Deze verordening regelt de ondersteuning en hulpverlening in het sociaal domein van de gemeente Nissewaard, met een focus op jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning. Het doel is om inwoners te helpen bij het verhelderen van hun ondersteuningsbehoeften en hen te voorzien van passende hulp.
Verordening sociaal domein gemeente NissewaardDe raad van de gemeente Nissewaard; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 4 december 2019 gelet op gelet op de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 van de Jeugdwet, de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede, derde en zevende lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, de artikelen 6, tweede lid, 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, b, c en d, en het tweede lid, 8a, eerste lid, aanhef en onder a, b, c, d en e, en tweede lid, 10b, vierde lid, en 47 van de Participatiewet, artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 35 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en artikel 156 van de Gemeentewet; gezien het advies van de commissie Sociaal domein van 28 november 2019; besluit de volgende verordening vast te stellen: Verordening sociaal domein gemeente Nissewaard. 1.Algemene bepalingen Artikel1.Zorgplicht burgemeester en wethouders voor integrale toegang en intake Burgemeester en wethouders zorgen er in ieder geval voor dat ingezetenen die daar om verzoeken: kosteloos en op laagdrempelige wijze worden ondersteund bij het verhelderen van een mogelijke ondersteuningsbehoefte; kosteloos worden voorzien van relevante informatie in begrijpelijke vorm ten aanzien van: het gemeentelijk beleid en de wijze waarop uitvoering wordt geven aan de wettelijke taken in het sociaal domein, en hoe de toegang tot de diverse voorzieningen is georganiseerd; worden doorverwezen en -geleid naar de passende instanties voor verdere ondersteuning, en dat degene die een melding, aanvraag of verzoek indient wordt gewezen op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning. Artikel2.Afstemming met andere vormen van hulp en ondersteuning 1.Wanneer in een hulpvraag of behoefte aan ondersteuning van een cliënt of jeugdige en/of diens ouders niet kan worden voorzien binnen één wettelijk kader als bedoeld in deze verordening, dragen burgemeester en wethouders verantwoordelijkheid voor goede afstemming van de hulp en ondersteuning. 2.De afstemming als bedoeld in het eerste lid heeft in ieder geval betrekking hulp en ondersteuning vanuit: de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Participatiewet, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Wet langdurige zorg, passend onderwijs, de Leerplichtwet, de Wet Publieke Gezondheid. 3.De afgestemde hulp en ondersteuning wordt zodanig ingezet dat dit (indien van toepassing) leidt tot: Opheffen van een situatie die voor cliënt, jeugdige en/of zijn ouders en/of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade; Stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a; Voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van cliënt of jeugdige en/of zijn ouders, voor zover dat binnen het vermogen ligt; Voldoende mate van meedoen in de (lokale) samenleving voor cliënt, jeugdige en/of zijn ouders, voor zover dat binnen het vermogen ligt. 4.Burgemeester en wethouders wegen bij de afstemming van hulp en ondersteuning de volgende aspecten mee: de behoefte aan hulp en ondersteuning van de inwoner of het gezin, almede de eigen kracht en mogelijkheden van het sociale netwerk; welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet; welke (informele) hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn. 5.Burgemeester en wethouders ondersteunen een cliënt of de jeugdige en/of zijn ouders richting Centraal Indicatieorgaan Zorg, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt of de jeugdige in aanmerking komt voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg. 6.Indien de cliënt of de jeugdige en/of zijn ouders weigeren mee te werken aan ondersteuning als bedoeld in het vorige lid, zijn burgemeester en wethouders niet gehouden een individuele voorziening toe te kennen of voort te zetten op grond van deze verordening. 7.Indien een jeugdige van 16 jaar of ouder die hulp op grond van de Jeugdwet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijke kader als bedoeld onder lid 2 sub a tot en met e, zijn burgemeester en wethouders verantwoordelijk om: voor het achttiende levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn, en de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is. Artikel3.Betrekken van verschillende doelgroepen bij de uitvoering van de verschillende wetten en het beleid 1.Burgemeester en wethouders stellen een Adviesraad Sociaal Domein Nissewaard in. 2.De gemeenteraad stelt bij verordening regels over onder andere de instelling, werkwijze en faciliteiten van de Adviesraad Sociaal Domein Nissewaard. 2.Jeugdhulp 2.1Algemene bepalingen jeugdhulp Artikel4.Definities In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: algemeen gebruikelijk: diensten of middelen die niet speciaal zijn bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar zijn en niet of niet veel duurder zijn dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen; algemene voorziening: voorziening als bedoeld in artikel 5, eerste lid; andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen; gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers en opvoeders; individuele voorziening: op de jeugdige of zijn ouders toegesneden voorziening als bedoeld in artikel 5, tweede lid; persoonlijk plan: beschrijving van de ondersteuning die volgens de jeugdige of diens ouders de beste oplossing biedt; pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet, zijnde een door burgemeester en wethouders verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken. Artikel5.Vormen van jeugdhulp 1.De volgende vormen van algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: jeugdgezondheidszorg volgens de Wet publieke gezondheid; integrale vraagverheldering; toeleiding naar individuele ondersteuning en hulp; voorlichting, informatie en (opvoed)advies; schoolmaatschappelijk