Beleidsregels bijzondere bijstand 2012 1.Inleiding In mei 2011 zijn de gemeenteraden van Aalsmeer en Uithoorn geïnformeerd over de evaluatie1Evaluatie minimabeleid Aalsmeer – Uithoorn: evaluatie van het beleid over de periode 2007 – 2010, conclusies en aanbevelin- gen voor de jaren 2011 – 2014 van het minimabeleid 2007 - 2010 van de gemeenten Aalsmeer en Uithoorn. In deze evalutatie is uitvoerig teruggeblikt op het beleid en de uitvoering van het beleid in de periode 2007 – 2010. Naar aanleiding van de evaluatie hebben geen grote wijzigingen plaatsgevonden in het beleid voor de doelgroep minima. Dit betekent dan ook, dat de vier doelstellingen zoals genoemd in de beleidsnotitie Minimabeleid 2007 – 2010 ook voor de jaren 2011 – 2014 gehandhaafd blijven. Deze doelstellingen zijn: het verstrekken van (financiële) voorzieningen voor mensen met een minimum inkomen die voldoen aan de vastgestelde criteria; het (re)activeren van mensen met als streven hen uit hun sociale en financiële isolement te halen; het (optimale) gebruik van regelingen voor hen die daar voor in aanmerking komen stimuleren; aanbieden van budgetvoorlichting, budgetbegeleiding en schuldhulpverlening aan hen die ervoor in aanmerking komen. Re-integratie naar betaald werk wordt gezien als één van de belangrijkste maatregelen om de (socia-
- le)armoede tegen te gaan. In de jaren 2011 – 2014 blijft dit het beleidsmatige uitgangspunt: betaald werk vermindert de kansen op armoede en sociale uitsluiting. De werkelijkheid is echter dat er ook mensen zijn die vanwege een lichamelijke of geestelijke handicap niet in staat zijn voltijd werk te ver- richten en dientengevolge geen zicht hebben op een hoger inkomen. Dit geldt ook voor personen die geen arbeidsplicht meer hebben (personen ouder dan 65 jaar). Het minimabeleid van de gemeenten Aalsmeer en Uithoorn maakt daarom onderscheid tussen twee doelgroepen minima namelijk degenen mét en degenen zonder arbeidsperspectief. Het belangrijkste argument om te kiezen voor deze doelgroepen is dat bij de eerste categorie op termijn uitzicht bestaat op een hoger inkomen maar bij de tweede categorie het arbeidsperspectief ontbreekt en zij daardoor ook op langere termijn geen uitzicht hebben op een hoger inkomen. Het onderscheidt: Categorie a: personen met arbeidsperspectief Voor de doelgroep met arbeidsperspectief, wordt voor het recht op een voorziening de norm van 110% van de bijstandsnorm gehanteerd. Categorie b: personen zonder arbeidsperspectief Voor de doelgroep die langdurig van het minimumniveau moeten rondkomen en waarbij het arbeidsperspectief ontbreekt, wordt voor het recht op een voorziening de norm van 125% van de bijstands- norm gehanteerd. De volgende personen vallen onder de doelgroep van 125%: personen ouder dan 65 jaar; de persoon, die behoren tot de doelgroep chronisch zieken, gehandicapten en ouderen; personen die door de gemeente individueel beoordeeld zijn als mensen die langdurig op het minimumniveau leven en bij wie (enig) arbeidsperspectief ontbreekt. Het gaat hier om indivi- dueel maatwerk. 1.2.Begripsbepalingen De alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin heeft recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere om- standigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het ver- mogen en het inkomen voorzover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm. De wettelijke bepalingen die van belang zijn voor de verlening van bijzondere bijstand zijn opgenomen in artikel 5, onder d ex artikel 35 van de Wet werk en bijstand (WWB). Armoedebeleid in plaats van minimabeleid Naar aanleiding van de evaluatie is er voor gekozen om in Aalsmeer en Uithoorn voor de komende vier jaar, met ingang van 2011, de term “armoedebeleid” te hanteren in plaats van “minimabeleid”. Deze term is breder en past beter bij de ontwikkelingen binnen de beide gemeenten en de collegeprogramma’s 2010 - 2014 van beide gemeenten. 1.3.Onderscheid algemene en bijzondere bijstand Algemene bijstand: de bijstand ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan; Aan de algemene bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, dat is bedoeld ter voorziening in de algemene kosten van het bestaan met inbegrip van het component reservering, in beginsel toereikend is. De algemene bijstand is dus een uitkering voor levensonderhoud die als het ware is opgebouwd uit een aantal deeluitkeringen: een woonkostendeel, een kledingdeel, een voedseldeel etc. Hoewel het inkomen in principe geacht wordt toereikend te zijn voor de algemene kosten van levens- onderhoud, kan de financiële positie van mensen die langdurig op een minimum inkomen zijn aangewezen toch onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief blijkt te zijn om middels inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Dit is voor het Ministerie van SZW daarom de reden geweest om het niveau van de noodzakelijke bestaanskosten voor personen van 65 jaar en ouder hoger vast te stellen dan voor diegene jonger dan 65 jaar. Bijzondere bijstand: recht op bijzondere bijstand heeft degene, die als gevolg van bijzondere indi- viduele omstandigheden wordt geconfronteerd met noodzakelijke bestaans- kosten waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draag- kracht te boven gaan. Door bijzondere omstandigheden kan zich de situatie voordoen dat in het individuele geval het inko- men van belanghebbende niet volledig toereikend is ter voorziening in bepaalde noodzakelijke kosten. Voorzover de belanghebbende voor dergelijke kosten geen beroep kan doen op een voorliggende voorziening en deze uitgaven naar het oordeel van het college evenmin uit de eigen middelen kunnen worden voldaan, kan daarvoor bijzondere bijstand worden verstrekt. Om recht te hebben op bijzondere bijstand is het géén vereiste dat belanghebbende ook recht heeft op algemene bijstand. Ook personen die geen algemene bijstand ontvangen kunnen, indien zij onvoldoende financiële draagkracht hebben, voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. 1.4.Richtlijnen Uitgangspunt van de WWB is, dat de bijstand wordt afgestemd op de persoonlijke omstandigheden van persoon en gezin (individualiseringsprincipe). Individualiseren is een opdracht die bij de toepassing van de WWB en van het gemeentelijk beleid moet worden uitgevoerd. Steeds moet dus in het individuele geval beoordeeld worden of de omstandigheden aanleiding zijn gebruik te maken van de in de WWB neergelegde mogelijkheden tot individualisering. De combinatie van persoonlijke omstandigheden zoals langdurige werkloosheid en/of bijstandsafhankelijkheid, de gezinssituatie, schuldenproblematiek, psychische problemen moeten bij de beoordeling van de aanvraag worden betrokken. Het kan een reden zijn om de aanvraag in overleg met de klant uit te breiden of van invloed zijn op de vorm waarin de bijstand wordt verstrekt (bijvoorbeeld bijstand ‘om niet’ in plaats van leenbijstand). Het geven van richtlijnen lijkt haaks te staan op de opdracht om te individualiseren. Toch zijn richtlijnen noodzakelijk. Individualisering mag niet leiden tot willekeurige besluitvorming. Richtlijnen moeten waarborgen dat bij de uitvoering het gelijkheidsbeginsel op juiste wijze wordt gehanteerd. Gelijke ge- vallen (situaties waarin de omstandigheden gelijk zijn) moeten immers gelijk worden behandeld. Verder geven richtlijnen tot op zekere hoogte duidelijkheid aan de burger die een verzoek om bijzondere bijstand doet. 1.4.1.Wetswijzigingen per 1 januari 2012 Op 1 januari 2012 is de Wet van 22 december 2011, Stb. 650, tot wijziging van de Wet werk en bij- stand en samenvoeging van die wet met de Wet investeren in jongeren gericht op bevordering van deelname aan de arbeidsmarkt en vergroting van de eigen verantwoordelijkheid van uitkeringsgerech- tigden, in werking getreden. Een gevolg van de inwerkingtreding van deze wet is –onder meer–, dat de beleidsregels gewijzigd dienen te worden in verband met de wijziging van de normen, de wijziging van de begrippen en verwij- zingen naar diverse artikelen per 1 januari 2012. Zo dient bijvoorbeeld de verwijzing in de beleidsre- gels naar “gehuwd” aangepast te worden in “gezin”. Verder geldt met ingang van 1 januari 2012, dat een alleenstaande (ouder) of een gezin uitsluitend in aanmerking komt voor categoriale bijzondere bijstand indien het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. De Beleidsregels dienen hierop aangepast te worden. De inkomensgrens geldt overigens niet voor ander minimabeleid. 1.4.2.Overgangsrecht per 1 januari 2012 Zoals hiervoor is aangegeven, is de WWB per 1 januari 2012 op enkele vlakken dusdanig gewijzigd, dat het noodzakelijk is om overgangsrecht te formuleren voor de bijzondere bijstand. In het geval de ingansdatum van de bijzondere bijstand, en daarmee de draagkrachtperiode, ligt in 2011 zijn de bepalingen van de WWB per 31 december 2011 van toepassing. Gedurende de draagkrachtperiode vindt geen bijstelling van de draagkracht plaats aangezien de toekenning im- mers al heeft plaatsgevonden, behoudens hetgeen bepaald is in paragraaf 2.4.5. In het geval belanghebbende in 2012 een nieuwe aanvraag bijzondere bijstand indient, dan geldt het volgende. Wanneer belanghebbende op 31 december 2011 geen algemene bijstand ontving, is de 'nieuwe' WWB van toepassing (huishoudinkomenstoets). Wanneer belanghebbende op 31 december 2011 wel algemene bijstand ontving, dan geldt er tot 1 juli 2012 overgangsrecht. Wanneer de bijzondere bijstand wordt toegekend in het eerste half jaar, dan is voor de gehele duur van de toekenning de 'oude' WWB van toepassing. Wanneer de bijzondere bijstand wordt toegekend in het tweede half jaar, dan is de 'nieuwe' WWB van toepassing. Gedurende de draagkrachtperiode vindt geen bijstelling van de draagkracht plaats. De wetswijzi- ging leidt in deze situatie dan ook niet tot "gewijzigde omstandigheden". Het vorenstaande is in overeenstemming met de visie van Schulinck. 1.5.Legitimatie Op grond van artikel 17, derde lid, WWB dienen ter vaststelling van de identiteit van de belanghebbende met de Nederlandse nationaliteit een paspoort of een Europese identiteitskaart te worden overgelegd. Voor de belanghebbende zonder de Nederlandse nationaliteit dienen ter vaststelling van de identiteit het vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER, de verblijfskaart van het Mi- nisterie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen), een buitenlands paspoort (geeft geen recht op bijstand) of een vreemdelingendocument van het type W. In principe dient een rijbewijs niet ter vaststelling van de identiteit in het kader van de beoordeling van het recht op bijstand. De reden hiervoor is dat dit document geen nationaliteit vermeldt. Weliswaar noemt de artikelen 17, vierde lid, WWB een geldig rijbewijs als identificatiemiddel doch uit de Memorie van Toelichting op deze artikelen blijkt dat een rijbewijs niet kan dienen ter vaststelling van de identiteit van de belanghebbende, maar enkel van de identiteit van derden. Ook gelet op het dwingendrechtelij- ke karakter van artikel 17, derde lid, WWB, staat deze bepaling in de weg bij het vaststellen van de identiteit aan de hand van een rijbewijs [CRvB 02-01-2008, 06/7142 WWB + 06/7143 WWB]. In uitzonderlijke situaties en uit coulance kan genoegen genomen worden met een overgelegd Neder- lands rijbewijs ter vaststelling van de identiteit van de belanghebbende. Daarbij dient de belangheb- bende wel duidelijk te kennen gegeven te worden dat in het vervolg overlegging van een paspoort (of een ander soortgelijk document) ter identificatie vereist is. In de rapportage dient het vorenstaande gemotiveerd te worden. 1.6.Terugwerkende kracht/ tijdstip aanvraag In beginsel verbiedt artikel 44, eerste lid, WWB bijstandsverlening vanaf een eerdere datum dan de datum waarop belanghebbende zich heeft gemeld voor de aanvraag. Uitgangspunt is dat een aan- vraag om bijzondere bijstand moet worden ingediend vóórdat de kosten zijn gemaakt. Immers vooraf, voordat de kosten zijn gemaakt, moet worden vastgesteld of de kosten noodzakelijk zijn. Onder omstandigheden is bijstandsverlening met terugwerkende kracht wel mogelijk. In de aard van de bijzondere omstandigheden, waardoor het recht op bijzondere bijstand kan zijn ontstaan, kan im- mers besloten liggen dat een aanvraag indienen voordat de kosten zijn gemaakt niet (goed) mogelijk is. Anderzijds kan een strikte uitleg van het verbod op bijstand met terugwerkende kracht leiden tot administratieve lastenverzwaring omdat in dat geval voor elke afzonderlijke kostenpost een aanvraag om bijzondere bijstand moet worden ingediend. Meerdere kleine posten tegelijkertijd in behandeling nemen brengt "winst" (omdat er minder aanvragen afzonderlijk behandeld moeten te worden). Hetzelfde geldt als het kosten betreft waarvoor de zorgverzekering een vergoeding verstrekt. Het is praktischer om een aanvraag in te nemen als de vergoeding van de zorgverzekering bekend is. Bij het bepalen van de hoogte van de bijzondere bijstand moet immers rekening worden gehouden met het bedrag dat de zorgverzekeraar vergoed (voorliggende voorziening). 1.6.1Algemene uitgangspunt en uitzonderingen Het algemene uitgangspunt is dat een aanvraag om bijzondere bijstand moet worden ingediend vóór- dat de kosten zijn gemaakt. Hierop zijn de volgende uitzonderingen mogelijk: Een aanvraag voor de eigen bijdrage in ziektekosten kan worden ingediend binnen twee maanden nadat de kennisgeving van de zorgverzekeraar is ontvangen. Een aanvraag voor overige kosten kan, met inachtneming van hetgeen bepaald is in paragraaf 1.6, ingediend worden binnen twee maanden nadat de kosten zijn opgekomen. Ingeval de eigen bijdrage voor tandartsbehandelingen (na mogelijke vergoeding van de zorgver- zekeraar) meer bedraagt dan € 500,-- wordt advies aangevraagd bij de Argonaut. In deze situatie dient eerst de aanvraag ingediend te worden, voordat de kosten zijn gemaakt. Indienen kan dan op basis van een door de tandarts op te stellen kostenbegroting. Indien de aard van de bijzondere omstandigheden het tijdig indienen van de aanvraag voor de kosten onmogelijk maakt, kan met terugwerkende kracht bijzondere bijstand worden toegekend. In de rapportage met betrekking tot de aanvragen achteraf zal op de motivering van dit aspect na- drukkelijk moeten worden ingegaan. Zijn deze omstandigheden niet vastgesteld, dan kan niet tot bijzondere bijstandsverlening worden overgegaan. Zo veel als mogelijk dient voorkomen te worden dat aanvragen bijzondere bijstand worden ingediend voor een bedrag lager dan € 45,--. Men mag dan kosten “opsparen” tot een bedrag hoger dan € 45,--, zodat op dat moment een aanvraag ingediend kan worden. Een ingediende aanvraag bijzondere bij- stand voor minder dan € 45,-- dient echter afgehandeld te worden. 