Deze nota bodembeheer regelt het hergebruik en de tijdelijke opslag van grond en baggerspecie in de gemeente Gooise Meren, met als doel duurzaamheid, efficiëntie en het verminderen van administratieve en financiële lasten. Het zorgt ervoor dat de toepassing van grond geen ongewenste verontreiniging veroorzaakt en dat de bodemkwaliteit behouden blijft of verbetert.
.2) ✓ Het vaststellen van strengere eisen bij het toepassen van grond op onverharde kinderspeelplaatsenen moes-/volkstuin(complex)en (
✓ Het toepassen van grond op (relatief) schone gebieden met de bodemfunctie ‘Industrie’ (
✓ Het toepassen van grond op (relatief) schone gebieden met de bodemfunctie ‘Wonen’ (
✓ Het onder voorwaarden verruimen van regels bij het toepassen van grond voor een betere bovenafdichting van oude stortplaatsen (
.3.5) ✓ Het onder voorwaarden verruimen van de regels voor de tijdelijke opslag van grond (
✓ Het definiëren van toepassingsnormen PFAS-houdende grond en (strengere) verspreidingsnormen voor PFAS-houdende onderhoudsbaggerspecie op aangrenzende percelen (
✓ Het vaststellen van (strengere) eisen bij het toepassen van grond met bijmenging van bodemvreemd materiaal zoals steenachtige materialen, hout, plastic en piepschuim (
✓ Het vaststellen van strengere eisen bij het toepassen van grond met asbestverdacht/-houdend materiaal op gevoelig bodemgebruik dat in opdracht van de gemeente wordt uitgevoerd (
✓ Het vaststellen van (strengere) eisen bij het toepassen van grond uit de bodemkwaliteitszones ‘B2/T2/O2. Muiden vesting voor 1850’ en ‘B8. Onverharde wegbermen’ (
✓ Het verruimen van de regels voor het toepassen van grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld (
✓ Het vaststellen van eisen voor de fysische kwaliteit van de toe te passen grond op zandgronden (
✓ Het vaststellen van strengere eisen voor grond van buiten de gemeente op locaties waar strengere toepassingseisen gelden dan het landelijke beleid (
✓ Het toepassen van (PFAS-houdende) grond in grootschalige bodemtoepassingen (
✓ Het toepassen van grond uit een tijdelijke opslag (
✓ Beleidsonderwerp Voortzetting beleid Aanpassing beleid Nieuw beleid Het stellen van regels bij terugsaneerwaarden en hergebruik van grond op te saneren en gesaneerde locaties (
✓ Het toepassen van grond uit of in gebieden die zijn uitgesloten van de gemeentelijke bodemkwaliteitskaart en grond uit een oude categorie-1 werk (
✓ De geldigheidsduur van een eventueel uitgevoerd kwaliteitsonderzoek (
.13.2) ✓ Het gebruik van de ontgravings- en toepassingskaart als al een onderzoek is uitgevoerd (
.13.2) ✓ Grondverzet ter plaatse van beschermingsgebieden (
✓ Het verruimen van de regels bij de tijdelijke uitname van grond bij graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur én groenvoorzieningen (
Het gebruik van de bodemkwaliteitskaart bij bodembedreigende activiteiten (
✓ Het verruimen van de regels bij grondstromen met kleine partijen grond (
✓ Het werken met verontreinigde grond (
✓ Het stellen van (strengere) eisen voor het verspreiden van (PFAS-houdende) onderhoudsbaggerspecie op een aangrenzend perceel (
.18) Het innemen van een standpunt hoe om te gaan met nieuw onderkende verontreinigingsbronnen (
.19) ✓ Het voorkomen van verspreiding van invasieve exoten (flora, zoals de Japanse duizendknoop en de reuzenberenklauw;
.20) ✓ Hardheidsclausule waarin voor de gemeenteraad een afwijkingsmogelijkheidis geformuleerd voor de situatie dat het grondstromenbeleid leidt tot een ongewenste beperking van hergebruiksmogelijkheden van vrijkomende grond en bagger (
.21) ✓ Het stellen van regels voor de onderzoeksinspanning voorafgaand aan het grondverzet (
hoofdstuk 6) ✓ Het verruimen van de regels voor het melden van grond die voorafgaand aan de toepassing tijdelijk wordt opgeslagen (
✓ Het verruimen van de regels bij repeterende vrachten en omvangrijke grondtoepassingen (
✓ Het verruimen van de regels bij grondtransport met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel (
✓ Vrijstellingsregeling bodemonderzoek bij aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming;
hoofdstuk 9). ✓ Beoogd effect Met het vaststellen van dit geactualiseerde grondstromenbeleid wordt gefaciliteerd dat: de gemeente milieuvriendelijk grondstromenbeleid in uitvoering brengt dat praktisch uitvoerbaar, milieuhygiënisch verantwoord en transparant is; meer grondstromen kunnen plaatsvinden zonder dat voorafgaand de kwaliteit van de grond moet worden onderzocht. Voor de gemeente en derden kunnen besparingen worden gerealiseerd in uitvoeringstijd en -kosten; meer toepassingslocaties beschikbaar komen om vrijkomende grond milieuvriendelijk te hergebruiken; het gebruik en de aankoop van primaire én secundaire bouwstoffen (bijvoorbeeld zand uit zandwinputten of grond van een grondbank) wordt verminderd; de druk op het wegennet, de uitstoot van uitlaatgassen en fijnstof en het gebruik van energie wordt verminderd (grond hoeft minder ver te worden getransporteerd, geen extra productie door grondverwerker). Delegeren bevoegdheden Het gebiedsspecifieke grondstromenbeleid en eventuele toekomstige wijzigingen op dit gebiedsspecifieke beleid moeten, conform artikel 44 van het Besluit bodemkwaliteit, worden vastgesteld door de gemeenteraad. Om praktische redenen worden besluiten met een uitvoerend karakter gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders. Het betreft besluiten voor: wijzigingen van de bodemfunctieklassenkaart (voortzetting van het beleid van de voormalige gemeenten Bussum en Naarden); het toevoegen van aanvullende gegevens aan de bodemkwaliteitskaart die geen invloed hebben op het gemeentelijke gebiedsspecifiek grondstromenbeleid (voortzetting van het beleid van de voormalige gemeenten Bussum en Naarden); het onder voorwaarden accepteren van een bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond (voortzetting van het beleid van de voormalige gemeenten Bussum en Naarden); het opnieuw bestuurlijk vaststellen van een gewijzigde bodemfunctieklassenkaart en/of bodemkwaliteitskaart onder voorwaarde dat de wijzigingen geen invloed hebben op het in deze nota geformuleerde gemeentelijke gebiedsspecifieke grondstromenbeleid (dit is nieuw beleid). Financiën Het grondstromenbeleid heeft voor de gemeente geen nadelige financiële gevolgen. Met het beleid kunnen voor de gemeente en derden besparingen worden gerealiseerd bij: onderzoekskosten voor de toe te passen grond en de ontvangende bodem en bij het toepassen van grond en gerijpte baggerspecie; transport-, reinigings- en/of stortkosten van vrijkomende grond; aanschafkosten voor de toe te passen primaire grondstoffen (zand uit zandwinputten) en secundaire grondstoffen (bijvoorbeeld grond van een grondbank). Communicatie De mogelijkheden voor het toepassen van grond en gerijpte baggerspecie, wordt door de gemeente digitaal en interactief inzichtelijk gemaakt met een website die voor iedereen te raadplegen is: https://ofgv-bbkweb.lievense.com. Hiermee wordt al vooruitgelopen op één van de doelstellingen van de Omgevingswet die naar verwachting in 2023 inwerking treedt. Ook worden de kaarten van deze nota bodembeheer raadpleegbaar op de website van het Bodemloket http://www.bodemloket.nl/kaart, een initiatief van gemeenten, provincies en het Rijk. 1Inleiding In de teksten zijn blauw gekleurde literatuurverwijzingen opgenomen. Deze zijn opgenomen bij de bronvermeldingen op de bladzijden 68 t/m 70 van deze nota bodembeheer. 1.1Algemeen In deze nota bodembeheer staat welke mogelijkheden er zijn voor het toepassen en hergebruiken van grond en baggerspecie. De toepassing van grond, baggerspecie of een bouwstof mag geen ongewenste gevolgen voor verontreiniging of aantastingen hebben op en buiten de toepassingslocatie. De nota bodembeheer geeft regels en richtlijnen voor iedereen die bij het voorbereiden van projecten of het uitvoeren van bodemwerken rekening moet houden met de kwaliteit van de bodem. Deze nota bodembeheer is bedoeld voor professionele partijen. Deze nota bodembeheer heeft 2 doelen: Het stellen van regels voor het duurzaam en efficiënt hergebruik van vrijkomende grond in de gemeente. De Omgevingswet die naar verwachting in 2023 inwerking treedt, richt zich op het duurzaam en efficiënt beheren en gebruiken van de bodem en de ondergrond. Met deze nota bodembeheer wordt hierop ingespeeld en vinden grondstromen soepeler en dus efficiënter hun weg. Dit levert bijkomstige voordelen op: minder transport (winst voor milieu), bijdragen aan de circulaire economie en verbeteren van de omgevingskwaliteit. Verder zullen de administratieve en de financiële lasten voor burgers, bedrijfsleven en overheid verminderen. Het beleidsmatig verankeren van bodembeleid. Het beleidsmatig verankeren van het bodembeleid komt erop neer dat voor de activiteiten grondverzet, bodemsanering, bouwen en ruimtelijke planvorming de bodemkwaliteit zo eenduidig mogelijk wordt beoordeeld. Dit maakt het beleid helder voor burgers en bedrijven in de gemeente en voor bedrijven die binnen de gemeente werkzaamheden in de bodem uitvoeren. Voordat werkzaamheden of maatregelen op of aan de bodem worden uitgevoerd, is een milieuhygiënische verklaring nodig. Een milieuhygiënische verklaring is een bewijsmiddel dat de kwaliteit van de grond aantoont. 1.2Formuleren duurzaam en efficiënt grondstromenbeleid Om de voornoemde doelen te realiseren heeft de gemeente de eerder vastgestelde bodemfunctieklassenkaarten, de bodemkwaliteitskaart[1] geactualiseerd[2] en deze nota bodembeheer opgesteld. Met de geactualiseerde bodemfunctieklassenkaart, de bodemkwaliteitskaart deze nota bodembeheer worden de eerder bestuurlijk vastgestelde bodemfunctieklassenkaart, de bodemkwaliteitskaart en de nota bodembeheer vervangen. Bij allerlei graafwerkzaamheden en bewerkingen van de (water)bodem komt grond en baggerspecie vrij. Het tijdelijk opslaan en het hergebruik of toepassen van grond en gerijpte baggerspecie valt onder het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit[3][4] (hierna aangeduid als 'het Besluit' en 'de Regeling'). Het grondstromenbeleid moet praktisch uitvoerbaar, milieuhygiënisch verantwoord en transparant zijn. Hiermee wordt vorm gegeven aan het duurzaam en verantwoord hergebruik, toepassing en tijdelijke opslag van grond en gerijpte baggerspecie in de gemeenten. Er zijn vier motieven voor een duurzamer en verantwoord grondstromenbeleid: Een ‘standstill’ voor de bodemkwaliteit op gemeentelijk niveau (de kwaliteit van de bodem moet gelijk blijven en op termijn verbeteren). Beperking van het gebruik en aankoop van primaire en secundaire grondstoffen (aanvoer en gebruik van zand uit zandwinputten of grond van een grondbank). Kostenbesparing (minder onderzoekskosten bij grondverzet en verwerkingskosten bij vrijkomende grond). Minder grondtransportbewegingen en energiebesparing (minder druk op het wegennet, minder uitstoot van fijnstof en CO2 en minder grondverwerking). Deze nota bodembeheer geeft aan hoe vrijgekomen grond en gerijpte baggerspecie (hierna tezamen aangeduid als 'grond') op en in de landbodem van de gemeente kan en mag worden opgeslagen (tijdelijk), hergebruikt of toegepast. De bodemfunctieklassen- en bodemkwaliteitskaart zijn de instrumenten bij de uitvoering van dit duurzame grondstromenbeleid. Op de bodemfunctieklassenkaart zijn de functies ‘Industrie’, ‘Wonen’ en ‘Landbouw/natuur’ weergegeven. De bodemkwaliteitskaart geeft voor de gemeente de te verwachten chemische bodemkwaliteit aan van voor bodemverontreiniging niet-verdachte locaties voor de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 2 meter diepte. De gemeente heeft binnen de mogelijkheden van het Besluit, gebiedsspecifiek beleid opgesteld. Bij het gebiedsspecifieke beleid is een afweging gemaakt tussen enerzijds de risico’s voor bodemverontreiniging en behoud van de bestaande bodemkwaliteit en anderzijds de mogelijkheden voor hergebruik of toepassing van grond binnen de gemeente. De kaarten en de nota bodembeheer zijn niet afzonderlijk van elkaar te gebruiken. 1.3Beleidsmatige verankering van het bodembeleid Bij bodembeleidsonderdelen zoals het hergebruik van grond, bodemsanering en activiteiten zoals bouwen en ruimtelijke planvorming wordt, zoveel als mogelijk binnen de wet- en regelgeving gestreefd naar één uniform ambitieniveau en eenzelfde bodemkwaliteitsdoelstelling. Een dergelijk beleid is helder en eenduidig. In de voorgaande jaren heeft de gemeente al bodembeleid in uitvoering gehad die ingaat op de voornoemde bodembeleidsonderdelen. Hierbij is zoveel als mogelijk binnen de wet- en regelgeving één uniform ambitieniveau en eenzelfde bodemkwaliteitsdoelstelling nagestreefd. Een dergelijk beleid is helder en eenduidig voor de burgers en bedrijven. De provincie Noord-Holland heeft met de Werkwijzer Bodemsanering[5] als bevoegd gezag Wet bodembescherming[6] een praktische handleiding gegeven voor de uitvoering van bodemtaken en toetsingskader voor de uitvoering van onderzoek, sanering en nazorg binnen Noord-Holland. De Werkwijzer Bodemsanering vindt ook afstemming plaats met het Besluit en de Regeling, de Woningwet[7], het Activiteitenbesluit[8], de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht[9], de Waterwet[10], de Wet ruimtelijke ordening[11] en het werkveld archeologie. bevat tevens een aantal beleidsregels in het kader van de Algemene wet bestuursrecht[9] (artikel 4:81). Vanwege andere wet- en regelgeving kunnen bij grondverzet (ontgraven en toepassen van grond) nog aanvullende voorwaarden worden gesteld. In de volgende hoofdstukken en paragrafen wordt het beleid in deze nota bodembeheer, waar nodig, nader toegelicht. 