← Nederland

Landsverordening van de 28 december 2017 houdende regels inzake het toezicht op geldtransactiekantoren (Landsverordening toezicht geldtransactiekantor

In het kort

Deze wet regelt het toezicht op geldtransactiekantoren in Sint Maarten om de integriteit van de financiële sector te beschermen en witwassen en terrorismefinanciering te bestrijden. Het stelt regels vast voor het verkrijgen en behouden van een vergunning om geldtransacties uit te voeren.

Wat het reguleert

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

Landsverordening van de 28 december 2017 houdende regels inzake het toezicht op geldtransactiekantoren (Landsverordening toezicht geldtransactiekantoren)IN NAAM VAN DE KONING! De Gouverneur van Sint Maarten, In overweging genomen hebbende: dat het wenselijk is ter bescherming van de integriteit van de financiële sector in Sint Maarten regels te stellen betreffende het toezicht op geldtransactiekantoren; dat het tevens wenselijk is het toezicht op de geldtransactiekantoren aan te scherpen met het oog op het voorkomen en bestrijden van witwassen en het financieren van terrorisme, en om uitvoering te geven aan de aanbevelingen 14, 26, 30 en 40 van de Financial Action Task Force on Money Laundering (FATF); dat het noodzakelijk is deze regels op te nemen in een landsverordening die eenvormig is met de Landsverordening toezicht geldtransactiekantoren van Curaçao; Heeft, de Raad van Advies gehoord, met gemeen overleg der Staten, vastgesteld de onderstaande landsverordening: Hoofdstuk1Inleidende bepalingen Artikel1 In deze landsverordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: bankgarantie: garantie, verstrekt door een kredietinstelling die is ingeschreven in Afdeling I van het register, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen, waarin is bepaald dat de kredietinstelling onherroepelijk en onvoorwaardelijk garant staat ten behoeve van derden ter zake van de door hen in het kader van een geldtransactie ter beschikking gestelde en nog niet betaalde of betaalbaar gestelde gelden of geldswaarden; Bank: Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten; minister: Minister van Financiën; dwangbevel: schriftelijk bevel van de Bank dat ertoe strekt de betaling van een geldschuld af te dwingen; externe deskundige: een externe deskundige als bedoeld in artikel 121 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek; gekwalificeerde deelneming: een rechtstreeks of middellijk belang van meer dan 10% van het nominaal kapitaal van een onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van meer dan 10% van de stemrechten in een onderneming of instelling, of het rechtstreeks of middellijk kunnen uitoefenen van een daarmee vergelijkbare zeggenschap in een onderneming of instelling; geldtransactie: het in het kader van een geldelijke overmaking ter beschikking krijgen van gelden of geldswaarden, teneinde deze gelden of geldswaarden aan een derde elders betaalbaar te stellen of te doen stellen, dan wel het betalen of betaalbaar stellen van gelden of geldswaarden nadat deze gelden of geldswaarden ter beschikking zijn gesteld, waarbij deze geldelijke overmaking een op zich zelf staande dienst is; of, een bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, aan te wijzen andere verwante activiteit; geldtransactiekantoor: een ieder die beroeps- of bedrijfsmatig ten behoeve van of op verzoek van een derde geldtransacties uitvoert, dan wel beroeps- of bedrijfsmatig werkzaam is bij de totstandkoming daarvan; register: het register van geldtransactiekantoren, bedoeld in artikel 11; toezichthoudende instantie: een overheidsinstantie respectievelijk een van overheidswege aangewezen instantie die belast is met het toezicht op financiële markten of op rechtspersonen, vennootschappen of natuurlijke personen die op die markten werkzaam zijn, alsmede een overheidsinstantie, respectievelijk een van overheidswege aangewezen instantie die belast is met het toezicht op de naleving van wettelijke regelingen betreffende het voorkomen en de bestrijding van witwassen en de financiering van terrorisme. Hoofdstuk2Het vergunningsstelsel Artikel2 1.Het is een ieder verboden in of vanuit Sint Maarten het bedrijf van geldtransactiekantoor uit te oefenen zonder voorafgaande vergunning van de Bank. 2.Aan de vergunning kunnen te allen tijde voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld in het belang van een gezonde financiële sector, het te voeren monetaire beleid en het deviezenverkeer. 3.Het in het eerste lid vervatte verbod is niet van toepassing op: de Bank; of, de deviezenbanken waaraan krachtens artikel 9, derde lid, van het Centrale Bank-Statuut voor Curaçao en Sint Maarten een machtiging is verleend om als deviezenbank werkzaam te zijn. Artikel3 1.De Bank kan aan een categorie ondernemingen of instellingen vrijstelling, of, op verzoek, in uitzonderlijke gevallen ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid. 2.Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder een onderneming of instelling vrijstelling wordt verleend van het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, worden vastgesteld. 3.De ontheffing of vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, wordt geweigerd indien de Bank op grond van de beoordeling van de deskundigheid en integriteit van een van de personen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdelen b, c, d en e, van oordeel is dat: de integriteit van de financiële sector wordt aangetast. Daarvan is in elk geval sprake indien de Bank een redelijk vermoeden heeft dat het geldtransactiekantoor of een of meer van de personen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdelen b, c, d en e, zich schuldig maken of schuldig zullen maken aan witwassen, dan wel betrokken zijn of zullen zijn bij de financiering van misdrijven die uit hoofde van internationale verplichtingen inzake terrorismebestrijding strafbaar zijn gesteld; of, de bedrijfsvoering dan wel de administratieve organisatie onvoldoende is om een integere bedrijfsvoering te bevorderen of te handhaven, of om aan de op het geldtransactiekantoor rustende overige wettelijke verplichtingen te voldoen. 4.Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld in het belang van een gezonde financiële sector, het te voeren monetaire beleid of het deviezenverkeer. 5.De vrijstelling of ontheffing wordt ingetrokken, indien: de gronden waarop de vrijstelling of ontheffing zijn verleend zodanig zijn gewijzigd dat een vrijstelling of ontheffing niet meer verantwoord is; of, de voorschriften of beperkingen, bedoeld in het vierde lid, zijn overtreden, onderscheidenlijk niet worden nageleefd. Artikel4 1.Een onderneming of instelling, die voornemens is het bedrijf van geldtransactiekantoor uit te oefenen, verzoekt de Bank per aangetekende brief om een vergunning om het bedrijf van geldtransactiekantoor uit te oefenen. 2.De aanvraag wordt door de Bank niet als zodanig beschouwd en niet in behandeling genomen, indien zij niet de volgende gegevens en bescheiden bevat: het aanvangskapitaal van het geldtransactiekantoor; het aantal, de identiteit, de opleiding, de werkervaring en de antecedenten van de leden van de raad van commissarissen van het geldtransactiekantoor; het aantal, de identiteit, de opleiding, de werkervaring en de antecedenten van degenen die naar het oordeel van de Bank het beleid van het geldtransactiekantoor bepalen of mede bepalen; de identiteit, de opleiding, de werkervaring en de antecedenten van de personen die het beleid bepalen van de groep waartoe het geldtransactiekantoor behoort en tevens uit dien hoofde het beleid van het geldtransactiekantoor bepalen of mede bepalen; de identiteit, de financiële positie en de antecedenten van degenen die een gekwalificeerde deelneming houden in een geldtransactiekantoor, alsmede de omvang van de desbetreffende gekwalificeerde deelneming; de oprichtingsakte van het geldtransactiekantoor; de voorziene bedrijfsvoering, waaronder de maatregelen gericht op het bevorderen en handhaven van een integere bedrijfsvoering; de voorziene administratieve organisatie van het geldtransactiekantoor, met inbegrip van de financiële administratie en interne controle; de schriftelijke toezegging van een kredietinstelling dat een bankgarantie wordt gegeven indien de vergunning wordt verleend; en, overige gegevens en bescheiden die de Bank nodig heeft in het belang van de beoordeling van de aanvraag. 3.De Bank kan de aanvrager verzoeken, indien de verstrekte gegevens en bescheiden, bedoeld in het tweede lid, onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, de aanvraag binnen 30 dagen aan te vullen. De voor het verlenen van een vergunning bepaalde termijn, bedoeld in artikel 5, tweede lid, wordt opgeschort tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. 4.De Bank kan voorts besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen, indien zij van oordeel is dat de verstrekte gegevens, bewijsstukken en inlichtingen onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag. 5.Het besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Artikel5 1.De Bank verleent de vergunning, indien: het dagelijks beleid van het geldtransactiekantoor door twee of meer natuurlijke personen wordt bepaald; zij van oordeel is dat de deskundigheid van een of meer personen die het beleid van het geldtransactiekantoor bepalen of mede bepalen, voldoende is om het bedrijf van geldtransactiekantoor uit te oefenen; zij op grond van de voornemens of de antecedenten van de personen die het beleid van het geldtransactiekantoor bepalen of mede bepalen van oordeel is dat met het oog op de belangen van de klanten of toekomstige klanten van het geldtransactiekantoor, de integriteit van deze personen buiten twijfel staat; het geldtransactiekantoor een raad van commissarissen heeft, bestaande uit ten minste drie leden; zij op grond van de voornemens of de antecedenten van de personen die het beleid van de groep waartoe het geldtransactiekantoor behoort, bepalen of mede bepalen en tevens uit dien hoofde het beleid van het geldtransactiekantoor bepalen of mede bepalen van oordeel is dat met het oog op de belangen van de klanten of toekomstige klanten van het geldtransactiekantoor, de integriteit van deze personen buiten twijfel staat; zij van oordeel is dat de deskundigheid van de personen die het beleid bepalen of mede bepalen van de groep waartoe het geldtransactiekantoor behoort, voor zover zij tevens uit dien hoofde het beleid van het geldtransactiekantoor bepalen of mede bepalen, voldoende is om het bedrijf van geldtransactiekantoor uit te oefenen; het geldtransactiekantoor beschikt over een door de Bank nader vast te stellen minimumbedrag aan eigen vermogen en een bankgarantie als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel i; zij van oordeel is dat ingevolge een gekwalificeerde deelneming in het geldtransactiekantoor er geen sprake is of zou kunnen zijn van een invloed op het geldtransactiekantoor die in strijd is met een gezonde financiële sector, het te voeren monetaire beleid of het deviezenverkeer; zij op grond van de voornemens en antecedenten van de houders van een gekwalificeerde deelneming van oordeel is dat met het oog op de belangen van de klanten of toekomstige klanten van het geldtransactiekantoor, de integriteit van deze personen buiten twijfel staat; zij op grond van de gegevens, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdelen g en h, van oordeel is dat het geldtransactiekantoor in staat is om aan haar uit hoofde van het toezicht te stellen eisen te voldoen; zij op grond van de statutaire doelomschrijving geen reden heeft om aan te nemen dat het geldtransactiekantoor activiteiten kan ontplooien op terreinen die buiten de eigen terreinen liggen en aldus gevaar voor een gezonde financiële sector, het te voeren monetaire beleid of het deviezenverkeer kunnen inhouden; en, het geldtransactiekantoor een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap is, dan wel indien het een buitenlands geldtransactiekantoor betreft, deze een met deze rechtspersonen vergelijkbare rechtsvorm heeft. 2.De Bank beslist over het verzoek om een vergunning binnen 60 dagen na ontvangst van: een volledige aanvraag; en, het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, en deelt haar beslissing bij aangetekende brief mee. 3.De Bank kan besluiten dat een geldtransactiekantoor niet hoeft te voldoen aan één of meer van de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, indien deze aantoont dat daaraan redelijkerwijs niet volledig kan worden voldaan en dat de doeleinden die deze landsverordening beoogt te bereiken anderszins voldoende zijn bereikt. De Bank kan het hiervoor bedoelde besluit wijzigen of intrekken, indien naar haar oordeel de omstandigheden waaronder het besluit is genomen zodanig zijn gewijzigd dat de doeleinden die deze landsverordening beoogt te bereiken niet langer worden bereikt. Artikel6 De Bank kan de vergunning weigeren, indien: zij gronden heeft om aan te nemen dat het geldtransactiekantoor de vergunning heeft aangevraagd om zich te onttrekken aan de regelgeving inzake het toezicht op het geldtransactiekantoor in een andere Staat; de structuur van de groep waarvan het geldtransactiekantoor deel uitmaakt zodanig is dat de Bank onvoldoende adequaat en effectief toezicht kan uitoefenen op het geldtransactiekantoor; zij van oordeel is dat het verlenen van de vergunning in strijd is of zou kunnen zijn met een gezonde financiële sector, het te voeren monetaire beleid of het deviezenbeleid; of, zij van oordeel is dat de Bank of de instantie van het land van herkomst van het betrokken geldtransactiekantoor, die met het toezicht op geldtransactiekantoren is belast, onvoldoende adequaat en effectief toezicht op geconsolideerde basis kan uitoefenen. Artikel7 1.Het geldtransactiekantoor waaraan een vergunning is verleend, is gehouden aan de voorwaarden waaronder de vergunning is verleend, bedoeld in artikel 5, eerste lid, alsmede aan de voorschriften verbonden aan en de beperkingen gesteld bij de vergunning, bedoeld in artikel 2, tweede lid, te blijven voldoen. 2.Een onderneming of instelling waaraan een vrijstelling of ontheffing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, is verleend is gehouden aan de voorschriften verbonden aan en de beperkingen gesteld bij de vergunning, bedoeld in artikel 3, vierde lid, te blijven voldoen. Artikel8 1.De Bank trekt de vergunning in, indien: het geldtransactiekantoor de intrekking daarvan verzoekt. Binnen 60 dagen na ontvangst van een zodanig verzoek wordt daarop door de Bank beslist; het geldtransactiekantoor in staat van faillissement is verklaard of aan hem surseance van betaling is verleend; het geldtransactiekantoor kennelijk zijn werkzaamheden als geldtransactiekantoor niet meer uitoefent; het geldtransactiekantoor kennelijk niet meer voldoet aan de in artikel 1 gegeven definitie; het geldtransactiekantoor van de vergunning misbruik of oneigenlijk gebruik maakt; de structuur van de groep waarvan het geldtransactiekantoor deel uitmaakt zodanig wordt gewijzigd dat de Bank of de instantie van het land van herkomst die met het toezicht op het geldtransactiekantoor is belast, onvoldoende adequaat en effectief toezicht, onderscheidenlijk geconsolideerd toezicht kan uitoefenen op het geldtransactiekantoor; of, het geldtransactiekantoor of één van de beleidsbepalende of medebeleidsbepalende personen van het desbetreffende geldtransactiekantoor niet of niet meer voldoet aan de bij of krachtens deze landsverordening of de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties opgelegde verplichtingen. 