1.7.Goedkoopst adequate voorziening De hoogte van de te verlenen bijzondere bijstand wordt (individueel) bepaald door de hoogte van de noodzakelijke kosten. Daarbij geldt als uitgangspunt dat, wanneer ter zake van bepaalde kosten meerdere (adequate) voorzieningen mogelijk zijn, voor de goedkoopste voorziening moet worden gekozen. Ook al staat vast dat er een noodzaak bestaat tot het maken van bepaalde kosten, wil dat nog niet zeggen dat het dagelijks bestuur voor deze kosten, ongeacht de hoogte ervan, bijzondere bijstand moet/zal verlenen. In beginsel komt alleen de goedkoopste adequate voorziening voor bijzondere bij- stand in aanmerking. Kiest de belanghebbende voor een relatief duurdere voorziening, dan leidt dit ertoe dat de kosten in het geheel niet als noodzakelijk in de zin van artikel 35 WWB kunnen worden aangemerkt. Indien het verschil redelijk en relatief klein is (de belanghebbende heeft bijvoorbeeld een laminaatvloer aangeschaft in plaats van linoleum) dan kan het college er uiteraard ook voor kiezen om bijzondere bijstand te verlenen ter hoogte van de goedkoopste adequate voorziening. Het verschil met de duurdere voorziening komt dan volledig voor rekening van de belanghebbende. Voor reis- of vervoerskosten betekent dit in het algemeen dat vergoeding op basis van het goedkoopste openbaar vervoer toereikend is. Bij de verlening van bijzondere bijstand voor bijzondere kosten is vaak behoefte aan richtprijzen voor het vaststellen van de hoogte van de bijzondere bijstand. De Nibud prijzengids kan als uitgangspunt dienen voor de vaststelling van de noodzakelijke hoogte van de te verstekken bijzonder bijstand. Hiertoe nog de volgende opmerking: het zonder meer vaststellen of maximeren van de hoogte van de te verstrekken bijzondere bijstand op de toepasselijke richtprijzen is echter niet altijd toegestaan. Vol- gens de CRvB mag het college er namelijk niet zonder meer van uitgaan dat de noodzakelijke kosten in een individuele situatie overeenkomen met de richtprijzen. 1.8Voorliggende voorziening De bijzondere bijstand in relatie tot voorliggende voorzieningen staat vermeld in artikel 15 WWB. De WWB biedt de mogelijkheid om af te wijken van de algemene regel. Bij de beoordeling van een aan- vraag moet men steeds alert zijn op de mogelijkheid die de wet biedt om op grond van de individuele omstandigheden bijstand te verlenen in gevallen waarin op het eerste gezicht bijstandsverlening niet mogelijk lijkt. Geen bijstand wordt verleend voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de klant toereikend en passend te zijn (artikel 5, onderdeel f, WWB). Wanneer artikel 15 WWB aan de toewijzing in de weg staat, komt het dagelijks bestuur niet meer toe aan een toetsing aan artikel 35 WWB (zie CRvB 21-03-2007, nr. 05/2419 WWB). In de volgende gevallen bestaat er in beginsel geen recht op bijstand: De kosten van de gevraagde voorziening worden vergoed op basis van een voorliggende voorziening. Binnen de voorliggende voorziening is bewust de beslissing genomen dat de gevraagde voorziening niet noodzakelijk is. Het is dan niet mogelijk om in het kader van de WWB betreffende kosten wel als noodzakelijk aan te merken. Binnen de voorliggende voorziening is bewust de beslissing genomen dat de gevraagde voorziening in een specifieke situatie niet noodzakelijk is. Er heeft in dat geval dus al een indivi- duele beoordeling plaatsgevonden door de instantie die de voorliggende voorziening uitvoert. In de volgende gevallen bestaat er in beginsel wel recht op (aanvullende) bijstand: Binnen de voorliggende voorziening is om budgettaire redenen besloten om de gevraagde voorziening niet of slechts gedeeltelijk te vergoeden. Bij gedeeltelijke vergoeding is doorgaans aanvullende bijstandsverlening mogelijk. Dit is bijvoorbeeld het geval ten aanzien van eigen bijdragen (vergoeding van tandartskosten tot 80%). Binnen de voorliggende voorziening is om overwegingen ten aanzien van de vaststelling van de reikwijdte van de voorliggende voorziening besloten om de gevraagde voorziening niet te vergoeden. Indien het dagelijks bestuur van plan is een bijstandsaanvraag met toepassing van artikel 15 WWB af te wijzen omdat de aanvrager een beroep kan doen op een voorliggende voorziening dan zal hier een deugdelijk onderzoek aan ten grondslag moeten liggen. Dit volgt uit artikel 3:2 Awb. In het kader van het onderzoek is het aan te raden om niet alleen af te gaan op de verklaringen van de belanghebbende omtrent de voorliggende voorziening, maar om ook (zo mogelijk schriftelijke) informatie in te winnen bij de instantie die de voorliggende voorziening uitvoert. Dit kunnen overigens ook bewijsstukken zijn waarover de belanghebbende de beschikking heeft. In het algemeen is het zo dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) en AWBZ alle noodzakelijke ziektekosten vergoeden. Beide regelingen gelden samen als een toereikende en passende voorliggende voorzie- ning (artikel 15 WWB). Dit betekent dat kosten die niet door de Zvw of AWBZ worden vergoed ook niet in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. Opgemerkt wordt nog het volgende. Een door de gemeente afgesloten collectieve aanvullende ziektekostenverzekering kan niet worden aangemerkt als een voorliggende voorziening, indien de belang- hebbende zich daarbij niet heeft aangesloten. De kosten voor het afsluiten van een aanvullende ziektekostenverzekering zijn namelijk vrijwillig te maken kosten. Dit betekent ook dat het niet hebben van een aanvullende ziektekostenverzekering niet gezien kan worden als een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. 2.Beoordeling aanvraag bijzondere bijstand De CRvB leidt uit artikel 35, eerste lid, WWB een dwingende volgorde af waarin het dagelijks bestuur de diverse aspecten van het recht op bijzondere bijstand dient te beoordelen. Daarmee dient bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand de volgende volgorde te worden aangehouden: Doen de kosten zich voor? Zo ja, beoordeel dan vraag 2. Zo nee, wijs de aanvraag af. Zijn de kosten in het individuele geval noodzakelijk? Zo ja, beoordeel dan vraag 3. Zo nee, wijs de aanvraag af. Vloeien de kosten voort uit bijzondere individuele omstandigheden? Zo ja, beoordeel dan vraag 4, zo nee wijs de aanvraag af. Kunnen de kosten worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm? Zo nee, wijs de aanvraag toe. Zo ja, wijs de aanvraag af. Géén beoordelingsvrijheid Het dagelijks bestuur heeft bij de beantwoording van vraag 2 en vraag 3 géén beoordelingsvrijheid, maar wel een zekere beoordelingsruimte. Dit kan als volgt worden verduidelijkt. Kosten van een basale woninginrichting zijn objectief noodzakelijke kosten van het bestaan: voor hun bestaan hebben mensen nu éénmaal een woning nodig die met basisgoederen, bijvoorbeeld een tafel met stoelen en een koelkast, is ingericht. Het dagelijks bestuur dient in een dergelijke situatie wél te beoordelen of er in het individuele geval ook daadwerkelijk sprake is van zulke kosten en, zo ja, of (de vervanging van) het desbetreffende goed noodzakelijk is (beoordelingsruimte). Het is onjuist om een aanvraag om bijzondere bijstand slechts te beoordelen in het kader van het ter zake gevoerde beleid, en na te laten om te beoordelen of er in de situatie van belanghebbende sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten (beantwoording van vraag 2 en 3). Bij artikel 35, eerste lid, WWB is namelijk geen sprake van een discretionaire bevoegdheid maar van een gebonden bevoegdheid, hetgeen betekent dat indien is voldaan aan de wettelijke voor- waarden voor de uitoefening van die bevoegdheid, het betrokken bestuursorgaan gehouden is bijzon- dere bijstand te verlenen. Wél beoordelingsvrijheid Vanwege het bestaan van beoordelingsvrijheid bij de beantwoording van de vraag of de kosten kun- nen worden voldaan uit de aanwezige draagkracht (vraag 4) zal de rechter de wijze waarop het dage- lijks bestuur deze vraag heeft beantwoord slechts terughoudend (kunnen) toetsen. Dit betekent dat de rechter slechts toetst of het dagelijks bestuur in redelijkheid is kunnen komen tot de wijze van beant- woording van vraag 4. 2.1.Vraag 1: doen de kosten zich voor? Wil een belanghebbende in aanmerking kunnen komen voor bijzondere bijstand voor bepaalde kosten dan zal hij om te beginnen de gestelde kosten ook daadwerkelijk moeten hebben. Indien de kosten niet daadwerkelijk gemaakt worden, is er geen verlening van bijzondere bijstand mogelijk. Ook in de volgende gevallen komt de CRvB tot de conclusie dat de kosten zich niet werkelijk voordoen: Kosten zijn al voldaan Volgens jurisprudentie van de CRvB vloeit uit artikel 11, eerste lid, WWB voort dat in beginsel geen plaats is voor bijstandsverlening voor kosten waarin ten tijde van de aanvraag al is voorzien. Gederfd inkomen Het niet ontvangen van bepaalde inkomsten zijn geen kosten. In dit verband oordeelde de CRvB dat bij een verminderde teruggave van belastinggelden niet gesproken kan worden van kosten als bedoeld in artikel 35, eerste lid, WWB. In deze zaak werd de in de vorm van een geldlening verstrekte bijstand achteraf omgezet in bijstand om niet. De belastingdienst telde de bijstand om niet vervolgens op bij het inkomen over het betreffende jaar en verminderde de teruggave van belastinggelden. Verlening van bijstand ter compensatie van de verminderde belastingteruggave is niet mogelijk. Kosten gevorderd van een andere dan de aanvrager Als de kosten waarvoor bijstand wordt gevraagd van een ander dan de aanvrager worden gevorderd, komen deze niet voor bijstandsverlening in aanmerking. Aantoonplicht belanghebbende Het ligt op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat de kosten waarvoor hij bijzondere bijstand vraagt ook daadwerkelijk zijn of worden gemaakt. Slaagt hij hier niet in dan wordt de aanvraag afgewezen. Het aantonen van de kosten kan bijvoorbeeld door middel van het overleggen van bewijsstukken in de vorm van nota's. Wanneer een belanghebbende niet (met nota’
- s)kan aantonen dat de bijzondere bijstand is besteed conform de toekenning ervan kan worden vastge- steld dat de inlichtingenplicht niet is nagekomen, waardoor het recht op (bijzondere) bijstand niet is vast te stellen. Vervolgens kan tot intrekking en terugvordering overgaan worden. 2.2.Vraag 2: zijn de kosten in het individuele geval noodzakelijk? De WWB kent geen definitie van het begrip "noodzakelijke kosten van het bestaan". Per situatie zal moeten beoordeeld worden, of de kosten in het individuele geval voor de desbetreffende persoon noodzakelijk zijn. In ieder geval worden niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend kosten met betrekking tot: de voldoening van alimentatieverplichtingen; de betaling van een boete; geleden of toegebrachte schade; vrijwillige premiebetaling in het kader van een publiekrechtelijke verzekering; kosten van medische handelingen en verrichtingen die gerekend kunnen worden tot de ont- wikkelingsgeneeskunde als bedoeld in de Wet op bijzondere medische verrichtingen, of wan- neer zodanige medische behandelingen en verrichtingen buiten Nederland plaatsvinden. Het is geen limitatieve opsomming. Alleen de kostensoorten die in de wet als niet noodzakelijk worden aangemerkt, zijn opgenomen. Het is dus niet zo dat alle overige kosten voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. Ook andere kosten kunnen gezien hun aard, in principe niet voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. Voor- beelden daarvan zijn de kosten die samenhangen met het aanschaffen van legitimatiebewijzen, rijbe- wijzen en vreemdelingendocumenten. Deze kosten horen uit het inkomen of de uitkering betaald te worden. Dit geldt ook voor de kosten van naturalisatie. Deze kosten zijn niet noodzakelijk en voorzien- baar. Noodzakelijk Het is alleen mogelijk om bijzondere bijstand te verlenen voor noodzakelijke bestaanskosten. Het be- grip 'noodzakelijke kosten' mag in dit verband niet te eng worden uitgelegd. Zo zijn de noodzakelijke bestaanskosten niet beperkt tot de eerste levensbehoeften. Ook is voor de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand niet bepalend of de kosten, gelet op hun aard, naar de eisen van de samenle- ving als niet noodzakelijk kunnen worden aangemerkt, maar zijn de omstandigheden in het individuele geval bepalend. Medische noodzaak Voor de beoordeling van de noodzakelijkheid van de kosten is niet steeds een medische nood- zaak vereist. Ook andere omstandigheden kunnen kosten noodzakelijk maken. Medische kosten zijn niet noodzakelijk als niet is gebleken van een medisch objectiveerbare aandoening. Lening voor de kosten afgesloten Voor zover op een lening die voor de kosten is afgesloten nog moet worden afgelost, geldt niet dat reeds in de kosten is voorzien en er hierom geen recht op bijzondere bijstand bestaat. Wel mag er niet teveel tijd verstrijken tussen het moment van opkomen van de kosten en het aanvragen van bijstand, wil er niet feitelijk sprake zijn van een aanvraag om bijstand voor een schuld. Geen noodzaak Omgekeerd is het noodzakelijkheidcriterium ook weer niet zo ruim dat er nooit grond zou zijn voor een afwijzing op grond van het feit dat de kosten niet noodzakelijk zijn. In de volgende gevallen acht de CRvB geen noodzaak aanwezig voor het verlenen van bijzondere bijstand. Er is een goedkopere adequate voorziening Ook al staat het buiten kijf dat er een noodzaak bestaat tot het maken van bepaalde kosten, dat wil nog niet zeggen dat het dagelijks bestuur voor deze kosten ongeacht de hoogte ervan bijzon- dere bijstand moeten verlenen. In beginsel komt alleen de goedkoopst adequate voorziening voor bijzondere bijstand in aanmerking. Kiest de belanghebbende voor een relatief dure voorziening, dan leidt dit ertoe dat de kosten in het geheel niet als noodzakelijk in de zin van artikel 35 WWB kunnen worden aangemerkt. Indien de belanghebbende een relatief dure voorziening heeft aangeschaft (bijvoorbeeld een lami- naatvloer in plaats van linoleum) dan kan het dagelijks bestuur er uiteraard ook voor kiezen om bijzondere bijstand te verlenen ter hoogte van de goedkoopst adequate voorziening. Het verschil met de duurdere voorziening komt dan volledig voor rekening van de belanghebbende. Kosten konden voorkomen worden Indien het maken van de kosten voorkomen kan worden doordat de betreffende dienst (zij het el- ders) ook gratis kan worden afgenomen zijn de kosten niet noodzakelijk. Kosten in verband met een ander dan de aanvrager Indien de kosten zijn toe te rekenen aan een ander dan belanghebbende, zoals een niet in de bij- stand begrepen partner, dan komen deze kosten niet voor bijstandsverlening in aanmerking. Noodzaak kan niet worden vastgesteld Indien belanghebbende bijzondere bijstand aanvraagt ten behoeve van de vervanging of reparatie van bepaalde goederen, dan moet het college in de gelegenheid gesteld worden om zich te kun- nen vergewissen van de noodzaak van de vervanging of reparatie. Vrije keus aanwending middelen mag niet leiden tot extra (bijzondere) bijstand Indien iemand al een algemene bijstandsuitkering ontvangt en deze uitkering mede voor niet- noodzakelijke kostensoorten wenst aan te wenden, staat dit betrokkene uiteraard vrij. Bedoelde aan- wending mag echter niet vervolgens tot een toekenning van extra bijstand leiden, aangezien dan alsnog langs indirecte weg bijstand voor deze kosten zou worden verleend (TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 46). 