1.4Afbakening nota bodembeheer 1.4.1Bevoegd gezag In de meeste situaties is bij het hergebruik/toepassen van grond op of in de landbodem, de activiteit bouwen en de activiteit ruimtelijke planvorming, de gemeente voor haar eigen grondgebied het bevoegd gezag. Binnen inrichtingen die onder het Activiteitenbesluit vallen, is de vergunningverlenende instantie het bevoegd gezag. Voor toepassingen op of in de waterbodem en in een oppervlaktewaterlichaam is de waterkwaliteitsbeheerder bevoegd gezag. In de gemeente Gooise Meren is dat Rijkswaterstaat (rijkswateren) en het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (overige wateren). Op een saneringslocatie is de Wet bodembescherming bepalend. Voor de gemeente is de provincie Noord-Holland meestal het bevoegd gezag. De provincie Noord-Holland heeft deze taken voor de gemeente Gooise Meren gemandateerd aan de Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek (hierna ‘OFGV’). Na inwerkingtreding van de Omgevingswet is de gemeente voor haar eigen grondgebied bevoegd gezag voor sanerende maatregelen. Uitzondering hierop vormen de (beschikte) spoedlocaties, de locaties die vallen onder het overgangsrecht van de Omgevingswet. Bij een nieuwe verontreiniging (veroorzaakt op of na 1 januari 1987) binnen een omgevingsvergunningplichtige inrichting, toetst de vergunningsverlener Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van de desbetreffende inrichting of zijzelf dan wel de provincie Noord-Holland als het bevoegd gezag optreedt. Voor de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de activiteit bouwen en de activiteit ruimtelijke planvorming binnen de (toekomstige) Omgevingswet is de gemeente voor haar eigen grondgebied het bevoegd gezag. Voor de gemeente wordt bij besluiten die het watersysteem raken, maar waar de gemeente het bevoegd gezag is, per situatie de bodemproblematiek afgestemd met het bevoegd gezag Waterwet. Alleen op deze manier wordt bereikt dat de eisen die de gemeente stelt, aansluiten op de wensen/eisen die de waterbeheerder heeft ten aanzien van het watersysteem. 1.4.2Reikwijdte Deze nota bodembeheer heeft betrekking op: Het toepassen en het tijdelijk opslaan van grond op of in de landbodem en het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie op aangrenzende percelen in de gemeente. Terugsaneerwaarden en grondverzet bij bodemsanering (
Het gebruik van de bodemkwaliteitskaart bij bodemverontreinigende activiteiten (
.15) en omgevingsvergunningsaanvragen (activiteit bouw en activiteit ruimtelijke planvorming;
hoofdstuk 9). Beoordelingen op grond van het in deze nota geformuleerde bodembeleid vinden plaats bij nieuwe ontwikkelingen (dynamische situaties, zoals grondverzet, bouw en/of bestemmingswijzigingen). Op locaties waar geen ontwikkelingen plaatsvinden (statische situaties) is het bodembeleid, met uitzondering van de zorgplicht, niet van toepassing. Toepassen en het tijdelijk opslaan van grond op of in de landbodem en het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie Voor alle toepassingen van grond geldt dat deze functioneel, nuttig, moeten zijn (
Als dat niet zo is, wordt de grond niet nuttig hergebruikt en wordt de grond als afvalstof gezien. Dit geldt óók voor schone grond. Een voorbeeld hiervan is het creëren van overhoogte op een geluidswal zonder dat dit voor de geluidswering noodzakelijk is. Voor het ontgraven en tijdelijk opslaan van grond in het kader van gevallen van ernstige bodemverontreiniging geldt de Wet bodembescherming. Naar verwachting treedt de Omgevingswet in 2023 inwerking en vervalt de Wet bodembescherming. Diverse onderwerpen uit de Wet bodembescherming komen in het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving aan de orde. Ook moeten bepaalde onderwerpen worden opgenomen in het Omgevingsplan en/of de Omgevingsverordening. Voor het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen geldt een bijzonder kader met acceptatieplicht voor de aangelanden op basis van de Waterwet en de Keur van waterschappen. Voor het inrichten van een weilanddepot voor baggerspecie moet, afhankelijk van het bestemmingsplan in de betreffende gemeente, een omgevingsvergunning worden aangevraagd (artikel 2.1 lid 1 onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Afhankelijk van de locatie kan ook een ontheffing noodzakelijk zijn van het bestemmingsplan. Het in deze nota geformuleerde grondstromenbeleid heeft geen betrekking op toepassingen van grond in een oppervlaktewaterlichaam tenzij het om een demping van een oppervlaktewaterlichaam gaat waardoor feitelijk een landbodem ontstaat. In die situatie worden nadere afspraken gemaakt tussen de waterkwaliteitsbeheerder (Rijkswaterstaat -rijkswateren- of Waterschap Amstel, Gooi en Vecht -overige wateren-) en de gemeente. Grondverzet bij bodemsanering Een bodemsanering moet worden uitgevoerd als er sprake is van een spoedeisend geval van ernstige bodemverontreiniging of als bodemkwaliteit op de locatie niet voldoet aan de bodemkwaliteit die hoort bij de toegekende functie. Bij een bodemsanering wordt sterk verontreinigde grond ontgraven en eventueel de saneringsput opgevuld met grond. Ook kan een bodemsanering plaatsvinden door het aanbrengen van een isolatielaag, ophooglaag of een leeflaag met grond. Afhankelijk van het type bodemsanering kan de bodemfunctieklassenkaart of de bodemkwaliteitskaart worden gebruikt om de terugsaneerwaarde(n) te bepalen (
Het aanvullen van een saneringsput of het aanbrengen van een ophooglaag of leeflaag als sanerende maatregel is in het kader van het Besluit een nuttige toepassing. Afhankelijk van de ligging van de saneringslocatie gelden hierbij de toepassingseisen die in deze nota bodembeheer zijn geformuleerd (
hoofdstuk 4). Grens landbodem-waterbodem De definitie van de grens tussen landbodem en waterbodem is aangegeven in artikel 1 van de Waterwet: “Oppervlaktewaterlichaam: 'samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende waterbodem, oevers en voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens deze wet, drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna'.” Ter plaatse van de waterbodems is de waterkwaliteitsbeheerder het bevoegd gezag. Voor de rijkswateren is dat Rijkswaterstaat en voor de overige wateren is dat Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Bij de rijkswateren vallen de zogenoemde ‘drogere oevergebieden’, zoals gedefinieerd in de Waterregeling[12], onder het bevoegd gezag van de gemeente. De ligging van het beheergebied van Rijkswaterstaat en de drogere oevergebieden zijn inzichtelijk gemaakt op de website van Rijkswaterstaat: https://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/wetgeving-beleid/waterwet/kaarten/kaart-waterregeling/ of https://geoservices.rijkswaterstaat.nl/portaal/. Ter plaatse van de overige wateren in het beheergebied is de ‘Keur’ van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht van toepassing. De gebieden die onder ‘de Keur’ vallen zijn inzichtelijk gemaakt op de ‘Legger’. De legger is op de volgende websites inzichtelijk gemaakt: https://www.agv.nl/onze-taken/legger/. Het gebruik van de bodemkwaliteitskaart bij andere doelen dan grondverzet Eén van de doelen van de Omgevingswet is dat de bodemkwaliteitskaart voor meer doelen dan het toepassen/hergebruik van grond wordt ingezet. De gemeente wil de bodemkwaliteitskaart onder voorwaarden gaan gebruiken Bij de interpretatie van eindsituatie-onderzoeken bij bodemverontreinigende activiteiten als geen nulsituatie-onderzoek is uitgevoerd. Als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de grond bij omgevingsvergunningsaanvragen (activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming). 1.5Geldigheid Deze nota bodembeheer wordt door de gemeente vastgesteld voor een periode van maximaal 10 jaar. Voor een bodemfunctieklassenkaart geldt geen wettelijke houdbaarheidstermijn. De bodemkwaliteitskaart worden maximaal 5 jaar na de bestuurlijke vaststelling van deze nota geëvalueerd (
artikel 4.3.5 van de Regeling). Een bodemkwaliteitskaart moet elke 5 jaar opnieuw worden vastgesteld, ongeacht of er aanpassingen zijn. Met de bodemkwaliteitskaart wordt ook de bodemfunctieklassenkaart geëvalueerd. Als de bodemfunctieklassenkaart moet worden aangepast, moet deze ook weer opnieuw bestuurlijk worden vastgesteld. Op basis van de evaluatie van de bodemfunctieklassenkaart en de bodemkwaliteitskaart wordt vastgesteld of aanpassing van deze nota noodzakelijk is of dat de nota in de huidige vorm nog een volgende 5 jaar kan worden gebruikt. Alleen als het gebiedsspecifieke beleid (artikel 44 van het Besluit) moet worden aangepast, moet ook de nota opnieuw door de gemeenteraad bestuurlijk worden vastgesteld. 1.6Verantwoordelijkheid De verantwoordelijkheid voor naleving van de regels bij het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond ligt in eerste instantie bij de initiatiefnemer. Maar ook een ieder die op een bepaald moment in enig opzicht macht uitoefent over (een deel van) de toepassing kan worden aangesproken; bijvoorbeeld een perceeleigenaar, erfpachter, huurder of bruiklener. De initiatiefnemer voor de grondtoepassing, of een hiertoe gemachtigd persoon (ontdoener van de grond of tussenpersoon zoals een aannemer of adviesbureau), is dan ook verplicht om het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond te melden. In § 7.2.2 is een aantal situaties beschreven waarbij het toepassen van grond niet gemeld hoeft te worden. De verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer voor het ontgraven, het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond en daarna een ieder die macht uitoefent op de toepassingslocatie ligt verankerd in de wettelijke zorgplicht: Algemene zorgplicht in het kader van de Wet milieubeheer[13] (artikel 1.1.a): achterwege laten van handelingen, die nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaken. Zorgplicht uit de Wet bodembescherming (artikel 13): een ieder die handelingen verricht die kunnen leiden tot bodemverontreiniging, is verplicht preventieve en zo nodig herstellende maatregelen te treffen. Zorgplicht voor handelingen inzake afvalstoffen. Met afvalstoffen wordt gedoeld op bijlage 1 van EU-richtlijn afvalstoffen van
.2, § 4.3 en § 4.4) kan hiermee na de inwerkingtreding van de Omgevingswet (indien gewenst) worden voortgezet. Deze nota bodembeheer kan als bouwsteen dienen voor het Omgevingsplan of Programma. Een nieuw op te stellen Omgevingsplan met het oog op de bodem, krijgt een breder spectrum dan alleen bodemsanering en hergebruik van grond. Er wordt aangesloten op de gemeentelijke Omgevingsvisie. Onderwerpen zoals de aanpak van bodemverontreiniging, activiteiten in het grondwater, eventuele diffuse bodembelasting met lood, verzilting, bodemdaling, bodemafdekking (wateroverlast en hittestress), opslag van gas in de ondergrond, asbestdaken en gerelateerde bodemverontreiniging en het overgangsrecht voor de Wet bodembescherming kunnen aan de orde komen. Het verdient de aanbeveling om het hergebruik van grond terug te laten komen in een nieuw Omgevingsplan, met het oog op de bodem. Met de Omgevingswet wijzigt ook het normenkader. Er komen zogenaamde ‘Voorkeurswaarden’ en ‘Maximale waarden’. De ‘Voorkeurswaarde’ (voor een bepaald bodemgebruik) is gelijk aan de huidige normen uit de Regeling voor ‘Achtergrondwaarde (AW2000)’, ‘Wonen’ en ‘Industrie’. De ‘Maximale waarde’ is gelijk aan de huidige waarden die voor het spoedcriterium van de Wet bodembescherming worden gebruikt. Tussen de ‘Voorkeurswaarde’ en ‘Maximale waarde’ hebben gemeenten de ruimte om eigen beleid te maken (
figuur 1.1). Dit moet door de gemeente worden onderbouwd. Figuur 1.1 Normenkader bodem in de omgevingswet De huidige Interventiewaarden van de Wet bodembescherming worden in de Omgevingswet opgenomen in bijlage IIA van het Besluit Activiteiten Leefomgeving. Als gegraven gaat worden met een omvang meer dan 25 m3, en de interventiewaarde wordt overschreden, wordt het net zoals nu verplicht een geschiktheidstoets uit te voeren voor het huidige/beoogde bodemgebruik. De gemeenten krijgen de mogelijkheid om gebiedsspecifiek beleid te maken: om de interventiewaarde, ‘triggerwaarde’, voor de verplichte geschiktheidstoets hoger of lager te stellen (
