkracht), dan betekent dit dat het dagelijks bestuur meer bijstand moet betalen. De gemaakte kosten van bijstand kan het dagelijks bestuur dan (naar draagkracht) verhalen op de onderhoudsplichtige. Het dagelijks bestuur zal in dat geval een verhaalsbijdrage vaststellen. Weigert de onderhoudsplichtige om deze bijdrage te betalen aan het dagelijks bestuur, dan kan het dagelijks bestuur aan de rechter vragen om de verhaalsbijdrage vast te stellen. De onderhoudsplichtige betaalt de verhaalsbijdrage rechtstreeks aan het dagelijks bestuur. Eindigt de Pw-uitkering van (ex-)echtgenoot en/of kind(eren), dan eindigt ook de verhaalsbijdrage die onderhoudsplichtige moest betalen. De verhaalsbijdrage is nooit hoger dan de gemaakte kosten van bijstand. Toelichting op artikel 34 De bevoegdheid (dus geen verplichting) om tot verhaal van kosten van bijstand over te gaan, is opgenomen onder de artikelen 61 t/m 62i Pw. De beleidsregel in dit artikel geeft aan dat toepassing wordt gegeven aan die wettelijke bevoegdheid. Net als bij vaststelling van alimentatie door de rechter worden de Trema-normen gebruikt bij bepaling van de verhaalsbijdrage. Deze Trema-normen zijn een hulpmiddel waarmee een onderhoudsbijdrage kan worden berekend. Er is sprake van een bevoegdheid tot verhaal (in geval van ex-partners) voor zover er een causaal verband is tussen een ontbinding van huwelijk/geregistreerd partnerschap, of het niet nakomen van de onderhoudsplicht, en bijstandsbehoefte. Bij samenwonenden is verhaal niet mogelijk. Belangrijk is daarbij dus de datum van ontbinding of niet nakomen van de onderhoudsplicht. Voor wat betreft de onderhoudsplicht voor kinderen, gelden de bepalingen uit Boek 1 , Titel 17 van het Burgerlijk Wetboek. De duur van de onderhoudsplicht is met ingang van 1 januari 2020 gewijzigd voor ex-partners, naar de helft van de duur van het huwelijk, met maxima van 5 danwel 12 jaren. Dit is vermeld in titel 17 van het Burgerlijk Wetboek, alwaar naar wordt verwezen in artikel 62 van de Participatiewet. Toelichting op artikel 35 Dit artikel biedt het dagelijks bestuur de mogelijkheid om de bijstandsgerechtigde te verplichten zijn of haar medewerking te verlenen om de alimentatie (de onderhoudsbijdrage) van de onderhoudsplichtige af te dwingen. Deze alimentatie wordt door het dagelijks bestuur beschouwd als een voorliggende voorziening conform artikel 5 sub e van de Pw (een voorziening buiten de Pw waarop de belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen). In de praktijk wordt aan de bijstand de verplichting verbonden dat de bijstandsgerechtigde alimentatie vordert van de onderhoudsplichtige. Indien sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor een gerechtelijke procedure niet mogelijk of wenselijk is, kan worden afgezien van het opleggen van de verplichting tot het starten van een gerechtelijke alimentatieprocedure. Het gaat dan om uitzonderingen, bijvoorbeeld vanwege huiselijk geweld of agressie door ex-partner, het aantoonbaar ontbreken van draagkracht, of een onderhoudsbijdrage die al betaald wordt en de verwachting is niet dat er meer kan worden afgedragen. Toelichting op artikel 36 Soms is tussen (ex-) echtgenoten / (ex-) partners de afspraak gemaakt dat de één tegenover de ander geen alimentatie verschuldigd is (nihilbeding). Of dat minder alimentatie moet worden betaald dan mogelijk is (gelet op de draagkracht van de onderhoudsplichtige en de behoefte van de onderhoudsgerechtigde/ bijstandsgerechtigde). Het dagelijks bestuur hoeft geen rekening te houden met zo’n afspraak. Dit staat in artikel 1:159a van het Burgerlijk Wetboek. Dus al ligt er een alimentatieafspraak (van partijen zelf of door de rechter vastgesteld), er kan toch een onderzoek worden gestart naar de mogelijkheden om de kosten van bijstand