Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lansingerland houdende regels omtrent sociaal domein (Beleidsregels Sociaal Domein gemeente Lansingerland)1.Algemene bepalingen Artikel1:1Begrippen In deze beleidsregels wordt verstaan onder: College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lansingerland. Inwoner: iemand met een woonadres in Lansingerland, met inbegrip van diens wettelijk vertegen-woordiger of een jeugdige die als inwoner kan worden beschouwd op grond van het woonplaatsbeginsel in artikel 1:1 van de Jeugdwet. Ondersteuningsplan: Professioneel ondersteuningsplan: een plan met de inventarisatie van de knelpunten, de te behalen resultaten en de meest passende oplossingen dat is opgesteld door een toegangspartij samen met de inwoner dan wel met diens vertegenwoordiger. Persoonlijk ondersteuningsplan: een plan met de inventarisatie van de knelpunten, de te behalen resultaten en de meest passende oplossingen dat is opgesteld door de inwoner dan wel diens vertegenwoordiger, Het persoonlijk plan wordt betrokken bij het onderzoek zoals bedoeld onder c. Een familie-ondersteuningsplan: een plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloed-verwanten, of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren. Het familie-onder-steuningsplan wordt betrokken bij het onderzoek zoals bedoeld onder c van dit artikel. Onderzoek: een onderzoek door of namens het college naar de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van een inwoner met een ondersteuningsvraag. Het onderzoek start met een gesprek tussen de inwoner en een toegangspartij. Tijdens het gesprek vindt de brede uitvraag plaats, zoals omschreven in artikel 2:6. Pgb: pgb is een bedrag waarmee de inwoner met een ondersteuningsbehoefte zelf een individuele of maatwerkvoorziening kan inkopen. Pgb-plan: een plan waarin de inwoner zijn keuze voor een pgb motiveert. Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt. Toegangspartij: een gemeentelijk consulent jeugd, Wmo of participatie of een door het college gecontracteerde partij die namens het college een onderzoek kan verrichten zoals bedoeld onder c. De gecontracteerde toegangspartijen zijn het Centrum voor Jeugd en Gezin voor de jeugd, Kwadraad maatschappelijk werk voor de volwassenen en Welzijn Lansingerland voor de ouderen. Voorzieningen: Algemene, overige of vrij toegankelijke voorziening: aanbod van diensten of activiteiten om de zelfredzaamheid of de participatie te verbeteren of te voorzien in een behoefte aan opvang. Algemene of vrij toegankelijke voorzieningen zijn toegankelijk zonder beschikking. Individuele of maatwerkvoorziening: voorzieningen om de zelfredzaamheid of de participatie te verbeteren of om te voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang zoals bedoeld in de Jeugdwet en de Wmo en een uitkering of bemiddeling naar werk, zoals bedoeld in de Participatie-wet. Voor deze voorzieningen wordt een beschikking door de gemeente afgegeven. Voorliggende voorziening: een voorziening op grond van een andere wettelijke regeling dan de Jeugdwet 2015, de Wmo 2015 en de Participatiewet, waarop de inwoner aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen met het oog op zijn hulpvraag. Verordening: Verordening Sociaal Domein Lansingerland. 2.Toegang Artikel2:1Het eerste contact Een verzoek om informatie of om ondersteuning kan gedaan worden door of namens een persoon die ondersteuning nodig heeft in het sociale domein. De melding voor een bijstandsuitkering kan alleen door de inwoner zelf of via een wettelijk vertegen-woordiger worden gedaan. Dit kan alleen telefonisch of mondeling bij de balie van het gemeentehuis. Artikel2:2Een verzoek om informatie Een verzoek om informatie wordt direct afgehandeld. Dat wil zeggen dat de inwoner direct de juiste informatie krijgt of dat de inwoner wordt doorverwezen naar een vrij toegankelijke voorziening waar de vraag kan worden beantwoord. Artikel2:3Verzoek tot ondersteuning 1.Als het eerste contact een verzoek tot ondersteuning is op grond van de Wmo of van de Jeugdwet, kan de inwoner een afspraak maken bij een toegangspartij of bij de gemeente. 2.Als het eerste contact een verzoek tot een uitkering is op grond van de Participatiewet moet de inwoner zich melden in het gemeentehuis: dit kan telefonisch of fysiek bij de balie van het gemeentehuis. 3.Bij een verzoek tot ondersteuning wordt er een afspraak voor een gesprek gemaakt met de inwoner. Dit gesprek vindt plaats uiterlijk twee weken na het eerste contact. Bij het maken van de afspraak wordt de inwoner vooraf geïnformeerd over: De mogelijkheid van onafhankelijke cliëntondersteuning. De wet geeft de inwoner het recht om zich gedurende het gehele proces bij te laten staan door een onafhankelijke cliëntondersteuner naar keuze. De gemeente is verantwoordelijk voor het beschikbaar hebben van onafhankelijke cliënt-ondersteuning uitgevoerd door een professionele organisatie. Deze vorm van onder-steuning is gratis. Daarnaast kan een inwoner ook gebruik maken van ondersteuning van een medewerker van een andere organisatie, mantelzorger, een familielid of iemand uit het sociaal netwerk. Het feit dat de inwoner de mogelijkheid heeft om vóór het gesprek, uiterlijk binnen zeven dagen na melding, een persoonlijk plan te overhandigen waarin gemotiveerd aangegeven is welke ondersteuning volgens de inwoner nodig is. Voor het opstellen van een persoonlijk onder-steuningsplan is een format op de gemeentelijke website beschikbaar. Ook bij het opstellen van een persoonlijk plan kan de inwoner gebruik maken van cliëntondersteuning. Rechten en plichten met betrekking tot het verstrekken van informatie. 4.Het eerste contact voor een jeugdige kan, op grond van de Jeugdwet, ook via de huisarts, medisch specialist, jeugdarts of gecertificeerde instelling (als er sprake is van een kinderbeschermings-maatregel) verlopen in plaats van via een toegangspartij. Artikel2:4Bevestiging van de afspraak De afspraak voor het in 2.3 genoemde gesprek wordt schriftelijk of telefonisch gemaakt. Daarbij wordt aangegeven: Waar het gesprek plaatsvindt. Wie bij het gesprek aanwezig is. De toegangsmedewerker maakt de inwoner attent op de mogelijkheid om een cliëntondersteuner of iemand uit het eigen netwerk uit te nodigen om bij het gesprek aanwezig te zijn. Dat de inwoner een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatie-plicht, moet tonen bij het eerste gesprek, tenzij de gemeente daarover al beschikt. Welke gegevens en bescheiden de inwoner moet kunnen overleggen tijdens het eerste gesprek. Het betreft gegevens die voor het onderzoek nodig zijn en waar de inwoner redelijkerwijs de beschikking over heeft. Dat de inwoner geen medische gegevens hoeft te overleggen. Artikel2:5Melding en start onderzoek voor maatschappelijke ondersteuning Op grond van de Wmo moet een onderzoek plaatsvinden naar de hulpvraag van de inwoner. Dit onderzoek start met een brede uitvraag en mag maximaal 6 weken in beslag nemen. De datum van het eerste gesprek geldt als datum van melding en is dus het moment waarop het onderzoek start. Artikel2:6De brede uitvraag 1.Het eerste gesprek vindt bij voorkeur plaats bij de inwoner thuis door een toegangsmedewerker. 2.Tijdens het gesprek vindt een brede uitvraag plaats naar de ondersteuningsvraag van de inwoner. In het gesprek komen alle levensdomeinen uit de zelfredzaamheidsmatrix aan de orde. De verzameling van gegevens vindt plaats op basis van de uitgangspunten van de Visie gegevensdeling domein samenleving. De toegangsmedewerker weegt af of het uitvragen en vastleggen van gegevens doelmatig is, in proportie en of er een alternatief is. De mening en argumenten van de inwoner zijn onderdeel van deze afweging. Artikel2:7Opstellen en ondertekenen ondersteuningsplan 1.Op basis van de brede uitvraag zoekt het college samen met de inwoner naar de meest passende ondersteuning. Daarbij worden de mogelijkheden onderzocht voor oplossingen op eigen kracht, binnen het eigen netwerk, met gebruik van informele zorg, algemene voorzieningen en indien nodig een individuele voorziening. Ook wordt er gekeken naar de draagkracht en draaglast van mantelzorgers. Voor het onderzoek en de mogelijke oplossingen kunnen meerdere gesprekken nodig zijn. De oplossingen en de te behalen resultaten worden vastgelegd in een ondersteuningsplan dat de inwoner ondertekent. 2.In het ondersteuningsplan wordt benoemd wie casushouder is van het ondersteuningsplan. 3.De casushouder coördineert de uitvoering van het ondersteuningsplan en onderhoudt contacten met de personen en organisaties die het ondersteuningsplan uitvoeren. 4.De casushouder kan zijn: De hulpvrager zelf De mantelzorger of iemand uit eigen netwerk Een toegangspartij Een aanbieder Een consulent van de gemeente. Artikel2:8Aanvraag van een maatwerk/ individuele voorziening Als een individuele voorziening deel uitmaakt van het ondersteuningsplan, kan de inwoner – al dan niet via een toegangspartij- hiervoor een aanvraag indienen bij de gemeente. De aanvraag wordt in behandeling genomen door een consulent van de gemeente. Artikel2:9Financiering van een maatwerk/individuele voorziening Indien een individuele voorziening op grond van de Wmo of de Jeugdwet deel uitmaakt van het onder-steuningsplan geeft de toegangsmedewerker informatie over het verschil tussen zorg in natura en een pgb en over de voorwaarden die aan een pgb verbonden zijn. Als de inwoner ervoor kiest om de maatwerk-voorziening via een pgb in te zetten, is hij verplicht een pgb-plan in te dienen. In het pgb-plan motiveert hij waarom een pgb leidt tot een beter of doelmatiger resultaat. Het pgb-plan maakt onderdeel uit van het ondersteuningsplan. Artikel2:10Raadplegen externe deskundigen 1.Om de meest passende vorm van ondersteuning te vinden, kan het noodzakelijk zijn dat de toegangs-medewerker advies moet inwinnen van een externe deskundige. Voor de niet-gemeentelijke toegangs-medewerker gaat het om collegiale consultatie: het raadplegen van andere eerstelijnspartners, de wijkverpleegkundige, de gemeentelijk consulent. 2.De gemeentelijk toegangsmedewerker heeft de mogelijkheid om extern advies aan te vragen bij een gecontracteerd bureau. Aan de extern deskundige wordt advies gevraagd over de meest passende vorm van ondersteuning voor de inwoner. Als gekozen wordt voor het raadplegen van een extern deskundige wordt de inwoner daarover vooraf geïnformeerd. 3.Het advies van de extern deskundige wordt betrokken bij het ondersteuningsplan. Artikel2:11Beoordeling door de gemeente De gemeente beoordeelt de aanvraag aan de hand van de relevante wetgeving, de Verordening Sociaal Domein, de Beleidsregels Sociaal Domein en de benodigde bescheiden. Indien advies is gevraagd aan een extern deskundige wordt dat advies betrokken bij de beoordeling. Artikel2:12Afhandelingstermijn van aanvraag tot beschikking 1.Voor het afhandelen van een aanvraag van een maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo staat een termijn van 2 weken. De afhandelingstermijn voor een aanvraag in het kader van de Jeugdwet en de Participatiewet is 8 weken. 2.Indien de in het eerste lid genoemde termijn overschreden lijkt te worden, zal op grond van de Awb de inwoner schriftelijk geïnformeerd worden over een verlenging van deze termijn met ten hoogste 8 weken. Artikel2:13Spoed In geval van een spoedeisende situatie kan het college onverwijld een tijdelijke maatwerk/individuele voorziening verstrekken. De brede uitvraag en de beschikking volgt na de verstrekking van de voorziening. Achteraf beschikken is mogelijk mits: Er multidisciplinair overleg met het netwerk is geweest, tenzij de professional kan motiveren dat de veiligheid dit verhindert. Gemotiveerd kan worden waarom deze zorg met spoed noodzakelijk is. De samenwerkingsprotocollen met de Raad voor de Kinderbescherming en gecertificeerde instelling toegepast worden, wanneer het een jeugdige betreft. Artikel2:14Nazorg Individueel moet worden beoordeeld of nazorg nodig is. Soms kan er volstaan worden met een telefonisch of persoonlijk gesprek en soms moet er na een bepaalde periode gemeld worden dat de oplossing nog steeds de best passende oplossing is. In samenspraak met de inwoner worden de afspraken over deze contactmomenten vastgelegd in een verslag en geregistreerd in Suite voor het Sociaal Domein (Backoffice-systeem van de gemeente). 3.Adviesraad Sociaal Domein Over dit onderwerp stelt het college vooralsnog geen beleidsregels vast. Wij volgen de wettelijke regelingen en de Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland. 4.Wmo De financiële richtlijnen voor het verstrekken van maatwerkvoorzieningen staan in bijlage 1. 4.1Wat is een Maatwerkvoorziening? 4.1.1Wettelijke omschrijving In de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is een maatwerkvoorziening als volgt omschreven: Een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: Ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen. Ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, Ten behoeve van beschermd wonen en opvang. 4.1.2Samenhangend ondersteuningsaanbod Tijdens een onderzoek naar de inzet van een maatwerkvoorziening wordt eerst onderzocht of de gewenste resultaten behaald kunnen worden: Op eigen kracht. Met gebruikelijke hulp. Met mantelzorg. Met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk. Met gebruikmaking van algemene, vrij toegankelijke en overige voorliggende voorzieningen. De totale inzet van de onder 1 tot en met 5 genoemde voorzieningen, eventueel aangevuld met een maatwerk-voorziening vormen een samenhangend ondersteuningsaanbod. 4.1.3Soorten maatwerkvoorziening In Lansingerland is voor de toekenning van maatwerkvoorzieningen altijd een beschikking nodig. De maatwerkvoorzieningen zijn: Hulp bij het huishouden Begeleiding Kortdurend verblijf Beschermd wonen Woonvoorzieningen Vervoersvoorzieningen Rolstoelen 4.2Overwegingen voor een maatwerkvoorziening 4.2.1Inwoner en hoofdverblijf De inwoner moet ingeschreven staan in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente Lansingerland en daar zijn hoofdverblijf hebben. Hoofdverblijf betekent dat de inwoner daadwerkelijk het grootste deel van de tijd in de gemeente moet verblijven. Een toekomstig inwoner, die nog niet staat ingeschreven in de BRP, moet kunnen aantonen dat hij op korte termijn in Lansingerland komt wonen, voordat een aanvraag in behandeling wordt genomen. Inwoners die hun laatste woonadres in Lansingerland hebben, maar niet in de BRP van Lansingerland staan ingeschreven, omdat zij (tijdelijk) gebruik maken van vrouwenopvang of een vorm van maatschappelijke opvang in een andere gemeente, worden gezien als inwoner van Lansingerland. 4.2.2Op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk Samen met de inwoner wordt er bekeken welke resultaten de inwoner wil behalen en welke oplossingen daarbij passen. Hierbij wordt allereerst ingezoomd op eigen kracht, eventuele mantelzorgers en andere mensen uit het eigen sociale netwerk die iets kunnen betekenen voor de inwoner. 