artikel 5.89j Besluit Kwaliteit Leefomgeving), bijvoorbeeld voor gebieden waar sprake is van een diffuus verspreide sterke verontreiniging; om verhoogde terugsaneerwaarden te formuleren (net zoals de Lokale Maximale Waarden binnen het Besluit). Bij werkzaamheden in de grond met gehalten boven de interventiewaarden, blijft de kwaliteitsborging in het bodembeheer[14] gelden; de zogenaamde ‘Kwalibo’; bijvoorbeeld dat werkzaamheden onder erkenning en volgens beoordelingsrichtlijnen moeten worden uitgevoerd (
artikel 2.1 van de Regeling). Opgesteld gemeentelijk/regionaal beleid (verhoogde ‘triggerwaarden’) heeft daar geen invloed op. Binnen de Omgevingswet blijft een bodemkwaliteitskaart gelden als erkend bewijsmiddel bij grondverzet. De bodemkwaliteitskaart kan ook gebruikt worden bij het huidige Activiteitenbesluit (na inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt dit regel) of bij de vrijstelling van bodemonderzoek voor omgevingsvergunningen. Bij nog niet gesaneerde en beheerde grondwaterverontreinigingen wordt de regelgeving in de Omgevingswet als volgt: Op een natuurlijk moment (bijvoorbeeld (her)ontwikkelingsprojecten of tijdens graafwerk) moet door de initiatiefnemer de bron van de grondwaterverontreiniging worden gesaneerd. Afhankelijk van de urgentie en het gebruik van de boven- en ondergrond (bijvoorbeeld drinkwaterwinning) neemt de overheid initiatieven om de pluim van de grondwaterverontreiniging aan te pakken. In de Omgevingswet is het een doelstelling dat informatie over milieuwet- en regelgeving makkelijker en digitaal wordt ontsloten. De mogelijkheden voor het toepassen van grond en gerijpte baggerspecie, wordt door de gemeente digitaal en interactief inzichtelijk gemaakt met een website die voor iedereen te raadplegen is: https://ofgv-bbkweb.lievense.com. Hiermee wordt al vooruitgelopen op één van de doelstellingen van de Omgevingswet die naar verwachting in 2023 inwerking treedt. De kaarten van deze nota bodembeheer worden ook raadpleegbaar op de website van het Bodemloket http://www.bodemloket.nl/kaart, een initiatief van gemeenten, provincies en het Rijk. 1.9Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de te verwachten bodemkwaliteit in de gemeente waarna in hoofdstuk 3 een toelichting wordt gegeven op de maatschappelijke opgave over het toepassen van grond in de gemeenten. Het beleid voor de toepassing van grond wordt in hoofdstuk 4 nader uitgewerkt. Het toepassen van grond met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel komt in hoofdstuk 5 aan de orde. Hoofdstuk 6 gaat in op de onderzoeksinspanning die moet worden verricht voorafgaand aan het ontgraven en toepassen van grond. De te volgen procedures rondom het toepassen van grond worden in hoofdstuk 7 beschreven. Hoofdstuk 8 gaat in op de controle en de handhaving van grondstromen. In hoofdstuk 9 wordt een vrijstellingsbeleid voor het uitvoeren van bodemonderzoek bij omgevingsvergunningsaanvragen (bouw en/of bestemmingsplan). Deze nota wordt afgesloten met een hoofdstuk over enkele delegaties van bevoegdheden door de gemeenteraad naar het college van burgemeester en wethouders. De in deze nota gebruikte begrippen worden in bijlage 1 uiteengezet. In bijlage 2 wordt ingegaan op de Wet- en regelgeving voor bodem en verantwoordelijkheden bij bodemtaken, onder andere bij het ontgraven, het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond. In bijlage 3 wordt de statistische onderbouwing van de ontgravingskaarten opgenomen. De mogelijkheden voor het toepassen van grond binnen de gemeente, zonder dat bodemonderzoek uitgevoerd hoeft te worden, worden weergegeven in een grondstromenmatrix dat in bijlage 4 is opgenomen. Tenslotte is in bijlage 5 het vragenformulier voor historische gegevens van de toe te passen grond opgenomen dat kan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de toe te passen grond, tezamen met de ontgravings- en toepassingskaarten. Op de kaartbijlagen N1 en N2 worden respectievelijk de bodemfunctieklassenkaart en een kaart met de ligging van de bodemkwaliteitszones weergegeven. Op de kaartbijlagen N3 worden de te verwachten ontgravingsklassen weergegeven. De toepassingseisen voor grond in de gemeente worden voor het generieke en gebiedsspecifieke kader opgenomen in respectievelijk de kaartbijlagen N4 en N5. 2De te verwachten bodemkwaliteit in de gemeente Als gevolg van de gebruikshistorie, de ontwikkeling van de wijken, en de belasting door emissies van bedrijven en voertuigen, kan de bodem diffuus belast zijn met verontreinigende stoffen. In het algemeen geldt: hoe langer een gebied door mensen in gebruik is, des te meer een gebied belast is. In verband hiermee heeft een indeling plaatsgevonden op basis van bodemgebruik en historie. Op basis van de eerder vastgestelde bodemkwaliteit zijn in totaal 24 bodemkwaliteitszones onderscheiden. Zowel in de bovengrond (traject vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte; aangegeven met een ‘B’), de tussenlaag (traject vanaf 0,5 meter diepte tot en met 1,0 meter diepte; aangegeven met een ‘T’) als in de ondergrond (traject vanaf 1,0 meter diepte tot en met 2,0 meter diepte; aangegeven met een ‘O’) zijn 8 bodemkwaliteitszones onderscheiden (
de kaartbijlage N2). De volgende uitgesloten locaties en gebieden zijn afgebeeld op de kaartbijlagen: Spoorgebonden gronden: spoorlijnen en emplacementen, inclusief spoorbermen en terreinen in eigendom van Rail Infra Trust en NS-Vastgoed. Het natuurgebied Naardermeer. (Voormalige) Defensieterreinen: Palmkazerne en MOB-complex. Bedrijfsterrein BAC en Givaudan, Huizerstraatweg 28 Naarden. De voormalige Kruitfabriek in Muiden. Het voormalige tracé van de rijksweg A1. Waterbodems met uitzondering van de drogere oevergebieden zoals gedefinieerd in de Waterregeling. De ligging van de onderstaande uitgesloten locaties en gebieden zijn, soms vanwege het dynamische karakter of het relatief kleine oppervlak van het gebied, niet op de kaarten weergegeven: Locaties met, of die verdacht zijn voor, een (sterke) bodemverontreiniging, inclusief locaties waar vanwege (bedrijfs)activiteiten PFAS-verbindingen1Poly- en perfluoralkylverbindingen, PFAS, zijn stoffen die al decennia worden gebruikt in industriële en andere processen en in vele producten. Ze worden toegepast in allerlei alledaagse toepassingen zoals verf, blusschuim, pannen, kleding en cosmetica. Kenmerkend voor deze stoffen is dat ze persistent, mobiel en nauwelijks biologisch afbreekbaar zijn. Bovendien is van verschillende PFAS aangetoond dat ze toxisch zijn. in verhoogde gehalten in de bodem kunnen voorkomen (PFAS producerende2Zoals bijvoorbeeld productie van o.a. PFOS, PFOA, telomeren en andere PFAS-verbindingen. en verwerkende bedrijven3Zoals bijvoorbeeld productie en verwerking van teflon, galvanische industrie, textielindustrie, papier(verwerkende) industrie, lak- en verfindustrie, fabricage van cosmetica., inzet blusschuim4Brand blussen, brandweeroefenplaatsen (gemeenten), brandpreventie voorzieningen (industrie) met schuimblusinstallaties, militaire brandweeroefenplaatsen en vliegvelden, brandweeroefenplaatsen op vliegvelden (burgerluchtvaart). en secundaire bronnen5Zoals bijvoorbeeld stortplaatsen, waterzuiveringsinstallaties, afvalverbrandingsinstallaties, ijzerinzamelbedrijven (inzamelen brandblussers), gebruik bestrijdingsmiddelen.). (Voormalige) stortplaatsen. Saneringslocaties in het kader van de Wet bodembescherming. De bodemlaag dieper dan 2 meter onder het maaiveld. Ook het grondwater is uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. De bodemkwaliteitskaart is opgesteld volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten[15]. De bodemkwaliteitskaart is voor de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 2,0 meter diepte vastgesteld voor de stoffen barium (
ook bijlage 1 met de Begrippen onder het kopje ‘Barium’), cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie en de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB;
ook bijlage 1 met de Begrippen onder het kopje ‘PCB’) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). Voor de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 1,0 meter diepte is de bodemkwaliteitskaart ook voor PFAS6Het betreft 30 PFAS-verbindingen die zijn opgenomen in de advieslijst van Bodem+ d.d. 12 juli 2019: https://www.bodemplus.nl/publish/pages/164708/1907012-pfas_-_advieslijst_tbv_tijdelijk_handelingskader_v4.pdf.-verbindingen vastgesteld. Voor de tussenlaag (0,5-1,0 m-
bijlage 3, kolom 'Gem') en getoetst aan de toetsingswaarden uit de Regeling én de toepassingsnormen die zijn benoemd in het ‘tijdelijke handelingskader hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’[16]. Uit tabel 2.1 blijkt dat volgens het nuttig hergebruik van gebiedseigen licht verontreinigde grond beperkt is. Binnen het gebiedsspecifieke kader van het Besluit heeft de gemeente de mogelijkheid om beleid te formuleren waardoor meer licht verontreinigde grond kan worden hergebruikt dan mogelijk is in het generieke kader van het Besluit. Dit gebiedsspecifieke beleid is in hoofdstuk 4 van deze nota bodembeheer beschreven. Tabel 2.1 Totaaloverzicht bodemkwaliteitszones, verwachte ontgravingsklassen, toepassingseisen bij voorkomende functies conform het generiek kader Besluit en het tijdelijk handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie CLG: Centrum Bussum, Oudere Dorp Bussum, Naarden-Vesting, Lintbebouwing Naarden-West*, Gooimeer Noord + Zuid. (vml. gemeenten Bussum/Naarden). WLB: Woonwijken Naarden/Bussum1920-1950, Lintbebouwing Naarden-Oost*, Begraafplaatsen. WVS: Woonwijken na 1950, Villagebied Brediuskwartier, Het Spiegel (vml. gemeenten Bussum/Naarden). Onverharde wegbermen: A1, A6, Rijksweg, Amsterdamsestraatweg, Amersfoortsestraatweg, IJsselmeerweg, Fransekampweg, Brinklaan. De 95-percentielwaarde voor een stof overschrijdt de interventiewaarde De grens tussen het buitengebied en de lintbebouwing van Naarden, zoals aangegeven op de kaarten, heeft in werkelijkheid een grilliger verloop. Dit komt doordat werkelijke grens wordt gevormd door de grens van woon- en boerderijpercelen met de bestemmingsfunctie wonen of bedrijven/industrie. De gemiddelde waarden van de PFAS-verbindingen zijn lager dan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden vastgesteld, maar voor een aantal PFAS-verbindingen liggen deze boven de bepalingsgrens. Het gemiddelde aan PFOA leidt tot een beperking bij het toepassen van grond in een oppervlaktewaterlichaam (neem contact op met de waterkwaliteitsbeheerder). De gemiddelde waarden van de PFAS-verbindingen zijn lager dan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden vastgesteld, maar voor een aantal PFAS-verbindingen liggen deze boven de bepalingsgrens. Dit leidt niet tot een beperking bij het toepassen van grond. De niet geroerde ondergrond (traject 1,0-2,0 m-mv) is niet verdacht voor PFAS-verbindingen en daarom niet onderzocht op deze stofgroep. De toepassingseis is gebaseerd op het generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit, het landelijke tijdelijke handelingskader hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie. 3Maatschappelijke opgave De gemeente verwacht de komende 5 tot 10 jaar dat structureel grond (tijdelijk) wordt ontgraven, opgeslagen en toegepast. Een voorbeeld hiervan is het regulier onderhoud aan wegbermen, rioleringen, kabels, leidingen, groenvoorzieningen, natuurontwikkelingsprojecten, (vervangende) nieuwbouwprojecten en onderhoudsbaggerwerkzaamheden. Uit de bodemkwaliteitskaart van de gemeente blijkt, dat met de generieke regels van het Besluit én de toepassingsnormen die zijn benoemd in het ‘tijdelijke handelingskader hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie’ het nuttig hergebruik van gebiedseigen licht verontreinigde grond beperkt is (
hoofdstuk 2, tabel 2.1). Hierdoor kan veel ontgraven grond niet worden hergebruikt en moet vervolgens worden afgevoerd naar een erkend verwerker. Ook moet dan grond van elders worden aangekocht en aangevoerd die wel voldoet aan de toepassingseisen; bijvoorbeeld zand uit zandwinputten of grond van een grondbank. De gemeente wil invulling geven aan een duurzamer en kosten effectiever grondstromenbeleid. Grond vrijkomend uit het ene project wil de gemeente kunnen hergebruiken in het andere project. Werk met werk maken. Er zijn dan minder onderzoekskosten bij grondverzet en verwerkingskosten bij vrijkomende grond nodig. Er hoeft minder grond te worden aangekocht en ook de transportafstanden worden gereduceerd. De druk op het wegennet en de uitstoot van schadelijke stoffen, zoals fijnstof en CO2 en het gebruik van energie nemen af. Het gebiedsspecifieke en gemeentelijke grondstromenbeleid bij de toepassingen van grond is nuttig en milieuhygiënisch verantwoord en brengt bij het huidige en het beoogde bodemgebruik geen onacceptabele risico’s met zich mee. Het gebiedsspecifieke en gemeentelijke grondstromenbeleid is in hoofdstuk 4 onderbouwd en beschreven. 4De uitwerking van het grondstromenbeleid 4.1Kwaliteitsdoelstelling bij hergebruik van grond Bij het nuttig toepassen van grond hanteert de gemeente het ‘standstill’ principe op het niveau van het bodembeheergebied (