te verhalen op de onderhoudsplichtige. De onderhoudsplicht op grond van het Burgerlijk Wetboek blijft namelijk onverkort van kracht en het dagelijks bestuur heeft een eigen bevoegdheid om te onderzoeken of naar draagkracht wordt voldaan aan de onderhoudsplicht. Toelichting op artikel 37 Een verhaalsonderzoek wordt onmiddellijk opgestart naar aanleiding van de toekenning van een uitkering of een inkomensvoorziening. Bij toekenning van een uitkering wordt door de medewerker beoordeeld of de uitkering kan worden verhaald (of er sprake is van een onderhoudsplichtige, dus als sprake is van een [ex-]partner en/of kinderen). Is dat het geval dan wordt direct een verhaalsonderzoek opgestart. De onderhoudsplichtige wordt in dat geval direct geïnformeerd over zijn wettelijke onderhoudsplicht voor zijn ex-partner en kinderen. Door een vroegtijdige signalering van de verhaalsmogelijkheden, kan bezuinigd worden op de bijstandslasten. Niet alleen zal het versneld starten van de verhaalsprocedure meer opleveren vanwege het “langer” kunnen verhalen, maar ook is het niet ondenkbaar dat er een hoger bedrag kan worden verhaald. De onderhoudsplichtige zal doorgaans kort na de relatiebreuk nog niet allerlei nieuwe betalingsverplichtingen zijn aangegaan, waardoor hij meer overhoudt voor het onderhoud van zijn ex-partner en/of zijn kind(eren). Het kan ook tot gevolg hebben dat via verhaal fraude (eerder) worden gesignaleerd, doordat de ex-partner melding maakt van samenwoning of inkomsten van de onderhoudsgerechtigde die bijstand ontvangt. In leden 2 en 3 wordt ingegaan op de reikwijdte van dit verhaal. Bij vaststelling van de verhaalsbijdrage wordt uitgegaan van de Trema normen, die worden aanbevolen door de Expertgroep Alimentatienormen (een groep van familierechters gespecialiseerd in alimentatiezaken) waar ook rechters gebruik van maken. Alimentatie en ook een verhaalsbijdrage worden berekend op basis van de draagkracht (inkomsten en uitgaven) van de onderhoudsplichtige (en op basis van de behoefte van de onderhoudsgerechtigden). De draagkracht is dan het bedrag dat de onderhoudsplichtige die alimentatie/verhaalsbijdrage moet betalen, kan missen. De rechters die alimentatie en verhaalsbijdrage in juridische procedures vaststellen, hebben hierover richtlijnen (normen) afgesproken. Dit zijn de eerder genoemde ‘alimentatienormen’ of ‘Tremanormen’. Ook het dagelijks bestuur gebruikt deze Tremanormen voor het vaststellen van een verhaalsbijdrage. In beginsel moet een onderhoudsplichtige voor één kind tenminste € 25 per maand betalen. Is sprake van twee of meer kinderen, dan moet de onderhoudsplichtige in principe tenminste € 50 per maand betalen voor zijn kinderen. Voor berekening van de eigen bijdrage voor een kind, naar gelang het inkomen wordt verwezen naar de Behoeftetabel die op basis van het NIBUD en CBS is vastgesteld. Als de onderhoudsplichtige niet reageert, en zijn inkomen is niet af te leiden uit het onderzoek (bijvoorbeeld SUWInet) wordt uitgegaan van het maximale inkomen volgens de behoeftetabel, en deze als verhaalsbijdrage vastgesteld. Dit wordt vermeld in de aanschrijving, wat als een stimulans geldt om de gevraagde gegevens wel te overleggen. Leden 5 en 6: In de praktijk zien we dat er situaties zijn waarbij een individuele afweging nodig is of de hoofdregel van het direct starten of continueren van een zgn. verhaalsonderzoek kan/moet worden toegepast. Afzien van het starten of continueren van een verhaalsonderzoek is mogelijk, maar gezien de hoofdregel moet het hierbij wel gaan om uitzonderingssituaties. We sluiten daarbij aan bij de ondervonden problematiek. Situaties waaruit blijkt dat de overgelegde informatie samen met de Trema normen onvoldoende duidelijkheid bieden voor het juist berekenen van de onderhoudsbijdrage. Er