← Nederland

Algemene Plaatselijke Verordening Utrecht (Utrecht (Utr))

Kort samengevat

Deze wet regelt de openbare orde, veiligheid, leefbaarheid en het uiterlijk aanzien van de gemeente Utrecht door middel van regels en voorschriften voor burgers en bedrijven. Het doel is het beschermen van diverse belangen, zoals de openbare orde, het milieu en het voorkomen van overlast.

Wat het regelt

Wie het aangaat

Kernpunten

Wettekst

HOOFDSTUK1ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Begripsomschrijvingen Artikel 2 Beslistermijn Artikel 3 Te late indiening aanvraag Artikel 4 Voorschriften en beperkingen Artikel 5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Artikel 6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing Artikel 7 Gereserveerd Artikel 8 Termijnen HOOFDSTUK2OPENBARE ORDE Afdeling1Orde en veiligheid op de weg Paragraaf1Bestrijding van ongeregeldheden Artikel 9 Bevel politie weg te vervolgen of zich te verwijderen Artikel 10 Verstoring van de openbare orde e.d. Artikel 10a Verblijfsontzegging Artikel 10b Veiligheidsrisicogebieden Paragraaf2Openbare manifestaties Artikel 11 Kennisgeving openbare manifestaties Artikel 12 Afwijking termijn Artikel 13 Te verstrekken gegevens Paragraaf3Verspreiden van gedrukte stukken Artikel 14 VERVALLEN Paragraaf4Vertoningen e.d. op de weg Artikel 15 Dienstverlening Artikel 16 Straatartiest e.d. Paragraaf5Bruikbaarheid van de weg Artikel 17 Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg Artikel 18 Deponeren van goederen op de weg Artikel 19 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Artikel 20 Maken en veranderen van een uitweg Paragraaf6Veiligheid van de weg Artikel 21 Uitzicht belemmerende beplanting of voorwerp Artikel 22 Openen straatkolken e.d. Artikel 23 Kelderingangen, koekoeken e.d. Artikel 24 Rookverbod in bossen en natuurgebieden Artikel 25 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp Artikel 26 Vallende voorwerpen Artikel 27 Voorzieningen voor verkeer en verlichting Artikel 28 Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en verlichting Artikel 29 Objecten onder hoogspanningslijn Artikel 30 Veiligheid op het ijs Artikel 31 Benzinepompen op of nabij de weg Afdeling2Orde in verband met voetbalwedstrijden Artikel 32 Begripsomschrijvingen Artikel 33 Vergunningplicht Artikel 33a Indienen aanvraag Artikel 33b Weigeringsgronden Artikel 33c Bevel politie Afdeling3Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 35 Speelgelegenheden Artikel 35a Opstelplaatsenbeleid speelautomaten Artikel 36 Spelen om geld Afdeling4Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 37 Betreden gesloten woningen, lokalen en erven Artikel 37a Vervoer inbrekerswerktuigen Artikel 37b Vervoer plakgereedschap e.d. Artikel 38 Betreden van plantsoenen e.d. Artikel 39 Hinderlijk gedrag op of aan de weg Artikel 40 Hinderlijk drankgebruik Artikel 41 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen Artikel 41a Hinderlijke dieren Artikel 42 Gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten Artikel 43 Liggen of slapen op of aan openbare weg Artikel 44 Neerzetten van fietsen e.d. Artikel 45 Meevoeren van fiets of bromfiets Artikel 45a Hinder van fiets en bromfiets Artikel 46 Bespieden van personen Artikel 47 VERVALLEN Artikel 48 VERVALLEN Artikel 49 Sleuteladres Artikel 50 Alarminstallaties Artikel 51 Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie Artikel 52 Verontreiniging door honden Artikel 53 Gevaarlijke honden Artikel 54 Gevaarlijk ras of type hond Artikel 55 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren Artikel 55a Verbod voeren van dieren Artikel 56 Wilde dieren Artikel 57 Loslopend vee en pluimvee Artikel 58 Bijen Afdeling5Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel 59 Begripsomschrijvingen Artikel 60 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister Artikel 61 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht Artikel 62 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen Artikel 63 Verkoop van fietsen e.d. op de weg Afdeling6Vuurwerk Artikel 64 Begripsomschrijving Artikel 65 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen Artikel 66 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling Afdeling7Drugsoverlast Artikel 67 VERVALLEN Artikel 68 Verbod begeven op de weg om drugs te verhandelen Afdeling8Bestuurlijke ophouding Artikel 68a Bestuurlijke ophouding Artikel 68b Cameratoezicht op openbare plaatsen HOOFDSTUK3SEKSINRICHTINGEN E.D. Artikel 69 Begripsomschrijvingen Artikel 70 Seksinrichtingen Artikel 71 Overgangsbepaling Artikel 72 Sekswinkels Artikel 73 Straatprostitutie HOOFDSTUK4BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON ENZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE Afdeling1Geluidhinder Artikel 74 Geluidhinder Afdeling2Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel 75 Winkelwagentjes Artikel 76 VERVALLEN Artikel 77 VERVALLEN Artikel 78 VERVALLEN Artikel 79 VERVALLEN Artikel 80 Reiniging van de weg Artikel 81 Natuurlijke behoefte doen Artikel 82 VERVALLEN Artikel 83 Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen Afdeling3Het bewaren van houtopstanden Artikel 84 Begripsomschrijvingen Artikel 85 Velverbod Artikel 86 Aanvraag vergunning Artikel 87 Vervallen vergunning Artikel 88 Vergunningvoorschriften en weigeringgronden Artikel 89 Bijzondere vergunningvoorschriften Artikel 90 Afstand van de grenslijn Artikel 91 Herplant-/instandhoudingsplicht Artikel 92 Schadevergoeding Artikel 93 Bestrijding iepziekte Afdeling4Bescherming van flora en fauna Artikel 94 Bescherming groenvoorzieningen Artikel 95 Beschermde planten Artikel 95a Verlichting in bomen Afdeling5Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel 96 Opslag bromfietsen, motorvoertuigen, caravans, afvalstoffen, mest, ingekuilde landbouwproducten e.d. Artikel 97 Stankoverlast door gebruik van dierlijke meststoffen Artikel 98 VERVALLEN Artikel 99 VERVALLEN HOOFDSTUK5ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDINGDER GEMEENTE Afdeling1Parkeerexcessen Artikel 100 Begripsomschrijvingen Artikel 101 Parkeren van voertuigen van autobedrijf en gebruik weg als werkplaats. Artikel 102 Te koop aanbieden van voertuigen Artikel 103 Defecte voertuigen Artikel 104 Voertuigwrakken Artikel 105 Caravans e.d. Artikel 106 VERVALLEN Artikel 107 Parkeren van grote voertuigen Artikel 108 Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen Artikel 109 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen Artikel 110 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen Afdeling2Collecteren, venten, standplaatsen en particuliere markten Artikel 111 Inzameling van geld of goed Artikel 112 Straathandel Artikel 113 Standplaats voor een ander doel dan straathandel Artikel 114 Verkoopbijeenkomsten e.d. Artikel 115 Verbod tot handel in vee of paarden buiten het marktterrein Afdeling3Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel 116 Crossterreinen Artikel 117 Beperking verkeer in natuurgebieden Afdeling4Verbod vuur te stoken Artikel 118 Verbod vuur te stoken Afdeling5Straatnaamborden, huisnummers e.d. Artikel 119 Gedoogplicht aanduidingen Artikel 120 Verwijdering e.d. aanduidingen Afdeling6Evenementen Artikel 121 VERVALLEN Paragraaf 1Binnenevenementen Artikel 121a Begripsomschrijvingen Artikel 121b Verbodsbepaling Artikel 121c Nadere regels Artikel 121d Indienen aanvraag Artikel 121e Vereisten organisator Artikel 121f Maximum aantal personen Artikel 121g Evenementenkalender Artikel 121h Weigeringgronden Artikel 121i Samenloop Artikel 121j Ordeverstoring Paragraaf2Buitenevenementen Artikel 121k Begripsomschrijvingen Artikel 121l Verbodsbepaling Artikel 121o Nadere regels Artikel 121p Indienen aanvraag Artikel 121q Vereisten organisator Artikel 121r Evenementenkalender Artikel 121s Weigeringsgronden Artikel 121t Schorsende werking andere vergunningen Artikel 121u Samenloop en Ordeverstoring Afdeling7Overige bepalingen Artikel 122 Plakken Artikel 123 Detectorverbod Artikel 124 Destructie HOOFDSTUK6STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel 125 Strafbepaling Artikel 126 Opsporingsambtenaren Artikel 126a Toezichthouders Artikel 127 Het binnentreden in woningen zonder toestemming van de bewoners Artikel 128 Inwerkingtreding Artikel 129 Overgangsbepaling Artikel 130 Citeertitel Herdruk van de Algemene Plaatselijke Verordening Utrecht (raadsbesluit van 2 januari 2001) inclusief de eerste tot en met vierde partiële herzieningen (raadsbesluit van resp. 10 januari en 10 oktober 2002, 6 en 13 februari 2003) De raad van de gemeente Utrecht, gelet op het voorstel van b. en w. d.d. 20 december 2000 Besluit vast te stellen de Algemene Plaatselijke Verordening Utrecht HOOFDSTUK1ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: Weg: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende kunstwerken, bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen; de -al dan niet met enige beperking- voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, begraafplaatsen, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen; de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn; andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages, galerijen, roltrappen, toiletgelegenheden, traversen en werven; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten. Openbaar water: alle wateren die -al dan niet met enige beperking- voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn. Bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan de grenzen zijn vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Utrecht bij hun besluiten van 23 februari 1977, 11 juni 1989, 18 januari 1995 en 27 april 2000. Rechthebbende: een ieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht. Voertuigen: alle rij- en voertuigen, met uitzondering van: treinen en trams; kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen. Vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten. Woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning bestemd. Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren. Gebouw: elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Vee: eenhoevige dieren, herkauwende dieren en varkens. Pluimvee: klein- en pluimvee, eenden en ganzen. Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. Straathandel: het op of aan de weg, op openbare grond of aan de huizen te koop aanbieden, te koop vragen of verkopen van voorwerpen, stoffen of waren hetzij vanuit een vast verkooppunt hetzij door middel van venten; onder straathandel wordt niet begrepen: het aan de huizen te koop aanbieden of verkopen door degene, die zulks doet in de uitoefening van zijn in deze gemeente gevestigde winkelnering of op bestelling of geregeld volgens afspraak levert; het te koop aanbieden vanuit een krachtens de marktverordening aangewezen standplaats; het aan neringdoenden te koop aanbieden of verkopen door handelsreizigers. Verblijfsontzegging: een verbod om zich gedurende een bepaalde periode in een aangewezen gebied te bevinden. Artikel2Beslistermijn 1.Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. 2.Het bevoegde bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen. 3.Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op een aanvraag voor een vergunning zoals beschreven in artikel 70, achtste lid. Artikel3Te late indiening aanvraag 1.Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan drie weken voor het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bevoegde bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen. 2.Voor bepaalde, door het bevoegde bestuursorgaan bij openbare kennisgeving aan te wijzen vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste twaalf weken. Artikel4Voorschriften en beperkingen 1.Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3.Een vergunning of ontheffing kan voor een bepaalde tijd worden verleend. Artikel5Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel6Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn; indien de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt. Artikel7Gereserveerd Artikel8Termijnen Voor zover in deze verordening sprake is van termijnen in uren, bepaald door terug rekening van een tijdstip of gebeurtenis, en deze eindigen op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, worden de termijnen geacht te eindigen om 12.00 uur op de voorgelegen dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. HOOFDSTUK2OPENBARE ORDE Afdeling1Orde en veiligheid op de weg Paragraaf1Bestrijding van ongeregeldheden Artikel9Bevel politie weg te vervolgen of zich te verwijderen Een ieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval, waardoor de openbare orde wordt of dreigt te worden verstoord, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie onmiddellijk zijn weg te vervolgen of zich in een bepaalde richting te verwijderen. Artikel10Verstoring van de openbare orde e.d. 1.Onverminderd het bepaalde in de artikelen 424, 426 bis en 431 van het Wetboek van Strafrecht is het verboden op of aan de weg, of in een voor het publiek toegankelijk gebouw op enigerlei wijze de orde te verstoren, zich hinderlijk te gedragen, personen lastig te vallen, te vechten, deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden. 2.Het is verboden om in het geval van wanordelijkheden of indien er ernstig gevaar voor het ontstaan daarvan dreigt, op de in het eerste lid genoemde plaatsen een voorwerp of stof, kennelijk meegebracht om die orde te verstoren, bij zich te hebben. 3.Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen, wegen of weggedeelten, wanneer deze door of vanwege de Politie of de Gemeente in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet. 4.Het is verboden een voorwerp dat ter afzetting of afsluiting van een gedeelte van de weg of vanwege het bevoegde gezag is aangebracht, te verplaatsen, te verwijderen of omver te halen. Artikel10aVerblijfsontzegging 1.De burgemeester kan gebieden aanwijzen waar hij aan personen een verblijfsontzegging kan opleggen. 2.De burgemeester gaat alleen over tot aanwijzing van een gebied als bedoeld in het eerste lid, indien naar zijn oordeel sprake is van ernstige verstoring van de openbare orde. 3.De burgemeester kan een verblijfsontzegging opleggen aan personen die in het aangewezen gebied de openbare orde verstoren door: handelen in strijd met het bepaalde in de artikelen 9, 10, artikelen 36, 39 eerste lid onder b, 40, 68 en/of 73, eerste , tweede of negende lid van deze verordening; het bezit, de handel of het gebruik van in de Opiumwet verboden middelen; het bezit van wapens, messen en andere voorwerpen die als steek- of slagwapen kunnen worden gebruikt; diefstal, inbraak, heling, vernieling of andere vermogensdelicten of; geweldpleging of bedreiging. 4.De burgemeester bepaalt in de verblijfsontzegging de termijn waarvoor deze geldt. 5.Een verblijfsontzegging kan niet worden opgelegd aan personen die in het aangewezen gebied blijkens het bevolkingsregister wonen of in het aangewezen gebied werken. 6.De burgemeester kan indien de belanghebbende een aantoonbaar belang heeft om zich binnen het aangewezen gebied te begeven de verblijfsontzegging naar tijd en plaats beperken. 7.Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegde verblijfsontzegging. Artikel10bVeiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 151b van de Gemeentewet, bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een veiligheidsrisicogebied aanwijzen. Paragraaf2Openbare manifestaties Artikel11Kennisgeving openbare manifestaties 1.Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing, als bedoeld in de Wet Openbare Manifestaties, te houden, moet daarvan vóór de openbare aankondiging ervan en tenminste 24 uur voordat deze gehouden zal worden, schriftelijk kennis geven aan de burgemeester, door invulling van een daartoe bestemd formulier en met inachtneming van hetgeen in artikel 13, eerste lid hierover is bepaald. 2.Onder openbare plaats wordt verstaan een plaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet openbare manifestaties, te weten een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek, met uitzondering van een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet. Artikel12Afwijking termijn De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in artikel 11, eerste lid, genoemde termijn van 24 uur verkorten en een mondelinge kennisgeving ontvankelijk verklaren. Artikel13Te verstrekken gegevens 1.Bij de kennisgeving kan de burgemeester een opgave verlangen van: naam en adres van degene die de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing houdt; het doel van de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing; de datum waarop de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 2.Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving, alsmede de eventueel door de burgemeester gestelde voorschriften zijn vermeld. 3.Van op vooraf bepaalde tijdstippen regelmatig terugkerende betogingen, vergaderingen of samenkomsten tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing, kan, voordat deze voor de eerste keer worden gehouden, eenmalig schriftelijk kennis worden gegeven. De voorafgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing. Paragraaf3Verspreiden van gedrukte stukken Artikel14Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen (VERVALLEN) Paragraaf4Vertoningen e.d. op de weg Artikel15Dienstverlening 1.Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders op of aan de weg op te treden als dienstverlener (zoals bewaker, reiniger van voertuigen, glazenwasser, gids of scharensliep) of zijn diensten als zodanig aan te bieden. 2.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid van dit artikel kan worden geweigerd: in het belang van de openbare orde; in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de verkeersveiligheid of veiligheid van personen of goederen; in het belang van de zedelijkheid of gezondheid. Artikel16Straatartiest e.d. 1.Het is verboden om op de weg alsmede openbaar water ten behoeve van het publiek op te treden als straatmuzikant: tussen 23.00 en 08.00 uur; met elektronische of mechanische versterking; binnen een straal van 100 meter van ziekenhuizen, verpleeghuizen, scholen waarin les wordt gegeven, kerken op tijdstippen waarop daarin godsdienstoefeningen worden gehouden, begraafplaatsen en rouwaula’s; langer dan vijftien minuten achtereen op dezelfde plaats, waarbij een locatie binnen 100 meter als dezelfde plaats wordt beschouwd. 2.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester muziek te maken met een draaiorgel dat door middel van een voertuig wordt verplaatst. Paragraaf5Bruikbaarheid van de weg Artikel17Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg 1.Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders voorwerpen of stoffen aan, op, in, of boven de weg te plaatsen, aan te brengen, te hebben of te storten. 2.Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op: vlaggen, wimpels en vlaggenstokken, indien zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt; zonneschermen, mits deze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits: geen onderdeel zich minder dan 220 cm boven dat gedeelte bevindt; geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 50 cm van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt; geen onderdeel verder dan 150 cm buiten de opgaande gevel reikt; deze niet voor commerciële doeleinden zijn bestemd; de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is; voertuigen; voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard, mits deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging: geen schade toebrengen aan de weg; geen gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; geen belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; benzinepompen als bedoeld in artikel 31 en standplaatsen als bedoeld in de artikelen 112 en 113 van deze verordening en als bedoeld in de Standplaatsenverordening 2001en de Marktverordening Utrecht 1997; portieken van een winkel- of verkoopplaats; terrassen, waarvoor op grond van de Horecaverordening Utrecht 1993 een vergunning is verleend; uitstallingen zoals bedoeld in de Uitstalverordening 2001; 3.Voor de toepassing van het tweede lid, onder c, wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 4.Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: indien het beoogde voorwerp of stof schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; indien het beoogde voorwerp of stof hetzij op zich zelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak; in verband met de openbare orde. 5.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften, de Woningwet, het Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenverordening provincie Utrecht 1987, of de Afvalstoffenverordening gemeente Utrecht 2001 van toepassing zijn of voor zover er sprake is van een evenement als bedoeld in artikel 121 van deze verordening, waarvoor door de burgemeester een vergunning is verleend of een terras als bedoeld in de Horecaverordening Utrecht 1993 en het daarbij behorende Terrassenreglement. Artikel18Deponeren van goederen op de weg Indien bij de ontruiming van een gebouw, hetzij door een deurwaarder ter tenuitvoerlegging van een vonnis waarbij een ontruiming is bevolen, hetzij bevoegdelijk door een ander openbaar gezag, op of aan de weg goederen worden gedeponeerd, zoals huisraad, meubilair en dergelijke, is de rechthebbende of gebruiker van deze goederen verplicht de gedeponeerde goederen onverwijld van de weg te verwijderen. Artikel19Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak. 4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of de Wegenverordening Provincie Utrecht 1987 van toepassing is. 5.De vergunning wordt in ieder geval geweigerd, indien krachtens het bestemmingsplan een aanlegvergunning is vereist en deze niet is verleend, dan wel, indien geen aanlegvergunning is vereist, het aanleggen van een weg in strijd zou zijn met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen. Artikel20Maken en veranderen van een uitweg 1.Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders: een uitweg te maken naar de weg; van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 3.Een vergunning kan worden geweigerd in het belang van: de bruikbaarheid van de weg; het doelmatig en veilig gebruik van de weg; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente. Paragraaf6Veiligheid van de weg Artikel21Uitzicht belemmerende beplanting of voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daarvoor op andere wijze hinder of gevaar oplevert. Artikel22Openen straatkolken e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan, brandput of enigerlei andere afsluiting, die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel23Kelderingangen, koekoeken e.d. 1.Kelderingangen, koekoeken, indiepingen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren. 2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 427, aanhef en onder 1e of 3e, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Artikel24Rookverbod in bossen en natuurgebieden 1.Het is verboden te roken in bossen of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende de door burgemeester en wethouders aangewezen periode. 2.Het is verboden in bossen of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. 3.Het in het eerste en in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor zover het bepaalde in artikel 429, aanhef en onder 3e, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. 4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als tuin ingerichte, erven. Artikel25Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp 1.Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien van prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 meter uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht. 3.Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 4.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is. Artikel26Vallende voorwerpen Het is verboden aan een weg of aan enig deel van een bouwwerk een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op de weg. Artikel27Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van burgemeester en wethouders, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Burgemeester en wethouders maken tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid hun besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid. 3.