Het ‘standstill’ principe betekent dat de bodemkwaliteit binnen het bodembeheergebied gelijk moet blijven en op termijn verbetert (
bijlage 1 onder het kopje ‘Toepassingseis kwaliteit toe te passen grond op of in de bodem (Generiek kader Besluit bodemkwaliteit)’. Op het niveau van bodembeheergebied is een vermindering van de kwaliteit alleen toelaatbaar: met gebiedseigen grond, vrijgekomen bij grondverzet binnen het vastgestelde bodembeheergebied (
.2); als de vastgestelde Lokale Maximale Waarden (
.3) niet worden overschreden; als elders in het bodembeheergebied een verbetering van de bodemkwaliteit wordt gerealiseerd. De Lokale Maximale Waarden voldoen aan de landelijke definitie voor ‘duurzaam geschikt voor het beoogde gebruik’. Er treden met de plaatselijke vermindering van de kwaliteit geen risico’s op voor het (toekomstig) bodemgebruik. Op niveau van het bodembeheergebied wordt als volgt invulling gegeven aan het ‘standstill’ principe: Daar waar de grond wordt ontgraven treedt een lokale verbetering op van de bodemkwaliteit. In gebieden waar een strengere toepassingseis geldt dan de kwaliteit van de ontvangende bodem, wordt een verbetering gerealiseerd. Voor grond van buiten het bodembeheergebied (
.2) gelden bij Lokale Maximale Waarden meestal andere voorwaarden (
Naast het gebiedsspecifieke grondstromenbeleid is in dit hoofdstuk ook algemeen beleid voor het hergebruik en toepassen van grond en het gebruik van de bodemkwaliteitskaart uitgewerkt. 4.2Acceptatie bodemkwaliteitskaarten als erkend bewijsmiddel bij toepassen van grond Het generieke kader van het Besluit gaat uit van het ‘eigen’ gemeentelijke grondgebied als bodembeheergebied voor het te voeren beleid bij het toepassen en het tijdelijk opslaan van grond. Om grond uit andere gemeenten in de gemeente Gooise Meren te kunnen toepassen met een bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel, moet de betreffende bodemkwaliteitskaart bestuurlijk worden geaccepteerd. Dit valt volgens het Besluit in het gebiedsspecifieke kader. De volgende bodemkwaliteitskaarten worden door de gemeente geaccepteerd als bewijsmiddel bij het toepassen van schone grond: Bodemkwaliteitskaart gemeente Wijdemeren[17]. Bodemkwaliteitskaart gemeenten Almere, Dronten, Lelystad, Noordoostpolder, Urk en Zeewolde[18]. Bodemkwaliteitskaart gemeente Huizen[19]. Hierbij moet worden opgemerkt dat de bodemkwaliteitskaarten van de gemeenten Wijdemeren en Huizen nog niet voor PFAS-verbindingen is opgesteld. 4.3Definiëren van Lokale Maximale Waarden 4.3.1Inleiding De mogelijkheden voor hergebruik van gebiedseigen grond (
.2) met de ontgravingskwaliteitsklassen ‘Industrie’, ‘Wonen’ en PFAS-houdende grond worden vergroot door gebiedsspecifiek grondstromenbeleid op te stellen. Het beleid staat toe dat in relatief schone gebieden, gebiedseigen grond mag worden toegepast met bijvoorbeeld de kwaliteitsklasse ‘Industrie’ of ‘Wonen’. Voor deze gebieden worden zogenaamde Lokale Maximale Waarden vastgesteld. Met het gebiedsspecifieke beleid wordt voorkomen dat de gemeente en derden onnodig hoge kosten moeten maken voor de afvoer van grond met de kwaliteitsklassen ‘Industrie’, ‘Wonen’ en PFAS-houdende grond. Het generieke kader van het Besluit staat deze verslechtering niet toe. Alleen met gebiedsspecifiek beleid mag lokale verslechtering plaatsvinden. In de hierna volgende paragrafen worden de verschillende Lokale Maximale Waarden en de gemeentelijke achtergrondwaarden PFAS-verbindingen gedefinieerd. De in de hierna volgende paragrafen vastgestelde Lokale Maximale Waarden gelden niet voor grond van buiten de gemeente. Uitzondering hierop vormen de Lokale Maximale Waarden die strenger zijn gedefinieerd dan het generieke beleid van het Besluit (
.9): Het toepassen grond op onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex) en (
Het verspreiden van PFAS-houdende onderhoudsbaggerspecie op een aangrenzend perceel (
4.3.2Lokale Maximale Waarden toepassen grond op onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en In sommige gebieden is het toegestaan om grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ toe te passen. De gemeente stelt daarentegen bij onverharde kinderspeelplaatsen7Hieronder wordt bijvoorbeeld verstaan: openbare kinderspeelplaatsen, speelplaatsen bij scholen, speelplaatsen bij (particuliere) kinderopvanginstellingen en kinderboerderijen., en moes-/volkstuin(complex)en strengere eisen als daar grond wordt toegepast. Dit om bij het (toekomstig) bodemgebruik eventuele risico’s uit te sluiten. Binnen de gemeente moet de grond die wordt toegepast op onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’. De kwaliteit van de toe te passen grond die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’ moet worden aangetoond met een partijkeuring (
De partijkeuring moet worden aangevuld met een onderzoek op asbest (historische gegevens en zintuiglijk). Grond met bijmenging van asbestverdacht materiaal moet worden onderzocht (
Ook gelden eisen ten aanzien van bijmenging van ander bodemvreemd materiaal (
De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (
24/70). De Lokale Maximale Waarde voor onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en is vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarden - AW2000)’. De kwaliteit moet zijn aangetoond met een partijkeuring (
.2.1) en moet worden aangevuld met een onderzoek op asbest (historische gegevens, zintuiglijk). Grond met bijmenging van asbestverdacht materiaal moet worden onderzocht (
Ook gelden eisen ten aanzien van bijmenging van ander bodemvreemd materiaal (
De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (
24/70). 4.3.3Lokale Maximale Waarden toepassen grond op (relatief) schone gebieden met de bodemfunctie ‘Industrie’ (bodemlaag 0-2 m-mv) Om de nu beperkte toepassingsmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklassen ‘Wonen’ en ‘Industrie’ te vergroten, staat de gemeente toe dat in (relatief) schone gebieden met de bodemfunctie ‘Industrie’, in de bodemlaag 0-2 m-mv grond met de kwaliteitsklassen ‘Wonen’ en ‘Industrie’ mag worden toegepast (
de kaartbijlagen N5): NB. Ter plaatse van bedrijfswoningen in de aangegeven gebieden mag alleen grond worden toegepast die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Wonen’. De kwaliteitsklassen ‘Industrie’ en ‘Wonen’ zijn gelijk aan of beter dan de generieke Maximale Waarde van het bodemgebruik in deze gebieden (Industrie). Hierdoor treden er bij het huidige bodemgebruik geen risico's op. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (
24/70). Bij het toepassen van en werken met verontreinigde grond moet de veiligheidsklasse conform de CROW publicatie 400 ‘Werken in en met verontreinigde bodem’[20] door een veiligheidskundige worden bepaald (
ook § 4.17). De Lokale Maximale Waarde voor (relatief) schone gebieden met de bodemfunctie ‘Industrie’ is voor de bodemlaag 0-2 m-mv) vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. NB. Ter plaatse van bedrijfswoningen in de aangegeven gebieden mag alleen grond worden toegepast die voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Wonen’. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (
24/70). 4.3.4Lokale Maximale Waarden toepassen grond op schone gebieden met de bodemfunctie ‘Wonen’ (bodemlaag 0-2 m-mv) Om de nu beperkte toepassingsmogelijkheden van grond met de kwaliteitsklassen ‘Wonen’ te vergroten, staat de gemeente toe dat in schone gebieden met de bodemfunctie ‘Wonen’, in de bodemlaag 0-2 m-mv grond met de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ mag worden toegepast (
de kaartbijlagen N5): De kwaliteitsklasse ‘Wonen’ is gelijk aan of beter dan de generieke Maximale Waarde van het bodemgebruik in deze gebieden (Wonen). Hierdoor treden er bij het huidige bodemgebruik geen risico's op. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (
24/70). Bij het toepassen van en werken met verontreinigde grond moet de veiligheidsklasse conform de CROW publicatie 400 ‘Werken in en met verontreinigde bodem’[20] door een veiligheidskundige worden bepaald (
ook § 4.17). DeLokale Maximale Waarde voor schone gebieden met de bodemfunctie ‘Wonen’ is voor de bodemlaag 0-2 m-mv vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Wonen’. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (
24/70). 4.3.5Lokale Maximale Waarden betere bovenafdichting oude stortplaatsen Op het gemeentelijk grondgebied zijn een aantal oude stortplaatsen8Zie hiervoor de website van de provincie Noord-Holland: https://geoapps.noord-holland.nl/. aanwezig. De bovenafdichting van een aantal stortplaatsen is of wordt in de toekomst mogelijk onvoldoende. Het toepassen van grond “als bovenafdichting voor een stortplaats met het oog op het voorkomen van nadelige gevolgen voor mens, plant of dier als gevolg van contact met het onderliggende materiaal” wordt binnen het Besluit als een nuttige toepassing gezien (artikel 35 onderdeel d). De toe te passen grond moet voldoen aan het (toekomstige) bodemgebruik. De gemeente wil de mogelijkheden voor het nuttig toepassen van vrijgekomen grond met de kwaliteitsklassen ‘Wonen’ en ‘Industrie’ vergroten door deze toe te passen op stortplaatsen waar de bovenafdichting onvoldoende is. Omdat de stortplaatsen in het buitengebied en in woongebieden zijn gelegen, voldoet de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie’ niet altijd aan de toepassingseis ter plaatse (in de regel ‘Wonen’ of ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarden - AW2000)’). Daarom stelt de gemeente onder de volgende voorwaarden Lokale Maximale Waarden vast: Alleen voor oude stortplaatsen waarvan de bovenafdichting onvoldoende is, mag grond met maximaal de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of ‘Industrie’ worden gebruikt ter eenmalige verbetering (het voldoende op dikte brengen) van de bovenafdichting. Grond met de kwaliteitsklassen ‘Wonen’ en ‘Industrie’ mag worden gebruikt alleen in combinatie met het aanbrengen van een minimaal 0,5 meter dikke afdeklaag. De kwaliteit van de afdeklaag moet voldoen aan het (toekomstige) bodemgebruik. Als de stortplaats in een gebied ligt met de bodemfunctie ‘Wonen’ of ‘Industrie’, dan moet de grond in de deklaag voldoen aan de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ of beter. Maar veelal is het bodemgebruik landbouw. Voor het bodemgebruik landbouw worden de Lokale Maximale Waarden voor de afdeklaag afgestemd op de LAC2006-waarde9Overschrijding van de LAC2006-waarde houdt in dat de kans op problemen voor de agrarische functie niet verwaarloosbaar wordt geacht en dat nader onderzoek gewenst is om na te gaan of zich daadwerkelijk nadelige effecten voordoen.[21]. Als de LAC2006-waarde hoger ligt dan de Maximale Waarde voor de kwaliteitsklasse ‘Wonen’, dan wordt deze laatste norm gehanteerd. Als de LAC2006-waarde lager ligt dan de AW2000, dan wordt de AW2000 gehanteerd. De Lokale Maximale Waarden voor de afdeklaag zijn in tabel 4.1 gespecificeerd. De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (
24/70). Bij het toepassen van en werken met verontreinigde grond moet de veiligheidsklasse conform de CROW publicatie 400 ‘Werken in en met verontreinigde bodem’[20] door een veiligheidskundige worden bepaald (
ook § 4.17). De Lokale Maximale Waarde voor een betere bovenafdichting van oude stortplaatsen is vastgesteld op de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. Voorwaarden hierbij zijn: Nadat de bovenafdichting voldoet aan de gestelde eisen, vervalt de Lokale Maximale Waarde ‘Industrie’. In combinatie met de bovenafdichting moet een afdeklaag worden gerealiseerd van minimaal 0,5 meter dikte met een kwaliteit die voldoet aan de kwaliteitsklasse Wonen in gebieden met de bodemfunctie ‘Wonen’ of ‘Industrie’. Voor gebieden die in gebruik zijn voor landbouw moet de kwaliteit voldoen aan de LAC2006-waarden dan wel de maximale waarden voor de functie ‘Wonen’ (
tabel 4.1). De kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen moet voldoen aan de gedefinieerde toepassingseisen (