werk; opvoedondersteuning en training voor specifieke doelgroepen kortdurende coaching en begeleiding van jeugdigen met een beperking;, psychosociale problemen of psychische problemen praktijkondersteuning huisartsen GGZ; casusregie bij meervoudig complexe problematiek online hulpverlening vertrouwenspersoon; diagnostiek voor probleemverheldering 2.De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: persoonlijke verzorging voor jeugdigen met beperking, psychosociale problemen of psychische problemen. kortdurende (generalistische) basis-ggz en dyslexiezorg bij enkelvoudige problematiek; langdurige (specialistische) begeleiding voor jeugdigen met een beperking, psychosociale problemen of psychische problemen dagbesteding en (specialistische) dagbehandeling voor jeugdigen met een beperking, psychosociale problemen of psychische problemen medische kinderdagbehandeling vervoer voor jeugdigen met een beperking, psychosociale problemen en psychische problemen langdurige specialistische ggz of opvoedhulp bij complexe problemen; individuele behandeling voor jeugdigen met een verstandelijke beperking crisishulp; forensische hulp; gesloten jeugdhulp; pleegzorg; residentiële hulp; 2.2Toegang tot jeugdhulp Artikel6.Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1.Burgemeester en wethouders zorgen voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2.Als de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken, leggen burgemeester en wethouders de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking. Artikel7.Toegang jeugdhulp via de gemeente 1.Jeugdigen of ouders kunnen een behoefte aan jeugdhulp melden bij burgemeester en wethouders. 2.Burgemeester en wethouders bevestigen de ontvangst van een melding en wijzen de jeugdige of zijn ouders op de mogelijkheid om binnen zeven dagen na de melding een persoonlijk plan op te stellen. Artikel8.Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren 1.Burgemeester en wethouders onderzoeken in samenspraak met de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van de melding: de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en zijn ouders, de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie; of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie gerelateerde problemen, en zo ja: welke problemen of stoornissen dat zijn; welke ondersteuning, hulp en zorg naar aard en omvang nodig zijn voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders en de personen die tot hun sociale netwerk behoren toereikend zijn om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden, en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, algemene voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg; 2.Als de jeugdige of zijn ouders een persoonlijk plan hebben opgesteld, betrekken burgemeester en wethouders dat bij het onderzoek. 3.De jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger verschaffen burgemeester en wethouders de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover zij redelijkerwijs de beschikking kunnen krijgen. 4.De jeugdige en zijn ouders zijn verplicht om medewerking te verlenen aan burgemeester en wethouders voor de uitvoering van de Jeugdwet, waaronder tevens wordt verstaan het verlenen van medewerking aan een onderzoek door een of meerdere deskundigen als burgemeester en wethouders dit noodzakelijk achten voor de uitvoering van deze wet. Artikel9.Onderzoeksverslag Na het onderzoek verstrekken burgemeester en wethouders aan de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek (het gezinsplan). Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouders worden aan het verslag toegevoegd. Artikel10.Aanvraag 1.De jeugdige of zijn ouders kunnen een aanvraag om een individuele voorziening schriftelijk indienen bij burgemeester en wethouders. 2.Als de jeugdige of ouders de jeugdhulp zelf wenst in te kopen met een PGB, moet hij daarvoor een pgbplan indienen zoals bedoeld in artikel 14. 3.Burgemeester en wethouders geven de beschikking af binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag. 4.In afwijking van het vorige lid bedraagt de termijn acht weken wanneer de aanvraag niet is vooraf gegaan door de in artikel 8 genoemde onderzoeksperiode van zes weken. Artikel11.Voorwaarden en weigeringsgronden voor een individuele voorziening 1.De jeugdige of zijn ouders kunnen slechts in aanmerking komen voor een individuele voorziening of een voorziening voor vervoer voor zover zij geen oplossing kunnen vinden binnen hun eigen vermogen of sociale netwerk voor de hulpvraag, tenzij: de gevraagde individuele voorziening voor een jeugdige en zijn ouders algemeen gebruikelijk is; de jeugdige en zijn ouders met gebruikmaking van overige voorzieningen de beperkingen, psychosociale of psychische problemen kan wegnemen; er sprake is van beperkingen, psychosociale of psychische problemen, die aanleiding geeft tot hulp of ondersteuning en waarbij aanspraak op een voorziening op grond van een ander wettelijk kader bestaat, of De jeugdige door beperkingen, psychosociale of psychische problemen geen gebruik kan maken van collectief vervoer en het gevraagde vervoer niet algemeen gebruikelijk is. 2.Als de jeugdige of zijn ouders de gevraagde voorziening na de melding en vóór datum van besluit hebben gerealiseerd of geaccepteerd dan verstrekken burgemeester en wethouders hier geen vergoeding voor, tenzij zij daarvoor schriftelijk toestemming hebben gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen; 3.Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekken burgemeester en wethouders de goedkoopst adequate tijdig beschikbare voorziening. 2.3Pgb jeugdhulp Artikel12.Onderscheid formele en informele hulp 1.Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van zorgverleners die bloedverwant in de eerste of tweede graad zijn van de jeugdige: personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel en ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. 