2.3.Vraag 3: vloeien de kosten voort uit bijzondere individuele omstandigheden? Er bestaat alleen recht op bijzondere bijstand indien er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval. Dit betekent dus, dat niet de eisen van de samenleving in relatie tot de aard van de kosten bepalend zijn, maar de omstandigheden in het individuele geval. Het is daarom niet mogelijk om bijzondere bijstand te weigeren voor kosten die naar de eisen van de samenleving in het algemeen niet als noodzakelijk worden beschouwd. Het is alleen van belang of zich in het concrete geval bijzon- dere omstandigheden voordoen die de kosten noodzakelijk maken. Zo ja, dan bestaat er mogelijk recht op bijzondere bijstand. Reserveren of lenen De bijstandsnorm c.q. een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm wordt geacht toereikend te zijn om in de algemeen voorkomende kosten van het bestaan te voorzien. Tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan behoren ook de aanschaf, de vervanging of reparatie van duur- zame gebruiksgoederen. Men wordt geacht voor deze kosten uit het periodieke inkomen te reserve- ren. Heeft men niet of onvoldoende kunnen reserveren, dan moet men de kosten als regel financieren via gespreide betaling achteraf. Tegenover dit uitgangspunt staat een ander, namelijk dat voorkomen moet worden dat mensen in een sociaal en financieel zwakke positie langdurig met aflossingsverplich- tingen worden belast. Dit laatste uitgangspunt heeft als consequentie dat in gevallen waarin eigenlijk sprake zou moeten zijn van een lening via een kredietverstrekkende instelling of van leenbijstand be- sloten wordt de vergoeding à fonds perdu te verstrekken. Gedacht wordt aan de veel voorkomende situatie waarin de klant geen aflossingsruimte heeft door het feit dat al een lening voor duurzame ge- bruiksgoederen wordt afgelost. Schulden Het ontbreken van (voldoende) reserveringsruimte, in verband met de verplichte aflossing van schul- den, is geen bijzondere omstandigheid in het individuele geval op grond waarvan het mogelijk is om bijzondere bijstand te verlenen. Schulden dan wel het ontbreken van voldoende reserveringsruimte als gevolg daarvan, kunnen niet worden afgewenteld op de WWB. Verlies goederen door diefstal Het feit dat een duurzaam gebruiksgoed wordt gestolen kan als zodanig niet worden gezien als bij- zondere individuele omstandigheid waardoor kosten moeten worden gemaakt waarvoor men in het algemeen niet wordt gesteld. Het dagelijks bestuur moet ook in dit geval beoordelen of belanghebbende voor deze kosten kon reserveren of een lening afsluiten. 2.4.Vraag 4: kunnen de kosten worden voldaan uit de aanwezige middelen? Artikel 35, eerste lid, WWB bepaalt, dat de alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voorzover de alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit de bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bij- standsnorm, het vermogen, het inkomen en de langdurigheidstoeslag. Gelet hierop kan vraag 4 worden opgesplitst in twee gedeelten: Kunnen de kosten worden voldaan uit de bijstandsnorm? Kunnen de kosten worden voldaan uit de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm? ad. a. Kunnen de kosten worden voldaan uit de bijstandsnorm? Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, dat is bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip van de component reservering, in beginsel toereikend is (zie TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 11-13). De algemene bijstand is een uitkering voor levensonderhoud die als het ware is opgebouwd uit een aantal deeluitkeringen: een voor woonkosten, een voor kleding, een voor voedsel, etc. Er bestaat alleen recht op bijzondere bijstand wanneer een van de deeluitkeringen van de algemene bijstand niet in de specifieke kosten voorziet. In welke kosten de algemene bijstand nu precies wel en niet voorziet is uiteindelijk ter beoordeling aan de rechter. Hiervan bestaat geen vaste lijst. ad. b. Kunnen de kosten worden voldaan uit de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm? De mate waarin een belanghebbende de kosten kan voldoen uit de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm noemen we in navolging van artikel 39, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) draagkracht. Het dagelijks bestuur heeft in het kader van de bijzondere bijstand volledige vrijheid in de vaststelling van de draagkracht van de belanghebbende (TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 64-65). Dit betekent dat het dagelijks bestuur zelf bepaalt welk deel van de middelen bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking wordt genomen. Daarbij geldt dat: vermogens- of inkomensbestanddelen welke op grond van artikel 31, tweede lid, WWB niet tot de middelen worden gerekend, voor de bijzondere bijstand wel tot de middelen van belanghebbende worden gerekend; de vrijlatingsbepalingen voor het vermogen op grond van artikel 34, tweede lid, WWB niet van toepassing zijn voor de bijzondere bijstand; het dagelijks bestuur het begin en de duur bepaalt van de periode waarover het vermogen en in- komen in aanmerking wordt genomen. Reserveren Opgemerkt zij dat bij deze middelentoets niet (meer) ter beoordeling staat of de belanghebbende voor de betreffende kosten al dan niet heeft kunnen reserveren. Deze vraag maakt exclusief onderdeel uit van de beoordeling of er sprake is van bijzondere omstandigheden. 2.4.1Algemene regels betreffende de draagkracht De bijzondere bijstand is niet alleen voor bijstandsgerechtigden. Ook personen met een ander laag inkomen kunnen eventueel voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. Om voor bijzondere bij- stand in aanmerking te kunnen komen, wordt het inkomen vergeleken met de van toepassing zijnde norm (110 of 125% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm). Wanneer het inkomen gelijk of lager is dan de geldende norm, is er geen sprake van draagkracht en worden de kosten in principe volledig vergoed. Heeft de aanvrager een hoger inkomen dan de van toepassing zijnde norm, dan komen de kosten slechts gedeeltelijk of niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. Bij toekenning van de bijzondere bijstand dient het dagelijks bestuur verder te bepalen wat de gewens- te vorm is waarin de bijstand wordt verleend. Dit kan zijn bijstandsverlening om niet, in de vorm van een geldlening of in de vorm van een borgtocht. De hoofdregel is bijstandsverlening om niet. Er be- staan echter situaties waarin bijstand in de vorm van een geldlening op zijn plaats is. Bijvoorbeeld in het geval waarin de behoefte aan bijstand is ontstaan door een tekortschietend normbesef met betrek- king tot de verantwoordelijkheid van het bestaan. Een wettelijke uitzondering bestaat ten aanzien van bijstand ten behoeve van duurzame gebruiksgoederen, daarbij is de voorkeursvolgorde, geldlening, borgtocht, om niet. Tot slot kan het dagelijks bestuur aan de bijstand een bestedingsverplichting verbinden ter verkrijging van meer zekerheid dat de bijstand ook daadwerkelijk zal worden aangewend om de kosten waarvoor zij is verleend te voldoen. Algemeen uitgangspunt Volledigheidshalve nog het volgende: voor het recht op bijzondere bijstand geldt onverminderd het bepaalde in paragraaf 2.2 WWB. Dit betekent impliciet dat de algemene voorwaarden voor het recht op bijstand onverkort van toepassing zijn en dat belanghebbende moet voldoen aan de algemene voorwaarden om überhaupt recht te hebben op (bijzondere) bijstand. De algemene voorwaarden zijn opgenomen in artikel 11 WWB tot en met artikel 16 WWB. 2.4.2Draagkracht op grond van het inkomen Het dagelijks bestuur bepaalt zelf welk deel van de middelen bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking wordt genomen. De wetgever heeft hiermee het dagelijks bestuur de vrijheid gegeven om te beoordelen in hoeverre belanghebbende op grond van artikel 31, tweede lid, WWB vrijgelaten in- komen kan aanwenden, om de kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd te voldoen. Te- vens kan het dagelijks bestuur rekening houden met buitengewone lasten of persoonlijke omstandig- heden van belanghebbende. Op grond van deze door het dagelijks bestuur vast te stellen in aanmer- king te nemen middelen wordt de draagkracht berekend door hierop het draagkrachtpercentage los te laten. Is sprake van een gezin, dan tellen alle middelen van de in de bijstand begrepen meerderjarige gezinsleden mee voor het bepalen van de draagkracht. Het recht op bijzondere bijstand komt immers het gezin toe (zie artikel 35, eerste lid, WWB). Het is gemeentelijk beleid of bij de vaststelling van het netto-inkomen rekening wordt gehouden met het recht op vakantietoeslag over dat inkomen en zo ja, op welke wijze de hoogte van de vakantietoeslag wordt bepaald. Echter: ook indien ervoor heeft gekozen om bij de berekening van het in aanmerking te nemen inkomen de vakantietoeslag buiten beschouwing te laten geldt dat het inkomen moet worden afgezet tegen de bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag. Dit volgt uit artikel 19, tweede en derde lid, WWB jo. artikel 35, eerste lid, WWB. 2.4.2.1In aanmerking te nemen middelen / inkomsten Op grond van artikel 35, eerste lid, WWB kunnen alle inkomsten en middelen bij de berekening van de draagkracht op grond van het inkomen worden betrokken. Niet als inkomen worden bijvoorbeeld de kinderbijslag, de zorg- en huurtoeslag en de bijdrage voor eigenwoningbezit, aangemerkt. Immers, ook bij het bepalen van de norm voor algemene bijstand wordt geen rekening gehouden met deze inkomsten. Deze middelen worden namelijk gezien als ver- goedingen voor noodzakelijke bestaanskosten. Uitzondering hierop vormt bijvoorbeeld de eventueel ontvangen huurtoeslag of de bijdrage voor eigenwoningbezit, wanneer een woonkostentoeslag ver- strekt wordt. Bij het bepalen van het inkomen wordt dus rekening gehouden met het bepaalde in artikel 31, tweede lid, WWB, met de onderstaande uitzonderingen: Huurtoeslag en de bijdrage voor eigenwoningbezit De ontvangen huurtoeslag of de bijdrage voor eigenwoningbezit wordt meegerekend bij de bepaling van de hoogte van de woonkostentoeslag, die in het kader van de bijzondere bijstand wordt verstrekt. Teruggaaf van de Belastingdienst Vergoedingen en tegemoetkomingen, waaronder begrepen de tegemoetkoming ontvangen op grond van het Tijdelijk besluit tegemoetkoming buitengewone uitgaven, voor, alsmede de ver- mindering of teruggave van, loonbelasting of inkomstenbelasting en van premies volksverzekeringen op grond van kosten die niet tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten behoren, tenzij voor deze kosten bijzondere bijstand is verstrekt. Rente Geen rekening wordt gehouden met de ontvangen rente over vermogen. Jonggehandicaptenkorting Geen rekening wordt gehouden met de jonggehandicaptenkorting. De jonggehandicaptenkorting geldt voor de belastingplichtige die in het kalenderjaar een uitkering geniet op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), tenzij voor hem de ouderenkorting geldt. De jonggehandicaptenkorting is voor de systematiek van de bijstand vergelijkbaar met de ouderenkorting. Waar deze laatste korting via de normensystematiek bij de bijstandsverlening is betrokken (artikel 22) is er, gezien de beperktere omvang van de doelgroep, ten aanzien van de jonggehandicapten ervoor gekozen om de korting niet tot de middelen te rekenen. Inkomsten kinderen Inkomsten uit arbeid van de tot zijn last komende kinderen, alsmede door hen ontvangen uitkeringen inzake werkloosheid en arbeidsongeschiktheid, waarbij voor 16- en 17-jarigen een maximum geldt van € 827,-- per maand, tenzij het de verlening van bijzondere bijstand betreft voor bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan van die kinderen. Premie Premies, die de belanghebbende kan ontvangen in het kader van de inschakeling in arbeid, worden niet in aanmerking genomen als inkomen. De gemeente kan een dergelijke premie verstrekken met het oog op het bevorderen van positief gedrag gericht op uitstroom naar betaalde arbeid. Wanneer deze premie in aanmerking wordt genomen als inkomen, wordt positief gedrag bestraft met een lagere bijzondere bijstandsverlening. Mocht overigens tegenover de premie kosten staan, waarvoor bijzondere bijstand verstrekt wordt, wordt wel rekening gehouden met de ontvangen premie. In een dergelijk geval wordt namelijk de hoogte van de bijzondere bijstand verminderd met de ontvangen premie. Vrije vergoedingen en verstrekkingen (Hoofdstuk IIa Wet op de Loonbelasting 1964) Onder vrije vergoedingen en verstrekkingen, zoals in hoofdstuk IIa van de Wet op de Loonbe- lasting 1964 wordt onder andere verstaan, vergoedingen voorzover zij geacht worden te zijn verstrekt voor een behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking. Gedacht kan worden aan werkkleding, vakliteratuur en cursussen van de werkgever. Deze vergoedingen en verstrekkingen worden niet in aanmerking genomen als inkomen, tenzij voor deze vergoedingen en verstrekkingen bijstand wordt verleend. Inkomensvrijlating Artikel 31, tweede lid, onder n, WWB: inkomsten uit arbeid gedurende ten hoogste zes aaneengesloten maanden tot 25 procent van deze inkomsten, met een maximum van € 192,-- per maand, voor zover hij algemene bijstand ontvangt en dit naar het oordeel van het college bij- draagt aan zijn arbeidsinschakeling, worden bij de bepaling van de hoogte van de algemene bijstand niet in aanmerking genomen als inkomsten. Deze inkomensvrijlating wordt eveneens toegepast bij het bepalen van de draagkracht op grond van het inkomen, tenzij het een persoon betreft jonger dan 27 jaar (artikel 31, derde lid, WWB). Inkomensvrijlating alleenstaande ouder Artikel 31, tweede lid, onder r, WWB: inkomsten uit arbeid van een alleenstaande ouder of alleenstaande ouder met een of meer meerderjarige kinderen tot 12,5 procent van deze inkom- sten, met een maximum van € 120,-- per maand, gedurende een aaneengesloten periode van maximaal 30 maanden, voor zover hij algemene bijstand ontvangt, ingeval: hij de volledige zorg heeft voor een tot zijn last komend kind tot 12 jaar, de periode van zes aaneengesloten maanden, bedoeld in onderdeel n, is verstreken, en dit volgens het college bijdraagt aan zijn arbeidsinschakeling; Deze inkomensvrijlating wordt eveneens toegepast bij het bepalen van de draagkracht op grond van het inkomen, tenzij het een persoon betreft jonger dan 27 jaar (artikel 31, derde lid, WWB). Studiefinanciering en Tegemoetkoming studiekosten Indien studiefinanciering op grond van de Wet Studiefinanciering (WSF) wordt ontvangen wordt al het inkomen dat meer bedraagt dan het in de studiefinanciering begrepen normbe- drag voor levensonderhoud (conform artikel 33, tweede lid, WWB) aangemerkt als draag- kracht, waarop de draagkrachtberekening wordt toegepast. Bij de Wet tegemoetkoming stu- diekosten (WTOS) wordt als draagkracht aangemerkt al het inkomen dat het normbedrag voor de basistoelage als bedoeld in artikel 26 WWB van die wet te boven gaat. Giften Giften worden eveneens niet tot de middelen gerekend voor zover dat, gezien de bestemming en de hoogte van de gift, uit oogpunt van bijstandverlening verantwoord is. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen giften van instellingen en giften van personen. Gezien het minimumbehoeftenkarakter van de bijstand kan de vrijlating niet onbeperkt zijn. Wat betreft de hoogte van de gift geldt dat het in de rede ligt om de gift in aanmerking te nemen voor zover cumulatie daarvan met de bijstand leidt tot een bestedingsniveau dat niet verenigbaar is met hetgeen op bijstandsniveau gebruikelijk is. Wat betreft de bestemming is met name van belang of de gift betrekking heeft op kosten die in de algemene bijstand zijn begrepen. Als dit het geval is, of als de gift ter vrije besteding is, kan dit aanleiding zijn om de gift volledig in aanmerking te nemen bij de bijzondere bijstandsverlening. Kostenvergoeding voor vrijwilligerswerk Een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk van ten hoogste € 95,00 per maand met een maximum van € 764,00 per jaar wordt niet in aanmerking genomen als inko- men (bedragen conform artikel 7, onderdeel h, Regeling Wwb en geldend per 1 januari 2010). Een kostenvergoeding wordt namelijk verstrekt, wanneer door de belanghebbende kosten gemaakt worden. Wanneer de kostenvergoeding hoger is dan het maximale bedrag per jaar, wordt deze hogere vergoeding wel tot de middelen van de belanghebbende gerekend, tenzij tegenover deze hogere vergoeding hogere onkosten voor het verrichten van vrijwilligerswerk staan. Wanneer bijzondere bijstand wordt aangevraagd voor kosten, waarvoor de kostenvergoeding in feite bedoeld is, wordt bij het bepalen van de hoogte van de bijzondere bijstand rekening gehouden met die kostenvergoeding. 2.4.2.2 Uitgangspunten bij het bepalen van de draagkracht grond van het inkomen Uitgangspunten bij het bepalen van de draagkracht grond van het inkomen Bij het bepalen van de van toepassing zijnde bijstandsnorm wordt geen rekening gehouden met de vraag of men de woonkosten en vaste lasten kan delen (bij alleenstaande en alleenstaande ouders wordt dus uitgegaan van de maximale toeslag van 20% en bij gehuwden/en samenwonen- den wordt geen rekening gehouden met een korting). De draagkrachtberekening geldt alleen voor de individuele bijzondere bijstand. Voor de overige minima regelingen is een maximuminkomen vastgesteld, zodat een draagkrachtberekening niet van toepassing is. Bedraagt het inkomen meer dan de vastgestelde norm, dan bestaat geen recht op een vergoeding op grond van de betreffende minimaregeling. Bij een aanvraag om een tegemoetkoming op grond van een minimaregeling dient wel, om de hoogte van het inkomen te kunnen vaststellen, de uit- gangspunten die gelden bij de draagkrachtberekening voor de individuele bijstand te worden aan- gehouden. Indien bijzondere bijstand wordt verstrekt voor algemene bestaanskosten, dan dient het volledige meerinkomen boven de van toepassing zijnde inkomensgrens (110% of 125%), als draag- kracht te worden aangemerkt. Voor de vergoeding van bijzondere kosten dient een eigen bijdrage berekend te worden als de aanvrager ruimte in het inkomen heeft boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm. De ‘ruimte in het inkomen’ (ook wel als meerinkomen aangeduid) is het verschil tussen het inkomen (exclu- sief vakantiegeld) en de van toepassing zijnde bijstandsnorm, inclusief maximale toeslag, inclusief vakantiegeld. Door rekening te houden met de maximale toeslag wordt de van toepassing zijnde bijstandsnorm hoger. Dit is de meest gunstige regeling voor de aanvrager. Het is gemeentelijk beleid of bij de vaststelling van het netto-inkomen rekening wordt gehouden met het recht op vakantietoeslag over dat inkomen en zo ja, op welke wijze de hoogte van de vakantietoeslag wordt bepaald. Echter: ook indien ervoor wordt gekozen om bij de bereke- ning van het in aanmerking te nemen inkomen de vakantietoeslag buiten beschouwing te laten geldt dat het inkomen moet worden afgezet tegen de bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag. Dit volgt uit artikel 19, tweede en derde lid, WWB jo. artikel 35, eerste lid, WWB. Voor personen onder de 65, met arbeidsmarktperspectief, wordt een eigen bijdrage berekend als het inkomen meer bedraagt dan 110% van de bijstandsnorm. De eigen bijdrage bedraagt 35% van het meerinkomen. Voor de doelgroepen die geen arbeidsperspectief hebben wordt een eigen bijdrage berekend als het inkomen meer bedraagt dan 125% van de bijstandsnorm. De eigen bijdrage bedraagt 35% van het meerinkomen. Doelgroepen die volgens de richtlijnen van de bij- zondere bijstand geen arbeidsperspectief hebben zijn: ouderen vanaf 65 jaar; personen die behoren tot de doelgroep chronisch zieken, gehandicapten en ouderen; anderen die door de gemeente beoordeeld zijn als mensen die langdurig op het minimumniveau leven en bij wie (verder) arbeidsperspectief ontbreekt. Deze beoordeling wordt op individuele basis gedaan en in een rapportage vastgelegd (maatwerk). Bij gezinnen waarvan één gezinslid onder de doelgroep valt met arbeidsperspectief en één of meerdere gezinsleden valt/ vallen onder de doelgroep zonder arbeidsperspectief wordt een eigen bijdrage berekend indien het inkomen meer bedraagt dan 125% van de bijstandsnorm. Er wordt geen rekening gehouden met een drempelbedrag. Op het inkomen van een bewoner in een gezinsvervangend tehuis of soortgelijke instelling wordt de eigen betaling welke de bewoner verschuldigd is ingevolge de artikelen 4 en 14 van het Bijdra- gebesluit zorg in mindering gebracht. Indien de draagkracht minder bedraagt dan € 50,-- per draagkrachtperiode, dan wordt deze buiten beschouwing gelaten. Indien op (een deel van) het inkomen van belanghebbende executoriaal beslag is gelegd waardoor belanghebbende terzake dat (deel van het) inkomen geen feitelijke bestedingmogelijkheid heeft, noch beschikkingsbevoegd is, noch een mogelijkheid heeft om het hem uit te laten betalen, mag het college bij de berekening van de draagkracht in het kader van de bijzondere bijstand met dat (deel van het) inkomen geen rekening houden, omdat belanghebbende niet redelijkerwijs kan beschikken over dat (deel van het) inkomen (zie CRvB 28-03-2006, nr. 04/5465 NABW). Bij een belanghebbende ten aanzien van wie een schuldsaneringsregeling op grond van de WSNP is uitgesproken, geldt dat het dagelijks bestuur enkel de draagkracht kan berekenen over middelen waarover belanghebbende daadwerkelijk de beschikking heeft (zie CRvB 01-02-2005, nr. 02/93 NABW). De CRvB neemt hierbij als uitgangspunt dat dit slechts de middelen betreft die op de voet van artikel 295, tweede lid, Fw buiten de boedel worden gelaten. Aangezien dit in de praktijk neerkomt op 90% van de bijstandsnorm, betekent dit dat er in het algemeen geen draag- kracht zal kunnen bestaan bij een belanghebbende ten aanzien van wie een schuldsaneringsrege- ling van toepassing is. De belanghebbende die in budgetbeheer zit en/of bij wie in het kader van de schuldsanering een minnelijke regeling is afgesproken, wordt geacht geen draagkracht te hebben, tenzij dit naar het oordeel van het dagelijks bestuur onevenredig is bij de toepassing van deze beleidsregels. 2.4.3Draagkracht op grond van het vermogen Het dagelijks bestuur heeft in het kader van de bijzondere bijstand volledige vrijheid in de vaststelling van de draagkracht op grond van het vermogen van de belanghebbende. Deze volledige vrijheid wordt gegeven in artikel 35, eerste lid, WWB. Dit artikel stelt namelijk, dat bij de vaststelling van de draagkracht in het vermogen artikel 34, tweede lid, WWB niet van toepassing is. Bij het vaststellen van de draagkracht op grond van het vermogen voor bijzondere kosten wordt aan- gesloten bij de vermogensvaststelling, zoals bepaalt in artikel 34 WWB. Het vermogen wordt vastge- steld door de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken te verminderen met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het econo- mische verkeer bij vrije oplevering. Opgemerkt wordt, dat de draagkrachtberekening op grond van het vermogen geldt voor de individuele bijzondere bijstand en voor de (categoriale) minimaregelingen. Een uitzondering bestaat voor aanvra- gen Declaratiefonds ouderen, voor een vergoeding in de kosten van een gehandicaptenparkeerkaart en, ingeval de aanvrager behoort tot de doelgroep chronisch zieken, bij het recht op deelname aan de collectieve ziektekostenverzekering. Voor de vaststelling van het vermogen voor de overige (categoriale) minimaregelingen dient bij de navolgende draagkrachtregels te worden aangesloten. Bedraagt het vermogen meer dan het vrij te laten vermogensbedrag, dan bestaat er geen recht op een vergoeding op grond van de bijzondere bijstand c.q. (categoriale) minimaregeling. Bezittingen Bezittingen kunnen zowel uit geldwaarden bestaan als alle uit op geld waardeerbare goederen. Dit betekent, dat ook bezittingen in natura, die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van de alleenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin, noodzakelijk zijn, worden meegenomen bij het vaststellen van het vermogen. Naast het in ogenschouw nemen van de feitelijk aanwezige bezittingen, dient tevens te worden nagegaan of er sprake is van bezittingen waarover de belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken. Bij het vaststellen van het vermogen wordt geen rekening gehouden met de bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van de al- leenstaande, de alleenstaande ouder met zijn ten laste komende kinderen of het gezin, noodzakelijk zijn. Van enkele vermogensbestanddelen is namelijk het ongewenst of onbillijk om deze als vermogen in aanmerking te nemen. Dit geldt allereerst voor bezittingen in natura die, wat hun aard en waarde betreft, algemeen gebruikelijk zijn. Zo wordt een gebruikelijke woninginrichting niet als vermogen aangemerkt. Beseft moet worden, dat wanneer een gebruikelijke woninginrichting wel als vermogen aangemerkt wordt, bij elke aanvraag om bijzondere bijstand de aanwezige woninginrichting getaxeerd op waarde dient te worden. Deze expertise is echter niet in huis; het inhuren van deze expertise zal ten koste gaan van het budget bijzondere bijstand. Ook bezittingen in natura die voor de belanghebbende, gelet op diens persoonlijke omstandigheden, noodzakelijk zijn, worden nu buiten beschouwing gelaten bij de beoordeling van diens vermogenspositie. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan - vaak kostbare - voorzieningen in verband met invaliditeit. Nadrukkelijk wordt opgemerkt, dat de waarde van een in bezit van de aanvrager zijnde auto/ motor wel meegenomen wordt bij het vaststellen van het vermogen. De waarde van de auto wordt vastgesteld aan de hand van de ANWB-koerslijsten. Uitzondering hierop vormt het in bezit hebben van een auto/ motor wegens noodzakelijkheid, als invaliditeit of werk. In een dergelijk geval dient echter wel de noodzaak van het hebben van een auto/ motor aangetoond te worden. Tevens wordt de waarde van een auto/ motor niet als vermogen aangemerkt, wanneer de auto/ motor ouder is dan 10 jaar. Schulden Met schulden wordt rekening gehouden, ongeacht of die bij aanvang van de bijstand aanwezig zijn, dan wel tijdens de bijstandverlening zijn ontstaan. Bij de beoordeling van de op de bezittingen in mindering te brengen schulden is niet van belang op welke termijn de belanghebbende verplicht is tot terugbetaling. Wel dient, wil van een feitelijk aanwezige schuld sprake zijn, een daadwerkelijke ver- plichting tot terugbetaling te bestaan. De belanghebbende dient dit aan te tonen. Het kan voorkomen dat op het moment van de bijstandsaanvraag een betalingsverplichting nog niet onomstotelijk vaststaat, bijvoorbeeld omdat betrokkene deze in rechte betwist. Dan kan slechts met de betreffende schuld rekening worden gehouden wanneer is komen vast te staan dat betrokkene ook daadwerkelijk tot die terugbetaling verplicht is. Bescheiden vermogensbedrag Hoofdregel is, dat bij periodiek terugkerende en medische kosten geen rekening wordt gehouden met het aanwezige en vastgestelde vermogen voor zover dit minder is dan de van toepassing zijnde ver- mogensgrens. Wel wordt rekening gehouden met het gehele aanwezige vermogen, indien een aanvraag om bijstand wordt ingediend voor kosten, waar men geacht wordt voor te reserveren (hetzij vooraf, hetzij achteraf middels een lening). Het gaat hierbij bijvoorbeeld om bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen, verhuis- en inrichtingskosten en dergelijke. Hierbij is uitgezonderd een bedrag van € 1.500,-- voor de betaling van lopende verplichtingen (uitgaande van het vermogen dat aanwezig is per de eer- ste van de maand waarin de aanvraag is ingediend). Vermogen boven het bedrag van € 1.500,-- dient te worden aangewend voor de betaling van de duurzame gebruiksgoederen, verhuis- en inrichtings- kosten en dergelijke. Extra vermogensvrijlating voor ouderen Bij het vaststellen van het vermogen kunnen ook voorzieningen meegenomen worden, die bestemd zijn voor toekomstige uitvaartkosten. Voornamelijk bij ouderen boven de 65 jaar, die in de loop der jaren een dergelijke voorziening hebben opgebouwd, kan een aanvraag om bijzondere bijstand wor- den afgewezen wegens overschrijding van de vermogensgrens. Bij éen of meerdere ouderen boven de 65 jaar, die bijzondere bijstand aanvragen, wordt rekening ge- houden met een extra vrijlating voor uitvaartkosten van € 5.500,-- per persoon. Hiervoor geldt wel, dat voldoende waarborgen aanwezig moeten zijn, dat dit vermogen ook uitsluitend voor die uitvaart/ crematie wordt aangewend. De vrijlating dient op de waarde van een eventuele uitvaartverzekering in mindering te worden gebracht. De meerwaarde wordt wel meegenomen bij het vaststellen van het vermogen. Vermogensvrijlating bij tekortschietend besef van verantwoordelijkheid Het in artikel 18 van de WWB opgenomen afstemmings- of individualiseringsbeginsel houdt onder andere in het aanspreken op de persoonlijke verantwoordelijkheid. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid is niet nader gedefinieerd. Duidelijk is dat het steeds gaat om situaties waarin iemand (eerder) een beroep moet doen op bijstand door een onverantwoord geachte keuze die hij gemaakt heeft. Voorbeelden hiervan zijn: het niet afsluiten van normaal geachte verzekeringen, het aanschaffen van niet noodzakelijke goederen en/of het aangaan van schulden daarvoor, het niet aanspreken van voorliggende voorzieningen, het achterwege laten van betaling van noodzakelijke kosten uit het norminkomen (huur, gas, water). Wanneer sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid wordt aansluiting gezocht bij de Afstemmingsverordening. De te verstrekken bijzondere bijstand wordt afgestemd op de gedraging, waarbij de ernst van het feit, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden beoordeeld dient te worden. Vermogensvrijlating bij overbruggingsuitkering Een overbruggingsuitkering is bedoeld voor de betalingen van lopende verplichtingen. Dit betekent dat bij de beoordeling op het recht op een overbruggingsuitkering rekening dient te worden gehouden met al het aanwezige vermogen. Immers een overbruggingsuitkering heeft tot doel de lopende kosten, tot de eerstkomende betaling van de uitkering dan wel regulier inkomen, op te vangen. 2.4.4Draagkracht op grond van de langdurigheidstoeslag Een persoon die noodzakelijke bestaanskosten heeft, die voortkomen uit bijzondere individuele omstandigheden en waarin de algemene bijstand niet voorziet, kan in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. De omstandigheden van het individu bepalen welke kosten in aanmerking komen voor bij- zondere bijstand. Voor kosten van duurzame gebruiksgoederen geldt dat het sociaal minimum toerei- kend wordt geacht om vervangingsuitgaven te doen. Men dient voor deze kosten geld te reserveren of hiervoor achteraf gespreid te betalen. Als dit wegens persoonlijke omstandigheden niet is gebeurd, kan de gemeente bijstand in de vorm van een lening verstrekken. De verstrekking van de langdurigheidstoeslag kan gevolgen hebben voor de verstrekking van de bij- zondere bijstand. Het besteedbaar inkomen is door de toekenning van de langdurigheidstoeslag immers hoger dan dat van personen die niet in aanmerking komen voor een toeslag. De gemeente is vrij in de bepaling of en in hoeverre de verstrekte toeslag de bijzondere bijstand beïnvloedt. Draagkracht In navolging op het reeds bestaande beleid met betrekking tot het vaststellen van de draagkracht op grond van het vermogen en inkomen wordt wel rekening gehouden met een verstrekte langdurigheidstoeslag, indien een aanvraag om bijstand wordt ingediend voor kosten, waar men geacht wordt voor te reserveren (hetzij vooraf, hetzij achteraf middels een lening). De verstrekte langdurigheidstoeslagen over het afgelopen jaar worden volledig in aanmerking geno- men, voordat bijzondere bijstand verstrekt wordt voor: duurzame gebruiksgoederen; verhuis- en inrichtingskosten; overbruggingsuitkering; en dergelijken. 2.4.5.Draagkrachtperiode Uitgangspunt is, dat de draagkracht per jaar wordt vastgesteld. Indien het inkomen en/of vermogen binnen het draagkrachtjaar met meer dan 20% stijgt of daalt, wordt de draagkracht hieraan aangepast. Hierbij geldt dat voor de verstreken maanden de draagkracht ongewijzigd blijft, maar dat voor de nog resterende maanden naar ratio een nieuwe draagkracht wordt vastgesteld. In situaties dat de bijzondere kosten maandelijks terugkeren, kan de financiële draagkracht via spreiding worden toegepast. Bij personen van 65 jaar en ouder en bij alle personen waarvan is vastgesteld, dat er geen sprake is van arbeidsmarktperspectief, kan de draagkracht in principe voor een periode van twee jaar worden vastgesteld. Ontvangt de aanvrager geen uitkering op grond van de WWB en heeft hij of zij in het jaar voorafgaande aan de aanvraag een tegemoetkoming ontvangen op grond van één van de on- derstaande regelingen, dan kan worden volstaan met een verwijzing naar de betreffende rap- portage. Het gaat om de volgende regelingen: langdurigheidstoeslag; de Regeling categoriale bijzondere bijstand chronisch zieken of gehandicapten; de Categoriale regeling bijzondere bijstand voor maatschappelijke participatie; de Regeling categoriale bijzondere bijstand ouderen; de collectieve ziektekostenverzekering. Bij deze groep kan verder de inkomstengegevens van de WMO worden overgenomen. Dit voorkomt een dubbele gegevens uitvraag. Wel moet beoordeeld worden of er een vermogens- toets moet plaatsvinden. 2.4.6.Draagkracht bij zelfstandigen In het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) zijn regels gesteld met betrekking tot het verlenen van, voor zover hier van belang, algemene bijstand aan zelfstandigen. Om in het kader van bijstandsverlening als zelfstandige te kunnen worden beschouwd, moet zijn voldaan aan de crite- ria genoemd in het Bbz 2004. Een persoon, die niet voldoet aan (één van) deze criteria, behoort niet tot de kring van rechthebbende zelfstandigen en is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking. Een belanghebbende die niet als zelfstandige als omschreven in het Bbz 2004 kan worden aange- merkt behoort tot de kring van rechthebbende van de WWB. Staat daarentegen vast dat een belang- hebbende wel aan de in het Bbz 2004 vermelde criteria voldoet, dan brengt dit mee dat hij slechts in de hoedanigheid van zelfstandige en met toepassing van artikel 2 van het Bbz 2004 eventueel aan- spraak kan maken op bijstand. Dit betekent, dat de belanghebbende geen recht heeft op algemene bijstand ingevolge de WWB, maar aan de zelfstandige kan wel bijzondere bijstand worden verleend voor bijzondere kosten die het ge- volg zijn van bijzondere, individuele, omstandigheden en waarvoor de algemene bijstand niet voorziet. Voor de verlening van deze bijzondere bijstand is het geen vereiste dat de zelfstandige algemene bij- stand ontvangt. Opgemerkt wordt het volgende. De uitkering voor levensonderhoud bestaat, gelijk aan de tot 2004 geldende regelgeving, uit de algemene bijstand, bedoeld in hoofdstuk 3 WWB, verhoogd met de in de jaarnorm opgenomen bijzondere bijstand voor de volgende kostensoorten: de verschuldigde woonkosten, voor zover de kosten niet uit de bijstandsnorm kunnen worden betaald en geen huurtoeslag of subsidie op grond van de Wet bevordering ei- genwoningbezit wordt ontvangen; de verschuldigde premie voor een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. Bij de beoordeling van de vraag of de bijzondere bijstand kan worden verleend is het van be- lang dat de verzekeringskosten van de zelfstandige die een verzekering tegen arbeidsonge- schiktheid heeft afgesloten, mede gezien de eventuele acceptatieproblemen na afloop van de bijstandsverlening, doorgaans tot de noodzakelijke bestaanskosten kunnen worden gerekend (toelichting art. 1, onderdeel f, Bbz). Met betrekking tot de woonkostentoeslag is van belang dat de huurtoeslag wordt berekend op basis van het inkomen over het tijdvak van de huurtoeslag, dus niet meer over het voorgaand genoten inkomen. Op basis van een inkomensschatting wordt de toeslag bepaald. Na afloop van het kalenderjaar wordt naar aanleiding van de belastingaanslag de toeslag definitief vast- gesteld. Door deze systematiek hoeft geen bijzondere bijstand meer te worden verleend voor de woonkosten ter overbrugging tot een volgende vaststellingsperiode, zoals bij de huursubsi- die nog het geval kon zijn. Het verlenen van een woonkostentoeslag blijft vanaf 2006 beperkt tot zelfstandigen met een huur boven de huurgrens en met een woning in eigendom. Bij de bepaling van de bijzondere bijstand moet rekening worden gehouden met de draagkracht van de zelfstandige en zijn gezin. Artikel 35 WWB is hierbij van toepassing, dat wil zeggen dat er een ge- meentelijke vrijheid bestaat ten aanzien van de bepaling van de draagkracht in inkomen en vermogen, de toepassing van het drempelbedrag, de vaststelling van de draagkrachtperiode en de vaststelling van het begin van de draagkrachtperiode. Bij zelfstandigen kan het veel uitmaken of rekening wordt gehouden met het inkomen over een reeds afgesloten boekjaar, of met het inkomen over het lopende boekjaar. In het laatste geval is het inkomen echter nog niet bekend op het moment waarop de bijzondere bijstand wordt verstrekt. De bijstandswet voorziet niet in de mogelijkheid om in dat geval de bijzondere bijstand in eerste instantie als renteloze geldlening te verstrekken. Artikel 48 van de WWB geeft immers dwingend aan dat de bijstand wordt verleend om niet, tenzij in de WWB anders is bepaald en in de WWB is niet bepaald dat de bijstand in de vorm van een geldlening wordt verleend bij sterk wisselende inkomsten. Artikel 48, tweede lid, WWB kan uitkomst bieden, indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het gezinsinkomen in het betreffende boekjaar sterk zal stijgen. Gelet op het vorenstaande wordt dan ook de bijzondere bijstand in principe ‘om niet’ verleend, waarbij de eventuele draagkracht op basis van het maandelijks berekende inkomen / omzet in mindering wordt gebracht op de uit te betalen bijzondere bijstand. Wanneer naar verwachting het gezinsinkomen in een boekjaar c.q kalenderjaar sterk zal strijgen, wordt de bijzondere bijstand verleend in de vorm van een lening, conform artikel 48, tweede lid, WWB. Na afloop van het betreffende boekjaar wordt het definitieve inkomen van het gezin bepaald, aan de hand waarvan bepaald wordt of de bijzondere bijstand alsnog om niet verstrekt kan worden. 2.4.7.Heronderzoeken Periodiek kan een heronderzoek gepland worden. Het doel van het heronderzoek kan zijn het onderzoeken of de bijzondere bijstand terecht is uitgekeerd c.q. de bijzondere bijstand is uitgegeven aan hetgeen waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd. Ook kan beoordeeld worden of recht bestaat op voorzetting van (periodieke) bijzondere bijstand en of recht bestaat op andere minimaregelingen. In de regel zal de heronderzoeksfrequentie gekoppeld worden aan de draagkrachtperiode en bedraagt standaard dus eens per 12 maanden bij cliënten jonger dan 65 jaar en eens per 24 maanden bij cliënten ouder dan 65 jaar, en bij de doelgroep waarbij is vastgesteld dat er geen sprake is van arbeidsmarktperspectief. Wanneer de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt verleend hiertoe aanleiding geven kan voor een afwijkende heronderzoekstermijn worden gekozen. Heronderzoeken zullen zoveel mogelijk administratief worden afgehandeld. De huidige heronderzoek- formulieren zullen hiertoe worden vereenvoudigd en waar mogelijk van tevoren digitaal worden voor- ingevuld. Bovenstaande heeft tot gevolg dat cliënten niet meer standaard voor een heronderzoek wor- den benaderd. Indien het heronderzoek op basis van beschikbare gegevens (bijvoorbeeld via suwinet, wmo-loket etc.) kan worden afgehandeld heeft dit de voorkeur boven het daadwerkelijk oproepen van cliënt. 2.4.8.Afloscapaciteit bij leningen Voor het bepalen van de ruimte aflossing van een eventuele lening die door de gemeente wordt ver- strekt, worden de aflossingsbedragen aangehouden die bij aanvang van de lening van kracht zijn. Uitgangspunt is dat een lening binnen 36 termijnen dient te worden afgelost. Is daar geen sprake van, dan wordt, als het een niet verwijtbare lening betreft, na 36 aflossingstermijnen beoordeeld of het res- tantbedrag van de lening kan worden omgezet in bijstand om niet. Houdt men zich niet aan de opgelegde aflossingsverplichting, dan wordt een terugvorderingsbesluit genomen en het terugvorderingsbedrag vastgesteld volgens de beleidsregels terugvordering. Bij een inkomen tot 110% van de bijstandsnorm: Alleenstaande Vast aflosbedrag Alleenstaande, indienhij 18, 19 of 20 jaar is € 12,-- Alleenstaande, indienhij 21 jaarof ouder is € 47,-- Alleenstaande ouder Vast aflosbedrag Alleenstaande ouder,indien hij 18,19 of 20 jaar is € 25,-- Alleenstaande ouder,indien hij 21 jaar of ouder is € 60,-- Gezin Vast aflosbedrag Gezin, allenjonger dan 65 jaar € 67,-- Gezin, met twee meerderjarige personen van 18, 19 of 20 jaar zonder ten laste komendekinderen met ten laste komende kinderen € 23,-- € 37,-- Een gezin datuit twee meerderjarige personen bestaat, waarvan een per- soon 18, 19 of 20 jaar is en waarvan de andere persoon 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar is zonder ten laste komendekinderen met ten lastekomende kinderen € 45,-- € 60,-- Een gezindat uit driemeerjarige personen bestaat, waarvan twee perso- nen 18, 19 of 20 jaar zijn en waarvan een persoon 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar is zonder ten laste komende kinderen € 57,-- Belanghebbende van 65 jaar of ouder Vast aflosbedrag Alleenstaande € 52,-- Alleenstaande ouder € 65,-- Gezin, waarvaneen of meer65 jaar of ouder € 71,-- Verblijf in inrichting Vast aflosbedrag Alleenstaande of alleenstaande ouder € 18,-- Alle meerderjarige gezinsleden € 28,-- Bij een inkomen boven de 110% van de bijstandsnorm: het bedrag dat hierboven wordt genoemd plus 35% van het meerinkomen boven de van toe- passing zijnde norm (110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm). Heeft men een ander inkomen dan een WWB of IOAW uitkering, dan wordt periodiek nagegaan of het aflossingsbedrag hoger/lager moet worden vastgesteld. 