← Nederland

Verordening sociaal domein gemeente Nissewaard (Nissewaard)

In het kort

Deze verordening regelt de ondersteuning en hulpverlening in het sociaal domein van de gemeente Nissewaard, met een focus op jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning. Het doel is om inwoners te helpen bij het verhelderen van hun ondersteuningsbehoeften en hen te voorzien van passende hulp.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Verordening sociaal domein gemeente NissewaardDe raad van de gemeente Nissewaard; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 4 december 2019 gelet op gelet op de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 van de Jeugdwet, de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede, derde en zevende lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, de artikelen 6, tweede lid, 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, b, c en d, en het tweede lid, 8a, eerste lid, aanhef en onder a, b, c, d en e, en tweede lid, 10b, vierde lid, en 47 van de Participatiewet, artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en artikel 156 van de Gemeentewet; gezien het advies van de commissie Sociaal domein van 28 november 2019; besluit de volgende verordening vast te stellen: Verordening sociaal domein gemeente Nissewaard. 1.Algemene bepalingen Artikel1.Zorgplicht burgemeester en wethouders voor integrale toegang en intake Burgemeester en wethouders zorgen er in ieder geval voor dat ingezetenen die daar om verzoeken: kosteloos en op laagdrempelige wijze worden ondersteund bij het verhelderen van een mogelijke ondersteuningsbehoefte; kosteloos worden voorzien van relevante informatie in begrijpelijke vorm ten aanzien van: het gemeentelijk beleid en de wijze waarop uitvoering wordt geven aan de wettelijke taken in het sociaal domein, en hoe de toegang tot de diverse voorzieningen is georganiseerd; worden doorverwezen en -geleid naar de passende instanties voor verdere ondersteuning, en dat degene die een melding, aanvraag of verzoek indient wordt gewezen op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning. Artikel2.Afstemming met andere vormen van hulp en ondersteuning 1.Wanneer in een hulpvraag of behoefte aan ondersteuning van een cliënt of jeugdige en/of diens ouders niet kan worden voorzien binnen één wettelijk kader als bedoeld in deze verordening, dragen burgemeester en wethouders verantwoordelijkheid voor goede afstemming van de hulp en ondersteuning. 2.De afstemming als bedoeld in het eerste lid heeft in ieder geval betrekking hulp en ondersteuning vanuit: de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Participatiewet, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Wet langdurige zorg, passend onderwijs, de Leerplichtwet, de Wet Publieke Gezondheid. 3.De afgestemde hulp en ondersteuning wordt zodanig ingezet dat dit (indien van toepassing) leidt tot: Opheffen van een situatie die voor cliënt, jeugdige en/of zijn ouders en/of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade; Stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a; Voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van cliënt of jeugdige en/of zijn ouders, voor zover dat binnen het vermogen ligt; Voldoende mate van meedoen in de (lokale) samenleving voor cliënt, jeugdige en/of zijn ouders, voor zover dat binnen het vermogen ligt. 4.Burgemeester en wethouders wegen bij de afstemming van hulp en ondersteuning de volgende aspecten mee: de behoefte aan hulp en ondersteuning van de inwoner of het gezin, almede de eigen kracht en mogelijkheden van het sociale netwerk; welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet; welke (informele) hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn. 5.Burgemeester en wethouders ondersteunen een cliënt of de jeugdige en/of zijn ouders richting Centraal Indicatieorgaan Zorg, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt of de jeugdige in aanmerking komt voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg. 6.Indien de cliënt of de jeugdige en/of zijn ouders weigeren mee te werken aan ondersteuning als bedoeld in het vorige lid, zijn burgemeester en wethouders niet gehouden een individuele voorziening toe te kennen of voort te zetten op grond van deze verordening. 7.Indien een jeugdige van 16 jaar of ouder die hulp op grond van de Jeugdwet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijke kader als bedoeld onder lid 2 sub a tot en met e, zijn burgemeester en wethouders verantwoordelijk om: voor het achttiende levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn, en de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is. Artikel3.Betrekken van verschillende doelgroepen bij de uitvoering van de verschillende wetten en het beleid 1.Burgemeester en wethouders stellen een Adviesraad Sociaal Domein Nissewaard in. 2.De gemeenteraad stelt bij verordening regels over onder andere de instelling, werkwijze en faciliteiten van de Adviesraad Sociaal Domein Nissewaard. 2.Jeugdhulp 2.1Algemene bepalingen jeugdhulp Artikel4.Definities In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: algemeen gebruikelijk: diensten of middelen die niet speciaal zijn bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar zijn en niet of niet veel duurder zijn dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen; algemene voorziening: voorziening als bedoeld in artikel 5, eerste lid; andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers en opvoeders; individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouders toegesneden voorziening als bedoeld in artikel 5, tweede lid; persoonlijk plan: beschrijving van de ondersteuning die volgens de jeugdige of diens ouders de beste oplossing biedt; pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet, zijnde een door burgemeester en wethouders verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken. Artikel5.Vormen van jeugdhulp 1.De volgende vormen van algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: jeugdgezondheidszorg volgens de Wet publieke gezondheid; integrale vraagverheldering; toeleiding naar individuele ondersteuning en hulp; voorlichting, informatie en (opvoed)advies; schoolmaatschappelijk werk; opvoedondersteuning en training voor specifieke doelgroepen kortdurende coaching en begeleiding van jeugdigen met een beperking;, psychosociale problemen of psychische problemen praktijkondersteuning huisartsen GGZ; casusregie bij meervoudig complexe problematiek online hulpverlening vertrouwenspersoon; diagnostiek voor probleemverheldering 2.De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: persoonlijke verzorging voor jeugdigen met beperking, psychosociale problemen of psychische problemen. kortdurende (generalistische) basis-ggz en dyslexiezorg bij enkelvoudige problematiek; langdurige (specialistische) begeleiding voor jeugdigen met een beperking, psychosociale problemen of psychische problemen dagbesteding en (specialistische) dagbehandeling voor jeugdigen met een beperking, psychosociale problemen of psychische problemen medische kinderdagbehandeling vervoer voor jeugdigen met een beperking, psychosociale problemen en psychische problemen langdurige specialistische ggz of opvoedhulp bij complexe problemen; individuele behandeling voor jeugdigen met een verstandelijke beperking crisishulp; forensische hulp; gesloten jeugdhulp; pleegzorg; residentiële hulp; 2.2Toegang tot jeugdhulp Artikel6.Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1.Burgemeester en wethouders zorgen voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2.Als de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken, leggen burgemeester en wethouders de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking. Artikel7.Toegang jeugdhulp via de gemeente 1.Jeugdigen of ouders kunnen een behoefte aan jeugdhulp melden bij burgemeester en wethouders. 2.Burgemeester en wethouders bevestigen de ontvangst van een melding en wijzen de jeugdige of zijn ouders op de mogelijkheid om binnen zeven dagen na de melding een persoonlijk plan op te stellen. Artikel8.Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren 1.Burgemeester en wethouders onderzoeken in samenspraak met de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van de melding: de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en zijn ouders, de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie; of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen, en zo ja: welke problemen of stoornissen dat zijn; welke ondersteuning, hulp en zorg naar aard en omvang nodig zijn voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders en de personen die tot hun sociale netwerk behoren toereikend zijn om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden, en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, algemene voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg; 2.Als de jeugdige of zijn ouders een persoonlijk plan hebben opgesteld, betrekken burgemeester en wethouders dat bij het onderzoek. 3.De jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger verschaffen burgemeester en wethouders de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. 4.De jeugdige en zijn ouders zijn verplicht om medewerking te verlenen aan burgemeester en wethouders voor de uitvoering van de Jeugdwet, waaronder tevens wordt verstaan het verlenen van medewerking aan een onderzoek door een of meerdere deskundigen als burgemeester en wethouders dit noodzakelijk achten voor de uitvoering van deze wet. Artikel9.Onderzoeksverslag Na het onderzoek verstrekken burgemeester en wethouders aan de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek (het gezinsplan). Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouders worden aan het verslag toegevoegd. Artikel10.Aanvraag 1.De jeugdige of zijn ouders kunnen een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk indienen bij burgemeester en wethouders. 2.Als de jeugdige of ouders de jeugdhulp zelf wenst in te kopen met een PGB, moet hij daarvoor een pgbplan indienen zoals bedoeld in artikel 14. 3.Burgemeester en wethouders geven de beschikking af binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag. 4.In afwijking van het vorige lid bedraagt de termijn acht weken wanneer de aanvraag niet is vooraf gegaan door de in artikel 8 genoemde onderzoeksperiode van zes weken. Artikel11.Voorwaarden en weigeringsgronden voor een individuele voorziening 1.De jeugdige of zijn ouders kunnen slechts in aanmerking komen voor een individuele voorziening of een voorziening voor vervoer voor zover zij geen oplossing kunnen vinden binnen hun eigen vermogen of sociale netwerk voor de hulpvraag, tenzij: de gevraagde individuele voorziening voor een jeugdige en zijn ouders algemeen gebruikelijk is; de jeugdige en zijn ouders met gebruikmaking van overige voorzieningen de beperkingen, psychosociale of psychische problemen kan wegnemen; er sprake is van beperkingen, psychosociale of psychische problemen, die aanleiding geeft tot hulp of ondersteuning en waarbij aanspraak op een voorziening op grond van een ander wettelijk kader bestaat, of De jeugdige door beperkingen, psychosociale of psychische problemen geen gebruik kan maken van collectief vervoer en het gevraagde vervoer niet algemeen gebruikelijk is. 2.Als de jeugdige of zijn ouders de gevraagde voorziening na de melding en vóór datum van besluit hebben gerealiseerd of geaccepteerd dan verstrekken burgemeester en wethouders hier geen vergoeding voor, tenzij zij daarvoor schriftelijk toestemming hebben gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen; 3.Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekken burgemeester en wethouders de goedkoopst adequate tijdig beschikbare voorziening. 2.3Pgb jeugdhulp Artikel12.Onderscheid formele en informele hulp 1.Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van zorgverleners die bloedverwant in de eerste of tweede graad zijn van de jeugdige: personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel en ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. 2.Zorgverleners die op grond van het eerste lid geen formele zorgverlener zijn, zijn informele zorgverlener. Artikel13.Geen GGZ-behandeling vanuit sociaal netwerk De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan geen jeugdhulp betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk indien het een GGZ-behandeling betreft. Artikel14.Pgbplan Het pgbplan bevat in elk geval: de doelen en resultaten van de in te kopen hulp en/of ondersteuning; Hoe de jeugdige of zijn ouders de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren; De motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en een pgb gewenst is; De voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt; Op welke wijze de kwaliteit van de jeugdhulp is gewaarborgd; en De kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief. Artikel15.Hoogte pgb 1.De hoogte van een pgb voor formele hulp bedraagt het tarief voor zorg in natura tenzij op basis van het pgbplan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. 2.Als het op basis van het eerste lid vastgestelde tarief onvoldoende is om de noodzakelijke jeugdhulp te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat deze hulp hiermee bij tenminste één jeugdhulpaanbieder kan worden ingekocht. 3.De hoogte van het pgb voor informele hulp is bij het bestaan van een dienstbetrekking gelijk aan het minimum uurloon inclusief vakantiebijslag en vakantie uren zoals bedoeld in de Wet minimumloon voor een persoon van 21 jaar of ouder bij een werkweek van 36 uur. 4.De totale kosten voor informele hulp in de vorm van kortdurend verblijf bedragen maximaal het tarief voor deze zorg in natura. Artikel16.Opschorting betaling uit het pgb 1.Burgemeester en wethouders kunnen de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van de persoon aan wie het pgb is verstrekt een gegrond vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid, onder a, d of e, van de Jeugdwet. 2.Burgemeester en wethouders kunnen de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de (ziekenhuis)opname. 3.Burgemeester en wethouders stellen de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid. 2.4Overige bepalingen jeugdhulp Artikel17.Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen en pgb’s 1.Burgemeester en wethouders onderzoeken periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van individuele voorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan. 2.Burgemeester en wethouders wijzen een toezichthouder aan die belast is met het toezicht op de naleving van de rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet. Artikel18.Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet 1.Onverminderd artikel 8.1.2 van de Jeugdwet doen de jeugdige of zijn ouders aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening of pgb. 2.Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeugdwet kunnen burgemeester en wethouders een beslissing aangaande een individuele voorziening of pgb beëindigen, wijzigen, herzien dan wel intrekken als burgemeester en wethouders vaststellen dat: de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen; de individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de individuele voorziening of het pgb, of de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is. 3.Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 4.Als burgemeester en wethouders een besluit hebben herzien of ingetrokken op grond van het tweede lid sub a, dan kunnen zij de geldschade vorderen van de teveel of ten onrechte genoten individuele voorziening of het teveel of ten onrechte genoten pgb. Artikel19.Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Burgemeester en wethouders houden in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: de aard en omvang van de te verrichten taken; de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; een redelijke toeslag voor overheadkosten; Kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg, en de kosten voor bijscholing van het personeel. 3.Maatschappelijke ondersteuning 3.1Algemene bepalingen maatschappelijke ondersteuning Artikel20.Definities In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: algemeen gebruikelijk: diensten of middelen die niet speciaal zijn bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar zijn en niet of niet veel duurder zijn dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen; andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4 eerste lid en 2.1.4a eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft; ingezetene: cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Nissewaard; persoonlijk plan: beschrijving van de ondersteuning die volgens cliënt of zijn gemachtigde of wettelijk vertegenwoordiger de beste oplossing biedt; pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; woonvoorziening: bouwkundige of niet-bouwkundige individuele voorziening in de woning van een cliënt, waardoor de cliënt in zijn woning kan blijven wonen. Artikel21.Aanbod algemene en maatwerkvoorzieningen 1.De volgende algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: inloop en ontmoeting; mantelzorgondersteuning zonder verblijf; onafhankelijke cliëntondersteuning. 2.De volgende maatwerkvoorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: begeleiding; dagbesteding en kortdurend verblijf; collectief vraagafhankelijk vervoer; hulpmiddelen; huishoudelijke ondersteuning; woonvoorziening; verhuiskostenvergoeding; opvang. 3. De maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en geclusterd wonen zijn ook beschikbaar. Voor de toegang tot en beslissing over deze maatwerkvoorzieningen is de Verordening maatschappelijke ondersteuning beschermde woonvormen Zuid-Hollandse Eilanden 2022 van toepassing. Artikel22.Jaarlijkse waardering mantelzorgers Burgemeester en wethouders stellen bij besluit regels over op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel23.Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen Burgemeester en wethouders bieden de tegemoetkoming in de meerkosten zoals bedoeld in artikel 2.1.7 van de Wmo aan in de vorm van een collectieve zorgverzekering voor minima. 3.2Toegang tot maatschappelijke ondersteuning Artikel24.Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren 1.Burgemeester en wethouders onderzoeken in samenspraak met de degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel zijn vertegenwoordiger en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van de melding: de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt, en of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de cliënt en zo ja: welke problemen of stoornissen dat zijn; welke ondersteuning, hulp en zorg naar aard en omvang nodig zijn voor de cliënt om voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de cliënt en de personen die tot zijn sociale omgeving behoren toereikend zijn om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden, en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, algemene voorziening of maatwerkvoorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg. 2.De factoren genoemd in artikel 2.3.2, vierde lid van de Wmo, maken in elk geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek. 3.Als de cliënt een persoonlijk plan heeft opgesteld, betrekken burgemeester en wethouders dat bij het onderzoek. 4.De cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger verschaft burgemeester en wethouders de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. 5.De cliënt is verplicht om medewerking te verlenen aan burgemeester en wethouders voor de uitvoering van de Wmo, waaronder tevens wordt verstaan het verlenen van medewerking aan een onderzoek door een of meerdere deskundigen als burgemeester en wethouders dit noodzakelijk achten voor de uitvoering van deze wet. Artikel25.Aanvraag 1.Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij burgemeester en wethouders. 2.Als een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger de voorziening zelf wenst in te kopen met een PGB, moet hij daarvoor een pgbplan indienen zoals bedoeld in artikel 29. Artikel26.Voorwaarden en weigeringsgronden voor een maatwerkvoorziening 1.Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekken burgemeester en wethouders de goedkoopst passende compenserende voorziening. 2.De maatwerkvoorziening wordt slechts verstrekt indien deze gezien de beperkingen van de cliënt, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt . 3.Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: als de cliënt de problemen kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van een algemeen gebruikelijke voorziening; indien er aanspraak gemaakt kan worden op een voorliggende voorziening; als de cliënt de gevraagde voorziening na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij burgemeester en wethouders daarvoor schriftelijk toestemming hebben gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen; als de gevraagde voorziening al eerder aan de cliënt is verstrekt op grond van enige wettelijke bepaling en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet verstreken is. Tenzij de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen of de cliënt de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt; als deze niet hoofzakelijk op het individu is gericht; als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan. 4.Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt als: deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden, begeleiding of kortdurend verblijf; de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Nissewaard; de cliënt geen ingezetene is van Nederland en in aanmerking wil komen voor opvang. 5.Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt alleen rekening gehouden met de sociaal-recreatieve verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving met een maximum van 1.800 kilometer op jaarbasis. 6.Geen woonvoorziening wordt verstrekt: als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen; als de cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen; ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt; als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt; als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is; als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door burgemeester en wethouders; als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten gerealiseerd kan worden. Artikel 27. Beschermd wonen [vervallen] 3.3Pgb en financiële tegemoetkomingen Artikel28.Onderscheid formele en informele hulp 1.Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de cliënt: Personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; Personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en rust op hen de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid op basis van de professionele standaard. 