2.Zorgverleners die op grond van het eerste lid geen formele zorgverlener zijn, zijn informele zorgverlener. Artikel13.Geen GGZ-behandeling vanuit sociaal netwerk De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan geen jeugdhulp betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk indien het een GGZ-behandeling betreft. Artikel14.Pgbplan Het pgbplan bevat in elk geval: de doelen en resultaten van de in te kopen hulp en/of ondersteuning; Hoe de jeugdige of zijn ouders de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren; De motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en een pgb gewenst is; De voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt; Op welke wijze de kwaliteit van de jeugdhulp is gewaarborgd; en De kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief. Artikel15.Hoogte pgb 1.De hoogte van een pgb voor formele hulp bedraagt het tarief voor zorg in natura tenzij op basis van het pgbplan passende en toereikende jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht. 2.Als het op basis van het eerste lid vastgestelde tarief onvoldoende is om de noodzakelijke jeugdhulp te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat deze hulp hiermee bij tenminste één jeugdhulpaanbieder kan worden ingekocht. 3.De hoogte van het pgb voor informele hulp is bij het bestaan van een dienstbetrekking gelijk aan het minimum uurloon inclusief vakantiebijslag en vakantie uren zoals bedoeld in de Wet minimumloon voor een persoon van 21 jaar of ouder bij een werkweek van 36 uur. 4.De totale kosten voor informele hulp in de vorm van kortdurend verblijf bedragen maximaal het tarief voor deze zorg in natura. Artikel16.Opschorting betaling uit het pgb 1.Burgemeester en wethouders kunnen de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van de persoon aan wie het pgb is verstrekt een gegrond vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid, onder a, d of e, van de Jeugdwet. 2.Burgemeester en wethouders kunnen de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de (ziekenhuis)opname. 3.Burgemeester en wethouders stellen de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid. 2.4Overige bepalingen jeugdhulp Artikel17.Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen en pgb’s 1.Burgemeester en wethouders onderzoeken periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van individuele voorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan. 2.Burgemeester en wethouders wijzen een toezichthouder aan die belast is met het toezicht op de naleving van de rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet. Artikel18.Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet 1.Onverminderd artikel 8.1.2 van de Jeugdwet doen de jeugdige of zijn ouders aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening of pgb. 2.Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeugdwet kunnen burgemeester en wethouders een beslissing aangaande een individuele voorziening of pgb beëindigen, wijzigen, herzien dan wel intrekken als burgemeester en wethouders vaststellen dat: de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; de jeugdige of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen; de individuele voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de individuele voorziening of het pgb, of de jeugdige of zijn ouders de individuele voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is. 3.Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 4.Als burgemeester en wethouders een besluit hebben herzien of ingetrokken op grond van het tweede lid sub a, dan kunnen zij de geldschade vorderen van de teveel of ten onrechte genoten individuele voorziening of het teveel of ten onrechte genoten pgb. Artikel19.Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Burgemeester en wethouders houden in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met: de aard en omvang van de te verrichten taken; de voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; een redelijke toeslag voor overheadkosten; Kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg, en de kosten voor bijscholing van het personeel. 3.Maatschappelijke ondersteuning 3.1Algemene bepalingen maatschappelijke ondersteuning Artikel20.Definities In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: algemeen gebruikelijk: diensten of middelen die niet speciaal zijn bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar zijn en niet of niet veel duurder zijn dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen; andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4 eerste lid en 2.1.4a eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft; ingezetene: cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Nissewaard; persoonlijk plan: beschrijving van de ondersteuning die volgens cliënt of zijn gemachtigde of wettelijk vertegenwoordiger de beste oplossing biedt; pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; woonvoorziening: bouwkundige of niet-bouwkundige individuele voorziening in de woning van een cliënt, waardoor de cliënt in zijn woning kan blijven wonen. Artikel21.Aanbod algemene en maatwerkvoorzieningen 1.De volgende algemene voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: inloop en ontmoeting; mantelzorgondersteuning zonder verblijf; onafhankelijke cliëntondersteuning. 2.De volgende maatwerkvoorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar: begeleiding; dagbesteding en kortdurend verblijf; collectief vraagafhankelijk vervoer; hulpmiddelen; huishoudelijke ondersteuning; woonvoorziening; verhuiskostenvergoeding; opvang. 3. De maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en geclusterd wonen zijn ook beschikbaar. Voor de toegang tot en beslissing over deze maatwerkvoorzieningen is de Verordening maatschappelijke ondersteuning beschermde woonvormen Zuid-Hollandse Eilanden 2022 van toepassing. Artikel22.Jaarlijkse waardering mantelzorgers Burgemeester en wethouders stellen bij besluit regels over op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel23.Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen Burgemeester en wethouders bieden de tegemoetkoming in de meerkosten zoals bedoeld in artikel 2.1.7 van de Wmo aan in de vorm van een collectieve zorgverzekering voor minima. 3.2Toegang tot maatschappelijke ondersteuning Artikel24.Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren 1.Burgemeester en wethouders onderzoeken in samenspraak met de degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel zijn vertegenwoordiger en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van de melding: de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt, en of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de cliënt en zo ja: welke problemen of stoornissen dat zijn; welke ondersteuning, hulp en zorg naar aard en omvang nodig zijn voor de cliënt om voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren; of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de cliënt en de personen die tot zijn sociale omgeving behoren toereikend zijn om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden, en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, algemene voorziening of maatwerkvoorziening te voorzien in de nodige ondersteuning, hulp en zorg. 2.De factoren genoemd in artikel 2.3.2, vierde lid van de Wmo, maken in elk geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek. 3.Als de cliënt een persoonlijk plan heeft opgesteld, betrekken burgemeester en wethouders dat bij het onderzoek. 4.De cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger verschaft burgemeester en wethouders de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. 5.De cliënt is verplicht om medewerking te verlenen aan burgemeester en wethouders voor de uitvoering van de Wmo, waaronder tevens wordt verstaan het verlenen van medewerking aan een onderzoek door een of meerdere deskundigen als burgemeester en wethouders dit noodzakelijk achten voor de uitvoering van deze wet. Artikel25.Aanvraag 1.Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij burgemeester en wethouders. 2.Als een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger de voorziening zelf wenst in te kopen met een PGB, moet hij daarvoor een pgbplan indienen zoals bedoeld in artikel 29. Artikel26.Voorwaarden en weigeringsgronden voor een maatwerkvoorziening 1.Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekken burgemeester en wethouders de goedkoopst passende compenserende voorziening. 2.De maatwerkvoorziening wordt slechts verstrekt indien deze gezien de beperkingen van de cliënt, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt . 3.Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: als de cliënt de problemen kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van een algemeen gebruikelijke voorziening; indien er aanspraak gemaakt kan worden op een voorliggende voorziening; als de cliënt de gevraagde voorziening na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij burgemeester en wethouders daarvoor schriftelijk toestemming hebben gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen; als de gevraagde voorziening al eerder aan de cliënt is verstrekt op grond van enige wettelijke bepaling en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet verstreken is. Tenzij de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen of de cliënt de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt; als deze niet hoofzakelijk op het individu is gericht; als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan. 4.Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt als: deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden, begeleiding of kortdurend verblijf; de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Nissewaard; de cliënt geen ingezetene is van Nederland en in aanmerking wil komen voor opvang. 5.Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt alleen rekening gehouden met de sociaal-recreatieve verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving met een maximum van 1.800 kilometer op jaarbasis. 6.Geen woonvoorziening wordt verstrekt: als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen; als de cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen; ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt; als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt; als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is; als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door burgemeester en wethouders; als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten gerealiseerd kan worden. Artikel 27. Beschermd wonen [vervallen] 3.3Pgb en financiële tegemoetkomingen Artikel28.Onderscheid formele en informele hulp 1.Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de cliënt: Personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; Personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en rust op hen de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid op basis van de professionele standaard. 2.Informele hulp is: Hulp die geboden wordt door personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoen aan de criteria als genoemd in het eerste lid; Hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in het eerste lid, maar bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad zijn van cliënt. Artikel29.Pgbplan Het pgbplan bevat in elk geval: De doelen en resultaten van de in te kopen hulp en/of ondersteuning; Hoe de cliënt zelf of met hulp van iemand uit het sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren; Motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en een pgb gewenst is; De voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de hulp en/of ondersteuning georganiseerd wordt; Op welke wijze de kwaliteit en veiligheid van de voorziening is gewaarborgd; De kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief. Artikel30.Hoogte pgb 1.De hoogte van het pgb voor een zaak wordt maximaal vastgesteld op: Het bedrag van de goedkoopst compenserende voorziening in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering of; Het bedrag van de kosten volgens de door burgemeester en wethouders geaccepteerde offerte indien de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft gesloten. 2.De hoogte van het pgb voor vervoer bedraagt de kilometerprijs die de gemeente betaalt voor het collectief vervoer, waarbij het uitgangspunt geldt dat 1.800 kilometer op jaarbasis binnen de eigen leef- en woonomgeving moet kunnen worden gereisd. Er dient verantwoording te worden afgelegd voor het daadwerkelijk reizen van de kilometers. Het college stelt in nadere regels vast hoe deze verantwoording dient plaats te vinden. 