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht van toepassing is. Artikel28Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een bord of een andere voorziening ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting te verwijderen, te wijzigen, te beschadigen, de werking ervan te beletten of te belemmeren. 2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Artikel29Objecten onder hoogspanningslijn 1.Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben. 2.Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien van objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Artikel30Veiligheid op het ijs 1.Het is verboden: voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a. bedoelde ijsvlakten, te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2.Een ieder is verplicht op eerste vordering van een ambtenaar van politie onmiddellijk het ijs te verlaten ter voorkoming van gevaar voor personen of goederen. 3.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover het Wetboek van Strafrecht of de Verordening waterhuishouding Amstel en Vecht van toepassing is. Artikel31Benzinepompen op of nabij de weg 1.Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een gelegenheid voor de verkoop van brandstof ten behoeve van motorvoertuigen in de zin van de Wegenverkeerswet 1994, te hebben, toe te laten, te wijzigen of uit te breiden: op de weg; zichtbaar vanaf de weg of binnen 50 meter afstand van de weg. 2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wegenverordening Provincie Utrecht 1987 en de Wet beheer rijkswaterstaatswerken van toepassing is. Afdeling2Orde in verband met voetbalwedstrijden Artikel32Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder: organisator: de betaaldvoetbalorganisatie FC Utrecht, indien het betreft een voetbal wedstrijd waarbij het eerste elftal van de betaaldvoetbalorganisatie FC Utrecht als thuisspelende ploeg betrokken is; de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond, indien het betreft een voetbalwedstrijd tussen voetbalorganisaties afkomstig van buiten de gemeente Utrecht, waarbij tenminste één betaaldvoetbalorganisatie is betrokken, dan wel in geval van wedstrijden tussen vertegenwoordigende elftallen; degene die buiten de gevallen genoemd onder 1 en 2 een voetbalwedstrijd organiseert, waarbij tenminste één betaaldvoetbalorganisatie is betrokken. voetbalwedstrijd: een voetbalwedstrijd georganiseerd door een organisator als bedoeld onder a. Artikel33Vergunningplicht 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een voetbalwedstrijd te houden of te doen houden. 2.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan meerdere wedstrijden betreffen. Artikel33aIndienen aanvraag 1.De aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 33 dient te geschieden door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier. 2.In de aanvraag om een vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: de gegevens van de organisator; de deelnemende voetbalorganisaties; de geplande datum, tijdstip en locatie van de wedstrijd. 3.De aanvraag dient vergezeld te gaan van een door de organisator op te stellen veiligheidsplan. Artikel33bWeigeringsgronden 1.De burgemeester kan een vergunning als bedoeld in artikel 33 in het belang van de openbare orde en veiligheid weigeren indien: de vrees bestaat voor het ontstaan van een ernstige verstoring van de openbare orde; het aannemelijk is dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet zullen worden nageleefd; de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van de voetbalwedstrijd. 2.De burgemeester weigert een vergunning als bedoeld in artikel 33 indien niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 33 a. Artikel33cBevel politie Personen, van wie uit feiten en omstandigheden blijkt, dat zij zich als voetbalsupporter manifesteren, zijn verplicht zich op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie, met inachtneming van de door hem in het belang van de handhaving van de openbare orde gegeven aanwijzingen, naar een in het bevel aangegeven plaats, dan wel buiten de gemeentegrenzen te begeven. Afdeling3Toezicht op openbare inrichtingen Artikel35Speelgelegenheden 1.In dit artikel wordt verstaan onder: speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden een spel te beoefenen; spel: spel, gespeeld in een speelgelegenheid als bedoeld onder a, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2.Onverminderd hetgeen is bepaald in de Wet op de kansspelen is het verboden een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. 3.Onverminderd hetgeen is bepaald in de Wet op de kansspelen is het verboden deel te nemen aan een spel. 4.De verboden in het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op speelgelegenheden waarvoor vergunning is verleend op grond van de Wet op de kansspelen of op grond van de Verordening op de speelautomatenhallen als bedoeld in artikel 30c, eerste lid onder c van de Wet op de kansspelen. Artikel35aOpstelplaatsenbeleid speelautomaten 1.In dit artikel wordt verstaan onder: de Wet: de Wet op de kansspelen; speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a van de Wet; kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c van de Wet; hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d van de Wet; laagdrempelige inrichting: inrichting, als bedoeld in artikel 30, onder e van de Wet. 2.In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten. 3.in laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan. Artikel36Spelen om geld Onverminderd het bepaalde in de Wet op de Kansspelen is het verboden op de weg om geld of in geld inwisselbare voorwerpen te spelen. Afdeling4Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel37Betreden gesloten woningen, lokalen en erven 1.Het is verboden een krachtens artikel 174a Gemeentewet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2.Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten voor het publiek toegankelijk lokaal of daarbij behorend erf te betreden. 3.De verboden in het eerste en tweede lid gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning, lokalen of erven om dringende redenen gewenst is. Artikel37aVervoer Inbrekerswerktuigen 1.Het is verboden tussen 20.00 en 06.00 uur op de weg of openbaar water te vervoeren of bij te hebben: lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns, of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien de in dat lid bedoelde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet bestemd of gebruikt zijn voor de in dat lid bedoelde handelingen. Artikel37bVervoer plakgereedschap en dergelijke 1.Het is verboden tussen 20.00 en 06.00 uur op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof, spuitbus of ander verfgereedschap. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien de in dat lid bedoelde materialen of gereedschappen niet bestemd of gebruikt zijn voor de in dat lid bedoelde handelingen. Artikel38Betreden van plantsoenen e.d. 1.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde of aangelegde parken, wandelplaatsen, begraafplaatsen, plantsoenen, groenstroken, grasperken of enige andere openbare beplanting of bloemperk, buiten de daarin gelegen wegen of paden. 2.Burgemeester en wethouders kunnen regels stellen ten aanzien van het gebruik van wegen of paden in van gemeentewege aangelegde of onderhouden groenvoorzieningen en tot lig - en speelweiden bestemde plaatsen. 3.Burgemeester en wethouders bepalen op welke wijze de in het tweede lid bedoelde regels ter plaatse voor het publiek kenbaar worden gemaakt. 4.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Artikel39Hinderlijk gedrag op of aan de weg 1.Het is verboden: op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers of aan bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover artikel 424, 426 bis, 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is. Artikel40Hinderlijk drankgebruik 1.Het is verboden op de weg of het openbaar water, dat deel uit maakt van een door burgemeester en wethouders aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: een terras dat behoort bij een inrichting, als bedoeld in artikel 1, onderdeel A, sub 1 van de Horecaverordening Utrecht 2004; de plaats, niet zijnde een inrichting, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet. Artikel41Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen 1.Het is verboden: zich zonder redelijk doel in een portiek, poort of bordes e.d. op te houden; in, op of tegen een raamkozijn of een drempel of bordes e.d. van een gebouw te zitten of te liggen. 2.Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen, die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van een zodanig gebouw. Artikel41aHinderlijke dieren 1.Het is verboden één of meer dieren op een voor de omgeving hinderlijke wijze aanwezig te doen zijn. 2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is Artikel42Gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd. Artikel43Liggen of slapen op of aan openbare weg Het is verboden -al dan niet met gebruikmaking van enige vorm van beschutting, waaronder in ieder geval begrepen het gebruik van een auto, of caravan e.d.- op of aan de weg: tussen zonsondergang en zonsopgang te liggen of te slapen; tussen zonsopgang en zonsondergang te liggen of te slapen, nadat door een ambtenaar van politie in het belang van de openbare orde of veiligheid is aangezegd, dat dit moet worden beëindigd. Artikel44Neerzetten van fietsen e.d. Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw, in de ingang van een portiek, dan wel op de zogenaamde geleidelijnen die op de weg zijn aangebracht ten behoeve van visueel gehandicapten, indien: dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; daardoor die ingang wordt versperd of het gebruik van dat gebouw of van de voorziening wordt belemmerd. Artikel45Meevoeren van fiets of bromfiets Het is verboden op de door de burgemeester aangewezen uren en plaatsen, zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een terrein waar een markt, evenement, betoging of plechtigheid gehouden wordt welke publiek trekt, of op plaatsen welke ter voorkoming van hinder voor wandelend en winkelend publiek zijn aangewezen. Artikel45aHinder van fiets en bromfiets 1.Het is verboden een fiets of een bromfiets, al of niet voor onmiddellijk gebruik geschikt, langer dan een half uur achtereen onbeheerd op de weg te laten staan op plaatsen waar de aanwezigheid van onbeheerd achtergelaten fietsen of bromfietsen storend kan zijn voor het ordelijk aanzien of het doelmatig gebruik van de weg. 2.Burgemeester en wethouders wijzen de in het eerste lid bedoelde plaatsen aan. 3.Het in het eerste lid bedoelde verbod is slechts van kracht indien het ter plaatse op de door burgemeester en wethouders te bepalen wijze ter kennis van het publiek is gebracht. Artikel46Bespieden van personen 1.Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel van een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te bespieden. 2.Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindende persoon te bespieden. Artikel47Vervallen Artikel48Vervallen Artikel49Sleuteladres 1.De gebruiker of -bij gebreke van deze- eigenaar van een niet voor bewoning gebezigd gebouw is verplicht om het telefoonnummer van degene die de sleutels van het gebouw voorhanden heeft, aan de politie te melden, dan wel deze gegevens door middel van een goed zichtbare en duidelijk leesbare kennisgeving, bevestigd in de onmiddellijke omgeving van de hoofdingang van dat gebouw, aan te geven. 2.Burgemeester en wethouders kunnen van de in het eerste lid bedoelde verplichting ontheffing verlenen. Artikel50Alarminstallaties 1.Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders in, op of aan een onroerende zaak een alarminstallatie geïnstalleerd te hebben die een voor de omgeving opvallend geluids- of lichtsignaal kan produceren. 2.Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing voor zover de Wet op de Particuliere Beveiligingsorganisaties en Recherchebureaus van toepassing is. Artikel51Loslopende honden, verboden plaatsen, identificatie Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is, behalve op die gedeelten van de weg, die door burgemeester en wethouders bij openbaar bekend gemaakt besluit zijn aangewezen, mits die hond onder behoorlijk toezicht staat; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, stadsboerderij, zandbak, speelweide, begraafplaats of op een andere door burgemeester en wethouders aangewezen plaats; op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een door middel van tatoeage aangebracht identificatiemerk, die de eigenaar of houder duidelijk doen kennen. Artikel52Verontreiniging door honden 1.De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet: op een gedeelte van de weg dat is bestemd of mede is bestemd voor het verkeer van voetgangers; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, stadsboerderij, zandbak, speelweide of begraafplaats; op een andere door burgemeester en wethouders aangewezen plaats, of aangewezen buurt, anders dan op daarvoor specifiek aangewezen plekken (hondentoiletten/-uitlaatplaatsen). 3.De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven, indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd. Artikel53Gevaarlijke honden 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het terrein van een ander: anders dan kort aangelijnd, nadat burgemeester en wethouders aan de eigenaar of de houder hebben bekendgemaakt dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk achten en zij een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vinden; anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf, nadat burgemeester en wethouders de eigenaar of de houder hebben bekendgemaakt dat zij die hond gevaarlijk of hinderlijk achten en zij een aanlijn- en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vinden. 2.In afwijking van artikel 51, aanhef en onder c., geldt voor het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond moet zijn voorzien van een optisch leesbaar, niet verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of in de buikwand inhoudende een uniek nummer aan de hand waarvan de identiteit en het adres van de eigenaar of de houder van de hond kan worden achterhaald. 3.In het eerste lid wordt verstaan onder: muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Regeling agressieve dieren; kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter. 4.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing voor zover de Regeling agressieve dieren van toepassing is. Artikel54Gevaarlijk ras of type hond 1.Het is de eigenaar of de houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het terrein van een ander, anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf, indien de hond behoort tot een door burgemeester en wethouders bij openbare kennisgeving als gevaarlijk aangemerkt ras of type hond of door kruising daarmee verkregen verwanten. 2.In afwijking van artikel 51, aanhef en onder c, geldt voor het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond moet zijn voorzien van een optisch leesbaar, niet verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of in de buikwand inhoudende een uniek nummer aan de hand waarvan de identiteit en het adres van de eigenaar of de houder van de hond kan worden achterhaald. 3Burgemeester en wethouders zijn niet bevoegd rassen of typen honden aan te wijzen, waarvoor reeds in de Regeling agressieve dieren maatregelen zijn genomen. Artikel55Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1.Burgemeester en wethouders zijn bevoegd gedeelten van de gemeente of bepaalde plaatsen aan te wijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of van schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: aanwezig te hebben; dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen ter voorkoming of opheffing van overlast of van schade aan de openbare gezondheid gestelde regels; dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven. 2.Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door burgemeester en wethouders gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door hen is aangegeven. 3.Burgemeester en wethouders kunnen de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. 4.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is. Artikel55aVerbod voeren van dieren Burgemeester en wethouders kunnen gebieden aanwijzen waar het verboden is dieren te voeren. Artikel56Wilde dieren 1.Het is verboden een wild dier dat bij ontsnapping voor mens of dier gevaar kan opleveren, te houden of aanwezig te hebben anders dan ten behoeve van een circus dat in de gemeente optreedt en waarvoor door de burgemeester een vergunning is verleend. 2.Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel57Loslopend vee en pluimvee De rechthebbende op rij- of trekdieren, vee of pluimvee, dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee of pluimvee die weg niet kan bereiken. Artikel58Bijen 1.Het is verboden bijen te houden: binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; binnen een afstand van 30 meter van de weg. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen. 3.Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voorzover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid. 4.Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt niet voor zover de Wegenverordening Provincie Utrecht 1987 van toepassing is. 5.Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Afdeling5Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel59Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder: Handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht Verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar. Artikel60Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld: het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; de datum van verkoop of overdracht van het goed; een omschrijving van het goed, daaronder begrepen -voor zover dat mogelijk is- soort, merk en nummer van het goed; de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. Artikel61Voorschriften als bedoeld in artikel 437 ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437 ter, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in kennis stelt dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens schriftelijk opgave te doen van zijn woonadres en van het volledig adres van elke lokaliteit door hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik genomen; de onder a. bedoelde functionaris onder aanbieding van zijn register(

  1. s)onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen, schriftelijk in kennis te stellen van een verandering van zijn woonadres, zomede van het adres of de adressen van een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik zijnde lokaliteit; aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar voorkomt; indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a. bedoelde functionaris; zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage geven aan de burgemeester of een daartoe door de burgemeester aangewezen ambtenaar; wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van handelaar niet langer uitoefent, de onder a. bedoelde functionaris hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen. Artikel62Vervreemding van door opkoop verkregen goederen Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed is op de herkenbaarheid van het goed. Artikel63Verkoop van fietsen e.d. op de weg Het is verboden op of aan de weg fietsen, bromfietsen en scooters te koop aan te bieden, te verkopen of te kopen, anders dan direct vanuit een aan de weg gevestigd detailhandelsbedrijf voor rijwielen. Afdeling6Vuurwerk Artikel64Begripsomschrijving In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het Vuurwerkbesluit van toepassing is. Artikel65Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen 1.Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden 2.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van de openbare orde en in het belang van het voorkomen of beperken van overlast. 3.VERVALLEN Artikel66Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1.Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door burgemeester en wethouders in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2.Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of op een voor publiek toegankelijke plaats te bezigen indien zulks gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3.De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor zover artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Afdeling7Drugsoverlast Artikel67VERVALLEN Artikel68Verbod begeven op de weg of het water om drugs te verhandelen Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden of op of aan openbaar water post te vatten, zich daar heen en weer te bewegen, alsmede zich op of aan het openbaar water in of op een vaartuig te bevinden of daarmee heen en weer te varen, met het kennelijk doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Afdeling8Bestuurlijke ophouding Artikel68aBestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats, indien deze personen het bepaalde in de artikelen 9, 10, 17, 19, 22, 25, 28, 33C, 37, 39, 42, 66 of 118 van de Algemene Plaatselijke Verordening Utrecht groepsgewijs niet naleven. Artikel68bCameratoezicht op openbare plaatsen 1.De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats, als bedoeld in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties. 2.De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van de navolgende voor eenieder toegankelijke plaatsen: openbare parkeerplaatsen of openbare parkeerterreinen. HOOFDSTUK3SEKSINRICHTINGEN E.D. Artikel69Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling; seksinrichting: hieronder wordt in ieder geval verstaan een prostitutiebedrijf, seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; (raam) prostitutiebedrijf: de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin prostitutie plaatsvindt, bij een raamprostitutiebedrijf voorzien van één of meer vitrines. Onder deze definitie vallen ook erotische massagesalons en prostitutiehotels; werkruimte: een gedeelte van een prostitutiebedrijf waarin de feitelijke seksuele dienstverlening door de prostituee plaatsvindt; vitrine: al dan niet van de werkruimte deel uitmakende ruimte met één of meer ramen en/of deuren van waarachter de prostituee tracht de aandacht van de prostituanten op zich te vestigen; escortbedrijf: de natuurlijke of rechtspersoon die bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig is, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in een bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht; exploitant: de natuurlijke of rechtspersoon die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert; beheerder: de natuurlijke persoon die met het feitelijk beheer en het dagelijks toezicht in een seksinrichting is belast of feitelijk het escortbedrijf beheert; bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: de exploitant; de beheerder; de prostituee; het personeel dat in de inrichting werkzaam is; ambtenaren belast met opsporing van strafbare feiten en/of toezicht op de naleving van deze verordening en andere personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende reden noodzakelijk is; bevoegd orgaan: het college van burgemeester en wethouders of, voor zover het betreft voor publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. Artikel70Seksinrichtingen Vergunning: Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd orgaan een seksinrichting te exploiteren. Aanvraag In de aanvraag voor een vergunning wordt in ieder geval gemeld: voor welk type seksinrichting een vergunning wordt aangevraagd; wie de inrichting exploiteert; welke perso(o)n(
  2. en)in de inrichting als beheerder(