2.De Bank kan de vergunning intrekken, indien: de gegevens of bescheiden die zijn verstrekt ter verkrijging van de vergunning zodanig onjuist of onvolledig blijken, dat op het verzoek een andere beslissing zou zijn genomen als bij de beoordeling van het verzoek de juiste omstandigheden volledig bekend waren geweest; zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan, zo zij vóór het tijdstip waarop de vergunning werd verleend zich hadden voorgedaan, of bekend waren geweest, de vergunning zou zijn geweigerd; één der bestuurders of degene die het dagelijks beleid van het geldtransactiekantoor bepaalt of mede bepaalt in staat van faillissement is verklaard of aan hem surseance van betaling is verleend; of, de bankgarantie, bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel i, niet meer wordt verleend. 3.Het besluit tot intrekking van de vergunning of de weigering tot intrekking van de vergunning is met redenen omkleed en wordt door de Bank bij deurwaardersexploot aan het betrokken geldtransactiekantoor betekend. 4.Het besluit tot intrekking van de vergunning en, indien de Bank zulks noodzakelijk acht in het belang van de ontwikkeling en instandhouding van een gezonde financiële sector, het monetair beleid of het deviezenverkeer, de redenen voor de intrekking, worden zo spoedig mogelijk nadat dit besluit onherroepelijk geworden, gepubliceerd in de Landscourant. De Bank kan, indien zij dit in het belang van de klanten van het geldtransactiekantoor acht, het besluit, alsmede de redenen voor de intrekking, bedoeld in de eerste volzin, eveneens op andere door haar te bepalen wijze bekendmaken. De kosten van de bekendmaking komen ten laste van het betrokken geldtransactiekantoor. 5.De Bank kan de publicatie, bedoeld in het vierde lid, tot een nader door haar te bepalen tijdstip aanhouden, indien openbaarmaking ernstige schade aan de belangen van de klanten van het geldtransactiekantoor zou kunnen toebrengen. 6.De Bank zegt het geldtransactiekantoor waarvan de vergunning is ingetrokken en dat tegen het besluit tot intrekking bezwaar of beroep heeft aangetekend, per aangetekende brief aan, dat vanaf het tijdstip van intrekking van de vergunning alle of bepaalde organen van het geldtransactiekantoor hun bevoegdheden slechts mogen uitoefenen na goedkeuring door een of meer door de Bank aangewezen personen en met inachtneming van de opdrachten van deze personen, welke aanzegging ter stond van kracht wordt. Met betrekking tot deze aanzegging is het bepaalde in artikel 23, vierde lid, onderdelen a, b, d en e, van overeenkomstige toepassing. Het is het geldtransactiekantoor verboden in strijd met de aanzegging van de Bank te handelen. 7.Het geldtransactiekantoor waarvan de vergunning is ingetrokken en het besluit tot intrekking onherroepelijk is geworden, is verplicht haar werkzaamheden als geldtransactiekantoor volgens de door de Bank te stellen voorwaarden, procedure en termijn af te wikkelen. De Bank kan daarbij de uitoefening van de bevoegdheid van het geldtransactiekantoor om over haar waarden te beschikken beperken of haar verbieden om - anders dan met schriftelijke machtiging van de Bank - over deze waarden te beschikken. 8.Het geldtransactiekantoor dat bezwaar of beroep heeft aangetekend tegen de weigering van de Bank om de vergunning in te trekken, is verplicht hangende de behandeling van het bezwaar of beroep haar bedrijf voort te zetten met inachtneming van de bij of krachtens deze landsverordening vastgestelde algemeen verbindende voorschriften, alsmede de voorschriften verbonden aan en de beperkingen gesteld bij de vergunning. Artikel9 1.De Bank heeft als zelfstandig bestuursorgaan verordenende bevoegdheid voor het stellen van regels omtrent de invoering, uitvoering en handhaving door vergunninghouders van passende procedures voor controle, communicatie en andere te treffen maatregelen ter uitvoering van deze landsverordening. De Bank stelt bij verordening ten behoeve van de ingevolge deze landsverordening onderhaar toezicht staande geldtransactiekantoren algemeen verbindende voorschriften vast met betrekking tot: de deskundigheid en integriteit; de financiële waarborgen; de bedrijfsvoering, waaronder de maatregelen gericht op het bevorderen van een integere bedrijfsvoering en de administratieve organisatie van het geldtransactiekantoor, daaronder begrepen de financiële administratie en de interne controle; en, de informatieverschaffing aan de Bank en aan het publiek. 2.Onder algemeen verbindende voorschriften als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, worden in ieder geval verstaan regels ter zake van: het tegengaan van verstrengeling van tegenstrijdige belangen; het voorkomen van betrokkenheid van het geldtransactiekantoor en van zijn werknemers bij strafbare feiten die het vertrouwen in het geldtransactiekantoor of in de financiële markten in het algemeen schaden; het voorkomen van betrokkenheid van het geldtransactiekantoor en van zijn werknemers bij handelingen die anderszins in het maatschappelijk verkeer zodanig onaanvaardbaar zijn, dat deze het vertrouwen in het geldtransactiekantoor of in de financiële markten in het algemeen schaden; het vaststellen van de identiteit, de aard en de achtergrond van de cliënten van het geldtransactiekantoor; ordelijke en transparante financiële marktprocessen; en, zuivere verhoudingen tussen marktpartijen en zorgvuldige behandeling van cliënten of consumenten, zoals het waarborgen van de informatieverstrekking aan cliënten of consumenten. 3.De Bank kan bepalen dat de algemeen verbindende voorschriften, bedoeld in het eerste lid, ook van toepassing zijn op de instellingen, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, dan wel de ondernemingen of instellingen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, die verplicht zijn zich te houden, alsmede zich te blijven houden aan die voorschriften. 4.Een geldtransactiekantoor waaraan een vergunning is verleend, is verplicht zich te houden, alsmede zich te blijven houden aan de voorschriften, bedoeld in het eerste lid. Artikel10 1.De Bank kan ter uitvoering van aanbevelingen en regelingen van internationale of intergouvernementele organisaties, bij verordening algemeen verbindende voorschriften van technische en organisatorische aard vaststellen ten behoeve van ingevolge deze landsverordening onder haar toezicht staande geldtransactiekantoren. 2.Alvorens de Bank deze algemeen verbindende voorschriften vaststelt of wijzigt, pleegt de Bank overleg met de representatieve organisaties. 3.De Bank kan bepalen dat de algemeen verbindende voorschriften, bedoeld in het eerste lid, ook van toepassing zijn op de instellingen, bedoeld in artikel 2, derde lid, onderdeel b, dan wel de ondernemingen of instellingen, bedoeld in artikel 3, eerste lid. Deze instellingen of ondernemingen zijn verplicht zich te houden, alsmede zich te blijven houden aan die voorschriften. 4.Een geldtransactiekantoor waaraan een vergunning is verleend, is verplicht zich te houden, alsmede zich te blijven houden aan de voorschriften, bedoeld in het eerste lid. Artikel10a 1.De Bank kan bij overtreding van artikel 2, eerste lid, dan wel in het geval dat in strijd met de weigering, bedoeld in artikel 3, derde lid, het bedrijf van geldtransactie wordt uitgeoefend, een openbare waarschuwing uitvaardigen, indien nodig onder vermelding van de overwegingen die tot die waarschuwing hebben geleid. 2.De bevoegdheid om een openbare waarschuwing als bedoeld in het eerste lid uit te vaardigen laat onverlet de bevoegdheid van de Bank om openbare waarschuwingen van internationale of intergouvernementele organisaties, in Sint Maarten te publiceren. 3.Indien de Bank besluit een openbare waarschuwing als bedoeld in het eerste lid uit te vaardigen, stelt zij de betrokken persoon of instelling in kennis van het besluit. 4.Het besluit vermeldt in ieder geval de geconstateerde overtreding, de inhoud van de openbaarmaking, de gronden waarop het besluit berust alsmede de wijze waarop en de termijn waarna de openbare waarschuwing zal worden uitgevaardigd. 5.Het uitvaardigen van een openbare waarschuwing geschiedt niet eerder dan nadat vijf werkdagen zijn verstreken na de dag waarop de betrokken persoon of instelling overeenkomstig het derde en vierde lid in kennis is gesteld van het besluit. 6.Indien wordt verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 85, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak wordt de werking van het besluit opgeschort totdat er een uitspraak is van het Gerecht in eerste aanleg. 7.Indien bescherming van de belangen die deze landsverordening beoogt te beschermen geen uitstel toelaat, kan de Bank in afwijking van de voorgaande leden, onverwijld een openbare waarschuwing uitvaardigen. 8.Artikel 64, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. Hoofdstuk3Het register Artikel11 1.De Bank houdt een register voor geldtransactiekantoren aan wie een vergunning is verleend. Het register bevat voorts een of meer bijlagen waarin de ondernemingen of instellingen met een vrijstelling of ontheffing, bedoeld in artikel 3, eerste lid, worden ingeschreven. 2.Een geldtransactiekantoor waaraan een vergunning is verleend wordt per gelijke datum van de vergunningverlening door de Bank ingeschreven in het register. 3.De inschrijving van een geldtransactiekantoor in het register, waarvan de vergunning is ingetrokken, wordt door de Bank doorgehaald. 4.De inschrijving van een geldtransactiekantoor in het register wordt binnen twee weken na de dag waarop zij heeft plaatsgehad, digitaal bekendgemaakt op de website van de Bank. 5.In de maand januari van elk jaar draagt de Bank zorg voor de openbaarmaking van het register naar de stand van 31 december van het voorgaande jaar in de Landscourant . 6.De Bank houdt een afschrift van het register voor een ieder kosteloos ter inzage. Hoofdstuk4Controle en rapportage Artikel12 1.Ieder geldtransactiekantoor is verplicht jaarlijks binnen een door de Bank vast te stellen termijn een jaarrekening, ten minste bevattend een balans en een winst- en verliesrekening, met bijbehorende toelichting, over het afgelopen boekjaar, in een door de Bank vast te stellen vorm, bij de Bank in te dienen. Hierbij worden ook een verklaring van een externe deskundige en de directiebrieven toegevoegd. 2.Ieder geldtransactiekantoor is verplicht bij de Bank periodiek binnen de daartoe vastgestelde termijnen rapportagestaten nopens zijn bedrijf in te dienen. 3.De vorm waarin de rapportagestaten, bedoeld in het tweede lid, moeten worden opgemaakt, de achtereenvolgende tijdstippen waarop zij betrekking hebben en de termijnen binnen welke zij moeten worden ingediend, worden door de Bank bepaald na overleg met de representatieve organisatie, bedoeld in artikel 21, zou deze zijn aangewezen. 4.Indien de Bank zulks in het belang van een doelmatig toezicht nodig acht, kan zij met betrekking tot de rapportagestaten, bedoeld in het tweede lid, bepalen dat: de achtereenvolgende tijdstippen waarop zij betrekking hebben, alsmede de termijnen waarbinnen zij moeten worden ingediend, worden verkort; en, hieromtrent een verklaring van een externe deskundige wordt overgelegd. 5.De Bank kan een geldtransactiekantoor ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste en tweede lid. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden en beperkingen worden gesteld. Het geldtransactiekantoor is gehouden aan de voorschriften verbonden aan en de beperkingen gesteld bij de ontheffing, bedoeld in de eerste volzin, te blijven voldoen. 6.De Bank kan bepalen dat de jaarrekening van een geldtransactiekantoor dat niet voldoet aan de definitie van grote vennootschap, bedoeld in artikel 119, tweede lid, afdeling 4 van titel 5 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek wordt beoordeeld, onderscheidenlijk gecontroleerd door een andere deskundige dan de externe deskundige. Artikel13 1.De externe deskundige die op grond van artikel 12, eerste lid, de jaarrekening van een geldtransactiekantoor van een verklaring moet voorzien en die op grond van artikel 12, vierde lid, onderdeel b, de staten van een verklaring moet voorzien, is verplicht de Bank zo spoedig mogelijk elke omstandigheid te melden waarvan hij bij de uitvoering van zijn werkzaamheden kennis heeft gekregen en die: in strijd is met de eisen die voor het verkrijgen van de vergunning zijn gesteld; in strijd is met de bij of krachtens deze landsverordening opgelegde verplichtingen; het voortbestaan van het geldtransactiekantoor bedreigt; of, de afgifte van een goedkeurende verklaring omtrent de getrouwheid in gevaar zou kunnen brengen. 2.De externe deskundige is voorts verplicht bij een melding als bedoeld in het eerste lid onverwijld aan de Bank een afschrift van zijn rapport, de directiebrieven en de correspondentie die rechtstreeks betrekking heeft op de verklaring bij de jaarrekening, respectievelijk van enig van de periodiek bij de Bank in te dienen staten te zenden, indien en voor zover de Bank bij deze staten een verklaring van een externe deskundige nodig heeft geacht. Indien de Bank zulks noodzakelijk acht, geeft de externe deskundige de Bank een mondelinge toelichting op de jaarrekening en de voornoemde stukken. 3.Op de externe deskundige die naast zijn werkzaamheden voor het geldtransactiekantoor ook werkzaamheden uitvoert voor een andere onderneming of instelling, is de meldingsplicht, bedoeld in het eerste lid, van overeenkomstige toepassing indien het geldtransactiekantoor dochtermaatschappij is van een andere onderneming of instelling, dan wel indien die andere onderneming of instelling dochtermaatschappij is van het geldtransactiekantoor. 4.De externe deskundige die op grond van het eerste en derde lid tot een melding aan de Bank is overgegaan, is niet aansprakelijk voor de schade die een derde dientengevolge lijdt, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat gelet op alle feiten en omstandigheden in redelijkheid niet tot een melding had mogen worden overgegaan. Artikel14 1.Het geldtransactiekantoor is verplicht binnen een door de Bank vast te stellen termijn zijn jaarrekening over het afgelopen boekjaar, in een door de Bank vast te stellen vorm, te publiceren. 2.De Bank kan bij verordening nadere algemeen verbindende voorschriften vaststellen met betrekking tot het publiceren van de in het eerste lid bedoelde jaarrekening en de wijze van publicatie. Artikel15 1.Tot het afgeven van een verklaring als bedoeld in artikel 12, eerste en vierde lid, onderdeel b, is slechts bevoegd een externe deskundige tegen wie de Bank geen bezwaar heeft gemaakt. 2.De Bank kan tegen de aanstelling of handhaving van een externe deskundige bezwaar maken, indien de externe deskundige naar haar oordeel niet of niet meer de nodige waarborgen biedt dat deze de hem toevertrouwde taak met betrekking tot het geldtransactiekantoor naar behoren zal vervullen. 3.Het bezwaar, bedoeld in het tweede lid, wordt schriftelijk ter kennis gebracht van het betrokken geldtransactiekantoor en van de betrokken externe deskundige. 4.Een geldtransactiekantoor is verplicht gebruik te maken van de diensten van een externe deskundige, waartegen de Bank geen bezwaar heeft gemaakt. Artikel16 1.Het is een geldtransactiekantoor verboden zonder voorafgaande toestemming van de Bank: zijn statuten te wijzigen; een gekwalificeerde deelneming in een andere onderneming of instelling te houden, te verwerven, dan wel te vergroten; of, filialen, bijkantoren of kassa’s te vestigen. 2.Het is een ieder verboden zonder voorafgaande toestemming van de Bank: personen die het dagelijks beleid van het geldtransactiekantoor bepalen of mede bepalen te benoemen; leden van de raad van commissarissen van het geldtransactiekantoor te benoemen; of, aandelen direct of indirect van een geldtransactiekantoor over te dragen of te vervreemden. Hoofdstuk5Dekking kosten vergunning en toezicht Artikel17 1.De aanvrager van een vergunning of een ontheffing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, is ter zake van de aanvraag aan de Bank een bedrag verschuldigd. De Bank brengt het bedrag, voor zover mogelijk direct na ontvangst van de aanvraag, bij beschikking in rekening. 