2.4.9.Bestedingsverplichting Aan rechten zijn meestal ook verplichtingen verbonden; zo ook aan het recht op bijzondere bijstand. Naast de verplichtingen die ingevolge hoofdstuk II WWB in elk geval aan de bijstand verbonden zijn, dan wel daaraan door het dagelijks bestuur verbonden worden, kan het dagelijks bestuur vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, WWB verplichtingen opleggen die verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand. Het belangrijkste voorbeeld van deze individuele verplichting is de bestedingsverplichting. Dit houdt in dat de bijstand moet worden aangewend voor het doel waarvoor zij wordt verstrekt. De bestedingsverplichting is vooral van belang bij bijzondere bijstand, die verstrekt wordt voor specifieke kosten, en als de bijstand niet rechtstreeks aan een leverancier of instelling wordt uitbetaald of in natura wordt verstrekt. Beschikking De individuele verplichting om de bijzondere bijstand te besteden voor de kosten waarvoor de bijstand is verleend, moet opgenomen worden in de (toekennings)beschikking. Ook dient de belanghebbende gewezen te worden op de inlichtingenplicht, zoals vermeld in artikel 17, eerste lid, WWB. 3.Categoriale regelingen Vertrekpunt voor een beroep op uitkering vanuit de bijzondere bijstand is dat het maatwerk moet zijn. Het afwijkende karakter van categoriale bijstand is gelegen in het feit dat voor belanghebbenden die behoren tot de aangewezen categorie niet nagegaan behoeft te worden of ten aanzien van desbetreffende persoon de bedoelde kosten ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of daadwerkelijk gemaakt zijn. Door te behoren tot een aangewezen categorie is het al aannemelijk dat die persoon zich in dermate specifieke omstandigheden bevindt die leiden tot bepaalde, noodzakelijke, kosten van bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan. Wel is vereist dat de aannemelijke kosten concreet zijn. Bij de toepassing van categoriale bijzondere bijstand geldt onder meer als randvoorwaarde dat de tegemoetkoming betrekking dient te hebben op het bestrijden van kosten. Ongerichte inkomenssuppleties zijn niet toegestaan. Op grond van artikel 35 WWB kan categoriale bijzondere bijstand: aan een persoon van 65 jaar of ouder, behorend tot een bepaalde categorie, worden verleend, zonder dat wordt nagegaan of ten aanzien van die persoon de hierna bedoelde kosten ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn, indien ten aanzien van de categorie waartoe hij behoort aannemelijk is dat die zich in bijzondere omstandigheden bevindt die leiden tot bepaalde noodzakelijke kosten van bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan; aan een persoon, behorend tot een categorie chronisch zieken of gehandicapten, of met een hem ten laste komend kind dat tot die categorie behoort, worden verleend met betrekking tot kosten in verband met chronische ziekte of handicap, zonder dat wordt nagegaan of ten behoeve van die persoon of dat kind die kosten ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn, indien ten aanzien van de categorie waartoe hij of dat kind behoort aannemelijk is dat die zich in bijzondere omstandigheden bevindt die leiden tot dergelijke noodzakelijke kosten van bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan; aan een persoon, met een hem ten laste komend kind dat onderwijs of een beroepsopleiding volgt, worden verleend met betrekking tot kosten in verband met maatschappelijke participatie van dat kind, zonder dat wordt nagegaan of ten behoeve van dat kind die kosten ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn, indien ten aanzien van de categorie waartoe hij behoort aannemelijk is dat die zich in bijzondere omstandigheden bevindt die leiden tot dergelijke noodzakelijke kosten van bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan; aan een persoon worden verleend in de vorm van een collectieve aanvullende ziektekostenverzekering zonder dat wordt nagegaan of ten aanzien van die persoon de kosten van die verzekering ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn. 3.1.Regeling categoriale bijzondere bijstand ouderen Op grond van artikel 35, derde lid, WWB kan categoriale bijzondere bijstand worden verleend aan groepen personen van 65 jaar en ouder die door het dagelijks bestuur zijn aangewezen en waarvan aannemelijk is dat zij zich in bijzondere omstandigheden bevinden die leiden tot bepaalde noodzakelij- ke kosten van het bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet. Hiertoe is (in het verleden) het Declaratiefonds ouderen ingesteld, dat als doel heeft om ouderen deel te laten nemen aan sociale activiteiten. In het kader van dit Declaratiefonds konden ouderen de kosten die in relatie staan tot maatschappelijke participatie, op declaratiebasis, vergoedt krijgen van het dage- lijks bestuur. Aangezien aan de categoriale bijzondere bijstand geen bestedingsverplichting is verbonden én door te behoren tot een hieronder beschreven en aangewezen categorie is het reeds aannemelijk dat die per- soon zich in bijzondere omstandigheden bevindt die leiden tot bepaalde noodzakelijke kosten van bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan, wordt de categoriale bijzondere bijstand per 1 januari 2012 niet meer op declaratiebasis uitgevoerd. Dit leidt tot een vermindering van administratieve lasten voor zowel de inwoner van Aalsmeer en Uit- hoorn als voor het samenwerkingsverband. Doelgroep Ouderdom brengt naast specifiek te benoemen kosten in verband met ouderdom ook verborgen kos- ten met zich mee, omdat ouderdom de algemene kosten van bestaan ongemerkt verhoogt, doordat vaker een beroep gedaan moet worden op de mantelzorg (die toch tenminste een kopje koffie moet krijgen en af en toe een bloemetje) en het niet altijd meer mogelijk is zuinig te leven (geen mogelijkhe- den meer om op koopjesjacht te gaan, de verwarming vaker aan op een graadje meer). Voor deze “Regeling categoriale bijzondere bijstand ouderen” komen, gelet op het vorenstaande, in aanmerking de inwoners van de gemeente Aalsmeer en Uithoorn, die ouder zijn dan 65 jaar en een inkomen hebben tot maximaal 110% van de geldende bijstandsnorm. Er wordt geen rekening gehouden met het vermogen. Personen met een inkomen, dat meer bedraagt dan 110% van de geldende bijstandsnorm komen niet in aanmerking voor deze regeling. Zij zijn wettelijk hiervan uitgesloten (artikel 35, negende lid, WWB). Zij kunnen echter wel, naar het oordeel van het dagelijks bestuur, voor individuele bijzondere bijstand op declaratiebasis in aanmerking (blijven) komen voor deze Regeling. Voor de goede orde wordt ook het volgende opgemerkt. Artikel 1 van de Grondwet en artikel 26 IVBPR2Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) (gelijke behandeling) brengen echter (toch) met zich dat een aanvraag om categoriale bij- zondere bijstand van een persoon die weliswaar niet tot de doelgroepen behoort, maar die in gelij- ke omstandigheden verkeert, moet worden gehonoreerd (vgl. CRvB 14-12-2004, nrs. 02/2342 NABW e.a. en CRvB 04-07-2003, nr. 02/4882 NABW). Het maakt daarbij niet uit dat de aanvrager jonger is dan 65 jaar: het in artikel 35, derde lid, WWB opgenomen leeftijdscriterium dient ten aan- zien van zo'n aanvrager buiten toepassing te worden gelaten wegens strijd met artikel 26 IVBPR. Hoogte categoriale bijzondere bijstand De hoogte van de categoriale bijzondere bijstand bedraagt € 121,-- per persoon per kalenderjaar (niveau per 1 januari 2012). Tijdstip van indienen Om voor de categoriale bijzondere bijstand voor ouderen in aanmerking te komen dient de aanvraag in het lopende kalenderjaar ingediend te worden. Na afloop van een kalenderjaar is het niet meer mo- gelijk over voorgaande kalenderjaren een aanvraag in te dienen. Wijze van aanvraag De aanvraag om categoriale bijzondere bijstand voor ouderen wordt ingediend aan de hand van een door het dagelijks bestuur ter beschikking gesteld aanvraagformulier dan wel in voorkomende gevallen ambtshalve toegekend. Overige voorwaarden Voor het overige is deze categoriale bijstand 'gewone' bijzondere bijstand. Om categoriale bijstand te kunnen toekennen mag belanghebbende dus niet uitgesloten zijn voor (bijzondere) bijstand. 3.2.Regeling categoriale bijzondere bijstand chronisch zieken of gehandicapten Er kan categoriale bijzondere bijstand worden verleend aan een persoon, behorend tot een categorie chronisch zieken of gehandicapten met betrekking tot kosten in verband met de chronische ziekte of handicap. De wettelijke grondslag voor het instellen van de “Regeling categoriale bijzondere bijstand voor chronisch zieken of gehandicapten is artikel 35, vierde lid, WWB. Hieronder vallen ook personen met een hen ten laste komend kind dat chronisch ziek of gehandicapt is. Daar waar deze kinderen chronisch ziek of gehandicapt zijn, kan categoriale bijzondere bijstand worden verstrekt aan de ouder. Het is immers de ouder die zich als gevolg van de zorg voor het kind in de bijzondere omstandigheden bevindt die leiden tot noodzakelij-ke kosten van het bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan. Het dagelijks bestuur hoeft niet na te gaan of ten aanzien van die persoon kosten in verband met chronische ziekte of handicap ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn. Doelgroep Ziekte en handicap brengen naast de specifiek te benoemen kosten in verband met ziekte of handicap ook verborgen kosten met zich mee, omdat ziekte en handicap de algemene kosten van bestaan on- gemerkt verhoogt, doordat vaker een beroep gedaan moet worden op de mantelzorg (die toch tenmin- ste een kopje koffie moet krijgen en af en toe een bloemetje) en het niet altijd meer mogelijk is zuinig te leven (geen mogelijkheden meer om op koopjesjacht te gaan, de verwarming vaker aan op een graadje meer). Voor deze hogere algemene kosten van het bestaan wordt bijstand verstrekt. Voor deze “Regeling categoriale bijzondere bijstand chronisch zieken en gehandicapten” komen, gelet op het vorenstaande, in aanmerking de inwoners van de gemeente Aalsmeer en Uithoorn, die: een inkomen heeft tot maximaal 110% van de geldende bijstandsnorm en geen vermogen heeft conform de WWB vermogensgrenzen én een uitkering ontvang op basis van de WAO / WIA, WAZ of Wajong voor 80- 100%, óf ontheffing heeft van de arbeidsplicht op grond van de WWB, IOAW3Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of IOAZ4Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen op medische gronden voor minimaal een jaar; óf op grond van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (Wmo) een een financiële tegemoet- koming in de vervoerskosten ontvangt; óf in het bezit is van een gehandicaptenparkeerkaart op grond van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW); óf een tegemoetkoming onderhoudskosten thuiswonende gehandicapte kinderen (TOG 2000) in de twaalf maanden voorafgaand aan de aanvraag heeft ontvangen; óf een buitengewone belastingaftrek over het jaar voorafgaand aan de aanvraag heeft ontvan- gen; óf minimaal zes maanden is aangewezen op de thuiszorg; óf een persoonsgebonden budget over het jaar voorafgaand aan de aanvraag heeft ontvangen. Personen met een inkomen, dat meer bedraagt dan 110% van de geldende bijstandsnorm komen niet in aanmerking voor deze regeling. Zij zijn wettelijk hiervan uitgesloten (artikel 35, negende lid, WWB). Zij kunnen echter wel, naar het oordeel van het dagelijks bestuur, voor individuele bijzondere bijstand in aanmerking (blijven) komen. Hoogte categoriale bijzondere bijstand De hoogte van de categoriale bijzondere bijstand voor chronisch zieken en gehandicapten bedraagt € 164,-- per huishouden per kalenderjaar (niveau per 1 januari 2012). Tijdstip van indienen Om voor de categoriale bijzondere bijstand voor chronisch zieken en gehandicapten in aanmerking te komen dient de aanvraag in het lopende kalenderjaar ingediend te worden. Na afloop van een kalen- derjaar is het niet meer mogelijk over voorgaande kalenderjaren een aanvraag in te dienen. Wijze van aanvraag De aanvraag om categoriale bijzondere bijstand voor chronisch zieken en gehandicapten wordt inge- diend aan de hand van een door het dagelijks bestuur ter beschikking gesteld aanvraagformulier dan wel in voorkomende gevallen ambtshalve toegekend. Overige voorwaarden Voor het overige is deze categoriale bijstand 'gewone' bijzondere bijstand. Om categoriale bijstand te kunnen toekennen mag belanghebbende dus niet uitgesloten zijn voor (bijzondere) bijstand. Uitgesloten van de doelgroep Personen, die verblijven in een inrichting, (zoals een verpleegtehuis of een kamer in een verzorgingshuis), komen niet in aanmerking voor deze categoriale bijzondere bijstand. 3.3.Regeling categoriale bijzondere bijstand voor maatschappelijke participatie Artikel 35, vijfde lid, WWB biedt de mogelijkheid om categoriale bijstand te verlenen aan huishoudens met kinderen voor kosten in verband met maatschappelijke participatie en ontwikkeling (zoals onder- wijsgerelateerde kosten). De gemeenteraad moet hierover regels vastleggen in een verordening (artikel 8, eerste lid, onder g, WWB). Deze regels moeten in ieder geval betrekking hebben op de wijze waarop invulling wordt ge- geven aan het begrip ‘maatschappelijke participatie’. Het verlenen van categoriale bijzondere bijstand is een discretionaire bevoegdheid van het college. Dat de gemeenteraad hierover regels moet vastleggen in een verordening doet hieraan niet af. Vanwege de verordeningsplicht is het niet mogelijk om in beleid vast te leggen dat nooit categoriale bijzondere bijstand kan worden verstrekt voor kosten in verband met maatschappelijke participatie en ontwikkeling. De gemeenteraden van Aalsmeer en Uithoorn hebben ieder afzonderlijk op 26 januari 2012 de Verordening maatschappelijke participatie WWB 21012 Aalsmeer respectievelijke de Verordening maatschappelijke participatie WWB 2012 Uithoorn vastgesteld. In artikel 2 van deze Verordeningen is aangegeven, dat uitsluitend kosten in verband met maatschap- pelijke participatie van een ten laste komend kind dat onderwijs of een beroepsopleiding volgt, in aanmerking komen voor bijstandsverlening op grond van deze verordening. Met maatschappelijke partici- patie wordt bedoeld dat het oogmerk van bijstandsverlening dient te zijn het voorkomen of doorbreken van een sociaal isolement. Voorwaarden Uitsluitend een belanghebbende zoals bedoeld in artikel 35, derde lid, WWB, met een in aanmer- king te nemen inkomen van ten hoogste een inkomen zoals bedoeld in artikel 35, negende lid, WWB, komt in aanmerking voor categoriale bijzondere bijstand (artikel 3, eerste lid, van de Veror- dening). Dit betekent, dat voor deze Regeling in aanmerking komt de persoon met een hem ten laste ko- mend kind dat onderwijs of een beroepsopleiding volgt en een inkomen heeft tot maximaal 110% van de geldende bijstandsnorm. Uitsluitend kosten voor sociaal-culturele, educatieve respectievelijk sportieve activiteiten in ver- band met ‘maatschappelijke participatie’ komen in aanmerking voor categoriale bijzondere bijstand (artikel 3, tweede lid, van de Verordening). Hierbij kan worden gedacht aan de kosten van: de contributie van een sport-, en/of zangvereniging; een bibliotheek-, internet-, kranten-, telefoon-, en/ of zwemabonnement; muziekonderwijs; schoolactiviteiten zoals schoolreisjes en excursies; sportattributen en/ of – kleding; vakantiekamp. Geen rekening wordt gehouden met vermogen. Hoogte categoriale bijzondere bijstand De hoogte van het bedrag voor jongeren in het basisonderwijs is vastgesteld op € 282,-- per kalender- jaar per persoon. De hoogte van het bedrag voor jongeren in het voortgezet onderwijs is vastgesteld op € 333,-- per kalenderjaar per persoon (artikel 4, eerste lid, van de Verordening; prijspeil per 1 januari 2012)). Ten opzichte van 2011 zijn de bedragen verhoogd omdat de kosten van zwemlessen (voor kinderen op het basisonderwijs) en de ouderbijdrage van school vanaf 1 januari 2012 in deze Regeling zijn op- genomen. De vergoeding voor een kind op het basisonderwijs wordt van € 117,50 verhoogd naar € 282,-- euro per jaar en voor een kind op het voortgezet onderwijs van € 226,-- naar € 333,-- per jaar. Tijdstip van indienen Om voor de categoriale bijzondere bijstand voor maatschappelijke participatie in aanmerking te komen dient de aanvraag in het lopende kalenderjaar ingediend te worden. Na afloop van een kalenderjaar is het niet meer mogelijk over voorgaande kalenderjaren een aanvraag in te dienen. Wijze van aanvraag De aanvraag om categoriale bijzondere bijstand voor maatschappelijke participatie wordt ingediend aan de hand van een door het dagelijks bestuur ter beschikking gesteld aanvraagformulier dan wel in voorkomende gevallen ambtshalve toegekend. Overige voorwaarden Voor het overige is deze categoriale bijstand 'gewone' bijzondere bijstand. Om categoriale bijstand te kunnen toekennen mag belanghebbende dus niet uitgesloten zijn voor (bijzondere) bijstand. Categori- ale bijstand kan ook niet worden verstrekt indien er een beroep op een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 WWB gedaan kan worden (zie Vzr. CRvB 09-03-2004, nrs. 04/481 NABW e.a.). 