3.De hoogte van het pgb voor formele hulp in de vorm van diensten is gelijk aan het tarief voor gecontracteerde ondersteuning in natura, tenzij op basis van het pgbplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht. 4.De hoogte van het pgb voor informele hulp is bij het bestaan van een dienstbetrekking gelijk aan het minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag en vakantie uren, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 21 jaar of ouder met een 36-urige werkweek. Hiervoor hebben Burgemeester en Wethouders nadere regelgeving vastgesteld. 5.De totale kosten voor informele hulp in de vorm van kortdurend verblijf bedragen maximaal het tarief voor deze zorg in natura. 6.Indien het op basis van lid 1, lid 2 en lid 3 vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen voorziening te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht. 7.Burgemeester en wethouders kunnen bij besluit regelen hoe de hoogte van een pgb wordt vastgesteld. Artikel31.Opschorting betaling uit het pgb 1.Burgemeester en wethouders kunnen de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van de persoon aan wie het pgb is verstrekt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. 2.Burgemeester en wethouders kunnen de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als de cliënt langer dan een door het college vastgestelde periode verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet. 3.Burgemeester en wethouders stellen de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid. Artikel32.Financiële tegemoetkoming voor verhuizing en inrichting Burgemeester en wethouders kunnen een financiële tegemoetkoming verstrekken voor verhuizing en inrichting. Zij stellen de hoogte hiervan vast bij besluit. 3.4Eigen bijdrage in de kosten van voorzieningen Artikel33.Bijdrage in de kosten van voorzieningen en pgb’s 1.Een cliënt is geen eigen bijdrage verschuldigd voor het gebruik van algemene voorzieningen. 2.Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura of een pgb zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 3.Als een maatwerkvoorziening of pgb wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is de bijdrage in de kosten verschuldigd door: de onderhoudsplichtige ouders en; degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. 4.De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura is gelijk aan de kosten die burgemeester en wethouders voor de desbetreffende maatwerkvoorziening zelf maken. 5.De kostprijs van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb. 6.Aan de cliënt die gebruik maakt van de maatwerkvoorziening collectief vervoer wordt in afwijking van de bepalingen in dit artikel, een ritprijs in rekening gebracht ter hoogte van de kosten van het openbaar vervoer. 7.De bijdragen in de kosten voor opvang worden door de opvangverlenende instantie vastgesteld en geïnd. 3.5Overige bepalingen maatschappelijke ondersteuning Artikel34.Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s Burgemeester en wethouders onderzoeken periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan. Artikel35.Niet besteden pgb binnen zes maanden Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. Artikel36.Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1.Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning; erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken. 2.Ter nadere uitwerking van de eisen genoemd in het eerste lid wordt aangesloten bij het toetsingskader Toezicht Wmo van GGD Rotterdam Rijnmond. 3.Het eerste en tweede lid zijn van toepassing op aanbieders van zorg in natura en aanbieders van met pgb ingekochte formele hulp. 4.Door burgemeester en wethouders via pgb verstrekte hulpmiddelen en woningaanpassingen dienen geschikt te zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt. 5.Burgemeester en wethouders zijn te allen tijde bevoegd om (de uitvoering van) het pgbplan te evalueren. 6.Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden zien burgemeester en wethouders toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel37.Meldingsregeling calamiteiten en geweld Burgemeester en wethouders treffen een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder. Artikel38.Klachtregeling aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten. Artikel39.Medezeggenschap Door de gemeente gecontracteerde aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, ten aanzien van alle voorzieningen met uitzondering van: Hulpmiddelen en Woonvoorzieningen Artikel40.Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden 1.Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stellen burgemeester en wethouders vast: een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met derde; of een reële prijs die geldt als ondergrens voor: een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2.Burgemeester en wethouders stellen de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, en rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3.Burgemeester en wethouders baseren de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: De voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie; Een redelijke toeslag voor overheadkosten; Kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; Reis- en opleidingskosten; Indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; Overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4.Werk, inkomen, re-integratie en tegenprestatie 4.1Afstemming Participatiewet, IOAW en IOAZ 4.1.1Algemene bepalingen Artikel41.Definities In onderdeel 4.1 wordt verstaan onder: benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; bijstandsnorm: toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet, of grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen voor zover sprake is van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Artikel42.Besluit tot opleggen van een verlaging In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als bedoeld in de artikelen 9a, twaalfde lid, en 18, tweede, vijfde en zesde lid, van de Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen worden in ieder geval vermeld: de reden van de verlaging; de duur van de verlaging; het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, en indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging. Artikel43.Horen van belanghebbende 1.Voordat een maatregel wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 2.Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: de vereiste spoed zich daartegen verzet; belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; burgemeester en wethouders het horen niet nodig achten voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid, of belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken. Artikel44.Afzien van verlaging 1.Burgemeester en wethouders zien af van een verlaging als: elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan door burgemeester en wethouders heeft plaatsgevonden. 2.Burgemeester en wethouders kunnen afzien van een verlaging als zij daarvoor dringende redenen aanwezig achten. 3.Als burgemeester en wethouders afzien van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. Artikel45.Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging 1.Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm. 2.In afwijking van het eerste lid wordt bij aanvang van de bijstand een verlaging toegepast per toekenningsdatum van de bijstand. 3.Een verlaging kan met terugwerkende kracht worden toegepast op de uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad of over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden als een verlaging overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken. 4.Als een verlaging niet of niet geheel ten uitvoer kan worden gelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog opgelegd als belanghebbende binnen twaalf maanden na bekendmaking van het besluit tot verlaging, opnieuw een uitkering ontvangt. Artikel46.Berekeningsgrondslag 1.Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm. 2.In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als: aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet, of de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft. 3.Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de paragrafen 1.1 tot en met 1.4 van hoofdstuk 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de Participatiewet verleende bijzondere bijstand’. 4.Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de paragrafen 1.1 tot en met 1.4 van hoofdstuk 4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de verleende bijzondere bijstand’. 4.1.2Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel47.Gedragingen Participatiewet Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; tweede categorie: het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet; het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet; het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet; het niet of onvoldoende verrichten van een door burgemeester en wethouders opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet; het in onvoldoende mate gebruik maken van een door burgemeester en wethouders aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot het voortijdig beëindigen van deze voorziening; het zich anderszins onvoldoende inzetten voor arbeidsinschakeling op grond van de artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet voor zover deze verplichtingen niet voortvloeien uit artikel 18, vierde lid van de participatiewet. derde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. Artikel48.Gedragingen IOAW en IOAZ Gedragingen van een belanghebbende waardoor of een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; tweede categorie: het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; het niet of in onvoldoende mate meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak; het niet of onvoldoende gebruik maken van een door burgemeester en wethouders aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; het niet of onvoldoende verrichten van een door burgemeester en wethouders opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; derde categorie: het niet of onvoldoende gebruik maken van een door burgemeester en wethouders aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; het niet naar vermogen verkrijgen, behouden of aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid. Artikel49.Hoogte en duur van de verlaging De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen 46 en 47, wordt vastgesteld op: 10% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie; 30% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie; 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie. 4.1.3Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel50.Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende: één maand bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel b, g en h, van de Participatiewet; twee maanden, bij gedragingen als bedoeld in artikel 18, vierde lid, onderdeel a, c, d, e en f, van de Participatiewet. Artikel51.Verrekenen verlaging 1.Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 50, wordt toegepast over de maand van oplegging van de maatregel en de volgende twee maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. 2.Bij een verlaging als bedoeld in artikel 50, onderdeel a, kan de verlaging worden toegepast over twee maanden waarbij zowel aan de maand van oplegging als aan de daaropvolgende maand de helft van de verlaging wordt toebedeeld. 3.Bij een verlaging als bedoeld in artikel 50, onderdeel b, kan de verlaging worden toegepast over drie maanden waarbij zowel aan de maand van oplegging als aan de twee daaropvolgende maanden een derde van de verlaging wordt toebedeeld. 4.Als sprake is van een verlaging op grond van artikel 18, vierde lid, onderdeel a, van de Participatiewet, vindt geen verrekening als bedoeld in het eerste lid plaats. 4.1.4Overige gedragingen die leiden tot een verlaging Artikel52.Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1.Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt afgestemd op het benadelingsbedrag. 