2.Een geldtransactiekantoor en degene die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, is jaarlijks aan de Bank een bedrag verschuldigd. 3.De hoogte van de in het eerste en tweede lid bedoelde bedragen wordt zodanig vastgesteld dat de totale jaarlijkse opbrengst van het in rekening te brengen bedrag ten hoogste gelijk is aan de kosten die de Bank in dat jaar maakt ter zake van de behandeling van de aanvragen onderscheidenlijk het toezicht dat de Bank uitoefent ingevolge deze landsverordening. 4.Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, worden, gehoord de Bank en de representatieve organisaties, nadere regels gesteld omtrent de kostendoorberekening en de grondslagen waarop die is gebaseerd en wordt de hoogte van de in het eerste en tweede lid bedoelde bedragen vastgesteld. Hierbij kan een onderscheid worden gemaakt naar directe en indirecte kosten. 5.Het in het eerste onderscheidenlijk tweede lid bedoelde bedrag wordt betaald binnen zes weken na dagtekening van de beschikking waarbij de betalingsverplichting is opgelegd. 6.Voor zover het bedrag, bedoeld in het eerste onderscheidenlijk tweede lid, niet binnen de in het vijfde lid bedoelde termijn wordt betaald, stuurt de Bank aan betrokkene een schriftelijke aanmaning om binnen twee weken na dagtekening van de aanmaning het verschuldigde bedrag, verhoogd met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de dag waarop de in het vijfde lid bedoelde termijn is verstreken, en verhoogd met de kosten van de aanmaning, alsnog te betalen. De aanmaning bevat de aanzegging, dat het bedrag, voor zover dat niet binnen de in de aanmaning gestelde termijn wordt betaald, overeenkomstig het zevende lid wordt ingevorderd. 7.Bij gebreke van betaling binnen de in de aanmaning gestelde termijn vordert de Bank het bedrag van de aanmaning, verhoogd met de kosten van de invordering, bij dwangbevel in. 8.Het dwangbevel wordt op kosten van de betrokkene bij deurwaardersexploot betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Artikel 59 is van overeenkomstige toepassing. Hoofdstuk6Geheimhoudingsplicht en uitwisseling van gegevens of inlichtingen Artikel18 1.Gegevens of inlichtingen die ingevolge het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde omtrent afzonderlijke geldtransactiekantoren zijn verstrekt of zijn verkregen en gegevens of inlichtingen die van een instantie als bedoeld in artikel 19, eerste en tweede lid, zijn ontvangen, worden niet gepubliceerd en zijn geheim. 2.Het is aan een ieder die uit hoofde van de toepassing van deze landsverordening of van krachtens deze landsverordening genomen besluiten enige taak vervult of heeft vervuld, verboden van gegevens of inlichtingen, die ingevolge deze landsverordening zijn verstrekt of ontvangen, of van gegevens of inlichtingen bij het onderzoek van boeken, bescheiden of andere informatiedragers verkregen, verder of anders gebruik te maken of daaraan verder of anders bekendheid te geven dan voor de uitoefening van zijn taak of door deze landsverordening wordt geëist. 3.De Bank kan, in afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid, ter handhaving van een gezonde financiële sector aangifte doen van een vermoeden van een strafbaar feit. In de gevallen waarin door de Bank aangifte is gedaan, dan wel in de gevallen waarin de Bank wordt opgeroepen om als getuige of deskundige op te treden, kan de Bank in het kader van de opsporing, het gerechtelijk vooronderzoek of de behandeling ter terechtzitting, inlichtingen verschaffen. 4.De Bank kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, met gebruikmaking van gegevens of inlichtingen, verkregen bij de vervulling van de haar ingevolge deze landsverordening opgedragen taak, mededelingen doen, mits deze niet kunnen worden herleid tot afzonderlijke geldtransactiekantoren. Met schriftelijke toestemming van het geldtransactiekantoor dat het aangaat, worden de gegevens of inlichtingen met betrekking tot afzonderlijke geldtransactiekantoren wel gepubliceerd. 5.De Bank kan, in afwijking van het eerste en tweede lid, Meldpunt Ongebruikelijke Transacties, bedoeld in artikel 2 van de Landsverordening Meldpunt Ongebruikelijke Transacties inlichten, indien zij bij de uitoefening van de haar bij deze landsverordening opgedragen taak feiten ontdekt die duiden op witwassen of financiering van terrorisme. Artikel19 1.De Bank kan, in afwijking van artikel 18, eerste en tweede lid, gegevens of inlichtingen, verkregen bij de vervulling van de haar ingevolge deze landsverordening opgedragen taak, verstrekken aan buitenlandse of in Sint Maarten gevestigde toezichthoudende instanties, tenzij: het doel waarvoor de gegevens of inlichtingen zullen worden gebruikt onvoldoende is bepaald; het beoogde gebruik van de gegevens of inlichtingen niet past in het kader van het toezicht op financiële markten of op rechtspersonen, vennootschappen of natuurlijke personen die op die markten werkzaam zijn; de verstrekking van de gegevens of inlichtingen zich niet zou verdragen met de geldende wettelijke regelingen of de openbare orde; de geheimhouding van de gegevens of inlichtingen niet in voldoende mate is gewaarborgd; de verstrekking van de gegevens of inlichtingen redelijkerwijs in strijd is of zou kunnen komen met de belangen die deze landsverordening beoogt te beschermen; of, onvoldoende is gewaarborgd dat de gegevens of inlichtingen niet zullen worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze worden verstrekt. 2.Voor zover de Bank gegevens of inlichtingen van een buitenlandse of in Sint Maarten gevestigde toezichthoudende instantie heeft ontvangen, verstrekt de Bank deze gegevens niet aan een andere buitenlandse of in Sint Maarten gevestigde toezichthoudende instantie tenzij de buitenlandse of in Sint Maarten gevestigde toezichthoudende instantie waarvan de gegevens of inlichtingen zijn verkregen uitdrukkelijk heeft ingestemd met de verstrekking van de gegevens of inlichtingen en in voorkomend geval heeft ingestemd met het gebruik voor een ander doel dan waarvoor de gegevens of inlichtingen zijn verstrekt. 3.Indien een buitenlandse of in Sint Maarten gevestigde toezichthoudende instantie aan de Bank die de gegevens of inlichtingen op grond van het eerste of tweede lid heeft verstrekt, verzoekt om die gegevens of inlichtingen te mogen gebruiken voor een ander doel dan waarvoor zij zijn verstrekt, willigt de Bank dat verzoek slechts in: indien het beoogde gebruik niet in strijd is met het eerste lid of tweede lid of voor zover die toezichthoudende instantie op een andere wijze dan in deze landsverordening voorzien vanuit Sint Maarten met inachtneming van de daarvoor geldende wettelijke procedures voor dat andere doel de beschikking over die gegevens of inlichtingen zou kunnen verkrijgen; en, na overleg met de procureur-generaal indien het in de aanhef bedoelde verzoek betrekking heeft op een onderzoek naar strafbare feiten. 4.De Bank kan tevens, in afwijking van artikel 18, eerste en tweede lid, gegevens of inlichtingen verstrekken aan het openbaar ministerie, Meldpunt Ongebruikelijke Transacties, bedoeld in artikel 2 van de Landsverordening Meldpunt Ongebruikelijke Transacties, of andere autoriteiten belast met opsporing en vervolging, die zij heeft verkregen bij de vervulling van de haar ingevolge deze landsverordening opgedragen taak, voor zover de gegevens of inlichtingen naar het oordeel van de Bank van belang zijn of zouden kunnen zijn voor onderzoeken, dan wel de nog in te stellen onderzoeken van het openbaar ministerie, Meldpunt Ongebruikelijke Transacties, bedoeld in artikel 2 van de Landsverordening Meldpunt Ongebruikelijke Transacties, of andere autoriteiten belast met opsporing en vervolging. 5.De Bank verstrekt tevens, in afwijking van artikel 18, eerste en tweede lid, gegevens of inlichtingen verkregen bij de vervulling van de hem ingevolge deze wet opgedragen taak, aan de Algemene Rekenkamer, voor zover de gegevens of inlichtingen naar het oordeel van de Algemene Rekenkamer noodzakelijk zijn voor de uitoefening van haar wettelijke taak op grond van de artikelen 26 en 42 van de Landsverordening Algemene Rekenkamer. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing. 6.De Algemene Rekenkamer is verplicht tot geheimhouding van de op grond van het vijfde lid ontvangen vertrouwelijke gegevens of inlichtingen en kan die slechts openbaar maken indien deze niet herleid kunnen worden tot afzonderlijke personen. Artikel20 1.De Bank kan ten behoeve van de uitoefening van haar taak op grond van dit hoofdstuk van het geldtransactiekantoor gegevens of inlichtingen vorderen, indien dat voor de vervulling van de taak van een buitenlandse toezichthoudende instantie als bedoeld in artikel 19, eerste lid, nodig is. Artikel 19, eerste lid, en 24, tweede tot en met vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing. 2.Op verzoek van de buitenlandse toezichthoudende instantie, bedoeld in het eerste lid, kan de Bank gegevens of inlichtingen vragen aan of onderzoek instellen of doen instellen bij een ieder die ingevolge deze landsverordening onder haar toezicht valt, dan wel bij een ieder waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat hij over gegevens of inlichtingen beschikt die van belang kunnen zijn voor de verzoekende instantie. 3.Degene aan wie gegevens of inlichtingen als bedoeld in het tweede lid wordt gevraagd, verstrekt deze gegevens of inlichtingen binnen een door de Bank te stellen termijn. 4.Degene bij wie een onderzoek als bedoeld in het tweede lid, wordt ingesteld, verleent alle medewerking die nodig is voor een goede uitvoering van dat onderzoek, met dien verstande dat degene bij wie het onderzoek wordt ingesteld en die niet ingevolge deze landsverordening onder toezicht staat, slechts is gehouden tot het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden. 5.De Bank kan toestaan dat een functionaris van een buitenlandse toezichthoudende instantie als bedoeld in het tweede lid, deelneemt aan de uitvoering van een onderzoek als bedoeld in dat tweede lid. 6.De functionaris van een buitenlandse toezichthoudende instantie waaraan toestemming als bedoeld in het vijfde lid is verleend, volgt de aanwijzingen op van de persoon die met de leiding van het onderzoek is belast en staat onder leiding van deze persoon. Hoofdstuk7Bepalingen van bijzondere aard Artikel21 1.De minister kan, gehoord de Bank, een organisatie van geldtransactiekantoren aanwijzen als representatieve organisatie. 2.De Bank pleegt, zo vaak als zij dit nodig acht, doch ten minste eenmaal per jaar, overleg met de krachtens het eerste lid aangewezen representatieve organisatie omtrent het beleid inzake het toezicht op geldtransactiekantoren. Artikel22 Het is aan een instelling die diensten als bedoeld in de Landsverordening identificatie bij dienstverlening verleent, verboden diensten te verlenen aan een geldtransactiekantoor waarop, naar de instelling weet of redelijkerwijs kan vermoeden, het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van toepassing is. Hoofdstuk8Uitvoering, Toezicht en Opsporing Artikel23 1.Indien de Bank constateert dat een geldtransactiekantoor de bij of krachtens deze landsverordening opgelegde verplichtingen niet naleeft, dan wel de belangen van de klanten of toekomstige klanten van het geldtransactiekantoor anderszins in gevaar brengt of zou kunnen brengen, verzoekt de Bank het geldtransactiekantoor bij aangetekende brief de nodige maatregelen te nemen. Zo nodig doet de Bank haar verzoek vergezeld gaan van een aanwijzing om ten aanzien van met name aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen. Het is het geldtransactiekantoor verboden in strijd met de door de Bank opgelegde maatregelen en aanwijzingen te handelen. 2.Indien naar het oordeel van de Bank onvoldoende, niet, of niet binnen de door haar vastgestelde termijn aan haar verzoek als bedoeld in het eerste lid gevolg is gegeven, kan de Bank: het geldtransactiekantoor bij aangetekende brief aanzeggen dat vanaf een door haar te bepalen tijdstip alle of bepaalde organen van het geldtransactiekantoor hun bevoegdheden slechts mogen uitoefenen na goedkeuring door een of meer door de Bank aangewezen personen en met inachtneming van de opdrachten van deze personen, welke aanzegging ter stond van kracht wordt; het geldtransactiekantoor bij aangetekende brief aanzeggen dat zij zal overgaan tot publicatie van de maatregelen en de aanwijzing, bedoeld in het eerste lid. Deze publicatie geschiedt in de Landscourant, alsmede in een of meer dagbladen ter keuze van de Bank. Bij de publicatie wordt, indien het geldtransactiekantoor zulks verlangt, tevens de correspondentie bekendgemaakt die naar aanleiding van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, tussen de Bank en het geldtransactiekantoor is gevoerd; of, wanneer zij zulks in het belang acht van de klanten of toekomstige klanten van het geldtransactiekantoor met de representatieve organisatie van de groep geldtransactiekantoren waartoe het geldtransactiekantoor behoort, dienaangaande in overleg treden. De Bank doet het geldtransactiekantoor mededeling van het overleg. 3.Indien de Bank bij een geldtransactiekantoor tekenen ontwaart van een ontwikkeling die naar haar oordeel onverwijld ingrijpen noodzakelijk maakt, kan zij, in afwijking van het eerste lid, het geldtransactiekantoor bij aangetekende brief aanzeggen dat zij onmiddellijk uitvoering geeft aan de onderdelen a en c van het tweede lid. De aanzegging wordt eerst van kracht nadat de Bank het geldtransactiekantoor in de gelegenheid heeft gesteld binnen een door de Bank te stellen termijn zijn mening over de onmiddellijke uitvoering te geven. 4.Met betrekking tot de aanzegging, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en het derde lid, is het volgende van toepassing: de organen van het geldtransactiekantoor zijn verplicht de door de Bank aangewezen personen alle medewerking te verlenen, respectievelijk de opdrachten van deze personen uit te voeren; de Bank kan de betrokken organen van het geldtransactiekantoor toestaan bepaalde handelingen zonder de in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde goedkeuring, te verrichten; de door de Bank aangewezen personen oefenen hun bevoegdheden uit gedurende ten hoogste twee jaar na verzending van de aanzegging. De Bank is bevoegd deze termijn te verlengen telkens voor ten hoogste één jaar. Van zodanige verlenging doet de Bank het geldtransactiekantoor mededeling per aangetekende brief; de Bank kan te allen tijde de door haar aangewezen personen door anderen vervangen; voor schade ten gevolge van handelingen verricht in strijd met de aanzegging, zijn degenen die deel uitmaken van het orgaan van het geldtransactiekantoor dat deze handelingen verrichtte, persoonlijk aansprakelijk tegenover het geldtransactiekantoor. Het geldtransactiekantoor kan de ongeldigheid van deze handelingen inroepen, indien de wederpartij wist dat de vereiste goedkeuring ontbrak of daarvan niet onkundig kon zijn. zodra de Bank van oordeel is dat de belangen van de klanten of toekomstige klanten van het geldtransactiekantoor niet langer gevaar lopen, deelt zij het geldtransactiekantoor per aangetekende brief mee dat de betrokken organen van het geldtransactiekantoor hun bevoegdheden weer onbeperkt kunnen uitoefenen. 5.De Bank kan slechts wanneer haar beslissing tot publicatie van de gebeurtenissen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, onherroepelijk is geworden, tot publicatie overgaan. Indien het geldtransactiekantoor na de publicatie alsnog voldoet aan de maatregelen en de gedragslijn, bedoeld in het eerste lid, dan wel indien de maatregelen of de gedragslijn door de Bank worden ingetrokken, geeft de Bank hiervan op dezelfde wijze als bij de voorafgaande publicatie kennis. 