4.2.3Algemene en vrij toegankelijke voorzieningen Wanneer blijkt dat inwoner niet op eigen kracht of met hulp van het sociaal netwerk tot een oplossing kan komen, wordt beoordeeld of er zogenaamde algemene voorzieningen zijn om de gewenste resultaten te behalen. Algemene voorzieningen kunnen commerciële diensten zijn zoals een wasserette/stomerij of een boodschappenbezorgdienst van een supermarkt maar ook diensten zonder winstoogmerk, zoals het restaurant van een verzorgingshuis waar buurtbewoners tegen een geringe vergoeding kunnen eten. Het betreft alle vrij toegankelijke voorzieningen waar de inwoner zonder beschikking gebruik van kan maken. 4.2.4Algemeen gebruikelijk Bij die beoordeling kunnen de volgende criteria een rol spelen: Is de voorziening gewoon te koop? Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht? Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen? Is de voorziening algemeen gebruikelijk voor de inwoner in een specifieke situatie? 4.2.5Voorliggende voorzieningen op grond van andere wet-of regelgeving Voorliggend op een maatwerkvoorziening is een voorziening of dienst op grond van een andere wettelijke regeling, zoals de Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw) of een regeling die wordt uitgevoerd door het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen (UWV). Wlz Inwoners die beschikken over een indicatie voor de Wet langdurige zorg kunnen, afhankelijk van hun situatie, in aanmerking komen voor maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo. Als de inwoner thuiswonend is kan deze, ongeacht de verstrekkingenvorm van de Wlz- indicatie, in aanmerking komen voor voorzieningen op grond van de Wmo als er sprake is van belemmeringen in de mobiliteit, het onderhouden van sociale contacten (rolstoelvoorzieningen & vervoersvoorzieningen) en het wonen (woningaanpassingen en hulpmiddelen). Wanneer de hulpvraag betrekking heeft op zaken als ondersteuning op het gebied van het huishouden, begeleiding en logeeropvang dient dit op grond van de Wlz aangevraagd te worden. Wanneer er sprake is van een opname in een Wlz- instelling kan een inwoner bij het ervaren van een belemmering in de mobiliteit en/of het onderhouden van sociale contacten in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening vanuit de Wmo. Bij verhuizing van de eigen woning naar een Wlz instelling leveren we de Wmo voorziening nog twee maanden door. Kortdurende uitleen van hulpmiddelen (Zvw) Voorliggende voorzieningen vanuit de zorgverzekeraar zijn hulpmiddelen, zoals toiletstoelen en rolstoelen voor tijdelijk gebruik (korter dan 6 maanden). Deze zijn te verkrijgen via de hulpmiddelendepots van thuiszorg-aanbieders. Andere hulpmiddelen voor permanent gebruik zijn te verkrijgen via hulpmiddelenleveranciers. Hulpmiddelen in de werksituatie Vanuit het UWV en de werkgever kan er aanspraak gemaakt worden op hulpmiddelen in de werksituatie en op vervoer van en naar het werk. Wet langdurige zorg Woningaanpassingen en diensten in een intramurale instelling vallen onder de Wet langdurige zorg. 4.2.6Voor de melding aangeschaft Als iemand een voorziening aanschaft voordat hij een melding doet bij de gemeente, dan stelt hij de gemeente voor een voldongen feit. De gemeente kan dan meestal de situatie voorafgaand aan de aanpassing niet goed meer beoordelen en heeft geen invloed meer op de aanschaf van de voorziening. Als achteraf niet meer is vast te stellen of de voorziening noodzakelijk was, dan wordt de aanvraag afgewezen. De bewijslast ligt hierbij vooral bij de aanvrager. Alleen als achteraf objectiveerbaar is vast te stellen dat de voorziening noodzakelijk is, dan kan de aanvraag mogelijk worden toegekend, mits de melding binnen 4 weken na realiseren van de voorziening is ontvangen. De hoogte van de vergoeding wordt echter gebaseerd op de goedkoopste maatwerk-voorziening, ook wanneer de inwoner een duurdere voorziening heeft aangeschaft. 4.2.7Aanvraag eerder verstrekte voorziening Indien de gevraagde voorziening al eerder op grond van een wettelijke bepaling of regeling is verstrekt, er geen wijzigingen zijn in de feitelijke situatie en de afschrijftermijn nog niet verstreken is, kan de aanvraag afgewezen worden. 4.2.8Onverantwoordelijk handelen Indien de inwoner, na onderzoek, nalatigheid en onverantwoordelijk handelen kan worden verweten in het gebruik van een geboden voorziening kan een nieuwe aanvraag afgewezen worden of de voorziening ingenomen worden. Samen met de inwoner wordt gezocht naar een alternatieve oplossing die past bij de inwoner. Onder onverantwoordelijk handelen valt tevens het – gedurende de periode dat de voorziening is toegekend - vervreemden, verpanden of uitlenen van een voorziening die is verstrekt als (onderdeel van) een maatwerkvoorziening dan wel is aangeschaft met een persoonsgebonden budget. 4.2.9Goedkoopst adequate voorziening De maatwerkvoorziening is altijd gebaseerd op de goedkoopst adequate voorziening. Er zijn vaak meerdere geschikte mogelijkheden, maar er wordt gekozen voor de mogelijkheid die naar objectieve maatstaven de goedkoopst adequate is. Indien de inwoner een duurdere voorziening wil (die eveneens adequaat
- is)komen de meerkosten voor rekening van de inwoner. In dergelijke situaties zal de verstrekking plaatsvinden in de vorm van een pgb gebaseerd op de goedkoopst adequate voorziening. 4.3Verantwoordelijkheden inwoner versus college In de Verordening Sociaal Domein wordt uitgebreid de verantwoordelijkheid van het college en de verantwoordelijkheid van de inwoner benoemd. In de Wmo 2015 wordt uitgegaan van wederzijdse inspanningen van zowel gemeente als de inwoner. Er wordt zowel een beroep gedaan op de gemeente om zeer uitgebreid alle mogelijkheden om tot oplossingen te komen te onderzoeken, als op de eigen kracht van de inwoner van wie wordt verwacht eerst zelf naar oplossingen te zoeken voordat bij de gemeente om ondersteuning wordt gevraagd. 4.4Terugvordering en verhaal Intrekking, herziening, terugvordering en verhaal is in de wet geregeld. De geldwaarde van een maatwerk-voorziening kan door de gemeente teruggevorderd worden indien het toekenningsbesluit is ingetrokken. Indien een besluit wordt herzien, bestaat er op grond van de Wmo geen mogelijkheid om het eventueel teveel verstrekte terug te vorderen. De gemeente valt dan terug op de bepalingen van het burgerlijk recht. Terugvordering en verhaal is op grond van de Wmo alleen mogelijk wanneer de inwoner opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt of van degene die opzettelijk medewerking heeft verleend aan de verstrekking van deze onjuiste of onvolledige gegevens. 4.5Kwaliteit Mensen die aangewezen zijn op ondersteuning vanuit de Wmo moeten erop kunnen rekenen dat deze van goede kwaliteit is. De Wmo 2015 kent geen uitgebreide kwaliteitseisen waaraan maatwerkvoorzieningen moeten voldoen. De hier geformuleerde algemene uitgangspunten zijn te beschouwen als richtlijnen voor goede ondersteuning van professionals voor zeer kwetsbare burgers. Dit geldt zowel voor een verstrekking in de vorm van Zorg in Natura als voor een verstrekking in de vorm een pgb. De gemeente verstrekt alleen ondersteuning door aanbieders die aan onderstaande kwaliteits-eisen voldoen. De kwaliteitseisen worden vastgelegd in de contracten die we sluiten met aanbieders. Het toezicht op de kwaliteit van de Wmo maatwerkvoorzieningen die worden geleverd door gecontrac-teerde zorgaanbieders is belegd bij de GGD Haaglanden. Het gaat hierbij om de vraag of de Wmo-voorziening voldoet aan de daaraan gestelde kwaliteitseisen. Indien in het toezichtonderzoek naar voren komt dat de aanbieder niet aan de gestelde kwaliteitseisen voldoet, dan treft de gemeente de benodigde handhavingsmaatregelen conform het beleidsaddendum Toezicht en Handhaving Sociaal Domein 2019-2022. 4.5.1De inwoner heeft de regie Het professioneel handelen van de gemeente en leverancier van de voorziening is gericht op het behoud, het herstel en versterken van de eigen regie van de inwoner en het versterken van het sociale netwerk en de veerkracht. Er wordt uitgegaan van wat een inwoner wil en belangrijk vindt. Als het handelen van de inwoner een ernstig gevaar oplevert voor hem en/of zijn omgeving dan moet de professional actie ondernemen. Ondersteuning sluit aan bij de leefwereld van de inwoner, in taalgebruik, denkniveau, cultuur en tempo en houdt rekening met de levensfase en de eigen kracht. Welke ondersteuning nodig is, wordt in samenspraak met de inwoner en indien gewenst met zijn mantelzorger opgesteld, uitgevoerd en geëvalueerd. De verantwoordelijk casushouder bespreekt met en/of informeert de inwoner met welke professional(
- s)het ondersteuningsplan wordt gedeeld op basis van noodzakelijkheid en doelmatigheid. 4.5.2De ondersteuning is veilig De relatie tussen inwoner en professional is voor de inwoner vertrouwd en stabiel. Wijzigingen in gemaakte afspraken tussen inwoner en professional worden tijdig en op een bij de inwoner passende manier gemeld. De professional is in staat ervoor te zorgen dat de relatie voor beide veilig is, zowel lichamelijk als mentaal. De professional weegt af welke informatie gedeeld wordt met andere professionals. De afweging vindt plaats op basis van de Visie Gegevensdeling domein samenleving en met in achtneming van privacy-wetgeving. De professional informeert de inwoner hierover. De professional onderneemt actie bij gesignaleerde onveiligheid in de leefsituatie en het sociale netwerk van de inwoner, conform de meldcode Huiselijk geweld en kindermishandeling. 4.6Hulp bij het huishouden 4.6.1Wat verstaan we eronder? Inwoners krijgen hulp bij het huishouden in aanvulling op wat zij zelf kunnen doen of zelf kunnen regelen in de eigen sociale omgeving. De gemeente onderzoekt met de inwoner de mogelijkheden van de eigen inzet, ondersteuning door familie, vrienden of buren en het gebruik van algemene voorzieningen in de wijk en neemt dit op in het ondersteuningsplan. De aanbieder die de hulp bij het huishouden namens de gemeente levert maakt op basis van het ondersteuningsplan nadere afspraken over de uitvoering van de toegekende hulp bij het huishouden. Het gaat om ondersteuning bij het schoon en leefbaar houden van de elementaire gebruiksruimtes in het huis, zoals woonkamer, slaapkamer, keuken en sanitaire voorzieningen. 4.6.2Resultaat Een schoon en leefbaar huis. 4.6.3Afwegingskader Bij de beoordeling van de noodzaak van hulp bij het huishouden wordt uitgegaan van de specifieke persoonskenmerken van de inwoner, zijn situatie met huisgenoten en zijn sociale omgeving. Met name afspraken omtrent de regiefunctie zijn erg belangrijk bij de inzet van hulp bij het huishouden 1 (basis) of hulp bij het huishouden 2 (plus). Eigen mogelijkheden Het college beoordeelt of er andere eigen mogelijkheden zijn. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie waarin men al jaren op eigen kosten iemand voor deze werkzaamheden inhuurt. Als tegelijk met het optreden van de beperking geen inkomenswijziging heeft plaatsgevonden en er geen aantoonbare meerkosten zijn in relatie tot de beperking, is het oordeel in zijn algemeenheid dat er geen maatwerkvoorziening nodig is, omdat er reeds een algemeen gebruikelijke voorziening is waar de inwoner gebruik van maakt. Gebruikelijke zorg Daarnaast beoordeelt het college of er sprake is van gebruikelijke zorg. Gebruikelijke zorg, die huis-genoten geacht worden aan elkaar te verlenen, wordt als een voorliggende voorziening beschouwd. Er mag daarbij echter geen sprake zijn van (dreigende) overbelasting van de huisgeno(o)t(en). Overbelasting of dreigende overbelasting moet objectief worden vastgesteld, bijvoorbeeld door medisch onderzoek. Huisgenoot Van gebruikelijke zorg is sprake indien er een huisgenoot aanwezig is, die in staat kan worden geacht het huishoudelijk werk over te nemen. Onder huisgenoot wordt verstaan: een persoon die - ofwel op basis van een familieband, ofwel op basis van een bewuste keuze - één huishouden vormt met de persoon die beperkingen ondervindt. Een huisgenoot is bijvoorbeeld een inwonend kind of inwonende ouders. Wie zijn geen huisgenoten? Personen die een (pension)kamer huren, niet in enige familiebetrekking staan tot de aanvrager en een huurcontract hebben, worden niet gezien als huisgenoten. Van hen wordt wel verwacht dat zij de ruimten schoonhouden waar zij zelf (mede) gebruik van maken. Rekening houden met de leeftijd van de huisgenoten Bij gebruikelijke zorg wordt er rekening gehouden met de leeftijd van de huisgenoot. Van huisgenoten tot 18 jaar wordt verwacht dat zij (afhankelijk van hun leeftijd en mogelijkheden) hun bijdrage leveren bijvoorbeeld door hun eigen kamer schoon te houden en door hand- en spandiensten te verrichten, zoals het doen van (kleine) boodschappen, het helpen bij de afwas, et cetera. Van jonge kinderen wordt uiteraard niets of zeer weinig verwacht, terwijl kinderen van 16 en 17 jaar geacht worden om een substantiële bijdrage te leveren. Van (gezonde) jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar wordt verwacht dat ze een eenpersoonshuishouden kunnen voeren. Van (gezonde) volwassenen vanaf 23 jaar wordt verwacht dat ze een volledig huishouden kunnen voeren. Huishouden naast een baan/studie Bij gebruikelijke zorg wordt uitgegaan van de mogelijkheid om naast een baan/studie een huishouden te kunnen runnen. Ver en lang van huis Alleen bij daadwerkelijke afwezigheid van de huisgenoot gedurende een aantal dagen en nachten kunnen niet uitstelbare taken overgenomen worden. Bij het zwaar en licht huishoudelijk werk gaat het veelal om uitstelbare taken. Voor niet-uitstelbare taken zal ondanks de gedeeltelijk gebruikelijke zorg een maatwerkvoorziening ingezet kunnen worden. Dat is niet mogelijk als de afwezigheid van een huisgenoot een gevolg is van een eigen keuze. De afwezigheid moet dus een verplichtend karakter hebben, zoals bij opdrachten in het kader van werk of bij detentie. Niet willen of niet gewend Bij de beoordeling wordt geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat huisgenoten aangeven dat ze het huishoudelijk werk niet willen doen of niet gewend zijn om te doen. In situaties dat personen uit de leefeenheid nog nooit huishoudelijk werk hebben gedaan en dit niet kunnen, wordt goed gekeken naar de persoonlijke situatie en indien mogelijk verwezen naar vrij toegankelijke voor-zieningen als cursussen of trainingen voor het aanleren van huishoudelijke taken. Algemeen gebruikelijk en/of algemene voorziening Het college beoordeelt of er voorliggende en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn waar de inwoner gebruik van kan maken en of hij in staat wordt geacht om zelfstandig de voorziening in te zetten. Voorbeelden hiervan zijn: Een algemene voorziening voor het verkrijgen van hulp bij het huishouden voor licht en zware schoonmaakactiviteiten Een glazenwasser voor het reinigen van de ramen aan de buitenkant Het bestellen en laten leveren van boodschappen via internet Boodschappendienst door vrijwilligers Een vrijwilliger die meegaat om boodschappen te doen Maaltijdvoorziening of kant-en-klaar maaltijden Aanschaf van een droogtrommel Strijkservice Tuinman Hondenuitlaat-service Deze lijst is niet limitatief. In de loop der tijd zullen voorzieningen die nu nog weinig voorkomen en/of duur zijn, steeds meer ingeburgerd raken en dan als voorliggend kunnen worden aangemerkt. Bij het beoordelen of een voorziening als voorliggend beschouwd kan worden, moet onderzocht worden of de voorziening voor de persoon in kwestie beschikbaar is en past binnen zijn situatie. 