Wabobeleidsplan gemeente WinterswijkIntroductie “Er wordt een nieuw Programma Integrale Handhaving opgericht waarin de keten met vergunningverlening start.” (Coalitieprogramma 2010-2014). De gemeente Winterswijk is naar aanleiding van diverse ontwikkelingen op het vlak van de fysieke omgeving gekomen tot een Wabobeleidsplan. Het Wabobeleidsplan bestaat uit een viertal delen, een kaderstellend deel, een beleidsdeel, een uitvoeringsprogramma en een organisatorisch deel. Met deze instrumenten speelt de gemeente in op de kwaliteitscriteria die landelijk zijn geformuleerd: enerzijds de criteria genoemd in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en anderzijds de criteria genoemd in het landelijke transitieprogramma vergunningverlening, toezicht en handhaving. De Wabo geeft aan dat ieder bevoegd gezag moet beschikken over een integraal handhavingsbeleid en een integraal uitvoeringsprogramma. Het transitieprogramma geeft aan dat een bevoegd gezag moet voldoen aan bepaalde inhoudelijke criteria, procescriteria en criteria ten aanzien van de kritische massa. Beide externe ontwikkelingen sluiten aan bij de interne wens, zoals geuit in het Coalitieprogramma 2010-2014, om te komen tot een nieuw integraal programma. Deel1:Kader Het kaderstellend deel heeft als belangrijkste taak de positie, doelstellingen, uitgangspunten en opbouw van het Wabobeleidsplan te bespreken. In hoofdstuk 1 wordt ingegaan op het onderwerp ‘Kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving’. Zoals zojuist aangegeven zijn dit belangrijke onderleggers voor het Wabobeleidsplan. Het wordt van belang geacht deze context toe te lichten. Hoofdstuk 2 pakt het Wabobeleidsplan op. De positionering en structuur van het Wabobeleidsplan worden toegelicht. Het Wabobeleidsplan strekt zich uit over alle activiteiten die vallen onder de werking van de Wabo en werkt het beleid en het uitvoeringsprogramma uit. Hoofdstuk 3 bespreekt de missie, visie en uitgangspunten die ten grondslag liggen aan het Wabobeleidsplan. Zij sturen het beleidsdeel aan. Het kaderstellend deel wordt afgesloten met het begrippen- en beleidskader en een uitzetting van de nalevingsstrategie. 1.Kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving 1.1.Transitieprogramma “Werk in uitvoering” De gemeentelijke vergunningverlening en handhaving krijgt te maken met landelijke kwaliteitscriteria. De ministeries van BZK en IenM werken met het Transitieprogramma “Werk in Uitvoering” aan de realisatie van een robuust georganiseerd bestuurlijk stelsel. Op basis van dit st elsel moet het ruimtelijk economisch en milieubeleid van de rijksoverheid op effectievere wijze doorwerken in de Wabo en de toezichtprioriteiten. Dit moet leiden tot minder administratieve lasten en minder bestuurlijke drukte. Eén van de projecten van het Transitieprogramma “Werk in Uitvoering” is het project “Ontwikkelen Kwaliteitscriteria Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving”. Het is de bedoeling dat de kwaliteitscriteria door alle gemeenten en provincies worden geïmplementeerd en als maatlat fungeren voor de prestaties van hun ambtelijke organisaties. De criteria hebben betrekking op het minimale kwaliteitsniveau dat nodig is voor een goede taakuitvoering van de vergunningverlening, toezicht en handhaving. De geformuleerde criteria hebben betrekking op: De kritieke massa. De inhoudelijke kwaliteit en prioriteiten. De proceskwaliteit. Kritieke massaMet de kwaliteitscriteria voor kritieke massa kan een antwoord gegeven worden op de vraag of een organisatie in principe in staat is om de taken en onderliggende operationele activiteiten uit te voeren, gegeven de minimaal benodigde deskundigheid (opleiding, ervaring en kennis) voor de uitvoering van deze taken en de continuïteit daarvan. Inhoudelijke kwaliteit en prioriteitenNaast het opstellen van criteria voor kritieke massa zijn er ook inhoudelijke criteria. Dit zijn aanvullende criteria die een minimale ondergrens bepalen. De inhoudelijke criteria hebben betrekking op: De inhoudelijke elementen van probleemanalyse, beleid, strategie en (uitvoering) programma. De diepgang van de toetsing van vergunningsaanvragen. De diepgang van inspectie en toezicht. De wijze van vergunningverlening. De wijze van inspectie en toezicht ter plaatse. De landelijke sanctiestrategie. De landelijke prioriteiten van inspectie, toezicht en handhaving. ProceskwaliteitDe procescriteria beschrijven de eisen die gesteld worden aan de beleidscyclus. Door de criteria te volgen wordt de cyclus die begint met het opstellen van het beleid en via de uitvoering uiteindelijk leidt tot het bijstellen van het beleid, gesloten. De criteria bieden de kaders voor het kwaliteitssysteem van het bevoegd gezag. De criteria geven de elementen aan die minimaal aanwezig moeten zijn. Daarnaast moeten de criteria gebruikt worden bij het inrichten van de organisatie, bijvoorbeeld om onafhankelijke oordeelsvorming te borgen. Voor het opstellen van de procescriteria is, in lijn met de professionalisering van de milieuhandhaving, op landelijk niveau beoordeeld of op alle kritieke punten van overdracht in het hoofdproces van vergunningverlening enerzijds en inspectie, toezicht en handhaving anderzijds goed is nagedacht over de borging van kwaliteit. Daarbij wordt de BIG-8 gehanteerd. De BIG-8 is door KPMG ontworpen ten behoeve van kwaliteitsmanagement bij de overheid. Dit model maakt vanuit een strategisch kader de vertaling naar operationeel beleid ten behoeve van kwaliteitsborging samen met een sluitende planning en control cyclus. Rapportage en evaluatieIn essentie betreft deze stap het analyseren van allerlei relevante elementen dan wel veranderingen voor de vergunningverlenings- en handhavingsorganisatie. Strategisch beleidskaderDe volgende stap in het beleidsproces is het voorbereiden en voorleggen van prioriteiten en meetbare doelstellingen aan het bestuur van de vergunningverlening- en handhavingsorganisatie, het bespreken van keuzes met de politiek en het nemen van besluiten over de te stellen doelen op het gebied van vergunningverlening en handhaving. De uitgevoerde beleidsevaluatie legt voor deze stap de basis. Operationeel beleidskaderIn deze stap moeten prioriteiten en doelstellingen worden vertaald in concrete strategieën en objectieve criteria. Voor de vergunningverleningsorganisatie worden prioriteiten en doelstellingen vertaald in een set van objectieve criteria voor toetsing. Voor de handhavingsorganisatie worden hier de prioriteiten en doelstellingen vertaald naar doelgroepen en in nalevingstrategieën (of indien reeds aanwezig het periodiek toetsen daarvan). Pas dan blijkt op welke wijze specifieke doelgroepen in de praktijk benaderd moeten gaan worden en hoe bepaalde beleidsaspecten (zoals strenger sanctioneren of minder gedogen) moeten gaan uitpakken. Planning en controlCentraal in deze stap staat het toewijzen van de noodzakelijke capaciteit en financiële middelen die nodig zijn om de gestelde doelen te kunnen bereiken. Hiertoe worden organisatorische condities gesteld en een systematiek van interne borging ingericht voor de wijze waarop werkzaamheden beheerst kunnen worden uitgevoerd. De bouwstenen voor deze stap zijn de resultaten van de beleidsevaluatie, de prioriteiten daaruit, doelstellingen voor de komende periode en overeenstemming over te voeren strategieën. VoorbereidenDe essentie van deze stap is een goede voorbereiding van de af te geven vergunning en het uit te voeren controlebezoek door eerst te kijken naar de resultaten van eerdere vergunningverleningsprocedures met gelijke initiatiefnemers en van eerdere controlebezoeken, de meldingen, klachten en incidenten, eventuele rapportageverplichtingen, van toepassing zijnde nalevingstrategieën, etc. UitvoerenDit kernelement betreft de uitvoering van de te verlenen vergunningen en het controlebezoek zelf (inclusief de hieruit volgende acties). MonitoringHet laatste onderdeel van de beleidscyclus is de monitoring van diverse zaken die relevant zijn voor bijsturing in de operationele cyclus (bijvoorbeeld het aantal/de aard/de complexiteit van de te verwachte vergunningen of het aantal gerealiseerde controles, het bestede aantal uren, etc.) of als input voor de beleidsevaluatie (zoals de verbetering of verslechtering van het naleefgedrag van bedrijven of de milieukwaliteit in de gemeente). 1.2.Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Per 1 oktober 2010 is de Wabo van kracht geworden. Toezicht en handhaving komen allereerst in de wet zelf voor en wel in artikel 5.2. en 5.3. In artikel 5.2. wordt aangegeven dat het bevoegd gezag tot taak heeft zorg te dragen voor bestuurlijke handhaving, het verzamelen en registreren van daartoe relevante gegevens en het behandelen van klachten. Artikel 5.3. geeft aan dat bij AMvB regels gesteld kunnen worden met betrekking tot een doelmatige handhaving, strategische, programmatische en onderling afgestemde uitoefening van de handhavingsbevoegdheden tussen bestuursorganen en afstemming van werkzaamheden tussen bestuursorganen en andere organen / ambtenaren. Met de AMvB wordt in dit kader het Besluit Omgevingsrecht (Bor) bedoeld. In het Bor worden namelijk de kwaliteitseisen van de handhaving genoemd. Deze kwaliteitseisen komen veel overeen met de eisen die vanaf 1 januari 2005 gelden voor het milieu- of grijze kleurspoor. De wet- en regelgeving in het kader van de omgevingsvergunning, die door de Wabo wordt mogelijk gemaakt, verbreedt de eisen tot de andere kleursporen. Dit blijkt uit de volgende artikelen van de Bor: Artikel 7.2: Handhavingsbeleid Artikel 7.3: Uitvoeringsprogramma Artikel 7.4: Uitvoeringsorganisatie Artikel 7.5: Borging van middelen Artikel 7.6: Monitoring Artikel 7.7: Rapportage 1.3.Conclusie Tussen de landelijke kwaliteitscriteria en de Wabo zijn ten aanzien van de eisen die gesteld worden aan vergunningverlening, toezicht en handhaving grote overeenkomsten te constateren. Beiden zijn gericht op een verdere professionalisering: Vergunningverlening en handhaving zijn gebaseerd op duidelijke doelstellingen en prioriteiten en hebben een adequaat beleidsmatig fundament. De uitvoering is gebaseerd op transparante jaarprogramma’s. De uitvoeringsorganisatie is gebaseerd / afgestemd op het beleid en de jaarprogramma’s. Er is sprake van een integrale aanpak. Er is sprake van een cyclisch proces. Vergunningverlening en handhaving geschieden zoveel mogelijk gestandaardiseerd. 2.Positionering en structuur van het Wabobeleidsplan 2.1.Inleiding Het Wabobeleidsplan heeft tegen de achtergrond van het vorige hoofdstuk een aantal functies. Deze functies worden in de volgende paragrafen besproken en kunnen worden beschreven als: het realiseren van een integraal kader en transparantie. Vervolgens wordt ingegaan op de structuur van het Wabobeleidsplan. Het Wabobeleidsplan strekt zich uit over alle activiteiten, die in artikel 2.1 en 2.2 van de Wabo zijn genoemd en van belang zijn voor de gemeente. Daarbij richt het Wabobeleidsplan zich op (
- a)de beoordeling van vergunningsaanvragen, (
- b)de controles van uitvoerende werkzaamheden, die plaatsvinden op basis van de vergunning in de realisatiefase en (
- c)de controles tijdens de beheer- of gebruiksfase. 2.2.Het realiseren van een integraal kader Het Wabobeleidsplan heeft tot doel om alle gemeentelijke taken met het aanwezige beleid op het gebied van de Wabo in beeld te brengen, te structureren en te vertalen naar een adequaat uitvoeringsniveau. Onder het begrip adequaat wordt verstaan het niveau dat is afgeleid van landelijke protocollen, vastgesteld beleid en de kennis en ervaring van de eigen medewerkers. 2.3.Het realiseren van transparantie De gemeente is op basis van wet- en regelgeving verplicht ten aanzien van de fysieke omgeving vergunningverlening, toezicht en handhaving op haar grondgebied vorm en inhoud te geven. Ten aanzien van deze wet- en regelgeving is een taak voor de gemeente weggelegd, omdat aan bepaalde activiteiten in de fysieke omgeving maatschappelijke risico’s zijn verbonden. Het toezien gebeurt in een aantal stadia, namelijk bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag, bij uitvoerende werkzaamheden naar aanleiding van een afgegeven vergunning en tijdens het reguliere gebruik. De gemeente gaat na of burgers, ondernemers, beheerders en partijen die namens hen optreden (architecten, constructeurs, aannemers, uitvoerders) zich houden aan landelijke, provinciale en lokale wet- en regelgeving. De gemeente heeft als taak om na te gaan of deze partijen voldoende aannemelijk hebben gemaakt volgens de regels en voorschriften te handelen. Een belangrijk begrip in dit kader is transparantie: het zichtbaar maken van welke publieke taken de gemeente op welke wijze uitvoert zodat voor burgers, ondernemers, beheerders, medewerkers, management en bestuur een eenduidig beeld en verwachtingspatroon ontstaat. Essentieel daarbij is dat bestuurlijke overeenstemming wordt bereikt over de reikwijdte van de taakopdracht en de afstemming met de beschikbare of nog beschikbaar te stellen middelen. Concreet betekent dit bezig zijn met het zoeken naar evenwicht tussen kwaliteit en kwantiteit. De taken van de gemeente kunnen op verschillende uitvoeringsniveaus worden gerealiseerd. Aan ieder uitvoeringsniveau hangt een prijskaartje. Dit prijskaartje wordt bepaald door de inzet van vooral capaciteit (personeel). Aan ieder uitvoeringsniveau hangt ook een risicoprofiel. Afhankelijk van het uitvoeringsniveau worden bepaalde risico’s wel of niet afgedekt. Schematisch kan dit als volgt worden weergegeven. Het Wabobeleidsplan heeft uiteindelijk een sterk operationeel karakter. Het is gericht op uitvoeringsbeleid en maakt keuzen hoe de gemeente de aannemelijkheidstoets op aspecten in het kader van wet- en regelgeving gaat uitvoeren. Er moeten in relatie tot het Wabobeleidsplan expliciete bestuurlijke keuzen worden gemaakt. Een nadere prioritering van taken moet plaatsvinden. De bestaande formatie is het vertrekpunt voor de keuzen. 2.4.De structuur van het Wabobeleidsplan Het Wabobeleidsplan bestaat uit een 4-tal lagen. Deze sluiten aan bij de genoemde landelijke kwaliteitscriteria. De volgende lagen worden onderkend: De eerste laag bestaat uit de missie, visie en uitgangspunten. Deze laag vormt in wezen het kaderstellend deel. De tweede laag bestaat uit het beleid voor de Wabo-taken. Deze laag is terug te vinden in deel 2 van het Wabobeleidsplan. Per taak wordt steeds dezelfde opbouw van de uitwerking aangehouden. Achtereenvolgens komen aan bod: Inleiding: toelichting op basis van het hoe en waarom van een taak of product. Centrale vraag: vraag die het Wabobeleidsplan moet beantwoorden. Strategie: uitgangspunten voor het beleid én de uitwerking van de factoren op basis waarvan keuzen worden gemaakt. Beleid: de keuzen ten aanzien van prioriteiten en diepgang. In wezen vormt deze laag het inhoudelijke kwaliteitsdeel. De derde laag bevat het uitvoeringsprogramma op basis van het adequaat niveau. Het beleid wordt dan vertaald naar zogenaamde input- en prestatiedoelstellingen. De inputdoelstellingen geven aan welke inzet van uren en budget op onderdelen zal plaatsvinden, terwijl de prestatiedoelstellingen aangeven hoeveel controles, aanvragen, zaken e.d. worden afgewikkeld. Het uitvoeringsprogramma komt tot stand door diverse kengetallen aan elkaar te koppelen en heeft een directe relatie naar de discussie over de kritische massa in het kader van de landelijke kwaliteitscriteria. In dit deel vindt uiteindelijk ook de bestuurlijke afweging plaats. De vierde en laatste laag bevat de organisatorische verankering. Deze laag heeft betrekking op de procescriteria en laat zien hoe de realisatie van het uitvoeringsprogramma in relatie tot de eerder beschreven BIG-8 cyclus is geborgd. 