2.Informele hulp is: Hulp die geboden wordt door personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoen aan de criteria als genoemd in het eerste lid; Hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in het eerste lid, maar bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad zijn van cliënt. Artikel29.Pgbplan Het pgbplan bevat in elk geval: De doelen en resultaten van de in te kopen hulp en/of ondersteuning; Hoe de cliënt zelf of met hulp van iemand uit het sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren; Motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en een pgb gewenst is; De voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de hulp en/of ondersteuning georganiseerd wordt; Op welke wijze de kwaliteit en veiligheid van de voorziening is gewaarborgd; De kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief. Artikel30.Hoogte pgb 1.De hoogte van het pgb voor een zaak wordt maximaal vastgesteld op: Het bedrag van de goedkoopst compenserende voorziening in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering of; Het bedrag van de kosten volgens de door burgemeester en wethouders geaccepteerde offerte indien de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft gesloten. 2.De hoogte van het pgb voor vervoer bedraagt de kilometerprijs die de gemeente betaalt voor het collectief vervoer, waarbij het uitgangspunt geldt dat 1.800 kilometer op jaarbasis binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen worden gereisd. Er dient verantwoording te worden afgelegd voor het daadwerkelijk reizen van de kilometers. Het college stelt in nadere regels vast hoe deze verantwoording dient plaats te vinden. 3.De hoogte van het pgb voor formele hulp in de vorm van diensten is gelijk aan het tarief voor gecontracteerde ondersteuning in natura, tenzij op basis van het pgbplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht. 4.De hoogte van het pgb voor informele hulp is bij het bestaan van een dienstbetrekking gelijk aan het minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag en vakantie uren, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 21 jaar of ouder met een 36-urige werkweek. Hiervoor hebben Burgemeester en Wethouders nadere regelgeving vastgesteld. 5.De totale kosten voor informele hulp in de vorm van kortdurend verblijf bedragen maximaal het tarief voor deze zorg in natura. 6.Indien het op basis van lid 1, lid 2 en lid 3 vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen voorziening te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht. 7.Burgemeester en wethouders kunnen bij besluit regelen hoe de hoogte van een pgb wordt vastgesteld. Artikel31.Opschorting betaling uit het pgb 1.Burgemeester en wethouders kunnen de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van de persoon aan wie het pgb is verstrekt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 2.Burgemeester en wethouders kunnen de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als de cliënt langer dan een door het college vastgestelde periode verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. 3.Burgemeester en wethouders stellen de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid. Artikel32.Financiële tegemoetkoming voor verhuizing en inrichting Burgemeester en wethouders kunnen een financiële tegemoetkoming verstrekken voor verhuizing en inrichting. Zij stellen de hoogte hiervan vast bij besluit. 3.4Eigen bijdrage in de kosten van voorzieningen Artikel33.Bijdrage in de kosten van voorzieningen en pgb’s 1.Een cliënt is geen eigen bijdrage verschuldigd voor het gebruik van algemene voorzieningen. 2.Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura of een pgb zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 3.Als een maatwerkvoorziening of pgb wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is de bijdrage in de kosten verschuldigd door: de onderhoudsplichtige ouders en; degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. 4.De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura is gelijk aan de kosten die burgemeester en wethouders voor de desbetreffende maatwerkvoorziening zelf maken. 5.De kostprijs van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb. 6.Aan de cliënt die gebruik maakt van de maatwerkvoorziening collectief vervoer wordt in afwijking van de bepalingen in dit artikel, een ritprijs in rekening gebracht ter hoogte van de kosten van het openbaar vervoer. 7.De bijdragen in de kosten voor opvang worden door de opvangverlenende instantie vastgesteld en geïnd. 3.5Overige bepalingen maatschappelijke ondersteuning Artikel34.Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s Burgemeester en wethouders onderzoeken periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan. Artikel35.Niet besteden pgb binnen zes maanden Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Artikel36.Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1.Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning; erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken. 2.Ter nadere uitwerking van de eisen genoemd in het eerste lid wordt aangesloten bij het toetsingskader Toezicht Wmo van GGD Rotterdam Rijnmond. 3.Het eerste en tweede lid zijn van toepassing op aanbieders van zorg in natura en aanbieders van met pgb ingekochte formele hulp. 4.Door burgemeester en wethouders via pgb verstrekte hulpmiddelen en woningaanpassingen dienen geschikt te zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt. 5.Burgemeester en wethouders zijn te allen tijde bevoegd om (de uitvoering van) het pgbplan te evalueren. 6.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden zien burgemeester en wethouders toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel37.Meldingsregeling calamiteiten en geweld Burgemeester en wethouders treffen een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder. Artikel38.Klachtregeling aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten. Artikel39.Medezeggenschap Door de gemeente gecontracteerde aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, ten aanzien van alle voorzieningen met uitzondering van: Hulpmiddelen en Woonvoorzieningen Artikel40.Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden 1.Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stellen burgemeester en wethouders vast: een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met derde; of een reële prijs die geldt als ondergrens voor: een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2.Burgemeester en wethouders stellen de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, en rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3.Burgemeester en wethouders baseren de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: De voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; Een redelijke toeslag voor overheadkosten; Kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; Reis- en opleidingskosten; Indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; Overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4.Werk, inkomen, re-integratie en tegenprestatie 4.1Afstemming Participatiewet, IOAW en IOAZ 4.1.1Algemene bepalingen Artikel41.Definities In onderdeel 4.1 wordt verstaan onder: benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; bijstandsnorm: toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet, of grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen voor zover sprake is van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Artikel42.Besluit tot opleggen van een verlaging In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als bedoeld in de artikelen 9a, twaalfde lid, en 18, tweede, vijfde en zesde lid, van de Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen worden in ieder geval vermeld: de reden van de verlaging; de duur van de verlaging; het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, en indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging. Artikel43.Horen van belanghebbende 1.Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 2.Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: de vereiste spoed zich daartegen verzet; belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; burgemeester en wethouders het horen niet nodig achten voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid, of belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken. Artikel44.Afzien van verlaging 1.Burgemeester en wethouders zien af van een verlaging als: elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan door burgemeester en wethouders heeft plaatsgevonden. 2.Burgemeester en wethouders kunnen afzien van een verlaging als zij daarvoor dringende redenen aanwezig achten. 3.Als burgemeester en wethouders afzien van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. Artikel45.Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging 1.Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm. 2.In afwijking van het eerste lid wordt bij aanvang van de bijstand een verlaging toegepast per toekenningsdatum van de bijstand. 3.Een verlaging kan met terugwerkende kracht worden toegepast op de uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad of over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden als een verlaging overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken. 4.Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog opgelegd als belanghebbende binnen twaalf maanden na bekendmaking van het besluit tot verlaging, opnieuw een uitkering ontvangt. Artikel46.Berekeningsgrondslag 1.Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm. 2.In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als: aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet, of de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft. 3.Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de paragrafen 1.1 tot en met 1.4 van hoofdstuk 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de Participatiewet verleende bijzondere bijstand’. 4.Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de paragrafen 1.1 tot en met 1.4 van hoofdstuk 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de verleende bijzondere bijstand’. 4.1.2Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel47.Gedragingen Participatiewet Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; tweede categorie: het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet; het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet; het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet; het niet of onvoldoende verrichten van een door burgemeester en wethouders opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet; het in onvoldoende mate gebruik maken van een door burgemeester en wethouders aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot het voortijdig beëindigen van deze voorziening; het zich anderszins onvoldoende inzetten voor arbeidsinschakeling op grond van de artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet voor zover deze verplichtingen niet voortvloeien uit artikel 18, vierde lid van de participatiewet. derde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. Artikel48.Gedragingen IOAW en IOAZ Gedragingen van een belanghebbende waardoor of een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; tweede categorie: het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; het niet of in onvoldoende mate meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak; het niet of onvoldoende gebruik maken van een door burgemeester en wethouders aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; het niet of onvoldoende verrichten van een door burgemeester en wethouders opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; derde categorie: het niet of onvoldoende gebruik maken van een door burgemeester en wethouders aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; het niet naar vermogen verkrijgen, behouden of aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid. Artikel49.Hoogte en duur van de verlaging De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 46 en 47, wordt vastgesteld op: 10% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie; 30% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie; 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie. 4.1.3Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel50.Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende: één maand bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel b, g en h, van de Participatiewet; twee maanden, bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel a, c, d, e en f, van de Participatiewet. Artikel51.Verrekenen verlaging 1.Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 50, wordt toegepast over de maand van oplegging van de maatregel en de volgende twee maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. 2.Bij een verlaging als bedoeld in artikel 50, onderdeel a, kan de verlaging worden toegepast over twee maanden waarbij zowel aan de maand van oplegging als aan de daaropvolgende maand de helft van de verlaging wordt toebedeeld. 3.Bij een verlaging als bedoeld in artikel 50, onderdeel b, kan de verlaging worden toegepast over drie maanden waarbij zowel aan de maand van oplegging als aan de twee daaropvolgende maanden een derde van de verlaging wordt toebedeeld. 4.Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de Participatiewet, vindt geen verrekening als bedoeld in het eerste lid plaats. 4.1.4Overige gedragingen die leiden tot een verlaging Artikel52.Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1.Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt afgestemd op het benadelingsbedrag. 2.De verlaging wordt vastgesteld op: 10% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,-; 30% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 1.000,- tot € 2.500,-; 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.500,-. Artikel53.Zeer ernstige misdragingen Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet of tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet, wordt een verlaging opgelegd van: 100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen de genoemde personen; 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken en bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegen de genoemde personen. Artikel54.Niet nakomen van overige verplichtingen Als een belanghebbende een door burgemeester en wethouders opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op: 30% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling; 30% van de bijstandsnorm één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand; 30% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand; 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand. 4.1.5Samenloop en recidive; Blijvende of tijdelijke weigering IOAW/IOAZ Artikel55.Samenloop van gedragingen 1.Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. 2.Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. 3.Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd. 4.Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. Artikel56.Recidive 1.Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 47, onder b of c, 48, onder b of c, 52, eerste lid, of 54 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. 2.Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 47, onder a, 48, onder a, of 53 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de hoogte van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. 3.Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, bedraagt de verlaging honderd procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden. Artikel57.Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ Als burgemeester en wethouders de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 20, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen blijvend of tijdelijk weigeren en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege. Artikel58.Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of IOAZ-uitkering 2.Burgemeester en wethouders kunnen de aangevraagde uitkering tijdelijk weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de IOAW of de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als: aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en een persoon ter zake een verwijt kan worden gemaakt, of de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van een persoon zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. 3.Burgemeester en wethouders kunnen de aangevraagde uitkering blijvend weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de IOAW van de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als een persoon: nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, of door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt. 4.2Re-integratie 4.2.1Algemene bepalingen Artikel59.Definities In hoofdstuk 4 wordt verstaan onder: doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet; grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar; korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar; Proefplaatsing: periode waarbinnen een bijstandsgerechtigde met behoud van uitkering aan het werk gaat bij een werkgever om van beide kanten te ervaren of de werkplek geschikt is voor de kandidaat. 4.2.2Beleid en financiën Artikel60.Evenwichtige verdeling en financiering 1.Burgemeester en wethouders kunnen de voorziening, bedoeld in artikel 61, aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot de arbeidsmarkt. 2.Burgemeester en wethouders kunnen de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 61 en 65, aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. 3.Burgemeester en wethouders houden bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. 4.2.3Voorzieningen Artikel61.Opdracht aan het college 1.Het college biedt de belanghebbende, ondersteuning bij re-integratie en participatie en biedt, voor zover het college dat noodzakelijk acht, één of meer participatievoorzieningen aan. 2.Het college zorgt voor een voldoende gevarieerd aanbod van participatievoorzieningen. Het college zal bij het bepalen van het aanbod aan participatievoorzieningen prioriteiten stellen in verband met de financiële mogelijkheden van de gemeente en maatschappelijke, economische en conjuncturele ontwikkelingen. 3.Het college bevordert een evenwichtige verdeling van participatievoorzieningen tussen de onderscheiden doelgroepen in artikel 1 van de Wet ParticipatieBudget, alsmede een gelijke aandacht voor de verschillende personen daarbinnen; 4.Het college spant zich in om de lokale en eventueel regionale arbeidsmarkt zodanig te bewerken dat deze beter toegankelijk wordt voor personen als bedoeld in artikel 63. 5.Ter uitvoering van het tweede en derde lid, stelt het college jaarlijks een begroting vast waarin de uitgaven worden geraamd van de inzet van participatievoorzieningen als bedoeld in deze verordening. 6.Het college legt jaarlijks verantwoording af over de uitvoering van het re-integratie en participatiebeleid. Het verslag bevat in ieder geval het advies van de cliëntenraad. Artikel62.Aanbieden voorziening Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen participatievoorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op: de zorgtaken; het feit dat een belanghebbende tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort; gebruik maakt van de voorziening beschut werk; een andere functionele beperking heeft; de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar; de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. Artikel63.Doelgroep 1.Tot de doelgroep behoren de personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid onderdeel a van de Participatiewet. 2.Niet tot de doelgroep behoren de personen die: geen uitkeringsgerechtigde is en die onderwijs of een beroepsopleiding volgt als bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000 of in hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; een kind is als bedoeld in artikel 7, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Algemene Kinderbijslagwet. 4.2.4Ondersteuning bij participatie Artikel64.Ondersteuning door het college 1.Ondersteuning van de doelgroep betreft het adviseren over of bieden van de meest effectieve weg naar participatie voor langere tijd. 2.In aanvulling op het eerste lid kan ondersteuning van jongeren bestaan uit het terugleiden naar school voor het behalen van een startkwalificatie en/of een vervolgopleiding gericht op het verbeteren van de arbeidsmarktpositie, het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid of een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Artikel65.Aanspraak op ondersteuning 1.Overeenkomstig artikel 10 van de Participatiewet kunnen personen behorend tot de doelgroep aanspraak maken op ondersteuning door het college en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte participatievoorziening(en). 2.Geen aanspraak op ondersteuning bestaat indien sprake is van een voorliggende voorziening welke naar het oordeel van het college in voldoende mate bijdraagt aan de participatie van de belanghebbende. 3.Geen aanspraak op ondersteuning bestaat er voor personen jonger dan 27 jaar die uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen, met uitzondering van het bepaalde in deze verordening voor zover het betreft het terugleiden naar school voor het behalen van een startkwalificatie en/of een vervolgopleiding gericht op het verbeteren van de arbeidsmarktpositie. Artikel66.Beëindiging, weigering of intrekking van de ondersteuning Het college kan een participatievoorziening beëindigen, weigeren of intrekken indien: belanghebbende zijn verplichtingen herhaaldelijk en verwijtbaar niet nakomt; een persoon die deelneemt aan een participatievoorziening niet meer tot de doelgroep behoort zoals bedoeld in artikel 63 van deze verordening; het college een andere participatievoorziening aanbiedt die naar zijn oordeel passender is; naar het oordeel van het college de participatievoorziening niet, niet langer dan wel in onvoldoende mate bijdraagt aan de participatie van belanghebbende; het door het college ingestelde budgetplafond voor de betreffende voorziening is bereikt. Artikel67.Vorm van de ondersteuning 1.Ondersteuning kan worden gegeven door het aanbieden van één of meerdere participatievoorzieningen, het bieden van praktische hulp, het geven van advies of het doorverwijzen naar een andere instantie. 2.De ondersteuning sluit aan bij de behoeften, mogelijkheden en ervaringen van belanghebbende zoals deze naar het oordeel van het college bestaan. 4.2.5Hoofdstuk 3: Rechten en plichten Artikel68.Verplichtingen van belanghebbende 1.Voor de belanghebbende gelden de volgende verplichtingen: het verstrekken van de inlichtingen aan het college die nodig zijn voor het bepalen van een passende participatievoorziening en het naar vermogen meewerken en deelnemen aan de aangeboden participatievoorziening; na te laten hetgeen de realisatie van het traject belemmert; na te laten hetgeen de inschakeling in de arbeid belemmert; het onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard; het onmiddellijk aan het college melden indien door ziekte dan wel door andere omstandigheden (tijdelijk) niet aan een of meer verplichtingen ingevolge deze verordening kan worden voldaan; het meewerken aan begeleiding en controle bij ziekteverzuim; het meewerken aan een door het college opgelegde tegenprestatie. 2.Indien de schuldsituatie van een belanghebbende naar het oordeel van het college de participatie belemmert, kan de belanghebbende worden verplicht mee te werken aan een door het college aan te bieden schuldbemiddelingstraject. 3.Indien het voor deelname aan een traject of voor participatie noodzakelijk is dat belanghebbende als bedoeld in artikel 63, zijn/haar kind(eren) laat opvangen, kan de belanghebbende, worden verplicht direct passende kinderopvang te regelen. 4.De inburgeringsplichtige is voor de inburgeringsvoorziening verplicht een eigen bijdrage te voldoen, zoals bedoeld in artikel 23, tweede lid van de Wet inburgering, waarbij het college: de eigen bijdrage direct na afronding van de inburgeringsvoorziening in één keer int of indien dit niet mogelijk is in termijnen int (conform het vastgestelde debiteurenbeleid); de eigen bijdrage op grond van artikel 24, eerste lid van de Wet inburgering, kan verrekenen met algemene bijstand of een uitkering op grond van sociale zekerheidswetten of sociale zekerheidsregelingen; de wijze van betaling voor de eigen bijdrage in de beschikking tot toekenning van een inburgeringsvoorziening vastlegt. Artikel69.Bestuurlijke boete voor inburgeringsplichtigen 1.Het college legt een bestuurlijke boete op: ter hoogte van € 500, indien de inburgeringsplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid, van de Wet Inburgering bedoelde termijn het inburgeringsexamen heeft behaald; Ter hoogte van € 1000, indien de inburgeringsplichtige niet binnen het door het college op grond van artikel 32 van de Wet inburgering vastgestelde termijn het inburgeringsexamen heeft behaald. 2.In afwijking van artikel 69, eerste lid, onderdeel b legt het college een bestuurlijke boete op ter hoogte van € 500, indien de inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van artikel 32 van de Wet Inburgering verlengde termijn het inburgeringsexamen heeft behaald maar hem dit niet te verwijten valt. Artikel70.Rechten van belanghebbende 1.De belanghebbende aan wie een participatievoorziening wordt aangeboden als bedoeld in deze verordening, heeft indien de belanghebbende de voorziening(