4.6.4Maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden Als al het voorgaande niet geleid heeft tot een oplossing van het probleem, zal het college een maatwerk-voorziening inzetten in de vorm van hulp bij het huishouden. Er zal aan de hand van de situatie en de inzet van bovenstaande voorliggende oplossingen worden beoordeeld welk type ondersteuning het meest passend is. Vormen van hulp bij het huishouden In Lansingerland zijn er 2 typen hulp bij het huishouden. Hulp bij het huishouden 1 en hulp bij het huishouden 2. Hulp bij het huishouden 1 (HbH 1): huishoudelijke werkzaamheden gericht op zelfredzaamheid van de inwoner. Er wordt bij hulp bij het huishouden 1 verondersteld dat cliënt in staat is tot zelfregie over de planning van de activiteiten. De hulp omvat het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van het huishouden. Dit in verband met een aandoening of beperking die het zelfstandig kunnen uitvoeren van het huishouden beperkt. De cliënt kan voor deze werkzaamheden geen ondersteuning vinden vanuit zijn netwerk. Ook inzet van vrijwilligers of een algemene of voorliggende voorziening zijn niet (voldoende) mogelijk. Deze hulp omvat in ieder geval de volgende huishoudelijke werkzaamheden: huishoudelijk werk, zoals: stofzuigen, reinigen van badkamer, toilet en keuken, kamers opruimen, stof afnemen, bedden opmaken, afhalen en verschonen, opruimen huishoudelijk afval; ramen zemen aan de binnenzijde. kleding en linnengoed wassen; strijken bovenkleding; boodschappen doen voor het dagelijks leven, indien hiervoor geen voorliggende voorziening mogelijk is; actief signaleren van veranderingen in de gezondheid en sociale situatie en van behoefte aan meer of andere ondersteuning en dit communiceren via de contactpersoon van de aanbieder naar het Wmo taakveld bij de gemeente; voorbeelden zijn: het signaleren van onveilige situaties en knelpunten in het huishouden en eventuele veranderingen in de wijze waarop de klant in staat is tot het voeren van zijn eigen huishouden (zoals bedorven eten in de koelkast; niet opengemaakte post; verwaarlozing). Signalen worden besproken met de cliënt en doorgegeven aan de contactpersoon in de eigen organisatie, die de signalen doorgeeft aan het Wmo taakveld. Hulp bij het huishouden 2 (HbH 2): huishoudelijke werkzaamheden, aangevuld met de organisatie van het huishouden. Bij hulp bij het huishouden 2 heeft de cliënt ondersteuning nodig bij het organiseren van de huishoudelijke werkzaamheden vanwege gebrek aan eigen regie. HH2 is gericht op overname van de huishoudelijke taken, hulp bij het organiseren van het huishouden en instructie en voorlichting en ondersteuning die direct verbonden zijn met verzorgende activiteiten. Het gaat bij HH2 om de activiteiten van HH1, aangevuld met activiteiten in het kader van organisatie van het huishouden: zorg voor voeding (voorbereiden, serveren, afwassen, opruimen, aanreiken van de maaltijd); opvang en/of verzorging van jonge kinderen tot 12 jaar, wanneer hier geen voorliggende voorziening voor mogelijk is; dagelijkse organisatie van het huishouden; adviseren en/of verwijzen – zo mogelijk activeren; actief handelen naar aanleiding van signalen; advies, instructie en voorlichting over huishoudelijk werk. Werkwijze De consulent indiceert de hulp bij het huishouden en bepaalt het aantal uren inzet en, op hoofdlijnen, de bijbehorende taken conform het CIZ protocol. Voor het bepalen van de inzet van Hulp bij het huishouden 1 bij (dreigend) overbelaste mantelzorgers die niet in hetzelfde huis wonen als degene(
- n)waarvoor zij mantelzorger zijn, hanteert de consulent de Caregiver Strain Index (CSI). De Hulp bij het huishouden 1 wordt in die gevallen afgegeven op de mantelzorger. In het ondersteuningsplan en in de beschikking is beschreven wat de inwoner zelf kan, in hoeverre er gebruik gemaakt wordt van het sociale netwerk en gebruikelijke hulp en of een algemene voorziening onderdeel uitmaakt van het ondersteuningsplan. Voortzetten hulp na overlijden huisgenoot Wanneer de inwoner overlijdt en een huisgenoot met beperkingen alleen achterblijft kan de hulp bij het huishouden gedurende 4 weken worden voortgezet op naam van achterblijvende huisgenoot. Zo heeft de achterblijvende huisgenoot 4 weken de tijd om de hulp op een andere manier te organiseren. De Wmo consulent neemt zelf contact op met de achterblijvende huisgenoot. 4.6.5Hulp bij het huishouden voor kinderen die tot het gezin behoren Het afwegingskader voor de inzet van hulp bij het huishouden bij gezinnen met kinderen wijkt op enkele punten af van het afwegingskader zoals beschreven in artikel 4.6.3. De zorg voor (jonge) kinderen De zorg voor kinderen die tot het huishouden behoren is in eerste instantie een taak van de ouders. Het gaat om het zorgen voor de persoonlijke hygiëne van de kinderen, het verzorgen van de maaltijden en de opvang van de kinderen. Als ouders mede door beperkingen niet of niet meer in staat zijn de zorg voor hun kinderen op zich te nemen, kan een maatwerkvoorziening een passende oplossing bieden. In een acute situatie kan een tijdelijke maatwerkvoorziening ingezet worden voor maximaal 3 maanden en in het uiterste geval tot een omvang van maximaal 40 uur per week om tot een permanente oplossing te komen. Algemeen gebruikelijk en/of algemene voorziening Algemeen gebruikelijke voorzieningen in deze situatie zijn bijvoorbeeld voorschoolse, tussenschoolse en naschoolse opvang, kinderopvang en opvang door grootouders. Eigen mogelijkheden Ook beoordeelt het college de mogelijkheden van ouderschapsverlof. Maatwerkvoorziening voor kinderen die tot het gezin behoren Na afweging van gebruikelijke en algemene voorzieningen, kan het college een maatwerkvoorziening in de vorm van hulp bij het huishouden inzetten. In gezinnen met kinderen jonger dan 12 jaar wordt HbH 2 ingezet. 4.6.6De ondersteuning garandeert continuïteit, samenhang en resultaten De professional heeft de kennis, houding en vaardigheden voor de betreffende hulpvraag en inwoner en onderhoudt deze. De professional krijgt de ruimte om hierin zelf keuzes te maken. De ondersteuning van de professional in relatie met de inwoner is aantoonbaar gericht op het behalen van de afgesproken resultaten en dit wordt geëvalueerd en indien nodig bijgesteld. De professional is op de hoogte van de andere hulpverleners die bij een inwoner betrokken zijn. Hij consulteert andere hulpverleners bij vragen en werkt samen waar dat zinvol is voor de doelstellingen van de inwoner. 4.6.7Eigen bijdrage Voor hulp bij het huishouden geldt een eigen bijdrage. Deze valt onder het abonnementstarief Wmo. Het CAK start de inning van de eigen bijdrage in de maand volgend op de startdatum van de ondersteuning, tenzij de startdatum van de ondersteuning op de eerste dag van de maand valt. Het CAK stopt de inning van de eigen bijdrage volgend op maand na de beëindiging van zorg. De inwoners betaalt tijdelijk geen eigen bijdrage: bij een ziekenhuisopname (of vergelijkbare opname) van meer dan één kalendermaand; wanneer de aanbieder van hulp bij het huishouden meer dan één kalendermaand geen ondersteuning kan leveren; én wanneer geen andere voorziening loopt waarvoor op dat moment een eigen bijdrage geldt. De gemeente geeft aan het CAK door wanneer de inning van de eigen bijdrage moet starten en stoppen. 4.7Begeleiding 4.7.1Wat verstaan we eronder? Begeleiding is gericht op het bevorderen en/of, het behoud van zelfredzaamheid van de inwoner. Begeleiding is bedoeld voor mensen die zonder deze begeleiding zouden moeten verblijven in een intramurale instelling of zouden verwaarlozen. Begeleiding kan individueel of in groepsverband worden ingezet. Bij zelfredzaamheid gaat het hier om de lichamelijke, cognitieve en psychische mogelijkheden die de inwoner in staat stellen om binnen de persoonlijke levenssfeer te functioneren. In de eerste plaats kan het gaan om het actief herstellen van het beperkte of afwezige regelvermogen van de inwoner, waardoor deze onvoldoende of geen regie over het eigen leven kan voeren. Het gaat dan om zaken als het helpen plannen van activiteiten, regelen van dagelijkse zaken, het nemen van besluiten en het structureren van de dag. In de tweede plaats kan de begeleiding de vorm aannemen van praktische hulp en ondersteuning bij het uitvoeren of het eventueel ondersteunen bij het oefenen van handelingen/vaardigheden die zelfred-zaamheid tot doel hebben. 4.7.2Resultaat Het resultaat van de begeleiding is: Een verbetering van de zelfredzaamheid en participatie of een stabilisatie van de zelfredzaamheid en participatie of het voorkomen van verdere ontregeling of teloorgang. 4.7.3Afwegingskader Om tot de gewenste resultaten te komen en om te beoordelen of de inzet van een maatwerkvoorziening in de vorm van begeleiding daartoe bijdraagt wordt het volgende afwegingskader gehanteerd: Algemeen gebruikelijke en of algemene voorziening Het college beoordeelt of er voorliggende en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn waar de inwoner gebruik van kan maken en deze ook in staat wordt geacht om zelfstandig de voorziening in te zetten. Voorbeelden hiervan zijn: Verenigingsactiviteiten Maatjes of buddy’s Begeleiding door vrijwilligers Bezoekdienst Vrij toegankelijke dagactiviteiten (inloop) Thuisadministratie Formulierenbrigade Open tafels Van inwoners die daartoe in staat zijn, wordt actie en initiatief verwacht om hun netwerk in te schakelen en zo te voorzien in hun vraag naar hulp bij dagelijkse bezigheden, dagactiviteiten en ontmoeting. Administratieve taken door huisgenoten Administratieve taken vallen onder gebruikelijke zorg en kunnen daarom worden overgenomen door huisgenoten die daartoe in staat worden geacht. Werk en school Als een inwoner niet in staat is (aangepast) te werken of naar school te gaan, kan er aanspraak zijn op begeleiding groep ter vervanging van arbeid of school als de inwoner hierop is aangewezen. Dit betekent echter niet dat als de inwoner wel naar school kan gaan of kan werken, er geen aanspraak kan zijn op begeleiding groep anders dan ter vervanging van arbeid of school. Dit moet afzonderlijk worden afgewogen. Mantelzorg Als de mantelzorger aangeeft de bovengebruikelijke zorg niet (meer) vrijwillig te willen/kunnen leveren, kan een maatwerkvoorziening in de vorm van begeleiding ingezet worden. Bemoeizorg Inwoners met risico of verwaarlozing of teloorgang die zelf geen hulp zoeken of die geen hulp accepteren noemen we zorgmijders. Vanuit de Wmo kan bemoeizorg worden ingezet. De bemoeizorgmedewerker legt contact met de zorgmijder en regelt de zorgcoördinatie en de praktische ondersteuning. Bemoeizorg is een vrij toegankelijke voorziening. Voorliggende voorzieningen op grond van andere wetgeving Begeleiding jongeren Begeleiding voor kinderen en jongeren tot 18 jaar valt onder de Jeugdwet. Als een voorziening vanuit de Jeugdwet is ingezet voor het 18de jaar en daarna nog steeds noodzakelijk is, kan de voorziening tot 23 jaar worden voortgezet vanuit de Jeugdwet. Behandeling Behandeling valt onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) of onder de Wet langdurige zorg (Wlz) en is voorliggend op begeleiding, mits de behandeling beschikbaar is voor de inwoner. Onder behandeling vallen activiteiten die gericht zijn op het verbeteren (tegengaan van verslechtering) van de aandoening, stoornis of beperking. Daarbij hoort het verbeteren van algemene competenties en vaardigheden (zoals beheersen van gedrag, verbeteren van fysieke vaardigheden als conditie, bewegingsvermogen, en/of mentale vaardigheden als oriëntatievermogen, concentratievermogen, enzovoort). Het gaat om gerichte professionele interventies, waarvoor expertise op het niveau van een specifiek medicus (specialist ouderen-geneeskunde, arts verstandelijk beperkten, enzovoort), specifiek paramedicus (bijvoorbeeld ergotherapeut), vaktherapeut (bijvoorbeeld drama-/speltherapeut) of gedragswetenschapper (bijvoorbeeld orthopedagoog, gz-psycholoog) noodzakelijk is. Het is mogelijk om tijdens de periode van behandeling een maatwerkvoorziening in de vorm van begeleiding in te zetten. Persoonlijke verzorging In de Zorgverzekeringswet is bepaald dat mensen aanspraak hebben op verpleging en verzorging zoals verpleegkundigen die plegen te bieden wanneer zij behoefte hebben aan geneeskundige zorg, of een hoog risico daarop. Deze zorg maakt onderdeel uit van het basispakket van verzekerden. De (wijk)verpleeg-kundige bepaalt de behoefte aan verpleging en verzorging van de verzekerde naar aard, inhoud en omvang. Wanneer geen sprake is van geneeskundige zorg of een risico daarop en de behoefte aan persoonlijke verzorging samenhang heeft met de behoefte aan begeleiding kan in sommige gevallen aanspraak worden gemaakt op persoonlijke verzorging vanuit de Wmo. 4.7.4De maatwerkvoorziening begeleiding Begeleiding kan nodig zijn voor inwoners met beperkingen op één of meer van de volgende terreinen: Sociale redzaamheid Probleemgedrag Psychisch functioneren Geheugen- en oriëntatiestoornissen Light, Basis of specialistisch Onder begeleiding light (Take Care) vallen de volgende taken: praktische hand- en spandiensten in en om het huis bijhouden van post en administratie ondersteuning bij sociale contacten ondersteuning bij contact met instanties het bieden van aandacht en een luisterend oor Het resultaat van begeleiding light is stabilisatie van de dagelijkse structuur in een situatie waarin door omstandigheden en/of persoonlijke factoren de zelfredzaamheid tijdelijk of langer belemmerd is. Onder begeleiding basis vallen de volgende taken: Hulp bij het uitvoeren van taken. Hulp bij het inslijpen of onderhouden van vaardigheden. Hulp bij het inslijpen of onderhouden van het aanbrengen van structuur of het voeren van regie. Incidenteel overnemen van toezicht, bijvoorbeeld ter ontlasting van de mantelzorger. Het resultaat van de begeleiding basis is een verbetering of stabilisatie van de zelfredzaamheid en participatie. Specialistische begeleiding kan worden ingezet ten