2.5.Afbakening Wabobeleidsplan Er is aangegeven dat alle activiteiten vallend onder de Wabo, genoemd in artikel 2.1 en 2.2., onderdeel uitmaken van het Wabobeleidsplan. Een aantal activiteiten is echter niet relevant vanuit het oogpunt van de gemeente. Deze activiteiten zullen dan ook niet worden uitgewerkt. Het betreft de volgende activiteiten: Het slopen in beschermde stads- en dorpsgezichten. De gemeente kent namelijk geen beschermde stads- en dorpsgezichten. Het aanleggen, beschadigen of wijzigen van een weg voor zover deze niet valt onder artikel 2.1, eerste lid, onder b. Binnen de gemeente wordt namelijk toepassing gegeven aan artikel 2.2 eerste lid 1 onder e. Dat wil zeggen dat een omgevingsvergunning voor het aanleggen, beschadigen of wijzigen van een weg alleen noodzakelijk is voor zover daarvoor een verbod geldt als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b. Het aanleggen, beschadigen of veranderen van een weg wordt dan beschouwd als het uitvoeren van een werk. Het aanleggen of wijzigen van een uitweg. Artikel 2.5 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) is bij raadsbesluit van 26 januari 2012 gewijzigd waarbij de vergunningsplicht voor de aanleg van inritten is vervangen door algemene voorschriften. Voor de aanleg van een inrit oftewel uitweg is dus in principe geen (omgevings-)vergunning meer nodig. Wel gelden nog een aantal voorschriften en veelal moet de burger toch naar de gemeente toe met een verzoek om het trottoir aan te passen. Op basis van dit privaatrechtelijke verzoek toetst de afdeling Openbare Ruimte of aan de voorschriften voor de aanleg van inritten wordt voldaan. In feite heeft dus een verschuiving van een publiekrechtelijke beoordeling naar een privaatrechtelijke toetsing plaatsgevonden. Een omgevingsvergunning voor het aanleggen of wijzigen van een uitweg is alleen noodzakelijk voor zover daarvoor een verbod geldt als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder b. Het aanleggen of veranderen van een uitweg wordt dan beschouwd als het uitvoeren van een werk. Het opslaan van roerende zaken. Er wordt verwezen naar artikel 4.8 van de APV waaruit blijkt dat voor deze activiteit geen vergunning nodig is. Het is meer een artikel ten behoeve van de handhaving. Het Wabobeleidsplan heeft niet alleen betrekking op de omgevingsvergunning, die nodig is voor het uitvoeren van een bepaalde activiteit in de gemeente. Ook als voor een bepaalde activiteit een melding moet worden gedaan, zal deze worden meegenomen in het Wabobeleidsplan. In het Wabobeleidsplan wordt tenslotte apart aandacht besteed aan het omgaan met tijdelijke omgevingsvergunningen, het intrekken van omgevingsvergunningen de relatie met de Wet Basisregistraties Adressen en Gebouwen. Daarnaast wordt nog aandacht besteed aan gebiedsgericht toezicht, toezicht kwaliteit bestaande bouw en thematisch toezicht. 3.Missie, visie en uitgangspunten 3.1.Inleiding De inhoud van het Wabobeleidsplan wordt gestuurd door de missie, visie en uitgangspunten. Zij bepalen de strategie en het beleid hoe de activiteiten, die vallen onder de Wabo, worden benaderd. In de volgende paragrafen worden de relevante bouwstenen op een rij gezet. 3.2.Profielschets gemeente De gemeente Winterswijk heeft een oppervlakte van 13.881 ha, waarvan het grootste gedeelte, namelijk ruim 13.100 ha, ligt in het buitengebied ligt. Winterswijk is één van de twintig Nationale Landschappen die Nederland rijk is. Nationale landschappen zijn echte Nederlandse landschappen. Het Nationaal Landschap Winterswijk kenmerkt zich door het prachtige coulissenlandschap, met zijn kleine percelen en grote afwisseling van akkers, weilanden, restanten hoogveen en lapjes bos. Naast het landschap zijn ook de aanwezige historische gebouwen belangrijk, zoals de vele boerderijen, watermolens en molens. De gemeentegrenzen raken voor een zeer groot deel Duitsland. Winterswijk heeft een centrumfunctie voor omliggende gemeenten als gekeken wordt naar de voorzieningen. In Winterswijk zijn ongeveer 1.640 bedrijven gevestigd. De werkgelegenheid wordt in belangrijke mate bepaald door industriële bedrijven. Maar ook sectoren als dienstverlening, zorg, recreatie en toerisme nemen een steeds belangrijkere plaats in. Ondanks de dalende werkgelegenheid vormt ook de agrarische sector een belangrijk deel van de beroepsbevolking. De gemeente heeft circa 29.000 inwoners. In de kern Winterswijk wonen circa 23.500 inwoners. Naast de kern Winterswijk kent de gemeente negen buurtschappen: Brinkheurne, Corle, Henxel, Huppel, Kotten, Meddo, Miste, Ratum en Woold. Meddo met circa 1.400 inwoners is de grootste buurtschap (dorp). Brinkheurne, Corle en Henxel zijn de kleinste buurtschappen met circa 275 inwoners. 3.3.Risico’s en adequaat niveau Ten behoeve van het opstellen van het Wabobeleidsplan is een missie en visie ontwikkeld voor de taken op het gebied van fysieke omgeving. Essentieel hierbij is dat de inzet van de gemeente plaatsvindt op basis van risicomanagement. Op hoofdlijnen kunnen de volgende algemene risico’s worden onderscheiden: Fysieke onveiligheid leidend tot letsel en dood, omdat bijvoorbeeld sprake is van constructief en brandonveilige situaties. Gevaar voor de gezondheid omdat sprake is van een slecht binnenklimaat van bouwwerken of het verwijderen van asbest. Aantasting van de kwaliteiten van de leefomgeving omdat de inpassing van bouwwerken in hun omgeving niet of onvoldoende bijdraagt aan een prettige en duurzame omgeving, houtopstanden worden gekapt, bedrijfsactiviteiten onveilig of niet duurzaam worden geëxploiteerd en invloed hebben op water, lucht, bodem e.d.. Aantasting van de sociale kwaliteit van het leven tot uiting komend in bijvoorbeeld gevoelens van onveiligheid (onder meer brandonveilig gebruik, verkeersonveilige situaties) en het uitsluiten van doelgroepen van maatschappelijke activiteiten door ontoegankelijke bouwwerken. De zojuist genoemde risico’s hebben als zij ontstaan bepaalde neveneffecten, die niet uit het oog mogen worden verloren. De belangrijkste neveneffecten zijn: Externe financiële schade: de gemeenschap wordt geconfronteerd met extra uitgaven ten gevolge van bijvoorbeeld een calamiteit. Deze kosten kunnen zowel een collectief als individueel karakter hebben. Maatschappelijke onrust: op verschillende geografische schaalniveaus kan onrust ontstaan wanneer niet adequaat wordt gehandeld; bijvoorbeeld ten gevolge van onveiligheid rond bouw- en sloopterreinen, het instorten van balkons, schade aan belendingen. Aantasting van het bestuurlijk imago: de betrouwbaarheid, daadkracht, integriteit van de overheid wordt in twijfel getrokken wanneer incidenten of calamiteiten zich voordoen. Er wordt vaak snel naar de gemeente gewezen als boosdoener. Het bestuur kan hierop worden afgerekend. Procesrisico’s: onjuiste uitvoering van werkzaamheden kan leiden tot bijvoorbeeld vergunningen van rechtswege, bezwaren, schadeclaims, ontevreden klanten, onjuist afgegeven vergunningen. 3.4.Missie en doelstellingen De missie, die achter het Wabobeleidsplan ligt en als een rode draad door dit beleidsplan heenloopt is afgeleid van het coalitieprogramma 2010-2014 ‘Met minder naar meer’ en de toekomstvisie Winterswijk. De missie kan worden omschreven als “het leveren van een bijdrage aan de kwaliteit van het leefmilieu c.q. de leefomgeving”. De primaire aanknopingspunten zijn daarbij voor vergunningverlening, inspectie, toezicht en handhaving fysieke omgeving de begrippen: Fysieke veiligheid: het leveren van een bijdrage aan veiligheid in het publieke en private domein. Gezondheid: het leveren van een bijdrage aan de gezondheid van mensen die verblijven in de gemeente. Ruimtelijke kwaliteit: het leveren van een bijdrage aan de bescherming en instandhouding van het kostbare buitengebied (Nationaal Landschap Winterswijk) en de kwaliteit en aantrekkelijkheid van de bebouwde kom; ruimtelijke kwaliteit moet in dit kader breed worden opgevat als kwaliteit van de directe omgeving. Milieukwaliteit: het leveren van een bijdrage aan een zodanige uitvoering van maatschappelijke activiteiten dat zij zo min mogelijk belastend zijn voor bodem, water, lucht en andere natuurlijke hulpbronnen. Deze begrippen vormen voor de afdeling VROM het fundament i.c. de kern. Hier draait het iedere dag om. De keuze voor deze begrippen betekent automatisch een keuze om andere begrippen niet als vertrekpunt te nemen. Hierbij moet gedacht worden aan bijvoorbeeld duurzaamheid. Dit begrip is in principe ook belangrijk, maar is door de bezuinigingsmodus waarin de gemeente zich bevindt een stap te ver. In de onderstaande tabel is een koppeling gelegd tussen de activiteiten, die vallen onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en in het Wabobeleidsplan zijn uitgewerkt, en de begrippen die het maatschappelijk rendement weergeven. ACTIVITEIT 1 2 3 4 (Ver)bouwen van een bouwwerk X X X X Uitvoeren van een werk X X Strijdig gebruik planologische regels X X X X Brandveilig gebruik van een bouwwerk X X X Exploiteren van een milieu-inrichting X X X X Wijzigen van een monument X Slopen op basis van planologische regels X Slopen van een bouwwerk X X X X Vellen van houtopstand X X Aanbrengen of voeren van handelsreclame X De vier begrippen zijn de pijlers onder het Wabobeleidsplan en kunnen concreet worden vertaald naar de omgevingsdoelstellingen in relatie tot de activiteiten genoemd in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Per activiteit vindt uitsluitend een uitwerking plaats. 3.4.1.Activiteit (ver)bouwen van een bouwwerk In de onderstaande tabel zijn de centrale begrippen voor de missie en visie vertaald naar de activiteit (ver)bouwen van een bouwwerk: Begrip Beoogd effect Fysieke veiligheid Voorkomen van (
- a)instortingen, (
- b)brandgevaarlijke situatie en (
- c)gebruiksonveilige situaties Gezondheid Voorkomen ongezond binnenklimaat Ruimtelijke kwaliteit Voorkomen (
- a)verkeerd geplaatste en ontsierende bouwwerken, (
- b)inbraakgevoelige bouwwerken, (
- c)ontoegankelijke bouwwerken, (
- d)bouwwerken die niet zijn afgestemd op hun functie en (
- e)onveilige situaties, hinder en overlast (geluid, trillingen, verkeer) in directe omgeving van bouwwerkzaamheden Milieukwaliteit Voorkomen veel energie verbruikende bouwwerken Als activiteit specifieke doelstelling wordt geformuleerd: het toezien dat bouwwerken op de juiste plek worden gerealiseerd, voldoen aan redelijke eisen van welstand en veilig zijn. Bouwwerken waar langere tijd mensen verblijven moet ook gezond, bruikbaar en energiezuinig zijn. 3.4.2.Activiteit uitvoeren van een werk In de onderstaande tabel zijn de centrale begrippen voor de missie en visie vertaald naar de activiteit uitvoeren van een werk. Begrip Beoogd effect Fysieke veiligheid - Gezondheid - Ruimtelijke kwaliteit Voorkomen aantasting landschappelijke en cultuurhistorische waarden Milieukwaliteit Voorkomen aantasting natuurwaarden Als activiteit specifieke doelstelling wordt geformuleerd: het toezien dat de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden niet onnodig worden aangetast. 3.4.3.Activiteit strijdig gebruik in relatie tot planologische regels In de onderstaande tabel zijn de centrale begrippen voor de missie en visie vertaald naar de activiteit uitvoeren van een werk. Begrip Beoogd effect Fysieke veiligheid Voorkomen dood en letsel door externe onveiligheid (besluit externe veiligheid) Gezondheid Voorkomen schade aan gezondheid door schadelijke invloeden van nabijgelegen gebruiksfuncties Ruimtelijke kwaliteit Voorkomen hinder en overlast omgeving door verschillende gebruiksfuncties Milieukwaliteit Voorkomen te hoge geluids- en geurbelasting Als activiteit specifieke doelstelling wordt geformuleerd: het toezien dat bouwwerken en gronden zodanig worden gebruikt dat zij zo min mogelijk belastend zijn voor hun omgeving. 3.4.4.Activiteit brandveilig gebruik van bouwwerken In de onderstaande tabel zijn de centrale begrippen voor de missie en visie vertaald naar de activiteit brandveilig gebruik van bouwwerken. Begrip Beoogd effect Fysieke veiligheid Voorkomen dood en letsel door brandgevaarlijk gebruik van bouwwerken Gezondheid Voorkomen aantasting gezondheid door vervuiling van de leefomgeving bij brand (asbest) Ruimtelijke kwaliteit - Milieukwaliteit Voorkomen aantasting landschappelijke en natuurwaarden bij brand: water, lucht en bodem Als activiteit specifieke doelstelling wordt geformuleerd: het toezien dat het gebruik van bouwwerken niet leidt tot brandonveilige situaties en branden zo min mogelijk belastend zijn voor hun omgeving. 3.4.5.Activiteit exploiteren milieu-inrichting In de onderstaande tabel zijn de centrale begrippen voor de missie en visie vertaald naar de activiteit exploiteren milieu-inrichting. Begrip Beoogd effect Fysieke veiligheid Voorkomen van gaswolken, ontploffingen en brandgevaarlijke situaties (externe onveiligheid) Gezondheid Voorkomen schade aan gezondheid door schadelijke stoffen Ruimtelijke kwaliteit Voorkomen hinder en overlast omgeving: geluid, trillingen, stof, geur Milieukwaliteit Voorkomen (
- a)aantasting natuurwaarden: kwaliteit van bodem, water, lucht en (