  1. en)aanvaardt recht op volledige bekostiging van de aangeboden participatievoorziening(en), met uitzondering van de eigen bijdrage voor inburgeringsplichtigen als bedoeld in artikel 23, tweede lid van de Wet Inburgering. 2.Het college kan besluiten ter bevordering van de arbeidsinschakeling van de belanghebbende als en op wie artikel 10a van de Participatiewet van toepassing is, een premie te verstrekken aan de belanghebbende die naar het oordeel van het college voldoende heeft meegewerkt aan de arbeidsinschakeling, ter hoogte van € 100 per zes maanden. 3.Het recht op de premie als bedoeld in het derde lid, ontstaat voor het eerst op de 1e dag van de zevende kalendermaand nadat belanghebbende is gestart met werken op de participatieplaats en vervolgens na afloop van elke 6 maanden, voor zolang de participatieplaats voortduurt. 4.Burgemeester en wethouders kunnen aan degene die op grond van art. 10a Participatiewet additionele werkzaamheden verricht en niet over een startkwalificatie beschikt een voorziening aanbieden in de vorm van scholing of opleiding die toegang tot reguliere arbeid bevordert. 5.Het vierde lid is niet van toepassing indien: de scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven gaan; de scholing of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. 6.Het college verstrekt aan de inburgeringsplichtige die gebruik maakt van een inburgeringsvoorziening, na afronding van deze voorziening een premie ter hoogte van € 270,-, en verrekent deze met de te innen eigen bijdrage als bedoeld in deze verordening. 4.2.6Tegenprestatie naar vermogen Artikel71.De tegenprestatie naar vermogen 1.Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie en die werkzaamheden: naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; niet zijn bedoeld als re-integratieinstrument; worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en niet leiden tot verdringing. 2.Het college stelt nadere regels vast welke aanvullende werkzaamheden in ieder geval kunnen worden aangeboden. Artikel72.Het opleggen van een tegenprestatie 1.Het college kan een tegenprestatie opleggen welke is gericht op het versterken van de eigen kracht en/of sociaal netwerk voor zover het college deze van toepassing acht. 2.Geen tegenprestatie wordt opgelegd aan: inwoners die enkel bijzondere bijstand ontvangen; alleenstaande ouders die op grond van art. 9a Participatiewet op eigen verzoek een ontheffing van de arbeidsverplichtingen hebben, omdat zij de volledige zorg hebben voor een kind tot vijf; uitkeringsgerechtigden die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn en grond daarvan volledig zijn vrijgesteld van arbeids- en re-integratieverplichting; de uitkeringsgerechtigde verricht parttime werk voor minimaal 20 uur per week, dan wel het naar vermogen maximaal haalbare uren; de uitkeringsgerechtigde neemt deel aan een re-integratietraject, waarmee op de korte of lange termijn wordt toegewerkt naar het kunnen gaan verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid; de uitkeringsgerechtigde verricht vrijwilligerswerk voor minimaal 16 uur per week; de uitkeringsgerechtigde verricht mantelzorg voor minimaal 16 uur per week; uitkeringsgerechtigden waarbij er sprake is van multiproblematiek en het opleggen van een tegenprestatie het plan van aanpak zoals opgesteld door het team Integrale Regievoering van de afdeling Zorg & Samenleving doorkruist. De tegenprestatie wordt qua invulling en duur afgestemd op de mogelijkheden van de uitkeringsgerechtigde en op de wensen en mogelijkheden van de organisatie die de maatschappelijke activiteit aanbiedt. Artikel73.Duur en omvang van de tegenprestatie 1.De omvang van de tegenprestatie kan variëren van een eenmalige activiteit tot een substantieel aantal uren per maand. 2.De duur van de tegenprestatie bedraagt maximaal twaalf maanden. Artikel74.Keuze invulling van de tegenprestatie De keuze voor de invulling van de tegenprestatie wordt in de volgende volgorde uitgevoerd: de uitkeringsgerechtigde zoekt zelf aantoonbaar een activiteit en organisatie; de gemeente zorgt voor de beschikbaarheid van activiteiten bij organisaties en de uitkeringsgerechtigde maakt hieruit een keuze; de gemeente zorgt voor de beschikbaarheid van activiteiten bij organisaties en maakt hieruit een keuze voor de uitkeringsgerechtigde; indien de uitkeringsgerechtigde zelf een activiteit en/of organisatie aandraagt als bedoeld in het eerste lid onderdeel a van dit artikel, wordt deze getoetst op de criteria als benoemd in deze verordening. 4.2.7Participatievoorzieningen Artikel75.Algemene bepalingen over participatievoorzieningen 1.Het college kan de activiteiten in het kader van deze verordening in eigen beheer uitvoeren, of in samenwerking met ketenpartners, of uitbesteden aan derden. 2.Ontwikkelkosten, zijnde kosten van activiteiten ten behoeve van het opzetten en uitvoeren van één of meer participatievoorzieningen, worden geacht tot (het uitvoeren van) de participatievoorziening(
  2. en)te behoren en komen derhalve niet ten laste van de gemeente. 3.Randvoorwaardelijke activiteiten en benodigde middelen die aan participatie- en werkgeversvoorzieningen worden toegerekend, worden geacht tot (het uitvoeren van) de participatievoorziening te behoren. Artikel76.Preventie 1.Het college zet de voorziening preventie in ter voorkoming van een uitkering in het kader van de Participatiewet, voortijdig schooluitval, problematische schulden en/of het verlies van zelfredzaamheid op één of meer leefgebieden. 2.De voorziening preventie betreft één of meer kortdurende activiteiten. 3.Preventie wordt bij voorkeur uitgevoerd in eigen beheer of via samenwerking met ketenpartners. Artikel77.Onderzoek 1.Het college kan onderzoek verrichten in verband met het verkrijgen van inzicht in de relevante kennis, kwaliteiten, mogelijkheden, beperkingen en belemmeringen van een belanghebbende teneinde diens arbeids,- re-integratie,- of participatiemogelijkheden te bepalen. 2.De wijze waarop het onderzoek plaatsvindt, wordt bepaald door het college en kan bestaan uit het verrichten van door het college opgelegde activiteiten. Artikel78.Directe bemiddeling naar regulier werk 1.Het college kan een belanghebbende binnen de doelgroep direct bemiddelen op een concreet baanaanbod. 2.Directe bemiddeling kan in eigen beheer worden uitgevoerd of worden uitbesteed aan derden. Artikel79.Re-integratievoorziening Voorne-Putten werkt 1.Het college kan aan een belanghebbende de intensieve re-integratievoorziening Voorne-Putten Werkt! aanbieden. 2.De deelnemer aan het Voorne-Putten werkt traject ontvangt gedurende het traject een Participatiewet,- Ioaw,-of Ioaz-uitkering. 3.De duur van de voorziening Voorne-Putten Werkt bedraagt maximaal twaalf maanden. Artikel80.Werktrajecten 1.Het college kan een werktraject aanbieden welke is gericht op het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid in dienstbetrekking. 2.Het werktraject bestaat tenminste uit bemiddeling naar regulier werk, maar kan eveneens bestaan uit aanbodversterking, proefplaatsing, training, scholing, stage of externe arbeidsactiviteiten. Artikel81.Activering 1.Het college kan een activeringstraject aanbieden welke is gericht op het verminderen dan wel opheffen van de in de persoon of diens sociale omgeving gelegen belemmeringen die de participatie of arbeidsinschakeling bemoeilijken. 2.Het doel van dit traject is divers en moet onder meer bestaan uit een verbeterde zelfstandige maatschappelijke participatie of uit toeleiding naar een werktraject. 3.Het activeringstraject bestaat tenminste uit deelname aan hulpverleningsactiviteiten, herstelbegeleiding, het verrichten van vrijwilligerswerk, het uitvoeren van maatschappelijk nuttige activiteiten zonder winstoogmerk of empowerment. Artikel82.Educatie Het college kan de voorziening educatie aanbieden welke bestaat uit één of meer cursussen of trainingen gericht op de bevordering van de Nederlandse taal, NT2 en/of rekenen, dit ten dienste van de zelfredzaamheid van inwoners. Artikel83.Scholing 1.Scholing kan bestaan, zover de belanghebbende behoort tot de doelgroep uit het aanbieden van opleidingen die leiden tot het behalen van een certificaat dan wel het aanbieden van bijscholing indien niet over een opleiding voor een beroep of branche waarin vraag op de arbeidsmarkt is, wordt beschikt. 2.Met uitzondering op het eerste lid, kan geen scholing worden ingezet, indien het scholing uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs betreft. Artikel84.Werkervaringsplaats 1.Een werkervaringsplaats betreft een tijdelijke arbeidsplaats bedoeld voor (langdurig) werklozen, om deze in staat te stellen werkervaring op te doen of deze in stand te houden. 2.Hierbij gaat het om additionele werkzaamheden die verricht worden bij (non) profit organisaties, naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. 3.De inzet van een werkervaringsplaats kan samen gaan met de inzet van overige participatievoorzieningen dan wel trainingen. Artikel85.Participatieplaats 1.Een participatieplaats als bedoeld in artikel 10a van de Participatiewet is een tijdelijke, additionele arbeidsplaats ten behoeve van de uitkeringsgerechtigde, waar met behoud van uitkering, werkervaring kan worden opgedaan. 2.In afwijking op het eerste lid, is de participatieplaats als bedoeld in artikel 10a van de Participatiewet, niet van toepassing op jongeren tot 27 jaar. 3.Een participatieplaats kan worden ingezet voor een belanghebbende die een dusdanig grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft waardoor hij vooralsnog niet bemiddelbaar is naar regulier werk. Artikel86.Traject naar zelfstandig beroep of bedrijf 1.Om te bepalen of een uitkeringsgerechtigde de potentie heeft om volledig te voorzien in het levensonderhoud door middel van uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf, kan na toestemming van het college een ondernemersbeoordeling worden uitgevoerd. 