Besluit van gedeputeerde staten van de provincie Zeeland tot vaststelling van beleidsregels voor natuurbescherming (Beleidsregels Natuurbescherming Zeeland 2022)Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland; gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht; overwegende de wens van gedeputeerde staten om alle beleidsregels met betrekking tot de Wet natuurbescherming overzichtelijk te bundelen in één besluit; overwegende dat de beleidsregels de uitwerking vormen van de beleidsvrijheid die aan gedeputeerde staten is toegekend in de Wet natuurbescherming en de daarop gebaseerde regelingen; overwegende dat het gewenst is regels op te stellen inzake het gebruik van de bevoegdheid tot het verlenen van vergunningen op grond van artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming in het kader van salderen voor projecten die een effect kunnen hebben op N-depositie op relevante hexagonen in Natura 2000-gebieden; overwegende dat het gewenst is regels op te stellen inzake het gebruik van de bevoegdheid tot het verlenen van vergunningen op grond van artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming in het kader van lozing van proceswater en storten van tarra in de Oosterschelde afkomstig van de verwatering of verwerking van tweekleppige weekdieren; overwegende dat het gewenst is regels op te stellen inzake het gebruik van de bevoegdheid tot het verlenen van vergunningen op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming voor het bedrijfsmatig handmatig rapen van schelpdieren en het bedrijfsmatig snijden van zeegroenten in de Deltawateren; overwegende dat gedeputeerde staten op grond van de artikelen 3.3, eerste lid, 3.8, eerste lid en 3.10, tweede lid, van de Wet natuurbescherming bevoegd zijn ontheffingen te verlenen met betrekking tot de bescherming van soorten; overwegende dat gedeputeerde staten, op grond van artikel 3.22, vierde lid, van de Wet natuurbescherming bevoegd zijn de jacht te sluiten indien de bijzondere weersomstandigheden dat vergen; overwegende dat gedeputeerde staten op grond van artikel 4.5, derde lid, van de Wet natuurbescherming, bevoegd zijn ontheffingen te verlenen of verplichtingen op te leggen met betrekking tot houtopstanden; overwegende dat gedeputeerde staten op grond van artikel 6.1 van de Wet natuurbescherming bevoegd zijn tegemoetkomingen in schade aangericht door natuurlijk in het wild levende beschermde diersoorten te verlenen; overwegende dat gedeputeerde staten het wenselijk achten vast te leggen op welke wijze zij invulling geven aan die bevoegdheden, zodat alle betrokkenen daar in hun beleid, besluitvorming en bij hun initiatieven rekening mee kunnen houden; gelet op het gestelde in de Omgevingsverordening Zeeland 2018; besluiten vast te stellen de volgende beleidsregels: Beleidsregels Natuurbescherming Zeeland 2022 Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Afdeling1.1Inleidende bepalingen Artikel1.1Begripsbepalingen Bijlage 1 bij dit besluit bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit besluit. Hoofdstuk2.Natura 2000-activiteiten Afdeling2.1Salderen Artikel2.1Toepassingsbereik Gedeputeerde Staten hanteren deze beleidsregels bij het beoordelen van een aanvraag om een natuurvergunning waarbij gebruik is gemaakt extern salderen voor projecten die een effect kunnen hebben op N-depositie op relevante hexagonen in Natura 2000-gebieden. Artikel2.2Natuurvergunning Gedeputeerde Staten verlenen een natuurvergunning in gevallen waarin bij de aanvraag gebruik is gemaakt van extern salderen uitsluitend indien wordt voldaan aan de in deze beleidsregels opgenomen voorwaarden. Artikel2.3Rekenmodel Gedeputeerde Staten gaan bij de beoordeling van de N-depositie uit van de op het moment van beslissing op de aanvraag voor de natuurvergunning meest recente versie van de AERIUS Calculator, zoals beschikbaar op www.aerius.nl. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op onderdelen die buiten het toepassingsbereik van de AERIUS Calculator vallen, kunnen Gedeputeerde Staten op deze onderdelen om aanvullende berekeningen verzoeken. Artikel2.4Voorwaarden extern salderen Er bestaat een directe samenhang tussen de intrekking van de toestemming voor de saldogevende activiteit en de verlening van de natuurvergunning voor de saldo-ontvangende activiteit. Een activiteit mag alleen worden ingezet ten behoeve van extern salderen voor zover er een toestemming was voor de N-emissie veroorzakende activiteit in de referentiesituatie en deze sindsdien onafgebroken aanwezig is geweest of nog kan zijn tot het moment van intrekking of wijziging van de toestemming of het sluiten van een overeenkomst tussen de saldogever en de saldo-ontvanger, zodat hervatting van de activiteit mogelijk was zonder dat daarvoor een natuurvergunning of omgevingsvergunning, onderdeel bouwen, voor de realisering van een project is vereist. Gedeputeerde Staten betrekken een toestemming die niet kan worden ingetrokken uitsluitend bij de beoordeling van de aanvraag, indien de feitelijke uitvoering van de activiteit wordt beëindigd voordat deze activiteit wordt ingezet voor salderen. Gedeputeerde Staten betrekken bij de beoordeling van de aanvraag voor extern salderen uitsluitend de N-emissie van de saldogevende activiteit voor zover intrekking van de daaraan ten grondslag liggende toestemming niet noodzakelijk is in verband met toepassing van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Gedeputeerde Staten laten bij de beoordeling van een aanvraag buiten beschouwing de N- emissie van een saldogevend bedrijf voor dat deel van een bedrijf dat ofwel deelneemt aan de stoppersregeling Actieplan Ammoniak Veehouderij ofwel aan de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen. Gedeputeerde Staten ontvangen van het voornemen tot extern salderen van de saldo-ontvanger voorafgaand aan de aanvraag een melding met de gegevens van de saldo-ontvangende activiteit en saldogevende activiteit. Bij het beoordelen van een aanvraag hanteren Gedeputeerde Staten als uitgangspunt dat alleen gebruik wordt gemaakt van de in de toestemming van de saldogever opgenomen N-emissie in de referentiesituatie, voor zover de capaciteit aantoonbaar feitelijk is gerealiseerd. Bij de beoordeling van de feitelijk gerealiseerde capaciteit, bedoeld in het zevende lid, gaan Gedeputeerde Staten uit van de op het moment van indienen van de aanvraag op grond van een toestemming volledig opgerichte installaties en gebouwen, of gerealiseerde infrastructuur en overige voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de activiteit. Gedeputeerde Staten verlenen een natuurvergunning eerst nadat de niet-gerealiseerde capaciteit van de saldogever op diens verzoek is ingetrokken. Gedeputeerde Staten gaan bij het berekenen van de N-emissie van het saldogevende bedrijf in de referentiesituatie uit van ten hoogste de emissie die is toegestaan op grond van het Besluit emissiearme huisvesting. Bij het beoordelen van een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid van de wet waarvoor geldt dat het Besluit emissiearme huisvesting van toepassing is op de realisering van dat project, gaan Gedeputeerde Staten voor dat project uit van ten hoogste de emissie die is toegestaan op grond van het Besluit emissiearme huisvesting. Bij de verlening van een natuurvergunning wordt 70% van de N-emissie van de feitelijk gerealiseerde capaciteit van de saldogevende activiteit betrokken. In afwijking van het tiende lid kan tot 100% van de N-emissie van de saldogevende activiteit bij de verlening van een natuurvergunning betrokken worden, indien het project noodzakelijk is ten behoeve van de realisatie van de doelen in een Natura 2000-gebied. Artikel2.5Verleasen Artikel 2.4 is van overeenkomstige toepassing op verleasen, met uitzondering van het eerste en negende lid. Voor tijdelijke deposities van ten hoogste twee jaar kunnen Gedeputeerde Staten een natuurvergunning verlenen met gebruikmaking van verleasen. Gedeputeerde Staten kunnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, verlengen indien zij dat voor het project noodzakelijk achten. Er bestaat een directe samenhang tussen de tijdelijke buitengebruikstelling van de toestemming voor de saldogevende activiteit en de verlening van de natuurvergunning voor de tijdelijke saldo-ontvangende activiteit. Een aanvraag waarbij gebruik wordt gemaakt van verleasen, gaat vergezeld van een afschrift van een getekende overeenkomst tussen saldogever en saldo-ontvanger waarin: de tijdelijke buitengebruikstelling van de saldogevende activiteit wordt gewaarborgd gedurende de looptijd van de natuurvergunning voor de tijdelijke saldo-ontvangende activiteit; en saldogever verklaart in te stemmen met een tijdelijke beperking van zijn toestemming. Gedeputeerde Staten nemen het voorschrift op dat de saldo-ontvangende activiteit slechts mag plaatsvinden binnen de looptijd van de natuurvergunning en dat de start- en gereedmelding van deze periode door de saldo-ontvanger moet worden gemeld aan het bevoegd gezag. Gedeputeerde Staten nemen het voorschrift op dat de natuurvergunning niet eerder in gebruik mag worden genomen dan nadat de saldo-ontvanger bij het bevoegd gezag heeft gemeld dat de saldogevende activiteit is gestaakt. Artikel2.6Plannen Indien reeds is gesaldeerd voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid van de wet, dan wel als gevolg van het plan activiteiten met N-emissie worden beëindigd, kan deze saldering dan wel dit planeffect tevens worden ingezet voor een aanvraag voor een natuurvergunning ter invulling van dat plan. Artikel 2.4, tweede lid, voor zover dat betrekking heeft op het onafgebroken aanwezig zijn van de bedoelde activiteit, zevende en achtste lid zijn daarop niet van toepassing. Artikel2.7Realisatietermijn Gedeputeerde Staten nemen in een natuurvergunning het voorschrift op dat de activiteit waarvoor de natuurvergunning is verleend, binnen drie jaar na het onherroepelijk worden van de natuurvergunning moet worden gerealiseerd. Artikel2.8Stikstofregistratiesysteem Gedeputeerde Staten reserveren in het SSRS pas depositieruimte als bedoeld in artikel 2.8, eerste lid van de Regeling natuurbescherming als de in dat lid genoemde aanvraag volledig is. Bij een aanvraag voor extern salderen kunnen niet worden betrokken de bronmaatregelen als bedoeld in artikel 2.4 van de Regeling natuurbescherming die zijn opgenomen in het SSRS. Met uitzondering van het eerste lid, is deze beleidsregel niet van toepassing op aanvragen voor zover bij die aanvraag een beroep wordt gedaan op het SSRS. Artikel2.9Stikstofbank Gedeputeerde Staten van de gezamenlijke provincies dragen zorg voor de inrichting van de stikstofbank. Onderhoud aan en beheer van de stikstofbank vinden plaats onder verantwoordelijkheid van Gedeputeerde Staten van de gezamenlijke provincies. Artikel2.10Microdepositiebank Gedeputeerde Staten delen alleen depositieruimte uit de microdepositiebank toe in een natuurvergunning als de boven de microdeposities benodigde ruimte op een andere wijze wordt vergund. Gedeputeerde Staten van de provincies vullen gezamenlijk de microdepositiebank aan het begin van ieder kwartaal met vrijgevallen depositieruimte en kunnen deze dan aanvullen met vrijgemaakte depositieruimte. Gedeputeerde Staten reserveren depositieruimte in de microdepositiebank op volgorde van binnenkomst van een volledige aanvraag voor zover alle daarvoor benodigde depositieruimte in de microdepositiebank beschikbaar is. De beschikbare depositieruimte vermindert door het reserveren en toedelen van depositie aan projecten. De depositieruimte vermeerdert door de vulling, bedoeld in het tweede lid. Op verzoek van een aanvrager kunnen Gedeputeerde Staten een volledige aanvraag waarvoor geen depositieruimte beschikbaar is eenmalig voor ten hoogste drie maanden aanhouden om gebruik te maken van de microdepositiebank. Gedeputeerde Staten delen depositieruimte toe bij de verlening van een natuurvergunning. Gedeputeerde Staten delen alleen depositieruimte toe voor zover zij is gereserveerd overeenkomstig het derde lid. Een reservering vervalt bij de afwijzing of intrekking van een aanvraag om een natuurvergunning, waarna de hierbij betrokken depositieruimte opnieuw beschikbaar komt als vulling als bedoeld in het tweede lid. Gedeputeerde Staten delen geen depositieruimte toe aan legalisatie van projecten waarvoor een meldingsplicht gold op grond van artikel 8 van de Regeling programmatische aanpak stikstof zoals dat luidde tot 1 januari 2017 of artikel 2.7 van de Regeling natuurbescherming zoals dat luidde op 28 mei 2019 en waarvoor een melding is gedaan. Artikel2.11Doelgebonden depositiebank Binnen de stikstofbank kunnen Gedeputeerde Staten, al dan niet in samenwerking met andere bevoegde gezagen, doelgebonden depositiebanken instellen. Gedeputeerde Staten nemen per doelgebonden depositiebank een instellingsbesluit, dat in ieder geval het volgende bevat: het doel van de doelgebonden depositiebank; de termijn waarbinnen de in de doelgebonden depositiebank geregistreerde ruimte uitgegeven wordt, en de regels voor vulling en toedeling van depositieruimte. De vulling van een doelgebonden depositiebank bestaat uit vrijgemaakte ruimte. Depositieruimte is uitsluitend beschikbaar voor plannen of projecten gerelateerd aan het doel als bedoeld in het tweede lid, onder a. Artikel2.12Hardheidsclausule Gedeputeerde Staten wijken, in overeenstemming met artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, in individuele gevallen van deze beleidsregels af, wanneer onverkorte toepassing ervan voor een of meer belanghebbenden gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met deze beleidsregels te dienen doelen en de afwijking zo min mogelijk afbreuk doet aan het doel om N-depositie of te reduceren. Afdeling2.2 Lozing van proceswater en storten van tarra in de Oosterschelde Artikel2.13Algemene bepalingen De bepalingen in deze beleidsregels voor tweekleppige weekdieren zijn van overeenkomstige toepassing op alle manteldieren, stekelhuidigen, mariene buikpotigen en schaaldieren. Artikel2.14Voorwaarden voor het lozen van proceswater in de Oosterschelde Het lozen van proceswater in de Oosterschelde dat is gebruikt voor het vervoeren, verwateren opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren die afkomstig zijn uit de Nederlandse 12-mijlszone, Waddenzee, Oosterschelde, Westerschelde, Grevelingen of Veerse Meer dient op grond van het Deskundigenoordeel Verplaatsingsproblematiek Schelpdieren 2004 (de Voortoets) niet beschouwd te worden als project of handeling die de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dit Natura 2000-gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Voor deze lozingen is daarom geen vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet noodzakelijk. Artikel2.15 Het lozen van proceswater in de Oosterschelde dat is gebruikt voor het vervoeren, verwateren opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren die niet afkomstig zijn uit de in artikel 2.14 genoemde gebieden dient op grond van het Deskundigenoordeel Verplaatsingsproblematiek Schelpdieren 2004 (de Voortoets) beschouwd te worden als project of handeling die de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dit Natura 2000-gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Deze lozingen zijn daarom op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet zonder vergunning verboden. Aan de vergunningplicht, genoemd in het eerste lid, wordt voldaan indien met betrekking tot het gebied van herkomst door de staatssecretaris van Economische Zaken voor het importeren en verwateren of uitzaaien van levende tweekleppige weekdieren in de Oosterschelde reeds een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet is verleend. Artikel2.16 Gedeputeerde Staten kunnen voor het lozen van proceswater in de Oosterschelde dat is gebruikt voor het vervoeren, verwateren, opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren, die niet afkomstig zijn uit de in artikel 2.14 genoemde gebieden, een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet voor het lozen van onbehandeld proceswater verlenen. Een aanvraag voor een vergunning voor het lozen van onbehandeld proceswater dient in elk geval te bevatten: een passende beoordeling waarin is aangetoond dat het lozen van proceswater dat is gebruikt voor het vervoeren, verwateren opslaan, schonen, be- of verwerken van deze tweekleppige weekdieren geen significante effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van de Oosterschelde; een control- en managementplan met een integrale risicobeoordeling en een beschrijving van de kritische beheerspunten; een schelpdier afhankelijke soorten inventarisatie van het herkomstgebied waaruit blijkt dat er geen probleemsoorten voor de Oosterschelde in het herkomstgebied zijn aangetroffen, als onderdeel van het control- en managementplan. Aan een vergunning voor het lozen van onbehandeld proceswater in de Oosterschelde dat is gebruikt voor het vervoeren, verwateren, opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren, die niet afkomstig zijn uit de in artikel 2.14 genoemde gebieden, worden door Gedeputeerde Staten in ieder geval de volgende voorwaarden verbonden: uiterlijk vierentwintig uur voor het moment waarop de tweekleppige weekdieren bij het betreffende bedrijf aankomen, wordt hiervan per fax, per e-mail of, indien dit niet mogelijk is, schriftelijk mededeling gedaan bij de RUD Zeeland, voor deze de mosselveiling. Hierbij dient in ieder geval te worden vermeld: de naam van het (deel)productiegebied waaruit de tweekleppige weekdieren afkomstig zijn, de soort en de geschatte hoeveelheid; de vermoedelijke tijd van aankomst bij het importerende en/of verwerkende bedrijf; direct na aankomst van de gemelde partij tweekleppige weekdieren stelt het importerende en/of verwerkende bedrijf onverwijld afschriften van de navolgende documenten middels fax, e-mail, post of persoonlijke overhandiging, ter beschikking aan de RUD Zeeland, voor deze de mosselveiling: het bij de betreffende partij behorende registratiedocument, het vervoersdocument en de weegbrief; bedrijven houden een jaarlijkse administratie bij op basis waarvan het mogelijk is per verwaterde of verwerkte partij ten minste het volgende vast te stellen: de herkomst van de partij, inclusief het nummer van het registratiedocument; het soort tweekleppig weekdier; de hoeveelheid geïmporteerde verwerkte tweekleppige weekdieren; de datum van binnenkomst; de datum en het tijdstip van melding; de administratie dient ten minste drie jaar te worden bewaard. Artikel2.17 Gedeputeerde Staten kunnen voor het lozen van proceswater in de Oosterschelde dat is gebruikt voor het vervoeren, verwateren, opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren die niet afkomstig zijn uit de in artikel 2.14 genoemde gebieden, of waarvoor niet aan de in artikel 2.16 gestelde voorwaarden wordt voldaan, op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet een vergunning voor het lozen van behandeld proceswater verlenen. Een aanvraag voor een vergunning voor het lozen van behandeld proceswater dient in elk geval te bevatten: een passende beoordeling waarin is aangetoond dat het lozen van proceswater dat is gebruikt voor het vervoeren, verwateren opslaan, schonen, be- of verwerken van deze tweekleppige weekdieren door behandeling geen significante effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van de Oosterschelde; een stroomschema met een omschrijving van de te gebruiken behandelingsinstallatie; een omschrijving en processchema van de behandelingsinstallatie en een tekening van het hele waterloopsysteem, waarin alle water- en afvalstromen zijn aangebracht zoals de influent,-, effluent,- en recirculatieleidingen; een omschrijving van de eventueel te gebruiken UV-installatie of andere gelijkwaardige desinfecteermethode; een omschrijving van de wijze waarop het procesbeheerssysteem waarborgen biedt om proceswater te scheiden of gescheiden te behandelen; een omschrijving van de wijze waarop containers of productiemiddelen, zoals een sorteermachine of inpaktafel, zijn gemerkt ten behoeve van herkenning als zijnde onderdeel van de behandelingsinstallatie; een omschrijving van de beoogde wijze of methode waarmee alle containers, productiemiddelen, vervoersmiddelen en ruimten gereinigd worden. Aan een vergunning voor het lozen van behandeld proceswater worden door Gedeputeerde Staten in ieder geval de volgende voorwaarden verbonden: uiterlijk vierentwintig uur voor het moment waarop de tweekleppige weekdieren bij het betreffende bedrijf aankomen, wordt hiervan per fax, per e-mail of, indien dit niet mogelijk is, schriftelijk mededeling gedaan bij de RUD Zeeland, voor deze de mosselveiling. Hierbij dient in ieder geval te worden vermeld: de naam van het (deel)productiegebied waaruit de tweekleppige weekdieren afkomstig zijn, de soort en de hoeveelheid; de vermoedelijke tijd van aankomst bij het importerende en/of verwerkende bedrijf; direct na aankomst van de gemelde partij tweekleppige weekdieren stelt het importerende en/of verwerkende bedrijf onverwijld afschriften van de navolgende documenten middels fax, e-mail, post of persoonlijke overhandiging, ter beschikking aan de RUD Zeeland, voor deze de mosselveiling: het bij de betreffende partij behorende registratiedocument, het vervoersdocument en de weegbrief; bedrijven houden een administratie bij zoals beschreven onder artikel 2.16, derde lid, onder b. In aanvulling op de genoemde administratieve verplichtingen onder artikel 2.16, derde lid, onder b, dient in deze administratie ook te zijn opgenomen: de datum/data waarop en de hoeveelheden waarin een partij, die niet afkomstig is uit de in artikel 2.14 genoemde gebieden, of waarvan niet aan de in artikel 2.16 gestelde voorwaarden wordt voldaan, het bedrijf verlaat. Het bepaalde onder artikel 2.16, derde lid, onder c, is van overeenkomstige toepassing. Aan een vergunning voor het lozen van behandeld proceswater kunnen door Gedeputeerde Staten aanvullende voorwaarden worden verbonden, waaronder: het water of lekwater dat vrij komt van gebruikte vervoermiddelen, los of vast materiaal zoals bakken, manden, sorteer- of inpakmachines wordt op een in de passende beoordeling getoetste wijze behandeld; alle kranen van leidingen waarmee buitenom de filters of de behandelingsinstallatie onbehandeld proceswater geloosd kan worden, zijn in gesloten toestand verzegeld; in de bodem van de behandelingsinstallatie is een voorziening aangebracht die het mogelijk maakt om water via het waterfilter of het waterbehandelingssysteem af te voeren; alle in gebruik zijnde afvoergoten, kranen en leidingen in het deel van het productiegebouw en de koelcellen die onderdeel vormen van de behandelingsinstallatie moeten in verbinding staan met het waterbehandelingssysteem; het materiaal, waaronder containers of de productiemiddelen zoals een sorteermachine of inpaktafel, dat in de behandelingsinstallatie wordt gebruikt, is te allen tijde permanent gemerkt en duidelijk herkenbaar en mag niet eerder buiten de behandelingsinstallatie worden gebruikt, voordat het op een in de passende beoordeling getoetste wijze is gereinigd; tarra, voor transport gebruikte verpakkingsmateriaal, filtermateriaal, alsmede het materiaal van biologische filters of het materiaal van de behandelingsinstallatie wordt afgevoerd naar een daarvoor bestemde (afval)verwerker, of wordt op een andere in de passende beoordeling getoetste wijze afgevoerd dan wel onschadelijk gemaakt en van alle transporten wordt een administratie bijgehouden; uitsluitend bevoegd personeel mag toegang krijgen tot de behandelingsinstallatie. Artikel2.18Voorwaarden voor het storten van tarra in de Oosterschelde Het storten van tarra in de Oosterschelde dat afkomstig is van het vervoeren, verwateren opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren die afkomstig zijn uit de Nederlandse 12-mijlszone, Waddenzee, Oosterschelde, Westerschelde, Grevelingen of Veerse Meer dient op grond van het Deskundigenoordeel Verplaatsingsproblematiek Schelpdieren 2004 (Voortoets) niet beschouwd te worden als project of handeling die de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dit Natura 2000-gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Voor het storten van deze tarra is daarom geen vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet noodzakelijk. Artikel2.19 Het storten van tarra in de Oosterschelde dat afkomstig is van het vervoeren, verwateren opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren die niet afkomstig zijn uit de in artikel 2.18 genoemde gebieden dient op grond van het Deskundigenoordeel Verplaatsingsproblematiek Schelpdieren 2004 (Voortoets) beschouwd te worden als project of handeling die de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dit Natura 2000-gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Het storten van deze tarra is daarom op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet zonder vergunning verboden. Aan de vergunningplicht, genoemd in het eerste lid, wordt voldaan indien met betrekking tot het gebied van herkomst door de staatssecretaris van Economische Zaken voor het importeren en verwateren of uitzaaien van levende tweekleppige weekdieren in de Oosterschelde reeds een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet is verleend. Artikel2.20 Gedeputeerde Staten kunnen voor het storten van tarra in de Oosterschelde dat afkomstig is van het vervoeren, verwateren, opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren die niet afkomstig zijn uit de in artikel 2.18 genoemde gebieden, een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet verlenen. Een aanvraag voor een vergunning voor het storten van tarra dient in elk geval te bevatten: een passende beoordeling waarin is aangetoond dat het storten van tarra afkomstig van het vervoeren, verwateren, opslaan, schonen, be- of verwerken van deze tweekleppige weekdieren geen significante effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van de Oosterschelde; een control- en managementplan met een integrale risicobeoordeling en een beschrijving van de kritische beheerspunten; een schelpdier afhankelijke soorten inventarisatie van het herkomstgebied waaruit blijkt dat er geen probleemsoorten voor de Oosterschelde in het herkomstgebied zijn aangetroffen, als onderdeel van het control- en managementplan. Een passende beoordeling dient in elk geval een omschrijving te bevatten van de wijze waarop tarra die niet in de Oosterschelde gestort mag worden, gescheiden wordt behandeld en afgevoerd naar een verwerker zodat verzekerd is dat deze tarra niet wordt vermengd met andere tarra. Aan een vergunning voor het storten van tarra worden door Gedeputeerde Staten in ieder geval de volgende voorwaarden verbonden: bedrijven houden een administratie bij zoals beschreven onder artikel 2.16, derde lid, onder b. Het bepaalde onder artikel 2.16, derde lid, onder c, is van overeenkomstige toepassing; bedrijven houden daarnaast een jaarlijkse tarra-administratie bij op basis waarvan het mogelijk is het volgende vast te stellen: de hoeveelheid en herkomst van partijen tarra die zijn afgevoerd naar een verwerker, inclusief het nummer van het registratiedocument, de datum, de naam van de verwerker en een bewijs van aflevering; de tarra-administratie dient ten minste drie jaar te worden bewaard. Afdeling2.3 Tijdelijke opschorting vergunningverlening voor het bedrijfsmatig handmatig rapen van schelpdieren en het bedrijfsmatig snijden van zeegroenten in de Deltawateren Artikel2.21Tijdelijke opschorting vergunningverlening Het verlenen van vergunningen op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet voor het bedrijfsmatig handmatig rapen van schelpdieren en het bedrijfsmatig snijden van zeegroenten in de Deltawateren wordt opgeschort totdat hiervoor beleid is vastgesteld. Hoofdstuk3.Flora- en fauna-activiteiten Afdeling3.1 Sluiting van de jacht onder bijzondere weersomstandigheden Artikel3.1Criteria watervogels (onder andere wilde eend, grauwe gans, kolgans en Canadese gans) De jacht wordt gesloten en beheer en schadebestrijding wordt opgeschort wanneer: 90% of meer van de grote wateren drie dagen aaneengesloten (vrijwel) geheel is dichtgevroren en de weersverwachting voor de komende drie dagen een gemiddelde temperatuur aangeeft van minder dan nul graden Celsius, of; op 75% of meer van het Zeeuwse grondgebied sprake is van bedekking van de bodem met sneeuw of ijzel voor een aaneengesloten periode van drie dagen en de weersverwachting is dat in deze situatie de komende drie dagen geen verandering optreedt. Artikel3.2Criteria wild (met uitzondering van wilde eend) De jacht wordt gesloten en beheer en schadebestrijding wordt opgeschort wanneer: op 75% of meer van het Zeeuwse grondgebied sprake is van bedekking van de bodem met sneeuw of ijzel voor een aaneengesloten periode van drie dagen en de weersverwachting is dat in deze situatie de komende drie dagen geen verandering optreedt, of; de gemiddelde etmaaltemperatuur zeventien dagen aaneengesloten beneden de 0 graden Celsius blijft en de weersverwachting is dat in deze situatie de komende drie dagen geen verandering optreedt, of de maximum temperatuur komt zes dagen aaneengesloten niet boven de -vijf graden Celsius en de weersverwachting is dat in deze situatie de komende drie dagen geen verandering optreedt. Artikel3.3Criteria overige soorten Beheer en schadebestrijding wordt opgeschort wanneer: 90% of meer van de genoemde grote wateren drie dagen aaneengesloten (vrijwel) geheel dichtgevroren is en de weersverwachting geeft voor de komende drie dagen een gemiddelde temperatuur aan van minder dan nul graden Celsius, of; op 75% of meer van het Zeeuwse grondgebied sprake is van bedekking van de bodem met sneeuw of ijzel voor een aaneengesloten periode van drie