- b)verspilling van energiebronnen Als activiteit specifieke doelstelling wordt geformuleerd: het toezien dat activiteiten zodanig plaatsvinden dat zij zo min mogelijk belastend zijn voor hun omgeving. 3.4.6.Activiteit wijzigen van een monument In de onderstaande tabel zijn de centrale begrippen voor de missie en visie vertaald naar de activiteit wijzigingen van een monument. Begrip Beoogd effect Fysieke veiligheid - Gezondheid - Ruimtelijke kwaliteit Voorkomen aantasting cultuurhistorische waarden Milieukwaliteit - Als activiteit specifieke doelstelling wordt geformuleerd: het toezien dat cultuurhistorische waarden niet onnodig worden aangetast. 3.4.7.Activiteit slopen op basis van planologische regels In de onderstaande tabel zijn de centrale begrippen voor de missie en visie vertaald naar de activiteit slopen op basis van planologische regels. Begrip Beoogd effect Fysieke veiligheid - Gezondheid - Ruimtelijke kwaliteit Voorkomen dat open ‘gaten’ in gebieden ontstaan die afbreuk doen aan het straatbeeld. Milieukwaliteit - Als activiteit specifieke doelstelling wordt geformuleerd: het toezien dat na slopen ook weer gebouwd zal gaan worden om het straatbeeld niet te verstoren. 3.4.8.Activiteit slopen van een bouwwerk In de onderstaande tabel zijn de centrale begrippen voor de missie en visie vertaald naar de activiteit slopen van een bouwwerk. Begrip Beoogd effect Fysieke veiligheid Voorkomen instortingen en gebruiksonveilige situaties Gezondheid Voorkomen onjuist omgaan met asbest en andere schadelijke stoffen Ruimtelijke kwaliteit Voorkomen onveilige situaties, hinder en overlast (geluid, trillingen, stof, geur, verkeer) in directe omgeving van sloopwerkzaamheden Milieukwaliteit Voorkomen bodemvervuiling c.q. onjuiste afvoer/verwerkening van afvalstoffen Als activiteit specifieke doelstelling wordt geformuleerd: het toezien dat sloopwerkzaamheden veilig verlopen in relatie tot de directe omgeving en gevaarlijke stoffen (zoals asbest). 3.4.9.Activiteit vellen van houtopstand In de onderstaande tabel zijn de centrale begrippen voor de missie en visie vertaald naar de activiteit vellen van houtopstand. Begrip Beoogd effect Fysieke veiligheid - Gezondheid - Ruimtelijke kwaliteit Voorkomen aantasting landschappelijke waarden Milieukwaliteit Voorkomen aantasting natuurwaarden Als activiteit specifieke doelstelling wordt geformuleerd: het toezien dat houtopstanden met landschappelijke en natuurwaarden niet onnodig worden geveld. 3.4.10Activiteit aanbrengen of voeren van handelsreclame In de onderstaande tabel zijn de centrale begrippen voor de missie en visie vertaald naar de activiteit aanbrengen of voeren van handelsreclame. Begrip Beoogd effect Fysieke veiligheid - Gezondheid - Ruimtelijke kwaliteit Voorkomen (
- a)hinder en overlast omgeving door lichtreclames en (
- b)ontsierende bouwwerken Milieukwaliteit - Als activiteit specifieke doelstelling wordt geformuleerd: het toezien dat reclameobjecten zo min mogelijk hinder en overlast veroorzaken en afbreuk doen aan het straatbeeld. 3.5.Uitgangspunten Aan het Wabobeleidsplan ligt een aantal uitgangspunten ten grondslag, die te maken hebben met de wijze waarop de gemeente de doelstellingen wil realiseren. Deels zijn deze afgeleid van de toekomstvisie Winterswijk. De primaire verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van bouwwerken en activiteiten ligt bij de burgers, bedrijven en instanties dan wel de partijen die namens hen optreden: “De inwoners van Winterswijk nemen zelf hun verantwoordelijkheid als het om veiligheid en leefbaarheid gaat”. De gemeente Winterswijk beziet of die verantwoordelijkheid voldoende wordt genomen en onderneemt acties op basis van ingeschat risico en wettelijke voorschriften: “De gemeente handhaaft op basis van een risicoanalyse op wijk- of gebiedsniveau”. De gemeente Winterswijk heeft een vangnetfunctie op het gebied van Wabo. De vangnetfunctie heeft een publiekrechtelijk karakter. De vangnetfunctie is gekoppeld aan kernbepalingen; onderdelen van wet- en regelgeving met een groot maatschappelijk belang. Deze kernbepalingen zijn bij de aannemelijkheidstoets leidend. De gemeente Winterswijk ziet hierop consequent, onafhankelijk en objectief toe: “De gemeente heeft toezichthouders en buitengewoon opsporingsambtenaren in dienst die toezicht houden in de wijken en gebieden.” De kernbepalingen hebben vooral betrekking op de pijlers / facetten zoals in de vorige paragraaf genoemd. De gemeente Winterswijk hanteert bij het vorm en inhoud geven van de vangnetfunctie de zogenaamde “aanpak aan de voorkant”. Dat wil zeggen dat burgers, bedrijven en instanties direct worden aangesproken op de geleverde kwaliteit. Communicatie, mediation en samenwerking speelt daarbij een zeer centrale rol. Er is sprake van een proactieve en preventieve benadering die probeert te voorkomen dat zaken achteraf tegen hoge kosten voor burgers, bedrijven en instanties en gemeente Winterswijk moeten worden rechtgezet. 4.Begrippen- en beleidskader 4.1.Begrippenkader In het Wabobeleidsplan worden de volgende begrippen gehanteerd: Vergunningverlening heeft betrekking op het in behandeling nemen van een vergunningsaanvraag, het beoordelen van deze aanvraag en het nemen van een beslissing op de aanvraag in de vorm van een beschikking. Onder vergunningsaanvraag wordt, ondanks het feit dat de procedures en werkprocessen anders zijn, ook een melding verstaan. Onder toezicht worden verstaan: Vergunninggerelateerde controles in de realisatiefase (zoals bij slopen, bouwen, kappen) en in de beheer- of gebruiksfase (zoals bij het exploiteren van een milieu-inrichting en brandveiliggebruik van bouwwerken). Controles op het uitvoeren van activiteiten zonder vergunning of melding naar aanleiding van eigen waarnemingen, klachten en meldingen. Tevens valt hier het controle op thema’s plaats. Als in het kader van handhaving controles moeten worden uitgevoerd vallen deze ook onder het begrip toezicht. Handhaving is de (bestuurlijke) oordeelsvorming over bevindingen tijdens toezicht en het – waar nodig en bestuurlijk wenselijk geacht – plegen van interventies (maatregelen en sancties) met formeel juridische instrumenten, zoals het toepassen van bestuursdwang, het opleggen van dwangsommen of het intrekken van een vergunning. Aannemelijkheidstoets is de toets waaruit blijkt dat waarschijnlijk wordt voldaan aan wet- en regelgeving. De systematiek is als volgt: het is de taak van de aanvrager om aannemelijk te maken dat één en ander aan wet- en regelgeving voldoet. Het is de taak van de gemeente om op basis van beleid selectief na te gaan of dit ook zo is. Kernbepalingen zijn onderdelen van wet- en regelgeving die een zodanig afbreukrisico hebben dat zij kunnen leiden tot maatschappelijk onacceptabele risico’s en hierdoor het speerpunt van de gemeente zijn bij het uitvoeren van de aannemelijkheidstoets. De kernbepalingen zijn gekoppeld aan de in het vorige hoofdstuk genoemde vier pijlers. 4.2.Beleidskader Het Wabobeleidsplan gaat uit van verschillende lokale beleidskaders, die ontwikkeld zijn of in ontwikkeling zijn. Deze kaders worden voor zover aanwezig genoemd, met elkaar in verband gebracht en samengevat. Het is niet de bedoeling van het Wabobeleidsplan om deze kaders integraal over te nemen of ze te vervangen. 4.3.Wijziging wet- en regelgeving Wet- en regelgeving ten aanzien van activiteiten in de fysieke omgeving is continu in beweging. Zoals reeds aangegeven is per 1 oktober 2010 de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Per 1 april jl. is het Bouwbesluit gewijzigd. Onderdelen van de gemeentelijke bouwverordening zijn in het Bouwbesluit opgenomen. Ook het Gebruiksbesluit (voor brandveilig gebruik van bouwwerken) is in het Bouwbesluit geïntegreerd. Het Wabobeleidsplan neemt de stand van zaken van wet- en regelgeving en beleid per 1 mei 2012 als vertrekpunt. De komende jaren zullen meer wijzigingen plaatsvinden, bijvoorbeeld door de invoering van de Omgevingswet. Mogelijke consequenties van deze wijzigingen in wet- en regelgeving zullen bij de jaarlijkse evaluaties van het Wabobeleidsplan betrokken worden. 4.4.Nalevingsstrategie als leidraad Het Wabobeleidsplan volgt de diverse onderdelen die behoren bij de zogenaamde nalevingsstrategie. In de nalevingsstrategie wordt aangegeven met welke instrumenten de gemeente de naleving van wet- en regelgeving wil bereiken en de rol die handhaving – in de breedste zin des woords - daarin speelt. De nalevingssstrategie richt zich enerzijds op het reduceren van risico’s die kunnen voortkomen uit het niet naleven van voorschriften en anderzijds op het stimuleren van naleving. De reductie van risico’s vindt voornamelijk plaats door het houden van controle op de naleving van hetgeen in vergunning, melding en wet- en regelgeving is voorgeschreven. De gemeente heeft taak normconform gedrag te bewerkstelligen. Dit wordt ook bereikt door het inzetten van andere instrumenten, niet zijnde controle. Bijvoorbeeld door het geven van advies, samenwerken met andere partijen, voorlichting en het stimuleren van het treffen van maatregelen. Bij constateringen van afwijkingen van de gestelde norm zal het handelen van de gemeente in eerste instantie gericht zijn op het herstel of het bereiken van de gewenste situatie door (dreigen met) het opleggen van sancties in bestuursrechtelijke zin, zonodig geflankeerd door een strafrechtelijke traject. Daarnaast bestaat in een beperkt aantal gevallen, de mogelijkheid om de betreffende situatie voor een bepaalde termijn te gedogen. De nalevingsstrategie omvat de volgende strategieën: Een preventiestrategie. Een toetsstrategie. Een toezichtstrategie. Een klachtmeldingenstrategie. Een sanctiestrategie. Een gedoogstrategie. In het volgende deel, het beleidsdeel, worden deze strategieën uiteengezet en uitgewerkt. Er wordt gestart met de uitwerking van de vergunningverlening. Dit onderdeel start met een de beschrijving van een algemene preventie- en toetsstrategie, waarna de toetsstrategie voor de verschillende activiteiten vallend onder de Wabo wordt uitgewerkt. Na de vergunningverlening wordt het toezicht opgepakt. De opzet is gelijk aan die van vergunningverlening. Er wordt gestart met de beschrijving van een algemene preventie- en toezichtstrategie, waarna de toezichtstrategie voor de verschillende activiteiten vallend onder de Wabo wordt uitgewerkt. Het derde onderdeel van het beleidsdeel bespreekt een aantal specifieke onderwerpen, namelijk de strategieën voor het omgaan met tijdelijke omgevingsvergunningen, het intrekken van omgevingsvergunningen en het actueel houden van basisregistraties. Het laatste onderdeel van het beleidsdeel pakt de daadwerkelijke handhaving op en bespreekt de klachtmeldingenstrategie, de sanctie- en gedoogstrategie. Deel2:Beleid Onderdeel vergunningverleningIn het beleidsdeel wordt voor de activiteiten, vallend onder de Wabo, het beleid uitgewerkt. Het beleid heeft betrekking op de wijze waarop de gemeente vorm en inhoud geeft aan de aannemelijkheidstoets. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen vergunningverlening, toezicht en handhaving. De uitwerking van het beleid vindt steeds op dezelfde wijze plaats. Per activiteit of onderdeel daarvan wordt de volgende opbouw van de uitwerking aangehouden: Inleiding: toelichting op basis van het hoe en waarom van een taak of product. Centrale vraag: vraag die het Wabobeleidsplan moet beantwoorden. Strategie: uitgangspunten voor het beleid én de uitwerking van de factoren op basis waarvan keuzen worden gemaakt. 1.Preventiestrategie De gemeente Winterswijk hanteert, zoals aangegeven bij de uitgangspunten, de zogenaamde “aanpak aan de voorkant”. Deze aanpak komt sterk naar voren bij de vergunningverlening. De gemeente stimuleert potentiele aanvragers actief om na te gaan of aanvragen of meldingen nodig zijn en ten behoeve van de afhandeling te komen tot goed uitgewerkte aanvragen. Dit doet zij op twee manieren, namelijk via: Voorlichting en informatievoorziening, bijvoorbeeld in de vorm van loket en de website. Vooroverleg in de vorm van principe verzoeken, schetsplannen en concept aanvragen. Het overleg stelt een potentiele aanvrager in de gelegenheid om de haalbaarheid van een initiatief na te gaan zonder veel kosten te maken en het plan tot in detail uit te werken. 2.Toetsstrategie De toetsstrategie geeft op hoofdlijnen aan op welke wijze de gemeente vergunningsaanvragen en meldingen beoordeelt. Voor de meeste activiteiten vallend onder de Wabo heeft een risicoanalyse op basis van het werkaanbod plaatsgevonden. De risicoanalyse heeft in het algemeen plaatsgevonden door vergunningsaanvragen en meldingen in logische categorieën te verdelen en deze te koppelen aan thema’s waarop volgens wet- en regelgeving de gemeente moet beoordelen. Per categorie per thema is nagegaan wat het risico is. Dit risico is vertaald naar de wijze van beoordelen. Hierbij zijn in wezen twee invalshoeken te onderscheiden, namelijk het hanteren van werkniveaus en het hanteren van een indeling van bedrijven / inrichtingen die wel of niet speciale aandacht krijgen. De eerste invalshoek heeft betrekking op aanvragen voor zogenaamde aflopende activiteiten als bouwen, slopen en uitvoeren van een werk. De vergunning wordt aangevraagd en afgegeven, hierna vindt de uitvoering plaats en de activiteit is gereed. Er is geen sprake van een beheer- of gebruiksfase. Voor het beoordelen van aanvragen aan de thema’s in wet- en regelgeving worden afhankelijk van de risico’s verschillende werkniveaus gehanteerd. De werkniveaus geven de mate van diepgang aan waarop wordt beoordeeld. Deze methodiek is overgenomen van het project Collectieve Kwaliteitsnormering Bouwvergunningen dat enkele jaren geleden door de grotere gemeenten in Nederland is geïnitieerd. Beoordeling kan plaatsvinden op de volgende niveaus: Niveau Werkniveau Omschrijving 4 Integraal Controle door alle onderdelen diepgaand na te rekenen of meten 3 Representatief Controle door aantal representatieve onderdelen van een tekening en / of berekening rekenkundig te controleren 2 Beperkt Controle of uitgangspunten uit tekeningen / berekeningen zijn te halen door maten of meten, controle andere specificaties of controle rekenmethode 1 Marginaal Controle op aanwezigheid tekeningen / berekeningen en controle op eventuele gebreken, dat wil zeggen (
- a)als er niets op tekening staat dan geen verdere controle , (
- b)als er wel zaken op tekening staan, maar maten of andere specificaties ontbreken dan beoordeling op niveau 1, (