2.De verlaging wordt vastgesteld op: 10% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,-; 30% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 1.000,- tot € 2.500,-; 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.500,-. Artikel53.Zeer ernstige misdragingen Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet of tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g, van die wet, wordt een verlaging opgelegd van: 100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen de genoemde personen; 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken en bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegen de genoemde personen. Artikel54.Niet nakomen van overige verplichtingen Als een belanghebbende een door burgemeester en wethouders opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op: 30% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling; 30% van de bijstandsnorm één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand; 30% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand; 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand. 4.1.5Samenloop en recidive; Blijvende of tijdelijke weigering IOAW/IOAZ Artikel55.Samenloop van gedragingen 1.Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. 2.Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. 3.Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd. 4.Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. Artikel56.Recidive 1.Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 47, onder b of c, 48, onder b of c, 52, eerste lid, of 54 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. 2.Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 47, onder a, 48, onder a, of 53 opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de hoogte van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. 3.Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, bedraagt de verlaging honderd procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden. Artikel57.Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ Als burgemeester en wethouders de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 20, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen blijvend of tijdelijk weigeren en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege. Artikel58.Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of IOAZ-uitkering 2.Burgemeester en wethouders kunnen de aangevraagde uitkering tijdelijk weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de IOAW of de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als: aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en een persoon ter zake een verwijt kan worden gemaakt, of de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van een persoon zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. 3.Burgemeester en wethouders kunnen de aangevraagde uitkering blijvend weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de IOAW van de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, als een persoon: nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, of door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt. 4.2Re-integratie 4.2.1Algemene bepalingen Artikel59.Definities In hoofdstuk 4 wordt verstaan onder: doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet; grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar; korte afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk binnen één jaar; Proefplaatsing: periode waarbinnen een bijstandsgerechtigde met behoud van uitkering aan het werk gaat bij een werkgever om van beide kanten te ervaren of de werkplek geschikt is voor de kandidaat. 4.2.2Beleid en financiën Artikel60.Evenwichtige verdeling en financiering 1.Burgemeester en wethouders kunnen de voorziening, bedoeld in artikel 61, aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een korte afstand tot de arbeidsmarkt. 2.Burgemeester en wethouders kunnen de voorzieningen, bedoeld in de artikelen 61 en 65, aanbieden aan personen die behoren tot de doelgroep met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. 3.Burgemeester en wethouders houden bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen voorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op zorgtaken van die persoon en de mogelijkheid dat hij behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie of gebruik maakt van de voorziening beschut werk. Onder zorgtaken wordt in ieder geval verstaan: de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. 4.2.3Voorzieningen Artikel61.Opdracht aan het college 1.Het college biedt de belanghebbende, ondersteuning bij re-integratie en participatie en biedt, voor zover het college dat noodzakelijk acht, één of meer participatievoorzieningen aan. 2.Het college zorgt voor een voldoende gevarieerd aanbod van participatievoorzieningen. Het college zal bij het bepalen van het aanbod aan participatievoorzieningen prioriteiten stellen in verband met de financiële mogelijkheden van de gemeente en maatschappelijke, economische en conjuncturele ontwikkelingen. 3.Het college bevordert een evenwichtige verdeling van participatievoorzieningen tussen de onderscheiden doelgroepen in artikel 1 van de Wet ParticipatieBudget, alsmede een gelijke aandacht voor de verschillende personen daarbinnen; 4.Het college spant zich in om de lokale en eventueel regionale arbeidsmarkt zodanig te bewerken dat deze beter toegankelijk wordt voor personen als bedoeld in artikel 63. 5.Ter uitvoering van het tweede en derde lid, stelt het college jaarlijks een begroting vast waarin de uitgaven worden geraamd van de inzet van participatievoorzieningen als bedoeld in deze verordening. 6.Het college legt jaarlijks verantwoording af over de uitvoering van het re-integratie en participatiebeleid. Het verslag bevat in ieder geval het advies van de cliëntenraad. Artikel62.Aanbieden voorziening Het college houdt bij het aanbieden van de in deze verordening opgenomen participatievoorzieningen rekening met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. De omstandigheden hebben in ieder geval betrekking op: de zorgtaken; het feit dat een belanghebbende tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort; gebruik maakt van de voorziening beschut werk; een andere functionele beperking heeft; de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar; de noodzakelijkheid van het verrichten van mantelzorg. Artikel63.Doelgroep 1.Tot de doelgroep behoren de personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid onderdeel a van de Participatiewet. 