dagen en de weersverwachting is dat in deze situatie de komende drie dagen geen verandering optreedt, of; de gemiddelde etmaal temperatuur zeventien dagen aaneengesloten beneden de nul graden Celsius blijft en de weersverwachting is dat in deze situatie de komende drie dagen geen verandering optreedt, of; de maximum temperatuur zes dagen aaneengesloten niet boven de -vijf graden Celsius komt en de weersverwachting is dat in deze situatie de komende drie dagen geen verandering optreedt. Artikel3.4 Voor het bepalen van de mate van bedekking met sneeuw/ijzel alsmede van de maximale en de gemiddelde temperatuur worden de daadwerkelijk geregistreerde gegevens van het KNMI gebruikt alsmede de weersverwachtingen van dit instituut. Voor de ijsbedekking controleren gedeputeerde staten in perioden van vorst en ijsvorming dagelijks de toestand van de volgende negen grote wateren: Braakman, Otheense kreek, Grote Vogel, Zoommeer, Westerschenge, Veerse Meer, krekengebied Ouwerkerk, Dijkwater en Schelphoek. Artikel3.5 Gedeputeerde staten informeren de betrokken organisaties zodra sprake is van het sluiten van de jacht en opschorting van beheer en schadebestrijding. Gedeputeerde staten geven een persbericht uit en verzoeken de relevante organisaties om de kennisgeving van de wintersluiting onder hun achterban bekend te maken. Artikel3.6 In het geval het sluiten van de jacht heeft plaatsgevonden op grond van artikel 3.1 besluiten gedeputeerde staten tot heropening van de jacht op het moment dat: 50% van de genoemde grote wateren (grotendeels) vrij van ijs is, en, gedurende vier dagen achtereen op minimaal 50% van het Zeeuwse grondgebied geen sprake meer is van sneeuw- of ijzelbedekking. In het geval opschorten heeft plaatsgevonden op grond van artikel 3.1 besluiten gedeputeerde staten tot beëindigen van de opschorting van beheer en schadebestrijding op het moment dat de gemiddelde etmaaltemperatuur vier dagen boven de nul graden Celsius is en de weersverwachting voor de komende drie dagen eveneens is dat de gemiddelde etmaaltemperatuur boven de nul graden Celsius blijft. In het geval het sluiten van de jacht en opschorten heeft plaatsgevonden op grond van artikel 3.2 of artikel 3.3 besluiten gedeputeerde staten tot heropening van de jacht en beëindigen van de opschorting van beheer en schadebestrijding op het moment dat: gedurende vier dagen achtereen op minimaal 50% van het Zeeuwse grondgebied geen sprake meer is van sneeuw- of ijzelbedekking de gemiddelde etmaaltemperatuur vier dagen boven de nul graden Celsius is en de weersverwachting voor de komende drie dagen eveneens is dat de gemiddelde etmaaltemperatuur boven de nul graden Celsius blijft. Afdeling3.2 Opvang van beschermde inheemse dieren Artikel3.7Toepassingsbereik Deze afdeling geldt voor de verlening van een ontheffing van de artikelen 3.1, eerste lid, 3.2, zesde lid, 3.5, eerste en tweede lid, 3.6, tweede lid, 3.10, eerste lid, artikel 3.34, eerste lid en in voorkomend geval van artikel 3.24, eerste en tweede lid, van de Wet aan opvangcentra die dieren behorende tot beschermde inheemse diersoorten opvangen of gaan opvangen. Deze afdeling is niet van toepassing op opvangcentra waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van het Besluit houders van dieren, is vereist. Artikel3.8Beoordelingsregels Een ontheffing als bedoeld in artikel 3.7 wordt slechts verleend indien: het opvangcentrum van een vereniging of stichting is, de doelstelling in de statuten van de stichting of de vereniging waarvan het opvangcentrum is, overeenkomt met de doelstelling, opgenomen in artikel 2 van de bijlage bij dit besluit, het opvangcentrum beschikt over een vakbekwaam dierverzorger, het opvangcentrum een register voert overeenkomstig artikel 4.9 van het Besluit houders van dieren. Artikel3.9.Protocol Aan een ontheffing als bedoeld in artikel 3.7 wordt het handelen overeenkomstig het protocol dat is opgenomen in bijlage 2 bij dit besluit als voorschrift verbonden. Afdeling 3.3 Gebiedsgerichte ontheffingen Artikel 3.10 Soortenmanagementplan (SMP) Gedeputeerde staten kunnen een gebiedsgerichte ontheffing van de verboden, zoals bedoeld in de artikelen 3.1, 3.2, zesde lid, 3.5, 3.6, tweede lid, en 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, verlenen op basis van een Soortenmanagementplan (SMP). Een ontheffing als bedoeld in het eerste lid wordt slechts verleend indien: voor een reeks ingrepen de locaties of de planning of de uitvoering nog niet vaststaan, en de ingrepen zullen plaatsvinden binnen een afgebakend plangebied waarbij de effecten van de ingrepen nog niet volledig zijn te overzien. het SMP tenminste de informatie bevat zoals benoemd in bijlage 4. het SMP is geschreven door, of onder verantwoordelijkheid van een ervaren ecoloog, zoals bedoeld in bijlage 1 (begrippenlijst). Artikel 3.11 pre-SMP methodiek Gedeputeerde staten kunnen een gebiedsgerichte ontheffing op basis van de pre-SMP methodiek aan gemeenten verlenen voor uitsluitend de verduurzaming van grondgebonden woningen in particulier eigendom. Een ontheffing als bedoeld in het eerste lid wordt slechts verleend indien: de gemeente in een pre-Soortenmanagementplan beschrijft hoe het verlies aan kraamverblijfplaatsen door de gemeente wordt gecompenseerd, zoals beschreven in bijlage 5; en, de verduurzaming zoals bedoeld lid 1 wordt uitgevoerd volgens de pre-SMP methodiek “natuurvriendelijk isoleren” voor verduurzamingswerkzaamheden, zoals beschreven in bijlage 5; en, is verzekerd dat gedurende de looptijd van de ontheffing als bedoeld in het eerste lid, een aanvraag voor een opvolgende gebiedsgerichte ontheffing op basis van een Soortenmanagementplan wordt voorbereid. Hoofdstuk4.Activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen Afdeling4.1 Herbeplanting houtopstanden Artikel4.1Omrekenfactor herbeplanting rijbeplanting Gedeputeerde staten hanteren bij de beoordeling van een bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanten als bedoeld in artikel 6.28 van de Verordening, als omrekenfactor van rijbeplanting naar oppervlaktebeplanting en omgekeerd, de norm dat 125 meter rijbeplanting overeenkomt met 10 are oppervlaktebeplanting (1000 m²). Artikel4.2Uitzondering herbeplanting rijbeplanting Duurzame boomsoorten, bedoeld in artikel 6.28, onder c, van de Verordening, zijn in ieder geval: Gewone beuk, iepensoorten, Gewone esdoorn, Noorse esdoorn, Gewone es, Zomereik, Kleinbladige linde, Grootbladige linde, Hollandse linde, Zilverlinde, Plataan en Oosterse plataan, Tamme kastanje, Paardenkastanje, Gewone walnoot en Zwarte noot. Artikel4.3Ontheffing herplantplicht Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van de verplichting tot herbeplanting bedoeld in artikel 4.3, eerste lid, van de Wet indien sprake is van een velling van een houtopstand op een bedrijventerrein, ontstaan door achterstallig beheer of onderhoud, jonger dan tien jaar en ontstaan op een perceel waar géén sprake is van een plicht tot herbeplanting of instandhouding van de houtopstand op grond van de wet, de Verordening, gemeentelijke verordeningen en/of subsidiebeschikkingen. Het permanent verwijderen van de houtopstand dient tevens mogelijk te zijn op grond van het bestemmingsplan/omgevingsplan. Een verzoek om ontheffing als bedoeld in het eerste lid wordt niet minder dan dertien weken voorafgaand aan de velling gedaan, via het daartoe door gedeputeerde staten vastgestelde formulier. Het formulier is juist en volledig ingevuld en ondertekend en is desgevraagd voorzien van bijlagen. Hoofdstuk5.Tegemoetkoming faunaschade Afdeling5.1 Taxatie van de schade Artikel 5.1 Schade aan bedrijfsmatige landbouwGedeputeerde Staten verlenen een tegemoetkoming, als bedoeld in artikel 6.1 van de wet, uitsluitend met inachtneming van de hiernavolgende bepalingen: Voor een tegemoetkoming komt alleen in aanmerking directe schade, welke door vreten, graven, wroeten, vegen, pikken of predatie aan bedrijfsmatige landbouw is veroorzaakt. Het gaat om directe schade aan het gewas zelf of aan gehouden landbouwhuisdieren. De percelen waarop schade is aangericht, moet een aanvrager op titel van eigendom, (erf)pacht, dan wel een door de grondkamer goedgekeurde of ter registratie ingezonden (teelt)pachtovereenkomst, in gebruik hebben voor de uitoefening van bedrijfsmatige landbouw. De landbouwhuisdieren waaraan schade is aangericht, moet een aanvrager aantoonbaar in eigendom hebben voor de uitoefening van bedrijfsmatige landbouw. Artikel 5.2 Te treffen maatregelen Gedeputeerde Staten verlenen slechts een tegemoetkoming, indien en voor zover naar hun oordeel de aanvrager de schade niet had kunnen voorkomen en beperken door het treffen van maatregelen of inspanningen waartoe hij naar eisen van redelijkheid en billijkheid was gehouden. Preventieve maatregelen Maatregelen of inspanningen ter voorkoming en beperking van schade, waarvan Gedeputeerde Staten van oordeel zijn dat deze redelijkerwijs van een aanvrager verlangd kunnen worden, zijn in elk geval: voor kwetsbare gewassen, de inzet van minimaal één akoestisch en één visueel middel, in voldoende aantallen; voor schade door zoogdieren aan kapitaalintensieve teelten of aan gehouden landbouwhuisdieren, het tijdig plaatsen van een deugdelijk raster; voor niet-kwetsbare gewassen, zoals weide-, hooi-, of graszaadpercelen waarvan het grasgewas minimaal zes maanden oud is, en granen en graszaad in de periode waarin het gewas afrijpt, worden geen preventieve maatregelen gevraagd. Ter ondersteuning van de maatregelen: schadebestrijding met ontheffing, vrijstelling, opdracht Een tegemoetkoming in de schade veroorzaakt door natuurlijk in het wild levende diersoorten, waarvoor ingevolge artikel 3.3, eerste lid, artikel 3.8, eerste lid, of artikel 3.17, eerste lid, van de wet een ontheffing kan worden verleend, wordt slechts verleend indien: de ontheffing op deugdelijke wijze en tijdig, vooraf of uiterlijk op de dag van schadeconstatering, is aangevraagd en op inhoudelijke gronden door Gedeputeerde Staten is geweigerd of niet in behandeling is genomen, en dit de aanvrager niet te verwijten is; of de ontheffing (of machtiging of toestemming tot gebruik van een bestaande ontheffing) op deugdelijke wijze en tijdig, vooraf of uiterlijk op de dag van schadeconstatering, is aangevraagd en nadat deze is verleend, daarvan op adequate wijze gebruik is gemaakt en er desondanks schade is opgetreden. Als sprake is van een vrijstelling met beperkingen als bedoeld in artikel 6, onder b, of opdracht met beperkingen als bedoeld in artikel 6, onder d, moet van de vrijstelling of opdracht adequaat gebruik zijn gemaakt, om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Om het adequaat gebruik van de ontheffing of vrijstelling te toetsen, geeft de aanvrager in het Faunaregistratie Systeem (FRS) akkoord, zodat BIJ12 de verrichte bejaagacties kan inzien in het systeem. De bejaagacties worden tijdig, binnen twee weken nadat aanvrager de bevestiging taxatie heeft ontvangen, in het registratiesysteem ingevoerd. Het niet tijdig en/of niet volledig aanleveren van de gevraagde gegevens kan tot afwijzing van de aanvraag leiden. Artikel 5.3 Aanvraag en taxatie Een aanvraag om tegemoetkoming in faunaschade wordt bij BIJ12 digitaal ingediend via MijnFaunazaken, uiterlijk binnen zeven werkdagen nadat de aanvrager de schade heeft geconstateerd. De schadeveroorzakende diersoort en de omvang van de schade worden door de taxateur vastgesteld met inachtneming van de protocollen en richtlijnen taxatie faunaschade, te vinden op de website van BIJ12. Een taxateur taxeert alleen verse schade, dat wil zeggen schade die is opgetreden tot tien dagen voor de schadeconstatering. Oudere schade die al eerder is ontstaan maar waarvoor pas veel later een aanvraag is ingediend, wordt niet bij de taxatie betrokken. Na de taxatie wordt een ‘bevestiging taxatie’ aan de aanvrager gestuurd via MijnFaunazaken. Als aanvrager het niet eens is met de taxatie kan deze binnen acht werkdagen na ontvangst van de bevestiging taxatie, zijn bedenkingen aan BIJ12 kenbaar maken. BIJ12 kan de taxateur vragen te reageren op de bedenkingen, en stuurt de aanvrager zo spoedig mogelijk, uiterlijk binnen tien werkdagen, een reactie op de ingediende bedenkingen. De taxateur stelt van zijn bevindingen een (eind)taxatierapport samen en zendt dat, na interne controle en goedkeuring door de eindverantwoordelijke persoon van het bureau waarvoor de taxateur werkzaam is, aan BIJ12. Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om door hen aangewezen type faunaschade te laten taxeren, zonder dat hier een aanvraag aan ten grondslag ligt (autotax). In dat geval wordt het vaststellen van de schade door de taxateur, aangemerkt als een tijdige aanvraag om een tegemoetkoming in de schade, waarop deze beleidsregels eveneens van toepassing zijn. Artikel 5.4 Hoogte tegemoetkoming; eigen risico Nadat op basis van de aanvraag, taxatierapport en eventuele andere op de aanvraag betrekking hebbende stukken, is beoordeeld dat aan de voorwaarden voor verlening is voldaan, bepalen Gedeputeerde Staten de hoogte van de tegemoetkoming. De bij de berekening van de tegemoetkoming gehanteerde prijzen van gewassen en vee, worden vastgesteld door de directeur van BIJ12 en zijn te vinden op de website van BIJ12. Als sprake is van contractteelt wordt in beginsel de in het contract vermelde prijs gehanteerd bij de berekening. Eigen risico Op de te verlenen tegemoetkoming wordt een eigen risico van 5% ingehouden, met een minimum van € 250,00 per bedrijf per meldingsjaar. In afwijking van het derde lid, wordt geen eigen risico ingehouden als het gaat om: schade door een wolf, goudjakhals; schade door een bever, das, edelhert, wilde kat, lynx; schade die is aangericht in een ganzenrustgebied, in de periode dat de schadeveroorzakende diersoort niet mag worden verontrust en gedood; schade door een schadeveroorzakende diersoort die niet mag worden verontrust of gedood in een Natura 2000-gebied in de periode van 1 november tot 1 april; In afwijking van het derde lid, bedraagt het eigen risico 40% als het gaat om schade door vogels aan zacht fruit, en pit- en steenvruchten. Voor gewassen, teelten of bedrijfsmatig gehouden landbouwhuisdieren, welke door de plaats, het moment of de wijze van telen of houden, bijzonder kwetsbaar zijn voor schade, kunnen Gedeputeerde Staten een verhoogd eigen risico instellen. Tegemoetkomingen lager dan € 50 worden niet uitgekeerd. Artikel 5.5 Gevallen waarin geen tegemoetkoming wordt verleend Uitsluitingen in verband met diersoort. Geen tegemoetkoming wordt verleend: indien de schade is aangericht door een diersoort welke krachtens artikel 3.15, eerste lid, van de wet, is aangewezen als soort welke in het hele land schade veroorzaakt en voor het verontrusten en/of doden van deze schadeveroorzakende diersoort een vrijstelling geldt. indien de schade is aangericht door een diersoort welke krachtens de vigerende Omgevingsverordening