- c)als er wel maten of specificaties op tekening staan dan op niveau 2, omdat maten en specificaties op tekening altijd moeten kloppen 0 Geen Het onderdeel is volgens wet- en regelgeving niet relevant of wordt niet beoordeeld Het werkniveau marginaal vraagt om een toelichting. Voor de meeste activiteiten kan worden volstaan met het gedeelte ‘controle op aanwezigheid tekeningen / berekeningen en controle op eventuele gebreken’. De toevoeging heeft alleen betrekking op de activiteit (ver)bouwen. Deze achtergrond is terug te voeren op de discussie in de landelijke politiek bij de wijziging van de Woningwet in 2007. Toen is besloten dat een vergunning voorgaat op algemene regels zoals vastgelegd in bijvoorbeeld het Bouwbesluit. Concreet betekent dit dat als van een thema niets op tekening staat er altijd achteraf tijdens de uitvoering kan worden gehandhaafd op het niveau genoemd in wet- en regelgeving. Dat geldt niet voor als in een vergunningsaanvraag een thema onjuist is uitgewerkt en dit niet wordt gecorrigeerd voor de uiteindelijke vergunning. Handhaving op het niveau genoemd in wet- en regelgeving is dan niet meer mogelijk. Om dit te voorkomen is voor de activiteit (ver)bouwen het werkniveau marginaal enigszins aangepast. Het werkniveau van toetsing dat in het uitvoeringsprogramma wordt vastgelegd, betreft het aanvangsniveau. Het principe dat is gekoppeld aan de werkniveaus is het principe van ‘opbouwen van vertrouwen’. De gemeente inventariseert bij een aangegeven thema de risico-elementen en gaat hierbij na wat van een plan de cruciale secties zijn. Voorbeelden van secties bij (ver)bouwen zijn een bouwlaag, een woningtype, een gebouwvleugel, een trappenhuis, een galerij of een specifieke ruimte. Bij werkniveau 4 vindt een 100% toets plaats, bij de andere niveaus niet. Het betreft dan een gedeeltelijke toets. Bij de werkniveaus 1 t/m 3 wordt in het algemeen minimaal één vijfde van de elementen van de cruciale secties op het afgesproken werkniveau getoetst. Afhankelijk van het vertrouwen dat hieruit blijkt kan voor repeterende elementen het werkniveau worden verlaagd of verhoogd. Bijvoorbeeld thema daglicht: er wordt gekeken welke ruimten van een bouwplan het meest kritisch zijn ten aanzien van dit thema. Van deze ruimten wordt 20% beoordeeld op het aangegeven aanvangsniveau. Afhankelijk van de toetsresultaten wordt de toets vervolgd op een hoger of lager niveau. Aan het werkniveau kunnen aanvullende regels worden gekoppeld. In het algemeen betreft het dan regels ten aanzien van: Indieningvereisten: In de Regeling omgevingsrecht (Mor) wordt aangegeven welke bescheiden aanwezig moeten zijn op het moment van indiening van een aanvraag. De Mor biedt de ruimte voor het bevoegd gezag om bescheiden die niet nodig zijn voor de beoordeling van een aanvraag ook niet te vragen. Daarom wordt in relatie tot de aanwezige risico’s bepaald welke bescheiden wel en niet vereist zijn om te overleggen. Dit speelt vooral bij de activiteit (ver)bouwen. Nadere voorwaarden in de vergunning. Op basis van het werkniveau wordt geformuleerd dat uitwerking van de thema’s correct op de vergunningstekening moet plaatsvinden en dat voorwaarden niet mogelijk zijn. Indien de aanvrager onvoldoende aannemelijk maakt dat wordt voldaan aan wet- en regelgeving, wordt bij bepaalde werkniveaus gevraagd om tekeningen en berekeningen, voordat vergunningverlening plaatsvindt aan te passen. Hiervoor zal voor zover noodzakelijk het instrument van verdaging / verlenging van het besluit worden ingezet. Overdracht naar toezicht. Op basis van het werkniveau worden expliciet regels geformuleerd voor de overdracht van het dossier aan de toezichthouder. De tweede invalshoek heeft betrekking op activiteiten met een meer doorlopend karakter. Het zijn activiteiten, die ook een beheer- of gebruiksfase kennen. Het betreft dan vooral de activiteiten: exploiteren van een milieu-inrichting en het brandveilige gebruik van bouwwerken. Bij deze activiteiten wordt deels ook gewerkt met werkniveaus op basis van risico’s. Dit geldt voor inrichtingen brandveilig gebruik. Bij de milieu-inrichtingen is een toetsingskader ontwikkeld op basis van thema’s die betrekking hebben op milieuwinst. Per sbi-code / branche heeft een risicoanalyse plaatsgevonden. Deze is vertaald naar richtlijnen voor het hanteren van de verschillende type voorschriften bij vergunningen en meldingen. Hierdoor wordt het zichtbaar dat sbi-codes / branches afhankelijk van de te behalen milieuwinst meer of minder specifieke aandacht krijgen. De toetsstrategie wordt voor de verschillende activiteiten vallend onder Wabo in de volgende hoofdstukken uitgewerkt. 3.Activiteit (ver)bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1a, 2.10) 3.1.Algemeen Artikel 2.1. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) stelt dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het (ver)bouwen van een bouwwerk. Vervolgens stelt artikel 2.10: de omgevingsvergunning moet worden geweigerd indien het bouwen niet voldoet aan het Bouwbesluit, de gemeentelijke bouwverordening, het bestemmingsplan, de beheersverordening, algemene ruimtelijke regels die door de provincie of het Rijk zijn gesteld, redelijke eisen van welstand, een advies van de Commissie voor de tunnelveiligheid, of het exploitatieplan. InleidingHet (ver)bouwen van een bouwwerk is met andere woorden één van de activiteiten die valt onder de Wabo en waarvoor een omgevingsvergunning nodig is. Aanvragen voor deze activiteit worden naast de genoemde toetsingskaders beoordeeld op ontvankelijkheid. Op grond van artikel 2.1 van de Wabo is het verboden om te bouwen zonder vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning). Hierop is echter een aantal uitzonderingen van toepassing. Deze staan genoemd in het Besluit omgevingsrecht (Bor). In dit hoofdstuk wordt uitgegaan van vergunningplichtige bouwwerken. De toetsingskaders voor aanvragen voor het (ver)bouwen van een bouwwerk liggen vooraf vast. Ten aanzien van bepaalde kaders kunnen keuzen worden gemaakt in de mate van detail van toetsing. Dit geldt in ieder geval niet voor het bestemmingsplan en de redelijke eisen van welstand (welstandsnota). Toetsing vindt altijd in detail aan deze kaders plaats. Er is het kader van het Wabobeleidsplan niet voor gekozen om bijvoorbeeld de toets aan het bestemmingsplan voor bepaalde type bouwwerken uit te sluiten of de welstandstoets over te slaan of minder diepgaand te doen. Wanneer hierover ideeën of suggesties bestaan zullen deze toetsingskaders moeten worden aangepast. Ten aanzien van de technische voorschriften is eveneens een formeel kader aanwezig in de vorm van het Bouwbesluit. Het is echter onmogelijk om 100% aan deze kaders te toetsen. Vanuit de gedachte van de aannemelijkheidstoets is dit ook niet noodzakelijk. Voor de technische toetsing van aanvragen voor het (ver)bouwen van een bouwwerk is het daarom noodzakelijk tot een lokaal toetsingskader te komen dat aangeeft hoe de gemeente Winterswijk aannemelijk maakt of aan wet- en regelgeving wordt voldaan. Dit toetsingskader komt tot stand door de volgende vragen te beantwoorden: Centrale vragenWelke bouwwerken worden met welke diepgang technisch beoordeeld? Hoe wordt omgegaan met de toets van het constructieve hoofdprincipe bij de aanvraag om vergunning? Hoe worden deelgoedkeuringen beoordeeld? Hoe wordt omgegaan met de toets van omgevingsveiligheid? 3.2.Technische beoordeling StrategieLandelijk is reeds over het beantwoorden van de eerste vraag nagedacht en wel in de vorm van het project Collectieve Kwaliteitsnormering Bouwvergunning (CKB). Dit project is een initiatief geweest van de afdelingen bouw- en woningtoezicht van zevenentwintig grote gemeenten, voorheen verenigd in het Platform Bouw en Woningtoezicht Grote Gemeenten, en nu onderdeel vormend van de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland. Onder het motto ‘100% toetsen kunnen we niet’ hebben deze gemeenten een systeem ontwikkeld dat laat zien hoe en wat er wel getoetst wordt. Dit project sluit aan bij de visie van de gemeente Winterswijk op het beoordelen van een aanvraag voor het (ver)bouwen van een bouwwerk. Het Wabobeleidsplan maakt dan ook gebruik van onderdelen van de ontwikkelde methodiek, en wel als volgt: In het Wabobeleidsplan wordt ook gewerkt met een bouwwerktypologie net zoals bij het CKB. Het CKB kent 32 categorieën, het Wabobeleidsplan slechts negen. Door minder categorieën te gebruiken kan een duidelijker beleid worden geformuleerd. De verschillen in risico’s en het rendement van gemeentelijk handelen zijn per categorie duidelijker in beeld te brengen. Het Wabobeleidsplan neemt de thema’s en werkniveaus van het CKB grotendeels over. Het Wabobeleidsplan voegt een risicoanalyse toe aan de methodiek van het CKB om afgewogen keuzen te kunnen maken. Het Wabobeleidsplan neemt ook de factor locatie als een invalshoek voor het beleid. Deze ontbreekt in het CKB. BouwwerktypologieDe intensiteit van toetsing wordt allereerst afhankelijk gesteld van het type bouwwerk. Het type bouwwerk is zowel voor de toetsing als het toezicht een zeer belangrijk vertrekpunt. Immers een tuinhuisje vraagt bijvoorbeeld een andere benadering dan een appartementengebouw. Op basis van de samenstelling van de bouwstroom in de gemeente Winterswijk, de risico’s die aan bepaalde type bouwwerken zijn verbonden en het kwaliteitsbeeld dat van toepassing is op bepaalde type bouwwerken is gekozen voor de indeling zoals weergegeven in tabel A. Per type bouwwerk is apart beleid geformuleerd ten aanzien van de technische toetsing van de aanvraag omgevingsvergunning. Thema’s wet- en regelgevingDe intensiteit van toetsing wordt ook afhankelijk gesteld van de onderdelen van het bouwwerk ( thema’s uit wet- en regelgeving), die in het geding zijn. In tabel B zijn de thema’s weergegeven. In combinatie met vooral het type bouwwerk wordt de mate van belangrijkheid van de verschillende thema’s beoordeeld. De thema’s zijn afkomstig uit de Woningwet en bijbehorende wet- en regelgeving zoals bestemmingsplannen, welstandsnota en Bouwbesluit. Betrokken partijenBij (ver)bouwen zijn verschillende partijen betrokken: van particulier tot professionele bouwer. De dagelijkse praktijk laat zien dat er grote kwaliteitsverschillen zijn in enerzijds presentatie en uitwerking van tekeningen / berekeningen en anderzijds in de uitvoering van werkzaamheden. De zorgplicht zou hierop kunnen worden afgestemd. In het onderhavige beleid is dat niet gebeurd. Het standpunt is ingenomen dat aanvragen ongeacht kwaliteit van de betrokken partijen aan een bepaald kwaliteitsniveau moeten voldoen. De kwaliteit van de betrokken partijen wordt pas een factor van belang geacht zodra sprake is van certificering. WerkniveausDe intensiteit of zwaarte van toetsing wordt afhankelijk gesteld van ingeschatte risico’s (thema naar type bouwwerk). Het beleid bestaat uit overeenstemming over de diepgang waarop werkzaamheden uitgevoerd moeten worden. Er wordt gewerkt met vooraf gedefinieerde werkniveaus, zoals in hoofdstuk2 van dit deel besproken. A. NAAM TYPE / CATEGORIE OMSCHRIJVING VOORBEELDEN GEBRUIKSFUNCTIES 1 Kleine bouwwerken • Bijgebouwen ondergeschikt aan functie zonder langdurig verblijf van mensen • Bouwwerken geen gebouw zijnde van ondergeschikt belang • Geen funderingen of constructieve aanpassingen van bestaand gebouw • Overspanning maximaal 3 meter Schuur, tuinhuis, carport, vrijstaande garage dierenverblijf, kozijnvervanging, fietsenstalling, Schutting, antenne, trafohuisje, straatmeubilair, klein reclameobject, vlaggenmast, informatiezuil, zonnescherm, vuilcontainer, paardenbak, zeecontainer Divers 2 Aan-, uit- en bijgebouwen bij woonfunctie • Met langdurig verblijf van mensen en / of • Constructieve aspecten Erker, serre, dakopbouw, dakkapel, aan- en uitbouwen, aangebouwde garage, gevelverandering, interne verbouwing, privé zwembad, kelder, balkon, dakterras, entree Wonen 3 Nieuw- en overige verbouw grondgebonden woningen Zowel individueel als projectmatig Vrijstaande, twee-onder-één kap- en rijtjeswoningen, vakantiehuis, boerderij, woonwagen, tijdelijke woonunit, aan- en bijgebouwen met mantelzorg Wonen 4 Nieuw- en overige verbouw woon-, cel- en logiesgebouw • Gestapelde woningbouw of • Utiliteitsbouw waar geslapen worden of • Utiliteitsbouw met voorzieningen voor niet zelf redzame personen Appartementencomplex, hotel, bejaardentehuis, kinderdagverblijf, bed & breakfast, huisvesting seizoenarbeiders Wonen, logies, cel, bijeenkomst 5 Aan-, uit- en bijgebouwen bij andere functies • Een bouwlaag • Van ondergeschikt belang • Maximaal 2.500 m2 Aan- en uitbouwen, bijgebouwen, gevelverandering, interne verbouwing, kelder, entree Divers 6 Nieuw- en overige verbouw industrie zonder langdurig verblijf mensen Veestal, machineberging, silo, kas, dierenverblijven, loods Lichte industrie 7 Nieuw- en overige verbouw industrie met langdurig verblijf mensen Werkplaats, fabriek Lichte industrie, industrie 8 Nieuw- en overige verbouw kantoren en publiektoegankelijke gebouwen Politiebureau, gemeentekantoor, brandweerkazerne, winkel, buurtcentrum, horeca, sporthal, bibliotheek, kerk, postkantoor, gezondheidscentrum, parkeergarage, showroom, multifunctioneel centrum, kantoor, school, kinderopvang Bijeenkomst, winkel, sport, gezondheidszorg, kantoor, onderwijs, overig 9 Nieuw- en overige verbouw grote bouwwerken geen gebouw zijnde • Bouwwerken met grote mate algemeen belang en / of • Constructief belang Brug, buitenzwembad, tribune, antennemast, luifel, geluidscherm, klokkentoren, tunnel, rioolgemaal Sport, overig B. THEMA TOELICHTING 1. Ruimtelijke inpassing Bebouw- en gebruikseisen bestemmingsplan met betrekking tot de planologische inpassing van bouwen en gebruiken. Aanvullende werking van stedenbouwkundige bepalingen uit de bouwverordening (bereikbaarheid bouwwerken, parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden). Andere aspecten die onder dit thema vallen zijn: verkeer, archeologie en aardkundige waarden. 2. Esthetische inpassing Redelijke eisen van welstand (welstandsnota) ten aanzien van uiterlijk, plaatsing op zichzelf en plaatsing ten opzichte van de omgeving. 3. Constructieve veiligheid Algemene sterkte van de constructie, sterkte bij brand en vloerafscheidingen. 4. Gebruiksveiligheid Overbrugging van hoogteverschillen, trappen, elektriciteit- en noodstroomvoorziening, verlichting, gasvoorziening en draairichting van ramen en deuren. Aansluitplicht elektriciteit en aardgas. 5. Brandveiligheid Ontstaan van brand, ontwikkeling en uitbreiding van brand, ontstaan en verspreiding van rook, vluchtroutes, bestrijding van brand, ontstaan en beperking van ongevallen. Bereikbaarheid van bouwwerken en brandblusvoorzieningen. Diverse installaties ten aanzien van brandmelding, ontruimingsalarm en vluchtrouteaanduidingen. 6. Sociale veiligheid Toegang tot bouwwerk en inbraakpreventie. 7, Geluid Bescherming tegen geluid van buiten, geluid van installaties, geluid tussen ruimten en galm. 8. Vocht Wering van vocht van buiten en binnen. 9. Afvalwater & riolering Afvoer van afvalwater, fecaliën en hemelwater. 10. Ventilatie Luchtverversing, spuivoorziening, afvoer van rook en toevoer van verbrandingslucht. 11. Beperking invloed schadelijke stoffen / dieren Toepassing schadelijke materialen en binnendringen schadelijke stoffen uit de grond. Bescherming tegen muizen en ratten. In dit programma wordt dit thema opgevat als aanlegdiepte. 12. Watervoorziening Drinkwater en warmwatervoorziening. Aansluiting op waterleidingnet. 13. Daglicht Toetreding van daglicht. 14. Toegankelijkheid Toegankelijkheid en bereikbaarheid voor rolstoelgebruikers, vrije doorgang, verkeersroutes, bereikbaarheid bouwwerken, bereikbaarheid gebouwen voor gehandicapten. 15. Ruimten Aanwezigheid en omvang van (gemeenschappelijke) ruimten in een gebouw. 16. Opstelplaatsen Aanwezigheid en plaats van aanrecht en waar (gemeenschappelijke) apparaten zoals kooktoestel en warmwatertoestel. 