3.4.Collectieve aanvullende ziektekostenverzekering De mogelijkheid om categoriale bijstand te verlenen in de vorm van een aanvullende ziektekostenver- zekering is vastgelegd in artikel 35, zesde lid, WWB. Het samenwerkingsverband Aalsmeer-Uithoorn is hiertoe een Collectieve ziektekostenverzekering (de AV-gemeente-standaard) aangegaan met Zorg en Zekerheid. De AV-gemeente-standaard wordt als adequate voorziening aangemerkt. De AV-gemeente-standaard bestaat uit een basisverzekering op grond van de Zorgverzekeringswet (hiervoor betaalt men een nominale premie) en een aanvullende verzekering de AV-gemeente- standaard (bestaande uit de AV standaard met de uitbreidingen). Doelgroep voor deze collectieve ziektekostenverzekering bestaat uit: inwoners van de gemeenten Aalsmeer of Uithoorn met een inkomen lager dan de voor hen geldende norm (110-125% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm) en geen vermogen hebben boven het voor de aanvrager geldende vrij te laten vermogensbedrag conform de bepalingen in de WWB; inwoners van de gemeenten Aalsmeer of Uithoorn met een inkomen lager dan de voor hen vastgestelde norm (110-125% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm) en behoren tot de doelgroep chronisch zieken en gehandicapten en ouderen. Voor deze groep geldt geen vermogensgrens; De kosten AV Gemeente Standaard Het samenwerkingsverband betaalt per deelnemer een bedrag, dat maandelijks rechtstreeks door de zorgverzekeraar in rekening wordt gebracht; kinderen tot 18 jaar zijn gratis meeverzekerd. Deelnemers aan de collectieve aanvullende ziektekostenverzekering betalen zelf de premie voor de basisver- zekering en aanvullende verzekering aan Zorg en Zekerheid. De collectiviteitskorting wordt hierop door Zorg en Zekerheid in mindering gebracht. De premie bedraagt € 114,71 per maand (bedrag per 1 januari 2012) en is als volgt opgebouwd: € 98,69 basispakket (Zorg Zeker Polis) minus 10% korting via de gemeente € 16,02 aanvullende verzekering minus 10 % korting via de gemeente € 114,71 Looptijd van de verzekering Voor alle ziektekostenverzekeringen geldt, dat een verzekering per kalenderjaar loopt en er (over het algemeen) een opzegtermijn van twee maanden geldt. Een verzekering bij een andere ziektekostenverzekering kan dus alleen vóór 1 november worden op- gezegd (of na wijziging in premie en/of voorwaarden). Gelet op het bovenstaande geldt het recht op deelname aan de collectieve verzekering eveneens per kalenderjaar. Hierop geldt een uitzondering: deelnemers die al een verzekering bij Zorg en Zekerheid hebben lopen, kunnen tussentijds wél aangemeld worden voor de collectieve verzekering. Personen die niet meer aan de voorwaarden voldoen of die niet op het verzoek op hertoetsing reage- ren, worden per 1 januari van het komende jaar uitgeschreven uit de collectieve verzekering. De ge- meente geeft de gegevens van de verzekerden die niet meer kunnen deelnemen aan de collectieve verzekering in de laatste week van oktober door aan Zorg en Zekerheid. Zorg en Zekerheid schrijft de verzekerde (vanaf 1 januari van het komende jaar) over naar dezelfde aanvullende verzekering die als basis dient voor zijn collectieve verzekering. Bij verhuizing beëindigt Zorg en Zekerheid de deelname per DIRECT, wanneer de deelnemer gaat verhuizen naar een adres buiten de gemeente Aalsmeer of Uithoorn. 4.Zorgverzekeringswet (ZVW) Per 1 januari 2006 heeft de wetgever met de Zorgverzekeringswet (Zvw) een einde gemaakt aan de verschillende verzekeringsvormen voor ziektekosten. Voorheen bestond er onderscheid in personen die waren verzekerd op basis van de Ziekenfondswet en personen die particulier waren verzekerd. Thans is er één verzekering voor alle ingezeten van Nederland. Eigen risico Met ingang van 1 januari 2008 kent de Zvw een verplicht eigen risico voor iedere verzekerde van 18 jaar of ouder. Per 1 januari 2012 bedraagt dit € 220,-- per kalenderjaar. Het verplicht eigen risico geldt bijvoorbeeld niet voor huisartsenzorg, verloskundige zorg en kraamzorg. Als men medische kosten maakt, dan tellen de kosten eerst mee voor het verplicht eigen risico en pas daarna voor een eventueel vrijwillig gekozen hoger eigen risico. Alleen kosten die niet meetellen voor het verplicht eigen risico, zoals het consult bij de huisarts, tellen direct mee voor een eventueel vrijwil- lig (hoger) eigen risico. Bij een zorgvorm uit de basisverzekering met een eigen bijdrage moet eerst de eigen bijdrage worden voldaan. Enkel de resterende kosten van die zorg tellen vervolgens mee voor het verplicht eigen risico. De zorgverzekeraar brengt de kosten van het verplicht eigen risico in reke- ning bij de verzekerde. Elke zorgverzekeraar is ook verplicht om een variant van de zorgverzekering aan te bieden waarbij er voor de verzekerde geen vrijwillig eigen risico bestaat. De keuzemogelijkheid voor een vrijwillig eigen risico, die al bestond voordat het verplicht eigen risico werd ingevoerd, bestaat dus nog steeds. Een verzekerde kan daarom vrijwillig kiezen voor een hoger eigen risico dan het per 1 januari 2008 inge- voerde verplicht eigen. Tegenover het vrijwillig gekozen deel van het eigen risico staat een premie- voordeel. Bijzondere bijstand voor eigen risico In de Verzamelbrief december 2007 van 20 december 2007 is Staatssecretaris Aboutaleb van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) van oordeel dat, aangezien het verplicht eigen risico een algemene maatregel betreft die voor alle Nederlanders geldt. Er is daarom geen sprake is van de vereiste bij- zondere omstandigheden, zodat in beginsel geen ruimte is voor bijzondere bijstandsverlening voor het verplicht eigen risico. Hooguit in bepaalde zeer dringende omstandigheden zou de gemeente toch tot bijstandsverlening kunnen besluiten. Voor zover een belanghebbende geconfronteerd wordt met een door de zorgverzekeraar in rekening gebracht - het verplicht eigen risico te boven gaand - vrijwillig eigen risico, is dit het gevolg van een vrijwillige keuze die niet kan worden afgewenteld op de WWB, in die zin dat de kosten van dit hogere eigen risico als noodzakelijk zouden moeten worden gezien. Met andere woorden: met de lusten van de premiekorting, kiest men ook voor de lasten. Voor een vrijwillig gekozen hoger eigen risico bestaat daarom geen recht op bijzondere bijstand. Aanvullende verzekering Naast de zorgverzekering die lang niet alle medische kosten vergoedt, bieden zorgverzekeraars aanvullende verzekeringen aan die deze kosten wel dekken. Alternatieve geneeswijzen en tandartskosten (vooral voor volwassenen) vallen bijvoorbeeld niet of nauwelijks onder de verplichte zorgverzekering. Door een aanvullende verzekering af te sluiten kunnen deze kosten wel voor vergoeding in aanmerking komen. Hoewel het niet verplicht is om een aanvullende verzekering af te sluiten, wordt het over het algemeen wel aangeraden. Deelname aan een aanvullende verzekering is vrijwillig. Collectieve ziektekostenverzekering De Zorgverzekeringswet maakt het mogelijk dat collectieve verzekeringen worden afgesloten. Op deze manier kan de gemeente zowel collectieve zorgverzekeringen als collectieve aanvullende verzekerin- gen afsluiten. De collectieve aanvullende ziektekostenverzekering kan ook als categoriale bijzondere bij- stand worden verleend. De mogelijkheid om categoriale bijstand te verlenen in de vorm van een aanvullende ziektekostenverzekering is vastgelegd in artikel 35, zesde lid, WWB. Een collectief contract is een verzekeringsovereenkomst die geldt voor een specifieke groep (bv. werknemers van een bedrijf of een lid van de organisatie). Vanwege de kostenvoordelen van een groepsverzekering kunnen deelnemers korting op de premie krijgen. Deze korting mag maximaal 10% van de premie bedragen. Het Samenwerkingsverband Aalsmeer-Uithoorn heeft in 2006 een collectieve ziektekostenverzekering afgesloten bij Zorg en Zekerheid in Leiden. Gekozen is voor de AV Gemeente Standaard. De achter- liggende gedachte voor het invoeren van een collectieve verzekering en de keuze voor de AV- gemeente standaard was dat de minima zich beter en goedkoper kunnen verzekeren tegen ziektekos- ten, terwijl het aantal aanvragen om bijzondere bijstand voor medische voorzieningen zou afnemen. De AV-Gemeente standaard biedt een aantal extra’s ten opzichte van de AV-standaard. Deze extra’s gelden onder meer voor brillen/lenzen, tandheelkundige zorg, thuiszorg en psychotherapie. Onverzekerd Door de beëindiging van de verzekering raakt de verzekerde onverzekerd: hij is dan eerst weer verze- kerd zodra hij zich heeft gemeld bij een (andere) zorgverzekeraar. In de tussenliggende periode draagt hij dus zelf het risico voor zijn ziektekosten (uiteindelijk komen ze voor rekening van het desbetreffen- de ziekenhuis, de desbetreffende inrichting of de desbetreffende arts). Ook indien belanghebbende nimmer Zvw-verzekerd is geweest, draagt hij zelf het risico voor zijn ziektekosten. Het behoort uit oog- punt van toepassing van de WWB in beginsel tot ieders eigen verantwoordelijkheid om zich deugdelijk te verzekeren tegen ziektekosten. Dit geldt zowel voor Nederlanders als in Nederland verblijvende vreemdelingen. Wanneer een daadwerkelijk beroep op de Zvw als voorliggende voorziening niet mogelijk is, kan een verzoek om bijzondere bijstand voor ziektekosten niet worden afgewezen op grond van artikel 15, eer- ste lid, WWB. De vraag of voor deze kosten, die uit de zorgverzekering zouden zijn bekostigd als die er zou zijn, bijzondere bijstand verstrekt moet worden, dient daarom getoetst te worden aan artikel 35, eerste lid, WWB. In de Afstemmingsverordening is in de mogelijkheid van verlaging van bijzondere bijstand voorzien. Het is daarom mogelijk de te verstrekken bijstand met toepassing van artikel 18, tweede lid, WWB en de bepalingen van de Afstemmingsverordening te verlagen wegens tekortschietend besef van verant- woordelijkheid. In plaats van afstemming zou het college er ook voor kunnen kiezen om op grond van artikel 48 lid 2 onder b WWB de bijstand in de vorm van een geldlening te verlenen. Opgemerkt wordt, dat een dergelijjke handelwijze aansluit bij constante jurisprudentie van de CRvB onder de Abw, waarbij wordt uitgegaan van afstemming van het recht op en de hoogte van bijstand op een tekortschietend besef van verantwoordlijkheid voor de voorziening in het bestaan. Indien de verzekeringsplicht te laat wordt nagekomen, wordt een boete opgelegd. Artikel 14 onderdeel b WWB staat aan verlening van bijstand voor de kosten van de boete in de weg. Overige uitgangspunten in relatie tot de bijzondere bijstand De kosten van de Zvw-premie behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kunnen voor het leeuwendeel uit een inkomen op bijstandsniveau worden betaald terwijl voor het restant de zorgtoeslag een passende en toereikende voorliggende voorziening is. De premie voor een aanvullende ziektekostenverzekering komt niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. Het betreft hier immers vrijwillig te maken kosten (zie CRvB 07-01-2003, nrs. 00/6132 NABW e.a.). Opgemerkt wordt, dat het niet hebben van een aanvullende ziektekostenverzekering niet gezien kan worden als een tekortschietend besef voor de verantwoordelijkheden van het be- staan. In het algemeen vergoedt de Zvw en de AWBZ alle noodzakelijke medische of paramedische kos- tensoorten. Beide regelingen gelden samen als een aan de WWB voorliggende voorziening die passend en toereikend is. Bijstandsverlening voor deze kosten is daarom in beginsel uitgesloten (artikel 15 WWB). Opgemerkt wordt, dat in de toelichting bij artikel 15 WWB onder meer is opgemerkt dat de WWB geen functie heeft indien binnen de voorliggende regeling een bewuste beslissing is genomen over de noodzakelijkheid van de voorziening in een algemene of specifieke situatie. Indien op grond van een dergelijk noodzakelijkheidsoordeel de keuze is gemaakt om één of meer kosten- soorten niet in de voorziening op te nemen of de voorziening in een bepaalde situatie niet noodza- kelijk te achten, dient de WWB zich bij die keuze aan te sluiten en komt men ten aanzien van die kosten niet voor bijstandsverlening in aanmerking (zie TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 46; CRvB 03-07-2001, nrs. 00/1989 en 00/1993 NABW). Medische of paramedische kosten die niet op grond van de Zvw of AWBZ worden vergoed komen in beginsel ook niet in aanmerking voor bijzondere bijstand. Volgens de CRvB moet namelijk wor- den aangenomen dat in het kader van de Zvw en de AWBZ een bewuste beslissing is genomen over de omvang van de genees- en heelkundige hulp (artikel 15 WWB). Geen bijstand wordt verleend voor de kosten van medische handelingen en verrichtingen die ge- rekend kunnen worden tot de ontwikkelingsgeneeskunde als bedoeld in de Wet op bijzondere me- dische verrichtingen, of wanneer zodanige medische behandelingen en verrichtingen buiten Ne- derland plaatsvinden (artikel 14 onderdeel e WWB). Het betreft hier een absoluut verbod. Wordt de voorziening in het individuele geval op grond van de Zvw wel noodzakelijk geacht, maar worden de kosten om budgettaire redenen niet of niet volledig vergoed, dan heeft het dagelijks bestuur de bevoegdheid, alsmede in voorkomende gevallen de plicht, om (aanvullende) bijstand te verlenen voor zover die kosten door de voorliggende voorziening voor belanghebbende noodzake- lijk worden geacht. Bijstandsverlening is, in afwijking van hetgeen hiervoor genoemd is toch mogelijk indien en zo- lang, gelet op alle omstandigheden, daartoe zeer dringende redenen aanwezig zijn (artikel 16, eerste lid, WWB). Het criterium "zeer dringende redenen" mag echter niet al te ruim worden geïn- terpreteerd. Het kan alleen worden toegepast bij acute noodsituaties. Wanneer een aanvraag om bijzondere bijstand voor medische kosten wordt ingediend en er is geen sprake van zeer dringende redenen, dan heeft het dagelijk bestuur op grond van de WWB niet de bevoegdheid om bijstand te verlenen voor de betreffende kosten. Indien het college des- ondanks toch bijstand wil verlenen, dan zal het daarvoor zelf beleid moeten formuleren. Men spreekt in dit verband over buitenwettelijk beleid. De rechter kan buitenwettelijk beleid slechts te- rughoudend toetsen (zie CRvB 02-04-2002, nrs. 99/4102 en 99/4103 NABW). Eigen bijdragen van kostensoorten die slechts ten dele door de Zvw worden vergoed komen in beginsel in aanmerking voor bijzondere bijstand. Medische kosten die zijn uitgesloten van vergoe- ding op grond van de Zvw worden soms toch vergoed op grond van een aanvullende of collectieve verzekering. Daarbij geldt dan meestal een eigen bijdrage. Of deze eigen bijdrage wordt vergoed is afhankelijk van het wel of niet zijn uitgesloten van die medische kosten op grond van de Zvw. Als de kosten buiten het vergoedingenpakket van de Zvw vallen, komen deze eigen bijdragen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. Bij het opstellen van deze beleidsregels is bij ziektekosten uitgegaan van de bedragen die op grond van de AV-Gemeente Standaard worden verstrekt. Mocht de AV-Top (niet gemeente) een hogere vergoeding verstrekken, dan kan voor de personen die collectief verzekerd zijn op grond van de AV-Gemeente-Standaard, van deze vergoedingsbedragen worden uitgegaan. Met andere woorden: voor het verschil kan bijzondere bijstand worden verstrekt. Het is mogelijk dat iemand een aanvullende verzekering heeft maar toch met hogere bijzondere ziektekosten wordt geconfronteerd dan de maximumvergoeding (of maximum aantal behandelin- gen) dat middels de aanvullende verzekering wordt vergoed. De noodzaak van de meerkosten dient op individuele gronden te worden vastgesteld, alvorens men tot verstrekking van bijzondere bijstand voor de meerkosten overgaat. In alle andere gevallen zal de noodzaak van de gemaakte kosten op individuele gronden moeten worden vastgesteld (maatwerk). 5.Algemene bestaanskosten/ Algemeen 5.1.Bijzondere bijstand aan minderjarigen Minderjarigen, dit zijn jongeren beneden de 18 jaar, zijn uitgesloten van het recht op bijstand aange- zien zij in de gezinsbijstand zijn begrepen. Dit betekent dat hun noodzakelijke kosten worden gere- kend tot de bestaanskosten van de ouder(