6.De kosten en beloning van de door de Bank aangewezen personen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en de kosten van de bekendmakingen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, en het vijfde lid, komen ten laste van het betrokken geldtransactiekantoor. Artikel24 1.Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze landsverordening bepaalde zijn belast de daartoe door de President van de Bank aan te wijzen functionarissen van de Bank. Een zodanige aanwijzing wordt bekendgemaakt in de Landscourant. 2.De krachtens het eerste lid aangewezen functionarissen zijn, uitsluitend voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze noodzakelijk is, bevoegd: alle inlichtingen te vragen; inzage te verlangen van alle boeken, bescheiden en andere informatiedragers en daarvan kopieën te maken of deze daartoe voor dat doel voor korte tijd mee te nemen tegen een door hem af te geven schriftelijk bewijs; zaken aan opneming en onderzoek te onderwerpen, deze daartoe tijdelijk mee te nemen tegen een door hen af te geven schriftelijk bewijs, en daarvan monsters te nemen; alle plaatsen te betreden, eventueel vergezeld van door hen aangewezen personen, met uitzondering van woningen of tot woning bestemde gedeelten van vaartuigen zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner. 3.Een ieder is verplicht aan de krachtens het eerste lid aangewezen functionarissen alle medewerking te verlenen die op grond van het tweede lid wordt gevorderd. 4.Zo nodig, wordt de toegang tot een plaats als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, verschaft met behulp van de sterke arm. Artikel25 1.De Bank kan zich bij het uitoefenen van het toezicht, bedoeld in artikel 24, eerste lid, doen bijstaan, dan wel een zodanig toezicht geheel doen uitvoeren door een door de Bank aan te wijzen externe deskundige of andere deskundigen. De Bank kan de kosten die hiermee verband houden geheel of gedeeltelijk doorberekenen aan het betrokken geldtransactiekantoor. Artikel 24 is van overeenkomstige toepassing. 2.Indien het uitoefenen van het toezicht, bedoeld in artikel 24, eerste lid, dan wel bepaalde werkzaamheden in het kader van een zodanig toezicht door de Bank aan een externe deskundige of aan een andere deskundige worden opgedragen, is deze verplicht zijn bevindingen rechtstreeks en schriftelijk aan de Bank te rapporteren en na verkregen toestemming van de Bank een afschrift daarvan aan het betrokken geldtransactiekantoor te zenden. 3.Het geldtransactiekantoor is op verzoek van de Bank verplicht een erkende deskundige aan te wijzen die rechtstreeks aan de Bank rapporteert over de interne organisatie van het geldtransactiekantoor. Artikel26 De Bank is tevens bevoegd, in het kader van toezichtuitoefening onderzoeken van buitenlandse instanties die met het toezicht op geldtransactiekantoren zijn belast, toe te laten bij in Sint Maarten gevestigde geldtransactiekantoren die onder geconsolideerd toezicht staan van genoemde toezichthouders. De Bank zal in voorkomend geval tevoren voorwaarden stellen aan onderscheidenlijk aanwijzingen geven voor de uitvoering van deze toezichtwerkzaamheden. De functionarissen van de buitenlandse instanties die met het toezicht op geldtransactiekantoren zijn belast, zijn gehouden de aanwijzingen van de Bank stipt te volgen. Artikel27 1.Met de opsporing van de bij of krachtens deze landsverordening strafbaar gestelde feiten zijn, naast de in artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde ambtenaren, belast de daartoe bij landsbesluit aangewezen functionarissen van de Bank. Een zodanige aanwijzing wordt bekendgemaakt in de Landscourant. 2.Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kunnen regels worden gesteld omtrent de vereisten waaraan de krachtens het eerste lid aangewezen functionarissen dienen te voldoen. Hoofdstuk9Last onder dwangsom en bestuurlijke boete Artikel28 Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende: een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding; en, de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd. Artikel29 1.De Bank kan bij overtreding van de voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 2, eerste lid, 7, 8, zesde lid, laatste volzin, zevende en achtste lid, 9, derde en vierde lid, 10, derde lid, laatste volzin, en vierde lid, 12, eerste, tweede en vijfde lid, laatste volzin, 13, eerste, tweede en derde lid, 14, eerste lid, 15, vierde lid, 16, 18, tweede lid, 20, derde en vierde lid, 22, en 23, eerste lid, laatste volzin, en vierde lid, onderdeel a, 24, derde lid, en 25, tweede en derde lid, een last onder dwangsom opleggen. Artikel 1:127 van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing. 2.De last onder dwangsom kan worden opgelegd zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt. 3.De last onder dwangsom omschrijft de te nemen herstelmaatregelen. 4.Bij de last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. 5.Een beslissing tot oplegging van een last onder dwangsom wordt op schrift gesteld en is een beschikking. 6.De Bank stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. 7.Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kan het bedrag waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd, worden bepaald. Artikel30 Een verbeurde dwangsom wordt betaald binnen zes weken nadat zij van rechtswege is verbeurd. Artikel31 1.Indien een last onder dwangsom is opgelegd kan de Bank op verzoek van de overtreder de last opheffen, de looptijd ervan opschorten voor een bepaalde termijn, of de dwangsom verminderen ingeval van blijvende of tijdelijke gehele of gedeeltelijk onmogelijkheid voor die overtreder om aan zijn verplichtingen te voldoen. 2.Indien een last onder dwangsom is opgelegd kan de Bank op verzoek van de overtreder de last opheffen, indien de beschikking één jaar van kracht is geweest zonder dat de dwangsom is verbeurd. Artikel32 In afwijking van artikel 60, eerste lid, verjaart de bevoegdheid tot invordering van een verbeurde dwangsom door verloop van één jaar na de dag waarop zij is verbeurd. Artikel33 Geen last onder dwangsom kan worden opgelegd voor zover voor de overtreding een rechtvaardigingsgrond bestond. Artikel34 1.Alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom beslist de Bank bij beschikking omtrent de invordering van de dwangsom. 2.De Bank geeft voorts een beschikking omtrent de invordering van de dwangsom, indien een belanghebbende daarom verzoekt. 3.De Bank beslist binnen zes weken op het verzoek. Artikel35 1.Indien uit een beschikking tot intrekking of wijziging van de last onder dwangsom voortvloeit dat een reeds gegeven beschikking tot invordering van die dwangsom niet in stand kan blijven, vervalt die beschikking. 2.De Bank kan een nieuwe beschikking tot invordering geven die in overeenstemming is met de gewijzigde last onder dwangsom. Artikel36 1.Een bezwaar, beroep, hoger beroep of een verzoek om schorsing, dan wel voorlopige voorziening gericht tegen de last onder dwangsom heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist. 2.Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba kan beslissen het beroepschrift toe te zenden naar de Bank, overeenkomstig artikel 54 van de Landsverordening administratieve rechtspraak, indien behandeling door de Bank gewenst is. 3.Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een verzoek om schorsing dan wel op een voorlopige voorziening. Artikel37 Onder bestuurlijke boete wordt verstaan: de bestraffende sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom. Artikel38 1.De Bank kan bij overtreding van de voorschriften gesteld bij of krachtens de artikelen 2, eerste lid, 7, 8, zesde lid, laatste volzin, zevende en achtste lid, 9, derde en vierde lid, 10, derde lid, laatste volzin, en vierde lid, 12, eerste, tweede en vijfde lid, laatste volzin, 13, eerste, tweede en derde lid, 14, eerste lid, 15, vierde lid, 16, 18, tweede lid, 20, derde en vierde lid, 22, en 23, eerste lid, laatste volzin, en vierde lid, onderdeel a, 24, derde lid, en 25, tweede en derde lid, een bestuurlijke boete opleggen. Artikel 1:127 van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing. 2.Bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, kan de hoogte en de wijze van bepaling van de bestuurlijke boete voor de verschillende overtredingen worden bepaald. Een op grond van het eerste lid op te leggen bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de vijfde categorie, bedoeld in artikel 1:54, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, of, indien dat meer is, ten hoogste 10% van de omzet van het geldtransactiekantoor in het boekjaar voorafgaande aan de beschikking waarin de bestuurlijke boete wordt opgelegd. 3.Alvorens over te gaan tot oplegging van een boete, stelt de Bank de betrokkene schriftelijk op de hoogte van het voornemen een boete op te leggen onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust. Artikel39 Geen bestuurlijke boete wordt opgelegd, indien: de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten; de overtreder is overleden; aan de overtreder wegens dezelfde overtreding reeds eerder een bestuurlijke boete is opgelegd, dan wel een kennisgeving als bedoeld in artikel 45, derde lid, onderdeel a, is bekendgemaakt; of, een rechtvaardigingsgrond voor de overtreding bestaat. Artikel40 1.Geen bestuurlijke boete wordt opgelegd, indien tegen de overtreder wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, of het recht tot strafvervolging is vervallen ingevolge artikel 1:149 van het Wetboek van Strafrecht. 2.Indien de gedraging tevens een strafbaar feit is, wordt zij aan de officier van justitie voorgelegd, tenzij bij wettelijk voorschrift is bepaald, dan wel met het openbaar ministerie is overeengekomen, dat daarvan kan worden afgezien. 3.Voor een gedraging die aan de officier van justitie moet worden voorgelegd, legt de Bank slechts een bestuurlijke boete op indien: de officier van justitie aan de Bank heeft medegedeeld ten aanzien van de overtreder van strafvervolging af te zien; of, de Bank niet binnen dertien weken een reactie van de officier van justitie heeft ontvangen. Artikel41 1.Een bestuurlijke boete vervalt, indien zij op het tijdstip van het overlijden van de overtreder niet onherroepelijk is. Een onherroepelijke bestuurlijke boete vervalt voor zover zij op dat tijdstip nog niet is betaald. 2.Een reeds opgelegde bestuurlijke boete vervalt, indien het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba met toepassing van artikel 25 van het Wetboek van Strafvordering de vervolging van de overtreder voor dat feit beveelt. 3.De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke boete vervalt vijf jaren nadat de overtreding heeft plaatsgevonden. 4.Indien tegen de bestuurlijke boete bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt ingesteld, wordt de vervaltermijn, bedoeld in het derde lid, opgeschort tot onherroepelijk op het bezwaar of beroep is beslist. Artikel42 1.Indien de personen, bedoeld in artikel 24, eerste lid, een bepaalde natuurlijke persoon of rechtspersoon verhoren met het oog op het aan hem opleggen van een bestuurlijke boete, is deze niet verplicht ten behoeve daarvan verklaringen omtrent de overtreding af te leggen. De betrokkene wordt hiervan in kennis gesteld voordat hij mondeling ter zake om informatie wordt gevraagd. 2.Indien beroep is ingesteld tegen een bestuurlijke boete is de partij aan wie de boete is opgelegd niet verplicht omtrent de overtreding verklaringen af te leggen. Artikel43 1.De Bank of de personen, bedoeld in artikel 24, eerste lid, maken van de overtreding een rapport op. 2.Het rapport is gedagtekend en vermeldt in ieder geval: de naam van de overtreder; de overtreding, alsmede het overtreden voorschrift; zo nodig een aanduiding van de plaats waar en het tijdstip of de periode waarop de overtreding is geconstateerd. 3.Een afschrift van het rapport wordt uiterlijk bij de bekendmaking van de beschikking tot oplegging van de bestuurlijke boete aan de overtreder toegezonden of uitgereikt. 4.Indien van de overtreding een proces-verbaal als bedoeld in artikel 186 van het Wetboek van Strafvordering is opgemaakt, treedt dit voor de toepassing van dit hoofdstuk in de plaats van het rapport. 5.Het rapport is opgesteld in de Nederlandse of de Engelse taal. Artikel44 1.De Bank stelt de overtreder desgevraagd in de gelegenheid de gegevens waarop het opleggen van de bestuurlijke boete, dan wel het voornemen daartoe, berust, in te zien en daarvan afschriften te vervaardigen. De Bank kan beslissen om bepaalde stukken van kennisneming uit te zonderen in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, of op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend. 2.Voor zover blijkt dat de verdediging van de overtreder dit redelijkerwijs vergt, draagt de Bank er zoveel mogelijk zorg voor dat deze gegevens aan de overtreder worden medegedeeld in een voor deze begrijpelijke taal. Artikel45 1.De Bank kan de overtreder in de gelegenheid stellen over het voornemen tot opleggen van een bestuurlijke boete zijn zienswijze naar voren te brengen. 2.Op het moment dat de overtreder in de gelegenheid wordt gesteld over het voornemen tot het opleggen van een bestuurlijke boete zijn zienswijze naar voren te brengen: wordt het rapport reeds bij de uitnodiging daartoe aan de overtreder toegezonden of uitgereikt; en, zorgt de Bank voor bijstand door een tolk, indien blijkt dat de verdediging van de overtreder dit redelijkerwijs vergt. 3.Indien de Bank nadat de overtreder zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, beslist dat: voor de overtreding geen bestuurlijke boete zal worden opgelegd, of de overtreding alsnog aan de officier van justitie zal worden voorgelegd, wordt dit schriftelijk aan de overtreder medegedeeld. Artikel46 1.Een beschikking tot oplegging van een bestuurlijke boete vermeldt in ieder geval: het feit ter zake waarvan de boete wordt opgelegd, alsmede het overtreden voorschrift; de te betalen geldsom, alsmede een toelichting op de hoogte daarvan; en, de termijn, bedoeld in artikel 50, waarbinnen de boete moet worden betaald. 2.Op verzoek van de overtreder die de beschikking wegens zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse of Engelse taal onvoldoende begrijpt, draagt de Bank er zoveel mogelijk zorg voor dat de inhoud van de beschikking aan de betrokkene wordt meegedeeld in een voor hem begrijpelijke taal. Artikel47 De werkzaamheden in verband met het opleggen van een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van de overtreding en het daaraan voorafgaande onderzoek. Hoofdstuk10Geldschulden en verjaring Artikel48 Dit hoofdstuk is van toepassing op geldschulden die voortvloeien uit de last onder dwangsom en de bestuurlijke boete. Artikel49 1.De verplichting tot betaling van een geldsom wordt bij beschikking vastgesteld. 2.De beschikking vermeldt in ieder geval: de te betalen geldsom; en, de termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden. Artikel50 1.Behoudens ingeval artikel 30 toepassing vindt, geschiedt de betaling binnen zes weken nadat de beschikking op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, tenzij de beschikking een later tijdstip vermeldt. 2.Bij of krachtens landsbesluit kan een ander termijn voor de betaling worden vastgesteld. Artikel51 1.Betaling geschiedt aan een door de Bank te bepalen kantoor dan wel door bijschrijving op een daartoe door de Bank bestemde bankrekening. 2.Betaling geschiedt in Nederlands-Antilliaanse guldens, tenzij door de Bank anders is bepaald. 3.De betaling heeft plaats op het tijdstip waarop de betaling aan het kantoor wordt verricht dan wel in geval van bijschrijving de rekening van de Bank wordt gecrediteerd. 4.De kosten van betaling komen ten laste van de overtreder. Artikel 52