  3. s)optreden en hoeveel werkruimten in de inrichting aanwezig zijn. Gedragseisen exploitant en beheerder: De exploitant -indien een rechtspersoon: de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke perso(o)n(en)- of de beheerder: staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag en heeft de leeftijd van éénentwintig jaar bereikt. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant -indien een rechtspersoon: de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke perso(o)n(en)- of de beheerder niet: met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechtelijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van meer dan EUR 500,00 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, onder a van het Wetboek van Strafrecht, (mede) wegens overtreding van: bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank - en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen; de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 197a tot en met 197c, 240b, 242 tot en met 249, 250a, 252, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater of 453 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen 8 en 162, derde lid alsmede artikel 6 j* artikel 8 of j* artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27, en 30b van de Wet op de kansspelen; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. Met een veroordeling als bedoeld in het vierde lid wordt gelijk gesteld: vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom EUR 375,00 of minder bedraagt; een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. De periode van vijf jaar, genoemd in het vierde lid, wordt: bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die c.q. dat voor ten minste één maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning als bedoeld in dit artikel is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft. Beslissingstermijn: het bevoegd orgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is; het bevoegd orgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste twaalf weken verdagen. Weigering vergunning: De vergunning als bedoeld in het eerste lid, wordt geweigerd als: de exploitant of beheerder van de inrichting niet voldoet aan de in het derde tot en met zevende lid gestelde eisen; de vesting of exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan; er aanwijzingen zijn dat in de inrichting personen werkzaam zullen zijn in strijd met artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde; in de inrichting minderjarigen werkzaam (zullen) zijn. De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; het voorkomen of beperken van de aantasting van de woon- en leefomgeving; de veiligheid van personen en goederen; de verkeersvrijheid of -veiligheid; de gezondheid of zedelijkheid; de arbeidsomstandigheden van de prostituee. Toezicht: De exploitant, of de daarvoor aangestelde en in de vergunning vermelde beheerder(s), is verplicht tijdens de openingsuren aanwezig te zijn in de seksinrichting en er voortdurend op toe te zien dat in de inrichting: geen strafbare feiten plaatsvinden waaronder in ieder geval de feiten als genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen zeden), XX (mishandeling) XXII (diefstal) en XXX (heling) en het Tweede Boek van het Wetboek van strafrecht, de Opiumwet en de Wet wapens en munitie; geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde; geen minderjarigen in de inrichting aanwezig zijn en prostitutiebedrijven van één eigenaar die tezamen binnen een straal van 500 meter liggen, kunnen gebruik maken van een gemeenschappelijke beheerder. Beleidsregels: Het bevoegd orgaan kan, met het oog op het tiende lid genoemde belangen, beleidsregels vaststellen. Vervallen vergunning: De vergunning vervalt zodra: de exploitant de exploitatie van de seksinrichting feitelijk beëindigt en de beheerder het beheer van de seksinrichting feitelijk beëindigt. De exploitant is verplicht binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie of het beheer het bevoegd orgaan daarvan schriftelijk in kennis te stellen. Intrekking vergunning. Het bevoegd orgaan kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid tijdelijk, geheel of gedeeltelijk intrekken indien de exploitant of zijn rechtsopvolger (degene die na beëindiging van de exploitatie door de exploitant een vergunning voor de exploitatie van het bedrijf heeft aangevraagd), dan wel (indien van toepassing) de beheerder, handelt in strijd met het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde. Sluiting seksinrichtingen. Het bevoegd orgaan kan de, al dan niet tijdelijke, gehele of gedeeltelijke sluiting van een seksinrichting bevelen indien: gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; de exploitant of zijn rechtsopvolger, dan wel (indien van toepassing) de beheerder, handelt in strijd met het bij of krachtens dit hoofdstuk genoemde belangen noodzakelijk is; dat met het oog op de bescherming van de in het tiende lid genoemde belangen noodzakelijk is. Van het bevel tot sluiting wordt een afschrift aangebracht of op nabij van de toegang(
  4. en)van de seksinrichting. Een ieder is verplicht dit toe te laten en het afschrift te laten hangen zolang de sluiting van kracht is. Het is de exploitant verboden, nadat de sluiting conform het vijftiende lid bekend is gemaakt, de inrichting bezoekers toe te laten of te laten verblijven; het is bezoekers verboden in de ruimte te verblijven. Het bevoegd orgaan kan het bevel tot sluiting op verzoek van de exploitant intrekken, indien het gewaarborgd acht dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. Vaststellen sluitingsuren. Het bevoegd orgaan kan, indien wordt gehandeld in strijd met de bepalingen in dit hoofdstuk, met het oog op de in het tiende lid genoemde belangen of bij overtreding van de aan de vergunning verbonden voorwaarden, tijdelijk of voor onbeperkte tijd voor een afzonderlijke seksinrichting sluitingsuren vaststellen. Maximum aantal vergunningen prostitutiebedrijven. Het bevoegd orgaan verleent ten hoogste aan 53 prostitutiebedrijven een vergunning. In de vergunning wordt het per 1 januari 1999 aanwezige aantal werkruimten per prostitutiebedrijf vastgelegd, dit aantal mag niet worden uitgebreid. Escortbedrijven. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd orgaan een escortbedrijf te exploiteren. De vergunning wordt geweigerd of ingetrokken als: de exploitant of beheerder van het escortbedrijf niet voldoet aan de in het derde tot en met zevende lid gestelde eisen; het escortbedrijf prostitutie aanbiedt door minderjarigen of er in strijd wordt gehandeld met het bij of krachtens de Wet arbeid Vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. Artikel71Overgangsbepaling 1.Op het exploiteren van een voor de inwerkingtreding van dit hoofdstuk bestaande en gedoogde inrichting is het gestelde in artikel 70 niet van toepassing, behoudens het gestelde in het vijftiende lid: gedurende twaalf weken na het in werking treden van artikel 70, eerste lid; na afloop van de onder a gestelde termijn, indien de exploitant een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 70, eerste lid, heeft ingediend, totdat daarover een besluit is genomen en dat besluit onherroepelijk is geworden. 2.Indien de gevraagde vergunning wordt geweigerd, stelt het bevoegd orgaan de aanvrager een redelijke termijn voor het beëindigen van de exploitatie van de inrichting, tenzij onmiddellijke sluiting noodzakelijk is. 3.Het bevoegd orgaan kan gedurende de periode bedoeld in het eerste of tweede lid de exploitant aanschrijven tot het treffen van in die aanschrijving te vermelden voorzieningen, indien het dat in verband met de in artikel 70, tiende lid onder a t/m g genoemde belangen noodzakelijk acht. 4.Het bevoegd orgaan beveelt de sluiting van de inrichting na het verlopen van de termijn in het eerste lid en kan tot sluiting bevelen indien niet is voldaan aan het in het derde lid gestelde. Artikel 70, zestiende, zeventiende en achttiende lid zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel72Sekswinkels 1.Het is verboden seksartikelen openlijk ten toon te stellen of openlijk aan te bieden: wanneer men weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit door de wijze van ten toon stellen of aanbieden de openbare orde of rust in gevaar brengt: anders dan overeenkomstig de door de burgemeester, dan wel burgemeester en wethouders in het belang van de openbare orde of rust gestelde regels. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing bij opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken of afbeeldingen die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens, als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet. Artikel73Straatprostitutie 1.Het is aan een persoon van wie redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze zich aan prostitutie overgeeft, verboden op de weg, dan wel elders op voor het publiek toegankelijke plaatsen, iemand door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet op door het college aangewezen wegen of plaatsen gedurende door het college vastgestelde tijden, mits degene die tot prostitutie beweegt, uitnodigt of daartoe aanlokt, beschikt over een vergunning van het daartoe bevoegd bestuursorgaan. 3.De aanvraag om vergunning als bedoeld in het tweede lid, dient: te geschieden door middel van een door het bevoegd bestuursorgaan vastgesteld formulier en dient in ieder geval de gegevens van de aanvrager te bevatten en dient door de aanvrager in persoon te worden gedaan ten overstaan van een daartoe door het bevoegd bestuursorgaan gemandateerd ambtenaar. 4.Vergunningen hebben een door het bevoegd bestuursorgaan vast te stellen beperkte geldigheidsduur. 5.De vergunning vervalt indien de vergunninghouder daar gedurende een door het bevoegd bestuursorgaan te bepalen periode geen gebruik van heeft gemaakt. 6.a. De vergunning wordt geweigerd indien: er aanwijzingen zijn dat de aanvrager werkzaam zal zijn in strijd met artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid Vreemdelingenwet bepaalde; de aanvrager de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt heeft of het bevoegd bestuursorgaan een maximum aan te verlenen vergunningen heeft vastgesteld en dit maximum is bereikt. b. De vergunning kan worden geweigerd: in het belang van de openbare orde; in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- of leefklimaat; in het belang van de veiligheid van personen of goederen; in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid; in het belang van de gezondheid of zedelijkheid, of in het belang van de arbeidsomstandigheden van de prostituee. 7.Met het oog op de in het zesde lid, onder b genoemde belangen, kan het bevoegd bestuursorgaan over de uitoefening van de bevoegdheden in dit artikel nadere regels vaststellen. 8.Het bevoegd bestuursorgaan kan de vergunning als bedoeld in het tweede lid voor bepaalde of onbepaalde tijd intrekken, indien de vergunninghouder: het bepaalde bij of krachtens dit artikel overtreedt; het bepaalde bij of krachtens artikel 6, onder a, b, c of e van deze verordening overtreedt, of in enig opzicht van slecht levensgedrag is 9.Door toezichthouders belast met de naleving van het bepaalde bij of krachtens dit artikel en politie-ambtenaren kan het bevel worden gegeven zich onmiddelijk in een bepaalde richting te verwijderen: met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, of aan personen die zich bevinden op de wegen, plaatsen en tijden bedoeld in het tweedelid, met het oog op de in het zesde lid, onder b genoemde belangen. HOOFDSTUK4BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE Afdeling1Geluidhinder Artikel74Geluidhinder 1.Het is verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2.Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen. 3.Burgemeester en wethouders kunnen terreinen of wateren aanwijzen, waar het verbod, vervat in het eerste lid, niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van toestellen of geluidsapparaten, voor zover wordt voldaan aan de door burgemeester en wethouders vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van (geluid)hinder. 4.De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betreffen: het maximale geluidsniveau; de situering van geluidsbronnen; de frequentie en tijden van gebruik. 5.Het in dit artikel bepaalde geldt niet, voor zover artikel 50, de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde voorschriften, de Wet geluidhinder, de Wegenverkeerswet 1994, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, het Reglement Verkeerstekens en verkeersregels 1990 of het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen van toepassing zijn. Afdeling2Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel75Winkelwagentjes 1.Het is verboden zich met een winkelwagentje op of aan de weg te bevinden op een afstand van meer dan 100 meter van het bedrijf dat het winkelwagentje ter beschikking heeft gesteld. 