17. Energiezuinigheid Isolatie, luchtdoorlatendheid en andere (installatie)voorzieningen die de energieprestatie positief beïnvloeden. Risicoanalyse en conversie naar werkniveauDe risicoanalyse van bouwwerkcategorie per thema en de conversie van de uitkomsten naar het te hanteren werkniveau zijn terug te vinden in bijlage 1 en 2. BeleidOp basis van de zojuist genoemde beleidsonderdelen is per type bouwwerk de diepgang van toetsing bepaald. Deze zijn terug te vinden in de matrix / tabel op de volgende pagina. Uit de matrix blijkt dat de toetsing vooral wordt gedaan door na te gaan of uitgangspunten uit tekeningen en berekeningen zijn te halen en na te gaan of deze voldoen aan de gestelde eisen. Hierop zijn enkele uitzonderingen: Bij de thema’s constructieve veiligheid, brandveiligheid, ventilatie en energiezuinigheid wordt in enkele situaties direct op een hoger niveau getoetst. Bij de thema’s beperking van de invloed van schadelijke stoffen / dieren, vocht en watervoorziening wordt altijd een lager niveau van toetsing voorgestaan. Uit de toetsingsmatrix blijkt dat ten aanzien van het rendement bij het soort bouwwerk sprake is van een vier- of vijfdeling. De eerste categorie betreft de kleine bouwwerken indien vergunningplichtig. Gezien het beperkte risico vindt hier geen toetsing op het Bouwbesluit plaats. De tweede categorie bestaat uit de aan-, uit- en bijgebouwen. Thema’s aangaande veiligheid worden op niveau 2 getoetst, terwijl de andere technische thema’s op niveau 1 worden beoordeeld. Het meeste rendement is te realiseren bij de volgende type bouwwerken: Nieuwbouw van woningen. Nieuw- en overige verbouw van woon-, cel-, logiesgebouwen. Nieuw- en overige verbouw van kantoor- en publiekstoegankelijke gebouwen. Nieuw- en overige verbouw van industriegebouwen met langdurig verblijf van mensen. Het verschil tussen deze bouwwerkcategorieën is beperkt. Toetsing van de meeste thema’s vindt plaats op niveau 2 of hoger. Bij de overige type bouwwerken worden wat betreft toetsing minder thema’s (intensief) beoordeeld. Samengevat ontstaat het volgende beeld van de kernbepalingen: TYPE BOUWWERK KERNBEPALINGEN Kleine bouwwerken Geen Aan-, uit- en bijgebouwen bij alle functies Constructieve veiligheid, brandveiligheid, gebruiksveiligheid Nieuwbouw van woningen Nieuw- en grotere verbouw van woon-, cel-, logiesgebouwen. Nieuw- en grotere verbouw van kantoor- en publiekstoegankelijke gebouwen. Nieuw- en grote verbouw van industriegebouwen met langdurig verblijf van mensen. Constructieve veiligheid, brandveiligheid, gebruiksveiligheid, sociale veiligheid, geluid, afvalwater & riolering, ventilatie, daglicht, toegankelijkheid, ruimten, opstelplaatsen, energiezuinigheid Nieuw- en overige verbouw industrie zonder langdurig verblijf mensen Constructieve veiligheid, brandveiligheid, afvalwater & riolering Nieuw- en overige verbouw grote bouwwerken geen gebouw zijnde Constructieve veiligheid, gebruiksveiligheid, brandveiligheid, afvalwater & riolering, ventilatie ruimten CertificeringDe toetsing aan de technische voorschriften van het Bouwbesluit kan ook plaatsvinden door externe partijen volgens een beoordelingsrichtlijn (BRL/BN 5019). Dit is de zogenaamde gecertificeerde bouwbesluittoets. Zodra bij een aanvraag een rapportage is bijgevoegd van een gecertificeerde toets wordt het in deze notitie geformuleerde beleid niet meer uitgevoerd door de gemeente. In de plaats daarvan zal de gemeente een controle uitvoeren op de geldigheid van het certificaat dat ten grondslag ligt aan het rapport. Er wordt dan gecontroleerd op de datum van het certificaat en de toepassingsgebieden waarvoor het certificaat is afgegeven. Wanneer sprake is van een positief resultaat wordt aangenomen dat de aanvrager voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de aanvraag voldoet aan de technische voorschriften van het Bouwbesluit. Indien sprake is van een gecertificeerde bouwbesluittoets, die voldoet aan de voorwaarden, kan gedacht worden aan een korting op de leges of het sneller verlenen van de vergunning. Beleid hierover zal de komende jaren, als het gecertificeerd werken toeneemt, bij de evaluatie van het Wabobeleidsplan worden geformuleerd. 3.3.Beoordeling constructieve veiligheid De tweede vraag betreft de beoordeling van het constructief hoofdprincipe van een aanvraag voor het (ver)bouwen van een bouwwerk. Constructieve veiligheid is naast brandveiligheid het belangrijkste thema. Dit blijkt uit de toetsingsmatrix van de vorige paragraaf. In het Bor wordt aangegeven dat vooraf inzicht moet worden gegeven in het hoofdprincipe van de constructie. Detailtekeningen en berekeningen mogen na afgifte van de vergunning worden ingediend. Het Bor biedt interpretatieruimte, die gezien het belang van het thema, niet wenselijk is. Vandaar dat ook op dit terrein een lokaal toetsingskader wordt geformuleerd. StrategieAls uitgangspunt is geformuleerd dat afhankelijk van het type bouwwerk, zoals geformuleerd in de vorige paragraaf, vooraf gegevens moeten worden ingediend die aannemelijk maken dat wordt voldaan aan de eisen van constructieve veiligheid. De gegevens moeten worden beoordeeld door een ter zake deskundig iemand, waarbij de diepgang van beoordeling vooraf is afgesproken. Er wordt aangesloten bij de werkniveaus geformuleerd in de vorige paragraaf. BeleidHet beleid is terug te vinden in de tabellen op de volgende pagina. De bouwwerkcategorieën uit de vorige paragraaf zijn teruggebracht tot een drietal categorieën. Aangegeven is welke bescheiden voor de ontvankelijkheid moeten worden ingediend. In de tweede tabel is aangegeven op welk niveau de gegevens inhoudelijk worden beoordeeld. Deze tabel is een uitwerking van de toetsmatrix omgevingsvergunning activiteit (ver)bouw en gebaseerd op het landelijke constructieprotocol. Toetsmatrix ontvankelijkheidI II III Naam kleine bouwwerken aan-, uit- en bijgebouwen overige bouwwerken Bouwwerkcategorie 1 2 en 5 overig Ontvankelijkheidseisen geen • inzichtelijke bouwkundige tekeningen • funderingsplan • kapplan • constructieberekening met helder aangegeven uitgangspunten tekeningen en berekeningen: • grondrapport / funderingsadvies • constructieve bestekstekeningen • stabiliteitsberekening • gewichtsberekening • funderingsplan Ontvankelijkheidstoets door n.v.t. plantoetser constructeur Inhoudelijke toetsing door n.v.t. plantoetser constructeur Toetsniveau n.v.t. zie toetsmatrix zie toetsmatrix Voorwaarden vergunning geen alleen indien opmerkingen specifiek op aangeven constructeur Niveau Werkniveau Omschrijving 4 Integraal Controle door alle onderdelen diepgaand na te rekenen of meten 3 Representatief Controle door aantal representatieve onderdelen van een tekening en / of berekening rekenkundig te controleren 2 Beperkt Controle of uitgangspunten uit tekeningen / berekeningen zijn te halen door maten of meten, controle andere specificaties of controle rekenmethode 1 Marginaal Controle op aanwezigheid tekeningen / berekeningen en controle op eventuele gebreken, dat wil zeggen (
- a)als er niets op tekening staat dan geen verdere controle , (
- b)als er wel zaken op tekening staan, maar maten of andere specificaties ontbreken dan beoordeling op niveau 1, (
- c)als er wel maten of specificaties op tekening staan dan op niveau 2, omdat maten en specificaties op tekening altijd moeten kloppen 0 Geen Het onderdeel is volgens wet- en regelgeving niet relevant of wordt niet beoordeeld 3.4.Beoordeling deelgoedkeuringen voorwaarden vergunning De derde vraag betreft de controle van deelgoedkeuringen ten aanzien van constructieonderdelen en installaties. Een vergunning kan onder voorwaarden / beperkingen worden verleend. Veel voorkomende voorwaarden / beperkingen hebben betrekking op het op een later tijdstip indienen van tekeningen en berekeningen. Het betreft dan vooral constructieve tekeningen en berekeningen en installatietechnische tekeningen en berekeningen. In het Bor is het op een later tijdstip indienen van dergelijke zaken wettelijk geregeld. Bij één vergunning kan sprake zijn van meerdere deelgoedkeuringen. StrategieHet feit dat aanvullende voorwaarden worden geformuleerd bij de vergunning geeft aan dat het niet reëel was om ten tijde van de vergunningsaanvraag een beoordeling te doen. Aangezien sprake is van voorwaarden zijn de beoordelingen vanuit het oogpunt van de gemeente Winterswijk wel noodzakelijk. Handhaving van deze voorwaarden wordt van groot belang geacht omdat het vaak belangrijke onderdelen ten aanzien van veiligheid (constructie en brand) betreft. BeleidTen behoeve van de vergunning is sprake van een aantal (standaard) voorwaarden. De van toepassing zijnde voorwaarden worden steeds per vergunning uit deze lijst geselecteerd. De vergunninghouder is verantwoordelijk voor het tijdig aanleveren van de bescheiden (drie weken voor aanvang van het desbetreffende onderdeel). De toezichthouder bewaakt dit en gaat na of onderdelen niet worden gerealiseerd alvorens de bescheiden zijn beoordeeld en geaccordeerd. Wanneer bij aanvang van werkzaamheden de bescheiden niet tijdig zijn ingediend vindt in principe stillegging van de werkzaamheden plaats. In andere situaties vindt een nadere afweging plaats of tot stillegging moet worden overgegaan. Iedere set tekeningen / berekeningen die wordt ingediend wordt beoordeeld. De constructieve tekeningen en berekeningen worden gecontroleerd op het werkniveau zoals aangegeven bij beoordeling constructieve aspecten. De installatie technische tekeningen en berekeningen worden eveneens beoordeeld. Controle vindt plaats op het niveau aangegeven in de toetsmatrix in paragraaf 1.2. 3.5.Beoordeling omgevingsveiligheid De factor locatie (ligging bouwplaats) is voor deze beoordeling van belang. De factor zal vooral worden gebruikt bij het toezicht van bouw- en sloopwerkzaamheden. Dit gebeurt in verband met risico’s en aansprakelijkheid. Tegen deze achtergrond worden de begrippen aandachts- en risicolocatie geïntroduceerd. Onder deze locaties worden verstaan locaties die door de aard van de werkzaamheden respectievelijk de aard van de omgeving een meer dan gemiddeld risico met zich meebrengen en tegen die achtergrond nadrukkelijker aandacht vragen voor omgevingsveiligheid. Met andere woorden, het betreft locaties waar een verhoogde kans op gevaar aanwezig is voor passanten, omwonenden en belendende percelen. (Ver)bouwen in het centrum vraagt vanuit het oogpunt van omgevingsveiligheid bijvoorbeeld een andere aandacht dan bouwen in het buitengebied. Uit jurisprudentie kan worden afgeleid dat onvoldoende toezicht vanuit algemeen belang bij problemen kan leiden tot aansprakelijkheidsstelling van de gemeente. Of sprake is van een aandachts- of risicovolle locatie wordt door verschillende criteria bepaald. Het eerste criterium heeft te maken met de aard van de belendende bouwwerken. Afhankelijk van het type bouwwerk en dan vooral de wijze van fundering (op staal, op houten / betonnen / stalenbuispalen e.d.), het materiaal waarin ze zijn opgetrokken (beton, staal, steen, hout e.d.), de ouderdom en staat van onderhoud is er een bepaalde gevoeligheid voor trillingen, veranderingen in grondwaterniveau, ontgravingen en slopen. Deze gevoeligheid in combinatie met de aard van het te realiseren bouwwerk en de wijze van bouwen bepalen de mate van risico. Een tweede criterium heeft te maken met de veiligheid op en om de bouwplaats. Een derde en laatste criterium heeft betrekking op de hinder en overlast voor omwonenden, gebruikers van omliggende panden en passanten. Het betreft dan zaken als geluidhinder, trillinghinder, verkeershinder en stankhinder. In de fase van vergunningverlening vindt door de gemeente een locatieanalyse plaats om de risico’s ten aanzien van omgevingsveiligheid in te schatten. In tabel A is aangeven welke onderwerpen in de locatieanalyse betrokken worden. Tabel B geeft aan hoe vanuit de locatie-analyse gekomen wordt tot een risico-inschatting en wat dit betekent voor het opnemen van voorschriften in de vergunning. A. Locatieanalyse omgevingsveiligheid 1. Hinder en overlast omwonenden Kunnen de bouw- en sloopwerkzaamheden door hun aard en omvang leiden tot hinder en overlast voor de direct omwonenden of gebruikers voor direct omliggende panden: • geluidshinder • trillinghinder • verkeershinder • stankoverlast • stofoverlast 2. Weg beheer & openbaar vervoer Kunnen de bouw- en sloopwerkzaamheden door hun aard en omvang en in verband met onder meer opslag materialen, ligging van het bouwperceel, gebruik van materieel (kranen, steigers e.d.), inrichting van de bouwplaats leiden tot maatregelen in en langs de weg door de wegbeheerder? • vermindering aantal bestaande parkeerplaatsen • belemmering doorstroming voetgangers • belemmering doorstroming overig verkeer • belemmering doorstroming openbaar vervoer • ander gebruik openbare ruimte anders dan openbare weg • verminderde bereikbaarheid en gebruik naastgelegen bouwwerken 3. Schade belendingen door aard van de bouwwerkzaamheden Kunnen de bouw- en sloopwerkzaamheden door hun aard en omvang leiden tot schade aan belendingen, bouwwerken en leidingen? • ontgravingen • grondwaterstandverlaging • bouwrijp maken • inbrengen van damwanden, palen e.d. 4. Veiligheid directe omgeving Kunnen de bouw- en sloopwerkzaamheden door hun aard en omvang en in verband met onder meer opslag materialen, ligging van het bouwperceel, gebruik van materieel (kranen, steigers e.d.), inrichting van de bouwplaats leiden tot gevaar, hinder en overlast voor de direct omgeving • hijsveiligheidzones • laad- en loszones • vallend materiaal B. Conclusie locatieanalyse 1. Wanneer op alle onderdelen met nee is geantwoord is er sprake van een niet risicovolle locatie. Niet risicovolle locatie → standaardvoorwaarden opnemen in de vergunning 2. Wanneer alleen sprake is van hinder / overlast en verminderde bereikbaarheid / belemmering doorstroming zoals onder 1 en 2 weergegeven dan is sprake van een aandachtslocatie Aandachtslocatie → specifieke voorwaarden opnemen in de vergunning 3. In alle andere gevallen is sprake van een risicovolle locatie en wordt er gewerkt met een bouw- en sloopveiligheidsplan in twee fasen: uitgangspunten bij ontvankelijkheid en uitwerking na vergunning. Risicovolle locatie → uitgangspunten bouw- en sloopveiligheidsplan opvragen bij ontvankelijkheid en verdere uitwerking bouw- en sloopveiligheidsplan als voorwaarde in vergunning opnemen 4.Activiteit het uitvoeren van een werk (artikel 2.1b, 2.11) Artikel 2.1. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) stelt dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het uitvoeren van een werk geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden, in gevallen waarvan dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald. De omgevingsvergunning moet worden geweigerd als het werk of de werkzaamheid in strijd is met de bepalingen of met de ruimtelijke regels. InleidingIn vooral het buitengebied van de gemeente Winterswijk is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren. Ook in andere bestemmingsplannen kunnen deze regels voorkomen. Welke werken en werkzaamheden het betreft is afhankelijk van het (onderdeel van het) bestemmingsplan. De tabel op de volgende pagina geeft het stelsel weer dat is opgenomen in het bestemminsplan buitengebied. In ieder bestemmingsplan met dit soort regels zijn ook uitzonderingen op het verbod geformuleerd. Een vergunning is bijvoorbeeld niet vereist als: het normale onderhoud, gebruik en beheer van agrarische gronden betreft; het werken en werkzaamheden betreft die in de agrarische bedrijfsvoering van geringe omvang en ondergeschikte betekenis zijn; de werken en werkzaamheden noodzakelijk zijn voor de realisering van een bouwwerk waarvoor vergunning is verleend op het moment dat het bestemmingsplan van kracht wordt. Centrale vraagWelke werkzaamheden worden op welk niveau beoordeeld? StrategieAan het opstellen van de regels in het bestemmingsplan ligt een gebiedsanalyse ten grondslag, die kan worden beschouwd als risicoanalyse. Bij het beoordelen van de activiteit uitvoeren van een werk wordt altijd nagegaan of regels zijn geformuleerd. Zo ja, dan vindt altijd een toets plaats aan de regels van het bestemmingsplan. BeleidHet beoordelen van deze regels vraagt bij ieder werk in de gebieden waar het stelsel van toepassing is maatwerk. Vandaar dat de beoordeling van werkzaamheden op het hoogste niveau plaatsvindt. Dit is het integrale niveau. 