kan worden afgeweken als blijkt dat er sprake is van complexe problematiek zoals inkomsten uit onderneming, een koopwoning, al dan niet met nieuwe partner, of een samengesteld gezin. Leden 7 en 8 beschrijven de situatie waarin bijstand wordt teruggevorderd van een cliënt. Als over die periode ook een onderhoudsbijdrage is ontvangen, dan moet deze onderhoudsbijdrage terugbetaald worden aan de onderhoudsplichtige (de inning blijkt achteraf immers niet terecht). Als er nog een openstaand saldo is kan deze terugbetaling worden verrekend met dit openstaande saldo. Als er nog termijnen zijn die voldaan moeten worden in de toekomst, kan er ook voor gekozen worden om de terugbetaling te verrekenen met de openstaande termijnen. Denkbaar is om dit af te stemmen met de onderhoudsplichtige. Toelichting op artikel 38 Wanneer de onderhoudsplichtige is toegelaten tot de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) of in staat van faillissement is gesteld, wordt er (nog) geen verhaalsbijdrage vastgesteld. De onderhoudsplichtige wordt geacht gedurende de duur van de WSNP of het faillissement geen draagkracht te hebben voor de nakoming van de onderhoudsverplichting. Verder kan het zo zijn dat een rechter recent de alimentatie heeft vastgesteld. Wanneer de alimentatie door de rechter op basis van draagkracht (conform Trema-normen) is vastgesteld (dus als géén sprake is van een nihilbeding als bedoeld in artikel 4), dan kan bij deze uitspraak worden aangesloten. In dit geval zou het niet efficiënt zijn om zelf nogmaals een draagkrachtonderzoek in te stellen. Dit is anders wanneer er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Wanneer bijvoorbeeld de onderhoudsplichtige na een periode van werkloosheid een baan heeft gevonden, met een salaris dat aanzienlijk hoger is dan zijn WW-uitkering was. In dat geval hoeft niet te worden afgezien van verhaal, maar kan toch een verhaalsbijdrage worden opgelegd. Er kunnen ook dringende redenen zijn om tijdelijk of blijvend van het opleggen van een verhaalsbijdrage af te zien, waardoor niet kan worden verhaald. Een besluit tot (geheel of gedeeltelijk) afzien van verhaal vindt plaats op grond van een individuele beoordeling. De dringende redenen kunnen alleen betrekking hebben op de gevolgen van het opleggen van een verhaalsbijdrage voor de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde en/of hun kinderen. Het gaat hier om zeer bijzondere omstandigheden, waarbij het opleggen van een verhaalsbijdrage leidt tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties van de onderhoudsplichtige en/of de onderhoudsgerechtigde. Toelichting op artikel 39 In dit artikel wordt geregeld vanaf welke datum een verhaalsbijdrage wordt opgelegd. Is er géén sprake van verhaal overeenkomstig een rechterlijke alimentatie uitspraak, dan wordt in beginsel de verhaalsbijdrage opgelegd vanaf het moment van de eerste aanschrijving van de onderhoudsplichtige. Dit is ook vermeld in die eerste aanschrijving. De ingangsdatum van de verhaalsbijdrage kan uiteraard niet liggen vóór de ingangsdatum van de bijstandsverlening aan de bijstandsgerechtigde. En de opgelegde verhaalsbijdrage kan nooit meer bedragen dan de bruto kosten van bijstand. Is er wel sprake van een rechterlijke alimentatie uitspraak die overeenkomstig artikel 62b van de Pw wordt verhaald, dan kan niet eerder worden verhaald dan vanaf de ingangsdatum van de bijstand. Als de in de alimentatie uitspraak bepaalde ingangsdatum van alimentatie is gesteld op een latere datum, dan geldt uiteraard die latere datum. Toelichting op artikel 40 Als een opgelegde verhaalsbijdrage niet (volledig) wordt voldaan, besluit het dagelijks bestuur overeenkomstig artikel 62g, tweede lid, van de Pw tot verhaal in rechte. In dat geval wordt vervolgens een