  1. De overtreder is in verzuim indien hij niet binnen de voorgeschreven termijn van zes weken heeft betaald.
  2. Het verzuim heeft de verschuldigdheid van wettelijke rente tot gevolg overeenkomstig de artikelen 119, eerste en tweede lid, en 120, eerste lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek.
  3. De Bank stelt het bedrag van verschuldigde wettelijke rente bij beschikking vast. Artikel53 1.De Bank maant de overtreder die in verzuim is schriftelijk aan tot betaling binnen twee weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de aanmaning is toegezonden. 2.De aanmaning vermeldt dat bij niet tijdige betaling deze kan worden afgedwongen door op kosten van de overtreder uit te voeren invorderingsmaatregelen. 3.De Bank kan voor de aanmaning een vergoeding in rekening brengen. De vergoeding wordt in de aanmaning vermeld. Artikel54 1.De Bank kan een dwangbevel uitvaardigen. 2.Een dwangbevel levert een executoriale titel op, die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden tenuitvoergelegd. 3.Een dwangbevel wordt slechts uitgevaardigd wanneer binnen de aanmaningstermijn, bedoeld in artikel 53, eerste lid, niet volledig is betaald. Artikel55 1.Bij het dwangbevel kunnen tevens de aanmaningsvergoeding, de wettelijke rente en de kosten van het dwangbevel worden ingevorderd. 2.Het dwangbevel kan betrekking hebben op verschillende verplichtingen tot betaling van een geldsom door de overtreder aan de Bank. 3.De betekening en de tenuitvoerlegging van het dwangbevel geschieden op kosten van degene tegen wie het is uitgevaardigd. 4.De kosten zijn ook verschuldigd indien het dwangbevel door betaling van verschuldigde bedragen niet of niet volledig ten uitvoer is gelegd. Artikel56 1.Het dwangbevel vermeldt in ieder geval: aan het hoofd het woord: dwangbevel; het bedrag van de invorderbare hoofdsom; de beschikking of het wettelijk voorschrift waaruit de geldschuld voortvloeit; de kosten van het dwangbevel; en, dat het op kosten van degene tegen wie het dwangbevel is uitgevaardigd ten uitvoer kan worden gelegd. 2.Het dwangbevel vermeldt, indien van toepassing: het bedrag van de aanmaningsvergoeding; en, de ingangsdatum van de wettelijke rente. Artikel57 1.De bekendmaking van een dwangbevel geschiedt door middel van de betekening van een exploot als bedoeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 2.Het exploot vermeldt in ieder geval de gerechtelijke instantie waarbij tegen het dwangbevel en de tenuitvoerlegging ervan overeenkomstig de artikelen 438 en 438a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden opgekomen. Artikel58 De Bank beschikt ten aanzien van de invordering ook over de bevoegdheden die een schuldeiser op grond van het privaatrecht heeft. Artikel59 1.Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de Bank. 2.Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Op verzoek van de minister kan de rechter de schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen. Artikel60 1.De rechtsvordering tot betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 48, behoudens indien deze voortvloeit uit een last onder dwangsom, verjaart vijf jaren nadat de voorgeschreven betalingstermijn is verstreken. 2.Na voltooiing van de verjaring kan de Bank zijn bevoegdheden tot aanmaning en tot uitvaardiging en tenuitvoerlegging van een dwangbevel niet meer uitoefenen. Artikel61 1.De verjaring wordt gestuit door een daad van rechtsvervolging overeenkomstig artikel 316, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 316, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek is van overeenkomstige toepassing. 2.Erkenning van het recht op betaling stuit de verjaring van de rechtsvordering tegen hem die het recht erkent. 3.De Bank kan de verjaring ook stuiten door een aanmaning als bedoeld in artikel 53, eerste lid, of door een daad van tenuitvoerlegging van een dwangbevel. Artikel62 1.Door stuiting van de verjaring begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen met de aanvang van de volgende dag. 2.De nieuwe termijn is gelijk aan de oorspronkelijke termijn, doch niet langer dan vijf jaren. 3.Wordt de verjaring echter gestuit door het instellen van een eis die door toewijzing wordt gevolgd, dan is artikel 324 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing. Artikel63 1.De verjaringstermijn van de rechtsvordering tot betaling aan de Bank wordt verlengd met de tijd gedurende welke de overtreder na de aanvang van die termijn uitstel van betaling heeft. 2.Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, indien: de overtreder in surseance van betaling verkeert; de overtreder in staat van faillissement verkeert; of, de tenuitvoerlegging van een dwangbevel is geschorst ingevolge een lopend rechtsgeding, met dien verstande dat de termijn waarmee de verjaringstermijn wordt verlengd een aanvang neemt op de dag waarop het rechtsgeding door middel van dagvaarding aanhangig wordt gemaakt. Hoofdstuk11Openbaarmaking van overtredingen Artikel64 1.De Bank kan, in afwijking van artikel 18, eerste en tweede lid, teneinde de naleving van deze landsverordening te bevorderen, ter openbare kennis brengen het feit ter zake waarvan een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete is opgelegd, alsmede het overtreden voorschrift. Indien het doel van het door de Bank uit te oefenen toezicht op de naleving van deze landsverordening zulks bepaaldelijk vordert en zich daartegen geen zwaarwegende belangen verzetten, waaronder die van degene aan wie de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, kan de Bank de naam, het adres en de woonplaats van degene aan wie de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd ter openbare kennis brengen. 2.De openbaarmaking, bedoeld in het eerste lid, geschiedt digitaal op de website van de Bank dan wel op een andere door de Bank te bepalen wijze. Artikel65 Degene jegens wie door de Bank een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat de Bank zijn handelen of nalaten op grond van artikel 64 ter openbare kennis zal brengen, is niet verplicht ter zake daarvan enige verklaring af te leggen. Hij wordt hiervan in kennis gesteld alvorens hem mondeling om informatie wordt gevraagd. Artikel66 1.De Bank geeft, indien zij voornemens is op grond van artikel 64 een feit ter openbare kennis te brengen, de betrokkene daarvan schriftelijk kennis onder vermelding van de gronden waarop het voornemen berust. 2.De Bank kan de betrokkene in de gelegenheid stellen om over het voornemen tot openbaarmaking van overtredingen als bedoeld in artikel 64 zijn zienswijze naar voren te brengen. 3.De Bank is niet gehouden de betrokkene in de gelegenheid te stellen om zijn zienswijze naar voren te brengen, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen. Artikel67 De beschikking om op grond van artikel 64 een feit ter openbare kennis te brengen vermeldt in ieder geval: het feit dat ter openbare kennis wordt gebracht; de wijze waarop het feit ter openbare kennis wordt gebracht; en, de termijn waarna het feit ter openbare kennis wordt gebracht. Artikel68 Tenzij de bevordering van de naleving van deze landsverordening geen uitstel toelaat, wordt de werking van de beschikking om op grond van artikel 64 een feit ter openbare kennis te brengen opgeschort totdat de bezwaar- of beroepstermijn is verstreken of, indien bezwaar of beroep is ingesteld, op het bezwaar of beroep is beslist. Artikel69 De beschikking treedt in werking op de dag waarop het feit ter openbare kennis is gebracht zonder dat de werking op grond van artikel 68 wordt opgeschort, indien van de betrokkene geen adres bekend is en het adres ook niet met een redelijke inspanning kan worden verkregen. Artikel70 1.De bevoegdheid om op grond van artikel 64 een feit ter openbare kennis te brengen vervalt, indien ter zake van het feit een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvordering is vervallen ingevolge artikel 1:149 van het Wetboek van Strafrecht. 2.Het recht tot strafvervolging met betrekking tot een feit als bedoeld in artikel 64 vervalt, indien de Bank het feit reeds ter openbare kennis heeft gebracht. Artikel71 1.De bevoegdheid om op grond van artikel 64 een feit ter openbare kennis te brengen vervalt één jaar na de dag waarop het feit heeft plaatsgehad. 2.De termijn, genoemd in het eerste lid, wordt gestuit door bekendmaking van de beschikking waarbij het feit ter openbare kennis wordt gebracht. Artikel72 De werkzaamheden in verband met het op grond van artikel 64 ter openbare kennis brengen van een feit worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van het feit en het daaraan voorafgaande onderzoek. Artikel73 Door de minister en de Minister van Justitie gezamenlijk kunnen regels worden gesteld ter zake van de uitoefening van de bevoegdheden, genoemd in de Hoofdstukken 9 en
  4. Hoofdstuk12Strafbepalingen Artikel74 1.Handelen in strijd met enig voorschrift, gegeven bij of krachtens de artikelen 2, eerste lid, 7, 8, zesde lid, laatste volzin, zevende en achtste lid, 9, derde en vierde lid, 10, derde lid, laatste volzin, en vierde lid, 12, eerste, tweede en vijfde lid, laatste volzin, 13, eerste, tweede en derde lid, 14, eerste lid, 15, vierde lid, 16, 18, tweede lid, 20, derde en vierde lid, 22 en 23, eerste lid, laatste volzin, tweede lid, onderdeel a, en vierde lid, onderdeel a, 24, derde lid, en 25, tweede en derde lid, wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste één jaar en geldboete van de vijfde categorie dan wel met één van beide straffen. 2.Opzettelijk handelen in strijd met de voorschriften, genoemd in het eerste lid, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaar en geldboete van de zesde categorie dan wel met één van beide straffen. 3.De in het eerste lid strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen en de in het tweede lid strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven. Hoofdstuk13Verplichtingen van de Bank Artikel75 De Bank draagt zorg voor de openbaarmaking van de voorschriften, bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, 10, eerste lid, en 14, tweede lid, daaronder begrepen de plaatsing van die voorschriften in het Afkondigingsblad, en elektronisch op de website van de Bank, eveneens met vermelding van datum van uitgifte. Artikel76 1.De Bank legt de algemeen verbindende voorschriften, bedoeld in deze landsverordening, ter goedkeuring voor aan de minister. 2.De voordracht tot publicatie van de algemeen verbindende voorschriften wordt niet eerder gedaan dan nadat deze zijn goedgekeurd door de minister. 3.De minister kan in het geval dat de algemeen verbindende voorschriften in strijd zijn met het recht en de Bank de geconstateerde onvolkomenheid na overleg niet heeft weggenomen, weigeren de goedkeuring te verlenen. Het besluit tot onthouding van goedkeuring is met redenen omkleed en bepaalt de gevolgen daarvan. 4.De goedkeuring wordt geacht te zijn gegeven indien de minister binnen vier weken na het overleggen van de algemeen verbindende voorschriften, niet heeft gereageerd. Artikel77 Indien een door de Bank vastgestelde verordening naar het oordeel van de minister in strijd is met het recht, kan de regering de verordening geheel of gedeeltelijk vernietigen wegens strijd met het recht, de Raad van Advies gehoord. Het landsbesluit tot vernietiging is met redenen omkleed en bepaalt de gevolgen daarvan. Hoofdstuk14Wijziging van andere wettelijke regelingen Artikel78 De Kader-vaststellingslandsverordening centrale bank, geldstelsel, deviezenverkeer en wisselkoers wordt als volgt gewijzigd: In artikel 1, eerste lid, wordt ”artikel 88/103 van de Staatsregeling” vervangen door: artikel 103, eerste lid, van de Staatsregeling. Artikel79 Het Centrale Bank-Statuut voor Curaçao en Sint Maarten wordt als volgt gewijzigd: In het tweede lid van artikel 8 wordt een puntkomma na onderdeel g ingevoegd, gevolgd door: en,. Hoofdstuk11Slot- en overgangsbepalingen Artikel80 1.Het verbod, bedoeld in artikel 2, eerste lid, blijft voor wat betreft de geldtransactiekantoren die reeds als zodanig werkzaam zijn en die in het bezit zijn van een deviezenvergunning van de Bank, buiten toepassing tot drie maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2, eerste lid. 2.Ten aanzien van geldtransactiekantoren die binnen drie maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van deze landsverordening een aanvraag voor een vergunning bij de Bank hebben ingediend, blijft het verbod in artikel 2, eerste lid, buiten toepassing tot de tweede dag nadat de Bank zijn beslissing op de aanvraag heeft verzonden. Artikel81 Deze landsverordening treedt in werking op een bij landsbesluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. Artikel82 Deze landsverordening wordt aangehaald als: Landsverordening toezicht geldtransactiekantoren. Deze landsverordening wordt met de memorie van toelichting in het Afkondigingsblad geplaatst. Gegeven te Philipsburg, de achtentwintigste december 2017De Gouverneur van Sint MaartenDe vierde januari 2018 De Minister van FinanciënDe zesentwintigste januari 2018 De Minister van Algemene ZakenUitgegeven de eenendertigste januari 2018De Minister van Algemene Zaken Namens deze,Hoofd Afdeling Juridische Zaken & WetgevingMEMORIE VAN TOELICHTING Algemeen deel Inleiding De Kader-vaststellingslandsverordening centrale bank, geldstelsel, deviezenverkeer en wisselkoers bevat in artikel 4 de goedkeuring van de onderlinge regeling inzake een gemeenschappelijke centrale bank van Curaçao en Sint Maarten. Het ontwerp van deze regeling was opgenomen in de bij die landsverordening behorende bijlage
  5. Die onderlinge regeling, als bedoeld in artikel 38, eerste lid van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, regelende een Gemeenschappelijke Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten heeft als citeertitel “Centrale Bank-statuut voor Curaçao en Sint Maarten”, hierna te noemen: Centrale Bank-statuut. Artikel 8, tweede lid, van het Centrale Bank-statuut luidt, verkort weergegeven: De Bank oefent volgens bij eenvormige landsverordening te stellen regels toezicht uit op: de geldtransactiekantoren. Curaçao is Sint Maarten voorgegaan. Op 1 maart 2015 is in Curaçao de Landsverordening toezicht geldtransactiekantoren in werking getreden. Zie voor de schriftelijke gedachtewisseling in de Staten van Curaçao Zitting 2013-2014-042 1 www.parlamento.cw. De landsverordening is gepubliceerd in het Publicatieblad 2014, no.