5.Activiteit in strijd met regels van het planologisch kader (artikel 2.1c, 2.12) Artikel 2.1. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) stelt dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken in strijd met het bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1. derde lid of 4.3 derde lid van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7 vierde lid, tweede volzin, van die wet. InleidingIn de gemeente Winterswijk worden bijna alle gebieden afgedekt door een bestemmingsplan. Uitzondering hierop zijn de zogenaamde ‘bruine vlekken’: specifieke terreinen voor herontwikkeling. Voor de bebouwde kom komt één plan voor gebied Oost, West, Zuid en Noord. Daarna komt er een actualisatie van bestemmingsplan Centrum en de spoorzone. Verder worden in bijzondere gevallen deelplannen gemaakt. Voor het buitengebied gelden de bestemmingsplannen Integrale herziening buitengebied Winterswijk (vaststelling 2011) en het bestemmingsplan Verblijfsrecreatieterreinen dat binnenkort geactualiseerd wordt. Voor veel vergunningsaanvragen zijn de bestemmingsplannen de eerste toetsingskaders. Mocht een activiteit in strijd zijn met de ruimtelijke regels dan is een beleidskader aanwezig om na te gaan of een afwijking van de regels mogelijk is. Centrale vragenOp welke wijze is het afwijkingsbeleid vorm en inhoud gegeven? StrategieIndien een project strijdig is met het vigerende bestemmingsplan, wordt eerst beoordeeld of met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels een afwijking i.c. ontheffing van de regels mogelijk is. Als dat niet het geval is wordt op basis van relevante beleidsnota’s nagegaan of ontheffing mogelijk is. Een voorbeeld van een dergelijke beleidsnota is het document met beleidsregels ten aanzien van hergebruik van bestaande gebouwen in het buitengebied. Dit document is een nadere uitwerking van de nota “Functies Zoeken Plaatsen Zoeken Functies”, welke tot stand is gekomen door de samenwerkende gemeenten in de Regio Achterhoek en waarin zij hun visie op het vraagstuk van de vrijkomende bebouwing in het buitengebied hebben gegeven. Deze nota maakt onderdeel uit van het herziene bestemmingsplan buitengebied. Daarnaast gelden vastgestelde beleidsstukken zoals bovenplans verevenen en landgoederen. Indien iemand een bijzonder initiatief heeft, is afwijking mogelijk en wordt gewerkt met een bestemmingsplan, niet met een Wabo-projectbesluit, aangezien de procedure nagenoeg gelijk is en initiatiefnemer door een principe-verzoek inzicht krijgt in medewerking van het bestuur voordat alle stukken moeten worden aangeleverd. BeleidHet beoordelen van het planologisch kader vraagt bij iedere activiteit waarvoor het relevant is maatwerk. Vandaar dat de beoordeling van werkzaamheden op het hoogste niveau plaatsvindt. Dit is het integrale niveau. 6.Activiteit het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk met het oog op brandveiligheid (artikel 2.1d, 2.13) Artikel 2.1. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) stelt dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een bouwwerk in gebruik te nemen of te gebruiken met het oog op de brandveiligheid. De omgevingsvergunning moet worden geweigerd zo stelt artikel 2.13 als de brandveiligheid voor het voorziene gebruik niet voldoende is verzekerd. Tevens stelt de Wabo dat in sommige gevallen geen vergunning nodig is, maar dat een melding met het oog op brandveiligheid moet worden gedaan. Een dergelijke melding kan overigens ook geheel los van een aanvraag voor een omgevingsvergunning worden gedaan. InleidingHet Gebruiksbesluit, dat het brandveilig gebruik van een bouwwerk regelt, is per 1 april 2012 opgenomen in het Bouwbesluit. Naast het regime van de omgevingsvergunning voor het brandveilig gebruik van bouwwerken blijft sprake van gebruiksmeldingen. Een vergunning is nodig als sprake is van dagverblijf van meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, dagverblijf van meer dan 10 personen die lichamelijk of verstandelijk gehandicapt zijn of wanneer sprake is van nachtverblijf van meer dan 10 personen. Een gebruiksmelding wordt gevraagd als zich meer dan 50 personen in een bouwwerk kunnen bevinden, er sprake is van een woonfunctie die kamergewijs wordt verhuurd of er sprake is van gelijkwaardigheid op basis van het Bouwbesluit. Wanneer voor een inrichting geen gebruiksvergunning of –melding nodig is gelden algemene regels met een zorgplicht. De Veiligheidsregio Noord Oost Gelderland (VNOG) adviseert de gemeente over het brandveilig gebruik. Centrale vraagHoe vindt de beoordeling op brandveilig gebruik van een bouwwerk plaats? StrategieEr is een werkwijze opgesteld naar analogie van de activiteit (ver)bouwen. BouwwerktypologieBeoordeling vindt plaats op basis van hetgeen gesteld is in hoofdstuk 3 van de handreiking implementatie Gebruiksbesluit van de NVBR. In deze handreiking worden bouwwerken onderverdeeld in vier risicoklassen: (A) direct noodzakelijk, (B) noodzakelijk, (C) zeer gewenst en (D) niet direct noodzakelijk. Deze indeling kan gelijk worden gesteld aan de indeling in een viertal categorieën genoemd in het Preventie Activiteiten Plan (Prevap). Aangezien de handreiking geen specifiek toetsbeleid kent is een lokaal beleidskader opgesteld. De intensiteit van toetsing wordt allereerst afhankelijk gesteld van het type bouwwerk. Het type bouwwerk is zowel voor de toetsing als het toezicht een zeer belangrijk vertrekpunt. Welke bouwwerken / inrichtingen in welke risicoklasse vallen is weergegeven in tabel A. A. KLASSE INRICHTINGEN A Kamerverhuur > 10 personen Onderwijsfunctie > 12 jaar >500 personen Kantoorfunctie > 500 personen Industriefunctie > 500 personen Bijeenkomstfunctie > 500 personen Sportfunctie > 1000 personen Winkelfunctie > 1000 personen Als sprake is van een omgevingsvergunning wordt dit de categorie VA genoemd. Als sprake is van een gebruiksmelding is sprake van de categorie MA. B Kamerverhuur 5-10 personen Onderwijsfunctie > 12 jaar 250-500 personen Kantoorfunctie 250-500 personen Industriefunctie 250-500 personen Bijeenkomstfunctie 250-500 personen Sportfunctie 250-1000 personen Winkelfunctie 500-1000 personen Als sprake is van een omgevingsvergunning wordt dit de categorie VB genoemd. Als sprake is van een gebruiksmelding is sprake van de categorie MB. C Onderwijsfunctie > 12 jaar 50-250 personen Gezondheidszorgfunctie met zelfredzame gebruikers (gezondheidsdiensten) Kantoorfunctie 50-250 personen Industriefunctie 50-250personen Bijeenkomstfunctie hoge bezetting 50-250 personen Sportfunctie 50-250 personen Winkelfunctie 250-500 personen Als sprake is van een omgevingsvergunning wordt dit de categorie VC genoemd. Als sprake is van een gebruiksmelding is sprake van de categorie MC. D Woongebouw met zelfredzame bewoners Bijeenkomstfunctie lage bezetting 50-250 personen Sportfunctie lage bezetting 50-250 personen Winkelfunctie 50-250 personen Industriefunctie < 50 personen en gebruikmaking van beheersbaarheid van brand Als sprake is van een omgevingsvergunning wordt dit de categorie VD genoemd. Als sprake is van een gebruiksmelding is sprake van de categorie MD. Thema’s wet- en regelgevingDe intensiteit van toetsing wordt ook afhankelijk gesteld van de onderdelen van het bouwwerk (thema’s uit wet- en regelgeving), die in het geding zijn. In tabel B zijn de thema’s weergegeven. De thema’s zijn afkomstig uit het Bouwbesluit. In combinatie met vooral het type bouwwerk wordt de mate van belangrijkheid van de verschillende thema’s beoordeeld. B. THEMA WET- EN REGELGEVING TOELICHTING 1. Verlichting Noodverlichting 2. Tijdig vaststellen brand Aanwezigheid en functioneren van brandmeldinstallatie en rookmelders 3. Vluchten bij brand Voorzieningen en maatregelen ter bevordering van het eenvoudig en snel ontvluchten van een bouwwerk en een beoordeling van het gebruik in hoeverre voorzieningen en maatregelen ook daadwerkelijk effectief kunnen werken 4. Bestrijden van brand Aanwezigheid en aanduiding van brandslanghaspels, blusmiddelen en –toestellen, automatische brandblusinstallatie, brandkranen en bluswaterwinplaats 5. Bereikbaarheid hulpverleningsdiensten Bereikbaarheid bouwwerk voor brandweer, aanwezigheid en kwaliteit brandweeringang, aanwezigheid brandweerlift, aanwezigheid van opstelplaats brandweervoertuig 6. Voorkomen van brandgevaar / ontwikkeling van brand Voorzieningen en maatregelen ter voorkoming en snelle verspreiding van brand en beoordeling van het gebruik in hoeverre voorzieningen en maatregelen ook daadwerkelijk effectief kunnen werken 7, Veilig vluchten bij brand Voorzieningen en maatregelen voor het snel en veilig vluchten bij brand en het voorkomen van letsel bij het vluchten 8. Bouwkundige brandveiligheid Voorzieningen en maatregelen om brand- en rookoverslag te voorkomen. WerkniveausDe intensiteit of zwaarte van toetsing wordt afhankelijk gesteld van ingeschatte risico’s (thema naar type bouwwerk). Het beleid bestaat uit overeenstemming over de diepgang waarop werkzaamheden uitgevoerd moeten worden. Er wordt gewerkt met vooraf gedefinieerde werkniveaus, zoals geformuleerd in hoofdstuk 2. Risicoanalyse en conversie naar werkniveauDe risicoanalyse van inrichtingencategorie per thema en de conversie van de uitkomsten naar het te hanteren werkniveau zijn terug te vinden in bijlage 2 en 3. BeleidHet toetsbeleid is terug te vinden in de matrix op de volgende pagina. Uit deze matrix kan worden geconcludeerd dat voor de meeste type bouwwerken (A t/m C) de thema’s worden beoordeeld op het hoogste werkniveau (integraal). Op het gebied van brandveilig gebruik vindt met andere woorden geen gedeeltelijke toets plaats. De thema’s voorkomen van brandgevaar en vluchten bij brand hebben een lagere score, omdat dit thema’s zijn die door het dagelijks gebruik worden bepaald. Zij zullen meer aan bod komen bij inspectie / toezicht en niet zo zeer bij vergunningverlening. Immers: op tekening zullen bijvoorbeeld vluchtwegen altijd goed bereikbaar en vrij van obstakels zijn, in de praktijk is dat anders. Bij type bouwwerk D wordt gekeken of de ingediende gegevens en bescheiden compleet zijn ingediend ten aanzien van een aantal aspecten. Er vindt verder geen inhoudelijke beoordeling plaats. Bij het toezicht tijdens de beheer- of gebruiksfase wordt de situatie bij dit type bouwwerken verder bekeken. Dan wordt ook verder gekeken naar de thema’s die bij de ontvankelijkheid geen aandacht hebben gekregen. 7.Activiteit het exploiteren van een milieu-inrichting (artikel 2.1e, 2.14) Artikel 2.1. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) stelt dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een inrichting of mijnbouwwerk op te richten, te veranderen, in werking te hebben of de werking daarvan te veranderen. De omgevingsvergunning moet, zo stelt artikel 2.14, worden geweigerd als de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met de bescherming van het milieu. Tevens stelt de Wabo, in het verlengde van de Wet milieubeheer dat in sommige gevallen geen vergunning nodig is, maar dat gelijktijdig met een aanvraag voor een andere activiteit een melding met het oog op bescherming van het milieu moet worden gedaan (Activiteitenbesluit). Een dergelijke melding kan overigens ook geheel los van een aanvraag voor een omgevingsvergunning worden gedaan. InleidingVoor het in werking hebben van een inrichting is het vaak noodzakelijk om een melding in te dienen of om een vergunning aan te vragen. Het Activiteitenbesluit of de vergunning stelt voorschriften aan de activiteiten die in de inrichting plaatsvinden om schade, hinder en overlast voor de directe omgeving te voorkomen. Deze voorschriften zijn vooral gericht op de bescherming van de kwaliteit van het leefklimaat van de mens, de kwaliteit van de bodem, het water, de lucht en dergelijke tegen schadelijke invloeden van de activiteiten. Daarnaast hebben ze betrekking op het stimuleren van maatregelen ter verbetering van die kwaliteit (milieuwinst). Centrale vraagHoe wordt vormgegeven aan het beleid voor vergunningen en meldingen voor het exploiteren van een milieu-inrichting? StrategieIn verband met de realisatie van de Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) is het streven om zoveel mogelijk aan te sluiten bij de “Achterhoekse Maat”. Deze meetlat is de onderlegger voor het functioneren van de ODA. Op het gebied van vergunningverlening zijn in ODA verband aannamen gedaan voor de frequentie van actualisatie/revisie en normuren. Er is (nog) geen inhoudelijk kwaliteitskader. In het kader van dit Wabobeleidsplan is hiervoor wel een opzet vervaardigd. Ten aanzien van de meldingen wordt aangesloten bij de mogelijkheid om voor in het Activiteitenbesluit aangegeven activiteiten maatwerkvoorschriften te formuleren. Deze maatwerkvoorschriften kunnen in principe alleen worden opgesteld in relatie tot de impact van activiteiten op hun directe omgeving. Deze impact is tweeledig, namelijk in relatie tot specifieke aanwezige milieuwaarden en in relatie tot gevaar, hinder en overlast voor omwonenden, omliggende bouwwerken, percelen en openbare ruimten. Ten aanzien van de milieuvergunningen worden richtlijnen ontwikkeld voor de mate van diepgang waarmee voorschriften worden geformuleerd. Het aantal af te geven vergunningen is door het Activiteitenbesluit afgenomen. De inrichtingen waarvoor het vergunningenregime nog zal blijven bestaan zullen een grote diversiteit kennen. Het is onmogelijk om hiervoor vooraf voorschriften te formuleren. BranchesEr is voor het inhoudelijke kwaliteitskader uitgegaan van de voor de gemeente relevante sbi-codes (branches). Daarbij is in het algemeen het eerste en tweede niveau van de codering aangehouden. Bij enkele sbi-codes is, zoals voor het fokken en houden van dieren, voor het derde niveau gekozen. Thema’s wet- en regelgevingDe thema’s van wet- en regelgeving zijn in termen van milieuwinst op een rij gezet. De volgende thema’s zijn voor het kwaliteitskader onderscheiden: MILIEUWINST 1. Emissiebeperking (luchtverontreiniging, luchtbehandeling, stookinstallaties) 