- s)die ten aanzien van hen onderhoudsplichtig is/zijn. Voor de verlening van bijstand worden zij derhalve niet rechtstreeks aangemerkt als een zelfstandig rechts- subject. Een minderjarige volgt de woonstede van degene die het gezag over hem uitoefent. Leven de ouders gescheiden dan volgt het kind de woonstede van de ouder bij wie hij feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven. In geval van zeer dringende redenen kan bijstand worden verleend. Dit is uiteraard afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Veelal speelt bijstandsverlening aan minderjarigen bij de zogenaamde weglopers. Het feit dat het een minderjarig (pleeg-)kind ontbreekt aan de noodzakelijke middelen om in het be- staan te voorzien, is nog geen dringende reden als hier bedoeld. Vast dient te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin een minderjarige verkeert op geen enkele andere wijze is te verhelpen. Het uitzonderingskarakter van artikel 16 WWB brengt verder mee dat ernaar gestreefd dient te worden de bijstandsverlening van zo kort mogelijke duur te laten zijn. De dringende redenen die tot het verle- nen van bijstand noodzaken dienen dan ook zo spoedig mogelijk te worden weggenomen. Artikel 16 WWB beoogt geen algemene ontsnappingsclausule te zijn ten aanzien van de toepassing van uitslui- tingsgronden in de bijstandswet. Bijstand wordt in dat geval als bijzondere bijstand verstrekt conform de normering voor 18 tot 21 jari- gen. Daarbij dient onderzocht te worden of eventueel recht bestaat op een voorliggende voorziening of de jongere onderhouden wordt door bijdrage van de ouder/ ouders. 5.2.Tienermoeders Voor een thuiswonende tienermoeder die jonger is dan 18 jaar geldt, overeenkomstig hetgeen hierbo- ven in de rubriek minderjarigen is geregeld, dat geen recht bestaat op algemene bijstand. Voor het kind van een tienermoeder die jonger is dan 18 jaar bestaat wel recht op bijstand. De hoogte van de bijstand voor het kind is het verschil tussen de norm alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder en de alleenstaande van 21 jaar of ouder. Aanvragen dienen als volgt te worden afgehandeld: de bijstand wordt verstrekt als algemene bijstand; de bijstand wordt verstrekt op naam van de tienermoeder ten behoeve van haar kind de hoogte van de bijstand is het verschil tussen de norm één-oudergezin en de norm voor een alleenstaande; eventuele middelen van de tienermoeder worden gekort; de tienermoeder dient maandelijks een rechtmatigheidsonderzoeksformulier (ROFje) in te leveren. Als een thuiswonende tienermoeder 18 jaar wordt, komt de bijstand voor haar kind te vervallen. Vanaf het bereiken van de 18-jarige leeftijd bestaat, indien de tienermoeder zelf niet over toereikende midde- len beschikt, voor haar en haar kind recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder jonger dan 21 jaar. NB. Zowel de tienermoeder als haar kind kunnen bij Zorg en Zekerheid gratis worden meever- zekerd op de door de ouders van de tienermoeder afgesloten zorgverzekeraar. Hoogte bijzondere bijstand De hoogte van de bijstand voor het kind is het verschil tussen de norm alleenstaande ouder van 21 jaar of ouder en de alleenstaande van 21 jaar of ouder, verminderd met eventuele inkomsten van de tienermoeder. Duur bijzondere bijstand De bijstand voor het kind komt te vervallen, wanneer de tienermoeder 18 jaar is geworden. Verplichting maandelijks in te leveren: het rechtmatigheidsonderzoeksformulier; beschikking Sociale Verzekeringsbank (SVB) inzake kinderbijslag. Vorm van de bijzondere bijstand De bijzondere bijstand wordt verstrekt als bijstand ‘om niet’ en bijzonder belast. 5.3.Algemene kosten van bestaan Het dagelijks bestuur heeft in 2011 ingestemd met “bijzondere bijstand voor algemene kosten van bestaan”. Bijzondere bijstand is in principe niet voor om kosten te vergoeden als eten, drinken, kleding, huur, gas, water en licht. Deze kosten zullen vanuit het maandelijks inkomen betaald moeten worden. Dit geldt ook voor duurdere zaken zoals een televisie of een koelkast. In bijzondere situaties kan hiervan worden afgeweken. Het is ter beoordeling aan het dagelijks bestuur of en zo ja wanneer sprake is van een dergelijke situatie. Bij de beoordeling wordt meegenomen of er sprake is van een acute noodsitua- tie en of de behoeftige omstandigheden waarin een belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze te verhelpen is. Wanneer vastgesteld is dat een dergelijke situatie aanwezig is, en ook aan de overige voorwaarden zijn voldaan, kan voor een bepaalde en korte periode bijstand voor algemene dagelijkse bestaanskos- ten verstrekt worden. Aan deze verstrekking wordt altijd de verplichting verbonden om deel te nemen aan een traject zoals bijvoorbeeld schuldhulpverlening of budgetbegeleiding. Wie komen er voor in aanmerking Om in aanmerking te komen voor bijzondere bijstand voor de algemene dagelijkse kosten van bestaan moet de belanghebbende in het bezit zijn van een geldig identiteitskaart of paspoort. Daarnaast geldt als criterium het leefgeld per huishouding per maand. De berekening hiervoor is conform de Stichting Voedselbanken Nederland. Een huishouding komt in aanmerking wanneer het leefgeld per maand (netto besteedbaar inkomen na aftrek van de vaste lasten als huur, gas, elektriciteit, water, verzekeringen, schuldenlasten) onder de volgende bedragen komt: Één persoonshuishouding € 175,-- per maand; Bij meer persoonshuishoudens wordt dit bedrag per maand verhoogd met: € 60,-- per volwassene; € 50,-- kinderen 13 tot 18 jaar; € 25,--per kind tot en met 12 jaar. Periode De periode van verlening van bijstand voor algemene kosten van bestaan is maximaal drie maanden en kan met maximaal drie maanden verlengd worden. Na de eerste drie maanden wordt beoordeeld of de belanghebbende in voldoende mate meewerkt aan een aangeboden traject. Wanneer dit niet het geval is, kan de verlening van de bijzondere bijstand ingetrokken worden. Hoogte bijzondere bijstand De hoogte van de bijzondere bijstand wordt afgestemd op de waarde van de voedselpakketten die de voedselbank Haarlemmermeer verstrekt. Voor Aalsmeer en Uithoorn geldt dat voor degenen die hiervoor in aanmerking komen, wekelijks een financiële vergoeding wordt verstrekt van € 17,50 per week aan huishoudens tot twee personen en aan huishoudens met meer personen wekelijks een bedrag van € 22,50 per week (respectievelijk € 75,83 per maand en € 97,50 per maand). Uitbetaling bijzondere bijstand De uitbetaling van de bijzondere bijstand gebeurd via de betaalrekening van de belanghebbende. 6.1.Algemene bestaanskosten / Overbrugging 6.1.1.Overbruggingsuitkering In de onderstaande gevallen kan een overbruggingsuitkering verstrekt worden: inkomsten vallen plotseling weg (bijvoorbeeld bij verlaten); inkomsten van het huishouden daalt, zonder dat de aanvrager het van te voren kon zien aankomen, met minstens 25%; voordat een beroep op algemene bijstandsuitkering werd gedaan, werden de inkomsten aan het begin van de maand uitbetaald (een maand inkomsten moet overbrugd worden); Bij verlies van portemonnee of van wie de portemonnee is gestolen. Wel dient hiervan aangifte bij de politie gedaan te worden en dient de aanvrager in ernstige geldnood te zitten (zeer drin- gende redenen, artikel 16 WWB). Vorm van de bijzondere bijstand Een overbruggingstoeslag wordt alleen verstrekt als er geen enkele financiële reserve meer is. Uit- gangspunt is dat een overbruggingstoeslag altijd wordt terugbetaald en dus als een lening wordt ver- strekt. Hiervan kan alleen worden afgeweken als er geen aflossingsruimte is en men, buiten schuld om, aangewezen is op de overbruggingsuitkering. Dit laatste is bij ex-asielzoekers, die een bijstands- uitkering gaan ontvangen in ieder geval. Hoogte overbruggingstoeslag De hoogte van de overbruggingstoeslag bedraagt maximaal de netto-uitkeringsnorm van één maand exclusief het vakantiegeld, dat voor de betrokkene geldt. 6.1.2.Overbrugging in afwachting van huurtoeslag De Wet op de huurtoeslag (WHT) wordt uitgevoerd door de Belastingdienst. De toekenning van de huurtoeslag vindt plaats op basis van de gegevens en omstandigheden van het kalenderjaar zelf. De- ze staan pas na afloop van dat jaar vast. Om de huurtoeslag toch te laten aansluiten bij de huuruitga- ven, wordt de huurtoeslag in het kalenderjaar maandelijks uitbetaald op basis van een voorschot. Na afloop van het kalenderjaar volgt een ‘definitieve’ huurtoeslag, waarmee het voorschot wordt verre- kend. Overbrugging in afwachting van huurtoeslag In de meeste gevallen wordt binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag voor huurtoeslag de beschikking tot verlening van een voorschot op de huurtoeslag gegeven. Een overbrugging kan wor- den verstrekt voor de kosten die zijn verbonden aan het overbruggen van de periode dat de huurtoe- slag is aangevraagd, maar er nog geen voorschot is uitbetaald door de Belastingdienst en de verhuur- der weigert huurmatiging toe te passen. Voorliggende voorziening Indien de belanghebbende een tijdvak van ongeveer drie maanden niet zelf kan overbruggen en daar- door problemen ondervindt bij de maandelijkse betaling van de huursom, kan hij na de aanvraag van de huurtoeslag de woningeigenaar verzoeken om huurmatiging toe te passen. Recht op bijzondere bijstand Wanneer de verhuurder weigert om huurmatiging toe te passen, kan ter overbrugging tot de eerste betaling bijzondere bijstand worden verleend. De bijstand wordt dan verleend in de vorm van een renteloze geldlening. Dit wordt teruggevorderd na uitbetaling van de voorschotten door de Belasting- dienst. Hoogte en duur van de bijzondere bijstand De bijzondere bijstand wordt afgestemd op de hoogte van de huurtoeslag en wordt voor maximaal drie maanden verstrekt (tenzij er individuele redenen zijn waarom de Belastingdienst nog geen voorschot heeft verstrekt). Vorm van de bijzondere bijstand De bijstand wordt verleend in de vorm van een renteloze geldlening. 6.2.Algemene bestaanskosten / Toeslag 6.2.1.Toeslag personen van 18 jaar t/m 20 jaar (verblijf buiten inrichting) Jongeren in de leeftijd van 18 tot en met 20 jaar hebben slechts recht op een lage bijstandsnorm voor de noodzakelijke bestaanskosten (artikelen 20 en 21 WWB). In vele gevallen zijn geen toeslagen mo- gelijk op grond van de Verordening toeslagen en verlagingen van de gemeente Aalsmeer en Uithoorn. Ouders hebben op basis van het Burgerlijk Wetboek een onderhoudsplicht voor hun kinderen totdat deze de leeftijd van 21 jaar bereikt hebben. Om deze reden zijn de normen voor personen van 18 t/m 20 jaar zeer laag. Er is aangesloten bij de niveaus van de Algemene Kinderbijslagwet. Onder bepaalde omstandigheden kan echter bijzondere bijstand worden verleend voor algemene of bijzondere bijstand. De voorwaarden zijn opgenomen in artikel 12 WWB. Verlening van bijzondere bijstand is slechts mogelijk wanneer de noodzakelijke kosten van het bestaan van de belanghebbende uitgaan boven de toepasselijke bijstandsnorm en hij voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat: de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of hij redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht jegens zijn ouders niet te gelde kan maken (hierbij moet gedacht worden aan ouders die onvindbaar of niet bereikbaar zijn of aan de situatie waarin de relatie tussen ouders en kind ernstig verstoord is). Bij de beoordeling van een aanvraag om bijstand voor de noodzakelijke bestaanskosten voor een jongmeerderjarige rust op het college de plicht om zich een zo goed mogelijk beeld te vormen over de hoogte van de noodzakelijke bestaanskosten van de aanvrager. Daarbij zullen zij onder andere in aanmerking kunnen nemen of voor de aanvrager zelfstandige huisvesting wel of niet noodzakelijk is. Er is dus een gericht onderzoek naar alle van belang zijnde omstandigheden van de aanvrager nodig. Verhaalsplicht Wanneer met toepassing van artikel 12 WWB bijzondere bijstand wordt verleend aan een persoon van 18 t/m 20 jaar dan kan deze bijstand tot de grens van de onderhoudsplicht van artikel 395 onder a van Boek 1 BW worden verhaald op de onderhoudsplichtige ouders (artikel 61, lid 1 a WWB, artikel 13 invoeringswet en de beleidsregels verhaal). Met ingang van 1 augustus 2008 hebben de gemeente Aalsmeer en Uithoorn besloten af te zien van het verhalen van bijstand in dergelijke situaties. Wel is eventueel een verklaring noodzakelijk, waaruit blijkt dat de ouders niet willen of kunnen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de jongere. Hoogte bijzondere bijstand De hoogte van de totale uitkering (norm algemene bijstand + toeslag bijzondere bijstand) bedraagt niet meer dan de uitkering die in een vergelijkbare situatie zou gelden voor personen van 21 jaar. Dit beleid is in overeenstemming met de aanbevelingen van de minister van SZW in zijn circulaire van 15- 11-1999 (circulaire bijstand aan jongeren). Omdat het hier verlening van bijzondere bijstand betreft, zal de uiteindelijke hoogte van de bijstand afgestemd moeten worden op de individuele omstandigheden. De hoogte van de bijzondere bijstand die is bedoeld voor bijzondere kos