behoeve van: Mensen met chronische beperkingen als gevolg van niet aangeboren hersenletsel, gepaard gaand met matig of ernstig regieverlies. Mensen met een langdurige psychische stoornis en daarmee samenhangende beperkingen, gepaard gaand met matig of ernstig regieverlies Mensen met een zintuigelijke beperking. De maatwerkvoorziening voor deze groep valt onder landelijke regelgeving. Het resultaat van de specialistische begeleiding is verbetering of stabilisatie van de zelfredzaamheid en participatie en het voorkomen van verdere ontregeling of teloorgang. Vormen van begeleiding Met betrekking tot de begeleiding wordt er onderscheid gemaakt tussen begeleiding individueel, begeleiding groep of een combinatie van beide. Begeleiding in groepsverband is voorliggend op begeleiding individueel wanneer hetzelfde doel wordt beoogd. Individuele begeleiding: Individuele begeleiding is één op één hulp in de thuissituatie voor het verkrijgen van structuur orde en regelmaat in het leven. Voorbeelden van individuele begeleiding zijn Hulp bij de administratie, post en financiën. Hulp bij het leren om het huishouden te doen. Hulp bij de opvoeding. Hulp om de dag in te delen en dingen te ondernemen. Hulp bij het zoeken van contact met mensen in de omgeving. Hulp om te communiceren met anderen. Hulp om gedragsproblemen te verminderen. Hulp bij het vinden van een daginvulling. Begeleiding groep Begeleiding groep wordt ook wel dagbesteding genoemd. Het gaat om creatieve, educatieve en bewegingsactiviteiten die worden aangeboden in een gestructureerd programma. Groepsbegeleiding is bedoeld voor: Volwassenen met een zeer gering arbeidsvermogen (bijvoorbeeld door verstandelijke beperking of psychische aandoening). Volwassenen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Ouderen in isolement of met regieverlies. Personen van wie de mantelzorgers overbelast dreigen te raken. Arbeidsmatige dagbesteding Arbeidsmatige dagbesteding is een vorm van begeleiding groep en richt zich op mensen van 18 tot 67 jaar met een gering arbeidsvermogen. De dagbesteding omvat gestructureerde dagactiviteiten gericht op productie of dienstverlening en kunnen in solistisch verband of in groepsverband plaatsvinden. Voorbeelden van activiteiten zijn: Papier / archief vernietigen Horecawerkzaamheden Bedrijfskleding vouwen Materialen verpakken Omvang van begeleiding groep Voor begeleiding groep kan maximaal 9 dagdelen per week worden ingezet, in lijn met een 36-urige werkweek. De duur van de begeleiding De duur van de begeleiding wordt bepaald door het te verwachten resultaat. 4.7.5Vervoer Als een inwoner met een maatwerkvoorziening begeleiding groep niet in staat is om op eigen gelegenheid naar de dagbesteding te gaan, maakt het vervoer van huis naar de dagbestedingslocatie deel uit van de maatwerk-voorziening. Op eigen gelegenheid is lopend, met eigen vervoermiddel, meereizend met iemand anders of met het openbaar vervoer. 4.7.6Eigen bijdrage Voor begeleiding geldt een eigen bijdrage. Deze valt onder het abonnementstarief Wmo. Het CAK start de inning van de eigen bijdrage in de maand volgend op de startdatum van de ondersteuning, tenzij de startdatum van de ondersteuning op de eerste dag van de maand valt. Het CAK stopt de inning van de eigen bijdrage volgend op maand na de beëindiging van zorg. De inwoners betaalt tijdelijk geen eigen bijdrage: bij een ziekenhuisopname (of vergelijkbare opname) van meer dan één kalendermaand; wanneer de aanbieder van begeleiding meer dan één kalendermaand geen ondersteuning kan leveren; én wanneer geen andere voorziening loopt waarvoor op dat moment een eigen bijdrage geldt. De gemeente geeft aan het CAK door wanneer de inning van de eigen bijdrage moet starten en stoppen. Voor arbeidsmatige dagbesteding geldt dat er geen eigen bijdrage wordt berekend voor inwoners met een indicatie beschut werk die op de wachtlijst staan voor een beschutte werkplek. 4.8Kortdurend verblijf 4.8.1Wat verstaan we eronder? Kortdurend verblijf is bedoeld voor mensen die toezicht nodig hebben. Bijvoorbeeld als er valgevaar is of als de inwoner zelf niet in staat is hulp in te roepen als dat nodig is of omdat er ernstige gedrags-problemen zijn. Het kan ook gaan om constante zorg of zorg op ongeregelde tijdstippen, bijvoorbeeld voor iemand met een ernstige hartaandoening of dementie. Bij kortdurend verblijf logeert iemand (maximaal 3 etmalen dus 72 uur per week) in een intramurale instelling. 4.8.2Resultaat De mantelzorger is (tijdelijk) ontlast, zodat deze de zorg langer kan volhouden. De inwoner kan langer thuis blijven wonen. 4.8.3Afwegingskader Eigen inspanning De mantelzorger kan hulp van zijn eigen netwerk inroepen, maar de mogelijkheden daarvan zijn meestal beperkt, omdat het hele netwerk vaak al is ingeschakeld. Algemene voorzieningen De mantelzorger kan gebruik maken van algemene voorzieningen die geboden worden bijvoorbeeld door het Steunpunt Mantelzorg. Het gaat om diensten als: respijtzorg door een vrijwilliger, vrijwillige thuishulp of in een enkel geval om palliatieve hulp. Ook de vrij toegankelijke dagbesteding kan ingezet worden om de mantelzorger te ontlasten. Voorzieningen op grond van andere wetgeving Soms biedt de zorgverzekeraar de mogelijkheid om gebruik te maken van logeeropvang of kortdurend verblijf. Als dat zo is, is deze hulp voorliggend op de maatwerkvoorziening. 4.8.4De maatwerkvoorziening kortdurend verblijf Soms is het voor de mantelzorger moeilijk om de zorg langdurig vol te kunnen houden of is de zorg die een vrijwilliger kan bieden onvoldoende vanwege de beperkingen van de inwoner. Ook kan het zijn dat de mantelzorger zelf tijdelijk uitvalt. Als er sprake is van de combinatie van zorg en toezicht van de inwoner en dreigende overbelasting van de mantelzorger en als andere voorliggende voorzieningen niet voldoen kan kortdurend verblijf worden ingezet. Een uitzondering hierop geldt wanneer het gaat om ouders die bovengebruikelijke zorg verlenen aan hun kinderen; hierbij hoeft geen sprake te zijn van dreigende overbelasting en kan alleen op grond van hun bovengebruikelijke taken kortdurend verblijf worden geïndiceerd. Omvang De omvang van kortdurend verblijf is 1, 2 of 3 etmalen per week, afhankelijk van wat noodzakelijk is in de specifieke situatie van de inwoner. In de indicatie voor kortdurend verblijf is drie uur begeleiding individueel opgenomen. Er is een maximum van 3 etmalen per week gesteld omdat het logeren betreft. Bij meer dan 3 etmalen in een instelling is er sprake van opname waarvoor een indicatie op grond van Wlz moet worden gesteld. 4.8.5Vervoer De inwoner is zelf verantwoordelijk voor vervoer van en naar de instelling voor kortdurend verblijf. Hij kan hiervoor gebruik maken van eigen vervoer, van hulp uit het eigen netwerk of een algemene voorziening. 4.8.6Eigen bijdrage Voor kortdurend verblijf geldt een eigen bijdrage. Deze valt onder het abonnementstarief Wmo. Het CAK start de inning van de eigen bijdrage in de maand volgend op de startdatum van de ondersteuning, tenzij de startdatum van de ondersteuning op de eerste dag van de maand plaats vindt. Het CAK stopt de inning van de eigen bijdrage volgend op de beëindiging van de ondersteuning. De gemeente geeft aan het CAK door wanneer de inning van de eigen bijdrage moet starten en stoppen. 4.9Beschermd wonen 4.9.1Wat verstaan we eronder? Beschermd wonen is wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorende toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de inwoner of anderen, bestemd voor personen met psychische of psychosociale problemen, die 24-uurs toezicht nodig hebben en die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Inwoners krijgen begeleiding bij het structuur van hun dagelijks leven, ondersteuning bij regelzaken en geldbeheer en bij het vinden van een passende daginvulling. Beschermd wonen kan een opstapje zijn naar zelfstandig wonen. 4.9.2Toewijzing via centrumgemeente De brede uitvraag voor Beschermd wonen wordt gedaan door één van de toegangspartijen in Lansingerland. De uitvoering van de Wmo voor wat betreft Beschermd wonen is belegd bij de gemeente Rotterdam. Dat betekent dat een inwoner, na een brede uitvraag in Lansingerland, vervolgens wordt overgedragen aan de gemeente Rotterdam. Daar kan een aanvullende uitvraag plaatsvinden. Indicering vindt plaats op basis van de verordening en beleidsregels van de gemeente Rotterdam. Voor de verordening betreft dit de versie behorend bij raadsvoorstel nr. 17bb9026; besluitnummer 17bb9924). Voor de beleidsregels betreft dit de versie welke inwerking is getreden op 15-01-2018. 4.10Woonvoorzieningen 4.10.1Wat verstaan we eronder? Met betrekking tot het wonen in een geschikt huis is er een grote diversiteit aan oplossingen. Van goedkoop tot duur, van eenvoudig tot complex, materieel en immaterieel. Een eigen woning kan zowel een gekochte woning zijn als een huurwoning. Ook bij afwijkende situaties, zoals een (woon)boot of een woonwagen met vaste standplaats wordt in principe gesproken van woning. 4.10.2Resultaat Een woningaanpassing heeft als doel heeft normaal gebruik van de woning mogelijk maken. Onder normaal gebruik wordt verstaan dat de elementaire woonfuncties mogelijk moeten zijn: slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel en het zich verplaatsen in de woning. Voor kinderen komt daarbij het veilig kunnen spelen in de woning. 4.10.3Afwegingskader Eigen inspanningen Van inwoners wordt in het algemeen verwacht dat zij ervoor zorgen dat hun woonsituatie past bij hun levensfase. Ook wordt verwacht dat zij zich tijdig voorbereiden op het langer in de eigen woning blijven wonen. Daarbij mag er van uit worden gegaan dat rekening wordt gehouden met bekende beperkingen, ook wat betreft de toekomst. Dat wil zeggen dat zij zich oriënteren op de woningmarkt om de afweging te kunnen maken tussen het blijven wonen in de huidige woning en verhuizen naar een woning die geschikt is om lang in te blijven wonen. Algemeen gebruikelijk Het college beoordeelt of er voorliggende en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn waar de inwoner gebruik van kan maken en of hij in staat wordt geacht om zelfstandig de voorziening in te zetten. Enkele voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn: Toiletverhoger Drempelhulpen tot 6 cm Douchemengkraan Toiletbeugels Wandgrepen Deze lijst is niet limitatief. In de loop der tijd zullen voorzieningen die nu nog weinig voorkomen en/of duur zijn, steeds meer ingeburgerd raken en dan als voorliggend kunnen worden aangemerkt. Bij het beoordelen of een voorziening als voorliggend beschouwd kan worden, moet onderzocht worden of de voorziening voor de persoon in kwestie beschikbaar is en past binnen zijn situatie. Algemeen gebruikelijke renovatie Voorzieningen in een woning hebben een bepaalde economische en technische levensduur. De econo-mische levensduur is gebaseerd op de periode waarbinnen de gemiddelde Nederlander de voorziening afschrijft en overgaat tot vervanging. De technische levensduur is afhankelijk van de kwaliteit van de voorziening en verstrijkt op het moment dat de voorziening niet meer goed functioneert. Als de levensduur van de voorziening is verstreken dan is het algemeen gebruikelijk om deze voorziening te vervangen/te renoveren. Van inwoners wordt verwacht dat zij zelf de kosten voor een algemeen gebruikelijke renovatie dragen. Ook als een inwoner bijvoorbeeld door een beperking is aangewezen op een inloopdouche en het bad waarvan de economische levensduur is verstreken technisch nog voldoet (Rb. Den Haag, nr. AWB 11/4293). Bij de bepaling van de economische levensduur sluit het college als richtlijn aan bij de richtlijnen van de Landelijke Huurcommissie (https://www.huurcommissie.nl/fileadmin/afbeeldingen/Downloads/Handleidingen/Beleidsboek_huurverhoging_na_woningverbetering__versie_juni_2017.pdf). Voorziening: Economische levensduur in jaren: Badkamer/douche/sanitair 25 Toilet 15 Keuken 15 In individuele situaties wijkt het college gemotiveerd af van deze richtlijnen als de omstandigheden daartoe aanleiding geven. Een reden om af te wijken kan zijn dat de voorziening zeer goed of zeer slecht is onderhouden, waarbij ook de persoonskenmerken van de inwoner een rol spelen. Het college weegt hierbij ook de in artikel 4.2.4 van deze beleidsregels opgenomen criteria af. Mantelzorgwoning Mantelzorgers kunnen soms op eigen terrein vergunningsvrij een mantelzorgwoning realiseren. Daarbij is uitgangspunt dat de uitgaven die de verzorgde(
- n)had(den) voor de situatie van de mantelzorg in de mantel-zorgwoning, aan het wonen in deze woning besteed kunnen worden. Daarbij kan gedacht worden aan huur, kosten nutsvoorzieningen, verzekeringen enz., maar ook kosten voor een hypotheek. Met die middelen zou een mantelzorgwoning gehuurd kunnen worden. Ook zouden deze middelen besteed kunnen worden aan een lening of hypotheek om een mantelzorgwoning (deels) van te betalen. De gemeente kan adviseren en ondersteunen als het gaat om de nodige vergunningen op het gebied van de ruimtelijke ordening. Aan de mantelzorgwoning zijn eisen op het gebied van handhaving verbonden: Er moet aantoonbaar sprake zijn van een mantelzorgrelatie. De woning moet voldoen aan de eisen van het vergunningsvrij bouwen. Het moet gaan om een tijdelijke woonsituatie. De inwoner kan het realiseren van een mantelzorgwoning zelf regelen. 