van de provincie Zeeland op grond van artikel 3.15, derde lid, van de wet is aangewezen als soort die schade veroorzaakt en voor het bestrijden van die soort een vrijstelling geldt, tenzij aan die vrijstelling voorwaarden, beperkingen of clausules zijn verbonden waardoor deze feitelijk gelijk gesteld moet worden aan een ontheffing verleend op basis van artikel 3.3, eerste lid, artikel 3.8, eerste lid, of artikel 3.17, eerste lid, van de wet. voor schade door een diersoort waarvoor een ontheffing krachtens artikel 3.3, eerste lid, artikel 3.8, eerste lid of 3.17, eerste lid, van de wet is verleend, waarbij in de verleende ontheffing geen bepalingen zijn opgenomen die de schadebestrijding in de weg staan. voor schade aangericht door een diersoort waarvoor Gedeputeerde Staten krachtens artikel 3.18 van de wet, voor die situatie opdracht hebben gegeven om de omvang van de populatie van soorten te beperken. voor schade veroorzaakt door een diersoort, vermeld in artikel 3.20, tweede lid, van de wet, waarop de minister de jacht heeft geopend, met uitzondering van de wilde eend buiten de periode waarop de jacht op deze diersoort is geopend. indien de schade is aangericht door de huisspitsmuis, bosmuis, veldmuis of de mol, en voor het verontrusten en doden van deze diersoort een vrijstelling of ontheffing geldt, in verband met de bestrijding van schade aan landbouwgewassen. Uitsluitingen in verband met locatie/functie percelen. Geen tegemoetkoming wordt verleend: voor schade aangericht op gronden gelegen binnen de bebouwde kom. voor schade op gronden binnen een straal van 500 meter van een vuilstortplaats, tenzij de schade is aangericht op gronden die zijn aangewezen als ganzenrustgebied door een schadeveroorzakende soort die, in de periode dat de schade is veroorzaakt, niet mocht worden verontrust of gedood. voor schade aangericht aan bedrijfsmatig geteelde gewassen in een kas, of bedrijfsmatig gehouden landbouwhuisdieren in een stal. indien de schade is aangericht aan gewassen op gronden: waarvoor met een publiekrechtelijke rechtspersoon of een bij koninklijk besluit aangewezen particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisatie een pachtovereenkomst ingevolge artikel 7:388 BW, is afgesloten; of waarvoor een (erf)pachtovereenkomst is gesloten en aan deze gronden beperkingen in het landbouwkundig gebruik, of beperkingen ten aanzien van het bestrijden van schadeveroorzakende diersoorten zijn verbonden; of die feitelijk niet voor landbouwkundige doeleinden worden gebruikt; of die een functie hebben als waterkering Uitsluitingen in verband met [moment van] de teelt. Geen tegemoetkoming wordt verleend: indien de schade is aangericht aan blijvend grasland in de maand oktober (najaarsgras); indien de schade is aangericht aan blijvend grasland in de periode 1 oktober tot en met 31 januari daaropvolgend, en het grasgewas bestemd is voor beweiding met schapen. indien de schade is aangericht aan knol-, bol- en wortelgewassen die na 1 december van het teeltseizoen worden geoogst; met uitzondering van suikerbieten, onderdekkersteelten en bloembollen. voor schade door vogels aan bessen- en kleinfruitteelt, kersen, druiven/ wijnbouw. indien de schade is aangericht aan gewassen die geteeld worden voor de verbetering van een ras of vermenigvuldiging daarvan (veredeling). indien de schade is aangericht aan bijproducten van gewassen; aan geoogste gewassen, aan opgeslagen voedergewassen, groenbemesters, verpakte voedergewassen; Uitsluitingen in verband met overige redenen. Geen tegemoetkoming wordt verleend: indien door handelen of nalaten van de aanvrager de taxateur de schade niet meer kan taxeren, in elk geval als aanvrager het beschadigde gewas al geoogst of heringezaaid heeft, of als er vee is ingeschaard; indien de aanvrager het beschadigde gewas niet meer zal oogsten, of het betreffende perceel niet meer in gebruik zal nemen; voor schade aangericht aan materialen die worden aangewend voor het (tijdelijk) afdekken van gewassen. indien het risico van faunaschade door een beschermde diersoort verzekerbaar is, bij tenminste twee in Nederland werkzame verzekeringsmaatschappijen. indien de schade is veroorzaakt door een ziekte. In andere gevallen, waarin Gedeputeerde Staten oordelen dat de schade redelijkerwijs ten laste van de aanvrager behoort te blijven. Artikel 5.6 Tegemoetkoming in schade door de wolf In afwijking van artikel 4, eerste lid, moet een aanvrager/dierhouder zo snel mogelijk, uiterlijk binnen 24 uur na constatering van de (vermoedelijke) wolvenschade, telefonisch of via het formulier op de website van BIJ12 een melding (aanvraag) daarvan doen. In afwijking van artikel 2, onder a, komt naast schade aan bedrijfsmatig gehouden landbouwhuisdieren, ook schade aan hobbymatig gehouden hoefdieren in aanmerking voor een tegemoetkoming. Ook bedrijfsmatig gehouden, door de wolf gedode of verwonde kuddebeschermingshonden of hoedhonden komen voor tegemoetkoming in aanmerking. De schade wordt door een taxateur vastgesteld met inachtneming van de Richtlijn taxatie wolvenschade aan landbouwhuisdieren, te vinden op de website van BIJ12. Om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming in schade door de wolf wordt, vooralsnog, niet getoetst of een aanvrager voldoende preventieve maatregelen heeft getroffen, om zijn dieren te beschermen en het risico op schade door de wolf te voorkomen en beperken. Gedeputeerde Staten kunnen besluiten om binnen [aangewezen gebieden binnen] de provincie, nadere voorwaarden te stellen om voor een tegemoetkoming in aanmerking te komen. Bij kapitaalintensieve gehouden dieren wordt van een aanvrager/dierhouder een grotere inspanning verwacht om deze tegen de wolf te beschermen. In specifieke gevallen kan besloten worden dat een (verhoogd) eigen risico en/of maximum tegemoetkoming wordt gehanteerd. Bij schade aangericht door de goudjakhals aan gehouden dieren, wordt op gelijke wijze gehandeld als bij de wolf. Hoofdstuk6.Overgangs- en slotbepalingen Artikel6.1Intrekking De volgende besluiten worden ingetrokken: Beleidsregels van Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland van 10 december 2019, kenmerk 19434348, houdende Provinciale beleidsregels salderen Provincie Zeeland (Beleidsregels salderen); Besluit van Gedeputeerde Staten van Zeeland van 4 juli 2017, nummer 17014114, tot vaststelling van “Beleidsregels inzake lozing van proceswater en storten van tarra in de Oosterschelde” ; Besluit van gedeputeerde staten van Zeeland van 6 november 2018, kenmerk 18927388, houdende vaststelling van de Beleidsregel tijdelijke opschorting vergunningverlening voor het bedrijfsmatig handmatig rapen van schelpdieren en het bedrijfsmatig snijden van zeegroenten in de Deltawateren (Beleidsregel tijdelijke opschorting vergunningverlening voor het bedrijfsmatig handmatig rapen van schelpdieren en het bedrijfsmatig snijden van zeegroenten in de Deltawateren); Besluit van gedeputeerde staten van 5 februari 2019, 19002527, houdende vaststelling van de Beleidsregels tot sluiting van de jacht onder bijzondere weersomstandigheden (Beleidsregels tot sluiting van de jacht onder bijzondere weersomstandigheden); Besluit van gedeputeerde staten van Zeeland van 20 september 2016, kenmerk 16013543, houdende vaststelling van de Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade (Beleidsregels tegemoetkoming faunaschade); Besluit van Gedeputeerde Staten van Zeeland van 14 februari 2017, kenmerk 17002764 tot vaststelling van de beleidsregel toedeling ontwikkelingsruimte ontwikkelingsgebieden Zeeland, betrekking hebbend op de verdeling van ontwikkelingsruimte voor prioritaire projecten (segment 1) in het Sloegebied en de Kanaalzone voortkomend uit de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) (Beleidsregel toedeling ontwikkelingsruimte Ontwikkelingsgebieden Zeeland (Sloegebied en Kanaalzone) Programmatische Aanpak Stikstof Zeeland); en Besluit van gedeputeerde staten van Zeeland van 6 februari 2017, kenmerk 17005151 tot vaststelling van de beleidsregel toedeling ontwikkelingsruimte stikstof in Zeeland 2017, betrekking hebbend op de verdeling van de vrije ontwikkelruimte (segment 2) voortkomend uit de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) Artikel6.2Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst. Artikel6.3Citeertitel Dit besluit wordt aangehaald als: Beleidsregels natuurbescherming Zeeland 2022. Aldus vastgesteld door Gedeputeerde Staten van de provincie Zeeland in de vergadering van 17 mei 2022.Drs. J.M.M. Polman, voorzitterA.W. Smit, secretarisBijlage1.Begripsbepalingen aanvrager: de grondgebruiker die een aanvraag om tegemoetkoming indient; bedrijfsmatig rapen: het rapen in het kader van bedrijfsuitoefening; bedrijfsmatig snijden: het snijden in het kader van bedrijfsuitoefening; bedrijfsmatige landbouw: aanvragers die hun hoofdbestaan of een substantieel gedeelte van hun bestaan (plegen
- te)vinden in de landbouw; bedrijventerrein: terrein dat bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening en industrie; behandelen: het vrij maken van het proceswater van deeltjes waarvan het lozen ongewenst is. BIJ12: uitvoeringsorganisatie van de gezamenlijke provincies, zijnde onderdeel van de Vereniging Interprovinciaal Overleg; bijproduct: een product dat ontstaat als gevolg van de productie van het in de KWIN beschouwde hoofdproduct; in elk geval hooi en stro, en producten die door de KWIN als zodanig worden aangemerkt; Deltawateren: de Natura 2000-gebieden Grevelingen, Krammer Volkerak, Oosterschelde, Veerse Meer, Vlakte van de Raan, Voordelta, Westerschelde & Saeftinghe en alle daarmee rechtstreeks verbonden kust- en binnenwateren; depositieruimte: in de stikstofbank opgenomen ruimte voor N-depositie op een relevant hexagoon in een Natura 2000-gebied; dijk/dijklichaam: een door mensen aangelegde, hoger gelegen, waterkering die het achterliggende land beschermt dan wel beschermde tegen overstromingen. Een dijk bestaat uit een kern van klei en/of zand bedekt met bekleding, kruin, talud, teen en berm. Het totaal wordt een dijklichaam genoemd; doelgebonden depositiebank: voorziening gericht op het aan projecten of plannen kunnen toedelen van in deze bankaanwezige depositieruimte voor een bepaald doel; eenrijige beplanting langs landbouwgronden: eenrijige houtopstand die op of langs landbouwgronden staat en deel uitmaakt van een kadastraal perceel dat bestemd en in gebruik is als landbouwgrond waar gewassen op worden geteeld; ervaren ecoloog: minimaal 3 jaar aantoonbare veldervaring op het gebied van de betreffende soorten. Onder een deskundige wordt tevens verstaan: Hij/zij heeft een afgeronde hbo- of universitaire opleiding, met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; Hij/zij heeft een afgeronde mbo-opleiding, met als zwaartepunt de flora en fauna, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; Hij/zij is werkzaam voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau dat is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; Hij/zij is als ecoloog of adviseur/specialist ecologie werkzaam voor een (semi)overheidsinstantie zoals het Ministerie van Economische Zaken, het Ministerie van Defensie, Rijkswaterstaat, het Rijksvastgoedbedrijf, provincies, waterschappen, hoogheemraadschappen, gemeenten, omgevingsdiensten en drinkwaterbedrijven; Hij/zij zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van de soortenbescherming en is werkzaam of aangesloten bij de volgende Nederlandse organisaties: Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied; Hij/zij zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van de monitoring en/of bescherming van desbetreffende beschermde soorten. extern salderen: salderen met één of meer activiteiten buiten de begrenzing van één project of locatie ten behoeve van de verlening van een natuurvergunning; Faunaschade Preventiekit: een overzicht van preventieve maatregelen per diersoort om gewasschade of veeschade door dieren te voorkomen en beperken, te vinden op de website van BIJ12. habitatrichtlijn: Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992, inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206); handmatig rapen: het met de hand rapen zonder verdere mechanische hulpmiddelen anders dan eenvoudig handgereedschap; hoofdproduct: product dat in de KWIN als hoofdproduct wordt genoemd, en alle andere gewassen die geen bijproduct zijn van het hoofdproduct; jacht: bemachtigen, opzettelijk doden of met het oog daarop opsporen van wild als bedoeld in artikel 3.20, tweede lid, van de wet, alsmede het doen van pogingen daartoe, overeenkomstig paragraaf 3.5 van de wet; kapitaalintensieve teelten: kwetsbare gewassen die meerdere jaren op een plek staan en/of teelten die per hectare hoge financiële opbrengsten opleveren (hoog salderen); kwetsbaar gewas: de onder ‘landbouw’ en ‘vollegrondsgroenteteelt’ bedoelde teelten, met uitzondering van weide-, hooi- of graszaadpercelen waarvan het grasgewas minimaal zes maanden oud is en granen en graszaad in de periode waarin het gewas afrijpt; KWIN: de meest actuele versie van het Handboek Kwantitatieve Informatie voor de Akkerbouw en Vollegrondsgroenteteelt, en voor de Veehouderij; opgesteld door Wageningen Universiteit (WUR); landbouw: akkerbouw, weidebouw, veehouderij, pluimveehouderij, tuinbouw - daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen - en elke andere vorm van bodemcultuur hier te lande; manteldieren: ongewervelde zeedieren behorende tot de Tunicata zoals zakpijpen (Ascidiacea), mantelvisjes (Appendiculiaria) en salpen (Thaliacea); mariene buikpotigen: weekdieren behorende tot de Gastropoda zoals alikruiken, wulken en noordhoorns; meldingsjaar: het jaar waarin een aanvrager een aanvraag om tegemoetkoming indient; microdepositiebank: voorziening gericht op het bij het verlenen van natuurvergunningen kunnen toedelen van in dezebank aanwezige depositieruimte aan microdeposities; microdeposities: door een project veroorzaakte N-depositie van ten hoogste 0,05 mol stikstof per hectare per jaar; MijnFaunazaken: systeem van BIJ12 waarin een aanvrager digitaal de aanvraag om een tegemoetkoming indient, en de verdere communicatie gedurende de procedure plaatsvindt; mosselveiling: de Nederlandse Mosselveiling te Yerseke; natuurvergunning: vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming of een verklaring van geen bedenkingen voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht met inachtneming van artikel 2.2aa, onder a, van het Besluit omgevingsrecht; N-depositie: neerslaan van stikstofverbindingen uit de lucht op een oppervlakte, uitgedrukt in mol stikstof per hectare per jaar; N-emissie: stikstofverbindingen die direct of indirect vanuit een bron in de lucht worden gebracht; Oosterschelde: de Oosterschelde en alle daarmee rechtstreeks verbonden kust- en binnenwateren; pre-SMP methodiek: werkwijze die voorziet in de bescherming van populaties gebouwbewonende