24/70). Tabel 4.1 Specificatie Lokale Maximale Waarden voor de afdeklaag (minimaal 0,5 meter) op een verbeterdebovenafdichting van een voormalige stortplaats (gehalten in mg/kg ds bij standaard bodem: lutum 25% en organisch stof 10%) Norm Stof AW2000 Wonen LAC200610 [Tabel][Rij 1][Cel 1][Cel 2][Cel 3][Rij 1][Cel 1][Cel 2][Cel 3][Rij 2][Cel 1][Cel 2][Cel 3][Rij 3][Cel 1][Cel 2][Cel 3][Tabel][Rij 1][Cel 1][Cel 2][Cel 3][Rij 1][Cel 1][Cel 2][Cel 3][Rij 2][Cel 1][Cel 2][Cel 3][Rij 3][Cel 1][Cel 2][Cel 3]Betreffen LAC2006-waarden voor “Beweid grasland” LMW zand klei veen zand klei veen Barium - - - - Cadmium 0,6 1,2 1 2 2 1 1,2 1,2 Kobalt 15 35 - - - 35 Koper 40 54 3011Waarde voor beweid grasland/5012 Waarde voor veevoer op basis van norm in gewas 3011/8012 3011/8012 40/5011 40/54 40/54 Kwik 0,15 0,83 2 2 2 0,83 Lood 50 210 150 150 150 150 Molybdeen 1,5 88 - - - 88 Nikkel 35 39 15 50 60 35 39 39 Zink 140 200 150 660 720 150 200 200 PCB138 0,02 0,04 0,1/0,2 0,04 PCB153 0,02 0,04 0,1 0,04 PAK (som10) 1,5 6,8 3,4 3,4 4.3.6Lokale Maximale Waarden tijdelijke opslag van grond In het generieke kader van het Besluit moet bij de tijdelijke opslag van grond (langer dan 6 maanden en maximaal 3 jaar) de ontgravingskwaliteit van de grond gelijk of beter zijn dan de bodemkwaliteitsklasse van de (tijdelijk) ontvangende bodem (
respectievelijk de tabellen 3.4 en 3.3 van de rapportage van de bodemkwaliteitskaart). Deze voorwaarde past goed binnen de uitgangspunten van het landelijk geldende generieke toepassingskader, en dus wanneer de betreffende partij grond van een locatie afkomstig is van buiten het bodembeheergebied; de betreffende partij grond afkomstig is vanaf gebieden waarvan de gemeente de bodemkwaliteitskaart niet heeft geaccepteerd als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond; het baggerspecie betreft. In sommige bovengrondzones leidt dit met gebiedseigen grond tot knelpunten. In sommige gebieden kan zich bijvoorbeeld de situatie voordoen dat op een bepaalde locatie, waar de ontvangende bodem de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’ heeft, wel partijen grond van de kwaliteitsklasse ‘Wonen’ mag worden toegepast, maar dat dezelfde partij grond daar niet tijdelijk mag worden opgeslagen. Dat staat haaks op de definitie van tijdelijke opslag die in het Besluit is opgenomen: "De tijdelijke toepassing van grond/baggerspecie voorafgaand aan de definitieve nuttige toepassing." Daarom verruimt de gemeente de regels voor de tijdelijke opslag van grond. Een partij grond uit de gemeente mag, voorafgaand aan de definitieve toepassing, tijdelijk worden opgeslagen als de kwaliteit van de grond voldoet aan de vastgestelde Lokale Maximale Waarden, de gebiedsspecifieke toepassingseisen (
Grond van buiten de gemeente die tijdelijk wordt opgeslagen moet voldoen aan de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse (
tabel 3.3 van de rapportage van de bodemkwaliteitskaart). De Lokale Maximale Waarde voor tijdelijke opslag van grond uit de gemeente is gelijk aan de in § 4.3 vastgestelde Lokale Maximale Waarden. Grond van buiten de gemeente die tijdelijk wordt opgeslagen moet voldoen aan de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse (
tabel 3.3 van de rapportage van de bodemkwaliteitskaart). 4.3.7Toepassen PFAS-houdende grond en verspreiden PFAS-houdende onderhoudsbaggerspecie op aangrenzend perceel in het buitengebied Definiëren toepassingswaarden PFAS-houdende grond en verspreiden PFAS-houdende onderhoudsbaggerspecie op aangrenzend perceel in het buitengebied Zoals uit onderzoeken is gebleken, wordt in de grond een variatie aan gehalten met PFAS-verbindingen vastgesteld. Ook op locatieniveau is vaak sprake van variatie in gehalten. Om beter invulling te geven aan de voorkomende variatie, wordt door de gemeente voor de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 2,0 meter diepte toepassingswaarden voor PFAS-verbindingen gedefinieerd voor het toepassen van PFAS-houdende grond en het verspreiden van PFAS-houdende onderhoudsbaggerspecie op het aangrenzend perceel in het buitengebied. Deze zijn gebaseerd op de vastgestelde bodemkwaliteit in de gemeente, de mogelijkheden die het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie13Tijdelijke handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie, kenmerk IENW/BSK- 2019/131399; aangepast op 29 november 2019 en 2 juli 2020. biedt én de toepassingswaarden die zijn opgenomen in de beleidsregel van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Holland voor hergebruik van PFAS-houdende grond in de provincie Noord-Holland[22] (
tabel 4.2). Gezien de vastgestelde licht verhoogde gehalten binnen de gemeente, vindt de gemeente de gedefinieerde toepassingswaarden een voldoende kwaliteit om zonder risico’s grond met licht verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen in de gemeente toe te staan. De toe te passen PFAS-houdende grond moet voldoen aan de toepassingswaarden uit tabel 4.2. De toepassingswaarden zijn gebaseerd op de vastgestelde bodemkwaliteit in de gemeente en het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Toekomstige bijstelling van de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en (toepassings)waarden voor PFAS-houdende grond Tot en met 2020 wordt er nog veel onderzoek gedaan naar PFAS-verbindingen (bijvoorbeeld naar mobiliteit, uitloging, bioaccumulatie en gedrag in grondwater) en worden er landelijk veel meetgegevens door het RIVM verzameld. Op basis van deze onderzoeken en meetgegevens worden interventiewaarden gedefinieerd en worden mogelijk de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en toepassingswaarden voor PFAS-verbindingen aangepast. Als interventiewaarden worden gedefinieerd, volgt de gemeente de landelijke normen. Als de voorlopige landelijke achtergrondwaarden en/of toepassingswaarden voor PFAS-houdende grond worden gewijzigd, evalueert de gemeente deze met de in deze nota bodembeheer gedefinieerde toepassingswaarden voor hergebruik van PFAS-houdende grond en het verspreiden van PFAS-houdende onderhoudsbaggerspecie. Indien van toepassing worden de toepassingswaarden gewijzigd en bestuurlijk vastgesteld. Tabel 4.2: Toepassingswaarden PFAS-verbindingen in de grond Stof Toepassingswaarden PFAS-verbindingen (in µg/kg
.1) voorafgaand aan het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond moet aandacht besteed worden aan het voor komen van bodemvreemd materiaal in de grond (hout en steenachtige materialen zoals puin, bakstenen, cement, beton). Tijdens de grondwerkzaamheden moet een visuele controle plaatsvinden of de grond mogelijk verontreinigd is met bodemvreemde bijmengingen. De gemeente stelt voor de gebieden met de bodemfuncties ‘Landbouw/natuur’ (meestal het buitengebied en natuurgebieden) en ‘Wonen’ (meestal woonwijken) een maximale bijmenging van bodemvreemd materiaal vast van maximaal 10 gewichtsprocent voor. Als aanvullende eis geldt dat het bodemvreemde materiaal in de toe te passen grond uitsluitend mag bestaan met een maximale afmeting van 3 centimeter. Om het milieu minder met andere bijmengingen dan hout en steenachtige materialen (bijvoorbeeld plastics en piepschuim) te belasten, mag in de toe te passen grond slechts een ‘sporadische’ (maximaal 0,1 volumeprocent) bijmenging aan andere bodemvreemde materialen dan hout en steenachtige materialen (plastic, piepschuim, glas etc.) bevatten. Hierbij wordt aangesloten op de Regeling. Bij twijfel of grenssituaties beslist de OFGV (Toezicht en handhaving voor de gemeente). Als er geen sprake is van sterk verontreinigde grond, is het toegestaan om door civiel technisch zeven het percentage bodemvreemd materiaal terug te brengen naar de toegestane percentages. Het civiel technisch zeven wordt niet als een tussentijdse bewerking beschouwd (
de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). Het uitgezeefde bodemvreemd materiaal moet worden getransporteerd naar een erkend verwerker. Is het bodemvreemd materiaal niet uit te zeven, bijvoorbeeld bij kolengruis, dan moet een alternatieve toepassingslocatie voor de grond worden gezocht. Als tijdens de grondwerkzaamheden asbestverdacht materiaal (asbest(golf)plaat, gemengd puin, betonpuin en metselpuin) wordt waargenomen, moeten de werkzaamheden direct gestaakt worden (Arbeidsomstandighedenwet en -besluit)[23], moet het spoor van de Wet bodembescherming worden gevolgd en een verkennend asbestonderzoek worden uitgevoerd. Ook moet contact worden opgenomen met de OFGV. Dit geldt ook voor overige bijmengingen en afwijkingen zoals kleur en geur die redelijkerwijs op een bodemverontreiniging kunnen wijzen met bijvoorbeeld minerale olie of met vluchtige stoffen. De initiatiefnemer is verantwoordelijk dat deze voorafgaand aan het grondverzet aandacht besteedt aan het voorkomen van bodemvreemd materiaal in de grond (
aanleveren van historische gegevens; § 6.1). De initiatiefnemer laat tijdens de grondwerkzaamheden zijn uitvoerder hierop visueel controleren. Afwijkingen (meer dan het toegestane percentage bodemvreemd materiaal aan bijmenging, of bijmenging van asbest(verdachte) materialen, of afwijkende geur of kleur) moeten direct worden gemeld aan de OFGV en het werk moet (tijdelijk) worden gestaakt. In de toe te passen grond gebieden met de bodemfuncties ‘Landbouw/natuur’ en ‘Wonen’ mag maximaal 10 gewichtsprocent met bodemvreemd materiaal (hout en steenachtige materialen zoals puin, bakstenen, cement, beton) bevatten én een ‘sporadische’ bijmenging (maximaal 0,1 volumeprocent) aan andere bodemvreemde bijmengingen aan hout en steenachtige materialen (plastic, piepschuim, glas etc.). 4.5Toepassen van grond met asbestverdacht/-houdend materiaal Voor grond geldt als generieke toepassingseis dat deze maximaal 100 mg/kg droge stof (ds) aan -gewogen- asbest mag bevatten en de concentratie aan respirabele vezels mag niet groter zijn dan 10 mg/kg ds (gewogen). Dit betreft een gewogen gehalte, zijnde het gehalte serpentijnasbest plus tienmaal het gehalte amfiboolasbest. Voor toepassingen van grond in opdracht van de gemeente in gebieden met de gevoelige bodemfuncties zoals landbouw, natuur, moestuinen en onverharde kinderspeelplaatsen15Hieronder wordt verstaan: openbare kinderspeelplaatsen, speelplaatsen bij school, speelplaatsen bij (particuliere) kinderopvanginstellingen en kinderboerderijen is het niet toegestaan zintuiglijk met asbest verontreinigde grond toe te passen. Asbest mag in de grond voorkomen in een gehalte minder dan 100 mg/kg ds -gewogen- en maximaal 10 mg/kg ds (gewogen) aan respirabele vezels. Deze eis is ook opgenomen in de plannen van eisen voor locatie-ontwikkeling. Burgers en bedrijven worden geadviseerd het beleid van de gemeente te volgen. Als burgers/bedrijven dit niet willen geldt het onderstaande: Als asbest(golf)plaat en/of ander asbestverdacht materiaal (zoals bouw- en sloopafval, gemengd puin, betonpuin en metselpuin) wordt aangetroffen in de toe te passen grond, moet altijd een asbestonderzoek conform de laatste versie van de NEN 5707[24] of NEN 5897[25] plaatsvinden (de nieuwste stand der techniek) waarmee het gehalte van asbest wordt vastgesteld. In bijlage 1 is nader ingegaan op puin, asbestverdachtheid en asbestonderzoek. Als de maximale waarde voor asbest wordt overschreden (100 mg/kg ds gewogen), is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging en moet dit worden gemeld bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming: totdat de Omgevingswet inwerking treedt is dat de provincie Noord-Holland. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet is de gemeente voor haar eigen grondgebied bevoegd gezag voor sanerende maatregelen. Uitzondering hierop vormen de (beschikte) spoedlocaties, de locaties die vallen onder het overgangsrecht van de Omgevingswet. Als de zorgplicht van toepassing is (asbestverontreiniging ontstaan vanaf 1993) moet direct gesaneerd worden. De zorgplicht wordt in de Omgevingswet overgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Is de zorgplicht niet van toepassing, dan moet met een risicobeoordeling worden vastgesteld of er sprake is van onaanvaardbare risico’s (
bijlage 3 van de Circulaire bodemsanering[26]). Als in grond die is verontreinigd met asbest (≤100 mg/kg ds -gewogen- én ≤10 mg/kg ds -gewogen- aan respirabele vezels), méér dan de voornoemde percentages bodemvreemd materiaal is vastgesteld (
.4), én het asbest is alleen gerelateerd aan het bodemvreemde materiaal, dan mag het met asbest verontreinigde bodemvreemde materiaal op een daartoe passende wijze uit de grond gezeefd worden. Dit tussentijdse (civiel-technische) zeven wordt niet als een bewerking gezien (
de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). Bij een eerstvolgende wijziging van de Wet milieubeheer wordt het eenvoudiger om met asbest verontreinigde grond bij een asbestdak zonder goed functionerende dakgoot/regenwaterafvoer te verwijderen. Het gecertificeerde asbestverwijderingsbedrijf mag dan onder vermelding in het Landelijke AsbestVolgSysteem (LAVS) bij de verwijdering van het asbestdak óók de met asbest verontreinigde toplaag verwijderen. Toe te passen grond, in opdracht van de gemeente op locaties met een gevoelig bodemgebruik mag zintuiglijk geen asbest bevatten. Asbest mag in de grond voorkomen in een gehalte minder dan 100 mg/kg ds -gewogen- én maximaal 10 mg/kg ds (gewogen) aan respirabele vezels. Burgers en bedrijven worden geadviseerd het beleid van de gemeente te volgen. 4.6Toepassen grond uit de bodemkwaliteitszones ‘B2/T2/O2. Muiden vesting voor 1850’ en ‘B8. Onverharde wegbermen’ De ontgravingskwaliteit van de bodemkwaliteitszones ‘B2/T2/O2. Muiden vesting voor 1850’ en ‘B8. Onverharde wegbermen’ (