2.Het is verboden een winkelwagentje te deponeren of achter te laten op of aan de weg, anders dan op plaatsen die daartoe door de rechthebbende zijn aangewezen. 3.Burgemeester en wethouders kunnen gebieden aanwijzen waarbinnen bedrijven die winkelwagentjes ter beschikking stellen verplicht worden op of aan de weg achtergelaten of gedeponeerde winkelwagentjes direct te verwijderen. 4.Het is de rechthebbende op een bedrijf verboden winkelwagentjes ten behoeve van het publiek ter beschikking te stellen zonder dat deze zijn voorzien van een duidelijk leesbare aanduiding van de naam en het adres van het bedrijf. 5.Het bepaalde in het derde lid geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is. Artikel76Verontreiniging van de weg en van terreinen (VERVALLEN) Artikel77Verontreiniging bij werkzaamheden op de weg (VERVALLEN) Artikel78Afvalbakken in inrichtingen voor het verbruiken van eet- en drinkwaren (VERVALLEN) Artikel79Strooibiljetten (VERVALLEN) Artikel80Reiniging van de weg Het is verboden een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan op een door burgemeester en wethouders ten behoeve van het reinigen van de weg aangewezen weggedeelte, gedurende de daarbij aangeduide tijdsperiode. Artikel81Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting of plaats. Artikel82VERVALLEN Artikel83Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen. Afdeling3Het bewaren van houtopstanden Artikel84Begripsomschrijvingen a.boom: een houtachtig, overblijvend gewas, dat: een- of meerstammig kan zijn, waarbij in geval van meerstammigheid de stammen zich bovengronds moeten vertakken; een dwarsdoorsnede van de stam, of bij meerstammigheid de dwarsdoorsnede van de dikste stam, van 15 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld heeft. b.houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen, een lintbeplanting in de vorm van heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoen. c.hakhout: een of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen. d.knotten/kandelaberen: het tot op de snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud. e.bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid van de Boswet. f.boomwaarde: het getal dat wordt gevonden door het product van de volgende factoren: de oppervlakte in vierkante centimeters van de dwarsdoorsnede op 1,3 meter boven het maaiveld; de geïndexeerde eenheidsprijs per vierkante centimeter; de standplaatswaarde; de conditiewaarde; de waarde van de plantwijze. a.vellen: afzagen, afhakken verplaatsen, rooien met inbegrip van verplanten en het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben. Artikel85Velverbod 1.Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders houtopstand te vellen of te doen vellen. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor houtopstanden buiten de bebouwde kom in de zin van de Boswet, indien het betreft: wegbeplanting of eenrijige beplanting op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot; fruitbomen en windschermen om boomgaarden; fijnsparren of andere coniferen, niet ouder dan twaalf jaren, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen; kweekgoed; houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig door het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is buiten de bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan tien are; ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan twintig bomen, gerekend over het totale aantal rijen. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor: houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of last van burgemeester en wethouders, zulks onverminderd het bepaald in de artikelen 91 en 93; het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud; het periodiek knotten of kandelaberen als cultuurmaatregel bij daarvoor geschikte boomsoorten; bomen met een dwarsdoorsnede van de stam tot maximaal 15 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld; bomen met een ouderdom van 49 jaar of jonger die zich bevinden op een kadastraal perceel van gelijk of minder dan 300 m2. Artikel86Aanvraag vergunning 1.De vergunning moet, schriftelijk en gemotiveerd onder bijvoeging van een situatieschets, worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken. 2.Indien het agentschap van de Landelijke Service bij Regelingen (LASER) van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij aan burgemeester en wethouders een afschrift heeft toegezonden van de ontvangstbevestiging als bedoeld in artikel 2 van de Boswet, beschouwen burgemeester en wethouders dit afschrift mede als een vergunningaanvraag. Artikel87Vervallen vergunning Een vergunning vervalt indien er niet binnen de door burgemeester en wethouders bij de vergunning te bepalen termijn gebruik van is gemaakt. Artikel88Vergunningvoorschriften en weigeringsgronden 1.Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van : ecologische waarde; ruimtelijke waarde; milieuwaarde; cultuurhistorische waarden; 2.Burgemeester en wethouders kunnen bij het weigeren of onder voorschriften verlenen van een vergunning tevens de boomwaarde als motivering hanteren. 3.Indien een vergunning wordt verleend, wordt dit besluit bekend gemaakt en wordt bepaald, dat eerst zes weken na de datum van het verlenen van de vergunning daadwerkelijk de houtopstand geveld mag worden. 4.Burgemeester en wethouders kunnen toestemming geven tot direct vellen indien sprake is van spoedeisend belang. Artikel89Bijzondere vergunningvoorschriften 1.Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door burgemeester en wethouders te geven aanwijzingen moet worden herplant. 2.Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald op welke wijze en binnen welke termijn niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen. 3.Tot aan de vergunning te verbinden voorschriften kunnen behoren aanwijzingen ter bescherming van in en rond de houtopstand voorkomende flora en fauna, met name het niet uitvoeren van velwerkzaamheden ter bescherming van broedende vogels. Artikel90Afstand van de grenslijn De afstand als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 50 centimeter voor bomen en nihil voor heggen en heesters. Artikel91Herplant-/instandhoudingsplicht 1.Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van burgemeester en wethouders is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kunnen burgemeester en wethouders van aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen bennen een door hen te stellen termijn. 2.Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde beplanting moet worden vervangen. 3.Indien een houtopstand waarop het verbod tot het vellen als bedoel in deze afdeling van toepassing is, door uitvoering van werkzaamheden, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kunnen burgemeester en wethouders aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen. 4.Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid is opgelegd, alsmede aan diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen. Artikel92Schadevergoeding Burgemeester en wethouders beslissen op een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 17 van de Boswet. Artikel93Bestrijding iepziekte 1.Dit artikel verstaat onder: Iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau); Iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus, Scolytus (F.) en Scolytus multistratus (Marsch) en Scolytus Pygmaeus. 2.Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die naar het oordeel van burgemeester en wethouders gevaar opleveren van verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van de iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door burgemeester en wethouders is aangeschreven, verplicht binnen de bij aanschrijving vast te stellen termijn: indien de iepen in de grond staan, deze te vellen; de iepen te ontbasten en de bast te vernietigen; de niet ontbaste iepen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen. 3.Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren. 4.Het verbod, zoals bedoeld in het derde lid, is niet van toepassing op geheel ontbast iepenhout en op iepenhout met een doorsnee van kleiner dan vier centimeter. 5.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod, zoals bedoeld in het derde lid. Afdeling4Bescherming van flora en fauna Artikel94Bescherming groenvoorzieningen Het is in een voor publiek toegankelijk park of plantsoen of in bij de gemeente in onderhoud zijnde groenstroken, grasperken of bloembakken verboden enige schade toe te brengen aan een boom of een bloem- of heesterperk, dan wel aldaar bloemen te plukken. Artikel95Beschermde planten 1.Burgemeester en wethouders zijn bevoegd plaatsen aan te wijzen waar het ter bescherming van het natuur-, landschaps- of stadsschoon verboden is daarbij aangeduide bloemen of planten te plukken of bij zich te hebben. 2.Het is verboden op een, door burgemeester en wethouders, krachtens het eerste lid, aangewezen plaats de daarbij aangeduide bloemen of planten te plukken, bij zich te hebben. 3.Het in dit artikel bepaalde geldt niet: ten aanzien van door of met toestemming van de rechthebbende ter plaatse verkregen dan wel elders afkomstige bloemen of planten of hout; indien de in dit artikel bedoelde handelingen worden verricht in het kader van normale onderhoudswerkzaamheden; voor zover de Natuurbeschermingswet van toepassing is. 4.Het in het tweede lid, aanhef en onder b., bepaalde geldt voorts niet: ten aanzien van hout afkomstig van houtopstanden waarop het in artikel 85 van deze verordening gestelde verbod niet van toepassing is; ten aanzien van hout dat moet worden verwijderd krachtens een verordening van het Bosschap. 5.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. Artikel95aVerlichting in bomen 1.Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders verlichtingselementen in bomen te bevestigen, die zich bevinden op de openbare weg. 2.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt uitsluitend verleend aan: een winkeliersvereniging indien de aanvraag betrekking heeft op bomen binnen door burgemeester en wethouders aan te wijzen winkelconcentratiegebieden of een buurtvereniging die een straat- of buurtfeest organiseert indien de verlichting wordt aangebracht ten behoeve van niet-commerciële festiviteiten. 3.Burgemeester en wethouders bepalen de tijden, waarbinnen het is toegestaan dat de verlichtingselementen werken, alsmede de lichtintensiteit van deze elementen onder de volgende restricties: in gebieden aangeduid in het tweede lid, sub a, geldt een maximale gebruiksperiode van drie aaneengesloten maanden per jaar; in situaties als aangeduid in het tweede lid, sub b, geldt een maximale gebruiksperiode van één week. 4.Vergunningverstrekking: een vergunning als bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt verleend voor een periode aan van ten hoogste vijf jaar; een vergunning als bedoeld in het tweede lid, onder b, wordt verleend voor een periode van ten hoogste één week; in de vergunningsvoorschriften kan worden geregeld dat de verlichtingselementen buiten de gebruiksperiode moeten worden verwijderd. 5.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd: indien de aanvraag betrekking heeft op bomen met monumentale waarde; indien het bevestigen, bevestigd houden of het verwijderen van de verlichtingselementen de dood van de boom ten gevolge kan hebben; indien de boom wordt gebruikt door één of meer beschermde diersoorten in de zin van de Flora- en faunawet. 6.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: indien het bevestigen, bevestigd houden of verwijderen van de verlichtingselementen beschadiging van de boom ten gevolge kan hebben; indien de verlichtingselementen of het verlichten daarvan ontsiering van de boom of van de omgeving ten gevolge heeft, zulks ter beoordeling van burgemeester en wethouders; indien binnen vijf jaren onderhoud aan de boom plaatsvindt; indien het bevestigen, bevestigd houden of het verwijderen van de verlichtingselementen of het verlichten daarvan het welzijn van nestelende, rustende of overwinterende dieren kan verstoren; indien het bevestigen, bevestigd houden of het verwijderen van de verlichtingselementen gevaar kan opleveren voor mens en dier. Afdeling5Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel96Opslag bromfietsen, motorvoertuigen, caravans, afvalstoffen, mest, ingekuilde landbouwproducten e.d. 1.Burgemeester en wethouders kunnen, in de openlucht, buiten de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is een of meer van de volgende daarbij nader aangeduide, voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. 