soorten met de bijbehorende compenserende maatregelen en natuurvriendelijk isoleren gedurende het opstellen van een soortenmanagementplan (SMP). probleemsoort: een soort waarvan op basis van de best beschikbare wetenschappelijke kennis kan worden aangenomen dat deze een significant negatief effect kan hebben op de instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied; proceswater: water dat is gebruikt voor het vervoeren, verwateren, opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren; recreatief rapen en snijden: het rapen van schelpdieren en het snijden van zeegroenten zonder dat daarvoor een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming benodigd is; referentiesituatie: toestemming als bedoeld in sub ww, onder 1°, 3° en 4°, of bij gebrek daaraan een op de Europese referentiedatum aanwezige toestemming als bedoeld in sub ww, onder 2° en 5° waarbij de laagst toegestane depositie vanaf de referentiedatum geldt; relevant hexagoon: hexagoon waarbinnen een voor stikstof gevoelig natuurlijk habitat of habitat voor soorten voorkomt, en waarbij tevens sprake is van een overbelasting of een naderende overbelasting van N-depositie vanaf 70 mol per hectare, per jaar onder de kritische depositiewaarde; RUD Zeeland: de Regionale Uitvoeringsdienst Zeeland; salderen: inzetten van een activiteit met N-emissie op grond van een toestemming in de referentiesituatie ten behoeve van de verlening van een natuurvergunning voor een nieuw of gewijzigd project, waarbij deze toestemming geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken of gewijzigd zodat de N-depositie op alle relevante hexagonen niet toeneemt ten opzichte van de referentiesituatie; saldogevende activiteit: toestemming die wordt ingetrokken ten gunste van de saldo-ontvangende activiteit; saldo-ontvangende activiteit: aangevraagde activiteit waarbij gebruik wordt gemaakt van extern salderen; schaaldieren: geleedpotige dieren behorende tot de Crustacea zoals krabben, kreeften en garnalen; schelpdieren: geleedpotige dieren behorende tot de Crustacea en mariene buikpotigen behorende tot de Gastropoda; spontane natuurlijke verjonging: het op natuurlijke wijze ontstaan van een bosbouwkundig verantwoorde houtopstand uit zaden en/of vruchten en/of boven- of ondergrondse uitlopers; SSRS: stikstofregistratiesysteem als bedoeld in paragraaf 2.1.2 van de Regeling natuurbescherming; stekelhuidigen: stekelige ongewervelde zeedieren behorende tot de Echinodermata zoals zeekomkommers, zee-egels, zeeappels en zeesterren; stikstofbank: voorziening bestaande uit een microdepositiebank en eventuele doelgebonden depositiebanken waarin Gedeputeerde Staten vrijgemaakte en vrijgevallen depositieruimte kunnenvastleggen die ten behoeve van saldering kan worden gebruikt; tarra: alles wat niet tot de tweekleppige weekdieren, manteldieren, stekelhuidigen, mariene buikpotigen of schaaldieren behoort zoals losse schelpen, zeesterren, slikmosselen, slippers, pokken, kluiten modder, stenen, afval, dode of kapotte weekdieren en ongeschikt is voor verhandeling voor menselijke consumptie, alsmede alles wat vrijkomt of overblijft bij het schonen, bewerken of verwerken van de ontvangen partij tweekleppige weekdieren; taxateur: een taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ12; taxatierichtlijnen: de door de directeur van BIJ12 vastgestelde protocollen en richtlijnen ten behoeve van de uitvoering van faunaschade taxaties; toestemming: onherroepelijke vigerende natuurvergunning; of onherroepelijke vigerende vergunning dan wel geldende melding op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht onderdeel milieu, de Wet milieubeheer of de Hinderwet; of een activiteit waarvoor geen natuurvergunning nodig was, maar die wel voldoet aan artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming; of een activiteit die onder artikel 9.4, achtste lid van de Wet natuurbescherming valt; of een activiteit die op de Europese referentiedatum was toegestaan en die sindsdien onafgebroken aanwezig is geweest; tweekleppige weekdieren: plaatkieuwige weekdieren behorende tot de Bivalvia, vroeger ook wel aangeduid als de Lamellibranchiata of de Pelecypoda; verleasen: extern salderen waarbij de feitelijk gerealiseerde capaciteit van de saldogevende activiteit tijdelijk geheel of gedeeltelijk aantoonbaar buiten gebruik wordt gesteld, ten behoeve van de verlening van een natuurvergunning voor een tijdelijke depositie gedurende een beperkte vooraf afgebakende periode; Verordening: Omgevingsverordening Zeeland 2018; verwateren: het proces waarbij tweekleppige weekdieren, manteldieren, stekelhuidigen, mariene buikpotigen en schaaldieren in oesterputten of installaties op de wal worden bewaard met als doel deze zandvrij te maken (deze beleidslijn betreft niet het verwateren op verwaterpercelen); Vogelrichtlijn: Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 november 2009, inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 207); vollegrondsgroenteteelt: de teelt in open grond van groentegewassen. vrijgemaakte depositieruimte: ruimte voor N-depositie die voldoet aan de eisen voor extern salderen zoals beschreven in artikel 2.4, eerste tot en met vijfde en zevende tot en met elfde lid, van deze Beleidsregels die afkomstig is uit mitigerende maatregelen die specifiek zijn getroffen voor het mogelijk maken van ontwikkelingen; vrijgevallen depositieruimte: ruimte voor N-depositie die resteert nadat een bevoegd gezag een natuurvergunning heeft verleend; Waddenzee: de Waddenzee omvattende de Nederlandse, Duitse en Deense deelgebieden; weg: alle voor het gemotoriseerd openbaar verkeer openstaande wegen of paden, die een functie vervullen ten behoeve van het afwikkelen van het gemotoriseerde openbare verkeer en die derhalve naar hun aard of functie een grote, onbepaalde publieksgroep dienen, met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten; wegbeplanting: naast een weg gelegen houtopstanden, met uitzondering van houtopstanden gelegen naast een weg op een dijk/dijklichaam, zoals aangegeven op bijlage 9, Bestaande natuur, behorende bij de Omgevingsverordening Zeeland 2018. Wet: Wet natuurbescherming. winstoogmerk: het willen maken van winst; zeegroenten: planten en wieren geschikt voor consumptie en decoratie. Bijlage2.Protocol opvang beschermde inheemse diersoorten Paragraaf 1. Algemeen Artikel 1. Definities In deze bijlage wordt verstaan onder: bestuur: bestuur van het opvangcentrum; minimaal benodigde zorg: zorg die voldoet aan de onder artikel 1.6, 1.7, 1.8 en overeenkomstig artikel 3.12 van het Besluit houders van dieren beschreven voorwaarden; niet aangewezen diersoorten: diersoorten die niet geplaatst zijn op bijlage 1 van de Regeling houders van dieren, met inbegrip van hybride dieren die in de laatste vier vooroudergeneraties van de lijn een of meer dieren telt die behoren of hebben behoord tot een zodanige diersoort, met uitzondering van van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten en niet van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten; niet van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort: diersoort als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, onderdeel a, van het Besluit houders van dieren, niet zijnde een diersoort als bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, van de Wet; opvangcentrum: een rechtspersoon waartoe één of meer opvanginrichtingen behoren; opvanginrichting: aan één locatie gebonden ruimte of ruimtes, bestemd voor het ten behoeve van opvang houden van gewonde, zieke, gevonden of afgestane dieren, behorende tot een beschermde uitheemse diersoort, een beschermde inheemse diersoort of tot een zoogdiersoort die niet is opgenomen op de bijlage 1 van de Regeling houders van dieren; soortgroep: een verzameling verwante diersoorten; van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort: diersoort als bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, van de Wet. Artikel 2. Doelstellingen Het opvangcentrum heeft in ieder geval als doel: dieren behorend tot een niet van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort of niet aangewezen diersoort, die door direct of indirect menselijk handelen of nalaten in Nederland terecht is gekomen op te vangen, of dieren behorend tot een van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort, die door ziekte, verwonding, verwezing, of door direct of indirect menselijk handelen of nalaten tijdelijk niet zelfstandig in de vrije natuur kunnen overleven, tijdelijk op te vangen, te verzorgen en te revalideren, en dieren zo spoedig mogelijk naar de natuur te laten terugkeren. De opvang is zodanig dat een dier zoveel mogelijk zijn soorteigen gedrag kan blijven vertonen. Het opvangcentrum heeft mede als doel om, waar mogelijk voorlichting te geven over de wilde flora en fauna en draagt actief uit, in het bijzonder aan personen die een dier ter opvang aanbieden, dat de wilde inheemse flora en fauna en de natuurlijke processen die daarbij horen, niet verstoord mogen worden en dat het houden van de desbetreffende diersoort op een verantwoorde wijze dient te gebeuren dan wel wordt ontmoedigd. Artikel 3. Beperking activiteiten Het opvangcentrum beperkt zich in zijn activiteiten tot datgene wat nodig is voor het bereiken van de doelstellingen, bedoeld in artikel 2. Met de opgevangen dieren vinden in het opvangcentrum geen commerciële activiteiten plaats, waaronder zijn begrepen het tentoonstellen van opgevangen dieren voor zover dit in tegenspraak is met de doelstellingen, bedoeld in artikel 2, het verkopen, verhuren, verhandelen of uitlenen van opgevangen dieren. Het opvangcentrum rondt het opvangproces af van de aan zijn zorgen toevertrouwde dieren met inachtneming van de, voor elke soortgroep apart vastgestelde, maximale duur in het opvangcentrum. Indien in het opvangcentrum andere dieren dan uit de vrije natuur afkomstige dieren van van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten aanwezig zijn, wordt de huisvesting van de eerstgenoemde dieren strikt gescheiden gehouden van de andere dieren in de faciliteiten van het opvangcentrum. Artikel 4. Handelwijze Het bestuur legt schriftelijk het beleid of de handelwijze ten aanzien van de volgende onderwerpen vast: opvang, specialisatie van het opvangcentrum in een diersoort of diersoorten of soortgroepen, opname en acceptatie, huisvesting en verzorging, ontsnapping van dieren, voeding, hygiëne, zoönosen, maatregelen ter voorkoming van ongewenste zwangerschappen van opgevangen dieren, veterinaire zorg, structurele oplossingen voor opgevangen dieren, in voorkomend geval met bijbehorende contracten en hoe hiermee gewerkt wordt, terugzetten van van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten in de natuur, doden van opgevangen dieren, kwalificaties van medewerkers, veiligheid van medewerkers en dieren en openbare veiligheid, organisatorische continuïteit, bezoekers, en register als bedoeld in artikel 37. Het bestuur, de beheerder en de medewerkers van het opvangcentrum handelen conform de vastgestelde handelwijze, bedoeld in het eerste lid. In geval van opheffing van het opvangcentrum draagt de vereffenaar of de curator het eigendom van op grond van artikel 29 bij particulieren geplaatste dieren over aan een ander opvangcentrum. Artikel 5. Bereikbaarheid Het opvangcentrum streeft naar een permanente telefonische bereikbaarheid. Het opvangcentrum zorgt er ten minste voor dat: het permanent telefonisch bereikbaar is voor andere opvangcentra, dierenambulances, politie, brandweer, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, de Landelijke Inspectiedienst en andere bevoegde opsporingsinstanties. het publiek permanent informatie kan verkrijgen, inclusief over de handelwijze ten opzichte van op te vangen dieren buiten openingstijden van het opvangcentrum. Artikel 6. Samenwerking andere opvangcentra Het opvangcentrum werkt constructief samen met andere opvangcentra samen ten einde kennis en kunde te vergroten en de best denkbare structurele oplossing voor het opgevangen dier te bewerkstelligen. Het opvangcentrum doet dit door gevraagd en ongevraagd informatie, kennis en kunde te delen met andere opvangcentra. Het opvangcentrum helpt andere opvangcentra in het kader van het bepaalde in artikel 7, tweede lid en artikel 8, tweede lid. Paragraaf 2. Opvang, specialisatie van het opvangcentrum in een diersoort of diersoorten of soortgroepen, opname en acceptatie Artikel 7. Opvangbeleid Als onderdeel van het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel a, stelt het bestuur van het opvangcentrum vast welke diersoort, diersoorten of soortgroepen opgevangen worden. Daarbij wordt rekening gehouden met de aantoonbare expertise van de medewerkers en de mogelijkheden die de middelen en de locatie van het opvangcentrum met zich brengen. Het opvangcentrum verwijst dieren behorend tot soorten of soortgroepen die krachtens het beleid ten aanzien van opvang, bedoeld in het eerste lid, niet worden opgevangen door naar een opvangcentrum dat over de noodzakelijke ontheffingen beschikt. Artikel 8. Opname en acceptatie Een ter opvang aangeboden dier wordt geweigerd, indien: het opvangcentrum het dier niet de minimaal benodigde zorg kan bieden, het opvangcentrum een gebrek aan ruimte, personele capaciteit of financiële middelen heeft, het dier een risico oplevert voor de aanwezige dieren, de aanwezige dieren een risico vormen voor het nieuwe dier, of het dier een risico oplevert voor de medewerkers in het opvangcentrum. Indien een ter opvang aangeboden dier wordt geweigerd, onderzoekt het opvangcentrum of het dier elders kan en mag worden geplaatst. Indien niet ingevolge het eerste of tweede lid kan worden geplaatst, wordt het dier gedood, overeenkomstig het bepaalde in artikel 31. Paragraaf 3. Huisvesting en verzorging Artikel 9. Opvanginrichting Indien een opvangcentrum over meerdere opvanginrichtingen beschikt, wordt per opvanginrichting een apart register, bedoeld in artikel 37, bijgehouden. Een opvanginrichting voldoet aan de artikelen 10 en 11. Een opvanginrichting beschikt over een noodplan met betrekking tot de ontsnapping van dieren. Artikel 10. Verblijven Artikel 3.12, eerste lid, van het Besluit houders van dieren is van toepassing, met dien verstande dat ‘gezelschapsdier’ wordt vervangen door ‘dier behorend tot een niet van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort, een van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort of een niet aangewezen diersoort’. De beschrijving, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel b, bevat een op de soort toegespitste omschrijving van hetgeen als een geschikt verblijf wordt gezien. Daarbij wordt in ieder geval rekening gehouden met: het soorteigen gedrag van de diersoorten, de bewegingsvrijheid van de dieren, de (sociale) levenswijze van de dieren, rekening houdend met de mogelijkheden van het individuele dier, de behoefte van het individuele