de kaartbijlage N2) vallen in de kwaliteitsklasse ‘Industrie’. Omdat relatief vaak sterk verhoogde gehalten met lood of PAK worden gemeten, stelt de gemeente strenger beleid vast voor grond die uit deze bodemkwaliteitszones elders op het grondgebied van de gemeente wordt toegepast. Grond uit deze bodemkwaliteitszones moet voorafgaand aan de beoogde toepassing buiten de betreffende zone altijd worden gekeurd (
Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast of moet worden getransporteerd naar een erkend verwerker. Voorafgaand aan het toepassen van grond uit de bodemkwaliteitszones ‘B2/T2/O2. Muiden vesting voor 1850’ en ‘B8. Onverharde wegbermen’ (
de kaartbijlage N2) buiten deze zones, moet een partijkeuring worden uitgevoerd. 4.7Toepassen van grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld Zoals in de bodemkwaliteitskaart van de gemeente is aangegeven, maakt de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld geen onderdeel uit van de bodemkwaliteitskaart. Grond uit deze bodemlaag die elders nuttig wordt toegepast, moet voorafgaand aan de toepassing worden gekeurd. Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast. Dit leidt tot extra kosten en uitvoeringstijd als grond vrijkomt bij bijvoorbeeld rioleringswerkzaamheden, ondertunneling, kelders en ondergrondse parkeergarages. Omdat de verwachting is dat de kwaliteit van de bodemlaag dieper dan 2 meter niet afwijkt van de kwaliteit van de bodemlaag die hierboven ligt (vanaf 1,0 meter tot en met 2 meter diepte), wordt dit niet doelmatig geacht. De gemeente verruimt op voor bodemverontreiniging niet-verdachte locaties de regels voor het toepassen van grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld. Dit betekent dat de vrijkomende en zintuiglijk niet verontreinigde grond uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld, op dezelfde wijze beoordeeld mag worden als de bovenliggende bodemlaag van 1,0 meter diepte tot en met 2 meter diepte (
tabel 2.1). De vrijkomende en zintuiglijk niet verontreinigde grond niet- verdachte locaties uit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden het maaiveld mag op dezelfde wijze beoordeeld worden als de bovenliggende bodemlaag van 1,0 meter diepte tot en met 2 meter diepte. 4.8Voorwaarden fysische kwaliteit toe te passen grond Naast de chemische bodemkwaliteit geldt voor alle boddemkwaliteitszones, uitgezonderd de bodemkwaliteitszones ‘B6/T6/O6. Buitengebied op klei’, aanvullende voorwaarde voor de fysische kwaliteit van de toe te passen grond. In de bodemkwaliteitszones mag geen kleigrond (lutumgehalte > 10%) op zandgronden worden toegepast. Alleen in bijzondere gevallen en na toestemming van de gemeente mag kleigrond op zandgrond worden toegepast. Voor het verkrijgen van toestemming moet de initiatiefnemer minimaal 5 werkdagen voorafgaand aan de eventuele toepassing contact te worden opgenomen met de gemeente. In het westelijke deel van de gemeente komt veengrond voor16Ziehttps://www.pdok.nl/viewer/, Basisregistratiekaart Ondergrond BRO, BRO Bodemkaart – bodemvlakken. . Op percelen met de bodemfunctie Landbouw of natuur in het westelijk deel van de gemeente (
kaartbijlage N1) mag alleen veengrond worden toegepast. In veengronden kunnen van nature (sterk) verhoogde gehalten aan organische componenten (bijvoorbeeld olie of PAK) voorkomen. Bij toepassing van veengrond moet worden aangetoond dat in de veengrond geen sprake is van sterk verhoogde gehalte aan organische componenten als gevolg van menselijk handelen. Bij twijfel beslist de OFGV (Toezicht en Handhaving van de gemeente) of de veengrond mag worden toegepast. 4.9Toepassen van grond afkomstig van buiten de gemeente Gooise Meren Voor grond van buiten de gemeente Gooise Meren gelden de toepassingseisen conform het generieke kader van het Besluit (
tabel 2.1 en de kaartbijlagen N4). Uitzondering hierop vormen de Lokale Maximale Waarden die strenger zijn vastgesteld dan het generieke beleid van het Besluit (
.3.2 Toepassen grond op onverharde kinderspeelplaatsen en moes-/volkstuin(complex)en). 4.10Toepassen van grond in een grootschalige bodemtoepassing De toepassing van grond in een grootschalige bodemtoepassing is beschreven in § 2.1.1 van bijlage 2. De initiatiefnemer van de grootschalige bodemtoepassing neemt in de planfase contact op met de OFGV. Per situatie worden de uitgangspunten voor grootschalige bodemtoepassingen in overleg tussen de initiatiefnemer en de OFGV vastgelegd. Afhankelijk van de beoordeling van de OFGV moet de initiatiefnemer aantonen dat de grond die wordt verwerkt in het lichaam van de grootschalige bodemtoepassing voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Industrie’, of een betere kwaliteitsklasse, en voldoet aan de emissietoetswaarden, die zijn opgenomen in bijlage B (tabel 1) van de Regeling, zodat wordt voorkomen dat er onaanvaardbare uitloging van stoffen naar de onderliggende bodemlaag kan plaatsvinden. Ook moet worden aangetoond dat de grond die wordt verwerkt in de leeflaag van de grootschalige bodemtoepassing voldoet aan de toepassingseisen van de locatie waar de grootschalige bodemtoepassing wordt gerealiseerd. De kwaliteit van de grond die in de leeflaag wordt toegepast moet voldoen aan de generieke toepassingseisen, of aan de vastgestelde Lokale Maximale Waarden (de gebiedsspecifieke toepassingseisen,
Als de gemiddelde waarden van een bodemkwaliteitszone voldoen aan de emissietoetswaarden, dan is het toegestaan dat de bodemkwaliteitskaart gebruikt mag worden als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van grond die wordt toegepast in een grootschalige bodemtoepassing. Voorwaarden die hierbij gelden zijn: De grond is afkomstig van een gebied dat onderdeel uit maakt van de bodemkwaliteitskaart (
hoofdstuk 2 voor de uitgesloten gebieden). De grond die wordt toegepast voldoet aan het maximaal percentage bodemvreemd materiaal zoals is omschreven in § 4.4 en het maximaal toegestane gehalten met asbest (
Toepassen PFAS-houdende grond De toepassingseisen voor PFAS-houdende grond die wordt verwerkt in de kern van de grootschalige bodemtoepassing voldoet aan de toepassingswaarden voor de bodemfunctieklassen ‘Wonen’ en ‘Industrie’, of een betere kwaliteit: PFOA: 7,0 µg/kg ds. Alle andere PFAS-verbindingen: 3,0 µg/kg ds. De toepassingseisen voor PFAS-houdende grond die wordt verwerkt in het lichaam van de grootschalige bodemtoepassing moet voldoen aan de voorlopige landelijke achtergrondwaarden: PFOA: 1,9 µg/kg ds. Alle andere PFAS-verbindingen: 1,4 µg/kg ds. Oók moet worden aangetoond dat de PFAS-houdende grond die wordt verwerkt in de leeflaag van de grootschalige bodemtoepassing voldoet aan de toepassingseisen van de locatie waar de grootschalige bodemtoepassing wordt gerealiseerd. De kwaliteit van de PFAS-houdende grond die in de leeflaag wordt toegepast moet voor PFAS-verbindingen voldoen aan de gedefinieerde Lokale Maximale Waarden (
24/70). 4.11Toepassen van grond uit een tijdelijke opslag Het toepassen van grond uit een tijdelijke opslag moet in de meeste situaties voorafgegaan worden door een partijkeuring (
Afhankelijk van de resultaten van de partijkeuring (en mogelijk aanvullende bepalingen uit § 4.4 en § 4.5) mag de grond worden toegepast. De gemeente staat toe dat de bodemkwaliteitskaart, of een geaccepteerde bodemkwaliteitskaart (
.2), als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de grond mag worden gebruikt, als wordt aangetoond dat de grond: afkomstig is van een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie (volgend uit historisch onderzoek;
.1); én afkomstig is uit een bodemkwaliteitszone van de eigen of van een geaccepteerde bodemkwaliteitskaart (
.2); én niet tussentijds is bewerkt (bijvoorbeeld samengevoegd met andere partijen grond). Als aan één of meerdere voorwaarden niet kan worden voldaan, moet een partijkeuring worden uitgevoerd. Als al een partijkeuring is uitgevoerd, dan moet alleen aan de derde voorwaarde worden voldaan. Samenvoegen van partijen grond mag alleen onder erkenning van de BRL 9335[27] of de BRL 7500[28]. Splitsen van een partij grond is toegestaan, ook zonder erkenning. Het splitsen moet goed worden gedocumenteerd door de initiatiefnemer. Conform artikel 4.3.1 van de Regeling moet worden vastgelegd: de relatie tussen de deelpartij en de oorspronkelijke partij, de persoon of instelling welke de splitsing heeft uitgevoerd, en de datum waarop de splitsing is uitgevoerd. Het beschikbare bewijsmiddel blijft geldig voor verschillende gesplitste deelpartijen. Als de grond die wordt toegepast onder certificaat wordt gesplitst, moet rekening worden gehouden met het gestelde in § 6.9 van het BRL 9335 – protocol 9335-1[29]. Als partijen herbruikbare grond illegaal zijn samengevoegd, dan moet een bedrijf dat is erkend voor het BRL 9335 – protocol 9335-1 worden ingeschakeld om de partij te legaliseren. In § 6.3.5 van het BRL 9335 – protocol 9335-1 is hiervoor een mogelijkheid beschreven. Dit document
t expliciet niet toe op het samenvoegen van niet herbruikbare (ernstig verontreinigde) grond met hergebruiksgrond (licht verontreinigd). In dat kader is onderdeel B7 van het Landelijk afvalbeheerplan (LAP3) [30] als uitwerking van Hoofdstuk 10 Wet milieubeheer van toepassing. 4.12Terugsaneerwaarden en hergebruik van grond op te saneren en gesaneerde locaties Op een saneringslocatie is de Wet bodembescherming bepalend. In sommige situaties zijn er raakvlakken tussen saneren en het toepassen of hergebruiken van grond. Dit geldt onder andere voor: Terugsaneerwaarde in relatie tot de bodemfunctieklasse (bij BUS-meldingen, BUS staat voor Besluit uniforme saneringen[31]); Aanvullen van ontgravingsput, het aanbrengen van een ophooglaag/leeflaag na sanering of het tijdelijk opslaan van grond. 4.12.1Terugsaneerwaarden en hergebruik grond De terugsaneerwaarden zijn in de Wet bodembescherming, het Besluit Uniforme Saneringen en de Regeling Uniforme Saneringen[32]) geregeld: Wet bodembescherming Circulaire artikel 4.1.2
Zo zou het kunnen zijn dat er voor een specifieke situatie de saneringskosten te hoog oplopen, terwijl verwacht wordt dat er op basis van locaties specifieke omstandigheden geen sprake is van een risico. In die situatie moet een saneringsplan worden opgesteld en de hierin gehanteerde terugsaneerwaarden op basis van een uitgebreid onderzoek naar risico’s (bijvoorbeeld een triadeonderzoek) worden onderbouwd. Het toepassen van grond om een saneringsdoelstelling te behalen valt onder het bevoegd gezag van de Wet bodembescherming. Voor de gemeente is dat de provincie Noord-Holland. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet is de gemeente voor haar eigen grondgebied bevoegd gezag voor sanerende maatregelen. Uitzondering hierop vormen de (beschikte) spoedlocaties, de locaties die vallen onder het overgangsrecht van de Omgevingswet. Nadat het saneringsresultaat is behaald, mag op deze locatie grond worden toegepast mits het een nuttige toepassing betreft (
.1.1 in bijlage 2) en voldoet aan de toepassingsvoorwaarden uit deze nota bodembeheer. Ook moet worden nagegaan of de toepassing niet in strijd is met opgelegde gebruiksbeperkingen en/of nazorgverplichtingen. Voor grond, afkomstig uit de gemeente gelden de gebiedsspecifieke toepassingseisen (
de kaartbijlagen N5). Voor grond van buiten de gemeente gelden de generieke toepassingseisen (
de kaartbijlagen N4). Mogelijk zijn ook de aanvullende bepalingen uit § 4.4 en § 4.5 van toepassing. In een ‘Werkwijzer bodemsanering’[5] is de provincie Noord-Holland eveneens ingegaan op: De terugsaneerwaarden in de boven- en ondergrond (saneringsdoelstelling). Hergebruik van grond bij saneringen. In de werkwijzewr wordt aangesloten bij de landelijke regelgeving bij bodemsaneringen en hergebruik van grond (van een saneringslocatie). 4.12.2Melden toepassen grond op een saneringslocatie Het toepassen van grond moet worden gemeld bij het bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit (
Als de sanering wordt uitgevoerd conform artikel 39 van de Wet bodembescherming moet het toepassen van de grond óók worden gemeld bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming. Voor het grondgebied van de gemeente is dat de provincie Noord-Holland,
ook de website: https://www.ofgv.nl/thema/bodem/meldingsformulieren/. De dubbele meldingsplicht geldt niet voor BUS-saneringen (