  6. Die landsverordening is inmiddels gewijzigd door de Landsverordening actualisering en harmonisatie toezichtlandsverordeningen Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten (hierna: Harmonisatielandsverordening) van Curaçao. Het ontwerp van de Harmonisatielandsverordening is op 9 november 2015 door de Staten aanvaard en is op 5 december 2015 in werking getreden. Zie voor de schriftelijke gedachtewisseling in de Staten van Curaçao Zitting 2015-2016-069 2 www.parlamento.cw. Deze wijziging is reeds volledig verwerkt in het onderhavige ontwerp van landsverordening. Het ontwerp van landsverordening is in nauwe ambtelijke afstemming tussen Curaçao en Sint Maarten tot stand gekomen. De wetgevingsjuristen die in Sint Maarten en Curaçao belast waren met de voorbereiding van de ontwerplandsverordening hebben wederzijds suggesties tot aanpassing van het ontwerp kunnen doen. De Centrale Bank heeft als centraal coördinatiepunt steeds contact onderhouden met de beide ministers van Financiën en met de betrokken wetgevingsjuristen in beide landen. Gezien de eis in het Centrale Bank-statuut dat de regels betreffende het toezicht op geldtransactiekantoren bij eenvormige landsverordening worden vastgesteld, heeft de regering ervoor gekozen om de landsverordening van Curaçao vrijwel letterlijk over te nemen. Daarmee is de ontwerplandsverordening eenvormig. Datzelfde geldt voor de memorie van toelichting. Er zijn enkele uitzonderingen hierop. Deze vloeien voort uit de specifieke situatie in Sint Maarten, die afwijkt van Curaçao. Deze afwijkingen doen daardoor geen afbreuk aan de eenvormigheid. De belangrijkste zijn: De Staatsregeling van Sint Maarten geeft in artikel 98 enkele voorschriften inzake zelfstandige bestuursorganen en hun verordenende bevoegdheid. De Centrale Bank is een zelfstandig bestuursorgaan, zo is met zoveel woorden bepaald in artikel 1, vijfde lid, van de Kader-vaststellingslandsverordening centrale bank, geldstelsel, deviezenverkeer en wisselkoers. Het is derhalve noodzakelijk om terdege rekening te houden met hetgeen in de Staatsregeling omtrent zelfstandige bestuursorganen is bepaald. Dat heeft ertoe geleid dat in artikel 9, eerste lid, met zoveel woorden de verordenende bevoegdheid van de Bank als zelfstandig bestuursorgaan is vermeld. In artikel 43, vijfde lid, is opgenomen dat een rapport van een toezichthouder in de Engelse of de Nederlandse taal moet worden opgesteld, en in artikel 46, tweede lid is een voorziening opgenomen voor het geval een overtreder die talen onvoldoende begrijpt. Dit vloeit voort uit het feit dat deze talen in artikel 1, tweede lid van de Staatsregeling als de officiële talen in Sint Maarten zijn aangeduid, terwijl in de Curaçaose landsverordening wordt verwezen naar de Landsverordening officiële talen. Artikel 76, vijfde lid, is niet overgenomen uit de landsverordening van Curaçao. Dat artikellid stelt regels omtrent de vernietiging van een verordening. Wetgevende maatregelen van de Bank, die “in strijd zijn met het recht of het algemeen belang”, kunnen door de regering worden geschorst en vernietigd. Artikel 98, vierde lid, van de Staatsregeling bepaalt echter dat vernietiging alleen mogelijk is wegens strijd met het recht. Om deze reden wordt in de voorgestelde tekst van artikel 77 aangesloten bij de tekst van de Staatsregeling van Sint Maarten, die op deze punten nu eenmaal afwijkt van de tekst van de Staatsregeling van Curaçao. Het landsbesluit, houdende algemene maatregelen, bedoeld in artikel 3, tweede lid, is in dit ontwerp facultatief en niet verplicht. De reden is dat in Curaçao tot op heden een dergelijk landsbesluit, houdende algemene maatregelen, ontbreekt. De relatie met het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties (hierna: het Meldpunt, bedoeld in artikel 2, van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties) is strakker vormgegeven. Zo is in artikel 8, eerste lid, onder g, opgenomen dat handelen in strijd met de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties reden is voor het intrekken van de vergunning van een geldtransactiekantoor. Voorts heeft het feit dat in Sint Maarten een ontwerp van de Landsverordening bestuurlijke handhaving is opgesteld, geleid tot enkele aanpassingen. Over die ontwerplandsverordening heeft de Raad van Advies op 17 november 2015 een positief advies uitgebracht. Het ontwerp is op 5 augustus 2016 bij de Staten binnengekomen, Statenstuk nummer
  7. Vanwege de eis van eenvormigheid zijn nagenoeg alle artikelen betreffende het toezicht en de handhaving onverkort overgenomen uit de landsverordening van Curaçao. Artikel 29, laatste lid, is niet letterlijk overgenomen uit de landsverordening van Curaçao. Dat lid bevat een delegatiebepaling om bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, het bedrag vast te stellen waarboven geen dwangsommen meer worden verbeurd. Die bepaling ontbreekt in het ontwerp van de Landsverordening bestuurlijke handhaving in Sint Maarten. De reden daarvan is dat reeds in artikel 26, derde lid, van dat ontwerp is bepaald dat de bedragen van een opgelegde dwangsom in redelijke verhouding moeten staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. Dit voorschrift wordt voldoende geacht om een exorbitant hoge dwangsommen te voorkomen. Maar, om geen onnodige verschillen te doen ontstaan, is de delegatiebepaling desalniettemin in facultatieve vorm overgenomen uit de landsverordening van Curaçao; dat betekent dat áls een dergelijk landsbesluit, houdende algemene maatregelen, in Curaçao tot stand komt, de mogelijkheid bestaat om deze uitvoeringsmaatregel onverkort over te nemen als dat zinvol wordt geacht. Een vergelijkbare aanpassing is dat in artikel 38, tweede lid, wordt voorgesteld om de maximale bestuurlijke boete niet verplicht, maar facultatief bij landsbesluit, houdende algemene maatregelen, te bepalen. Het wordt efficiënter geacht om dat maximum in de landsverordening zelf te bepalen. Daartoe is het standaardartikel gekopieerd dat hiervoor wordt gebezigd in de Harmonisatielandsverordening. Een volgende afwijking is dat in artikel 43, eerste lid, wordt voorgesteld dat een toezichthouder in alle gevallen een rapport van bevindingen moet opmaken indien hij een overtreding heeft geconstateerd. In Curaçao is dat facultatief gesteld. Echter, in artikel 12 van de ontwerp Landsverordening bestuurlijke handhaving is voorgesteld dat in alle gevallen een rapport moet worden opgesteld na de constatering van de overtreding van een wettelijk voorschrift. In dat ontwerp worden diverse rechtsgevolgen aan zo’n rapport verbonden. En bovendien acht de regering het opstellen van een rapport van groot belang in het kader van de transparantie van het openbaar bestuur. Het ontwerp van de Harmonisatielandsverordening is op 29 april 2015 ingediend bij de Staten van Curaçao, op 9 november 2015 door de Staten aanvaard, en bekendgemaakt in Publicatieblad 2015, no.
  8. Het ontwerp is gewijzigd bij nota van wijziging van de regering. Het ontwerp is eveneens gewijzigd door een amendement van de partij PAIS betreffende de openbaarmaking van een opgelegde bestuurlijke boete of last onder dwangsom; hierop wordt nader ingegaan in de artikelsgewijze toelichting op artikel
  9. De Harmonisatielandsverordening wijzigt ook de Landsverordening toezicht geldtransactiekantoren van Curaçao. Aangezien de Harmonisatie-landsverordening van Curaçao al in werking is getreden, is het onderhavige ontwerp van landsverordening van Sint Maarten eenvormig gemaakt aan de landsverordening van Curaçao. Er zijn slechts enkele uitzonderingen, zoals het feit dat in de wetgeving van Sint Maarten nergens gewerkt wordt met de term “hier te lande”, wat in de Curaçaose wetgeving vaak voorkomt. In plaats daarvan wordt het land Sint Maarten met name genoemd. Of zoals het feit dat in Sint Maarten de Landscourant wettelijk is geregeld, terwijl in de Curaçaose wetgeving gewerkt wordt met de term “het blad waarin van Landswege de officiële berichten worden geplaatst”. Tot slot wordt er op gewezen dat de memorie van toelichting alleen op die plaatsen is aangepast waar dat noodzakelijk was vanwege de boven weergegeven wijzigingen, en vanwege het specifiek voor Sint Maarten opgestelde Mutual Evaluation Report van de Caribbean Financial Action Task Force, hierna te noemen: CFATF. Op dat rapport wordt hieronder nader ingegaan. Aanleiding In het Financial Action Task Force on Money Laundering (hierna te noemen: FATF) evaluatierapport van 1999 van het voormalige Land Nederlandse Antillen werd aanbevolen om een toezichtregime voor geldtransactiekantoren te introduceren, omdat deze instellingen gemakkelijk kunnen worden misbruikt voor het witwassen van misdaadgelden. Gesteld kan worden dat de geldtransactiekantoren al vóór de introductie van een toezichtregime, zoals door het FATF voorgesteld, aan enige vorm van toezicht onderworpen waren. De geldtransactiekantoren waren namelijk onderworpen aan de regels van de Bank van de Nederlandse Antillen, in het bijzonder aan de voorwaarden waaronder een machtiging wordt verleend om als deviezenbank werkzaam te zijn. De Bank van de Nederlandse Antillen fungeerde als centrale bank van de Nederlandse Antillen en als toezichthouder op financiële instellingen in de Nederlandse Antillen tot de ingangsdatum van de ontmanteling van de Nederlandse Antillen. Met ingang van 10 oktober 2010 wordt het toezicht uitgeoefend door de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten (hierna te noemen: de Bank). De bevoegdheden van de Bank om adequaat integriteitstoezicht op geldtransactiekantoren uit te oefenen, zijn evenwel zeer beperkt. Eén van de doelstellingen van deze landsverordening is dan ook een toezichtregime te introduceren waarbij maatregelen getroffen kunnen worden om het gebruik van geldtransactiekantoren voor witwaspraktijken of de financiering van terrorisme te voorkomen of te beperken. Door middel van geldtransactiekantoren kan namelijk op snelle en goedkope wijze geld worden verplaatst. Hierbij is het papierenspoor en het administratieve traject niet altijd goed te volgen, waardoor terroristen en criminelen kiezen voor deze vorm van geldverplaatsing. Het waarborgen van de integriteit van het financiële stelsel, door onder meer het tegengaan van witwassen en van het financieren van terroristische misdrijven, is internationaal en lokaal van groot belang. Speciale aanbeveling VI van de FATF (thans: aanbeveling 14) schrijft dan ook voor dat geldtransactiekantoren aan een toezichtregime moeten zijn onderworpen. Speciale aanbeveling VI (thans: aanbeveling 14) luidt: “
  10. Alternatieve geldtransacties Elk land dient maatregelen te nemen teneinde te waarborgen dat personen of juridische entiteiten, met inbegrip van agenten die diensten aanbieden op het gebied van de overmaking van geld of geldswaarden, met inbegrip van overmaking via een informeel transactiesysteem of -netwerk voor geld of geldswaarden, een vergunning dienen te hebben of dienen te zijn geregistreerd en dat op hen alle FATF-aanbevelingen van toepassing zijn die gelden voor banken en niet-bancaire financiële instellingen. Elk land dient te waarborgen dat op personen of juridische entiteiten die deze diensten illegaal verrichten bestuursrechtelijke, civiele of strafrechtelijke sancties van toepassing zijn.” Door als doelstelling van de Landsverordening toezicht geldtransactiekantoren ook het tegengaan van het financieren van terroristische misdrijven op te nemen, wordt het toezicht structureel verbreed en zal het bestrijden van terroristische misdrijven een duurzaam karakter krijgen ten aanzien van geldtransactiekantoren. Als terroristische misdrijven in de zin van deze wet worden de misdrijven omschreven in de artikelen 1:202 tot en met 1:204 van het Wetboek van Strafrecht. De strafbaarstelling van terroristische misdrijven heeft zijn plaats in diverse andere artikelen gevonden; voor een overzicht daarvan wordt verwezen naar artikel 1:4, onder m, van dat Wetboek. De financiering van terrorisme is strafbaar gesteld in artikel 2:55, en voor een overzicht wordt verwezen naar artikel 1:4, onder n, van het Wetboek van Strafrecht. Voorts is van belang dat de CFATF halfjaarlijks de voortgang toetst in het streven van Sint Maarten om te bereiken dat alle wet- en regelgeving voldoet aan de aanbevelingen van de FATF. In het vijfde Follow Up Report aangaande het wegwerken van de geconstateerde tekortkomingen in alle wet- en regelgeving van mei 2015 wordt het volgende gesteld over aanbeveling 23 (thans aanbeveling 26): “
  11. Key deficiencies identified for this Recommendation, included: the need to prevent unlicensed Money Transfer Companies (MTC) to operate in Sint Maarten, a low number of inspections on existing MTCs, to implement a regulatory and supervisory regime for factoring services as indicated in the MER, and to implement a risk based approach system to adequately ponder AML/CTF risks and focus the onsite inspections.