dier in de verschillende fasen van het proces tot herstel wanneer het gaat om een lichamelijk of psychisch ziek of gewond dier. Artikel 11. Aanwezige ruimten Artikel 3.13 van het Besluit houders van dieren is van toepassing, met dien verstande dat ‘gezelschapsdier’ wordt vervangen door ‘dier behorend tot een niet van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort, een van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort of een niet aangewezen diersoort’. Diergeneesmiddelen worden bewaard in een speciaal daarvoor bestemde en afsluitbare bewaarmogelijkheid. Artikel 12. Huisvesting De handelwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel b, bevat een op de soort toegepaste omschrijving van hetgeen als passende huisvesting en verzorging wordt gezien. Daarbij wordt rekening gehouden met: de eis dat opgevangen dieren die een roofdier-prooi relatie hebben, elkaar niet kunnen waarnemen, en in afwijking van a geldt dat voor vogels met een roofdier-prooidier relatie uitsluiten van visueel contact voldoende is. Artikel 13. Voeding De handelwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel d, bevat een op de soort toegespitste omschrijving van hetgeen als passende voeding wordt gezien. Daarbij wordt rekening gehouden met: de natuurlijke voedingsbehoefte van de diersoorten en hoe deze zich verhoudt tot de aangeboden voedingstoffen, afstemming van de wijze van frequentie van voedselaanbieding aan het natuurlijke gedrag van de diersoorten en die past bij het ontwikkelingsstadium van het dier, afstemming van de wijze van het aanbieden van water aan het natuurlijke gedrag van de diersoort, en het gebruik van levend voer, indien dit voor de verzorging van de betreffende diersoort noodzakelijk is. Opgevangen dieren worden niet als voer voor andere dieren gebruikt. De voedingsmiddelen die nodig zijn voor de bereiding van het dieet van de opgevangen dieren, zijn kwalitatief goed en worden onder hygiënische omstandigheden opgeslagen. Artikel 14. Hygiëne De handelwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel e, bevat instructies over het schoonmaken van de verblijven van de dieren. In de handelwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel e, komt in ieder geval het volgende aan de orde: hoe gehandeld wordt als een verblijf leeg komt, hoe omgegaan wordt met het voorkomen van verspreiding van smetstoffen tussen de afzonderlijke ruimten, hoe gehandeld wordt als een besmettelijke ziekte is geconstateerd bij een ziek of overleden dier, hoe om te gaan met de bestrijding van ongedierte, hoe de medewerkers of bezoekers van een opvangcentrum zich aan hygiëne bepalingen houden. Artikel 15. Zoönosen In de handelwijze, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel f, staat beschreven welke zoönosen kunnen voorkomen bij de diersoort vermeld in artikel 7, eerste lid, in het opvangcentrum. Hierbij dient ten minste opgenomen te zijn: een beschrijving van de zoönosen, hoe deze herkend, vastgesteld of uitgesloten kunnen worden, welke maatregelen getroffen worden als een zoönose geconstateerd wordt, welke maatregelen een medewerker kan nemen om zich te beschermen tegen zoönosen. Artikel 16. Voorkomen voortplanting Het opvangcentrum past het in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel g, beschreven beleid toe om zwangerschappen te voorkomen. Het onder het eerste lid gestelde gebod is niet van toepassing indien het dier ingezet wordt voor het onder artikel 22, tweede lid, onderdeel c, genoemd internationaal fokprogramma. Het opvangcentrum houdt een administratie in het register, bedoeld in artikel 37, bij van geboortes die ondanks de genomen maatregelen toch hebben plaatsgevonden. Artikel 17. Veterinaire zorg In het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel h, wordt in ieder geval rekening gehouden met de volgende onderwerpen: op welke wijze de toegang tot veterinaire zorg is verzekerd, hoe het onderzoek, bedoeld in artikel 18, van binnengebrachte dieren plaatsvindt. Het opvangcentrum streeft ernaar de veterinaire zorg van de opgevangen dieren zoveel mogelijk bij één vaste dierenarts te laten berusten. Artikel 18. Beoordeling binnengebracht dier Een daarvoor aangewezen vakbekwaam persoon beoordeelt ieder binnengebracht dier en stelt vast of onderzoek door een dierenarts noodzakelijk is. Indien het in het eerste lid genoemde dier verwond, getraumatiseerd of verweesd is, wordt contact opgenomen met een dierenarts en indien noodzakelijk met een op de soort toegespitste gedragsdeskundige. De beoordeling vindt onmiddellijk plaats aan de hand van het afwegingskader, genoemd in artikel 30, waarbij inzicht wordt gegeven in de structurele oplossing voor het dier. Van het genoemde in het eerste, tweede en derde lid, wordt door een medewerker schriftelijk verslag gedaan in het register en het logboek, bedoeld in de artikelen 37 en 38. Artikel 19. Controle De gezondheid, algehele conditie, voedselopname en ontlasting van alle dieren worden dagelijks gecontroleerd door een van de vaste medewerkers van het opvangcentrum. De bevindingen worden door hen vastgelegd in een logboek als bedoeld in artikel 38 en, in het geval dat een medische behandeling wordt gestart, ook in de administratie, bedoeld in artikel 37. Dieren waarbij tijdens de dagelijkse inspectie, bedoeld in het eerste lid, afwijkingen worden geconstateerd, worden door de medewerkers van het opvangcentrum gemeld bij de beheerder, bedoeld in artikel 33, eerste lid. Indien noodzakelijk, schakelt de beheerder een dierenarts in. Artikel 20. Verdenking aangifteplichtige dierziekten Het opvangcentrum let op verschijnselen die kunnen wijzen op een besmetting met een aangifteplichtige dierziekte. Het opvangcentrum geeft bij de verschijnselen, bedoeld in het eerste lid, terstond kennis aan een ambtenaar als bedoeld in 114, tweede lid, Gezondheids- en welzijnswet voor dieren conform artikel 19 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Paragraaf 4. Structurele oplossingen Artikel 21. Duur verblijf per soort De in artikel 3, derde lid, bedoelde maximale duur is voor: vogels en overige zoogdieren: twaalf maanden, marterachtigen en vossen: negen maanden, zeezoogdieren, hoefdieren, wilde zwijnen en herpetofauna: zes maanden. Indien een dier langer dan maximale duur in het opvangcentrum verblijft, wordt een met argumenten onderbouwd behandelplan opgenomen in het register, bedoeld in artikel 37, inclusief een verwachte datum van loslaten, indien van toepassing. Artikel 22. Structurele oplossingen Het opvangcentrum vindt zo spoedig mogelijk een structurele oplossing voor het opgevangen dier. Onder een structurele oplossing worden de volgende oplossingen verstaan: het dier in vrijheid stellen in het land van oorsprong, indien sprake is van een uit de vrije natuur gehaalde niet van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort, het dier in vrijheid stellen in Nederland, indien sprake is van opvang van een uit de vrije natuur afkomstig van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort, het dier inzetten voor een internationaal fokprogramma, het dier inzetten in een instelling voor educatieve doeleinden, het dier inzetten voor wetenschap bij een erkende instelling, het dier inzetten voor het herstel van opgevangen soortgenoten, het dier levenslang onder de juiste omstandigheden in opvang houden, en het doden van het dier. Indien de structurele oplossing, genoemd in het tweede lid, onderdelen a en b, niet kan worden toegepast, wordt gekozen voor de structurele oplossingen, genoemd in het tweede lid, onderdelen c tot en met f. Indien de oplossingen, genoemd in het tweede lid, onderdelen a tot en met f, niet kunnen worden toegepast, wordt gekozen voor een structurele oplossing, genoemd in het tweede lid, onderdeel g en h. Het in het tweede lid, onderdeel h, bedoelde doden wordt uitgevoerd volgens de bepalingen genoemd in artikel 31. Voor iedere structurele oplossing, genoemd in het tweede lid, dient het welzijn van het desbetreffende dier van doorslaggevende betekenis te zijn. Artikel 23. In vrijheid stellen van dieren behorende tot uit de natuur afkomstige van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten Indien mogelijk wordt een dier van een van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort op de plaats waar het is aangetroffen behandeld en direct losgelaten. Het in vrijheid stellen van dieren gebeurt alleen op een plek waar de soort al van nature voorkomt. Het in vrijheid stellen vindt plaats op de vindplaats, of, indien dit niet mogelijk is, in een geschikt natuurlijk habitat nabij de vindplaats. In het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel j, komen ten minste de volgende onderwerpen aan de orde: criteria op basis waarvan besloten wordt of een dier voldoende hersteld is om in vrijheid gesteld te worden, criteria op basis waarvan bepaald wordt waar een dier in vrijheid wordt gesteld, criteria op basis waarvan bepaald wordt wanneer een dier in vrijheid wordt gesteld. Hierbij wordt rekening gehouden met een voor de diersoort geschikte tijd, bijvoorbeeld in verband met winterslaap, rui, of vogeltrek, territoriaal gedrag, en criteria op basis waarvan besloten kan worden dat het dier kan overleven in de vrije natuur. De beheerder, bedoeld in artikel 33, is bevoegd te besluiten over het al dan niet in vrijheid stellen van dieren. Artikel 24. In vrijheid stellen van uit de vrije natuur afkomstige niet van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten Indien het oorspronkelijke biotoop van een dier van een niet van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort of niet aangewezen diersoort is te achterhalen en een dier terug kan naar het land van oorsprong, wordt bij de afweging voor de keuze om het dier in vrijheid te stellen, in ieder geval rekening gehouden met: de bereidheid van het land van oorsprong om het dier op te nemen, het welzijn van het dier, de invloed van het dier op de bestaande populatie, de beschikbare middelen, de toepasselijke internationale afspraken, de richtlijnen voor herintroducties van de International Union for the Conservation of Nature (IUCN). De uitvoering van de terugplaatsing dient op zorgvuldige wijze te worden uitgevoerd. Artikel 25. Uitwenverblijf voor uit de vrije natuur afkomstige dieren van van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten Als onderdeel van het in vrijheid stellen van herstelde dieren kan het opvangcentrum gebruik maken van één of enkele uitwenverblijven die buiten de opvanginrichting of opvanginrichtingen liggen. Het opvangcentrum zorgt ervoor dat: het uitwenverblijf zich bevindt in de natuurlijke habitat van het dier, en het uitwenverblijf voldoet aan de bepalingen van artikel 10. Alleen dieren waar de verzorging bestaat uit het aanbieden van voedsel en water worden in uitwenverblijven geplaatst. De verzorging in het uitwenverblijf wordt gegeven door medewerkers van het opvangcentrum. De periode dat een dier in een gesloten uitwenverblijf is gehuisvest, valt binnen de maximale duur van de opvang, genoemd in artikel 21, tweede lid. De criteria en procedures voor de locatie, constructie en inrichting van het gebruik van het uitwenverblijf en de criteria op basis waarvan bepaald wordt of een dier in een uitwenverblijf geplaatst wordt, maken onderdeel uit van het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel j. In het register, bedoeld in artikel 37, wordt bijgehouden welke dieren in welk uitwenverblijf gehuisvest zijn. Artikel 26. Internationaal fokprogramma Een dier kan ingezet worden voor een internationaal fokprogramma als: de diersoort bedreigd is, en de leeftijd en gezondheid van het dier dit toestaat. Indien een dier gebruikt wordt voor een internationaal fokprogramma, kan het dier overgedragen worden of onder het opvangcentrum blijven. Indien verplaatsing noodzakelijk is wordt dit opgenomen in het register, bedoeld in artikel 37. Artikel 27. Educatieve of wetenschappelijke doeleinden Een dier kan ingezet worden voor educatieve of wetenschappelijke doeleinden bij andere hiertoe erkende organisaties. Het opvangcentrum stelt in een geval als bedoeld in het eerste lid een contract met de erkende organisatie op, waarin in ieder geval staat beschreven wie de houder van het dier wordt en welke verantwoordelijkheden elke partij heeft. Artikel 28. Dier inzetten voor herstel van soortgenoten Het opgevangen dier kan in het opvangcentrum blijven indien dit dier een belangrijke rol vervult in een of meer concrete gevallen van het herstel van opgevangen soortgenoten, die anders geen redelijke kans op succesvol herstel hebben. De in het eerste lid genoemde opvang voor het herstel van soortgenoten, kan alleen worden uitgevoerd zolang in redelijkheid mag worden aangenomen dat het dier in gevangenschap niet lijdt. Artikel 29. Onderbrengen bij particulieren Een dier mag bij een particulier ondergebracht worden indien: de particulier beschikt over de noodzakelijke ontheffingen, het dier tot een diersoort behoort die geschikt is om in een particuliere situatie te houden, het welzijn van het dier dit toelaat, de particuliere houder een geschikt verblijf en expertise heeft om dit dier te houden, het dier in principe gedurende zijn hele leven bij de particuliere houder kan blijven, en het verblijf waar het dier wordt ondergebracht voldoet aan de in artikel 10, tweede lid, gestelde voorwaarden. Gedurende het hele leven van het dier blijft het opvangcentrum de eigenaar van het dier. Indien de particuliere houder niet meer voor het dier kan zorgen, wordt het dier teruggebracht naar de eigenaar. Het dier mag niet door de particulier worden verkocht, verhuurd, tentoongesteld, al dan niet tijdelijk uitgeleend of gebruikt bij evenementen. Het opvangcentrum stelt een contract op waarin wordt opgenomen dat: het genoemde in het eerste tot en met het vierde lid deel uitmaakt van het contract, het niet is toegestaan met het dier te fokken, en bij overlijden van het dier de particulier dit meldt aan het opvangcentrum. Het onderbrengen bij particulieren is niet toegestaan indien het een dier betreft behorende tot: van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort afkomstig uit de vrije natuur, niet van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoort afkomstig uit de vrije natuur, of niet aangewezen diersoorten die niet vallen onder het overgangsbeleid zoals beschreven in artikel 2.3 en bijlage 2, onderdeel a, van de Regeling houders van dieren. Artikel 30. Afwegingskader met betrekking tot de keuze voor een structurele oplossing Ieder opvangcentrum stelt een afwegingskader vast met betrekking tot de keuze voor een structurele oplossing voor een dier. In het afwegingskader dient bij de keuze rekening te worden gehouden met de artikelen 26 tot en met 31. Dit kader wordt vastgelegd in het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel i. Paragraaf 5. Doden Artikel 31. Doden Een dier wordt gedood overeenkomstig paragraaf 1.3 van