4.10.4De maatwerkvoorziening Woningaanpassing Voorwaarde: er is een woning Voor een maatwerkvoorziening van de gemeente is er een belangrijke voorwaarde: er moet een woning zijn. Als er geen woning is, is het niet de taak van de gemeente om voor een woning te zorgen. Een aanvraag voor een woningaanpassing kan worden beoordeeld als betrokkene beschikt over een getekend huurcontract of een getekend koopcontract. Hulpmiddelen in de woning Het college kan hulpmiddelen voor in de woning verstrekken voor zover deze noodzakelijk en niet algemeen gebruikelijk zijn en er geen voorliggende voorzieningen mogelijk zijn. Inpandige aanpassing Als een inpandige aanpassing mogelijk is, bijvoorbeeld in de situatie van een ruime benedenverdieping, zal het college allereerst die situatie beoordelen, voordat uitbreiding van de woning aan de orde komt. Bouwkundige aanpassingen Bouwkundige aanpassingen zijn niet- en nagelvaste voorzieningen. Bij grotere bouwkundige aanpassingen aan de woning werkt het college altijd eerst met een programma van eisen, waarmee zo nodig 2 of meer offertes opgevraagd kunnen worden. Voor woningaanpassingen moeten offertes aangeleverd worden om de goedkoopste maatwerkvoorziening te bepalen. Voor verschillende kleinere woonvoorzieningen zoals trapliften, is duidelijk van welke prijs uitgegaan kan worden en zijn offertes niet nodig. Als het gaat om een huurwoning betaalt het college het bedrag voor de bouwkundige aanpassing uit aan de eigenaar van de woning. De beschikking voor de bouwkundige aanpassing wordt verstuurd aan de aanvrager/ inwoner met een afschrift aan de eigenaar van de woning. Aanbouw bij eigen woning Als het gaat om een aanvraag voor de aanbouw bij een eigen woning zal het college allereerst beoordelen wat iemands mogelijkheden zijn om uit een oogpunt van kosten zelf in de voorziening te voorzien. Als het mogelijk is deze aanbouw zelf te financieren, bijvoorbeeld door een hypotheek op de woning te vestigen waarvan niet wordt afgelost, zodat de kosten beperkt blijven tot de rentekosten, waarop bij belastingaangifte renteaftrek mogelijk is, zal eerst naar deze mogelijkheid gekeken worden. Voorkeur van inwoner Uiteraard kan de gemeente bij het bepalen van de te verstrekken voorziening ook met de voorkeur van de inwoner rekening houden. Sociale omstandigheden kunnen een rol spelen bij de afweging wel of niet verhuizen. Verhuizing Bij ingrijpende aanpassingen beoordeelt het college of het resultaat van het wonen in een geschikt huis, ook te bereiken is via een verhuizing. Hierbij zullen alle aspecten worden meegewogen: financiële consequenties van de verhuizing, de termijn waarop een woning beschikbaar komt (in verband met de medisch verantwoorde termijn), de argumenten pro en contra verhuizing ten aanzien van de betrokkene en argumenten op basis van eventueel aanwezige mantelzorg. Een zeer zorgvuldige afweging van alle argumenten zal aan het besluit ten grondslag worden gelegd. De aanpassingskosten van de huidige woonruimte moeten worden afgezet tegen de kosten van verhuizing voor de inwoner, het eventueel aanpassen van de nieuwe woning en het eventueel vrijmaken van de woning. Om een totale kosten-vergelijking te maken zou, als de "nieuwe" woning leeg staat, tevens rekening moeten worden gehouden met een eventuele tegemoetkoming. Verhuiskostenvergoeding Bij het verstrekken van een verhuiskostenvergoeding houdt het college rekening met de mate waarin de verhuizing te verwachten of te voorspellen was. Bij een te verwachten of voorspelbare verhuizing wordt in principe geen verhuiskostenvergoeding toegekend. Weigeringsgronden Geen maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening wordt verstrekt: Voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen. Ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting. Voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan voorzieningen ten behoeve van de toegankelijkheid van deze ruimte. Indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is. Indien de inwoner niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. Indien de aanvraag voorzienbaar was op basis van de beperking die inwoner ondervindt. Er worden geen hobby- of studeerruimtes aangepast of bereikbaar gemaakt, omdat het hier geen elementaire woonfuncties betreft. Ook worden geen aanpassingen vergoed voor voorzieningen met een therapeutisch doel zoals dialyseruimte en therapeutisch baden. 4.10.5Eigen bijdrage Voor woonvoorzieningen geldt een eigen bijdrage. Deze valt onder het abonnementstarief Wmo. Het CAK start de inning van de eigen bijdrage in de maand volgend op de facturatie aan de gemeente. De betaling van de eigen bijdrage eindigt wanneer de kostprijs van de voorziening is bereikt. De gemeente geeft aan het CAK door wanneer de inning van de eigen bijdrage moet starten en stoppen. 4.11Vervoersvoorzieningen 4.11.1Wat verstaan we eronder? De Wmo heeft tot doel om de inwoner te laten participeren in de samenleving. Vervoer speelt hierbij een belangrijke rol. Wanneer een inwoner problemen ervaart op het gebied van vervoer zal worden onder-zocht of en welke beperkingen inwoner heeft en wat de vervoersbehoefte is. 4.11.2Resultaat De inwoner kan zich zelfstandig verplaatsen in en om de woning. De inwoner kan door hulp bij vervoer deelnemen aan het sociaal verkeer, deelnemen aan activiteiten en algemene voorzieningen bereiken (school, dokter, winkels, sport, etc.). 4.11.3Afwegingskader Om voor een maatwerkvoorziening vervoer in aanmerking te komen zal het college eerst nagaan of in het gesprek alle mogelijke alternatieven al zijn beoordeeld. Eigen inspanningen Voor het oplossen van vervoersproblemen zijn er diverse voorliggende en gebruikelijke oplossingen: Het blijven gebruiken van de eigen auto. Taxivervoer of vervoer via familie, vrienden en/of vrijwilligers. Fiets met lage instap en/of hulpmotor. Tandem. Mogelijkheid om met het openbaar vervoer te reizen Wat het vervoer betreft, moet in eerste instantie afgewogen worden of de persoon in kwestie nog met het openbaar vervoer kan reizen. Begeleiding bij het vervoer Primair is de persoon in kwestie (of zijn vertegenwoordiger) zelf verantwoordelijk voor het vinden van oplossingen voor het begeleidingsvraagstuk bij vervoer. Bijvoorbeeld via het eigen netwerk of via vrijwilligers. Algemene voorzieningen Het college beoordeelt in hoeverre de aanvrager gebruik kan maken van een algemene voorziening zoals bijvoorbeeld de 3B bus. Voorzieningen op grond van andere wetgeving Vervoer naar werk of school Voor vervoer naar school is men zelf verantwoordelijk. In bepaalde gevallen (bijvoorbeeld bij speciaal onderwijs verder dan 6 km vanaf de woning) kan leerlingenvervoer bij de gemeente worden aangevraagd op grond van de Verordening leerlingenvervoer. Als bij vervoer naar werk beperkingen worden ervaren kan men hiervoor een beroep doen op de werkgever of op het UWV. Vervoer vanuit de zorgverzekeraar Het basispakket vergoedt vervoer per ambulance voor medische zorg naar een ziekenhuis, instelling of zorgverlener. De verzekeraar vergoedt alleen ziekenvervoer per auto of openbaar vervoer bij: Nierdialyses in een instelling. Oncologische behandelingen met chemotherapie of radiotherapie. Zich alleen per rolstoel kunnen verplaatsen. Zich alleen met begeleiding kunnen verplaatsen vanwege een beperkt gezichtsvermogen. Valys Voor vervoer buiten het Wmo-gebied kan de inwoner gebruik maken van het Valys vervoerssysteem. Om Valys aan te vragen moet de inwoner kunnen aantonen dat hij een beschikking heeft voor een vervoers- of rolstoelvoorziening. 4.11.4Wmo maatwerkvoorziening Vervoer Als bovenstaande voorliggende oplossingen niet adequaat zijn kan het college een maatwerkvoorziening inzetten. Mogelijke maatwerkvoorzieningen zijn: Collectief taxivervoer Individueel taxivervoer Een aangepast vervoermiddel Vervoersbehoefte Als het college ondersteunt zal allereerst gekeken worden waar de vervoersbehoefte van de aanvrager/ betrokkene uit bestaat. Om beperkingen en vervoersbehoefte inzichtelijk te maken onderscheiden we 3 soorten afstanden: De korte afstanden: loop- en fietsafstand in de directe omgeving ( bijvoorbeeld om een brief te posten, kinderen naar school te brengen of de dichtstbijzijnde winkels te bezoeken of om überhaupt zich in de woning te kunnen verplaatsen. De middellange afstanden: dat zijn de afstanden die een persoon zonder beperkingen per fiets, brommer, auto of openbaar vervoer aflegt binnen de regio ( bijvoorbeeld naar een (groter) winkelcentrum, ziekenhuis of uitgaanscentra). De lange afstanden: naar bestemmingen buiten de regio. Met het totaalpakket aan vervoersvoorzieningen wordt de inwoner in staat gesteld om in zijn dagelijkse vervoersbehoefte te voorzien. Er wordt daarbij uitgegaan van maximaal 1500 km per jaar. Indien daar aanleiding voor is kan het college dit aantal ophogen. Bij dit aantal kilometers kan het gebruik van een andere verstrekte voorziening zoals een scootmobiel, van invloed zijn op het te verstrekken aantal kilometers. Voor het bepalen van de hoogte van de vergoeding wordt verwezen naar de financiële bijlage bij de beleidsregels. Goedkoopst adequaat Als er meerdere adequate voorzieningen zijn waarmee inwoner in zijn vervoersbehoefte kan voorzien, dan wordt er gekozen voor de goedkoopste. Het primaat hierbij ligt bij de collectieve vervoersvoorziening. Beltax De Beltax biedt vervoer van deur tot deur voor mensen met een beperking tot zo’n 15 tot 20 km afstand vanaf de woning van de inwoner. De inwoner kan een loophulpmiddel, rolstoel of scootmobiel meenemen in het vervoer. Ook kan een medereiziger (tegen een hoger tarief) of een begeleider (gratis, mits medisch gezien noodzakelijk) meereizen. Voor begeleiding is een beschikking nodig. Wie een beschikking voor begeleiding heeft, heeft een zodanige beperking dat alleen reizen niet verantwoord is en deze persoon mag dan ook niet zonder begeleiding reizen. Begeleiding bij het reizen Voor een aantal mensen met een beperking is het noodzakelijk dat zij bij het reizen begeleid worden. Reisbegeleiding kan nodig zijn in de volgende situaties: De gebruiker heeft begeleiding nodig tijdens het vervoer (medisch en / of psychosociaal); De gebruiker is niet in staat om zich bij vertrek of aankomst zelfstandig voort te bewegen, ook niet met gebruikmaking van een elektrische of handbewogen rolstoel; De gebruiker heeft een visuele beperking en kan zich niet zelfstandig voortbewegen op een voor hem onbekende plek; De gebruiker heeft een verstandelijke beperking waarbij voortdurende begeleiding nodig is; De gebruiker heeft een psychiatrisch of psychosociaal probleem waarbij voortdurende begeleiding nodig is. Aangepast vervoermiddel Om gebruik te kunnen maken van een aangepast vervoermiddel moet de verkeersveiligheid beoordeeld worden. Dat wil zeggen: De inwoner moet in staat zijn om het vervoermiddel waar hij eventueel voor in aanmerking komt, veilig te besturen en in staat zijn om zich veilig in het verkeer te begeven. Als het niet duidelijk is of inwoner verkeersveilig is, dan kan de gemeente een aantal observatielessen laten plaatsvinden. Scootmobiel Een scootmobiel is bedoeld voor vervoer op de korte en middellange afstanden en kan, afhankelijk van de vervoersbehoefte, worden gebruikt als aanvulling op het collectief vervoer. Belangrijk is dat er een stallingmogelijkheid is, beschut tegen wind en regen, voor de scootmobiel is met een elektriciteitspunt voor het opladen van de accu’s. Als dit niet het geval is, komen ook de kosten voor de aanleg van een stalling of elektriciteitspunt mogelijk voor vergoeding in aanmerking. Programma van eisen Als er noodzaak bestaat voor een scootmobiel kan via ergotherapeutisch advies door het college een programma van eisen worden opgesteld. In het programma van eisen dat wordt opgesteld om het een adequate voorziening te laten zijn voor de aanvrager, dienen de volgende onderwerpen aan de orde te komen: Het gebruik Het gebruiksgebied De zithouding De meeneembaarheid De lichaamsmaten. Fietsvervoer Er kan een driewielfiets worden verstrekt voor degenen die voor fietsvervoer daarop zijn aangewezen. Leeftijd hoeft daarbij niet van belang te zijn, hoewel er voor de verstrekking aan kinderen wel sprake moet zijn van behoefte aan verplaatsing. Een normale (kinder)driewieler kan als algemeen gebruikelijk worden beschouwd en komt niet voor verstrekking in aanmerking. Alle driewielfietsen in bijzondere uitvoering voor kinderen komen in principe wel voor verstrekking in aanmerking. Van belang voor het verstrekken van een driewielfiets is of de betrokkene een evenwichtsprobleem heeft, wel of niet in staat is een normale fiets te gebruiken en of er stallingruimte aanwezig is of gecreëerd kan worden. Autoaanpassingen Bij het verstrekken van autoaanpassingen, beoordeelt het college of er sprake is van meerkosten ten opzichte van de periode voordat de beperkingen ontstonden. Alleen dan komt men in aanmerking voor een maatwerk-voorziening. Het verstrekken van een pgb voor een autoaanpassing is alleen mogelijk indien de inwoner gezien de aard van de beperking geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer, geen gebruik kan maken van het aanvullend collectief vraagafhankelijk vervoer en geen gebruik kan maken van een taxi en de inwoner wel in staat is zich met een eigen auto te verplaatsen en bovenstaande wordt ondersteund door een indicatie. Er wordt alleen een pgb voor een autoaanpassing verstrekt voor een auto indien deze niet ouder is dan 36 maanden op de datum van aanvraag voor een autoaanpassing. Deze vergoeding wordt slechts 1 maal per 7 jaar verstrekt. Als een inwoner zonder aanpassingen geen gebruik kan maken van zijn auto en het collectief vervoer niet voldoet, kunnen autoaanpassingen worden vergoed. Bij autoaanpassingen wordt beoordeeld of het specifiek voor mensen met een beperking bedoelde voorzieningen betreft die meer kosten dan gebruikelijke auto-aanpassingen (dus geen stuurbekrachtiging of cruise controle). In de oude Wmo werd uitgegaan van een levensduur van minimaal 7 jaar van de aanpassingen; dit is in praktijk een redelijke termijn gebleken waarop opnieuw aanpassingen kunnen worden verstrekt (uiteraard rekening houdend met de persoonskenmerken van de aanvrager op dat moment). Bij verstrekking van aanpassingen is het daarom redelijk om van de aanvrager te verlangen dat hij aantoont dat de aan te passen auto de investering nog waard is (dus naar verwachting nog minimaal 7 jaar mee kan). Sportvoorziening Sporten kan een belangrijk middel tot participatie zijn. Wanneer het voor de inwoner zonder sporthulp-middel niet mogelijk is om een sport te beoefenen en de kosten hiervoor aanzienlijk hoger zijn -dan de gebruikelijke kosten die een persoon zonder beperkingen heeft voor dezelfde (of een vergelijkbare) sport, kan een sportvoorziening worden verstrekt. Dat kan een sportrolstoel zijn maar ook een ander hulpmiddel. Het is redelijk om maximaal eens per drie jaar hiervoor een pgb te verstrekken. De aanvrager moet aantonen dat er sprake is van een actieve sportbeoefening en dat hij lid is van een sportvereniging. De ervaring leert dat sportclubs, sponsors of fondsen vaak bereid zijn een deel van de kosten te vergoeden. Bovendien kost sporten zonder beperking ook geld dus mag van de aanvrager zelf ook worden verwachten dat hij een deel van de kosten draagt. Niet anti revaliderend Er wordt geen vervoersvoorziening verstrekt als het gebruik daarvan in strijd met een behandelplan van de aanvrager en nadelig is voor de revalidatie. 4.11.5Eigen bijdrage Voor individuele vervoersvoorzieningen geldt een eigen bijdrage. Deze valt onder het abonnementstarief Wmo. Het CAK start de inning van de eigen bijdrage in de maand volgend op de facturatie aan de gemeente. De betaling van de eigen bijdrage eindigt wanneer de kostprijs van de voorziening is bereikt. De gemeente geeft aan het CAK door wanneer de inning van de eigen bijdrage moet starten en stoppen. Het collectief vervoer valt buiten het abonnementstarief Wmo. 4.12Rolstoelen Indien blijkt dat een rolstoel noodzakelijk is om de mobiliteitsbeperking van betrokkene te verminderen, is de selectie van de rolstoel aan de orde. Het selecteren van een rolstoel is maatwerk; de gekozen rolstoel moet passen bij de gebruiker. De gebruiker moet er goed mee overweg kunnen en de rolstoel moet bruikbaar zijn in de omgeving waar de gebruiker woont en voor de activiteiten die de gebruiker wil ondernemen. Programma van eisen Als er noodzaak bestaat voor een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik dan zal via een ergotherapeutisch advies door het college een programma van eisen worden opgesteld. In het programma van eisen dat wordt opgesteld om het een adequate voorziening te laten zijn voor de aanvrager, dienen de volgende onderwerpen aan de orde te komen: Het gebruik Het gebruiksgebied De aandrijving De zithouding De meeneembaarheid De lichaamsmaten Ten aanzien van mantelzorgers wordt rekening gehouden met aanpassingen voor zover die noodzakelijk zijn. Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat als de mantelzorger niet in staat is een rolstoel in alle omstandigheden te duwen, er een ondersteunende motorvoorziening verschaft kan worden. 4.13Wijze van verstrekken 4.13.1Keuzemogelijkheid Het bieden van ondersteuning is maatwerk. In Lansingerland wordt op basis van iemand zijn individuele situatie beoordeeld of en waarvoor hij ondersteuning nodig heeft en op welke wijze hij deze kan krijgen. Uitgangspunt bij het bieden van ondersteuning is individueel maatwerk. Dit geldt ook voor de verstrekkingsvorm waarin een inwoner de ondersteuning wil ontvangen: via Zorg in Natura of deze zelf inkopen en organiseren via een pgb. Het pgb bestaat uit een geldbedrag waarmee mensen die in aanmerking komen voor zorg of onder-steuning, zelf de benodigde hulp kunnen inkopen. Het is bedoeld als alternatief voor inwoners die zelf ondersteuning willen inkopen omdat zij vinden dat dit leidt tot een betere en effectievere ondersteuning dan een oplossing via Zorg in Natura. De inwoner krijgt het pgb op basis van de goedkoopst adequate voorziening en betaalt een eventueel restbedrag bij. De risico´s die deze keuze met zich meebrengt zijn voor de inwoner zelf. Een voorziening in natura is ondersteuning die rechtstreeks door een aanbieder wordt geleverd, ook wel ZIN genoemd. 4.13.2Regels voor een persoonsgebondenbudget (pgb) bij een maatwerkvoorziening Een persoonsgebondenbudget (pgb) kan een geschikt instrument zijn voor de inwoner om zijn leven naar eigen wensen en behoeften in te vullen. Het is een verstrekkingsvorm die bij uitstek geschikt is voor mensen die zelf de regie over hun leven kunnen voeren. Het college verstrekt een pgb alleen ten aanzien van maatwerkvoorzieningen. Dat betekent dat bij algemene voorzieningen geen pgb verstrekt wordt. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit in diverse uitspraken. Er wordt bij een pgb het volgende onderscheid gemaakt. Pgb voor diensten, zoals hulp bij het huishouden en begeleiding Pgb budget voor zaken, zoals hulpmiddelen, woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen. 4.13.3Voorlichting Zoals uit de Wmo 2015 is af te leiden, is het belangrijk dat inwoners voor verstrekking goed weten wat het pgb inhoudt en welke verantwoordelijkheden ze daarbij hebben. Deze voorlichting zal al bij het moment van aanvragen worden gegeven. Tijdens het gesprek, maar ook later tijdens de aanvraagprocedure, zal de inwoner door de Wmo consulent worden geïnformeerd. Daarnaast verzorgt het servicecentrum pgb van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) voorlichting voor en ondersteuning van budgethouders. 4.13.4Toetsen bekwaamheid van de aanvrager Om voor een pgb in aanmerking te komen dient de inwoner in een persoonlijk pgb-plan toe te lichten waarom hij bewust kiest voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb. We toetsen de pgb-vaardigheid. In bijlage 4 staan de eisen voor pgb vaardigheid benoemd. De aanvrager moet thuis de pgb-test van Per Saldo doen. De test wordt in het gesprek met de consulent besproken. Van de aanvrager of zijn/haar vertegenwoordiger wordt verwacht dat deze de aan het pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze kan uitvoeren. Bij deze taken kan gedacht worden aan: Het kiezen van een zorgverlener die in de zorgvraag voldoet. Het aangaan van een contract. Het in de praktijk aansturen van de zorgverlener en het bijhouden van een juiste administratie. Door de invoering van het trekkingsrecht, waarbij het belangrijkste deel van het budgetbeheer wordt over-genomen door de SVB, gaat het bij het toetsen van de bekwaamheid niet om de vaardigheden van de inwoner om een budget te beheren. Wettelijk is bepaald dat een pgb-houder die voor 4 dagen of meer per week ondersteuning inkoopt een werkgever is, met de werkgeversplichten die hierbij horen (o.a. overeenkomen van een redelijk uurloon, het doorbetalen van loon bij ziekte en het hanteren van een redelijke opzegtermijn). Mocht de gemeente van oordeel zijn dat de inwoner de aan het pgb verbonden taken niet op verantwoorde wijze kan uitvoeren, dan kan de gemeente het pgb weigeren. Dit is een beslissing van de gemeente waar tegen een aanvrager vervolgens bezwaar kan maken. 4.13.5Motivering door aanvrager in pgb plan Een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt alleen verstrekt indien de inwoner dit, aan de hand van een opgesteld plan, vraagt. In dit plan moet het volgende staan: De inwoner moet in dit plan helder maken waarom de inwoner wil dat de maatwerkvoorziening als budget geleverd moet worden; Het budget moet in het individuele geval de zelfredzaamheid (regie) dus versterken of tenminste waar-borgen. Als iemand bijvoorbeeld is aangewezen op zorg én ondersteuning die door verschillende aanbieders wordt geboden en dat aantal met een budget kan worden teruggebracht of de onder-steuning op beter gepaste tijden kan worden ingekocht is hier sprake van. Daarnaast volgt uit dit punt dat de inwoner geen gebruik mag maken van een bemiddelingsbureau, die alleen de administratieve verwerking van het budget doet. Het budget mag ook niet gebruikt worden om Zorg in Natura in te kopen. De inwoner moet aantoonbaar maken dat de met het budget in te kopen maatwerkvoorziening veilig, rechtmatig en inwonergericht wordt verstrekt. Aan de overeenkomst die betrokkene voornemens is met de aanbieder te sluiten mag de gemeente eisen stellen. Vanzelfsprekend zijn die eisen afhankelijk van de soort maatwerkvoorziening. Zo mogen aan ambulante begeleiding bij het zelfstandig wonen andere (professionele) eisen worden gesteld dan aan Hulp bij het Huishouden. Eenvoudig gezegd sluit het aan op het resultaat (het doel) dat mag worden verwacht. De gemeente mag daarbij niet de normen van grote aanbieders gebruiken omdat daarmee beroepskrachten zonder personeel buiten de boot vallen. In het plan moeten de afspraken staan tussen inwoner en leverancier, waaronder: de benodigde inzet van professionals; het benodigd budget op basis van het te behalen resultaat; jet afgesproken resultaat en de wijze van evaluatie van het resultaat. Dit moet vormgegeven worden in een zorgovereenkomst. Het tarief voor een budget moet toereikend zijn om effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen en bedraagt ten hoogste de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura. De hoogte van een budget voor dienstverlening is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten, zoals salaris, vervanging tijdens vakantie en indien noodzakelijk verzekeringen. Het tarief bestaat niet uit reiskosten. Er worden eisen gesteld aan de professionele hulpverlening. Zo moet aantoonbaar gemaakt worden dat de zorg geleverd wordt door iemand die de competenties heeft om de behoefte aan zorg en ondersteuning in beeld te brengen. De professionele ondersteuning moet onder meer kennis hebben van (consequenties van) beperkingen, de mogelijkheden van het zorgaanbod kennen, kunnen meedenken met de inwoner, maar ook grenzen kunnen aangeven. Dit betekent dat een hulpverlener een professionele opleiding heeft gevolgd ofwel aantoonbaar kan maken dat het bovenstaande het geval is. In het plan van de inwoner kan hij of zij de wens uitspreken om zijn sociale netwerk in te willen zetten. De gemeente is van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval zoveel mogelijk beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt. Een inwoner die zijn sociale netwerk tegen betaling vanuit een pgb wenst in te zetten dient expliciet te maken dat mensen uit zijn sociale netwerk alleen tegen betaling bereid zijn de noodzakelijke zorg te leveren. Ook moet de inwoner aantoon-baar maken dat aan alle eisen zoals onder punt 6 benoemd door het sociale netwerk voldaan kan worden. In het plan van de inwoner kan hij of zij de wens uitspreken om een huisgenoot in te willen zetten. De gemeente is van mening dat de beloning van huisgenoten beperkt moet blijven tot die gevallen waarin er geen alternatief is, omdat hulp door huisgenoten in beginsel als gebruikelijk moet worden gezien. Onder gebruikelijke hulp wordt daarbij verstaan de van huisgenoten, gelet op hun draagkracht, in redelijkheid te verwachten hulp. Ook moet de inwoner dan aantoonbaar maken dat alle eisen zoals onder punt 6. benoemd door huisgenoten gedaan kunnen worden. Daarnaast moet deze zorg komen bovenop de gebruikelijke dagelijkse hulp. Van inwonende eerste- en tweede graad familieleden kan meer gebruikelijke hulp worden verwacht dan van inwonende personen met wie geen verdere (familie)relatie bestaat. Door het opstellen van een persoonlijk plan wordt de inwoner gestimuleerd na te denken over zijn zorgvraag, deze uit te werken en te concretiseren en tevens het doelbereik en daarmee de kwaliteit van de zorg te evalueren. De gemeente is in de nieuwe Wmo namelijk verantwoordelijk voor het niet alleen controleren van de rechtmatigheid van het gebruik van een pgb, maar ook de doelmatigheid en in bijzonder de kwaliteit van de producten of diensten die worden ingekocht met een pgb. 4.13.6Beperking pgb Sommige voorzieningen zijn uitgesloten van een pgb: Algemene voorzieningen die in de gemeente aanwezig zijn. Spoedeisende hulp. Betaling aan tussenpersonen of belangbehartigers. Begeleiding- of administratiekosten in verband met het pgb. Reiskosten, feestdagen uitkering, eenmalige uitkering en een vrij besteedbaar bedrag. 4.13.7Pgb voor voorzieningen Pgb’s voor voorzieningen, zoals trapliften en scootmobielen, worden ook via het trekkingsrecht aan de recht-hebbende inwoners beschikbaar worden gesteld. Controle op deze pgb’s zal plaatsvinden aan de hand van door de inwoner ingediende facturen. 4.13.8Pgb voor een hulpmiddel Wanneer een budgethouder kiest voor een pgb krijgt hij na indicatie bij de beschikking een Programma van Eisen (PvE) waar de voorziening aan moet voldoen. De budgethouder kan op basis van dit PvE zelf de voor-ziening aanschaffen. De budgethouder is zelf verantwoordelijk voor: Het inkopen van het hulpmiddel of hulp. Het onderhoud, de reparaties en de verzekering van hulpmiddel. Als de budgethouder een andere voorziening wil, kan hij daarvoor kiezen onder de voorwaarde dat de voor-ziening geen (andere) belemmeringen oproept. De voorziening die de inwoner aanschaft moet wel de beperking op hetzelfde niveau compenseren als in het programma van eisen wordt gesteld en niet slechts een deel van het probleem oplossen. 4.13.9Duur van de toekenning De voorziening in de vorm van pgb wordt toegekend voor een periode van 7 jaar (tenzij anders beschreven in de beschikking). Als de voorziening tussentijds niet blijkt te voldoen en er geen sprake is van veranderde omstandigheden, kan geen beroep worden gedaan op een vervangende voorziening. De situatie van de inwoner kan verslechteren. Als wordt verwacht dat de inwoner (langzaam) achteruit zal gaan, wordt dit ook opgenomen in het PvE. Indien nodig dient de inwoner mee te werken aan een medisch onderzoek of een passing. 4.13.10Aanschaf Na ontvangst van de beschikking heeft de inwoner 3 maanden de tijd om de voorziening aan te schaffen. De Wmo consulent zal na 2 maanden contact opnemen met inwoner om te vragen of het lukt om een voorziening aan te schaffen. Mocht het nodig zijn dan krijgt de inwoner dan de mogelijkheid om alsnog naar Zorg in natura over te stappen. 4.13.11Omzetting pgb in voorziening in natura Een omzetting van het pgb in een voorziening in natura is niet meer mogelijk nadat het pgb reeds is besteed aan een voorziening. De inwoner moet dan ten minste 7 jaar wachten met het doen van een nieuwe aanvraag, tenzij in de beschikking anders is bepaald. Een voorziening of een pgb voor een voorziening wordt immers in beginsel voor 7 jaar verstrekt. 4.13.12Beschikking pgb Als de inwoner kiest voor een pgb, wordt in de toekenningbeschikking opgenomen: het budget waarmee de voorziening of hulp kan worden ingekocht; het feit dat er een eigen bijdrage moet worden betaald; de periode waarvoor deze toekenning geldt of de termijn waarbinnen de voorziening aangeschaft dient te zijn. De toekenning eindigt wanneer: De budgethouder verhuist naar een andere gemeente. Als de budgethouder wordt opgenomen in een Wlz-instelling en deze opname een permanent karakter heeft. Als de budgethouder recht heeft op zorg volgens een andere regeling. De budgethouder overlijdt. Als de indicatieperiode of geldigheidsduur is verstreken. Als de budgethouder aangeeft dat zijn situatie is veranderd en (de gemeente) vaststelt dat de voorziening niet meer voldoet. De budgethouder geen verantwoording aflegt. De budgethouder zijn pgb laat omzetten in ZIN. Bij beschikking maakt het college zijn besluit aan de aanvrager bekend. In deze beschikking vermeldt het college wat de omvang van het pgb is en voor hoeveel jaar het pgb bedoeld is. Om volstrekt duidelijk te laten zijn wat met het pgb dient te worden aangeschaft en meer precies: aan welke vereisten de aan te schaffen voorziening dient te voldoen, wordt een zo nauwkeurig mogelijk omschreven PvE bij de beschikking gevoegd. Hierdoor kan voorkomen worden dat door onduidelijkheid omtrent de eisen die aan de voorziening gesteld moeten worden een verkeerde voorziening wordt aangeschaft. Dat wil zeggen een voorziening waarmee het beoogde resultaat niet bereikt kan worden. Dat zou tot inadequate voor-zieningen kunnen leiden, waardoor het te bereiken resultaat, het compenseren van problemen, niet bereikt wordt, wat op zich weer tot nieuwe aanvragen aanleiding zou kunnen zijn. Dit is uitsluitend te voorkomen door een PvE onderdeel uit te laten maken van de beschikking. Wordt dan toch een voorziening aangeschaft die niet aan dat PvE voldoet, dan is gehandeld in strijd met de beschikking. Het college neemt in de beschikking ook op dat er een eigen bijdrage/eigen aandeel in de kosten verschuldigd is. Omdat die eigen bijdrage vastgesteld en geïnd zal worden door het CAK, zal in de meeste gevallen uitsluitend een aankondiging opgenomen kunnen worden. 