  12. For the third follow-up report, the Authorities indicated that unlicensed MTCs would be closed by the Public Prosecutors Office (PPO). For the current follow-up report, the Authorities updated that this matter is being revised by the PPO. For the last report, it was also updated that during 2013 the Central Bank performed 3 on-site visits to MTCs and regarding factoring services, the Central Bank conducted a thorough risk assessment of the factoring services and reached the conclusion that the business is exposed to very low risk with reference to AML/CFT. Notwithstanding the above, the development of a risk based approach system was being implemented in order to determine the AML/CFT focus of onsite inspections as well. For this follow-up report, there are no new updates to this Recommendation. According with the above mentioned circumstances, this Recommendation remains outstanding.” Ten aanzien van aanbeveling 27 (thans aanbeveling 30) werd het volgende geconstateerd: “
  13. Regarding to the need of licensing of the MTCs, as indicated in the previous follow-up report, ‘het Meldpunt, bedoeld in artikel 2, van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties’ started discussions with the PPO and expected that the PPO would close the MTCs operating without license. For the last follow-up report, the Authorities indicated that the CBCS discontinued the licensing process with the MTC in question. The PPO was informed by the CBCS of the illegally operation MTC. The MOT is responsible for the reporting of unusual transactions by service providers. From this perspective the MOT approaches all MTC’s to urge them to report the unusual transactions. There is no new update regarding the operation of MTCs without licences, for this report, the PPO is reviewing the case. This Recommendation remains not fully met.” Ten aanzien van aanbeveling 40 werd onder meer het volgende gesteld: “
  14. Regarding Recommendation 40, the Authorities indicated that domestic laws, with the exception of the Regulations for Foreign Exchange Transactions for Curaçao and Sint Maarten (RFETCSM) do not allow for the CBCS to undertake investigations on behalf of their foreign counterparts. For the second follow-up report the Authorities updated that the draft Harmonization Law (supervision of financial institutions) provides for foreign supervisors to operate under CBCS supervision. The Supervision Law on MTC’s also provides for this.
  15. With regard the ability to provide international cooperation with/to their foreign counterparts, by all law enforcement entities, the Authorities referred to articles 183 – 185, 521 and 522 of the current CPC. The translation of these articles was provided by the Authorities on May 13th,
  16. Articles 183, 184, and 185 of the CPC, describe the different authorities that interact and that are entrusted functions related with the investigation and prosecution of criminal offenses, including officers, Attorney General and police agents, among others. Articles 521 and 522, refer to the possibility of pursuing investigations outside the Netherland Antilles, but only with regard to persons arrested, objects seized or equivalent crimes, within the territory.
  17. This provides in a way, a framework for international cooperation, although very limited. It is also mentioned, that any cooperation will be subject to limitations established by International and Inter-Regional Law.
  18. For this report, the Authorities updated that the draft laws are being finalized for submission to the Minister of Justice (law of supervision of financial institutions/MTC and the Harmonization of the supervision to allow the CBCS to carry out investigations on behalf of their foreign counterparts).” Inzake speciale aanbeveling VI (thans: aanbeveling 14) werd het volgende opgemerkt: “
  19. The Authorities indicated for the fourth FUR that the MOT is responsible for the reporting of unusual transactions by service providers. From this perspective the MOT approaches all MTC’s to urge them to report the unusual transactions. The issue was discussed again with the Minister of Justice. Regarding shutting the operations of unauthorized MTCs operations the Authorities updated for this report, that the PPO is reviewing the case. Regarding with provisions for MTCs to update the Central Bank on the number of agents and sub agents, the provisions were formalized in the new draft legislation on supervision of MTC. Both deficiencies remain outstanding.” De regering is ervan overtuigd dat met de onderhavige ontwerp-landsverordening volledig wordt voldaan aan de boven geciteerde opmerkingen van de CFATF. De Bank heeft inmiddels de nodige maatregelen getroffen met betrekking tot de overige opmerkingen onder aanbeveling 23 (thans aanbeveling 26). Doelstellingen en hoofdlijnen van de Landsverordening toezicht geldtransactiekantoren De voorgestelde Landsverordening toezicht geldtransactiekantoren heeft primair tot doel het beschermen van de integriteit van het financiële stelsel en het tegengaan van witwassen en van de financiering van terroristische misdrijven en proliferatie. Dit doel wordt bereikt door middel van een inmiddels algemeen gangbare term, ook wel aangeduid als: integriteitstoezicht. De integriteit van het financiële stelsel kan alleen worden gewaarborgd indien malafide instellingen die financiële diensten verlenen, de toegang tot de markt wordt ontzegd. De regering beoogt met de invoering van deze landsverordening dan ook duidelijk in kaart te brengen welke instellingen geldtransacties uitvoeren en deze instellingen aan een vergunningplicht onderhevig te maken, opdat op die manier toezicht bestaat op de vergunning plichtige geldtransactiekantoren. Daarnaast dient deze landsverordening ook het belang van consumentenbescherming. Geldtransactiekantoren die geldtransacties uitvoeren houden voor korte of langere tijd geld onder zich van derden. Hierdoor loopt de consument bepaalde risico’s, zoals bijvoorbeeld in het geval dat het kantoor zijn werkzaamheden beëindigt of de vergunning wordt ingetrokken. Ter beperking van dit risico en ter bescherming van de consument wordt voorgesteld om aan geldtransactiekantoren de verplichting van een bankgarantie door een geregistreerde kredietinstelling als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Landsverordening toezicht bank- en kredietwezen op te leggen. Het betreft de kredietinstellingen die zijn ingeschreven in de onderafdelingen 1.1, 1.2 en 1.3 van het door de Bank gehouden register van banken of kredietinstellingen. In deze landsverordening wordt de term geldtransactie gebruikt om de in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 1º, gedefinieerde diensten aan te duiden. De definitie van geldtransactie luidt: “het in het kader van een geldelijke overmaking ter beschikking krijgen gelden of geldswaarden, teneinde deze gelden of geldswaarden aan een derde elders betaalbaar te stellen, of te doen stellen dan wel het betalen of betaalbaar stellen van gelden of geldswaarden nadat deze gelden of geldswaarden ter beschikking zijn gesteld, waarbij deze geldelijke overmaking een op zich zelf staande dienst is”. In de praktijk wordt doorgaans de Engelse term “money transfer”, “moneygram”, “money order”, “money remittance” of “telegraphic transfer” gebruikt om de in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 1º, gedefinieerde diensten aan te duiden. Gebleken is dat geldtransacties voor witwassen en de financiering van terrorisme worden gebruikt. Door onder andere organisaties als de FATF zijn deze problemen gesignaleerd. Geldtransactiekantoren zijn dan ook in artikel 1, onder a, onderdeel 10º, van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties aangewezen als ‘dienst’. De instelling die geldtransacties uitvoert, is verplicht ongebruikelijke transacties onverwijld te melden aan het Meldpunt, bedoeld in artikel 2, van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties. Doordat met de invoering van deze landsverordening geldtransactiekantoren onder toezicht van de Bank komen, wordt tevens voldaan aan de wens van controle op het melden van ongebruikelijke transacties op grond van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties. Verder is een geldtransactiekantoor ook in de Landsverordening identificatie bij dienstverlening (hierna te noemen: Landsverordening identificatie) aangewezen als ‘dienst’. De verplichting voor geldtransactiekantoren om opdrachtgevers en begunstigden overeenkomstig de bepalingen van die landsverordening te identificeren, zijn in artikel 1, onder b, onderdeel 10º, van die landsverordening opgenomen. Gekozen is, gelet op de bij de Bank reeds bestaande expertise, de Bank met het toezicht op geldtransactiekantoren te belasten. De Bank is immers al geruime tijd belast met het toezicht op financiële instellingen. Dit zijn de volgende financiële instellingen, dan wel instellingen werkzaam in de volgende sectoren: het bank- en kredietwezen; ondernemingspensioenfondsen; het verzekeringswezen; effectenbeurzen; beleggingsinstellingen en administrateurs; verleners van beheersdiensten; assurantiebemiddelaars. Voor het voeren van het bedrijf van geldtransactiekantoor is volgens het ontwerp van landsverordening een voorafgaande vergunning van de Bank vereist. Daarbij kan de Bank ontheffing of vrijstelling verlenen van het verbod om zonder vergunning als geldtransactiekantoor werkzaam te zijn. Geldtransactiekantoren waaraan een vergunning is verleend, worden opgenomen in een openbaar register dat bij de Bank kosteloos ter inzage ligt. Degenen die het beleid van het geldtransactiekantoor, alsmede van de groep waartoe het geldtransactiekantoor behoort en tevens uit dien hoofde het beleid van het geldtransactiekantoor (mede) bepalen, en degenen die een gekwalificeerde deelneming in het geldtransactiekantoor houden, worden getoetst op hun persoonlijke integriteit. Een dergelijke toetsing geschiedt ook ten aanzien van de (mede) beleidsbepalers van de overige financiële instellingen die reeds onder toezicht van de Bank staan. Ook bij een verzoek om ontheffing van de vergunningsplicht, zal de persoonlijke integriteit van bovenbedoelde personen worden getoetst. De toetsing van de persoonlijke integriteit is de hoeksteen van het integriteitstoezicht. Het beleidskader daarvoor is vastgelegd in de Beleidsregel betreffende de betrouwbaarheidstoetsing van (kandidaat) (mede)beleidsbepalers van onder toezicht van de Bank staande instellingen, alsmede (kandidaat)houders van gekwalificeerde deelnemingen in deze instellingen en andere betrokkenen (Beleidsregel Betrouwbaarheidstoetsing CBCS). 3 De Beleidsregel Betrouwbaarheidstoetsing CBCS is te downloaden op de website van de Centrale Bank van Curaçao en Sint Maarten In de hierna volgende paragraaf Het integriteitstoezicht wordt nader ingegaan op het onderwerp integriteitstoezicht. In het ontwerp van landsverordening wordt voorts bepaald dat de bedrijfsvoering en de administratieve organisatie van de geldtransactiekantoren aan een aantal vereisten moeten voldoen. Zo wordt in artikel 9 bepaald dat de Bank bij verordening algemeen verbindende voorschriften kan uitvaardigen met betrekking tot (a) de deskundigheid en integriteit, (b) de financiële waarborgen en (c) de bedrijfsvoering ter bevordering en handhaving van een integer bestuur en bedrijfsvoering door het geldtransactiekantoor. Deze voorschriften hebben in ieder geval betrekking op maatregelen en waarborgen die moeten worden getroffen om bewust of onbewust medewerking aan financiering van terroristische misdrijven te voorkomen. Verder zullen voorschriften worden gesteld omtrent het gedrag van het geldtransactiekantoor in zijn relatie tot derden of tot medewerkers, zoals regels die betrekking hebben op de toetsing of de opleiding van de medewerkers van het geldtransactiekantoor, of de naleving van de meldings- en identificatieplicht door de geldtransactiekantoren in het kader van de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties en de Landsverordening identificatie. Toezicht en naleving Mede gelet op de verschillende toezichtlandsverordeningen op grond waarvan de Bank toezicht uitoefent op de financiële instellingen zijn - in navolging van die toezichtlandsverordeningen - de navolgende onderwerpen in het onderhavige ontwerp opgenomen: de intrekking van een vergunning; het aanwijzingsrecht en daarmee samenhangend de stille curatele bevoegdheid en andere bevoegdheden; de geldschulden en verjaring; de openbaarmaking van overtredingen; de verplichting tot het indienen van rapportagestaten en het indienen van de jaarrekening en daarmee samenhangend de actieve informatieplicht van de externe deskundige, bedoeld in artikel 121 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek; de publicatieplicht bij de jaarrekening; de aanstelling c.q. handhaving van de externe deskundige; de geheimhoudingsplicht en de uitwisseling van gegevens of inlichtingen; de kostendoorberekening; en, de strafbepalingen. De regering van Curaçao is voornemens om de bepalingen over het toezicht en de bestuurlijke handhaving door middel van een last, een last onder dwangsom en de bestuurlijke boete te regelen in een algemene Landsverordening bestuurlijke handhaving. Het streven is om dat ontwerp van landsverordening in 2016 aan de Raad van Advies voor te leggen. De regering van Sint Maarten heeft hetzelfde voor ogen. Over het ontwerp van een Landsverordening bestuurlijke handhaving heeft de Raad van Advies op 17 november 2015 advies uitgebracht. Hoewel bij de inrichting van de onderhavige ontwerplandsverordening, in het bijzonder de verwerking van de bovengenoemde onderwerpen daarin, zoveel als mogelijk aansluiting is gezocht bij het bestaande toezichtinstrumentarium van de Bank, en de aanvulling daarop zoals geregeld in de Harmonisatielandsverordening, is rekening gehouden met het toezicht dat uitgeoefend moet worden op de geldtransactiekantoren en de specifieke kenmerken van deze sector. De regering van Sint Maarten is voornemens om eenzelfde ontwerplandsverordening eind 2016 aan de Staten aan te bieden. Het spreekt voor zichzelf dat bij het opstellen van dat ontwerp nauw zal worden aangesloten bij het ontwerp van Curaçao. Ook hier geldt immers de eis van eenvormigheid. De intrekking van een vergunning Op grond van het onderhavige ontwerp van landsverordening kan de Bank ten