het Besluit houders van dieren, indien voor het dier geen andere structurele oplossing kan worden gevonden. Het dier wordt na verdoving door een bekwaam en daartoe bevoegd persoon gedood. De beheerder, bedoeld in artikel 33, eerste lid, en de dierenarts stellen een handelwijze vast als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel k, voor het doden van opgevangen dieren. Een besluit om een dier te doden is altijd gebaseerd op het door het bestuur vastgestelde beleid en wordt in overleg met de dierenarts of de persoon, bedoeld in artikel 34, eerste lid, genomen. Artikel 32. Overleden dier Indien een dier komt te overlijden, wordt de doodsoorzaak door een dierenarts vastgesteld. Een in het opvangcentrum gedood of gestorven dier dat geen productiedier is wordt vernietigd, of ter beschikking gesteld aan: een door of namens de Staatssecretaris van Economische Zaken aan te wijzen wetenschappelijk instituut, of een museum, educatieve instelling, bezoekerscentrum of schoolbiologische dienst die over een daartoe strekkende ontheffing beschikt. Een overleden dier als bedoeld in het eerste lid waar de doodsoorzaak niet van bekend is, en waar de bepaling van de oorzaak van belang kan zijn voor het opsporen van vergiftigingen, of een dier dat is gestorven aan een onnatuurlijke doodsoorzaak, wordt uitsluitend aangeboden aan opsporingsambtenaren van de politie, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit van het Ministerie van Economische Zaken of andere bevoegde instanties. Paragraaf 6. Medewerkers Artikel 33. Beheerder Het bestuur van het opvangcentrum benoemt een of meer natuurlijk personen tot beheerder van een opvanginrichting. Een beheerder is belast met de dagelijkse leiding van de opvanginrichting. De taken en bevoegdheden van de beheerder worden vastgesteld in het beleid betreffende het personeel, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel l. Artikel 34. Medewerkers Het opvangcentrum beschikt ten minste over één vaste, al dan niet vrijwillige, vakbekwame dierverzorger. De persoon, bedoeld in het eerste lid, kan tevens de beheerder, bedoeld in artikel 33, eerste lid, zijn. De persoon, bedoeld in het eerste lid, is in ieder geval vakbekwaam als hij voldoet aan de in artikel 3.11 van het Besluit houders van dieren gestelde eisen, met dien verstande dat indien geen deelkwalificatie beschikbaar is voor de betreffende soort, volstaan kan worden met de deelkwalificaties die wel van toepassing kunnen zijn op de op te vangen soort. De persoon, bedoeld in het eerste lid, is vakbekwaam met betrekking tot niet als gezelschapsdier gehouden dieren van van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten, en niet als gezelschapsdier gehouden dieren van niet van nature in Nederland voorkomende beschermde diersoorten, als hij kan aantonen dat hij ten minste de afgelopen drie jaar ervaring heeft opgedaan in het huisvesten en verzorgen van de specifieke categorie van dieren waarvoor de aanvrager ontheffing aanvraagt, en hij daartoe minimaal twee positieve referenties van deskundig te achten personen kan overleggen. In het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel l, wordt ingegaan op: het aantal verzorgende medewerkers in relatie tot het aantal te verzorgen dieren, de vereiste intensiteit, de aanwezigheid van ondersteunende medewerkers en overleg tussen medewerkers, en de taken, tijdsbesteding, verantwoordelijkheden en bevoegdheden, positie, eventuele vergoedingen en opleidingsmogelijkheden voor vrijwillige en betaalde medewerkers. Artikel 35. Operationele continuïteit In het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel n, wordt vastgelegd hoe de operationele continuïteit wordt gewaarborgd. Daartoe behoren ten minste voorzieningen in geval dat essentiële medewerkers, zoals de beheerder, niet beschikbaar zijn. Paragraaf 7. Bezoekers Artikel 36. Bezoekers Het opvangcentrum kan bezoekers toelaten, mits de bezoekers het herstel van zieke en gewonden dieren en de structurele oplossingen voor de opgevangen dieren niet belemmeren of vertragen, zodat voldaan wordt aan de doelstelling, bedoeld in artikel 2. Het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel o, beschrijft maatregelen die het gestelde in het eerste lid waarborgen, waarbij ten minste wordt ingegaan op de volgende punten: de ruimte waar bezoekers niet mogen komen, fysiek contact tussen bezoekers en opgevangen dieren, de mogelijkheid van afzondering van dieren buiten het zicht van de bezoekers, de veiligheid van bezoekers. Paragraaf 8. Register en logboek Artikel 37. Register Artikel 4.9 Besluit houders van dieren is van overeenkomstige toepassing op een opvangcentrum van dieren. Indien dieren als één groep van dezelfde soort en van vergelijkbare leeftijd aangeboden worden, kunnen deze als groep onder vermelding van het aantal, worden opgenomen. In het register worden voor elk opgevangen dier de volgende gegevens opgenomen, voor zover relevant: indien bekend de vindplaats van het dier en persoonsgegevens van de vinder of de gegevens van de eigenaar dat afstand doet van zijn dier, datum van binnenkomst, reden van aanbieden, eerste beoordeling als bedoeld in artikel 18, veterinaire verslaglegging, inclusief data van behandelingen, de verwachte behandelingsduur in geval van zieke of gewonde dieren, indien de verwachte behandelingsduur wordt overschreden, de reden van overschrijding, en de definitief gekozen structurele oplossing voor het dier. In de veterinaire verslaglegging, bedoeld in het derde lid, onderdeel e, worden de volgende gegevens genoteerd: behandelend dierenarts, gegevens van het lichamelijk onderzoek en de diagnose, verkregen medicatie met behandelingsfrequentie en dosering, datum en beschrijving van vaccinaties en andere handelingen die uitgevoerd zijn ter vaststelling, behandeling of preventie van bepaalde ziekten met een (eventuele) datum waarop de handeling herhaald moet worden, en eventueel datum, uitvoerder en resultaten van een post-mortem onderzoek. De administratie en hoe deze ingevuld en gebruikt wordt, wordt beschreven in het beleid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel p. De administratie is altijd door alle aanwezige medewerkers in te zien. Artikel 38. Logboek Het opvangcentrum houdt een logboek bij waarin dagelijks de gezondheidscontrole van alle dieren en eventuele andere bevindingen worden vastgelegd. Het logboek, bedoeld in het eerste lid, kan als aanvulling worden opgenomen in het register, bedoeld in artikel 37. Paragraaf 9. Slotbepaling Artikel 39. Afwijkingsmogelijkheid Indien het opvangcentrum te maken krijgt met een onvoorziene situatie waardoor het zich gedwongen ziet van de voorschriften van dit protocol af te wijken, stelt het onverwijld de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland van het Ministerie van Economische Zaken daarvan op de hoogte. TOELICHTING Algemene Toelichting Inleiding Met het besluit ‘Beleidsregels Natuurbescherming Zeeland 2022’ (hierna: ‘Beleidsregels Natuurbescherming’) worden de reeds bestaande, apart vastgestelde beleidsregels met betrekking tot natuurbescherming gebundeld in één besluit. Enkele daarvan worden waar nodig geactualiseerd. Nieuwe beleidsregels worden opgenomen voor activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen. Ook wordt er een artikel toegevoegd voor aanvragen van een tegemoetkoming in faunaschade aan suikerbieten. Deze beleidsregels geven aan op welke wijze Gedeputeerde Staten van Zeeland (hierna: Gedeputeerde Staten) hun bevoegdheden op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: Wet) wensen uit te voeren. De beleidsregels zijn een uitwerking van de Beleidsnota Natuurwetgeving, Meer Prioriteit voor Zeeuwse Biodiversiteit (hierna: Beleidsnota Natuurwetgeving) en de Omgevingsverordening Zeeland 2018 (hierna: Verordening). Daarnaast betreffen ze rechtstreeks uit de Wet voortvloeiende bevoegdheden van Gedeputeerde Staten. Bundelen van beleidsregels In de afgelopen jaren is er een veelheid aan apart vastgestelde beleidsregels ontstaan, die zijn voortgekomen uit de Wet. Dit betreft thema’s zoals proceswater en tarra Oosterschelde, tijdelijke opschorting vergunningverlening schelpdieren en zeegroenten, tegemoetkoming faunaschade en salderen (stikstof). Daarom hebben Gedeputeerde Staten besloten om deze afzonderlijke beleidsregels te bundelen in één overkoepelend besluit ‘Beleidsregels Natuurbescherming.’ Zo is voor iedereen direct duidelijk welke beleidsregels er op het gebied van natuurbescherming zijn. Inhoudelijk zijn de al vastgestelde beleidsregels niet veranderd; het gaat puur om een bundeling. Nieuwe beleidsregels met betrekking tot natuurbescherming kunnen in de toekomst eenvoudig worden ingepast. Actualiseren van bestaande beleidsregels Met de inwerkingtreding van de Wet is niet meer de Minister, maar zijn Gedeputeerde Staten bevoegd voor het verlenen van een ontheffing voor de opvang van dieren. Als toetsingskader voor de verlening van ontheffingen aan opvangcentra voor het vangen, onder zich hebben en in voorkomend geval weer in de natuur uitzetten van beschermde dieren, heeft de Minister gebruik gemaakt van de “Beleidsregels kwaliteit opvang diersoorten”. Zoals in overleg tussen provincies (IPO) en het Ministerie geadviseerd hebben Gedeputeerde Staten in het kader van ontheffing verlening de (Rijks)beleidsregels van overeenkomstige toepassing verklaard. Zoals opgenomen in de Beleidsnota Natuurwetgeving worden met dit besluit de (Rijks)beleidsregels formeel omgezet in provinciale beleidsregels. Op 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603) heeft de Raad van State een belangrijke uitspraak gedaan over het Programma Aanpak Stikstof (hierna: PAS). In deze uitspraak heeft de Raad van State overeenkomstig de uitspraak van het Hof van Justitie geconcludeerd dat het PAS niet voldoet aan de voorwaarde dat de positieve gevolgen van maatregelen die in het programma zijn opgenomen, vooraf vast moeten staan. Dat is niet toegestaan. Het PAS mag daarom niet langer als toestemmingsbasis voor activiteiten die extra stikstof tot gevolg hebben worden gebruikt. Als gevolg hiervan zijn bij Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 24 augustus 2019, nr. WJZ/19141444 (Staatscourant 30-08-2019, 48301) hoofdstuk 2 en bijlage 1 van de Regeling natuurbescherming vervallen. Daarmee is tevens de grondslag voor de gereserveerde ontwikkelruimte voor de Ontwikkelingsgebieden Sloegebied en Kanaalzone vervallen. De bij besluit van 14 februari 2017, kenmerk 17002764 vastgestelde beleidsregel toedeling ontwikkelingsruimte ontwikkelingsgebieden Zeeland, betrekking hebbend op de verdeling van ontwikkelingsruimte voor prioritaire projecten (segment 1) in het Sloegebied en de Kanaalzone voortkomend uit de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) en de bij besluit van 6 februari 2017, kenmerk 17005151 vastgestelde beleidsregel toedeling ontwikkelingsruimte stikstof in Zeeland 2017, betrekking hebbend op de verdeling van de vrije ontwikkelruimte (segment 2) voortkomend uit de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) zijn daardoor niet meer geldig en worden nu formeel ingetrokken. Opnemen van nieuwe beleidsregels De beleidsregels voor activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten zijn een uitwerking van de Beleidsnota Natuurwetgeving. Daarin is aangegeven dat in beleidsregels een nadere definiëring wordt gegeven aan een aantal begrippen. In bijlage 1 worden de volgende termen gedefinieerd: bedrijventerrein, dijk/dijklichaam, eenrijige beplanting langs landbouwgronden, spontane natuurlijke verjonging, weg en wegbeplanting. Daarnaast is een omrekenfactor vastgelegd die gebruikt kan worden om herplant van oppervlaktebeplanting naar rijbeplanting en andersom te beoordelen. Verder is een regel opgenomen in welke situatie ontheffing verleend wordt van de herplantplicht in het geval van spontane natuurlijke verjonging op bedrijventerrein. Tot slot wordt in de beleidsregels invulling gegeven aan het begrip ‘duurzame boomsoorten’. Met deze beleidsregels wordt duidelijkheid gecreëerd en wordt voorkomen dat per situatie beoordeeld moet worden of er wel of geen meld- en herplantplicht geldt. Dit zal ook de administratieve druk verlagen en zorgen voor een snellere besluitvorming. Volgens de reeds geldende beleidsregels wordt er geen tegemoetkoming in faunaschade verleend als deze is aangericht aan knol-, bol- en wortelgewassen die na 1 december van het teeltseizoen worden geoogst. Met een nieuw artikel wordt hierop een uitzondering gemaakt: er wordt wel een tegemoetkoming verleend als de schade is aangericht aan suikerbieten die na 1 december van het teeltseizoen worden geoogst, op voorwaarde dat de taxatie van de schade voor 1 december plaatsvindt. Met deze nieuwe bepaling wordt rekening gehouden met het feit dat suikerbieten niet meer altijd, zoals in het verleden, voor 1 december worden geoogst. Bijlage 3Gebiedsgerichte ontheffingen op basis van een Soortenmanagementplan Om de aanvraag om een gebiedsgerichte ontheffing te kunnen beoordelen, verstrekt de aanvrager een soortenmanagementplan. Dit soortenmanagementplan (SMP) bevat in elk geval de volgende informatie: Inleidende documentatie: Algemene informatie over het gebied waarbinnen het SMP geldt; Omschrijving van alle geplande activiteiten; Korte samenvatting van de aanwezige soorten, functies van het leefgebied voor deze soorten, en netwerk(