2.Niet tot de doelgroep behoren de personen die: geen uitkeringsgerechtigde is en die onderwijs of een beroepsopleiding volgt als bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000 of in hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; een kind is als bedoeld in artikel 7, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Algemene Kinderbijslagwet. 4.2.4Ondersteuning bij participatie Artikel64.Ondersteuning door het college 1.Ondersteuning van de doelgroep betreft het adviseren over of bieden van de meest effectieve weg naar participatie voor langere tijd. 2.In aanvulling op het eerste lid kan ondersteuning van jongeren bestaan uit het terugleiden naar school voor het behalen van een startkwalificatie en/of een vervolgopleiding gericht op het verbeteren van de arbeidsmarktpositie, het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid of een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Artikel65.Aanspraak op ondersteuning 1.Overeenkomstig artikel 10 van de Participatiewet kunnen personen behorend tot de doelgroep aanspraak maken op ondersteuning door het college en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte participatievoorziening(en). 2.Geen aanspraak op ondersteuning bestaat indien sprake is van een voorliggende voorziening welke naar het oordeel van het college in voldoende mate bijdraagt aan de participatie van de belanghebbende. 3.Geen aanspraak op ondersteuning bestaat er voor personen jonger dan 27 jaar die uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen, met uitzondering van het bepaalde in deze verordening voor zover het betreft het terugleiden naar school voor het behalen van een startkwalificatie en/of een vervolgopleiding gericht op het verbeteren van de arbeidsmarktpositie. Artikel66.Beëindiging, weigering of intrekking van de ondersteuning Het college kan een participatievoorziening beëindigen, weigeren of intrekken indien: belanghebbende zijn verplichtingen herhaaldelijk en verwijtbaar niet nakomt; een persoon die deelneemt aan een participatievoorziening niet meer tot de doelgroep behoort zoals bedoeld in artikel 63 van deze verordening; het college een andere participatievoorziening aanbiedt die naar zijn oordeel passender is; naar het oordeel van het college de participatievoorziening niet, niet langer dan wel in onvoldoende mate bijdraagt aan de participatie van belanghebbende; het door het college ingestelde budgetplafond voor de betreffende voorziening is bereikt. Artikel67.Vorm van de ondersteuning 1.Ondersteuning kan worden gegeven door het aanbieden van één of meerdere participatievoorzieningen, het bieden van praktische hulp, het geven van advies of het doorverwijzen naar een andere instantie. 2.De ondersteuning sluit aan bij de behoeften, mogelijkheden en ervaringen van belanghebbende zoals deze naar het oordeel van het college bestaan. 4.2.5Hoofdstuk 3: Rechten en plichten Artikel68.Verplichtingen van belanghebbende 1.Voor de belanghebbende gelden de volgende verplichtingen: het verstrekken van de inlichtingen aan het college die nodig zijn voor het bepalen van een passende participatievoorziening en het naar vermogen meewerken en deelnemen aan de aangeboden participatievoorziening; na te laten hetgeen de realisatie van het traject belemmert; na te laten hetgeen de inschakeling in de arbeid belemmert; het onderwerpen aan een noodzakelijke behandeling van medische aard; het onmiddellijk aan het college melden indien door ziekte dan wel door andere omstandigheden (tijdelijk) niet aan een of meer verplichtingen ingevolge deze verordening kan worden voldaan; het meewerken aan begeleiding en controle bij ziekteverzuim; het meewerken aan een door het college opgelegde tegenprestatie. 2.Indien de schuldsituatie van een belanghebbende naar het oordeel van het college de participatie belemmert, kan de belanghebbende worden verplicht mee te werken aan een door het college aan te bieden schuldbemiddelingstraject. 3.Indien het voor deelname aan een traject of voor participatie noodzakelijk is dat belanghebbende als bedoeld in artikel 63, zijn/haar kind(eren) laat opvangen, kan de belanghebbende, worden verplicht direct passende kinderopvang te regelen. 4.De inburgeringsplichtige is voor de inburgeringsvoorziening verplicht een eigen bijdrage te voldoen, zoals bedoeld in artikel 23, tweede lid van de Wet inburgering, waarbij het college: de eigen bijdrage direct na afronding van de inburgeringsvoorziening in één keer int of indien dit niet mogelijk is in termijnen int (conform het vastgestelde debiteurenbeleid); de eigen bijdrage op grond van artikel 24, eerste lid van de Wet inburgering, kan verrekenen met algemene bijstand of een uitkering op grond van sociale zekerheidswetten of sociale zekerheidsregelingen; de wijze van betaling voor de eigen bijdrage in de beschikking tot toekenning van een inburgeringsvoorziening vastlegt. Artikel69.Bestuurlijke boete voor inburgeringsplichtigen 1.Het college legt een bestuurlijke boete op: ter hoogte van € 500, indien de inburgeringsplichtige niet binnen de in artikel 7, eerste lid, van de Wet Inburgering bedoelde termijn het inburgeringsexamen heeft behaald; Ter hoogte van € 1000, indien de inburgeringsplichtige niet binnen het door het college op grond van artikel 32 van de Wet inburgering vastgestelde termijn het inburgeringsexamen heeft behaald. 2.In afwijking van artikel 69, eerste lid, onderdeel b legt het college een bestuurlijke boete op ter hoogte van € 500, indien de inburgeringsplichtige niet binnen de door het college op grond van artikel 32 van de Wet Inburgering verlengde termijn het inburgeringsexamen heeft behaald maar hem dit niet te verwijten valt. Artikel70.Rechten van belanghebbende 1.De belanghebbende aan wie een participatievoorziening wordt aangeboden als bedoeld in deze verordening, heeft indien de belanghebbende de voorziening(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.