2.Indien uit de ondernemersbeoordeling blijkt dat de uitkeringsgerechtigde via een zelfstandig beroep of bedrijf volledig in het levensonderhoud zou kunnen voorzien, kan een traject naar zelfstandig beroep of bedrijf worden aangeboden. 3.In afwijking van het eerste en tweede lid, kan het traject naar zelfstandig beroep ook worden aangeboden aan een niet-uitkeringsgerechtigde indien hij/zij in de omstandigheden verkeert als bedoeld in artikel elf, eerste lid van de Participatiewet, artikel vijf, eerste lid Ioaw en artikel vijf, eerste lid Ioaz en hij/zij een concrete mogelijkheid heeft om direct door te stromen naar een zelfstandig beroep of bedrijf zonder dat toekenning van een uitkering op grond van voornoemde wetten noodzakelijk is. 4.De ondernemersbeoordeling en het traject, of onderdelen daarvan, worden gezien als re-integratie voor zover de kosten niet kunnen worden gedekt uit rijksmiddelen ten behoeve van uitvoering van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. Artikel87.Participatievoorziening beschut werken 1.Om beschut werken mogelijk te maken worden de volgende voorzieningen op de arbeidsinschakeling aangeboden: Fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving; Uitsplitsing van taken; of Aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 2.Het college zal , indien nodig, aan personen van wie is vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, tot het moment van aanvang van de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 10 b, eerste lid, van de Participatiewet, de volgende voorzieningen aanbieden: Sociale activering als bedoeld in deze verordening; Scholing als bedoeld in deze verordening; Persoonlijke ondersteuning als bedoeld in deze verordening; Schuldhulpverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; Stage met werkbegeleiding bij het Werk- en Leerbedrijf Voorne-Putten werkt of externe partners. 3.Het college beheert een wachtlijst beschut werk indien er meer bewoners met een indicatie beschut werk zijn dan het door het college beschikbaar gestelde aantal beschutte werkplekken. Deze wachtlijst betreft een overzicht van de personen die geïndiceerd zijn voor beschut werk, zoals bedoeld in artikel 10b van de Participatiewet. 4.Om te bepalen aan welke personen uit de doelgroep namens het college een voorziening beschut werk wordt aangeboden geldt de volgorde van plaatsing op de wachtlijst, waarbij de datum waarop het UWV een indicatie beschut heeft afgegeven bepalend is. 5.In afwijking van het vierde lid wordt indien er sprake is van een wachtlijst in de onderstaande volgorde voorrang gegeven aan: Leerlingen van het VSO cluster 3; Leerlingen van het praktijkcollege. Artikel88.Jobcoaching 1.Het college kan de voorziening persoonlijke ondersteuning Jobcoaching aanbieden indien deze ondersteuning noodzakelijk is in die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid zijn/ haar werkzaamheden niet zou kunnen verrichten en die persoon: behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie; of een structurele beperking heeft en niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie maar voor wie de inzet van jobcoaching wel noodzakelijk is. De inzet van een jobcoach bedraagt maximaal tweeënvijftig uren op jaarbasis gedurende een maximale periode van drie jaar. De noodzaak van jobcoaching wordt ieder half jaar beoordeeld. Artikel89.Begeleiding en nazorg 1.Begeleiding is het onderhouden van contact met de belanghebbende tijdens diens traject met als doel de voortgang van de participatieactiviteiten en succesvolle participatie te bevorderen. 2.Nazorg is het onderhouden van contact met belanghebbende die maximaal zes maanden geleden een traject heeft beëindigd wegens werkaanvaarding, en eventueel diens werkgever, over het functioneren van belanghebbende op de werkplek, teneinde duurzame participatie te bevorderen. 3.Begeleiding en nazorg kunnen onderdeel zijn van een traject, maar kunnen ook als losse participatievoorziening of als aanvulling op een traject worden aangeboden. De werkadviseur gebruikt begeleiding en eventueel nazorg als instrument(
  3. en)om regie te kunnen voeren op de participatie van belanghebbende. 4.2.8Werkgeversvoorzieningen Artikel90.Werkgeverssubsidie 1.Dit artikel is van toepassing indien een regulier dienstverband wordt aangegaan met een uitkeringsgerechtigde. 2.Het college kan, conform door het college nader te bepalen voorwaarden, aan een zelfstandig ondernemer die als werkgever een dienstverband voor reguliere arbeid aangaat met een uitkeringsgerechtigde als bedoeld in het eerste lid, eenmalig een werkgeverssubsidie en/of scholingsbudget bieden in de vorm van een bedrag om niet, niet zijnde de subsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet. 3.Het college kan aan een zelfstandig ondernemer, die als werkgever een dienstverband aangaat met uitkeringsgerechtigde als bedoeld in het eerste lid, een of meer voorzieningen aanbieden, indien deze naar het oordeel van het college het functioneren van de persoon op de werkplek bevorderen. 4.Het college kan naar aanleiding van ontwikkelingen op de arbeidsmarkt nadere werkgeversvoorzieningen vaststellen om bedrijfsrisico’s die (mogelijk) voortvloeien uit het in dienst nemen van een uitkeringsgerechtigde als bedoeld in het eerste lid, te beperken. 5.Aan de toekenning van een werkgeversvoorziening verbindt het college tenminste de navolgende voorwaarden: het dienstverband voor reguliere arbeid wordt aangegaan voor tenminste zes aaneengesloten maanden; het dienstverband voor reguliere arbeid genereert uitkeringsonafhankelijkheid of dit beslaat het maximaal aantal uren per week dat de persoon op grond van een onafhankelijk medisch arbeidsdeskundig advies mag werken; de ondernemer is op het moment van aanvraag en voor de duur van de voorziening ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Artikel91.Doelgroep loonkostensubsidie 1.Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. 2.Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht: Een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 7 eerste lid onderdeel a van de Participatiewet die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen en die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie; of Een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 10d, tweede lid van de Participatiewet. 3.Het college kan zich met betrekking tot het oordeel of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie laten adviseren door een deskundige die daarbij de onder lid 2 genoemde criteria in acht neemt. 4.Indien de belanghebbende behoort tot de doelgroep als omschreven in artikel 7 eerste lid onderdeel a van de Participatiewet en beschikt over een indicatie banenafspraak wordt vastgesteld dat de belanghebbende behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. Dit geldt niet indien de persoon, inmiddels werkzaam is in een dienstbetrekking die door het college op basis van artikel 10d van de participatiewet gesubsidieerd wordt en tijdens de uitvoering van de dienstbetrekking geconstateerd wordt dat de belanghebbende in staat is 100% van het wettelijk minimumloon te verdienen. 5.De hoogte van de loonkostensubsidie bedraagt maximaal 70% van het wettelijk miminumloon. Artikel92.Loonwaardebepaling 1.Voor de vaststelling van de loonwaarde maakt het college gebruik van een gevalideerde loonwaardemeting welke ten minste aan de onderstaande vereisten voldoet. De loonwaardebepaling: heeft alleen betrekking op het prestatieniveau van de werknemer; is transparant en objectief; wordt professionele en deskundig uitgevoerd; is toegankelijk en uitlegbaar. 2.Ter bepaling van de loonwaarde kan worden ingestemd met een proefperiode van maximaal 2 maanden. 4.2.9Flankerende voorzieningen Artikel93.Flankerende voorzieningen 1.Het college kan schuldbemiddeling aanbieden aan een belanghebbende al dan niet met een Participatiewet,- Ioaw,- of Ioaz uitkering, met financiële problemen die zich meldt bij de gemeente voor schuldbemiddeling en voldoet aan de voorwaarden die voor schuldbemiddeling door het college worden gesteld. Budgetbeheer kan als onderdeel van schuldbemiddeling worden aangeboden. 2.Het college kan een flankerende voorziening aanbieden gericht op het wegnemen van belemmeringen voor de (duurzame) participatie. 3.Het college kan de werkplek van een belanghebbende als bedoeld laten aanpassen, indien deze aanpassing naar het oordeel van het college noodzakelijk is voor het functioneren van belanghebbende. De werkplekaanpassing, of de vergoeding van de kosten hiervoor, kan hetzij worden toegekend aan belanghebbende, hetzij aan diens werkgever. Werkplekaanpassing op grond van deze verordening vindt slechts plaats voor zover geen andere wet- en regelgeving hierin voorziet. Artikel94.Experimentele voorzieningen 1.Het college kan besluiten om bij wijze van experiment, in verband met het vergroten van de doeltreffendheid en doelmatigheid van het participatiebeleid, bij de uitvoering van deze verordening af te wijken van het bepaalde en het gemeentelijk inkoop- en aanbestedingsbeleid. 2.Een experiment als bedoeld in het eerste lid duurt maximaal twee jaar. Artikel95.Gesubsidieerde arbeid 1.Het college draagt zorg voor de uitvoering van de dienstbetrekkingen als bedoeld in artikel 4 van de Wet Inschakeling Werkzoekenden, zoals dit artikel luidde op 31 december 2003. 2.Het college draagt enkel zorg voor de subsidiëring van arbeidsovereenkomsten met langdurig werklozen zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit In- en Doorstroombanen, zoals dit artikel luidde op 31 december 2003, voor personen: die op 1 januari 2011 60 jaar of ouder zijn. De subsidiëring wordt beëindigd zodra zij de pensioengerechtigde leeftijd bereiken, dan wel op een eerder moment zodra zij gebruik maken van een VUT- of flexibele pensioenregeling; die uiterlijk op 1 augustus 2011 zijn geplaatst op de wachtlijst als genoemd in artikel 12, eerste lid, van de Wet sociale werkvoorziening. De subsidiëring wordt beëindigd zodra: de ingezetene die geïndiceerd is een dienstbetrekking als bedoeld in de hoofdstukken 2 en 3 van de Wet sociale werkvoorziening gaat vervullen; de indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking op grond van artikel 12, derde of vierde lid, van de Wet sociale werkvoorziening wordt ingetrokken of vervalt; aan wie of ten behoeve van wie voorzieningen zijn verstrekt op grond van de Wet Inschakeling Werkzoekenden, en aan wie voortzetting van de onder het eerste lid bedoelde arbeidsovereenkomst is gegarandeerd tot aan het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, dan wel tot aan het op een eerder moment gebruik maken van een VUT- of flexibele pensioenregeling; die een werktraject volgen. De subsidiëring wordt beëindigd op de dag na die waarop dat traject afloopt. De dienstbetrekkingen en arbeidsovereenkomsten genoemd in het eerste en tweede lid, zijn voorzieningen in de zin van de Participatiewet. 4.2.10Individuele inkomenstoeslag Artikel96.Individuele inkomenstoeslag 1.In dit artikel wordt verstaan onder: inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet, en de algemene bijstand; peildatum: datum waarop een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt; referteperiode: periode van 24 maanden voorafgaand aan de peildatum. 2.Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, wordt ingediend door middel van een door burgemeester en wethouders vastgesteld formulier. 3.Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 120% van de toepasselijke bijstandsnorm. 4.Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per 12 maanden € 250,- per huishouden, aangevuld met een toeslag van € 300,- voor elk ten laste komend kind in de leeftijd van 4 tot 18 jaar oud. Voor het bepalen van de leeftijd van ten laste komende kinderen geldt de situatie op de peildatum. 