4.13.13Trekkingsrecht In de Wmo 2015 is de verplichting opgenomen dat de gemeente pgb’s uitbetaalt in de vorm van trekkings-recht. Dit houdt in dat de gemeente het pgb niet op de bankrekening van de budgethouder stort, maar op rekening van het servicecentrum pgb van de SVB. De budgethouder laat via declaraties of facturen aan de SVB weten hoeveel uren hulp zijn geleverd en de SVB zorgt vervolgens voor de uitbetaling van de zorgverlener. De niet bestede pgb bedragen worden door de SVB na afloop van de verantwoordings-periode terugbetaald aan de gemeente. Ook de pgb’s voor een hulpmiddel of voorziening moeten worden overgemaakt naar de SVB, waarna de SVB de ingezonden facturen betaalt. 4.13.14Controle en terugvordering pgb Het college streeft er naar om terugvordering achteraf te voorkomen. De gemeente zal daarom alle zorgover-eenkomsten die budgethouders sluiten, voordat betaling aan deze hulpverlener plaatsvindt toetsen. De gemeente zal daarom vooraf om informatie vragen. Daarnaast worden er in de regel geen langlopende indicaties afgeven. Hiermee wordt periodiek bezien of de indicatie die iemand heeft -en daarmee zijn pgb- nog past bij zijn individuele situatie. Ook ontvangt een inwoner een vergoedingenlijst waarop staat welke kosten wel en niet voor pgb-vergoeding in aanmerking komen. Eventuele ondersteuning wordt door het pgb servicecentrum van het SVB voor inwoner gratis geboden; dus hier zijn geen kosten voor opgenomen in het pgb. Daarnaast worden op basis van risicoanalyses en bestandsanalyses heronderzoeken bij budgethouders ingepland en uitgevoerd; 4.13.15De voorziening in natura Bij een voorziening in natura verstrekt het college deze. Wordt een voorziening niet als pgb verstrekt, maar in natura, dan zal toekenning ook bij beschikking plaatsvinden. In de beschikking worden de voorwaarden opgenomen waaronder verstrekking plaatsvindt. Regels voor bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen De wet maakt een onderscheid tussen de bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen en maatwerk-voorzieningen. De bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen mag de gemeente bepalen en dit mag kostendekkend zijn. De bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen zijn gelimiteerd tot een bedrag gelijk aan de kostprijs van de voorziening. 4.14Blijverslening 4.14.1Toetsen of aanvrager tot de doelgroep van de Blijverslening behoort Het college toetst of een aanvrager van de Blijverslening behoort tot één van de doelgroepen van de Blijverslening: woningeigenaren die hun woning willen aanpassen aan een zorgvraag; woningeigenaren die hun woning willen aanpassen om deze levensloopbestendig te maken. Voor de doelgroep die hun woning levensloopbestendig wil maken, geldt dat het college ervan uitgaat dat in ieder geval inwoners die ouder zijn dan 65 jaar tot deze doelgroep behoren. Van inwoners die 65 jaar of jonger zijn en die hun woning levensloopbestendig willen maken, beoordeelt het college op basis van de argumentatie van de aanvraag of deze inwoners behoren tot de doelgroep van de Blijverslening. 4.14.2Toetsen of de te treffen maatregelen gefinancierd kunnen worden met de Blijverslening Het college toetst of de maatregelen waarvoor een Blijverslening wordt aangevraagd in aanmerking komen voor financiering met de Blijverslening. De maatregelen die hier in ieder geval voor in aanmerking komen zijn opgenomen in de Uitvoeringsrichtlijn Maatregelen Blijverslening in bijlage 5 van deze beleidsregels. Het college toetst de aanvraag aan de daarvoor geldende voorwaarden. De aanvrager kiest zelf voor welke maatregelen gericht op langer thuis wonen hij/zij de Blijverslening in wil zetten. Het college adviseert niet over de keuze van de maatregelen. 5Jeugd 5.1Begripsbepaling Voor de definities van de begrippen in de beleidsregels met betrekking tot Jeugd in dit hoofdstuk wordt verwezen naar de begripsbepalingen in de Verordening Sociaal Domein. 5.2Individuele voorzieningen 5.2.1Aanbod De individuele voorzieningen die in de gemeente Lansingerland beschikbaar zijn voor jeugd zijn te raadplegen via de website www.hulpenondersteuning.nl. Er zijn verschillende vormen van financiering van de voorzieningen namelijk; zorg in natura of persoonsgebonden budget. Met het oog op kwaliteit stelt de gemeente dat zorg in natura de voorkeur heeft boven het verstrekken van een persoonsgebonden budget. Deze website zal minimaal één keer per jaar geactualiseerd worden, aan de hand van gecontracteerde zorg voor dat jaar en aan de hand van ervaringen die we in deze stelselwijziging in de eerstkomende jaren op zullen doen. 5.2.2Voorzieningen Een individuele voorziening wordt alleen toegekend indien voldoende aannemelijk is gemaakt dat deze noodzakelijk is voor het welzijn en de ontwikkeling van de jeugdige. De individuele voorziening wordt altijd afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of zijn ouders. Maatwerk is hierbij belangrijk. De voorziening wordt aangepast aan de persoonlijke omstandigheden en houdt redelijkerwijs rekening met 'de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige of zijn ouders'. Er kan sprake zijn van een ‘arrangement’: dan wordt het geheel van behandeling, hulpmiddelen, ondersteuning, begeleiding en andere voorzieningen afgestemd op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon. Een onderdeel van dit geheel kan een individuele voorziening zijn. De individuele voorzieningen die beschikbaar zijn voor de gemeente Lansingerland, staan beschreven in de verordening. 5.2.3Vaktherapeuten Vaktherapie kan bij complexe of meervoudige problematiek als onderdeel van een multidisciplinaire behandeling worden aangeboden aan individuele jeugdigen, groepen en/of gezinnen. Als vaktherapie wordt ingezet vanuit de Jeugdwet, dan moet het een bijdrage leveren aan de jeugdhulp en is geen alternatief beschikbaar. Vaktherapie is een behandelvorm voor mensen met psychiatrische stoornissen en psychosociale problematiek. Voorbeelden zijn beeldende therapie, danstherapie, dramatherapie, muziek-therapie, spel-therapie en psychomotorische therapie. . Voor vaktherapeuten is registratie bij de Stichting Register Vaktherapeutische Beroepen (SRVB) verplicht en een registratie in de databank effectieve interventies van het Nederlands Jeugdinstituut (Nji). Als vaktherapie geen onderdeel vormt van een behandeling, dan is de zorgverzekering voorliggend op de jeugdwet. 5.3Aanvraag individuele voorziening; het ondersteuningsplan Een jeugdige of zijn ouders hebben op grond van de Algemene wet bestuursrecht het recht een aanvraag in te dienen bij het college voor een individuele voorziening. Tegen de beschikking die dan afgegeven wordt, staat bezwaar en beroep open. De aanvraag voor een individuele beschikking moet een onder-steuningsplan bevatten. Als de jeugdige of zijn ouders een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet hebben opgesteld, betrekt de gemeente dat als eerste bij de aanvraag. Wanneer het de jeugdige of zijn ouders niet lukt om dit plan op te stellen, zal de gemeente hierbij ondersteunen dan wel een professional in het lokale veld vragen dit met de jeugdige of zijn ouders te doen. Het ondersteuningsplan: Betrekt, waar dit relevant is, de situatie van alle betrokkenen. Is gericht op bevordering van, behoud van of ondersteunen bij de zelfredzaamheid en participatie van de jeugdige of zijn ouders. Behandelt in ieder geval de leefgebieden: inkomen/financiën, dagbesteding, huisvesting, gezinsrelaties/ huiselijke relaties, persoonlijke verzorging, lichamelijke gezondheid, geestelijke gezondheid, verslaving, activiteiten dagelijks leven, sociaal netwerk, maatschappelijke participatie, justitie en ouderschap. Is de samenvatting van het onderzoek (wat is er aan de hand, welke zorgen zijn er), beschrijft doelen en de gewenste resultaten. Wordt ondertekend door de jeugdige of zijn ouders en (indien van toepassing) de professional, geeft richting aan de ondersteuning in de praktijk (professionele sturing) en is richtinggevend voor ondersteunende en uitvoerende werkers en bindend voor alle betrokkenen. Is het resultaat van de dialoog tussen de jeugdige of zijn ouders, bloedverwanten of aanverwanten, zijn sociaal netwerk, de casushouder en eventueel andere betrokken professionals via een vorm van een netwerkberaad. Ondersteunt dat de jeugdige of zijn ouders zoveel mogelijk regie hebben. Benoemt de casushouder die overzicht over alle afspraken heeft, deze coördineert en bewaakt, zorg draagt voor evaluatie van het plan, eventuele bijstelling en afronding. Voorziet in afspraken over en afwegingen voor de inzet van (regionaal ingekochte) specialistische jeugdhulp (indien van toepassing). Laat een actueel beeld zien van de veiligheidssituatie in het gezin, hierbij wordt gebruik gemaakt van een risicotaxatie instrument (indien van toepassing). 5.4Criteria voor het toekennen van een individuele voorziening 5.4.1Woonplaatsbeginsel De verantwoordelijke gemeente wordt bepaald op grond van het woonplaatsbeginsel zoals omschreven in de Jeugdwet. 5.4.2Volgorde toekenning individuele voorzieningen Toekenning van een individuele voorziening geschiedt op grond van onderstaand kader. Alle beoordelingen van aanvragen voor individuele voorzieningen worden volgens dit kader benaderd. In de beschikking (dan wel met verwijzing naar het ondersteuningsplan) wordt hiervan een beschrijving gegeven. Eigen kracht: mensen zorgen voor zichzelf, gebruiken hun eigen sociaal netwerk. Sociaal netwerk: mensen zorgen voor elkaar, mantelzorg, verenigingsleven, algemene voorzieningen. Algemene/collectieve voorzieningen: alleen waar nodig. Individuele voorziening: professionele inzet via de gemeente. Het geheel van activiteiten en diensten op het gebied van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp afgestemd op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon, zien we als het maatwerkarrangement. 5.4.3Er mag geen sprake zijn van een algemene voorziening Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten om de zelfredzaamheid of de participatie te verbeteren of te voorzien in een behoefte aan opvang. Algemene of vrij toegankelijke voorzieningen zijn toegankelijk zonder beschikking. Een algemene voorziening kan zijn het ontvangen van informatie, advies en training, jeugdgezondheidszorg, opvoedondersteuning of ambulante jeugd- en opvoedhulp tot en met maximaal 6 contactmomenten. 5.4.4Er mag geen sprake zijn van voorliggende voorzieningen op grond van andere wet- of regelgeving Voorliggend op de Jeugdwet zijn voorzieningen op grond van een andere wettelijke regeling zoals Wet langdurige zorg, Zorgverzekeringswet, Wet Passend Onderwijs en Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. 5.4.5Het mag geen algemeen gebruikelijke hulp zijn Algemeen gebruikelijke hulp kent de volgende wettelijke definitie: ‘hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouder, inwonende kinderen of andere huisgenoten’. De hulp die wordt aangevraagd moet het probleem oplossend vermogen van de ouders/verzorgers overschrijden. In bijlage 4 staat een richtlijn voor gebruikelijke hulp bij de verschillende leeftijdsfasen van een jeugdige. De richtlijn wordt toegepast met in achtneming van de volgende afwegingen 1 Bron: Factsheet Ministerie VWS: Zorg voor een kinderen met een intensieve zorgvraag: Gebruikelijke zorg. : Leeftijd Jonge kinderen hebben meer zorg nodig van hun ouders dan oudere kinderen. Sommige handelingen zijn dus op jonge leeftijd nog gebruikelijke zorg maar worden op latere leeftijd als bovengebruikelijke zorg gezien. Aard van de zorghandeling Gebruikelijke zorg bij kinderen kan ook handelingen omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen. Frequentie Zorghandelingen die meelopen in het normale patroon van dagelijkse zorg voor een kind, zoals drie keer per dag eten, kunnen als gebruikelijke zorg worden aangemerkt. De tijd dat iemand met een zorghandeling bezig is Alle kinderen hebben tot een bepaalde leeftijd hulp nodig bij wassen en kleden, maar als deze handelingen veel meer tijd kosten vanwege bijvoorbeeld spasticiteit, wordt deze extra tijd niet als gebruikelijke zorg gezien. Samenhangende beoordeling De hiervoor genoemde criteria moeten telkens in samenhang en gelet op de omstandigheden van het kind worden beoordeeld. 5.4.6Gebruikelijke- en boven gebruikelijke zorg In kortdurende situaties (maximaal drie maanden) wordt van ouders verwacht dat zij hun kind alle persoonlijke verzorging, begeleiding en verpleegkundige handelingen geven. Bij langdurige situaties valt alleen de gebruikelijke persoonlijke verzorging en begeleiding onder gebruikelijke zorg. De zorg voor kinderen met een beperking kan groter zijn dan de zorg voor een gezond kind van dezelfde leeftijd. Dit noemen wij boven gebruikelijke zorg. Het vaststellen dat er sprake is van boven gebruikelijke zorg geeft op zichzelf geen recht op een vorm van jeugdhulp. Onder de gebruikelijke zorg valt ook het eerste uur boven gebruikelijke zorg per dag, hiervoor is geen vergoeding mogelijk. Redelijkerwijs mag dit van ouders verwacht worden. Bij de afweging of een individuele voorziening jeugdhulp aan de orde is, worden alle aspecten uit het ondersteuningsplan meegewogen. 5.4.7Onderzoek Om te onderzoeken of er sprake is van boven gebruikelijke zorg, bespreekt de consulent met de inwoner (en zijn mantelzorgers) die het pgbjeugdhulp aanvraagt: of er tot dan toe al sprake is geweest van (onbetaalde) jeugdhulp; wat maakt dat de zorgverlener uit het sociale netwerk er eventueel mee stopt; wat maakt dat een eventuele nieuwe mantelzorger de zorg niet kosteloos wil verlenen. Daarnaast doet de consulent een gedegen onderzoek naar de noodzaak, kennis en ontwikkel-mogelijkheden van het kind. Hierbij raadpleegt de consulent tenminste één andere bron, zoals school, behandelaar, begeleider etc. Wanneer de consulent dit nodig acht kan er een nog niet betrokken professional geraadpleegd worden voor advies. De consulent heeft in de aanvraag zicht op het gehele systeem en de veerkracht van dit systeem. Richtlijnen Jeugdhulp is niet bedoeld om gebruikelijke zorg van ouders over te nemen. Hieronder volgt een richtlijn voor het bepalen van gebruikelijke en boven gebruikelijke zorg. Tevens biedt deze richtlijn een kader waarop het professionele oordeel over het aantal uren “begeleiding individueel en persoonlijke verzorging” gebaseerd moet worden. Het uitgangspunt van de richtlijn is de zorg die ouders volgens heersende maatschappelijke opvattingen moeten kunnen bieden aan hun kinderen zonder beperkingen. In bijlage 24 staat een concrete uitwerking en in bijlage 35 staan de richtlijnen qua tijd op het gebied van gebruikelijke zorg. Gebruikelijke Zorg Gebruikelijke zorg is de dagelijkse zorg die ouders aan kinderen geacht worden te bieden, ook als de ouder de gebruikelijke zorg vanwege eigen aandoening, beperking, stoornis of handicap niet kan bieden. Gebruikelijke zorg omvat: het door ouders aan kinderen bieden van een woonomgeving waarin hun fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en hen een passend pedagogisch klimaat wordt geboden en hen zorg in de zin van verzorging, begeleiding en stimulans wordt geboden nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid. Gebruikelijke zorg bij kinderen kan ook zorg omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomt. Het gaat dan om zorg die gebruikelijke zorg vervangt zoals sondevoeding in plaats van eten, of om zorg die in samenhang met reguliere zorg kan worden geboden zoals het geven van medicijnen. 