aanzien van geldtransactiekantoren bepaalde maatregelen treffen. Zo kan de Bank middels de verplichte rapportages, meldingen, periodieke en bijzondere onderzoeken doen nagaan of de bij of krachtens deze landsverordening opgelegde verplichtingen worden nageleefd. Bij overtreding van die verplichtingen staan een aantal instrumenten ter beschikking van de Bank. Zo kan de Bank aan het geldtransactiekantoor een aanwijzing geven om een bepaalde gedragslijn te volgen of in het uiterste geval zelfs de vergunning intrekken. Een algemene grond voor de intrekking van een vergunning is wanneer het geldtransactiekantoor of één van de beleidsbepalende of medebeleidsbepalende personen van het desbetreffende geldtransactiekantoor niet of niet meer voldoen aan de bij of krachtens deze landsverordening of de Landsverordening melding ongebruikelijke transacties opgelegde verplichtingen. De vergunning wordt ook op grond van een verzoek van de houder van een vergunning ingetrokken. Bij dit verzoek hoort de verplichting voor de Bank om binnen 60 dagen een beslissing hierover te nemen. Voor de overige gronden voor de intrekking van de vergunning, wordt verwezen naar artikel 8, eerste en tweede lid. De bevoegdheid van de Bank om de vergunning in te trekken, zoals opgenomen in artikel 8, eerste en tweede lid, is gesplitst in twee afzonderlijke artikelleden. Een aantal van de intrekkingsgronden leent zich niet voor een discretionaire bevoegdheid van de Bank om te beslissen over de intrekking. Zo is niet voorstelbaar dat een vergunning niet altijd zal worden ingetrokken in het geval dat de rechtspersoon in staat van faillissement verkeert, in het geval het geldtransactiekantoor daarom verzoekt en in het geval het geldtransactiekantoor zijn werkzaamheden beëindigt. Dientengevolge is de bevoegdheid van de Bank om de vergunning in te trekken in artikel 8 gesplitst in een discretionaire bevoegdheid (tweede lid) en een gebonden bevoegdheid (eerste lid). In het geval het geldtransactiekantoor bijvoorbeeld in staat van faillissement verkeert, zal de Bank de keuzevrijheid om te bepalen of de vergunning wel of niet wordt ingetrokken, niet hebben (gebonden bevoegdheid) en zal de vergunning van het geldtransactiekantoor krachtens het eerste lid moeten worden ingetrokken. Het aanwijzingsrecht en daarmee samenhangend de (stille) curatele-bevoegdheid en andere bevoegdheden Voorgesteld wordt om in artikel 23, eerste, tweede en vierde lid, onder a, de mogelijkheid op te nemen om geldtransactiekantoren een aanwijzing te geven, alsmede om een stille curator te benoemen, indien de Bank constateert dat een geldtransactiekantoor de bij of krachtens deze landsverordening opgelegde verplichtingen niet naleeft, dan wel de belangen van de cliënten of toekomstige cliënten van het geldtransactiekantoor anderszins in gevaar brengt of zou kunnen brengen. Tevens kan de Bank, indien naar haar oordeel onvoldoende, niet, of niet binnen de door haar gestelde termijn aan haar verzoek is voldaan, het geldtransactiekantoor bij aangetekende brief aanzeggen dat vanaf een door de Bank te bepalen tijdstip alle of bepaalde organen van het geldtransactiekantoor hun bevoegdheden slechts mogen uitoefenen na goedkeuring door één of meer door de Bank aangewezen personen en met inachtneming van de opdrachten van deze personen (de stille curator). Een dergelijke aanzegging wordt terstond van kracht en daaraan dient gevolg te worden gegeven niettegenstaande enige daartegen gerichte voorziening. In het vierde lid van artikel 23 wordt voorts zowel voor het geldtransactiekantoor en haar organen, als de Bank, een aantal bevoegdheden en verplichtingen opgenomen die gelden wanneer er sprake is van een aanzegging als bedoeld in artikel 23, tweede lid, onder a, en derde lid. Zo kan de Bank toestaan dat de betrokken organen van het geldtransactiekantoor bepaalde handelingen zonder goedkeuring verrichten en zijn deze organen verplicht de door de Bank aangewezen personen alle medewerking te verlenen. Naast de mogelijkheid om een stille curator te benoemen, indien onvoldoende, niet, of niet binnen de door de Bank gestelde termijn gevolg is gegeven aan de aanwijzing van de Bank, wordt in artikel 23, tweede lid, onder b, aan de Bank de bevoegdheid toegekend om de aanwijzing te publiceren. Bij de publicatie wordt, indien het geldtransactiekantoor zulks verlangt, tevens de correspondentie bekendgemaakt, die naar aanleiding van de aanwijzing tussen de Bank en het geldtransactiekantoor is gevoerd. De beslissing van de Bank tot publicatie van een aanwijzing wordt eerst van kracht wanneer de beslissing tot publicatie onherroepelijk is geworden. Tevens wordt in dit verband, ter bescherming van de belangen van de cliënten of toekomstige cliënten van het geldtransactiekantoor, in artikel 23, tweede lid, onder c, aan de Bank de bevoegdheid toegekend om in overleg te treden met de organisatie, die door de Minister van Financiën als representatieve organisatie is aangewezen. De Bank zal alvorens in overleg te treden met de desbetreffende representatieve organisatie, het betrokken geldtransactiekantoor mededeling doen van het overleg. De last onder dwangsom en de bestuurlijke boete Doelstelling De doeltreffendheid van de onderhavige landsverordening vereist niet alleen dat er sprake is van goede materiële regels, maar ook dat een overtreding van die regels direct en effectief kan worden aangepakt. Aanbeveling 35 (thans aanbeveling 36) van de FATF schrijft voor dat landen dienen te waarborgen dat doeltreffende, proportionele en ontmoedigende strafrechtelijke, civielrechtelijke of bestuursrechtelijke sancties beschikbaar zijn ten behoeve van de aanpak van natuurlijke of rechtspersonen die verzuimen te voldoen aan de vereisten ter bestrijding van witwassen of de financiering van terrorisme. De in deze landsverordening opgenomen bestuursrechtelijke handhavingsmiddelen, te weten last onder dwangsom en bestuurlijke boete strekken onder andere ter uitvoering van bovengenoemde aanbeveling. Het onderhavige ontwerp van landsverordening beoogt door het opnemen van de last onder dwangsom en de bestuurlijke boete de nadruk te leggen op de bestuurlijke handhaving en legt het accent minder op de strafrechtelijke handhaving. De strafrechtelijke handhaving zal slechts worden toegepast daar waar bestuursrechtelijke middelen minder effectief zijn, dan wel in geval de mate van overtreding zodanig ernstig is dat een bestuursrechtelijke reactie niet gepast is. Het opleggen van een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete is met andere woorden een doeltreffend additioneel middel bij de handhaving van de regels zoals vastgelegd bij of krachtens deze landsverordening. De effectieve handhaving van die regels kan verder worden versterkt door tevens de reeds opgelegde last onder dwangsom, dan wel bestuurlijke boete ter openbare kennis te brengen. Een dergelijke openbaarmaking is toegestaan, indien het - gelet op de omstandigheden van het geval - in het belang is van de bescherming van het financiële stelsel, van het tegengaan van witwassen en het tegengaan van de financiering van terroristische misdrijven. De openbaarmaking kan de goede naam van het geldtransactiekantoor schaden, terwijl een goede naam voor een geldtransactiekantoor juist van het grootste belang is. Dientengevolge wordt in artikel 64 voorgesteld om het feit ter zake waarvan een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete is opgelegd, het overtreden voorschrift, alsmede de naam, het adres en de woonplaats van degene aan wie de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete is opgelegd, ter openbare kennis te brengen. Een flexibele en gedoseerde inzet van de bestuurlijke handhavingsinstrumenten wordt hierdoor mogelijk gemaakt. Verder kunnen de veelal zware, kostbare en tijdrovende strafrechtelijke procedures worden voorkomen. Hierdoor wordt overbelasting van het strafrechtelijke apparaat tegengegaan. Het strafrecht kan daarbij wel een belangrijke aanvullende en ondersteunende functie blijven vervullen als ultimum remedium. Naar aanleiding van opmerkingen van de Raad van Advies hecht de regering er aan om op te merken dat op grond van artikel 8, onderdeel e, van de Landsverordening bescherming persoonsgegevens de Bank de bevoegdheid heeft om persoonsgegevens te verwerken, voor zover zulks noodzakelijk is voor de goede vervulling van haar publiekrechtelijke toezichthoudende taak. Het behoeft geen betoog dat de Bank zich hierbij aan de beginselen van behoorlijk bestuur dient te houden. Ook al heeft een bestuurlijke maatregel een punitief karakter, het belang van openbaarmaking is gelegen in de maatschappelijke functie die financiële instellingen vervullen. Vertrouwen van het publiek is daarbij van groot belang. Onderdeel van dat vertrouwen is dat het publiek er op mag rekenen dat de toezichthouder bestuurlijke maatregelen treft jegens een instelling die wettelijke voorschriften niet naleeft treft, én deze ter kennis brengt van het publiek indien de overtreding van invloed is op het publieke vertrouwen. Als daarbij de gegevens van de betrokken financiële instelling zouden ontbreken, zou het publiek in verwarring kunnen raken en zou de goede naam van de andere overeenkomstige financiële instellingen die zich wel aan de wettelijke voorschriften houden, onevenredig worden geschaad. Functiescheiding Wegens het feit dat de Bank zelf belast wordt met het opleggen van de last onder dwangsom of de bestuurlijke boete, is het overigens wel noodzakelijk om te voorkomen dat men rechter wordt in eigen zaak. Dit laatste veronderstelt dat de interne organisatie bij de Bank zo wordt ingericht dat een functionaris die een overtreding constateert, niet tevens beoordeelt of een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete moet worden opgelegd (functiescheiding). Derhalve wordt in artikel 47 voorgeschreven dat de werkzaamheden in verband met het opleggen van een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete worden verricht door personen die niet betrokken zijn geweest bij het vaststellen van de overtreding en het daaraan voorafgaande onderzoek. Ten slotte wordt opgemerkt dat de last onder dwangsom en de bestuurlijke boete twee onderscheiden bestuurlijke handhavingsmiddelen zijn. Bij de last onder dwangsom geeft het bestuursorgaan aan de overtreder van een bepaalde norm een last onder verbeurte van een geldsom bij niet nakoming. Een last onder dwangsom strekt ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen. De bestuurlijke boete heeft het karakter van een straf. Naar aard en doelstelling verschilt de bestuurlijke boete niet van de strafrechtelijke boete. De anti-cumulatieregeling Omdat niemand voor een tweede keer mag worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds bij onherroepelijke uitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken (het zogenaamde ‘ne bis in idem’-beginsel), moet cumulatie van een bestuurlijke boete en een strafrechtelijke sanctie niet mogelijk zijn. Voorgesteld wordt om in artikel 40 een strikte anti-cumulatieregeling op te nemen. Aan de ene kant vervalt de bevoegdheid om een bestuurlijke boete op te leggen, indien ter zake van dezelfde overtreding strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen. Ook vervalt deze bevoegdheid, indien het openbaar ministerie op grond van artikel 1:149 van het Wetboek van Strafrecht een schikking met de verdachte heeft getroffen. Het “una via-beginsel” komt vervolgens ook tot uiting in het voorgestelde artikel 70, tweede lid. Daarin is met zoveel woorden bepaald dat het recht op strafvervolging vervalt als de Bank het feit waarvoor een dwangsom of een bestuurlijke boete is opgelegd, ook reeds ter openbare kennis heeft gebracht. In dat geval is de overtreder naar de mening van de regering door deze combinatie van sancties reeds voldoende bestraft. Voor sommige bepalingen geldt dat een combinatie van een bestuurlijke boete en een last onder dwangsom het meest effectieve handhavingsmiddel kan zijn. Te denken valt aan de situatie waarbij een geldtransactiekantoor stelselmatig haar periodieke rapportageplicht overtreedt. In principe is dan sprake van een aantal momentovertredingen waarvoor evenzoveel bestuurlijke boetes kunnen worden opgelegd. In een dergelijk geval kan het effectief zijn als de Bank niet alleen een bestuurlijke boete oplegt, maar tevens een last onder dwangsom oplegt om herhaling van de overtreding te voorkomen. Aspecten betreffende de rechten van de mens Zoals uit het voorgaande blijkt heeft de bestuurlijke boete, anders dan de last onder dwangsom, het karakter van een straf. Derhalve gelden voor het opleggen van een bestuurlijke boete de rechtswaarborgen ingevolge artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna te noemen: BuPo-Verdrag), alsmede artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna te noemen: EVRM). Ten aanzien van het uitoefenen van de bevoegdheid om een bestuurlijke boete op te leggen is in de eerste plaats de regel van artikel 14, derde lid, onder g, van het BuPo-verdrag van toepassing dat een verdachte niet mag worden gedwongen tegen zichzelf te getuigen of een bekentenis af te leggen. Dit zwijgrecht wordt ook via de jurisprudentie met betrekking tot artikel 6, eerste lid, van het EVRM gewaarborgd. 4 EHRM van 25.2.1993 in NJ 1993, 485, Funke Indien de Bank gebruik maakt van haar bevoegdheid om een bestuurlijke boete op te leggen, geldt derhalve het zwijgrecht. Voorgesteld wordt om in de onderhavige landsverordening te bepalen dat in geval van een concrete verdenking tegen een persoon de Bank tevens verplicht is om, analoog aan artikel 50 van het Wetboek van Strafvordering, deze persoon te wijzen op zijn recht tot zwijgen, voordat hem mondeling om informatie wordt gevraagd (cautieplicht). Benadrukt wordt dat het zwijgrecht niet bestaat ten aanzien van het uitoefenen van de reguliere toezichttaken en daarmee samenhangende bevoegdheden van de Bank. De Bank kan derhalve onverminderd gebruik blijven maken van haar recht om in het kader van haar controletaak informatie op te vragen of een onderzoek in te stellen bij de geldtransactiekantoren. Het desbetreffende geldtransactiekantoor zal zich jegens de Bank in dergelijke gevallen nimmer kunnen beroepen op een recht tot zwijgen. De cautieplicht, zoals opgenomen in artikel 42, eerste lid, belemmert dan ook op g

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.