verzoekschrift tot vaststelling van de verhaalsbijdrage ingediend bij de Rechtbank. In de Participatiewet zijn geen specifieke verjaringstermijnen voor verhaal van kosten van bijstand opgenomen. De termijnen van het Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing. Op grond van de algemene rechtsbeginselen kunnen omstandigheden als langdurig stilzitten en overschrijding van een redelijke termijn van besluitvorming echter worden meegewogen in een rechterlijke uitspraak. Een verzoekschrift tot verhaal in rechte jegens degene die een hem bij verhaalsbesluit opgelegde onderhoudsbijdrage niet nakomt moet in verband met voortvarend bestuurshandelen binnen zes maanden worden ingediend. Alvorens het verzoekschrift in te dienen, moet in het kader van zorgvuldig handelen, wel eerst een herinnering en een aanmaning aan de onderhoudsplichtige zijn verstuurd. De termijn van zes maanden bij bijstandsverhaal komt uit de rechtspraak. De rechter heeft de vrijheid om de ingangsdatum van verhaal te bepalen op een eerdere datum dan waarop het verzoekschrift is ingediend. Dat volgt uit artikel 1:402 van het Burgerlijk Wetboek en is door de Hoge Raad bevestigd. In diverse uitspraken heeft de rechter geoordeeld dat gemeenten wel voortvarend moeten handelen met het instellen van verhaal in rechte als blijkt dat de onderhoudsplichtige niet bereid is om overeenkomstig het verhaalsbesluit tot betaling over te gaan. Dat houdt verband met het rechtszekerheidsbeginsel. De onderhoudsplichtige moet binnen redelijke termijn weten waar hij aan toe is. Daarvoor is hij afhankelijk van gemeentelijk initiatief. Immers, als de onderhoudsplichtige het niet eens is met het verhaalsbesluit van de gemeente, kan hij die kwestie niet zelf aan de familierechter voorleggen. Het is de gemeente die in dat geval moet beslissen al dan niet verhaal in rechte te zoeken door een verzoekschriftprocedure te starten. Doet de gemeente dat niet tijdig, dan houdt de vastgestelde ingangsdatum van verhaal mogelijk geen stand. Als maximaal redelijke termijn wordt zes maanden aangehouden. Daarmee wordt bedoeld dat bijstandsverhaal mogelijk is per een datum die niet verder in het verleden ligt dan zes maanden voorafgaand aan de maand waarin het verzoekschrift bij de rechtbank is ingediend. Zie bijvoorbeeld rechtsoverweging 3.5 in uitspraak ECLI:NL:RBUTR:2004:AQ2363 van de rechtbank Utrecht, waarin de rechter vaststelt dat de gemeente (zonder gegronde reden) te laat was met het indienen van een verzoekschrift, waardoor de ingangsdatum verhaal vastgesteld werd op 6 maanden voor het indienen van het verzoekschrift. Afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval en gelet op het hiervoor genoemde wetsartikel kan de rechter daar van afwijken, bijvoorbeeld als de procedure door de onderhoudsplichtige wordt getraineerd of de gemeente zich aantoonbaar heeft ingespannen om bijstandsverhaal op minnelijke wijze tot stand te brengen. Toelichting op artikel 41 Als een onderhoudsplichtige niet voldoet aan een rechterlijke alimentatie-uitspraak, kan op twee manieren worden gehandeld: Op grond van artikel 62b Pw de verschuldigde alimentatie verhalen, of aan de bijstandsverlening de voorwaarde verbinden dat de bijstandsgerechtigde de invordering overdraagt aan het LBIO (zie art. 55 Pw) Vanaf augustus 2009 is het LBIO bevoegd om zowel de partner- als de kinderalimentatie in te vorderen. De ervaring leert echter dat de invordering door het LBIO veel tijd in beslag neemt. Het duurt vaak lang voordat een uitkeringsgerechtigde geld ontvangt van het LBIO. Zolang een uitkeringsgerechtigde geen geld van het LBIO ontvangt, ontvangt deze een volledige bijstandsuitkering of inkomensvoorziening. Als de belanghebbende dan op enig moment wel geld van het LBIO ontvangt, moet dit worden