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Hiermee wordt bedoeld dat zorg en toezicht gedurende het gehele etmaal in de nabijheid nodig is zonder dat daarbij permanente actieve observatie nodig is. Het gaat hier om een vorm van beschikbaarheid van zorg die voor een groot deel bestaat uit meer passief toezicht. De zorg is wel nodig op zowel geplande als ongeplande momenten, en ook voortdurend in de nabijheid. Dit is gebruikelijke zorg omdat ook een kind met een normaal ontwikkelingsprofiel tot een bepaalde leeftijd [1] niet zelf de noodzaak van zijn behoefte aan de inzet van zorg kan inschatten, of [2] niet zelf in staat is om op relevante momenten adequaat hulp in te roepen om ernstig nadeel te voorkomen, of [3] ook vaak op ongeplande momenten zorg in de zin van begeleiding of overname van zelfzorg nodig heeft. Gebruikelijke zorg omvat niet: permanent toezicht’ in de zin van onafgebroken toezicht en actieve observatie gedurende het gehele etmaal, waardoor tijdig kan worden ingegrepen. Het gaat om toezicht dat geboden moet worden op basis van actieve observatie die als doel heeft dreigende ontsporing in het gedrag of de gezondheidssituatie van het kind vroegtijdig te signaleren, waardoor altijd tijdig ingegrepen kan worden en escalatie van onveilige, gevaarlijke, (levens)bedreigende gezondheids- en/of gedragssituaties voor het kind kan worden voorkómen. Bij kinderen die een behoefte hebben aan permanent toezicht kan elk moment iets (ernstig) mis gaan. 5.4.8Vrije tijd en vakantie: jeugdhulp voor boven gebruikelijke zorg in vrije tijd en vakantie kan onderdeel zijn van jeugdhulp, mits het jeugdhulpdoelen dient In het ondersteuningsplan kunnen jeugdhulpdoelen staan, die te maken hebben met de vrijetijds-besteding van het kind. Activiteiten die overeenkomen met vormen van vrije tijdsbesteding (zoals paardrijden, roofvogelclub, boksen, scouting, zwemles e.d. ) kunnen ook jeugdhulpdoelen dienen zoals het reguleren van emoties, het vergroten van zelfvertrouwen en het doorbreken van isolement. Ook hier dient de afweging te worden gemaakt wat gebruikelijk is en wat in het kader van het ondersteuningsplan een noodzakelijk boven gebruikelijke zorg is. De normale contributie (lidmaatschap) of activiteitkosten zijn niet uit jeugdhulpmiddelen te bekostigen; de boven gebruikelijke zorg die aan deelname gekoppeld is wel. Bij het normaliseren van de hulp betekent dat de basiskosten van vrije tijdsbesteding voor rekening van de ouders komt. Vakantie is een bijzondere vorm van vrije tijdsbesteding. Tijdens de vakantie bevat gebruikelijke zorg dat ouders er immers simpelweg voor de kinderen zijn. Begeleiding vanuit eigen netwerk moet feitelijk extra oppas / begeleiding inhouden en niet de inzet van een ouder. In een vakantieperiode kan er, indien mogelijk, minder ingezet worden op jeugdzorgdoelen. Het aantal uren dat per week aan begeleiding door derden wordt ingezet, kan ook in de vakantie worden voortgezet. 5.4.9Uitzondering informele zorg - respijtzorg Informele zorg kan ook ingezet worden als respijtzorg. Hierbij wordt niet gekeken naar gebruikelijke en boven gebruikelijke zorg. Respijtzorg dient enkel het doel dat ouders (tijdelijk) ontlast worden. Dit wordt alleen ingezet wanneer het eigen netwerk hier geen mogelijkheden in biedt. 5.4.10De eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van jeugdige, ouder(
- s)en/of het sociaal netwerk zijn niet toereikend om het probleem op te lossen Als er sprake is van gebruikelijke zorg, kent de gemeente geen individuele voorziening toe (art. 5.4.5 en 5.4.6). Ook als vastgesteld is dat er sprake is van (meer dan 1 uur per dag) boven gebruikelijke zorg, wil dat niet zeggen dat de gemeente een individuele voorziening toekent. Dat gebeurt alleen indien, voor zover en zo lang de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn om het probleem op te lossen (‘eigen kracht’) (art. 2.3, eerste lid, Jeugdwet). De inzet van jeugdhulp is gericht op het versterken van de eigen kracht. Als uit onderzoek naar de volgende vier factoren volgt dat de ouder(
- s)de benodigde hulp kunnen bieden zonder dat dit tot problemen leidt op één van deze terreinen, dan is er sprake van voldoende eigen kracht: Is de ouder in staat de noodzakelijke hulp te bieden? Is de ouder beschikbaar om de noodzakelijke hulp te bieden? Levert het bieden van de hulp door de ouder geen overbelasting op? Ontstaan er geen financiële problemen in het gezin als de hulp door de ouder wordt geboden? Dit volgt uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep van 17 juli 2019 (ECLI:NL:CRVB: 2019:2362). Financiële problemen als gevolg van de zorg voor de jeugdige kunnen ontstaan als de ouder minder is gaan werken om de zorg te verlenen of als de ouder daarvoor minder zou moeten gaan werken (omdat ook het sociaal netwerk de zorg onvoldoende kan opvangen). De gemeente vraagt niet standaard om inkomensgegevens aan de ouder(s). Eerst zal de jeugdconsulent vragen of het zelf leveren van de jeugdhulp tot financiële problemen leidt. Pas als het antwoord van de ouder op die vraag ‘ja’ is, kan de jeugdconsulent om gegevens vragen om dat te onderbouwen. 5.4.11Overbelasting Aan het indiceren van gebruikelijke hulp gaat het beoordelen van de overbelasting vooraf. Overbelasting wijst op een verstoring van het evenwicht tussen draagkracht en draaglast waardoor fysieke en/of psychische klachten ontstaan. Naast de aard en de ernst van de overbelasting wordt ook onderzocht of deze komt doordat er iets met de gebruikelijke verzorger zelf aan de hand is en/of dat deze het gevolg is van ernst van de problemen bij de jeugdige. Door de weging van de verhouding tussen draagkracht en draaglast kan de eventuele overbelasting worden vastgesteld. Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg die iemand biedt aan de jeugdige. Bij overbelasting door een dienstverband van teveel uren, als gevolg van spanningen op het werk of relatieproblemen, zal de oplossing gezocht moeten worden in het wegnemen van deze spanningsfactoren. Niet alleen de omvang van de zorgtaken, maar ook de mate waarin permanent toezicht gewenst is, zijn van invloed op de belastbaarheid van de gebruikelijke zorger/mantelzorger. Met andere woorden, het uitvoeren van enkele zorgtaken op vooraf besproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde zorgtaken, waarbij continu aanwezigheid van gebruikelijke zorger/mantelzorger noodzakelijk is. 5.4.12Het mag geen (vergoeding van) jeugdhulp met terugwerkende kracht betreffen Aanvragen om jeugdhulp worden geweigerd als het een aanvraag betreft om financiering van jeugdhulp die al is uitgevoerd. 5.5Afbakening Wet Passend Onderwijs De Wet Passend Onderwijs is voorliggend aan de Jeugdwet. Scholen hebben een zorgplicht en moeten extra ondersteuning bieden aan leerlingen die dit nodig hebben. Begeleiding van kinderen met problemen op school is in eerste instantie de verantwoordelijkheid van school. De afbakening tussen de zorgplicht van scholen en de jeugdhulpplicht van gemeenten is echter niet altijd even duidelijk. In de praktijk is er soms sprake van een grijs gebied, waarbij het Samenwerkingsverband Passend Onderwijs samen met ouders en onderwijs verkennen welke ondersteuning op basis van deze wetten tot een passend ondersteunings-aanbod leidt. Scholen maken daartoe een ontwikkelingperspectiefplan. Grofweg kan het volgende onderscheid gemaakt worden: extra ondersteuning die primair is gericht op het leerproces, is de verantwoordelijkheid van de school. Is extra ondersteuning ook op andere gebieden nodig, dan kan de gemeente verantwoordelijk zijn. Alleen in uitzonderlijke situaties; als toezicht en aansturen meer vraagt dan van school en ouders kan worden verwacht en de mogelijkheden vanuit de Wet passend onderwijs ontoereikend zijn kan begeleiding zijn geïndiceerd. Als er geen sprake is van een ontheffing van de leerplicht, is in eerste instantie het onderwijs aan zet om passende ondersteuning te bieden en heeft de gemeente geen jeugdhulpplicht. 5.5.1Afstemming bij treffen jeugdhulpvoorziening De gemeente kan een individuele voorziening voor jeugdhulp nodig achten voor een leerling. Zo nodig overlegt de jeugdconsulent met het bevoegd gezag van een school. De jeugdhulpvoorziening kan dan afgestemd worden met de voorzieningen die de school biedt. De Jeugdcoach op School kan hierin een rol spelen. 5.5.2Ondersteuning primair gericht op leerproces Als de extra ondersteuning voor de leerling primair gericht is op het leerproces, is de school verantwoor-delijk. Het gaat dan om ondersteuning gericht op het volgen van onderwijs en om de leerling verder te helpen in zijn onderwijsontwikkeling. (TK 2011-2012, 33 106, nr. 3, p. 16; MvT wetsvoorstel passend onderwijs). Een leerling kan door zijn gedrag moeilijkheden hebben in de omgang met andere leerlingen. Als gevolg hiervan kunnen leerproblemen ontstaan. De ondersteuning of begeleiding bij deze problemen valt onder de zorgplicht van scholen. Ook tijdelijke begeleiding door een orthopedagoog of een psycholoog kan onder de zorgplicht van scholen vallen (TK 2011-2012, 33 106, nr. 3, p. 16). Huiswerkbegeleiding ziet op het begeleiden van de leerling bij het structureren, plannen en zelfstandig maken van huiswerk. Deze hulp is primair gericht op het leerproces. Dit valt onder de zorgplicht van scholen. Huiswerkbegeleiding kan niet gezien worden als jeugdhulp. De gemeente treft hiervoor geen voorziening. Begeleiding van een leerling bij omgang met andere leerlingen valt wel onder de reikwijdte van de Jeugdwet. 5.5.3Remedial teaching Remedial teaching is een vorm van ondersteuning aan leerlingen met leer- of gedragsproblemen. Deze hulp is primair gericht op het leerproces. Dit valt onder de zorgplicht van scholen. Remedial teaching kan niet gezien worden als jeugdhulp. De gemeente treft hiervoor geen voorziening. 5.5.4Motorische remedial teaching (MRT) Voor problemen of achterstanden in de bewegingsontwikkeling van een kind kan inzet van motorische remedial teaching (MRT) nodig zijn. Als de MRT nodig is in het kader van bewegingsonderwijs (dat is in de praktijk bijna altijd zo), valt dit onder de zorgplicht van scholen. De gemeente treft hiervoor geen voorziening. 5.5.5Begeleiding op school Het kan ook zijn dat de leerling begeleiding nodig heeft op grond van de Jeugdwet. Bijvoorbeeld als het kind in het algemeen problemen heeft in de omgang met anderen. Of de begeleiding door de school of de gemeente geboden moet worden, zal afhangen van de individuele situatie van de jeugdige. Samenwerkingsverbanden en de gemeente Lansingerland maken hierover afspraken. Daarnaast wordt hier op regionaal niveau ook naar gekeken (onderwijszorgarrangementen). Het is mogelijk dat zowel school als gemeente deels verantwoordelijk zijn. In dat geval is het van belang dat de school en de gemeente overleggen over afstemming van de door hen geboden begeleiding. 5.5.6Intelligentieonderzoek Een intelligentieonderzoek of intelligentietest kan nodig zijn voor onderwijs aan leerlingen. Bijvoorbeeld bij een onderzoek naar hoogbegaafdheid. Als uit het onderzoek blijkt dat een leerling hoogbegaafd is, kan het onderwijs daarop afgestemd worden. In dat geval is het onderzoek primair gericht op het leerproces. Dit valt onder de zorgplicht van scholen. De gemeente treft hiervoor geen voorziening. 5.5.7Diagnostisch proces jeugdhulp Een intelligentieonderzoek kan wél onder de verantwoordelijkheid van de gemeente vallen als het onderzoek onderdeel is van een diagnostisch proces in het kader van jeugdhulp. Bijvoorbeeld als de gemeente onderzoek doet naar een hulpvraag van een jeugdige, niet enkel gericht op onderwijs. 5.5.8Dyscalculie Dyscalculie maakt deel uit van de basisondersteuning die elke school moet bieden. Hulp en ondersteuning bij dyscalculie is primair gericht op het leerproces. Dit valt onder de zorgplicht van scholen. De gemeente hoeft hiervoor geen voorziening te treffen. Ook als het gaat om de diagnose van dyscalculie is de gemeente niet verantwoordelijk. Binnen passend onderwijs zijn voldoende mogelijkheden om de leerlingen met dyscalculie de ondersteuning te bieden die zij nodig hebben (zie ook het antwoord van de staatssecretaris van 21 april 2016, p. 2-3). 5.5.9Dyslexie Ernstige Enkelvoudige Dyslexie (EED) is een specifieke leerstoornis die zich kenmerkt door een hardnekkig probleem in het aanleren van accuraat en vlot lezen en/of spellen op woordniveau, die aanhoudt ondanks goed onderwijs en extra ondersteuning vanuit het passend onderwijs. Het doel is om jeugdigen met EED tijdig de goede dyslexiezorg te bieden die zij nodig hebben zodat zij met een zo optimaal mogelijk resultaat hun schoolloopbaan kunnen doorlopen. De ondersteuning bestaat uit diagnostisch onderzoek en specialistische behandeling. Indien diagnostisch onderzoek uitwijst dat jeugdige ernstige enkelvoudige dyslexie heeft, dan voorziet aanbieder tevens in de behandeling. Aanbieder levert EED-zorg aan jeugdigen in het basisonderwijs van 7 tot 13 jaar. Het onderzoek moet starten voordat de leerling 13 jaar wordt en kan alleen plaatsvinden als de leerling nog op de basisschool zit. Het onderwijs is verantwoordelijk voor signalering en begeleiding van jeugdigen met ernstige enkel-voudige dyslexie. De ondersteuning van leerlingen met dyslexie maakt deel uit van de basisondersteuning die elke school moet bieden. Fysieke hulpmiddelen bij dyslexie horen ook daarbij. De gemeente treft hiervoor geen voorziening. Dit valt onder de zorgplicht van scholen conform het protocol Protocol Dyslexie Diagnose & Behandeling van het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie. Om die reden zal de gemeente nooit met terugwerkende kracht de diagnostiek bekostigen. De gemeente is verantwoordelijk voor diagnose en behandeling van ernstige enkelvoudige dyslexie. Dit valt onder de jeugdhulpplicht. Organisaties die voldoen aan de landelijke richtlijnen voor EED zorg kunnen diagnostiek en behandeling gericht op EED bieden aan jeugdigen van 7-13 jaar. De behandeling wordt pas ingezet als begeleiding uit het onderwijs tot onvoldoende resultaat heeft geleid. EED-ondersteuning is aanvullend op onderwijsondersteuning die gelijktijdig plaatsvindt. 5.6Wijze van verstrekken In Lansingerland wordt op basis van iemand zijn individuele situatie beoordeeld of- en waarvoor hij ondersteuning nodig heeft en op welke wijze hij deze invulling kan krijgen. Uitgangspunt bij het bie