2. Emissiebeperking (stof) 3. Emissiebeperking (geur) 4. Emissiebeperking (geluid, zones, installaties) 5. Emissiebeperking (licht) 6. Emissiebeperking (trilling) 7. Energiebesparing 8. Vermindering en beheersing gevaarlijk afval 9. Vermindering en beheersing bedrijfsafval 10. Vermindering en beheersing afvalwater (kwantiteit, kwaliteit, installaties) 11. Voorkomen of beperken bodemverontreiniging 12. Vermindering en beheersing brandonveiligheid (opslag, blus en detectie) 13. Vermindering en beheersing veiligheidsrisico’s (externe veiligheid, opslag, installaties) 14. Koelinstallaties (CFK, ammoniak, gas) 15. Vermindering (hoeveelheid) milieugevaarlijke stoffen 16. Vermindering en beheersing grondstoffen (preventie) 17. Voorkomen en beperken visuele hinder/overlast 18. Voorkomen en beperken indirecte hinder/overlast (o.a. verkeershinder) 19. Voorkomen en beperken ongedierte RisicoanalyseVoor iedere sbi-code heeft een risicoanalyse plaatsgevonden op thema en gebied. Hierbij is per thema een score aangegeven, De score loopt van 0 t/m 4, waarbij 0 staat voor het behalen van geen milieuwinst en 4 voor het behalen van zeer veel milieuwinst. De risicoanalyse is terug te vinden in bijlage 4. BeleidDe score van de risicoanalyse is bepalend voor de diepgang voor het formuleren van voorschriften bij de vergunning. Een score 3 of hoger betekent maatwerk. SCORE THEMA SOORT VOORSCHRIFT 0 Geen, omdat thema niet van toepassing is 1 Algemene zorgplicht bepaling 2 Standaard voorschrift 3 Doelvoorschrift 4 Middelvoorschrift De score van de risicoanalyse is bepalend voor de diepgang voor het formuleren van voorschriften bij de melding. Een score 3 of hoger betekent nagaan of maatwerk nodig en mogelijk is. SCORE THEMA SOORT VOORSCHRIFT 0 – 2 Geen maatwerk 3 – 4 Maatwerk Naast de diepgang voor het formuleren van voorschriften worden de scores per sbi-code ook beschouwd als een indicator voor de mate waarin het proces om een melding of vergunningsaanvraag voor te bereiden en af te handelen vraagt om maatwerk. Het uitgangspunt is dat alleen bij hogere scores het meldingsproces uitgebreid mag worden doorlopen (bijvoorbeeld met een bedrijfsbezoek) dan wel dat het vooroverleg in intensieve mate mag plaatsvinden (bijvoorbeeld met een concept aanvraag en voorontwerp van de beschikking). Anders is de leidraad ‘sober en doelmatig’. Het proces is dan veel meer standaard. 8.Activiteit het wijzigen van een monument (artikel 2.1f, 2.2b, 2.15 en 2.18) Artikel 2.1. en 2.2. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) stellen dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een monument te slopen, te verstoren, te herstellen of te (laten) gebruiken waardoor het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht. De omgevingsvergunning moet worden geweigerd als de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met de monumentenzorg. De verschillende artikelen in de Wabo over monumenten zijn in dit beleidsplan voor het gemak gebundeld. InleidingNaast de Wabo vormen de Monumentenwet 1988 en de gemeentelijke erfgoedverordening de kaders om activiteiten aan een monument te beoordelen. Aangezien monumenten op zich uniek zijn vindt steeds een specifieke afweging plaats. Hiervoor is geen algemeen toetsingskader te ontwik kelen. De gemeente beoordeelt op basis van eigen onderzoek interventies. Bij ingrijpende herbestemmingen, ingrijpende reconstructies of sloop moet de aanvrager voor zover nodig geacht door de gemeente een historisch onderzoek indienen. Op basis van artikel 6.4 van het Besluit Omgevingsrecht (Bor) moet in specifieke situaties dan ook advies gevraagd worden aan de rijksdienst of provincie. De gemeente beschikt over de wettelijk verplichte monumentencommissie. Het wordt nodig geacht ten aanzien van de activiteiten in relatie tot monumenten expliciet aandacht te besteden aan één aspect dat nog om beleid vraagt, namelijk de situaties waarbij cultuurhistorische waarden en voorschriften zoals opgenomen in het Bouwbesluit elkaar niet verdragen. Gezien de noodzaak bij de Wabo om te komen tot afstemming van voorschriften is het van belang voor deze afstemming een helder beleidskader te hebben. Er moet gekomen worden tot een kader hoe afwegingen op dit terrein het beste kunnen plaatsvinden. In het Bouwbesluit is bovendien aangegeven, dat als ten aanzien van de activiteit wijzigen van een monument specifieke voorschriften zijn opgenomen deze voorrang hebben boven die geformuleerd bij de activiteit (ver)bouwen. Centrale vragenHoe vindt afweging plaats tussen cultuurhistorische waarden en technische bouwvoorschriften? StrategieDe activiteit wijzigen van een monument vindt vaak tegelijk plaats met de activiteit verbouwen van een bouwwerk. Eén van de zaken die bij deze samenloop regelmatig speelt is de afstemming i.c. inpassing van de technische vereisten uit het Bouwbesluit in relatie tot de monumentale waarden van een bouwwerk. Het realiseren van technische eisen bij monumenten vraagt met andere woorden dus regelmatig om de nodige afwegingen: enerzijds moet het pand voldoen aan de technische eisen; anderzijds mag er weinig tot geen afbreuk aan het monumentale karakter worden gedaan. Het beleidskader bestaat uit een soort afwegingsmodel waarin geschetst wordt hoe te werk moet worden gegaan bij afstemming van het monumentale karakter met de technische voorschriften uit het Bouwbesluit. BeleidNadat de technische norm op basis van het Bouwbesluit is bepaald wordt nagegaan of zonder aantasting van het monumentaal karakter de norm kan worden gerealiseerd. Hierbij zijn bepalend: de redengevende omschrijving (reden waarom het bouwwerk is aangewezen als monument), het resultaat van een eventueel bouwhistorisch onderzoek en het advies van de monumentencommissie, rijksdienst of provincie. Wanneer zonder problemen aan de technische norm kan worden voldaan is er geen vuiltje aan de lucht. Wanneer er wel problemen zijn moet het risico dat verbonden is aan de technische norm worden bepaald. Het risico wordt afgeleid van de toetsmatrix omgevingsvergunning activiteit (ver)bouwen. Er is sprake van een hoog risico als het toetsniveau 2 of hoger is. Bij een toetsniveau 0 of 1 is sprake van een laag risico. Bij een hoog risico wordt uitgegaan van nieuwbouw criteria. Achtereenvolgens worden de volgende opties nagegaan: Is een gelijkwaardige oplossing mogelijk? Kunnen bouwkundige voorzieningen worden aangebracht die omkeerbaar zijn, met andere woorden niet leiden tot permanente aantasting van het karakter? Kan aan de norm worden voldaan door het gebruik te beperken? Kunnen acceptabele bouwkundige voorzieningen worden aangebracht die onomkeerbaar zijn, met andere woorden leiden tot permanente aantasting van het karakter? Is ontheffing van de norm mogelijk? Door verlaging tot het technische niveau bestaand Van enig voorschrift, dat wil zeggen de norm helemaal loslaten. Wanneer optie 4 leidt tot ongewenste oplossingen of bij optie 5 ontheffing niet vanwege risico’s mogelijk is moet het gebruik worden uitgesloten als de andere opties niet reëel zijn. Het plan kan dan niet in de huidige vorm worden gerealiseerd. Bij een laag risico worden alleen de opties 1 en 5 bekeken. Een essentiële voorwaarde voor toepassing van het afwegingsmodel is dat reeds in een vroeg stadium van het vergunningverleningsproces gekeken wordt naar de inpassing van technische voorschriften. Ten behoeve van een principe beslissing bij functiewijzigingen van monumenten moet een quickscan op bovenstaande wijze plaatsvinden. Dit geldt ook bij overige principe verzoeken ten aanzien van monumenten en de intake van aanvragen om omgevingsvergunning activiteit wijzigen monument. Door dit te doen wordt reeds op een relatief vroeg tijdstip inzicht verworven of sturing vanuit gemeentewege noodzakelijk is. Met andere woorden, wanneer sprake is van een monument moet reeds in een vroeg stadium gekeken worden naar de afstemming met de technische voorschriften. De toetsmatrix omgevingsvergunning activiteit (ver)bouwen moet op dat moment worden gehanteerd en worden ingevuld. Bij de activiteit wijzigen van een monument is dus sprake van vooroverleg. 9.Activiteit het slopen op basis van planologisch kader (artikel 2.1g, 2.16) Artikel 2.1. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) stellen dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een bouwwerk te slopen als hiervoor in het bestemmingsplan regels zijn opgenomen. De omgevingsvergunning moet worden geweigerd als bijvoorbeeld niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd of dat blijvend onevenredig afbreuk wordt gedaan aan de beeldbepalende cultuurhistorische waarden van het bouwwerk. InleidingIn diverse bestemmingsplannen binnen de gemeente Winterswijk zijn ‘sloopregels’ opgenomen. Deze sloopregels zijn gekoppeld aan bepaalde bestemmingen of waarden. De meeste sloopregels moeten worden opgevat als bouwregels en vallen onder de activiteit (ver)bouwen van een bouwwerk. Artikel 2.1 onder g Wabo is alleen in het buitengebied te vinden in artikel 27 ‘Waarde cultuurhistorie’. Welke percelen deze waarde hebben gekregen is afhankelijk van het karakter van de bebouwing. Centrale vragenOp welke wijze en met welke intensiteit vindt toetsing van de activiteit slopen plaats aan het planologisch kader? StrategieAan het opstellen van de regels in het bestemmingsplan ligt een gebiedsanalyse ten grondslag, die kan worden beschouwd als risicoanalyse. Bij het beoordelen van de activiteit slopen wordt altijd nagegaan of de activiteit in het buitengebied ligt en of artikel 27 van toepassing is. Zo ja, dan vindt altijd een toets plaats aan de regels van het bestemmingsplan. BeleidEr wordt per aanvraag nagegaan of deze voldoet aan hetgeen gesteld is in de regels. Gezien het karakter van de regels zal dit steeds maatwerk zijn. Beoordeling vindt plaats op het hoogste niveau. Dit is het integrale niveau. 10.Activiteit het slopen van een bouwwerk (artikel 2.2a, 2.18) Artikel 2.2. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) stelt dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het slopen van een bouwwerk zoals vastgelegd in een provinciale of gemeentelijke verordening. Vervolgens stelt artikel 2.18: de omgevingsvergunning moet worden geweigerd indien het slopen niet voldoet aan de gronden gesteld in de desbetreffende verordening. Door het nieuwe Bouwbesluit valt deze activiteit niet meer onder de Wabo. Gezien de maatschappelijke risico’s verbonden aan deze activiteit is besloten om de activiteit als zodanig toch op te nemen en hiervoor beleid uit te werken. InleidingIn paragraaf 1.7 van het Bouwbesluit 2012 zijn sinds 1 april jl. de regels terug te vinden. Er wordt niet meer gesproken over een omgevingsvergunning voor de activiteit slopen van een bouwwerk, maar van een sloopmelding. Deze sloopmelding moet afhankelijk van het type sloopwerk vijf dagen respectievelijk vier weken voor aanvang worden gedaan. Het Bouwbesluit geeft aan welke bescheiden bij een melding moeten worden ingediend en op welke onderdelen door de gemeente aanvullende voorwaarden mogen worden gesteld. Centrale vraagWelke meldingen om sloopwerken worden met welke diepgang beoordeeld? StrategieEr wordt een methodiek toegepast naar analogie van het (ver)bouwen van bouwwerken; het betreft een toetsingskader per thema per type sloopwerk. Typologie sloopwerkHet type sloopwerk wordt als een belangrijk aspect voor het toetsingskader beschouwd. Op basis van drie factoren is een indeling in type sloopwerken gemaakt. Per type sloopwerk is apart beleid geformuleerd ten aanzien van de technische toetsing van de aanvraag. De leidende factoren zijn: (
- a)de samenstelling van het aanbod aan sloopwerkzaamheden, (
- b)de risico’s die aan bepaalde type sloopwerken zijn verbonden en (
- c)het kwaliteitsbeeld dat van toepassing is op bepaalde type sloopwerken. De onderscheiden categorieën zijn terug te vinden in tabel A. Per type sloopwerk is apart beleid geformuleerd ten aanzien van de beoordeling van de melding. Naast de sloopcategorieën in tabel A wordt een zogenaamde buitencategorie onderscheiden. Dit zijn eenmalige grootschalige projecten die om maatwerk vragen. Thema’s wet- regelgevingIn het beleid wordt de intensiteit van toetsing afhankelijk gesteld van de onderdelen van het sloopwerk (thema’s uit wet- en regelgeving), die in het geding zijn. In tabel B zijn de thema’s weergegeven. In combinatie met het type sloopwerk wordt de mate van belangrijkheid van de verschillende thema’s beoordeeld. WerkniveausDe intensiteit of zwaarte van toetsing wordt, zoals reeds aangegeven, afhankelijk gesteld van ingeschatte risico’s (thema naar type sloopwerk). Het beleid bestaat uit overeenstemming over de diepgang waarop werkzaamheden uitgevoerd moeten worden. Er wordt gewerkt met vooraf gedefinieerde werkniveaus zoals toegelicht in hoofdstuk 2. A. NAAM TYPE / CATEGORIE OMSCHRIJVING 1 Particuliere asbestsloop Het door een particulier slopen van: • Geschroefde, hechtgebonden asbesthoudende platen met een maximum oppervlakte van 35 vierkante meter per kadastraal perceel; • Asbesthoudende vloertegels met een maximum oppervlakte van 35 vierkante meter per kadastraal perceel; • Niet-gelijmde asbesthoudende vloerbedekking met een maximum oppervlakte van 35 vierkante meter per kadastraal perceel. 2 Niet particuliere asbestsloop Het uitsluitend door een bedrijf verwijderen van asbest of asbesthoudende producten uit een bouwwerk. 