- en)van deze soorten; Globale ambitie en meerwaarde voor het plangebied van een gebiedsgerichte ontheffing; Concrete verbodsbepalingen waar de vergunning voor aangevraagd wordt; Onderbouwing van het wettelijk belang voor de vergunningplichtige activiteiten; Onderbouwing van de alternatievenafweging voor de vergunningplichtige activiteiten; Effect van het SMP op de staat van instandhouding van de beschermde soorten. Basisonderzoek: Literatuur- en bronnenonderzoek naar het voorkomen van beschermde soorten; Gebiedsdekkende quickscan (onderzoek naar de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten): Identificatie van kansrijke structuren en objecten voor beschermde soorten (hotspots, functioneel leefgebied, belangrijk foerageergebied, belangrijke vliegroutes, bijzondere locaties waar meerdere bijzondere functies samen komen, kraam- en massawinterverblijfplaatsen, grote of geïsoleerde kolonies, etc.); Verkennende veldbezoeken. Soortgericht (nader) onderzoek: Specificatie van en toelichting op de onderzoekinspanning en -intensiteit, rekening houdend met de eigenschappen van soorten, waaronder hun zeldzaamheid; De gebruikte methodieken, middelen en werkwijze: Er dient gebruik gemaakt te worden van de meest recente, vastgestelde soort-specifieke onderzoeksprotocollen. Indien hier van afgeweken wordt, dan dient de afwijking goed navolgbaar gemotiveerd (of gevalideerd) te worden, op een manier die voor het bevoegd gezag toetsbaar is op noodzaak en effect; Het soortgerichte onderzoek is gebiedsdekkend. Indien hiervan afgeweken wordt, dan dient de afwijking goed navolgbaar gemotiveerd te worden, op een manier die voor het bevoegd gezag toetsbaar is op noodzaak en effect; Nestplaatsen van huismussen en gierzwaluwen en belangrijke en kwetsbare verblijfplaatsen (robuuste kraamverblijfplaatsen en massawinterverblijfplaatsen) van vleermuizen dienen tot op huisnummer-niveau in kaart gebracht te zijn. Indien hiervan afgeweken wordt, dan dient de afwijking goed navolgbaar gemotiveerd te worden, op een manier die voor het bevoegd gezag toetsbaar is op noodzaak en effect; Een heldere beschrijving van de onderzoeksresultaten, inclusief overzichtelijke kaarten en tabellen; Conclusies en discussies; Een overzicht van gebruikte bronnen, zoals raadpleegbare, openbare databases en onderzoeksrapporten. Effectbepaling: Overzicht van de kwetsbare gebieden en essentiële functies in het landschap voor de instandhouding van beschermde soorten gelegen in en grenzend aan het SMP-gebied indien binnen de invloedssfeer van de activiteiten; Beschrijving van de activiteiten (incl. verspreiding en planning van de activiteiten) met negatieve effecten op beschermde soorten, functies en netwerken (functioneel leefgebied); Duidelijke analyse van wat dit concreet betekent voor de staat van instandhouding van de betreffende soorten en het lokaal voorkomen van de soorten in het plangebied; Mitigatie- en compensatieplan: Beschrijving van hoeveel nesten/verblijfplaatsen er (eventueel) in hetzelfde gebied onder een vergunning op basis van een pre-SMP zijn verwijderd en gecompenseerd; Omschrijving van maatregelen om te voldoen aan de ambitie, zoals beschreven in de inleiding: Omschrijving van de wijze waarop oorspronkelijke verblijfplaatsen behouden blijven; Omschrijving van de wijze waarop oorspronkelijke verblijfplaatsen gereconstrueerd worden; Omschrijving van de wijze waarop alternatieve voorzieningen ter compensatie worden toegepast, rekening houdend met het onderscheid tussen tijdelijke, permanente, experimentele en bewezen effectieve maatregelen: Deze voorzieningen worden, passend bij de ecologische functionaliteit van het gebied, voldoende gevarieerd toegepast, met betrekking tot typen voorzieningen en locaties; Niet bewezen effectieve maatregelen tellen voor 50% mee als alternatieve maatregel, maar alleen wanneer de overige 50% aan maatregelen bestaan uit bewezen effectieve maatregelen. Monitorings- en Evaluatieplan: Omschrijving van de wijze waarop de uitgevoerde activiteiten en maatregelen worden gemonitord; Omschrijving van de wijze waarop de populatie-ontwikkeling van relevante soorten in het plangebied gemonitord wordt; Omschrijving van de wijze waarop belangrijke en essentiële functies en de meest kwetsbare verblijfplaatsen gemonitord worden; Procesbeschrijving, administratie- en managementplan: Omschrijving van de wijze waarop activiteiten en maatregelen worden geregistreerd, tenminste met behulp van een actuele digitale GIS-database en logboek; Een omschrijving van de wijze waarop de gemeentelijke regie op de uitvoering van het SMP is georganiseerd (op functie-niveau); Een omschrijving van de handelwijze bij calamiteiten. Aan te leveren documenten gedurende een SMP: Startmelding; Tussentijdse melding (bij deelprojecten van > 1 jaar); Melding van calamiteiten en incidenten; Eindmelding; Jaarlijkse voortgangsrapportage SMP. Bijlage 4Gebiedsgerichte ontheffingen op basis van een pre-Soortenmanagementplan Doel: Populaties gebouwbewonende soorten beschermen bij particuliere verduurzamingswerkzaamheden door het verlenen van gebiedsgerichte ontheffingen op basis van een pre-Soortenmanagementplan opgesteld en uitgevoerd volgens de pre-SMP methodiek voor verduurzamingswerkzaamheden daar waar deze gehouden zijn aan de Wet natuurbescherming. Doelgroep: Gebiedsgerichte ontheffingen op grond van een pre-SMP kunnen enkel aangevraagd worden door Zeeuwse gemeenten. De provincie verleent onder de volgende voorwaarden een gebiedsgerichte ontheffing op grond van een pre-SMP: Voorwaarde 1: Natuurvriendelijk isoleren en meldingsplicht Huiseigenaren en isolatiebedrijven isoleren conform de handreiking “Natuurvriendelijk isoleren”. Per woning worden daarmee betaalbare voorzieningen aangebracht (optioneel door de isolatiebedrijven) en wordt voorkómen dat er dieren gedood worden (tijdig natuurvrij maken). De particulier of het isolatiebedrijf namens de particulier meldt de isolatie bij de gemeente via een GIS-applicatie om te kunnen werken onder de ontheffing. De Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) Zeeland ziet toe op een correcte naleving van de handreiking “Natuurvriendelijk isoleren”. Voorwaarde 2: Gemeentelijke compensatie De gemeente beschrijft in een pre-Soortenmanagementplan hoe het verlies aan kraamverblijfplaatsen door de gemeente wordt gecompenseerd. Het effect van de verduurzaming en de gemeentelijke compensatietaakstelling worden met de pre-SMP methodiek modelmatig berekend. Voorwaarde 3: SMP-verplichting Binnen twee jaar moet het pre-SMP omgezet worden in een volwaardig (kwalitatief goed) SMP op basis van een volledig gebiedsgericht veldonderzoek. Op dit SMP moet een nieuwe gebiedsgerichte ontheffing worden aangevraagd en afgegeven. Bij de aanvraag om een ontheffing op grond van een pre-SMP dient te worden aangetoond dat de ontwikkeling van een SMP binnen 18 maanden wordt afgerond zodat een ontheffing op grond van een SMP binnen twee jaar de ontheffing op grond van een pre-SMP kan vervangen. Vindt er onvoldoende voortgang plaats met de ontwikkeling van een SMP dan wordt de ontheffing op grond van een pre-SMP ingetrokken. De provincie verleent onder de volgende beperkingen een gebiedsgerichte ontheffing: Beperking 1: Type woningen De gebiedsgerichte ontheffing ziet uitsluitend op individuele grondgebonden woningen in particulier eigendom. Voor gestapelde woningen zoals appartementencomplex of flatgebouwen wordt geen ontheffing verleend. Beperking 2: Ontheffingsduur De ontheffing geldt voor de duur van maximaal twee jaar (24 maanden). Beperking 3: Aantal deelnemende woningen Per CBS-buurt mogen maximaal 30% van de te isoleren particuliere grondgebonden woningen worden geïsoleerd. Het maximale aantal deelnemende woningen van 30% over twee jaar tijd wordt onderverdeeld in maximaal 10 % in de eerste fase van de looptijd en in de tweede fase het aanvullend aantal deelnemers tot 30%. Mocht fase 1 langer dan 12 maanden duren, dan is voor elke maand dat de fase langer duurt het maximaal aantal deelnemers 1% meer. Het maximum van 30% over 2 jaar blijft dan gelijk. In fase 1 mogen op de te isoleren woningen tevens zonnepanelen worden geplaatst op hellende daken. In fase 2 mogen ook op niet te isoleren woningen zonnepanelen worden geplaatst op hellende daken. Op platte daken mogen in zowel fase 1 als 2 zonnepanelen worden geplaatst. De gemeente en de Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) Zeeland zien toe op deze beperking met de ontwikkelde GIS-applicatie waar deelnemende woningen in worden gemeld. Beperking 4: Type werkzaamheden De pre-SMP methodiek richt zich enkel op de volgende verduurzamingsmaatregelen: Spouwmuurisolatie: het vullen van de bestaande spouw met isolatiematerialen. Ook het afsluiten van kieren rond kozijnen valt hieronder. Dakisolatie binnenzijde: het isoleren van pannendaken aan de binnenzijde door aan het dakbeschot isolatiemateriaal te bevestigen waarna de binnenwand-afwerking eroverheen wordt geplaatst. Het dak mag niet beroerd worden. Ook een ruimte vullen tussen dakbeschot en binnenwandafwerking met gespoten isolatiemateriaal is niet toegestaan in de pre-SMP methodiek. Dakisolatie buitenzijde: dakisolatie door het verwijderen van dakpannen, het bevestigen van isolatieplaten op het dak en het vervolgens plaatsen van regels en pannen. Het spuiten van isolatieschuim onder de pannen (terwijl de pannen erop liggen) is niet toegestaan. Isolatie van borstweringen: isoleren van de holle ruimte tussen (betonnen of houten) plaatmateriaal en binnenmuur. Plaatsen voorzetwand binnenzijde muur: het plaatsen van voorzetwanden met isolatiemateriaal tegen de buitenmuur via de binnenzijde van de woning. Plaatsen voorzetwand buitenzijde muur: het plaatsen van voorzetwanden met isolatiemateriaal tegen de buitenmuur via de buitenzijde van de woning. Plaatsen zonnepanelen: het plaatsen van zonnepanelen op al dan niet hellende daken. Artikelgewijze Toelichting Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Afdeling 1.1 Inleidende bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen bedrijfsmatig rapen en snijden hiermee wordt bedoeld dat het rapen van schelpdieren of het snijden van zeegroenten wordt uitgevoerd in het kader van de uitoefening van een bedrijf met als doel het met een winstoogmerk in de handel brengen van deze schelpdieren of zeegroenten. depositieruimte Het in de stikstofbank opnemen van depositieruimte vereist een berekening met AERIUS Calculator. Gedeputeerde Staten gaan daarbij uit van de op dat moment meest recente versie van de AERIUS Calculator, zoals beschikbaar op www.aerius.nl. extern salderen Bij extern salderen vinden de saldogevende activiteit en de saldo-ontvangende activiteit op verschillende locaties plaats. Het gaat hierbij om verschillende projecten of plannen. Externe saldering wordt aangemerkt als een mitigerende of beschermende maatregel in de zin van artikel 6, lid 3 Habitatrichtlijn en moet dus plaatsvinden in het kader van een passende beoordeling. handmatig het handgereedschap dient dusdanig te zijn uitgevoerd dat daarmee spitten, harken of slepen niet mogelijk is om bodemberoering te voorkomen. hoofdproduct Onder hoofdproduct wordt in ieder geval verstaan een product dat in de Kwantitatieve Informatie Akkerbouw en Vollegrondsgroenteteelt (KWIN) als hoofdproduct wordt genoemd. kapitaalsintensieve teelten Onder kapitaalintensieve teelten worden in ieder geval verstaan de teelt van: bloemen, bloembollen, bomen, graszoden, fruit en hoog salderende groentes. Het gaat bij kapitaalintensieve teelten om teelten die meerdere jaren op een plek staan en/of teelten die per hectare hoge financiële opbrengsten opleveren (hoog salderen). Dit zijn gewassen waar in redelijkheid een grotere inspanning van de grondgebruiker mag worden verlangd om deze gewassen te beschermen. microdepositiebank Binnen de stikstofbank betreft de microdepositiebank een voorziening van de provincies die erop is gericht om depositieruimte aan natuurvergunningen te kunnen toedelen. De depositieruimte in deze microdepositiebank is afkomstig van vrijgevallen ruimte. Daarnaast kunnen de verschillende bevoegde gezagen de microdepositiebank vullen met vrijgemaakte depositieruimte. Als Gedeputeerde Staten een aanvraag om een natuurvergunning ontvangen waarin de aanvrager verzoekt om toedelen van depositieruimte uit deze bank, beoordelen zij of de microdepositiebank daarvoor de ruimte biedt. Deze beoordeling staat los van de vraag welk bevoegd gezag de betrokken natuurvergunning heeft verleend waarbij depositieruimte is vrijgevallen, of welk bevoegd gezag vrijgemaakte ruimte heeft ingebracht. Er is in zoverre sprake van een collectieve voorziening. N-emissie Bij de term ‘stikstofverbinding’ gaat het om zogenoemd reactief stikstof. Hieronder vallen onder andere stikstofoxiden (NOx), ammoniak (NH3) en ureum. Stikstofgas (N2), waaruit het grootste deel van onze lucht bestaat is inert en valt hier niet onder. referentiesituatie De referentiesituatie wordt bepaald in samenhang met het begrip ‘toestemming’ en de Europese referentiedatum. Bij gebrek aan een natuurvergunning is een toestemming op de Europese referentiedatum het uitgangspunt voor het bepalen van de referentiesituatie. In de jurisprudentie is echter bepaald dat als de depositie na de Europese referentiedatum publiekrechtelijk is beperkt, die lagere depositie de uitgangssituatie is. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een op de referentiedatum geldende toestemming nadien is vervangen door een milieuvergunning.1ABRS 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1891, r.o. 4. De Europese referentiedata volgen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn en vaste jurisprudentie en zijn als volgt: voor gebieden ter uitvoering van de Habitatrichtlijn: 7 december 2004; of de datum waarop het desbetreffende gebied door de Europese Commissie tot een gebied van communautair belang is verklaard, voor zover die verklaring heeft plaatsgevonden na 7 december 2004; voor gebieden ter uitvoering van de Vogelrichtlijn: 10 juni 1994; of de datum waarop het desbetreffende gebied is aangewezen, voor zover die aanwijzing heeft plaatsgevonden na 10 juni 1994. Een complete lijst van de te hanteren referentiedata per Natura 2000-gebied is te vinden op de website van BIJ12. Een toestemming is verleend voor een bepaalde activiteit (die een bepaalde emissie en depositie tot gevolg heeft) en niet voor een bepaalde hoeveelheid emissie of depositie. Bij het berekenen van de depositie in de referentiesituatie moet altijd worden uitgegaan van actuele kengetallen. relevant hexagoon De marge van 70 mol/ha/jaar ten opzichte van de kritische depositiewaarde komt ongeveer overeen met 1 kg N/ha/jaar. Deze hexagonen waarbij de Kritische Depositie Waarde wordt benaderd maar niet is overschreden worden meegenomen bij de berekeningen. Dit om een overschrijding in de toekomst te voorkomen en om aan te sluiten bij het voorzorgsprincipe uit de Habitatrichtlijn. schelpdieren Hierbij valt te denken aan geleedpotige dieren zoals alikruiken, wulken en noordhoorns en weekdieren zoals oesters, mosselen, kokkels en slakken. stikstofbank De stikstofbank is een stikstofregistratiesysteem met als functie het mogelijk maken van salderen met stikstofruimte. In het systeem kunnen Gedeputeerde Staten depositieruimte opnemen (vulling) die zowel uit vrijgemaakte als uit vrijgevallen ruimte kan bestaan. Of depositieruimte in de microdepositiebank of in de doelgebonden depositiebank wordt opgenomen, is afhankelijk van de instellingsbesluiten die Gedeputeerde Staten hierover nemen. toestemming 3°: Onder activiteiten die voldoen aan artikel 2.8 van de wet vallen onder andere tracébesluiten en kavelbesluiten in de zin van de Wet windenergie op zee. Hiervoor geldt dat een vrijstelling van de vergunningplicht op grond van de wet, maar is wel een passende beoordeling gemaakt. 4°: Voor het project is weliswaar geen natuurvergunning verleend maar er is wel een richtlijnconforme beoordeling uitgevoerd. 5°: Een toestemming kan ook zijn een toestemming naar nationaal recht die is verleend voordat de Habitatrichtlijn in werking trad voor het betrokken gebied. Uit recente jurisprudentie blijkt dat ook toestemming op grond van algemene regelgeving de betrokken toestemming kan zijn.2ABRS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1604, r.o. 22.4 Logischerwijs mogen dergelijke activiteiten betrokken worden bij salderen. Om als