2.In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994. 3.Het is verboden op een door burgemeester en wethouders krachtens het eerste lid aangewezen plaats een door hen aangeduid voorwerp of stof: op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben; dan wel op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels. 4.Indien het opslaan, plaatsen of aanwezig hebben van voorwerpen of stoffen gebeurt in strijd met het bepaalde krachtens het eerste lid kunnen burgemeester en wethouders degene die de voorwerpen, stoffen of opslagplaatsen opgeslagen, geplaatst of aanwezig heeft aanschrijven tot het treffen van maatregelen ter bescherming van de belangen als bedoeld in het eerste lid. Degene tot wie de aanschrijving is gericht, of diens rechtsopvolger, is verplicht deze aanschrijving op te volgen. 5.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet milieubeheer, Wet op de Ruimtelijke Ordening of de Verordening bescherming natuur en landschap in de provincie Utrecht 1982 van toepassing is. Artikel97Stankoverlast door gebruik van dierlijke meststoffen 1.Dit artikel verstaat onder: dierlijke meststoffen: dierlijke meststoffen als bedoeld in artikel 1 van de Meststoffenwet (Stb.1986, 598); emissiearm aanwenden: gebruiken van dierlijke meststoffen op de wijze die is aangegeven in de bij het Besluit dierlijke meststoffen (Besluit van 25 maart 1987, Stb. 114) behorende bijlage II, met dien verstande echter dat onder 3, punt a onder 2e gelezen moet worden: 'tijdens het uitrijden van de dierlijke mest deze gelijktijdig wordt ondergewerkt'; grond: bouwland, maïsland en grasland. 2.Onverminderd het bepaalde in het Besluit gebruik dierlijke meststoffen is het verboden op gronden dierlijke meststoffen uit te rijden, op te brengen, te doen uitrijden of te doen opbrengen op zaterdag en zon- en feestdagen. 3.Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing voor zover de dierlijke mest emissiearm, als bedoeld in dit artikel, wordt aangewend. 4.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van de in het tweede lid gestelde verboden. 5.Vervoer van dierlijke meststof als dunne mest dient te geschieden in volledig gesloten transportmiddelen die in een zindelijke staat verkeren. Artikel98Buitenreclame (VERVALLEN). Artikel99Ontsierende, hinderlijke of gevaarlijke reclames e.d. (VERVALLEN). HOOFDSTUK5ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE Afdeling1Parkeerexcessen Artikel100Begripsomschrijvingen In deze afdeling wordt verstaan onder: wegen: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten; parkeren: het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen. Artikel101Parkeren van voertuigen van autobedrijf en gebruik weg als werkplaats 1.Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 50 meter met als middelpunt een dezer voertuigen. 2.Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. 3.Het is verboden de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. 4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet: voor het parkeren van voertuigen waarvoor een standplaats op een automarkt is aangewezen, op deze standplaats gedurende de tijd dat deze markt wordt gehouden. voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is. Artikel102Te koop aanbieden van voertuigen 1.Het is verboden op door burgemeester en wethouders bij openbaar besluit aangewezen wegen of weggedeelten een voertuig te kopen, te verkopen, te koop aan te bieden, af te leveren, te koop te vragen, door woorden of gedragingen te kennen te geven handel in voertuigen te willen drijven, dan wel te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. 2.Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid bedoelde verbod ontheffing verlenen. 3.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is. Artikel103Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmede als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren. Artikel104Voertuigwrakken 1.Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te hebben. 2.Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig, dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is. Artikel105Caravans e.d. 1.Het is verboden een kampeerwagen, caravan, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd: langer dan op drie achtereenvolgende dagen, hetzij steeds op dezelfde plaats, hetzij met enige verandering van plaats op door burgemeester en wethouders aangewezen wegen te doen of laten staan, waar dit parkeren naar hun oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; op een door burgemeester en wethouders aangewezen plaats te doen of laten staan, waar dit naar hun oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a., gestelde verbod. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wegenverordening Provincie Utrecht 1987 of de Verordening bescherming natuur en landschap provincie Utrecht 1996 van toepassing is. Artikel106Parkeren van reclamevoertuigen (VERVALLEN). Artikel107Parkeren van grote voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan zes meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door burgemeester en wethouders aangewezen plaats, waar dit parkeren naar hun oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan zes meter te parkeren op een door burgemeester en wethouders aangewezen weg, waar dit parkeren naar hun oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. 3.Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur. 4.Burgemeester en wethouders kunnen van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen. Artikel108Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen 1.Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan zes meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet: gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is. Artikel109Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen 1.Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen te parkeren daar, waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is. Artikel110Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1.Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door dan wel deze te doen staan of laten staan in een park, plantsoen of van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing: op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering van werkzaamheden door of vanwege de overheid; op voertuigen, waarmede standplaats wordt of is ingenomen op terreinen welke mede of uitsluitend voor dit doel zijn bestemd; op wegen als bedoeld in artikel 100. 3.Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Afdeling2Collecteren, venten, standplaatsen en particuliere markten Artikel111Inzameling van geld of goed 1.Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden. 2.Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook geschreven en gedrukte stukken worden gerekend, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel bestemd is. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt. 4.Burgemeester en wethouders kunnen onder door hen te stellen voorschriften vrijstelling verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod voor inzamelingen die gehouden worden door daarbij aangewezen instellingen. Artikel112Straathandel 1.Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders, in de uitoefening van de straathandel, andere waren dan gedrukte of geschreven stukken, waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard, te koop aan te bieden, te verkopen of af te leveren op of aan de weg of op of aan een openbaar water. De straathandel vanuit een vast verkooppunt mag noch geheel, noch gedeeltelijk bestaan uit het exploiteren van een zitgelegenheid waar dranken of spijzen voor directe consumptie worden bereid, geserveerd en/of genuttigd. 2.Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning weigeren op de gronden zoals bedoeld in artikel 13 van de Standplaatsenverordening 2001. 3.Deze bepaling is niet van toepassing op straathandel in de zin van de Standplaatsenverordening 2001. 4.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het verboden in het gebied dat begrensd wordt door de Catharijnesingel, de Weerdsingel, de Wittevrouwensingel, de Maliesingel en de Tolsteegsingel en binnen het winkelcentrum Hoog Catharijne gelegen overdekte voetgangerstraversen, anders dan in de uitoefening van de ambulante handel in de zin van de Standplaatsenverordening 2001 en de Marktverordening 1997, de weg in te nemen voor de verkoop van goederen en waren vanuit een vast verkooppunt. 5.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in het vierde lid van dit artikel gestelde verbod voor de binnen het winkelcentrum Hoog Catharijne gelegen overdekte voetgangerstraversen. 6.De in het eerste lid van artikel 10 van de Uitstalverordening 2001 bedoelde nadere regels van burgemeester en wethouders zijn van overeenkomstige toepassing op de ontheffing als bedoeld in het vijfde lid van dit artikel. Artikel113Standplaats voor een ander doel dan straathandel 1.Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een standplaats op of aan de weg of aan een openbaar water in te nemen, voor een ander doel dan straathandel, met een tafel, een kraam, een voertuig of ander voorwerp. 2.Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning weigeren op grond van de gronden zoals bedoeld in artikel 13 van de Standplaatsenverordening 2001. Artikel114Verkoopbijeenkomsten e.d. 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester: in of op een -al dan niet met enige beperking- voor het publiek toegankelijk gebouw of plaats een markt te organiseren of toe te laten, waar ter plaatse aanwezige goederen worden verhandeld; toe te laten, te bevorderen of er gelegenheid toe te geven, dat in of op een -al dan niet met enige beperking- voor publiek toegankelijk gebouw of plaats met een kraam, een tafel of enig ander dergelijk middel standplaats wordt of is ingenomen om goederen aan publiek aan te bieden, te verkopen of te verstrekken. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend geheel en voortdurend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet. 3.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd: in het belang van de openbare orde; in het belang van een krachtens artikel 160, eerste lid, onder h Gemeentewet ingestelde markt. Artikel115Verbod tot handel in vee of paarden buiten het marktterrein Het is verboden op een dag, waarop in de gemeente vee- of paardenmarkt wordt gehouden, op die gedeelten van de weg, waar het in het belang van de openbare orde of gezondheid ongeoorloofd is verklaard blijkens openbaar bekend gemaakt besluit van Burgemeester en Wethouders, vee of paarden te kopen, te verkopen, te koop aan te bieden of af te leveren, binnen de uren door hen bij dat besluit bepaald. Afdeling3Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel116Crossterreinen 1.Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z en een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2.Burgemeester en wethouders kunnen terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Zij kunnen daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen: in het belang van het voorkomen of beperken van overlast; in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten en/of van het publiek. 3.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 4.Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet milieubeheer, of het Besluit geluidsproductie sportmotoren van toepassing is. Artikel117Beperking verkeer in natuurgebieden 1.Burgemeester en wethouders kunnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen aanwijzen ten aanzien waarvan zij verklaren, dat het rijden met een motorvoertuig of een bromfiets als bedoeld in artikel 4 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een paard aldaar overlast kan veroorzaken of schade kan berokkenen aan milieuwaarden. 