4.2.11Individuele studietoeslag Artikel97.Individuele studietoeslag 1.Een verzoek als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, van de Participatiewet, wordt ingediend door middel van een door burgemeester en wethouders vastgesteld formulier. 2.Burgemeester en wethouders beoordelen of een persoon met voltijdse arbeid in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon. Indien burgemeester en wethouders hier onvoldoende zicht op hebben, wordt advies aan een arbeidsdeskundige gevraagd. 3.De toeslag wordt toegekend voor maximaal vier jaar en voor zolang belanghebbende voldoet aan de voorwaarden als opgenomen in artikel 36b Participatiewet. 4.Een individuele studietoeslag bedraagt € 100,- per maand. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. Het bedrag wordt naar boven afgerond op hele euro’s. 5.Een individuele studietoeslag wordt per maand uitbetaald. 4.2.12Hardheidsclausule Artikel98.Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen, ten gunste van belanghebbende, afwijken van de bepalingen in deze verordening indien toepassing van de verordening leidt tot onredelijkheid en onbillijkheid van overwegende aard. 5.Slotbepalingen Artikel99.Intrekken oude verordeningen De volgende verordeningen worden ingetrokken: Verordening Jeugdhulp Nissewaard; Verordening maatschappelijke ondersteuning Nissewaard; Participatieverordening Nissewaard; Verordening individuele minimatoeslag Nissewaard 2017; Verordening handhaving, maatregelen en boeten Nissewaard 2016; Verordening individuele studietoeslag Participatiewet Nissewaard. Artikel100.Overgangsrecht 1.Een recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de in artikel 99 genoemde verordeningen blijft gehandhaafd tot de einddatum van de beschikking of totdat burgemeester en wethouders een nieuw besluit hebben genomen waarbij het besluit waarmee die voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken, indien dit vóór de einddatum is. 2.Aanvragen die zijn ingediend onder de verordeningen bedoeld in het eerste lid en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de betreffende toepasselijke ingetrokken verordening, tenzij afhandeling krachtens deze verordening gunstiger is voor de inwoner. 3.Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de in artikel 99 genoemde verordeningen, wordt beslist met inachtneming van de betreffende toepasselijke ingetrokken verordening. 4.In afwijking van artikel 15 derde lid ontvangt een jeugdige of zijn ouders tot uiterlijk 1 januari 2025 pgb voor informele hulp conform een afbouwregeling tussen hetgeen in de Verordening Jeugdhulp Nissewaard opgenomen tarief en het nieuwe tarief wanneer: De jeugdige of zijn ouder dit pgb voor deze informele hulp ontving op 31 december 2019, en De jeugdige of zijn ouder in de periode van 1 januari 2020 tot 1 juli 2020 een indicatie heeft voor pgb voor informele hulp. Hierbij wordt het tarief vanaf 1 januari 2021 jaarlijks met 20% van het verschil gereduceerd. 5.In afwijking van artikel 30 vierde lid ontvangt een cliënt tot uiterlijk 1 januari 2021 pgb voor informele hulp conform het in de Verordening maatschappelijke ondersteuning Nissewaard opgenomen tarief wanneer: De cliënt dit pgb voor deze informele hulp ontving op 31 december 2019, en De cliënt in de periode van 1 januari 2020 tot 1 januari 2021 een indicatie heeft voor pgb voor informele hulp. Artikel101.Inwerkingtreding en citeertitel 1.Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2020. 2.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening sociaal domein Nissewaard. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Nissewaard van 11 december 2019,de griffier, mr. S.J.M. Mackaij de voorzitter,mr. F. van OostenToelichtingop de Verordening sociaal domein Nissewaard Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Algemeen Gemeenten hebben de opdracht gekregen om in het sociaal domein te komen tot de – door het Rijk beoogde – integrale uitvoering "over de wetten heen" (ook wel bekend onder het motto 'Eén gezin, één plan, één regisseur'). Het huidige stelsel regelt echter weinig voor een situatie waarop verschillende afzonderlijke wetten van toepassing zijn. Elke afzonderlijke wet stelt eisen aan de te doorlopen procedures en bevat bepalingen over de verwerking van persoonsgegevens voor de uitvoering van die specifieke wet. Gemeenten moeten de verschillende taken in het sociaal domein in samenhang met elkaar kunnen uitvoeren, maar een bekend signaal is dat deze wetten onvoldoende voorzien in een regeling voor een integrale taakuitvoering. Een overkoepelende wettelijke regeling ontbreekt. Uitgangspunt van deze ‘geïntegreerde’ verordening sociaal domein Er is gekeken naar de mogelijkheid en wenselijkheid om te komen tot een ‘geïntegreerde’ verordening voor het sociaal domein in brede zin. Wat betreft de mogelijkheid is gebleken dat er weliswaar serieuze belemmeringen bestaan om vergaand te integreren, maar dat er zeker mogelijkheden zijn die – mits goed uitgewerkt – van meerwaarde kunnen zijn in aanvulling op het optimaliseren van de uitvoeringspraktijk. Deze meerwaarde zit dan bijvoorbeeld niet in verregaandere mogelijkheden om gegevens uit te wisselen, maar in de uitdrukkelijke (erkenning van
  4. de)zorgplicht om zo integraal mogelijk te werken (met name bij de ‘toegang’), het waar mogelijk uniformeren van vergelijkbare regels (vergelijkbare regels in de afzonderlijke ‘kolommen’ voor jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning en werk en inkomen) en het waar mogelijk stellen van algemene, kolomoverstijgende regels. In deze verordening zijn daarom in eerste instantie de ‘kolommen’ jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning en werk, inkomen, re-integratie en tegenprestatie uitgewerkt. Uniformering van procedures en termijnen Het voornaamste doel van een geïntegreerde gemeentelijke regeling is het via een integrale toegang komen tot een integrale belangenafweging die de uitvoering van de verschillende sociale-domeinwetten omvat, via een zo uniform mogelijke procedure met zoveel mogelijk uniformering van termijnen. Dit maakt de uitvoering makkelijker, transparanter en beter voorspelbaar. Artikelsgewijs Artikel 1. Zorgplicht burgemeester en wethouders voor integrale toegang en intake De afzonderlijke wetten die het sociaal domein bestrijken voorzien niet in een wettelijke basis voor een uniforme en integrale, domeinbrede taakuitoefening met een uniforme en integrale, domeinbrede procedure. Om toch tegemoet te komen aan het beleidsvoornemen van de gemeente om zo veel mogelijk integraal te werken is burgemeester en wethouders hier de zorgplicht opgelegd om te zorgen voor een integrale toegang en intake. Deze integrale intake moet onderscheiden worden van de gesprekken die gevoerd worden in het kader van een onderzoek dat uitgevoerd wordt als er een meer concrete ondersteuningsbehoefte blijkt te zijn en duidelijk is binnen welk domein in de eerste plaats een oplossing gevonden kan worden. Het is aan burgemeester en wethouders om te bepalen hoe aan deze zorgplicht precies invulling gegeven wordt. In ieder geval moet bereikt worden dat inwoners op laagdrempelige wijze – en onafhankelijk van hun specifieke ondersteuningsbehoefte – bij de gemeente aan kunnen kloppen. Zowel voor informatie als voor hulp bij het verhelderen van een mogelijke ondersteuningsbehoefte. Zodra de ondersteuningsbehoefte duidelijk is worden ze doorgeleidt naar de passende instantie voor het verdere ondersteuningstraject. In die fase scheiden de wegen; er zijn aparte wettelijke kaders en daarom aparte trajecten met een eigen toegang voor jeugdhulp (hoofdstuk 2), maatschappelijke ondersteuning (hoofdstuk 3) en werk, inkomen, re-integratie en tegenprestatie (hoofdstuk 4). Artikel 2. Afstemming met andere vormen van hulp en ondersteuning Gemeenten hebben de opdracht gekregen om in het sociaal domein te komen tot de – door het Rijk beoogde – integrale uitvoering "over de wetten heen" (ook wel bekend onder het motto 'Eén gezin, één plan, één regisseur'). Daar waar sprake is van een ondersteuningsbehoefte van een persoon of gezin die voortvloeit uit meerdere wetten, draagt burgemeester en wethouders de verantwoordelijkheid de hulp en ondersteuning op elkaar af te stemmen. Het doel hiervan is effectieve ondersteuning vorm te geven en onnodige of dubbele uitgaven aan ondersteuning te vermijden. Om specifieker aan te geven over welke wettelijke kaders het gaat, is in het tweede lid een opsomming opgenomen. Enerzijds is dit bedoeld om de afstemming in te kaderen, zodat het niet ondersteuning betreft bij bijvoorbeeld de aanvraag van een rijbewijs of omgevingsvergunning. Anderzijds is het tweede lid bedoeld om de afstemming nadrukkelijk breder te leggen dan alleen de wetten waarover deze verordening gaat. Ook andere wettelijke kaders zijn van belang in het bevorderen van zelfredzaamheid en mogelijkheden mee te doen in de samenleving; zo is bij veel kwetsbare huishoudens sprake van schuldproblematiek die een belemmering kan vormen bij aanpak van andere ondersteuningsvraagstukken. De Wet langdurige zorg (Wlz) is genoemd omdat afstemming hiermee noodzakelijk is bij zeer kwetsbare inwoners, die mogelijk te zwaar zijn om onder gemeentelijk regime te worden ondersteund. Om een voor de inwoner goede overgang van gemeentelijk regime naar Wlz mogelijk te maken, is afstemming noodzakelijk. Het derde lid geeft een volgordelijkheid aan in de urgentie van hulp en ondersteuning. Dat wil zeggen dat wanneer hulp en ondersteuning vanuit verschillende wettelijke kaders met elkaar conflicteert, of onduidelijk is wat eerst ingezet moet worden, de in dit lid genoemde volgorde bepaalt welke hulp en ondersteuning prevaleert. Hierbij staat veiligheid voorop. Ook zal een crisis eerst gestabiliseerd moeten worden, voordat andere vormen van hulp en ondersteuning enig effect kunnen hebben. Hierom is stabilisatie van crisis belangrijker dan inzet van andere hulp en ondersteuning wanneer sprake is van samenloop. Als de situatie is gestabiliseerd is zelfredzaamheid het belangrijkste doel van hulp en ondersteuning, zoals het verkrijgen van eigen inkomen, het kunnen zorgen voor je eigen kinderen of het kunnen voeren van een eigen huishouden. Meedoen in de samenleving is ook een doel, dat veelal gelijktijdig met hulp en ondersteuning voor zelfredzaamheid wordt ingezet. Het is echter van onderschikt belang aan verkrijgen van voldoende zelfredzaamheid. Dus mochten hier conflicten ontstaan, dan wijkt hulp en ondersteuning voor meedoen in de samenleving ten gunste van eerder genoemde doelen. Bij het bepalen welke hulp en ondersteuning wanneer nodig is, bezien burgemeester en wethouders in ieder geval de in het vierde lid genoemde zaken. Dat betekent dat gekeken wordt wat iemand zelf kan, of eventueel met behulp van zijn eigen netwerk kan oplossen. De volgorde van hulp en ondersteuning is ook van belang, omdat een voorziening randvoorwaardelijk kan zijn voor succes van een andere voorziening. Daar waar hulp en ondersteuning gelijktijdig ingezet kan worden, gebeurt dit, tenzij dit de effectiviteit van de totale inspanningen vermindert. Daar waar voorzieningen gelijktijdig ingezet moeten worden, bijvoorbeeld om voldoende zelfredzaamheid te houden, gebeurt dit uiteraard. Ook wordt gekeken naar welke hulp op lange termijn de minste maatschappelijke kosten met zich meebrengt. Als lange termijn moet gezien worden een tijdspanne van in ieder geval enkele jaren. Onder maatschappelijke kosten wordt verstaan die kosten die de lokale samenleving moet dragen. Het college van burgemeester en wethouders