artikel 36, lid 2 onder c van het Besluit). 4.12.3Melden klein grondverzet (10m3) De provincie Noord-Holland heeft een beleidsregel met betrekking tot het melden van klein grondverzet[33]. Deze regel geldt uitsluitend voor locaties waarvoor Gedeputeerde Staten bevoegd gezag zijn op basis van de Wet bodembescherming. Voor kleinschalige werkzaamheden, waarbij minder dan 10m3 grond wordt ontgraven, is het niet langer noodzakelijk om een BUS-melding in te dienen. In plaats daarvan kunnen dergelijke werkzaamheden gemeld worden bij de OFGV: https://www.ofgv.nl/thema/bodem/meldingsformulieren/meldingsformulier-3/. De regels met betrekking tot het uitvoeren van bodemonderzoek blijven ongewijzigd. Bij de beoordeling van een melding worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: Dat een volume van maximaal 10m3 sterk verontreinigde grond op de locatie wordt ontgraven en wordt teruggeplaatst of afgevoerd. Dat de ontgraven grond alleen binnen de saneringslocatie tijdelijk wordt opgeslagen of in de ontgraving wordt teruggeplaatst. Dat de bodem waarin de graafwerkzaamheden plaatsvinden sterk verontreinigd is met immobiele verontreinigingen conform de Regeling uniform saneren bijlage 6, categorie Immobiel en zich bevindt boven de grondwaterstand dan wel in maximaal licht verontreinigd grondwater. De grond bevat geen andere stoffen boven de interventiewaarden. Dat de grond in hetzelfde profiel of zoveel mogelijk op dezelfde plaats en diepte wordt teruggeplaatst. Dat de grond van de ontgraving wordt teruggeplaatst dan wel moet deze indien mogelijk dezelfde dag na vrijkomen worden afgevoerd en uiterlijk na uitvoering van de werkzaamheden wordt afgevoerd en niet blijft liggen na uitvoering van de werkzaamheden. Dat de locatie inclusief de tijdelijk uitgeplaatste grond, omgeven wordt door een hekwerk en dit is voorzien van waarschuwingsborden met duidelijk leesbaar opschrift. Dat voor de sanering volgens deze beleidsregel milieukundige begeleiding niet verplicht is. Deze taak ligt in het kader van deze regeling bij de verantwoordelijke persoon van de gekwalificeerde uitvoerende partij. Dat de uitvoerder beschikt over een erkenning volgens het Besluit Bodemkwaliteit BRL SIKB 7000-serie17BRL SIKB 7000, Beoordelingsrichtlijn, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem. . Dat bij twijfel of er wordt voldaan aan de bovenstaande uitgangspunten voor de 10 m3 regeling een melding volgens het Besluit Uniforme Saneringen of een melding artikel 28 wet wordt gedaan; Dat de uitvoeringsgegevens beschikbaar blijven gedurende een periode van twee jaar. Dat wanneer sprake is van afwijking van de verwachte bodemkwaliteit op de ontgravingslocatie tijdens uitvoering, er melding bij het bevoegd gezag wordt gedaan van de situatie en de consequenties voor uitvoering en procedures in het kader van de wet. 4.13Bijzondere omstandigheden bij het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond 4.13.1Van de bodemkwaliteitskaart uitgesloten locaties en gebieden en grond uit een oud categorie-1 werk In de gemeente zijn een aantal locaties en gebieden uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart. Deze locaties en gebieden zijn in hoofdstuk 2 gespecificeerd. Voor de gebieden die zijn uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart geldt het volgende: Het toepassen van grond van deze locaties of gebieden moet voorafgegaan worden door een partijkeuring (
Afhankelijk van de onderzoeksresultaten mag de grond als volgt worden toegepast: Als de grond voldoet aan de kwaliteitsklasse 'Industrie' of beter, dan mag de grond op worden toegepast op een locatie waar de vastgestelde kwaliteit voldoet aan de daar geldende toepassingseis. Als één of meerdere gehalten in de grond de Maximale Waarden voor 'Industrie' overschrijden, maar de interventiewaarde wordt niet overschreden, dan moet de grond worden getransporteerd naar een erkend verwerker. Als één of meer gehalten in de grond de interventiewaarde van de Wet bodembescherming overschrijdt, mag de grond niet worden toegepast en moet het spoor van de Wet bodembescherming worden gevolgd. De onderzoeksresultaten moeten worden gemeld aan de OFGV. Als grond op deze locaties of gebieden toegepast wordt, moet de ontvangende bodem onderzocht worden met een verkennend bodemonderzoek (
Alleen de ontvangende bodemlaag waarop de grond wordt toegepast moet worden onderzocht. Ongeacht de vastgestelde bodemkwaliteit gelden de toepassingseisen van het omliggende gebied (
Grond uit een oud categorie-1 werk (volgens het voormalige Bouwstoffenbesluit) die elders nuttig wordt toegepast moet altijd worden gekeurd (
Afhankelijk van de keuringsresultaten mag de grond worden toegepast. 4.13.2Onderzochte locaties en gebruik ontgravingskaart of toepassingskaart 4.13.2.1 De geldigheidsduur van een eventueel uitgevoerd onderzoek De toe te passen grond en/of de ontvangende bodem kan al eerder zijn onderzocht. De NEN 5740[34] of en het BRL 1000 – protocol 1001[35] stellen geen voorwaarden aan de actualiteit van onderzoeksgegevens. De gemeente beschouwt de onderzoeksresultaten als een momentopname en zijn daarom niet ‘onbeperkt houdbaar’ Bij alle eerder uitgevoerde onderzoeken geldt, dat de initiatiefnemer aan de OFGV (Toezicht en Handhaving van de gemeente) aannemelijk maakt dat de onderzoeksgegevens hun actualiteitswaarde hebben behouden. Hierbij moet ten minste in ogenschouw zijn genomen: of de gehanteerde strategie van monstername of analysemethodes voldoende inzicht geven in de algemene bodemkwaliteit; of de onderzoekslocatie na uitvoering van het laatste volledige onderzoek niet intensiever is gebruikt (bijvoorbeeld meer/extra bedrijfsactiviteiten) en geen grondverzet of herinrichting heeft ondergaan; qua gebruik of inrichting de onderzoekslocatie nog hetzelfde is; in hoeverre er tussentijds op de onderzoekslocatie activiteiten zijn uitgevoerd die de bodemkwaliteit hebben kunnen beïnvloeden. Voor de huidige situatie moet een terreininspectie worden uitgevoerd of kan gebruik gemaakt worden van de luchtfoto’s (meest recente jaargang) op de volgende website: https://www.topotijdreis.nl/. Bij twijfel beslist de OFGV (Toezicht en Handhaving van de gemeente) of het bewijsmiddel gebruikt mag worden. 4.13.2.2Uitgevoerd specifiek onderzoek van de NEN 5740 of een partijkeuring en gebruik ontgravingskaart De mogelijkheid bestaat dat op een locatie van ontgraving een specifiek onderzoek van de NEN 574018 Alleen van de volgende onderzoeksstrategieën kan gebruik worden gemaakt: TOETS-S, TOETS-S-GR en KEU-I-HE. of een partijkeuring (BRL protocol 1001) is uitgevoerd. Als het onderzoek of de partijkeuring voldoet aan de vereisten voor een bewijsmiddel uit het Besluit (
.2.1) en representatief is voor de meest recente (terrein)situatie, dan moet dit onderzoek worden gebruikt als bewijsmiddel. Zo’n onderzoek geeft een beter beeld van de grondkwaliteit dan de bodemkwaliteitskaart. Het onderzoek is leidend boven de ontgravingskaarten van de bodemkwaliteitskaart. 4.13.2.3Uitgevoerd onderzoek en gebruik toepassingskaart Uit een onderzoek, een partijkeuring of uitgevoerd volgens de NEN 5740, kan blijken dat dat de kwaliteit van de ontvangende bodem waarin de locatie is gelegen slechter of juist beter is dan de bodemkwaliteitsklasse zoals die voor de bodemkwaliteitszone is vastgesteld. In die situatie geldt de toepassingseis zoals deze is weergegeven op de toepassingskaarten, ongeacht de vastgestelde bodemkwaliteitsklasse en mogelijk gevolgen voor de toepassingseis. 4.13.2.4Uitgevoerd NEN 5740 onderzoek en gebruik ontgravingskaart Als op de ontgravingslocatie al een bodemonderzoek volgens de NEN 5740 is uitgevoerd, maar geen onderzoeksstrategie conform een partijkeuring (
.13.2.2), geldt het volgende: Binnen een bodemkwaliteitszone is altijd sprake van een variatie in aangetroffen gehalten. Ook op locatieniveau is vaak sprake van variatie in gehalten. De gemeente vindt het niet redelijk dat voor deze locaties, na het uitvoeren van een bodemonderzoek conform de NEN 5740, een aanvullende partijkeuring moet plaatsvinden. De gemeente staat het daarom toe dat er geen aanvullende partijkeuring hoeft te worden uitgevoerd als wordt voldaan aan de onderstaande voorwaarden: de terreinsituatie is niet veranderd na het laatste uitgevoerde bodemonderzoek; én het bodemonderzoek toont aan dat de maximale waarden van het bodemonderzoek voldoen aan de 95-percentielwaarde van de betreffende bodemkwaliteitszone (
bijlage 3, kolom 95P). De ontgravingskaart mag dan worden gebruikt als bewijsmiddel voor de elders toe te passen grond. Het uitgevoerde bodemonderzoek wordt hierbij als aanvullend ‘bewijsmiddel’ gebruikt. Als de maximale waarden van het bodemonderzoek hoger is dan 95-percentielwaarde van de betreffende bodemkwaliteitszone, dan wordt de ontgraven grond als afwijkend gezien en moet een partijkeuring worden uitgevoerd om de bodemkwaliteit te bepalen. Als één of meerdere gehalten de interventiewaarde overschrijdt, moet contact worden opgenomen met de OFGV. 4.13.3Beschermde gebieden 4.13.3.1 Provinciale beschermingsgebieden In het bodembeheergebied liggen provinciale beschermingsgebieden. De provincie kan hier aanvullende eisen stellen. Voorbeelden hiervan zijn gebieden met archeologische, cultuurhistorische, of aardkundige waarden, Natura2000-gebieden of gebieden die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalige EHS): https://geoapps.noord-holland.nl/. Voorafgaand aan het ontgraven, het tijdelijk opslaan of het toepassen van grond moet zowel voor de ontgravingslocatie als op de toepassingslocatie worden nagegaan of er naar aanleiding van de ligging in één of meerdere beschermingsgebieden restricties zijn ten aanzien van de werkzaamheden. Bij grondwerkzaamheden binnen beschermingsgebieden wordt het provinciale beleid gevolgd. 4.13.3.2Gemeentelijke beschermingsgebieden Binnen de gemeente Gooise Meren is cultuurhistorisch beleid[36] en bijbehorende kaarten vastgesteld. Het beoogde doel hiervan is dat er een algemeen bewustzijn is van het archeologisch- en cultuurhistorisch erfgoed in de gemeente. In het beleid is aangegeven dat als een plangebied met grondroerende werkzaamheden is gelegen binnen een locatie waar is aangegeven dat deze archeologische waarden geeft (
de kaarten), bij bepaalde oppervlakten en grondroerderdiepten een archeologisch bureauonderzoek en mogelijk een verkennend archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. 4.14Tijdelijke uitname van grond bij graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur en groenvoorzieningen Bij aanleg, vervang-, reparatiewerkzaamheden van ondergrondse infrastructuur zoals kabels, leidingen, rioleringen en graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen, wordt grond ontgraven en weer toegepast (tijdelijke uitname van grond). In het Besluit is onder voorwaarden tijdelijke uitname van grond op een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie (volgend uit de aangeleverde historische gegevens) toegestaan zonder dat een kwaliteitsbepaling is uitgevoerd, een functietoets is gedaan en een melding is verricht. De voorwaarden hierbij zijn dat: er geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; er geen tussentijdse bewerking19 Het tussentijds civieltechnisch zeven (cosmetisch zeven) wordt niet als tussentijdse bewerking beschouwd (
de Nota van Toelichting Besluit bodemkwaliteit artikel 36, derde lid). plaatsvindt; de grond onder dezelfde condities op of nabij de herkomstlocatie weer worden toegepast; ondergrond wordt weer ondergrond en bovengrond wordt weer bovengrond. Met deze laatste voorwaarde is het zogenaamde ‘over-de-kop-werken’ (de bovengrond en de ondergrond worden niet gescheiden ontgraven) bij graafwerkzaamheden niet mogelijk. Dit is niet wenselijk omdat bij veel graafwerkzaamheden er geen tot (zeer) weinig ruimte op en in de nabije omgeving van de graaflocatie aanwezig is om de boven- en ondergrond gescheiden tijdelijk op te slaan. Ook is de grond in de meeste situaties, bijvoorbeeld bij de aanleg en reparatie van de ondergrondse infrastructuur, al eerder 'over-de-kop' gegaan. Vanwege de voornoemde knelpunten bij de tijdelijke uitname van grond, verruimt de gemeente de regels voor graafwerkzaamheden bij kabels, leidingen, rioleringen en graafwerkzaamheden bij groenvoorzieningen als volgt: Bij graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur en bij groenvoorzieningen op niet-verdachte locaties, hoeven de bovengrond (bodemlaag vanaf het maaiveld tot 0,5 meter diepte), de tussenlaag (bodemlaag tussen 0,5-1,0 meter diepte) en de ondergrond (bodemlaag dieper dan 1,0 meter) niet gescheiden te worden ontgraven. De grond mag worden geroerd en hoeft niet in dezelfde bodemlagen te worden teruggeplaatst. De eerste 2 voornoemde voorwaarden blijven overigens gelden. Als grond na ontgraving niet meer kan worden teruggeplaatst, kan deze elders nuttig worden hergebruikt met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel van de chemische kwaliteit. Omdat de grond niet gescheiden is ontgraven, geldt de ‘minste’ kwaliteit van beide bodemlagen. Voor tijdelijke uitname van grond bestaat regelgeving omtrent het doen van onderzoek en melding. Hiervoor wordt verwezen naar § 6.1, § 6.2, § 7.1, § 7.2.1 en § 7.2.