2.Het is verboden op krachtens het eerste lid aangewezen plaatsen: zich met een motorvoertuig of een bromfiets als bedoeld in het vorige lid of met een fiets of paard te bevinden; dan wel zich met een motorvoertuig of een bromfiets als bedoeld in het vorige lid of met een fiets of paard te bevinden buiten de in die aanwijzing aangeduide en als zodanig gemarkeerde paden; dan wel zich met een motorvoertuig, met een bromfiets of met een paard te bevinden op een in die aanwijzing aangeduid tijdstip. 3.Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 58 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 aangewezen hulpverleningsdiensten; die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen; die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; van de zakelijke gerechtigden en huurders en pachters van percelen gelegen binnen de door burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen; voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d. bedoelde personen. 4.Het in het tweede lid gestelde verbod geldt voorts niet: op primaire en secundaire wegen als bedoeld in de Wet uitkeringen wegen; op wegen die krachtens de Wet van 14 mei 1981, Stb. 287, voor motorrijtuigen of categorieën daarvan gesloten zijn verklaard; binnen de bij of krachtens de provinciale 'Verordening stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'. 5.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. Afdeling4Verbod vuur te stoken Artikel118Verbod vuur te stoken 1.Het is verboden in de openlucht vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. 3.De ontheffing bedoeld in het tweede lid kan worden geweigerd: in het belang van de openbare orde en veiligheid; ter bescherming van de zon- en leefomgeving; ter bescherming van de flora en de fauna; ter voorkoming van hinder of nadelige beïnvloeding van het milieu door rook, roet, stof, walm of stank. 4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover: op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften van toepassing is; de Provinciale Milieuverordening Utrecht 1995; artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, Wetboek van Strafrecht van toepassing is, of het verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke betreft, of het vuur voor koken, bakken en braden betreft, indien dat geen gevaar oplevert voor de omgeving, of het milieu nadelig beïnvloedt. Afdeling5Straatnaamborden, huisnummers e.d. Artikel119Gedoogplicht aanduidingen 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van burgemeester en wethouders, straatnaamborden, daarbij behorende onderschriften daaronder begrepen, huisnummers en wijkaanduidingen, worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Burgemeester en wethouders geven tevoren schriftelijk kennis aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid van hun voornemen over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van straatnaamborden, daarbij behorende onderschriften daaronder begrepen, huisnummers en wijkaanduidingen. Artikel120Verwijdering e.d. aanduidingen 1.Het is verboden enige aanduiding als bedoeld in artikel 119 eerste lid, te verwijderen, wijzigen, beschadigen, verplaatsen of onleesbaar te maken. 2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. 3.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor de rechthebbende op een bouwwerk die met inachtneming van het door burgemeester en wethouders vastgestelde huisnummer de aanduiding hiervan in afwijkende vorm wenst aan te brengen. Burgemeester en wethouders kunnen ter zake nadere regels stellen. Afdeling6Evenementen Paragraaf1 Binnenevenementen Artikel121aBegripsomschrijvingen 1.In deze paragraaf wordt onder evenement verstaan het geheel van activiteiten dat plaatsvindt bij een, al dan niet met enige beperkingen, voor het publiek toegankelijke verrichting van vermaak in een gebouw of een gedeelte daarvan met uitzondering van: betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; bioscoop- en theatervoorstellingen; sportwedstrijden voor zover deze plaatsvinden onder auspiciën van een bij de NOC*NSF aangesloten sportbond; voetbalwedstrijden als bedoeld in hoofdstuk 2, afdeling 2 van deze verordening; activiteiten in horecabedrijven die in de uitoefening van het horecabedrijf gebruikelijk zijn; verkoopbijeenkomsten als bedoeld in artikel 114 van deze verordening; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h. van de Gemeentewet; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; speelgelegenheden als bedoeld in artikel 35 van deze verordening. 2.In deze paragraaf wordt onder organisator verstaan een natuurlijke persoon of in geval van een rechtspersoon, de bestuurder van deze rechtspersoon dan wel diens gevolmachtigden, die een evenement als bedoeld in het eerste lid houdt of doet houden. Artikel121bVerbodsbepaling 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement als bedoeld in artikel 121a te houden of doen houden waarbij het totaal aantal van 2.000 bezoekers wordt overschreden gerekend over een aaneengesloten periode van 24 uur. 2.De burgemeester kan categorieën van evenementen aanwijzen waarop het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. 3.Onverminderd het bepaalde in artikel 4 van deze verordening, wordt aan de vergunning het voorschrift verbonden dat de organisator een verzekering tegen aansprakelijkheid met een toereikende dekking afsluit. Artikel121cNadere regels Met het oog op de in artikel 121g genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden in deze paragraaf nadere regels vaststellen. Artikel121dIndienen aanvraag 1.De aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 121b, eerste lid, dient te geschieden door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier. 2.In de aanvraag om een vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: de gegevens van de organisator; de geplande datum, tijdstip en locatie van het evenement; een omschrijving van de aard en karakter van het evenement; het te verwachten aantal bezoekers. 3.De aanvraag dient vergezeld te gaan van een door de organisator opgesteld veiligheidsplan. Artikel121eVereisten organisator 1.Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 121b, tweede lid, dient de organisator aan de volgende eisen te voldoen: hij mag niet onder curatele staan dan wel uit de ouderlijke macht of voogdij zijn ontzet; hij mag niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn; hij moet de leeftijd van éénentwintig jaar hebben bereikt en hij moet aantoonbare ervaring hebben in het organiseren van vergelijkbare evenementen als het evenement waarvoor vergunning wordt aangevraagd. 2.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid onder d gestelde vereiste. Artikel121fMaximum aantal personen De burgemeester stelt op basis van de aanvraag, het veiligheidsplan, het risicoprofiel van de beoogde bezoekers of de voor een goed verloop van het evenement noodzakelijk geachte inzet en beschikbaarheid van gemeentelijke- en hulpdiensten voor het evenement een maximum aantal toe te laten personen vast. Artikel121gEvenementenkalender De burgemeester stelt jaarlijks vóór 1 december een Evenementenkalender vast voor het volgende kalenderjaar. Degene die voornemens is een evenement te organiseren kan de burgemeester jaarlijks vóór 1 november verzoeken een evenement te plaatsen op de Evenementenkalender van het volgende jaar. Een dergelijk verzoek is geen aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 121b, eerste lid of artikel 121l. Aan de plaatsing van een evenement op de Evenementenkalender kunnen geen rechten worden ontleend met uitzondering van het bepaalde in artikel 121h, derde lid onder c of artikel 121s, derde lid onder d. Artikel121hWeigeringsgronden 1.De vergunning wordt geweigerd indien: niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 121d; niet wordt voldaan aan de ingevolge artikel 121e gestelde eisen. 2.De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; de verkeersveiligheid; de veiligheid van personen en goederen; de zedelijkheid of gezondheid. 3.Daarnaast kan de vergunning worden geweigerd, indien: onevenredig veel beslag wordt gelegd op de gemeentelijke en hulpdiensten; de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van het evenement; in de door de burgemeester vastgestelde Evenementenkalender als bedoeld in artikel 121g reeds een reservering is opgenomen voor een ander evenement op de gevraagde tijd, locatie of in de nabijheid daarvan. Artikel121iSamenloop Activiteiten, die deel uitmaken van een evenementenvergunning, zijn niet afzonderlijk vergunningplichtig uit hoofde van andere gemeentelijke publiekrechtelijke regelingen, niet zijnde belastingen, leges of retributievoorschriften. Artikel121jOrdeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. Paragraaf2Buitenevenementen Artikel121kBegripsomschrijvingen 1.In deze paragraaf wordt onder evenement verstaan het geheel van activiteiten dat plaatsvindt bij een voor het publiek toegankelijke bijzondere gebeurtenis, al dan niet met een openbaar dan wel besloten karakter, op of aan de weg of het openbaar water, met uitzondering van: betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h van de Gemeentewet. 2.In deze paragraaf wordt onder organisator verstaan een natuurlijke persoon of in geval van een rechtspersoon, de bestuurder van deze rechtspersoon dan wel diens gevolmachtigden, die een evenement als bedoeld in het eerste lid houdt of doet houden. Artikel121lVerbodsbepaling 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement als bedoeld in artikel 121k te houden. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 4 van deze verordening kan aan de vergunning het voorschrift verbonden worden dat de organisator een verzekering tegen aansprakelijkheid met een toereikende dekking afsluit 3.Indien een vergunning is verleend voor een evenement als bedoeld in het eerste lid, dan: wordt geen vergunning verleend aan derden voor op zichzelf staande activiteiten en handelingen op of aan de weg of het openbaar water gedurende de tijden waarop en in het gebied waar het evenement plaatsvindt; worden aanvragen om vergunning als bedoeld in de artikelen 17, 112, 113 of 114 van deze verordening geweigerd Artikel121oNadere regels Met het oog op de in artikel 121s genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden in deze paragraaf nadere regels vaststellen Artikel121pIndienen aanvraag 1.De aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 121l geschiedt door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier. 2.In de aanvraag om een vergunning wordt in ieder geval vermeld: de gegevens van de organisator; de datum, tijdstip en locatie van het evenement; een omschrijving van de aard en karakter van het evenement; een omschrijving van de activiteiten en handelingen die in het kader van het evenement plaatsvinden; het te verwachten aantal bezoekers van of deelnemers aan het evenement; 3.De burgemeester kan bepalen dat de aanvraag vergezeld wordt van een door de organisator opgesteld veiligheidsplan. Artikel121qVereisten organisator 1.Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in artikel 121l, dient de organisator aan de volgende eisen te voldoen: hij mag niet onder curatele staan dan wel uit de ouderlijke macht of voogdij zijn ontzet; hij mag niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn; hij moet de leeftijd van éénentwintig jaar hebben bereikt en hij moet aantoonbare ervaring hebben in het organiseren van vergelijkbare evenementen als het evenement waarvoor vergunning wordt aangevraagd. 2.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid onder a, c of d gestelde vereiste. Artikel121rEvenementenkalender Artikel 121g van deze verordening is op deze paragraaf van overeenkomstige toepassing. Artikel121sWeigeringsgronden 1.De vergunning kan worden geweigerd, indien: niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 121p of niet wordt voldaan aan de ingevolge artikel 121q gestelde eisen; 2.De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: de op

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.