is immers verantwoordelijk voor de lokale samenleving. Dit betekent dus niet dat ernstig beperkte personen onthouden moet worden een beroep te doen op de Wet langdurige zorg. Sterker, het regime van de Wlz moet worden toegepast wanneer dit kan, omdat hierdoor middelen voor de lokale samenleving beschikbaar komen. Inwoners met zware zorg, drukken immers sterk op het gemeentelijk budget in het sociaal domein en wanneer zij onder de Wlz kunnen vallen, kan dit budget anders worden ingezet ten gunste van inwoners van Nissewaard. Dat is geen afwenteling, aangezien de Wlz een eigen toegang kent met een strenge selectie die niet door burgemeester en wethouders kan worden beïnvloed. Alleen personen die ook echt aan de criteria van de Wlz voldoen, zullen worden toegelaten. Deze motivering is ook reden voor het opnemen van het vijfde lid van deze verordening. Het is geen keuzevrijheid van inwoners in hoeverre zij gebruik maken van de Wlz. De Wlz is voorliggend, ook al is het een voorziening voor de meest hulpbehoevenden. Uiteraard is het ingaan van een traject voor aanvraag van Wlz een ingrijpende beslissing, die veelal afweging vergt. Vandaar dat burgemeester en wethouders de in het vijfde lid genoemde ondersteuning bieden. Tevens is een aanvraag een ingewikkeld traject en heeft burgemeester en wethouders belang bij een goed overbouwde aanvraag. De ondersteuning is daarom ook niet vrijblijvend. Als de ondersteuning nodig geacht wordt, wordt deze ingezet. In de praktijk zijn inwoners vaak blij met de geboden ondersteuning in dit ingewikkelde traject. De in het zesde lid genoemde bepaling is opgenomen om te voorkomen dat de inwoner zelf bepaalt of gebruik wordt gemaakt van de Wlz of van gemeentelijke hulp of ondersteuning. In dit lid staat de mogelijkheid van burgemeester en wethouders om, ongeacht dat er behoefte is aan ondersteuning, deze toch niet te bieden omdat op een andere wettelijk kader een beroep zou kunnen worden gedaan. Uiteraard kan niet lichtzinnig een beroep worden gedaan op dit lid en zal voorafgaand aan dit besluit een uitgebreid traject moeten zijn doorlopen. Ook zullen de gegronde redenen op basis waarvan wordt verondersteld dat recht is op Wlz goed moeten worden onderbouwd. Tot slot staat in het zevende lid de afstemming tussen het wettelijk kader voor jeugdigen en de wettelijke kaders voor volwassenen. Om bij een hulpbehoevende inwoner een goed overgang te hebben van hulp voor het achttiende levensjaar, naar ondersteuning daarna, wordt al voor het achttiende jaar gekeken naar wat vanaf het achttiende jaar nodig is aan ondersteuning. Dit geldt voor jeugdigen die hulp ontvangen vanuit de Jeugdwet, niet voor alle jongeren. Ook wordt vanaf het zestiende jaar al gekeken welke hulp ingezet moet worden om vanaf het achttiende jaar de ondersteuningsbehoefte zo klein mogelijk te houden. Dit kan bijvoorbeeld gaan om opleiding om de kansen op werk te bevorderen, maar ook om het leren een eigen huishouden te runnen, als de jongere langdurig niet meer bij zijn ouders woont, of om individuele begeleiding om een opleiding af te kunnen ronden. Doel hiervan is een soepele overgang in regimes om te voorkomen dat er overgangsproblemen ontstaan die tot problemen leiden voor de jongere of die resultaten van ingezette hulp voor het achttiende levensjaar deels teniet zou doen. Ook is het doel om langdurige ondersteuning na het achttiende jaar zo minimaal als mogelijk te laten zijn. Wanneer inzet bij de minderjarige kan leiden tot meer zelfredzaamheid vanaf het achttiende jaar, heeft dit de voorkeur. Dit vraagt wel extra bewustwording bij jeugdige, ouders en hulpverleners. Artikel 3. Betrekken van verschillende doelgroepen bij de uitvoering van de verschillende wetten en het beleid De in dit artikel genoemde verordening betreft de Verordening Adviesraad Sociaal Domein Nissewaard. Hoofdstuk 2. Jeugdhulp Algemeen Dit hoofdstuk geeft uitvoering aan de Jeugdwet. Deze wet maakt onderdeel uit van de in 2015 ingezette bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van de jeugdzorg (inclusief jeugdbescherming en jeugdreclassering), de jeugd-ggz, de zorg voor verstandelijk beperkte jeugdigen en de begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen. Een van de uitgangspunten hierbij was dat een omslag gemaakt zou worden van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten (voorziening), op een wijze zoals eerder is gebeurd met de Wmo. Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg zijn vervangen door een voorzieningenplicht, waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jongere en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken. Vrij toegankelijk In dit hoofdstuk is onderscheid gemaakt tussen algemene (vrij-toegankelijke) en individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp (zie artikel 4, eerste, respectievelijk tweede lid). Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden. Toegang jeugdhulp via de gemeente Ook kan een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder binnenkomen bij de gemeente (in sommige gevallen nadat zij naar de gemeente zijn doorverwezen door Veilig Thuis. De beslissing door de gemeente welke zorg een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand op basis van het onderzoek dat namens burgemeester en wethouders in samenspraak met die jeugdige en zijn ouders wordt uitgevoerd. Veelal zal op basis van één of meerdere gesprekken tussen een door de gemeente ingezette deskundige en de jeugdige en zijn ouders gekeken worden wat de jeugdige en zijn ouders eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan zal eerst gekeken worden of dit een vrij-toegankelijke voorziening is of een niet vrij-toegankelijke voorziening. Is het laatste het geval dan nemen burgemeester en wethouders een besluit tot verstrekking van de voorziening en worden de jeugdige en zijn ouders doorverwezen naar een jeugdhulpaanbieder die in staat is om de betreffende problematiek aan te pakken. Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele expertise na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien toe op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de gemeente bij verordening heeft gesteld. Dit hoofdstuk regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is (zie artikel 4). Omdat de gemeente verder geen nadrukkelijke rol speelt in bij de toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist, regelt deze slechts een enkel aspect met betrekking tot het proces (zie artikel 5). Artikel 13 en verder zijn wel van overeenkomstige toepassing. Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezagsbeëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in dit hoofdstuk. Artikelsgewijs Artikel 4. Definities Onder het begrip ‘andere voorziening’ wordt in dit hoofdstuk verstaan een voorziening die niet op grond van de Jeugdwet wordt getroffen, maar in het kader van maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, werk en inkomen of zorg. Zie ook artikel 2.9, onder b, van de Jeugdwet. De verschillende beschikbare vormen van jeugdhulp zijn opgenomen in artikel 4 (algemene voorzieningen in het eerste lid, individuele voorzieningen in het tweede lid). Hoe individuele voorzieningen verkregen kunnen worden, is nader geregeld in paragraaf 2.2. De definitie van ‘pgb’ is opgenomen omdat de afkorting pgb in het spraakgebruik inmiddels meer is ingeburgerd dan voluit ‘persoonsgebonden budget’. Het aantal definities van artikel 3 is beperkt aangezien de Jeugdwet al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor dit hoofdstuk. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in de verordening. Het betreft onder meer definities van centrale begrippen als ‘jeugdhulp’, ‘jeugdige’ en ‘ouder’. In dit hoofdstuk gebruiken we de begrippen jeugdige en ouder overeenkomstig de Jeugdwet. Indien mogelijk aangeduid algemeen als ‘jeugdigen en ouders’ en specifiek veelal als ‘de jeugdige of zijn ouders’. Gebruik van ‘of’ impliceert ook de betekenis ‘en’. Met de aanduiding ‘de jeugdige of zijn ouders’ bedoelen we dus: de jeugdige (van bijvoorbeeld 16 jaar of ouder) zelfstandig, de jeugdige met een of beide ouders (in de definitie van artikel 1 van de wet: de gezaghebbend ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder) (bij een jeugdige tussen de 12 en de 16 jaar), of de ouders namens de jeugdige (bij een jeugdige jonger dan 12 jaar). In artikel 1.1 van de Jeugdwet is jeugdhulp als volgt gedefinieerd: Ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen; Het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en Het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht. Ook de Awb kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb). Artikel 5. Vormen van jeugdhulp Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet, op grond waarvan de gemeente verplicht is bij verordening regels te stellen over de door burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en overige jeugdhulpvoorzieningen. Los van deze verplichting vindt de gemeente het belangrijk dat voor iedereen duidelijk is wat het gemeentelijke aanbod aan jeugdhulpvoorzieningen is. Ook vindt de gemeente het belangrijk dat op voorhand duidelijk is – uitgaande van toegang tot de jeugdhulp via de gemeente (zie artikel 6) – welke vormen van voorzieningen alleen toegankelijk zijn na een besluit van de gemeente (de ‘individuele voorzieningen’) en welke in beginsel vrij toegankelijk zijn voor iedereen waarvoor ze bedoeld zijn (de ‘algemene voorzieningen’). Daarom zijn in dit artikel de vormen van jeugdhulp die door de gemeente worden geboden opgesomd. Van verschillende van de hier genoemde vormen van jeugdhulp bestaan diverse varianten. De inzet van een specifieke variant zal steeds afhankelijk zijn van de uitkomst van het onderzoek en de betreffende situatie en de specifieke behoeften van de jeugdige en zijn ouders. Artikel 6. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts Naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp (zie hierna), bestaat ook nog steeds de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp (artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet). Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (algemene) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). Uiteraard is de aanbieder hierbij gehouden aan hetgeen volgt uit de contract- of subsidierelatie met de gemeente en uit deze verordening (bijvoorbeeld ten aanzien van welke voorzieningen vrij toegankelijk zijn en welke alleen met een besluit van de gemeente). Burgemeester en wethouders maken verder afspraken met de huisartsen, de medisch specialisten, de jeugdartsen, de zorgverzekeraars en de gecertificeerde instellingen voor jeugdbescherming/jeugdreclassering over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing plaatsvindt (artikel 2.7, vierde lid, van de Jeugdwet). Deze afspraken dienen ertoe dat de gemeente haar regierol kan waarmaken en de omvang van het voorzieningenpakket beheersbaar kan houden. De afspraken zullen ook ingaan op hoe de verwijzende artsen, jeugdbeschermers en degenen die namens de gemeente betrokken zijn bij de gemeentelijke toegang (zie artikel 6 en verder) op passende wijze van elkaar op de hoogte blijven met betrekking tot verwijzingen en behandelingen, zodat het streven van een integrale benadering en het uitgangspunt van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, in het bijzonder bij multiproblematiek, zo goed mogelijk verwezenlijkt kan worden. Als de jeugdige of zijn ouders dit wensen òf in het uitzonderlijke geval dat burgemeester en wethouders een besluit nemen dat afwijkt van het oordeel van de jeugdh

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.