ook § 7.2.2). Het is echter niet redelijk om voor alle kleine partijen niet-schone grond een onderzoek (bijvoorbeeld een partijkeuring) te verlangen en bij toepassing deze te melden. De gemeente verruimt de vrijstelling voor onderzoek en meldplicht voor een kleine partij grond. De vrijstelling is afhankelijk van de herkomst, de hoeveelheid en het bodemgebruik op de plaats van toepassing. In tabel 4.3 zijn de mogelijkheden voor kleine partijen weergegeven. Het heeft echter de voorkeur, dat de kleine partijen vrijkomende grond worden verzameld tot maximaal 25 m3 (
artikel 4.3.2 van de Regeling), bijvoorbeeld in een hiervoor bestemde container. De samengevoegde partijtjes grond moeten vervolgens worden aangeboden aan een erkend bodemintermediair die is gecertificeerd en erkend voor de BRL 9335 – protocol 9335-1. Volgens paragraaf 6.1 van protocol 9335-1 kunnen partijen grond tot 100 ton worden ingenomen op basis van beperkte voorinformatie, dus ook grond die niet geanalyseerd is op PFAS-verbindingen. Individuele kleine partijen PFAS-houdende grond kunnen, afhankelijk van de acceptatiecriteria, ook bij erkende grondverwerkers (reiniger, grondbank) worden aangeboden. De bodemkwaliteitskaart kan worden gebruikt ter onderbouwing van de kwaliteit van de aangeboden grond. Net als met elke andere toepassing van grond moet altijd toestemming verkregen worden van de perceeleigenaar van de ontvangende locatie. Hiermee wordt voorkomen dat er ongecontroleerde stort plaatsvindt. Ook voor kleine partijen grond geldt dat altijd historisch onderzoek uitgevoerd moet worden om aan te tonen dat de grond afkomstig is van een voor bodemverontreiniging niet-verdachte locatie (
Tabel 4.3 Regels voor keuring en melding bij toepassingen van kleine partijen grond. Grondstroom Van gebieden waarvan de bodemkwaliteitskaart niet is geaccepteerd of geen bodemkwaliteitskaart is vastgesteld Van gebieden van de eigen en geaccepteerde bodemkwaliteitskaarten Schone grond Volgens grondstromenmatrix (bijlage 4) vrij grondverzet Volgens grondstromenmatrix (bijlage 4) geen vrij grondverzet Hoeveelheid < 50 m3 > 50 m3 < 50 m3 > 50 m3 < 25 m3 > 25 m3 Keuring? Nee Ja Nee, tenzij een bepaald bodem-gebruik* Nee, tenzij een bepaald bodem-gebruik* Nee, tenzij een bepaald bodem-gebruik* Ja Melden? Nee, wel toestemming vragen aan perceel-eigenaar Ja,
.2 Nee, wel toestemming vragen aan perceel-eigenaar Ja,
.2 Ja,
Bepalingen uit § 4.4 en § 4.5 en er mag geen sprake zijn van een voor bodemverontreiniging verdachte locatie Binnen de zone en bepalingen uit § 4.4 en § 4.5 Afhankelijk van keuringsresul-taten en bepalingen uit § 4.4 en § 4.5 Als de toepassingslocatie de bestemming ‘onverharde kinderspeelplaatsen of moes-/volkstuin(complex) heeft of krijgt (
.3.2), dan kan de toepassing alleen plaatsvinden na een partijkeuring waaruit blijkt dat deze voldoet aan de kwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000)’ Als na een keuring blijkt dat het schone grond én ≤50m3 betreft, hoeft er geen melding plaats te vinden. 4.17Werken in en met (licht verontreinigde) grond In het Arbeidsomstandighedenbesluit, hoofdstuk 2, afdeling 5 wordt aangegeven welke verantwoordelijkheden opdrachtgevers, ontwerpende partijen en werkgevers hebben ten aanzien van veilig en gezond werken. Hieronder valt ook het werken in verontreinigde grond. Wanneer sprake is van werken in verontreinigde grond, moet een V&G-plan worden opgesteld. Dit is een verantwoordelijkheid van de opdrachtgever. Tijdens de ontwerpfase moet de opdrachtgever er voor zorgen dat er verantwoording wordt afgelegd over de technische en organisatorische keuzes voor de veiligheid en gezondheid van de medewerkers. Vertaald naar het werken in verontreinigde grond betekent dit dat voldoende bekend moet zijn wat de gevaren inhouden. Dit kan worden bereikt met een gedegen onderzoek voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden. Tijdens de uitvoeringsfase moet het V&G-plan door de aannemer verder worden uitgewerkt tot een plan dat bescherming op voldoende niveau biedt, zodat de medewerkers op het project de werkzaamheden veilig en gezond kunnen uitvoeren. De minimaal te beschrijven onderwerpen zijn in het Arbeidsomstandighedenbesluit vastgelegd. Hoofdstuk 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit gaat over de regels voor het werken met gevaarlijke stoffen. Onderscheiden worden de “gewone” gevaarlijke stoffen en de mutagene en kankerverwekkende stoffen. Bij contact met bijvoorbeeld riolering moet ook rekening worden gehouden met aanwezigheid van
kteverwekkende bacteriën, de zogenoemde biologische agentia. De CROW publicatie 400[20], doet een handreiking aan opdrachtgevers en grondroerders voor de invulling van zowel arbo- als milieuaspecten. Partijen zijn altijd verplicht om aan te sluiten bij de actuele wet- en regelgeving op het gebied van arbo en milieu. De rode draad in de CROW publicatie 400 is het risico gestuurd werken. Welke maatregelen er nodig zijn om te werken in en met (licht) verontreinigde grond, is afhankelijk van de kans op, de mate van en het effect (het schadelijke vermogen) van blootstelling aan de grond. Het risico bepaalt welke maatregelen getroffen moeten worden; bijvoorbeeld welke persoonlijke beschermingsmiddelen er tijdens de werkzaamheden gebruikt moeten worden. Als geen risico’s worden vastgesteld, geldt altijd de basishygiëne. De veiligheidskundige van de grondroerder moet hier verder invulling aan geven. Bij tijdelijke uitname van grond op niet verdachte locaties én waar nog geen bodemonderzoek is uitgevoerd, kan conform de CROW publicatie 400 de veiligheidsklasse worden bepaald met behulp van de bodemkwaliteitskaart; op basis van minimaal de 80-percentielwaarde (of een hogere percentielwaarde) van de bodemkwaliteitszone(s) waarin de graafwerkzaamheden plaatsvinden. 4.18Verspreiden onderhoudsbaggerspecie (generiek kader Besluit bodemkwaliteit) 4.18.1Verspreiden onderhoudsbaggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam Voor het verspreiden van baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam is voor de gemeente het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht het bevoegd gezag. Hiervoor moet contact worden opgenomen met het Waterschap (https://www.agv.nl/contact/). 4.18.2Verspreiden onderhoudsbaggerspecie op een aangrenzend perceel In de Waterwet en de Keur van waterschappen is geregeld dat de aangrenzende percelen van watergangen een ontvangstplicht hebben. Voorafgaand aan het verspreiden van de baggerspecie over het aangrenzend perceel moet de kwaliteit van de baggerspecie worden getoetst. Bij de normstelling van deze toets wordt rekening gehouden met de milieueffecten van meerdere stoffen tegelijk. De Maximale Waarden voor het verspreiden van baggerspecie op aangrenzende percelen zijn opgenomen in tabel 2 uit bijlage B van de Regeling. De normstelling is geschematiseerd in figuur 4.
24/70). Ook dan komt het uitgangspunt van stand-still namelijk niet in het geding. Omdat de baggerspecie in een watergang daarin door afspoeling van grond van de aangrenzende terreinen is terechtgekomen, zal de baggerspecie over het algemeen dezelfde kwaliteit hebben als de landbodem waarop de baggerspecie wordt toegepast. Daarom is het bij al uitgevoerde onderzoeken niet altijd nodig om de kwaliteit van de baggerspecie te bepalen. Wel wordt aangeraden om bij nieuw uit te voeren waterbodemonderzoek een aantal representatieve metingen te doen om te controleren of er geen sprake is van onverwacht hoge waarden van PFAS in de baggerspecie. Dit kan duiden op een voor de watergang niet-representatieve verontreiniging als gevolg van een puntbron. Door het toepassen van baggerspecie waarin uitschieters van PFAS zijn aangetroffen, zal de bestaande bodemkwaliteit verslechteren. Deze lokaal sterker verontreinigde baggerspecie mag daarom niet worden toegepast. Voor onderzoeken naar de kwaliteit van baggerspecie die na 8 juli 2019 (de datum waarop het tijdelijk handelingskader PFAS van kracht werd) zijn uitgevoerd, is het wenselijk om een representatief aantal waterbodemmonsters ook op PFAS te analyseren. Dit is niet nodig als de waterbeheerder, in afstemming met de OFGV, heeft aangetoond dat de PFAS-gehalten in de baggerspecie in zijn beheergebied ruimschoots aan de toepassingswaarden voldoen. Voor het toepassen van baggerspecie uit watergangen op de kant is het in het kader van de dubbele toets die normaal gesproken voor toepassen op de landbodem geldt, niet nodig om de bodemkwaliteit vast te stellen. Dit heeft geen toegevoegde waarde omdat de uitkomsten voor het mogen toepassen geen relevante informatie opleveren. Het uitgangspunt is namelijk dat de baggerspecie als afgespoelde grond weer op de landboden kan worden toegepast zonder dat dit tot verslechtering leidt. Het voorgaande komt overeen met de huidige praktijk bij het onderhoud van watergangen door waterschappen waarbij periodiek baggerspecie op de kant wordt gezet. Deze praktijk kan dus doorgang vinden. 4.19Nieuw onderkende verontreinigingsbronnen Door de jaren heen worden er nieuwe verontreinigingsbronnen en bijbehorende stoffen “ontdekt”. Bijvoorbeeld medicijnresiduen die na menselijke of dierlijke inname (via lozingen) in grond en grondwater terecht kunnen komen, nieuwe bestrijdingsmiddelen die minder afbreekbaar zijn dan werd verwacht, et cetera. De beleidsontwikkelingen hierover worden gevolgd en zo nodig leiden die tot bijstelling van het in deze nota bodembeheer geformuleerde grondstromenbeleid. 4.20Voorkomen verspreiding invasieve exoten (flora) bij grondverzet Bij het toepassen van grond speelt naast de chemische kwaliteit van de grond sinds enige tijd ook de verspreiding van zogenaamde invasieve exoten (flora) een steeds belangrijke rol. Een voorbeeld hiervan is de Japanse duizendknoop of de reuzenberenklauw. Deze uitheemse planten brengt door de groei van haar wortels schade toe in het stedelijk gebied (aan infrastructuur, oevers, waterkeringen en funderingen), maar verdrukt ook onze inheemse flora. De reuzenberenklauw vormt ook een risico voor de volksgezondheid; aanraking van het waterachtige plantensap kan leiden tot brandwonden en in de ogen tot blindheid. Om deze redenen wil de gemeente de verspreiding van deze invasieve exoten, bijvoorbeeld door grondverzet en het toepassen van grond, voorkomen. De gemeente stelt dat bij graafwerkzaamheden, het (tijdelijk) opslaan van grond en toepassen van grond aandacht moet worden besteed aan het (eventueel) voor komen van invasieve exoten (flora). Dit kan bijvoorbeeld door tijdens de terreininspectie voorafgaand aan het grondverzet hier aandacht aan te besteden. Er is een landelijk protocol omgaan met Aziatische duizendknopen[38] opgesteld. Hierin is onder andere ingegaan op het herkennen van de duizendknoop, het voorkomen van verspreiding en het omgaan met de duizendknoop in diverse situaties. Ook bestaat er voor (graaf)werkzaamheden een beslisboom die is opgenomen op de website ‘Bestrijding duizendknoop’: https://bestrijdingduizendknoop.nl/. Als een invasieve exoot (flora) ter plaatse van graafwerkzaamheden en het tijdelijk opslaan van grond aanwezig is, kunnen mogelijk aanvullende maatregelen worden genomen. Hiervoor moet contact op worden genomen met de betreffende gemeente. Als een invasieve exoot (flora) in de toe te passen grond aanwezig is, of mogelijk aanwezig kan zijn, is het niet toegestaan de grond te hergebruiken/toe te passen. De grond moet op een gepaste wijze, waardoor geen verwaaiing van de grond kan plaatsvinden, worden getransporteerd naar een erkende verwerker van invasieve exoten. Een lijst van dit soort verwerkers is opgenomen op de website van Branche Vereniging Organische Reststoffen: https://bvor.nl/invasieve-exoten/. 4.21Hardheidsclausule Voor de gemeente geldt de volgende afwijkingsmogelijkheid. Tijdens de uitvoering van het beleid kan een situatie bekend worden die bij het opstellen van het beleid niet kon worden voorzien en waarbij een strikte toepassing van het beleid zou leiden tot een ongewenste beperking van hergebruiksmogelijkheden van vrijkomende grond en bagger. Door in deze nota bodembeheer de mogelijkheid op te nemen de omstandigheden te wegen en in de geest van het beleid, het behoud van de goede bodemkwaliteit in de gemeente, een passend besluit te nemen, kan ook in dergelijke onvoorziene situaties verantwoord hergebruik van geschikt materiaal mogelijk gemaakt worden. Het besluit om, met een beroep op onderstaande hardheidsclausule, af te wijken van het vastgestelde gebiedsspecifieke beleid (
.2, § 4.3 en § 4.4) is een raadsbevoegdheid die niet kan worden gedelegeerd of gemandateerd. De hardheidsclausule luidt als volgt: “In gevallen waarin een strikte toepassing van het in deze nota bodembeheer gestelde gebiedsspecifieke beleid (
.2, § 4.3 en § 4.4) leidt tot een ongewenste beperking van hergebruiksmogelijkheden van vrijkomende grond en bagger, kan de gemeenteraad afwijken van het gebiedsspecifieke beleid mits wordt voldaan aan de eisen uit het Besluit. Het gaat om hergebruik van binnen de gemeentegrenzen én binnen de projectgrenzen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.