teruggevorderd of verrekend worden met de uitkering. Het kan eenvoudiger zijn om de alimentatie met toepassing van artikel 62b Pw te verhalen op de alimentatieplichtige. Aan de alimentatieplichtige wordt dan verzocht om de verschuldigde achterstallige alimentatie binnen zes weken aan de ISD te voldoen en voortaan elke maand het maandelijks verschuldigde alimentatiebedrag te voldoen. Dit heeft wel tot gevolg dat de bijstandsgerechtigde vanaf dat moment geen recht meer heeft op de alimentatie (het dagelijks bestuur incasseert gedurende de bijstandsverlening de verhaalde alimentatie), maar ook dat de alimentatiekorting op haar uitkering ongedaan wordt gemaakt. Na het verstrijken van de betalingstermijn, kan vervolgens een dwangbevel worden afgegeven om de alimentatie te incasseren. Toelichting op artikel 42 Een nieuw onderzoek naar wijzigingen in de draagkracht van een onderhoudsplichtige wordt eenmaal in de 2 jaar uitgevoerd. Als er aan een onderhoudsplichtige geen verhaalsbijdrage (nihil) is opgelegd en deze betaalt ook geen alimentatie, wordt eenmaal per jaar een nieuw onderzoek naar wijzigingen in de draagkracht van de onderhoudsplichtige uitgevoerd. Tijdens het onderzoek wordt eerst via Suwinet en BRP gecontroleerd of het inkomen of de gezinssituatie van de onderhoudsplichtige feitelijk is gewijzigd. Als er geen wijziging in inkomen of de gezinssituatie geconstateerd wordt, kan in de regel worden afgezien van het aanschrijven van de onderhoudsplichtige voor het onderzoek naar wijzigingen in de draagkracht. Worden er wel wijzigingen in het inkomen of de gezinssituatie geconstateerd, zal de onderhoudsplichtige worden aangeschreven met het verzoek mee te werken aan een nieuw onderzoek naar zijndraagkracht. Toelichting op artikel 43 Verhaalsbijdragen: Indien een schuldenregeling van toepassing is, kan een verschuldigde verhaalsbijdrage in de schuldenregeling worden meegenomen. Ook als een onderhoudsplichtige bijvoorbeeld gedurende 10 jaar niet aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan en het niet aannemelijk is dat er nog betalingen worden ontvangen (ook niet via dwanginvordering), dan kan het uitstaande saldo buiten invordering worden gesteld. De medewerking aan een schuldregeling of buiten invordering stelling is gebaseerd op dit artikel en op het bepaalde aangaande invordering van hoofdstuk 2 van deze uitvoeringsregels. Alimentatie: Kwijtschelding of een schuldenregeling is in principe niet mogelijk indien er sprake is van een achterstand in de alimentatie. Alimentatie is immers een voorliggende voorziening van de onderhoudsgerechtigde en het recht hierop kan niet verworpen worden zonder gevolgen voor deuitkering of de inkomensvoorziening van de onderhoudsgerechtigde. Als de alimentatieplichtige de verschuldigde alimentatie niet meer kan voldoen, moet hij de Rechtbank vragen om de alimentatie (al dan niet tijdelijk) op een lager bedrag of op nihil vast te stellen. Slechts in dringende en zwaarwegende omstandigheden kan van verdere invordering worden afgezien. Toelichting op artikel 44 Dit is geregeld in artikel 62d PW en artikel 402a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Toelichting op artikel 45 In artikel 62f Pw is verhaal bij schenking en nalatenschap omschreven als een bevoegdheid van het dagelijks bestuur. Er is voor gekozen om gebruik te maken van deze bevoegdheid. Is dus sprake van een schenking of nalatenschap (als bedoeld in artikel 62f Pw), dan zal het dagelijks bestuur de gegeven bevoegdheid tot verhaal uitoefenen. In het eerste lid is verhaal bij schenking omschreven. Kosten van bijstand worden verhaald op de persoon die een schenking heeft ontvangen van de (voormalig) bijstandsgerechtigde als ten tijde van die schenking redelijkerwijs was te voorzien dat bijstandsverlening