3 Niet risicovol sloopwerk Het afbreken van een bouwwerk, waarbij de hoeveelheid sloopafval minimaal 10 m3 bedraagt. Een sloopwerk is niet risicovol als de volgende criteria gelden: • Geen asbest; • Geen gemeenschappelijke draagconstructie; • Geen ligging aan drukke weg; • Geen gevaar voor belendingen; • Laag gevoelige omgeving ten aanzien van hinder en overlast; • Geen verdachte bodemlocatie in relatie tot milieuschadelijke stoffen; • Geen bodemlocatie in relatie tot archeologie; • Geen gedeeltelijke sloop (geen aanwezigheid van gebruikers in resterende delen van het bouwwerk); • Geen gebruik openbare ruimte 4 Risicovol sloopwerk Alle overige sloopwerken. B. THEMA TOELICHTING 1. Constructieve veiligheid Constructieve veiligheid vanuit het oogpunt van externe veiligheid en belendingen 2. Openbare weg Beschadiging / vervuiling, ingebruikname, bereikbaarheid / toegankelijkheid 3. Belendingen Beschadiging, toegankelijkheid / bereikbaarheid, afwerking 4. Hinder en overlast Geur, geluid, stof, trillingen 5. Archeologie Cultuurhistorische bodemschatten 6. Bodem Ledigen putten, opvullen gaten, bodemverontreiniging, grondwater 7. Mobiele puinbrekers AMvB mobiele puinbrekers 8. Riolering Rioolaansluiting 9. Kabels en leidingen Gas, water en elektra, overige kabels en leidingen 10. Asbest Aanwezigheid, verwijderen, asbestvrij verklaren, afvoer / stort 11. Milieuschadelijke stoffen Scheiding, opslag, verwerking 12. Sloopafval Scheiding, opslag, verwerking 13. Terreinafwerking Netheid, afwerking bij oplevering Risicoanalyse en conversie naar werkniveauDe risicoanalyse van sloopwerkcategorie per thema en de conversie van de uitkomsten naar het te hanteren werkniveau zijn terug te vinden in bijlage 5. BeleidOp basis van de zojuist genoemde beleidsonderdelen is per type sloopwerk de diepgang van toetsing bepaald. Deze zijn terug te vinden in de volgende tabel. Het werkniveau van toetsing betreft het aanvangsniveau. Het principe dat is gekoppeld aan de werkniveaus is het principe van ‘opbouwen van vertrouwen’ zoals eerder, bij de activiteit (ver)bouwen uiteengezet. Uit de toetsmatrix kan worden afgeleid dat bij een particuliere asbestsloop geen inhoudelijke toetsingen plaatsvinden. Er is een controle op het juist invullen van het formulier en ter plekke wordt, voor zover nodig (bij twijfel), voordat goedkeuring wordt verleend gekeken naar het aanwezige asbest. Voor het vervolg is dit product louter een administratief product met een standaard set aan aandachtspunten bij de acceptatie van de melding om de veiligheid te stimuleren en om zich in te dekken voor eventueel onverwachte zaken tijdens de sloop. Bij een niet particuliere asbestsloop is er één extra controle, namelijk de controle op de aanwezigheid van een asbestinventarisatierapport voor zover noodzakelijk volgens wet- en regelgeving. Bij een overig sloopwerk vindt aan de hand van het formulier allereerst het labellen van de aanvraag plaats: risicovol of niet. Indien nodig wordt ter plekke een inspectie uitgevoerd ter ondersteuning van het labellen. Vervolgens is het niet risicovolle sloopwerk een administratief product. Het is een standaard product. Het risicovolle sloopwerk wordt op diverse thema’s diepgaander beoordeeld. Het betreft de thema’s constructieve veiligheid, belendingen, archeologie, bodem, mobiele puinbrekers, asbest, milieugevaarlijke stoffen en sloopafval. Deze toetsing vindt plaats in het kader van de voorschriften gesteld in hoofdstuk 8 van het Bouwbesluit en liggen in lijn van het protocol slopen van de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland. De toetsresultaten ten aanzien van deze thema’s zullen waar nodig moeten worden vertaald naar specifieke voorschriften bij de acceptatie van de melding. Diverse thema’s worden niet inhoudelijk beoordeeld, maar worden geregeld via aandachtspunten bij de acceptatie van de melding. 11.Activiteit het vellen van houtopstand (artikel 2.2g, 2.18) Artikel 2.2. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) stelt dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat het kappen of vellen van houtopstand betreft zoals vastgelegd in een provinciale of gemeentelijke verordening. Vervolgens stelt artikel 2.18: de omgevingsvergunning moet worden geweigerd indien het kappen of vellen niet voldoet aan de gronden gesteld in de desbetreffende verordening. InleidingIn de Bomenverordening is in artikel 2 aangegeven dat het vellen of te doen vellen van houtopstanden zonder vergunning verboden is. Wanneer het vellen van houtopstand valt onder de activiteit uitvoeren van een werk is de Bomenverordening niet van toepassing. Centrale vraagHoe worden aanvragen voor het vellen van houtopstanden beoordeeld? StrategieBij de beoordeling van een aanvraag zijn de weigeringsgronden genoemd in artikel 4 van de Bomenverordening van toepassing. BeleidEen aanvraag voor een vergunning wordt allereerst bekeken op vergunningsplicht. Als een vergunning nodig is wordt nagegaan of het vellen valt onder de activiteit uitvoeren van een werk. Wanneer dat niet het geval is wordt de aanvraag beoordeeld op basis van de weigeringsgronden zoals genoemd in de Bomenverordening. De volgende criteria worden genoemd: Natuur- en milieuwaarden. Landschappelijke waarden. Waarden van stads- en dorpsschoon. Beeldbepalende waarden. Cultuurhistorische waarden. Waarden voor de leefbaarheid van de omgeving. De bomenverordening geeft aan dat een vergunning ook kan worden geweigerd als de houtopstand voorkomt op de vastgestelde lijst van monumentale bomen, tenzij sprake is van een ernstige bedreiging van de veiligheid, een noodtoestand of een andere uitzonderlijke situatie. Een vastgestelde lijst van monumentale bomen is echter niet (nog) niet beschikbaar. Aan een vergunning kan een herplantplicht onder nader te stellen voorschriften worden opgelegd. Beoordeling vindt plaats op hoogste, dat wil zeggen integrale, niveau. 12.Activiteit het maken of voeren van handelsreclame (artikel 2.2h, 2.18) Artikel 2.2. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) stelt dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning een project uit te voeren voor zover dat het aanleggen van een weg of pad betreft zoals vastgelegd in een provinciale of gemeentelijke verordening. Vervolgens stelt artikel 2.18: de omgevingsvergunning moet worden geweigerd indien het aanleggen of wijzigen niet voldoet aan de gronden gesteld in de desbetreffende verordening. InleidingIn artikel 4.9 van de Algemene plaatselijke verordening staat vermeld dat het verboden is zonder vergunning op of aan en onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de openbare weg zichtbaar is. In lid 2 van het artikel wordt een aantal uitzonderingen genoemd. Centrale vraagHoe worden aanvragen voor het maken of voeren van handelsreclame beoordeeld? StrategieBij de beoordeling van een aanvraag zijn de weigeringsgronden genoemd in artikel 4.9 lid 3 van de Algemene plaatselijke verordening van toepassing. BeleidEen aanvraag voor een vergunning wordt allereerst bekeken op vergunningsplicht. Als een vergunning nodig is wordt nagegaan of het aanbrengen of voeren valt onder de activiteit (ver)bouwen van een bouwwerk. Wanneer dat niet het geval is wordt de aanvraag beoordeeld op basis van de weigeringsgronden. Een vergunning wordt geweigerd als sprake is van een object, dat: In verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Leidt tot verkeersonveiligheid. Leidt tot overlast voor gebruikers van een nabijgelegen onroerende zaak. Beoordeling vindt plaats op hoogste, dat wil zeggen integrale, niveau. Deel2:Beleid Toezicht 1.Preventiestrategie De preventiestrategie richt zich op het vergroten van de bewustwording bij burgers en bedrijven. Het doel is om de betrokkenheid en het draagvlak voor spontane naleving van wet- en regelgeving te vergroten. Het gevolg is dat er minder correctie van gemeentewege hoeft plaats te vinden, omdat er minder overtredingen worden gepleegd. Vanuit de gedachte dat burgers en bedrijven zelf primair verantwoordelijk zijn voor het naleven van wet- en regelgeving en dat de gemeente onmogelijk op alle wet- en regelgeving kan toezien speelt de preventiestrategie een belangrijke rol. Voor de preventiestrategie wordt een aantal trajecten onderscheiden: Beleidsontwikkeling. Bestuurlijk moet worden besloten om in elk beleidsdocument een paragraaf op te nemen waaraan expliciet aandacht wordt besteed aan de handhaving. Tevens kan gedacht worden aan advisering om te komen tot duidelijke en handhaafbare wet- en regelgeving respectievelijk beleid. Handhaafbaarheid van regelgeving wordt alom gezien als kritische succesfactor voor een adequate handhaving. Binnen dit traject valt ook de deregulering. Als geconstateerd wordt dat een regel uit een verordening of beleidsregel niet meer het belang dient waarvoor zij oorspronkelijk is bedacht, moet bekeken worden of zij kan worden afgeschaft of bijgesteld (bijvoorbeeld in de vorm van algemene regels of een meldingsplicht in plaats van een vergunningsplicht). Communicatie en voorlichting. Door de inzet van communicatie en voorlichting wordt een meer effectieve en efficiënte handhaving nagestreefd. De ervaring leert dat bij juist gebruik van een communicatievorm (professioneel, tijdig, herkenbaar etc.) een aanzienlijk deel van de potentiële overtreders zich alsnog en blijvend houdt aan geldende regelgeving. Publicatie. Tevens kan bij communicatie bijvoorbeeld gebruik gemaakt worden van vooraankondigingen van controles, publicatie van de controleresultaten, het publiekelijk maken dat er een overtreding is geconstateerd en welke sanctie daaraan is gekoppeld. Het publiceren van de overtreding en de daaraan gekoppelde sanctie kan de effectiviteit van de opgelegde sanctie vergroten. Bij het gebruik van een persbericht dient wel de nodige zorgvuldigheid in acht te worden genomen. Samenwerking met derden. Bij een actieve programmatische benadering van inspectie en handhaving is samenwerking met externen een ‘must’. Samenwerking is een must om te komen tot een optimaal en integraal resultaat, waarbij de specifieke deskundigheid, ondersteuning, aanvulling en informatie van verschillende partijen over en weer worden benut. Drempelverlaging om burgers en bedrijven eerder overtredingen te laten melden. Financiële prikkels. Het heffen van extra leges of het in rekening brengen van leges voor een gedoogverzoek, kunnen een bijdrage leveren aan het verhogen van de spontane naleving van wet- en regelgeving. Een belangrijk instrument voor de preventiestrategie is de Tafel van Elf. In bijlage 6 wordt ingegaan op dit instrument. Uit de Tafel van Elf blijkt dat naleving wordt bepaald door: Kennisfactoren: deze factoren geven de bekendheid met de regels bij de doelgroep weer en in hoeverre zij in staat is de regels na te leven. Motivatiefactoren: deze factoren zeggen iets over de normen en waarden van de doelgroep. Controle- en sanctiefactoren: deze factoren geven de mate van afschrikking weer vanuit de perceptie van de doelgroep. Hierbij spelen controle- en detectiekans een grote rol. De preventiestrategie zal jaarlijks door de gemeente vorm en inhoud worden gegeven op basis van de evaluaties van de uitvoering van het Wabobeleidsplan. De gemeente hanteert daarbij vier doelgroepen binnen de preventiestrategie: Spontane en bewuste nalever: kent de regels en leeft die ook spontaan of bewust na ongeacht wel of geen toezicht en handhaving. Onbewuste overtreder; burger of bedrijf overtreedt per ongeluk de regels. Afgedwongen nalever (handhavingafgeschrikte): leeft de regels na, omdat hij afgeschrikt wordt door controles en sancties. Bewuste overtreder: iemand die willens en wetens overtreedt en daarbij bewust het risico neemt om gepakt te worden. Bij alle doelgroepen gaat de gemeente uit van de eigen verantwoordelijkheid die zij hebben. Daarnaast hanteert de gemeente daar waar mogelijk een klantvriendelijke en positieve benadering. Dat betekent dat de benadering zich richt op de voordelen van naleven, benadrukken van het nut van de regels, voorbeeldgedrag en sociale norm en voorkomen van overtredingen. De volgende tabel maakt de benadering per doelgroep op hoofdlijnen zichtbaar. Doelgroep Benadering en inzet instrumenten Spontane en bewuste nalever Informeren over nieuwe regels, waarbij de focus ligt op argumenten en feiten en hen begeleiden in regelgeving (makkelijker maken bij de uitvoering van de geldende regels). Onbewuste overtreder Motiveren om de regels op te volgen, waarbij de focus ligt op gewenst gedrag en bewustwording van eigen gedrag. Bekendmaken met de geldende regels en inzet van positieve handhavingacties. Afgedwongen nalever Bekendmaken met het nut van geldende regels. Informeren over de pakkans en sanctiedreiging en benadrukken van nadelen van niet-naleving. Bewuste overtreder Inzetten van handhavingsinstrumenten. 2.Toezichtstrategie Onder toezicht wordt verstaan het controleren of en in hoeverre wettelijke bepalingen worden nageleefd. Doel hiervan is de (vrijwillige) naleving van wet- en regelgeving. Toezicht vindt plaats op basis van verleende vergunningen en ontheffingen, in het kader van projecten, naar aanleiding van meldingen, klachten en calamiteiten en door opname van de activiteit in een uitvoeringsprogramma. Om effectief en doelmatig te werk te gaan is het nodig om verschillende vormen van toezicht te hanteren. Er wordt ten aanzien van de toezichtstrategie onderscheid gemaakt tussen de realisatie- en beheer- of gebruiksfase. Tijdens de realisatiefase kan sprake zijn van een drietal type controles, namelijk: TYPE CONTROLE TOELICHTING • Reguliere controle Controle ter plekke tijdens de uitvoering. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen controles met en zonder wachtmoment (waarbij de uitvoerder niet verder kan nadat de controle is uitgevoerd). • Opleveringscontrole Controle ter plekke na uitvoering voordat de beheer- of gebruiksfase start. Nadat de vergunning is verleend kan een opleveringscontrole worden uitgevoerd. Deze controle heeft een overdragend en een toelichtend karakter. Feitelijk verlaat het dossier “Vergunningen” en wordt overgedragen aan “Toezicht”. • Administratieve controle Controle op basis van gegevens aangeleverd door de uitvoerder of vergunninghouder. Bij de reguliere controles wordt gewerkt met vooraf gedefinieerde werkniveaus. Deze zijn overgenomen van het Landelijke Toezichtprotocol opgesteld door de Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland. Beoordeling kan plaatsvinden op de volgende niveaus: Werkniveau Omschrijving 4 Integraal Beoordeling van alle onderdelen op detailniveau. Op het oog en met de benodigde hulpmiddelen worden controles tot op detailniveau uitgevoerd. Alle projectspecifieke tekeningen en detailtekeningen worden geraadpleegd. 3 Representatief Beoordeling op hoofdlijnen en kenmerkende details, op het oog en met eenvoudige hulpmiddelen worden elementaire controles uitgevoerd. Daarnaast worden enkele kritische detailleringen in detail beoordeeld. Er worden algemene projectspecifieke tekeningen geraadpleegd en detailtekeningen van kritische detailleringen. 2 Basis Beoordeling op hoofdlijnen, op het oog en met eenvoudige hulpmiddelen worden elementaire controles uitgevoerd. Er worden alleen algemene projectspecifieke tekeningen geraadpleegd. Bij twijfel vindt raadpleging van detailtekeningen plaats. 1 Beperkt Visuele controle, een vluchtige beoordeling op het oog op basis van kennis en ervaring zonder projectspecifieke tekeningen of details te raadplegen en of hulpmiddelen (bijvoorbeeld meetlat) te gebruiken. 0 Geen Er vindt geen toezicht plaats. Op deze niveaus zijn dezelfde principes van toepassing als op de werkniveaus zoals beschreven bij het onderdeel vergunningverlening. Bij de beheer- of gebruiksfase is allereerst sprake van planmatige (on)aangekondigde controles; de zogenaamde bedrijfsbezoeken. Deze controles kunnen wat betreft diepgang en reikwijdte verschillen. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen een deelcontrole en een volledige controle. Het betreft beiden visuele controles. De deelcontrole is gericht op een beperkt aantal handhavingsthema’s of onderwerpen. Een volledige controle is juist gericht op meerdere of alle thema’s of onderwerpen. In dit kader wordt onderscheid gemaakt tussen: Inventariserend toezicht: Het inventariserend toezicht dient te voorkomen dat strijdigheden ontstaan. Het heeft dan ook een meer adviserend en toelichtend karakter. Het inventariserend toezicht kenmerkt zich door: controle op de naleving van regels/voorschriften zo