noodzakelijk zou worden. Elementen die bij verhaal bij schenking een rol spelen zijn de volgende: Er moet sprake zijn van bevoordeling uit vrijgevigheid Schenking is iedere bevoordeling uit vrijgevigheid, waardoor het eigen vermogen van de schenker vermindert (en het vermogen van de ontvanger toeneemt). De betaling van een schuld is dus geen schenking. Voorzienbaarheid van bijstandsverlening De kosten van bijstand worden verhaald op de ontvanger van de schenking als de schenker (de bijstandsgerechtigde) ten tijde van de schenking redelijkerwijs kon voorzien dat hij aanspraak zou moeten maken op bijstandsverlening aan hem. Het gaat er dus om of de schenker (gezien zijn individuele omstandigheden) op het moment van schenking kon voorzien dat hij bijstandsbehoevend zou worden. Kon hij dat voorzien, dan getuigt de schenking van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. En de schenking wordt dan verhaald op de ontvanger van de schenking. Middelen in de zin van de Pw Ten aanzien van verhaal bij schenking geldt dat het bedrag dat wordt verhaald bestaat uit het verschil tussen de verstrekte bijstand en de bijstand die zou zijn verstrekt indien de bijstandsgerechtigde de schenking niet had gedaan (dus wanneer hij zelf nog over die middelen had beschikt). Dat betekent bijvoorbeeld dat rekening wordt gehouden met niet tot het vermogen te rekenen middelen en het vrij te laten vermogen (artikel 34 Pw); alleen het vermogen boven de vermogensgrens kan worden verhaald. Verder moet de eventueel door de ontvanger van de schenking betaalde belasting (schenkingsrecht), worden afgetrokken van de schenking die wordt verhaald op de ontvanger. In het tweede lid is verhaal op de nalatenschap van de overleden bijstandsgerechtigde omschreven. Kosten van bijstand worden verhaald op de erven van de overleden bijstandsgerechtigde wanneer er ten onrechte bijstand is verleend en deze bijstand niet voor het overlijden is teruggevorderd. Ook bijstand die is verleend in de vorm van een geldlening of als gevolg van borgtocht, wordt verhaald op de nalatenschap. Bij het verhaal op de nalatenschap wordt de bijstand verhaald op de erven die – wanneer de overleden bijstandsgerechtigde nog wel had geleefd – van hem zou zijn teruggevorderd. Dat betekent ondermeer dat – net als bij verhaal bij schenking (eerste lid) – ook rekening wordt gehouden met niet tot het vermogen te rekenen middelen en met het vrij te laten vermogen (artikel 34 Pw); alleen het vermogen boven de vermogensgrens kan worden verhaald. Hoofdstuk4Boete (Pw, IOAW, IOAZ) Inleiding Voldoet een belanghebbende niet of niet behoorlijk aan zijn inlichtingenverplichting, dan moet het dagelijks bestuur een straf opleggen in de vorm van een bestuurlijke boete (of aangifte doen; strafrechtelijke afdoening). De verplichting om een bestuurlijke boete op te leggen, is opgenomen in artikel 18a PW en artikel 20a van de IOAW en de IOAZ. Dit hoofdstuk geeft richting aan de bevoegdheden betreffende het opleggen van een bestuurlijke boete door het dagelijks bestuur. §4.1Algemeen Artikel46Begripsbepalingen 1.In deze uitvoeringsregels wordt verstaan onder: dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek; Awb: de Algemene wet bestuursrecht; PW: de Participatiewet; IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers; IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; inlichtingenplicht: verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid van de PW, artikel 13, eerste lid van de IOAW, artikel 13, eerste lid van de IOAZ en artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen; bestuurlijke boete: de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a van de PW en artikel 20a van de IOAW en de IOAZ; waarschuwing: de

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.